topic

Over gezondheid en welzijn

537

plenaire vragen

14

voorstellen

meeste contributies

Het afglijden in armoede als gevolg van de werkloosheidshervorming

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 29 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Coenegrachts, Dermagne en Hedebouw bekritiseren de discriminerende btw-verhoging op cultuur (12% voor rock/rap vs. 6% voor opera/klassiek) als klassenjustitie en fiscale willekeur, terwijl de Voorzitter hun parlementaire vragen weigert omwille van eerdere commissiebehandeling – wat oppositieleiders als censuur en regeringsbescherming afschilderen. De Smet voegt daar aan toe dat nieuwe elementen (zoals de 12%-btw voor kermissen) onbehandeld blijven, wat de incoherentie van de regering-Jambon blootlegt. Schlitz valt minister Clarinval aan voor de werkloosheidshervorming, die volgens haar kwetsbare groepen (55-plussers, mantelzorgers, ALE-werkers) in de armoede duwt zonder voldoende noodmaatregelen, terwijl Clarinval de hervorming verdedigt als activatiebeleid met versterkte begeleiding en CPAS-steun – een antwoord dat Schlitz als ontwijkend en sociaal wreed bestempelt. Pas bekritiseert intussen de ontwijkende premier, die moeilijke vragen over regeringsconflicten delegeert.

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de voorzitter, toen u hier begon als voorzitter en telkens als we aan ons politiek jaar beginnen, roept u ons op om onze controlerende functie ernstig te nemen en om van dit Huis opnieuw de eerste macht in onze democratie te maken. Toch hebt u een controlerende vraag van mij over het btw-circus, over de btw-quatsch van deze regering, onontvankelijk verklaard.

Nochtans geeft een nieuw actueel element in De Standaard meer inzicht in de redenen waarop deze regering zich heeft gebaseerd om het onderscheid te maken tussen degenen die zich het pluche van de opera kunnen permitteren en degenen die met de botten in de modder naar concerten of festivals gaan kijken. Toch hebt u geweigerd, mijnheer de voorzitter. U hebt de regering in bescherming genomen. U hebt gezegd: neen, moeilijke vragen gaan we hier vandaag niet behandelen.

Ik wil dat ten zeerste betreuren. Al uw citaten van Rousseau en Montesquieu ten spijt vind ik dat u moet opkomen voor de rechten van het Parlement, voor het recht om kritische vragen te stellen, ook als ze moeilijk zijn voor minister Jambon.

Voorzitter:

U legt mij citaten van Rousseau in de mond. Ik denk niet dat ik die ooit geciteerd heb. Montesquieu wel.

De ontvankelijkheid van vragen is geen wiskundeoefening. Ik probeer daar ruimhartig mee om te springen, maar er vond gisteren al een heel uitgebreide commissievergadering plaats, waar dat thema zeer uitgebreid werd behandeld. Er zijn zelfs fracties uit de oppositie die mij daarvan op de hoogte hebben gebracht.

Ik heb dus een overweging gemaakt, collega Coenegrachts. Ik probeer dat absoluut niet te doen om moeilijke vragen te weren, want ik denk dat hier nog een hele reeks moeilijke vragen aan de regering is gericht. Dat is niet mijn beoordeling geweest, wel de toepassing van het Reglement.

Ik herhaal echter dat ik geen wiskundeformule kan voorleggen om dat wit of zwart te beoordelen. Als u de indruk zou hebben dat u of uw fractie in het bijzonder wordt geviseerd, hoewel ik denk dat dat niet klopt, dan moeten we het daar zeker eens over hebben.

Pierre-Yves Dermagne:

Sur le même sujet, puisque j’avais également déposé une question au ministre Jambon après la mauvaise saga de la taxe sur la valeur ajoutée appliquée aux plats à emporter, où ce gouvernement et cette majorité ont choisi de taxer davantage le fait ‑ minute, le frais, l ’ artisanal, plut ô t que l ’ industriel, je voulais aussi obtenir des é claircissements et des r é ponses concernant ce qui constitue un nouveau mauvais sketch de la majorit é et du ministre Jambon, au sujet de la TVA dans le secteur culturel dans son ensemble. On ne comprend pas pourquoi le rock, le rap ou la musique électro seraient plus taxés demain que la musique classique ou l’opéra, pour ne citer que quelques exemples.

Vous évoquez le fait que le ministre Jambon s’est longuement penché sur ces questions hier en commission. Le problème avec le ministre Jambon, c’est que les éléments de réponse fournis à nos questions génèrent plus d’interrogations, d’incompréhension et de colère dans les secteurs concernés que d’apaisement, de réponses ou de justifications concrètes. Vous dites que l’examen de la recevabilité d’une question d’actualité n’est pas une science exacte. Certes, monsieur le ministre, mais en tout cas, ce qui n’est manifestement pas une science exacte ni juste, c’est la politique fiscale de ce gouvernement.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le président, c'est la même incompréhension au sein de notre groupe. Nous avions également introduit une question sur cette décision absurde du gouvernement belge de vouloir taxer les concerts de musique classique: Mozart, Beethoven à 6 %, et tout ce qui est rock, hip ‑ hop, etc., à 12 %, soit deux fois plus!

Comment pouvez ‑ vous expliquer, franchement, que pour aller é couter du bon son: Disiz, Theodora ou du bon Booba, c'est 12 %, alors que pour aller é couter du Beethoven, ce sera 6 %? Comment pouvez ‑ vous expliquer cela? Que ferez ‑ vous, par exemple, lorsque Booba viendra en concert — du bon son, je vous le conseille, chers coll è gues – et qu ’ il d é barquera avec un orchestre philharmonique? Ce sera 6 % ou 12 %?

Wat gaan we doen met Helmut Lotti? Helmut Lotti Goes Classic valt onder 6 %. Als hij zijn rockversie brengt, is het echter 12 % btw. Hoe legt u dat uit? Dat heeft allemaal één reden: btw uit de zakken van de mensen halen. (…)

Voorzitter:

Mijnheer Hedebouw, ik wil u er nogmaals attent op maken dat die vragen gisteren gesteld zijn in de commissie. Ik zeg niet dat die vragen niet kunnen worden gesteld, want die vragen kunnen en moeten worden gesteld, maar ze zijn ook gesteld. Als ze niet gesteld zouden zijn, is er tussen gisteren en vandaag wat dat betreft weinig veranderd.

Barbara Pas:

Mijnheer de voorzitter, we hebben in de Conferentie al meermaals een discussie gevoerd over de beschikbaarheid van de premier in de plenaire zitting. Hij moet namelijk niet alleen langskomen als hij goed nieuws te melden heeft en om vragen over het buitenland te beantwoorden, maar ook om vragen te beantwoorden die voor hem misschien minder aangenaam of moeilijker zijn.

Hij was hier zojuist nog. Hij stond ook niet aangeduid als verontschuldigd. Ik heb een vraag aan hem ingediend met als duidelijke titel 'de onenigheid binnen de regering'. Hij staat aan het hoofd daarvan en moet zich er ook voor verantwoorden. Het gaat over de onenigheid binnen de regering en over het plan van de premier rond gratie. Dat is zijn eigen plan. Als dank schuift hij de hete aardappel door naar minister Verlinden, omdat zij dat plan al publiekelijk heeft afgeschoten. Haar mening hoef ik daarover dan ook niet meer te vragen, want die ken ik al. Mijn vragen waren dus specifiek aan de premier gericht.

Ik weet ook wel dat de regering zelf kiest wie de vragen beantwoordt. Ik zou u echter toch willen vragen, voorzitter – ik ben er namelijk van overtuigd dat u dit in mijn rol als fractievoorzitster in de oppositie ook absoluut niet zou hebben gepikt – om aan de premier - hij kan nog niet ver zijn want hij heeft de zaal net verlaten - te laten weten dat hij moet antwoorden op de vragen die over zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheden gaan.

Voorzitter:

Ik zou dit zonder enige twijfel hebben aangekaart wanneer ik in uw positie was. De voorzitter zou daarop echter heel correct hebben geantwoord dat hij daar geen macht over heeft. De premier en de regering beslissen en ik heb daarin geen bevoegdheid. Ik heb vastgesteld wat u hebt vastgesteld.

François De Smet:

Monsieur le président, je voudrais également intervenir à propos de la TVA. En effet, j'avais moi aussi une question sur ce sujet pour M. Jambon, que vous avez aussi frappée d'irrecevabilité! Je conteste toutefois une partie de votre raisonnement.

Vous nous dites que tout a été abordé en commission des Finances, hier. J'y étais, et je n'avais pas l'intention de parler de cette différence ubuesque de taxe entre l'opéra et le rock, etc. Mais le problème, avec le ministre Jambon, c'est que chaque nouvelle réponse engendre, comme des poupées russes, des sorties de lobbies dans la presse.

Aujourd'hui, je voulais parler des forains, qui vont continuer à être taxés à 12 %, alors que d'autres vont l'être à 6 %. Ce sont des éléments nouveaux qui n'ont pas été épuisés par la commission d'hier. Vous n'auriez donc pas dû déclarer cette question irrecevable, ni celles des collègues sans doute. Ce qu'il se passe est dû à l'incohérence du gouvernement et non à l'acharnement des parlementaires.

(Applaudissements)

(Applaus)

Voorzitter:

Ik vrees dat we bij toepassing van die logica de commissievergaderingen moeten afschaffen, want die blijken dan geen onderwerp van parlementaire behandeling te zijn. Het Reglement voorziet wat het voorziet.

Axel Ronse:

Ik stel voor dat we 21% btw invoeren op het politieke theater waarmee elke donderdag hier start. ( rumoer in de zaal )

Ik wil gerust toegeven dat mijn tussenkomsten ook veel btw zouden opbrengen.

Voorzitter:

Ik denk dat u het gat in de begroting nu hebt dichtgepraat.

Axel Ronse:

Ik stel voor om het toch een beetje ernstig te nemen. Gisteren heeft minister Jambon zeer ernstig geantwoord. Laat ons nu beginnen aan de plenaire vergadering. Ik ben benieuwd naar alle boeiende actuele vragen. Dank u wel.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, on ne peut pas dire qu'hier soir, c'était la soirée de votre vie. J'ai regardé l'émission QR le débat et, franchement, sur le plateau, le malaise était palpable.

Pour ce qui concerne votre réforme du chômage, plus le temps passe, plus les effets sont clairement visibles et concrets, plus on remarque que vous avez mis la charrue avant les bœufs. Et on voit également à quel point le soutien à votre réforme s'effrite. Hier soir, les téléspectateurs n'étaient plus qu'un tiers à vous soutenir.

Monsieur le ministre, cette façon de faire a des impacts terribles. Vous auriez dû les anticiper mais vous avez décidé de ne pas le faire. Aujourd'hui, ils sont d'une violence extrême pour certains groupes de la population. Il y a, par exemple, ces travailleuses ALE qui, en raison de votre réforme, vont perdre leur emploi et se retrouveront sans doute au CPAS. Et, puis, il y a ces travailleurs de plus de 55 ans qui, eux aussi, se retrouveront dans des grandes difficultés. On vous alerte depuis des mois à ce sujet. Pourtant, vous n'avez prévu aucune mesure d'accompagnement pour ce groupe-là. Et c'est pareil pour les jeunes. Même le soutien pour que les employeurs engagent des premiers emplois a été supprimé par votre gouvernement. Enfin, le plus scandaleux, c'est le cas des aidants proches, ces personnes qui, en relais de la société défaillante, prennent en charge un proche handicapé ou malade en lieu et place de la société.

Monsieur le ministre, hier soir, vous n'avez pas répondu à la question: prendrez-vous des mesures d'urgence pour qu'aucun aidant proche ne perde un seul euro avec votre réforme?

Par ailleurs, vous avez évoqué une prolongation d'un an. On n'a pas très bien compris la réponse. S'agissait-il d'un congé d'aidant proche ou de la dispense de travail?

Enfin, qu'en est-il de la création d'un vrai statut d'aidant proche?

David Clarinval:

Monsieur le président, madame et messieurs les députés, lorsqu'une personne arrive en fin de droit au chômage, ce n'est jamais une abstraction administrative; c'est une réalité humaine qui doit être regardée avec objectivité et empathie. Personne ne nie la difficulté de cette étape. Nous avons aussi le devoir de dire clairement les choses: le meilleur rempart contre la précarité et la pauvreté est l'emploi, pas l'inactivité prolongée. Le travail reste le premier facteur d'autonomie, de revenus stables, d'intégration sociale et de dignité.

La réforme repose sur un équilibre clair: responsabiliser, activer, mais aussi protéger au moment de la perte d'emploi. La durée des allocations est, certes, dorénavant encadrée, mais cela va de pair avec un devoir collectif d'accompagnement. Ce dernier est assuré en première ligne par les services régionaux de l'emploi. Les régions et les opérateurs se préparent activement. De plus, des dispositifs ont été renforcés. Les formations sont davantage ciblées vers les besoins réels du marché du travail, en particulier dans les métiers en pénurie. Des solutions existent également dans l'économie sociale et dans le travail adapté.

En dernier recours, car nous sommes conscients que tout le monde ne pourra pas retrouver du travail, les CPAS remplissement également un rôle essentiel de relais et de d'accompagnement social, au moyen d'une approche individualisée et orientée vers la réinsertion. Nous avons refinancé massivement les CPAS afin qu'ils puissent supporter cette charge supplémentaire.

Au regard de tous ces éléments, vous comprendrez donc, madame la députée, qu'il est faux de dire que la réforme du chômage mène à la précarité. La meilleure protection sociale est l'emploi. Notre ligne est cohérente: responsabiliser, accompagner et activer.

Je vous remercie de votre attention.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Toutefois, vous ne répondez pas à mes questions. À nouveau, vous n'apportez aucune garantie à ces personnes qui auraient dû être protégées par votre réforme. Vous auriez dû anticiper et créer des exceptions pour différents publics. Vous ne l'avez pas fait. À présent, nous assistons à un véritable carnage social. Nous entendons certains groupes tels Les Engagés nous dire: "C'est terrible! Nous aurions voulu obtenir, pendant les négociations relatives à cette réforme, une protection pour les aidants proches, mais nous ne l'avons pas obtenue." Il était bien temps de s'en rendre compte! À présent, on nous dit que Les Engagés ont déposé une proposition de résolution à ce sujet. C'est quand même la meilleure! Au lieu de négocier au sein du gouvernement afin de corriger cette réforme, des parlementaires déposent une proposition de résolution pour demander à leur propre gouvernement d'apporter une modification. De qui se moque-t-on, chers collègues! Monsieur le ministre, je vous demande, une dernière fois, de corriger (…)

Het RVT-statuut als belangrijk instrument voor de toegang tot zorg
De verhoogde tegemoetkoming
De verhoogde tegemoetkoming
De ongebreidelde toekenning van het RVT-statuut
Toegang tot zorg en tegemoetkomingen in RVT-statuut

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om kritiek op en hervormingsvoorstellen voor het BIM-statuut (verhoogde tegemoetkoming in de gezondheidszorg), waar 400.000 extra begunstigden in 5 jaar bijkwamen, volgens critici ten onrechte ook welgestelden (bv. zaakvoerders met luxeauto’s of eigenaars van meerdere woningen). Minister Vandenbroucke belooft strengere controles op inkomen en vermogen (inclusief dividenden, cryptowinst, tweede woningen) en sluit bestuurders met grote vennootschapsbelangen automatisch uit, maar Alexia Bertrand (Open Vld) en Daniel Bacquelaine (MR) werpen hem gebrek aan daadkracht voor, verwijzend naar eerdere niet-nagekomen afspraken en "automatische toekenning zonder noodzaak". Jan Bertels (Vooruit) en Jean-François Gatelier (Les Engagés) steunen de plannen, benadrukkend dat het systeem misbruik moet uitsluiten maar kwetsbaren moet beschermen.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, le nombre de bénéficiaires du statut BIM continue d’augmenter. Nous avons vu les chiffres: plus 400 000 au cours de ces cinq dernières années, sans doute en raison de la paupérisation de la population.

Non, nous ne souhaitons pas remettre en question ce mécanisme, qui participe à l’accessibilité des soins pour certains publics vulnérables et qui doit être préservé. Mais oui, nous voulons évaluer cette mesure afin de trouver une solution aux deux problèmes auxquels nous sommes confrontés aujourd’hui. D’une part, certaines personnes bénéficient du statut BIM alors qu’elles sont dans une situation financière confortable. D’autre part, certaines n’en bénéficient pas alors qu’elles se trouvent dans une situation financière difficile.

Monsieur le ministre, allez ‑ vous é valuer cette mesure, notamment en concertation avec les mutuelles, et r é pondre à ces deux probl è mes, afin de veiller à ce que ce m é canisme, auquel nous tenons, remplisse effectivement son objectif d ’ accessibilit é aux soins, qui constitue un enjeu essentiel?

Monsieur le ministre, vous nous rappelez souvent que chaque euro d é pens é en sant é doit l ’ê tre avec efficience. Or, actuellement, j ’ ai le sentiment que le m é canisme d ’ octroi du BIM n ’ est pas efficient. Il y a quelques semaines, j’ai déposé une proposition de résolution, avec le groupe Les Engagés, visant à garantir que l’intervention majorée soit octroyée à ceux qui en ont réellement besoin. Je me permets de profiter de l'occasion pour vous en remettre une copie, afin de vous aider.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, mijn vader werkte jarenlang als bouwvakker in de Kempen, tot hij langdurig thuis moest blijven met zware rugproblemen. Veel doktersbezoeken, veel ziekenhuiskosten, veel pijn. De verhoogde tegemoetkoming was zijn en mijn redding om de noodzakelijke zorg te krijgen. Dat is maar één verhaal. De verhoogde tegemoetkoming maakt elke dag het verschil voor heel wat gezinnen. Die verhoogde tegemoetkoming zorgt er immers voor dat ze niet de volle pot moeten betalen voor een doktersbezoek of voor geneesmiddelen. Ze zorgt er ook voor dat ze toegang krijgen tot de beste, betaalbare, zorg. Dat is voor ons van Vooruit een absolute prioriteit. Ja, wij zijn er fier op dat we in de vorige regering, met de steun van de toenmalige coalitiepartners, dat statuut versterkt hebben, zodat sommigen nu automatisch recht hebben op de verhoogde tegemoetkoming. Ze is essentieel om ons gezondheidszorgsysteem voor iedereen toegankelijk te maken.

Even essentieel is dat de steun terechtkomt bij wie die echt nodig heeft, dus niet bij zaakvoerders die zichzelf een minimumloon uitkeren en tegelijkertijd rondrijden met een Porsche van de vennootschap, noch bij mensen die meerdere huizen in het buitenland bezitten. Die voorbeelden komen voor alle duidelijkheid niet van mij. Ze komen van de voorzitter van een Vlaams artsensyndicaat, een huisarts.

Mijnheer de minister, ik heb maar één vraag. Wat zult u doen om dat schrijnende misbruik van onze sociale zekerheid aan te pakken?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, bijna 2,5 miljoen mensen in ons land krijgen via de verhoogde tegemoetkoming tal van sociale voordelen: voor 1 euro naar de dokter, gratis cultuur, gratis sport en bijna gratis op tram en bus. Daar stopt het niet: goedkope kinderopvang, goedkope vuilniszakken, de UiTPAS, verminderde provinciale belastingen enzovoort. 400.000 Brusselaars vallen onder dat systeem. Dat is een op drie. Wie betaalt daarvoor? De andere twee en dat zijn niet de sterkste schouders, maar mensen die hard werken en ook mensen met lage lonen die net meer verdienen dan de drempel voor de verhoogde tegemoetkoming.

U hebt nu nog een toegangspoort tot dat statuut ingevoerd. Aan wie alleenstaand en drie maanden werkloos of ziek is, wordt het statuut automatisch toegekend, op een schoteltje gegeven, of die persoon daar nu nood aan heeft of niet. De verhoogde tegemoetkoming moet zelfs niet worden aangevraagd. ( Tumult )

Het resultaat is 60.000 rechthebbenden erbij in minder dan één jaar tijd en de teller loopt. Mijnheer de minister, dat is onhoudbaar, onbetaalbaar en asociaal beleid, vandaar mijn wetsvoorstel. ( Luid protest van de heer Ronse )

Zwijg eens, mijnheer Ronse, een beetje respect.

Hulp moet terechtkomen bij wie het echt nodig heeft, zoals de papa van de heer Bertels. Dat zijn de juiste mensen. Schaf het anders af.

U zult opwerpen dat wij dat mee hebben goedgekeurd, maar u weet zeer goed, als u van goede trouw bent, mijnheer Ronse, dat ik daar nooit akkoord mee ben gegaan. Ik heb keer op keer gewaarschuwd voor de gevolgen en de budgettaire impact. We zien vandaag dat het budget daarvoor is ontspoord.

Mijnheer de minister, u zei dat u hier niet veel over te vertellen hebt. Blijft u achter het statuut staan? Hoe legt u dat uit?

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, je ne vais pas le répéter: 400 000 BIM en cinq ans, soit à peu près 100 000 BIM supplémentaires chaque année. Alors, je ne veux pas dire que le résultat de votre action sociale pendant cinq ans, c'est 100 000 BIM de plus tous les ans, parce que cela préjugerait de ce que votre action sociale pendant les cinq prochaines années, ce soit de nouveau 500 000 BIM en plus. J'espère quand même qu'à un moment donné, on va prendre la réalité en considération!

Il est nécessaire de veiller à que la solidarité s'exprime vis-à-vis de ceux qui en ont réellement besoin. Il faut lutter contre la banalisation de la solidarité. C'est une valeur essentielle qui n'a rien à voir avec l'assistanat. C'est une valeur essentielle que nous devons défendre aujourd'hui, en évitant notamment les pièges à l'emploi et tout ce qui gravite autour de l'attribution du statut BIM aujourd'hui, qui touche des domaines qui n'ont rien à voir avec la santé (le transport public, les crèches et encore bien d'autres choses). Il faut en revenir à l'essentiel. Et l'essentiel, c'est de faire en sorte que ceux qui ont besoin de la solidarité puissent en bénéficier pleinement. Aujourd'hui, ce n'est plus tout à fait le cas. On est dans un système d'automaticité qui ne permet pas de cibler la solidarité de façon correcte.

Je vous demande donc, monsieur le ministre, d'agir de façon à ce que nous revoyions les critères d'attribution du statut BIM, notamment en matière d'automaticité, qui est une mauvaise méthode. Il faut que ceux qui en ont réellement besoin puissent en bénéficier et que la solidarité soit une valeur capitale. Or, aujourd'hui, le système fait que beaucoup de médecins reçoivent des patients qui sont étonnés eux-mêmes d'être BIM. Ils ne comprennent pas qu'ils le soient. C'est quand même le comble du comble! Les médecins reçoivent aujourd'hui des patients (...)

Frank Vandenbroucke:

Gezondheidszorg moet betaalbaar zijn, betaalbaar voor iedereen en zeker ook voor mensen die het financieel moeilijk hebben.

Daarvoor dient de verhoogde tegemoetkoming, zodat mensen niet wachten om naar de dokter te gaan of om medicamenten te kopen omdat het geld dat zij daarvoor nodig hebben, niet in hun portemonnee zit.

Een deel van de mensen ontvangt dat statuut automatisch,. Dat gebeurt altijd op basis van een volledig inkomensonderzoek. Dat hebben we samen beslist. Dat lijkt me normaal want als mensen een recht hebben, moeten ze dat recht ook kunnen genieten. Dat wordt bovendien elk jaar opnieuw gecontroleerd.

Wat is het probleem? Bij de toekenning van de verhoogde tegemoetkoming wordt geen rekening gehouden met het vermogen. Ook worden niet alle inkomens systematisch aangegeven. Ze blijven dus buiten beschouwing.

Les revenus mobiliers, en particulier, sont un angle mort. En théorie, monsieur Bacquelaine, une personne peut toucher 100 000 euros de dividendes ou réaliser 100 000 euros de plus-value sur des cryptomonnaies et avoir malgré tout droit à l'intervention majorée.

Il faut donc avoir une vision globale de l’ensemble des revenus et du patrimoine des personnes, afin que le droit à l’intervention majorée soit attribué de manière correcte et équitable, et que nous soyons certains qu’il bénéficie aux personnes qui en ont réellement besoin.

Dokter Jos Vanhoof heeft gezegd dat een zaakvoerder van een bouwbedrijf die zichzelf een minimumloon uitkeert, maar strak in het pak rondrijdt met een Porsche van de vennootschap geen verhoogde tegemoetkoming mag krijgen. Ik ben het helemaal eens met hem. Hij krijgt mijn woord dat we dat, met uw steun, tot op de letter zullen uitvoeren.

Ik ben vragende partij om een beter zicht te krijgen op alle inkomens en vermogens, zodat we zeker zijn dat de mensen die ze nodig hebben de verhoogde tegemoetkoming krijgen en de mensen die ze niet nodig hebben ze niet krijgen.

Ik werk aan drie voorstellen die ik op de regeringstafel zal neerleggen. Ten eerste, ik wil dat bij de aanvraag en de verlenging van het recht op verhoogde tegemoetkoming automatisch wordt nagegaan welke roerende inkomens en welk roerend vermogen een gezin heeft, zodat we met die twee correct rekening kunnen houden. Ten tweede, ik stel voor dat bestuurders met een belangrijk belang in een vennootschap automatisch uitgesloten worden van het recht op verhoogde tegemoetkoming. Het kan niet de bedoeling zijn dat iemand die een managementvennootschap bestuurt, en dat misschien heel goed doet, recht heeft op een verhoogde tegemoetkoming. Ten derde, ik stel voor dat iemand die meer dan één substantieel onroerend vermogen heeft, bijvoorbeeld twee mooie woningen, automatisch wordt uitgesloten.

Mevrouw Bertrand, het automatisch systeem dat u nu aanklaagt, hebt u niet alleen mee goedgekeurd, maar toen ik in de vorige regering herhaaldelijk formeel voorstelde – jawel, mijnheer Van Quickenborne – dat wie twee onroerende inkomens bezit uitgesloten zou worden, hebben u en de MR dat niet gesteund, maar nu bent u anders.

Dus ik vraag uw steun wanneer ik opnieuw zal voorstellen dat wie twee woningen bezit, geen recht heeft op de verhoogde tegemoetkoming.

Bovendien zijn er ook inkomens waarmee wij rekening moeten houden en waarmee we vandaag geen rekening moeten houden, zoals een doctoraatsbeurs of een flexi-job. Laten we daar ook rekening mee houden, zodat de mensen die het nodig hebben het recht kunnen genieten, beschermd worden en zonder zorgen naar de dokter en apotheker kunnen gaan en zodat wie het niet nodig heeft en de kantjes ervan af loopt, effectief wordt uitgesloten.

Dat is niet zo moeilijk. U kunt dat beslissen, maar daartoe is politieke wil nodig.

De drie voorstellen zal ik aan de regering doen. Ik reken op uw steun, die ik hier zie, niet alleen van de meerderheid maar ook van de oppositie.

Jean-François Gatelier:

Je vous remercie, monsieur le ministre.

Le statut BIM doit en effet aider les plus fragiles, et non ceux qui peuvent se permettre d'acheter une voiture de luxe. J’ai entendu votre réponse. Finalement, vous répondez aux attentes des Engagés. En effet, faire en sorte que les personnes disposant d’un patrimoine global suffisant, les administrateurs de sociétés et les propriétaires de plusieurs biens immobiliers ne bénéficient pas de ce statut contribuera, en partie, à répondre à ce que vivent quotidiennement les soignants avec cette incohérence. Encore dernièrement, j’ai été interpellé par une gynécologue étonnée de voir sa patiente ricaner en ne payant que 3 euros pour une consultation de trois quarts d’heure chez un médecin spécialiste, alors qu’elle venait de régler 70 euros en cash à son ostéopathe. Finalement, tout ce dont les soignants sont témoins, nous pouvons y remédier.

En tout cas, sachez que Les Engagés soutiendront cette future réforme.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik geef u alle steun en ik heb alle vertrouwen in uw aanpak om misbruik door profiteurs hard aan te pakken en een echte vermogenstoets in te voeren, want iedereen verdient de beste zorg, zonder angst voor de factuur. Zorg wordt niet bepaald door de portemonnee. Daarover zijn we het volmondig eens. Zo simpel is het.

Voor Vooruit is dat ook de reden waarom we zitting hebben in de arizonaregering. We zullen elke aanval op ons sociaal systeem afslaan en het blijven verdedigen tegen iedereen die het aanvalt.

Mevrouw Bertrand, puur uit mijn geheugen, bloemen verwelken, schepen vergaan, maar bij Open Vld bleef de liefde voor rijke profiteurs bestaan. Ik hoop echt dat het met Anders. anders wordt.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, u moet het maar durven. U hebt zich niet aan de afspraken gehouden. In de notificatie stond duidelijk dat een rechthebbende systematisch en voorafgaandelijk van de ambtshalve toekenning zou worden uitgesloten, als hij eigenaar van een ander onroerend goed is. U bent uw beloftes niet nagekomen.

Frank Vandenbroucke:

Neen.

Alexia Bertrand:

Dat is absoluut wel zo. Er moesten controles komen en die zijn er niet. Als men iets van de overheid krijgt, moet daar iets tegenover staan. Of men nu een Porsche of een tweede huis in Marokko heeft, dat kan mij niet schelen, het profitariaat moet eruit.

U bent plots wakker geschoten, mijnheer de minister. Ik heb het probleem aangekaart en u bent wakker geschoten. U hebt gisteren nog in Het Laatste Nieuws verklaard dat daar niets over te vertellen valt en dat u niet zult hervormen.(…)

Daniel Bacquelaine:

(…) de ces quelques polémiques. Je pense que la solidarité mérite une gestion rigoureuse de nos données publiques et que cette solidarité doit s'orienter vers ceux qui en ont le plus besoin. On ne peut pas banaliser la solidarité. Et je pense que l'automaticité banalise et dévalue la solidarité. La solidarité sans contrôle crée l'injustice. Il est absolument nécessaire que l'on travaille sur l'analyse des ressources financières de ceux qui prétendent pouvoir bénéficier de statuts particuliers. Parce que, sinon, ce sont tous les autres que l'on dévalorise. Je crois vraiment, monsieur le ministre, qu'il est temps de revoir le système d'attribution du statut BIM dans notre pays. Notez que, quand on interdit des suppléments pour les bénéficiaires de l'intervention majorée, on fragilise toute la chaîne de la médecine ambulatoire. (…)

De studie van UCL en Unia over 11 jaar antidiscriminatierechtspraak

Gesteld door

lijst: PTB Ayse Yigit

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ayse Yigit wijst op een UCL/Unia-studie die aantoont dat Belgische rechtbanken in slechts 38% van de discriminatiezaken het slachtoffer gelijk geven – met extreme verschillen per grond (bv. 20,4% bij raciale afkomst vs. ~50% bij gender) – en bekritiseert dat de wetgeving onnvoldoende effectief is, vooral zonder institutionele steun (bv. 70,6% succes met Unia vs. 36,6% alleen). Ze dringt aan op verplichte preventie op de werkvloer, versterkte arbeidsinspectie, proactieve praktijktesten en strengere sancties. Minister Rob Beenders erkent de structurele tekortkomingen (o.a. bewijslast, onderrapportering) en belooft drie actiesporen: (1) interministeriële afspraken via de Conferentie Gelijke Kansen, (2) evaluatie van antidiscriminatiewetten met focus op praktijktesten, en (3) drempelverlaging (beter toegankelijke meldpunten, studie in 2026 naar bewijslastverschuiving). Hij benadrukt wetenschappelijk onderbouwde oplossingen, maar concrete maatregelen blijven nog vaag. Yigit utiliseert het antwoord als "positief signaal", maar houdt de minister scherp aan op snelle implementatie van Unia’s adviezen, met name proactieve praktijktesten en bewijsverlichting voor slachtoffers.

Ayse Yigit:

Geachte minister, uit een recente studie van de UCL, in samenwerking met Unia, na 11 jaar Belgische antidiscriminatierechtspraak, blijkt een bijzonder ontnuchterend beeld.

In amper 38 % van de geanalyseerde uitspraken werd discriminatie daadwerkelijk erkend. Met andere woorden, minder dan een op de twee slachtoffers haalt zijn of haar gelijk voor de rechter. De slaagkansen verschillen bovendien sterk naargelang het discriminatiecriterium.

In dossiers rond genderdiscriminatie krijgt het slachtoffer in ongeveer de helft van de gevallen gelijk, terwijl dat bij discriminatie op basis van raciale of etnische afkomst maar 20,4 % bedraagt. Die cijfers staan in schril contrast met talrijke empirische studies, onder meer op basis van praktijktesten, die aantonen dat discriminatie, in het bijzonder op basis van origine, wijdverspreid blijft op de Belgische arbeidsmarkt. De onderzoekers besluiten dan ook dat de huidige antidiscriminatiewetgeving onvoldoende effectief is om slachtoffers een reële kans op rechtsbescherming te bieden.

Daarnaast onderstreept de studie het belang van collectieve en institutionele ondersteuning. Wanneer bijvoorbeeld Unia betrokken partij is, wordt in 70,6 % van de zaken discriminatie erkend. Bij bijstand door een vakbondsafgevaardigde is dat 64,6 %. Slachtoffers die alleen procederen, behalen in amper 36,6 % van de gevallen een gunstige beslissing.

Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de aanbevelingen van Unia en de UCL-onderzoekers, met name de invoering of versterking van een verplicht preventiebeleid tegen discriminatie op de werkvloer, de versterking van de arbeidsinspectiediensten, het voorzien in meer proactieve praktijktesten en de consequente toepassing van sancties bij vastgestelde discriminatie? Welke concrete stappen zult u zetten om de drempels voor slachtoffers te verlagen om discriminatie te melden en juridisch aan te vechten?

Rob Beenders:

Dank u wel voor uw vraag. Ik vind het ook een zeer goede vraag om dit debat in het Parlement te voeren. Ik wil daarbij verwijzen naar de studie die u aanhaalt, omdat die bijzonder waardevol is en voor ons kabinet ook een sterke basis vormt voor het beleid.

We beschikken vandaag over antidiscriminatiewetgeving, maar voor slachtoffers blijft de stap naar gerechtigheid bijzonder moeilijk en complex. Daar mogen we niet blind voor zijn. Mensen die met discriminatie te maken krijgen, moeten zo snel mogelijk stappen kunnen zetten om gehoord te worden en vooral om ervoor te zorgen dat het stopt.

Daarom werken we op verschillende sporen. Een eerste spoor is het werk binnen de interministeriële conferentie Gelijke Kansen en Racismebestrijding. De voorbije maanden zijn daar belangrijke mijlpalen bereikt en we zetten nu de stap naar de verdere ontwikkeling van concrete maatregelen tegen discriminatie. Die vergadering verloopt zeer constructief. Het is belangrijk om vertrouwen te hebben tussen alle bevoegde ministers om echt vooruitgang te boeken. De samenwerking verloopt daar zoals we het willen en dat geeft mij het perspectief dat concrete stappen kunnen worden gezet. Zo kunnen we gelijke toegang tot werk en de strijd tegen discriminatie op de werkvloer duidelijk als prioriteiten naar voren schuiven.

In die voorbereiding nemen we ook de aanbevelingen mee van de Commissie voor de evaluatie van de federale antidiscriminatiewetten, onder meer over verplichte preventie op de werkvloer en de versterking van de arbeidsinspectie. Zodra mijn administratie die voorbereiding heeft afgerond, ga ik hierover in overleg met de collega-ministers om de actieplannen tegen discriminatie concreet vorm te geven.

Een tweede spoor is de evaluatie van de drie federale antidiscriminatiewetten. In aanloop daarnaartoe heeft mijn administratie intussen de follow-up afgerond van de uitvoering van eerdere aanbevelingen. Een van de belangrijkste aanbevelingen betreft discriminatietesten, zoals praktijktesten, mysterycalls en mysteryshoppers. Uit die follow-up blijkt dat deze aanbeveling gedeeltelijk is uitgevoerd. We komen dus dichter bij een doeltreffende toepassing, maar ik vind dat we dit nog moeten versterken.

Een derde en laatste spoor is het verlagen van de drempels voor slachtoffers. Onderrapportering blijft een groot probleem, omdat te veel mensen geen melding doen of onderweg afhaken. Daarom wil ik de meldpunten beter bekend en toegankelijker maken en vereenvoudigen. Tegelijk moeten we het probleem van het verzamelen van bewijsmateriaal aanpakken, zeker bij wervingsprocedures, waar het voor slachtoffers vaak moeilijk is om een vermoeden van discriminatie hard te maken.

Mijn uitgangspunt is duidelijk: beleid moet gebaseerd zijn op feiten en wetenschap. Daarom financiert mijn administratie in 2026 een studie die in kaart brengt welke elementen in de praktijk aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van discriminatie en tot de activering van het mechanisme van de verschuiving van de bewijslast. Het is die studie die moet leiden tot concrete operationele aanbevelingen om het mechanisme beter toe te kunnen passen en de slachtoffers sterker te maken in het afdwingen van hun rechten, in het bijzonder in arbeidsrelaties.

Ayse Yigit:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister, en voor de intentie van uw kabinet om deze waardevolle studie van dichtbij te bekijken en enkele aanbevelingen concreet vorm te geven in het beleid. De onderzoekers geven vele waardevolle inzichten en aanbevelingen, onder meer om de drempels voor juridische bescherming tegen discriminatie te verlagen voor de slachtoffers. Dat de stap om melding te doen voor vele groepen moeilijk blijft, onder meer omdat het vaak moeilijk is bewijzen aan te brengen bij een vermoeden van discriminatie bij een aanwervingsprocedure, is absoluut een aandachtspunt. Het is positief te horen dat ter zake een studie zal volgen. Unia raadt ook het verder implementeren van proactieve praktijktesten aan als instrument om discriminatie te detecteren. Het begeleidt meerdere lokale pilootprojecten. We zullen u blijven aanmoedigen om deze adviezen te implementeren in het beleid.

De afwezigheid van cijfers over de zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nathalie Muylle benadrukt het belang van gedetailleerde cijfers over slachtoffers in zorgcentra na seksueel geweld (leeftijd, aanmeldroute, regio-impact) om de hulpverlening te optimaliseren, maar kritiseert dat de overgang naar Healthdata.be (via Sciensano → RIZIV) nog steeds onbetrouwbare, handmatige data oplevert, wat de uitbouw van nieuwe centra (aangekondigd door Vandenbroucke) bemoeilijkt. Rob Beenders erkent de technische en GDPR-problemen, bevestigt dat de oplossing vertraagd is (eind Q1 2026 verwacht) maar stelt dat structurele financiering en stapsgewijze aanpak (met betrokkenheid van Volksgezondheid) hoop bieden; hij vindt het spijtig maar prioriteit geeft aan een werkend systeem vanaf 2025, ondanks mogelijke menselijke fouten in tussentijdse cijfers. Muylle toont begrip voor de vertraging maar hamert op nodige actie, wijzend op schokkende leeftijdsverschillen (2–82 jaar) en te weinig spontane aanmeldingen (meest via politie), en belooft opvolging via schriftelijke vragen in 2024. Kernpunt: Data-chaos ondermijnt evidence-based beleid, terwijl politieke urgentie (Muylle) en technisch optimisme (Beenders) botsen over de tijdlijn en betrouwbaarheid van rapportage.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, het dossier van de zorgcentra na seksueel geweld ligt mij na aan het hart. Veel mensen, moeders en vaders, werden er al goed geholpen. In de periode 2019-2020 kon ik, na collega Sleurs, uitbreiden naar één zorgcentrum per provincie. Ik blijf opvolgen wat daar gebeurt. Ik heb ook goede contacten met de centra. Ik werd door mevrouw Schlitz en mevrouw Leroy ook heel goed op de hoogte gehouden van de cijfers en de stappen die ter zake werden gezet.

Toen ik vorig jaar bij u de cijfers opvroeg, was ik eigenlijk een beetje verrast door uw antwoord. U zei dat er problemen waren. Wegens de overgang van Sciensano naar Healthdata.be, kon u immers slechts ruwe cijfers geven. U kon geen correcte cijfers geven over het aantal slachtoffers, of het om mannen of vrouwen ging, via welke weg men er terechtkwam, via de politie, rechtstreeks of via derden, of men het slachtoffer kende. Dergelijke zaken zijn belangrijk om te weten, zeker met het oog op de nieuwe centra die minister Vandenbroucke heeft aangekondigd.

Het is belangrijk dat we op basis van de wetenschappelijke cijfers weten wie het doelpubliek is, hoe we hen kunnen helpen, hoe we de hulp kunnen verfijnen. Hoe zit het in de provincies? Waar komen ze vandaan? Wat is de impact van een centrum in de regio? Al die gegevens kunnen bijdragen aan de verdere uitbouw.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? De centra zijn ondertussen ook van het instituut naar het RIZIV gegaan. Hoe is die overgang verlopen? Hoe staat het ondertussen met de data en de rapportage? Zijn de technische problemen opgelost? Kunnen we daarmee verder?

Op basis van de gegevens kunnen we in de nieuwe centra immers ook betere zorg aanbieden. Dat blijft toch de ultieme doelstelling van die centra.

Rob Beenders:

Mevrouw Muylle, doe vooral zo verder en blijf dat dossier op de agenda plaatsen. We zijn hele mooie zaken aan het doen rond de zorgcentra. Het feit dat ze nu gestructureerd gefinancierd worden, toont aan dat het een blijver is. U hebt daar inderdaad heel veel verdienste aan.

Van belang is dat de cijfers in de zorgcentra op een goede manier kunnen worden opgevolgd. Er werd met de allerbeste intenties overgeschakeld op een systeem dat de werklast en werkdruk moeten wegnemen en dubbele rapporteringen moet vermijden. U hebt gevraagd hoe het komt dat er problemen zijn met Healthdata.be en of die ondertussen al opgelost zijn. Het antwoord is: bijna. Bij elk overleg tussen alle organisaties is er iemand aanwezig van het kabinet van de minister van Volksgezondheid en wordt gezocht naar oplossingen om de problemen een voor een technisch aan te pakken. We verwachten dat de cijfers voor elk centrum beschikbaar zullen zijn tegen het einde van het eerste trimester van 2026. Dat betekent dat we er bijna zijn. De overgang naar de nieuwe versie van het registratiesysteem verloopt blijkbaar heel moeilijk. Ik bespaar u alle technische details. Ik betreur het en vind het jammer dat het op die manier is gebeurd, maar het is nu eenmaal zo. Daardoor werden de cijfers gedurende een hele tijd handmatig bijgehouden. We moeten die bijgevolg met de nodige voorzichtigheid interpreteren.

Ik heb opdracht gegeven om in te zetten op de cijfers van 2025, zodat we daarmee verder aan de slag kunnen en voor elk zorgcentrum een gedetailleerd overzicht hebben van de cijfers van vorig jaar. Ik kan echter niet ontkennen dat er misschien menselijke fouten zitten in die cijfers, maar dan is dat maar zo. Het is volgens mij veel belangrijker is om nu aan een oplossing te werken. Aangezien alle problemen een voor een worden aangepakt, ben ik ervan overtuigd dat we binnen een of twee maanden echt van start zullen kunnen gaan met een registratiesysteem dat voor iedereen goed is. Dan heeft men immers de problemen rond GDPR aangepakt, maar ook ervoor gezorgd dat er geen dubbel werk wordt gedaan. Dan kunnen we starten, weliswaar met vertraging, maar ik ben heel hoopvol omdat het traject van de afgelopen maanden bezorgdheden heeft weggenomen. Nog een paar maanden, en dan kunnen we heel goed rapporteren.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is inderdaad spijtig dat we geen correct, volledig beeld hebben van de nieuwe centra, alhoewel zij intern rapporteren. Ik heb daar echter alle begrip voor. Ik zal dat blijven opvolgen en zal wellicht in april of mei een schriftelijke vraag indienen. We kunnen er dan op terugkomen in de commissie om evoluties in de cijfergegevens te bespreken. In onze eigen centrum varieert de leeftijd tussen 2 en 82 jaar. Dat is heel choquerend. Van waar komen de patiënten? Daarin zie ik enorme verschillen. Veel mensen vinden de weg aangestuurd via de politie, nog te weinig aanmeldingen gebeuren spontaan. We kunnen daaruit lessen trekken en verdere stappen zetten, maar ik kom daar zeker nog op terug. De voorzitster : Vraag nr. 56011999C van de heer Van Rooy vervalt aangezien hij afwezig is.

De forse premieverhogingen bij rechtsbijstandsverzekeringen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Van Quickenborne bekritiseert dat de afschaffing van de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen (de "rechtsbijstandstaks") leidt tot premiestijgingen tot 300% (bv. DAS: van €324 naar €771) en beperkt aanbod, waardoor toegang tot justitie een "luxeproduct" wordt. Hij vraagt zich af of minister Jambon de belofte van premieverlagend overleg nakomt en pleit voor marktconcurrentie om consumenten te beschermen. Jambon bevestigt de afschaffing, geeft toe het overleg nog niet te hebben gevoerd (excuses) en wijst op een tweejaarlijkse evaluatie (met Assuralia en balies), maar stelt wel dat deregulering (à la Friedman) de oplossing is. Van Quickenborne dringt aan op transparantie (rapport delen met commissie) en betwijfelt of advocatenkosten de enige oorzaak zijn van de prijsstijgingen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, u weet dat de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen, met die premieaftrek, is afgeschaft. We noemen dat gemakshalve de rechtsbijstandstaks. We hebben daar een interessante, zeer boeiende discussie over gehad. U zei toen in de commissie dat u beleidsoverleg had gehad met de sector en dat dat overleg verder zou worden gezet, en ik citeer, “met het oog op de vermindering van de premies”.

Intussen blijkt het tegendeel te gebeuren, collega’s. In De Standaard van 8 november lezen we dat de premies van marktleider DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar DAS, in twee jaar tijd meer dan verdubbeld zijn, van 324 euro naar 771 euro. Andere verzekeraars perken hun aanbod zelfs in. De zogenoemde polis-Geens, genoemd naar minister Geens, die de aftrek ooit heeft ingevoerd, verdwijnt. Echtscheidingen of bouwgeschillen worden in het nieuwe gamma niet langer gedekt, of enkel nog via bemiddeling.

Mijnheer de minister, de afschaffing van de belastingvermindering had volgens uw verklaring de bedoeling om het systeem te vereenvoudigen – minder koterijen. Het probleem is echter dat de consument twee keer betaalt. Ten eerste verliest hij de fiscale aftrek en ten tweede wordt de premie verhoogd. We betalen dus twee keer.

Mijnheer de minister, ten eerste, bevestigt u dat de voorziene afschaffing van de belastingvermindering in werking is getreden? Dat is intussen inderdaad het geval, dus die vraag is enigszins achterhaald. Ik ben vooral geïnteresseerd in het overleg dat u gepland had of hebt met de verzekeringssector. Wat heeft dat opgeleverd? Hoe verklaart u dat de premies vandaag zo sterk stijgen?

Ik had het geval van iemand die mij zijn factuur toonde. Die factuur was, denk ik, verdrievoudigd, van 500 euro naar 1.500 euro. Als men de toegang tot justitie wil democratiseren, collega’s … Er is het pro-Deosysteem, maar niet iedereen kan daarvan genieten. Als men dan tot 1.000 euro per jaar moet betalen om een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten, wordt dat meer en meer een luxeproduct.

Mijnheer de minister, de vraag is dan ook – en ik moet dat als liberaal zeer terughoudend stellen, maar ik doe het toch – of u bereid bent te onderzoeken hoe we mensen kunnen beschermen tegen buitensporige premieverhogingen. Misschien is er nood aan meer concurrentie op de markt, ik weet het niet. Ik weet ook niet wat Milton Friedman daarover zou zeggen. We zijn in elk geval benieuwd wat u hierover te zeggen hebt. Dank u wel.

Jan Jambon:

Mijnheer Van Quickenborne, het antwoord op uw eerste vraag is duidelijk. Gelet op de publicatie van de wet diverse bepalingen in het Belgisch Staatsblad op 30 december 2025, is dit inderdaad het geval.

Wat uw tweede en derde vraag betreft, moet ik heel eerlijk zeggen dat dat overleg, dat ik inderdaad heb beloofd, gezien de workload van de voorbije weken en maanden nog niet heeft plaatsgevonden. Ik zal dat prioritair op mijn to-dolijst zetten. Op dat punt ben ik dus in gebreke gebleven, waarvoor mijn excuses.

Wat uw vierde vraag betreft, verwijs ik in eerste instantie naar artikel 23 van de wet betreffende het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering. Dat artikel voorziet in een evaluatie waarbij de Orde van Vlaamse Balies, de Ordre des barreaux francophones et germanophones en de beroepsvereniging van de verzekeringsondernemingen, Assuralia, tweejaarlijks, en voor het eerst in 2021 op de datum van de verjaardag van de inwerkingtreding van deze wet, een gemeenschappelijk evaluatierapport bezorgen over de toepassing van deze wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten. Dat rapport wordt overgemaakt aan de minister van Justitie, de minister bevoegd voor Consumentenzaken, de minister van Economie en aan mijzelf, de minister van Financiën, op initiatief van een van hen en via een paritair orgaan dat zij daartoe zullen aanwijzen.

U hebt uw vijfde vraag niet gesteld, maar ik ga er toch op ingaan. Ik verwijs daarbij naar mijn antwoord van daarnet en voeg eraan toe dat meer concurrentie natuurlijk kan zorgen voor lagere prijzen. Daarom probeer ik dat in toekomstige wetsontwerpen te doen door regels te schrappen en/of te versoepelen. Ik volg net als u in dezen Friedman en laat vooral de concurrentie op die markt toenemen.

Vincent Van Quickenborne:

Dank u wel, mijnheer de minister. En geen probleem, u hebt inderdaad heel wat werk, maar het is goed dat u alsnog van plan bent om het overleg met de sector te voeren. Ik ben dus heel benieuwd naar de resultaten daarvan, want die prijsstijgingen zijn werkelijk spectaculair. De prijzen zijn verdubbeld of verdrievoudigd. Er wordt verwezen naar de inflatie en naar het feit dat advocaten veel duurder zouden zijn geworden. Dat is de informatie die mij bereikt, maar de vraag is of dat wel klopt en of daar iets aan te doen is.

Ten tweede verwijst u ook naar het tweejaarlijkse gemeenschappelijke evaluatierapport. Mocht dat op de een of andere manier kunnen worden overgemaakt aan de commissie, aan het secretariaat, dan zouden we u daar zeer dankbaar voor zijn.

Voorzitter:

La question n° 56010662C de M. Hugues Bayet est reportée.

De 14 % zelfstandigen onder de armoedegrens en de aanpassingen van de beschermingsmechanismen
Het armoederisico bij zelfstandigen
Het grotere armoederisico bij zelfstandigen
Het armoederisico voor zelfstandigen
Armoederisico en beschermingsmechanismen bij zelfstandigen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de kwetsbaarheid van zelfstandigen in België, ondanks een algemene daling van armoede (van 15% naar 11,5% tussen 2019-2024). Volgens het SPF Sécurité Sociale loopt 14% van de zelfstandigen armoederisico – tegenover 2,8% bij werknemers – en kan 21% onverwachte uitgaven niet opvangen, hoewel slechts 1-1,5% ernstige materiële deprivatie ervaart door privébuffers (spaargeld, bedrijfsvermogen). Minister Lanjri benadrukt dat de sociale bescherming (overbruggingsrecht, ziekte-uitkeringen, pensioenherzieningen) het armoederisico al met 36% reduceert, maar kondigt versterkte preventieve maatregelen aan: 15 weken moederschapsverlof (vanaf 2026), ouderschapsverlof, en hogere ziekte-uitkeringen. Kritiek van Vanrobaeys (sp.a): zelfstandigen dragen te weinig bij aan solidariteit (geplafonneerde bijdragen, fiscale optimalisaties) en dreigen het systeem onbetaalbaar te maken, terwijl Lanjri en Lanjri (cd&v) pleiten voor meer rechten mits passende bijdragen (bv. harmonisering met werknemersstelsel). Hoofdconclusie: Er is consensus over nodige versterking van de sociale zekerheid voor zelfstandigen (met focus op starters, vrouwen en kleine ondernemingen), maar meningsverschil over hoe die te financieren – via hogere bijdragen (Vanrobaeys) of efficiënter ciblage (Lanjri).

Anne Pirson:

Madame la ministre, le nouveau rapport du SPF Sécurité sociale dresse un tableau globalement très positif pour la Belgique. Entre 2019 et 2024, le risque de pauvreté est passé de 15 % à 11,5 %, soit environ 350 000 personnes sorties de la pauvreté, plaçant notre pays au deuxième rang européen, juste derrière la Tchéquie.

Le rapport montre aussi que cette amélioration ne résulte pas d’un dérapage des dépenses, mais d’un meilleur ciblage des politiques sociales: revalorisation des revenus d’intégration, allocations de chômage et de maladie, pensions minimales. Le résultat est que seulement 4 % des travailleurs sont pauvres, un chiffre deux fois inférieur à la moyenne européenne, et que la pauvreté des pensionnés a reculé à 11 %.

Toutefois, derrière ces progrès, le rapport pointe une faiblesse structurelle importante: la vulnérabilité des travailleurs indépendants. Selon le SPF, 14 % des indépendants vivent sous le seuil de pauvreté, De plus, près d’un sur cinq ne peut pas faire face à une dépense imprévue de 1 300 euros, un indicateur central de privation matérielle. Les starters, les petites structures et les secteurs à faibles marges sont les plus exposés. Pourtant, ces indépendants constituent un moteur essentiel de notre économie. Leur fragilité constitue un frein direct à l’investissement, à la croissance et même à la stabilité de notre tissu entrepreneurial.

Dans ce contexte, madame la ministre, comment évaluez-vous l’efficacité actuelle des mécanismes fédéraux de protection sociale des indépendants – droit passerelle, indemnités d’incapacité – à la lumière des données du SPF montrant qu’environ 21 % d’entre eux restent en situation de privation matérielle? Envisagez-vous de renforcer ou d’adapter ces dispositifs, en particulier pour les starters et les indépendants aux revenus irréguliers, afin de réduire durablement la vulnérabilité financière qui touche encore 14 % d’entre eux ?

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, uit een recente studie over armoede bij zelfstandigen van de FOD Sociale Zekerheid leren we dat, terwijl onze sociale bescherming wel en buffer biedt, zelfstandigen een aanzienlijk hoger risico op inkomensarmoede lopen, ook al ervaren zij vaak minder ernstige sociale en materiële deprivatie ervan. Het armoederisico bij werknemers bedraagt 2,8 %, tegenover 14,2 % bij zelfstandigen.

Sociale bescherming blijkt cruciaal. In de laagste inkomensgroep ontvangt een op de vijf zelfstandigen inkomensondersteuning. Tijdens de coronacrisis liep dat op tot 70 %. Zonder sociale bescherming zou het armoederisico in 2020 dubbel zo hoog zijn geweest.

Gender en gezinstypen spelen een rol. Vrouwelijke zelfstandigen keren zichzelf een lager inkomen uit, hebben een groter armoederisico en vallen dan een stukje terug op het inkomen van hun partner of op aanvullende uitkeringen. Dat wijst voor een stuk op kwetsbaarheid en economische afhankelijkheid.

Ook opvallend is de kloof tussen gemeten inkomensarmoederisico en effectieve armoede-ervaring. Het armoederisico schommelt tussen 10 en 16 %, terwijl slechts 1,4 % van de zelfstandigen ernstige sociale en materiële deprivatie ervaart. Zo kan 10,6 % van de zelfstandigen zich geen week vakantie permitteren. Bij werknemers ligt dat percentage hoger, namelijk op 13 %. Dat toont voor mij aan dat zelfstandigen voor een deel terugvallen op privébuffers, zoals spaargeld, eigendom en hun private middelen door de verwevenheid van het privéleven en de zaak. Experts waarschuwen dat die buffers beperkt zijn en dat het snel vervallen in acute armoede daarmee niet voorkomen kan worden.

Hoe interpreteert u de kloof tussen het inkomensarmoederisico en de ervaring, die anders is bij zelfstandigen?

Acht u de armoedemonitoring voldoende om verborgen en uitgestelde armoede tijdig te detecteren?

Voorts kreeg ik graag cijfers over de opname van het overbruggingsrecht, dat in 2023 is hervormd.

Bent u bereid om de solidariteit in het stelsel en het sociaal statuut van de zelfstandigen te versterken, zodat ondersteuning nog beter preventief kan worden ingezet en niet pas volgt wanneer de buffers zijn opgesoupeerd?

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, zoals de collega’s al hebben aangehaald, is vorige week in de media een studie verschenen van de FOD Sociale Zekerheid die wees op het probleem van armoede bij zelfstandigen. Daaruit is gebleken dat een aanzienlijke groep zelfstandigen te maken heeft met armoede of een risico op armoede. Als men echter kijkt naar effectieve of reële armoede, blijkt dat zij gelukkig iets beter scoren.

In de studie wordt ook een vergelijking gemaakt tussen armoede bij werknemers en armoede bij zelfstandigen. Die vergelijking is op zich minder relevant, want elke persoon in armoede, of het nu een zelfstandige, een werknemer of iemand anders is, is er een te veel.

Het is wel belangrijk om op te merken dat zelfstandigen zelf aangeven dat de sociale zekerheid ook voor hen enorm belangrijk is. Dat brengt ons bij een aantal zaken die we daadwerkelijk moeten aanpakken. Uiteraard moet armoede worden bestreden, maar daarnaast moeten we ervoor zorgen dat de stelsels voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren, waartussen vandaag nog vaak verschillen bestaan, meer naar elkaar toegroeien en dat verder wordt ingezet op harmonisering.

Een van de domeinen waarop dat zeker moet gebeuren, is het verlofstelsel in het kader van de combinatie van werk en gezin. Zeker voor zelfstandigen, die vandaag slechts twaalf weken moederschapsrust hebben, is verdere harmonisering belangrijk. Dat voorstel hebben we trouwens ook opgenomen in het voorstel van familiekrediet dat cd&v heeft gelanceerd. We willen dat zelfstandigen evenveel verlof krijgen voor de opvoeding van hun kind. Op die manier kunnen we zelfstandigen, in het bijzonder zelfstandige vrouwen, een stuk vooruithelpen. Ik ben dan ook blij dat u in uw kmo-plan alvast de intentie uitspreekt om de vijftien weken moederschapsrust vanaf volgend jaar door te voeren voor zelfstandigen. Ik zal daar zo dadelijk nog een concrete vraag over stellen.

Tot slot stel ik vast dat UNIZO in haar rapport aangeeft dat België een sterke consumentenbescherming kent, maar dat het hoog tijd is om ook te evolueren naar een vorm van producentenbescherming, zodat ondernemers, zij die produceren in ons land, voldoende worden beschermd en niet wachten tot het niet meer gaat. Vaak wachten zij immers veel te lang om met ziekteverlof te gaan.

Mevrouw de minister, hoe staat het met de plannen inzake de vijftien weken moederschapsrust die u hebt aangekondigd in uw kmo-plan en wanneer denkt u daarmee naar het Parlement te kunnen komen?

Welke concrete maatregelen kan de regering nog nemen om de armoede bij zelfstandigen te bestrijden?

Kunt u toelichten waarin het verschil precies zit tussen armoede bij zelfstandigen en armoede bij andere doelgroepen? Zijn er bij de zelfstandigen specifieke groepen die meer dan andere met armoede worden geconfronteerd?

Tot slot, bent u bereid om in te gaan op de suggesties en voorstellen van UNIZO om te werken aan een sterkere sociale bescherming van zelfstandigen?

Eléonore Simonet:

Madame la présidente, chères collègues, je vous remercie pour vos questions qui s’appuient sur l’étude récente du SPF Sécurité sociale et qui mettent en lumière une réalité complexe du vécu des travailleurs indépendants.

En ce qui concerne la lecture des chiffres et l’interprétation du risque de pauvreté chez les indépendants, il est tout d’abord essentiel de rappeler que la mesure de la pauvreté dépend fortement de l’indicateur utilisé. Le risque de pauvreté monétaire et la privation matérielle et sociale sévère ne mesurent pas la même réalité.

S’agissant de la privation matérielle, il convient d’être précis. Le fait qu’environ 21 % des indépendants déclarent ne pas pouvoir faire face à une dépense imprévue ne signifie pas qu’ils se trouvent en situation de privation matérielle sévère. Selon Statbel et Eurostat, la part des indépendants confrontés à une privation matérielle et sociale sévère se situe plutôt entre 1 et 1,5 %, un taux inférieur à celui observé chez les travailleurs salariés.

Afin de répondre à la question de Mme Pirson et de Mme Vanrobaeys relative aux causes de cette différence entre un risque élevé de pauvreté monétaire et une faible pauvreté vécue, plusieurs facteurs, largement documentés dans la littérature internationale et repris dans l’étude du SPF Sécurité sociale, peuvent être soulignés.

Premièrement, les revenus des indépendants sont plus volatils que ceux des salariés. Ils ne perçoivent pas de salaire mensuel stable et leur chiffre d’affaires fluctue en fonction de la conjoncture, des marchés ou des cycles économiques.

Deuxièmement, les mécanismes fiscaux et sociaux jouent un rôle important. Les cotisations sociales sont provisoires et ne sont recalculées que deux à trois ans plus tard, lorsque le revenu réel est connu, ce qui peut temporairement fausser l’image du revenu disponible.

Troisièmement, il existe chez les indépendants une imbrication plus forte entre la sphère privée et la sphère professionnelle. Certains utilisent des actifs de l’entreprise à des fins privées, tandis que d’autres mobilisent des moyens personnels pour soutenir leur activité. Cette réalité complique une lecture strictement monétaire du niveau de vie. C’est précisément pour cette raison que l’étude du SPF Sécurité sociale a intégré, à juste titre, l’indicateur européen de privation matérielle et sociale sévère, qui mesure la capacité réelle à faire face aux dépenses essentielles.

L’ensemble de ces éléments démontre que les chiffres issus de l’étude du SPF Sécurité sociale doivent être interprétés avec nuance. Les faibles niveaux de privation matérielle nuancent le risque moyen élevé de pauvreté monétaire chez les indépendants. Cela montre qu'il est nécessaire de combiner différents indicateurs afin d'obtenir une image aussi fidèle que possible du niveau de vie, en particulier pour un groupe aussi hétérogène que celui des travailleurs indépendants.

Il convient toutefois de rester vigilant. En effet, les statistiques de pauvreté présentent toujours un certain décalage temporel puisqu'elles tiennent compte du revenu et du niveau de vie de l'ensemble du ménage. C'est pourquoi les données administratives liées aux prestations sociales constituent des signaux d'alerte importants pour détecter plus rapidement des situations de fragilité, en particulier lorsque les revenus restent durablement instables.

De lopende analyses bij de FOD Sociale Zekerheid bevestigen de doorslaggevende rol van de sociale bescherming bij het verminderen van het armoederisico bij zelfstandigen. Zo verminderen de sociale overdrachten, exclusief pensioenen, het armoederisico met 26,9 %. Wanneer ook de pensioenen in aanmerking worden genomen, daalt dat risico zelfs met 36,4 %. Zonder deze mechanismen zou het armoederisico bij zelfstandigen dus aanzienlijk hoger liggen.

De voorbije jaren werd de sociale bescherming van zelfstandigen geleidelijk versterkt, met inachtneming van hun specifieke situatie. Ik wens in het bijzonder te wijzen op de versterking van het overbruggingsrecht, zowel wat betreft de dekking als het toepassingsgebied, de afschaffing van de correctiecoëfficiënt voor de berekening van de pensioenen, die heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de wettelijke pensioenen van zelfstandigen, en de afschaffing van de wachttijd bij ziekteperiodes van meer dan een week enzovoort.

Naar aanleiding van de vraag van mevrouw Vanrobaeys over het gebruik van het overbruggingsrecht heb ik het RSVZ bevraagd. Sinds de hervorming van het overbruggingsrecht, die op 1 januari 2023 in werking is getreden, hebben 3.062 zelfstandigen van minstens één uitkering kunnen genieten.

De gegevens van het RSVZ geven de volgende opsplitsing aan: 1.801 zelfstandigen hebben hun activiteit stopgezet naar aanleiding van een faillissement, voor een totaalbedrag van ongeveer 24 miljoen euro; 528 zelfstandigen hebben hun activiteit stopgezet wegens onvoldoende inkomsten, voor een bedrag van ongeveer 8 miljoen euro; 453 zelfstandigen hebben genoten van het overbruggingsrecht na een gedwongen onderbreking als gevolg van een beslissing van een derde of van een economische gebeurtenis, voor een bedrag van 5,5 miljoen euro.

Ik kan u gedetailleerde tabellen bezorgen met een opsplitsing naar geslacht en activiteitensector. Het RSVZ beschikt evenwel niet over informatie met betrekking tot een eventuele cumulatie met andere uitkeringen of met een beroepsactiviteit.

De vrijstelling van sociale bijdragen vormt eveneens een belangrijk instrument voor zelfstandigen in moeilijkheden. In 2023 hebben 5.052 zelfstandigen een vrijstelling genoten voor een bedrag van 20,4 miljoen euro. In 2024 ging het om 4.567 zelfstandigen voor 21,7 miljoen euro en in 2025 om 3.359 zelfstandigen voor 15,5 miljoen euro. Deze gegevens zijn opgesplitst naar geslacht, maar een sectorale opsplitsing is momenteel niet beschikbaar.

Daarnaast kunnen zelfstandigen die met financiële moeilijkheden worden geconfronteerd ook een beroep doen op een afbetalingsplan, een vermindering van de voorlopige bijdrage of een kwijtschelding van verhogingen bij laattijdige betaling. Deze maatregelen hebben hun nut bewezen, met name tijdens recente crisissen zoals de covidpandemie en de energiecrisis.

Les travailleurs indépendants sont par nature résilients et autonomes. Mais cette autonomie ne peut devenir un angle mort de notre protection sociale. C'est précisément – vous l'avez rappelé et je vous en remercie – la philosophie de mon plan PME qui vise à renforcer le filet de sécurité sociale de manière plus préventive, et non uniquement lorsque toutes les réserves ont été épuisées. Concrètement, cela se traduit notamment par la prolongation du congé de maternité à 15 semaines, l'introduction progressive d'un congé parental pour les travailleurs indépendants afin de réduire l'écart avec les salariés et les fonctionnaires en matière de droits familiaux, mais aussi la volonté de simplifier les procédures et de réduire le non-recours aux droits, notamment via l'automatisation de la transmission des certificats médicaux et de l'assimilation en cas d'incapacité de travail. Ces mesures sont en cours de préparation et seront soumises au gouvernement et au Parlement dès que les travaux préparatoires auront été finalisés.

Mevrouw Lanjri, voor de verlenging van het moederschapsverlof is er vanaf 2026 een budget voorzien. De ontwerpteksten moeten echter nog worden voorgelegd aan de verschillende adviesorganen.

Daarnaast zullen kwetsbare zelfstandigen tijdens de huidige legislatuur het voorwerp uitmaken van transversale initiatieven, met name in het kader van de welzijnsenveloppe die bestemd is voor de meest kwetsbare groepen en wordt ontwikkeld in samenwerking met mijn collega, de heer Vandenbroucke. In dat kader heb ik voorgesteld om de ziekte-uitkeringen voor zelfstandigen te verhogen, teneinde ze beter af te stemmen op de minima die gelden voor werknemers.

Enfin, mesdames, je partage l'analyse selon laquelle il est essentiel de permettre aux indépendants de demander de l'aide plus tôt, sans attendre que la situation devienne critique. Cela implique non seulement des instruments financiers adaptés, mais aussi un meilleur accompagnement, une information claire et une sensibilisation accrue, tant pour les indépendants eux-mêmes, en particulier les starters et les petites structures, que pour les acteurs avec lesquels ils sont en contact direct – caisses d'assurance sociale, curateurs, CPAS et créanciers.

Renforcer la solidarité au sein du statut social des indépendants, c'est donc mieux prévenir, mieux accompagner et mieux cibler, afin d'éviter que des difficultés temporaires ne se transforment en situation de pauvreté durable.

Ik dank u voor uw belangrijke vragen.

Anne Pirson:

Merci pour vos réponses, madame la ministre, et notamment pour les précisions apportées quant aux différents indicateurs de mesure de la pauvreté.

Pour Les Engagés, le ciblage a réellement fait ses preuves. L’enjeu n’est pas de dépenser plus demain, mais de mieux adapter nos mécanismes de protection sociale à la réalité spécifique des indépendants pour qu’ils soient en mesure d’entreprendre et ce, sans basculer dans la précarité au moindre choc.

Nous vous savons très sensible au sort des indépendants et nous serons attentifs aux suites concrètes que vous donnerez à ce chantier essentiel.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, mijn dank voor de interessante cijfers en uw nuancering. In een welvaartsstaat zoals België moeten we steeds alles in het werk stellen om armoede te bestrijden, ongeacht het zelfstandigen of mensen in een ander statuut betreft. Mensen moeten op een goede manier kunnen leven en bijdragen aan onze samenleving.

U hebt gezegd dat men solidariteit kan versterken door middel van meer preventie. We moeten echter ook eerlijk durven te zijn. De sociale bescherming voor zelfstandigen is reeds uitgebreid, maar mijns inziens staat daar te weinig solidariteit van de zelfstandigen zelf tegenover. Ook de OESO heeft dat opgemerkt en geeft aan dat onze financiering in de problemen zal komen. Dat blijkt ook uit de cijfers over de alternatieve financiering.

De sterkste schouders dragen vandaag nog steeds te weinig bij. Zelfstandigen halen de meeste voordelen uit fiscale optimalisaties en door geplafonneerde bijdragen. Die cijfers tonen aan dat door de uitbreiding van de sociale bescherming het armoederisico aanzienlijk daalt. Om armoede te bestrijden, is er in dat statuut meer solidariteit nodig, met bijdragen volgens de draagkracht. Ik zie dat niet als een aanval op ondernemerschap, maar als een keuze voor een eerlijk en toekomstgericht sociaal systeem voor zelfstandigen. Bovendien zijn zelfstandigen zelf vragende partij voor rechten, zoals de moederschapsbescherming, het ouderschapsverlof en de uitbreiding van het rouwverlof voor zelfstandigen. Ook zelfstandigen moeten in de huidige samenleving de tijd hebben werk en gezin te combineren.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. U hebt aangehaald dat de zelfstandigen zelf zeggen dat we een goede sociale zekerheid en een goede sociale bescherming hebben. Dankzij die sociale bescherming wordt het armoederisico gelukkig getemperd en verminderd. Bij gepensioneerden gaat het zelfs om 36 % minder. Zonder die bescherming zou dus meer dan een derde van de mensen in armoede terechtkomen.

Er zijn in het verleden inderdaad al veel maatregelen genomen, maar het blijft belangrijk om te bekijken waar de hiaten zitten en waarop we verder bouwen. Ik denk dat we dat binnenkort, wanneer we uw kmo-plan in het Parlement bespreken, grondig kunnen doen. Het is goed om het te hebben over hoe we de sociale bescherming nog verder kunnen verbeteren, onder meer met voorstellen die vanuit de sector zelf komen, zoals die van UNIZO.

Uiteraard sluit ik mij aan bij de woorden van collega Anja Vanrobaeys dat sociale zekerheid ook solidariteit betekent, namelijk solidariteit tussen mensen die ziek zijn en mensen die kunnen werken, en tussen mensen met een hoger inkomen en mensen met een lager inkomen. Die solidariteit moet ingebakken zijn, zowel over de stelsels heen als bij de zelfstandigen zelf. Het is dus zeker goed om te bekijken hoe we meer rechten kunnen voorzien, maar dat moet gepaard gaan met voldoende bijdragen, zodat we die goede sociale zekerheid ook op lange termijn kunnen blijven betalen.

Al jarenlang ben ik pleitbezorger van een goede combinatie van werk en gezin, ook voor zelfstandigen. Collega Vanrobaeys heeft terecht aangestipt dat ook het rouwverlof via een wetsvoorstel werd ingevoerd, waardoor we ervoor gezorgd hebben dat het voor iedereen bestaat. Inzake moederschapsrust heb ik altijd gepleit dat die er voor iedereen moet zijn, ook voor zelfstandigen, maar daartegenover moeten ook bijdragen staan.

De regering heeft, onder meer na aandringen van cd&v, extra middelen voorzien voor iedereen. Belangrijk is dat er in 2026 al geld is voor één week extra geboorteverlof voor iedereen, ook voor zelfstandigen. Ik hoop dat u daar nu al de schouders onder zet. Vorige donderdag heb ik u gevraagd om alvast aan die extra week te werken. Het familiekrediet, waarvoor we een uitgebreid voorstel hebben uitgewerkt, met onder meer ouderschapsverlof en tijdskrediet, ook voor zelfstandigen en voor alle mensen, is complexer en zal meer tijd vergen. Dat kunnen we dan uitrollen vanaf de zomer. Nu moet er dringend worden ingezet op die extra week. In uw kmo-plan is ook een budget ingeschreven om een en ander voor zelfstandigen verder te harmoniseren, weliswaar pas vanaf 2027. Nu is er wel al geld voorzien voor die extra week voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Laten we daarvan een prioriteit maken. Ik zal mijn schouders daar onder zetten om dat mee te realiseren.

Anja Vanrobaeys:

(…)

Het omstandigheidverlof wegens zwangerschapsverlies voor federale ambtenaren

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir bekritiseert dat het congé pour perte de grossesse voor federale ambtenaren (AR 9/06/2024) enkel geldt na voorafgaande zwangerschapsaangifte, wat volgens het Institut pour l’Égalité, de Ligue des Familles en Vlaanderen (dat de voorwaarde schrapte) discriminerend is voor wie zwangerschap geheimhoudt of ontkent. Minister Vanessa Matz erkent het probleem, benadrukt dat de meldingsplicht oorspronkelijk bedoeld was als aanmoediging voor juridische bescherming, maar belooft aanpassingen te onderzoeken in overleg met partners, geïnspireerd door Vlaamse praktijken en gelijkheidsbeginselen. Désir wijst erop dat Matz’ eerdere voorstel voor de privésector (zonder meldingsplicht) al door dezelfde instanties werd gesteund en hoopt op een snelle alignering met het Vlaamse model (eenvoudige erewoordverklaring). Beide benadrukken de nood aan antidiscriminatiebescherming en een compassionele werkvloer.

Caroline Désir:

Madame la ministre, l'arrêté royal du 9 juin 2024 a créé un congé de circonstance de deux jours pour les fonctionnaires fédéraux pour perte de grossesse avant le 181 ème jour de grossesse. C'est une avancée non négligeable pour les personnes concernées, qui vient s'ajouter à la possibilité pour le fonctionnaire de bénéficier de congés maladie qui pourraient résulter d'un tel événement.

Pour pouvoir en bénéficier, la fonctionnaire doit avoir déclaré préalablement sa grossesse. Cette modalité a fait l'objet de nombreuses critiques de la part l'Institut pour l’égalité des femmes et des hommes, du Conseil pour l'égalité entre les femmes et les hommes et de la Ligue des familles. En effet, ils y voient une discrimination évidente entre les victimes d'une perte de grossesse selon qu'elles ont ou non préalablement déclaré leur grossesse.

S'il est important d'inviter les femmes à déclarer leur grossesse pour pouvoir bénéficier des protections juridiques liées à cette situation, la liberté de ne pas le faire doit aussi pouvoir être préservée, a fortiori durant les trois premiers mois, durant lesquels de nombreuses femmes souhaitent encore préserver le secret. Il y a également le cas des personnes victimes de déni de grossesse, par exemple.

En Flandre, cette condition a été supprimée afin de respecter l'avis du Conseil d'État. Le congé est désormais octroyé sur simple déclaration sur l'honneur de la perte de grossesse.

Madame la ministre, quelle est votre position à ce sujet? Ne conviendrait-il pas, selon vous, d'adapter la réglementation existante afin de respecter ces différents avis et ainsi la liberté des femmes?

Par ailleurs, afin de protéger les femmes qui, en utilisant ce congé, font part de leur éventuel projet de fonder une famille, ne conviendrait-il pas également d'évaluer les risques de discrimination qui pourraient en résulter, et le cas échéant prévoir des mécanismes protecteurs pour celles-ci? Je vous remercie.

Vanessa Matz:

Madame Désir, comme vous le savez probablement, cette thématique me tient particulièrement à cœur. Au cours de la législature précédente, j'avais déposé une proposition visant à régir un tel congé pour les travailleurs du secteur privé. L'arrêté royal du 9 juin 2024 a créé un régime de congés de deuil en cas de perte de grossesse, tant pour le membre du personnel féminin confronté à une perte de grossesse que pour le membre du personnel dont le partenaire est confronté à une perte de grossesse.

Lors de la préparation de cette réglementation pour la fonction publique administrative fédérale, de nombreuses parties concernées ont été consultées afin d'examiner tous les aspects de cette thématique. Les experts médicaux, les organisations syndicales et les employeurs publics fédéraux ont été impliqués dans la concertation.

Le congé de circonstance pour perte de grossesse peut être accordé jusqu’au 180 e jour de grossesse. À partir du 181ᵉ jour, le régime des congés de maternité et de naissance s’applique. Au cours des discussions, il n’avait pas été facile de s’accorder sur ce qui devait être considéré comme le début de la grossesse. Il a donc été décidé de lier cela au fait que l'employeur ait été informé de la grossesse.

Je comprends toutefois les critiques formulées par plusieurs instances consultatives et organisations qui mettent en évidence un risque de discrimination. Je considère que la liberté des femmes de ne pas déclarer leur grossesse doit être respectée.

Le but était d’encourager la déclaration afin de permettre l’accès aux protections juridiques existantes. Il s’agissait évidemment d’une incitation à bénéficier de cette protection juridique en déclarant la grossesse. Cette incitation ne peut toutefois avoir pour effet d’exclure certaines personnes.

Dès lors, j’ai demandé d’entamer des concertations avec les partenaires concernés afin d’évaluer une éventuelle adaptation du système actuel, à la lumière des avis rendus, de l’évolution des pratiques dans d’autres niveaux de pouvoir et du principe d’égalité de traitement.

J’estime qu’il est important d’accorder une attention constante à cette thématique, où le rétablissement physique et mental, mais aussi le développement d’un lieu de travail empreint de compassion, sont importants.

Je vous remercie.

Caroline Désir:

Merci, madame la ministre. Il apparaît en effet que les avis de l’Institut et de la Ligue des Familles ont été remis sur une proposition pour le secteur privé, émanant de vous-même, mais celle-ci prévoyait précisément la création de ce congé sans déclaration préalable. Ces avis soulignaient clairement qu’il s’agissait de la formule la plus adéquate, en comparaison avec l’arrêté royal de 2024. Je me réjouis donc de constater que vous vous inscrivez dans la continuité de cette réflexion. J’espère que cela aboutira concrètement et que nous pourrons, à terme, nous aligner sur le modèle flamand. Je crois que ce système peut parfaitement fonctionner et permettre d’éviter toute forme de discrimination.

Praktijkdierenartsen
De antwoorden op de zware overbelasting van plattelandsdierenartsen
Plattelandsdierenartsen en praktijkdruk

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval meldt concrete maatregelen om de administratieve last voor dierenartsen te verlichten: de verplichte invoering van VAMREG voor paarden en aquacultuur wordt met zes maanden uitgesteld, er komt een analyse voor vrijstelling van kleine praktijken, en in 2026 volgen triloges voor automatische gegevensintegratie met softwareleveranciers. De Pax Veterinaria-afspraken (o.a. tariefsverhoging van €5 in 2026 en behoud van vergoedingen) blijven gelden, terwijl een taskforce administratieve vereenvoudiging moet versnellen. Bury en Prévot erkennen vooruitgang maar benadrukken de noodzaak van dringende actie: Prévot wijst op het hoge suïcidecijfer en massale uitstroom (40% jonge dierenartsen stopt binnen 4 jaar), eist tastbare verbeteringen (minder papierwerk, betere verloning) en noemt de huidige situatie "onleefbaar" voor praktijkhouders. Bury belooft opvolging met het veld maar stelt dat het antwoord nog onvoldoende concreet is.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik heb eerder al een vraag gesteld over de praktijkdierenartsen, die gezamenlijk de vergadering van 12 december verlaten hebben. Op mijn vraag antwoordde u toen dat er overleg zou plaatsvinden. Daarom stel ik daarover nu een aantal bijkomende vragen.

Welke concrete afspraken zijn tijdens dat overleg gemaakt? Wat is vastgelegd en wat is nog in overleg? Gaat u eventueel de verplichte ingebruikname van VAMREG tijdig opschorten, of zult u meer inzetten op de automatische gegevensintegratie via erkende veterinaire software, zodat dat dubbel werk kan worden vermeden?

Wat met de extra tijdsinvestering en de bijkomende handelingen die veeartsen met dat nieuw systeem moeten uitvoeren? Worden daarvoor compensaties of ondersteuningsmaatregelen voorzien? Wat met oudere of financieel kwetsbare dierenartsen?

Wordt er een impactanalyse gemaakt? Zal worden nagegaan welke implicaties die bijkomende verplichtingen hebben, gelet op het bestaande personeelstekort in de sector?

Is er een timing voorzien voor die ondersteuning en vereenvoudiging?

Last but not least , zult u het Parlement hierover regelmatig verder informeren?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, le 9 avril 2025 je relayais au sein de cette commission le cri de détresse des vétérinaires ruraux, un cri de détresse formalisé dans une lettre qui vous avait, notamment, été adressée. Quelques mois plus tard, en novembre 2025, nous apprenions que 40 % des jeunes vétérinaires quittaient la profession dans les quatre ans et, plus glaçant encore, que la profession de vétérinaire figurait parmi les professions connaissant le plus haut taux de suicide.

Sous la précédente législature, vous avez lancé la "Pax Veterinaria", une convention conclue entre les fédérations de la viande, les organisations vétérinaires et l'AFSCA et censée améliorer progressivement, d'ici décembre 2028, le cadre de vie des vétérinaires. J'en profite pour vous demander un aperçu de la situation à ce jour quant au respect des différentes étapes promises avant cette échéance de décembre 2028.

Mes questions sont donc les suivantes. Tout d'abord, l'augmentation progressive des tarifs – plus cinq euros en 2026, plus deux euros en 2027 – est -elle toujours prévue? L'indemnisation des déplacements dès le premier kilomètre et la rémunération minimale garantie pour chaque mission confiée par l'AFSCA seront-elles indexées pour 2026 et 2027? Autre question très concrète et attendue par le secteur: vous promettiez, dans votre réponse du 9 avril 2025, une large consultation avec la profession vétérinaire mais aussi avec les acteurs des administrations concernées. Quels sont les résultats de cette large consultation? Comment ces résultats se concrétiseront-ils en termes de mesures politiques? Enfin, verra-t-on finalement un changement au statut des aides vétérinaires et des infirmiers vétérinaires?

David Clarinval:

S'agissant des questions relatives à la détresse des vétérinaires, plusieurs accords ont été conclus à la suite des concertations menées avec les organismes vétérinaires afin de répondre aux préoccupations du secteur par rapport à l'enregistrement, notamment, de l'utilisation des antibiotiques, comme prévu dans le Règlement européen 2019/6.

Premièrement, l'enregistrement via VAMREG, pour les chevaux et l'aquaculture, sera reporté de six mois. Il y avait une grosse inquiétude de la part des vétérinaires quant à l'impossibilité d'implémenter VAMREG dans les délais.

Deuxièmement, les vétérinaires ont été invités à soumettre une analyse quantitative en vue d'évaluer la possibilité d'une exemption pour les praticiens dont le chiffre d'affaires annuel est limité. Cette proposition sera examinée par l'AFMPS au regard de sa faisabilité et de sa conformité aux exigences européennes.

Troisièmement, afin de faciliter l'automatisation complète du transfert de données des logiciels vétérinaires vers VAMREG, des trilogues entre l’AFMPS, les vétérinaires et les fournisseurs de logiciels seront organisés en 2026.

Par ailleurs, une plateforme de concertation mensuelle entre l’AFMPS et les éditeurs de logiciels sera mise en place afin de garantir la bonne opérationnalité des logiciels lors des mises à jour et de répondre aux questions techniques.

Met betrekking tot de volledige geautomatiseerde gegevensoverdracht naar VAMREG heeft het FAGG de nodige codes ontwikkeld en met de softwareleveranciers gedeeld. Het FAGG moedigt de dierenartsen aan om contact met hun softwareleveranciers op te nemen om hen aan het overlegplatform te laten deelnemen. Bij elke wijziging van hun softwarepakket kunnen de leveranciers dan verifiëren dat de gegevensoverdracht vanuit de software, gebruikt door de dierenartsen, naar VAMREG operationeel blijft.

De interoperabiliteit tussen de software van de dierenartsen en het systeem voor de gegevensverzameling SANITEL-MED, dat al operationeel is, wordt verzekerd. Dat vermijdt dubbele registraties, omdat de twee systemen gericht zijn op verschillende diersoorten en een volledige geautomatiseerde gegevensoverdracht verzekeren.

Met betrekking tot de ongerustheid van de landelijke dierenartsen blijven de engagementen van de Pax Veterinaria behouden. In 2026 wordt voor de BMO's van het FAVV een ereloon van 75,96 euro per uur voorgesteld. Dat bedrag is inclusief indexering en de geplande verhoging met 5 euro. De terugbetaling van de verplaatsingskosten zal volgens de modaliteiten voor 2025 behouden blijven.

Met betrekking tot het statuut van de diergeneeskundige assistenten en de helpers werd op 13 juni 2025 een studiedag georganiseerd. De conclusies worden momenteel opgevolgd.

Er zijn werkzaamheden aan de gang met de Orde der Dierenartsen en de opleidingsinstellingen om de opleidingen te harmoniseren en een erkend professioneel kader voor te bereiden.

Dans le cadre du plan national AMR, des primes sont par ailleurs prévues pour les vétérinaires. Compte tenu des difficultés exprimées par le secteur, une task force réunissant des représentants du secteur vétérinaire, présidée par un vétérinaire fonctionnaire du SPF Santé, a été créée. Elle aura pour mission d'examiner les propositions visant à réduire les charges administratives et d'évaluer l'opportunité d'une concertation structurelle à long terme.

Cette décision a été prise après une réunion que nous avons organisée avec Franck Vandenbroucke, moi-même, le FAGG, les différentes administrations et les représentants des vétérinaires pour pouvoir vraiment avancer sur toute une série de revendications qui étaient sollicitées par les vétérinaires. Voilà, madame la présidente.

De voorzitster : Ik neem aan dat er enkele reacties zijn.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Er is nog werk aan de winkel, maar u bent met de verschillende werven bezig. Ik bestudeer uw antwoord, koppel het terug naar de dierenartsen en daarna zullen er waarschijnlijk nog vervolgvragen komen.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. J’ai le sentiment que certaines choses avancent et c’est un élément qu’il convient de souligner. Je me permets toutefois d’insister sur l’urgence de la situation. Je le disais déjà dans ma question. Il s’agit de l’une des professions qui connaît l’un des taux de suicide les plus élevés. La semaine dernière, j’étais chez un ami agriculteur où Paul, un vétérinaire – plutôt proche de chez vous puisque sa compagne est conseillère communale MR à Soignies –, m’expliquait à quel point le métier de vétérinaire, en particulier pour les gros animaux, comme c’est son cas, est devenu extrêmement difficile. Il me disait aussi combien il doutait que les nouvelles générations soient suffisamment folles pour reprendre les rênes et exercer encore cette profession éminemment difficile. J’ai beaucoup d’amis vétérinaires qui lancent ce cri d’alarme. Nombre d’entre eux cherchent à arrêter, à se reconvertir, à faire autre chose de leur vie. À Soignies, l’un d’entre eux s’est même reconverti dans la restauration, ça ne s’invente pas. Il y a véritablement des mesures à prendre pour ce secteur. Je comprends l’utilité de créer une task force , d’écouter, de tenter de trouver des solutions, notamment en vue de réduire les démarches administratives, qui restent trop souvent l’éternelle difficulté. Aujourd’hui cependant, ce que le secteur demande avant tout, ce sont des actes. Au-delà des task forces , des réunions et des concertations, il faudra que vous puissiez, avec les autres membres du gouvernement, poser des actes concrets qui améliorent réellement la situation. Il s’agit de rendre de l’attractivité à cette belle profession, mais aussi de faire en sorte que l’on ne continue pas à constater un taux de suicide aussi élevé parmi celles et ceux qui l’exercent.

Nieuwe gevallen van de ziekte van Newcastle

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 27 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval benadrukt dat België dankzij verplichte vaccinatie (sinds de jaren '90) en strikte controles gespaard blijft van grote Newcastle-uitbraken, terwijl Polen kampt met aanhoudende haarden door lage vaccinatiegraad en wilde vogels als virusdrager; extra maatregelen zijn volgens hem niet nodig. De Knop vraagt naar een gedifferentieerde aanpak per pluimveesector en linkt de EU-maatregelen (beschermingszones) met vogelgriep, maar Clarinval stelt dat Newcastle en vogelgriep verschillend beheerd worden (vaccinatie tegen vogelgriep vereist EU-beslissing). Hij bevestigt regelmatig overleg met de sector via het Sanitair Fonds.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de Wereldorganisatie voor Diergezondheid meldt nieuwe gevallen van de ziekte van Newcastle in de EU-lidstaten Slovakije en Polen. In Slovakije is het van 2007 geleden dat die voor pluimvee dodelijke ziekte opdook. In Polen sukkelt men daarentegen al meer dan een jaar met aanhoudende problemen. In ons land dateert de laatste uitbraak bij professionele pluimveehouders van 2018. We willen dat uiteraard zo houden.

Hoe schat u de uitbraken van Newcastle in met betrekking tot de risico's in België?

Worden er specifieke inspanningen gedaan om de kans op besmetting in Belgische pluimveehouderijen te voorkomen?

Zal daarbij een aanpak op maat worden uitgewerkt voor de verschillende types van pluimveebedrijven, dus een verschillende aanpak voor vleeskuikens, legkippen en voor kalkoenen?

Hebt u over dat probleem al overleg gehad met de vertegenwoordigers van de pluimveesector?

David Clarinval:

Mevrouw de voorzitster, de problemen met de ziekte van Newcastle in Polen kunnen vooral worden verklaard doordat vaccinatie van pluimvee tegen de ziekte facultatief was. De vaccinatiegraad was daardoor laag. Het virus van de ziekte van Newcastle circuleert bovendien bij wilde vogels.

De introductie ervan in pluimveebedrijven in Polen heeft dan ook geleid tot een hele reeks besmettingshaarden. Ondanks de maatregelen die de Poolse overheid intussen heeft genomen, komen er helaas nog steeds nieuwe haarden bij. Daarom heeft de Europese Commissie noodmaatregelen goedgekeurd, met name de afbakening van beschermings- en bewakingszones in Polen.

In België wordt bij de routinecontroles van het FAVV op pluimveebedrijven de naleving van de vaccinatieverplichting tegen de ziekte van Newcastle systematisch geverifieerd.

Bovendien hebben de bijkomende maatregelen die ik heb genomen in het kader van de bestrijding van de vogelgriep ook een preventief effect tegen de insleep van het virus van de ziekte van Newcastle in pluimveehouderijen. Daarenboven wordt tijdens het formeel overleg met de pluimveesector in het kader van het Sanitair Fonds de sanitaire toestand steevast op de agenda gezet. In België is de vaccinatie tegen de ziekte van Newcastle verplicht sinds het begin van de jaren negentig. Sindsdien is de Belgische pluimveesector gespaard gebleven van grote epidemieën. De regelgeving is dus voldoende, waardoor er momenteel geen bijkomende maatregelen nodig zijn.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u zei dat de EU speciale maatregelen heeft genomen, onder andere de invoering van een bewakingszone. Is dat dan niet het geval voor de vogelgriep? Wordt daarvoor een andere aanpak gehanteerd? Indien dat het geval is, waarom?

David Clarinval:

Ja, we kunnen misschien een coördinatie hebben, maar voor ons in België is er geen probleem. We hebben vaccinatie verplicht gemaakt.

Irina De Knop:

Dat had ik goed begrepen, maar ik legde even de link met het vogelgriepvirus.

David Clarinval:

Ik ben voor de vaccinatie tegen de vogelgriep, maar de vogelgriep heeft een andere status dan de ziekte van Newcastle. We moeten een beslissing nemen op Europees niveau voor een vaccinatie tegen de vogelgriep. De status van die twee ziekten is niet dezelfde.

Irina De Knop:

Dat heb ik goed begrepen. De voorzitster : Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw tijd en voor uw antwoorden. We kijken alvast uit naar de volgende vergadering. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.32 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 32.

De extra week geboorteverlof vanaf 2026

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 22 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nahima Lanjri (cd&v) dringt aan op concrete invoering van het familiekrediet—een bundeling van 24 maanden zorgverlof per kind, flexibel verdeelbaar tussen ouders en grootouders—en bekritiseert de trage uitvoering van de beloofde extra week geboorteverlof vanaf 2026, ondanks gereserveerd budget. Volgens haar moeten ouders van kinderen geboren na 1 januari 2026 retroactief recht krijgen op die week, met onmiddellijke wetgevende stappen om onzekerheid weg te nemen. Eléonore Simonet (namens de minister van Werk) bevestigt de geleidelijke invoering van het familiekrediet—met harmonisatie van verlofrechten en inclusie van grootouders—en kondigt een voorontwerp in 2024 aan, gefinancierd met 25–35 miljoen euro/jaar. De extra week geboorteverlof (keuzevrij voor partners) wordt bevestigd, maar concrete timing blijft vaag, afhankelijk van overleg met sociale partners en administraties. Lanjri stelt dat de regering al in november besliste de extra week dit jaar in te voeren en eist bindende toezeggingen, met kritiek op het ontbreken van urgente uitvoering ondanks "voldoende geld" (40 miljoen in 2024). De discussie onthult een politieke consensus over het familiekrediet, maar spanningsveld tussen ambitie en uitvoeringsvertraging.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, de Gezinsbarometer maakt duidelijk hoe zwaar de gezinnen het vandaag hebben. Zeven op de tien gezinnen rekenen op hulp om alles rond te krijgen, maar die hulp is er niet altijd. Daarom zijn er maatregelen nodig om gezinnen nog meer ademruimte te geven, om te zorgen voor een beter evenwicht tussen werk en gezin.

Daarom hebben wij vorig jaar met cd&v het concrete voorstel gelanceerd om het familiekrediet in te voeren. Dat is een bundeling van alle verloven die te maken hebben met de zorg voor het kind tot een rugzakje van 24 maanden verlof per kind, te verdelen tussen beide ouders en eventueel ook met de grootouders of plusouders, en dit ook beter vergoed.

Er is ook positief nieuws, want in het begrotingsakkoord is extra geld voorzien. Er werd ook een extra week geboorteverlof voor 2026 aangekondigd. Dit geeft de ouders uiteraard hoop en perspectief, maar tegelijkertijd is er ook heel veel onzekerheid en ongerustheid, want als die ouders naar hun werkgever of naar de mutualiteit stappen, krijgen ze daar te horen dat het nog niet concreet is en dat ze er nog geen recht op hebben. Dat geeft dan weer frustratie.

Mevrouw de minister, aangezien er een budget voor 2026 is voorzien, voor een volledig jaar van januari tot december, rekenen ouders en ook wij als gezinspartij erop dat elk kind dat vanaf 1 januari is geboren een extra week geboorteverlof zal krijgen. Desnoods moeten we dat retroactief en met voldoende souplesse invoeren om het ook nadien te kunnen opnemen.

Mevrouw de minister, kunt u bevestigen dat dit er komt en dat dit geldt voor elk kind dat vanaf 1 januari is geboren? Het geld is er. Wanneer komen de bevoegde ministers met dat ontwerp naar het Parlement, zodat wij de ouders kunnen geruststellen dat zij die extra week zullen krijgen?

Eléonore Simonet:

Mevrouw Lanjri, ik antwoord vandaag in naam van mijn collega, de minister van Werk, die verontschuldigd is.

In overleg met de sociale partners introduceert de regering geleidelijk het familiekrediet, om de verlofrechten te vereenvoudigen en te harmoniseren voor iedereen die bijdraagt aan de zorg en opvoeding van een kind. Die regeling beoogt een meer evenwichtige verdeling van de verloven tussen de ouders. Daarbij voorzien we ook in de mogelijkheid voor grootouders om verlof op te nemen. Tegelijk zullen de verschillen die gelinkt zijn aan het beroepsstatuut verdwijnen.

De invoering van het familiekrediet zal geleidelijk gebeuren en beginnen met de introductie van een extra week moederschaps- of geboorteverlof, naar keuze toegankelijk voor de ene of de andere partner, opnieuw ongeacht het beroepsstatuut.

Ter ondersteuning van die hervormingen werd in de meerjarenbegroting een jaarlijkse enveloppe van 25 miljoen euro voorzien. Daarnaast zal een bijkomende financiering van 15 miljoen euro worden toegekend in 2026 en 2027. Vanaf 2028 wordt dat bedrag verhoogd tot 35 miljoen euro, waarvan 5 miljoen euro bestemd is voor het ouderschapsverlof van zelfstandigen.

In samenwerking met de bevoegde ministers van Sociale Zaken, Werk, Ambtenarenzaken, Administratieve Vereenvoudiging zal in de loop van dit jaar een voorontwerp van wet worden voorgelegd. Dat voorontwerp zal een globaal juridisch kader vastleggen voor het familiekrediet, dat is opgevat als een recht dat gekoppeld is aan het kind. Daartoe zal een werkgroep worden opgericht met de bevoegde beleidscellen en administraties – de FOD Werkgelegenheid, de FOD BOSA, de FOD Sociale Zekerheid, het RSVZ en het RIZIV – die de verdere modaliteiten zal onderzoeken. Wij zullen op een later moment meer details kunnen geven. Dank u wel.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, ik ben blij dat u inhoudelijk helemaal op de piste van cd&v zit. Als het gaat over het familiekrediet, zitten we binnen de meerderheid allemaal op dezelfde lijn. Dat is goed. Het voorstel werd ondertussen ook al in het Parlement toegelicht. We hebben het voorgesteld en het is in behandeling.

De regering heeft eind november wel beslist dat die week extra geboorteverlof er alvast komt. Daarvoor moeten we niet wachten tot het hele familiekrediet is uitgewerkt, dat kan er nog in de loop van dit jaar komen.

Mevrouw de minister, u bent in dezen misschien slechts de boodschapper, maar ik vraag u om aan alle bevoegde ministers over te brengen dat die extra week geboorteverlof er moet komen, ongeacht het statuut van de ouders, voor elk kind dat geboren is na 1 januari. We hebben daarvoor extra geld voorzien. Voor dit jaar is 40 miljoen euro extra voorzien. De ouders rekenen op ons.

Voorzitter:

Collega’s, aan de orde zijn een reeks vragen gericht aan de premier en de minister van Buitenlandse Zaken. De premier heeft mij laten weten dat hij voldoende tijd wil gebruiken om te kunnen antwoorden. Ik stel voor om zijn spreektijd op 7 minuten 30 seconden te zetten. De repliektijd wordt ook met de helft verhoogd tot 1 minuut 30 seconden. Ik zal die spreektijd secuur doen naleven; ik zeg dat ook ten aanzien van de premier, die enigszins sarcastisch mijn richting uitkeek toen ik de spreektijd op 7 minuten 30 seconden vastlegde.

De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en de voorbereiding van de OCMW’s
De late steun aan de OCMW's n.a.v. de hervorming van de werkloosheidsreglementering
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's
De compensatie voor de OCMW's n.a.v. de personen die hun inschakelingsuitkering zullen verliezen
De steun voor de OCMW's in het licht van de golf van werklozen die hun uitkering verliezen
De werkloosheidshervorming en de beperking in de tijd van het recht op een werkloosheidsuitkering
De steun aan de OCMW's
De steun voor de OCMW's
De toestroom bij de OCMW's van werklozen die hun werkloosheidsuitkering verliezen
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's
Financiële en operationele gevolgen van de werkloosheidshervorming voor OCMW's

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de impact van de tijdsbeperking op werkloosheidsuitkeringen (ingegaan op 1 januari 2026) en de overbelasting van OCMW’s, die massaal geconfronteerd worden met leefloonaanvragen van uitgesloten werklozen. Volgens OCMW-koepels (VVSG, Brusselse federatie) vraagt 36% tot 60% van de betrokkenen al een leefloon – veel hoger dan de governmentele inschatting van "één derde" – met complexe dossiers (schulden, gezondheid, huisvesting) die de werkdruk en behandelingsduur verdubbelen. Kritiekpunten: - Financiële tekorten: De beloofde 26 miljoen euro (2025) en 300 miljoen (2026) voor OCMW’s zijn nog niet uitbetaald, terwijl lokale besturen al voorschieten en dreigen om te vallen (bv. Charleroi, Luik). Oppositie (o.a. Meunier, Lanjri) noemt dit "onverantwoord" en wijst op structureel onderfinanciering, vooral voor niet-toeleidbaren (bv. chronisch zieken, personen met een handicap) die verkeerdelijk in werkloosheid zaten en nu tussen wal en schip vallen. - Slechte doorverwijzing: VDAB/FOREM screenden niet-toeleidbaren onvoldoende door naar RIZIV, DG Handicap of sociale economie, waardoor OCMW’s dubbel werk krijgen. Vanrobaeys en Lanjri eisen betere data-uitwisseling en een specifiek attest om heronderzoeken te vermijden. - Veiligheid & agressie: OCMW-medewerkers melden toenemend geweld (bv. Antwerpen: +324 incidenten in 2024), maar federale maatregelen (zoals koppeling agressie aan GPMI) blijven onduidelijk. Minister Van Bossuyt (CD&V) benadrukt dat de compensatiemechanismen (verhoogde RIS-terugbetaling, personeelskosten) wettelijk verankerd zijn en dat de 26 miljoen euro "eind januari" vrijkomt, maar ontkent systematisch onderfinanciering. Ze wijst op taskforces met OCMW’s en regio’s, maar oppositie en lokale besturen betwijfelen de effectiviteit, gezien de reële instroom (bv. Charleroi: 1.000 aanvragen vs. geraamde 430) en gebrek aan concrete oplossingen voor niet-toeleidbaren. Ducarme (MR) verdedigt het beleid als "voldoende gefinancierd", maar kritiek blijft hardnekkig.

Voorzitter:

Si vous voulez, nous pouvons garder les deux débats d'actualité, mais les tenir successivement. Nous allons procéder ainsi pour garder une cohérence et ne pas passer par le cumul des allocations. Nous tiendrons donc le premier et le troisième débat à la suite l’un de l’autre.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik heb mijn vragen uiteraard aangepast aan de actualiteit. Ik had die vragen eigenlijk al ingediend midden november 2025.

Sinds de inwerkingtreding van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zagen wij in de media de eerste cijfers verschijnen over de impact op de OCMW’s. Volgens een recente bevraging van de VVSG blijkt dat 36 % van de werklozen die sinds 31 december 2025 hun werkloosheidsuitkering verloren, intussen een leefloonaanvraag indienden. Dat aandeel lag een week eerder nog lager. Wij zien dus een merkbare stijging in de tijd.

Voor Brussel wijzen voorlopige cijfers op een nog hogere instroom. De Brusselse federatie van OCMW’s schat dat in verschillende gemeenten meer dan de helft van de geschorste werkzoekenden zich tot het OCMW wendt. In gemeenten zoals Schaarbeek, Etterbeek en Elsene zou het zelfs om 50 % à 60 % gaan. Daarbij wordt expliciet aangegeven dat het om voorlopige cijfers gaat en dat een bijkomende stijging niet uitgesloten is, omdat niet iedereen onmiddellijk een aanvraag indient.

Wat wij uit de media vernemen, is dat de instroom van dossiers te maken zou hebben met meervoudige problematieken, waaronder gezondheid, schulden en huisvesting. Volgens de VVSG verhoogt dat automatisch de behandelingsduur en de intensiteit van elk dossier aangezien elk leefloondossier logischerwijze een volledig sociaal onderzoek vereist. Bovendien wordt in Brussel gewezen op de operationele gevolgen voor de OCMW’s. Sociaal assistenten beheren daar gemiddeld 140 dossiers terwijl in de sector 100 dossiers vaak al als bovengrens worden beschouwd.

Verschillende OCMW’s geven ook aan dat de anticipatie op verhoogde spanningen aan de loketten ertoe leidt dat bijkomende bewakingsmaatregelen zullen worden getroffen. Dat wordt onder meer gelinkt aan de toegenomen werkdruk en de onzekerheid bij cliënten. Ik heb een aantal vragen voor u.

Hoe worden de eerste resultaten opgevolgd en geëvalueerd op federaal niveau? Over welke actuele cijfers beschikt uw administratie?

Welke maatregelen worden getroffen om de operationele druk en de veiligheid van OCMW-medewerkers gedurende de overgangsperiode te ondersteunen? Over de veiligheid hebben wij het al meermaals gehad in het verleden. U zou met een maatregel komen waarmee agressie kon worden gekoppeld aan het GPMI. Kunt u daarvan een stand van zaken geven?

Marie Meunier:

Madame la ministre, voici quelques mois, la Fédération des CPAS bruxellois et plusieurs autres grandes villes ont demandé le report de la réforme du chômage prévue pour le 1 er janvier 2026 et qui est finalement intervenue à cette date.

Leur message est clair. À l’époque, les CPAS n’étaient pas prêts, faute de moyens et de visibilité budgétaire. Aujourd'hui, ils font face à un tsunami humain. L'enveloppe anticipative de 26 millions d'euros pour 2025 n'a toujours pas été débloquée et la compensation de 300 millions d'euros prévue pour 2026, bien qu’elle ait été votée, est retardée. Elle n’est pas arrivée au 1 er janvier 2026 en raison du régime des douzièmes provisoires.

Les CPAS bruxellois mais également les CPAS wallons se disent au bord de la rupture. Et certaines communes n'ont pas eu d'autre choix que d'éponger les coûts à la place du fédéral, ce qui est clairement intenable.

Madame la ministre, que répondez-vous à ces CPAS? Combien de temps sera-t-il nécessaire entre l'approbation de l'ajustement budgétaire déposé au Parlement le 13 novembre dernier et la libération des fonds effectifs au niveau des CPAS? Pourriez-vous nous transmettre une liste complète de la ventilation de ce budget par CPAS? Qu'en sera-t-il concrètement du budget 2026 au regard des douzièmes provisoires que vous imposez faute d'accord sur le budget 2026?

Ensuite, on s’est arrêté spécifiquement sur le public ciblé par les compensations que votre majorité a votées en décembre dernier. Il apparaît qu’est considéré comme bénéficiaire "celui qui n'a plus droit au bénéfice des allocations de chômage, conformément à l'article 169 de la loi-programme du 18 juillet 2025". Dès lors, ces compensations votées ne couvriraient que les personnes exclues des allocations de chômage et pas les personnes exclues des allocations d'insertion. Or ces exclusions sont intervenues également au 1 er janvier 2026.

Comme vous le savez, l'allocation de chômage est obtenue sur la base d'un travail salarié et l'allocation d'insertion est une allocation accessible après les études. Les CPAS ont donc accueilli, ce 1 er janvier 2026, non seulement le premier afflux de personnes exclues du chômage, mais aussi les personnes exclues de l’allocation d’insertion. C’est un nombre significatif de jeunes qui sortent des études et qui n'ont pas encore trouvé d'emploi.

Confirmez-vous que ces personnes exclues des allocations ne sont effectivement pas prises en compte dans le mécanisme de compensation? Si oui, pouvez-vous nous en indiquer les raisons? Comment justifiez-vous l’omission de ce public, alors que les CPAS sont déjà dans une situation de sous-financement? Envisagez-vous de corriger rapidement ce manque pour ne pas mettre les institutions encore plus en difficulté?

Enfin, comme je le disais, votre réforme est entrée en vigueur le 1 er janvier, en limitant dans le temps l'accès aux allocations de chômage. Cela devait, selon vos estimations, entraîner un report d'environ un tiers des personnes exclues vers les CPAS. C’est le fameux "un tiers, un tiers, un tiers": un tiers aux CPAS, un tiers allait retrouver du travail et un tiers allait "disparaître des radars". C'est sur cette hypothèse que vous avez déterminé les compensations qui, je le rappelle, d'une part sont insuffisantes et d'autre part n'ont toujours pas été versées pour 2025.

Il apparaît que les premiers constats de terrain semblent infirmer cette estimation. Lors du dépôt de ma question, le CPAS de Charleroi avait déjà reçu plus de 500 demandes. Comme cela a été révélé hier ou avant-hier, le CPAS de Charleroi a reçu plus de 1 000 demandes de personnes exclues du chômage en ce début janvier, alors que l'ONEM estimait à environ 1 300 le nombre total d'exclusions sur le territoire carolorégien. C’est vraiment bien plus d'un tiers des personnes concernées qui se sont déjà tournées vers le CPAS, en quelques jours à peine, et a priori , ce chiffre n'est appelé qu'à augmenter.

D'autres CPAS décrivent une dynamique comparable, avec un afflux massif de demandes, une pression accrue sur les services sociaux, et la nécessité de renforcer en urgence l'accueil, les enquêtes sociales et l'accompagnement des publics concernés. Cela, alors que, comme je vous l'ai dit, de nombreux CPAS alertaient déjà, avant même l'entrée en vigueur de la réforme, sur l'insuffisance des compensations financières prévues.

Madame la ministre, avez-vous eu des concertations avec les CPAS qui font face à l'arrivée de plus d'un tiers des exclus du chômage de leur territoire, comme par exemple le CPAS de Charleroi? Si oui, qu'en est-il ressorti? Un monitoring est-il mené par vos services dans ce cadre?

Compte tenu de ces éléments, envisagez-vous d’adapter le dispositif de soutien financier aux CPAS afin qu’il colle à la réalité du terrain? Autrement dit, envisagez-vous de modifier les budgets? Quelles garanties pouvez-vous donner aux CPAS pour qu’ils disposent des moyens humains et budgétaires nécessaires pour faire face à cette charge supplémentaire sans détériorer la qualité de l’accompagnement social?

J’ai essayé de globaliser mes trois questions en une seule dans le temps imparti.

Anja Vanrobaeys:

Ik heb mijn vraag een beetje geactualiseerd, omdat de VVSG op basis van haar steekproef vorige week nieuwe resultaten heeft bekendgemaakt. De VVSG geeft aan dat ondertussen 36 %, meer dan een derde, van de werklozen die uitgesloten zijn een leefloon heeft aangevraagd. De week ervoor was dat nog een kwart. De VVSG zegt ook dat dat aandeel week na week stijgt, maar dat het nog te vroeg is om de concrete impact van de werkloosheidshervorming op de lokale OCMW’s volledig in te schatten. Wat de VVSG wel meldt, is dat veel aanvragen betrekking hebben op mensen met meervoudige en complexe problemen: gezondheidsproblemen, zorgverantwoordelijkheden, zware schulden en ongeschikte huisvesting. Een leefloononderzoeker heeft dat tijdens de hoorzitting over fraude ook al gezegd. Dat onderzoek gaat natuurlijk heel breed en bestrijkt al die domeinen. Dat vergt tijd, expertise en voldoende personeel.

Mijn oorspronkelijke vraag was ingegeven door het feit dat de OCMW’s eind december ook al aan de alarmbel hadden getrokken. Zij wezen toen op een gebrekkige informatiedoorstroming tussen federale en regionale diensten en op het uitblijven van administratieve vereenvoudiging. Dat leidt tot dubbel werk. Vandaag heb ik twee vragen.

Ten eerste, welke concrete initiatieven neemt u om de administratieve lasten voor de OCMW’s structureel te verminderen, zeker met het oog op het toenemende aantal aanvragen? Werden daarover afspraken gemaakt binnen de taskforce met de regio’s en de OCMW’s? Hoe worden de uitvoering en de effectiviteit daarvan opgevolgd?

Mijn tweede vraag moet ik ook actualiseren naar aanleiding van het debat dat vanmorgen heeft plaatsgevonden in het Vlaams Parlement. Mijn vraag aan u was of u met de regionale ministers nog afspraken zou maken over de screening van de niet-toeleidbaren. Vorige week hebben we daar in de plenaire vergadering een debat over gehad en heeft onze minister daar een voorstel over gedaan. Vanmorgen heeft mijn collega in het Vlaams Parlement dezelfde vraag gesteld aan de Vlaamse minister van Werk, Zuhal Demir. Zij zegt dat die mensen al een screening hebben gehad en al het advies niet-toeleidbaar hebben gekregen. Zij zouden begeleid worden door het GBO. Goed, ons voorstel was - en ik dacht dat we daarvoor ook steun hadden van uw partij - om die mensen opnieuw op te roepen en effectief opnieuw te screenen, om hen naar de juiste plaats door te verwijzen en hen niet los te laten. De juiste plaats is de ziekteverzekering, de DG Personen met een handicap voor mensen met een handicap en vooral de sociale economie en het maatwerk, en dan eventueel het OCMW. Ik begrijp het standpunt van de Vlaamse minister dan ook niet goed.

Ik vraag me af of er daarover al overleg is gepleegd? Zijn daarover reeds afspraken gemaakt? Het is toch belangrijk dat we zeker die kwetsbare groep niet loslaten en de nodige zorg en begeleiding geven. Die taak mag niet volledig in de schuif van de OCMW’s worden geduwd. De VDAB moet zijn rol opnemen, zodanig dat die mensen naar de juiste plaats worden begeleid.

Ik kijk uit naar uw antwoord.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, uit de steekproef van de VVSG blijkt dat al meer dan een derde van de werklozen die op 1 januari hun uitkering verloren hebben, een leefloon hebben aangevraagd bij het OCMW. Vandaag lezen we in de krant een paar berichten van Waalse OCMW’s, onder meer van Luik en Charleroi. Daaruit blijkt dat inmiddels ook meer mensen een leefloon hebben aangevraagd bij het OCMW. Uiteraard weten we dat een aanvraag niet automatisch betekent dat het leefloon ook wordt toegekend. De nodige onderzoeken moeten nog worden gevoerd.

Tegelijkertijd weten we dat er mogelijk ook mensen zijn die vandaag nog niet bij het OCMW gaan aankloppen, omdat ze zich er nog niet volledig van bewust zijn dat ze hun uitkering verliezen. Dat besef komt er misschien pas op het einde van de maand of zelfs later, althans voor zover het gaat om behoeftige mensen.

Mevrouw de minister, wordt dat bevestigd door de cijfers waarover u beschikt? Hebt u al voorlopige cijfers over het aantal werklozen dat zich sinds het begin van dit jaar heeft aangemeld bij het OCMW? Hebt u zulke cijfers voor het hele land?

Welke knelpunten zijn er volgens u vandaag bij de OCMW’s en welke oplossingen ziet u daarvoor? Hebt u daarover al contact gehad met de VVSG, die uiteraard in nauw contact staat met de OCMW’s? Zijn er vragen binnengekomen bij de POD Maatschappelijke Integratie? Hoe voorziet u de informatiedoorstroming tussen de OCMW’s en de arbeidsbemiddelingsdiensten en hoe zal die vlot en correct verlopen?

Ik wil ook specifiek ingaan op de mensen die niet-toeleidbaar zijn. Dat is een punt waar we al maanden op hameren en waarover ik in de voorbije maanden ook aan verschillende bevoegde ministers in het Parlement vragen heb gesteld. Ik had daarbij ook het concrete voorstel gelanceerd om die mensen beter te begeleiden en toe te leiden.

Sommige mensen zullen bij het OCMW aankloppen, maar anderen zullen dat niet doen, bijvoorbeeld omdat ze een partner hebben met een inkomen. Er zijn ook mensen die een ziekte hebben waardoor ze niet kunnen werken en die eigenlijk al eerder in de ziekte-uitkering hadden moeten terechtkomen. Ik ken bovendien voorbeelden van mensen die eigenlijk nooit in de werkloosheid hadden mogen zitten, maar er toch in zaten en daar nu de dupe van zijn.

Andere mensen beschikten zelfs over een attest waarmee ze konden worden erkend als persoon met een handicap, maar zaten toch in de werkloosheid. Op zich was het dus al niet goed dat een aantal mensen zich in een verkeerd statuut bevond, maar de vraag is nu of die mensen de weg zullen vinden.

Wij hebben gevraagd dat zij de juiste begeleiding zouden krijgen. Jarenlang zijn ze door de VDAB met een briefje in de vergeethoek geduwd: ze beschikten over een attest en dus viel men hen niet lastig of riep men hen niet op, omdat men wist dat activering toch niet mogelijk was. Nu staan die mensen plots met lege handen. Van een deel van hen ben ik ervan overtuigd dat ze bij de OCMW’s zullen aankloppen en daar wellicht ook goed begeleid zullen worden, maar niet iedereen zal die stap zetten. Mevrouw de minister, u bent ook bevoegd voor de OCMW’s en daarom vraag ik u hoe het zit met de groep die wel bij de OCMW’s terechtkomt.

In een nota van onze Vlaamse collega’s lees ik dat het de bedoeling is om de informatie over te dragen over alle mensen die niet-toeleidbaar zijn en een advies Welzijn hebben gekregen. Volgens die nota zou een attest worden opgemaakt, specifiek bedoeld voor de OCMW’s, bruikbaar in het kader van de gezondheids- en billijkheidstoets en bestemd voor de OCMW’s, het RIZIV en de Directie-generaal Personen met een handicap.

Mijn vraag is of die mensen effectief met zo’n attest bij het OCMW aankomen en of dat attest alle nuttige en noodzakelijke informatie bevat, zodat de OCMW’s daarmee geholpen zijn. Die diensten hebben immers al meer dan voldoende werk en hoeven niet al het werk opnieuw te doen. Alle informatie waarover de VDAB al jarenlang beschikt, hoeft eigenlijk niet opnieuw te worden verzameld. Het OCMW kan wel ondersteuning bieden op andere domeinen, waarin die mensen blijkbaar niet geholpen werden door de VDAB, bijvoorbeeld op het vlak van huisvesting of andere problemen, maar niet opnieuw inzake informatie waarover al attesten beschikbaar zijn. Ik heb daar vragen bij.

We zijn er bovendien van overtuigd – ik heb dat ook expliciet gevraagd – dat er een screening moet komen van die doelgroep, met aansluitend een gerichte begeleiding naar de juiste instanties. Gaat het om iemand die recht heeft op een ziekte-uitkering, dan moet dat ook effectief een ziekte-uitkering zijn. Gaat het om een erkenning als persoon met een handicap, dan kan het OCMW daarin een rol spelen. Via het OCMW kan men immers, als men nog een zekere capaciteit om te werken heeft, eventueel terechtkomen in maatwerk, bijvoorbeeld in een maatwerkbedrijf binnen de sociale economie. Dat is dus zeker mogelijk. Ik geloof ook dat mensen die vandaag niet-toeleidbaar zijn, mits de juiste begeleiding en mits aangepaste jobs, wel degelijk een job kunnen uitoefenen. Daarvoor is echter begeleiding noodzakelijk.

Mijn vraag is dan ook of er kan worden afgestemd tussen u en de Vlaamse en andere ministers bevoegd voor Werk om de overdracht van niet-toeleidbare personen goed te organiseren. We kunnen ons immers niet permitteren dat een hele groep mensen aan de kant wordt gezet, nergens wordt opgevangen en uiteindelijk ook niet op de arbeidsmarkt terechtkomt. Dat zou een verlies zijn voor de arbeidsmarkt en voor onze samenleving. We moeten met die groep dus ook iets doen. Met de juiste begeleiding kunnen die mensen wellicht, misschien niet onmiddellijk maar wel op middellange termijn, nog geactiveerd worden naar werk, naar de sociale economie of desnoods naar vrijwilligerswerk. We mogen hen niet aan hun lot overlaten.

Mevrouw de minister, ik reken dan ook op u om contact op te nemen met uw daartoe bevoegde gewestelijke collega’s.

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, de collega’s hebben het al voor een stuk geschetst. De beperking van de werkloosheid in de tijd is van start gegaan en de toeloop op de OCMW’s stijgt. De snelheid waarmee het beleid werd uitgevoerd en de werkdruk die ermee gepaard gaat, zet alvast kwaad bloed in Antwerpen. Ook in Gent gaat het bijvoorbeeld vaak om zeer complexe dossiers, niet alleen beperkt tot wie niet-toeleidbaar is, waarbij activering onwaarschijnlijk lijkt.

Om die mensen de gepaste aandacht te geven, aangezien de oorzaken van armoede en precariteit complexer zijn geworden, is meer tijd en aandacht nodig en dus ook financiering. Tot voor kort was er federaal wel het een en ander mogelijk, maar u schrapte bijvoorbeeld ook het participatiebudget en maakte het moeilijker voor samenwonenden om te voldoen aan de voorwaarden voor een leefloon. Lokale besturen vrezen dan ook dat er onvoldoende middelen zijn om die grondoorzaken duurzaam aan te pakken.

De beperking van de werkloosheid in de tijd wordt momenteel volop uitgerold. Bij het ene OCMW loopt dat al vlotter dan bij het andere. Hoe verloopt momenteel de feedbackloop naar uw diensten? Wanneer staat de eerste tussentijdse evaluatie gepland? Wanneer kunnen we daarover hier in het Parlement discussiëren?

De federale omkadering van de OCMW’s, of liever de extra omkadering, richt zich vooral op het financieren van het leefloon en het ondersteunen van extra personeel. De beperking van de werkloosheid in de tijd zal echter ook de vraag naar een aantal andere steunmechanismen verhogen. Mensen die geen recht hebben op een leefloon, kunnen bijvoorbeeld wel recht hebben op budgethulpverlening, maar daarvoor is geen extra federale ondersteuning voorzien. Gaat u dat ook herevalueren en zo nodig ingrijpen?

Ook de subrogaties kosten de OCMW’s zeer veel geld. Dat zal met het toestromen van nieuwe cliënten, waarvan er velen eigenlijk in een ander systeem van uitkeringen thuishoren, bijvoorbeeld omdat ze chronisch ziek zijn, toenemen. Zijn de subrogaties meegenomen in de berekening van de toelages voor de OCMW's, om de uitrol van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd in goede banen te leiden? Welke hefbomen heeft de federale overheid om ervoor te zorgen dat de subrogaties niet maandenlang dienen te worden uitbetaald?

Voorzitter:

Madame la ministre, je regarde d'une manière un peu plus approfondie le thème du premier débat d'actualité consacré au financement des CPAS dans le cadre de la réforme du chômage. Or, dans le troisième débat, par exemple, on trouve dans le point 3, la question de madame Schlitz sur le versement des montants prévus aux CPAS. Je ne sais pas comment la distinction a été opérée. Je propose, si cela vous convient, madame la ministre, de garder les débats tels quels.

J’ai une question, mais je vais clore la liste des interventions. Quelqu’un souhaite-t-il se joindre au débat d’actualité par une question?

Nadia Moscufo:

Bonjour, madame la ministre. Lorsque ces mesures d’exclusion du chômage ont été annoncées, et que vous aviez été interpellée à propos des CPAS, vous nous aviez indiqué qu’un tiers des personnes concernées retrouveraient du travail, qu’un tiers se dirigeraient probablement vers les CPAS et qu’un tiers se retrouveraient, selon votre expression – je ne sais pas si c’était la traduction exacte –, hors des radars. Ce n’était peut-être pas vous personnellement, mais au niveau du gouvernement, nos inquiétudes étaient alors qualifiées d’alarmistes. Malheureusement, la situation devient aujourd’hui réellement alarmante.

Vous aviez décidé d’allouer un budget de 26 millions d’euros dès 2025 afin d’aider les CPAS à renforcer leurs services pour faire face à l’afflux de nouvelles demandes. Les CPAS ont attendu. Or, au 31 décembre, il n’y avait toujours rien. Vous avez tenté de les rassurer en indiquant que les moyens arriveraient en fin de mois. Entre-temps, toujours rien, alors que les services doivent continuer à fonctionner.

Pouvez-vous nous annoncer une date crédible à laquelle les fonds seront effectivement et avec certitude versés sur les comptes des CPAS? Je vous remercie.

Voorzitter:

Quelqu’un d’autre souhaite-t-il se joindre au débat par une question? ( Non ).

Madame Samyn, pouvez-vous me remplacer le temps que je pose ma question?

Voorzitster: Ellen Samyn.

Présidente: Ellen Samyn.

Denis Ducarme:

Madame la ministre, je souhaiterais tout de même que vous puissiez… Je suis fatigué d’entendre systématiquement, dans un certain nombre de conseils communaux, dont celui de Charleroi, que l’on n’aurait pris aucune mesure financière pour accompagner la réforme du chômage. Je voudrais que vous rappeliez tout ce qui a trait au remboursement du RIS, au remboursement majoré du RIS, à ce que vous avez prévu en plus par dossier traité pour l’engagement de personnel. S’il vous plaît, que l’on remette la vérité à sa place par rapport aux mesures financières que vous avez prises pour accompagner la réforme du chômage.

Une question se pose ici. Elle sera encore posée dans le cadre du deuxième débat. Quand allez-vous liquider les 25 millions qui étaient prévus pour 2025? Il est en effet clair que les CPAS ont avancé la somme. Je vous demande de nous dire clairement ce qu’il en est et ce qu’il en sera, puisqu’une enveloppe de 300 millions, si je ne m’abuse, est prévue pour 2026, avec des prochaines étapes de soutien financier aux CPAS dans ce cadre.

Par ailleurs, je sais que vous n’êtes pas une ministre qui reste dans sa tour d’ivoire. Vous allez sur le terrain. Vous vous rendez dans un certain nombre de CPAS. Au-delà d’aller physiquement sur le terrain, avez-vous mis en place, au sein de vos départements, une antenne, afin d’accompagner opérationnellement un certain nombre de CPAS qui pourraient être en difficulté dans le cadre de la mise en œuvre de cette réforme du chômage? Je vous remercie.

De voorzitster : Wenst nog iemand aan te sluiten? (Nee)

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw de voorzitster, met uw goedkeuring zou ik graag eerst een algemene verklaring afleggen naar aanleiding van het debat dat we vorige week hebben gevoerd over de sociale fraude. In het kader van dat debat heb ik cijfers meegedeeld over personen die om billijkheidsredenen geen GPMI hebben. Bij de latere verificatie van die cijfers is gebleken dat twee percentages werden omgewisseld. We hebben dat onmiddellijk aan het commissiesecretariaat laten weten, dat die correctie ook heeft meegenomen. Ik acht het evenwel belangrijk om die rechtzetting ook hier mee te delen.

Vorige week heb ik dus gesteld dat in Vlaanderen 4 % van de leefloonbegunstigden geen GPMI had omwille van gezondheids- en billijkheidsredenen, tegenover 28 % in Brussel en 67 % in Wallonië. De correcte interpretatie is echter de volgende. Binnen de totale groep van personen met een GPMI-vrijstelling omwille van gezondheids- en billijkheidsredenen bevindt 28 % zich in Vlaanderen, 4 % in Brussel en 67 % in Wallonië. De percentages voor Vlaanderen en Brussel werden dus omgewisseld.

Zoals ik toen al heb aangegeven, gaat het om alle leefloonbegunstigden die in augustus 2025 in steun waren en die geen GPMI hadden omwille van gezondheids- of billijkheidsredenen. Die momentopname was op dat ogenblik de meest representatieve beschikbare foto. Ik heb toen ook al meegedeeld dat mijn administratie – de POD Maatschappelijke Integratie – geen zicht heeft op de concrete redenen voor die verschillen. Voor Brussel kan een mogelijke verklaring zijn dat die informatie niet, of niet correct, wordt doorgegeven.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Mocht daarover verwarring zijn ontstaan, bied ik daarvoor mijn excuses aan. Ik heb de correcte informatie vorige week al aan het commissiesecretariaat bezorgd, maar ik vond het belangrijk om die ook hier mondeling toe te lichten.

Dan kom ik tot de vele vragen die zijn gesteld. De budgettaire inschattingen zijn gebaseerd op de cijfers van de RVA met betrekking tot de geraamde uitstroom uit de werkloosheid. Voor de betalingen met betrekking tot de eerste schijf van de voorlopige twaalfden betekent dit de betaling voor de personen die op 1 januari 2026 uitstromen. In de laatste raming waarover mijn diensten beschikten werd het aantal uitstromers op 1 januari op 22.000 geraamd. Dat cijfer ligt iets lager dan het cijfer van juni, toen de uitstroom nog op 25.000 werd geraamd.

Er waren heel wat vragen over de 26 miljoen euro. Het is zo dat die compensatie vervat zit in wet nr. 1117 houdende de eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2025. Die middelen werden inderdaad binnen de begrotingscontrole van 2025 naar de kredietlijnen van de POD MI overgezet. Mijn kabinet had daarover ook al gecommuniceerd.

Ik heb de lokale besturen ook aangeraden om de gecommuniceerde bedragen in hun meerjarenplanning op te nemen, want die bedragen zijn per gemeente of stad ook bekendgemaakt. Waarom Brussel dat niet doet, weet ik niet, maar die middelen worden nog voor het einde van deze maand aan de OCMW's bezorgd.

Mevrouw Samyn, de betaling zal juridisch wel door de wet worden gegarandeerd. Het Parlement heeft in de vergadering van 13 november het wetsontwerp goedgekeurd dat door de regering werd ingediend en dat de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie wijzigt wat de compensatie aan de OCMW's betreft, naar aanleiding van de tijdsbeperking van werkloosheidsuitkeringen. Het is die tekst die het terugbetalingstarief en ook de voorwaarden ervan bepaalt. Er is dus geen bijkomend koninklijk besluit betreffende de begroting nodig. Mijn administratie heeft de bijkomende middelen in het kader van de voorlopige twaalfden aangevraagd.

Er waren ook een aantal vragen over de gegevens van personen die uit de werkloosheid worden uitgesloten.

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, is het mogelijk dat u op de vragen van het volgende actualiteitsdebat aan het antwoorden bent?

Voorzitter:

Excusez-moi, mais vous n'avez pas à interrompre la ministre lorsqu'elle est en train de répondre. Vous répliquerez tout à l'heure, monsieur Van Lysebettens. Les règles sont claires pour les questions orales. Dès lors, je vous demande d'attendre votre tour pour développer votre réplique.

Vous pouvez poursuivre, madame la ministre.

(...): (…)

Voorzitter:

Chers collègues, je ne pense pas que Mme la ministre vous ait interrompu pendant que vous l'interrogiez. Je demande donc que vous la laissiez répondre. Je n'ai jamais vu cela!

Anneleen Van Bossuyt:

Merci, monsieur le président. Je tiens à faire ce que les parlementaires attendent de moi. Nous étions tombés d'accord pour que ce premier débat d'actualité soit suivi du troisième, puis seulement du deuxième. Donc, je réponds à présent aux questions qui m'ont été posées à l'occasion du premier débat d'actualité. C'est ainsi que je l'avais compris.

Voorzitter:

En effet, c'est bien ce qui avait été convenu.

Anneleen Van Bossuyt:

En ce cas, je continue. Merci à vous!

Wat de gegevens over personen die uit de werkloosheid worden uitgesloten betreft, worden alle maatregelen door de POD MI beheerd. De OCMW's moeten geen bijkomende gegevens encoderen om het terugbetalingstarief te berekenen waarop zij recht hebben. Wat de samenwerking tussen de werkgelegenheidsdiensten en de OCMW's betreft, bestaat er momenteel al een gegevensuitwisseling. Mevrouw Lanjri, u hebt gelijk dat deze samenwerking moet worden versterkt, afhankelijk van de noden van elke regio. Mijn kabinet heeft in dit verband reeds vergaderingen gehad met de VDAB.

J'ai compris qu'au Parlement de Wallonie, un projet de décret était en cours d'élaboration en vue de renforcer les missions du FOREM et d'optimiser la collaboration avec les CPAS. Je ne vois aucune raison de suspendre la réforme de la réglementation relative au chômage ni les efforts supplémentaires du gouvernement en faveur des CPAS. Une concertation de crise n'est pas nécessaire. Au demeurant, le 19 novembre, une task force s'est encore réunie avec les fédérations de CPAS, y compris ceux de Bruxelles. À cette occasion, mon cabinet a clairement indiqué que le régime de compensation serait respecté et que nous verserions, comme je viens de le dire, les 26 millions d'euros avant la fin de ce mois.

Madame Meunier, l'allocation d'insertion est accessible après les études. Elle était déjà limitée dans le temps, à savoir pour une durée de trois ans. L'impact sur les CPAS existe, mais est moindre. Cette décision fut prise par le gouvernement Di Rupo, donc sous la direction de votre parti. À l'époque, aucune forme de compensation n'avait été prévue pour les CPAS. Il est donc difficile de comprendre que vous formuliez aujourd'hui des critiques envers une situation qui résulte d'un choix dont votre parti était lui-même responsable à l'époque. Le public est, par ailleurs, différent, puisqu'il est composé de jeunes gens qui peuvent se réinsérer rapidement.

Ik zal straks ingaan op de wijziging van artikel 34 van het koninklijke besluit, dat erop gericht is de cumulatie van leeflonen binnen hetzelfde gezin te verminderen, aangezien daar ook enkele vragen over werden ingediend.

Mevrouw Vanrobaeys, u had het in uw vragen voor dit actualiteitsdebat ook over de werkdruk, maar daar ben ik vorige week al uitgebreid op ingegaan.

La loi du 17 novembre 2025 modifiant la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale en ce qui concerne la compensation des CPAS suite à la limitation des allocations de chômage dans le temps a été publiée au Moniteur belge. Elle prévoit des mesures de financement supplémentaire des CPAS pour les soutenir dans la gestion des dossiers des personnes exclues du chômage suite à la loi-programme du 25 juillet 2025. Les CPAS bénéficieront d’un remboursement majoré du revenu d'intégration sociale et une allocation spécifique pour les frais de personnel concernant les dossiers des personnes exclues du chômage à partir du 1 er janvier 2026.

Comme M. Ducarme vient de le mentionner, et comme j’ai déjà explicité plusieurs fois au sein de la commission toute la réglementation concernant la compensation pour les CPAS, je pense que cela ne vaut pas la peine de le répéter.

Ik kom tot de vragen over het aantal aanmeldingen bij de OCMW's van personen wier werkloosheidsuitkering werd stopgezet. Sinds 1 januari zijn ik noch mijn kabinet rechtstreeks op de hoogte gebracht van problemen door extra leefloonaanvragen bij de OCMW's.

Il est encore trop tôt pour déterminer l’afflux. Le monitoring va s’établir sur la base des formulaires introduits pour le remboursement. Il est donc encore trop tôt pour établir des chiffres clairs.

De POD MI en mijn kabinet krijgen slechts zicht op de cijfers zodra een leefloon werd toegekend door het OCMW en dat in het Nova Primasysteem wordt ingevoegd. Alle dossiers worden momenteel nog behandeld door de OCMW's. De registratie ervan bij de POD MI gebeurt pas zodra het leefloon effectief wordt toegekend. In Charleroi zouden 1.000 mensen zich hebben aangemeld. Zolang het leefloon nog niet effectief werd toegekend, hebben wij daar geen zicht op, tenzij we bij elk OCMW individueel de cijfers zouden opvragen. Kortom, we beschikken momenteel nog niet over een algemeen overzicht. Zodra het sociaal onderzoek is afgerond en er een leefloon wordt toegekend, wordt dit in ons systeem geregistreerd en zullen wij daar meer zicht op krijgen. Er is trouwens wel al een taskforce opgericht, onder meer om de compensatieregeling uit te werken, waarin mijn kabinet, de OCMW-federaties en ook de activeringsdiensten zitten. Die taskforce komt regelmatig samen en monitort voortdurende de situatie in de OCMW's. Officiële cijfers kan ik u dus voorlopig nog niet meedelen.

Ensuite, je vais répéter les questions qui ont été posées ici. Comme je l’ai déjà plusieurs fois expliqué, plusieurs mesures sont mises en œuvre pour soutenir les CPAS dans la gestion des nouvelles demandes liées à la réforme du chômage. Une subvention exceptionnelle pour l’emploi sera également octroyée aux CPAS lorsqu’un PIIS aura permis à un bénéficiaire de trouver un emploi stable d’au moins douze mois continus. C’est le troisième pilier de la compensation, comme nous l’avons toujours dit. Pour aider les CPAS dans l’exercice de leurs missions, un flux passant par la BCSS, appelé unemployment data service , a été mis en place pour permettre de consulter la situation juridique de la personne au niveau de l'ONEM. La consultation peut porter aussi, bien sûr, sur la situation passée, présente et future.

Mijnheer Van Lysebettens, een onderwerp dat wel vaker voorkomt en waar we het hier trouwens ook al meermaals over gehad hebben in de commissie, is de werkdruk voor de OCMW-medewerkers. Mevrouw Vanrobaeys heeft daarover ook een vraag gesteld. Ik heb al meermaals gezegd op welke manier we daaraan proberen tegemoet te komen. Ze heeft zeker gelijk dat de voorschottenproblematiek een te hoge werkdruk legt op de OCMW’s.

Daarom hebben we, zoals eerder al aangekondigd, een werkgroep opgericht, met als doel een oplossing te vinden, of minstens de impact hiervan op de OCMW’s te beperken. Samen met het kabinet van minister Clarinval en minister Vandenbroucke is de werkgroep Administratieve Vereenvoudiging opgericht, waar die voorschottenproblematiek het eerste punt is dat we bespreken.

Wanneer een OCMW een voorschot toekent, opent dat het recht op maatschappelijke integratie voor die persoon, uiteraard op voorwaarde dat aan de voorwaarden is voldaan. Als dit voorschot in de vorm van een leefloon wordt toegekend aan iemand die van de werkloosheid is uitgesloten, zal het OCMW genieten van het verhoogde terugbetalingstarief.

Er waren ook nog een aantal vragen over de niet-toeleidbaren. Ik denk dat ook al is aangegeven, onder meer door minister Beenders, dat het niet de bedoeling is om nieuwe vergeetputten te creëren. Als men niet-toeleidbaar is naar werk en na een sociaal onderzoek door een OCMW recht heeft op een leefloon, dan zal dat worden toegekend. Als men geen recht heeft op een leefloon, betekent dit dat er voldoende middelen zijn en men niet behoeftig is.

Ik denk dat ik daarmee op de meeste van uw vragen heb geantwoord.

Ellen Samyn:

Dank u wel, mevrouw de minister.

U sprak daarnet over het zicht op de cijfers van de mensen die een leefloon hebben aangevraagd en zei dat u enkel zicht hebt op het leefloon dat werd toegekend. Als ik daar heel eerlijk in mag zijn, zou het toch niet zo moeilijk mogen zijn om enerzijds via het Nova Primasysteem zicht te hebben op wie een leefloon heeft aangevraagd en anderzijds op de toekenningen zelf. Ik denk dat dit op federaal niveau eigenlijk een en-enverhaal zou moeten zijn. Het aangevraagde dossier moet er zijn, maar ook het toegekende dossier. Vandaag beschikt eigenlijk niemand echt over cijfers, behalve uiteraard de lokale OCMW’s, en is er geen gecoördineerd systeem. De POD MI heeft vandaag immers enkel zicht op de toegekende dossiers en niet op de aanvragers. Dat lijkt mij voor een optimale werking toch aangewezen. Misschien moet daar eens over nagedacht worden.

Ik vermelde daarnet al wat wij van het werkveld horen. De mensen die nu bij het OCMW terechtkomen, dat zijn mensen met zwaardere dossiers. Zij kampen met meervoudige problemen, namelijk schulden, gezondheidsproblemen en huisvesting. Dat zijn intensieve dossiers. Het is dan ook meer dan terecht dat daarbij een volledig sociaal onderzoek gebeurt. Dat weegt natuurlijk wel op de werking.

Ik heb uw antwoord ook gehoord met betrekking tot de niet-toeleidbare mensen.

Anderzijds is het ook een uitgelezen kans voor de OCMW’s om te kijken naar en echt zorg te dragen voor die mensen en misschien ook voor mensen die in een verkeerde groep zijn beland, teneinde hen te begeleiden naar werk en naar de juiste categorie. Zeker wie kan werken, moet ook kunnen werken maar wie echt zorg nodig heeft, moet ook verzorgd worden. Dat moet duidelijk zijn.

Het enige waarop u niet echt hebt geantwoord, tenzij ik mij vergis, is de vraag over de agressie. U hebt wel op die vraag geantwoord maar u gaf mee dat er de voorbije weken geen grote problemen inzake agressiegevallen merkbaar waren. Dat was ook een vraag en een bezorgdheid. Wij zien dat die bezorgdheid bij de OCMW’s blijft bestaan. In dat kader hebt u aangekondigd dat u voorwaarden zou stellen in het kader van het GPMI. Ik had daar graag nog iets meer over geweten en de stand van zaken gekend. Ik weet immers dat dat nog altijd een grote bezorgdheid blijft. Het zou fijn zijn, mocht u eventueel op die vraag nog kunnen antwoorden.

Marie Meunier:

Madame la ministre, vous m’avez répondu en me disant: "À Charleroi, madame Meunier, ils sont 1 000 à avoir passé la porte du CPAS, mais ils ne seront pas 1 000 à bénéficier du RIS." Oui, probablement. C'est vrai, je vous le concède. Mais 1 000 personnes qui arrivent, ce sont 1 000 dossiers à traiter pour les agents, quoi qu'il arrive. C'est précisément ce que je vous reproche depuis des mois: c'est que vous êtes dans votre réalité, dans votre logique. On peut vous le reconnaître. C'est clairement la constance de votre ligne, qui est totalement antisociale. Mais 1 000 dossiers qui entrent, ce sont 1 000 dossiers à traiter pour les agents, que l'issue soit positive ou négative pour le potentiel bénéficiaire.

J’en reviens donc à mes deux problèmes. Le premier, qui reste le plus urgent, est l'enveloppe de 26 millions d'euros pour l'engagement du personnel. Cette enveloppe-là, où est-elle?

Comment doivent faire les travailleurs sociaux du CPAS de Charleroi? Comment doivent faire les travailleurs sociaux du CPAS de Liège? On y reviendra plus tard, mais comment doivent faire les travailleurs sociaux du CPAS de Tournai? Ils n’ont pas de moyens complémentaires. Dans les faits, il y a des estimations initiales, et la réalité du terrain qui se retrouve beaucoup plus haute. Vous ne leur apportez aucune solution.

Le deuxième problème, c’est la prise en charge du RIS. D'abord, sur les allocations d'insertion. Je vais reprendre l'exemple de Charleroi. L'ONEM estimait à 1 300 le nombre de personnes attendues. Il estimait aussi que 800 d'entre elles seraient exclues de l'allocation d'insertion.

Or, si on reprend votre logique "un tiers, un tiers, un tiers", sur l'estimation des 1 300 exclus du chômage au niveau de l'ONEM, 430 personnes seraient venues frapper à la porte du CPAS de Charleroi. Or, aujourd'hui, ce sont 1 000 personnes qui l'ont fait!

Dès lors, si l'ONEM estimait à 800 le nombre de personnes exclues de l'allocation d'insertion, dans les faits, ce nombre doit être plus élevé. Je n'ai pas encore les chiffres. Ils arriveront probablement dans les jours à venir.

Il y a donc une différence entre la théorie et la pratique. Ce que nous vous demandons ici, c'est de mettre des solutions en place, de rectifier le tir. Mais j'entends que cette volonté n'existe pas. La volonté est surtout de laisser les institutions sombrer et se débrouiller toutes seules, finalement.

Vous êtes la ministre chargée de ces institutions. Je le répète, les agents croulent sous le travail!

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, u zei dat er al gegevensuitwisseling is en dat u wilt bekijken hoe die kan worden versterkt. Dat is heel belangrijk, omdat de werkdruk, die al hoog was en nu nog is verhoogd, verder moet worden aangepakt.

U zei ook dat er een werkgroep is met betrekking tot de voorschotten. Het standpunt van de Vlaamse minister van Werk over die niet-toeleidbaren begrijp ik echter niet. Zij zegt dat de VDAB hen niet meer zal screenen. Wat gaan we dan doen met die mensen? Zij krijgen een standaardbrief, waarin staat dat ze worden uitgesloten van de werkloosheid. Vervolgens sturen we hen naar het OCMW, waar ze een voorschot krijgen, en daarna worden ze doorgestuurd naar het RIZIV of de DG HAN, wanneer ze daarvoor in aanmerking komen.

Die kwetsbare mensen worden van het kastje naar de muur gestuurd en dat is nu net hetgeen zij niet nodig hebben. Ik krijg massa’s berichten van mensen met autisme en van mensen met fibromyalgie die zeggen dat ze zo’n standaardbrief hebben gekregen en echt niet meer weten wat ze moeten doen. Zij hebben stress en zijn in paniek. Misschien kunnen zij ook nog geactiveerd worden, maar dan moeten ze naar de juiste plaats worden doorverwezen. De VDAB, de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten zijn de enige die dat kunnen. We mogen dat niet in de bak van de OCMW’s schuiven.

In die zin vind ik dat u ook vanuit het federale niveau er bij de regio’s zou op moeten aandringen dat voor mensen die hun werkloosheidsuitkering verliezen en het statuut niet-toeleidbaar hebben, die screening door de VDAB gebeurt. Zo kunnen die mensen worden geholpen en doorverwezen naar de plaats waar zij moeten zijn, waar hun statuut ook overeenkomt met hun situatie. Op die manier worden ze niet van hier naar daar gestuurd en is er een stuk zekerheid, ofwel via de ziekteverzekering, ofwel via een uitkering voor personen met een handicap, ofwel via een traject naar maatwerk en sociale economie.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, ik heb u reeds maanden geleden gezegd dat uw inschatting dat van de personen die hun werkloosheidsuitkering zouden verliezen één derde naar de OCMW's zou trekken, één derde werk zou vinden en één derde van de radar zou verdwijnen verkeerd was. Voorlopig is het nog even wachten vooraleer de volledige cijfers beschikbaar zijn

Ik ben het er wel mee eens dat men niet louter kan poneren dat er meer mensen van het OCMW steun zullen ontvangen. Wie bij het OCMW aanklopt, krijgt immers niet de facto een leefloon. Men moet daarvoor ook in aanmerking komen. Ik ben er ook van overtuigd dat de eerste groep personen die hun werkloosheidsuitkering verliezen sneller naar het OCMW zullen stappen dan zij die later hun werkloosheidsuitkering verliezen.

Ik heb u ook gevraagd naar het aantal mensen dat doorverwezen werd naar het RIZIV of naar het DG Personen met een handicap, maar ik neem aan dat u nog niet over die cijfers beschikt.

Ik heb aangedrongen op een goede data-uitwisseling en in verband daarmee sprak u over een consulteerbare databank. Waar blijft dat specifiek attest over de niet-toeleidbaren dat Vlaanderen de OCMW's beloofde? Het staat immers letterlijk in het actieplan van Vlaanderen. Daarmee kan dubbel werk vermeden worden en kan het werk voor onze maatschappelijk werkers verlicht worden.

U zou hebben aangedrongen op een oplossing voor die niet-toeleidbaren. De VDAB heeft deze mensen gescreend, maar blijkbaar niet correct doorverwezen naar de juiste diensten, want anders waren zij misschien al veel langer bij de juiste diensten terechtgekomen. U hebt overlegd met de VDAB, maar u zou ook moeten overleggen met de bevoegde minister, Zuhal Demir, en de andere regionale ministers voor Werk. Het is immers de taak van de arbeidsbemiddelingsdiensten om deze mensen, zelfs voor ze uitstromen, naar de juiste instellingen door te verwijzen, zodat zij bijvoorbeeld op tijd kunnen beginnen met een aanvraag voor een ziekte-uitkering. Er gelden namelijk aanvraagtermijnen om bepaalde uitkeringen aan te vragen. Als men na de stopzetting van de werkloosheidsuitkering niet binnen de maand een ziekte-uitkering aanvraagt, verliest men het recht daarop. Waar komen ze dan terecht, mevrouw de minister? Dan belanden ze bij het OCMW, terwijl ze een ziekte-uitkering zouden moeten krijgen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Ze zaten al verkeerd. Ze zaten misschien al jarenlang onterecht in de werkloosheid waar ze steeds de stempel welzijn en niet-toeleidbaar meekregen, terwijl ze eigenlijk in de ziekte-uitkering thuishoorden. Zo kunnen ze nog lang bij het OCMW blijven zitten. Dat is niet de bedoeling.

Men moet er ook mee stoppen om telkens naar elkaar te verwijzen, van de ene minister naar de andere. Ga eens samenzitten. Zo kunt u dat wel oplossen. Ik dring er echt op aan om dit te doen.

Ik heb ook al aan minister Beenders en minister Vandenbroucke gevraagd om met de bevoegde ministers van Werk samen te zitten om dat probleem aan te pakken. Wat beslist is, is beslist. De werkloosheidshervorming willen wij ook niet terugdraaien, maar we willen niemand aan zijn lot overlaten. Dat mogen we niet doen. Ik ben ervan overtuigd dat u dat ook niet wil. Als we dat doen, geven we mensen op. We moeten mensen die nog enig potentieel hebben wel begeleiden naar de juiste diensten. De OCMW’s spelen daar ook een rol in.

U hebt gezegd dat degenen die bij het OCMW aankloppen een leefloon zullen krijgen en verder zullen worden begeleid, maar het OCMW kan ook perfect mensen begeleiden die geen recht op een leefloon hebben. Als men niet voor een leefloon in aanmerking komt, maar wel andere problemen heeft, dan kan het OCMW helpen bij de maatschappelijke integratie. Dat is ook een rol van het OCMW. Dat kan gaan om schuldbemiddeling of om oriëntatie.

Bekijk samen met de bevoegde ministers hoe u die mensen kunt begeleiden, mevrouw de minister. Degenen die reeds bij het OCMW hebben aangeklopt, kan het OCMW verder begeleiden.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ten eerste, ik was in de war, omdat u begon te antwoorden op vragen die straks bij het actualiteitsdebat aan bod zullen komen. Ik zal de vragen echter bij die gelegenheid nogmaals stellen en dan zullen wij wel zien. Ik dank u evenwel voor de antwoorden.

Inzake de cijfers begrijp ik de tekortkomingen van de systemen vandaag, waardoor u geen overkoepelend zicht kunt geven op wie het leefloon aanvraagt. Echter, mijnheer de voorzitter, wij hebben hier in de commissie beslist dat wij later dit jaar een hoorzitting zullen organiseren met de lokale koepels van OCMW’s om de evaluatie van het gegeven van de toekenning te doen. Er zou een inspanning moeten zijn van de federale regering om daar uniforme cijfers over te verzamelen. Dat kan uw beleid ook gewoon versterken, omdat wij dan allemaal over dezelfde cijfers spreken. Vandaag baseren wij ons noodgedwongen op wat in de media verschijnt. Mevrouw de minister, mij is in dat verband niet duidelijk hoe u zelf de impact zult evalueren.

Ik had ook een vraag gesteld over de budgethulp, veeleer gebruikmakend van dat voorbeeld. U hebt daar enigszins op geantwoord door te verwijzen naar de vragen over de werkdruk. Mijn vraag betrof echter veeleer het volgende. Mevrouw Lanjri verwees er ook naar. Mensen kunnen aankloppen bij het OCMW en geen recht hebben op een leefloon, maar wel andere ondersteuning nodig hebben. Budgethulp is daar een voorbeeld van, schuldhulp is een ander voorbeeld. Dat zijn natuurlijk ook allemaal medewerkers van het OCMW die daarmee bezig zijn. Mijn vraag daarbij was of een en ander financieel ook zal worden gecompenseerd. Volgens mij zit dat nu niet in de compensatie die is ingeschreven voor de OCMW’s, hoewel dat wel nodig zal zijn.

Neem het voorbeeld van budgethulp. Als mensen hun werkloosheidsuitkering verliezen, is dat voor het gezinsbudget natuurlijk een grote terugval. Voor mensen die geen recht hebben op een vervangingsinkomen, zal het ook voor hun dagelijkse uitgaven een heel grote uitdaging zijn om dat onder controle te houden. Mijn warme oproep is dan ook om wel budget daarvoor uit te trekken.

Voorzitster: Ellen Samyn.

Présidente: Ellen Samyn.

Denis Ducarme:

Je comprends que vous soyez fatiguée de répéter les mêmes éléments, madame la ministre, mais au vu de ce que nous avons encore entendu aujourd'hui, il n'est pas inutile de rappeler certains faits.

Il n'est pas inutile de rappeler que les nouveaux RIS sont majorés de 10 %. Il n'est pas inutile non plus de préciser que, pour les allocations d'insertion, il n'y a pas de majoration, mais que ces allocations sont bien remboursées par le fédéral à 100 %.

Il n'est pas inutile de rappeler que, pour les frais de dossier, le montant de base est de 518 euros par dossier et que ce montant est doublé pour les nouveaux RIS dans le cadre de la réforme du chômage. Il n'est peut-être pas inutile non plus de rappeler que, même pour les personnes issues des allocations d'insertion, puisque l'on passe en effet de trois ans maximum à un an dans le cadre de la réforme, il y a malgré tout 518 euros de frais d'ouverture de dossier pour les nouveaux RIS.

Enfin, il n'est pas inutile de rappeler que la dégressivité ne s'applique pas cette année et que l'on reste à 100 %.

Il y a là un certain nombre d'éléments de soutien à votre politique qu'il n'est pas inutile de rappeler. Je vous remercie.

Président : Denis Ducarme.

Voorzitter : Denis Ducarme.

Robin Tonniau:

Ik wil me aansluiten bij de repliek van het actualiteitsdebat.

Mevrouw de minister, vandaag zijn er steeds meer werkzoekenden. De werkloosheid stijgt in België, in Vlaanderen. Ook in onze provincie Oost-Vlaanderen is de werkloosheid het afgelopen jaar gestegen. Vorig jaar zijn er in Oost-Vlaanderen alleen al 3.000 werkzoekenden bijgekomen. Dat zijn cijfers van de VDAB. Het betreft een forse stijging, met 6%. Vandaag zijn er steeds minder vacatures. Het aantal vacatures daalt. Ze dalen in België, ze dalen in Vlaanderen en ze dalen ook in onze provincie Oost-Vlaanderen. In Oost-Vlaanderen zijn er op één jaar tijd 11,8% minder vacatures.

Bijna dagelijks worden fabriekssluitingen aangekondigd. Daarbovenop voeren jullie de beperking van de werkloosheid in, alsof er nog niet genoeg miserie is. De beperking van de werkloosheid zet lokale besturen onder druk, zet de OCMW’s onder druk en zet ook de werkzoekenden extra onder druk, net als de mensen die vandaag hun job verliezen. Zij worden daardoor nog meer onder druk gezet. Dat is in wezen een repressief sociaal beleid dat de mensen langzaamaan wurgt. Zo creëert men extra problemen. Dat hoort men nu ook al binnen de eigen meerderheid. De kritiek van mevrouw Lanjri komt wel degelijk fel aan. De kritiek van mevrouw Vanrobaeys is 100% terecht.

We zijn nog maar 21 januari en het spel begint al. “Zo hadden we het niet bedoeld. Dat probleem moet nog opgelost worden. Oei, een derde, een derde, een derde, dat lijkt toch niet te kloppen.” De theorie en de praktijk lijken niet te stroken. Wie heeft, om dat allemaal op te lossen, 26 miljoen euro beloofd aan de OCMW’s? U hebt daarop geantwoord dat men erop kan rekenen dat dat geld eind januari op de rekeningen van de lokale besturen zou staan. Dat moest er nog aan mankeren. We voeren dat debat al sinds juni 2025. Het geld zou er zijn in oktober. Het geld zou er zijn in december. Nu is het januari, hopelijk eind deze maand.

Mijnheer Ronse, fractieleider van de N-VA, heeft vorige week donderdag in Villa Politica nog verklaard dat hij blij is. Blijkbaar zijn er minder mensen die zich aanmelden bij de OCMW’s voor een leefloon dan gedacht. Al die paniek was nergens voor nodig, volgens hem. De dag erna lazen we in de kranten dan weer dat meer mensen dan gedacht zich aanmelden bij de OCMW’s. U voert een discussie terwijl u de cijfers niet hebt. Dat is ook logisch, want voorafgaand aan die maatregel, de beperking van de werkloosheid in de tijd, is er amper studie geweest. Er is geen reflectie geweest over de implicaties voor de lokale besturen. Al die problemen hebben jullie afgeschoven en proberen jullie nu ad hoc op te lossen, maar we zien dat dat niet lukt. Dat is een ideologische discussie. Ik voorspel dat dit heel veel miserie zal veroorzaken. De armoede in ons land zal toenemen. Het gaat vandaag niet zo goed met onze economie. Ik weet niet of jullie dat beseffen.

Mevrouw de minister, ik hoop dat jullie daarmee binnen de regering aan de slag zullen gaan en dat jullie alle zeilen zullen bijzetten om de OCMW's te ondersteunen en vooral de mensen niet aan hun lot over te laten. Het is waar, het is goedgekeurd, maar we kunnen nog veel aanpassingen doen. We kunnen nog een tandje bijsteken om de OCMW’s te ondersteunen. Ik vrees dat we hierop nog veel zullen moeten terugkomen.

Anneleen Van Bossuyt:

Misschien eerst dit. Mijnheer Tonniau, ik denk dat u zich vergist. Die 26 miljoen euro is niet de compensatie die we voorzien voor de OCMW’s. Dat zou inderdaad een zeer beperkt bedrag zijn. Het gaat om minstens 300 miljoen euro, met een open-endfinanciering, dus als het meer blijkt te zijn, zal dat worden bijgepast, voor alle duidelijkheid.

Wat de cijfers betreft, wil ik ingaan op de opmerkingen van mevrouw Samyn en de heer Van Lysebettens. In uw replieken vroeg u of het mogelijk zou zijn om niet alleen op het moment van de toekenning van het leefloon federale gegevens te hebben, maar ook reeds wanneer de aanvragen op lokaal niveau worden ingediend. De reden waarom die gegevens vandaag pas beschikbaar zijn bij de toekenning van het leefloon, is uiteraard dat pas op dat moment de federale tussenkomst plaatsvindt in het kader van de gedeeltelijke compensatie van het toegekende leefloon.

In het kader van de taskforce waar ik het eerder over had – die regelmatig samenkomt om de situatie te monitoren – is wel gevraagd om te kunnen werken met een soort dashboard. De OCMW-federaties maken deel uit van die taskforce. Op die manier hopen we een instrument te kunnen ontwikkelen dat zicht biedt op de aanvragen en dus niet enkel op de cijfers vanaf het moment waarop de leeflonen effectief zijn toegekend.

Tot slot, mevrouw Samyn, wil ik ingaan op uw vraag over agressie. Al vóór de invoering van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd moesten we jammer genoeg vaststellen dat het aantal agressie-incidenten tegen maatschappelijke werkers toeneemt. U hebt daar in de commissie al vragen over gesteld. Die cijfers worden niet federaal bijgehouden, maar de OCMW’s registreren die wel zelf. Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar het OCMW van Antwerpen, zien we dat er in 2022 191 agressiegevallen waren, terwijl dat aantal in 2024 al is opgelopen tot 324 gevallen, dus bijna één per dag. Het gaat dus om een zeer sterke toename.

Ik herinner mij een werkbezoek aan het OCMW van Namen, waar het letterlijk volhing met pamfletten met de boodschap “ Stop violence ”. Ik vond het onvoorstelbaar dat dat nodig is. De medewerkers gaven aan dat ze niet anders kunnen, omdat de agressie zo sterk toeneemt. Net op de dag van mijn bezoek hadden ze zelfs een nieuw loket ingericht met plexiglas tussen de cliënt en de maatschappelijk werker om rechtstreeks contact te vermijden. Er is bovendien een aparte vluchtweg voorzien, met twee deuren, zodat men elkaar niet hoeft te kruisen bij het buitengaan. Zo ver is het intussen gekomen.

Ik heb daarom zeer bewust de OCMW's voor de inwerkingtreding van die maatregel een omzendbrief gestuurd om aan te geven dat agressie absoluut ontoelaatbaar is en dat de veiligheid van de maatschappelijke werkers steeds voorop staat. Er treedt immers een zekere gewenning op en geweldincidenten worden zelfs niet meer altijd gemeld. De omzendbrief verduidelijkt dat agressie in ruime zin geïnterpreteerd kan worden, dus zowel fysiek en verbaal geweld als intimidatie, en een reden kan zijn om een leefloon niet toe te kennen of stop te zetten. De juridische basis daarvoor is dat het sociaal onderzoek niet op een objectieve manier kan gevoerd worden, wat essentieel is voor de toekenning van een leefloon. Verschillende maatschappelijke werkers, alsook de vakbonden hebben mij daar vorige week nog voor bedankt. Die laatsten zeiden dat het voor hen zelfs nog een stap verder mocht gaan. Dat is wel het minste dat we konden doen. Onze solidariteit eindigt waar agressie begint.

Nadia Moscufo:

Madame la ministre, ce premier débat d'actualité dévoile les nombreuses critiques non seulement sur le fondement même de votre réforme mais aussi sur les conséquences négatives réelles déjà perceptibles sur le terrain. Plusieurs collègues ont fait allusion à des expériences très concrètes au niveau local, et vous dites vous-même être consciente de la charge de travail trop élevée dans les CPAS. Mais, madame la ministre, cette surcharge de travail ne tombe pas du ciel; elle est le résultat de votre politique et de tout ce que vous n'avez pas encore réussi à mettre en pratique mais que vous aviez pourtant promis. Si vous deviez vous rendre à Charleroi ou à Liège, nous pourrions voir ensemble la réalité de cette surcharge de travail pour tous ces gens qui attendent encore les fameux millions que vous leur aviez promis.

De vertraagde uitbetaling voor OCMW's n.a.v. de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd
De uitblijvende compensatie voor de OCMW's
Het uitblijven van een federale compensatie voor de OCMW’s i.h.k.v. de werkloosheidshervorming
De compensatieregeling voor de OCMW's
De storting van de afgesproken bedragen aan de OCMW's
De ondersteuning van de OCMW's in het kader van de werkloosheidshervorming
De steun aan de OCMW's n.a.v. de werkloosheidshervorming
Financiële compensatie en ondersteuning voor OCMW's na werkloosheidshervorming

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de vertraagde uitbetaling van 26 miljoen euro compensatie (onderdeel van 300 miljoen over meerdere jaren) aan OCMW’s voor de extra lasten door de hervorming van de werkloosheidsuitkering (2025), die leidt tot meer leefloongerechtigden en hogere begeleidingskosten. Minister Van Bossuyt bevestigt dat het bedrag eind januari 2026 wordt overgemaakt door vertraging in parlementaire procedures, maar OCMW’s en oppositie (o.a. Lamarti, Schlitz, Moscufo) bekritiseren de gebrekkige communicatie, late uitbetaling – waardoor lokale besturen kosten voorschieten – en het ontbreken van concrete data of garanties voor toekomstige stiptheid. Kritiekpunt is ook dat de compensatie niet geldt voor 18.000 jongeren die hun inschakelingsuitkering verliezen (10 miljoen euro verlies in 2026), wat de minister ontkent ooit te hebben beloofd, maar waar OCMW-federaties stellen slecht over geïnformeerd te zijn. Tonniau (PVDA) en Moscufo beweren dat de regering ontransparant is en de impact bagatelliseert, terwijl Van Lysebettens (N-VA) benadrukt dat voorspelbare financiering cruciaal is voor vertrouwen in toekomstige hervormingen zoals het GPMI.

Fatima Lamarti:

Mevrouw de minister, ik zal toch mijn vraag stellen, hoewel ze al verschillende malen is gesteld en deels is beantwoord.

Begin 2025 werd de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd stapsgewijs ingevoerd. Die hervorming heeft een directe impact op de lokale besturen, met een aanzienlijke instroom van nieuwe gerechtigden op leefloon en een verhoogde druk op begeleidingstrajecten naar werk. Om die lokale lasten op te vangen en de OCMW’s, en niet in het minst alle maatschappelijk werkers, daarin bij te staan en te ondersteunen, heeft de federale regering in een compensatieregeling voorzien. Die zou oplopen tot 300 miljoen euro over de komende jaren.

Voor het werkingsjaar 2025 was een specifiek budget van 26 miljoen euro ingeschreven. Hoewel de begroting eind vorig jaar groen licht kreeg in de Kamer, luiden de OCMW’s en de VVSG nu de noodklok. Het geld is namelijk nog niet gestort, al hoorde ik daarjuist dat het binnenkort zal worden overgeschreven. De lokale besturen hebben die extra kosten het volledige afgelopen jaar zelf moeten voorschieten uit hun eigen werking.

Daarom heb ik de volgende vragen, mevrouw de minister.

Wat is de reden van de vertraging bij de storting van die 26 miljoen euro aan de OCMW’s, aangezien het budget al was goedgekeurd? Wanneer de storting effectief zal plaatsvinden, weten we ondertussen.

Kunt u garanderen dat de compensatie voor het lopende jaar 2026 wel tijdig en volgens het vastgelegde schema zal worden uitgekeerd, zodat die onzekerheid in de toekomst wordt vermeden?

Wanneer gaat u van start met het verminderen van het papierwerk voor de maatschappelijke werkers, onder meer via een versnelde toekenning van het leefloon op basis van KSZ-gegevens en een eenvoudiger en meer geharmoniseerd rapportagesysteem?

Hoever staat het met het bovenlokale afsprakenkader rond de toekenning van aanvullende financiële steun op basis van het REMI-systeem?

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, ik denk dat u in het vorige debat al op een aantal vragen hebt geantwoord.

Een andere vraag ging over de compensatie van 26 miljoen euro voor de OCMW’s voor 2025. Mijn collega, Eva Platteau, had daarover in het Vlaams Parlement ook een aantal vragen gesteld. Het bleek dat het bedrag nog niet naar de lokale besturen was doorgestort, waardoor zij met liquiditeitsproblemen werden geconfronteerd, bijvoorbeeld omdat men de nieuwe aanwervingen vanuit de lokale middelen moest voorschieten.

Waarom konden die middelen, waarin nochtans was voorzien, niet tijdig worden uitgekeerd? Ik denk dat u hebt geantwoord dat dit te maken had met de datum van de KB's.

Wanneer zal dat bedrag aan de OCMW's worden doorgestort? Ik denk dat u hebt geantwoord dat dat eind januari zal gebeuren, maar corrigeer mij gerust als dat niet zo is.

Mijn laatste vraag is meer proactief. Hoe zult u er in de toekomst voor zorgen dat de nog uit te betalen bedragen wel tijdig zullen worden betaald?

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar mijn ingediende tekst.

De federale regering heeft bij de invoering van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd uitdrukkelijk een compensatieregeling voorzien voor de OCMW's, die geconfronteerd worden met een bijkomende instroom richting leefloon en met extra activeringsopdrachten. Voor die regeling is in totaal 300 miljoen euro uitgetrokken voor de komende jaren.

Ook voor 2025 was een bedrag van 26 miljoen euro expliciet ingeschreven en goedgekeurd bij de begroting. Vandaag blijkt echter dat dit bedrag nog steeds niet werd doorgestort aan de OCMW's, waardoor lokale besturen deze kosten voorlopig zelf moeten voorschieten.

U gaf aan dat door verschuivingen in de parlementaire agenda het technisch niet meer mogelijk was om de middelen nog voor het einde van 2025 uit te keren, maar dat de betaling uiterlijk tegen het einde van deze maand zou gebeuren.

Graag verneem ik van u:

Heeft u op voorhand gecommuniceerd naar de OCMW's dat de middelen niet meer tijdig zouden worden uitgekeerd? Zo neen, waarom niet?

Kan u bevestigen dat het volledige bedrag van 26 miljoen euro effectief en integraal vóór het einde van deze maand wordt doorgestort aan de OCMW's?

Welke garanties kan u geven dat gelijkaardige vertragingen zich in de komende jaren niet opnieuw zullen voordoen, zeker gelet op de verdere impact van deze hervorming op de OCMW-werking?

Bent u bereid om, samen met de vertegenwoordigers van de lokale besturen, te evalueren of de voorziene compensatie volstaat om zowel de financiële als de personele druk op de OCMW's op te vangen?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, comme mentionné par mes collègues, les débats sont évidemment entremêlés. Ma question portait en effet spécifiquement sur le fait que les CPAS n'ont toujours pas reçu les montants qui devaient leur permettre de s'organiser pour accueillir dans les meilleures conditions les personnes exclues de l'assurance chômage au 1 er janvier 2026.

J'ai été alertée par le président du CPAS de ma commune, mais aussi par d'autres représentants de CPAS qui m'informent que les montants ne sont toujours pas parvenus aux CPAS, alors que cela fait maintenant des mois qu'ils tentent d'anticiper au mieux cette réforme, qu'ils ont déjà engagé des montants en décembre dernier, notamment pour des locations, des aménagements de locaux, du matériel et des recrutements.

Aujourd'hui, le 21 janvier, ils n'ont toujours pas reçu les montants qui devaient leur être alloués. Il s'agit, comme nous en avons déjà parlé, des 26 millions qui devaient être répartis entre les différents CPAS.

Madame la ministre, j'ai entendu dans votre première réponse que vous évoquiez la date de fin janvier. C'est évidemment très tard, trop tard. Pouvez-vous me dire si cela aura des conséquences sur certains CPAS qui auraient dû dès lors procéder à des emprunts pour pouvoir avancer ces montants? Allez-vous compenser le fait qu'ils aient dû contracter ces emprunts, avec des intérêts qu'ils vont devoir rembourser au détriment des finances publiques de leur commune?

Pouvez-vous nous en dire plus sur la date à laquelle ces montants seront versés? Nous sommes déjà le 21 janvier. Seront-ils versés dans deux jours ou le 31 janvier?

Voorzitster: Ellen Samyn.

Présidente: Ellen Samyn.

Nadia Moscufo:

Madame la ministre, depuis juillet 2025, vous annoncez un budget de 26 millions en 2025 pour aider les CPAS à renforcer leurs services pour anticiper l'afflux massif de nouveaux bénéficiaires à partir du 1 er janvier 2026.

Les CPAS ont attendu ce budget pendant des mois pour finalement constater au 31 décembre qu'ils n'avaient toujours pas reçu cette aide qu'ils étaient censés recvoir en 2025...

Le 7 janvier 2026, les CPAS n'avaient toujours pas reçu l'argent mais vous teniez à les rassurer: "les fonds seront versés au plus tard à la fin du mois".

Pouvez-vous enfin nous annnoncer une date crédible à laquelle les fonds seront, avec certitude, sur les comptes des CPAS?

Pour 2026 et les années suivantes, le taux de remboursement majoré du revenu d'intégration ne concernera que les personnes exclues des allocations de chômage, et non celles exclues des allocations d'insertion (soit environ 18 000 jeunes non comptabilisés). La différence peut sembler technique, mais elle est à priori importante en termes de financement. La perte serait de 10 millions dès 2026 et de 37 millions au total.

Confirmez-vous ces chiffres?

Vous avez manifestement mal communiqué avec les CPAS ou manqué de transparence car les CPAS disent ne l'avoir appris que le 2 décembre.

Comment justifiez-vous le fait de ne pas octroyer le taux de remboursement majoré du revenu d'intégration pour les personnes exclues des allocations d'insertion alors que le gouvernement s'était engagé à compenser l'impact de la réforme du chômage pour les CPAS et que vous prétendez que votre intention est que les CPAS disposent de moyens suffisants pour mieux accompagner les personnes vers un parcours professionnel positif ?

Enfin, dans les cas fréquents où une personne exclue du chômage entraîne le financement de plusieurs revenus d'intégration au sein de sa famille (les "RI dérivés"), le remboursement complémentaire ne sera accordé que pour la personne directement exclue. Tous les droits dérivés resteront donc à la charge des CPAS.

Comment justifiez-vous cela alors que le gouvernement s'était engagé à compenser l'impact de la réforme du chômage pour les CPAS?

Robin Tonniau:

Mevrouw de voorzitster, het eerste deel van mijn vraag is al beantwoord. Het tweede deel van mijn vraag wil ik wel stellen.

Mevrouw de minister, voor 2026 en de daaropvolgende jaren zal het verhoogde terugbetalingspercentage van het leefloon alleen gelden voor personen die zijn uitgesloten van de werkloosheidsuitkering en niet voor personen die zijn uitgesloten van de inschakelingsuitkering. Het gaat om ongeveer 18.000 jongeren die niet worden meegeteld. Dat verschil lijkt misschien technisch, maar is wel belangrijk in termen van financiering, want het verlies zou vanaf 2026 10 miljoen bedragen en in totaal 37 miljoen euro. Kunt u deze cijfers bevestigen?

U hebt duidelijk slecht gecommuniceerd met de OCMW’s of u bent niet transparant geweest, want zij geven aan dat ze pas op 2 december hebben vernomen dat ze geen financiering krijgen voor het schrappen van die inschakelingsuitkeringen.

Hoe rechtvaardigt u het feit dat u het verhoogde terugbetalingspercentage van het leefloon niet toekent aan personen die zijn uitgesloten van de inschakelingsuitkering, terwijl de regering zich ertoe had verbonden de gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW’s te compenseren en u beweert dat het uw bedoeling is dat de OCMW’s voldoende middelen krijgen om mensen beter te begeleiden naar een positief werktraject?

In veel voorkomende gevallen van een persoon die van de werkloosheidsuitkering is uitgesloten zal dit leiden tot de financiering van meerdere leeflonen binnen zijn gezin. We noemen dat de afgeleide leeflonen. De aanvullende terugbetaling zal dan alleen worden toegekend voor de persoon die rechtstreeks wordt uitgesloten. Alle afgeleide rechten blijven dus wel degelijk ten laste van de OCMW’s.

Hoe rechtvaardigt u dit, terwijl de regering zich ertoe had verbonden de gevolgen van de hervorming van de werkloosheid voor de OCMW’s te compenseren?

Anneleen Van Bossuyt:

Er is een rolverdeling binnen de PVDA-fractie, de ene stelt de vraag in het Nederlands en de andere in het Frans.

Ik zal nog eens herhalen wat ik daarnet al zei in verband met die 26 miljoen euro. Dat zal voor het einde van deze maand gebeuren.

Le fait que cela n'a pas été accompli avant la fin de l'année est entièrement lié aux travaux parlementaires applicables au projet de loi portant sur le contrôle budgétaire de 2025, dans lequel ces moyens étaient intégrés. Comme cela a déjà été indiqué à plusieurs reprises au sein de cette commission, ces moyens devaient être transférés des crédits de l'administration du ministre Clarinval vers le SPP Intégration sociale, lequel peut ensuite assurer le paiement aux CPAS.

De vraag was of dit zich in de toekomst nog zal herhalen. Dat zijn zaken die ik nooit voor honderd procent kan uitsluiten. Veel is ook afhankelijk van de parlementaire werkzaamheden, waarvan jullie zelf deel van uitmaken.

De uitbetalingen van de POD MI aan de OCMW’s verlopen vlot. Dat zal in de toekomst niet wijzigen.

Mevrouw Lamarti, u had een vraag over het gebruik van een automatisch systeem voor de toekenning van het leefloon. Daarbij wil ik toch graag benadrukken dat de OCMW's autonomie hebben in hun besluitvorming, uiteraard met inachtneming van het wettelijk kader. De invoering van een dergelijk systeem dat het sociaal werk zou ontmenselijken staat dan ook niet op de agenda.

Daarnaast had u ook vragen over de REMI-tool. Ook hier heb ik in het verleden al op geantwoord. Het is zo dat de REMI-tool een hulpmiddel is voor de maatschappelijke werkers om op maat van ieder gezinstype vast te stellen in welke mate het gezinsinkomen of het inkomen toereikend is om menswaardig te kunnen leven. Daarnaast geeft de REMI-tool een gestructureerd overzicht van inkomsten en noodzakelijke uitgaven. Zo ondersteunt de tool maatschappelijk werkers en hun cliënten bij het zoeken naar effectieve wegen om de koopkracht van financieel behoeftige gezinnen structureel te verbeteren.

De belangrijkste meerwaarde van de REMI-tool is dan ook dat het maatwerk toelaat, maar de REMI-tool zal er niet toe leiden dat alle aanvullende steunverlening door de OCMW's volgens uniforme toekenningsregels zal gebeuren. Het door de tool vastgestelde bedrag aan financiële steun is voor een OCMW niet bindend. Zo hebben we gezien dat OCMW's beslissen om dat niet toe te kennen of niet volledig toe te kennen. De analyse moet het OCMW wel toelaten om de toekenning van aanvullende steun binnen de eigen organisatie te objectiveren en te harmoniseren. Het is dus niet de REMI-tool op zich die de toekenningsvoorwaarden en de hoogte van de aanvullende bedragen zal bepalen, maar wel hoe het OCMW dat binnen de eigen werking zal implementeren.

In overeenstemming met het regeerakkoord werk ik aan een GPMI-hervorming waarbij het toepassingsgebied van het GPMI wordt uitgebreid naar alle leefloonbegunstigden en equivalent leefloonbegunstigden. Een verslavingsproblematiek kan dan bijvoorbeeld geen gezondheids- of billijkheidsreden meer vormen om geen GPMI te kunnen afsluiten.

Het is essentieel dat personen met verslavingsproblemen door een arts worden onderzocht om de juiste aanpak en ook de juiste medische aanpak te bepalen. Als uit het oordeel van de arts blijkt dat een behandeling noodzakelijk is voor de sociale integratie van de begunstigden en zij nog niet vrijwillig een behandeling volgen, moet die behandeling een integraal onderdeel vormen van het GPMI.

In verband met de compensatieregeling is een omzendbrief verstuurd vanuit het kabinet naar alle OCMW’s om de regels rond de compensatie te verduidelijken, meer bepaald de bepalingen van de wet van 17 november 2025. Die omzendbrief gaat dieper in op het beheer van de aanvragen en de fasering van de hervorming en legt daarnaast ook de financiering en de compensatiemaatregelen uitgebreid uit. De omzendbrief biedt een praktisch kader voor de OCMW’s om aanvragen te beheren, extra federale middelen te ontvangen en het GPMI te gebruiken als een instrument naar werk.

Ik hecht veel waarde aan het huisbezoek, dat een integraal deel uitmaakt van het sociaal onderzoek. Het huisbezoek is essentieel om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de steunaanvrager.

Ik besef dat de regelgeving een extra belasting betekent voor de OCMW’s. Jullie weten dat zij normaal binnen de 30 dagen een dossier moeten kunnen afronden. Daarom heb ik mijn administratie, dus de POD Maatschappelijke Integratie, gevraagd om soepel met die regel om te gaan. Wanneer een huisbezoek praktisch niet mogelijk is voor de eerste toekenning, mag dat geen reden zijn om mensen te laten wachten. OCMW’s moeten dus binnen de 30 dagen kunnen beslissen. Het huisbezoek volgt dan binnen de maand na de toekenning. Die regeling geldt voor heel 2026 en is ook in de omzendbrief opgenomen.

Mijn administratie, de POD Maatschappelijke Integratie, kan de cijfers uit de bevraging van de VVSG waarover wordt gesproken niet bevestigen. Wij moeten wachten tot de OCMW’s hun formulieren naar de POD Maatschappelijke Integratie doorsturen, zoals ik daarnet al aangaf. Dat gebeurt pas na het sociaal onderzoek en na de beslissing om al dan niet een leefloon toe te kennen.

Over de taskforce heb ik het daarnet ook al gehad. De OCMW-federaties maken deel uit van de taskforce samen met de regionale overheden, de betrokken federale administraties en de drie arbeidsbemiddelingskantoren.

Mevrouw Moscufo, mijnheer Tonniau, wat de inschakelingsuitkering betreft, heeft het regeerakkoord alleen betrekking op personen die worden uitgesloten van de werkloosheidsuitkering. Mijnheer Tonniau, zeggen dat er eerst verkeerde informatie is verspreid, klopt dus helemaal niet. Er is nooit enige informatie verspreid over het feit dat er een compensatie zou komen voor de inschakelingsuitkering, omdat daarvan ook nooit sprake is geweest. Ik heb er daarnet trouwens al op gewezen dat de beperking van de inschakelingsuitkering tot drie jaar geen beslissing is van deze regering, maar een beslissing van de regering-Di Rupo. Ook toen was daar geen compensatie voor voorzien. Er is dus nooit sprake van geweest.

Ik heb vorige week uw goede kameraden van de vakbonden ontmoet, meer bepaald die van de maatschappelijk werkers. Zij hebben mij daar zelfs niet over aangesproken. Er is dus nooit sprake van geweest dat er een compensatie zou komen. Ik weet niet wie u gezegd heeft dat wij daarover verkeerde informatie zouden hebben verspreid, maar dat klopt dus helemaal niet.

De begunstigden van inschakelingsuitkeringen zijn geen begunstigden van werkloosheidsuitkeringen. De inschakelingsuitkering is een uitkering die toegankelijk is na het afronden van de studies. Die was zoals gezegd al beperkt in de tijd, namelijk tot drie jaar. De impact op de OCMW’s bestaat, maar is wel geringer. Het gaat bovendien om een ander doelpubliek. Het betreft een jong publiek, waarvan kan worden verondersteld dat het makkelijker werk vindt.

Concernant les paiements dérivés, sur lesquels une question portait, il s’agit d’une personne qui, suite au fait que son conjoint n’a plus les allocations de chômage, a fait une demande de revenu d'intégration au CPAS. Il ne s’agit pas d’une personne qui est exclue, en tant que telle, du chômage, mais d’une personne qui subit les conséquences d’une autre exclusion, ce qui était déjà le cas auparavant, notamment dans les cas de suspension des allocations de chômage. Cette personne entre dans le public régulier du CPAS. Les règles et les taux de remboursement pour le public régulier du CPAS n’ont pas été modifiées.

Dan tot slot, mevrouw Samyn, over uw vraag met betrekking tot de bekommernissen van de lokale besturen. Zoals daarnet ook is gezegd, wordt dat nauwgezet gemonitord en geëvalueerd. Mocht blijken dat de voorziene middelen niet volstaan, dan zal er worden bijgepast. Ik heb al aangegeven dat het om een open-end financiering gaat.

Fatima Lamarti:

Mevrouw de minister. Ik denk ook aan de compensatie die er moet komen. De OCMW’s kunnen niet blijven wachten. Wij zouden dan ook heel graag hebben dat dat geld zo vlug mogelijk wordt gestort en dat in de toekomst heel duidelijk wordt aangegeven wanneer de OCMW’s hun middelen zullen krijgen. Zo moeten we niet opnieuw dergelijke taferelen meemaken. De personeelsleden van de OCMW’s moeten verder kunnen werken. Ik dring er dan ook op aan om het dossier op een degelijke manier op te volgen.

Jeroen Van Lysebettens:

Ik heb niet veel nieuwe informatie gehoord. Ik had de antwoorden op mijn vragen eigenlijk zelf al gegeven door ze te stellen. Ik wil er gewoon nog eens op drukken dat het cruciaal is voor de goede werking van onze OCMW’s en onze lokale besturen dat de financiering die zij in het vooruitzicht hebben ook voorspelbaar en op de afgesproken tijdstippen wordt doorgestort.

Er zijn nu een aantal kleinere problemen ontstaan met die financiering, waardoor men inderdaad uit eigen middelen heeft moeten voorschieten. Wanneer we straks die grote hervorming van de GPMI’s zullen doorvoeren, zal dat ook iets wijzigen aan de betalingsmodaliteiten van de OCMW’s. Het is cruciaal dat dat goed gebeurt, dat dat verloopt volgens het kader dat we uittekenen. Het is ook belangrijk dat dat tijdig gebeurt en dat de OCMW’s zich daarop kunnen voorbereiden. De beperking van de werkloosheid in de tijd is op dat vlak echt geen voorbeeld, niet alleen voor de OCMW’s, maar ook voor allerlei andere betrokken actoren, van hoe beleid holderdebolder wordt ingevoerd en vervolgens en cours de route van alles moet worden bijgesteld. Voor dat hervormingstraject hebt u twee jaar de tijd. De GPMI-hervorming treedt eigenlijk pas in werking in 2028. Ik ga er dus van uit dat die hervorming correct zal gebeuren.

Ellen Samyn:

Dank u voor uw antwoord. De debatten 1 en 3 liepen enigszins naast elkaar en door elkaar. Ik heb tijdens het eerste actualiteitsdebat een antwoord gekregen op mijn vragen.

Sarah Schlitz:

Je ne peux que regretter que les choses n’aient pas été mises en place pour que les montants soient versés plus tôt. La réforme du chômage figure dans le programme du gouvernement. Cela fait bientôt un an que nous savons qu’elle va avoir lieu; elle a été votée en juillet 2025.

Aujourd'hui, les CPAS font face à de graves difficultés parce qu'ils ont dû avancer des montants. Je regrette qu'un mois après le vote de l'ajustement budgétaire 2025, les montants ne sont toujours pas versés aux CPAS.

On nous parle de fin janvier. J'espère que ce sera le cas, mais nous n’avons pas de garantie par rapport à cela. Il n'y a toujours pas de date précise.

Nadia Moscufo:

Il y aura une répétition, mais cela vaut parfois la peine de répéter les mêmes choses. Ma collègue vient de vous le dire, mais je vais vous le redire aussi.

Ces 26 millions, dans le cadre d'une politique que vous aviez décidée, visaient à anticiper ce qui allait arriver suite à votre réforme d'exclusion des chômeurs. En juillet, vous faisiez voter votre réforme. Mi-décembre, vous votiez votre compensation. Quatre semaines après, l'argent n'est toujours pas sur les comptes des CPAS, et je ne comprends pas pourquoi.

Si un particulier attend quatre mois avant de payer ce qu'il doit, il reçoit directement un rappel. Vraiment, votre réponse ne nous convainc pas du tout!

"Fin du mois", cela ne veut rien dire. Quelle est la date exacte? Vous engagez-vous à venir au Parlement nous confirmer que l'argent a été versé le jour que vous nous aurez indiqué? Si vous nous dites que "l'argent sera versé le 26 janvier", vous engagez-vous à venir au Parlement le 26 janvier pour nous dire que "l'argent a été versé"?

Vous ne pouvez pas nous reprocher de ne pas vous faire confiance, puisque vous l'avez déjà promis deux fois.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, we weten dat als het bedrag van 26 miljoen euro al zou toekomen, het sowieso te laat zal zijn. Ik heb u de vraag gesteld. De regering heeft beslist dat ze de OCMW's zoveel mogelijk wil helpen en compenseren. De heer Axel Ronse heeft ooit verklaard dat een een-op-eencompensatie voor de OCMW's geen probleem is. Jullie compenseren dus de mensen die uit de werkloosheid worden geschrapt, maar niet de mensen – vooral jongeren – die de inschakelingsuitkering verliezen. U zegt dat dat nooit beloofd is en valt mij daarop aan. Ik heb letterlijk in mijn vraag gezegd: "U hebt duidelijk slecht gecommuniceerd met de OCMW's of u bent niet transparant geweest, want de OCMW's zeggen dat ze dit pas op 2 december hebben vernomen". Dat zegt de PVDA niet. Ik verwijs naar de OCMW's, omdat de Waalse OCMW-federatie in december 2025 een persbericht heeft uitgestuurd waarin dat wordt gesteld. Het gaat uiteraard niet om de maatschappelijk werkers. Zij betalen de rekening niet. Het zijn de OCMW's van de lokale besturen die de rekening moeten betalen. Zij stellen wel degelijk zelf dat ze slecht geïnformeerd waren en gingen er althans van uit dat dat geen probleem zou zijn. Ik heb gevraagd om hoeveel geld het gaat voor 2026. U antwoordt daar niet op. U spreekt over een gering bedrag. Wat is een gering bedrag? Is dat 10 miljoen euro? Is dat 37 miljoen euro? Is dat 100 miljoen euro? Ik vraag een beetje sérieux. U belooft van alles aan die OCMW's: tranquille , we zullen jullie allemaal helpen. Intussen ligt 1 januari achter ons en ze hebben nog niet eens dat bedrag van 26 miljoen euro ontvangen om zich voor te bereiden, om personeel aan te werven om de massa nieuwe leefloonaanvragen te kunnen verwerken. Uiteindelijk stellen we vast dat de compensatie allesbehalve volledig is, dat ze tijdelijk is en vermindert, terwijl de problemen alleen maar vergroten. Dat is uw beleid.

De combinatie van groeipakket en leefloon
De nieuwe regels inzake de middelentoets voor de berekening van het leefloon
De nieuwe cumulatieregels en een billijk en consequent kader voor alle OCMW's
De status van samenwonende bij het OCMW en garanties voor een billijke toekenning van het leefloon
De cumulatie van een leefloon met het Groeipakket
Het advies van de RvS over de voorgenomen hervorming v.d. status van samenwonende voor het leefloon
Strengere regels voor samenwonenden doordat sociale voordelen niet meer gecumuleerd mogen worden
Hervormingen leefloon, groeipakket en samenwonendenstatus bij OCMW's

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van het cohabitantstatuut door minister Van Bossuyt, die vanaf maart 2026 de inkomens van alle onderhoudsplichtige huisgenoten (inclusief schoonfamilie) verplicht meerekent bij leefloonberekeningen en het groeipakket van meerderjarige studenten als eigen inkomen beschouwt, wordt fel bekritiseerd als "inhumaan" (Meunier) en "armoedeverergerend" (Schlitz, Van Lysebettens). Critici wijzen op het Conseil d'État-avis dat de maatregel een "regressie" noemt, de risico’s voor vrouwen (economische afhankelijkheid, geweld) benadrukt, en solidariteit strafbaar maakt, terwijl OCMW’s een cruciaal hulpmiddel (leefloon + groeipakket) verliezen om kwetsbaren via opleiding uit armoede te halen. Voorstanders (Samyn, Raskin) juichen de hervorming toe als "logisch" en "nodig" om oneerlijke cumul (bv. leeflonen tot €7.000/maand) te stoppen, het draagvlak voor sociale bijstand te herstellen en werk te stimuleren. De minister verdedigt de maatregel als juridisch verankerd (Hof van Cassatie, Burgerlijk Wetboek) en benadrukt dat OCMW’s uitzonderingen kunnen toekennen, maar Meunier noemt dit "schandalig cynisch" en "solidariteit ondergeschikt maken aan staatsbesparingen". Kernconflict: Armoedebestrijding vs. fraudepreventie – critici vrezen massale uitsluiting (bv. mantelzorgers, alleenstaande moeders), voorstanders zien gerechtigheid voor werkenden. Geen impactstudie beschikbaar ondanks vragen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, votre réforme du statut de cohabitant est profondément injuste et profondément inhumaine. Je ne suis pas la seule à le dire, puisque le Conseil d'État lui-même la considère comme une régression significative du niveau de protection sociale.

Dès mars prochain, lorsqu'une personne sollicitera un revenu d'intégration sociale auprès d'un CPAS, cette personne sera dans l'obligation de déduire tous les revenus des membres de la famille vivant sous le même toit: partenaires, parents, grands-parents, enfants majeurs, petits-enfants majeurs, beaux-parents, beaux-fils et belles-filles. Et, comme si cela ne suffisait pas, les allocations familiales des jeunes majeurs aux études seront aussi déduites. En faisant cela, vous attaquez frontalement le droit minimal à la dignité humaine. Vous enlevez des revenus à des familles qui n'ont déjà presque rien, à des familles qui peinent à sortir la tête de l'eau.

Madame la ministre, que dites-vous à cette jeune femme, par exemple, qui héberge sa maman qui est en perte d'autonomie et qui verra son revenu d'intégration sociale diminué, voire totalement retiré, parce que vous avez décidé que la pension de sa maman sera suffisante pour faire vivre sa famille? Que dites-vous à la maman solo qui s'occupe, de jour comme de nuit, de son enfant lourdement handicapé et qui héberge encore son grand garçon majeur qui, lui, vient de trouver son premier job?

D'abord, vous avez exclu cette aidante proche des allocations de chômage – c'est un autre projet – et, maintenant, vous allez dire à cette aidante proche que son fils peut subvenir aux besoins de la famille puisqu’il travaille et qu’elle perd totalement son revenu d'intégration sociale. Madame la ministre, c'est tout à fait dramatique car vous pénalisez, de manière honteuse, la solidarité familiale. On ne va en effet pas se leurrer; dans ces situations, la solidarité familiale ne relève pas d'un simple choix, elle relève souvent d'une nécessité. Et, au lieu de soutenir ces familles, vous leur imposez une double peine: la première, c'est de prendre en charge des proches parce qu'il n'y a pas d'autre choix et, la deuxième, c'est de réduire leurs ressources, ce qui finalement va les plonger davantage encore dans la précarité.

Pour avoir déjà eu l’occasion d’en discuter avec vous, je sais que vous vous fichez complètement d'augmenter la précarité, de taper finalement sur les plus vulnérables et de ne pas permettre à tout un chacun de vivre dignement. J'ai bien compris que c'était le cadet de vos soucis.

Mais, ce qui me révolte encore le plus, c'est que certains collègues de la majorité – je regrette qu’ils ne soient pas là –, notamment Les Engagés, s'offusquent des conséquences des réformes qu'eux-mêmes prennent au sein de cette majorité.

Je n'ai dès lors qu'une question, madame la ministre: pourquoi persister? Pourquoi persister dans cette voie, alors que les associations de terrain le dénoncent depuis des mois maintenant et que le Conseil d'État lui-même a rendu un avis assassin sur votre arrêté royal?

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, een kwart van alle mensen in onze samenleving heeft een laag opleidingsniveau, wat de drempel tot de arbeidsmarkt verhoogt en hun kwetsbaarheid bestendigt. Tal van studies tonen dan ook aan dat die cirkel kan worden doorbroken als die mensen opleidingskansen krijgen. Voor veel van die mensen blijkt uit onderzoek eveneens dat inkomenszekerheid, een inkomensgarantie, een noodzaak is om dat te kunnen doen.

Daarom is het volgens ons logisch dat het huidig beleid jongvolwassen studenten toelaat om het groeipakket te combineren met een leefloon. Dat gebeurt onder voorwaarden, maar die voorwaarden bestaan vandaag al, zoals een maximale studieduur en een minimumaantal studiepunten. Toch kondigt u samen met uw collega Frank Vandenbroucke aan dat die combinatie wordt ingeperkt.

In het vorig federaal armoedeplan lees ik onder actiepunt 48 dat de opleiding van uitkeringsgerechtigden aangemoedigd moet worden door de combinatie van opleidingsvergoedingen en sociale uitkeringen toe te staan. Waarom maakt u dat nu opnieuw moeilijker?

Ik lees ook dat er onderzoek zou worden gevoerd naar zowel de mogelijkheid om bij de berekening van het leefloon geen rekening te houden met middelen van meerderjarige verwanten in opgaande of neergaande lijn van de eerste graad met wie de begunstigde samenwoont, als naar de mogelijkheid om de gezinsbijslag vrij te stellen in de berekening van het leefloon wanneer de jongere de gezinsbijslag zelf ontvangt. Vloeit dat verbod op cumulatie voort uit dergelijk onderzoek? Zo ja, kunnen we dat onderzoek dan krijgen? Zo niet, waarom wordt die maatregel voortgezet? Zouden we niet beter dergelijk onderzoek afwachten?

Die uitkeringen, zowel het groeipakket als het leefloon, zijn natuurlijk bedoeld om armoede te voorkomen. Wij vermoeden dat die maatregel de kinder- en jongerenarmoede zal doen toenemen. In welke mate is uw plan compatibel met een dergelijk armoedebeleid?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, malgré un avis négatif particulièrement sévère du Conseil d'État, vous avez décidé d'adopter par arrêté royal votre réforme restreignant l'accès à l'aide sociale pour les cohabitants. Le texte a été publié au Moniteur belge et entrera en principe en vigueur le 1 er mars 2026.

Il prévoit que lorsqu'une personne cohabitante introduit une demande d'aide auprès d'un CPAS, celui-ci devra tenir compte de l'ensemble des revenus de toutes les personnes vivant sous le même toit: conjoint, parents, grands-parents, enfants majeurs, petits-enfants majeurs, beaux-fils et belles-filles, etc. Et ce, même en cas d'absence d'une solidarité financière entre les personnes concernées. Vous pénalisez véritablement les stratégies de mutualisation de certains aspects, notamment les dépenses énergétiques et les dépenses de loyer, en empêchant les personnes de vivre sous le même toit tout en ayant des vies des vies totalement séparées, chacun son niveau dans le frigo, etc.

Cette réforme constitue un durcissement du statut de cohabitant, déjà dénoncé depuis des années comme une législation injuste au regard des droits constitués par les personnes selon leur trajet professionnel individuel. Elle pénalise la solidarité et par ailleurs était conçue au départ comme une mesure de crise qui devait être limitée dans le temps, mais a perduré jusqu'en 2026. C'est par ailleurs une spécificité belge. Dans les autres pays, une personne égale un droit, une analyse de dossier, un point c'est tout. On ne s'amuse pas à savoir si la brosse à dents qui est dans le pot appartient bien à la personne qui vit sous ce toit, ou s'il y a deux brosses à dents dans la salle de bain. Ce sont des éléments qui nous semblent extrêmement intrusifs et ne sont pas utiles dans le cadre de la lutte contre la pauvreté, ou pour faire en sorte que chacun vive mieux dans ce pays.

Une évaluation de l'impact de cette mesure a-t-elle été réalisée, comme demandé par le Conseil d'État? Disposez-vous de chiffres? Combien de personnes vont-elles perdre leur revenu? Quels montants espérez-vous économiser via cette réforme? Parmi les 180 000 exclus du chômage, combien auraient pu prétendre à un revenu avant cette réforme et n'y auront plus droit?

Quel pourcentage de femmes vont perdre leur revenu? Comment justifiez-vous une disposition qui pénalise les personnes hébergeant un membre de leur famille ou partageant un logement sans contrepartie financière ni lien économique? Pourquoi n'avez-vous pas intégré les remarques fondamentales du Conseil d'État dans le texte? Enfin, pourquoi avoir choisi la voie de l'arrêté royal plutôt qu'un projet de loi, qui aurait permis un vrai débat?

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, binnenkort zal het niet meer mogelijk zijn om binnen één gezin onbeperkt leeflonen te cumuleren. Dat hebt u recentelijk aangekondigd.

Daarnaast hebt u ook een maatregel genomen waarbij het groeipakket en het leefloon niet meer gecumuleerd kunnen worden in geval van samenwoning. Enkele jaren geleden bleek immers dat meer dan 10.000 thuiswonende meerderjarigen het groeipakket combineerden met een leefloon, terwijl meerderjarige kinderen die op zichzelf woonden een dergelijke combinatie niet konden maken.

Mevrouw de minister, kunt u wat toelichting geven bij de geplande maatregel? Hoe gaat die precies in zijn werk?

Vanaf wanneer zal de maatregel van toepassing zijn?

De voorzitster : Wenst nog iemand aan te sluiten bij de vragen? ( Nee )

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, zoals u weet staat ook bij onze fractie de cumul van het leefloon en het groeipakket hoog op de agenda.

Zoals u zelf vorige week aangaf, is het moeilijk uit te leggen aan een maatschappelijk werker, die zelf misschien hooguit 2.400 euro verdient, dat er mensen bij het OCMW langskomen voor een leefloon en een bedrag tot 7.000 euro krijgen, en bovendien kunnen cumuleren. Dat was ook al langer onze bekommernis, zeker als we gedetailleerd bekijken hoe weinig van de leeflonen naar Vlamingen gaan.

Tijdens de gedachtewisseling vorige week gaf u aan dat door uw maatregel het maximumbedrag dat leefloners kunnen ontvangen een heel stuk lager zal liggen. In het voorbeeld dat u gaf van een gezin van een alleenstaande moeder en vier kinderen daalde het leefloon van 6.700 euro naar 4.668 euro per maand. Dat is alvast een stap in de goede richting, want heel veel Vlaamse gezinnen hebben nauwelijks zo’n inkomen.

Men krijgt het eenvoudigweg ook niet uitgelegd. Het kan niet de bedoeling zijn dat personen met een leefloon over meer financiële middelen beschikken dan veel gezinnen waarvan beide partners werken, om over andere sociale voordelen en tegemoetkomingen nog maar te zwijgen.

Onze fractie pleit daarvoor al langer en heeft vorig jaar zelfs een voorstel ingediend op Vlaams niveau om de gezinsbijlage aan meerderjarige kinderen die een leefloon ontvangen, stop te zetten. Dat voorstel werd jammer genoeg weggestemd. De andere partijen gaven aan dat ze wachtten op een signaal vanuit de federale regering inzake de begrenzing van de cumul van het leefloon met andere sociale voordelen en toelagen.

Mevrouw de minister, ik hoop dus dat dat signaal gehoord wordt en dat we binnenkort iets van u mogen verwachten, want zolang die cumul mogelijk blijft, is er geen enkele financiële prikkel voor leefloners om zich naar de arbeidsmarkt te begeven.

Anneleen Van Bossuyt:

Geachte Kamerleden, de wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 voorziet in een aantal zaken.

Ten eerste is er een verplichting om rekening te houden met de middelen van de samenwonenden. Het OCMW kon dat al doen, maar móet dat nu ook doen, tenzij er gegronde redenen zijn, die expliciet gemotiveerd moeten worden.

Ten tweede is er een uitbreiding van de samenwonenden die in aanmerking worden genomen bij de berekening van het inkomen van de aanvrager. Voorheen vielen naast de levenspartner alleen de descendenten en ascendenten in de eerste graad onder de bepaling. De huidige tekst bepaalt dat de middelen van alle onderhoudsplichtigen van de aanvrager in aanmerking worden genomen. Dat zijn naast de levenspartner ook de ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen, maar dus ook de schoonouders, schoonzonen en schoondochters.

Er werd een vraag gesteld over de stiefouders. Die zijn inderdaad niet altijd onderhoudsplichtig, uitzonderlijk zoals bepaald in artikel 203, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, en vallen dus niet steeds onder de cumulregeling. Voor de terugvordering van het leefloon door het OCMW bij de onderhoudsplichtigen kon wel al worden gekeken naar de inkomsten van de stiefouders. Wanneer de biologische ouder na echtscheiding hertrouwt, wordt rekening gehouden met het gezamenlijk netto belastbaar inkomen van de ouder en de nieuwe echtgenoot of echtgenote.

Vrienden en kennissen met wie de leefloonaanvrager samenwoont, vallen niet onder de cumulregeling, aangezien zij geen onderhoudsplicht hebben.

Het derde element van de wijziging van dat artikel van het koninklijk besluit betreft het in aanmerking nemen van het groeipakket ten laste van de aanvrager. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 19 januari 2015 al geoordeeld dat het groeipakket in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het leefloon van het meerderjarige kind. Dat is dus geen bepaling die wij hebben bedacht, maar ze volgt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 2015.

Concreet betekent dat het volgende. Wanneer de ouders een leefloon aanvragen en het meerderjarig kind nog thuis woont, wordt het groeipakket vrijgesteld. Vraagt het meerderjarig kind zelf een leefloon aan en wordt voor dat kind een groeipakket ontvangen, dan wordt dat groeipakket bij de berekening van het leefloon wel meegerekend. Het groeipakket is immers bedoeld om bij te dragen aan de kosten, opvoeding en verzorging van het kind. Daardoor kan het groeipakket niet volledig worden gecumuleerd met een leefloon als het meerderjarig kind het leefloon aanvraagt. Het groeipakket wordt als eigen middelen beschouwd en vermindert dus het bedrag van het leefloon.

Het was voor meerderjarige kinderen al niet mogelijk om het groeipakket te combineren met een leefloon als ze alleen wonen; daarnaar werd al verwezen. We sluiten nu dus ook dat achterpoortje voor de meerderjarige kinderen die nog thuis wonen.

Ik hoop dat we het er allemaal over eens zijn dat werk de beste bescherming tegen armoede is. Het is zeker in het belang van het meerderjarig kind om, wanneer mogelijk, aan de slag te gaan.

Ce sont des changements importants pour nos CPAS. J’ai donc prévu plusieurs mesures afin d’alléger au maximum la charge administrative. La nouvelle réglementation entrera en vigueur le 1 er mars 2026, afin que les CPAS disposent de suffisamment de temps pour intégrer les adaptations dans leur outil de calcul. L’arrêté royal a été publié la semaine passée, le 16 janvier, au Moniteur belge. La circulaire a également été publiée ce jour-là, mais, à la demande des CPAS, j’ai accordé un délai supplémentaire pour son entrée en vigueur. Comme je viens de le dire, celle-ci aura lieu le 1 er mars.

Pour les dossiers en cours, le nouvel article ne sera appliqué qu’à la prochaine révision du dossier ou à la révision annuelle des conditions d’octroi. Cela donne aux CPAS la marge nécessaire pour analyser soigneusement les dossiers et expliquer les modifications de manière claire et en temps utile aux personnes concernées, en tenant compte de la situation souvent précaire de ce public.

Sur le plan juridique, il s’agit d’un projet d’arrêté royal et non d’un projet de loi. Il est donc normal qu’aucun dossier législatif n’ait été déposé au Parlement. À la suite de la réception de l’avis du Conseil d’État, j’ai pris la décision de rédiger un rapport au Roi afin de préciser les détails et les objectifs de la réforme.

Des réponses ont été apportées à chacun des points soulevés par le Conseil d’État. En ce qui concerne ces points, une extension des personnes dont les revenus peuvent être pris en compte est effectivement prévue. Il s’agit des personnes qui ont une obligation alimentaire, au sens du Code civil, envers le bénéficiaire du droit à l’intégration sociale.

Il existe, dans le droit à l’intégration sociale, un principe de primauté de la solidarité familiale sur la solidarité étatique. Lorsque le bénéficiaire du revenu d’intégration cohabite avec ses débiteurs d’aliments, la solidarité familiale est organisée par l’article 34 de l’arrêté royal. Le projet d’arrêté royal étend cette solidarité familiale à tous les cohabitants tenus à un devoir d’aliments tel que déterminé par le Code civil.

Conform notificatie punt 68 bij de ministerraad van 18 juli 2025 werd het dossier niet opnieuw aan de regering voor een tweede lezing voorgelegd als de IKW-werkgroep tot een overeenkomst zou komen.

En outre, le projet d'arrêté royal maintient la possibilité, pour le CPAS, de tenir compte de raisons d'équité justifiant qu'il ne soit pas tenu compte des ressources des cohabitants dans le droit au revenu d'intégration du demandeur. Les CPAS disposeront donc toujours d'une marge de manœuvre et d'une liberté dans l'appréciation de la situation de la personne.

Dès lors, le projet d'arrêté royal ne comporte pas de risque de détérioration significative du niveau de protection. Par ailleurs, l'obligation alimentaire prévue par le Code civil à l'égard du demandeur est une justification raisonnable de la modification de l'article 34 de l'arrêté royal.

Parmi les autres modifications, il est également prévu que toutes les exonérations spécifiques telles que prévues à l'article 22, § 1 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 s'appliqueront aux ressources des cohabitants. Il s'agit là d'un renforcement conséquent de la sécurité juridique et d'une mesure qui protège les bénéficiaires.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. De maatregelen die u neemt of plant, onder meer inzake de cumul van een aantal uitkeringen, zijn eigenlijk de logica zelve.

Het is ook heel belangrijk dat die maatregelen vandaag worden genomen. De situaties die we veel te lang hebben gekend, ondermijnen het draagvlak voor de sociale bijstand. Wat al onder druk staat, wordt daardoor nog eens extra bedreigd.

Dat ongebreideld cumuleren van tal van uitkeringen maakt dat mensen die de pot moeten vullen door elke dag hun wekker te zetten, dat niet langer pikken. Het is bovendien niet fair tegenover bepaalde andere groepen, die een aantal voordelen niet kunnen hebben. Ik denk dus dat u ter zake goede stappen zet. U hebt daarvoor onze volle steun.

Marie Meunier:

Madame la présidente, la réponse de Mme la ministre m'a quelque peu scandalisée quand j'entends que "l'on protège juridiquement le bénéficiaire". Non! Vous le précarisez davantage encore, madame la ministre. Le summum est atteint lorsque j'entends que la solidarité familiale prime la solidarité étatique. Cette allégation entre dans mon Top 2 des phrases les plus infâmes de ce gouvernement avec le fameux "La fraude fiscale est moins problématique pour moi que la fraude sociale" de votre collègue Clarinval. Je ne comprends pas. Et tout cela est dit très calmement, avec un grand sourire. C'est consternant.

Écoutez, nous attendons la suite avec grande impatience. Nous nous demandons comment les bénéficiaires vont être mangés le mois prochain et quelles nouvelles mesures vous allez sortir de votre chapeau.

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. U zegt dat arbeid de meest structurele uitweg uit armoede is. Ik ben het daar eigenlijk mee eens. Mijn punt was wel dat de combinatie van het groeipakket en het leefloon vandaag een instrument is voor OCMW’s om mensen in precaire situaties opleiding te laten volgen, zodat zij later veiliger op de arbeidsmarkt terecht kunnen. Vandaag zien we dat mensen met een laag opleidingsniveau van job naar job gaan en zeer moeilijk structureel te activeren zijn. Net daar kan men via opleiding een verschil maken. Net daar hadden OCMW’s met de cumulatie van het leefloon en het groeipakket een instrument. Dat neemt u weg.

U verwijst naar het arrest van Cassatie. Ik betwist dat arrest niet, maar ik zeg alleen dat men dat in regels had kunnen gieten. Daarbij had men ook de discriminatie van alleenstaanden kunnen rechttrekken, zodat dat wettelijk ook in orde was geweest.

Ik vind het jammer dat we daar op die manier mee omgaan. Onze eerste insteek zou moeten zijn om die mensen uit de vicieuze cirkel te halen en hen structureel te versterken. Dat gebeurt vandaag niet.

Sarah Schlitz:

Pour moi, ce que vous faites, c’est donner une réponse extrêmement cynique à une interpellation qui vous est adressée par des économistes, notamment sur le fait que les montants que vous avez prévus pour compenser la réforme du chômage, afin de prévenir l’afflux de personnes dans les CPAS, sont moins élevés et coûtent moins cher que les estimations. Vous vous assurez ainsi que des personnes qui vont être exclues ou qui ont déjà été exclues du chômage, et qui auparavant auraient peut-être eu droit à un revenu du CPAS, n’y aient finalement pas accès, en durcissant les conditions et en augmentant le seuil d’accès. Les conséquences ne sont pas anodines. Nous savons que ce sont majoritairement des femmes qui se trouvent dans des situations de cohabitation et donc de dépendance économique. Rendre des femmes dépendantes sur le plan économique de manière extrême, c’est aussi ouvrir la porte à des formes de violence, d’abord économiques, puis à d’autres violences, psychologiques notamment. Ces violences économiques peuvent se matérialiser de différentes manières, par le contrôle de la vie sociale et familiale de ces personnes. Ce sont ensuite des drames qui surviennent, et l’on se demande ce que l’on aurait pu faire. Ce que vous êtes en train de mettre en place, c’est un climat social d’une violence et d’une brutalité extrêmes, tant sur le plan symbolique – l’impossibilité d’avoir accès à des ressources suffisantes pour vivre, l’impossibilité de se soutenir mutuellement pour garder la tête hors de l’eau – que sur le plan de violences très concrètes. Nous savons à quel point les violences économiques constituent souvent la première marche vers d’autres formes de violences bien plus graves. Je vous remercie, madame la ministre. De voorzitster : Wensen nog leden aan te sluiten in het debat? ( Nee ) Collega’s, mevrouw de minister, gelet op de afgesproken tijd, sluit ik de vergadering. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.08 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 08.

De consumentenbescherming in de fitnesssector

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 21 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Jeroen Soete (parlementslid) wijst op groeiende klachten over fitnessabonnementen die niet kunnen worden stopgezet of gepauzeerd bij medische overmacht (bv. blessures), ondanks een bestaande maar niet-verplichte gedragscode in de sector, en pleit voor wettelijke verankering van dit recht én pro rata-terugbetaling. Minister Rob Beenders bevestigt dat juridisch geen sprake is van overmacht (betalingsplicht blijft bestaan), maar erkent dat medische stopzetting redelijk zou moeten zijn en belooft overleg met de sector; hij wijst wel op bestaande consumentenbescherming (bv. verbod op onevenwichtige bedingen en transparantieregels bij stilzwijgende verlenging). Soete onderschrijft de noodzaak van sectoroverleg, maar stelt dat wettelijke maatregelen onvermijdelijk zijn als vrijwillige afspraken falen. Beenders deelt dit voorbehoudelijk standpunt, maar wil eerst de praktijk evalueren.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, fitness is een booming business. Op basis van de beschikbare cijfers van de afgelopen jaren is de fitnesssector een van de snelst groeiende sportsectoren in België. Ondertussen zijn er meer dan 1.300 fitnessclubs in ons land en sluiten jaarlijks duizenden Belgen een langdurig abonnement af bij een fitnessclub. Dat juichen we uiteraard toe, ook in het kader van de algemene volksgezondheid.

Tegelijk stellen we echter op het vlak van consumentenrechten vast dat een aantal zaken voor verbetering vatbaar is. Zo zien we bijvoorbeeld dat sommige clubs een blessure weigeren als geldige reden voor een stopzetting of een pauzering van het abonnement. De consument blijft daardoor betalen voor zijn fitnessabonnement, terwijl hij niet kan gaan sporten. Wanneer die blessure langer aansleept dan de periode vermeld op het doktersattest, wordt bovendien onnodig veel druk gelegd op de huisartsen, omdat systematisch een nieuw doktersbriefje moet worden voorgelegd.

Mijnheer de minister, bent u bereid om het recht op een definitieve stopzetting of pauzering van een fitnessovereenkomst om medische redenen wettelijk te verankeren? Ik weet dat dit momenteel is opgenomen in de gedragscode van de fitnesssector, maar we zien dat heel wat fitnessclubs niet zijn aangesloten bij die gedragscode.

Hoe staat u tegenover een verplichting tot een pro rata terugbetaling van reeds betaalde bedragen wanneer een consument zijn contract door medische overmacht moet beëindigen?

Rob Beenders:

Mijnheer Soete, in de maand januari is dat een thema dat elk jaar opnieuw opduikt. Fitnesscentra spelen in op goede voornemens en meer sporten. Veel mensen beginnen vol moed aan een fitnesskuur, die meestal twaalf maanden duurt, omdat een fitnessabonnement doorgaans voor een jaar moet worden afgesloten. Dan ontstaan er vaak problemen wanneer zich medische problemen voordoen waardoor sporten, al dan niet tijdelijk of definitief, niet meer mogelijk is. Vervolgens ontstaat discussie over de vraag of de overeenkomst kan worden opgeschort of beëindigd.

Gelukkig zijn er heel wat fitnesscentra die dat op een flexibele manier oplossen. Wanneer het om een tijdelijke situatie gaat, wordt het abonnement bijvoorbeeld bevroren en met een maand verlengd.

Er zijn echter ook mensen die niet langer naar de fitness kunnen, omdat zich een medisch probleem voordoet waardoor fitnessen niet meer mag of kan. Dan ontstaat een andere discussie, want dan is de vraag of het fitnessabonnement definitief kan worden stopgezet en of ook de betaling kan worden beëindigd, hoewel het contract nog een bepaalde tijd loopt.

Op dit moment zijn medische redenen die het voor een consument onmogelijk maken om nog te fitnessen, geen overmacht in de zin van het algemeen verbintenissenrecht. Dat betekent dus dat het contract in principe niet wordt stopgezet. Overmacht kan alleen worden ingeroepen wanneer de uitvoering van de eigen contractuele verbintenissen onmogelijk wordt gemaakt. In het geval van een fitnessabonnement blijft de betalingsverplichting desgevallend uitvoerbaar, ook al kan de consument er niet meer van gebruikmaken. Juridisch is er dan ook geen sprake van overmacht.

Dat neemt niet weg dat er andere regels zijn waaraan fitnesscentra zich moeten onderwerpen, vooral op het vlak van consumentenbescherming en meer bepaald de regels inzake onrechtmatige bedingen. Het Wetboek van economisch recht bepaalt dat onrechtmatige bedingen verboden en zelfs nietig zijn. Een onrechtmatig beding wordt gedefinieerd als elk beding dat een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en de plichten van de partijen, ten nadele van de consument. Bovendien bevat het Wetboek van economisch recht een lijst van bedingen die in elk geval als onrechtmatig worden beschouwd.

In de praktijk werken veel fitnesscentra trouwens met overeenkomsten van bepaalde duur met een beding van stilzwijgende verlenging. In dat geval legt het Wetboek van economisch recht bepaalde transparantievereisten op. Na die stilzwijgende verlenging kan de consument bovendien op elk ogenblik kosteloos opzeggen, met inachtneming van een opzegtermijn die maximaal twee maanden mag bedragen.

Ik wijs ook op wetgeving die ik in de ministerraad al heb laten goedkeuren, waarbij een verplichting wordt ingevoerd voor ondernemingen om consumenten actief te informeren over een nakende stilzwijgende verlenging van een overeenkomst. Op die manier is de consument voldoende geïnformeerd om een abonnement tijdig stop te zetten.

De huidige wetgeving voorziet niet expliciet in een recht op definitieve stopzetting of tijdelijke opschorting van een fitnessabonnement om medische redenen. De gedragscode waarnaar u verwijst, bestaat wel, maar het is niet duidelijk of iedereen hem naleeft en of hij daadwerkelijk wordt toegepast in het belang van een voldoende bescherming, gelet op de huidige marktpraktijken.

Er blijft dus een grijze zone bestaan. Puur wettelijk gezien is een medische reden geen grond om een fitnessabonnement stop te zetten, terwijl de gedragscode een flexibele omgang met dergelijke situaties vooropstelt. Vandaag is het echter niet duidelijk of alle spelers zich daaraan houden, aangezien nog regelmatig signalen worden ontvangen dat abonnementen niet worden stopgezet om medische redenen.

Daarom zal ik sowieso opnieuw in overleg met de sector om te bekijken of we daarin nog stappen kunnen zetten. Als dat nodig is, zal ik daar verder in gaan. Ik vind wel dat wanneer een arts beslist dat iemand om medische redenen niet meer kan fitnessen, dat effectief een reden moet zijn om het abonnement stop te zetten. Vanuit dat principe zal ik het debat voeren met de sector.

Jeroen Soete:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het klopt inderdaad dat er al een belangrijke stap vooruit is gezet door de verplichting om binnenkort actief te informeren over de aanstaande, niet langer stilzwijgende, verlenging van het contract. Dat geldt niet alleen voor krantenabonnementen en Netflixabonnementen, maar ook voor fitnessabonnementen. Ik vermoed dat er in januari heel wat mensen bijkomen die pas in februari van het jaar daarop beseffen dat er opnieuw een fitnessabonnement voor een jaar loopt. Dat is dus sowieso al een goede zaak. Wat de grond van mijn vraag over de stopzetting betreft, heb ik uw standpunt goed gehoord. U bent voorstander van het expliciet erkennen van medische overmacht als grond om het contract stop te zetten of te pauzeren. Ik begrijp dat u eerst in overleg treedt met de sector. We moeten in eerste instantie bekijken hoe dat in de praktijk wordt toegepast, zeker bij het groot aantal fitnessclubs dat niet is aangesloten bij de gedragscode. Aansluiting bij de gedragscode kan al een deel van de oplossing zijn. Als we vaststellen dat dat geen zoden aan de dijk brengt, zullen we verder moeten gaan en bekijken hoe we via wetgeving bepaalde zaken kunnen afdwingen.

Het vermogen van ziekenfondsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Frank Vandenbroucke benadrukt dat ziekenfondsen strikte scheiding handhaven tussen verplichte verzekeringsgelden en commerciële activiteiten (zoals apotheken of hotels), die gefinancierd worden via ledenbijdragen en democratisch goedgekeurd. Hij bekritiseert dat ziekenfondsen onvoldoende inzetten op solidariteit en re-integratie van langdurig zieken, maar verwerpt hun classificatie als commerciële actoren of btw-plicht; het regeerakkoord moet hun sociale rol versterken. Irina De Knop (oppositie) betwist zijn ontkenning van belangenvermenging (door hun RIZIV-invloed én commerciële belangen) en vraagt waarom ziekenfondsen – ondanks hun vermogen – niet meebetalen aan begrotingssanering, zoals "sterke schouders" horen te doen. Vandenbroucke ontwijkt dit punt expliciet.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, wij hebben in dit Parlement al een paar keer het genoegen gehad om te praten over het grote vermogen dat sommige ziekenfondsen hebben opgebouwd. Mijnheer Bacquelaine stelde daarover in de plenaire vergadering ook een vraag aan minister Jambon.

Het gaat over obligaties, termijnrekeningen, aandelen, gebouwen, kantoren, winkels, zorgcentra en zelfs hotels. Zo zou de Christelijke Mutualiteit 20 % bezitten van een keten van Poolse zorgwinkels en apotheken en zou Solidaris over een kasteel beschikken. Ze zouden ook belangen hebben in apotheken, optiekzaken, zorgwinkels, serviceflats, woonzorgcentra, ziekenhuizen, kinderdagverblijven en zelfs deelwagens. Daarmee verwerven ze een heel dominante positie in het zorglandschap. De winst komt vooral uit de aanvullende voordelen en producten en de echte verzekeringen.

Dat roept een aantal terechte vragen op over wat ziekenfondsen wel of niet moeten doen. Wat is uw reactie op het gigantische vermogen van de ziekenfondsen? Ik herinner mij daarover ook een discussie in de plenaire vergadering, waar u het opnam voor de ziekenfondsen. De vraag is dan ook of u het goed vindt dat ziekenfondsen aandelen hebben in onder andere zorgwinkels en ziekenhuizen. Zult u een initiatief nemen om dit aan te pakken?

Ziekenfondsen maken via het overlegmodel mee het beleid in het RIZIV en wegen dus ook op wat al dan niet wordt terugbetaald. Tegelijkertijd hebben ze belangen in een aantal instellingen of organisaties. Bent u van oordeel dat dit een vorm van belangenvermenging is?

Zoals collega Bacquelaine in de plenaire vergadering terecht opmerkte, vragen wij van burgers en bedrijven grote inspanningen en besparingen in het kader van de sanering van de begroting. De vraag kan dan ook worden gesteld of de ziekenfondsen niet mee die sterke schouders vormen en op die manier ook moeten bijdragen aan de sanering van de overheidsuitgaven, bijvoorbeeld door hen te onderwerpen aan het btw-regime.

Op Vlaams niveau stelt de minister voor om subsidies af te stemmen op basis van reserves. Is dit ook een mogelijke piste voor u met betrekking tot de ziekenfondsen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, we hebben hierover inderdaad al gediscussieerd in de plenaire zitting. Ik ga in essentie hetzelfde herhalen.

Heel concreet, u vertrekt van het gegeven dat ziekenfondsen allerlei activiteiten hebben en dat ze vermogen hebben opgebouwd. Tijdens ons debat in de plenaire zitting, maar ook eerder al zeer uitvoerig in de vorige legislatuur, heb ik uitgelegd dat ziekenfondsen uit verschillende gescheiden structuren bestaan, zowel qua wetgeving als boekhoudkundig. Essentieel is dat er geen geld van de verplichte verzekering vloeit naar activiteiten zoals apotheken, zorgwinkels, optiekzaken of hotels. Daar is er een strikte scheiding en dat is heel belangrijk.

Los van de taak van ziekenfondsen in de wettelijke ziekteverzekering, bieden ze ook diensten aan die aan een maatschappelijk belang moeten beantwoorden. Dat gebeurt vanuit een ledenbijdrage. De beslissing daartoe wordt genomen op algemene vergaderingen, verkozen uit en door hun leden. Op die basis gaan ze ook allerlei samenwerkingen aan. Binnen die perimeter ziet men een waaier aan verschillende activiteiten, inclusief patrimonium.

Ik herhaal wat ik al in de plenaire zitting zei, de eerste vraag is of men de wet scrupuleus toepast. Dat moeten we controleren. Dat wordt ook gecontroleerd en als dat ergens niet zo is, is dat een probleem. De tweede vraag is in welke richting we willen dat de ziekenfondsen evolueren. Mijn mening is dat als we kritisch zijn ten aanzien van de ziekenfondsen, en dat ben ik vaak ook, de kritiek – dat geldt althans voor mijn kritiek – moet zijn dat ze sterker moeten inzetten op het behouden van een solidaire gezondheidszorg gericht op doelmatigheid. Ziekenfondsen zullen zeer sterk moeten inzetten op het re-integreren van mensen die langdurig afwezig zijn na ziekte. Daar moeten we ze sterker aan doen werken. Daarvoor moeten we ze meer responsabiliseren. Daarop moeten we ze afrekenen. We moeten niet proberen hen op te nemen in een amalgaam van commerciële actoren, die dan ook belast moeten worden zoals commerciële actoren.

Het regeerakkoord is op dat vlak voor mij richtinggevend. Daarin staan immers verschillende passages waarin sommige van de door u aangestipte punten terug te vinden zijn. Het is mijn bedoeling om het regeerakkoord uit te voeren, met als inspiratie dat ziekenfondsen geen commerciële spelers zijn en ook niet mogen zijn. Wel moeten zij een rol spelen in het behouden en versterken van solidariteit in de gezondheidszorg.

Irina De Knop:

Ik noteer dat u vindt dat er geen sprake is van belangenvermenging. Ik merk echter op dat collega's uit de meerderheid, met name van de N-VA, hierover andere meningen hebben. Ik heb ook in uw antwoord niet gehoord of u vindt dat zij tot de sterke schouders behoren en of zij vanuit eventueel andere vennootschappen die zij hebben, een grotere bijdrage zouden moeten leveren. Ik neem daarvan akte.

De ondervoeding bij kankerpatiënten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Irina De Knop sterft 1 op 5 kankerpatiënten aan ondervoeding (bron: UZ Brussel), met 40% risico op ondervoeding tijdens behandeling, door onvoldoende diëtistische ondersteuning (slechts 4 diëtisten per groot centrum) en gebrek aan terugbetaling, wat patiënten financieel benadeelt. Frank Vandenbroucke bevestigt dat het nieuwe kankerplan voeding centraal stelt als onderdeel van een multidisciplinaire, geïntegreerde aanpak (van preventie tot palliatie), gebaseerd op literatuurstudies en stakeholder-workshops, maar benadrukt dat voeding breder moet worden aangepakt dan enkel in oncologie, gekoppeld aan gezondheidsbevordering en levensstijl. De Knop toont zich tevreden met de ministeriële toezeggingen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, deze vraag is van een heel andere orde. We vernemen dat één op de vijf kankerpatiënten sterft aan ondervoeding en niet aan kanker zelf. Dat blijkt uit een onderzoek van het UZ Brussel, waarbij tienduizend dossiers van kankerpatiënten grondig werden geanalyseerd. Dat zou aantonen dat vier op de tien mensen een risico hebben op ondervoeding of al ondervoed zijn. Na zes weken consultatie en behandeling, en zelfs na vier maanden behandeling, krijgt nog steeds meer dan de helft van de mensen minder dan de helft van de benodigde voeding binnen.

Ook uit internationaal onderzoek blijkt dat ondervoeding een enorme impact heeft op de behandeling van kankerpatiënten en op het verloop van de ziekte. Ondervoeding leidt tot spierafbraak en tot een verzwakt immuunsysteem, waardoor de behandeling vaak nog eens vertraagd wordt en langere opnames nodig zijn.

Blijkbaar krijgt slechts een kleine minderheid een voedingsplan. In grote centra zijn er een viertal diëtisten voorzien om mensen te helpen met smaakverandering en met problemen rond vertering. Dat is echter voor volledige diensten oncologie onvoldoende. Daardoor moeten die diëtisten elke dag keuzes maken. Bovendien worden die niet terugbetaald, waardoor veel patiënten die dienstverlening niet kunnen betalen.

Mijnheer de minister, mijn vragen zijn tegelijk dan ook een oproep. Wordt in het kankerplan, dat wordt voorbereid, daaraan voldoende aandacht besteed? Zo niet, hoe zou u dat dan toekomstgericht willen aanpakken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, het kankerplan, dat momenteel in volle ontwikkeling is, besteedt expliciet aandacht aan voeding als een essentieel onderdeel van kwalitatieve kankerzorg. De focus ligt daarbij niet louter op ondervoeding als afzonderlijk probleem, maar vooral op het belang van een geïntegreerde en multidisciplinaire aanpak van de fitheid van patiënten binnen het zorgtraject. Daarin heeft zowel de voedingsstatus als de fysieke conditie een belangrijke plaats.

In de voorbereidende fase van het kankerplan werd een uitgebreide literatuurstudie uitgevoerd, gevolgd door een reeks workshops met een breed spectrum aan stakeholders, waaronder zorgverleners uit verschillende disciplines, patiëntenorganisaties, onderzoekers, ziekenhuizen en experten in preventie en nazorg. Het thema voeding kwam daarbij duidelijk naar voren als een essentiële pijler in de kankerzorg.

Tijdens die workshops werd ook benadrukt dat voeding een cruciale rol speelt in alle fases van de zorgcyclus: voorafgaand aan de behandeling, tijdens de actieve behandeling, in de herstelfase, de revalidatie, de opvolging en uiteindelijk in de palliatieve fase. Het belang van een goede samenwerking tussen artsen, verpleegkundigen, diëtisten, psychologen en andere betrokken zorgverleners werd daarbij onderstreept, zodat voeding tijdig wordt meegenomen in het globale zorgplan. Ook voor kinderen en AYA’s werd gewezen op het belang van een holistische benadering, waarin medische, psychosociale en familiale aspecten samen worden bekeken.

Al die input wordt momenteel zorgvuldig verwerkt in het ontwerp van het nieuw kankerplan. Die inzichten nemen we mee in de verdere uitwerking ervan. De volgende stappen bestaan eruit om alle verzamelde gegevens, zowel uit de literatuur als uit de workshops, te bundelen en te vertalen naar een robuust, coherent en toekomstgericht plan voor de volledige oncologische zorgketen, waarin voeding een plaats heeft.

Tegelijk wil ik benadrukken dat voeding een thema is dat ruimer gaat dan de oncologische context alleen. Een doordachte, multidisciplinaire aanpak van voeding is van groot belang voor alle patiënten, ongeacht hun aandoening, en maakt deel uit van een bredere visie op een kwaliteitsvolle en geïntegreerde zorg.

Daarnaast sluit dat aan bij een bredere strategie rond gezondheidspromotie en levensstijl, waarin we samen met de deelstaten inzetten op preventie, gezondheidsvaardigheden en het creëren van een gezonde leefomgeving. Wat voeding betreft, kijken we dan ook bewust verder dan één specifieke ziekte of sector, met als doel elke patiënt in België zo goed mogelijk te ondersteunen binnen zijn of haar zorgtraject.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw uitgebreid antwoord en voor uw aandacht voor dat belangrijk issue.

Meldpunten in de zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frieda Gijbels bekritiseert dat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag door een gynaecoloog onvoldoende wisten waar en hoe ze melding konden maken, en vraagt om verplichte, zichtbare informatie over meldpunten (intern/extern) en wettelijke verankering hiervan in de patiëntenrechtenwet. Minister Frank Vandenbroucke erkent het systeemfalend (o.a. trage opvolging, gebrek aan doorstroom van meldingen) en wijst op lopende initiatieven: een digitaal oriëntatieportaal (2026-2030), professionalisering van het klachtenlandschap via een interfederale werkgroep, en betere samenwerking tussen instanties (Orde der Artsen, Toezichtcommissie). Hij noemt de paradox dat meldpunten (bv. IGVM) omwille van vertrouwelijkheid niets doorspelen, wat tot maatschappelijke onvrede leidt, en pleit voor transparantere communicatie zonder de privacy te schenden. Gijbels benadrukt dat laagdrempeligheid cruciaal is (bv. verplichte vermelding meldpunten bij tarieven in praktijken) en dat meldpunten patiënten actiever moeten begeleiden naar verdere stappen, zonder hun vertrouwen te breken. Beide spreken de noodzaak uit om het fragmentarische klachtenlandschap te vereenvoudigen en te versterken.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over het gekende dossier van de gynaecoloog die een tijd geleden omwille van grensoverschrijdend gedrag werd aangeklaagd. Het gaat mij meer bepaald om de vaststelling dat meerdere slachtoffers hebben aangegeven dat ze onvoldoende wisten op welke manier ze grensoverschrijdend gedrag konden melden. Daarover heb ik een aantal vragen, mijnheer de minister.

Welke rol ziet u voor de zorgverstrekkers zelf in het ondersteunen van patiënten die melding willen maken van de manier waarop ze in een zorgcontext zijn behandeld? Moet volgens u worden bekeken hoe ziekenhuizen, zorginstellingen en ambulante praktijken patiënten op een meer zichtbare en toegankelijke manier over mogelijke meldpunten kunnen informeren? Ik denk dan zelf aan zowel interne meldpunten als aan de Federale Toezichtcommissie en de Orde der artsen en aan het duidelijk afficheren van dergelijke meldpunten.

Acht u het nuttig om expliciet in de kwaliteitswet of de wet op de patiëntenrechten te verankeren dat patiënten goed geïnformeerd moeten zijn over waar ze klachten kunnen melden?

Zijn er plannen om de interne meldpunten beter te structureren of te versterken en de communicatie met de Federale Toezichtcommissie en de Orde te verbeteren, zodat meldingen ook sneller kunnen worden opgevolgd?

Frank Vandenbroucke:

Ik denk dat u straks nog een vraag over deze concrete casus hebt. De antwoorden op die vragen overlappen elkaar een beetje. De concrete casus heeft, ervan uitgaande dat de feiten in de pers juist zijn, vele mensen geschokt. Dat heeft ook bij mij veel verontwaardiging veroorzaakt. Ik heb mij ook de vraag gesteld hoe het komt dat het allemaal zo lang duurt, ook al waren de feiten bij een aantal mensen bekend en werden ze ook op verschillende manieren gemeld.

U vraagt wat de rol van de zorgverstrekkers daarin is. Dat is een goede vraag. Ik denk inderdaad dat de zorgverstrekkers een belangrijke rol kunnen en moeten spelen bij het begeleiden van patiënten die een klacht of een melding willen indienen. Het gaat vooral over het proactief informeren van patiënten over hun rechten en de bestaande procedures, het doorverwijzen naar de juiste kanalen – dat kan een interne ombudsdienst of een extern meldpunt zijn – en het waarborgen van vertrouwelijkheid en neutraliteit bij het verstrekken van informatie. Op die manier wordt het vertrouwen van patiënten versterkt en wordt ervoor gezorgd dat meldingen eerlijk en transparant behandeld worden.

Ik kom tot uw tweede vraag. Ik wil allereerst benadrukken dat het informeren van patiënten over hun rechten en de beschikbare meldpunten in de zorg fundamenteel is. De wet op de patiëntrechten waarborgt het klachtrecht en bepaalt dat de ombudspersoon de patiënt moet informeren over de mogelijke klachtenprocedures, vooral wanneer bemiddeling niet tot een bevredigend resultaat leidt. Daarnaast bestaan er meldpunten, voornamelijk op het niveau van de deelstaten, hoewel ook het Instituut voor Gelijkheid van Vrouwen en Mannen een meldfunctie heeft op het federale niveau. Mensen wenden zich tot die meldpunten, maar in de samenleving is het gevoel ontstaan dat het daar dan stopt..

Er lopen verschillende initiatieven. Zo is er een initiatief gericht op het professionaliseren en in kaart brengen van het gehele klachtenlandschap. Een werkgroep op het niveau van de administraties, opgericht door de IMC Volksgezondheid, werkt aan een overzicht van de bestaande meldpunten en doet voorstellen om het klachtrecht te hervormen en te professionaliseren. Dit moet leiden tot een samenhangendere, transparantere en efficiëntere aanpak van klachten in de zorgsector. De betrokkenheid van de IMC is noodzakelijk omdat dit interfederaal moet worden aangepakt.

Daarnaast is er het actieplan Handhaving 2026-2030, dat onlangs in de commissie voor Sociale Zaken besproken werd. In dat plan is onder andere voorzien dat een digitaal oriëntatieportaal ontwikkeld wordt, waardoor burgers rechtstreeks naar het juiste meldpunt of de bevoegde instantie geleid worden. Afhankelijk van de aard van de klacht of melding kan dit de ombudsdienst zijn, de Federale Toezichtscommissie, de Orde der Artsen of een andere bevoegde instantie. Het tot stand brengen van een dergelijk portaal zou een grote stap vooruit betekenen voor de toegankelijkheid en duidelijkheid voor de burgers. Het betreft een ambitieuze opdracht die opgenomen is in de mappen van het actieplan. Hoewel ik hier geen concrete tijdsplanning kan geven, denk ik dat dit een belangrijke vooruitgang zou zijn.

Ten derde is er uiteraard, om de mensen te informeren, de website van de FOD Volksgezondheid. Die is recent bijgewerkt om de opdrachten en de bevoegdheden van de Federale Toezichtcommissie zo duidelijk en toegankelijk mogelijk toe te lichten.

Dat zijn de lopende initiatieven. Ik wil daarbij nog een aantal zaken benadrukken. In de Toezichtcommissie zetelt een vertegenwoordiger van de patiënten, die actief bijdraagt aan de verspreiding van informatie binnen patiëntenorganisaties. Zowel de leden van de commissie als de ambtenaren van de cel zetten zich in om de opdrachten van de commissie bekend te maken op het terrein en om die informatie te laten doorstromen naar de betrokken actoren.

Sinds haar ontstaan legt de Toezichtcommissie actief contact met alle mogelijke instanties waarmee samenwerking relevant kan zijn. Ze werkt intensief samen met de inspectiediensten, met het RIZIV, FAGG en de FOD Economie, maar ook met de parketten. De Toezichtcommissie brengt haar rol onder de aandacht van andere instanties, zoals meldpunten en het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen. Het is daarbij belangrijk dat ook vanuit de andere beleidsniveaus en de instanties die zich daar situeren, kan worden gezorgd voor een passende omgang met meldingen, met respect voor de privacy van de klager en voor de rol van elkeen binnen het landschap.

Daar zit een zekere contradictie, of beter gezegd een paradox, omdat de filosofie van de meldpunten erin bestaat dat wanneer iemand daar een melding doet, die niet wordt doorgegeven. Dat mag niet. Dat geldt, naar mijn weten, zowel voor het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen als voor de meldpunten in Vlaanderen. Daar zijn redenen voor. Paradoxaal genoeg leidt dat echter ook tot onvrede, omdat men vaststelt dat er veel wordt gemeld, maar dat die informatie niet doorstroomt. Dat is iets waarover we moeten nadenken. Dat moet tegen het licht worden gehouden. Onze Toezichtcommissie heeft eind vorig jaar ook samengezeten met het Vlaamse meldpunt. Er zijn overlegmomenten gepland en ik denk dat over die paradox grondig moet worden nagedacht.

Enerzijds zijn er namelijk meldpunten die uitdrukkelijk stellen dat ze niets doorgeven, omdat de meldingen vertrouwelijk zijn en hun rol gericht is op empowerment. Anderzijds is er een publieke opinie die dat niet begrijpt wanneer er veel klachten zijn gemeld en men zich afvraagt waarom de Federale Toezichtcommissie daarvan geen kennis heeft.

Wat uw derde vraag betreft, moet de kwaliteitswet op dat vlak duidelijker worden. Voor zorginstellingen en zorgverleners bestaat er geen specifieke of uitdrukkelijke wettelijke verplichting om patiënten te informeren over de mogelijkheden om een klacht in te dienen. Ik heb daarnet in algemene zin toegelicht wat de wet daarover bepaalt. Maar ook als dat niet gepreciseerd is in specifieke uitdrukkelijke wettelijke verplichtingen, meen ik dat het een goede praktijk is dat de zorginstellingen en de ambulante praktijken actief en transparant communiceren over interne en externe meldpunten.

Als de creatie van een uniek digitaal portaal lukt, moet dit het mogelijk maken patiënten op een gerichte en een toegankelijke manier te informeren over de verschillende instanties waarbij ze een klacht kunnen indienen, afhankelijk van hun specifieke vraag of situatie. Dankzij dit platform, dat zal gebruikmaken van intelligente doorverwijzingen zouden patiënten eenvoudiger de weg kunnen vinden naar het juiste meldpunt of naar de juiste bevoegde instantie, afgestemd op hun verwachtingen en behoeften.

Wat betreft uw vierde vraag, we hebben over organisatorische kwesties al uitwisselingen gehad met de Orde der artsen, en we informeren de Orde nog dagelijks over de sancties die tegen artsen genomen worden. Dat zorgt voor een betere communicatie en voor een betere reactiviteit bij de opvolging van dossiers.

Het gebeurt ook dat de Orde ons op de hoogte brengt van bepaalde meldingen die ze ontvangen heeft en dat ze deze informatie doorstuurt, zodat de commissie een onderzoek kan uitvoeren. We streven er daarnaast op een structureel niveau naar acties te ondernemen die gericht zijn op een betere informatieverstrekking aan de verschillende actoren in het klachtenlandschap.

De werkgroep PIA binnen het Interadministratief Platform van onze administraties, is actief bezig met het in kaart brengen van het klachtenlandschap en werkt aan voorstellen om het klachtenrecht te hervormen en te professionaliseren. Dit gebeurt in nauwe samenwerking met de verschillende meldpunten, dus ook met de deelstaten, met de ombudsdiensten en met alle betrokken instanties.

Ik meen dat we zo kunnen komen tot een meer samenhangende, transparante en efficiënte aanpak van klachten. Dat is een belangrijke uitdaging voor ons beleid, vind ik.

La présidente : Monsieur le ministre, je vais devoir vous demander d'être plus concis, parce qu'avec six minutes de plus, nous arrivons à une réponse de huit minutes. C'est un peu compliqué.

Frieda Gijbels:

Ik denk wel degelijk dat het heel belangrijk is om mensen zeer laagdrempelig toe te staan een klacht neer te leggen. Wanneer een patiënt zich op een onjuiste manier behandeld voelt, levert dat sowieso al problemen op, omdat men normaal gezien gewend is om een zorgverstrekker te vertrouwen. Het gaat bovendien om een asymmetrische relatie met een zorgverstrekker. Men is als patiënt afhankelijk van een zorgverstrekker voor een diagnose en voor een behandeling, waardoor de drempel sowieso hoog is. Als dat klachtrecht dan laagdrempeliger wordt, denk ik dat dat een goede zaak is. In die zin is zo’n digitaal oriëntatieportaal aan de ene kant een heel goed initiatief, omdat alles daar samenkomt, maar mensen moeten ook opnieuw de weg vinden naar dat digitale oriëntatieportaal. In dat verband dacht ik zelf aan artsen en tandartsen. Zij moeten hun tarieven afficheren. Waarom zou daar dan niet ook een verwijzing kunnen bijstaan naar de verschillende klachteninstanties die er zijn, zodat het nog laagdrempeliger wordt? Wat de meldpunten betreft, zegt u - en dat begrijp ik - dat zij geen informatie mogen doorspelen naar andere instanties. Patiënten gaan daar in vertrouwen naartoe en moeten erop kunnen rekenen dat het contact vertrouwelijk blijft. Aan de andere kant denk ik wel dat het nodig is dat meldpunten patiënten informeren over mogelijke verdere stappen en hen daar eventueel ook in begeleiden. In die zin denk ik dat het toch zinvol is om verder te bekijken op welke manier dat kan worden gefaciliteerd. Ik kijk ernaar uit. Ik denk dat het inderdaad een belangrijke werf is om dat klachtenlandschap helderder te maken en verder te professionaliseren. Ik denk echt wel dat daar behoefte aan is.

De P-waarden bij tandartsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frieda Gijbels vraagt kritisch of de P-waarden voor tandartsen – gebruikt om afwijkende attesteringen te detecteren – nog wel passend zijn, gezien specialisatie (bv. kindertandheelkunde) tot valse fraudeverdenkingen leidt, en bepleit een herziening met oog voor zorgkwaliteit en regionale verschillen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat er geen directe wijziging komt, maar dat een generieke outlierdetectiemethode (2026-2030) in voorbereiding is, waarbij de sector betrokken wordt; hij benadrukt dat overschrijdingen zelden zonder fraude zijn, maar tandartsen wel recht op verweer hebben. De cijfers tonen een stijging van 39 (2016) naar 88 dossiers (2024), zonder regionale analyse of focus op specifieke nomenclatuurnummers. Gijbels onderstreept dat specialisatie en frauderisico’s beter moeten worden onderscheiden in toekomstige hervormingen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, P-waarden worden gebruikt om onder tandartsen outliers te detecteren, tandartsen die sterk bovengemiddeld attesteren. Regelmatig krijg ik meldingen van tandartsen die ondanks correcte attesteringen toch aan de P-waarden geraken. Ik denk daarbij aan tandartsen die vaak polycariës behandelen bij kinderen onder narcose en die dus vaak een groot aantal tandvullingen plaatsen per sessie, of aan tandartsen die zich op andere specifieke behandelingen hebben toegelegd, waardoor er een grote concentratie van bepaalde nomenclatuurnummers kan ontstaan.

Werd er ondertussen al een evaluatie gemaakt van de evolutie van de P-waarden? Moeten die P-waarden eventueel worden herbekeken, zodat ze ook rekening houden met de stijgende trend om meer te specialiseren? Is er een stijgende of een dalende tendens wat betreft het overschrijden van de P-waarden? Wat zijn de cijfers van de laatste vijf jaar met betrekking tot de overschrijding van de P-waarden? Valt daarin een regionale tendens waar te nemen? Gaat het steeds om fraude of gaat het over zorgverstrekkers die te goeder trouw handelen? Over welke nomenclatuurnummers gaat het vooral?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, de DGEC heeft al een analyse gemaakt van de controles die zijn uitgevoerd op basis van die drempelwaarden, maar voorlopig werd er binnen de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen geen beslissing genomen wat betreft een wijziging van de regelgeving.

Dentomut is van mening dat naar aanleiding van de hervorming van de nomenclatuur die wordt gelanceerd, moet worden bekeken of elementen die in dat kader worden geanalyseerd, zoals het aspect tijd, kunnen worden opgenomen. Verder is ook van belang dat in het kader van het actieplan handhaving 2026-2030 dit jaar een generieke methode met betrekking tot outlierdetectie zal worden voorgesteld aan het Verzekeringscomité van het RIZIV. Op basis van die methode kan dan voor verschillende groepen zorgverleners binnen het overlegmodel een drempel worden voorgesteld en wettelijk verankerd.

Het opstellen van die generieke methode kan ook voor de tandartsensector een opportuniteit betekenen om hun bestaande werkwijze onder de loep te nemen. In afwachting daarvan blijft de procedure van hun huidige drempelwaarden, waarover een akkoord binnen hun sector bestaat, wel van kracht.

Het aantal overschrijdingen fluctueert per jaar. In 2016 werden 39 dossiers opgestart. Daarna volgde een daling, met vervolgens geleidelijk opnieuw een stijging tot 2024, toen 88 dossiers met betrekking tot de P-waarden werden opgestart. Om te vermijden dat ik al die gegevens moet voorlezen, zal ik u de tabel op papier overhandigen.

De controle van de P-waarden is een nationaal project en wordt dus niet per regio onderzocht. Het gaat ook niet altijd om fraude. De P-waardedrempels liggen wel dermate hoog dat een overschrijding ervan en toch de nodige zorg voor kwaliteit onwaarschijnlijk lijkt. De tandartsen krijgen echter, zoals in andere sectoren waar drempelwaarden bestaan, wel de kans om de cijfers te bestuderen en argumenten of opmerkingen te geven, waarbij ze die overschrijding eventueel ook kunnen rechtvaardigen. Dat wordt dan meegenomen in het dossier.

U vroeg over welke nomenclatuurnummers het gaat. Er wordt geen verdere analyse gedaan naar specifieke nomenclatuurnummers die leiden tot een overschrijding van de P-waarden. Het is het geheel dat de drempel overschrijdt.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, als er een nomenclatuurhervorming gebeurt en een meer generieke methode wordt opgesteld om outliers te detecteren, is het inderdaad belangrijk om de zorgverstrekkers er voldoende bij te betrekken, zodat zij ook kunnen aangeven waar de risico’s het hoogst zijn en waar de kans het grootst is dat er effectief sprake is van fraude. Te hoge waarden wijzen immers niet altijd op fraude en het is goed dat er ruimte blijft om zich te verantwoorden. De toegenomen neiging tot specialisatie is daaraan volgens mij niet vreemd. Ik hoor dat dat immers wel regelmatig gebeurt bij tandartsen die zich toeleggen op bepaalde heel specifieke behandelingen. Ik kijk dan ook uit naar die verdere hervormingen.

Het nieuwe financieringssysteem voor thuisverpleegkundigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Jan Bertels benadrukt dat het huidige prestatiegerichte financieringssysteem in de thuisverpleging kwetsbaar is voor fraude en pleit voor een uurvergoedingsexperiment om de zorgkwaliteit en patiëntbehoeften centraal te stellen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat het experiment (start juni 2026, loopt tot eind 2028) gericht is op zorg op maat, zelfredzaamheid, werkdrukvermindering en jobtevredenheid, maar stelt dat een structureel nieuw model pas na evaluatie (via KCE-data) zal worden beslist. Bertels onderschrijft de patiëntgerichte en samenwerkingsgerichte doelstellingen, maar wijst op het belang van concrete resultaten uit de proef in zijn provincie. Een definitieve invoering van een nieuw systeem blijft onzeker en tijdsgebonden.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, zoals u weet, botst de huidige prestatiefinanciering soms op haar limieten. Dat beseffen de actoren van de thuisverpleegkundigenorganisaties zelf ook.

De recente onthullingen over fraude in de thuisverpleging hebben de kwetsbaarheden van ons huidige financieringssysteem duidelijk gemaakt. Het is dan ook een heel positief signaal dat u, naast het antifraudeplan waarover u een toelichting gaf in de commissie voor Sociale Zaken, samen met de actoren werk maakt van een structurele oplossing door middel van een experiment met betaling per uur. Dat lijkt mij een noodzakelijke stap om de focus terug te brengen naar waar die echt hoort te liggen, namelijk de kwaliteit van de zorg en de reële noden van de patiënten.

Wanneer is het experiment met de uurvergoeding precies van start gegaan? Hoeveel thuisverpleegkundigen nemen daaraan deel? Dit experiment duurt twee jaar. Wat zijn de concrete criteria waarmee u, de actoren en het RIZIV de effectiviteit zullen meten? Wordt er voornamelijk gekeken naar de impact op de kwaliteit van de zorg en op de tevredenheid van de patiënten en verpleegkundigen? Wat is het verdere tijdpad voor de analyse van de resultaten van dit experiment? Wanneer verwacht u een beslissing te kunnen nemen over de structurele invoering van een nieuw financieringssysteem, dat meer op tijd en forfait gebaseerd is?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Bertels, de oproep voor deelname aan het pilootproject heeft opengestaan van 17 november 2025 tot 16 januari 2026 en is dus pas heel recent afgesloten. Ik kan u dan ook nog geen cijfers geven over het aantal deelnemers dat uiteindelijk zal worden geselecteerd. Daarvoor is het nog net te vroeg.

In maart 2026 start een voorbereidingsfase van drie maanden waarin de geselecteerde praktijken de tijd krijgen om zich effectief voor te bereiden op de nieuwe manier van werken. De effectieve interventie zal begin juni 2026 starten en twee jaar lopen.

Het hoofddoel van de nieuwe financiering is het bevorderen van een nieuwe manier van werken, die beter is afgestemd op de echte zorgbehoefte van de patiënten en die ook de zelfredzaamheid van patiënten stimuleert. Dat moet zorgen voor minder werkdruk en een hogere jobtevredenheid bij de verpleegkundigen en de zorgkundigen en moet ook meer ruimte bieden voor samenwerking met andere zorgverleners.

Tijdens de pilootstudie verzamelt het KCE kwantitatieve en kwalitatieve gegevens op basis van een wetenschappelijk onderzoeksprotocol. De verpleegkundigen registreren hun zorgactiviteiten en nemen deel aan online bevragingen, interviews en focusgroepen. Ook patiënten worden bevraagd. Op basis van deze gegevens formuleert het KCE in een vervolgstudie aanbevelingen voor een toekomstgericht financieringsmodel. Dat is het plan.

Het alternatieve systeem dat wij zullen evalueren, is dus nog niet het definitieve nieuwe financieringssysteem voor de thuisverpleging. Wij willen inzichten verzamelen en leren wat werkt en wat niet. Na afloop van de pilootstudie, die voorzien is eind 2028, zal het KCE op basis van de verzamelde data, ervaringen en bevragingen de eindevaluatie uitvoeren. Op basis van die resultaten zal een toekomstig model verder worden ontwikkeld.

Ik kan op dit moment nog geen uitspraak doen over wanneer een nieuw systeem structureel zal worden ingevoerd.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, ik zal de realisatie van het experiment van nabij kunnen opvolgen, aangezien er in mijn provincie actoren aan deelnemen. Belangrijk zijn de doelstellingen waartoe het nieuwe financieringssysteem moet leiden, afgestemd op de zorgbehoeften van de patiënt als spil van de zorgverlening, op het vergroten van de zelfredzaamheid van de patiënt en op de jobtevredenheid van de thuisverpleegkundige, van de verpleegkundige zelf, in samenwerking met andere actoren. Dat is een credo dat we in onze zorgsector moeten huldigen. We moeten samenwerken om de zorg voor onze patiënten zo goed mogelijk te maken. Dat is wat dit nieuwe financieringssysteem ook zal moeten onderbouwen.

Illegale (spice)vapes

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Katleen Bury waarschuwt voor illegale vapes met ongeregelde, gevaarlijke stoffen (zoals synthetische cannabinoïden), die leiden tot ernstige ziekenhuisopnames (coma, orgaanfalen) en een exploderende zwarte markt (50%+ van alle verkopen). Ze bekritiseert dat distributiekanalen (barbershops, dekmantels) onvoldoende in kaart worden gebracht en eist gericht onderzoek naar losse drugtoevoegingen (vloeistofflesjes) in plaats van enkel kant-en-klare vapes. Frank Vandenbroucke bevestigt de alarmerende gezondheidsrisico’s (104 ziekenhuisopnames in 2024) en wijst op versterkte controles (140.000 inbeslagnames, extra budget, sluiting verkooppunten), samenwerking met politie/douane en Europese afstemming, maar erkent dat spicevapes zelden worden aangetroffen. Bury betwist zijn benadering, stelt dat het probleem dieper en breder is (ondergronds netwerk, dealers) en eist proactiever optreden, inclusief onderzoek naar alternatieve verkoopkanalen en drugcomponenten.

Katleen Bury:

Er zijn momenteel zeer alarmerende berichten over illegale vapes. Het gaat niet langer over wegwerpvapes, maar over vapes waarin vaak illegale en niet-gecontroleerde producten zitten. We zien dat spoeddiensten op bepaalde momenten overspoeld worden. Mensen komen binnen met heel rare symptomen, zoals aanvallen en coma, met kans op ernstige cardiovasculaire klachten en zelfs multiorgaanfalen.

Volgens recente berichtgeving en een onderzoek van de sectorfederatie Vlabel is de illegale markt intussen enorm. Naar schatting zou meer dan 50 % van alle verkochte vapes in ons land illegaal en niet gecontroleerd zijn. Vandaar mijn vraag of u meer informatie hebt over het aantal recente ziekenhuisopnames die gelinkt zijn aan deze vapes. Plant u op korte termijn nog bijkomende maatregelen?

Ontvangt u signalen over andere distributiekanalen? Ik krijg signalen dat het niet langer alleen gaat over nachtwinkels, waar u al veel controles uitvoert, die dergelijke producten onder de toonbank verkopen. Ik hoor ook geruchten over barbershops en andere dekmantelpunten. Hebt u daar zicht op of zult u dat in kaart brengen?

Frank Vandenbroucke:

Ik deel absoluut de bezorgdheid met betrekking tot de ernstige gezondheidsrisico’s van illegale vapes, in het bijzonder bij jongeren. De recente incidenten, waarbij jongeren in kritieke toestand op spoeddiensten belandden, onderstrepen de noodzaak van een kordate aanpak. Via de gezondheidsinspecteurs werd mijn inspectiedienst op de hoogte gebracht van deze incidenten met e-sigaretten. Indien het zou gaan om e-sigaretten die illegale drugs bevatten, met name synthetische cannabinoïden, worden die dossiers verder opgevolgd door het parket in samenwerking met de politie. Meer informatie daarover kan u vragen aan mijn collega, de minister van Binnenlandse Zaken.

Afhankelijk van welke component van de cannabisplant aanwezig is in de e-sigaret, zijn andere instanties bevoegd. Zo voert de FOD Volksgezondheid controles uit wanneer het gaat om e-sigaretten met CBD, zonder psychoactieve werking. De toevoeging van CBD is immers verboden op basis van het koninklijk besluit van 28 oktober 2016 over e-sigaretten.

Wanneer psychoactieve componenten worden gebruikt, zoals THC of HHC, zijn de politie en de douane bevoegd voor de opvolging van producten die deze stoffen bevatten. Zowel THC als HHC zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende de regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op basis van de code ICD-10-CM, U07.0, die staat voor een vapinggerelateerde stoornis en die van kracht is sinds 1 januari 2022, werden in ziekenhuizen de verblijven geregistreerd. In 2023 ging het om 56 verblijven: 6 keer als hoofddiagnose en 48 keer als nevendiagnose. In 2024 ging het om 104 verblijven: 7 keer als hoofddiagnose en 97 keer als een nevendiagnose. Deze code geeft geen informatie over de gebruikte stoffen, of die nu legaal of illegaal zijn.

Cannabisvapes worden slechts occasioneel door mijn inspectiediensten aangetroffen. Wanneer op basis van verpakking of analyse blijkt dat ze psychotrope stoffen bevatten, wordt de afhandeling aan parket, politie en douane overgelaten.

Naar aanleiding van de recente hospitalisaties werden ziekenhuizen geïnformeerd met wetenschappelijke en internationale informatie over dergelijke synthetische cannabinoïden. Het is belangrijk om jongeren te informeren. E-sigaretten gebruiken is überhaupt geen goed idee. Het gebruik van illegale e-sigaretten brengt nog veel meer ongekende risico's mee. Vaak zijn jonge mensen helemaal niet op de hoogte van de samenstelling van de e-sigaretten die ze kopen. Ze worden onbewust verslaafd aan nicotine en illegale drugs.

Ik heb de interfederale drugscoördinator de opdracht gegeven om een advies uit te werken om onze bestaande ketenaanpak te versterken en dit fenomeen nog beter aan te pakken, ook in overleg met mijn collega's. We moeten bovendien nog meer met andere landen samenwerken. Het is immers geen louter Belgisch probleem, maar een Europese en internationale uitdaging. Al meerdere keren heb ik deze problematiek op diverse niveaus aangekaart. Ik zal dat ook blijven doen.

In 2025 nam de bevoegde inspectiedienst van de FOD Volksgezondheid al meer dan 140.000 illegale e-sigaretten in beslag. De controle op illegale e-sigaretten blijft een prioriteit. Dat is ook de reden waarom we ondanks budgettair moeilijke tijden hebben gekozen om extra financiële middelen aan de inspectie toe te kennen, zodat bijkomende controleurs kunnen worden aangeworven en opgeleid om de controles op illegale producten en illegale verkoopkanalen te versterken. Een nauwe samenwerking met politie, douane en parketten om inbeslagnames en vervolging te verzekeren, blijft ook heel belangrijk

Eind vorig jaar werd ook een verstrenging van de wetgeving in het Parlement goedgekeurd, waarbij de inspectiedienst de bevoegdheid zal krijgen om verkooppunten van illegale e-sigaretten te sluiten. Bepaalde galerijen en dag- en nachtwinkels die bij de inspectie gekend zijn voor de verkoop van illegale e-sigaretten zullen blijvend worden opgevolgd.

Daarnaast gaat ook bijzondere aandacht naar de controle op onlineverkoop en sociale media. In samenwerking met DNS worden Belgische webshops die in strijd handelen met de regelgeving geïdentificeerd en offline gehaald. Er lopen ook vergevorderde gesprekken met het Centrum voor Cybersecurity België om de toegang van Belgische consumenten tot buitenlandse webshops te kunnen blokkeren. Er bestaan samenwerkingen met socialemediaplatformen om profielen die illegaal e-sigaretten verkopen offline te laten halen. Met bijstand van de politie kunnen ook huisvisitaties in privéwoningen worden uitgevoerd om illegale e-sigaretten in beslag te nemen.

Tegelijk volgen mijn diensten de evoluties in andere EU-lidstaten, waar bijvoorbeeld het verbod op wegwerp-e-sigaretten steeds meer ingang vindt. Daardoor kan beter grensoverschrijdend worden samengewerkt en kan de import van illegale producten vanuit omliggende landen beter gecontroleerd worden. De inspectiedienst ontwikkelde bovendien een netwerk van informatie-uitwisseling met de inspectiediensten van andere EU-lidstaten om buitenlandse verkopers te melden.

Meldingen bij de inspectie over alternatieve distributiekanalen worden opgevolgd en in kaart gebracht. Daarvoor is een gerichte samenwerking met justitie en politie nodig.

De interfederale strategie voor een rookvrije generatie bevat een maatregel om het aantal verkooppunten van tabaksproducten, met inbegrip van e-sigaretten, te beperken. We voeren die maatregel nu uit via een verbod op verkoop via automaten, in tijdelijke verkooppunten en in grote voedingswinkels. Rekening houdend met het recente arrest van het Grondwettelijk Hof bekijkt mijn beleidscel momenteel samen met mijn administratie hoe de beperking van de verkoop van tabaksproducten in winkels kan worden geherformuleerd.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dank voor uw volledig antwoord met de recentste cijfers. Er worden inderdaad enorm veel wegwerpvapes in beslag genomen, die men hardnekkig blijft invoeren ondanks het feit dat deze verboden zijn in België. Daarom is er nood aan afspraken tussen landen over dezelfde regelgeving. Die wegwerpvapes bevatten trouwens ook veel te veel nicotine. Mijn vragen waren toegespitst op die spicevapes met veel alarmerendere stoffen. U zei dat die eigenlijk amper werden aangetroffen. Dat lijkt mij logisch, aangezien het om vapes gaat waaraan achteraf iets wordt toegevoegd. Eigenlijk zou men op zoek moeten gaan naar kleine flesjes met producten waarin die drugs zitten. Het lijkt mij immers onwaarschijnlijk dat u een kant-en-klare spicevape zult vinden. Ik meen dat er ander onderzoek moet gebeuren op de producten bij dealers en in nachtwinkels, maar ook op de andere punten die ik heb aangehaald, om volledig los van de wegwerpvapes op zoek te gaan naar materiaal – drugs - dat eraan toegevoegd kan worden. Over de andere distributiekanalen vind ik uw antwoord wel pover. Ik zeg u dat. Wij krijgen die berichtgeving, het gaat over veel meer dan wat nachtwinkels. Er zijn heel veel andere dekmantels voor de verkoop. U zegt dat het opgevolgd wordt, maar dat het wel in kaart moet worden gebracht, en daarvoor is samenwerking met politie en justitie nodig. Dat weet ik, maar u zit aan de knoppen, samen met uw collega’s, bevoegd voor politie en Justitie. Als ik de vraag stel aan een andere minister, wordt mijn vraag altijd naar hier gekanaliseerd. Ga hiermee aan de slag. Laat verdere onderzoeken plaatsvinden. Er is mijns inziens ondergronds veel meer aan de hand dan blijkt uit de controles die nu in een deelsector plaatsvinden.

Praktijkdierenartsen

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dierenartsen bekritiseerden dat Belgische omzetting van EU-regels disproportionele administratieve lasten oplegde, ondanks een bestaand werkend systeem, en verlieten eerder een overleg uit onvrede. Volgens minister Vandenbroucke werden na constructief overleg met Clarinval concrete afspraken gemaakt: uitstel van VAMREG-registratie met 6 maanden, onderzoek naar vrijstelling voor kleine praktijken, automatische datatransfers via softwarekoppeling (triloog FAGG-dierenartsen-softwarehuizen), een taskforce voor lastenverlichting en structureel overleg. Bury reageert afwachtend: ze zal de uitkomst evalueren met de sector, maar waardeert dat er nu geluisterd wordt. Het dossier blijft onder druk, met uitgestelde parlementaire vragen over gelijkaardige thema’s.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, deze vraag heb ik ingediend ter attentie van minister Clarinval en aan van u. Sinds de indiening van mijn vraag heeft een belangrijk overleg plaatsgevonden. Eerder hadden de dierenartsen uit onvrede een federale vergadering verlaten. Ik hoef u het dossier niet uit te leggen, maar de dierenartsen deden dat omdat zij bij de omzetting van Europese regelgeving disproportioneel administratieve lasten in onze nek kregen geworpen die helemaal niet door Europa worden gevraagd. Zij opperden dat ze al werk genoeg hebben in hun praktijken. Ze willen zich niet ook nog eens bezighouden met de input van allerhande werkgegevens in een ander systeem, aangezien er al een goed werkend veeartsensysteem bestaat.

Op vrijdag 12 december, als ik me niet vergis, hebt u vervolgens al de dierenartsenorganisaties ontvangen, samen met minister Clarinval. Na het overleg hadden de dierenartsenorganisaties de indruk dat er eindelijk ernstig naar hen werd geluisterd en dat er bereidheid bestond tot bijsturing en ondersteuning. Dat is op zich al goed nieuws.

Ik heb daar wel nog een aantal vragen over. Ik zal niet alle vragen opsommen zoals ze in mijn ingediende tekst staan, maar ik wil u wel laten antwoorden op de vragen wat met de veeartsen precies is beslist en wat zij kunnen verwachten.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, op 12 december hebben mijn collega David Clarinval en ik inderdaad de dierenartsen op mijn kabinet ontvangen. Dat was een positief en constructief overleg. We hebben de dierenartsen in de eerste plaats uitdrukkelijk bedankt voor de belangrijke rol die zij tot nu toe hebben gespeeld in de strijd tegen de antibioticaresistentie.

Tijdens het overleg zijn de hiernavolgende afspraken gemaakt.

Ten eerste, de registratie van het gebruik van antibiotica door depothoudende dierenartsen en door apothekers-titularissen voor paarden en aquacultuur via de applicatie VAMREG wordt met zes maanden uitgesteld.

Ten tweede, we zullen onderzoeken of we een vrijstelling van registratieplicht kunnen geven aan depothoudende dierenartsen met een lage jaaromzet. Het komt de dierenartsen toe om een becijferde analyse voor te leggen, zodat het FAGG kan nagaan of een dergelijke vrijstelling mogelijk is.

Ten derde, binnen het FAGG zal een triloog tussen het FAGG, de dierenartsen en de grootste softwarehuizen in Vlaanderen en Wallonië worden georganiseerd met als doel de operationaliteit van de volautomatische datatransfer via machine-to-machine vanuit de software van de dierenartsen naar VAMREG te faciliteren.

Ten vierde, parallel daaraan zal in 2026 een maandelijks overlegplatform tussen het FAGG en de softwarehuizen worden opgezet, met als doel om onder meer autolabeling mogelijk te maken. Dat moet de softwarehuizen toelaten om bij elke wijziging in hun softwarepakket te testen of de machine-to-machine datatransfer naar VAMREG operationeel blijft.

Ten vijfde en ten slotte, er wordt een taskforce opgericht onder de coördinatie van de kabinetten Volksgezondheid en Landbouw en voorgezeten door de FOD Volksgezondheid met vertegenwoordigers van de dierenartsenorganisaties, de gewestelijke raden van de Orde der Dierenartsen, het FAVV, het FAGG en de FOD Volksgezondheid.

Die taskforce zal onderbouwde voorstellen van de dierenartsen inzake administratieve lastenverlaging behandelen. Aan de dierenartsen werd gevraagd om een voorstel uit te werken tot uitbreiding van de scope, mocht dat nodig geacht worden. Er zal binnen de taskforce ook worden bekeken hoe die op termijn kan evalueren tot een vaste overlegstructuur.

Verder blijft de FOD Volksgezondheid werken aan een herziening van het diergeneeskundig beroep om dat beroep te wapenen tegen de huidige en toekomstige uitdagingen, zoals het aanbod van zorg en de plattelandsdekking.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik zal dat terugkoppelen naar de dierenartsen en anderen die ik ken, en dan evalueren we of we daarmee tevreden zijn. U zegt dat die registratie met zes maanden wordt uitgesteld. We zullen zien wat er daar dan allemaal concreet van wordt. Ik dank u alleszins om de dierenartsen te hebben uitgenodigd en naar hun bezorgdheden te hebben geluisterd. La présidente : Les questions jointes n° 56011763C de Mme Irina De Knop et n° 56012058C de Mme Nathalie Muylle sont reportées. Les questions n° 56011764C et n° 56011778C de Mme Irina De Knop sont reportées. Les questions n° 56011782C, n° 56011783C et n° 56011784C de Mme Frieda Gijbels sont également reportées.

De erkenning van artsen in het licht van een betere gehandicaptenzorg

Gesteld door

lijst: MR Julie Taton

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Julie Taton vraagt of het SPF Volksgezondheid tekortkomingen ziet in de federale agrémentvoorwaarden voor artsen m.b.t. de opvang van personen met een handicap en of verplichte competenties hierrond in de AR van 2014 zullen worden opgenomen. Frank Vandenbroucke bevestigt dat specifieke kennis noodzakelijk is, maar wijst op bestaande regels (bv. patiëntenrechtenwet en communicatietraining), zonder concrete aanpassingen aan te kondigen; hij verwijst naar het op te stellen federaal Handicapactieplan (onder leiding van minister Beenders) waar Unia en CSNPH bij betrokken worden. Taton prijsde zijn antwoord als "helder en bemoedigend".

Julie Taton:

Monsieur le ministre, de nombreux rapports indiquent que les personnes en situation de handicap rencontrent encore des obstacles dans l'accès aux soins, notamment en raison d'une prise en charge médicale insuffisamment adaptée à leurs besoins spécifiques.

Le cadre fédéral qui régit l'agrément des médecins et les exigences de formation clinique constitue un levier essentiel pour améliorer cette situation.

Mes questions seront exclusivement centrées sur les compétences fédérales.

Le SPF Santé publique a-t-il identifié, dans le cadre de ses compétences, les lacunes actuelles liées à la prise en charge du handicap dans les conditions fédérales d'agrément des médecins généralistes et spécialistes?

Envisagez-vous de modifier les arrêtés royaux relatifs à l'agrément des médecins et à la formation professionnelle, notamment l'arrêté royal du 23 avril 2014, afin d'y intégrer explicitement des compétences obligatoires en matière de prise en charge des personnes en situation de handicap?

Quel calendrier le gouvernement fédéral envisage-t-il pour examiner, le cas échéant, ces adaptations au cadre fédéral de l'agrément et de la formation continue de ces médecins?

Frank Vandenbroucke:

Madame Taton, l'importance pour les professionnels de la santé de disposer de compétences spécifiques dans l'accompagnement des personnes en situation de handicap est de plus en plus reconnue.

Pour ces personnes, l'accès à des soins de qualité doit être garanti en toutes circonstances, de manière non discriminatoire. Leurs capacités ainsi que leurs difficultés doivent être dûment prises en considération.

Une meilleure connaissance théorique et pratique d'une approche interdisciplinaire et collaborative avec les personnes en situation de handicap constitue des compétences particulièrement utiles. Certaines disciplines médicales disposent, de manière évidente, d'une expertise spécifique et approfondie, notamment la médecine physique, et la formation en tient compte. Toutefois, un enseignement destiné à l'ensemble des médecins, tant au cours de leurs études que dans le cadre de la formation professionnelle et de leur formation continue, apparaît souhaitable.

À l'heure actuelle, la loi relative aux droits du patient comporte déjà plusieurs dispositions imposant une approche adaptée au patient et à sa situation. L'arrêté ministériel du 23 avril 2014 prévoit certaines formations obligatoires pour toutes les spécialités médicales, notamment en matière de communication avec les patients. L'arrêté ministériel du 1 er mars 2010 fixe les critères de formation en médecine générale et impose une attention particulière à certaines catégories de patients.

Par ailleurs, un plan d'action fédéral Handicap est en cours d'élaboration sous la coordination de mon collègue, le ministre Beenders. Dans ce cadre, il est examiné de quelle manière la formation des professionnels de la santé relative aux droits des personnes en situation de handicap peut être renforcée. À cette fin, la contribution des différents acteurs de terrain sera également sollicitée dont Unia, le Conseil Supérieur National des Personnes Handicapées (CSNPH) et les organisations de la société civile. Je m'engage à soutenir activement la mise en œuvre de ce plan fédéral.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, je vous remercie. C'était clair, précis et cela fait plaisir à entendre.

Gynaecologisch en obstetrisch geweld en seksueel en seksistisch geweld in de zorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Caroline Désir bekritiseert het ontbreken van structurele oplossingen voor gynécologische en obstetrische geweldpleging (VGO) in België, waaronder gebrekkige meldmechanismen en onvoldoende ondersteuning voor kwetsbare groepen (bv. raciale minderheden, transpersonen). Volgens haar zijn centrale meldpunten, sancties en preventiecampagnes dringend nodig. Minister Frank Vandenbroucke wijst op lopende initiatieven, zoals een interfederaal werkgroep (onder IEFH) dat definities en prioritaire maatregelen voor VGO uitwerkt, en bestaande meldkanalen (bv. patiëntenbemiddeling, Orde der Artsen, CPVS). Hij benadrukt gratis trainingen (via Operation Alerte) voor zorgverleners over consent en trauma, maar erkent gebrek aan cijfers en concrete sensibiliseringscampagnes. Désir noemt de plannen "hoopvol maar ontoereikend" en dringt aan op versnelling, met name voor data-verzameling en tangibele actie, nu het probleem breed bekend is. Vandenbroucke belooft verdere stappen na ontvangst van de werkgroepaanbevelingen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, les récentes révélations en Flandre concernant des violences gynécologiques et obstétricales (VGO) ont mis en lumière des violences graves, mais aussi des failles structurelles dans notre système de santé. Plus de 250 plaintes ont été déposées, révélant l'absence de mécanismes institutionnels adaptés pour détecter, sanctionner et prévenir ces violences.

Aujourd'hui, aucune structure ne permet en effet de signaler de manière sûre, centralisée et réellement efficace les violences basées sur le genre – y compris celles qui surviennent en contexte de soins. Les victimes de violences gynécologiques et obstétricales et de violences sexistes et sexuelles (VSS) se heurtent à de nombreux obstacles pour signaler les faits: sidération, dissociation, peur de ne pas être crues, crainte de revivre des situations traumatisantes ou de subir des représailles.

Ces difficultés sont encore plus grandes pour les personnes racisées, trans, en situation de handicap ou ne parlant pas le français. On ne peut pas se contenter de leur demander de porter plainte tant que le reste ne suit pas. Elles doivent pouvoir être entendues et accompagnées et doivent savoir que leur démarche pourra conduire à de réelles améliorations: sanctions proportionnées, soutien effectif et intégration des bonnes pratiques dans la formation et sur le terrain.

Monsieur le ministre, disposez-vous de chiffres concernant les VGO et les VSS dans notre pays? À qui les victimes doivent-elles s'adresser aujourd'hui pour dénoncer ce types de violences? Quelles suites peuvent-elles être données à ces dénonciations? Quel accompagnement est-il prévu pour les victimes?

La mise en place d'un point d'accès unique, indépendant et clairement identifié, où toutes les victimes de VGO et de VSS en santé puissent être accueillies sans crainte, informées, accompagnées et orientées selon leurs besoins spécifiques, est-elle envisagée? Des campagnes de sensibilisation et d'information sont-elles prévues?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, le sujet des violences gynécologiques et obstétricales est préoccupant. Heureusement, nous agissons dans ce domaine depuis quelques années. En effet, le plan d’action national 2021-2025 prévoyait déjà la constitution d’un groupe interfédéral chargé d’étudier le suivi des recommandations des professionnels en matière de VGO.

Ce groupe de travail a été supervisé par l’Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH). Il était composé de représentants des départements de la Santé et de l’ é galité des chances du fédéral et des entités fédérées, des associations professionnelles, des représentants des associations de patients et de la société civile, ainsi que d’experts en santé mentale en lien avec les soins gynécologiques et obstétricaux.

Les recommandations élaborées dans le cadre de ce groupe s’appuient également sur le rapport d’information du Sénat, paru le 2 février 2024, sur le droit à l’autodétermination corporelle et la lutte contre les violences obstétricales. Par ailleurs, ces recommandations tiennent compte des publications et recommandations internationales parues sur le sujet, notamment celles de l’Organisation mondiale de la Santé (OMS), du Conseil de l’Europe et des Nations Unies.

Le groupe de travail s’est réuni afin d’élaborer une définition commune des VGO, ainsi que de déterminer les mesures prioritaires pour les prévenir. Ce document est finalisé et nous sera soumis sous peu.

À l’heure actuelle, nous ne disposons malheureusement pas de chiffres sur le nombre de femmes ayant été victimes de VGO. Des pistes pour une collecte des données seront certainement proposées par le groupe de travail interfédéral.

Concernant les femmes ayant subi des violences sexistes et sexuelles, nous disposons des chiffres enregistrés par les Centre de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), mais ils ne sont pas spécifiques aux VSS dans le cadre des soins de santé.

En ce qui concerne les recours en cas de VGO ou de VSS, les victimes peuvent s’adresser aux services de médiation des patients, soit dans les hôpitaux, soit directement au service de médiation des patients du SPF Santé publique. Une plainte contre un médecin peut également être introduite directement auprès de l’Ordre des médecins et de la Commission fédérale de contrôle. Dans un CPVS, il est possible de porter plainte auprès de la police, qui tient une permanence sur place ou se déplace à sa demande. En cas de violences sexistes, il est également possible d’introduire une plainte ou un signalement via Unia.

Afin de prévenir les violences, de mieux les identifier et de mieux les prendre en charge, il est important de former le personnel soignant. À cette fin, j’ai financé un vaste programme d’outils et d’e-learning dans le cadre du projet Opération Alerte. Tous ces outils et l’e-learning sont gratuits et peuvent être consultés sur le site "www.operationalerte.be". Les thématiques abordées portent notamment sur la communication respectueuse, le consentement, le droit des patients et la santé sexuelle, les soins sensibles à la diversité, à l’interculturalité, aux personnes présentant un handicap, aux traumas, etc.

Dans l’immédiat, j’attends de recevoir le document rédigé par le groupe de travail interfédéral afin de discuter avec les entités fédérées des actions à mettre en place dans le cadre de cette problématique. Actuellement, aucune campagne de sensibilisation ou d’information n’a encore été envisagée.

Caroline Désir:

Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour votre réponse. J’entends des éléments rassurants, car il y a des perspectives. Nous attendrons donc les recommandations de ce groupe de travail afin de pouvoir aller plus loin. Comme vous le soulignez, à juste titre, cela fait déjà plusieurs années que la question des violences gynécologiques et obstétricales et gynécologiques est sur la table. Il est temps d’avancer, de pouvoir mesurer ce qui se passe et de disposer de chiffres. Vous nous avez donné quelques pistes, notamment pour permettre aux patientes victimes de porter plainte. Vous menez des actions en matière de prévention des violences et cela va dans le bon sens. Il est toutefois nécessaire d’enclencher la deuxième vitesse, car il s’agit aujourd’hui d’un phénomène suffisamment relayé pour que nous nous en préoccupions concrètement.

De forensisch-psychiatrische zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kathleen Depoorter wijst op het kritieke gat in nazorg voor forensisch-psychiatrische patiënten na zes maanden begeleiding door mobiele teams, waardoor zij op reguliere GGZ-wachtlijsten belanden en risico lopen op herval, en pleit voor een automatische koppeling met reguliere crisisteams om continuïteit te garanderen. Minister Vandenbroucke benadrukt dat 2b-teams (langdurige zorg) al patiënten met interneringsverleden opnemen indien hun zorgnoden dat vereisen, maar erkent dat de overgang naar reguliere zorg problematisch blijft. Depoorter bekritiseert dat patiënten in de praktijk "plots losgelaten" worden en dringt aan op een structurele back-up om herval te voorkomen, terwijl Vandenbroucke belooft de mobiele teams te versterken—zonder zich direct uit te spreken over een automatische doorverwijzing, maar neemt het voorstel in overweging.

Kathleen Depoorter:

In de forensisch-psychiatrische zorg doorlopen patiënten verschillende fases op weg naar therapie en uiteindelijk zelfstandig wonen. In de eindfase van het traject kunnen zij nog tot zes maanden na hun invrijheidstelling begeleid worden door het forensisch mobiel team. Zeker in crisissituaties is dat heel erg belangrijk. Zij zijn echt een houvast voor deze bijzonder kwetsbare doelgroep.

Na deze periode van zes maanden vallen de patiënten terug op de reguliere wachtlijsten van de reguliere mobiele GGZ-teams. Dat geeft een iets hoger risico op herval en brengt toch wel bezorgdheden met zich mee. Ik weet dat er heel wat wachtlijsten zijn, zeker wat die mobiele teams betreft, ook voor de forensische mobiele teams.

Is er een mogelijkheid om te werken naar een automatische koppeling tussen de forensische mobiele teams en de reguliere mobiele crisisteams, zodat er na afloop van de structurele en goed aanwezige hulp van de forensische mobiele teams een beroep kan worden gedaan op de GGZ-mobiele teams? Dank u.

Frank Vandenbroucke:

Er is heel veel te zeggen over het probleem van de forensisch-psychiatrische zorg en de bijkomende inspanningen die we moeten doen. We willen die ook doen, maar uit tijdsoverwegingen wil ik mijn antwoord concentreren op de zeer precieze vraag.

Een mobiel team langdurige zorg, een zogenaamd 2b-team, richt zich op volwassenen met een ernstige en langdurige psychische kwetsbaarheid, vaak in combinatie met complexe zorgnoden in meerdere levensdomeinen: psychiatrisch, sociaal, wonen, dagbesteding en de nood aan een informeel netwerk. Het gaat om cliënten die nood hebben aan langdurige en rehabilitatiegerichte ondersteuning in de eigen leefomgeving, met als doel stabilisatie, herstel en maatschappelijke participatie.

De 2B-teams ondersteunen vandaag reeds cliënten met een interneringsstatuut of na afloop van het interneringsstatuut, op voorwaarde dat een begeleiding vanuit een regulier 2b-team geïndiceerd is voor de zorgnoden en hulpvragen van de persoon. Het interneringsstatuut is op zich geen exclusie- noch inclusiecriterium. Doorslaggevend is of de cliënt na afloop van de forensische begeleiding nood heeft aan vervolgzorg vanuit een 2b-team.

Kathleen Depoorter:

Ik snap het wel, mijnheer de minister. Bij de theoretische begeleiding van het 2b-team zegt men: de patiënt of de cliënt is nu vrij van noden. Wat zien we echter in de feiten? Dat zal u ook wel al gemeld zijn, mensen worden plots helemaal losgelaten. Bij een crisis, een neiging tot crisis of een neiging tot herval kan men dan nergens meer terecht en dat geeft onzekerheid. Ik ben het met u eens dat er in de forensische psychiatrie heel veel werk is. We hebben ook nood aan long-term stays . Dat weet u ook. Het loslaten van mensen die kwetsbaar zijn en noden hebben, is een probleem in deze samenleving. We moeten daar voor een back-up kunnen zorgen.

Ik pleit hier voor het overschakelen van een 2b-team naar gewone, goede, reguliere zorg via een mobiel team, voor de continuïteit van zorg op momenten waarop het moeilijk is, zodat men een houvast heeft. U weet immers ook dat herval tien keer erger is. Dan begint de cirkel weer helemaal van vooraf aan. Het voorkomen van herval is hier essentieel.

Frank Vandenbroucke:

Dit is waarschijnlijk geen perfect antwoord, maar het is wel de bedoeling om nog meer te doen, onder meer via de versterking van de mobiele teamwerking, om geïnterneerden beter te begeleiden in de samenleving. Dat ligt op tafel in de gesprekken die wij hebben over de overbevolking. Ik ben aan het nadenken over de relatie met uw vraag. Ik denk dat die capaciteit inderdaad moet worden versterkt. Ik denk dat dit fundamenteel is. Dat willen we doen. Over de automatische koppeling moet ik nadenken. Ik weet niet of dat een goede oplossing is, maar ik neem het mee.

De begeleiding door verenigingen van drugsgebruikers in de gevangenis

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet bekritiseert de chronische financiële onzekerheid rond SPF-gesubsidieerde drugsbegeleidingsprojecten in gevangenissen, waar wisselende budgetperiodes (4-11-7 maanden) volgens hem leiden tot dreigende ontslagen en ondermijning van de kwaliteit, ondanks regeringstoezeggingen voor versterking. Minister Vandenbroucke bevestigt de prioriteit van het project (vastgelegd in het regeerakkoord) en verklaart dat de gefaseerde subsidies (11 maanden ipv 12) een gevolg zijn van budgettaire beperkingen en loonindexatie, maar garandeert ononderbroken financiering via meerdere scenario’s om de kernactiviteiten te behouden. Beide benadrukken unaniem het essentiële werk van de betrokken medewerkers, terwijl De Smet tevrede is met de ministeriële toezeggingen om onderbrekingen te voorkomen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je me permets de revenir sur ce dossier en commission car ma question n° 56005248C, qui avait été transformée en question écrite, a été publiée dans les documents parlementaires, mais sans réponse.

J’avais en effet été interpellé par une association qui est notamment financée par le SPF Santé publique pour développer un projet d’accompagnement des personnes usagères de drogues en prison sur la base d’un financement du SPF Santé publique.

Ce financement repose sur un arrêté royal renouvelé chaque année – autour de l’été – pour les projets "Drogues et détention" et "Drugs.Lab". Or, ces projets sont précarisés car il a été demandé à l’association de faire des propositions d’activités et de budget sur 4 mois, puis sur 11 mois, puis à nouveau sur 4 mois et de se projeter sur une nouvelle période de 7 mois en fin d’année 2025 – à partir du 1 er novembre et du 1 er décembre –, alors qu’habituellement ces propositions se font sur 12 mois.

Ainsi , il existe une grande incertitude sur la période de 7 mois qui doit suivre puisqu’elle est tributaire du budget, la période qui est censée être couverte pour l’année à venir couvre seulement 11 mois de projet et non 12. Cette incertitude n’est pas sans conséquences puisqu’elle fragilise la situation du personnel affecté à ces projets , dont l’efficacité et la qualité de suivi sont indubitables, personnel dont l’association est l’employeur et qui pourrait être contrainte de notifier des licenciements. Il me paraît que le gouvernement a affiché sa volonté de renforcer les programmes d’aide aux personnes usagères de drogues en détention.

En conséquence, monsieur le ministre, pouvez-vous me faire savoir si vous avez été alerté par vos services de cette situation rencontrée par les associations qui dispensent un programme d’aide aux personnes toxicomanes en prison? Dans l’affirmative, pouvez-vous confirmer que ces projets pourront être pérennisés dans les temps impartis afin de ne pas impacter le personnel des associations porteuses desdits projets?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur De Smet, le projet-pilote auquel vous vous référez revêt une importance toute particulière à mes yeux. À ce titre, il est expressément inscrit dans l'accord de gouvernement. Je suis pleinement conscient des difficultés de financement auxquelles se heurtent les asbl qui portent ce projet avec engagement et professionnalisme. Le SPF Santé publique m'a confirmé que toutes les démarches nécessaires étaient entreprises afin de permettre à ces asbl de poursuivre leurs missions.

Comme vous le savez, les administrations fédérales sont soumises à un cadre budgétaire strict, imposant une gestion prudente et rigoureuse des ressources disponibles. Cette contrainte a conduit à la rédaction de plusieurs arrêtés royaux de financement dans le but explicite d'éviter toute interruption dans les subsides octroyés. Le SPF Santé publique est tenu de suivre toutes les procédures administratives et ne peut y déroger. Par mesure de précaution, l'administration a élaboré plusieurs scénarios de financement, invitant les asbl concernées à soumettre trois plannings budgétaires distincts, tout en veillant scrupuleusement à ne pas altérer les objectifs fondamentaux du projet-pilote. Ce dernier est actuellement financé sur la base de subsides annuels tels qu'inscrits au budget de l' É tat.

Afin de garantir l'indexation des salaires et compte tenu des enveloppes budgétaires allouées, il n'a pas été possible de prolonger le projet sur une période de 12 mois, comme cela avait été le cas les années précédentes. Le financement a donc été réparti sur une période de 11 mois, en concertation directe avec les asbl , de manière à leur assurer les moyens nécessaires à la couverture de l'ensemble de leurs dépenses.

Je tiens à exprimer ma profonde reconnaissance à tous les acteurs de terrain qui, dans les établissements pénitentiaires concernés, accomplissent un travail remarquable. Je souhaite les assurer de ma volonté politique de maintenir ces projets.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Nous partageons, je crois, ce sentiment d'urgence et d'importance de ce projet que je trouve, moi aussi, essentiel. Je vous remercie d'avoir pris les dispositions pour que les mesures de financement puissent continuer sans interruption et je me joins à vos propos sur le soutien au personnel qui fait, chaque jour, dans ce milieu difficile, un travail remarquable. La présidente : La question n° 56011798C de Mme Irina De Knop. J’en arrive aux points suivants. M. Jeroen Van Lysebettens et Mme Natalie Eggermont sont absents.

De zorgwekkende toename van het aantal psychosociale problemen bij 18- tot 34-jarigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet wijst op een explosieve stijging (136% burn-out, 36% depressie bij 18-34-jarigen tussen 2018-2024) van psychosociale arbeidsongeschiktheid bij jongeren, volgens een rapport van de Mutualités Libres, en bekritiseert de "strafgerichte" herintredingswet van december 2023 als contraproductief. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt een integrale aanpak met vroegtijdige psychologische interventies (o.a. EPCAP-studie, TRIO-platform), preventieprogramma’s (Fedris) en intensieve begeleiding (IPS-model), plus financiële prikkels voor werkgevers, maar benadrukt dat samenwerking tussen zorgactoren, werkgevers en jongeren zelf cruciaal is. De Smet onderstreept de urgentie en juicht de gouvernementele inzet toe, maar signaleert dat het probleem een "echte plaag" vormt voor arbeidsmarkt, overheidsfinanciën en welzijn.

François De Smet:

Un récent rapport des Mutualités Libres intitulé «Les jeunes face à l’incapacité de travail: Le rôle clé de la santé mentale» a mis en évidence l'explosion des problèmes psychosociaux chez les jeunes travailleurs et identifie les multiples facteurs de risque qui menacent leur insertion professionnelle durable.

L'étude met un focus particulier sur l'évolution de l'incapacité de travail (IT) primaire (moins d'un an) et l'invalidité (plus d'un an) des membres des Mutualités Libres entre 2018 et 2024, en ciblant particulièrement la tranche d'âge des 18-34 ans.

Pour ce qui a trait à cette explosion des troubles psychosociaux,quel que soit l'âge, les principales causes d'entrée en incapacité de travail sont les troubles psychosociaux (troubles mentaux et du comportement, et burn-out) et les affections musculosquelettiques.

A cet égard, le rythme de croissance de l'incapacité de travail due à des troubles psychosociaux est nettement plus rapide chez les 18-34 ans que chez les plus de 34 ans (le nombre d’entrées en incapacité pour burn-out a ainsi augmenté de 136 % chez les jeunes (18-34 ans) entre 2018 et 2024, contre 78 % chez les plus de 34 ans et la dépression a par ailleurs progressé de 36 % dans ce groupe d'âge, soit six fois plus vite que chez les plus âgés)

Cette forte proportion de jeunes en incapacité de longue durée pour motifs psychosociaux et à la nécessité de prendre en charge ces affections de manière différenciée vient clairement contrecarrer la vision punitive consacrée dans la loi exécutant une politique renforcée de retour au travail en cas d'incapacité de travail votée le 18 décembre dernier.

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

si il a pris connaissance de cette étude?

si il entend formaliser des «trajets de soins» dédiés aux troubles psychosociaux (burn-out, dépression), incluant un coordinateur de soins et un rendez-vous systématique avec le médecin du travail dès les premières semaines d'absence, comme recommandé par les Mutualités Libres, afin d'accélérer la réintégration durable de ce groupe ciblé par la réforme des maladies de longue durée (MLD)?

Frank Vandenbroucke:

Les jeunes reconnus en incapacité de travail méritent le meilleur accompagnement et les meilleurs soins possibles. Dans la mesure du possible, ils doivent pouvoir bénéficier de toutes les chances de reprendre le travail. Cela nécessite un effort conjoint des médecins, des mutualités, des employeurs, des prestataires de services et des jeunes eux-mêmes. En cas de problème psychique, les psychologues, les cliniciens et les psychiatres jouent également un rôle crucial.

L'évolution de l'incapacité de travail constitue désormais un défi majeur de santé publique. Elle requiert une approche globale et intégrée, fondée sur des actions collectives et sur la collaboration, afin de promouvoir, protéger et restaurer la santé des jeunes.

L'accord du gouvernement 2025-2029 s'inscrit pleinement dans cette vision et exprime la volonté de mettre en œuvre un plan global de prévention et de retour au travail. Ce plan doit permettre d'agir de manière préventive avant l'apparition de la maladie, mais aussi d'éviter que les personnes présentant des problèmes de santé ne soient durablement absentes du travail. Il vise également à faciliter une reprise rapide du travail, le cas échéant partielle, et à soutenir les personnes gravement malades dans leur trajet de retour au travail. Dans ce cadre, les jeunes peuvent, par exemple, entamer une activité autorisée pendant une période d'incapacité de travail.

Parmi les mesures envisagées, en ce qui concerne la quatrième vague, je prévois également un renforcement de la prime de reprise du travail afin d'encourager davantage les employeurs à aider les personnes reconnues en incapacité de travail à reprendre une activité professionnelle. Cette future mesure incitera certainement les employeurs à offrir aussi des opportunités aux jeunes ayant des antécédents d'incapacité de travail. Les employeurs qui permettront à ces jeunes d'intégrer le travail pendant au moins trois mois via une activité autorisée bénéficieront ainsi d'un soutien supplémentaire.

Dès le début de l'incapacité de travail, des actions rapides sont mises en place afin de garantir un dialogue constructif entre le médecin traitant, le médecin conseil et le médecin du travail. Cela leur permet de réfléchir conjointement aux possibilités d'un trajet de retour au travail, en tenant compte de l'état de santé et du potentiel de travail du jeune. La plateforme TRIO renforce cette communication et favorise une coopération continue entre les parties concernées.

Il reste essentiel d’apporter des réponses appropriées en renforçant le principe selon lequel la santé doit être intégrée dans tous les domaines politiques publics. Mieux vaut prévenir que guérir. Dans le but d’éviter autant que possible l’incapacité de travail de longue durée chez les jeunes présentant des problèmes psychiques et de les accompagner de manière adéquate, nous présentons ci ‑ dessous quelques initiatives concr è tes susceptibles d ’ y contribuer.

Les interventions psychologiques pr é coces constituent un premier axe. L ’é tude " Evaluation of Primary Care Psychology in Belgium" (EPCAP) en a d ’ ailleurs d é montr é l ’ importance.

Le projet pilote "Stress, Travail et Première Ligne" poursuit é galement une initiative compl é mentaire dans ce cadre. Il vise à examiner dans quelle mesure le travail et l’incapacité de travail peuvent jouer un rôle au sein de la convention de soins psychologiques de première ligne, via des cellules de référence, un module d’information et des interventions multidisciplinaires.

Enfin, l'Agence fédérale des risques professionnels (Fedris) propose déjà un programme de prévention du burn ‑ out destin é aux travailleurs du secteur priv é ainsi qu ’ aux administrations locales et provinciales qui rencontrent des difficult é s au travail ou qui ont interrompu leurs activit é s professionnelles depuis moins de deux mois.

Pour les jeunes présentant des problématiques psychiques modérées à sévères, un accompagnement intensif est prévu via la méthodologie " Individual Placement and Support" . Ce modèle accompagne les jeunes vers l’emploi le plus tôt possible et offre un soutien individuel durable jusqu’à l’obtention d’un emploi.

Dans notre politique, nous misons fortement sur la prévention afin que les jeunes présentant des troubles psychiques ne décrochent pas avant même que leur carrière n’ait réellement commencé. Grâce à cette approche intégrée, qui renforce la prévention, les soins et le soutien, nous aspirons à accompagner de manière optimale les jeunes en incapacité de travail vers un retour durable à l’emploi.

François De Smet:

Je vous remercie pour votre réponse, monsieur le ministre. Il s'agit d'un sujet extrêmement important. Je ne peux que constater qu’il est pris au sérieux par le gouvernement. En effet, les troubles psychosociaux chez les 18 ‑ 34 ans constituent un v é ritable fl é au, tant pour l ’ acc è s au march é du travail que pour les finances publiques et le bien ‑ ê tre en g é n é ral. Je ne peux donc que vous encourager dans cette voie.

De wachttijden en de performantiecriteria in de context van de Ziekenhuisbarometer

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

François De Smet wijst op het hoge tevredenheidscijfer (87%) over Belgische ziekenhuizen, maar bekritiseert de lange wachttijden (vooral bij spoed, waar slechts 26-34% de zorg snel genoeg vindt) en het ontbreken van transparante prestatiegegevens per ziekenhuis, wat de objectieve evaluatie bemoeilijkt; hij vraagt zich af of de geplande hervorming – met risico op sluitingen – kwaliteit en toegankelijkheid niet ondermijnt door een rentabiliteitslogica. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt de sterke punten (kwaliteit, toegankelijkheid) maar erkent de structurele problemen: personeelstekort en misbruik van spoeddiensten, en belooft een hervorming gericht op transparantie (via een interfederale kwaliteitsplatform) zonder ranking, met focus op betere taakverdeling (basiszorg dichtbij, gespecialiseerde zorg geconcentreerd) en efficiënter personeelsgebruik; hij ontkent dat sluitingen het doel zijn, maar streeft naar duidelijkere rolverdeling tussen sites. De Smet blijft kritisch over de effectiviteit van de hervorming om wachttijden te verkorten, gezien de ervaren verslechtering door patiënten, maar wacht de implementatie af. Vandenbroucke benadrukt dat kwaliteit en toegankelijkheid niet tegenover prestatieverbetering staan, maar samen moeten gaan.

François De Smet:

Malgré un taux de satisfaction fort majoritairement positif (87%) envers le secteur hospitalier- 75% des sondés considèrent les soins de qualité- les délais d’attente pour obtenir un rendez-vous chez un médecin spécialiste ou pour un examen médical constituent le principal motif d’insatisfaction tel qu’il ressort du baromètre du secteur hospitalier réalisé à l’initiative de l’association belge des hôpitaux (Hospitals.be) qui regroupe l’ensemble des établissements hospitaliers en Belgique,

Six personnes sur dix trouvent trop longs les délais d’attente alors que pour 28 %, ces temps d’attente sont très variables selon le type de spécialités ou d’examens. L'insatisfaction la plus significative se trouve du côté des urgences puisqu’à peine un patient sur trois juge y avoir été pris en charge suffisamment rapidement (26 % en Wallonie contre 34 % en Flandre)

A cet égard, la « perception » des patients quant aux délais d’attente mise en avant dans le baromètre a été largement objectivée par une récente étude du KCE, mais les analystes conviennent qu’il faudrait approfondir cela en publiant les critères de performance, hôpital par hôpital Dans notre pays, il n’existe pas de données publiques sur la performance des hôpitaux quant à l’expérience patients ou même leur niveau de qualité et de prise en charge par spécialité médicale à l’échelle nationale

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir:

Quelle est son appréciation par rapport à son baromètre notamment en ce qui concerne les délais d’attente?

Si la performance hospitalière constitue un critère essentiel de classement à venir , qui induit pourtant une logique de rentabilité pas nécessairement compatible avec les critères d’accessibilité et de proximité considérés encore comme prioritaires par la grande majorité des patients, dans un contexte où divers sites hospitaliers sont destinés à fermer leurs portes?

Frank Vandenbroucke:

Suite à votre question relative au baromètre de satisfaction du secteur hospitalier et aux implications de la future réforme du paysage hospitalier, j'ai l'honneur d'apporter les précisions suivantes: je tiens d'abord à souligner que les résultats du baromètre de l'Association Belge des Hôpitaux, qui révèle un taux de satisfaction globale élevé, 87 %, et une reconnaissance de la qualité des soins hospitaliers, 75 %, constituent un signal important et encourageant. Ils confirment la solidité de notre système hospitalier, mis également en évidence par les analyses des experts mandatés par la CIM Santé publique, qui soulignent parmi les forces du système belge la qualité des soins, l'accessibilité et la compétence des professionnels de santé.

Cela ne veut pas dire que les préoccupations exprimées concernant les temps d'attente peuvent être négligées. Je note que l'insatisfaction la plus significative se trouve du côté des urgences, puisqu'à peine un patient sur trois juge y avoir été pris en charge suffisamment rapidement. Je pense que ceci reflète des réalités que les experts mettent également en avant, notamment une utilisation inappropriée de certains services comme les urgences, et surtout une pénurie de professionnels de soins – un problème systémique qui constitue un défi majeur pour l'ensemble du pays. Ces constats confortent la nécessité d'une réforme ambitieuse mais équilibrée, qui vise à garantir accessibilité, proximité, pérennité et qualité de l'offre hospitalière pour l'ensemble de la population.

La question de la transparence des performances hospitalières est un sujet qui me tient à cœur. Aujourd'hui, la Belgique pourrait en effet faire mieux en termes de l'éventail de données publiques consolidées sur la qualité par spécialité ou sur l'expérience patient. Le suivi d'aspects de qualité ressortit de la compétence à la fois du fédéral et des entités fédérées, raison pour laquelle nous avons récemment pris l'initiative au sein de la Conférence interministérielle Santé de mettre sur pied une plateforme interfédérale qualité qui a comme première mission de formuler une vision commune sur les indicateurs de performances hospitalières à suivre en priorité, tout en assurant que la collecte de ces données assure leur validité sans générer une surcharge administrative indue.

Ce travail est en cours. Par ailleurs, il est important de souligner que la publication future d'indicateurs de performance ne visera pas à classer les hôpitaux, mais à renforcer une culture transparente d'amélioration continue déjà amorcée via les systèmes d'indicateurs de qualité et les audits existants.

Je souhaite aussi insister sur un point fondamental: l'amélioration de la performance hospitalière n'est pas mise en opposition avec l'accessibilité, la proximité ou l'équité territoriale. La réforme du paysage hospitalier que nous préparons a deux objectifs prioritaires.

Premièrement, elle vise à mieux organiser l'offre sur le territoire afin de garantir à la fois proximité des soins essentiels et concentration des activités hautement spécialisées, là où cela améliore la qualité. Deuxièmement, elle reconnaît pleinement les pénuries de personnel, ce qui implique de repenser la répartition des missions hospitalières pour utiliser au mieux les compétences disponibles.

Enfin, concernant les inquiétudes relatives à la fermeture potentielle de certains sites, je souhaite souligner que l'objectif exprimé par les experts dans leur rapport n'est pas de supprimer des sites, mais de mieux identifier leur rôle afin d'assurer une répartition cohérente et durable de l'offre de soins. Comme déjà expliqué, les membres de la CIM ont soumis les recommandations figurant dans ce rapport pour avis à différents organes avant de prendre des décisions de gestion.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre. Reste à savoir si la réforme du paysage hospitalier parviendra à endiguer ce phénomène qui est vraiment vécu par les patients d’une manière assez spectaculaire. Tout le monde se rend bien compte que les délais d’attente s’allongent et se multiplient. Il faut vous laisser le temps d’implémenter cette réforme et voir s’il permettra de pouvoir avoir accès à des spécialistes dans des temps raisonnables. Merci d’être resté, ce qui m’a permis de poser mes dernières questions. La présidente : Ceci termine notre commission de ce jour, merci à tous. La réunion publique de commission est levée à 17 h 09. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.09 uur .

Het MORSE-rapport van het RIZIV

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Natalie Eggermont bekritiseert minister Vandenbroucke voor de verhoging van medicijnprijzen (tot +300% voor sommige middelen), die volgens haar oneerlijk de patiënt belast terwijl 15 dure medicijnen 68% van het budget opslorpen – een probleem veroorzaakt door "winsthonger van big pharma" en geheime deals die hij blijft verdedigen. Vandenbroucke verdedigt de 900 miljoen euro heffing op farma en kortingsonderhandelingen (al zijn die geheim), stelt dat "gezondheid voor alles gaat" en beschuldigt Eggermont van naïviteit ("get real") omdat dure innovaties (bv. RSV-vaccins) anders onbetaalbaar zouden zijn. Eggermont kaatst terug dat hij farma’s "vriendenboekje" bedient met miljardendeals achter gesloten deuren, terwijl patiënten de 90% winstmarges betalen – "wie smost er echt?". De kern: transparantie vs. geheime farma-deals als oorzaak van stijgende kosten.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, vandaag betaalt men bij de apotheek een pak meer voor medicatie , want u hebt de prijs op 1 januari verhoogd. Volgens u is dat nodig, omdat de uitgaven voor medicatie stijgen. Vooruit vindt dat mensen smossen met pillen en pillen pakken als snoepjes. U maakt alles dus duurder, minstens 2 euro voor een doosje: de prijs van cholesterolverlagers verdubbelt, die van maagzuurremmers gaat maal drie. Dan zullen de mensen wel twee keer nadenken, argumenteert u. Een kleine bijdrage noemt u dat.

Mijnheer de minister, mensen kiezen er niet voor om ziek te zijn. Ze pakken geen pillen voor hun plezier. Het is wel veel geld: 2 euro hier, 6 euro daar, dat loopt op. Ik zag gisteren een buschauffeur, die een diabetespatiënt is. Voor hem loopt het op tot 300 euro voor een jaar. Voor u als minister, die 10.000 euro per maand verdient, is dat misschien niet veel, maar voor gewone mensen is dat een serieuze factuur.

Bovendien wijst u naar de patiënt, mijnheer de minister, maar zij zijn niet het probleem. Het probleem is de winsthonger van big pharma. Wij zeggen u dat al maanden. Nu is er een nieuw rapport van het RIZIV over de geneesmiddelenprijzen, waarin exact hetzelfde staat: een handvol peperdure medicatie is verantwoordelijk voor de ontsporing van het budget. Er zijn 164 medicijnengroepen. Vijftien daarvan zijn verantwoordelijk voor 68 % van het budget. Daar zit natuurlijk het probleem. De farmasector vraagt torenhoge prijzen voor die medicatie, zonder enige transparantie.

Over de cholesterolverlagers, waarover we al veel over hebben gediscussieerd, staat in het rapport: "De recente toename van de uitgaven wordt vooral verklaard door de introductie van duurdere, nieuwe geneesmiddelen". Dat ligt dus niet aan het feit dat mensen die geneesmiddelen pakken als snoepjes.

Mijnheer de minister, u luistert niet naar mij, u luistert niet naar de cardiologen, maar misschien hebben we nu een instelling gevonden waar u wel naar luistert. Ik ben benieuwd. Zult u zich focussen het echte probleem, met name de peperdure geneesmiddelen?

Frank Vandenbroucke:

Collega’s, gezondheid gaat voor alles. We investeren dus enorm in geneesmiddelen. Er komen alsmaar meer goede geneesmiddelen, die inderdaad duur zijn, op de markt en dus wordt vanuit de sociale zekerheid een grote inspanning gevraagd. Die leveren we ook.

We vragen ook voor de eerste keer een grote inspanning aan big pharma zelf. De farmaceutische industrie zal tegen het einde van deze regeerperiode naar schatting 900 miljoen euro moeten bijdragen aan de financiering van de budgetten. Het is de eerste keer dat dat gebeurt.

Big phama passeert nu langs de kassa, en voor veel meer dan het bedrag van de enkele aanpassingen aan het remgeld die we doen. We willen de mensen wel een kleine inspanning vragen, precies omdat we nieuwe en goede geneesmiddelen nog sneller ter beschikking willen brengen.

Mevrouw Eggermont, u met al u grote principes, get real ! Geneesmiddelen voor mucopatiëntjes zijn duur. We onderhandelen over kortingen, die we niet bekendmaken maar die zeer fors zijn, net zoals in zovele andere landen gebeurt. Zult u aan die mucopatiëntjes zeggen dat de medicijnen, o, uw heilige principes, veel te duur zijn, dat u uw handen niet vuilmaakt aan geheime onderhandelingen over kortingen, zoals overal in de wereld en dat ze dus hun medicijnen niet krijgen? Of denk aan de vaccins tegen RSV, waar zovele baby’s nu mee geholpen worden en uit het ziekenhuis gehouden worden. Die zijn duur, inderdaad. Zult u zeggen dat u uw handen daar niet vuil aan maakt, o grote principes, en dat u het in België op een andere manier zult doen? Weet dan wel dat u de vaccins tegen RSV of de geneesmiddelen tegen muco niet zult krijgen. Dus get real ! Doe zoals wij, neem uw verantwoordelijkheid op. Wij doen big pharma betalen en wij vragen (…)

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, met uw verhaaltje van solidariteit onder de patiënten zet u de gewone patiënten tegen elkaar op en blijft u het geheime dealmodel van de farma verdedigen. De sector blaast zijn vraagprijs op, totaal losgekoppeld van de productieprijs, en creëert zo gigantische winstmarges. Studies tonen aan dat er op die dure medicatie winstmarges tot 90 % zitten. Wie maakt dat mogelijk? U doet dat. U sluit voor al die medicamenten geheime deals af met de farma, achter gesloten deuren. U trekt uw broek af voor de farma-industrie en de patiënten mogen het betalen. Het probleem is niet het medicijnkastje van de patiënten, het probleem is uw vriendenboekje. Vooruit was altijd tegen de geheime deals, maar sinds u minister bent, nemen ze alleen maar toe. Het gaat om miljarden euro’s van de sociale zekerheid, die in de zakken van de aandeelhouders van big pharma verdwijnen. Dus, mijnheer de minister, wie is er eigenlijk aan het smossen?

Het welzijn op het werk van het treinpersoneel
De malaise bij het spoorwegpersoneel
Het welzijn en de uitdagingen van spoorwegmedewerkers

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 15 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Oskar Seuntjens (Vooruit) en Farah Jacquet (PTB) ontbreekt structurele psychologische ondersteuning voor treinbestuurders na traumatische incidenten zoals zelfmoorden op het spoor, wat bijdroeg aan het overlijden van Laurens Strubbe (29) en twee andere collega’s; getuigenissen wijzen op onvoldoende nazorg, bureaucratische obstakels (bv. geweigerd verlof) en een cultuur van verwaarlozing. Minister Jean-Luc Crucke belooft een strakke deadline (19/1) voor een anonymisé onderzoek door NMBS/Infrabel naar preventie, opvang en werkomstandigheden, inclusief evaluatie van acute psychologische hulp, maar benadrukt geen voorbarige oordelen over individuele gevallen. Seuntjens noemt Strubbes verhaal "het topje van de ijsberg" en wijst op systeemproblemen zoals overwerk, tijdsdruk en gebrek aan respect, waarvoor Vooruit nu hoorzittingen eist—wat Jacquet als te laat afdoet, aangezien PTB eerder al om een auditie vroeg die werd geblokkeerd; zij dringt aan op transparantie en roept: "Laurens moet de laatste zijn."

Oskar Seuntjens:

Laurens Strubbe was 29 jaar toen hij uit het leven stapte. Hij deed zijn job graag. Hij was een trotse treinbestuurder. Op een dag gebeurde de nachtmerrie van iedereen die ooit achter het stuur van een trein kruipt. Voor zijn ogen zag hij iemand die zich voor de trein wierp om er een einde aan te maken. Het was een dramatische gebeurtenis met een grote impact voor veel mensen, ook voor Laurens.

Collega’s, elke treinbestuurder maakt gemiddeld om de tien jaar een dergelijk drama mee. Men zou denken, of hopen, dat men na een dergelijk drama de nodige ondersteuning krijgt, dat men psychologische hulp krijgt en dat men begrip krijgt. Dat blijkt vandaag te weinig het geval. Dat is de reden waarom de familie van Laurens aan de alarmbel trekt. Velen volgden snel. Vandaag stonden in de krant meerdere getuigenissen. Van ondersteuning achteraf is niet echt sprake, zegt een collega. Een dag of twee thuisblijven en een brochure met hier en daar een telefoonnummer van een psycholoog die men misschien kan bellen, blijken niet voldoende. Dat vertelt het verhaal van Laurens. Hij is niet alleen. De afgelopen tijd zijn drie treinbestuurders uit het leven gestapt om gelijkaardige redenen.

Mijnheer de minister, ik wil dan ook heel graag mijn medeleven betuigen aan de vrienden en familie van Laurens, maar misschien nog belangrijker is te weten wat u zult doen met hun vraag om treinbestuurders beter te ondersteunen.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, aujourd'hui, j'ai le cœur lourd. Je vais commencer par présenter mes condoléances à la famille de Laurens, ce jeune conducteur de train de 29 ans qui a mis fin à ses jours et qui laisse derrière lui une famille brisée et des collègues vraiment marqués.

Ce drame ne peut pas être vu comme un fait isolé. Il y en a d'autres, dont celui intervenu chez Infrabel, dont on a déjà discuté ici. Ce drame s'inscrit dans un mal-être profond aux chemins de fer que mon groupe, le PTB, a déjà dénoncé à plusieurs reprises dans cette Assemblée. On a évoqué le stress, la fatigue, la pression constante, la souffrance psychologique.

Une collègue accompagnatrice me racontait justement, qu'après avoir vécu un accident de personne percutée par son train, son absence avait été refusée parce que le document qu'elle avait complété n'était pas le bon. Cela ne va pas du tout, c'est inhumain! Voilà pourquoi nous avons demandé qu'une audition soit organisée sur le sujet, ce que l'Arizona a refusé.

Aujourd'hui, ce refus fait mal, c'est un vrai désastre. Les témoignages de la famille et les articles de presse parlent de situations traumatisantes vécues en service, d'un besoin d'écoute, de repos, de soutien. La famille aurait même reçu un appel pour demander la restitution du GSM de service. Cela ne pouvait-il pas attendre? C'est vraiment inacceptable!

Être conducteur de train, cheminot, ce ne sont pas des métiers faciles. Ce sont des horaires difficiles avec des grosses responsabilités et parfois des scènes qui marquent à vie. Quand tout s'accumule, les dégâts peuvent être irréversibles.

Monsieur le ministre, quelles mesures comptez-vous mettre en place pour analyser et comprendre cette situation? Allons-nous enfin organiser une audition avec les responsables?

Jean-Luc Crucke:

Chers collègues, les événements dramatiques qui ont touché le personnel des chemins de fer dans la région de Bruges et d'Ostende requièrent gravité, humilité et détermination. Plusieurs situations de suicide au sein du personnel ferroviaire ont suscité une profonde émotion au sein des familles, des collègues et de l'ensemble du secteur.

Allereerst wil ik namens de regering en namens u allen onze steun en ons diep medeleven betuigen aan de families, naasten en collega's die een dierbare hebben verloren. Zij maken ongekend zware tijden door en onze gedachten gaan naar hen uit. Het is onze verantwoordelijkheid om beschikbaar te zijn, respectvol te blijven en niets overhaasts te doen wat betreft de begeleiding die zij wensen.

Il est de notre devoir d’agir avec sérieux et responsabilité. J’ai dès lors demandé à la SNCB, à Infrabel et à HR Rail de me transmettre pour le 19 janvier un état des lieux complet portant notamment sur les faits – de manière strictement anonymisée –, les dispositifs de prévention existants, l’accompagnement psychosocial des agents exposés, la gestion du travail et la prévention des expositions répétées, l’accompagnement des familles et les données permettant d’évaluer l’efficacité des mesures en place.

Ik heb ook gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over de procedure die wordt gevolgd wanneer een personeelslid wordt getroffen door een dodelijk ongeval, om een evaluatie te maken in het licht van de huidige normen. De systematische psychologische begeleiding gedurende de eerste 24 uur zal worden onderzocht en er zullen concrete aanbevelingen worden gedaan.

Ik wil heel duidelijk zijn: het gaat hier geenszins om het voorbarig beoordelen van de individuele oorzaak van deze drama’s. Het is onze institutionele taak om elke werknemer een beschermend, humaan en aangepast kader te garanderen. In een context waarin België voor een grote uitdaging staat op het vlak van zelfmoordpreventie, moeten onze overheidsbedrijven het goede voorbeeld geven door extra waakzaam te zijn en effectieve menselijke steun te bieden.

J’informerai le Parlement des conclusions et proposerai, si nécessaire, des mesures complémentaires au gouvernement.

Ces drames nous rappellent que le service public ferroviaire repose avant tout sur des femmes et des hommes. Leur dignité, leur sécurité et leur accompagnement doivent rester au cœur de nos priorités. Je vous remercie pour votre écoute.

Oskar Seuntjens:

Mijnheer de minister, het is goed dat u de problemen erkent er ook mee aan de slag wilt gaan. Tegelijkertijd hoop ik dat u beseft dat het verhaal van Laurens maar het topje van de ijsberg is. Een aanrijding is het ergste wat een treinbestuurder kan meemaken. De getuigenissen in de krant vandaag geven aan dat er meer aan de hand is, waaronder lange shiften, afgekeurde verlofdagen en gigantische tijdsdruk. Mensen die voor het spoor en op de trein werken, verdienen respect voor het belangrijke werk dat zij doen. Zij verdienen ook perspectief op oplossingen. Daarom zal de Vooruitfractie vandaag nog een verzoek indienen om hoorzittingen te organiseren over welzijn op het werk bij het spoorwezen.

Farah Jacquet:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. J'entends que vous avez travaillé à quelque chose de concret et que vous avez demandé des comptes, ce qui est vraiment très bien. J'entends aussi cette demande de la part de Vooruit. À ce sujet, je voudrais leur dire qu'il aurait fallu le demander avant, et dire oui à notre demande d'audition. Vous le faites maintenant, mais cela arrive beaucoup trop tard. Dans ce cadre, le groupe PTB va à nouveau demander des auditions, pour que toute la lumière soit faite sur ce qu'il se passe réellement aux chemins de fer et sur les conditions de travail des agents. Laurens n'était pas le premier, hélas, mais il doit être le dernier!

De bestrijding van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt, zoals ook gelaakt door Unia
Leeftijdsdiscriminatie
Leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt aanpakken

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson en Nahima Lanjri wijzen op structurele leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt: jongeren worden afgewezen omwille van gebrek aan (erkende) ervaring, 55-plussers door vermeende hoge kosten, digitale achterstand of slechte inzetbaarheid—wat volgens hen de hervorming van werkloosheidsuitkeringen risico’s op armoede doet inhouden. Minister Clarinval bevestigt dat discriminatie illegaal is en belooft versterkte controles (o.a. via mystery calls door sociale inspectie), samenwerking met Beenders (Gelijke Kansen) en Verlinden, en overleg met werkgevers, maar concrete maatregelen blijven vaag; hij verwijst naar bestaande CAO’s (bv. nr. 104 voor oudere werknemers) en een stijgende tewerkstelling bij 55-64-jarigen (al blijft die onder het gemiddelde). Pirson en Lanjri kritiseren dat wettelijke verboden onvoldoende werken en dringen aan op preventie (bewustmakingscampagnes, sectorconvenanten) én strenge handhaving (meer praktijktesten, ook door derden—waarvoor nog steeds een ontbrekend KB nodig is), met sancties als ultimatum.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, une nouvelle étude d'Unia met en évidence une réalité particulièrement préoccupante: la discrimination fondée sur l'âge. Elle reste profondément enracinée sur notre marché du travail. Elle frappe tant les jeunes que les travailleurs plus âgés.

Un jeune sur trois dit avoir été recalé parce que jugé trop jeune, pas assez fiable ou insuffisamment expérimenté, alors même que leurs emplois étudiants, souvent indispensables, ne sont pas reconnus comme une expérience pertinente.

À l’autre extrémité de la vie active, on retrouve les travailleurs plus âgés. Plus d’un travailleur sur cinq entre 51 et 60 ans se dit aussi discriminé en raison d’un coût salarial supposé trop élevé, d’un prétendu retard numérique ou encore d’une capacité d’intégration mise en doute. Ces témoignages montrent que des coaches emploi déconseillent parfois de poursuivre les démarches, tant les refus fondés sur l’âge se multiplient. Nous nous trouvons dans un contexte où notre majorité entend renforcer la participation au marché du travail, notamment via la limitation des allocations de chômage. Ces discriminations constituent un obstacle structurel majeur. Lorsqu’une personne licenciée à 50 ou 58 ans se retrouve d’emblée considérée comme trop âgée, la réforme risque de se transformer en trappe à pauvreté, ce qui n’est évidemment pas l’objectif poursuivi.

Nous avons le même cas de figure pour les jeunes.

Monsieur le ministre, au regard de ces constats, j’ai deux questions. Premièrement, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour lutter contre l’âgisme à l’embauche, qu’il s’agisse d’offres d’emploi illégales, de biais dans les recrutements ou encore de la non-valorisation de certaines expériences jugées non pertinentes?

Cette problématique étant interministérielle, travaillez-vous de concert avec votre homologue, le ministre Beenders, afin d’assurer une approche cohérente entre l’emploi, l’égalité des chances et la lutte contre les discriminations liées à l’âge?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, uit een rapport van Unia leren we dat ruim een op vijf bevraagden in de leeftijdscategorie 51 tot 60 jaar in het afgelopen jaar geconfronteerd werd met discriminatie op basis van leeftijd. Dat stelt niet alleen Unia vast, maar ook de Universiteit Gent in een eerder onderzoek. Ook Acerta moest concluderen dat die groep enorm vaak gediscrimineerd wordt.

Als een bedrijf werknemers ontslaat wegens herstructurering, zijn dat vaak de werknemers die het meest kosten en dat zijn meestal degenen met de meeste anciënniteit. Bovendien geraken zij moeilijker weer aan de slag door de vele vooroordelen ten opzichte van oudere werknemers. Men noemt die leeftijdscategorie – ik behoor daar ook toe, want ik ben ook al een 55-plusser – niet flexibel en te duur en meent dat ze niet meer mee met de tijd kunnen. Dat betekent een verlies voor henzelf, want ze zijn niet aan de slag en worden aan de kant gezet, ook al schuilt daar veel talent. Het betekent ook een verlies voor de maatschappij, want hun talent wordt niet ten volle benut. Bovendien brengt het extra kosten met zich mee, want men betaalt hen een werkloosheidsuitkering, terwijl ze eigenlijk winst zouden kunnen opbrengen en bijdragen betalen als ze kansen op tewerkstelling kregen. Leeftijdsdiscriminatie is niet nieuw en wij moeten dat probleem echt aanpakken.

Ten eerste, in het regeerakkoord is de aanpak van leeftijdsdiscriminatie een belangrijk punt, maar wat zult u concreet doen om discriminatie op basis van leeftijd aan te pakken en 55-plussers eerlijkere kansen te geven op de arbeidsmarkt?

Ten tweede, hebt u als minister van Werk daarover ook overleg met uw collega bevoegd voor gelijke kansen, minister Rob Beenders? Zo ja, wat is daaruit gekomen?

Hebt u eventueel ook al overleg gepleegd met werkgeversorganisaties over een plan van aanpak? Heeft de NAR daarover al adviezen geformuleerd? Hoe staat u daartegenover? Welke daarover wilt u realiseren?

Tot slot, we moeten ook werk maken van een mentaliteitswijziging bij de werkgevers. Misschien kunnen daarrond good practices worden gedeeld? Ziet u mogelijkheden om via positieve voorbeelden mee te werken aan de sensibilisering van werkgevers?

David Clarinval:

Mesdames les députées, la discrimination fondée sur l'âge est interdite et punie par la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination. Cette législation relève toutefois de la compétence du ministre de la Justice.

La lutte contre les discriminations constitue un axe important d'une politique de plein emploi. Garantir l'égalité des chances est à la fois une exigence de justice sociale et une condition pour mobiliser les compétences nécessaires à notre économie. En collaboration avec la direction Contrôle des lois sociales du SPF Emploi, sur la base de l'article 42/1 du Code pénal social, et dans le cadre plus large du plan d'action contre la fraude, nous examinons comment agir de manière plus efficace et plus performante dans la lutte contre la discrimination, y compris en matière d'âge.

En vue de la recherche et de la constatation d'infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, les inspecteurs sociaux ont le pouvoir – en présence d'indications objectives de discrimination, à la suite d'une plainte étayée ou d'un signalement, ou sur la base de résultats d'exploration de données (data mining et data searching) – de se présenter comme des clients, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels pour vérifier si une discrimination fondée sur un critère protégé légalement, notamment l'âge, a été ou est commise.

Par ailleurs, au-delà du volet répressif, nous suivons étroitement la dynamique internationale. La création d'un groupe de travail intergouvernemental de l'ONU, chargé de préparer une future convention relative aux droits des personnes âgées, confirme l'importance croissante de la lutte contre l'âgisme. Le gouvernement soutient ces travaux en cohérence avec notre accord de coalition.

Pour ce qui est de la discrimination sur le lieu de travail, nous collaborerons avec les cabinets et administrations des ministres Beenders et Verlinden. Nous évaluerons ensemble comment renforcer la cohérence des politiques de prévention et de lutte contre la discrimination fondée sur l'âge, afin de garantir une approche intégrée entre emploi, égalité des chances et respect des droits fondamentaux.

Het sociaal overleg vormt in die zin een essentiële hefboom. Ik zal dan ook bekijken of er op korte termijn overleg kan worden gepleegd met de werkgeversorganisaties over de problematiek.

Daarnaast hebben de NAR en de sociale partners al aanzienlijke bijdragen geleverd, met name via meerdere collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals cao nr. 104 over de tewerkstelling van oudere werknemers, cao nr. 95 betreffende de gelijke behandeling en cao nr. 38 betreffende aanwerving en selectie.

Tot slot moet de vraag in een bredere context worden geplaatst. De werkzaamheidsgraad van 55- tot 64-jarigen is de afgelopen jaren voortdurend gestegen, vooral bij vrouwen, door langere loopbanen en een hoger opleidingsniveau. Die evolutie is positief, maar de werkzaamheidsgraad van de leeftijdsgroep blijft lager dan het algemeen gemiddelde. Dat toont aan dat er nog extra inspanningen nodig zijn om een duurzame inclusie van oudere werknemers te garanderen.

Wat daarentegen de min-25-jarigen betreft, kan de daling van de werkzaamheidsgraad in de afgelopen jaren grotendeels worden verklaard door de verlenging van de studieduur. De strijd tegen discriminatie op grond van leeftijd moet dus passen in een globaal werkgelegenheidsbeleid met aandacht voor de verschillende fases in het beroepsleven, beleid dat steunt op controle, preventie en overleg.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

Lutter contre l'âgisme à l'embauche revient à faire respecter la loi, comme vous l'avez bien rappelé, puisque la discrimination est interdite. Toutefois, nous savons que cette interdiction n'empêche pas les employeurs d'éviter les "trop jeunes" ou les "trop âgés".

Nous nous réjouissons de la tripartite constituée avec vos deux collègues Beenders et Verlinden pour essayer de réduire ces discriminations. Nous serons attentifs aux suites réservées à cet enjeu qui est plus essentiel que jamais à la suite de la réforme du chômage.

Nahima Lanjri:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ondanks dat discriminatie op basis van leeftijd wettelijk verboden is, blijft dat een probleem. Het wordt zelfs prangender, omdat de groep alleen maar groter wordt, zeker in het licht van onze hervorming van de werkloosheidsuitkering. We weten dat een vijfde van degenen die hun werkloosheidsuitkering tussen nu en eind juni 2026 zullen verliezen, 55-plusser is. Aangezien die groep nu al zo hard geconfronteerd wordt met discriminatie, moeten we ons zeker zorgen over leeftijdsdiscriminatie maken. We moeten daarom tijdig bijsturen en ervoor zorgen dat er niet meer gediscrimineerd wordt. Cd&v is ervan overtuigd dat we vooral moeten vermijden dat er gediscrimineerd wordt. Sancties, zoals gerechtelijke maatregelen of praktijktesten, zoals we er in het verleden mogelijk hebben gemaakt, dienen een stok achter de deur te zijn. Die stok moeten we ook gebruiken als dat nodig is, maar we moeten eerst en vooral inzetten op preventie. Daarom ben ik blij dat u de zaak verder zult bespreken en nagaan er extra sectorconvenanten kunnen worden gesloten. Er moet nog meer ingezet worden op bewustmakingscampagnes en positieve actieplannen. Die maatregelen kunnen ook samen met de werkgeversorganisaties nader worden uitgewerkt. Wie niet horen wil, moet voelen en daarom blijven praktijktesten door de Sociale Inspectie belangrijk. U moet ervoor zorgen dat die daadwerkelijk plaats kunnen vinden. Vandaag zien we dat dat instrument nauwelijks wordt gebruikt en dat er problemen zijn bij het inzetten van derden. Behalve de Sociale Inspectie mogen volgens de wet namelijk ook derden praktijktesten uitvoeren, maar daarvoor is nog steeds een koninklijk besluit nodig, dat momenteel ontbreekt. Ik roep u daarom op, mijnheer de minister, om werk te maken van de wettelijke mogelijkheid om derden in te schakelen wanneer de Sociale Inspectie niet kan ingrijpen. Voor ons blijft het belangrijk om op twee pijlers te werken: preventie en zo nodig sancties als laatste redmiddel. Wij willen uiteindelijk vooral dat er niet gediscrimineerd wordt.

De detentie van Lars De Smet
De consulaire bijstand aan een Belgische gevangene in Noord-Macedonië
De detentie van Lars De Smet
De detentie en consulaire bijstand aan een Belgische gevangene in Noord-Macedonië

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 14 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Parlementsleden bekritiseren de onmenselijke detentieomstandigheden van Belg Lars De Smet in Noord-Macedonië (o.a. mishandeling, medische verwaarlozing, gebrek aan voedsel), bevestigd door de Raad van Europa, en dringen aan op snelle overbrenging naar België om zijn straf hier uit te zitten. Volgens hen blokkeert Noord-Macedonië een reeds goedgekeurde transfer (2025) zonder duidelijke reden, terwijl de familie radeloos is en gebrek aan coördinatie tussen Buitenlandse Zaken (Prévot) en Justitie (Verlinden) signaleert – beide ministers verwijzen naar elkaars bevoegdheid. Minister Prévot (BZ) bevestigt vijf consulaire bezoeken in vier jaar, financiële steun en diplomatieke druk voor betere omstandigheden, maar wijst voor de geblokkeerde overbrenging naar Justitie, dat het Verdrag van Straatsburg moet uitvoeren. Hij belooft samenwerking met Verlinden, maar parlementsleden noemen de inspanningen onvoldoende (te weinig bezoeken, trage actie) en eisen concrete stappen om de patstelling te doorbreken en de familie duidelijkheid te bieden.

Sandro Di Nunzio:

Mevrouw de voorzitster, ik wens deze vraag mondeling te stellen.

Mijnheer de minister, wanneer een Belgische burger in het buitenland wordt vastgehouden, mag België op zijn minst verwachten dat die detentie veilig en menswaardig verloopt.

Lars De Smet uit Aalst zit al drie jaar vast in Noord-Macedonië. Volgens zijn familie krijgt hij daar onvoldoende voedsel, wordt hij fysiek mishandeld en verblijft hij in onmenselijke omstandigheden.

Ik begrijp dat het vonnis in Noord-Macedonië juridisch definitief is en dat België een buitenlandse rechtsmacht moet respecteren. Dat spreekt voor zich met de scheiding der machten en het respect voor de soevereiniteit van andere staten.

Mijn vragen ter zake voor u zijn niettemin de volgende.

Ten eerste, welke concrete consulaire en diplomatieke demarches hebben uw diensten tot vandaag ondernomen bij de Noord-Macedonische autoriteiten naar aanleiding van de detentieomstandigheden van Lars?

Ten tweede, heeft België formeel aangedrongen op verbeterde detentieomstandigheden, wat toch ook al een belangrijke stap in de goede richting zou zijn? Indien ja, welke garanties en antwoorden hebt u daarop ontvangen?

Ten derde, is België bereid om bij de autoriteiten van Noord-Macedonië te pleiten voor een overbrenging van Lars naar België, zodat hij zijn straf dichter bij huis kan uitzitten?

Ik heb ook begrepen dat in 2025 initieel al een concrete datum voor overbrenging was goedgekeurd, maar dat de datum nadien, met naar ik mij laat vertellen weinig motivering, niet werd uitgevoerd.

Ten vierde, welke juridische stappen of diplomatieke obstakels staan vandaag een dergelijke transfer, dus van Lars naar ons land, nog in de weg? Wat kan België concreet doen om diee te helpen wegwerken? Welke stappen bent u dus bereid te zetten?

Mijn vraag is ondertussen al enigszins gedateerd. Van de familie heb ik ondertussen vernomen dat er mogelijk een rol te spelen is op het vlak van Justitie. In die zin zou ik ook durven vragen en aandringen dat u in overleg gaat met uw collega om Lars zo snel mogelijk verbeterde detentieomstandigheden te laten krijgen en hem, in het beste geval uiteraard, zo snel mogelijk naar ons land te kunnen laten overbrengen.

Ellen Samyn:

Mevrouw de voorzitster, ik wens mijn vraag mondeling te stellen.

Mijnheer de minister, de heer De Smet verblijft inmiddels bijna vier jaar in detentie in Noord-Macedonië, meer bepaald in de gevangenis van Idrizovo. Niet de schuldvraag staat hier centraal, maar wel de consulaire en diplomatieke verantwoordelijkheid van België ten aanzien van een eigen onderdaan. De detentieomstandigheden in die gevangenis werden door het Europees Comité ter Preventie van Foltering van de Raad van Europa herhaaldelijk omschreven als structureel onmenselijk, met ernstige tekorten op het vlak van veiligheid, medische zorg en basisrechten. Daarnaast is België sinds 2022 formeel op de hoogte van ernstige medische en psychologische problemen bij de heer De Smet, waarvoor volgens Belgische en universitaire medische expertises behandeling in België noodzakelijk is.

Naar verluidt werd een overbrenging naar België op basis van het Verdrag van Straatsburg inzake de overbrenging van gevonniste personen administratief volledig opgestart, door België aanvaard en zelfs vastgelegd op een concrete datum, maar nadien eenzijdig geblokkeerd door de Noord-Macedonische autoriteiten.

Mijnheer de minister, kunt u gedetailleerd toelichten welke consulaire bijstand de voorbije jaren aan de heer De Smet werd verleend? Hoeveel bezoeken, gesprekken of interventies vonden effectief plaats? Welke opvolging werd gegeven aan de signalen over mogelijke procedurefouten of problemen met de detentieomstandigheden?

Volgt de FOD Buitenlandse Zaken het dossier actief op bij de Noord-Macedonische autoriteiten? Uit communicatie blijkt dat Buitenlandse Zaken en Justitie het dossier samen opvolgen en verder bekijken welke stappen mogelijk zijn ten aanzien van de Noord-Macedonische autoriteiten. Wat is daarvan de stand van zaken? Hebt u of hebben uw diensten recent overleg gehad met uw collega of de diensten van uw collega van Justitie over het dossier? Werd het dossier formeel onder de aandacht gebracht van uw Noord-Macedonische ambtgenoot of van de Noord-Macedonische ambassadeur in Brussel?

Zoals uit de communicatie blijkt, beschikt België over een overbrengingsakkoord voor gedetineerden met Noord-Macedonië. Waarom blokkeert de Noord-Macedonische autoriteit de overbrenging van de heer De Smet? Wat kunt u daaraan doen?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar de heer De Smet is gedetineerd in Noord-Macedonië in onmenselijke omstandigheden. Dat zeg niet enkel ik, dat zegt ook de Raad van Europa, toch niet de eerste de beste instelling. Er zijn meldingen van ernstige medische verwaarlozing en een gebrek aan adequate zorg.

Veel familieleden van de heer De Smet hebben ons gecontacteerd om te vragen dat we de druk opvoeren om de heer De Smet naar huis te krijgen, niet om thuis te zitten, maar om zijn straf in België uit te zitten. Dat is een noodkreet.

Ik ga onmiddellijk over tot mijn vragen. De eerste vind ik de belangrijkste. Als minister van Buitenlandse Zaken dient u zorg te dragen voor landgenoten in nood in het buitenland. In die hoedanigheid wil ik van u vernemen of u daarover al contact hebt gehad met minister Verlinden, dan wel of het nodig is dat we de vraag ook aan haar stellen.

Bent u het met me eens dat de inhumane situatie van de heer De Smet ons en u ertoe verplicht om onmiddellijk te handelen?

Welke hulp hebt u de familie en misschien ook de heer De Smet al geboden?

Kunt u een engagement aangaan om de familie duidelijkheid te verschaffen, en alle nodige diplomatieke middelen van België aanwenden om die situatie zo snel mogelijk te beëindigen?

Maxime Prévot:

Beste parlementsleden, dank u voor uw vragen over die Belgische gevangene in het buitenland.

Mijn diensten, zowel het hoofdbestuur, onze ambassade in Sofia bevoegd voor Noord-Macedonië, als onze ereconsul in Skopje, volgen de situatie van de heer De Smet nauw op sinds zijn arrestatie enkele jaren geleden. Onze collega's doen wat binnen hun bevoegdheden en mogelijkheden ligt om bijstand te verlenen aan onze landgenoot.

In het kader van de consulaire bijstand, mijnheer Di Nunzio, werden door mijn departement de volgende acties ondernomen: contact met en informeren van de familie in België, ter beschikking stellen van een lijst van advocaten, tussenkomsten bij de lokale overheid om de gerechtelijke procedure te verduidelijken, meer in het bijzonder het systeem van pro-Deoadvocaat.

De consul in Sofia en de ereconsul met basis te Skopje hebben vijf consulaire bezoeken gebracht en hebben met de directeur van de gevangenis gesproken over de detentieomstandigheden en hebben verbeteringen gevraagd. Door tussenkomst van het consulaat ontvangt de heer De Smet een financiële bijstand in de vorm van terugbetaalbare voorschotten. Die interventie heeft ervoor gezorgd dat de heer De Smet warme kleding, dekens en geneesmiddelen ontvangt.

Aangezien het om een individueel dossier gaat, kan ik hier geen verdere details over geven.

Mijn diensten staan regelmatig in contact met de diensten van de minister van Justitie over die zaak.

De blokkeringen die zich op dit ogenblik in de zaak voordoen, situeren zich op het niveau van de overbrengingsprocedure. België en Noord-Macedonië zijn beide partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen. De Federale Overheidsdienst Justitie is bevoegd voor de uitvoering van dat verdrag. Uw vragen betreffende overbrenging dient u daarom te richten aan de minister van Justitie.

Sandro Di Nunzio:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor het feit u en uw diensten alle inspanningen leveren die noodzakelijk zijn en die mogelijk zijn.

Ik had de vraag al enige tijd geleden ingediend en heb intussen de informatie gekregen dat ook de FOD Justitie en de diensten van de minister van Justitie erbij betrokken zijn. We vernemen echter uit de omgeving van de familie dat men het gevoel heeft van het kastje naar de muur te worden gestuurd, aangezien Justitie op zijn beurt verwijst naar Buitenlandse Zaken. Uit die feedback blijkt toch dat er wat schort aan de afstemming tussen de diensten. Ik neem aan dat u daar niet persoonlijk mee bezig bent, maar op dienstniveau kan er toch wel wat verbeterd worden. Ik zal de vraag daarom ook stellen aan de minister van Justitie.

Ik roep u op om in gesprek te gaan met uw collega, de minister van Justitie, zodat de familie minstens weet dat u overeenkomt met uw collega en met één stem spreekt voor ons land en dat uw diensten er alles aan doen om het blokkeringspunt, volgens u gelegen bij het overleveringsverdrag, op te lossen. Als ik de berichten mag geloven, is men radeloos en weet men niet meer wat men moet doen of kan verwachten om Lars gunstige detentieomstandigheden te bieden en hem naar huis te krijgen.

Ik hoop dat dat een prioritair dossier blijft, waaraan u samen met minister Verlinden alle aandacht zult blijven besteden.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Mijn goede collega, Alexander Van Hoecke, zal de minister van Justitie ondervragen, maar hij heeft daar tot op heden de kans nog niet toe gehad.

Ik hoor dat Buitenlandse Zaken de situatie van nabij opvolgt. Sta mij echter toe om vijf consulaire bezoeken in vier jaar tijd weinig te vinden. Niet enkel de detentieomstandigheden zijn niet goed voor de heer De Smet, maar ook zijn medische situatie. Ik hoop dat erover wordt gewaakt dat hij ook de juiste medicatie kan krijgen en dat er een goede medische en adequate opvolging ter plaatse is.

Die situatie is natuurlijk niet alleen voor de heer De Smet onmenselijk, maar ook voor zijn familie, die momenteel al 1.350 dagen, om exact te zijn, in onzekerheid leeft.

We zullen zeker niet nalaten om ook uw collega van Justitie te bevragen. Wij hopen dat u samen met de minister van Justitie verder blijft nagaan welke bijkomende stappen mogelijk en aangewezen zijn ten aanzien van de Noord-Macedonische autoriteiten.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, dank voor het antwoord. De grootste gruwel die een ouder kan meemaken, is een kind dat in het buitenland in mensonwaardige omstandigheden wordt vastgehouden. Men wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Dan vindt men een paar parlementsleden die daarover toch nog een keer een vraag willen stellen. Ik vraag begrip van uw kant voor het feit wij dat doen. We zijn het die familie verschuldigd. Er zijn nog dergelijke zaken in België. De uitwisselingen om de straf uit te zitten in het land waar men vandaan komt, zouden toch veel vlotter mogen verlopen. Ik treed mijn collega bij dat vijf consulaire bezoeken sinds 2022 zeer weinig zijn. Dat zijn bezoeken die de persoon ter plaatse moed zouden kunnen geven, maar ook de ouders een hart onder de riem zouden kunnen steken. Ik weet niet op basis waarvan men beslist over het aantal consulaire bezoeken, maar ik denk niet dat er heel veel mensen in Noord-Macedonië vastzitten. Dat aantal bezoeken zou toch wat meer kunnen zijn. Ik hoopte dat ik de vraag niet meer aan minister Verlinden hoefde te stellen, maar ik heb begrepen dat we dat wel nog moeten doen. Bij minister Verlinden zullen wij verwijzen naar de goede wil die wij in deze comissievergadering van u hebben gehoord. Ik hoop dat het met twee mensen van goede wil een beetje vooruitgaat. De voorzitster : De vragen nrs. 56011582C en 56011585C van de heer Boukili vervallen, aangezien hij niet aanwezig is. De vragen nrs. 56011597C en 56011599C van mevrouw Van Riet zijn uitgesteld.

De aantrekkelijkheid van het beroep van huisarts

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder wijst op de alarmerende pénurie aan huisartsen in België (20% boven pensioenleeftijd, 50% Walloonse gemeenten in onderbemanning) door overmatige administratie, wantrouwen (controles, certificaten), gebrek aan erkenning en slechte werk-privébalans, wat jongeren afschrikt. Ze vraagt om concrete maatregelen om de aantrekkelijkheid te herstellen, zoals administratieve verlichting, steun voor groepspraktijken en betere begeleiding van starters. Minister Frank Vandenbroucke benadrukt 196 miljoen euro aan structurele investeringen (o.a. New Deal-organisatiemodel, premies, psychologen in eerste lijn, 42 miljoen voor teleconsultaties) en reglementaire stappen (assistenten, wachtdiensten), maar erkent dat middelen onbenut blijven door onvoldoende bekendheid. Hij belooft administratieve vereenvoudiging (werkgroepen in 2024) en een positievere beeldvorming, hoewel hij toegeeft dat de transitie voor huisartsen "niet evident" is. Dedonder relativiseert de vooruitgang: ondanks de middelen klinken op het terrein nog steeds klachten over onvoldoende afstemming tussen beleid en praktijkbehoeften, wat volgens haar de kernuitdaging blijft.

Ludivine Dedonder:

La Belgique, comme l'ensemble de l'Europe d'ailleurs, fait face à une pénurie croissante de médecins généralistes. En 2021, notre pays comptait 12 841 généralistes en activité, dont près de 20 % avaient déjà atteint ou dépassé l'âge de la retraite.

En Wallonie, la moitié des communes sont désormais reconnues comme zones en pénurie. Les causes sont multiples: surcharge administrative, horaires lourds, pression constante, manque de reconnaissance et répartition inégale du travail médical.

Les jeunes médecins aspirent, à juste titre, à un meilleur équilibre entre vie professionnelle et vie privée. Pourtant, les conditions d'exercice restent souvent dissuasives. Et au lieu de valoriser leur rôle pivot dans notre système de santé, on multiplie les contraintes: remise en cause de leur jugement clinique sur les certificats, suspicion permanente sur les prescriptions, contrôles tatillons, normes bureaucratiques de plus en plus lourdes. Bref, au lieu de renforcer la confiance, on alimente un climat de défiance. Et c'est vraiment ce qui me revient des retours de terrain de nombreux médecins généralistes.

Monsieur le ministre, quelle stratégie le gouvernement entend-il mettre en place pour restaurer l'attractivité du métier de médecin généraliste? Comment comptez-vous alléger la pression administrative et redonner de la confiance aux praticiens dans l'exercice de leur jugement? Des mesures sont-elles envisagées pour soutenir les pratiques de groupe, renforcer les assistants de pratique et garantir un accompagnement réel des jeunes médecins lors de leur installation?

Frank Vandenbroucke:

Je suis absolument d'accord avec vous pour dire que le médecin généraliste joue un rôle essentiel dans notre système de santé.

Cependant, la médecine générale est confrontée à d'énormes défis pour pouvoir continuer à remplir ce rôle à l'avenir. Il n'est pas envisageable, je crois, de continuer sans rien changer. Nous ne ferions qu'aggraver les problèmes.

Nous sommes conscients que ce changement se heurte à une certaine résistance. C'est pourquoi le gouvernement actuel, tout comme les gouvernements précédents, investit massivement dans le soutien aux médecins généralistes et dans le processus de transition en étroite concertation avec les représentants de la médecine générale.

Au cours de la législature précédente, 196 millions d'euros ont été débloqués pour soutenir structurellement la médecine générale.

En collaboration avec les syndicats de médecins et les universités, un nouveau système organisationnel a été mis en place, le New Deal, qui permet aux médecins généralistes d'investir dans la gestion de la population. Nous devons prendre le temps de l'affiner et de le faire connaître davantage, car le pas que les médecins généralistes doivent franchir est important, mais nous recevons beaucoup de signaux positifs de la part des cabinets participants.

Deuxièmement, au cours de la législature précédente, une prime destinée à soutenir les cabinets de médecine générale a été élaborée dans le cadre de l'accord médico‑mut. Les investissements dans le DMG ont été étendus et un certain nombre d'initiatives ont été prises dans la nomenclature, notamment pour les visites dans les maisons de repos.

Troisièmement, des moyens ont également été dégagés pour faire appel à des psychologues de première ligne dans les cabinets. C'est quand même un investissement important en termes de budget prévu. Il s'agit, je le répète, de 196 millions d'euros. Nous constatons toutefois qu'une grande partie de ces moyens n'est pas encore utilisée. Nous nous engageons donc fermement à mieux faire connaître toutes ces initiatives aux médecins généralistes. Je voudrais ici lancer un nouvel appel aux médecins généralistes pour qu'ils utilisent les moyens mis à leur disposition.

Nous continuons également à insister auprès des entités fédérées pour qu'elles mettent en place rapidement la formation d'assistants de cabinet. Au niveau fédéral, le travail réglementaire est déjà achevé depuis 2023.

Nous poursuivons dans cette voie au cours de cette législature. Dans le dernier accord médico‑mut, un montant de 42 millions d'euros a été débloqué pour les médecins généralistes afin qu'ils puissent organiser des soins de première ligne accessibles et garantir la continuité des soins. Cela permet de rembourser le temps consacré, entre autres, aux téléconsultations. Un budget est également prévu pour les consultations entre le médecin généraliste et les psychiatres.

En outre, nous savons que les services de garde sont également un élément important de l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée. C'est pourquoi nous continuons à investir dans les postes de garde et collaborons avec l'Organisation des médecins à l'élaboration d'un nouvel arrêté royal de reconnaissance et de financement qui, d'une part, doit conduire à une meilleure organisation des postes de garde et, d'autre part, doit permettre un bon équilibre entre l'accessibilité pour le patient et la charge de travail pour le médecin généraliste. A cet égard, nous avons également chargé la médico-mut de réintroduire la consultation de triage par téléphone dans les postes de garde. Malheureusement, la médico‑mut n'est pas encore parvenue à un accord précis sur cette mesure.

La charge administrative est un problème qui doit être abordé partout dans le secteur des soins de santé. C'est pourquoi plusieurs groupes de travail ont été créés sous la direction de Pedro Facon afin de s'attaquer à ce problème de manière structurelle. Concrètement, un groupe de travail spécifique aux prestataires de soins a été mis en place afin de mettre sur la table les éléments de la charge administrative excessive sur lesquels des décisions seront prises dans le courant de l'année.

Il est également important de donner une image positive de la médecine générale. Il s'agit d'une profession qui procure une immense satisfaction aux prestataires de soins car elle leur permet d'être proches de leurs patients, de traiter des problèmes concrets et d'établir une relation de confiance. Nous souhaitons promouvoir cette image positive. C'est une profession qui reste confrontée à d'énormes défis et nous ne nions certainement pas les problèmes. Mais si nous mettons l'accent sur les aspects positifs, nous aiderons aussi à convaincre les jeunes médecins de choisir la médecine générale.

Nous constatons également que le pourcentage de candidats en formation qui choisissent la médecine générale est resté relativement stable ces dernières années par rapport aux autres spécialités de niveau 2, c'est-à-dire un pourcentage d'environ 37 à 38 %. Nous sommes conscients que l'on en demande beaucoup aux généralistes, que la transition qu'ils vivent n'est pas évidente, mais nous continuons à nous engager en faveur du soutien à la médecine générale.

Ludivine Dedonder:

Merci pour l'ensemble des réponses. Je ne vais pas ici reprendre un à un les différents points que vous avez abordés. Je crois qu'on est d'accord pour dire que non seulement cette profession est utile, nécessaire et qu'elle mérite certainement tout notre intérêt, mais qu'il y a encore un défi. En effet, j'entends les moyens qui ont été dégagés, mais j'entends aussi sur le terrain les difficultés. Aujourd'hui, on n'arrive pas encore à mettre en adéquation les besoins et les attentes des uns et des autres. C'est tout le défi qui est le nôtre, ou plutôt le vôtre! On en reparlera certainement.

De financiële toestand van onze ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Frank Vandenbroucke bevestigt de regionale verschillen in ziekenhuisresultaten (Vlaanderen licht positief, Wallonië/Brussel negatief), maar wijst op pensioenlasten in de publieke sector en structurele budgetproblemen als mogelijke oorzaken, zonder éénduidige verklaring. Hij benadrukt dat uitzonderlijke inkomsten de cijfers vervalsen en kondigt een hervorming van het ziekenhuislandschap aan, gebaseerd op een recent expertenadvies (o.l.v. Peter Degadt), met een beslissing voorzien na overleg met adviesraden (IMC). Frieda Gijbels bekritiseert dat slechtpresterende ziekenhuizen mogelijk beloond worden bij hervormingen en pleit voor een analyse van succesvolle ziekenhuizen—waarbij ze hoge supplementen niet ziet als oplossing (integendeel: die komen juist voor in zwakke ziekenhuizen). Ze eist meer inspanningen van de sector en verspreiding van best practices, maar uit twijfel over de transparantie van honoraria-onderhandelingen (waarin Vandenbroucke ook weinig inzicht claimt).

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, uit het meest recente Belfiusrapport over de financiële toestand van de ziekenhuizen in 2024 blijkt dat er grote regionale verschillen zijn. Dat is op zich geen nieuws. Het gewoon bedrijfsresultaat bedraagt voor Vlaanderen gemiddeld 0,4 %, dus dat resultaat is gemiddeld positief, terwijl het in Wallonië en Brussel negatief is. De resultaten van het boekjaar tonen een minder groot contrast tussen de regio’s, maar daarbij worden ook de uitzonderlijke inkomsten en de eenmalige subsidies in rekening gebracht. Toch moeten we besluiten dat ook de situatie in Vlaanderen zorgwekkend is. Daarover heb ik een paar vragen.

Mijn eerste vraag is of u kunt verklaren waar het grote contrast tussen de verschillende regio’s vandaan komt. Hoe kunnen we dat contrast verklaren? In de analyse wordt gewezen op de zware pensioenlasten bij de publieke ziekenhuizen, vooral in Brussel. In welke mate verklaren die statutaire pensioenverplichtingen de regionale verschillen in het gewoon bedrijfsresultaat?

Mijn tweede vraag gaat over de verschillen in de resultaten van het boekjaar, die minder groot waren tussen de regio’s. Kunt u toelichten in welke mate het positieve Vlaamse cijfer structureel is en welke risico’s er bestaan wanneer de uitzonderlijke inkomsten wegvallen? Welke gevolgen zou dat hebben voor Brussel en Wallonië?

Mijn laatste vraag betreft de honoraria, die een groot aandeel uitmaken van de omzet van de ziekenhuizen, meer dan het budget van financiële middelen. Betreft dat de afdrachten, of hoe moeten we dat begrijpen? Kunt u aangeven of er op dat vlak grote verschillen zijn tussen de ziekenhuizen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, uw vraag is een voorbeeld van een absoluut goede en pertinente vraag, zoals u er nog hebt, maar het antwoord is voor mij jammer genoeg niet voor de hand liggend.

We stellen inderdaad een verschil vast in het gewoon bedrijfsresultaat tussen de verschillende regio’s van ons land wat de ziekenhuizen betreft. We stellen vast dat dat in grote mate bepaald wordt door het verschil in financieel resultaat. Zoals u zelf al aangaf, zijn de verschillen op het niveau van het bedrijfsresultaat veel kleiner.

Een exacte oorzaak is niet eenvoudig te duiden. Het zou kunnen dat de verschillende, overigens toenemende, lasten van de responsabiliseringsbijdrage in het kader van de pensioenen in de publieke sector, die ook wegen op de ziekenhuizen, daarin een rol spelen. Voor dat probleem loopt momenteel een adviesaanvraag bij de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, met het oog op een zo correct mogelijke verdeling van het beschikbare budget.

Dat gezegd zijnde wil ik er wel op wijzen dat er ook binnen onze regio’s, bijvoorbeeld in Vlaanderen, verschillen in resultaten tussen de ziekenhuizen bestaan. Dan gaat het niet om een discussie met een communautair karakter, maar dan gaat het over iets anders.

Ik ben het ook met u eens dat we best abstractie maken van uitzonderlijke inkomsten als we de structurele gezondheid van de sector evalueren. Dat is de reden waarom we echt moeten nadenken over de organisatie van het ziekenhuislandschap. U weet dat we een expertengroep hebben gevraagd om daarover in volledige onafhankelijkheid een advies te formuleren, onder leiding van onder meer Peter Degadt, en dat advies is ondertussen ingediend. Nu geven we tot april de tijd aan officiële adviesinstanties om hun mening te geven over de toekomst van het ziekenhuislandschap. Ik hoop dat we vervolgens binnen enkele maanden tijd op het niveau van de IMC samen oriëntaties kunnen afspreken.

Ten slotte wil ik het nog hebben over de honoraria binnen de vermelde omzetcijfers. Het betreft de totale honoraria, het gaat niet alleen over de afdrachten. Op het vlak van de afdrachten bestaan er verschillen tussen de ziekenhuizen. Dat is evident, omdat ze het resultaat zijn van onderhandelingen tussen het ziekenhuisbeheer en het artsenkorps. Die onderhandelingen gebeuren individueel per ziekenhuis.

Zoals u weet, heb ik daarin wat meer inzicht gevraagd aan de koepels, ook in het kader van de supplementendiscussie. Ik heb daaruit niet zo heel veel geleerd, moet ik bekennen, omdat juist de vraag naar wat nu wat bepaalt, niet duidelijk beantwoord raakt. Zijn er veel supplementen omdat er grote financiële tekorten zijn? Dat komt er eigenlijk niet duidelijk uit. We blijven daar wat op onze honger zitten. Ik denk inderdaad dat het goed zou zijn dat de sector zelf nadenkt over hoe die verschillen moeten worden bekeken en of daarover niet wat meer uitleg tot stand kan komen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, we weten dat er verschillen bestaan tussen ziekenhuizen, inderdaad ook tussen ziekenhuizen in hetzelfde gewest. Het slechte nieuws daarbij is dat het jammer is dat veel ziekenhuizen het moeilijk hebben en het financieel niet zo goed doen. Het goede nieuws vind ik wel dat er ziekenhuizen zijn die stelselmatig goede cijfers kunnen voorleggen. Het kan een nuttige oefening zijn om vooral die ziekenhuizen nader te bekijken. Wat doen zij anders dan andere ziekenhuizen? Ligt het aan het beleid? Ligt het aan hogere supplementen? Dat laatste denk ik eerlijk gezegd niet, want men ziet vaak dat de hoogste supplementen net worden gevraagd bij de ziekenhuizen met de minst goede resultaten. Ik ben ook benieuwd naar de feedback die zal volgen op het advies van de expertengroep. Laten we echter ook eens kijken naar de ziekenhuizen die het goed doen en daaruit lessen trekken, om die vervolgens te verspreiden onder de andere ziekenhuizen. We mogen ook eisen dat de ziekenhuizen meer inspanningen leveren om betere resultaten voor te leggen. Waar we natuurlijk wat bevreesd voor zijn, is dat, als we overgaan tot een hervorming van het ziekenhuislandschap en van de ziekenhuisfinanciering, we de ziekenhuizen die het altijd minder goed hebben gedaan op een of andere manier zouden belonen, door hun verliezen te compenseren. Daarom pleit ik ervoor om te kijken naar de ziekenhuizen die goed presteren en daar de nodige lessen uit te trekken. La présidente : Les questions jointes n° 56010941C de Mme Frieda Gijbels et n° 56012255C de Mme Dominiek Sneppe sont reportées.

Problemen bij het RIZIV

Gesteld door

lijst: VB Kurt Moons

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Kurt Moons bekritiseert het RIZIV voor ernstige administratieve tekortkomingen: ontbrekende jaarrekeningen (2022-2023), onbetrouwbare financiële rapporten (volgens het Rekenhof), en blind betalen van facturen zonder controle, wat hij wijt aan "slecht bestuur" bij een instelling die 50 miljard belastinggeld beheert. Hij eist verantwoordelijken, transparantie over uitkeringen en een externe audit. Minister Frank Vandenbroucke erkent de problemen maar stelt dat het RIZIV al herstelmaatregelen neemt: jaarrekening 2024 is tijdig ingediend, interne versterking (nieuwe financieel directeur), en structurele aanpassingen (certificering Rekenhof vanaf 2027). Hij benadrukt dat begrotingsopvolging wel degelijk correct verloopt, maar dat verbeteringen tijd vragen. Moons blijft kritisch: hij verwacht concrete bewijzen van vooruitgang en betrouwbare cijfers, essentieel voor gefundeerd beleid en belastinggeldcontrole.

Kurt Moons:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, collega's, vooreerst wens ik u allen een gezond en gelukkig 2026 en veel werkijver toe.

Mijnheer de minister, anderhalve maand geleden hadden we het al over de problemen bij het RIZIV. Het RIZIV kampt met grote operationele problemen. Controlemechanismen werken niet en facturen worden blindelings betaald zonder enig nazicht, maar dat blijkt enkel maar een symptoom van een veel grotere problematiek. Terwijl we van het Rekenhof het 182ste boek, deel 3, met betrekking tot 2025 over de sociale zekerheid ontvingen en het de jaarrekeningen 2023 van andere overheidsinstellingen controleerde, kon het wat het RIZIV betreft enkel tot de jaarrekening 2021 controleren, omdat de jaarrekeningen 2022 en 2023 niet eens bij het Rekenhof waren ingediend.

Het ergste is dat het Rekenhof concludeert dat de rekeningen van het RIZIV geen getrouw beeld geven van zijn vermogen, financiële toestand en resultaten. Dat is ongeveer hetzelfde als een revisor die over een bedrijf zegt dat de rekeningen niet kloppen, waardoor men geen leverancier wil zijn van dat bedrijf. Ook de statistieken van het RIZIV zijn niet bijgewerkt en we moeten het stellen met de voorlopige cijfers van 2023.

Mijnheer de minister, vindt u het normaal dat een overheidsinstelling, waarin ongeveer 50 miljard euro belastinggeld circuleert, geen jaarrekening door het Rekenhof goedgekeurd krijgt en zelfs geen jaarrekening voor de voorbije twee jaar indiende? Hoe verklaart u de operationele en feitelijke administratieve puinhoop bij het RIZIV?

Erkent u de problemen? Zijn er nog andere problemen bekend? Wat hebt u sinds uw aantreden als minister al ondernomen om dergelijke problemen op te lossen? Wie draagt bij het RIZIV de verantwoordelijkheid voor dat slecht bestuur? Werden die personen al aangesproken op hun incompetentie en wat was hun reactie?

Hebt u zicht op het aantal zieken, aan wie en hoeveel betaalt het RIZIV uit? Houdt het die gegevens bij? Zo ja, hoe en zijn die raadpleegbaar?

Als het RIZIV geen jaarrekening kan indienen of goedgekeurd krijgen, wat zijn de beschikbare cijfergegevens dan waard? Hoe robuust zijn die? Kan de regering, en dus u, dan wel gefundeerde beslissingen nemen?

Welke geloofwaardigheid moet aldus aan uw besparingsplannen worden gehecht, als u zelf nog geen correcte analyse op basis van die beschikbare data kunt maken? Wat is de realiteitswaarde? Hoe kunnen we dan volgens u er zeker van zijn dat ons belastinggeld niet wordt verspild? Vindt u het derhalve niet opportuun om een grondige externe audit te laten uitvoeren, een die liefst geen twee jaar duurt?

Frank Vandenbroucke:

Het RIZIV heeft het rapport van het Rekenhof over de sociale zekerheid ontvangen. Het RIZIV erkent dat er een aantal bijsturingen nodig zijn.

Die vaststellingen zijn eigenlijk niet nieuw, mijnheer Moons. Op basis van eerdere vaststellingen is een transformatietraject opgestart. Er was een achterstand in de indiening van de jaarrekening. De jaarrekening van 2021, waarover het Rekenhof heeft gerapporteerd, werd nog met achterstand ingediend, maar ondertussen is een grote inhaalbeweging gerealiseerd. De jaarrekening van 2024 is wel tijdig ingediend.

Ook de controleorganen, dat zijn tot 2027 de revisoren en het Rekenhof en vanaf het boekjaar 2027 alleen nog het Rekenhof, zijn momenteel bezig met de uitvoering van een inhaalbeweging en controleren de ondertussen afgesloten jaren. Het aangehaalde rapport is daar één van. Momenteel loopt ook de audit van het Rekenhof over de rekeningen 2022. De revisoren hebben ondertussen al de boekjaren 2022 en 2023 gecontroleerd.

Hoewel er momenteel volop wordt gewerkt aan de verbetering van de kwaliteit van de cijfers en er verschillende projecten en programma's bij het RIZIV lopen om die kwestie aan te pakken, zal dat zich nog niet meteen vertalen in verbeteringen in de rapporten van het Rekenhof, omdat de processen en de werkwijze niet retroactief kunnen worden aangepast.

Het RIZIV is volgens het KB van 30 april 2024 inzake de uitoefening van de opdracht van financiële controle bij de openbare instellingen van de sociale zekerheid, opgenomen in de golf die een certificatie van het Rekenhof vanaf 2027 moet verkrijgen. De administratie stelt alles in het werk om dat doel te behalen. Daarom werd de certificering van de jaarrekeningen ook in het ontwerp voor de zevende bestuursovereenkomst opgenomen.

Daarnaast wordt ook een semestriële rapportering over de vooruitgang van de verschillende projecten om de boekhouding te verbeteren, aan het Algemeen Beheerscomité van het RIZIV gedaan.

Aan bepaalde opmerkingen is intussen al tegemoetgekomen, zoals de voorziening voor vakantiegeld, de waardeverminderingen op dubieuze vorderingen en de discrepantie tussen het grootboek en de balans- en resultatenrekening.

Andere opmerkingen vragen een grondige aanpassing van de processen en vergen meer tijd. Aan de opmerkingen over onder andere de voorzieningen, de buitenbalansrekening, de immateriële vaste activa en de afschrijvingen respectievelijk over de vastgestelde rechten, de hervorming van het afsluitproces en de waarderingsregels, een antwoord in het boekjaar 2025 en het boekjaar 2026 worden geboden.

Iedere opmerking van het Rekenhof wordt geanalyseerd en, waar nodig, worden acties gedefinieerd om ze op te lossen. Het RIZIV houdt daarvoor ook constructief overleg met het Rekenhof en andere betrokken toezichthouders.

Ondertussen werden ook een aantal interne aanpassingen doorgevoerd. Er werd een nieuwe financieel directeur aangesteld via een vaste aanwerving bij het RIZIV begin 2025. Er zijn ook acties ondernomen om het interne kader van de financiële directie te versterken door gerichte selecties en promoties.

Het traject zal blijvend worden opgevolgd en onverminderd voortgezet om de betrouwbaarheid van de cijfers te verhogen.

Bovendien beklemtoon ik dat de gezondheidszorgbegroting wel degelijk nauwkeurig, correct en tijdig wordt opgevolgd, onder meer aan de hand van maandelijkse boekhoudkundige rapporteringen, periodieke technische ramingen in de verschillende organen van het RIZIV, waarin ook regeringscommissarissen voor Begroting zetelen, en in de Algemene Raad van vertegenwoordigers van de regering, waarbij ook het Rekenhof toegang heeft tot de documenten. De kwaliteit van die gegevens wordt in het rapport van het Rekenhof niet ter discussie gesteld.

Ik besluit. Het RIZIV erkent, enerzijds, de opmerkingen van het Rekenhof volledig en is daar ook actief mee bezig. De audit waarover u terecht een vraag stelt, handelt over de cijfers van 2021. Door de eerder omschreven acties kan ik u meegeven dat het beeld in de komende rapporten een aanzienlijke verbetering zal tonen.

Het is, anderzijds, wel belangrijk te benadrukken dat er wel degelijk een correcte opvolging van de begroting gebeurt in het RIZIV zelf. Ook de vertegenwoordigers van de regering in de Algemene Raad en de verschillende regeringscommissarissen houden in de respectieve bevoegde organen van het RIZIV toezicht.

Mijnheer Moons, van de arbeidsongeschiktheid houdt het RIZIV uiteraard cijfers bij. Ik heb tabellen bij mij, die ik u meteen schriftelijk zal bezorgen want anders zouden wij hier nog lang bezig zijn.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Die antwoorden bevredigen mij echter niet volledig, in die zin dat ze hoofdzakelijk betrekking hebben op het verleden terwijl de vragen en opmerkingen waarnaar wordt verwezen reeds jaren geleden zijn geformuleerd. Ik ga er wel van uit dat u in de toekomst tot een betere uitvoering wilt komen, en ik begrijp dat processen moeten worden aangepast en dat het retroactief moeilijk is om dat te doen. Niettemin zou ik graag uitzien naar een rapport van het Rekenhof dat effectief duidelijkheid verschaft over de robuustheid en de betrouwbaarheid van alle opgenomen gegevens, zeker gelet op het feit dat het om belastinggeld gaat. We moeten erop kunnen vertrouwen dat de cijfers correct zijn, zodat we de juiste analyses kunnen maken en de juiste maatregelen kunnen nemen, op basis van correcte gegevens. Ik zal dan ook met veel enthousiasme de verdere opmerkingen van u en uw diensten blijven opvolgen. Ik dank u wel. La présidente : Les questions jointes suivantes, portant les n°56011005C et 56011453C, de Mmes Eggermont et Bertrand, sont retirées, étant donné que les différentes oratrices ne sont pas présentes. La question n°56011009C, de Mme Eggermont, est également retirée, en raison de l'absence de son auteure.

De situatie van de Waalse ziekenhuizen en de MAHA-sectoranalyse 2025

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder (PS) bekritiseert de schijnbare stabilisatie van de Waalse ziekenhuisfinanciën in 2024, die volgens haar steunt op tijdelijke factoren (energiekosten, COVID-regularisaties), terwijl structurele problemen—dalende inkomsten (budget 2026), stijgende kosten (o.a. statutaire pensioenen, uniek in Wallonië), en beperkte ambulatoire zorg door sociaal-economische kwetsbaarheid—de viabiliteit bedreigen, met risico’s voor investeringen en digitalisering. Frank Vandenbroucke (minister) erkent de zorgwekkende situatie (ook in Brussel/Vlaanderen) maar wijst op lichte verbetering (2025) en lopende investeringen (bv. cybersecurity), benadrukt potentieel in ambulatoire zorg, en kondigt een hervormingsplan aan (vanaf april) gebaseerd op een expertenrapport over efficiënter ziekenhuislandschap; voor pensioenkosten verwijst hij naar een lopend advies aan het Federaal Raadgevend Comité, zonder concrete oplossing te beloven.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, la publication des données MAHA 2025 offre un panorama précieux de la situation hospitalière. Si l'année 2024 apparaît moins dégradée que 2023, cette stabilisation est largement artificielle. Elle repose sur des éléments exceptionnels comme la baisse des coûts énergétiques et des résultats ponctuels liés aux révisions et régularisations, notamment covid.

Sans ces facteurs extérieurs, le résultat d'exploitation serait à nouveau négatif dans de nombreux établissements, alors même que les décisions prises dans le cadre du budget des soins de santé 2026 annoncent une diminution de plusieurs sources de revenus, tandis que les charges, elles, poursuivent leur progression.

Les hôpitaux wallons restent vulnérables en termes d'endettement, de solvabilité et de résultats courants. À cela s'ajoute une charge spécifique pour les hôpitaux publics, celle des pensions des statutaires. Contrairement à d'autres régions, les établissements wallons assument seuls cette dépense croissante. Selon les projections, les cotisations de responsabilisation pourraient atteindre 3,3 % du chiffre d'affaires d'ici 2030, mettant en péril la viabilité de plusieurs institutions publiques ou mixtes.

MAHA confirme aussi la progression de l'hospitalisation de jour. Mais ce virage ambulatoire atteint ses limites, notamment en Wallonie, où la réalité sociale – un taux de risque de pauvreté de près de 22 % – complique le retour à domicile et empêche aussi d'appliquer mécaniquement les modèles d'ambulatoire développés ailleurs.

Enfin, la faiblesse des marges fragilise la capacité d'investissement. Modernisation des infrastructures, sécurité IT, transformation numérique: autant de chantiers essentiels qui risquent d'être différés, faute de financement bancaire.

Monsieur le ministre, comment analysez-vous ces vulnérabilités spécifiques mises en évidence pour la Wallonie? Quelles mesures envisagez-vous pour atténuer l'impact des économies décidées dans le budget 2026? Le gouvernement entend-il avancer vers une solution durable et équitable en matière de pensions statutaires? Enfin, quelles garanties pouvez-vous offrir quant à la capacité d'investissement des hôpitaux wallons dans les années à venir? Je vous remercie.

Frank Vandenbroucke:

Madame la députée, je suis naturellement bien au fait des résultats de l'étude MAHA, ainsi que de la situation des hôpitaux wallons. Bien qu'encore timides, ces résultats montrent une amélioration et cette tendance devrait se poursuivre en 2025, notamment grâce aux régularisations des révisions des exercices antérieurs.

Par ailleurs, des investissements sont continuellement effectués pour soutenir les hôpitaux, en particulier dans des domaines cruciaux tels que la cybersécurité.

Cependant, s'il existe des freins à l'hospitalisation de jour, une marge de progression est encore possible, même pour les hôpitaux de Wallonie. L'évolution de la technologie et des traitements permettra certainement de soutenir la poursuite des durées de séjour et de l'hospitalisation de jour, voire des possibilités de prise en charge à domicile. Néanmoins, vous avez raison de souligner que la situation de certains hôpitaux reste préoccupante, et cela ne concerne pas uniquement la Wallonie, mais également Bruxelles et même la Flandre.

La solution à ce problème nécessite une réflexion de fond sur le rôle et l'avenir de chaque site hospitalier, selon un modèle d'organisation de soins de qualité mais aussi d'efficience, afin de cibler au mieux le financement des hôpitaux. C'est précisément pour cette raison que nous avons demandé à un groupe de travail d'experts de se pencher sur le paysage hospitalier lors de la conférence interministérielle. Nous avons reçu leur rapport avant Noël et l'avons soumis à des demandes d'avis, par exemple au Conseil fédéral des Établissements hospitaliers. À partir du mois d'avril, après réception des avis des instances officielles, nous voulons nous atteler à la définition d'une politique de réforme du paysage hospitalier.

Bien que les investissements en infrastructures ne relèvent plus de la compétence du fédéral, il est essentiel que les régions évaluent l'opportunité de tels investissements avant de s'engager lourdement. C'est la raison pour laquelle la réflexion sur le paysage hospitalier émane de la conférence interministérielle, de façon à accorder au mieux le rôle de chaque site en termes d'offre de soins à des investissements en infrastructures qui soient appropriés à ce rôle.

En ce qui concerne les charges de pension, il est vrai que la prise en charge par la Flandre à hauteur de 50 % est différente de celle de la Wallonie. C'est un fait que je ne peux que constater. Comme j'ai déjà dit à Mme Gijbels, j'ai aussi adressé récemment une demande d'avis au Conseil fédéral des Établissements hospitaliers concernant la répartition de la compensation de la charge de pension des hôpitaux publics dans leur budget des moyens financiers.

Ludivine Dedonder:

Merci pour votre réponse.

De evolutie van de tandartsenpraktijken en de risico's inzake toegankelijke tandzorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder waarschuwt voor twee dreigingen in de tandartsensector: zorgleemtes in landelijke gebieden door afnemende solo-praktijken en dalend conventionnement (37% in groepspraktijken vs. 49% solo), wat de financiële toegang bedreigt. Ze vraagt om data, steunmaatregelen voor kwetsbare regio’s en een minimale conventioneringsplicht voor groepspraktijken. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt toegangsproblemen maar stelt dat gebrek aan precieze gegevens (tot 2026 via ProSanté) beleid nu onmogelijk maakt; structurele steun valt onder bevoegdheid van de deelstaten, en conventionering blijft individueel in de lopende hervorming. Hij sluit verplichte percentages uit. Dedonder bekritiseert het gebrek aan actie en noemt de huidige situatie "onrechtvaardig" (als "linkse mening"), dringend om waakzaamheid.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, la profession de dentiste connaît une mutation profonde. La pratique solo recule rapidement au profit de cabinets pluridisciplinaires ou de groupes d’investissement. Il s’agit d’une transition qui soulève aujourd’hui deux préoccupations majeures de santé publique.

La première concerne le risque de rupture du maillage territorial. Les cabinets solo assuraient historiquement une offre de proximité, en particulier dans les zones rurales ou semi-rurales. De nombreux dentistes en fin de carrière peinent désormais à transmettre leur cabinet faute de repreneurs. Dans certaines régions, des patientèles entières risquent de se retrouver sans solution, aggravant les inégalités territoriales en matière d’accès aux soins bucco-dentaires.

La deuxième concerne l’impact du regroupement sur le conventionnement. Selon Solidaris, seuls 37 % des dentistes travaillant en groupe sont conventionnés, contre 49 % des dentistes solos. Cette différence pourrait à terme réduire l’accessibilité financière des soins pour de nombreux patients. Quelle analyse fait le gouvernement du risque de désertification des dentistes dans certaines régions? Disposez-vous de données consolidées sur l’implantation géographique et leur impact sur la continuité du maillage territorial? Envisagez-vous des mesures incitatives ou structurelles pour soutenir la transmission ou l’installation de cabinets généralistes dans des zones plus fragiles? Et au vu des écarts de conventionnement entre pratiques solos et pratiques de groupe, le gouvernement étudie-t-il la possibilité d’imposer un pourcentage minimal de dentistes conventionnés dans les cabinets pluridisciplinaires afin de garantir l’accessibilité financière des soins? Je vous remercie pour vos réponses.

Frank Vandenbroucke:

Merci. En ce qui concerne les deux premières questions, il est exact que nous recevons régulièrement des retours de patients signalant des difficultés d’accès aux soins dentaires dans certaines régions, tant au nord qu’au sud du pays. La question de la répartition territoriale est effectivement centrale.

À ce jour, la commission de planification ne dispose pas de données précises sur les lieux de pratique des dentistes. Il n’est donc pas possible d’objectiver cette répartition territoriale. Cependant, grâce au portail ProSanté, un registre de pratiques sera établi, incluant les lieux de pratique validés par les dentistes. Dès que ces données seront disponibles et validées, la commission de planification publiera des statistiques détaillées sur l’activité des professionnels de santé permettant d’intégrer la dimension territoriale.

Des campagnes de communication visant à inviter les professionnels à valider leurs données sur le portail débuteront en 2026. Vous comprendrez qu'avant de disposer de cette répartition territoriale objectivée, il est difficile pour la commission de planification de se prononcer sur d'éventuels déséquilibres.

En réponse à vos troisième et quatrième questions, il n'est pas envisagé de prendre des mesures incitatives ou structurelles pour soutenir la transmission ou l'installation de cabinets dans les zones fragiles. L'organisation de la première ligne relève de la compétence des entités fédérées.

En ce qui concerne le conventionnement, un projet de loi-cadre concernant la réforme des soins de santé est en cours de procédure législative, comme vous le savez. Ce projet prévoit notamment une révision du système d'accords et de conventions actuel. Néanmoins, dans le cadre de cette réforme, le conventionnement reste individuel et non lié à un type de pratique.

Ludivine Dedonder:

Je vous remercie pour votre réponse. Je vous encourage tout de même à suivre ce dossier puisque, vous l'avez dit d'emblée, vous avez écho des difficultés d'accès aux soins dentaires des citoyens. J'entends qu'il n'est pas prévu d'offrir un soutien à ce stade. Restons toutefois attentifs. Aujourd'hui, l'accès aux soins dentaires présente énormément d'injustice et d'inégalité. Pour moi, en tant que personne de gauche, cet élément fait partie des injustices dans le domaine des soins. Je vous invite donc à être vigilant sur cette question.

Het IFIC-barema voor basisverpleegkundigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ludivine Dedonder waarschuwt dat de geplande afschaffing van het brevet verpleegkunde door de Fédération Wallonie-Bruxelles de personeelstekorten kan verergeren, omdat het een cruciale toegangspoort is voor kwetsbare studenten, terwijl de vervangende assistent-opleiding nog niet geregeld is—met onduidelijkheid over IFIC-classificatie en salarissen. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt dat de IFIC-classificatie pas definitief kan worden vastgelegd wanneer de eerste assistenten (eind 2026) actief zijn, maar dat tijdelijke barèmes (buiten IFIC) in overleg met sociale partners voor eind januari moeten worden afgesproken, met aandacht voor de Vlaamse invoering dit jaar. Dedonder kritiseert impliciet het gebrek aan voorbereiding, terwijl Vandenbroucke benadrukt dat technische afstemming met werkgevers- en vakbonden loopt, maar concrete cijfers en vergelijkingen met bestaande functies nog ontbreken.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, de nombreux infirmiers et infirmières se sont mobilisés devant plusieurs hôpitaux wallons afin d'exprimer leur inquiétude face à l'intention de la Fédération Wallonie-Bruxelles de supprimer le brevet d'infirmier. Selon les professionnels mobilisés, cette réforme risque d'aggraver la pénurie en restreignant l'accès à la formation infirmière. Le brevet constitue aujourd'hui une voie d'entrée essentielle pour des étudiants qui ne disposent ni des moyens financiers ni des titres scolaires nécessaires pour entamer directement un bachelier en soins infirmiers. Le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles prévoit de remplacer le brevet par une nouvelle formation d'assistant en soins infirmiers. Toutefois, à moins de neuf mois de la prochaine rentrée académique, aucun texte réglementaire ne semble encore avoir été adopté, ce qui laisse subsister de nombreuses incertitudes, tant pour les futurs étudiants que pour les établissements de soins. Dans ce contexte, une question majeure relève directement du niveau fédéral: la classification IFIC et la rémunération future de ces assistants en soins infirmiers.

Monsieur le ministre, le gouvernement fédéral a-t-il déjà examiné la création d'une nouvelle fonction dans la nomenclature IFIC destinée aux futurs assistants en soins infirmiers? Si oui, à quel stade se trouvent les travaux et quelles sont les pistes envisagées? Pouvez-vous préciser quel barème IFIC pourrait s'appliquer à ces nouveaux professionnels de santé? Des simulations ou comparaisons avec les fonctions existantes ont-elles été réalisées? Les partenaires sociaux ont-ils été consultés sur l'intégration de cette nouvelle profession dans la classification IFIC? Si tel est le cas, quelles ont été leurs positions ou recommandations?

Frank Vandenbroucke:

L'assistant en soins infirmiers est, comme vous le savez, un nouveau profil professionnel distinct de celui d'infirmier responsable en soins généraux. Il a été créé dans le cadre de la réforme de l'art infirmier afin d'apporter une réponse à la pénurie de personnel. C'est l'Institut de classification IFIC qui détermine la catégorie barémique de la fonction d'assistant en soins infirmiers. Le calcul de l'IFIC est fondé sur une pondération des fonctions sur la base de six critères objectifs traduisant le niveau de connaissance, de responsabilité, de complexité, de communication et de pénibilité contextuelle de chaque fonction. Une classification définitive ne pourra toutefois intervenir qu'une fois que la fonction est effectivement exercée sur le terrain, les premiers diplômés étant attendus en juin 2026. Il est vrai que certains commenceront en février de cette année, mais on attend le premier groupe important en juin.

Ces résultats techniques seront concertés et validés avec les partenaires sociaux en charge des accords paritaires sectoriels pour les secteurs de la santé, c’est-à-dire les fédérations patronales et syndicales. Des discussions sont néanmoins en cours en concertation avec ces partenaires sociaux.

Une solution transitoire est examinée avec les partenaires sociaux en matière de barème intermédiaire pour les assistants en soins infirmiers (ASI), dans l’attente d’une classification définitive. La durée de ce barème transitoire, en dehors de l’IFIC, doit tenir compte de l’entrée sur le marché du travail des premiers ASI en Flandre cette année, ainsi que du lancement de la formation d’ASI du côté francophone. Un accord est attendu d’ici la fin janvier concernant ce barème transitoire pour les ASI. Une communication à ce sujet suivra.

Ludivine Dedonder:

Je vous remercie pour cette réponse. Nous allons attendre les informations complémentaires à la fin de ce mois.

Het toenemende aantal exotische dieren in België en de artsenopleiding over de bijbehorende risico's

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anthony Dufrane wijst op grove tekortkomingen in België na een ernstige loxosceles-spinnenbeet in Luik, waar de patiënt ("patiente zéro") initially geen antidotum kreeg en ziekenhuizen dergelijke gevallen bagatelliseren als "niet-inheems". Hij vraagt om concrete cijfers, protocollen, antidotumvoorraad (afwezig ondanks aanwezigheid in Zuid-Frankrijk) en betere opleiding artsen/coördinatie tussen ziekenhuizen, Antigifcentrum en gespecialiseerde instellingen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat geen Europees erkend antidotum bestaat en geen nationaal protocol voorhanden is, maar verzekert dat artsen het Antigifcentrum kunnen raadplegen voor symptomatische behandeling (pijnstilling, wondzorg). Hij wijst op bevoegdheidsverdeling met gewesten voor plaagbeheer en biodiversiteit, zonder concrete maatregelen te aankondigen. Dufrane kritiseert het ontbreken van antwoorden over interinstitutionele coördinatie en benadrukt dat globalisering exotische soorten naar België brengt, wat dringend preventieve antidotumvoorraden vereist – hoewel Vandenbroucke enkel toezegt de situatie in grenslanden te "monitoren".

Anthony Dufrane:

Madame la présidente, je profite de cette prise de parole pour vous demander de transformer ma question n°56012226C en question écrite.

La présidente : La question n° 56012226C de M. Anthony Dufrane est transformée en question écrite.

Anthony Dufrane:

Monsieur le Ministre,

Un cas récent de morsure d'araignée violoniste (Loxosceles rufescens) en province de Liège a révélé des lacunes dans la préparation et la prise en charge des morsures venimeuses en Belgique. La victime a développé des symptômes graves (nécrose cutanée, fièvre élevée, tachycardie, infarctus).

Elle n'a pu obtenir, dans un premier temps, un sérum adapté, faute de traitement disponible en Belgique. Ce cas, qualifié de « patiente zéro » par son avocat, soulève des questions sur la présence croissante de ces araignées, la disponibilité des antidotes, et la formation des professionnels de santé. Inversement, les hôpitaux ou l'IMT ne prennent que peu au sérieux les alertes en prétextant qu'un tel animal ne vit pas sous nos latitudes.

Alors que les transports internationaux favorisent le déplacement d'espèces exotiques, il est essentiel d'évaluer les risques pour la population, les protocoles de prise en charge et les mesures de prévention.

Mes questions, Monsieur le Ministre, sont :

Combien de cas de morsures d'araignées violonistes ou d'autres espèces exotiques ont été recensés en Belgique ces dernières années, et quelles zones géographiques sont les plus touchées ?

L'Institut de Médecine Tropicale ou le Centre antipoisons ont-ils enregistré une augmentation des signalements liés à ces araignées ?

Combien d'interventions ou de consultations liées à des morsures d'araignées violonistes ont été réalisées en Belgique ces 5 dernières années ? Quels protocoles sont actuellement appliqués pour identifier et traiter ces morsures ?

Pourquoi la Belgique ne dispose-t-elle pas d'antidote contre le venin de Loxosceles, alors que cette espèce est désormais présente dans des régions « voisines » comme le sud de la France ? Une évaluation est-elle en cours pour en stocker ?

Quelles mesures sont prises pour former les médecins, les urgences hospitalières et les centres de soins à la reconnaissance et à la prise en charge des morsures d'araignées violonistes ou d'autres animaux exotiques venimeux ?

Envisagez-vous de renforcer la surveillance épidémiologique des espèces exotiques

Comment comptez-vous améliorer la coordination entre les hôpitaux, le Centre Antipoisons et les institutions spécialisées pour garantir une prise en charge rapide et adaptée des victimes de morsures venimeuses ? Un protocole national pour la gestion de ces cas urgents est-il à l'étude ?

Frank Vandenbroucke:

À l’heure actuelle, il n’existe en Europe aucun antidote ou sérum spécifiquement reconnu et autorisé pour les morsures d’araignées du genre Loxosceles. Un anti-venin est utilisé au Brésil, mais celui-ci n’est pas disponible en routine sur le territoire européen.

Dans ce contexte et compte tenu de l’extrême rareté de ce type de cas en Belgique, il n’existe pas à ce jour de protocole national spécifique dédié à l’identification et à la prise en charge de ce type de morsure. Il convient toutefois de souligner que les professionnels de santé disposent de mécanismes de soutien et de concertation. En cas de suspicion de morsure venimeuse ou d’envenimation, les médecins peuvent à tout moment solliciter l’avis du Centre Antipoisons.

La prise en charge repose principalement sur un traitement symptomatique, conformément aux bonnes pratiques médicales générales applicables aux morsures d’insectes ou d’arachnides, comme le contrôle de la réaction inflammatoire, notamment par l'administration d'antihistaminiques, la prise en charge de la douleur, les soins locaux de la plaie tels que la désinfection et le refroidissement de la zone concernée, etc.

Enfin, la gestion des nuisibles relève d’une coopération entre les différents niveaux de pouvoir et les acteurs privés, chacun agissant dans le cadre de ses compétences spécifiques. Les régions, avec des organismes régionaux tels que Bruxelles-Environnement ou le Service public de Wallonie, sont notamment compétentes en matière de biodiversité, d’espèces protégées et de gestion des nuisances dans l’espace public régional.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne les ai peut-être pas toutes obtenues, notamment en ce qui concerne la coordination entre les hôpitaux, le Centre Antipoisons et les institutions spécialisées. Je note toutefois que l’accroissement du commerce et des importations, avec les transports qui y sont liés, est évidemment susceptible d’amener des espèces tropicales sur notre territoire, ce que nous constatons quotidiennement. Outre les risques environnementaux, il est important de disposer d’un certain nombre d’anti-venins et de sérums. Je ne doute pas que la présence d’espèces dangereuses dans les pays limitrophes restera dans votre viseur ainsi que dans celui d’institutions comme l’Institut de médecine tropicale, et que vous agirez en conséquence afin d’aider les éventuelles futures victimes, même si j'espère qu'il n'y en aura pas.

De fraude ten nadele van het RIZIV

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane wijst op systematische zwaktes in INAMI-controles na fraudezaken (bv. fictieve facturatie door een Vlaamse verpleegster en apotheker), bekritiseert trage gerechtelijke afhandeling en vraagt om strengere maatregelen, waaronder beperking van handmatige facturatie. Minister Frank Vandenbroucke meldt 4,3 miljoen euro fraude in 2025 (een "minderheid maar belangrijk deel" van onterechte declaraties) en presenteert een vijfjarig antifraudeplan (2026-2030) met 28 INAMI-acties, betere datadeling, snellere samenwerking tussen instanties en technologische tools (bv. verplichte MyCareNet-checks voor apothekers). Dufrane prijsde plan als "efficiëntieverhogend" maar benadrukte dat lange procedures blijvend risico vormen. Vandenbroucke benadrukt preventie en synergie tussen controlediensten, zonder concrete termijnen voor versnelling te noemen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les récentes affaires de fraudes à l'INAMI, comme celles impliquant l'infirmière et un pharmacien flamand, révèlent des failles dans le système de contrôle actuel. La situation est telle qu'il est relativement aisé d'entrer des rapports frauduleux dans le but d'obtenir des remboursements pour des soins non-prestés.

Malgré des mécanismes de détection et des enquêtes menées depuis plusieurs années, certains fraudeurs parviennent à contourner les dispositifs et à prolonger leurs pratiques illégales, causant des préjudices financiers importants et sapant la confiance dans notre système de santé.

Ces cas soulignent la nécessité de renforcer les procédures de contrôle, d'accélérer les enquêtes, et d'adopter des mesures plus dissuasives pour protéger les finances publiques et la qualité des soins.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Quelles sont les raisons principales expliquant le délai entre la détection des anomalies et l'aboutissement des procédures judiciaires ou administratives?

Comment comptez-vous réduire ces délais pour éviter que des fraudeurs ne puissent poursuivre leurs agissements pendant des années?

Quels sont les angles morts identifiés dans les mécanismes de contrôle actuels, notamment en ce qui concerne les facturations manuelles (comme celles exploitées par le pharmacien condamné) ou les prestations fictives? Envisagez-vous de supprimer ou de mieux encadrer les exceptions techniques (comme l'encodage manuel) qui peuvent être détournées à des fins frauduleuses?

Quelle est l'ampleur réelle des fraudes à l'INAMI en 2025, et comment ces chiffres évoluent-ils par rapport aux années précédentes?

Quelles sont les mesures concrètes prévues dans le plan antifraude en cours de finalisation?

Comment comptez-vous améliorer la collaboration entre l'INAMI, les mutuelles, l'auditorat du travail, et le parquet pour accélérer le traitement des dossiers et le recouvrement des montants détournés?

Des outils technologiques supplémentaires (comme l'intelligence artificielle pour analyser les données de facturation) sont-ils envisagés pour renforcer la détection des anomalies?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Dufrane, ma réponse comprend de nombreux graphiques.

Pour l'année 2025, un montant de fraude de 4,3 millions d'euros a été constaté par le Service d'évaluation et de contrôle médicaux (SECM) de l'INAMI. Il s'agit uniquement de la partie fraude et non de la détection d'autres prestations indûment facturées. Vous pouvez observer dans un graphique que je peux vous procurer, l'évolution ces dernières années de la part de la fraude par rapport à l'ensemble des infractions constatées. Cette part fluctue d'année en année. En 2024 et 2025, il s'agit d'une part minoritaire, mais quand même importante.

Entre-temps, le nouveau plan d'action en matière de contrôle des soins de santé a été finalisé et approuvé le 22 décembre 2025 par le Conseil général de l'INAMI ainsi que par le gouvernement. Il couvre une période de cinq ans, de 2026 à 2030 inclus. Ce plan d'action définit des priorités claires ainsi que des actions communes concrètes. Il met l'accent sur un partage des données plus efficace, l'évitement des doubles emplois, un accès plus rapide aux informations de facturation correctes et un renforcement de la coopération sur le terrain. Nous construisons ainsi un cadre de contrôle qui ne se limite pas à lutter contre la fraude, mais qui agit également de manière préventive et offre aux prestataires de soins et aux patients une meilleure clarté quant aux règles et aux attentes.

Les actions dans ce plan sont réparties par domaine de compétences. Pour l'INAMI, les organismes assureurs et l'Agence Intermutualiste (AIM), le plan comprend 28 actions auxquelles s'ajoute le nouveau dispositif VARAK. La Commission fédérale de contrôle VARAK est chargée de la mise en œuvre de six actions, tandis que l'AFMPS en assure huit. En outre, neuf actions conjointes visent à renforcer la synergie entre les différents services d'inspection.

Voici quelques exemples concernant les pharmaciens. Premier exemple, l'action 26: pour éviter de rembourser des médicaments alors que le patient ne répond pas aux conditions et que le prescripteur indique néanmoins la condition sur la prescription – par exemple, le médecin indique "trajet de soins: insuffisance rénale" –, on demande au pharmacien de vérifier le statut du patient dans MyCareNet MemberData .

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, et je remercie d'avance votre cabinet pour les graphiques qu'il me transmettra. En effet, les procédures peuvent s’avérer longues et complexes lorsque les contrôles doivent être opérés par l’INAMI. Au regard de l’annonce de votre plan de lutte contre la fraude et de vos initiatives législatives, je ne peux que vous féliciter. Je ne doute pas non plus que les simplifications qui seront mises en place afin de rendre l’Institut plus efficace permettront de combattre à l’avenir les abus qui grèvent les dépenses de l’État. Un grand merci encore pour vos réponses, monsieur le ministre. La présidente : Les questions n ° s 56011503C et 56011504C de Mme Irina De Knop sont reportées.

Het verpleegkundigentekort
Het rapport van het Rekenhof over het verplegingsaanbod
Het verslag van het Rekenhof inzake het verplegingsaanbod
De evaluatie van het Zorgpersoneelfonds door het Rekenhof
Het verpleegkundigentekort
Tekort en evaluatie van verpleegkundig aanbod en zorgpersoneelfonds

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Het Rekenhof waarschuwt voor een groeiend tekort aan verpleegkundigen tegen 2046, ondanks stijgende aantallen, door vergrijzing en hoge zorgvraag. Frieda Gijbels (kritisch) stelt dat het zorgpersoneelsfonds (€400M/jaar) onvoldoende resultaat boekt (slechts +367 VTE sinds 2018, met veel dure uitzendkrachten) en pleit voor betere opvolging van tekorten, registratie van actieve verpleegkundigen en focus op werkomstandigheden (minder administratie, betere leiderschap, jobinhoud) als sleutel om uitstroom en deeltijdse arbeid tegen te gaan. Minister Vandenbroucke erkent de structurele schaarste (slechts 44 kandidaten per 100 vacatures) en benadrukt dat het fonds breder is dan enkel verpleegkundigen (ook zorgkundigen/paramedici stijgen), maar beaamt dat werkomgeving, autonomie en waardering cruciaal zijn—gestuurd door studies als KCE-rapport 353A en BeWellPro-enquête, die dezelfde knelpunten aanhalen. Jeroen Van Lysebettens vraagt concrete timing voor een dynamisch register en evaluatie van maatregelen, terwijl hij Vlaamse belemmeringen (bv. vertraagde opleidingen praktijkassistenten) en federale werkloosheidsuitzonderingen als onbenutte hefbomen signaleert.

Frieda Gijbels:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, in het recentste verslag van het Rekenhof over het verplegingsaanbod blijkt dat het structurele tekort aan verpleegkundigen tegen 2046 fors zal toenemen. Ondanks de stijging van het aantal verpleegkundigen wordt een daling verwacht van de verpleegkundigendichtheid, door de vergrijzing, die een grotere zorgvraag met zich meebrengt. Om het tekort aan verpleegkundigen aan te pakken, formuleert het Rekenhof een aantal aanbevelingen. Daarover heb ik enkele vragen.

Er bestaat eigenlijk geen duidelijke opvolging van het aantal verpleegkundigen, wat het Rekenhof ook aangeeft. Bent u van plan om, zoals het Rekenhof suggereert, een register in te voeren van het aantal actieve verpleegkundigen en hun verdeling? Zo ja, welke timing voorziet u hiervoor? Zal er een toekomstprojectie worden gemaakt van het benodigde aantal verpleegkundigen per sector voor de komende jaren? Acht u het nuttig om zicht te krijgen op de tekorten aan verpleegkundigen per ziekenhuis? Zo ja, is dit iets waarvan u werk zult maken?

Vervolgens geeft het Rekenhof aan dat de maatregelen die in de loop van de jaren werden genomen om het aanbod aan verpleegkundigen te verhogen, niet worden opgevolgd met betrekking tot hun effectiviteit en impact. Dit lijkt mij een belangrijke bemerking. Zult u een methode uitwerken om dit alsnog te doen?

Een volgende vraag betreft het zorgpersoneelsfonds, dat enkele jaren geleden in het leven werd geroepen. Dat zorgpersoneelsfonds, met een bedrag van meer dan 400 miljoen euro per jaar, levert veel minder op dan initieel verwacht. Zo was het aantal verpleegkundigen in de ziekenhuizen eind 2022 slechts gestegen met netto 367 voltijdsequivalenten ten opzichte van 2018, waarvan een aanzienlijk deel uitzendkracht is. Deze brengen bovendien een grote extra kost met zich mee voor de ziekenhuizen.

Hoe evalueert u zelf het zorgpersoneelsfonds? Op welke manier kan de evolutie naar de inzet van uitzendkrachten worden tegengegaan? Hoe plant u het aantal actieve verpleegkundigen alsnog op te krikken?

Mijn volgende reeks vragen gaat over hetzelfde onderwerp. Hebt u zicht op de stijging van deeltijdse arbeid of de verkorting van de werkweek bij verpleegkundigen sinds de introductie van het zorgpersoneelsfonds? Kunt u daarover cijfers geven, of worden die vandaag niet systematisch bijgehouden? Heeft er een bevraging plaatsgevonden bij verpleegkundigen over welke maatregelen voor hen het meest noodzakelijk zijn om het beroep aantrekkelijker te maken, zoals minder administratie, meer teaminspraak of een betere werkorganisatie? Indien een dergelijke bevraging heeft plaatsgevonden, wat waren de belangrijkste conclusies? Zo niet, wordt een bevraging dan nog gepland?

Hebt u kennisgenomen van het KCE-rapport 353A, waarnaar ik al meerdere malen heb verwezen? Ik vind het een zeer interessant rapport, waaruit blijkt dat vooral de werkomgeving bepalend is voor de tevredenheid en het behoud van verpleegkundigen. Bent u het ermee eens dat de inzichten uit dat rapport breder toepasbaar zijn dan enkel voor de intensieve zorg?

Hebt u zicht op de verschillen in het verloop van verpleegkundig personeel tussen verschillende ziekenhuizen? Worden die verschillen systematisch opgevolgd en geanalyseerd, zodat men kan leren van ziekenhuizen waar het verloop beperkt is? Acht u het nuttig dat goede voorbeelden van ziekenhuizen met laag verloop actief worden gedeeld?

Jeroen Van Lysebettens:

Ik denk dat mevrouw Gijbels de aanleiding voor de vragen al heeft geschetst, dus ik ga direct door naar mijn vragen.

In uw beleidsnota stelt u dat de toekomstagenda voor werken in de zorg als leidraad zal dienen voor hervormingen tijdens de huidige legislatuur. U kondigde daarin onder meer aan dat er een onderzoek komt naar de verlenging van het gunstregime voor gepensioneerden die in de zorg blijven werken. Hoe is de stand van zaken en hoe sluit die maatregel aan bij de aanbevelingen van het Rekenhof? Zal de toekomstagenda worden bijgestuurd naar aanleiding van het rapport van het Rekenhof?

In uw beleidsverklaring kondigde u ook de oprichting van een dynamisch medisch kadaster aan om tekorten in de zorgberoepen en de geografische spreiding ervan beter te monitoren. Het Rekenhof beveelt aan dat het register zo snel mogelijk wordt ingevoerd, met bijzondere aandacht voor verpleegkundigen. Welke timing voorziet u voor de implementatie?

In antwoord op een vraag van mijn voorganger, mevrouw De Sutter, in april vermeldde u dat elf Vlaamse hogescholen nieuwe opleidingen voor praktijkondersteuners voorbereiden. Wat is de stand van zaken daarvan? Zijn die opleidingen dit academiejaar van start kunnen gaan? Hoe zullen die opleidingen bijdragen aan het wegwerken van gesignaleerde knelpunten?

U verkreeg ook eerder in 2025 een uitzondering op de beperking van de werkloosheid in de tijd voor personen die een zorgopleiding volgen of zich voor het einde van 2025 inschrijven. Over hoeveel personen gaat het? Is er sinds de aankondiging een stijging merkbaar in het aantal inschrijvingen voor de opleiding verpleegkunde? Bent u bereid de uitzondering uit te breiden, ook na januari 2026, voor mensen die een OCOT-opleiding verpleegkunde aanvatten? Welke andere maatregelen plant u om het tekort aan te pakken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw de voorzitster, het zijn veel vragen en belangrijke vragen. Ik heb behoorlijk uitgebreide antwoorden. Ik zou dus willen voorstellen dat dat misschien mijn laatste vraag- en antwoordsessie is. Ik heb hier in totaal meer dan twintig vragen, maar gelukkig zijn mevrouw Eggermont en mevrouw De Knop er niet. Dat reduceert een en ander een beetje, maar het is toch veel.

Op de algemene vraag hoe ik reageer op het rapport van het Rekenhof zijn wel wat nuances aan te brengen. Er is, ten eerste, natuurlijk de arbeidsmarktcontext. In Vlaanderen, Wallonië en Brussel is er een tekort aan verpleegkundigen. Uit de spanningsindicatoren van de VDAB in Vlaanderen voor verpleegkundigen en hoofdverpleegkundigen blijkt dat ze respectievelijk op 0,44 en 0,14 staan. Dat betekent dat er voor honderd vacatures maar 44 kandidaten zijn voor verpleegkundigen en 14 voor hoofdverpleegkundigen. Dus zelfs als het geld er is, zijn ze niet te vinden. Dat betekent dus dat, realistisch gesproken, niet kan worden verwacht dat het zorgpersoneelfonds as such dat tekort wegwerkt.

Zelfs binnen die heel moeilijke context van schaarste aan aanbod is bij 62 % van de ziekenhuizen het aantal verpleegkundigen echter toch gestegen tussen 2018 en 2022. Dat is op zich veeleer positief en verdient nuancering. De doelstelling van het zorgpersoneelfonds is echter ook nooit uitsluitend gericht op het aanwerven van verpleegkundigen, hoewel verpleegkundigen uiteraard een heel belangrijke actor en misschien zelfs de cruciale actor in de gezondheidszorg zijn. De doelstelling van het zorgpersoneelfonds gaat ruimer en vertrekt van de ambitie om meer handen aan het bed van de patiënt te krijgen.

Het aantal voltijdsequivalenten voor andere categorieën van zorgpersoneel dan verpleegkundigen, in het bijzonder zorgkundigen en paramedisch personeel, is veel sterker gestegen. In 87 % van de ziekenhuizen is bijvoorbeeld meer paramedisch personeel aangeworven en in 71 % van de ziekenhuizen is het aantal zorgkundigen toegenomen.

Ook kan met de fondsen van het zorgpersoneelsfonds ondersteunend personeel worden aangeworven, dat administratieve, logistieke en andere taken uit het takenpakket van de verpleegkundigen neemt en zo meer zorgtijd mogelijk maakt.

Wat betreft de evaluatie van het zorgpersoneelsfonds voorziet de wet niet in andere evaluaties dan die van 2019, 2020 en 2021. Een nieuwe evaluatie kan weliswaar nuttige inzichten opleveren, maar het is belangrijk om daarbij rekening te houden met de beschikbare gegevens, de reeds lopende analyses, zoals die van BeWellPro –ik kom daar dadelijk nog op terug – en de nodige tijd om effecten correct te kunnen meten. De mogelijkheid en het geschikte tijdspad voor een dergelijke evaluatie zullen in dat kader moeten worden bekeken.

De volgende vraag was of we zicht hebben op de opvolging. Wat betreft de actuele tekorten in het aantal verpleegkundigen is het praktijkregister momenteel reeds operationeel en wordt dat ook voortdurend verfijnd. Een van de doelstellingen van dit register is om de beroepsactiviteit en de geografische spreiding van zorgverleners, waaronder in het bijzonder verpleegkundigen, beter en actueler te kunnen opvolgen. De gegevens van dit praktijkregister zullen in 2026 worden geanalyseerd en, als alles goed gaat, aan het einde van dit jaar online worden gepubliceerd via een dashboard. De verdere uitbreiding zal nadien stapsgewijs gebeuren in functie van datakwaliteit en beleidsnoden.

Wat betreft de toekomstige noden voor verpleegkundigen werden in april 2024 de meest recente prognoseresultaten gepubliceerd. Deze prognoses voor het jaar 2046 streven naar een optimaal aanbod van omkadering in alle sectoren en bepalen hoeveel verpleegkundigen nodig zullen zijn om dit voor elke sector te bereiken. De volgende update van deze scenario’s is gepland in het operationeel plan van de Planningscommissie in 2027.

Dan kom ik tot de vraag hoe we deze situatie kunnen verbeteren en het aantal actieve verpleegkundigen kunnen verhogen. Om te beginnen is het belangrijk dat in de voorbije legislatuur een brede hervorming van het verpleegkundig beroep is opgestart. Dit ging onder meer over het volgende.

Ten eerste is er de invoering van twee nieuwe functies: de basisverpleegkundige en de verpleegkundige-specialist, om de loopbaanmogelijkheden uit te breiden en het beroep aantrekkelijker te maken.

Daarnaast gaat het over de herziening van de technische verstrekkingen en de toevertrouwde handelingen, zoals die zijn vastgelegd in een koninklijk besluit van 1990, evenals over een actualisering van de definitie van het verpleegkundig beroep zelf. Dat hebben we gedaan met de herschrijving van artikel 46 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015.

Ten derde ging het over de implementatie van wetgeving inzake wat we de bekwame helper en de activiteiten van het dagelijks leven noemen. Daardoor ontstaan meer delegatiemogelijkheden van handelingen, met delegatie door verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg aan mensen die geen dergelijk beroepsprofiel hebben, maar die wel een opleiding krijgen en een duidelijk omschreven verantwoordelijkheid dragen.

Ten slotte is er nog werk dat we zullen verrichten. We zullen uitvoeringsbesluiten nemen om het idee van flexibele samenwerking in een gestructureerd zorgteam concreet te maken. We zullen ook een hervorming doorvoeren van de specialisatietitels van verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg. Dat betekent het beroep aantrekkelijker en interessanter maken, met meer doorstroommogelijkheden, meer autonomie en een betere taakverdeling. Dat vergroot op zich de capaciteit van de mensen die er zijn en moet het beroep ook aantrekkelijker maken om erin te stappen.

De derde vraag van mevrouw Gijbels is of we zicht hebben op de ziekenhuizen die het beter doen dan andere? Ik denk niet dat er een centrale dataverzameling bestaat over het personeelsverloop op ziekenhuisniveau. Ik denk wel dat het zeer nuttig is om goede praktijken tussen Belgische ziekenhuizen actief te delen. De ervaring van het project Magnet4Europe, dat in België de filosofie van de Magnet-ziekenhuizen heeft geïntroduceerd, die gebaseerd is op verpleegkundig leiderschap, samenwerking, competentieontwikkeling, onderzoek en het verbeteren van de resultaten voor patiënten, toont aan dat die elementen een rechtstreekse invloed hebben op het behoud van personeel. Ook het federale project Florerende Ziekenhuizen, dat tot doel had verschillen in personeelsverloop te vergelijken en effectieve benaderingen om aantrekkelijke werkomgevingen te creëren te verspreiden, heeft goede praktijken geïdentificeerd. Die initiatieven tonen aan dat een gestructureerde uitwisseling van voorbeeldpraktijken essentieel is om de professionele autonomie te versterken en het behoud van verpleegkundig personeel te verbeteren.

Natuurlijk moeten we ervoor opletten dat we niet zomaar een-op-eenverbanden leggen tussen personeelsverloop en personeelsbeleid in een ziekenhuis. Er kunnen andere elementen meespelen, zoals de ligging van het ziekenhuis. In een groter ziekenhuis kunnen er meer carrièremogelijkheden zijn, zonder dat daarom het personeelsbeleid op zich beter is enzovoort.

Mijnheer Van Lysebettens, u vraagt hoeveel mensen nu genieten van die uitzondering op de beperking in de werkloosheidsduur om een opleiding te kunnen volgen. Die vraag moet door mijn regionale collega's verantwoordelijk voor Onderwijs beantwoord worden.

Wat betreft uw vragen over het aantal mensen dat geniet van die mogelijke uitzondering in de werkloosheidsregeling of over de eventuele plannen van onze federale regering, moet ik u doorverwijzen naar minister Clarinval.

U vroeg hoe het zit met die nieuwe opleidingen voor praktijkondersteuners. Ik veronderstel dat u de praktijkassistenten bedoelt, een nieuw zorgprofiel dat we in de vorige legislatuur hebben geïntroduceerd in de WUG-wet van 2023. Dat was belangrijk, met name voor de huisartsen, maar dat kan ook nuttig zijn voor de woon-zorgcentra.

Op het Vlaamse niveau is men dat beginnen bekijken, maar tot mijn grote frustratie stel ik vast dat die opleiding tot praktijkassistent nog altijd niet is opgestart. Langs Vlaamse kant heeft dat te maken met de standstill voor nieuwe graduaatsopleidingen die werd ingesteld door de Vlaamse Hogescholenraad, volgens mij om de druk op te voeren in allerlei andere kwesties in de Vlaamse regering. Ik heb dat probleem al aangekaart bij mevrouw Demir. Wij moeten die opleiding tot praktijkassistent absoluut van de grond krijgen en ik hoop dat mevrouw Demir erin slaagt om die standstil op te heffen.

Het gunstregime voor gepensioneerden hebben we eerder al besproken. U weet dat we dat verlengd hebben en dat dat een groot effect heeft. Dat is heel positief. Het is goed dat mensen die graag nog een beetje doorwerken, dat met een voorspelbaar, eenvoudig en aantrekkelijk fiscaal statuut kunnen doen.

Mevrouw Gijbels, uit het KCE-rapport blijkt inderdaad dat de werkomgeving een belangrijke factor is voor de tevredenheid en het behoud van verpleegkundigen op de werkvloer in de intensieve zorgen. Het rapport concludeert namelijk dat een goede werkomgeving, met voldoende personeel, duidelijke taakverdeling, leiderschap en organisatorische ondersteuning, essentieel is om verpleegkundigen te behouden, maar ook de kwaliteit van de zorg te verbeteren. Dat ligt in lijn met de antwoorden die we van de verpleegkundigen hebben gekregen op de nationale enquête Be.well.pro. We kunnen dat volgens mij inderdaad veralgemenen naar andere verpleegkundigen.

Het aantal uitzendkrachten is de laatste jaren inderdaad sterk gestegen. Het is jammer genoeg een realiteit dat ziekenhuizen niet op kunnen tegen de voordelen die uitzendkrachten wordt aangeboden op financieel vlak, op het vlak van de keuze van arbeidstijd, op het vlak van autonomie, enzovoort. Het antwoord daarop is dubbel. We moeten echt inzetten op de aantrekkelijkheid van het beroep, in het bijzonder voor de verpleegkundigen, wat de retentie ten goede zal komen. Dat gaat over de waardering voor wat ze doen, maar ook over de werkomgeving, zoals zonet gezegd, en de jobinhoud. Ik denk dat we ook moeten proberen op te treden tegen het fenomeen waarbij zorgkundigen en verpleegkundigen zichzelf via een zelfstandig of een interimcontract opnieuw bij hun bestaande werkgever aanbieden, bijvoorbeeld via een niet-afwervingsbeding. We zullen eveneens de oneigenlijke inzet van project sourcing in de zorg bestrijden. Tegelijkertijd voeren we de defiscalisatie van de overuren in de zorg in.

U stelde ook een vraag over deeltijdse arbeid. De rapportering van het Zorgpersoneelsfonds bevraagt de ziekenhuizen niet over de arbeidsduur. Ik heb helaas geen gegevens over de verhouding van voltijdse of deeltijdse equivalenten in het kader van het Zorgpersoneelsfonds.

Heeft men de verpleegkundigen zelf bevraagd? Ja, er is een belangrijke, nationale bevraging geweest bij de professionals in de gezondheids- en welzijnssector, waaronder een grote groep verpleegkundigen. Dat was de Be.well.pro-studie. Die resultaten zijn in december gepresenteerd op een conferentie, georganiseerd door Sciensano en de FOD Volksgezondheid. Dat heeft toch wel een helder beeld gegeven. Ik verwijs naar de resultaten van de studie.

Het komt erop neer dat de verpleegkundigen een betere werkorganisatie vragen, minder werkdruk, naast erkenning en waardering. Het leiderschap moet aandacht hebben voor het welzijn en voor de balans tussen werken en privéleven. Ook administratieve ontlasting, meer inspraak in het team en mogelijkheden voor aangepast of anders ingericht werk komen duidelijk naar voren als factoren die de verpleegkundige zouden helpen om het beroep langer en met meer voldoening uit te oefenen.

Wij vinden het heel belangrijk om die enquête gedaan te hebben. Wij bekijken die resultaten en we nemen die ook mee in het overleg ter voorbereiding van een komend sociaal akkoord.

Mevrouw Gijbels, u vroeg ook of wij een methode hebben om de effectiviteit en de impact van maatregelen te meten, een methode om echt causale verbanden te meten tussen individuele maatregelen en het aanbod van verpleegkundigen. Helaas, ik zou dat willen, maar we hebben dat eigenlijk niet. Ik denk dat de dynamiek van het beroep wordt beïnvloed door een hele reeks van factoren: door de arbeidsmarkt zelf, door de instroom uit de opleidingen en in de opleidingen, door afspraken die gemaakt zijn, door sectorale werkomstandigheden. We hebben eigenlijk niet echt een samenhangende, uniforme beleidsregistratie. Ik zou het willen, maar ik vrees dat we daarop niet echt een fijnmazig antwoord hebben.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U zegt dat we op basis van cijfers weten dat er zeer veel vacatures zijn, maar te weinig kandidaten, waardoor we eenvoudigweg niet voldoende personeel vinden. Dat klopt wellicht. Wanneer we echter weten dat meer dan 80.000 verpleegkundigen niet langer in de praktijk staan en ooit uit hun job zijn uitgestroomd, wellicht uit frustratie, dan denk ik dat we echt moeten inzetten op de werkomstandigheden. Zoals u zelf aangeeft, is dat van groot belang. We moeten daarop inzetten om die job opnieuw aantrekkelijk te maken.

Misschien kunnen we mensen inspireren om terug te keren naar de werkvloer, naar een job waarvoor ze ooit bewust hebben gekozen en waarvoor ze ooit gemotiveerd waren, maar die ze om welke reden dan ook hebben verlaten. Ik denk dat daar nog zeer veel potentieel ligt. Daarom is het zo belangrijk om aandacht te hebben voor bijvoorbeeld de studie van het Kenniscentrum over de arbeidsomstandigheden op intensieve zorgen, maar ook voor de vragenlijsten die bij verpleegkundigen zijn afgenomen. Er moet voldoende aandacht gaan, niet alleen naar de verloning van verpleegkundigen, maar ook naar hun werkomstandigheden.

Een verpleegkundige die voldoening haalt uit zijn of haar werk en een inhoudelijk interessante job kan uitoefenen, zal volgens mij aan de slag blijven. Dat verklaart volgens mij ook grotendeels het verschil in retentie van verpleegkundigen wanneer verschillende ziekenhuizen met elkaar worden vergeleken.

In dat verband rijst de vraag of het Zorgpersoneelsfonds al dan niet geslaagd is. Het klopt uiteraard dat dat fonds niet uitsluitend dient om verpleegkundigen aan te trekken, maar ook ander zorgpersoneel. Wanneer men echter vaststelt dat het op het vlak van het aantal vacatures slechts een beperkte impact heeft gehad, terwijl er jaarlijks toch een aanzienlijke hoeveelheid geld voor worden uitgetrokken, roept dat bij mij vragen op over de effectiviteit ervan. Dat versterkt mij bovendien in de overtuiging dat we echt moeten inzetten op de jobinhoud en de werkomstandigheden.

Wat de verschuiving naar meer deeltijdse arbeid betreft, weet ik niet of u daarop bent ingegaan. Ik heb dat niet meteen gehoord en weet niet of we daar voldoende zicht op hebben. Het zou immers interessant zijn om te analyseren waarom meer deeltijdse arbeid niet direct heeft geleid tot een verhoging van het aantal gepresteerde werkuren.

Het is in elk geval een onderwerp waarover we wellicht nog vaker van gedachten zullen wisselen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik denk dat u de context goed schetst. Het is een uitdagende arbeidsmarkt voor meerdere beroepen, zeker en vast ook in de zorg. Het zal dus inderdaad zaak zijn om de omstandigheden waarin die mensen werken, interessanter en beter te maken. Elke piste is wat mij betreft het overwegen waard. U hebt mij bovendien inspiratie gegeven om door te geven aan mijn Vlaamse collega’s. Eén zaak wil ik echter toch een beetje tegenspreken. U zegt dat de uitzondering op de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd voor mensen die een opleiding volgen, bij een Vlaamse minister moet worden nagevraagd. Dat klopt bevoegdheidsmatig, maar het is natuurlijk wel een federale maatregel. Ik denk dat het interessant zou zijn voor de leden van de federale regering, maar ook van de Kamer, om te weten wat het effect daarvan is. Mocht blijken dat uit die uitzondering niemand zich inschrijft voor een bepaalde opleiding, dan kunnen we ons vragen stellen bij de effectiviteit ervan. In die zin volg ik dat het een bevoegdheid van de Vlaamse overheid is, maar het gevolg daarvan is wel richtinggevend voor het gevoerd beleid op federaal niveau. Ik zal er dan ook op terugkomen, hetzij bij u, hetzij bij minister Clarinval, eventueel met cijfers die we via het Vlaams Parlement krijgen, om te bekijken hoe we daarmee verder gaan. La réunion publique de commission est levée à 16 h 08. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.08 uur.

De participaties van SFPIM in de luchtvaartsector

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 13 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane (AD) benadrukt de strategische groei van Airbus (A320-voorsprong op Boeing 737) en pleit voor versterkte Belgische publieke investeringen in Sonaca (waarin Wallonië en de SFPIM al participeren) om de Belgische positie in de aeronautische keten te consolideren, inclusief een mogelijke directe staatsparticipatie in Airbus. Minister Jan Jambon bevestigt dat de SFPIM actief investeert in Sonaca (o.a. via overname Aciturri), Asco en Aerospacelab, maar sluit directe Airbus-deelname uit—tenzij bij een toekomstige kapitaalverhoging, waarvoor hij openstaat mits strategische afweging. AD waardeert de aanpak maar wijst op de kwetsbaarheid van de sector voor economische schokken.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, l'industrie aéronautique européenne connaît actuellement une période de croissance soutenue, portée notamment par le succès commercial de l'Airbus A320. Cet appareil, devenu un véritable fleuron de l'aviation civile, a désormais dépassé le Boeing 737 en nombre d'unités produites avec plus de 12 260 avions contre 12 214 pour son concurrent américain. Cette performance confirme non seulement la vitalité d'Airbus, mais également la solidité de toute une chaîne de sous-traitance européenne.

Parmi elles figure la Sonaca, société active dans la conception et la fabrication de composants pour l'aéronautique civile et militaire, mais aussi pour le secteur spatial. Cette entreprise, dont la Région wallonne est actionnaire majoritaire via la SRIW, compte également la Société fédérale de participations et d'investissement parmi ses actionnaires à hauteur de 14,75 %. Or, dans un contexte d'expansion de la production de l'A320 et de développement de nouvelles lignes d'assemblage, la position de la Belgique au sein de cette chaîne industrielle stratégique pourrait être consolidée par une participation publique accrue. Pour rappel, la Sonaca est active dans la production de pièces de A320 et des 737, ce qui double son avantage dans cette concurrence duopolistique.

Dès lors, il serait opportun d'évaluer la stratégie d'investissement de la SFPIM dans le secteur aéronautique et la manière dont celle-ci pourrait contribuer à soutenir l'emploi et l'innovation en Belgique, tout en profitant de la dynamique positive du marché mondial.

Mes questions, Monsieur le ministre, sont: Si la SFPIM dispose d'une stratégie visant à renforcer sa participation dans la Sonaca afin de soutenir le développement industriel belge et de tirer parti de la croissance d'Airbus et de Boeing? Si la SFPIM envisage d'investir dans d'autres entreprises belges actives dans le secteur aéronautique ou spatial? Enfin, pour quelles raisons l'État belge n'envisage-t-il pas une participation directe au capital d'Airbus, compte tenu de son importance stratégique pour l'industrie européenne et de son ancrage industriel partiel en Belgique?

Jan Jambon:

Je traite les deux premières questions ensemble. La Société Fédérale de Participations et d’Investissement (SFPIM) est un instrument important du gouvernement fédéral pour mener une politique industrielle active. Le secteur aéronautique est l’un des piliers de la stratégie d’investissement de la SFPIM. Celle-ci détient par exemple des participations en capital ou quasi-capital dans des entreprises comme Asco, Safran Aero Boosters, Sonaca ou encore le groupe Orizio (SABCA-Sabena AeroSpace), partenaire de premier plan d’Airbus et de Boeing.

Cet été, la SFPIM, avec Wallonie Entreprendre, a aidé Sonaca à franchir une étape importante pour devenir un acteur majeur de l’aérostructure en Europe avec l’acquisition de la société espagnole Aciturri. Cette acquisition permettra à Sonaca de renforcer ses parts de marché avec Airbus. Les récentes décisions d’augmentation des volumes de production d’Airbus et de Boeing ont bien évidemment profité aux entreprises belges actives dans ce secteur.

La SFPIM ne se limite pas au secteur aéronautique et investit également dans des sociétés actives dans le domaine spatial. La SFPIM, via ses filiales Relaunch et Real Estate, a financé en 2024 la société Aerospacelab. Le secteur aéronautique et spatial est et restera l’un des piliers d’investissement de la SFPIM.

Sans entrer dans le secret des affaires, la SFPIM envisage de nouvelles participations ou des financements complémentaires dans un avenir proche. Une participation directe dans Airbus n’est pas à l’ordre du jour, même si la SFPIM entretient des relations à haut niveau.

Je partage votre avis selon lequel Airbus revêt une importance stratégique pour l’industrie européenne. Si une demande de participation à une augmentation de capital devait être adressée à la SFPIM, un tel dossier serait assurément examiné avec toute l’attention nécessaire, compte tenu également de son importance pour l’économie belge.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces informations et pour les bonnes nouvelles concernant la stratégie de la SFPIM. Le secteur aéronautique représente un grand nombre d’opportunités, même si son économie est sensible aux chocs. Je ne doute donc pas que votre position et les investissements seront réfléchis et mesurés.

Het belasten van de winsten van de ziekenfondsen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 8 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Daniel Bacquelaine bekritiseert dat mutuelles (met een vermogen van 6 miljard euro) ondanks commerciële activiteiten (zoals farmacie-, ziekenhuis- en hotelbeheer) geen belastingen betalen, wat hij een "paradox" noemt en een gebrek aan fiscale solidariteit voor sociale structuren. Minister Jan Jambon beaamt dat "de breedste schouders" moeten bijdragen, belooft actie na een lopend fiscaal onderzoek en benadrukt de noodzaak van structurele hervormingen om het budget te herstellen. Bacquelaine wijst daarnaast op ethische en bestuurlijke conflicten door de dubbele rol van mutuelles: sociale opdrachten en commerciële/politieke belangen, wat volgens hem "niet meer acceptabel" is. Jambon bevestigt de politieke wil om misbruik aan te pakken, maar wacht eerst de analyse af.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, depuis plusieurs mois, on explique à la population, aux entreprises, aux travailleurs, à tous nos concitoyens qu'ils doivent participer à l'effort pour sauver la situation budgétaire, certes compliquée, de notre État.

Étrangement, des épaules relativement larges échappent à tout impôt. Les mutuelles, avec leur capital de plus de 6 milliards d’euros, un patrimoine extrêmement important, échappent à cet impôt. On se demande évidemment pourquoi. Elles échappent aussi à l’impôt sur le patrimoine des ASBL de plus de 500 000 euros.

Nous nous posons la question: jusque quand faut-il élargir les épaules? Faut-il 20 milliards, 30 milliards pour avoir des épaules larges? Non, je trouve que 6 milliards, c'est quand même de bonnes épaules.

Monsieur le ministre, je sais que vous avez diligenté une enquête de l'administration fiscale pour étudier ce problème et voir dans quelle mesure on pourrait rétablir l'égalité devant l'impôt. Si les mutuelles pratiquent certes des activités strictement sociales, elles ont aussi des activités totalement commerciales comme la gestion de pharmacies, d'hôpitaux, de logiciels, d'hôtels de luxe même. On peut se demander pourquoi elles échappent à toute imposition et à toute solidarité. C'est là le paradoxe. En fait, elles échappent à la solidarité fiscale. C'est quand même un comble pour des structures sociales qui devraient se rendre solidaires pour préserver la sécurité sociale. Pour préserver la sécurité sociale, il faut payer un peu d'impôts. D'ailleurs, c'est ce que M. Vandenbroucke a dit tout à l'heure.

Monsieur le ministre, qu'allez-vous faire par rapport à ces privilèges fiscaux?

Jan Jambon:

Monsieur Bacquelaine, ce gouvernement doit réformer et réaliser des économies, car il est confronté à un défi budgétaire majeur.

Nous relevons ce défi au moyen de nombreuses mesures structurelles, sur le marché du travail, dans les pensions, mais aussi en matière de fiscalité. Pas de slogans, mais des réformes fondamentales à long terme. Et je l'ai déjà dit à plusieurs reprises ici et en commission: chacun, y compris les épaules les plus larges, devra contribuer à remettre ce budget sur les rails. Des organisations ou des entreprises disposant de 6 milliards d'euros d'actifs peuvent être considérées comme faisant partie des épaules les plus larges. Je suis d'accord avec vous.

À la suite des informations récentes parues dans la presse, j'ai donc demandé à mon administration de réaliser une analyse. J'attends les résultats de cette analyse et, sur cette base, je prendrai les initiatives nécessaires et je poursuivrai la discussion de ce dossier au sein du gouvernement. Réformer, économiser et lutter contre les abus, afin de remettre en ordre la situation du pays et les finances publiques, voilà la mission de ce gouvernement!

Daniel Bacquelaine:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse et votre engagement. Je connais votre détermination à faire en sorte que chacun participe effectivement à l'effort commun nécessaire pour faire face à notre situation budgétaire. Mais, au-delà de ce problème de l'impôt des mutuelles, se pose vraiment la question du rôle et du recentrage de ces sociétés dans notre pays. Elles jouent sur plusieurs niveaux: mission déléguée de l'État – et nous pensons qu'il est normal qu'elles participent à cette action sociale –, mais aussi mission politique, il faut bien le dire. Les alliés politiques historiques des mutuelles prennent d'ailleurs leur défense aujourd'hui. Elles jouent aussi un rôle commercial très net dans toute une série de secteurs concurrentiels. Cela génère des conflits d'intérêts qui, sur le plan de l'éthique et de la gouvernance, ne sont plus acceptables aujourd'hui.

De inbeslagname van geneesmiddelen

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Anthony Dufrane (PS) vraagt minister Verlinden om cijfers over illegale medicijnsaisies (met name prégabaline), handelsroutes, criminelenetwerken en samenhang met wapenhandel, maar Verlinden bevestigt dat België geen centrale statistieken bijhoudt en dat gegevens versnipperd zijn over politie, justitie en douane. Ze wijst wel op bestaande interdepartementale samenwerking (Platform Pharma & Food Crime) en aankomende analyses door de federale politie, plus versterkte controles op secundaire logistieke sites en internationale samenwerking via Europol. Dufrane kritiseert het ontbreken van data en benadrukt de nood aan gerichte bestrijding, vergelijkbaar met drugshandel.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, le parquet de Bruxelles a récemment démantelé une organisation criminelle impliquée dans un trafic illégal de médicaments, notamment des médicaments à base de prégabaline, ainsi que d'autres substances contrôlées.

Lors de cette opération, près de 240 000 pilules ont été saisies, en plus d'autres stupéfiants et d'armes à feu. Cette affaire met en lumière l'ampleur du trafic de médicaments contrefaits ou obtenus illégalement en Belgique, ainsi que les réseaux organisés qui les distribuent.

Il est essentiel de mieux comprendre les filières utilisées, les types de médicaments les plus souvent concernés et les zones géographiques où ces saisies sont réalisées afin d'évaluer l'efficacité des mesures de lutte contre ce phénomène et de renforcer les actions du Ministère public.

Mes questions, madame la ministre, sont: Combien de cas de saisies de médicaments contrefaits ou de contrebande de médicaments nécessitant une prescription médicale ont été enregistrés en Belgique au cours des trois dernières années? Quels sont les types de médicaments les plus fréquemment interceptés? Quelles sont les filières principales identifiées pour l'importation et la distribution illégale de ces médicaments, et quelles collaborations internationales sont mises en place pour les démanteler? Quelles zones géographiques en Belgique sont les plus touchées par ce trafic? Quelles mesures spécifiques sont prises pour renforcer les contrôles dans ces régions? Quels liens ont été établis entre ce trafic de médicaments et d'autres activités criminelles, comme la violence organisée ou le trafic d'armes? Quelles actions supplémentaires envisagez-vous pour lutter contre ce type de trafic, notamment en termes de coopération entre la Justice, les services de police, les douanes et les autorités sanitaires?

Annelies Verlinden:

Cher collègue, il n’est pas possible, sur la base des variables disponibles dans la banque de données de la police ou sur la base des informations du ministère public, d’avoir une vue exacte sur le nombre de saisies de médicaments contrefaits ou de contrebande nécessitant une prescription médicale. Il n'est en outre pas possible de spécifier s’il existe un lien avec d’autres activités criminelles, telles que la violence organisée ou le trafic d’armes. Les procès-verbaux initiaux et les saisies concernant les médicaments sont établis par différentes instances et ne sont pas enregistrés dans un même système.

Europol mène chaque année une opération à grande échelle dans le cadre de cette thématique. La Belgique y participe et les résultats de cette opération sont diffusés à l’échelle nationale après la publication d’un communiqué de presse global par Europol.

En ce qui concerne la coopération interservices, celle-ci existe déjà par le biais de la Plateforme Pharma & Food Crime. Elle est composée de représentants de la police fédérale, des douanes, de l’Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, de l’Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire ainsi que d’un représentant des agences nationales antidopage. Cette plateforme se réunit chaque mois et travaille sous la supervision de la Justice.

Cette année, la police fédérale commencera à dresser une image de la criminalité pharmaceutique en concertation avec les partenaires susmentionnés. La lutte contre le trafic de substances exige également un renforcement de la sécurisation et des contrôles des sites logistiques. Ce renforcement implique non seulement de mettre en place des capacités humaines et technologiques suffisantes, mais aussi de porter l'attention nécessaire aux sites logistiques considérés a priori comme secondaires, mais vers lesquels les organisations criminelles risquent de se tourner afin de contourner les contrôles mis en place dans les sites logistiques principaux.

Il convient également de continuer à investir dans la collaboration avec les pays sources de ces substances.

Anthony Dufrane:

Je vous remercie, madame la ministre. Comme pour la drogue, les médicaments contrefaits ou de contrebande peuvent circuler facilement en Belgique. Ils représentent également une forme de drogue contre laquelle il faut lutter. Je vous remercie pour le suivi assuré par les services dans la lutte contre ces bandes organisées qui les font circuler. Je note l’absence de statistiques relatives aux saisies de médicaments contrefaits. Je pense qu'il pourrait être intéressant d'en établir. De voorzitster : Vraag nr. 56011505C van de heer Bayet wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De uitrol van anonieme meldpunten voor drugsplantages

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marijke Dillen wijst op het succes van het anonieme meldpunt voor drugsmeldingen in Antwerpen (88 opgeloste zaken, waaronder 48 plantages), pleit voor een landelijke uitrol en vraagt om concrete planning en middelen. Minister Verlinden bevestigt dat het project al twee jaar in overleg is, maar dat de impact op politiediensten (registratie, analyse) nog niet volledig is ingeschat, waardoor uitrol vertraagd is. Dillen bekritiseert impliciet de traagheid, benadrukt het bewijzen succes in Antwerpen en dringt aan op versnelde landelijke implementatie.

Marijke Dillen:

De productie van illegale drugs en in het bijzonder de exploitatie van drugsplantages vormen een ernstige bedreiging voor de openbare veiligheid, voor de veiligheid en gezondheid van de burgers en voor de leefbaarheid van sommige wijken. In het verleden werd er herhaaldelijk aangedrongen op het belang van anonieme meldpunten waar de burger online verdachte zaken kan melden.

Het anoniem meldpunt www.drugplantageontdekt.be in de provincie Antwerpen dat vier jaar geleden werd opgestart op initiatief van de Antwerpse gouverneur en alle politiediensten werkt.

De anonimiteit werkt want steeds meer mensen melden verdachte drugszaken via het meldpunt. Hierbij is er een goede samenwerking tussen Parket en Politie.

Volgens de Parketwoordvoerder werden dankzij dit meldpunt 88 zaken opgelost op 4 jaar tijd. Dankzij de tips werden er 48 plantages, 33 illegale dumpingen van drugsafval en 7 labo's ontdekt.

De uitrol van dergelijke anonieme meldpunten in alle gerechtelijke arrondissementen is wenselijk.

Is de minister bereid de parketten te ondersteunen om zo in alle gerechtelijke arrondissementen een dergelijk anoniem meldpunt op te starten en dit in samenwerking met de politie?

Kan de minister toelichten binnen welk tijdsbestek de uitrol zou kunnen gerealiseerd worden?

Hoeveel middelen en mankracht worden hiervoor voorzien?

Annelies Verlinden:

De uitrol van anonieme meldpunten inzake drugs is al meer dan twee jaar het onderwerp van overleg en reflectie. Het project wordt ondersteund door het openbaar ministerie en wordt onder meer opgevolgd in het kader van de Justipol-overlegstructuur.

In de huidige stand van het dossier bestaan er geen bezwaren vanwege het openbaar ministerie, maar het is duidelijk dat het project vooral een aanzienlijke impact heeft op de politiediensten, die de ontvangen informatie zouden moeten registreren, analyseren, verspreiden en verwerken. Verschillende pistes zijn onderzocht, maar op dit moment kon de impactanalyse voor de politiediensten kennelijk nog niet worden afgerond. Wordt vervolgd.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ook dit dossier zal ik blijven opvolgen. Ik begrijp dat de werklast bij de politie hierdoor verzwaart, maar het project dat de Antwerpse gouverneur en de politiediensten hebben opgestart, is in elk geval een succes. Ik ben dan ook van mening dat dit over het hele land kan worden uitgerold. Ik hoop dat daar snel werk van kan worden gemaakt.

De veiligheid van kinderen en het welzijn van het personeel in de opvangcentra

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 7 januari 2026

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Achraf El Yakhloufi waarschuwt op basis van het Odisee-onderzoek (Fournier) dat structurele overbezetting, gebrek aan privacy, personeelstekort en onveilige infrastructuur in opvangcentra leiden tot geweld, trauma’s bij kinderen en burn-outs bij medewerkers—terwijl plannen voor afbouw en besparingen (Fedasil/LOI’s) de crisis verergeren. Hij eist concrete maatregelen om veiligheid te garanderen en bekritiseert dat kinderen nu "nevenschade" zijn van een falend systeem. Minister Van Bossuyt erkent de problemen (o.a. lange verblijfsduren, druk door crisisopvang) maar ontkent structureel falen: ze wijst op bestaande protocollen, prioritaire opvang voor kinderen, een komend actieplan en investeringen in personeel/psychologische ondersteuning, zonder kwaliteitsnormen aan te tasten. Besparingen zijn volgens haar instroombeheer, niet kwaliteitsverlaging. El Yakhloufi blijft kritisch: protocollen volstaan niet als de terreinrealiteit (o.a. gebrek aan privacy/personeel) onveiligheid in stand houdt, en dringt aan op politieke durf—kinderen mogen geen slachtoffer worden van bezuinigingen, ook niet tijdens transitie.

Achraf El Yakhloufi:

Laten we beginnen bij iets waar iedereen het over eens is, kinderen horen veilig te zijn. Zo simpel is dat. Als de overheid kinderen niet kan beschermen in de opvang, faalt het systeem op het meest basale niveau. Het onderzoek van professor Katja Fournier van de Odisee Hogeschool, gebaseerd op vijf jaar terreinwerk in Belgische opvangcentra en gesprekken met honderden gezinnen, kinderen en medewerkers, leidt tot een bijzonder verontrustende conclusie. Die conclusie is hard om te lezen, niet omdat ze verrassend is, maar omdat ze bevestigt wat veel mensen al lang signaleren: overbezetting, te weinig privacy, gedeelde sanitaire voorzieningen die niet eens degelijk kunnen worden afgesloten, te weinig begeleiding en te weinig mensen op de vloer. Dat leidt onvermijdelijk tot spanningen, geweld en grensoverschrijdend gedrag. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat kwetsbare groepen veel te lang in een context worden geplaatst die hen kwetsbaar maakt. Ik keur dat gedrag niet goed, integendeel.

Wij moeten ervoor zorgen dat zulke situaties kunnen worden vermeden. Tegelijk horen we spreken over plannen over afbouw en besparingen. We mogen discussiëren over aantallen, maar besparingen kunnen zeker niet ten koste gaan van veiligheid en menselijkheid. Dat zijn geen besparingsposten.

Mijn kernvraag is dan ook eenvoudig. Wat verandert u concreet, zodat kinderen niet langer mee moeten draaien in een systeem dat hen niet beschermt en zodat personeel niet opbrandt in een onmogelijke job?

Voor de verdere toelichting verwijs ik naar mijn schriftelijke voorbereiding.

Recent verscheen een uitgebreid onderzoek van professor Katja Fournier (Odisee Hogeschool), gebaseerd op vijf jaar terreinwerk in Belgische opvangcentra en gesprekken met honderden gezinnen, kinderen en medewerkers. De conclusies zijn bijzonder verontrustend.

Het onderzoek stelt vast dat de veiligheid van kinderen in opvangcentra vandaag niet kan worden gegarandeerd, noch op emotioneel, noch op fysiek of seksueel vlak. Er wordt melding gemaakt van intrafamiliaal geweld, vechtpartijen, pestgedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een derde van de bewoners in opvangcentra zijn kinderen, waarvan twee derde jonger dan twaalf jaar, en zij verblijven gemiddeld achttien maanden in deze context. Dat is een zeer lange periode in een kinderleven.

Daarnaast wijst het onderzoek op structurele problemen zoals gebrek aan privacy, overbezetting, gedeeld sanitair dat niet veilig kan worden afgesloten, onvoldoende psychologische begeleiding en een schrijnend tekort aan personeel. Die omstandigheden leiden niet alleen tot verergering van trauma’s bij bewoners, maar ook tot secundaire traumatisering en burn-outs bij medewerkers. Medewerkers getuigen over situaties waarin zij ernstige incidenten probeerden te voorkomen, maar zelf onvoldoende ondersteuning kregen.

Tegen deze achtergrond maakt het mij bijzonder bezorgd dat er plannen circuleren om het aantal opvangplaatsen verder af te bouwen en dat er gesproken wordt over aanzienlijke besparingen bij Fedasil en de lokale opvanginitiatieven, terwijl net de kwaliteit en veiligheid van de opvang onder druk staan.

Daarom heb ik volgende vragen voor u, mevrouw de minister:

Hoe beoordeelt u de conclusies van dit onderzoek, in het bijzonder de vaststelling dat de veiligheid van kinderen in opvangcentra vandaag niet kan worden gegarandeerd?

Welke concrete maatregelen neemt of plant u om de bescherming van kinderen in opvangcentra te versterken, zowel op vlak van infrastructuur, privacy als begeleiding?

Hoe zorgt u ervoor dat opvangcentra voldoende personeel, psychologische ondersteuning en externe controle hebben om grensoverschrijdend gedrag en geweld preventief aan te pakken?

Hoe verhoudt de geplande afbouw van opvangplaatsen en de aangekondigde besparingen bij Fedasil en de LOI’s zich tot de nood aan meer kwalitatieve, veilige en kleinschalige opvang?

Bent u bereid om, op basis van deze bevindingen, het huidige opvangbeleid en de financiering ervan te herevalueren, met bijzondere aandacht voor kinderen en het welzijn van het personeel?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer El Yakhloufi, ik neem de veiligheid en het welzijn van kinderen in de opvang zeer ernstig. Elk signaal van onveiligheid of grensoverschrijdend gedrag wordt opgevolgd en leidt waar nodig tot een interventie.

Het onderzoek waarnaar u verwijst, toont terecht aan hoe overbezetting, lange verblijfsduren en noodopvang tijdens de opvangcrisis een zware druk hebben gelegd op kinderen en op medewerkers. Die analyse neem ik ter harte. Ik onderschrijf echter niet de conclusie dat de veiligheid van kinderen vandaag structureel niet kan worden gegarandeerd.

Er bestaan duidelijke procedures inzake kinderbescherming, meldingsplicht en samenwerking met jeugdhulp en Justitie, die ook effectief worden toegepast. Om de bescherming van kinderen te versterken, worden gezinnen met kinderen en niet-begeleide minderjarige vreemdelingen prioritair opgevangen op aangepaste plaatsen. Er wordt ingezet op meer privacy en betere infrastructuur, onder meer door de afbouw van tijdelijke crisisopvang. Preventie- en opvolgingsprotocollen worden verder versterkt en momenteel wordt een actieplan rond kinderen in de opvang gefinaliseerd, dat binnenkort wordt uitgerold. Wat personeel en begeleiding betreft, investeren we in bijkomende ondersteuning van teams, opleiding en psychologische begeleiding in samenwerking met externe partners, met blijvende externe controle en inspectie.

De geplande afbouw van opvangplaatsen en de bijbehorende financiering kaderen binnen de crisismaatregelen, die sinds augustus van kracht zijn en tot doel hebben de instroom te beheersen en zo de druk op het opvangnetwerk te verlagen. Deze maatregelen hebben geen impact op de geldende kwaliteits- en infrastructuurnormen, die onverkort van toepassing blijven. Er zijn drie pijlers essentieel in het beleid: de instroom verlagen, de uitstroom verhogen en zo een meer humane opvang bieden aan de mensen die het echt nodig hebben.

Het opvangbeleid en de financiering worden continu geëvalueerd, met bijzondere aandacht voor de bescherming van kinderen en werkbare omstandigheden voor het personeel.

Achraf El Yakhloufi:

Mevrouw de minister, in het regeerakkoord, dat we samen tot stand hebben gebracht en waarin veel elementen voorkomen waaromtrent we water in de wijn hebben moeten doen, zijn we het eens over het belang van de bescherming van het kind. Dat is een gigantische prioriteit. Ook voor Vooruit is de bescherming van het kind, in welke situatie dan ook, van essentieel belang. Ik ben dan ook blij met uw positieve analyse van het onderzoek, natuurlijk niet helemaal, want het zou politiek onverstandig zijn om het helemaal eens te zijn. Over het structurele aspect was u het niet helemaal eens. Ik ben deels gerustgesteld, maar, nogmaals, ik denk dat we dat rapport zeker moeten opvolgen. U zegt ook dat u de prioriteit bij minderjarigen blijft leggen. Er zijn toch enkele fundamentele bezorgdheden. We horen vaak dat richtlijnen, protocollen en monitoren bestaan. Het probleem vandaag ligt niet alleen in gebrekkige procedures, maar is soms de realiteit op het terrein, die lastig is. U hebt gelijk om de instroom te doen dalen en de uitstroom te doen stijgen, waarvoor ook de regering duidelijk heeft gekozen. Dat moet op een humane en correcte manier gebeuren, zodat we de betrokkenen kunnen beschermen. Als de veiligheid van kinderen niet kan worden gegarandeerd, dan volstaat het niet om te zeggen dat we het opvolgen, maar dan moeten we echt keuzes maken. Dat is heel belangrijk en dat doet deze regering ook. Ook in de tussentijd moeten we dat blijven garanderen. Er zijn meer begeleiding, meer privacy en meer personeel nodig en er mogen minder mensen te lang in dezelfde opvangcontext blijven zitten. Dus mijn punt blijft heel duidelijk: kinderen mogen geen nevenschade ondervinden van een overbelast systeem. Dat vraagt niet alleen beheer, maar dat vraagt ook politieke durf.

De ziekenhuishervorming
Het deskundigenrapport over de toekomst van het ziekenhuislandschap
Toekomst van ziekenhuiszorg en hervormingen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir waarschuwt dat 39 van de 132 algemene ziekenhuizen (1 op 3) tegen 2031 dreigen te sluiten of omgevormd te worden, wat kruciale diensten zoals spoed en kraamzorg in gevaar brengt—met name in Wallonië en Brussel—en de toegankelijkheid voor plattelandsbewoners ondermijnt, terwijl minister Vandenbroucke benadrukt dat het om herorganisatie (niet sluiting) gaat: specialisatie van complexe zorg in gespecialiseerde centra en behoud van lokale behandeling waar mogelijk, met concertatie (avisronde april-juni 2026) als sleutel. Gatelier (Les Engagés) beaamt dat reforme nodig is—mits drie voorwaarden: behoud van territoriale toegankelijkheid, afstemming met eerste lijn (huisartsen, kinesisten) en geleidelijke implementatie met draagvlak, maar hamert op de acute penurie aan huisartsen in rurale gebieden als knelpunt. Désir blijft skeptisch over de financiële haalbaarheid (160 miljoen euro besparingen in 2026) en eist dat proximiteit en spoedzorg—bijv. bij beroertes—centraal blijven, terwijl Vandenbroucke kwaliteit voor patient én personeel als doel stelt via schaalvergroting en taakverdeling.

Voorzitter:

Collega’s, mocht u voor de eindejaarsfeesten nog verlegen zitten om confetti, is bij dezen aan dat tekort voldaan.

Ik vraag u, bij alle opwinding die zich in dit Huis verspreidt, uw passende aandacht te geven aan de vraag van collega Désir.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, chers collègues, 39 hôpitaux sont menacés de fermeture. D'ici cinq ans, 39 hôpitaux généraux sur les 132 que compte notre pays pourraient disparaître, c'est-à-dire un sur trois.

Qu’est-ce qu’un hôpital général, chers collègues? C’est un établissement qui offre une large palette de services de soins: consultations, maternité, urgences, gériatrie, chirurgie et médecine interne. Ce sont ces hôpitaux qui assurent au quotidien une prise en charge de qualité pour les patients.

Monsieur le ministre, il y a un an, nous sommes montés au créneau pour dénoncer la fermeture annoncée des hôpitaux. À l’époque, vous aviez crié à la fake news , mais aujourd’hui, ce sont vos propres experts qui plaident ouvertement pour une restructuration sévère du secteur hospitalier. Bien sûr, vous me direz sans doute qu’il ne s’agit encore que d’une proposition.

Pourtant, ces orientations suscitent déjà les plus vives inquiétudes concernant l’accessibilité aux soins, en particulier en Wallonie et à Bruxelles. En effet, si vous suivez ce plan à la lettre, près d’un tiers des hôpitaux existants seront amenés soit à disparaître, soit à se transformer en hôpitaux de jour ou en structures de revalidation. Cela signifiera concrètement la fermeture de services cruciaux comme les maternités ou les urgences. Pour accoucher, il faudra parcourir des distances plus longues. Il en sera de même pour être transporté aux urgences.

Pourtant, monsieur le ministre, vous savez que la proximité est essentielle pour garantir la sécurité et l’accessibilité aux soins. Ce rapport ne contient malheureusement aucun élément clair qui puisse nous rassurer quant à l’impact de cette réforme sur l’accessibilité et la qualité des soins, en particulier pour les citoyens des zones rurales.

Monsieur le ministre, avez-vous déjà établi la liste des 39 sites qui devront se reconvertir ou fermer d’ici 2031? Quels seront les critères concrets qui permettront de garantir la (…)

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, notre paysage hospitalier doit évoluer pour faire face à des défis bien connus des citoyens: soins toujours plus complexes, pénurie de personnel, coûts croissants et inégalités d'accès selon les territoires. Réformer est indispensable si nous voulons préserver à long terme la qualité, l'accessibilité et la soutenabilité de notre système de soins.

L'accord de gouvernement prévoit que cette réforme soit menée en concertation étroite avec les entités fédérées au sein de la Conférence interministérielle Santé publique. Dans ce cadre, cette dernière a réceptionné hier le rapport du groupe d'experts sur la plateforme du paysage hospitalier qui sera soumis aux organes d'avis avant la définition de lignes politiques claires d'ici juin 2026. Pour Les Engagés, trois balises doivent impérativement guider ce travail: garantir l'accessibilité des soins sur l'ensemble du territoire, y compris dans les zones rurales, en tenant compte des réalités démographiques; assurer une réforme cohérente et concertée, articulée avec les autres réformes en cours tant au niveau fédéral qu'au niveau des entités fédérées; avancer par étapes avec des mesures d'accompagnement pour les patients, les soignants et les institutions.

Monsieur le ministre, quel sera votre calendrier de concertation avec les acteurs concernés? Les représentants des patients seront-ils associés à ce processus?

La réforme évoque une spécialisation des hôpitaux basée sur des volumes d'activités. Comment ces critères seront-ils définis et appliqués? Comment les spécificités territoriales seront-elles prises en compte afin de préserver l'accès aux soins? Pouvez-vous confirmer que les balises que je viens d'évoquer seront pleinement intégrées dans votre approche? Enfin, quelle est votre vision du développement de l'ambulatoire et de la prise en charge de la santé mentale dans le cadre de cette réforme?

Frank Vandenbroucke:

Chers collègues, notre ambition est d'offrir des soins de qualité pour tous. Le secteur des soins est soumis à une forte pression, les besoins augmentent en raison du vieillissement et, déjà aujourd'hui, nous manquons de personnel. C'est pourquoi il faut investir et réformer. Nous avons donc inclus une réforme globale du paysage hospitalier dans l'accord de gouvernement et, au printemps dernier, nous avons, en collaboration avec les ministres des entités fédérées, chargé des experts indépendants de rédiger un rapport.

Que dit ce rapport? Aujourd'hui, il y a trop de sites hospitaliers qui veulent tout faire, alors que les soins sont de plus en plus complexes et spécialisés. Cela entraîne une utilisation inadéquate des moyens et surtout du personnel, certainement pour des services qui doivent être disponibles 24 h sur 24 et 7 jours sur 7. En voulant offrir tous les soins dans chaque hôpital, nous en demandons beaucoup au personnel de soin, qui se donne corps et âme. C'est ce que disent les experts.

Ils se demandent si les soins prodigués aux patients en bénéficient. Le groupe d'experts nous invite à réfléchir, pas tellement à des fermetures, mais plutôt à des transformations en vue d'une meilleure organisation des hôpitaux. La distinction entre les hôpitaux qui ont des équipes de nuit et ceux sans équipes de nuit prend une part importante dans cette réflexion.

De plus, les soins complexes demandent beaucoup d'expertise et sont trop fragmentés, disent les experts. Car les patients ne savent pas toujours comment accéder aux soins appropriés, en particulier pour les cancers complexes et les maladies rares. De nouveau, les soins prodigués aux patients en bénéficient-ils?

Pour pouvoir offrir des soins d'une qualité optimale, il vaut mieux que les diagnostics et les plans de traitement complexes soient établis par ceux qui sont vraiment spécialisés en la matière. Les traitements à proprement parler peuvent être dispensés plus près de chez soi. Il faut réconcilier proximité et qualité, en tenant compte des spécificités territoriales et linguistiques. C'est clairement expliqué dans le rapport.

Il est dans l'intérêt de tous, le personnel, les infirmiers, les infirmières, tout le personnel soignant, mais aussi les patients, que tout le paysage hospitalier soit mieux organisé. Sur la base de cet avis, nous allons nous concerter avec tous les acteurs.

D'ici le mois d'avril, nous allons demander des avis au Conseil fédéral des établissements hospitaliers, aux partenaires sociaux, aux syndicats, aux employeurs, aux médecins, donc à tous ceux qui sont concernés. Sur cette base, entre fin avril et juin, nous commencerons les débats politiques. La concertation s'impose, mais aussi la volonté d'améliorer l'organisation du paysage hospitalier, je le répète, surtout dans l'intérêt du personnel soignant et des patients.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie.

Comme nous vous l'avons souvent dit, pour nous, une réforme du paysage hospitalier est sans doute nécessaire, mais pas au détriment de la proximité et de l'accessibilité des soins. Ce sera notre boussole dans cette réforme, en particulier pour les zones rurales en Wallonie. Ce sera également le cas pour Bruxelles. En effet, plusieurs hôpitaux publics risquent de disparaître. Dans plusieurs cas, les minutes comptent – par exemple, quand on fait un AVC. Pour nous, il est donc primordial que cette proximité soit assurée.

Le plan proposé par vos experts va être soumis aux organes de concertation. Vous nous l'avez dit. Cette concertation sera essentielle pour que la rationalisation ne soit pas le seul maître-mot de cette réforme et que les patients restent bien au cœur de la réflexion.

Enfin, nos craintes sont bien réelles concernant les moyens financiers qui permettront d'accompagner les hôpitaux dans cette réforme, étant donné que 160 millions d'euros d'économies leur sont déjà imposés en 2026.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir rassuré le secteur. Je suis convaincu qu'on ne parle pas de fermeture, mais bien de conversion pour disposer d'une médecine moderne qui corresponde aux traitements qui sont nécessaires aux patients. Les Engagés se montreront particulièrement attentifs au respect des balises que j'ai évoquées. Par ailleurs, je tiens à être très clair. La réforme du paysage hospitalier ne pourra réussir sans un renforcement simultané de la médecine de première ligne. Sans moyens accordés aux médecins généralistes d'éviter l'engorgement des hôpitaux, sans une valorisation des sage-femmes et des kinésithérapeutes, sans un meilleur accès aux soins de logopédie, sans une réforme juste et cohérente des soins à domicile, sans une première ligne forte, cette réforme ne fonctionnera pas. Enfin, j'insiste sur une urgence majeure: la pénurie des médecins généralistes qui s'aggrave et qui va encore s'aggraver dans les zones rurales, précisément celles qui subiront le plus l'impact de cette réforme. Là, monsieur le ministre, il y a urgence.

De alarmsignalen met betrekking tot de erkenning van buitenlandse artsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verdedigt het huidige systeem voor buitenlandse artsen (diploma-, zeden- en tuchtchecks), maar erkent dat 8.000 jaarlijkse EU-waarschuwingen over geschorste artsen niet actief worden gecontroleerd, ondanks dat 20+ landen dat wel doen. De Knop kaart scherp aan dat dit patiënten in gevaar brengt en wijst op structurele nalatigheid, terwijl de minister belooft het IMI-systeem te verbeteren en de Toezichtscommissie te versterken. Kernpunt: België negeert kritieke alerts, terwijl andere landen ze wel gebruiken.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, het jaar is bijna ten einde. Het eindigt zoals het was begonnen, namelijk met een nieuw schandaal in uw departement. Wij lezen iedere week in een ander artikel over misbruiken in de sector, gaande van het donorschandaal tot het schandaal over het feit dat zeventien auto's op kosten van het RIZIV werden gekocht. Vandaag gaat het over het feit dat in het buitenland geschorste artsen hier zonder problemen voort kunnen werken.

Nochtans waren er eerder al alarmsignalen. Wij hebben de problematiek immers al besproken in de commissievergadering van 21 oktober 2025. Nieuw zijn de cijfers. Vanuit het buitenland ontvangt u via een Europese databank maar liefst 8.000 meldingen per jaar. Bij elke waarschuwing zou er een alarm moeten afgaan. Dat zou ik ten minste verwachten. Die alarmen worden echter niet bekeken, zelfs geen enkele keer. De informatie komt niet van mij maar van uw woordvoerder van de FOD Volksgezondheid. Met 98 % van alle waarschuwingen over artsen die mogelijk misbruik hebben gepleegd of mogelijk zijn geschorst, doen wij dus helemaal niets.

Ik probeer mij dan voor te stellen hoe een en ander in de praktijk verloopt. Ik beeld mij een noodcentrale in met overal rode lichtjes maar niemand kijkt naar het scherm. Andere landen daarentegen, zoals Nederland, Zweden en Spanje, lezen alle berichten en gaan daar wel mee aan de slag.

Dat is niet goed. Het is niet goed voor de geloofwaardigheid van artsen. Het is niet goed voor u. Het is ook ronduit gevaarlijk voor de patiënten. Nochtans hebt u altijd de mond vol van de kwaliteit van de zorg. Kunt u mij toelichten wat u nu echt in dat dossier voor de patiënt doet?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, wie in ons land als arts wil starten, moet bewijzen dat hij of zij over de juiste diploma's beschikt en een bewijs van goed gedrag en zeden voorleggen en er mogen geen tuchtmaatregelen zijn. Sinds kort is ook een taalcertificaat nodig. Dat wordt gecheckt, ook bij wie uit het buitenland komt.

De attesten worden afgeleverd door de bevoegde instanties van het land van herkomst, in veel gevallen equivalent aan onze administratie. Het is juist dat we daarvoor niet altijd het IMI-systeem gebruiken. U kon in De Tijd ook lezen dat lang niet alle lidstaten van de Europese Unie dat systeem gebruiken of correct gebruiken. Dat heeft inderdaad te maken met de structuur van het systeem. Het is geen eenvoudig dashboard met alarmlichtjes.

Tot 2024 waren het de deelstaten die dat controleerden. Zoals u ook kon lezen in De Tijd , bleek bij nazicht een positief attest aanwezig dat dateert van na het inbrengen van de alert. Het lijkt er dus op dat de Franse Gemeenschap geen reden had om aan de echtheid daarvan te twijfelen. Ik lees, net als u, ook in De Tijd dat de Zweedse administratie naar eigen zeggen aan de betrokkene nooit een dergelijk attest heeft afgeleverd. Mijn administratie doet nu opnieuw navraag bij de Zweedse collega's hoe nu echt de vork in de steel zit.

Meer in het algemeen wil ik zeggen dat elk vermoeden van inbreuk moet gemeld worden bij de Toezichtscommissie en dat we die moeten versterken. Ik pleit bij de bevoegde Europese directeur-generaal, mevrouw Gallina, om het IMI-systeem beter en beter hanteerbaar te maken, zodat de alerts gemakkelijker te raadplegen zijn. Tegelijkertijd moeten we in eigen boezem kijken en ons afvragen hoe we parallel en op een efficiëntere manier kunnen proberen hiervan een echte databank te maken.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u antwoordt naast de kwestie door in te gaan op één casus. U weet heel goed dat het hier gaat over veel meer dan één casus. Het gaat over 8.000 waarschuwingen per jaar over artsen die in het buitenland geschorst worden. Uw diensten krijgen daarvan proactief een melding. Het minste wat u zou kunnen doen, vooraleer artsen een visum krijgen, is nagaan in de IMI-databank of zij geschorst zijn. Dat lijkt mij simple comme bonjour . Men moet het gewoon willen doen. U zegt dat niet alle landen daarmee werken. Meer dan 20 Europese landen, en niet van de minste, werken daar wel mee. Dus u kunt daar al mee beginnen.

U, mijnheer de minister, die zo gefocust bent op het controleren en het inperken van vrijheden van artsen en zorgverleners, laat echte fraudeurs ongemoeid. Op die manier ondergraaft u de verantwoordelijkheid van artsen en stelt u de patiënten bloot aan enorme risico's. (Rumoer)

Voorzitter:

U ziet dat er ook nog een leven is naast de micro.

De gezondheidsimpact van glyfosaat

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Jeroen Van Lysebettens toont biomonitoring aan dat 42% van Vlaamse jongeren glyfosaat in hun lichaam heeft, met België op de 4e plaats in OESO-landranking voor pesticiderisico’s bij kinderen, en dringt hij aan op snelle herevaluatie via het voorzorgsbeginsel en preventieve maatregelen – kritiek dat minister Clarinval dit nagelaten heeft. Clarinval (Landbouw) wijst verantwoordelijkheid toe aan zijn bevoegdheid, stelt dat huidige risicobeoordeling voldoende is en wacht op Europese evaluatie, zonder nationale actie te beloven, maar biedt excuses aan voor eerdere verwarring. Van Lysebettens bekritiseert dat de onderliggende glyfosaatstudie – waar Clarinval op baseerde – is ingetrokken wegens belangenconflict (sectorfinanciering) en eist een onafhankelijke herbeoordeling door de minister zelf.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, u kent de historiek van deze vraag allicht beter dan ik. Oorspronkelijk diende ik een vraag in bij minister Vandenbroucke. Die vraag werd behandeld in de commissie voor Gezondheid door u. U zei daarbij dat ik voor een deel van de vragen minister Vandenbroucke moest ondervragen. Vervolgens heb ik de vraag opnieuw ingediend bij minister Vandenbroucke, die de vraag weer naar u heeft doorverwezen, om hier vandaag te beantwoorden. Ik hoop dan ook op een zeer grondig en uitvoerig antwoord op mijn vragen.

Mijnheer de minister, hoe schat u de gezondheidsimpact in van het gebruik van glyfosaat in onze landbouw?

Het Vlaamse biomonitoringsprogramma toonde immers in 2023 al aan dat bij 42 % van de jongeren glyfosaat in het lichaam werd gedetecteerd. Volgens het rapport van UNICEF liep 8,9 % van de Belgische kinderen een hoog risico op pesticideverontreiniging. Daarmee stonden wij op de vierde plaats van alle OESO-landen.

Mijn vraag aan minister Vandenbroucke was of hij zijn verantwoordelijkheid als minister van Volksgezondheid zou opnemen en in het licht van het voorzorgsbeginsel zou aansturen op een snellere herevaluatie van de nationale erkenning van glyfosaat. Hoe zult u in tussentijd samen met de regio's preventieve maatregelen nemen om de bevolking zoveel mogelijk te vrijwaren van die risico's?

David Clarinval:

Mijnheer Van Lysebettens, gelet op het feit dat uw vraag bekeken moet worden vanuit het perspectief van de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en aangezien er een protocolakkoord bestaat tussen mijn collega-minister Vandenbroucke en mezelf waarin werd afgesproken dat het beleid en de toelating voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen de facto onder mijn verantwoordelijkheid en bevoegdheid als minister van Landbouw vallen, heeft collega Vandenbroucke uw vraag opnieuw aan mij doorgestuurd. Mijn antwoord op uw vorige vraag heeft mogelijk voor verwarring gezorgd. Ik bied mijn excuses aan indien dat het geval is.

Ik kan u bevestigen dat de gezondheidsaspecten van gebruikers, omwonenden en consumenten bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen strikt worden gedefinieerd, onderzocht en in aanmerking genomen bij de evaluatie van de risico’s voorafgaand aan de afgifte van de toelating. In dit stadium lijken de nieuwe gegevens op het eerste gezicht onvoldoende overtuigend om de onmiddellijke invoering van nationale maatregelen te rechtvaardigen. We wachten dan ook de Europese beoordeling af.

Ik heb niets toe te voegen aan mijn antwoord dat ik heb gegeven tijdens de commissievergadering van 18 oktober jongstleden.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik denk dat de verwarring zich vooral op het kabinet voordeed en minder bij mij. Uit uw antwoord leid ik af dat u geen preventieve maatregelen zult nemen. Ik heb daarentegen wel iets toe te voegen aan uw antwoord uit de vorige commissievergadering. De glyfosaatreview, de studie waarnaar u in uw vorige antwoord hebt verwezen, is ondertussen door de onderzoekers teruggetrokken, omdat zij door de sector zelf werden betaald. De conclusies waarop het beleid zich baseert, zijn dus niet geldig. Het zou goed zijn mocht u de review van de glyfosaatveiligheid zo snel mogelijk zelf uitvoeren.

Het mislopen van Europese steun ten belope van 25 miljoen euro voor de war on drugs

Gesteld door

lijst: PS Ridouane Chahid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Ridouane Chahid (oppositie) zou de partij Les Engagés (coalitiepartner) valse claims hebben verspreid dat België 25 miljoen EU-subsidie voor narcotraficbestrijding misliep door een verzuim van de vorige minister (eigen partijgenoot). Minister Bernard Quintin ontkent dit scherp: België heeft 33,76 miljoen euro uit het ISF-fonds volledig benut, met lopende projecten (o.a. cybercriminaliteit, politiecapaciteit) en extra goedgekeurde middelen (3,58 miljoen), terwijl de EU bevestigde dat de cijfers op Kohesio verouderd zijn. Chahid prijsde Quintins weerlegging als "compleet" maar bekritiseerde de "slechte signalen" van de coalitie naar narcotraficanten door dergelijke mediaberichten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je tiens tout d'abord à préciser que cette question a pour but de clarifier les choses. Je pense en effet que certaines informations erronées ont été transmises à la presse par un de vos partenaires de la majorité, à savoir Les Engagés. Ces informations suggèrent que la Belgique n'aurait pas introduit auprès de l'Union européenne un dossier qui nous aurait permis d'obtenir une subvention de 25 millions d'euros. Si je ne me trompe, votre partenaire de la majorité ne vous met même pas en cause, évoquant plutôt l'ancienne ministre de l'Intérieur, issue de son parti frère, qui n'aurait pas rentré le dossier en question.

Monsieur le ministre, a-t-on bien introduit ce dossier qui nous permettrait d'avoir ces subventions pour lutter contre le narcotrafic? Sinon, a-t-on l'intention de le faire?

Bernard Quintin:

En effet, contrairement aux informations relayées par d'aucuns dans la presse, il est inexact de prétendre que la Belgique aurait laissé se perdre une subvention de 24,5 millions d'euros du Fonds pour la sécurité intérieure, le fameux ISF. Les chiffres réels, vérifiés avec la Commission européenne, démontrent que les moyens européens sont bel et bien mobilisés et font l'objet d'un suivi rigoureux. En période de disette budgétaire, ce serait malheureux qu'il n'en soit pas ainsi.

L'enveloppe totale allouée à la Belgique dans le cadre du ISF – et je dis bien du ISF, à savoir la Sécurité intérieure – s'élève à 33,763 millions d'euros. Les projets financés directement concernent des avancées concrètes dans la lutte contre la criminalité organisée, la biométrie, le renforcement des capacités d'enquête, la modernisation des infrastructures critiques, la cybersécurité, la gestion des données sensibles ou encore le soutien aux unités spécialisées. Ils contribuent à renforcer l'efficacité des services de police et de justice dans un contexte de menaces croissantes.

Par ailleurs, cinq projets supplémentaires représentant 3,583 millions d'euros, dont 3,010 millions subsidiables, ont reçu un avis favorable de l'Inspection des finances et sont en cours de validation finale.

Ils viendront compléter la programmation dès finalisation des dernières étapes administratives. Il convient également de préciser que la liste des projets sélectionnés est entièrement publique, mise à jour plusieurs fois par an et accessible sur le site du SPF Intérieur.

Enfin, les chiffres publiés sur la plateforme Kohesio de la Commission européenne ne correspondent pas aux données actualisées. Après vérification effectuée ce matin avec les services compétents de la Commission, ceux-ci ont confirmé les montants mentionnés ci-avant et analysent les écarts constatés sur le site. Les éléments disponibles montrent clairement que la Belgique n'a ni manqué les délais ni renoncé aux financements européens et que les crédits de l'Internal Security Fund (ISF) sont pleinement programmés, engagés et suivis, conformément aux exigences européennes.

Je me tiens comme toujours au service de l'opposition, mais aussi de la majorité, pour fournir les bons éléments, les bons chiffres et les bonnes données.

Ridouane Chahid:

Effectivement, ici, c'est plutôt auprès de votre partenaire de majorité que vous devez être à disposition. Vous avez donné des informations claires et précises. Il est regrettable qu'on balance ce genre d'informations dans la presse, c'est un mauvais signal envoyé à ceux que l'on combat tous les jours, à savoir les narcotrafiquants. Je vous remercie, monsieur le ministre, d'avoir apporté ces éclaircissements et ces réponses plus que complètes.

Het begrotingsakkoord en het drugsfonds

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Xavier Dubois vraagt om concrete planning, budgetten (2024: €10M, vanaf 2025: €5M/jaar) en financiële bronnen (inclusief confiscaties) van het Fonds Drogue, alsook een lijst van gefinancierde projecten, maar bekritiseert dat Bernard Quintin enkel vaag verwijst naar een toekomstig wetsvoorstel (2026) en progressieve aanpassingen zonder duidelijke jaarcijfers of bindende afspraken voor de rest van de legislatuur. Quintin bevestigt wel dat confiscaties, boetes en transacties straks het fonds moeten spekken, maar stelt dat eerst juridische kaders, traçabiliteit en monitoring moeten worden uitgewerkt; de projectlijst belooft hij schriftelijk mee te delen. Dubois uit ontevredenheid over het gebrek aan transparantie en dringt aan op snelle, gedetailleerde antwoorden over de meerjarige budgettaire inzet tegen narcotrafiek.

Xavier Dubois:

Je m'en réfère à la version écrité de ma question.

Le gouvernement fédéral a annoncé, en 2024, la création d'un dispositif communément dénommé Fonds drogue, destiné à financer des actions ciblées en matière de lutte contre le trafic de stupéfiants, la violence qui y est associée ainsi que les problématiques de toxicomanie.

Ce fonds a été doté d'un montant de 10 millions d'euros pour l'année 2024, puis de 5 millions d'euros par an à partir de 2025.

Les projets financés dans ce cadre sont définis conjointement par les ministres compétents en matière de Justice, d'Intérieur, de Santé et de Finances, en concertation avec la Commissaire nationale aux drogues, avant d'être soumis à l'approbation du Conseil des ministres.

Par ailleurs, si le Fonds a été initialement doté de crédits budgétaires fédéraux, l'accord de gouvernement prévoit également la possibilité de l'alimenter, à terme, par les avoirs confisqués aux trafiquants de stupéfiants.

Dans le cadre des négociations budgétaires, il nous paraît important de disposer d'une vision claire des décisions prises concernant la création, l'encadrement et la pérennisation de ce Fonds.

Dès lors, Monsieur le Ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes :

Quel calendrier avez-vous arrêté, en concertation avec vos homologues en charge de la Justice et de la Santé, afin de consacrer ce dispositif dans un texte législatif ?

Quels sont les montants alloués à ce fonds pour l'année en cours et pour les exercices budgétaires à venir ?

Pouvez-vous préciser quelles seront les sources de financement du Fonds drogue, tant actuelles que futures, et détailler les catégories de dépenses qui seront couvertes par ce fonds ?

Pouvez-vous communiquer à la commission la liste des projets qui ont été financés par le Fonds drogue depuis sa mise en place ?

Bernard Quintin:

Les travaux préparatoires en vue de la pérennisation du dispositif et de son encadrement juridique sont actuellement menés par mes services en étroite collaboration avec ceux du ministre de la Justice et en collaboration avec le commissariat national drogue. Ils s'inscrivent dans une approche progressive fondée sur l'expérience acquise lors des premiers exercices budgétaires ainsi que sur les enseignements tirés en matière de gouvernance, de contrôle et de traçabilité des moyens.

L'objectif est de pouvoir formuler, au cours du début de l'année 2026, une proposition d'ancrage législative du dispositif en articulation avec les réflexions en cours relatives au financement par les avoir confisqués et à la mise en place d'outils de monitoring adéquats.

Conformément à l'accord de gouvernement, l'objectif est toutefois de faire évoluer progressivement les sources de financement du Fonds afin de renforcer son effet de levier sans alourdir durablement les finances publiques. À cet égard, il est envisagé de mobiliser une partie des produits issus de la lutte contre la criminalité organisée et le trafic de stupéfiants, notamment les avoir confisqués, les amendes pénales et les transactions pénales, pour alimenter le dispositif. Cette évolution suppose la mise en place préalable d'un cadre juridique clair, de mécanismes de traçabilité fiables et d'outils de monitoring permettant d'objectiver l'origine et la durabilité de ces recettes.

Depuis sa mise en place, le fonds drogues a permis de financer un ensemble cohérent de projets approuvés par le Conseil des ministres couvrant l'ensemble de la chaîne prévention, répression, suivi, santé. Afin de ne pas entraver la fluidité des débats, je vous invite à venir à ma rencontre afin que vous soit transmise par écrit une liste de dépenses et projets couverts par le fonds drogues. Je vous remercie.

Xavier Dubois:

Merci pour votre réponse. Pour la liste, je viendrai à votre rencontre avec grand plaisir.

En ce qui concerne les autres volets de ma question, je n'ai malheureusement pas de réponses puisqu'au niveau du texte, un texte est en préparation. Le contenu du texte, c'est effectivement ce qui est dans l'accord de gouvernement.

J'avais des questions aussi sur les montants consacrés pour les années à venir et là non plus je n'ai pas de réponses. J'espère donc avoir ces réponses-là assez rapidement puisque c'était surtout ce point-là qui est important, savoir de quels moyens nous disposerons dès l'année prochaine – et puisque l'accord budgétaire porte sur une trajectoire pluriannuelle – et pour les années à venir jusqu'à la fin de cette législature pour lutter efficacement contre le narcotrafic. C'est un point extrêmement important que j'ai abordé en de nombreuses occasions ici même. J'espère disposer de ces réponses très vite puisque hormis une confirmation que l'accord de gouvernement sera mis en œuvre, je n'ai pas obtenu beaucoup plus d'informations si ce n'est la liste des projets que je vais venir chercher après ma question.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011660C van de heer Meuleman wordt omgezet in een schriftelijke vraag. La question n° 56011674C de M. De Smet est transformée en question écrite.

De schietpartij en het drugsgeweld in Sint-Gillis (Brussel)
Het geweld in Sint-Gillis
Geweld en criminaliteit in Sint-Gillis, Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 17 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens een debat over de escalerende drugscriminaliteit en schietpartijen in Brussel (96 incidenten in 2024, +5% vs. 2023) bekritiseert Ortwin Depoortere het gebrek aan effectieve aanpak, wijst op structurele verplaatsing van geweld naar woonwijken en eist hardere repressie (uitzetting illegalen, constante razzia’s). Brent Meuleman vraagt om concrete resultaten van beloofde maatregelen (FIPA-operaties, 40 extra agenten, camera’s) en noemt de versnippering van politiezones een belemmering, ondanks steun voor de geplande fusie. Minister Quintin bevestigt versterkte inzet (maandelijkse FIPA’s, gespecialiseerde eenheden, militaire steun) en meetbare successen (arrestaties, inbeslagnames), maar benadrukt dat structurele oplossingen tijd vragen en narcoterrorisme geen passende term vindt. Depoortere blijft kritisch, stelt dat illegale daders en minderjarige schutters ongestraft opereren en waarschuwt voor een Vlaamse uitstralingsdreiging.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, op zaterdag 13 december werd de Metaalstraat in Sint-Gillis opgeschrikt door een schietpartij waarbij de gevel van een woning werd doorzeefd met kogels. De getroffen woning bevond zich op enkele meters van een huiswerkklas. Als bij wonder vielen er geen gewonden. Zo konden we vernemen in de media.

Alles wijst op een afrekening binnen het drugsmilieu, zoals zo vaak in Brussel. De betrokken jongeren kregen al een plaatsverbod opgelegd wegens drugsdealactiviteiten op het Bethlehemplein. Het geweld verplaatst zich intussen van gekende hotspots naar rustige woonstraten. Dat vormt een reëel gevaar voor burgers in de onmiddellijke omgeving. Het is een kwestie van tijd voordat een verdwaalde kogel opnieuw een onschuldig slachtoffer maakt. Ik zeg opnieuw, omdat we dat al hebben moeten meemaken in Antwerpen.

Mijnheer de minister, beschouwt u die feiten als geïsoleerde incidenten of als een onderdeel van een structurele escalatie richting narcoterrorisme? Wat is de stand van zaken? Dat is belangrijk in het kader van de fusie van de Brusselse politiezones. Als we de strijd tegen de drugsbendes en het narcoterrorisme ernstig willen nemen, is er geen tijd te verliezen. Worden probleemzones versterkt met extra middelen en personeel? Blijkbaar hebben de huidige middelen geen effect. Daarom stel ik die vraag.

Wat plant u om recidive en de betrokkenheid van illegalen bij drugsgerelateerde criminaliteit te voorkomen? Er is sprake geweest van een taskforce. Die bestaat nog altijd, naar het schijnt, mijnheer de minister. U hebt ook al meermaals in het Parlement gezegd dat u de strijd tegen de drugscriminaliteit zou intensiveren. Ik wil graag peilen naar de resultaten. Wat heeft dat al veranderd op straatniveau? Zijn er meetbare resultaten in de ontmanteling van netwerken, inbeslagnames, arrestaties of vervolgingen?

Brent Meuleman:

Helaas is mijn vraag al achterhaald, mijnheer de minister. Ik wilde u vragen stellen naar aanleiding van de laatste schietpartij in Sint-Gillis. Tussen het indienen van mijn vragen en vandaag is er helaas nog een schietpartij toegevoegd aan de ellenlange lijst van schietpartijen in Brussel. Afgelopen maandagochtend boorden verschillende kogels zich namelijk in de gevel van een gezinswoning.

Er werd al naar verwezen, op zaterdag 13 december werden de bewoners van Sint-Gillis opnieuw opgeschrikt door grof geweld. Dit is helaas geen alleenstaand geval, maar het zoveelste incident in een reeks die de leefbaarheid in de wijk zwaar onder druk zet.

Ik verwijs graag naar mijn eerdere schriftelijke vraag en uw antwoord daarop van eind oktober. U stelde toen heel duidelijk dat u de criminelen op alle fronten zou aanpakken om de controle over onze stadcentra terug te krijgen. U kondigde de lancering aan van het plan ‘Grandes Villes’, dat het Kanaalplan vervangt en uitbreidt. In uw antwoord gaf u bovendien aan dat er geregeld harde acties – u hebt er al naar verwezen, FIPA – zouden plaatsvinden om criminelen dag en nacht lastig te vallen.

U waarschuwde zelfs dat, als we vandaag de controle verliezen in de zone Zuid, morgen de hele stad daaronder zal lijden. Helaas hebben we ondertussen een nieuw record beet, vers van de pers. De VRT heeft daar vanochtend over bericht. Het gaat om een record waarmee men eigenlijk niet in de boeken wil komen, want het aantal schietpartijen in Brussel is ondertussen opgelopen tot 96, tegenover 92 vorig jaar. Dat recente record is dus al een oud record geworden. We kunnen alleen maar hopen dat het uiteindelijke aantal niet nog hoger zal liggen. Daarom heb ik de volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

U gaf aan dat de FIPA’s zolang als nodig herhaald zouden worden. Heeft er in de dagen voorafgaand aan of onmiddellijk na dit nieuwe schietincident in Sint-Gillis een dergelijke actie plaatsgevonden in de betreffende wijk? U beloofde dat er voor het einde van het jaar nog eens 40 rekruteringen zouden plaatsvinden bij de federale gerechtelijke politie van Brussel. We zijn nu half december. Zijn die 40 extra krachten effectief aangeworven en operationeel inzetbaar op het terrein?

U sprak over 20 miljoen euro aan federale middelen voor camera’s, specifiek voor hotspots die onvoldoende bewaakt worden. Zal de straat waar dit recente incident plaatsvond versneld worden uitgerust met die middelen, aangezien Sint-Gillis duidelijk kampt met een tekort? U pleit voor een fusie tot één politiezone onder één commando om de slagkracht te vergroten. Laat mij duidelijk zijn, wij delen uw analyse en zijn zelf ook vragende partij voor die eengemaakte zone, maar we moeten natuurlijk ook realistisch zijn. Die hervorming zal er niet van vandaag op morgen zijn. U stelde zelf dat de huidige versnippering in zes zones niet werkt en dat de structurele versterking momenteel onvoldoende is.

Welke noodmaatregelen neemt u nu om de samenwerking tussen de zones te garanderen, zodat de veiligheid van de Brusselaar niet on hold staat tot de fusie rond is?

Bernard Quintin:

De feiten waarnaar u verwijst, spelen zich af in het milieu van de georganiseerde drugscriminaliteit. Narcoterrorisme is een begrip dat voor mij niet geheel van toepassing is, maar het spreekt voor zich dat ook deze schietpartij bijzonder choquerend is. Het onderzoek loopt, waardoor ik weinig kan zeggen over de verdachten, maar ik heb geen informatie ontvangen over het niet respecteren van bestuurlijke maatregelen.

Ik ben er inderdaad nog steeds van overtuigd dat de fusie van de politiezones in Brussel een element is dat moet toelaten een doeltreffend politie- en veiligheidsbeleid te voeren in onze hoofdstad. Mijn kabinet werkt momenteel hard aan de tekst voor de fusie van de Brusselse politiezones, met het oog op een zo snel als mogelijke tweede lezing in de ministerraad.

In afwachting daarvan worden extra middelen en personeel ingezet in de probleemzones. De politiezone Zuid ontvangt bijvoorbeeld ondersteuning via verschillende gespecialiseerde eenheden, waaronder de cavalerie, de CSD, het CIK, de FERRES en de dronecel. Die versterking wordt ingezet volgens de operationele noden en beschikbaarheid. Daarnaast wordt één Full Integrated Police Action (FIPA) per maand uitgevoerd in Brussel, in samenwerking met de zes Brusselse politiezones en de federale eenheden, waaronder de spoorwegpolitie en het interventiekorps.

In Brussel hebben de FIPA-operaties tastbare resultaten opgeleverd op het vlak van arrestaties, inbeslagnames en vaststellingen. Er werden controles uitgevoerd bij personen, voertuigen en handelszaken, wat leidde tot meerdere gerechtelijke en administratieve arrestaties, processen-verbaal inzake verkeer, drugs en wapens, evenals tot inbeslagnames van verdovende middelen, geld en verboden voorwerpen. De acties tonen aan dat de gezamenlijke inzet van de betrokken politiediensten effectief bijdraagt aan de bestrijding van criminaliteit. Gedetailleerde cijfers kunt u het best schriftelijk opvragen.

U verwees terecht, mijnheer Meuleman, naar de recentste cijfers, die een stijging aangeven. Het gaat om een ‘beperkte stijging’ van 5 %, met tegelijk een daling van het aantal moorden. Het zijn er hoe dan ook nog steeds veel te veel.

Wij doen veel, met de politiezones en de federale politie. Het zal nog veel werk en een intensieve samenwerking vergen. We moeten dat fors aanpakken, maar ik veronderstel dat niemand die hier of daarbuiten verantwoordelijk is, denkt dat we dit in enkele maanden kunnen oplossen. Wat we moeten doen en wat we doen, is de problematiek met alle beschikbare middelen fors aanpakken. Dat is ook een reden om de nu beoogde militairen in te zetten. Dat moet meer kracht geven aan de aanpak van de criminaliteit in Brussel, maar niet alleen in Brussel. Ik dank u.

Ortwin Depoortere:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Onze politiediensten telden dit jaar voorlopig al 96 schietpartijen, tot en met 15 december. Dat zijn er vier meer dan vorig jaar en we zijn nog niet aan het einde van 2025. Ten opzichte van 2022 gaat het vrijwel om een verdubbeling. Zo snel gaat het. Twee schietpartijen per week zijn het nieuwe normaal in multicultureel Brussel. Daarbij vielen dit jaar ondertussen al acht doden.

We weten bovendien in veel gevallen wie de daders zijn. Het gaat veelal om illegalen en minderjarige allochtonen die worden uitgestuurd om op rivaliserende dealers te schieten. Brussel is de kanarie in de kolenmijn voor wat Vlaanderen te wachten staat en voor hoe het nu al is in onder meer Antwerpen.

Zet die illegalen dus het land uit. Maak bendes het leven onmogelijk met constante razzia’s. Steek die schutters en dealers achter slot en grendel.

Brent Meuleman:

Ik dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56011681C van de heer Depoortere wordt omgezet in een schriftelijke vraag, net als vraag nr. 56011683C van de heer Jeroen Bergers.

Het drama dat vermeden werd in Schaarbeek, maar dat een zorgwekkende lacune blootlegt

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 16 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Victoria Vandeberg bekritiseert dat een illegale migrant met geweldsverleden (verboden in Frankrijk, veroordeeld voor geweld) ongehinderd België binnenkon en politieagenten in Schaarbeek bijna doodreed, wat wijst op "alarmant systeemfalen" in Schengen-informatie-uitwisseling en grenscontroles. Minister Van Bossuyt bevestigt dat de man wel degelijk door Frankrijk en Zwitserland was gesignaleerd in Schengen, maar dat België hem niet kende tot het incident; zijn binnenkomst blijft onduidelijk en wordt onderzocht. Van Bossuyt benadrukt verstrengde maatregelen: uitbreiding gesloten centra (o.a. Merksplas, Steenokkerzeel), 72 extra escorteurs tegen 2026, en nieuwe terugnameakkoorden (Marokko, onderhandelingen met Algerije), plus Europese druk voor strengere Dublin-afspraken. Vandeberg twijfelt aan de effectiviteit en vraagt concreet of de dader al in detentie zit voor uitzetting, maar krijgt hierop geen direct antwoord.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre il y a quelques semaines à Schaerbeek, quatre policiers ont échappé de justesse à un drame, percutés par un conducteur qui, selon les premiers éléments, n'aurait jamais dû se trouver sur notre territoire: séjour illégal, condamné pour violences en France, interdit de territoire français. Pourtant, il a pu entrer et se déplacer librement sur notre territoire sans être détecté. Ce cas n'illustre pas seulement une défaillance, il révèle une faille inquiétante, celle qui permet à des individus signalés ailleurs en Europe comme dangereux et dépourvus de tout titre de séjour de franchir nos frontières sans être interceptés.

Madame la ministre, au regard du cadre légal du système d'information Schengen, qui impose qu'un ressortissant de pays tiers interdit de territoire, condamné pour des faits violents ou expulsé fasse automatiquement l'objet d'un signalement dans la base européenne, pouvez-vous nous confirmer si ce suspect était effectivement signalé?

Pouvez-vous également préciser ce que savent vos services aujourd'hui sur son parcours, depuis son arrivée en Belgique, ainsi que les circonstances qui ont permis son entrée sur notre territoire? Pouvez-vous également nous indiquer ce que l'enquête révèle à ce stade concernant ses motivations? Enfin, quelles sont les suites que vous entendez donner à ce dossier, tant en ce qui concerne le traitement de ce cas précis que les mesures à prendre pour éviter qu'une telle situation ne se reproduise.

Évidemment, lorsque la sécurité publique relève davantage d'un réflexe que d'un système fiable, cela pose question. On ne se demande pas si un drame surviendra à nouveau mais plutôt quand il surviendra. Cette situation ne peut se reproduire et cela relève évidemment de la responsabilité de l'État.

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Vandeberg, je tiens tout d'abord à exprimer ma plus grande considération pour nos policiers et autres intervenants qui donnent chaque jour le meilleur d'eux-mêmes et qui, dans des situations comme celle que vous décrivez, se trouvent en danger. C'est inacceptable. Avec ce gouvernement, sous les compétences des ministres Quintin et Verlinden, nous allons également travailler à une répression plus sévère des violences contre les intervenants de secours.

Je vous confirme que la personne concernée avait été signalée déjà par la Suisse et par la France. L'intéressé n'était pas connu de nos services avant les faits du 8 novembre. L'Office des étrangers ne dispose d'aucune information concernant son entrée sur notre territoire. Ceci fait partie de l'enquête judiciaire.

Concernant votre dernière question, vous savez que l'objectif de ce gouvernement est de renvoyer du territoire le plus grand nombre possible de personnes faisant l'objet d'un ordre de quitter le territoire. À cette fin, de nombreuses mesures ont été convenues dans notre accord du gouvernement. Je vous en rappelle quelques-unes: le doublement du nombre de places dans les centres fermés et les centres de retour. Une aile de plus a été ouverte dans le centre fermé de Merksplas cette année. Il y a un mois, j'ai fait le eerstesteenlegging pour le centre de départ à Steenokkerzeel. Concernant le centre de Jumet, j'espère avoir le permis en janvier. Nous sommes sur le bon chemin.

Par ailleurs, nous augmentons le pool d'escorteurs en collaboration avec mon collègue le ministre Quintin. Nous avons un accord pour avoir 72 escorteurs en plus avant la fin de 2026.

Concernant la conclusion de nouveaux accords de réadmission avec les pays d'origine, nous avons un accord avec le Maroc depuis fin octobre. Ce matin, j’ai aussi eu une réunion avec une délégation algérienne sur les négociations d’un accord de réadmission au niveau du Benelux.

Au niveau européen, je plaide pour un fonctionnement plus solide et durable des accords de Dublin.

De cette manière, nous faisons tout pour ne pas tolérer l’illégalité et éviter que de telles situations ne se reproduisent à l’avenir.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie pour vos réponses. Évidemment, nombre de mesures sont prévues et nous nous en réjouissons. Dans ce cas précis, je suivrai également le dossier pour voir ce qu’il adviendra de cette personne en particulier. Est-elle déjà, par exemple, dans un centre pour procéder à son retour? Ce sont des questions que je suivrai encore par la suite. Je vous remercie.

De brief van een medisch centrum in Charleroi aan werklozen die hun uitkering dreigen te verliezen
De hulp v.e. gezondheidscentrum in Charleroi bij de overgang van werkloosheids- naar ziekteuitkering
Ondersteuning van gezondheidscentrum Charleroi bij uitkeringswijzigingen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Irina De Knop bekritiseert een brief van medisch centrum La Chenevière die werklozen uitnodigt voor een gezondheidsevaluatie, wat volgens haar suggereert dat patiënten worden aangemoedigd om via arbeidsongeschiktheid een inkomen te behouden. Minister Vandenbroucke bevestigt dat de praktijk niet illegaal is maar wel problematisch; hij heeft het RIZIV gevraagd om toezicht te versterken en introduceert een werkgroep en extra controles (o.a. een bijkomend contactmoment na 4 maanden) om stroom van werkloosheid naar arbeidsongeschiktheid te monitoren—zonder "heksenjacht" maar met focus op rechtvaardige begeleiding. De Knop prijst de maatregelen maar vraagt zich af of verzekeringsinstellingen wel de juiste actor zijn voor dergelijke evaluaties, gezien mogelijke belangenconflicten. Vandenbroucke benadrukt proactieve opvolging via cijfers en thematische controles om misbruik te voorkomen zonder terechte gevallen te benadelen.

Irina De Knop:

Geachte mijnheer de minister, recent kwam aan het licht dat een medisch centrum in Charleroi een brief heeft gestuurd naar patiënten die op het punt staan hun recht op werkloosheidsuitkering te verliezen. In die brief worden de betrokkenen uitgenodigd om een telefonische consultatie te plannen teneinde hun gezondheidstoestand te evalueren en te informeren over mogelijke medische stappen. Die boodschap heeft tot grote verontwaardiging geleid, onder meer omdat de timing samenviel met de hervorming van de langdurige werkloosheid en omdat de brief bij velen de indruk wekte dat patiënten werden aangemoedigd om via ziekte of invaliditeit alsnog een vervangingsinkomen te behouden.

Deze praktijk roept natuurlijk enkele fundamentele vragen op over de grenzen tussen medische zorg, sociale begeleiding en mogelijke medische misbruiken. Het is immers een feit dat het aantal langdurig zieken in België de voorbije jaren sterk is gestegen, terwijl de werkloosheidscijfers relatief stabiel bleven. Steeds vaker wordt dan ook de analyse gemaakt dat beide systemen communicerende vaten zijn; wie niet langer in het ene systeem past, belandt in het andere.

Vandaar mijn vragen voor u, mijnheer de minister.

Is deze praktijk u bekend en hoe beoordeelt u de brief van het medisch centrum La Chenevière? Acht u het gepast dat huisartsen actief patiënten contacteren in functie van hun sociale status of werkloosheidsstatus en niet enkel op medische gronden? Wordt er toezicht gehouden op de grens tussen medische begeleiding en sociale sturing in de context van de ziekte- en invaliditeitsverzekering? Beschikt u over gegevens of signalen die bevestigen dat er effectief een stroombeweging is van werkloosheid naar arbeidsongeschiktheid, en welke structurele maatregelen neemt u om dit te beperken? Overweegt u ook een overleg met de deelstaten, het RIZIV en de ziekenfondsen om misbruik te voorkomen en tegelijkertijd te zorgen voor de meest correcte begeleiding van mensen die zowel medische als sociale problemen ervaren?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ik heb de vragen over de aangekaarte casus reeds in de plenaire vergadering beantwoord en zal dat hier niet herhalen. Ik heb daar ook mijn verwondering over uitgesproken en gevraagd aan het RIZIV om de casus te bekijken. Dat is intussen gebeurd. Er is overleg geweest met de verzekeringsinstellingen en zij zijn gesensibiliseerd voor het risico op een verhoogde instroom vanuit de werkloosheid. Tegelijk zijn zij gewezen op de wijze waarop daarmee correct moet worden omgegaan.

Ik wil het debat ruimer kaderen. U hebt gelijk wanneer u waarschuwt dat we waakzaam moeten zijn voor mogelijke neveneffecten van beleidswijzigingen in het ene stelsel op een ander stelsel. Beleid kan niet op basis van individuele gevallen worden gemaakt; dat neemt niet weg dat de uitgedrukte bezorgdheid terecht is. Een verstrenging van de werkloosheidsreglementering mag er niet toe leiden dat mensen onterecht in de arbeidsongeschiktheid terechtkomen. Evenmin mag wie wel terecht arbeidsongeschikt is, onder druk worden gezet. Daarom hebben we, in het kader van de hervorming van de werkloosheid, de werkgroep Impact Werkloosheidshervorming opgericht. Die werkgroep zal voortaan maandelijks opvolgen hoeveel mensen vanuit de werkloosheid instromen in de arbeidsongeschiktheid en die cijfers vergelijken met die van 2023 en 2024. We willen met andere woorden niet wachten tot er problemen ontstaan, maar de evoluties proactief en op basis van feiten opvolgen.

Indien er inderdaad een verhoogde instroom wordt gemeten, zullen de verzekeringsinstellingen worden gevraagd om sneller contact op te nemen met de betrokkenen. Dat gebeurt niet met het oog op sanctionering, maar omwille van een betere begeleiding. Concreet komt er dan een bijkomend contactmoment voor de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid, naast de bestaande opvolging na vier, zeven en elf maanden. Daarnaast zal ik het RIZIV vragen om in geval van een verhoogde instroom in 2026 een bijkomende thematische controle organiseren, zodat we een beter zicht krijgen op de aard van die instroom. Er mag geen misverstand over bestaan: wie terecht arbeidsongeschikt is, blijft beschermd. Het is niet de bedoeling een heksenjacht te organiseren. Het doel is rechtvaardigheid en evenwicht tussen de verschillende stelsels te bewaren. Dat is de enige manier om het vertrouwen in ons sociaal model te versterken.

Wat de concrete casus betreft, er is vastgesteld dat er geen inbreuk is gepleegd ten opzichte van de letter van de wet. Er is wel gevraagd dat de verzekeringsinstellingen aandacht hebben voor dat type situaties. Het was voor mij vooral belangrijk om een algemene beleidsrespons uit te werken. Die heb ik u toegelicht. Er komt onder meer een bijkomend contactmoment voor de vierde maand arbeidsongeschiktheid, naast de bestaande, voor iemand die uit de werkloosheid komt. Dat lijkt me een heel belangrijk punt. Het betekent ook een belangrijk extra engagement voor de verzekeringsinstellingen.

Irina De Knop:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Zoals steeds was het erg deskundig en gewiekt en gewogen. Het is zeker bewonderenswaardig dat u de verzekeringsinstellingen gecontacteerd en gesensibiliseerd hebt. Ik meen dat dat zeker nodig was. Als het goed is, moeten we het ook zeggen. Ik vind het erg positief dat u een werkgroep opgericht hebt bij het RIZIV om de impact van de werkloosheid op de arbeidsongeschiktheid te monitoren en dat u de cijfers zult kunnen vergelijken in de komende jaren. Ook het extra contactmoment, dat u voor de vierde maand mogelijk maakt, vind ik zeer relevant, al is de vraag daarbij wel onmiddellijk welke mogelijkheden de verzekeringsinstelling, of de adviserend arts op dat moment al heeft. Er zijn nu ook al een heel aantal contactmomenten, maar het is niet onmiddellijk mogelijk er de juiste conclusie aan te verbinden. Het is dus wel belangrijk hen van voldoende wapens te voorzien. Het mag absoluut niet de bedoeling zijn een heksenjacht te openen, maar men mag zeker ook niet blind zijn voor de dynamieken bij sommige instellingen, misschien zelfs bij sommige verzekeringsinstellingen. Dan komen we weer bij de vraag of de verzekeringsinstellingen de beste partners zijn om de arbeidsongeschiktheid vast te stellen. Daar zullen we zeker nog in toekomstige debatten op kunnen terugkomen.

De verplichte controle van langdurig zieken in de zevende maand
De opvolging van arbeidsongeschiktheid: eerdere beleidsinitiatieven en bijkomende controles
De controle van langdurig zieken
Langdurige arbeidsongeschiktheid en controles

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Irina De Knop (parlementslid) bekritiseert dat controles op arbeidsongeschiktheid vanaf de 7e maand niet systematisch gebeuren en vraagt om concrete cijfers, redenen voor het uitblijven ervan en oplossingen. Minister Vandenbroucke bevestigt het verplichte fysieke controlesysteem (sinds 2024) en gerichte herbeoordelingen (5.076 dossiers in 2024, waarvan 693 na overleg en 368 na extra onderzoek), maar geeft geen specifieke data over de dekkingsgraad of verschillen tussen ziekenfondsen. De Knop stelt dat haar vragen onbeantwoord blijven, met name over initiatieven om controles te verplichten en de rol van de GRI (die volgens haar wettelijk verankerd is, maar door Vandenbroucke als overgedragen aan RIZIV-artsen wordt voorgesteld). De minister kondigt wel 218.000 extra herEvaluaties (2026–2029) en 12.000 themacontroles/jaar (2029) aan, met een besparingsdoel van €1,06 miljard, maar ontwijkt directe antwoorden op operationele tekortkomingen.

Voorzitter:

Mme Sneppe ne se joindra pas. Elle est excusée.

Irina De Knop:

Mijn twee vragen gaan in dezelfde richting. Met uw goedvinden zal ik ze onmiddellijk na elkaar stellen.

Mijnheer de minister, onder andere op de website van het RIZIV lezen wij dat langdurig zieken vanaf de zevende maand kunnen worden opgeroepen voor een medische controle. Dat blijkt ook uit eerdere maatregelen die u al hebt getroffen en die u herhaaldelijk hebt toegelicht in de commissie.

Die oproep voor medische controle vanaf de zevende maand dient om na te gaan of de arbeidsongeschiktheid verder kan worden erkend. Daarbij wordt vermeld dat de controle verplicht is en dat een schorsing kan volgen wanneer mensen niet op die controle verschijnen en hun afwezigheid niet kunnen rechtvaardigen. De arts van de Dienst voor uitkeringen onderzoekt een en ander specifiek.

Wij krijgen echter signalen uit het werkveld dat de controle in de fase van de primaire arbeidsongeschiktheid niet systematisch gebeurt. Daarom heb ik enkele vragen.

Beschikt u over cijfers die aangeven in hoeveel dossiers de controle van de primaire arbeidsongeschiktheid effectief gebeurt tussen de zevende en de twaalfde maand en in hoeveel dossiers die controle niet heeft plaatsgevonden?

Indien de controle plaatsvindt, gebeurt ze dan effectief fysiek in onderzoekscentra? In hoeveel procent van de gevallen is er daarbij sprake van fysiek contact?

Indien de controles niet systematisch plaatsvinden, wat zijn daarvoor dan de redenen? Welke initiatieven wilt u nemen om ervoor te zorgen dat de controle van de primaire arbeidsongeschiktheid steeds plaatsvindt vanaf de zevende maand?

Voor mijn volgende vraag verwijs ik naar vragen die ik stelde in de commissievergadering van 12 november 2025, waarbij een aantal punten onbeantwoord bleven. Daarom heb ik ze nu specifieker geformuleerd. Mijn eerste vragen gaan over de her-evaluatie vanaf de zevende maand.

Werd de gerichte her-evaluatie voortgezet? Welke resultaten heeft ze opgeleverd?

Werden er verschillen vastgesteld tussen de ziekenfondsen? Hoe verhouden de resultaten zich tot recente RIZIV-steekproeven?

De volgende vragen gaan over de herziening en de medische opvolging. Bij hoeveel personen werd in de voorbije twee jaar de arbeidsongeschiktheid herzien en met welke uitkomst?

Hoeveel personen kregen in 2024 door de adviserend arts een re-integratietraject voorgesteld? In hoeveel gevallen droeg het RIZIV de kosten van de beroepsherscholing?

Hoeveel arbeidsongeschikten blijven in medische behandeling bij een behandelend arts?

Hoe beoordeelt u de werking en de onafhankelijkheid van de Hoge Commissie van de Geneeskundige raad voor invaliditeit? Acht u bijkomende controles nodig?

Hoeveel extra artsen zijn er nodig voor de 100.000 extra controles die u in de komende jaren plant? Welke budgetten hebt u daarvoor voorzien? Welke kwaliteitsgaranties worden daarbij ingebouwd?

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Frank Vandenbroucke:

Ik heb nog een aantal vragen van mevrouw Sneppe ontvangen, die ik ook zal beantwoorden. Dat wordt een heel omvangrijk antwoord.

Ik wil eerst het algemene principe toelichten van de nieuwe controle die ik tijdens de zevende maand heb ingevoerd. Daarna ga ik in op de meer specifieke vragen. Dat sluit aan bij wat ik intussen de tweede golf van maatregelen voor de terugkeer naar werk heb genoemd. Het gaat om een nieuw oproepbeleid voor mensen die als arbeidsongeschikt zijn erkend. Het betreft een gestandaardiseerd controleritme, dat vanaf 2024 geldt, ongeacht het ziekenfonds waarbij de betrokkene is aangesloten.

Een van die controlemomenten valt in de zevende maand van de arbeidsongeschiktheid. Op dat moment worden zowel een evaluatie van de arbeidsongeschiktheid als een beoordeling van het arbeidspotentieel in het kader van een mogelijk terug-naar-werktraject uitgevoerd door de adviserend arts of door de medewerker van het multidisciplinaire team. Dat moet altijd via een fysiek contact gebeuren.

Daarnaast bestaat er een proces van gerichte herbeoordeling. Dat wordt uitgevoerd door artsen van de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV. Zij hebben de bevoegdheid om vanaf de eerste dag van de zevende maand van arbeidsongeschiktheid een einde aan de arbeidsongeschiktheid te stellen.

Het doel van deze gerichte herbeoordeling bestaat erin om op basis van een steekproef na te gaan of de adviserend arts vanaf de zevende maand primaire arbeidsongeschiktheid de vermindering van het verdienvermogen op een correcte manier heeft gewaardeerd, zoals bepaald in artikel 100 §1 van de betreffende wetgeving. Dit gebeurt niet alleen op basis van het laatst uitgeoefende beroep, maar ook op basis van de referentieberoepen en beroepen die aansluiten bij opleidingen die de verzekerde heeft gevolgd.

Om deze gerichte herbeoordeling mogelijk te maken, moeten de verzekeringsinstellingen voor elke verzekerde die de eerste dag van de zevende maand arbeidsongeschiktheid bereikt data sturen naar de Geneeskundige raad voor invaliditeit van de Dienst voor uitkeringen. Op basis van die datafluxen selecteert de Dienst voor uitkeringen de dossiers voor de gerichte herbeoordeling. In 2024 ontving de Geneeskundige raad voor invaliditeit datafluxen over 157.049 dossiers, waaruit er 5.076 voor controle werden geselecteerd.

Het beslissingsproces dat moet worden gevolgd door de artsen van de dienst is reglementair bepaald. Ten eerste kan de arts van de dienst op basis van het dossier dat door de GRI werd ontvangen, van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team, de beslissing nemen om een einde te stellen aan de arbeidsongeschiktheid.

Ten tweede, wanneer de arts echter niet in de mogelijkheid is om een beslissing te nemen, bijvoorbeeld omdat hij over onvoldoende gegevens beschikt, dan organiseert die arts een overleg tussen de arts van de dienst die het dossier heeft onderzocht en de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team van het ziekenfonds die het dossier aan de GRI heeft verzonden. Op basis van dat overleg kan de arts van de Dienst voor uitkeringen beslissen om al dan niet een einde te stellen aan de arbeidsongeschiktheid, of de arts kan beslissen om alsnog over te gaan tot een medisch onderzoek van de verzekerde door een andere arts van de Dienst voor uitkeringen.

Ten derde, de arts die de verzekerde heeft onderzocht, stelt een verslag op van zijn bevindingen en bezorgt dat aan de arts die het onderzoek heeft aangevraagd, waarna die arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de GRI, een beslissing neemt over het dossier. Van de 5.076 dossiers die in 2024 werden geanalyseerd door de artsen van de dienst, werden 693 dossiers beslist na zo'n overleg en 368 dossiers na een medisch onderzoek. De overige dossiers werden beslist op basis van de gegevens ontvangen van de verzekeringsinstellingen.

Mevrouw Sneppe vroeg hoe het zit met de overgang naar invaliditeit. In de loop van de elfde maand van de primaire arbeidsongeschiktheid moet er een nieuw fysiek contact plaatsvinden tussen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team van het ziekenfonds en de verzekerde om na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden om verder als arbeidsongeschikt te worden erkend. Als men in het ziekenfonds van mening is dat dit nog steeds het geval is, doet de adviserend arts of zijn medewerker van het multidisciplinair team een voorstel tot intrede in invaliditeit aan de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit.

Sinds 1 juli 2024 bepaalt de reglementering duidelijk wat de maximale duur kan zijn van dat voorstel, in functie van bijvoorbeeld het arbeidspotentieel van de verzekerde of van een lopend terug-naar-werk-traject. Daarmee maken we ook erkenning tot aan het pensioen onmogelijk, behoudens voor welbepaalde pathologieën. Er is geen systematisch overleg tussen de behandelend artsen, de adviserend artsen en de arbeidsartsen, maar sinds kort kunnen ze wel op een veilige manier informatie uitwisselen via het TRIO-platform.

Mevrouw De Knop had een aantal vragen over de TNW-trajecten en de maatregelen uit de vierde golf. Wat betreft de TNW-trajecten, de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team kan de gerechtigde doorverwijzen naar de terug-naar-werk-coördinator in het kader van het terug-naar-werk-traject als deze gerechtigde in de loop van de arbeidsongeschiktheid in categorie 4 is geplaatst.

Voor 2024 werden in totaal 25.562 gerechtigden door de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team doorverwezen naar de terug-naar-werk-coördinator voor een eerste contactname. Ik bezorg u de cijfers van de vijf verzekeringsinstellingen, zonder de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Binnen het terug-naar-werk-traject voorzie ik verschillende mogelijkheden die de sociaal verzekerden kunnen ondernemen in het kader van een beroepsherscholing. Dat kan met of zonder de ondersteuning van een dienst voor arbeidsbemiddeling.

In 2024 zijn er voor 4.681 loontrekkende gerechtigden en 199 zelfstandige gerechtigden uitgaven in het kader van een herscholing zonder ondersteuning van een arbeidsbemiddelaar uitgevoerd. Het aantal trajecten in samenwerking met de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten bedroeg 14.190. In ongeveer 60 % van die trajecten is een opleidingsmodel voorzien. In totaal ging het in 2024 om 13.394 opleidingen.

U vroeg hoeveel als langdurig arbeidsongeschikt erkende mensen in behandeling blijven. Uit een steekproef bij het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten blijkt dat in 2024 gemiddeld meer dan 90 % van het aantal langdurig arbeidsongeschikten in dat jaar contact had met een huisarts, een specialist of beiden. Het aantal langdurig arbeidsongeschikten dat geen enkel contact had, is dus zeer laag. Het neemt wel toe met de duur van de arbeidsongeschiktheid.

Wat de GRI betreft, de werking ervan wordt regelmatig geëvalueerd en ook aangepast. Dat is gebeurd in 2024 naar aanleiding van deze hervormingen. De Hoge Commissie spreekt zich niet meer uit over individuele dossiers van arbeidsongeschiktheid. De beslissingsbevoegdheid ligt nu bij de artsen van de Dienst voor Uitkeringen van het RIZIV, leden van de GRI.

Tot slot had u vragen in verband met de extra controles van de vierde golf. Eén van de kernpunten is inderdaad het versterken van de medische opvolging en de jaarlijkse herbeoordeling van de langdurige ongeschiktheid. Daarvoor wordt voor prioritaire doelgroepen in bijkomende controles voorzien door de verzekeringsinstellingen en in een versterking van de thematische controles die worden uitgevoerd door het RIZIV.

Op het niveau van de verzekeringsinstellingen zullen in de periode 2026-2029 als gevolg daarvan 218.000 gerechtigden worden uitgenodigd voor een herevaluatie van hun gezondheidstoestand en hun arbeidspotentieel.

Wat de thematische controles op het niveau van het RIZIV betreft, verwacht ik over de legislaturen een stelselmatige verhoging van het aantal dossiers dat onderworpen wordt aan een themacontrole, met name van 3.000 dossiers in 2025 naar 12.000 dossiers in 2029. De besparing die daaraan gekoppeld is, wordt tegen 2029 als volgt ingeschat. Ten eerste, 949 miljoen euro door de bijkomende controles voor prioritaire doelgroepen door de verzekeringsinstellingen. Ten tweede, 116,5 miljoen euro door de bijkomende themacontroles door het RIZIV. Dat is onze inschatting.

Om dit te kunnen realiseren, moeten we investeren in bijkomende artsen, zowel bij de verzekeringsinstellingen als bij het RIZIV. Om de thematische controles bij het RIZIV aanzienlijk te versterken, wordt ingeschat dat het FTE aan artsen uitgebreid moet worden volgens hetzelfde groeiritme als dat van de toename van het aantal themacontroles. Concreet houdt dit in dat in 2026 9,85 voltijdse eenheden aan bijkomende capaciteit moet worden aangeworven voor bijkomend 1,5 miljoen euro. Die bijkomende capaciteit dient tegen 2029 aan te groeien tot 18,98 voltijdse eenheden, wat meerkosten van 3,3 miljoen euro inhouden voor de volledige legislatuur.

Om de bijkomende controles op het niveau van de verzekeringsinstellingen te kunnen realiseren, moet het aantal voltijdse eenheden artsen worden uitgebreid volgens hetzelfde groeiritme als de toename van die controles. Concreet betekent dit dat in 2026 11,39 voltijdse eenheden aan bijkomende capaciteit moeten worden voorzien…

Voorzitter:

Je peux vous demander de conclure, monsieur le ministre?

Frank Vandenbroucke:

Oui, mais j'ai encore la deuxième question.

… voor meerkosten van 2,7 miljoen euro. Die bijkomende capaciteit dient tegen 2029 aan te groeien tot 68,36 voltijdse eenheden, wat overeenkomt met meerkosten van 16,2 miljoen euro.

Ik heb de tweede vraag al beantwoord. Excuseer voor het lange antwoord. Dit is het.

Voorzitter:

Geen probleem.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden, maar nu – neem me niet kwalijk – ben ik minder positief dan daarnet. U hebt immers heel veel gezegd, maar hebt nauwelijks geantwoord op mijn vragen. U hebt zelfs al geantwoord op een vraag die ik nog niet heb gesteld. Wellicht heeft dat te maken met het feit dat er eerst een actuadebat was waarin alle vragen aan elkaar gekoppeld waren. U hebt echter volgens mij geen cijfers gegeven die aantonen in hoeveel dossiers de controle van de primaire arbeidsongeschiktheid effectief plaatsvindt tussen de zevende en de twaalfde maand. U zei dat die controle, indien ze plaatsvindt, vooral fysiek gebeurt. Daarnaast heb ik ook geen antwoord gekregen op de vraag welke initiatieven zullen worden genomen om de controle steeds te laten plaatsvinden vanaf de zevende maand. Voorts vroeg ik of de herevaluatie in de zevende maand wordt verdergezet en welke resultaten dit oplevert, evenals welke verschillen er bestaan tussen de ziekenfondsen, maar daar hebt u ook niet op geantwoord. Wat de GRI betreft, hebt u wel geantwoord, maar ik ga daarover nog een extra vraag stellen, aangezien de verantwoordelijkheid van de GRI wettelijk is vastgelegd, terwijl u zegt dat dat nu is doorgestuurd naar de artsen van de controledienst van het RIZIV. Dat staat dan echter toch in contrast met de wetgeving die daarover is uitgevaardigd en die bovendien terug te vinden is op de website van het RIZIV. Wat de andere vragen betreft, meer bepaald over de herzieningen en de medische opvolging, heb ik ook daar niet alle antwoorden gekregen.

De stijgende kosten voor langdurig zieken en de invloed van de automatische indexering

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens Irina De Knop is de 55% koststijging voor langdurig zieken sinds 2020 slechts voor 60% toe te schrijven aan indexering, terwijl 40% (1,6 mjd euro) komt door een reële stijging van het aantal invaliden – ondanks beleidsmaatregelen, die zij onvoldoende effectief noemt, vooral door "vrijblijvend terug-naar-werkbeleid" dat "niet de juiste doelgroep bereikt". Minister Frank Vandenbroucke bevestigt de sterke toename (van 442k naar 547k loontrekkenden en 29k naar 40k zelfstandigen in 2025) en wijt dit aan demografie (verhoging pensioenleeftijd, meer werkende vrouwen/ouderen), psychische en fysieke aandoeningen, en structurele hervormingen (ambtenarenstatuut, ontmoediging vervroegd pensioen). Hij erkent dat beleid onvoldoende is en kondigt een derde en vierde golf maatregelen aan, maar stelt dat deeltijdse tewerkstelling toeneemt. De Knop betwist de beleidseffectiviteit en suggereert dat de stijging niet louter maatschappelijk bepaald is, maar ook beleidsmatige tekortkomingen weerspiegelt.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, tijdens de commissievergadering van 12 november noemde u het normaal dat de uitgaven voor langdurig zieken sinds 2020 zo explosief zijn toegenomen, aangezien de uitkeringen meerdere keren zijn geïndexeerd. Die uitspraak heeft mij ertoe aangezet dat nader te onderzoeken. De totale stijging van de uitgaven voor langdurig zieken tussen 2020 en vandaag bedraagt inderdaad ongeveer 55%. Daarvan blijkt ongeveer 60% aan de automatische indexering van de uitkeringen toe te schrijven. De resterende 40% is echter het gevolg van een reële stijging van het aantal langdurig zieken zelf. In absolute termen gaat het om een stijging met 4,1 miljard euro, waarvan 1,6 miljard euro kan worden verklaard door de toename van het aantal langdurig zieken. Dat is althans mijn interpretatie.

Vandaar, mijnheer de minister, mijn vragen ter verduidelijking.

Erkent u dat de stijging van de kosten voor langdurig zieken niet uitsluitend het gevolg is van inflatie, maar ook samenhangt met een duidelijke toename van het aantal personen in invaliditeit? Ondanks de verschillende golven van maatregelen blijven de cijfers stijgen. Hoe verklaart u dat?

Frank Vandenbroucke:

De uitgaven voor langdurige arbeidsongeschiktheid nemen inderdaad tussen 2020 en 2025 sterk toe. Dat is voor een groot deel het gevolg van indexering, maar daarnaast spelen ook andere factoren een belangrijke rol in de sterke toename van het aantal mensen in langdurige arbeidsongeschiktheid. In het stelsel van de loontrekkenden waren er op 31 december 2020 442.127 verzekerden erkend in langdurige arbeidsongeschiktheid. Voor 2025 wordt op basis van de inschatting die beschikbaar was op het moment dat ik het antwoord op uw vraag ontving, verwacht dat dat aantal zal stijgen tot 546.090. Ook in het stelsel van de zelfstandigen is er een toename, van 28.913 naar 39.684 verzekerden.

Aan die evolutie liggen verschillende factoren ten grondslag. Ik noem onder meer de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd naar 66 jaar op 1 januari van dit jaar, demografische ontwikkelingen, het feit dat oudere personen langer aan het werk blijven en dat vrouwen de voorbije decennia systematisch vaker uit werken gaan. Daarnaast speelt ook de problematiek van psychische stoornissen en musculoskeletale aandoeningen een belangrijke rol. Die gegevens zijn, denk ik, bekend.

De evolutie zal zich ook nog enige tijd voortzetten. Ik kan niet genoeg herhalen, mevrouw De Knop en andere collega’s, dat we tussen nu en eind 2030 twee bijkomende verhogingen van de wettelijke pensioenleeftijd zullen kennen. We nemen onder andere maatregelen om vervroegde pensionering te ontmoedigen. Daarnaast wordt het ambtenarenstatuut op het vlak van arbeidsongeschiktheid radicaal hervormd, waardoor ambtenaren die langdurig arbeidsongeschikt zijn en geen reële kans meer hebben om in hun bestaande functie aan de slag te gaan, op termijn ook doorstromen naar de regeling van de ziekte- en invaliditeitsverzekering. Enzovoort enzovoort. Alleen al die factoren verklaren dat het aantal personen in arbeidsongeschiktheid dat wordt opgevangen in de ziekteverzekering, exponentieel toeneemt. We zullen dus zeer tevreden zijn als we dat kunnen stabiliseren.

Voorzitster: Nahima Lanjri

Présidente: Nahima Lanjri

Daarbij wil ik ook nog eens beklemtonen dat een steeds groeiend aandeel van deze langdurig arbeidsongeschikt erkende personen deeltijds terug aan het werk gaat. Naast de indexatie en het aantal mensen zijn er ook maatregelen genomen in de regering waar uw partij deel van uitmaakte – ik vond dat ook goede maatregelen – om uitkeringen te verbeteren in het kader van de welvaartsenveloppe. Dat speelt allemaal mee in de stijging van die uitgaven.

We hebben maatregelen in golven genomen, dat weet u. Ik ga ze niet herhalen. Ik denk dat we daarmee al heel wat dingen in beweging hebben gebracht. Is dat voldoende? Nee, absoluut niet. Daarom hebben we deze voormiddag een wetsontwerp goedgekeurd dat moet bijdragen tot de realisatie van een derde golf maatregelen. Daarom hebben we de voorbije weken in de regering ook gediscussieerd over een vierde golf, die ik ook zo snel mogelijk in uitvoering wil brengen.

Irina De Knop:

Ik dank mijnheer de minister voor zijn antwoorden. Ik ben blij te vernemen, of beter, het is correct te stellen dat de stijging wel degelijk voor een groot deel te wijten is aan een stijging van het aantal langdurig zieken zelf. Uiteraard zal daar een zekere context in meespelen. Ik zou mij er evenwel voor hoeden om te zeggen dat dit enkel komt door de maatschappelijke context. Evengoed kunnen we ons de vraag stellen of het beleid de gewenste resultaten oplevert. Wat ons betreft is dat zeker niet het geval. Dat komt, mijnheer de minister, omdat heel wat van het terug-naar-werkbeleid te vrijblijvend is en omdat het niet bij de juiste mensen zit.

Cumulatie van sociale bijstand en het vermijden van drempels en administratieve tegenstrijdigheden

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson vraagt hoe minister Vandenbroucke de coherentie tussen de nieuwe cumulregels voor sociale hulp (gerichte op equiteit) en bestaande federale mechanismen (zoals gezondheidszorg, kinderbijslag en werkstimulansen) waarborgt, met name voor kwetsbare groepen (eenoudergezinnen, jongvolwassenen, personen met een beperking), en of een impactanalyse en interdepartementale afstemming gepland zijn om administratieve tegenstrijdigheden te vermijden. Vandenbroucke ontkent interactieproblemen: de hervorming verbreedt enkel de bestaande regel (reeds sinds 2002) door alle onderhoudsplichtige huisgenoten (niet enkel partners/ouders) in de berekening van het leefloon te betrekken, zonder de uitkering te verlagen voor wie in nood is; hij benadrukt dat het residuair karakter van het recht op maatschappelijke integratie (RMI) conflicten met andere sociale voorzieningen uitsluit, en wijst op structurele samenwerking binnen het armoedebeleid, maar ziet geen behoefte aan extra coördinatie. Pirson nuanceert zijn standpunt door te stellen dat goede bedoelingen (solidariteit en werkprikkels) onbedoelde effecten kunnen hebben op de leefsituatie van doelgroepen, en pleit voor een concreet, veilig en leesbaar systeem dat autonomie bevordert zonder kwetsbaren verder te marginaliseren.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, l’arrêté royal élaboré conjointement avec la ministre de l’Intégration sociale vise à renforcer l’équité dans les cumuls d’aides sociales. Cette réforme entrera naturellement en interaction avec plusieurs dispositifs relevant de votre compétence: assurance soins de santé et indemnités, allocations familiales majorées, règles de cumul avec allocations de remplacement et accompagnement social des personnes vulnérables. Du point de vue de la majorité, il est essentiel que cette évolution réglementaire s’articule de façon cohérente avec l’objectif fédéral de lutte contre la pauvreté, du soutien aux familles et de l’incitation au travail.

Monsieur le ministre, dans cette logique constructive, pouvez-vous nous préciser comment vos services ont assuré la cohérence entre cette réforme et les mécanismes fédéraux en vigueur, afin d’éviter des effets de seuil ou des situations administrativement contradictoires?

Une analyse d’impact entre les services est-elle prévue afin de mesurer les interactions entre cette réforme et les dispositifs de sécurité sociale, notamment pour les familles monoparentales, les jeunes adultes ou les personnes en incapacité?

Enfin, pouvez-vous préciser comment la coordination entre les Affaires sociales et l'Intégration sociale sera assurée au sein du gouvernement pour garantir une mise en œuvre fluide et éviter toute insécurité juridique pour les CPAS et les bénéficiaires?

Frank Vandenbroucke:

Madame Pirson, la mesure vise à renforcer la solidarité familiale avant la solidarité collective et à éviter les cumuls. Il ne s'agit absolument pas de diminuer le montant du revenu d'intégration si une personne est en difficulté, mais d'éviter des cumuls d'allocations au sein d'une même famille.

Deuxièmement, les interactions que vous mentionnez n'existent pas. En effet, d'une part, le régime du droit à l'intégration sociale est un régime résiduaire. Il n'a aucune influence sur les autres dispositifs de sécurité sociale du point de vue de l'octroi d'allocations. D'autre part, le dispositif existait déjà, il est simplement plus modulé. En effet, l'article 34 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l'intégration sociale prenait déjà en compte les ressources du conjoint et des ascendants ou descendants du premier degré vivant sous le même toit dans le calcul du demandeur d'aide.

La modification proposée vise à élargir la prise en compte des ressources non pas seulement aux conjoint, ascendant, descendant du premier degré, mais à tous les débiteurs alimentaires vivant sous le même toit que le demandeur d'aide. Dès lors, dans le cas de jeunes adultes, le CPAS pouvait déjà tenir compte des ressources de leurs parents pour le calcul du revenu d'intégration. Dans le cas d'une famille monoparentale, l'article ne s'applique pas puisqu 'a priori il n'y a ni conjoint ni cohabitant.

Troisièmement, comme mentionné ci-dessus, il n'y a pas lieu d'avoir une telle coordination pour ces questions spécifiques. Néanmoins, il existe une collaboration structurelle entre le SPF Sécurité sociale et le SPF Intégration sociale dans le cadre du plan de lutte contre la pauvreté.

Anne Pirson:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses et l'attention portée à la cohérence globale de cette réforme. C'est précisément là que se situe l'enjeu, à savoir que la politique sociale soit juste et ne juge pas uniquement l'intention mais aussi les effets concrets sur les parcours de vie. L'objectif commun doit rester clair. Il s'agit vraiment de simplifier, sécuriser et rendre le système plus lisible afin qu'il soutienne réellement l'autonomie et l'insertion sans fragiliser les publics qu'il entend protéger.

De federale maatregelen in het licht van de zorgwekkende stijging van het aantal mantelzorgers

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson (Les Engagés) wijst op de alarmerende stijging (13,3% van de Belgische bevolking, +110.000 in 5 jaar) van mantelzorgers, met name vrouwen, 55-64-jarigen en intensieve zorgverleners (1 op 7 ervaart overbelasting), en vraagt concrete federale maatregelen voor erkenning, verlof, sociale bescherming en psychologische ondersteuning. Minister Vandenbroucke beaamt het cruciale belang van mantelzorgers en verwijst naar bestaande initiatieven (eerstelijnspsychologische zorg, vermindering administratieve lasten), maar belooft verdere studie naar verbeteringen, zonder directe toezeggingen. Pirson bekritiseert dat symbolische erkenning onvoldoende is en dringt aan op tastbaar beleid dat aansluit bij de groeiende nood, met name voor kwetsbare groepen (combinatie werk-zorg, zware belasting). Vandenbroucke signaleert politieke wil voor aanpassingen, maar concrete plannen blijven vaag, met een afhankelijkheid van budgettaire ruimte tijdens deze legislatuur.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, les nouveaux résultats de l’enquête santé de Sciensano confirment une évolution préoccupante: 13,3 % de la population belge de 15 ans et plus, soit environ 1,34 million de personnes, se reconnaissent comme aidants proches, contre 12,2 % en 2018.

Cette hausse de plus de 110 000 personnes en 5 ans montre que les aidants proches sont devenus un pilier discret mais essentiel de notre organisation sociale.

Plusieurs éléments interpellent directement au niveau fédéral: les femmes assument plus souvent ce rôle et déclarent davantage une charge lourde; le taux atteint son maximum chez les 55-64 ans, souvent encore actifs professionnellement; près d’un aidant sur sept indique un niveau de stress élevé ou un surmenage; la charge est nettement plus lourde lorsque l’aide est apportée à un membre du ménage ou dépasse 20 heures par semaine.

Sciensano recommande dès lors un soutien ciblé pour les aidants intensifs, une prise en compte systématique du genre et un accompagnement renforcé pour les aidants actifs, dont la pression augmentera mécaniquement avec le vieillissement de la population et l’allongement des carrières.

Vous le savez, monsieur le ministre, Les Engagés accordent une importance particulière aux aidants proches. Plusieurs outils relèvent directement du niveau fédéral: la reconnaissance officielle, les congés et interruptions de carrière, la protection sociale, les droits liés à l’assurance obligatoire soins de santé et l’accès à un soutien psychologique, notamment.

Dans ce contexte, comment le gouvernement fédéral entend-il renforcer le soutien aux aidants proches, en particulier pour ceux qui apportent une aide intensive ou qui cumulent emploi et soins, deux catégories identifiées comme vulnérables?

Par ailleurs, envisagez-vous d’adapter ou d’élargir les dispositifs fédéraux existants – reconnaissance, congé d’aidant proche, couverture sociale, soutien psychologique – afin de mieux répondre à l’augmentation significative du nombre d’aidants proches et à la charge ressentie par beaucoup d’entre eux?

Frank Vandenbroucke:

Madame Pirson, je crois que nous sommes tout à fait d'accord sur le fait que les aidants proches jouent un rôle crucial, et qu’ils ont donc besoin d'un meilleur soutien et que leur statut et leurs droits doivent être renforcés.

La convention relative aux soins psychologiques de première ligne offre des possibilités de soutien pour les aidants proches par la psychoéducation, les interventions communautaires et un accompagnement individuel. Cette offre existe déjà dans différentes régions, mais elle peut être étendue.

Nous examinons aussi avec les mutualités comment réduire la charge administrative et mieux faire circuler l'information. C'est également une recommandation du rapport du Centre Fédéral d'Expertise des Soins de Santé (KCE) sur la démence précoce, qui recommande d'informer correctement les aidants proches sur l'aide à laquelle ils ont droit.

Il est absolument correct que sur certains points précis, le statut peut être amélioré. Nous sommes actuellement en train d'étudier, au sein du gouvernement fédéral, quelles mesures exactes peuvent être prises. Je tiens donc vraiment à plaider pour obtenir une marge de manœuvre allant dans ce sens afin que certaines mesures soient prises au cours de la législature.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. J'ai bien entendu la diminution de la charge administrative et la convention. Cette prise en compte du rôle des aidants proches est effectivement importante, puisque que ce n’est aujourd'hui plus marginal, comme je l'ai déjà dit tout à l'heure. C'est vraiment un pilier silencieux du modèle de sécurité sociale. Vu l'importance et le nombre des aidants proches, la question ne porte plus seulement sur la reconnaissance symbolique, mais sur un soutien effectif à leur apporter. Nous serons donc attentifs à l'évolution de la situation des aidants proches, pour être sûrs que tout ce qui est mis en place évolue à hauteur des besoins identifiés. Merci beaucoup. Président: Denis Ducarme. Voorzitter: Denis Ducarme.

Armoedebestrijding en de maatregelen voor de nagenoeg jobloze gezinnen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson (Les Engagés) benadrukt dat België met een sterke, gerichte sociale bescherming (risico op monetaire armoede: 11,5%, tweede laagste in EU) succes boekt, maar bekritiseert dat huishoudens zonder werk – waar armoede en kinderprecariteit geconcentreerd zijn – een structureel zwakke plek blijven; ze vraagt hoe de federale regering ciblage zal versterken, met name via de garantie voor de kinderarmoede en het nationaal actieplan. Minister Vandenbroucke antwoordt met concrete plannen: hervorming van het PIIS (individueel integratietraject) om duurzaam werk te stimuleren, aanpassing van fiscale voordelen zodat werken loont, en gerichte steun aan kwetsbare groepen (bv. geïsoleerden, gezinnen met beperkte tewerkstellingscapaciteit), gekoppeld aan vereenvoudigde administratie en een uniforme behoeftenanalyse. Voor kinderen belooft hij toegang tot basisdiensten (huisvesting, gezondheid, onderwijs) via een vernieuwd nationaal actieplan (doel: 93.000 kinderen uit armoede tegen 2030), in samenwerking met gewesten en het middenveld, met strikte opvolgingsindicatoren. Pirson reageert voorwaardelijk positief: ze verwelkomt de plannen maar waarschuwt dat de effectiviteit voor kwetsbare gezinnen kritisch zal worden gevolgd, met nadruk op het doorbreken van armoedecycli via gerichte maatregelen.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, le dernier rapport du SPF Sécurité sociale confirme un constat marquant. D'un côté la Belgique est l'un des pays les plus performants d'Europe dans la réduction de la pauvreté monétaire avec un risque ramené à 11,5 % – c'est le deuxième taux le plus bas de l'Union – et, d'un autre, l'efficacité de nos transferts sociaux dépasse 50 % – un niveau que seuls quelques pays atteignent.

Ces résultats valident une conviction que Les Engagés défendent depuis longtemps: une protection sociale solide, lorsqu'elle est ciblée et cohérente, produit des effets concrets. Les réformes engagées par l'Arizona vont dans le bon sens: mieux orienter les moyens fédéraux, renforcer la justice sociale et faire en sorte que chaque euro bénéficie réellement à ceux qui en ont le plus besoin, mais le rapport souligne aussi notre talon d'Achille qu'est la persistance d'un nombre élevé de ménages quasi sans emploi où se concentre la pauvreté matérielle et où les enfants sont exposés aux risques de précarité durable.

Pour nous, la lutte contre la pauvreté exige donc deux choses, à savoir maintenir une protection sociale solide et éviter d'élargir les dispositifs sans ciblage pour que les mécanismes fédéraux soutiennent prioritairement les familles les plus vulnérables. C'est ainsi que le plein emploi peut devenir un horizon réaliste et pas un objectif abstrait.

D è s lors, monsieur le ministre, comment les prochaines mesures fédérales renforceront-elles le ciblage des prestations sociales vers les ménages où les vulnérabilités sont les plus ancrées, en particulier les ménages quasi sans emploi identifiés par le SPF? Dans le cadre fédéral de la garantie pour l'enfance et du plan national de lutte contre la pauvreté que vous coordonnez, quelles actions spécifiques envisagez-vous pour améliorer les perspectives des enfants qui vivent dans ces ménages à haut risque de précarité?

Frank Vandenbroucke:

Madame Pirson, les chiffres que vous citez sont exactement la raison pour laquelle dans le projet de plan fédéral de lutte contre la pauvreté, je prévois des mesures de soutien ciblées aux ménages les plus vulnérables, en réservant une attention prioritaire à ceux qui présentent une très faible intensité de travail. Dans ce cadre, nous préparons plusieurs mesures visant explicitement ce groupe. Nous renforçons ainsi l'activation et l'accompagnement via une réforme du projet individualisé d'intégration sociale (PIIS) qui valorise l'emploi durable et place l'intégration sociale au centre. Nous rendons la transition vers le travail plus avantageuse en réformant l'exonération socioprofessionnelle et la diminution progressive des avantages sociaux, afin que travailler rapporte réellement.

Par ailleurs, le gouvernement fédéral s'attelle à un développement de l'économie sociale afin d'offrir de meilleures opportunités aux personnes dont la capacité de travail est limitée, ainsi qu'aux chercheurs d'emploi vulnérables. Au moyen d'une simplification administrative et d'un cadre uniforme d'analyses des besoins, nous prévoyons des mesures ciblées pour certains groupes à haut risque tels que les isolés bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus et les familles vulnérables. Toutes ces mesures poursuivent un même objectif: orienter les moyens et instruments vers les ménages où les vulnérabilités sont les plus ancrées, en vue de leur offrir durablement de meilleures perspectives en termes de revenus, de santé et de stabilité.

S'agissant de la garantie européenne pour l'enfance, je tiens à souligner que cette politique repose sur une ambition centrale: garantir à chaque enfant l'accès aux services essentiels, quelle que soit la précarité de sa situation familiale. Cela inclut un logement sûr et de qualité, l'accès aux soins de santé, à une alimentation saine et un enseignement inclusif. Les enfants ne peuvent être les victimes de la fragilité de leur environnement familial. La société a la responsabilité de leur offrir des chances réelles et équitables. Dans ce cadre, nous travaillons avec les entités fédérées à l'actualisation et au renforcement de la garantie pour l'enfance. Des concertations intensives sont en cours avec les entités fédérées et le vaste secteur associatif, afin de définir de nouvelles mesures ambitieuses et opérationnelles. Ces travaux seront finalisés encore ce mois-ci et serviront de base à un plan d'action national actualisé qui soutiendra notre objectif pour 2030: sortir 93 000 enfants de la pauvreté.

La coordination fédérale mise également sur un suivi renforcé. Le cadre de monitoring actualisé sera présenté plus tard ce mois-ci avec des indicateurs harmonisés permettant de mesurer précisément les progrès accomplis.

Anne Pirson:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Nous serons attentifs à ce que toutes les prochaines mesures que vous venez d'évoquer renforcent réellement les perspectives des familles et des enfants concernés. Nous sommes en effet persuadés que lutter efficacement contre la pauvreté d'aujourd'hui, c'est empêcher qu'elle ne se transmette demain. J'ai aussi pris bonne note du travail en cours avec les entités fédérées et de la sortie d'un plan d'action national. Nous serons également très attentifs à la suite.

Jongeren die langdurig ziek uitvallen

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Nahima Lanjri wijst op alarmerende cijfers van de Onafhankelijke Ziekenfondsen: 1 op 7 jongeren (18-34) belandt in invaliditeit na ziekte, met een sterke stijging van mentale problemen, verergerd door telewerk, hoge verwachtingen en post-corona-effecten. Ze bekritiseert dat langdurige uitval jongeren stigmatiseert en hun loopbaan hypothekeert, en vraagt om preventieve maatregelen en betere re-integratie, met aandacht voor discriminatie op basis van medisch verleden. Minister Vandenbroucke bevestigt de urgentie en kondigt concrete acties aan: uitbreiding van de ELP-conventie (sneller psychologische hulp, vroegdetectie), een burn-outplan met focus op mentale gezondheid op de werkvloer, en aanklampende ondersteuning via samenwerking met VDAB/Forem/Actiris. Hij benadrukt dat vroegtijdige interventies (6 sessies leiden tot 41% minder absenteïsme) kosteneffectief zijn (ROI 1,8) en kondigt pilootprojecten aan in elk GGZ-netwerk. Lanjri juicht de plannen toe maar dringt aan op snelle evaluatie en landelijke uitrol, gezien de snelle verslechtering bij jongeren. Ze benadrukt dat preventie cruciaal is, maar dat directe ondersteuning bij uitval (via de ELP-conventie) onmisbaar blijft om herintreders kansrijk te maken. De commissie sluit af met de belofte van opvolging over de voortgang van de pilootprojecten.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, mijn excuses dat ik mijn vorige vraag mogelijk nogal gepassioneerd heb behandeld, maar zo kent u mij.

Deze vraag gaat over langdurig zieken en meer specifiek over jongeren. Uit onderzoek van de Onafhankelijke Ziekenfondsen blijkt dat bij jongeren tussen 18 en 34 jaar van degenen die ziek worden, één op de zeven in invaliditeit terechtkomt. Verder nemen mentale aandoeningen bij die groep sterk toe, zelfs veel sterker dan bij andere leeftijdsgroepen. Dat is een zorgwekkende trend, aangezien het gaat om jongeren aan het begin van hun loopbaan. Die beginfase is een periode waarin men normaliter veel bijleert, openstaat voor nieuwe zaken, talenten ontplooit en nieuwe interesses kan ontdekken. Wanneer iemand dan al op 24- of 25-jarige leeftijd uitvalt, start die met een enorme achterstand.

In de studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen worden heel wat oorzaken aangehaald. Er wordt onder meer verwezen naar corona en post-corona, een periode waarin veel telewerk werd verricht. Ook telewerk op zich speelt een rol, met minder structuur, minder begeleiding en minder sociaal contact. Het intensieve schermgebruik leidt tot cognitieve belasting en slaapproblemen. Daarnaast zijn er hoge verwachtingen van de jongeren zelf en hun omgeving. Verder is er de combinatie werk en privéleven, ze willen alles perfect doen en willen heel veel combineren.

Dat alles zorgt ervoor dat heel wat jongeren uitvallen. Het is dan ook van groot belang dat we die langdurige uitval voorkomen, bij iedereen en zeker bij jongeren in het bijzonder. Mensen die langer dan een jaar uitvallen hebben het nadien immers veel moeilijker om opnieuw aan de slag te gaan. Tevens moet worden vermeden dat ze dat als een soort stempel meedragen in hun verdere loopbaan.

We hebben het daarnet nog gehad over de derde golf van maatregelen om mensen terug naar het werk te begeleiden. Iedereen moet op dat vlak worden geresponsabiliseerd. Ik heb toen ook gezegd dat het feit dat mensen ziek zijn geweest, ervoor kan zorgen dat ze geweerd worden, hoewel dat niet mag. Discriminatie op basis van een medisch verleden is verboden, maar we weten dat het in de praktijk toch gebeurt. Het is dan ook belangrijk te vermijden dat jongeren daar het slachtoffer van worden.

Wat vindt u van deze zorgwekkende tendens en wat is uw reactie op deze studie? Welke maatregelen denkt u nog te kunnen nemen om specifiek bij jonge werkzoekenden te zorgen voor geen of minder langdurige uitval? Als ze toch uitvallen, denkt u dan aan specifieke maatregelen om hen terug naar werk te loodsen? Zo ja, welke?

Ik weet dat voorkomen beter is dan genezen, dat preventie ook op de werkvloer moet gebeuren en dat dit ook een bevoegdheid van uw collega-minister Clarinval is. Welke maatregelen plant u samen met minister Clarinval om deze problematiek aan te pakken, zowel preventief als achteraf, wanneer werknemers toch ziek worden en gere-integreerd moeten worden?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Lanjri, de cijfers die u hebt geciteerd, zijn inderdaad heel verontrustend. Het is heel erg dat jonge mensen al zo vroeg in hun loopbaan voor lange tijd uitvallen. Ze verliezen inkomen, perspectief, maar ook veel zelfvertrouwen en kansen om te leren.

Men mag dat als samenleving absoluut niet normaliseren. Een deel van het antwoord zit in preventie en snelle ondersteuning. Dat is de reden waarom we nu in de vierde golf van maatregelen voor terug-naar-werk expliciet inzetten op de uitbreiding van de ELP-conventie, zodat jonge mensen sneller en laagdrempeliger psychologische hulp kunnen krijgen.

Daarnaast werken we aan een burn-outplan, met meer aandacht voor mentale gezondheid op de werkvloer en tijdige detectie van psychosociale problemen. In de ELP-conventie voorzien we een preventieve pijler gericht op werkenden, met focus op vroegdetectie en snelle interventie om absenteïsme te verminderen en uitval te voorkomen.

De EPCAP-studie bevestigt de meerwaarde van vroegtijdige psychologische interventies voor werkenden. Zes maanden na de start van een gemiddeld traject van 6 sessies werd een daling van het absenteïsme met 41 % vastgesteld van 5 naar 2 dagen per maand, samen met een significante verbetering in het dagelijks functioneren. Op basis van deze data werd een ziektewinst van ongeveer 948 euro per patiënt berekend. Dat is eigenlijk een return on investment van 1,8.

De nieuwe aanklampende pijler van de ELP-conventie zal gericht zijn op arbeidsongeschikten en werkzoekenden, via outreachende ondersteuning op vindplaatsen en nauwe samenwerking met de arbeidsbemiddelaar. Voor arbeidsongeschikten en werkzoekenden is er nood aan een meer aanklampende en geïntegreerde werking, waarbij psychologische ondersteuning wordt aangeboden binnen de context werk, zoals in de werkwinkels in Vlaanderen, in nauwe samenwerking met de VDAB en GTB, of in gelijkwaardige structuren in Wallonië, zoals Forem, en in Brussel, zoals Actiris. Deze samenwerking wordt uitgetest via een pilootproject in elk GGZ-netwerk voor volwassenen.

Het burn-outplan heeft als doel alle expertise en krachten in ons land te mobiliseren, over taal- en andere grenzen heen. Deze nationale aanpak vertrekt vanuit kennisdeling, dialoog en collectief bewustzijn. Het moet leiden tot concrete politieke keuzes en tot een transformatie van onze samenleving naar meer gezondheid en veerkracht. De aanpak zal alle bestaande initiatieven en maatregelen ondersteunen. Het plan wordt gecoördineerd door het Federaal Netwerk Mentale Gezondheid en Werk.

Nahima Lanjri:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw uitgebreide antwoord.

Het is positief dat een aantal nieuwe projecten via pilootprojecten wordt getest. Ik neem aan dat die op een bepaald moment zullen worden geëvalueerd, zodat ze kunnen worden uitgerold over het hele land. Over enkele maanden zal ik u dan ook opnieuw bevragen om na te gaan hoe dit verloopt en of een verdere uitrol mogelijk is.

Het lijkt mij van belang om tijdig te starten met het testen van wat werkt, aangezien de cijfers sterk stijgen, veel sterker dan bij andere leeftijdscategorieën. Daaraan moet een halt worden toegeroepen. Dat is niet alleen belangrijk om het aantal langdurig zieken te beperken tot wie effectief langdurig ziek is, maar ook omdat niemand er baat bij heeft om in langdurige ziekte terecht te komen. Het is nadien ook veel moeilijker om opnieuw aan de slag te gaan.

Preventie blijft dus essentieel. Wanneer er toch uitval is, is ondersteuning bij eerste ongevallen en via uw conventie aangewezen. Het instrument waarnaar u verwijst, is daarvoor geschikt en we zullen het debat daarover later verder kunnen voeren.

Voorzitter:

Merci pour votre travail. Nous nous reverrons donc l'an prochain au sein de cette commission. La réunion publique de commission est levée à 14 h 13. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14:13 uur.

Het alcohol- en drugsbeleid bij Defensie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 12 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Kristien Verbelen vraagt om een evaluatie van Defensie’s preventie- en zorgbeleid rond drug- en alcoholmisbruik bij militairen, met focus op de BeWell@Defence-app, de Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid en het Militair Centrum voor Addictie. Minister Francken bevestigt dat privacybeperkingen cijfers onvolledig maken, maar meldt een lichte daling van alcohol- en drugincidenten (37/7 dossiers in 2024) en beleidsaanpassingen zoals heroprichting van de cel Addict en uitbreiding van laagdrempelige hulp, zonder capaciteitsproblemen. Verbelen prijsde de stappen maar stelt dat ontbrekende data een volwaardige evaluatie bemoeilijkt en belooft in 2026 terug te keren voor meer concrete resultaten. Francken benadrukt dat preventie en mentale zorg (o.a. via de Recovery Group) centraal staan, met aandacht voor PTSS- en verslavingskoppeling bij nieuwe rekruten.

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, ik wil graag even terugkomen op een vraag van vorig jaar, getiteld 'Een nieuwe lijn met minister Francken'.

U kondigde vorig jaar aan sterk te willen investeren in de instroom van jonge rekruten en reservisten. Dat is een begrijpelijk en noodzakelijke ambitie. In een samenleving waar druggebruik en drughandel steeds meer aanwezig zijn, moeten we echter ook realistisch zijn want na verloop van tijd zal die problematiek ook binnensluipen bij Defensie.

Vorig jaar verwees u naar verschillende nieuwe instrumenten, zoals de BeWell@Defence-app, de Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid en het versterkte aanbod rond verslavingszorg via het Militair Centrum voor Addictie. Intussen zijn we een jaar verder en lijkt een eerste evaluatie mij wel opportuun.

Hoeveel personeelsleden gebruiken de BeWell@Defence-app ? Hoe evalueert u dat gebruik na een jaar? Welke onderdelen van de app worden het meest geraadpleegd? Ziet u aanwijzingen dat dit de meldingsbereidheid of hulpvraag verhoogt?

Stelt u tendensen vast inzake alcohol- en drugincidenten via de Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid? Zijn er specifieke eenheden of leeftijdsgroepen waarbinnen stijgingen of dalingen te zien zijn? Hebben deze gegevens het beleid kunnen bijsturen?

Hoeveel militairen volgden een traject in het Militair Centrum voor Addictie? Hoeveel rondden dat traject af? Haakten er ook vroegtijdig af? Zijn er momenteel wachttijden?

In welke mate merkt u effecten van het preventiebeleid op de incidentcijfers bij instromers? Plant u bijkomende maatregelen als gevolg van de evolutie in de samenleving en de ambities inzake rekrutering?

Theo Francken:

Defensie investeert volop in de instroom van jonge rekruten en reservisten. We zijn ons daarbij bewust van de uitdagingen die dat met zich meebrengt, zeker in een samenleving waar middelenmisbruik en drugsgebruik een realiteit zijn. Preventie, opvolging en zorg blijven daarom prioritair.

Privacyregels maken het onmogelijk om gebruikersstatistieken van de BeWell@Defence-app bij te houden, waardoor we daar geen evaluatie van kunnen maken. De Cockpit Welzijn-Integriteit-Veiligheid zal pas begin 2026 volledige cijfers voor 2025 opleveren. Voor 2024 zijn er 37 dossiers rond alcohol en 7 dossiers rond drugs, met een lichte daling van statutaire tuchtzaken. Op basis van die gegevens hebben we al beleidsbijsturingen doorgevoerd, zoals een sensibiliseringscampagne rond alcoholgebruik en de heroprichting van de cel Addict, die zich richt op preventie en eerstelijnshulp.

De Defensiestaf neemt momenteel ook het drugsbeleid onder de loep. Recent werd opnieuw de Recovery Group onder de aandacht gebracht. Dit initiatief richt zich op militairen en ex-militairen die ondervinden dat ingrijpende gebeurtenissen in het buitenland of in België een impact hebben op henzelf of op hun omgeving.

In het Militair Centrum voor Addictie waren er in de loop van 2025 36 aanmeldingen, waarvan 18 militairen een traject startten en slechts 1 militair vroegtijdig afhaakte. De cijfers liggen lager dan vroeger, wat ons ertoe heeft gebracht opnieuw meer in te zetten op laagdrempelige hulp, onder meer via de reizende preventieteams van de cel Addict. Capaciteitsproblemen zijn er momenteel niet, maar we bereiden een uitbreiding voor om de verwachte instroom van personeel op te vangen.

Tot nu toe werden geen verschillen opgemerkt inzake incidentcijfers bij nieuwe kandidaten ten opzichte van eerdere lichtingen. Middelenmisbruik en mentale problemen, zoals PTSS, hangen vaak samen. Defensie biedt gespecialiseerde opvolging binnen het Militair Hospitaal via de Recovery Group en het Militair Centrum voor Addictie, aangevuld met ambulante zorg.

Gegevens over incidenten en zorgtrajecten worden slechts gedeeltelijk bijgehouden, onder meer omwille van de privacywetgeving. Het aantal trajecten, zowel binnen als buiten Defensie, is bovendien zeer uiteenlopend, waardoor exacte cijfers niet beschikbaar zijn. Defensie blijft inzetten op preventie, sensibilisering en zorg.

Met de heroprichting van de cel Addict, de versterking van de Recovery Group en de geplande capaciteitsuitbreiding bereiden we ons voor op de maatschappelijke evoluties en de instroom van jongeren. Hulp vragen is en blijft een teken van moed, een van de kernwaarden van Defensie.

Kristien Verbelen:

Minister, dank voor uw antwoord. Ik ben blij dat er stappen ondernomen worden in de juiste richting en dat er rekening mee gehouden wordt met de rekruteringen en de veranderingen in de samenleving, die we ongetwijfeld ook binnen Defensie zullen zien.

Nu, we hebben blijkbaar niet alle gegevens, wegens privacyredenen. Maar zoals u zei, is er soms geen verschil en is er soms eerder een daling van het aantal incidenten. Het moet dan toch betekenen dat de instrumenten goed helpen.

Ik zal in 2026 hier nog eens op moeten terugkomen. Ik hoop dat er dan meer gegevens beschikbaar zullen zijn.

Voorzitter:

Vraag nr. 56010938C de heer Van Rooy wordt uitgesteld.

De extra financiering van de ziekenfondsen
Het miljardenvermogen van de ziekenfondsen
De ziekenfondsen
De ziekenfondsen
Het vermogen van de ziekenfondsen
Financiering en vermogen van ziekenfondsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Oppositiepartijen (N-VA, MR, LDD) vallen de ziekenfondsen scherp aan omwille van hun 6,1 miljard euro vermogen (opgebouwd met belastinggeld en vrijgesteld van fiscale lasten), commerciële activiteiten (hotels, vastgoed, verzekeringen) en belangenverstrengeling (politieke zuilen, vakbonden). Zij eisen afschaffing of strenge hervorming, wijzend op oneerlijke concurrentie, gebrek aan transparantie en Europese alternatieven waar de overheid rechtstreeks uitbetaalt. Minister Vandenbroucke (Vooruit) verdedigt het systeem: de reserves zijn wettelijk verplicht voor solidariteit en patiëntenzekerheid, en de fondsen worden aangesproken op efficiëntie (150 miljoen besparingen, fraudebestrijding). Hij werpt tegen dat critici privatisering van de gezondheidszorg nastreven en herinnert aan eerdere politieke steun voor de huidige regels. De polarisatie blijft: oppositie ziet misbruik en zuilendwang, Vandenbroucke solidariteitsmodel en regeerakkoord als onwrikbaar.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, de ziekenfondsen zijn ongelooflijk actief. Hotels uitbaten, kastelen bezitten, met Lamborghini’s en Bugatti’s voor de deur, blijkbaar. En dan nog grote muziekfestivals organiseren. Dat laatste stond niet in het zeer uitgebreide dossier van HLN , maar u kent dat festival waarschijnlijk, mijnheer de minister. Misschien bent u er geweest? Les Solidarités, dat kent u toch? Een peperduur evenement voor 60.000 mensen. De BTW zal wat duurder worden, maar ik meen dat dit niet zo erg zal zijn voor Les Solidarités. Big business!

Opgelet, ik ben de eerste om te pleiten voor ondernemerschap, maar dan wel met privégeld. Een verborgen vermogen van maar liefst 6,1 miljard euro. Een jaarlijkse winst van 1,45 miljard. 0 euro belastingen! Dat is gewoon ondenkbaar voor een gewone onderneming. Maar voor de socialisten van Vooruit is dat geen probleem. Hier ons elke week de les komen spellen over de eerlijke bijdrage van iedereen, maar als de kameraden in het vizier komen, wordt het plots heel stil.

Geen vraag. Niet vanwege de N-VA. Die komt deze week met een plan: weg met de ziekenfondsen. Maar Arizona heeft nog maar twee weken geleden 17 miljoen extra aan de ziekenfondsen gegeven, bovenop de 1,3 miljard die ze jaarlijks ontvangen van de overheid. Wat is het dan?

Mijnheer de minister, ik heb maar één vraag voor u vandaag. Vindt u het normaal dat de ziekenfondsen in dit land op een berg geld van 6 miljard euro zitten?

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, deze week werden we van onze sokken geblazen door een verbijsterend bericht. De vijf grootste mutualiteiten in dit land hebben 6,1 miljard euro aan kapitaal opgebouwd. Dat is om van te duizelen. Instellingen die feitelijk een overheidsjob doen, namelijk het uitbetalen van ziektekosten en zorguitkeringen, slagen erin om fortuinen op te bouwen.

Er gaan geen twee dagen voorbij of uw administratieve diensten en dus uzelf als bevoegd minister komen op een ontstellend negatieve manier in beeld. Frauduleuze thuisverpleegkundigen en apothekers, fraude met invaliditeits- en werkloosheidsuitkeringen, te veel gefactureerde diensten in ziekenhuizen, sociale woningen aan NAVO-personeelsleden en nu de ziekenfondsen.

Hun vermogen van 6,1 miljard euro is belegd in obligaties, aandelen en vastgoed. Hotels, kastelen, vakantiedomeinen in het buitenland, aandelen in ketens van apotheken, zorgwinkels, opticiens, softwarebedrijven, dat is wat men een gedifferentieerde vermogensportefeuille noemt. De Christelijke Mutualiteit heeft een vermogen van 2,4 miljard euro, de socialistische mutualiteit Solidaris maar 1,4 miljard euro. Hier blijkt dat de verwevenheid van Solidaris met het ABVV de financiële toestand ondoorzichtig maakt.

Mijnheer de minister, ik heb enkele vragen voor u.

Vindt u het nog steeds aanvaardbaar dat uitbetalingsinstellingen ook commerciële activiteiten ontwikkelen? Zou het niet beter zijn dat die betalingen rechtstreeks door de overheid gebeuren?

Vindt u niet dat de financiële overschotten van deze instellingen terug naar de overheid zouden moeten vloeien? Zijn dat geen sterke schouders?

Vindt u de belangenverstrengeling tussen de vakbond en het ziekenfonds in uw socialistische zuil ethisch verantwoord?

Ten slotte, wat gaat u eindelijk doen aan al dat gesjoemel en die onfrisse praktijken?

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, wie krijgt er elk jaar meer dan een miljard om zijn taken uit te voeren en krijgt daarboven ook nog eens een grote bonus, gewoon om te doen wat er van hem wordt verwacht? De ziekenfondsen. Wie wordt er gecontroleerd door een controleorgaan waarin hijzelf zetelt en hij dus tegelijkertijd rechter en partij is? De ziekenfondsen. Wie kan zijn leden verplichten een aanvullende verzekering te nemen, waarin zaken zitten als homeopathie en wellness, met de bedoeling om zoveel mogelijk leden te werven en dus zoveel mogelijk belastinggeld binnen te rijven? De ziekenfondsen. Wie bepaalt mee de tarieven, terugbetalingen en supplementenplafonds en heeft er alle belang bij om daarvoor ook extra verzekeringspakketten te verkopen? De ziekenfondsen. Wie heeft een verzekeringsmaatschappij, strijkt meer dan een miljard euro winst op en hoeft daarop geen euro belasting te betalen? De ziekenfondsen.

Dat is nog maar het topje van de ijsberg. Het loopt de spuigaten uit. Een ziekteverzekering beheerd door ziekenfondsen is iets wat men niet zo vaak ziet, maar een systeem van politiekgekleurde ziekenfondsen die elkaar beconcurreren om zoveel mogelijk leden aan te trekken, is echt uniek in Europa. Dat leidt tot politieke belangenvermenging, onvoldoende transparantie en ziekenfondsen die hun eigen belangen boven de belangen van hun leden en de patiënten stellen.

Dat het anders kan, bewijzen heel veel landen. Daar wordt de ziekteverzekering helemaal niet beheerd door de ziekenfondsen. In veel van die landen liggen de administratiekosten van die ziekteverzekering bovendien een pak lager. Het wordt hoog tijd dat we dit systeem ook bij ons in vraag durven te stellen. Deze regering neemt al maatregelen om de ziekenfondsen meer te responsabiliseren, maar dat is niet genoeg. Mijnheer de minister, bent u het daarmee eens?

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, vorige week spraken we hier over de graaicultuur binnen uw beleid. Die graaicultuur betrof toen de thuisverpleging en twee dagen later de apothekers. Vandaag staan we hier dankzij een waakzame journalist, de heer Jeroen Bossaert, voor de graaicultuur binnen onze ziekenfondsen.

De ziekenfondsen hebben meer geld in hun kluizen dan de Nationale Bank van België. Samen hebben ze een eigen vermogen van 6,1 miljard euro, waarvan 5,2 miljard euro in beleggingen. Mochten ze dat bedrag vandaag in het begrotingsgat storten, dan had u geen problemen meer en dan had premier De Wever zijn begroting in evenwicht.

Het is ook niet verwonderlijk dat grootste mutualiteit de christelijke mutualiteit is. Het Parlement heeft soms nog een geheugen. Vijftien jaar geleden stonden we hier voor de Arcospaarders. Er verdween 1,4 miljard euro van 800.000 mensen, die waren opgelicht ten eeuwigen dage.

Het gaat niet enkel over de christelijke zuil. Ook de socialistische zuil is vertegenwoordigd. Solidaris beschikt over 1,1 miljard euro in de kas.

Wat verandert er, wat is er veranderd ten opzichte van toen? Niets is veranderd. Het zijn de ideologische en de politieke zuilen die zichzelf verzorgen. Dat gebeurde bij de banken, dat gebeurt bij de ziekenfondsen en dat blijft maar voortduren.

Intussen betalen wij 1,28 miljard euro belastinggeld voor werk dat de overheid zelf kan uitvoeren. In 21 van de 27 Europese landen worden alle uitbetalingen immers door de overheid zelf verricht.

Bovendien bestaat er oneerlijke concurrentie, bijvoorbeeld in de hospitalisatieverzekeringen. Geen van de ziekenfondsen betaalt immers belastingen, hoewel ze hospitalisatieverzekeringen aanbieden. Ze realiseren 1,45 miljard euro winst, terwijl een privébedrijf of een privéverzekeraar wel belastingen moet betalen.

Mijnheer de minister, hoelang zal die graaicultuur nog duren?

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, comme vous le saviez sans doute déjà, les mutuelles possèdent un patrimoine financier et immobilier de plus de 6 milliards. Elles pourraient à ce titre figurer au palmarès des grandes fortunes de ce pays.

Obligations, actions, comptes à terme, résidences-services, crèches, hôpitaux, pharmacies, boutiques d'optique, plateformes de consultation médicale, sociétés de logiciels, hôtels en Belgique et à l'étranger, sociétés d'assurance hospitalisation – et j'en passe. On est là bien loin de la gestion des remboursements et des missions sociales de santé publique.

Pourtant, le paradoxe est qu’on entend que les mutuelles n'auraient pas les moyens de contrôler efficacement les maladies de longue durée. Paradoxe encore, on entend que les mutuelles n'auraient pas les moyens de contrôler la situation matérielle justifiant l'octroi du statut BIM.

Monsieur le ministre, allez-vous laisser perdurer les conflits d'intérêts, totalement inacceptables, dans lesquels se trouvent les mutuelles lorsqu'elles sont à la fois organe de contrôle et prestataire de soins ou lorsqu'elles sont membres des organes décisionnels du budget de l’INAMI, qui indiquent les affectations des dépenses de santé?

Allez-vous accepter plus longtemps que l'argent de l'État, des patients et des contribuables destiné à la santé soit utilisé pour gonfler un patrimoine et pour développer des activités étrangères au soutien des malades et à la santé publique?

N'est-il pas temps, aujourd'hui, de revoir fondamentalement le rôle des mutuelles – comme prévu dans l'accord de gouvernement – et de transférer la gestion de l'assurance obligatoire à l’INAMI? N'est-il pas urgent de confier le contrôle des mutuelles à un organisme indépendant des mutualités elles-mêmes?

Je pense qu'il est vraiment temps de prendre ce dossier à bras-le-corps, monsieur le ministre.

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, degenen die vandaag in de pers alweer aan de klaagmuur staan tegen de ziekenfondsen, zijn welbekend. Hun argumenten zijn compleet versleten.

Alles wat hier gezegd is, over de fiscaliteit, de premies en de zogezegd oneerlijke concurrentie, is veertien jaar geleden al uitvoerig bepleit door Assuralia met dure advocatenkantoren, en werd volledig weerlegd door het Grondwettelijk Hof. Ik denk niet dat ik dat hoef te herhalen.

Waarom blijven ze aan de klaagmuur staan? Ze willen duidelijk meer private verzekeringen in de gezondheidszorg. Ze willen meer vrijheid om supplementen te vragen aan patiënten, zonder onderscheid. Ze willen meer markt, minder solidariteit.

Laten we eens een dossier publiceren over de Verenigde Staten. Daar verloopt het als volgt: duurdere gezondheidszorg, minder betaalbaar, slechtere gezondheid. Dat is niet wat wij willen. Wij willen solidariteit. De ziekenfondsen moeten die organiseren.

Als ik kritisch ben tegenover de ziekenfondsen, druk op hen uitoefen en vraag dat ze beter doen, dan is dat om méér solidariteit te organiseren, sterker op te treden tegen supplementen, mijnheer Bacquelaine, en efficiënter op te treden tegen fraude van bijvoorbeeld een thuisverpleegkundige. Daarvoor moeten de ziekenfondsen 100 miljoen euro borg staan, inderdaad. Ze moeten meer mensen terug aan het werk helpen. Daarop zullen we hen financieel afrekenen. Zij moeten zorgen voor solidariteit. Dat is het model waarvoor ze staan. Die verwachtingen en eisen zijn in het regeerakkoord opgenomen.

Overigens, mijnheer Bacquelaine, u weet heel goed dat we nog eens 150 miljoen euro aan besparingen vragen van de ziekenfondsen. We vragen die niet aan een andere organisatie in de gezondheidszorg, noch aan de private verzekeraars.

Vervolgens is er het verhaaltje over de reserves. Beste Kamerleden toch, wat zijn dat voor simplistische slogans! De wet, die u zelf mee tot stand hebt gebracht, eist dat zij reserves aanleggen. De ziekenfondsen móeten die reserves aanleggen ter beveiliging van hun verplichtingen tegenover de patiënten. U hebt die wetgeving allen mee gemaakt. Mevrouw Bertrand, u hebt in de vorige regeerperiode samen met mij de wetgeving op de ziekenfondsen verstrengd. Mijnheer Bacquelaine, u was daarmee heel blij. Zelfs de voorzitster van de N-VA, in haar toenmalige rol als oppositielid, heeft die artikelen mee goedgekeurd en was heel tevreden.

Echt waar, mevrouw Gijbels, uw voorzitster, mevrouw Valerie Van Peel, vond het heel goed. Nochtans zat ze toen in de oppositie.

Wij hebben wetgeving tot stand gebracht om de controle te verstrengen, want dat was nodig, en we vonden dat heel goed. Die wetgeving legt reserves op, om solidariteit te ondersteunen. Dat is dus volstrekt normaal.

Geachte Kamerleden, ik wil er bijzonder duidelijk over zijn. Er bestaat zoiets als het regeerakkoord. Mevrouw Gijbels, u hebt hier over zaken gesproken die helemaal niet in het regeerakkoord staan. Dat zal dus niet gebeuren. Hetzelfde geldt voor wat de heer Bacquelaine zegt.

Monsieur Bacquelaine, en politique, la parole donnée, cela existe! Et cela vaut, du reste, pour tous les dossiers! J'espère que le MR est un parti de la parole donnée, également dans les autres dossiers qui sont en discussion aujourd'hui. Dans tous les dossiers!

Beste Kamerleden, de inzet is solidariteit. Ik zal nu waarschijnlijk in de replieken nog eens die litanie van goedkope verhalen moeten aanhoren. Ik ga nog eens moeten luisteren naar al die clichés over de ziekenfondsen. Ik zal rustig luisteren, ik zal het regeerakkoord uitvoeren en ik zal vechten voor solidariteit.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik heb maar één conclusie als ik naar u luister. U vindt die situatie perfect normaal en wij begrijpen er niks van. De mensen die dat niet normaal vinden, snappen er gewoon niets van.

U beschuldigt iedereen van leugens: de journalisten, uw collega's van de coalitie, van de MR, van de N-VA. U wilt dat de sterke schouders bijdragen, maar u zwijgt als het over de ziekenfondsen gaat.

Ik heb ook een vraag voor de N-VA. Mevrouw Gijbels, u hebt hier veel vragen gesteld, maar wie heeft net een mooie kerstbonus aan de ziekenfondsen gegeven? Dat is de arizonaregering, die 17 miljoen euro extra gaf.

Dit is hetzelfde verhaal als met de Hulpkas voor de werkloosheidsuitkeringen, mijnheer de minister. Dat zal het volgende verhaal in de Kamer zijn. De Hulpkas moet de werkloosheidsuitkeringen uitbetalen, in de plaats van de vakbonden. Doe iets aan de ziekenfondsen.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, uw antwoord is even hallucinant als het vermogen van de mutualiteiten. Het is onbegrijpelijk. U bent al vijf jaar minister met dezelfde bevoegdheid, maar u bakt er helemaal niks van. Tientallen miljarden euro's worden door uw diensten uitbetaald, maar zelden of nooit gecontroleerd. U spreekt over strengere controles, maar blijkbaar werken die niet. Fraude en mistoestanden worden gewoon niet aangepakt. Interne audits gebeuren niet of duren jaren. Uw organisaties draaien vierkant en onprofessioneel. Telkens vraagt u extra geld aan de belastingbetaler om dat alles te maskeren.

U zou beter de stal in uw eigen departement eens uitkuisen en echte besparingen realiseren door de geldverspillende mutualiteiten en vakbonden aan te pakken. De sterkste schouders, weet u wel? Ik vermoed dat dat moeilijk zal liggen bij uw partijvoorzitter, Conner Rousseau, wiens mama de plak zwaait bij Solidaris.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, politieke kleur, ziekenfondsen die ook nog eens vastgoed beheren, eigen verzekeringen kunnen verkopen, participeren in polyklinieken, optiekzaken, apotheken en medische apps, en tegelijkertijd aan tafel zitten waar beslissingen worden genomen over de financiering van onze gezondheidszorg, dat kan niet werken. Nagenoeg elk ander land organiseert dat anders en bovendien goedkoper.

Dat wij ooit een verstrenging van de controles op de ziekenfondsen hebben goedgekeurd, is logisch. Dat u dat als argument gebruikt, kan ik echt niet begrijpen.

Mijnheer de minister, probeer er eens vanop afstand naar te kijken. Dan zult u zien dat ons systeem not done is en ouderwets is, dat er enorme risico’s van belangenvermenging zijn. Dat moet stoppen.

Mijnheer de minister, wij hebben een plan. Ik hoop nog steeds altijd dat een parlementair debat mogelijk is, dat de geesten zullen rijpen en dat we geleidelijk kunnen overgaan tot een afschaffing van de ziekenfondsen als publieke uitbetaler.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, u zou het woord solidariteit nog niet mogen spellen en ik weet niet of u het überhaupt kunt spellen. Zolang men in dit land ofwel liberaal ofwel socialistisch ofwel katholiek kan zijn, zal er niets veranderen.

De heer Moons heeft gelijk. Zolang de moeder van de partijvoorzitter voorzitter is van de raad van bestuur van de socialistische mutualiteit, zal er niets veranderen. Dat is al jaren het geval. Daar zit de belangenvermenging. Men moet niet spreken over solidariteit, maar over belangenvermenging. Er zal niets veranderen, daarvan ben ik honderd procent zeker.

Mijnheer de minister, ik heb heel uw beleidsperiode op Volksgezondheid meegemaakt, de covidperiode, het Medista-schandaal en de universiteit met 65 miljoen. Als u nog één keer het woord solidariteit uitspreekt, zal ik ook eens burlen vanuit het publiek.

Daniel Bacquelaine:

Si j'entends bien, monsieur le ministre, vous trouvez normal qu'à partir de l'argent public dévolu chaque année aux mutualités, l'argent des contribuables et des cotisants des mutualités, on constitue progressivement un capital de 6,1 milliards. Vous trouvez cela normal. Moi, j'ai un problème avec ça, et avec la triple casquette d'organisations qui sont à la fois des acteurs publics, des acteurs privés et des acteurs politiques. C'est inconcevable dans une démocratie qui fonctionne selon des canevas et des règles correctes. Il faut clarifier cela; c'est ce que nous demandons. Nous demandons une clarification, et que chacun reste dans son rôle. Il n'est pas normal, me semble-t-il, au moment où l'on demande des efforts à tout le monde, où l'on réclame des taxes de temps en temps à la population, qu'un secteur y échappe et continue à jouir de privilèges particuliers. C'est le cas des mutualités aujourd'hui.

De hulp v.e. gezondheidscentrum in Charleroi bij de overgang van werkloosheids- naar ziekte-uitkering
De brief v.e. gezondheidscentrum in Charleroi aan werklozen die hun uitkering dreigen te verliezen
Overgang van werkloosheids- naar ziekte-uitkering bij gezondheidscentrum Charleroi

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Axel Ronse bekritiseert het medisch centrum La Chenevière in Marcinelle, dat werklozen die hun uitkering verliezen actief uitnodigt om zich ziek te melden, wat hij "crapuleus" en een misbruik van de sociale zekerheid noemt. Minister Clarinval verwerpt deze praktijk als onaanvaardbaar, benadrukt dat arbeidsongeschiktheid geen alternatief mag zijn voor werkloosheid, en belooft strikte monitoring van dergelijke overgangen om fraude tegen te gaan. Ronse valt uit tegen wat hij ziet als "vadsige systemen" (met name in Wallonië) die afhankelijkheid in stand houden, en eist ontmanteling ervan om het vertrouwen in de sociale zekerheid te behouden. Clarinval deelt de bezorgdheid maar verwijst voor concrete acties naar de bevoegde minister van Werkloosheid.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, weet u waar het meest genereuze, liefdevolle artsencentrum van de wereld ligt? In Marcinelle. La Chenevière heeft dokters die weten dat een patiënt ziek is nog voor bij hen komt.

Le Centre Chenevière a envoyé un beau courrier à tous ses clients.

"Beste klanten, we weten dat er onder u een aantal mensen zijn die hun werkloosheidsuitkering zullen verliezen en ongetwijfeld zal dat tot wat gezondheidsproblemen leiden. Aarzel niet om ons te bezoeken en de situatie samen te bespreken."

Dat zijn vooruitziende dokters!

Ce sont des docteurs qui, sans te voir, savent que tu vas tomber malade.

Dat zijn toch straffe artsen in La Chenevière, Marcinelle! Ze gaan innovatief te werk. Dat heeft tot wat debat geleid en toen werd hen het volgende gevraagd.

"Pourquoi avez-vous fait ça?"

Er was iemand die werkte en die brief ontving en zei:

"Je bosse beaucoup, chaque jour. C'est quand même scandaleux que le Centre médical envoie de telles lettres à des gens qui vont perdre leur chômage? Pourquoi faudrait-il immédiatement tomber malade et toucher une allocation de maladie?"

Axel Ronse:

Dan zegt het Centre:

"C'est quand même notre rôle d'inviter les gens qui vont perdre leurs allocations et de trouver des alternatives?"

Dat is toch waanzinnig? Ik viel van mijn stoel van verbazing. We doen hier alles om onze sociale zekerheid te redden, ook in een stad zoals Charleroi, met meer dan 2.000 mensen die al meer dan 20 jaar een werkloosheidsuitkering krijgen. We willen die mensen uit dat systeem, hen aan het werk krijgen, hen zin in het leven doen krijgen en hen versterken, en wat zegt La Chenevière?

"Venez chez nous."

Kom maar op het RIZIV, kom maar op de ziekenkas.

Mijnheer de minister, mijn goede collega Ducarme en ikzelf stellen ons daarbij heel veel vragen. Ten eerste, hebt u La Chenevière al gecontacteerd? Ten tweede, is die praktijk geoorloofd? Ten derde, denkt u dat er nog andere van die vooruitziende medische centra zijn in dit land? Hoe zullen we die stoppen?

David Clarinval:

Mijnheer Ronse, ik heb via sociale media kennisgenomen van deze kwestie. Ik kan slechts hopen dat de intentie van de betrokkenen niet overeenstemt met de manier waarop hun boodschap is overgekomen. Ik betreur alleszins dat de schijn werd gewekt dat een ziekte-uitkering een alternatief zou zijn voor werklozen die hun recht op een werkloosheidsuitkering zullen verliezen.

Een basisvoorwaarde om recht te hebben op een werkloosheidsuitkering is immers dat men arbeidsgeschikt is. Dat men plots arbeidsongeschikt zou zijn op het moment dat men zijn recht op een werkloosheidsuitkering dreigt te verliezen, is een samenloop van omstandigheden die zeker de nodige aandacht verdient van de verschillende actoren die de ziekteverzekering van misbruik moeten vrijwaren.

Binnen de regering werd in het kader van de hervorming van de werkloosheid ook afgesproken dat de overgang van werkloosheid naar ziekte nauwgezet zal worden gemonitord en dat maatregelen zullen worden genomen wanneer misbruik wordt vastgesteld.

De versterkte reactivering van werklozen vormt een van de centrale doelstellingen van de hervorming van de werkloosheid. De bedoeling is zeker niet de afhankelijkheid te verplaatsen naar andere stelsels van de sociale zekerheid of naar de sociale bijstand. Ik zal dan ook vanuit de regering de naleving van de gemaakte afspraken opvolgen. Ik heb er alle vertrouwen in dat die bezorgdheid binnen de regering breed gedeeld wordt.

Uw overige vragen kunnen het best gesteld worden aan mijn collega-minister die bevoegd is voor werkloosheid.

Axel Ronse:

Ik ben blij, minister, dat u dat ook ten stelligste veroordeelt. Het is niet de rol van een centre médical of van gelijk wie om aan mensen die hun werkloosheidsuitkering dreigen te verliezen, te suggereren dat ze zich ziek melden. Dat is gewoon totale waanzin. Ik vind dat zelfs crapuleus. Men ziet wat de uitgaven zijn in de sociale zekerheid. Men ziet met welke tekorten we zitten. Kunnen we er nu eindelijk voor zorgen dat we vooral de mensen die in de miserie zitten, die echt ziek zijn, die hun job verloren hebben en niets anders kunnen vinden, beter ondersteunen in plaats van allerlei systemen in stand te houden en te versterken – vadsige systemen, die onder meer door de PS zijn geïnstalleerd en door de jaren heen versterkt – waardoor mensen afhankelijk gehouden worden van uitkeringen? Men kan het niet laten. Eerlijk gezegd, vooral in Wallonië, rond Charleroi en Mons, is dat soort praktijken schering en inslag. In Vlaanderen zijn we dat kotsbeu. Het moet gedaan zijn met dat soort praktijken. We moeten die aan banden leggen. Ik hoop, minister, dat we op jacht gaan, niet naar mensen die zwak zijn of geen werk hebben, maar naar mensen die zulke vadsige systemen in stand proberen te houden. Die systemen moeten we allemaal ontmantelen. C’est fini, fini, fini . Als we dat soort dingen laten doorgaan, zal er immers niemand meer geloven in onze sociale zekerheid of in herverdeling. Dan zijn we onze grootste troef kwijt, namelijk mensen hier een menswaardige kans geven op een deftig leven en hen ook deftig opvangen als ze in de miserie zitten. Dank u wel.

De toepassing van de regelgeving inzake ziekte tijdens vakantie en de verschillen tussen sectoren

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vincent Van Quickenborne vraagt om verduidelijking over de Europese regel (2024) die werknemers toelaat ziektevakantiedagen te recupereren, maar wijst op ongelijke toepassing, met name voor onderwijspersoneel (groot verlof) en ambtenaren. Minister Clarinval bevestigt dat de regel enkel geldt voor werknemers met een arbeidsovereenkomst (wet 1978) en niet voor statutaire ambtenaren, wier rechten afhangen van sectorale statuten; hij verwijst naar Vandenbroucke (Sociale Zaken) en Matz (Ambtenarenzaken). Van Quickenborne kritiseert impliciet het gebrek aan uniformiteit en stelt dat meerdere bevoegde ministers moeten samenwerken voor een coherent systeem. De kernkwestie blijft de bevoegdheidsversnippering tussen private werknemers, onderwijs en overheidspersoneel.

Vincent Van Quickenborne:

Collega’s, de VRT berichtte enkele weken geleden dat 6 % van de werknemers in kmo’s hun verlofdagen konden recupereren wanneer ze ziek werden tijdens hun vakantie. Dat cijfer is gebaseerd op een enquête van SD Worx en weerspiegelt de situatie van die 6%. Sinds 1 januari 2024, mijnheer de minister, geldt een nieuwe Europese regelgeving. Het gaat niet om Belgische regelgeving, maar om Europese regelgeving, dus Europa is goed bezig. Die bepaalt dat werknemers die ziek worden tijdens hun wettelijke vakantie, die dagen op een later moment kunnen opnemen, op voorwaarde dat zij hun werkgever tijdig verwittigen en een medisch attest bezorgen.

In de praktijk bestaan er echter grote verschillen tussen sectoren en statuten. Zo geldt die regeling vermoedelijk niet op dezelfde manier voor personeelsleden in het onderwijs. Wanneer een leerkracht ziek wordt tijdens het groot verlof, is het vandaag niet vanzelfsprekend dat die dagen later kunnen worden opgenomen. Dat roept vragen op over de toepassing en uniformiteit van het systeem in verschillende statutaire contexten.

Mijn vragen aan u zijn de volgende.

Ten eerste, mijnheer de minister, kunt u toelichten hoe de huidige regelgeving inzake ziekte tijdens vakantie precies werkt en op wie zij van toepassing is en op wie niet?

Ten tweede, bevestigt u dat de regeling niet uniform geldt voor alle werknemers, in het bijzonder voor personeelsleden in het onderwijs of in andere overheidssectoren? Wat is de reden voor dat onderscheid? Heeft dat te maken met de bevoegdheidsverdeling of met het statuut van de betrokken personeelsleden?

Ten slotte, zijn er lopende of geplande overlegmomenten met de gemeenschappen of andere bevoegde overheden om te streven naar meer coherentie tussen de verschillende stelsels?

David Clarinval:

Mijnheer Van Quickenborne, u verwijst naar het recht op het behoud van de jaarlijkse vakantiedagen, zoals geregeld in het koninklijk besluit van 30 maart 1967 tot bepaling van de algemene uitvoeringsmodaliteiten van de wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers.

Het gaat hier over het wettelijk jaarlijks verlof dat verplicht onder het mechanisme van overdracht valt en dus niet over de periode van extralegale vakantiedagen. De regelgeving betreffende de jaarlijkse vakantie behoort tot de bevoegdheid van minister Vandenbroucke. Het principe dat werknemers toelaat hun vakantiedagen terug te krijgen wanneer ze tijdens hun vakantie ziek worden, bestaat sinds 2012 in het Belgisch recht, naar aanleiding van de Europese arbeidstijdrichtlijn 2003/88 en de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie.

De wetgeving werd gewijzigd op 1 januari 2024 om de toepassingsmodaliteiten in geval van samenloop van jaarlijkse vakantie met ziektedagen te moderniseren. De arbeidsrechtelijke omkadering van het recht op het behoud van de jaarlijkse vakantiedagen is opgenomen in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. Die wet is van toepassing op werknemers met een arbeidsovereenkomst. Daarin worden de verplichtingen van de werknemer die ziek wordt tijdens een periode van jaarlijkse vakantie ten aanzien van zijn werkgever vastgelegd en wordt tevens een recht op gewaarborgd loon toegekend.

Uw vraag heeft evenwel betrekking op het voormelde recht op het behoud van de jaarlijkse vakantiedagen en op de toepasselijkheid van die regelgeving op personeelsleden van het onderwijs en andere overheidssectoren. Statutaire ambtenaren vallen echter niet onder de arbeidsovereenkomstenwet. Hun rechten en plichten liggen vervat in hun statuten, die op de verschillende bevoegdheidsniveaus worden vastgelegd. Daarvoor moet ik u doorverwijzen naar mijn collega, de heer Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de verduidelijking. Als ik het goed heb begrepen, vallen mensen met een arbeidsovereenkomst onder de regels die hen toelaten ziektedagen tijdens hun vakantie te recupereren en die nadien op te nemen tijdens hun werk. Voor ambtenaren is dat echter niet bepaald in de wet van 1978, maar in de statuten die op hen van toepassing zijn. U verwijst naar Frank Vandenbroucke. Dat kan, maar waarschijnlijk is ook de minister van Ambtenarenzaken, mevrouw Matz, bevoegd. Je pense donc qu'il faudrait interpeller Mme Matz sur ce sujet mais je vous remercie pour ces éléments, monsieur le ministre.

Het misnoegen bij de OCMW's over het achterhouden van informatie door de RVA
De klachten van OCMW's wegens het achterhouden van informatie door de RVA
Klachten van OCMW's over informatieachterhouding door de RVA

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie Thémont bekritiseert dat de CPAS’ onvoldoende voorbereid zijn op de uitsluiting van werkloosheidsuitkeringen per 2026, door gebrek aan nominatieve gegevens (geweigerd door ONEM), niet-uitbetaalde subsidies (26 miljoen euro) en verlaagde compensaties (37 miljoen euro minder), wat volgens haar leidt tot sociale chaos en drie maanden zonder inkomen voor kwetsbaren. Minister David Clarinval stelt dat juridische privacyregels nominatieve datadeling verbieden en dat ONEM wel gemeentelijke schattingen en een consultatietool (Unemployment Data) biedt, maar benadrukt dat veel uitkeringsgerechtigden geen CPAS-steun zullen nodig hebben. Thémont beschuldigt Clarinval van onrealistische aannames (niet iedereen vindt werk) en gebrek aan anticipatie, waarschuwt voor agressie tegen CPAS-medewerkers en noemt de aanpak "te gemakkelijk" zonder concrete oplossingen voor de dreigende inkomensloosheid per januari.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, à moins d'un mois de l'échéance, les CPAS affirment qu'ils ne disposent toujours d'aucune information nominative leur permettant d'anticiper l'arrivée des personnes qui seront exclues du chômage début 2026. Ils rappellent que l'ONEM refuse à ce stade de communiquer les noms des personnes concernées, alors même que les CPAS sont soumis au secret professionnel.

Sans ces données, ils ne peuvent ni organiser l'accueil, ni mobiliser leur personnel, ni contacter en amont les personnes pour les orienter vers une formation ou vers un accompagnement. Les inquiétudes se sont même accentuées ces dernières semaines. Les 26 millions d'euros annoncés pour aider les CPAS à se préparer, à l'heure actuelle, n'ont toujours pas été versés, bloquant des recrutements pourtant indispensables dans un secteur qui est déjà, je le rappelle, en pénurie.

Début décembre, douche froide, les CPAS ont appris que les compensations prévues pour 2026 seraient plus faibles que prévues, notamment parce que les bénéficiaires d'allocations d'insertion ne sont pas comptabilisés. Cela représente une perte de plus de 37 millions d'euros pour les CPAS à l'échelle du pays.

Monsieur le ministre, dans un peu plus de trois semaines, les premiers exclus arriveront dans des CPAS qui affirment clairement qu'ils ne sont pas en mesure d'anticiper les choses correctement. Dans ce cadre, l'ONEM transmettra-t-il aux CPAS les informations nominatives nécessaires à une réelle anticipation? Si cela reste impossible, quelles alternatives concrètes proposerez-vous à court terme, c'est-à-dire la semaine prochaine? Pouvez-vous garantir que les moyens promis, notamment les 26 millions d'euros, seront débloqués immédiatement, afin que les CPAS ne soient pas confrontés dès janvier à un sous-financement? Je vous prie de ne pas me renvoyer vers Mme Van Bossuyt

David Clarinval:

Madame la députée, le soutien que les CPAS attendent face à la hausse prévue des demandes de revenus d’intégration est légitime. Il est également utile qu’ils puissent effectuer cette estimation en temps utile et de manière anticipée.

Cependant, il n’existe aucun fondement juridique permettant de communiquer à l’avance aux CPAS, de manière nominative, les données des assurés sociaux dont le droit aux allocations est limité dans le temps. L’ONEM ne peut juridiquement transmettre proactivement des listes comprenant nom, prénom ou numéro de registre national. La réglementation actuelle ne prévoit aucune base pour un partage préalable, massif et non ciblé de données personnelles avec les CPAS. Une telle transmission serait en outre contraire au principe de protection des données.

La communication systématique de listes complètes de personnes dont le droit est limité dans le temps reviendrait en pratique à signaler presque tous les chômeurs, actuels et futurs, aux CPAS. Or, le fait que le droit aux allocations de chômage soit limité dans le temps ne garantit nullement qu’une personne demandera un revenu d’intégration ou qu’elle y aura droit. Beaucoup reprennent le travail, d’autres disposent de revenus. Nombre de ces personnes concernées ne souhaiteront donc pas introduire une demande auprès du CPAS ou savent d’avance qu’elles n’y auront pas droit. Elles n’accepteraient donc pas que leurs données soient partagées avec le CPAS de leur commune. Une transmission automatique de données personnelles serait dès lors juridiquement injustifiée.

De plus, le groupe de personnes dont le droit est limité dans le temps évolue constamment en raison des reprises de travail, des périodes non indemnisables, des formations ou des prolongations. Une liste nominative deviendrait donc rapidement obsolète et inutilisable sur le plan opérationnel. Ces éléments ont été expliqués par l’ONEM au sein de la taskforce CPAS, où sont représentés les trois fédérations de CPAS ainsi que le SPP Intégration sociale.

En conséquence, la seule action proactive que l’ONEM peut et est autorisé à entreprendre consiste à fournir à chaque CPAS une estimation du nombre de personnes dans la commune concernée, dont le droit aux allocations sera limité dans le temps. Cela a été fait: l’ONEM a transmis, via le SPP Intégration sociale et les fédérations de CPAS, des estimations par commune avec les dates de fin de droit. Les CPAS en ont été dûment informés.

Enfin, le flux Unemployment Data prévoit bien une possibilité de consultation: dès qu’une personne s’adresse au CPAS, celui-ci peut consulter immédiatement les données personnelles et la date de fin de droit.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, j'entends votre réponse. Toutefois, les CPAS ne disposent ni des données, ni des moyens, ni du personnel pour faire face à ce problème. Je sais bien que, toutes et tous, nous avons reçu une liste reprenant le nombre d'exclus du chômage. Nous savons bien que la première vague sera constituée de gens qui ont complètement décroché. Tout le monde n'est pas remis au travail, comme vous le prétendez. Ce manque d'anticipation relève d'une impréparation dangereuse. Vous savez très bien que, lorsqu'on doit traiter un dossier et verser un complément d'allocation, une enquête est ouverte afin que les assistants sociaux puissent constituer un dossier. Cela signifie que, si l'on avait obtenu les coordonnées des intéressés, on aurait pu les convoquer. Que vont faire ceux qui débarqueront le 1 er janvier au CPAS? Vu le temps que nécessite l'instruction d'un dossier, ils devront alors rester trois mois sans revenu? Comment agir? Je me pose sincèrement la question. Je puis vous dire que les gens commencent à devenir tendus et agressifs vis-à-vis des personnels des CPAS. Des flux importants vont déferler. Ils se retrouveront sans filet, avec pour conséquence des tension sociales motivées par la détresse. Je trouve que c'est trop facile. Il était possible de trouver un modus vivendi , au moins, pour accompagner ces gens au préalable, et non dans l'urgence. L'objectif de cette réforme est d'agir vite en disant que tout le monde retrouvera du travail, alors que c'est complètement faux. Ce n'est pas vrai! Je vous ai demandé, dans une question ultérieure, combien d'emplois vous aviez créés. Vous ne pourrez pas me répondre. Je trouve cela quand même un peu aberrant de la part d'un ministre du Travail.

De stakingsaanzegging in de chemie- en farmasector

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Steven Coenegrachts bekritiseert dat het vakbondsfront in de chemie- en kunststoffensector – een cruciale maar kwetsbare pijler van de Belgische economie – na slechts twee dagen onderhandelen een onbepaalde staking aankondigde, wat volgens hem de sector en het investeringsklimaat verder ondermijnt. Minister David Clarinval bevestigt dat zijn administratie het sociaal overleg faciliteerde en meldt dat intussen een voorlopig akkoord is bereikt, waarmee de kwestie voor hem is afgesloten. Coenegrachts reageert kritisch op de stakingscultuur, maar erkent dat het akkoord positief is. De discussie benadrukt de spanning tussen sociale actie en economische belangen in een sector onder druk.

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

De chemie-, kunststoffen- en life sciences-sector is al jaren een van de economische hoekstenen van ons land. De sector staat in voor een aanzienlijk aandeel van onze export, investeringen en tewerkstelling. Toch verkeert ze sinds drie jaar in een structurele crisis, veroorzaakt door hoge energie- en loonkosten, complexe regeldruk, een verminderde internationale vraag en toenemende oneerlijke concurrentie.

Ondanks al die uitdagingen besliste het gemeenschappelijk vakbondsfront echter om de onderhandelingen over een nieuwe CAO al na twee dagen stop te zetten en een sectorale stakingsaanzegging van onbepaalde duur in te dienen. En dat bovenop de 3 nationale actiedagen die reeds waren aangekondigd.

Deze beslissing dreigt niet alleen bijkomende economische schade te veroorzaken, maar ook de internationale reputatie van ons land verder te ondermijnen.

Gelet op het belang van deze sector voor onze economie en voor de verankering van industriële activiteiten in België volgende vragen:

Hoe reageert u op de beslissing van het vakbondsfront om, ondanks een lopend onderhandelingsproces, een stakingsaanzegging in te dienen in een sector die al jaren onder zware druk staat?

Hoe schat u de mogelijke economische impact van deze aangekondigde stakingen in, zowel op de korte termijn (productieverlies, exportvertraging) als op de langere termijn (investeringsklimaat en verankering van bedrijven in België)?

Bent u bereid, samen met uw collega's van Werk en Sociale Zaken, een bemiddelende rol op te nemen om de sociale dialoog in deze strategische sector opnieuw op gang te trekken?

David Clarinval:

Mijnheer Coenegrachts, net zoals u heb ik kennisgenomen van de sectorale stakingsaanzegging van de syndicale organisaties in die bijzonder belangrijke sector, die de chemiesector is. Ik had dan ook gevraagd aan mijn administratie om alles in het werk te stellen om het sociaal overleg te faciliteren. Ik verneem nu dat er een akkoord is dat aan de achterban zal worden voorgelegd. Voor mij is de zaak daarmee afgerond.

Steven Coenegrachts:

Bedankt voor uw antwoord. Ik had de vraag natuurlijk al enige tijd geleden ingediend. Ondertussen zou er inderdaad een sectoraal akkoord zijn. Dat is uiteraard goed, maar het is jammer dat er steeds gekozen wordt voor de stakingsoptie. We betreuren dat, maar zullen daaraan niet veel kunnen veranderen.

Het toenemende aantal ziekenhuisopnames van jongeren na een zelfmoordpoging

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir (Solidaris) waarschuwt voor een verdubbeling van ziekenhuisopnames na suïcidepogingen bij 13- tot 24-jarigen (2013–2024), met meisjes (14–16 jaar) vijfmaal vaker getroffen en armoede als verdubbelaar van het risico; ze bekritiseert collectief falen in preventie en nazorg (1 op 6 recidiveert, 40% krijgt geen behandeling) en dringt aan op systematische lokale zorg, betere signalering en versterkte rol voor huisartsen. Minister Frank Vandenbroucke benadrukt dat preventie vooral een bevoegdheid van de gewesten is, maar wijst op federale maatregelen: gratis psychologische eerste lijn voor -24-jarigen (26,75% BIM-patiënten), psychologen in huisartspraktijken (nog onderbenut) en investeringen in crisiszorg; hij meldt een interfederaal werkgroep santé mentale (CIM Santé, mei 2024) voor een OMG-geïnspireerd nationaal plan. Désir prijsde de gratis psychologische zorg als succesvol en pleit voor een federaal gewestoverschrijdend actieplan, dat ze als “nationale noodzaak” bestempelt, met nadruk op samenwerking en opvolging van de cijfers. Beiden benadrukken de urgentie van gecoördineerde actie, maar Vandenbroucke relativeert de federale rol, terwijl Désir structurele tekortkomingen in zorgcontinuïteit blijft aankaarten.

Caroline Désir:

Il ressort d'une étude récente de la mutualité Solidaris basée sur 28 000 hospitalisations que les hospitalisations faisant suite à une tentative de suicide ont doublé entre 2013 et 2024 chez les jeunes de 13 à 24 ans.

Au niveau national, on observe par ailleurs que la précarité double le risque d'hospitalisation. On constate notamment que les bénéficiaires de l'intervention majorée sont nettement plus touchés que les autres. On observe également que les filles de 14 à 16 ans sont particulièrement concernées, avec un taux d'hospitalisation cinq fois supérieur à celui des garçons de la même tranche d'âge. Ces chiffres sont bien sûr particulièrement interpellants.

C'est sans doute aussi le signe d'un échec collectif de notre société à protéger convenablement ces jeunes et en particulier les plus vulnérables. Mais ce n'est pas tout, car l'étude révèle également des lacunes graves dans la prévention et le suivi, puisqu'on voit qu'un jeune sur six récidive, que 20 % d'entre eux n'ont eu aucun contact avec un médecin généraliste autour de leur hospitalisation et que 40 % d'entre eux n'ont reçu aucun traitement dans les six mois avant ou après.

Ces chiffres traduisent évidemment une détresse psychologique profonde, enracinée dans les inégalités sociales et territoriales. D'autant que le rapport qui, je le rappelle, est basé uniquement sur les hospitalisations, ne montre probablement que la partie émergée de l'iceberg.

Face à cette urgence, Solidaris appelle à une réponse forte et à une stratégie globale avec une prévention ciblée, la formation de sentinelles capables de repérer les signaux de détresse et un accès facilité aux soins via des dispositifs locaux.

Monsieur le ministre, je sais que la santé mentale est l'une de vos priorités – comme l'énonce du reste l'accord de gouvernement.

Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour répondre à cette crise de santé publique qui touche particulièrement les jeunes? Une CIM Santé s'est-elle récemment réunie sur le sujet? Quelles initiatives ont été prises dans ce cadre? Comment comptez-vous systématiser le suivi post-opératoire et le déploiement de dispositifs locaux? Enfin, comment comptez-vous donner aux médecins généralistes les moyens d'agir en première ligne auprès des jeunes en souffrance?

Frank Vandenbroucke:

Je vous remercie, madame Désir. Comme vous l'avez souligné, ce problème doit vraiment être pris au sérieux.

D’un point de vue politique, la prévention du suicide relève des compétences des entités fédérées. Cela inclut l’organisation d’actions générales et ciblées auprès des populations à risque, la mise en place de services d’écoute et d’intervention, ainsi que la formation des acteurs de première ligne. Cela ne signifie pas pour autant que nous n’avons pas de responsabilité politique avec les instruments dont nous disposons.

Je souhaiterais d’abord rappeler le renforcement de l’accès aux soins psychologiques grâce à la convention INAMI sur les soins psychologiques de première ligne. Comme vous le savez, les jeunes jusqu’à 24 ans sont exonérés du ticket modérateur. Cette offre vise particulièrement les publics vulnérables, avec un travail en lieux d’accroche – comme par exemple les écoles, les maisons de jeunes ou les clubs sportifs – afin d’atteindre les jeunes qui n’accèdent pas spontanément aux soins. En 2025, jusqu’ici, 26,75 % des bénéficiaires sont des bénéficiaires d'intervention majorée (BIM), ce qui confirme l’importance et la portée sociale du dispositif.

Il est également important de noter que nous avons aussi mis à disposition des médecins généralistes la possibilité d’accueillir dans leur cabinet des psychologues cliniciens ou des orthopédagogues cliniciens conventionnés. Cela permet non seulement d’organiser des consultations avec les patients qui passent par le cabinet du médecin généraliste, mais aussi de soutenir le médecin dans son approche globale de ce type de patients. À vrai dire, cette offre n’a pas encore été tellement valorisée sur le terrain. Il reste donc une marge budgétaire pour les médecins généralistes qui peuvent simplement indiquer qu’ils souhaitent, par exemple, la présence d’un psychologue clinicien dans leur cabinet pour soutenir leur pratique.

Enfin, nous investissons de façon très conséquente dans les soins psychiatriques de crise et d’urgence. Ce n’est peut-être pas l’aspect le plus important lorsqu'on réfléchit à la prévention, mais cela reste un aspect qui mérite d'être mentionné.

L'évaluation scientifique EPCAP montre que plus de la moitié des patients présentent des idées suicidaires dans la première ligne – je reviens donc ici sur la première ligne –, et que le cadre de cette convention permet une prise en charge précoce, y compris après une tentative. Comme je viens de le dire, les médecins généralistes jouent un rôle et peuvent jouer un rôle essentiel dans cette détection, et donc ils ont le soutien des psychologues cliniciens conventionnés s'ils le souhaitent.

Pour renforcer la coordination entre le fédéral et les entités fédérées, la CIM Santé du 21 mai a créé un groupe de travail interfédéral santé mentale. Lors des précédentes réunions du GTI SSM, une discussion approfondie a eu lieu sur la base des contributions du gouvernement fédéral et des entités fédérées. Les travaux se poursuivent afin d'aboutir à un plan interfédéral de santé mentale aligné sur les priorités définies par l'OMS.

Caroline Désir:

Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour votre réponse, parce qu'on sent que c'est une problématique que vous prenez au sérieux. On a eu l'occasion en d'autres temps de travailler ensemble, notamment sur la question de l'accès aux jeunes jusqu'à 24 ans aux soins psychologiques. Je pense que c'est une mesure qui a vraiment eu beaucoup de succès, qui continue d'en avoir et qui est vraiment essentielle. Je pense qu'on doit continuer à la promouvoir. Je suis aussi très heureuse d'entendre que la CIM Santé a débouché sur la création d'un groupe de travail interfédéral santé mentale, parce que je crois qu'il est vraiment nécessaire qu'on se retrouve tous, toutes les entités fédérales et fédérées, derrière cette urgence afin d'en faire une cause nationale. Un plan interfédéral santé mentale me paraît indispensable quand on voit les chiffres que j'ai rappelés en début d'intervention. Je continuerai donc à suivre tout ceci avec intérêt et j'espère aussi que nos auditions en matière de santé mentale pourront alimenter vos travaux.

De agressie tegen ziekenhuispersoneel

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir wijst op een mesaanval op twee zorgverleners in een psychiatrische eenheid van Sanatia Saint-Luc, die volgens haar de structurele problemen in de sector blootlegt: personeelstekort, onveilige werkomstandigheden en gebrek aan bescherming – problemen die soignanten al jaren aankaarten. Ze bekritiseert dat zorgverleners, anders dan politie of gevangenispersoneel, geen gelijkwaardige preventieplannen of erkenning van risico’s genieten en dringt aan op een nationaal actieplan met gerichte opleidingen. Minister Frank Vandenbroucke verwerpt elke vorm van agressie tegen zorgpersoneel en kondigt een werkgroep aan (samen met Justitie en Binnenlandse Zaken) die binnen 12 maanden concrete voorstellen moet doen. Hij erkent dat er geen uniforme registratie van incidenten bestaat – een lacune die hij deze legislatuur wil oplossen om beleid evidence-based te kunnen voeren. Désir juicht de termijngebonden aanpak toe, maar benadrukt dat zorgverleners nu al in angst werken en dringend politiek signaal nodig hebben. Ze onderschrijft zijn focus op meting ("meten is weten") als voorwaarde voor effectief beleid.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, un grave incident s'est produit mardi dernier, si je ne me trompe, au sein de l'unité de psychiatrie de l'Institut Sanatia Saint-Luc à Bruxelles, avec deux membres du personnel qui ont été agressés et blessés à l'arme blanche. Heureusement, leur vie n'est visiblement pas en danger. Mais cet incident dramatique met une nouvelle fois en lumière les conditions de travail particulièrement difficiles dans le secteur psychiatrique, et dans nos hôpitaux en général, car ce n'est pas la première fois que ce genre d'incident se produit. Cet incident vient illustrer une réalité que les soignants dénoncent depuis longtemps, à savoir un manque criant de personnel, des conditions de travail dangereuses et une sécurité insuffisante pour protéger les soignants.

Monsieur le ministre, j'imagine que vous avez été interpellé à la suite de ces événements. Quelles mesures immédiates envisagez-vous pour renforcer la sécurité du personnel hospitalier, et en particulier pour ce qui concerne les unités psychiatriques, afin d'éviter que de tels drames ne se reproduisent? Disposez-vous d'un état des lieux récent sur les agressions subies par le personnel soignant en psychiatrie en Belgique? Pouvez-vous le communiquer au Parlement?

À la suite d'une question orale de ma collègue Ludivine Dedonder, vous vous étiez montré favorable à un plan global face à l'agressivité contre le personnel soignant. Vous affirmiez vouloir développer une démarche avec les partenaires sociaux du secteur. Qu'en est-il aujourd'hui? Quelles concertations sont-elles menées dans ce cadre?

En Belgique, la police, les pompiers et le personnel pénitentiaire bénéficient de plans spécifiques de prévention et de reconnaissance des risques liés à la violence. Les soignants sont finalement exposés à des dangers comparables, mais sans les protections équivalentes. Envisagez-vous de mettre en place un plan national spécifique avec des formations dédiées à cette problématique et une reconnaissance officielle du risque encouru?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, permettez-moi de commencer par affirmer sans aucune ambiguïté que l'agression envers le personnel soignant, sous quelque forme que ce soit, est totalement inacceptable. Le Conseil fédéral des secours médicaux d'urgence et le Conseil fédéral des établissements hospitaliers ont récemment rendu un avis concernant l'approche à adopter face à l'agression envers les prestataires de soins. J'ai alors demandé au président du Conseil fédéral des secours médicaux d'urgence d'élaborer un concept en vue de la constitution d'un groupe de travail dédié à la lutte contre l'agression envers les prestataires de soins. Mon cabinet est actuellement en contact avec le cabinet du ministre de la Justice et du ministre de l'Intérieur pour discuter de ce concept.

À ce jour, nous ne disposons pas d'un système d'enregistrement uniforme des agressions dans les hôpitaux. L'enregistrement uniforme et le suivi du nombre d'incidents, qu'il s'agisse de formes verbales ou physiques d'agressions, font en tout état de cause partie des objectifs que je souhaite atteindre au cours de cette législature. Ce n'est qu'ainsi que nous pourrons obtenir une image précise de la problématique de l'agression et adapter en conséquence nos initiatives politiques.

Concrètement, j'ai demandé de créer un groupe de travail qui, dans le délai de douze mois, devra soumettre des propositions concrètes en ce qui concerne la lutte contre l'agression contre le personnel soignant.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je pense effectivement qu'il faut aujourd'hui envoyer un signal fort au personnel soignant, qui se dévoue corps et âme pour soigner les patients. Dès lors, imaginer que ces personnes doivent, dans certains cas, venir travailler la boule au ventre parce qu'elles ont peur de faire agresser est bien évidemment insupportable. Je pense que les soignants ont besoin d'entendre qu'il existe une réponse politique à la hauteur de l'enjeu. Je me réjouis que vous vous soyez imposé des délais et que vous ayez décidé de collaborer avec vos collègues de la Justice et de l'Intérieur. Par ailleurs, il est primordial de pouvoir mesurer de quoi on parle, de sorte qu'en l'absence de système d'enregistrement uniforme, il faut impérativement travailler sur ces aspects. Vous avez cité l'expression néerlandaise "Meten is weten", et il est exact qu'on ne peut pas mener une politique adaptée à la réalité si on est incapable de mesurer cette réalité.

De verzwaring van het antibioticaregistratiesysteem voor dierenartsen
De onuitvoerbaarheid van het nieuwe systeem voor de registratie van antibiotica
Strengere antibioticaregistratie en uitvoeringsproblemen in diergeneeskunde

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vlaamse en Waalse dierenartsen stapten collectief op tijdens een federale infosessie, kritiserend dat het nieuwe antibioticaregistratiesysteem – strenger dan Europa eist en zonder sectoroverleg ontwikkeld – hun werkbaarheid ondermijnt, ondanks hun topprestaties (60% antibiotica-reductie sinds 2011) en onevenredige administratieve last. Volgens Katleen Bury dreigt de zorgcontinuïteit door onbetaalde overwerkdruk en subsidie-ongelijkheid (€650.000 voor overkoepelende structuren, niets voor praktijkdierenartsen), terwijl een beloofde "encodagepremie" onvoldoende zou zijn. Minister Vandenbroucke belooft constructief overleg met de sector op 26 november, maar ontwijkt concrete antwoorden op de vraag naar opschorting, evaluatie of structurele betrokkenheid. Bury benadrukt dat de collectieve opstap een noodkreet is, wijst op hoge zelfmoordcijfers in de sector en hoopt op herziening van de verzwaringen en volwaardige inspraak.

Katleen Bury:

Op 26 november zijn de Vlaamse en de Waalse beroepsverenigingen collectief opgestapt tijdens een infosessie van de federale overheid. Dat is ongezien. Het is niet zo dat zij tegen digitalisering zijn, maar het nieuwe, zwaardere antibioticaregistratiesysteem is een breekpunt voor hen. Ze wijzen erop dat ze al tien jaar uitzonderlijke resultaten boeken in de strijd tegen antimicrobiële resistentie en dat het gebruik van antibiotica in de dierengeneeskunde met meer dan 60 % is gedaald sinds 2011. Dat is top in Europa en dat werd bovendien gerealiseerd zonder extra middelen, maar wel met een groeiende administratieve belasting.

In de praktijk betekent dat heel lange werkdagen waarbij men de gegevens 's avond laat nog in de computer dient in te voeren in systemen die het vaak laten afweten. De dierenartsen zien zichzelf zo eerder als administratieve krachten in dienst van de overheid in plaats van als zorgverstrekkers.

Daarbovenop komt nu een systeem dat verder gaat dan Europa vraagt en dat werd ontwikkeld zonder co-creatie met de sector. Alsof dat nog niet genoeg is, blijkt de overkoepelende structuur achter de antibioticaregistratie jaarlijks meer dan 650.000 euro aan subsidies krijgt, terwijl de dierenartsen op het terrein daarvan geen cent krijgen.

Mogelijk komt er in 2019 een 'encodagepremie', maar die is sowieso totaal onvoldoende. Dat voelt voor veel dierenartsen als een kaakslag.

Waarom wordt een zwaarder systeem doorgedrukt dat verder gaat dan de Europese verplichtingen en ontwikkeld werd zonder gedragen overleg?

Erkent u dat dit de werkbaarheid van de praktijkdierenartsen zwaar ondermijnt en de zorgcontinuïteit bedreigt?

Bent u bereid de invoering op te schorten, een onafhankelijke evaluatie uit te voeren en de dierenartsensyndicaten eindelijk structureel te betrekken bij een herwerking?

Hoe verantwoordt u dat de overkoepelende structuren honderdduizenden euro's subsidies ontvangen, terwijl de praktijkdierenartsen – die de lasten dragen – niets krijgen?

Frank Vandenbroucke:

Ik ontvang vrijdag samen met minister Clarinval de beroepsorganisaties van de dierenartsen om het over die problemen te hebben. We zullen samen de materie in alle sereniteit constructief bespreken en op zoek gaan naar strategieën om een antwoord te bieden op de aangekaarte problemen.

Om het overleg alle kansen te geven, ga ik vandaag niet in op de specifieke vragen die u hebt gesteld.

Katleen Bury:

Het doet me veel plezier dat u de organisaties vrijdag ontvangt. Ik wijs erop dat het echt wel om een noodkreet gaat, als de dierenartsenverenigingen collectief de zaal verlaten. Er moet zeker rekening worden gehouden met het menselijke aspect, de werkbaarheid en de mentale belasting. De sector staat bekend om de heel hoge zelfmoordcijfers. Ik ben dus blij dat de verenigingen vrijdag mogen langskomen en hoop dat de verzwaringen worden herbekeken, dat er misschien een onafhankelijke evaluatie volgt en dat u hen volwaardig betrekt en niet alleen maar eventjes luistert. Dankuwel.

De nieuwe EU-geneesmiddelenwet (magistrale bereidingen en medicijntekorten in België)

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Katleen Bury vraagt om verduidelijking over de impact van de Critical Medicines Act op magistrale bereidingen in België, wijzend op Nederlandse waarschuwingen over onvoldoende waarborgen en mogelijke druk op de toegankelijkheid. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt dat België in EU-onderhandelingen pleit voor 3 weken voorraad (vs. oorspronkelijk 7 dagen) en bredere toepassing dan enkel ziekenhuizen, maar waarschuwt dat te strenge termijnen kosten en toegankelijkheid kunnen schaden—met name door verplichte PICS-normen (vanaf 2026) die kwaliteit verhogen maar investeringen vereisen. Bury bekritiseert impliciet dat de EU-voorstellen (3 weken) achterblijven bij de huidige Belgische praktijk (6 maanden) en benadrukt dat België zijn voortrekkersrol moet behouden zonder eigen belangen te ondermijnen. Vandenbroucke belooft schriftelijke updates over cijfers en onderhandelingsstand.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik heb in de ingediende tekst van mijn vraag eerst opgelijst waar we nu ongeveer staan met de Critical Medicines Act. U hebt daar al heel vaak vragen over beantwoord.

Nu kwam er een waarschuwing uit Nederland dat er in de huidige ontwerpteksten voor ziekenhuis- en bereidingsapothekers onvoldoende waarborgen zijn voor magistrale bereidingen. Mutadis mutandis bekijk ik dat door een Belgische bril en daarom wil ik u daarover bevragen.

Hoe zit dat in België? Wat is het aandeel van magistrale bereidingen, en voor welke patiëntengroepen?

Acht u het in het licht van die Nederlandse waarschuwingen reëel dat er ook in het Belgische systeem druk zal ontstaan op de magistrale bereidingen?

Welke concrete waarborgen vraagt België in de Europese onderhandelingen? Moeten bepaalde zaken worden teruggeschroefd of bijgestuurd?

Zult u, zoals wij natuurlijk altijd vragen, het Parlement daarover blijvend informeren?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, in antwoord op uw eerste vraag kan ik meegeven dat het RIZIV momenteel bezig is met het verzamelen van de nodige informatie om u een correct antwoord op uw vraag te bezorgen. Ik moet daar dus later op terugkomen.

Op uw tweede vraag kan ik antwoorden dat apotheken vandaag al grote batches voorraadbereidingen maken, soms tot zes maanden vooruit wanneer de houdbaarheid dat toelaat. Dat verhoogt de kwaliteit en de stabiliteit van de bereidingen.

Een eerste Europees voorstel, namelijk maximaal zeven dagen voorraad en alleen in ziekenhuisapotheken, was in de praktijk onwerkbaar. België heeft daarom gepleit voor een bredere toepassing voor alle apotheken en voor een langere termijn. In de ontwerpovereenkomst komt dat nu neer op drie weken.

Vanaf 1 januari 2026 worden de PICS-normen verplicht in ziekenhuisapotheken. Ze versterken de kwaliteit en de patiëntveiligheid, maar ze vergen aanzienlijke investeringen. Tegelijk laten ze toe om bereidingen met een langere houdbaarheid op een hoog kwaliteitsniveau te produceren. Een te sterke beperking van bewaartermijnen zou betekenen dat apothekers vaker en in kleinere hoeveelheden moeten produceren of bestellen. Dat verhoogt de kosten en kan de toegankelijkheid van bepaalde vaak duurdere bereidingen voor patiënten verminderen. Het FAGG kan momenteel niet aangeven welke specifieke bereidingen het meest getroffen zouden worden.

In antwoord op uw derde vraag moet ik zeggen dat het momenteel te vroeg is om daarover uitspraken te doen. Het FAGG blijft de ontwikkelingen van die Europese wetgeving wel nauwlettend volgen. Bij toekomstige vragen geef ik u steeds met plezier de laatste stand van zaken.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. We zien toch dat er enige voorzichtigheid nodig is.

Op mijn eerste vraag antwoordt u dat het RIZIV momenteel bekijkt hoeveel magistrale bereidingen er in België worden gemaakt en welke patiëntengroepen dat betreft. Moet ik dat schriftelijk vragen of bezorgt u mij dat sowieso zodra u die cijfers hebt?

Frank Vandenbroucke:

Ik zal u die informatie schriftelijk laten bezorgen.

Katleen Bury:

Goed, dan dien ik daarvoor geen aparte vraag in. In uw antwoord op vraag 2 merkt u op dat het een vooruitgang is dat die maximumvoorraad van zeven dagen enkel geldt voor ziekenhuizen, terwijl apothekers momenteel producten tot zes maanden vooruit kunnen maken. U vergelijkt dat met de wetgeving die wijst op een vergroting naar drie weken. U ziet dus dat wat op Europees niveau mogelijk op tafel ligt, geen zeven dagen maar drie weken, terwijl de thans geldende zes maanden veel beter zijn. Ik begrijp dat u nog geen concrete antwoord kan geven op vraag 3 over de Europese onderhandelingen. U hebt zich altijd geprofileerd als voortrekker in die wetgeving. Het is dus belangrijk dat we onze eigen ruiten niet inslaan en dat er goede regelgeving komt die de juiste dingen oplevert en ons niet in problemen brengt.

De geestelijke gezondheid van jonge kinderen

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Frank Vandenbroucke bevestigt dat het federale 1000-dagenprogramma (gericht op prenatale screening en vroege kinderjaren) sinds najaar 2024 loopt, met regionale verschillen in uitrol (Vlaanderen voorop, andere regio’s volgen trager) en implementatiecoaches om lokale netwerken te versterken. Hij claimt dat het programma ansluit bij de aanbevelingen van de Hoge Gezondheidsraad (HGR), zoals betere gegevensdeling (via het BIB-platform), multidisciplinaire samenwerking en vroegsignalering, maar erkent dat structurele opvolging en gemeenschapsoverschrijdende afstemming nog werkpunten zijn. Katleen Bury bekritiseert dat de focus te veel ligt op screening van zwangere vrouwen en te weinig op de mentale gezondheid en hechting bij kinderen tot 3 jaar (het kernpunt uit het HGR-advies), met name in kwetsbare gezinnen. Ze dringt aan op concrete opvolging na screening en een diepgaand rapport dat verder gaat dan zwangerschapszorg, met aandacht voor schermtijd, hechting en langetermijnbegeleiding.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, het advies van de Hoge Gezondheidsraad met nr. 9742 wijst op de geestelijke gezondheid en problematieken daarrond bij jonge kinderen van 0 tot 5 jaar.

Ik heb een heel aantal vragen opgelijst, omdat ik weet dat u een federaal programma, het 1000-dagenprogramma, hebt gelanceerd, met de nadruk onder meer op de prenatale psychosociale screening, maar dus ook op die eerste belangrijke 1000 dagen. Vandaar mijn eerste vraag. Wat is de stand van zaken van dat programma? Welke onderdelen zijn al uitgerold? Zijn er vertragingen? Zijn er bijsturingen nodig naar aanleiding van het advies van de Hoge Gezondheidsraad?

Mijn tweede vraag gaat over het feit dat de Raad stelt dat screening enkel zinvol is als ook opvolging gegarandeerd is. Hoe verzekert u die opvolging, de juiste doorverwijzing, de continuïteit van de zorg en zeker de samenwerking met de gemeenschappen?

In het advies zijn ook structurele problemen gemeld over gegevensdeling tussen gynaecologen, vroedvrouwen, huisartsen en kinderartsen. Welke stappen onderneemt u om dat medisch dossier beter te koppelen?

De Raad vraagt ook om lokale, toegankelijke multidisciplinaire netwerken. Hoe versterkt u deze netwerken, ook in samenwerking met de gemeenschappen? De Raad pleit eveneens voor de opleiding van zorgprofessionals, zodat zij vroeger signalen of hechtingsproblemen kunnen oppikken. Welke initiatieven plant u in samenwerking met de gemeenschappen? Het advies vraagt verder om een systematische monitoring. Zult u dat doen?

Zult u tot slot structureel overleg met de gemeenschappen instellen over preventie, gegevensdeling en zorgopvolging zodat dit niet versnipperd blijft? Dank u wel voor uw antwoorden.

Frank Vandenbroucke:

Het programma is in het najaar van 2024 officieel gelanceerd door de federale overheid en de deelstaten. De implementatie binnen de verschillende regio’s verloopt op basis van een per regio opgesteld implementatieplan. De uitvoering gebeurt dus in verschillende snelheden, afhankelijk van de lokale context. In Vlaanderen is de implementatie het verst gevorderd. Het thema perinataliteit wordt daar al meerdere jaren behandeld, waardoor er sprake is van een goede voedingsbodem.

Sinds april 2025 werden met Vlaamse en federale middelen implementatiecoaches ingezet binnen de expertisecentra Kraamzorg en het Born in Belgium Professionals Team, om een doorstart te maken in de implementatie van het programma. In Brussel organiseert BRUSANO op het niveau van de zorgzones workshops en andere activiteiten met zorgverleners om te informeren, te sensibiliseren en te begeleiden bij de implementatie van het programma.

In de Duitstalige Gemeenschap onderhoudt het ministerie van de Duitstalige Gemeenschap rechtstreeks contact met de actoren om de implementatie te ondersteunen. In Wallonië zijn de implementatieactiviteiten van het perinatale zorgprogramma nauw verbonden met de hervorming van de eerstelijnszorg. Sinds kort zijn daar eveneens implementatiecoaches actief betrokken. Ze werken samen met het team Born in Belgium Professionals om het programma uit te rollen.

In elke regio zien we een gestage positieve evolutie in het aantal uitgevoerde screenings bij zwangeren. De implementatie verloopt echter traag door de complexiteit van geïntegreerde zorg en de noodzaak om lokale samenwerkingen op te zetten.

Het einde van 2025 komt dichterbij. Binnenkort moeten alle deelstaten hun activiteitenrapporten indienen om formeel verslag uit te brengen over de stand van zaken van hun implementatieactiviteiten. Op basis van die rapporten kan samen met de entiteiten worden bekeken welke aanpassingen nodig zijn in de implementatiestrategie of eventueel in de inhoud van het perinatale programma, indien die de uitrol zou bemoeilijken.

Het programma bevordert geïntegreerde zorg voor die specifieke doelgroep en samenwerking tussen professionals op verschillende niveaus. Dat ga ik hier niet allemaal herhalen.

We stimuleren lokale netwerkvorming. Lokale multidisciplinaire netwerken worden ondersteund door implementatiecoaches, BRUSANO en het ministerium, die actoren samenbrengen om het regionale zorg- en ondersteuningsaanbod in kaart te brengen, op elkaar af te stemmen en concrete afspraken te maken voor de opvolging van kwetsbare zwangeren. Dat moet leiden tot een cultuur van meer geïntegreerde zorg. Het BIB-platform centraliseert alle relevante informatie, zodat zorg- en welzijnsprofessionals beter kunnen samenwerken rond het psychosociale welzijn.

Ik denk dat het programma volledig in lijn is met de aanbevelingen door de Hoge Gezondheidsraad, met name wat betreft het versterken van multidisciplinair en netwerkgericht werken, het verbeteren van gegevensdeling tussen zorgverleners om de zorg en begeleiding van de doelgroep te optimaliseren en de vroegtijdige detectie van alarmsignalen bij moeder en kind. Het advies van de Hoge Gezondheidsraad zal in beraad worden genomen in de verdere gesprekken met de deelstaten en in de doorontwikkeling van huidige en toekomstige interfederale programma's en andere initiatieven met betrekking tot geïntegreerde zorg tijdens de perinatale periode.

De netwerken Geestelijke Gezondheidszorg Kinderen en Jongeren bieden vandaag al ondersteuning voor jonge kinderen, zowel in de basiszorg als in de gespecialiseerde zorg. Ze investeren ook in vorming en deskundigheidsbevordering rond de geestelijke gezondheidszorg voor het jonge kind, ook om gezinnen preventief te versterken en om natuurlijk de professionaliteit van de hulpverleners te vergroten.

Zie daar mijn antwoord.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat u die drie laatste zinnen ook hebt uitgesproken, want het ging echt over de mentale gezondheid van jonge kinderen. U hebt vooral veel gedeeld over het implementatieplan en de implementatiecoaches en stelde dat u fier bent op de grotere screening van zwangere vrouwen. Dat is zeer terecht en heel belangrijk, maar het programma met betrekking tot de eerste 1.000 dagen betreft kinderen tot 3 jaar. De Hoge Gezondheidsraad wijst op veel te veel schermtijd en veel te weinig hechting. Daarom ben ik benieuwd naar het rapport waarmee u naar buiten zult komen en dat bestudeerd zal worden. Het is goed dat het over de uitgevoerde gescreende zwangerschappen gaat, maar het mag niet alleen daarover gaan, het moet veel verder gaan. Die jonge kinderen moeten blijvend opgevolgd worden, zeker in probleemgezinnen en gezinnen met weinig middelen. De eerste 1.000 dagen zijn absoluut cruciaal. Ik kijk dan ook uit naar die rapporten en zal die samen met u bestuderen.

De vraag waar men een klacht kan indienen bij niet passend gedrag van een gezondheidszorgverlener
Het grensoverschrijdende gedrag van een gynaecoloog
De aanpak van klachten en het toezicht bij grensoverschrijdend gedrag in de gezondheidszorg
Klachtenprocedure en toezicht bij grensoverschrijdend gedrag in de gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onduidelijke klachtenprocedure en trage reactie op grensoverschrijdend gedrag door een gynaecoloog, met 250+ meldingen maar slechts een tijdelijke schorsing van 8 dagen. Irina De Knop bekritiseert de "lauwe reactie" van de Federale Toezichtscommissie (onafhankelijk, maar volgens haar onvoldoende actief) en de versnippering van meldpunten (Vlaams/federaal), terwijl Katleen Bury wijst op procesfouten (gebrek aan informatiedoorstroming, trage signalering) en pleit voor betere coördinatie. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de Toezichtcommissie onafhankelijk is (geen politieke inmenging), maar erkent structurele problemen: meldpunten mogen klachten niet doorgeven (vertrouwelijkheid), slachtoffers moeten hun verhaal herhalen, en instanties werken slecht samen. Hij belooft verbeteringen (centraal register, betere informatie-uitwisseling, snellere schorsingsprocedures) en houdt de zaak onder druk, maar wijst verantwoordelijkheid niet af—al blijft de opheffing van de schorsing (ondanks lopend onderzoek) omstreden. De Knop eist morele verantwoordelijkheid en één bevoegde overheid voor dergelijke dossiers; Bury hamert op praktische oplossingen (bestaande wetgeving beter toepassen).

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, aangezien het dossier waarover ik een vraag enkele dagen geleden indiende, al enige evolutie heeft gekend, zal ik mijn vraag wat actualiseren. De recente zaak over de gynaecoloog in Tienen doet bij heel veel mensen de vraag rijzen waar ze hun klacht moeten indienen, indien zij niet-passend gedrag van een arts hebben ervaren. Wij vernamen dat er minstens tien klachten werden ingediend bij de politie en bij het Vlaams Meldpunt Grensoverschrijdend Gedrag. Ik lees in de media dat er ondertussen al meer dan 250 meldingen van grensoverschrijdend gedrag zijn gedaan door huidige of gewezen patiënten.

De Federale Toezichtscommissie heeft de arts voor acht dagen geschorst, waardoor hij in die periode geen patiënten kon ontvangen. Dat leek mij een nuttige en relevante maatregel. Natuurlijk zijn wij nu erg ongerust over het feit dat de schorsing is opgeheven, terwijl de meldingen nog steeds accuraat zijn en het gerechtelijk onderzoek nog loopt. Als vrouw ben ik toch wel zeer ongerust over de lauwe reactie van de Federale Toezichtscommissie, des te meer gelet op het type arts.

Mijnheer de minister, begrijpt u dat het voor veel burgers onduidelijk is bij wie zij klacht moeten indienen, indien zij ervaring hebben met ongepast handelen van een gezondheidsbeoefenaar? Hoe wilt u de mensen accuraat informeren over waar zij terechtkunnen met hun klacht, zodat een correcte en snelle opvolging kan gebeuren bij dat soort belangrijke klachten over grensoverschrijdend gedrag?

Professor Goffin gaf aan dat heel wat meer inspanningen nodig zijn om mensen te informeren waar zij terechtkunnen, indien zij een klacht willen indienen. Wat is uw standpunt over de uitspraken van de professor met betrekking tot het feit dat klachteninstanties onvoldoende op elkaar zijn afgestemd?

Hoe beoordeelt u de beslissing van de Federale Toezichtscommissie? Ik las dat het een onafhankelijke beslissing is, maar ik vind het erg belangrijk om u als minister van Gezondheid en Gelijke Kansen te vragen hoe u de beslissing inschat.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik vond het hallucinant dat u pas op de hoogte werd gesteld van de schorsing, nadat nadat u daarover zelf een melding had gedaan, zo begreep ik toch uit uw antwoord in de plenaire vergadering van 4 december. U verwees toen ook altijd naar het Vlaamse meldpunt en naar minister Demir. Ik denk dat u haar naam wel tot zes keer toe liet vallen. Er zijn echter wel degelijk ook federale instrumenten en die vallen onder uw bevoegdheid. Eens de bal aan het rollen ging, werd de man wel snel geschorst, zonder schrapping van het RIZIV-nummer en zonder voorafgaand verhoor.

Dat roept bij mij verschillende vragen op. Ten eerste, hoe verklaart u dat u pas via een eigen melding bij de Toezichtcommissie vernam dat er een arts met zoveel meldingen was geschorst? In welke mate blijven andere dossiers met meldingen over grensoverschrijdend gedrag onopgemerkt door dat gebrek aan informatiedoorstroming?

Erkent u dat de trage reactie in de zaak te maken heeft met een gebrek aan coördinatie en tijdige informatiedeling? Hoe verklaart u dat de betrokken arts uiteindelijk binnen 24 uur kon worden geschorst, terwijl eerdere signalen jarenlang geen gevolg kregen?

Kunt u bevestigen dat een snelle voorlopige schorsing van een arts mogelijk is binnen het bestaande juridische kader? Dat hebben we nu ook gezien. Is er dan nood aan drastische maatregelen, zoals de schrapping van het RIZIV-nummer?

Hoe zult u het probleem dat één op vier slachtoffers bij interne meldpunten geen correcte opvolging krijgt, aanpakken en welke maatregelen plant u om de werking van die meldpunten te verbeteren?

Komt er een centraal klachtenregister, zodat patronen van grensoverschrijdend gedrag sneller worden opgespoord en informatie uit verschillende instanties wordt samengebracht?

Welke stappen en structurele waarborgen zult u invoeren om de versnippering en het gebrek aan samenwerking tussen ombudsdiensten, de FOD Gezondheid, de Orde der Artsen en de Toezichtcommissie weg te werken, zodat dergelijke dossiers niet louter afhangen van het toeval dat u ze zelf moet melden om op de hoogte te zijn van een schorsing?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, mevrouw Bury, het is een belangrijke en gevoelige kwestie. Laat me om te beginnen zeggen dat de feiten die in de pers zijn gekomen op basis van de klachten van heel wat vrouwen – als ze juist zijn – afschuwelijk en walgelijk zijn, zeker omdat het gaat over een arts-specialist die met name vrouwen behandelt in vaak kwetsbare situaties.

Daarnaast merk ik dat er ten aanzien van de manier waarop dat verhaal zich ontwikkelt – de feiten die bekend worden, de reacties daarop en de instanties die beginnen op te treden – bij veel mensen onbegrip is, wat ook heel begrijpelijk is. We moeten inderdaad goed nadenken over het gehele proces.

Voor ik inga op de vragen en dat proces, wil ik twee dingen zeggen.

De Nederlandstalige kamer van de Toezichtcommissie heeft volstrekt onafhankelijk een uitspraak gedaan. Het is een soort rechtbank onder leiding van een magistraat. Er zijn geen ambtenaren van het departement Volksgezondheid die een rol spelen in die uitspraak. De Toezichtcommissie wordt wel ondersteund door de FOD Volksgezondheid. Het secretariaat is in handen van onze ambtenaren, maar de uitspraak zelf is volstrekt onafhankelijk.

Ik denk dat u het met mij eens bent dat we het ook zo moeten organiseren dat een onafhankelijke instantie, die een soort rechtbank is, dergelijke uitspraken doet. U bent het daar trouwens mee eens. Ik wil herinneren aan het debat dat we met name met uw fractie, mevrouw Bury, en met de fractie van mevrouw De Knop al vaak hebben gehad over de fameuze RIZIV-nummers. U hebt al vaak gezegd dat het een onwaarschijnlijke schande zou zijn dat de minister zelf artsen zou kunnen schorsen. Dat willen we inderdaad niet. Dat is dus een onafhankelijke instantie, die door onze diensten wordt ondersteund.

De Toezichtcommissie – dat moet ik er misschien nog aan toevoegen, al denk ik dat u dat ook goed kent – werd destijds door de Zweedse regering gecreëerd om een welbepaalde wetgeving te bewaken, met name de wet op de kwaliteit van de medische praktijk. Dat was ook een goed initiatief.

Ik denk wel dat de inbreuken die we in de media hebben gehoord – als ze juist zijn – een groot probleem met de kwaliteit en de veiligheid tonen. Dat valt niet te betwijfelen.

Er is heel veel te zeggen over het proces. Professor Goffin heeft dat terecht aangehaald en veel mensen stellen precies hetzelfde vast: er is een meldpunt, er zijn ombudsdiensten, er is de Orde der artsen, een parket en een heel gerechtelijk apparaat en dan is er ook nog de Toezichtcommissie. Dat zijn allemaal verschillende instanties waarbij mensen terecht kunnen. Dat is heel onoverzichtelijk. De vraag is dan of we heel dat proces en heel dat landschap niet beter moeten organiseren. Ik kom daar dadelijk op terug.

Het is niet de verantwoordelijkheid van de politiek om in de plaats van het parket, de Orde der artsen of deze Nederlandstalige Kamer, een uitspraak over een concrete arts te doen. Het is wel onze verantwoordelijkheid om heel dat proces goed te organiseren en de vragen daarover zijn inderdaad terecht.

Kort samengevat, als de feiten juist zijn, dan zijn ze walgelijk en afschuwelijk. De concrete uitspraken die de kamer van de Toezichtcommissie doet, zijn onafhankelijke uitspraken waar de leiding van mijn FOD en ik niet in mogen meespreken. Ik neem daar alleen akte van. Mijn verantwoordelijkheid is wel dat het proces goed loopt. Daar is veel over te zeggen, denk ik.

Dan kom ik tot uw eerste vraag. Hoe verklaart u dat u pas via een eigen melding bij de Toezichtcommissie vernam dat de arts na zo veel meldingen was geschorst? Klopt het dat er geen informatie-uitwisseling was? Die vraag is ietwat vreemd geformuleerd en ik wil een aantal dingen verduidelijken. Er bestaat wel degelijk een uitwisseling van informatie tussen de Federale Toezichtcommissie en de Orde der artsen. Overeenkomstig de kwaliteitswet, in het bijzonder artikel 61, worden die actoren beschouwd als belanghebbende partijen en worden ze dus geïnformeerd over maatregelen die tegen een zorgverlener worden genomen. Zo brengt de Toezichtcommissie de Orde der artsen en het RIZIV systematisch op de hoogte wanneer ze een voorlopige schorsing of een intrekking van een visum uitspreekt.

De Toezichtcommissie kan alleen optreden op basis van ontvangen informatie. Indien ze niet wordt ingelicht, kan ze dus geen procedure opstarten. Dat is ook heel relevant in het specifieke dossier van deze gynaecoloog. Er is een rechtscollege onder leiding van een magistraat, dat uitspraken doet op basis van feiten die bij hen gemeld zijn, maar ik kom daar dadelijk op terug.

Er wordt gewerkt aan een meer proactieve en goed gestructureerde informatie-uitwisseling om te vermijden dat we afhangen van toevallige meldingen. Ik spreek op dit moment over de Orde der artsen, de Federale Toezichtcommissie en het RIZIV. Risico's zijn nooit volledig uitgesloten, maar het is belangrijk te benadrukken dat de Toezichtcommissie zich actief bekendmaakt via verschillende kanalen, dat mensen en zeker de actoren in de gezondheidszorg gesensibiliseerd worden en dat ziekenhuizen en ombudsdiensten heel goed op de hoogte zijn van het bestaan van de Toezichtcommissie, maar ook van haar specifieke rol en bevoegdheden, de wetgeving waarover die Toezichtcommissie waakt en hoe men haar bereikt.

Zelfs als die informatie goed en duidelijk zou zijn, moeten we evenwel toegeven dat de veelheid van kanalen waarlangs een patiënt feiten kan melden – deontologische klacht bij de Orde, klacht bij een ombudsdienst, ziekenhuisbemiddeling of een gerechtelijke procedure – voor een versnipperd geheel zorgt. Dat kan ervoor zorgen dat mensen met klachten en meldingen zitten, maar dat die vertraagd bij de Toezichtcommissie terechtkomen, wat het moeilijker maakt om goed op te treden en probleemgedrag snel op de radar te krijgen.

Binnen een overlegplatform met de deelstaten, met name het interadministratieve platform van de interministeriële conferentie Volksgezondheid, is op initiatief van de federale Ombudsdienst Patiëntenrechten daarover een werkgroep opgestart. Een van de opdrachten bestaat erin duidelijk in kaart te brengen wat er allemaal bestaat en wie waarvoor bevoegd is, zodat de doorverwijzingen onderling veel beter en sneller kunnen verlopen.

Mevrouw Bury, ik moet wel iets rechtzetten. Het kan een verspreking zijn geweest, maar u vroeg hoe het komt dat ik pas via een eigen melding bij de Toezichtcommissie heb vernomen dat een arts met zoveel meldingen was geschorst. De chronologie lag echter enigszins anders.

Bij de publicatie in De Morgen heb ik namelijk zelf een melding gedaan bij de Toezichtcommissie. Voor de Toezichtcommissie was dat de allereerste melding. Op basis van mijn melding heeft de Toezichtcommissie contact opgenomen met het meldpunt en met het parket. Vervolgens is de Toezichtcommissie in alle onafhankelijkheid aan de slag gegaan.

Is daar een probleem van snelheid van actie? Dat is volgens mij niet het punt. Gemiddeld bedraagt in 2025 de tijd tussen het ontvangen van een melding bij de Toezichtcommissie en de opening van het dossier 2,5 kalenderdagen. Dat betekent dat een medewerker het dossier snel bekijkt en in geval van urgentie onmiddellijk contact opneemt met een inspecteur die voor de Toezichtcommissie werkt, zodat hij of zij het dossier prioritair kan opmaken.

Ik herhaal dat tot aan de berichtgeving in De Morgen en de melding door mijzelf via mijn beleidscel aan de Toezichtcommissie die commissie geen enkele melding had ontvangen over de betrokken gynaecoloog.

De meldpunten mogen echter geen informatie zomaar doorgeven. Dat is eigen aan de regelgeving rond die meldpunten; die er zijn om mensen te helpen die met een probleem zitten. Die mensen moeten worden versterkt, ze moeten worden empowered. Een meldpunt mag echter niet zonder meer beslissen om informatie door te geven aan het parket, aan de Orde of aan de Toezichtcommissie. Dat is eigen aan die meldpunten. Dat geldt overigens ook voor het parket. Het parket zal in het kader van het geheim van het onderzoek niet zomaar informatie doorgeven.

Het is wel zo dat de Toezichtcommissie contact heeft gelegd met alle nodige organisaties. Dat gebeurde bijvoorbeeld om na te gaan of het al dan niet over die persoon ging. Het is echter eigen aan het Vlaamse meldpunt dat men in vertrouwen een melding behandelt en die informatie niet zomaar doorgeeft. Het meldpunt kan daarover in gesprek gaan met degene die gemeld heeft, en dat is ook gebeurd, maar het geeft die informatie niet zomaar door.

Ik merk ook aan de reacties van de betrokken vrouwen dat ook dat soms tot veel onbegrip leidt. Men zegt dan dat men zich tot het meldpunt heeft gewend en vraagt zich af waarom dat dan niet bekend is bij de Toezichtcommissie. Het is nu eenmaal eigen aan het meldpunt dat dergelijke meldingen niet worden doorgegeven. Sommige mensen die iets melden, willen dat namelijk ook absoluut niet. Daar zit dus een moeilijkheid.

Ik zal mij hier zeer voorzichtig uitdrukken, maar dit is iets wat we echt met de betrokken politieke verantwoordelijken en instanties, dus ook met de deelstaten, moeten bespreken. Meldpunten vallen immers niet onder mijn bevoegdheid. We moeten nadenken over een mogelijkheid waarbij een meldpunt op een eenvoudigere manier, na geïnformeerde toestemming van de melder, op verzoek van de melder de klacht zelf kan doorgeven aan de bevoegde instantie, bijvoorbeeld de Toezichtcommissie of het parket. Zo hoeft de betrokken persoon die slachtoffer is dat niet twee of drie keer te herhalen. Dat is immers iets wat heel moeilijk is voor mensen. Dat is dus iets wat we op basis van deze ervaring absoluut moeten uitklaren.

U vroeg ook in welke mate andere dossiers met meldingen van grensoverschrijdend gedrag onder de radar blijven. Het risico dat iets onder de radar blijft, bestaat, en blijft ook bestaan als de werking wordt verbeterd. Het is essentieel dat de Toezichtcommissie zelf al het mogelijke doet om zich heel bekend te maken en om haar toegankelijkheid maximaal te maken.

In een ontwerp met betrekking tot de verdere versterking van de Toezichtcommissie staat nu al het idee om werkgevers van artsen, tandartsen of verpleegkundigen, die maatregelen nemen ten aanzien van die zorgverstrekkers, bijvoorbeeld in een ziekenhuis, te verplichten om dat ook te melden aan de Toezichtcommissie. Dat is een voorbeeld van procesvereenvoudiging.

Dat is niet mijn bevoegdheid, het moet in overleg met de deelstaten gebeuren, maar we moeten nadenken over wat een meldpunt meer zou moeten doen om proactief in actie te gaan, natuurlijk met toestemming van degene die zich heeft beklaagd, om te vermijden dat die persoon moet herbeginnen en het verhaal opnieuw moet doen. Over dat onderwerp starten we overleg, zoals gevraagd door onder meer mevrouw Demir. We starten overleg tussen onze Toezichtcommissie en de Vlaamse overheid om dat te bekijken, want het is duidelijk een probleem.

Ik denk niet dat de Toezichtcommissie te traag heeft gereageerd, maar er zijn problemen in het proces. Het onbegrip en de woede van mensen die zeggen dat ze klacht hebben ingediend en zich afvragen wat er vervolgens gebeurt, is eerlijk gezegd begrijpelijk.

De Toezichtcommissie spreekt uiteindelijk een oordeel uit op basis van de beschikbare informatie. Daarop zal ik vandaag geen commentaar geven, omdat het een onafhankelijk tot stand gekomen uitspraak betreft. De minister van Justitie doet ook geen uitspraken over uitspraken van rechtbanken. Het is natuurlijk wel de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie om ervoor te zorgen dat het gerechtelijk apparaat goed werkt. In dit verhaal heb ik inderdaad die verantwoordelijkheid.

Er is een breder vraagstuk over wat er in de ziekenhuizen in dat verband is gebeurd. Wat gebeurt er met klachten die bij ombudsdiensten terechtkomen? Hoe werkt dat allemaal? Ik denk dat dat essentieel is.

U vroeg of ik kan bevestigen dat een snelle voorlopige schorsing van een arts mogelijk is binnen het bestaande juridische kader. We moeten op dit punt eigenlijk geen nieuwe, drastische maatregelen nemen, zei u. Ja, het is mogelijk om het visum van een zorgverlener snel te schorsen, op basis van artikel 57 van de kwaliteitswet. Het is precies die kwaliteitswet die de basis vormt en ook het punt waarover de Toezichtcommissie waakt.

Artikel 57 van de kwaliteitswet bepaalt dat, wanneer de vrees bestaat dat het verdere uitoefenen van de praktijk door de zorgverlener ernstige en onmiddellijke gevolgen voor patiënten en voor de bevolkingsgezondheid kan hebben, de kamer, die bestaat uit de voorzitter van die kamer en twee leden, unaniem kan beslissen om het visum van de betrokken zorgverlener onmiddellijk te schorsen of te beperken door bepaalde voorwaarden op te leggen. Dat is een noodprocedure die betrekking heeft op het visum, niet op het RIZIV-nummer. Een arts zonder visum mag het beroep niet uitoefenen. Zelfs als hij zijn RIZIV-nummer behoudt, is hij niet gemachtigd om de geneeskunde uit te oefenen, zolang dat visum geschorst is.

Daarom vind ik ook niet problematisch om in de hervormingswet, waarover we al vaak hebben gediscussieerd, vast te leggen dat het automatische gevolg is dat ook het RIZIV-nummer wordt geschorst, om zo duidelijk te maken dat een arts zonder visum die toch functioneert en doet alsof dat mag, niet kan factureren. De essentie is dat de Toezichtcommissie onmiddellijk iemand in de beroepspraktijk kan stoppen, door het visum in te trekken.

Het pleidooi dat ik hier in het verleden heb gehouden om het RIZIV-nummer eveneens in te trekken, is gewoon een bijkomende bescherming voor de patiënt. Als iemand zijn visum heeft verloren, maar zich blijft voordoen als een gewone arts en facturen blijft opmaken en insturen, dan kan men dat op die manier ook helpen bewaken. Dat is een bijkomend punt, maar niet de essentie.

Uw volgende vraag luidt hoe ik het probleem zal aanpakken dat slachtoffers bij interne meldpunten geen correcte opvolging krijgen. We moeten dat proces bekijken. Zoals ik al vermeldde, is het heel belangrijk dat de rol van elke instantie goed gekend is en duidelijk is voor iedereen. We moeten een protocol opstellen van overeenstemming voor informatie-uitwisseling als die uitwisseling juridisch mogelijk is en we moeten dat een plaats geven in de wettelijke verplichtingen van alle betrokken organen.

De Toezichtcommissie en het meldpunt zijn daarover nu al in gesprek, wat positief is. Mogelijk zullen juridische aanpassingen nodig zijn om dat proces te verbeteren. Op basis van deze ervaring is het wenselijk het hele landschap opnieuw kritisch te bekijken.

Daarnaast registreert de Orde der artsen schorsingen in eCad, het kadaster van zorgverleners in België. Dat is een belangrijk element voor de traceerbaarheid en de consistentie van informatie.

Ik werk ook aan een actieplan Handhaving, dat vooral focust op een betere bestrijding van fraude in de zorg. In het kader van dat actieplan zullen we tevens enkele aspecten van de Toezichtcommissie preciseren en ervoor zorgen dat er bij de Toezichtcommissie een eenvoudig digitaal toegangsformulier is.

Kort samengevat, collega's, ik deel de verbijstering als de in de pers verschenen feiten juist zijn. De uitspraak van de kamer onder leiding van een magistraat is een onafhankelijke uitspraak, waarvan de FOD Volksgezondheid en ikzelf slechts kennisnemen en waarop ik momenteel geen commentaar wil geven.

We zijn verantwoordelijk voor het proces. Ik begrijp dat veel mensen zich afvragen wat er met hun klacht gebeurt. Het antwoord is dat het meldpunt die klachten niet mag doorgeven. We moeten er echter over nadenken of we dat proces in de toekomst beter kunnen organiseren, zodat mensen niet het gevoel hebben dat ze van het kastje naar de muur worden gestuurd. Er zijn daarover al gesprekken gestart, en er moeten nieuwe pistes worden onderzocht om te vermijden dat mensen het gevoel hebben dat hun klacht tot niets leidt en om ervoor te zorgen dat, met toestemming van de klagers, de informatie terechtkomt bij de juiste instanties. Dat is absoluut noodzakelijk.

Ik verontschuldig me voor mijn vrij lange antwoord, maar deze kwestie weegt op mijn gemoed en vermoedelijk op dat van zeer veel mensen.

De voorzitster : Mijnheer de minister, uw antwoord was interessant, dus ik heb u langer aan het woord gelaten. Dat missen we in het plenum altijd, omdat we daar alles in een minuut moeten afhaspelen.

Irina De Knop:

Mevrouw de voorzitster, dan hoop ik dat wij ook wat meer tijd krijgen.

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de ernst waarmee u het onderwerp behandelt. U zegt terecht dat als de feiten juist zijn, dat walgelijk is. Kunt u mij nog zeggen over hoeveel klachten of meldingen u werd ingelicht? Ik lees in de media dat het om 250 meldingen gaat, wat gigantisch veel is.

Het gaat hier over een gynaecoloog, dus de meeste patiënten zullen wel vrouwen zijn. Die zijn op dat moment heel kwetsbaar. Daarom is het ook onbegrijpelijk dat in geval van 250 meldingen de schorsing al na 8 dagen wordt opgeheven. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat er in die Toezichtcommissie weinig dames zitting hebben, maar misschien weet u dat wel.

U hebt herhaaldelijk geweigerd om te reageren op de beslissing van de Toezichtcommissie om de schorsing op te heffen, omdat zij onafhankelijk werkt. Dat begrijp ik, maar er is ook zoiets als een morele verantwoordelijkheid. Ik hoop dus dat u uw invloed zult aanwenden om ervoor te zorgen dat de Toezichtcommissie een herevaluatie maakt, indien dat mogelijk is.

We begaan hier een kapitale fout, niet omdat ik de rechten van verdediging van die man niet respecteer, maar wel omdat hij, als hij aan de slag gaat, morgen opnieuw slachtoffers kan maken. Uit de zaken die ik heb gelezen, blijkt heel duidelijk dat de manier waarop hij handelt, balanceert op de grens van wat eventueel kan en wat niet kan. Het is voor een patiënt heel moeilijk om over zoiets te praten en net daarom moeten we de mensen beschermen. In die zin heeft de Toezichtcommissie volgens mij niet gedaan wat ze had moeten doen. Het zou anders geweest zijn als het over één à twee klachten ging en als zij in alle ernst over die gevallen hadden kunnen spreken en oordelen, maar dat kan niet gebeurd zijn bij 250 klachten.

Ook de wirwar van meldpunten op zowel het regionale als het federale niveau is schrijnend. Dat toont aan dat onze bevoegdheidsverdeling op het vlak van gezondheid, maar ook op veel andere domeinen, niet werkt. Die zal nu niet morgen niet en overmorgen niet werken. Met hoeveel actoren moet u bijvoorbeeld niet overleggen met het oog op een vlottere informatiedoorstroming? Ik ben ervan overtuigd dat één iemand de bevoegdheden in hand moet hebben, zodat er kan worden gehandeld. Door al dat geschuif naar elkaar – u kunt ook niets anders antwoorden, mijnheer de minister – raken problemen niet opgelost.

Wij hebben hier een speciale commissie rond geweld tegen vrouwen. Wij denken daar na over alle mogelijke aanbevelingen. Als er nu één aanbeveling is, die we moeten maken, dan is het dat we ervoor moeten zorgen dat alles wat geweld tegen vrouwen betreft, seksueel of ander geweld, bij één bevoegde overheid zit en dat dat niet verdeeld is tussen verschillende bevoegdheidsniveaus.

Als ik dan hoor dat de federale Toezichtcommissie zichzelf beter bekend moet maken, dat de meldpunten zelfs niet eens de moeite doen om de federale Toezichtcommissie te informeren of dat de federale Toezichtcommissie geen moeite heeft gedaan om zich bij de meldpunten bekend te maken, dan plaats ik daar grote vraagtekens bij. In godsnaam, waarmee zijn we bezig?

Tot slot, mijnheer de minister, ik heb respect voor de manier waarop u hebt geantwoord, maar ook in het aangekaarte dossier schuift u de verantwoordelijkheid van u af. U zegt dat de Toezichtcommissie een onafhankelijke instantie is, u zegt dat Vlaanderen meer moet handelen en dat u inspanningen zult leveren. Toch zou ik het fijn vinden indien u, in naam van heel veel vrouwen die geconfronteerd worden met grensoverschrijdend en seksueel geweld, de verantwoordelijkheid claimt, of u die nu formeel hebt of niet.

Katleen Bury:

Voor wat betreft mijn repliek bekijk ik de situatie toch liever door een juridische bril. Ik heb geen vragen gesteld over het concrete dossier. Het geheim van het onderzoek moeten we respecteren. Ik heb vandaag gelezen dat de betrokken man weer aan de slag mag, onder een aantal voorwaarden. Hij mag geen nieuwe patiënten aannemen, enkel diegenen die eerder bij hem op consult waren geweest. Niet-naleving van de voorwaarden kan leiden tot hernieuwde schorsing of intrekking van het doktersvisum. Daarnaast is een deskundigenonderzoek opgestart. Ook daar betreft het dat dossier.

Ik wil terugkomen op uw uitleg over het proces. Er is een veelheid aan meldkanalen. We zien dat sommige meldingen niet met vertraging bij de Toezichtcommissie terechtkomen, maar er soms gewoon niet terechtkomen. Voor uw werkgroep is er nog veel werk aan de winkel. Ik wil hierbij herhalen wat mevrouw De Knop zei. U moet daar goed de leiding in nemen en de koe bij de horens vatten, zodat er concrete aanbevelingen op tafel komen die afdwingbaar worden gemaakt.

De meldpunten mogen terecht geen informatie doorgeven. Dat weet ik, men zit daar in een vertrouwelijke omgeving. Tijdens de vorige legislatuur hebben we gezamenlijk veel inspanningen geleverd rond de Zorgcentra na seksueel geweld. Daar zien we een heel goede aanpak. Meisjes en vrouwen die zich aanmelden, ondergaan meteen de belastende handelingen, het afnemen van stalen. Vaak geven vrouwen aan dat ze geen klacht willen indienen. Ze zijn bang of weten niet wie de dader is, of het geweld is intrafamiliaal. De Zorgcentra na seksueel geweld bieden hiervoor een goede oplossing. Ze benadrukken dat er geen directe beslissing nodig is. Alle afgenomen stalen blijven bewaard en er komt een multidisciplinaire begeleiding op gang. Die aanpak overtuigt slachtoffers vaak van het belang van een klacht, zodat de dader niet opnieuw kan toeslaan, er een onderzoek kan starten en er aan de hand van genetisch materiaal nagegaan kan worden of de dader nog aan andere mensen kan worden gelinkt. Het slachtoffer heeft veel meer in handen dan louter de eigen casus.

Dat is een zeer belangrijk element dat moet worden meegenomen in die werkgroep, namelijk dat die meldpunten een zekere klemtoon moeten leggen op de vraag: denken we hier niet beter goed over na? Kunnen we hiermee niet verder aan de slag gaan? Kunnen we dit desgevallend niet melden aan de bevoegde instanties, zodat die man kan worden gestopt? Dat is één.

Ik ben er zeker van dat daar waardevolle aanbevelingen kunnen worden geformuleerd en dat de meldpunten vervolgens op een geheel andere manier aan de slag kunnen gaan.

Ten tweede, een heel belangrijk punt. U hebt het nu gezien. Uw artikel 57 van de kwaliteitswet: zonder visum voert u uw job niet uit. Dat RIZIV-nummer heeft daar niets mee te maken.

U zegt: bijkomende bescherming. Ik zeg dat dit niet nodig is; dat is niet de essentie. Dat hebt u trouwens zelf ook gezegd. Ik vind het zeer belangrijk dat u dat vandaag op tafel hebt gelegd.

Er is al veel discussie over geweest, maar we zien dat de Toezichtcommissie – zodra zij op de hoogte was van de klacht – onmiddellijk heeft gehandeld en meteen het visum heeft kunnen schorsen. Dan zien we dat er een oplossing is en dat u niet verder hoeft te blijven zoeken in zaken waar dat niet nodig is.

Voilà, dat wilde ik nog even kwijt.

Frank Vandenbroucke:

Dit is een interessant en belangrijk debat. Ik wil nog een paar elementen meegeven.

Mevrouw De Knop, ik zal mij niet in de plaats stellen van een soort van rechtscollege dat geleid wordt door een magistraat. Ik ga dus niet plotseling voor rechter spelen. Ik kan dat niet en ik mag dat niet en u zou de eerste zijn die daartegen protesteert. Er is een uitspraak en ik neem daar akte van.

Ik wil eerst nog iets zeggen en dan kom ik terug bij het proces waarvoor ik politiek verantwoordelijk ben. Ik kan mij richten tot de Toezichtcommissie en ik heb dat vandaag ook gedaan. Ik heb dit ook gezegd aan de voorzitter van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid en hij is het daarmee eens. We verwachten wel van de Toezichtcommissie naarmate er meer informatie komt, bijvoorbeeld extra klachten die worden ingediend bij de Toezichtcommissie of verdere ontwikkelingen in het onderzoek door het parket... Bovendien is er ook het eigen onderzoek van de Toezichtcommissie. Ik ben daarop niet in detail ingegaan, maar de pers is hiervan op de hoogte. De Toezichtcommissie heeft aangegeven dat zij de fysieke en psychische geschiktheid van die gynaecoloog zal onderzoeken. Dit is met andere woorden niet het einde van het verhaal. Ik vraag aan de Toezichtcommissie om dit niet te laten liggen en om naarmate er verdere informatie komt, daar ook verdere gevolgen aan te geven. Het is belangrijk dat dit gebeurt.

Mevrouw De Knop, ik ben het helemaal met u eens dat we een verschrikkelijke staatsstructuur hebben inzake gezondheidszorg, maar eerlijk gezegd - en ik wil niet vitten - is dat niet echt het punt. Weet u dat hetzelfde probleem rijst binnen de federale overheid, bij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen? Bij dit Instituut komen eveneens klachten binnen, ook over diezelfde gynaecoloog. Het Instituut mag deze klachten niet doorgeven. Dat is wettelijk vastgelegd. Dat is dan gewoon binnen de federale overheid.

Dan kom ik terug op het probleem dat ik schetste met betrekking tot het meldpunt, waarbij mensen vragen waarom hun melding niet werd doorgegeven. Het meldpunt mag dat niet doorgeven, maar dat is niet omdat het een Vlaamse bevoegdheid betreft. Ook het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen mag geen klachten doorgeven. Wanneer het Instituut zich wendt tot vrouwen die iets hebben aangeklaagd en hun vraagt een klacht in te dienen bij de Toezichtcommissie, dan vinden sommige betrokken vrouwen dat heel normaal, terwijl andere daar heel boos om zijn. Ik begrijp dat, want ze dachten dat het Instituut dit zelf wel zou doorgeven, maar het Instituut mag dat niet doen omwille van de vertrouwelijkheid. Dat zijn allemaal zaken die we moeten bespreken, want dat leidt tot onoverzichtelijkheid voor de mensen.

Dan moet er wel een procedure worden afgesproken, waarbij het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen wel zelf met een dossier aan de slag mag, zonder dat het betrokken slachtoffer dat dossier zelf nog eens moet doorgeven. Het is dus niet alleen een probleem van de staatsstructuur, dat zit een beetje dieper.

Ik wil nogmaals op de RIZIV-nummers terugkomen, misschien ten overvloede, want het debat gaat er niet echt over. Mevrouw Bury, de Toezichtcommissie kan inderdaad een visum op basis van de kwaliteitswet en een inbreuk op de kwaliteitswet meteen schorsen. De beroepsbeoefenaar moet dan meteen zijn praktijk stopzetten. Dat is inderdaad geen issue van RIZIV-nummers.

De reden waarom ik het nuttig zou vinden dat ook het RIZIV-nummer wordt ingetrokken, geef ik u nu. Helaas gebeurt het dat iemand gewoon doordoet. Patiënten merken dat niet. Zij gaan naar een arts die het beroep niet mag uitoefenen. Hij zegt: betaal mij zoveel. Hij laat dat terugbetalen door de mutualiteit. De mutualiteit weet dat ook niet. Het is een bijkomende bescherming voor patiënten dat men het factureren niet meer mogelijk maakt. Dat is hier secundair.

De discussie over de RIZIV-nummers gaat ook over fraude met het terugbetalingssysteem, dat de voorbije weken in de pers kwam. Daarover heeft de Toezichtcommissie niks te zeggen. Dat loopt niet via de Toezichtcommissie. De Toezichtcommissie is bezig met de kwaliteit van de medische praktijk.

Fraude met terugbetalingen, met valse facturen, overscoring , al die dingen die in de media zijn geweest, spelen zich af bij het RIZIV. Dat is een andere reden waarom ik dat probleem van het blijven factureren door fraudeurs en de nood om het RIZIV-nummer te kunnen schorsen op tafel heb gelegd. Er zit wel wat meer debat achter dan alleen het probleem van een visum dat door de Toezichtcommissie wordt geschorst.

Ik blijf dus zeggen dat men het onmogelijk moet maken dat mensen blijven factureren, ofwel omdat ze hun visum verloren zijn omwille van een inbreuk op de kwaliteitswet, bij de Toezichtcommissie, ofwel omdat ze bij het RIZIV als financiële fraudeur gekend zijn. Dat is ook een reden om het RIZIV-nummer in te trekken, maar dat is een breder debat.

Laten we als conclusie stellen – maar ik laat u zeker het laatste woord – dat het onze politieke verantwoordelijkheid is om die processen correct te laten verlopen. Onze politieke verantwoordelijkheid is ook om na te denken over hoe de ombudsdiensten werken, hoe de ziekenhuizen daarmee omgaan en wat we kunnen doen om de overdracht van informatie tussen een meldpunt, het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, de Toezichtcommissie, de Orde van Artsen en het parket te verbeteren. Dat is absoluut noodzakelijk.

Zoals ik eerder zei, ga ik ervan uit dat de Toezichtcommissie de zaak hier niet laat rusten. Dat blijkt trouwens uit de beslissing van de commissie zelf. Collega's, deze zaak is heel ernstig en heel triest voor de betrokken vrouwen; wordt dus vervolgd.

Irina De Knop:

Ik dank u voor uw verduidelijkingen, mijnheer de minister. Ik kan begrijpen dat de problematiek ook federaal speelt, maar ik vind het moeilijk te begrijpen dat meldpunten zelfs geen geanonimiseerde klachten kunnen doorgeven aan de Toezichtcommissie. Dat zou binnen de huidige wetgeving toch mogelijk moeten zijn. Mogelijk zouden daardoor eerder alarmsignalen zijn uitgestuurd. Soms is de vraag of de regelgeving daadwerkelijk moet worden aangepast of dat mensen gewoon correct moeten handelen binnen hun bestaande takenpakket.

Ik begrijp dat u het verder wilt onderzoeken, maar het is in dit geval al vijf over twaalf. We moeten dit niet rustig bekijken, maar heel dringend, want ik kan begrijpen dat mensen niet steeds opnieuw hun verhaal willen doen en duidelijk willen weten waar ze aan toe zijn.

Tot slot had ik graag vernomen – desnoods via een andere weg – wie er eigenlijk afgevaardigd is in de Federale Toezichtcommissie. Het lijkt me elementair om te weten welke profielen daar aanwezig zijn en hoe de selectie van de leden verloopt.

Tot slot zegt u dat er goede afspraken met de ziekenhuizen moeten worden gemaakt. Voor zover ik heb begrepen, hebben die correct gehandeld en hebben ze bewarende maatregelen genomen, die de Toezichtcommissie nu heeft opgeheven. Ik dank u voor uw uitgebreide antwoorden.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, u hebt uw beperkte inmenging doorgegeven. Ik ben blij dat ze daartoe beperkt bleef. Anders was ze volgens mij verkeerd geweest, als u er zich meer in gemengd had. Mevrouw De Knop, u had het over geanonimiseerde klachten bij meldpunten. Dat is effectief iets waaraan een mens kan denken, maar men moet er dan wel rekening mee houden dat die klachten verder gaan. Dan is er echt een probleem met het recht op tegenspraak. De verdachte weet dan trouwens waar die klachten vandaan komen. Als ze geanonimiseerd zijn, is het allemaal zeer moeilijk. Vandaar dat ik bij mijn repliek blijf dat het best is de slachtoffers te overtuigen klacht in te dienen en hen het belang daarvan te doen inzien, maar dat het best niet anoniem gebeurt. Mijnheer de minister, ik heb u op een zijpiste gebracht door de schorsing van het RIZIV-nummer voor te stellen. Ik weet dat ook. Maar u zegt dan dat het RIZIV-nummer moet geschorst worden als het over fraude gaat. Dat is het nu net. Zonder visum werken mag niet. Als er dan toch gefraudeerd zou worden… Ik zal het omdraaien. Als al die meldpunten en de Toezichtcommissie goed werken en die man werkt één dag door zonder visum, maar wel nog onder zijn RIZIV-nummer, is dat toch een extra beveiliging? Dan komt er immers een terugbetaling binnen bij het RIZIV waar men dan kan zien dat die man zonder visum werkt. Dan kan men hem nog sneller vatten, maar uw systemen moeten gewoon werken. Er moet niet altijd iets nieuws gecreëerd worden. Als een visum ingetrokken wordt, of het nu na fraude is of na verregaande handelingen van een arts, is dat voldoende. Mijn repliek blijft dus staan. Ik ben heel benieuwd naar het debat dat we daar verder over zullen voeren. De voorzitster : We zijn aldus aan het einde van de vergadering gekomen. Er zijn een aantal uitgestelde vragen van mevrouw Geybels, namelijk de vragen nrs. 56010737C, 56010851C, 56010887C, 56010941C en 56011163C. Vragen nrs. 56011005C en 56011009C van mevrouw Eggermont zijn eveneens uitgesteld. Ook vragen nrs. 56011014C en 56011173C van mevrouw Dedonder zijn uitgesteld evenals vraag nr. 56011184C van de heer Daerden. De hiernavolgende vragen worden ingetrokken op basis van artikel 126, tiende lid. Dat zijn vragen nrs. 56011002C en 56011242C van mevrouw Ramlot en vraag nr. 56011127C van mevrouw Pirson. Hetzelfde geldt voor de vragen nrs. 56009966C, 56009967C, 56010090C, 56010108C en 56010118C van mevrouw Dedonder. Zij had uitstel gevraagd voor die vragen, maar ze waren al eens uitgesteld. Dus die vragen worden ingetrokken. Dat gezegd zijnde, kan ik de vergadering sluiten. Ik wens iedereen nog een prettige avond. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.22 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 22.

De fraudegevallen binnen de tandheelkunde
De fraudecontroles bij het RIZIV
Fraude in de thuisverpleging
Een plafond op het aantal patiënten tegen fraude en de garanties voor bonafide thuisverpleegkundigen
Fraude in de thuisverpleging en maatregelen om misbruiken sneller te detecteren
De rol van de ziekenfondsen bij de controle van zorgverstrekkers
Het uittesten van een nieuwe financieringswijze voor verpleegkundige zorg
Bedrieglijke handelingen in de ziekteverzekering
Bedrieglijke handelingen in de ziekteverzekering (terugvorderingen door VI’s)
De fraude in de gezondheidszorg en het vrijwaren van de middelen van de ziekteverzekering
De verjaringstermijn in geval van fraude door apothekers
Fraude en controles in de gezondheidszorg en ziekteverzekering

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om grootschalige fraude in de gezondheidszector (thuisverpleging, tandartsen, apothekers) en de tekortkomingen in opsporing, preventie en sancties, met kritiek op het RIZIV, ziekenfondsen en de trage justitiële afhandeling. Hoofdpunten: - Fraudegevallen (bv. thuisverpleegkundige met 90 gefactureerde bezoeken/dag, tandarts met €627.000 fraude) tonen structurele lekken in controlesystemen, ondanks herhaalde signalen (soms sinds 2017). Volgens kritici (o.a. Depoorter, De Knop) faalt het RIZIV in snelle doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat en ontbreken duidelijke procedures voor verjaringstermijnen (bv. 3 vs. 5 jaar bij apothekers). - Minister Vandenbroucke verdedigt het RIZIV: inspecties volgden wettelijke termijnen, maar fraudeurs omzeilden sancties (bv. via valse patiëntgetuigenissen). Hij kondigt versterkte maatregelen aan: plafonds (€229.000/jaar voor zelfstandige verpleegkundigen), automatische patiëntinformatie (vanaf 15/01/2025), en een antifraudeplan 2026–2030 met opschortingsbevoegdheid van RIZIV-nummers. Dataflow 2.0 (2027) moet gegevensuitwisseling versnellen. - Sector en oppositie vrezen stigmatisering van zorgverleners (99% werkt correct) en vragen slimmere controles (bv. risicoanalyses op outliers, realtime datadeling tussen actoren). Eggermont pleit voor systeemwijziging (uurloon i.p.v. prestatiefinanciering) om fraude te ontmoedigen, terwijl Hansez benadrukt dat plafonds rekening moeten houden met complexe zorg (platteland, palliatieve patiënten). - Openstaande knelpunten: wie beslist over fraude (DGEC/DAC), gebrek aan transparantie (anonieme dossiers, ontbrekende jaarlijkse parlementaire rapportage), en vertraagde implementatie (bv. BelRAI-controles, nomenclatuurherziening).

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, onlangs kreeg de fraude door een thuisverpleegkundige ruime aandacht in de media. Daarna bleek dat er ook grootschalige fraude bij een arts en een tandarts zou zijn vastgesteld. Die dossiers zouden ook door de pers zijn ingekeken.

Ik zou graag meer informatie ontvangen over het dossier van de betrokken tandarts. Over welke soort fraude gaat het precies? Kunt u toelichten om welke handelingen of behandelingen het ging? Kunt u meer vertellen over het verloop van dat fraudedossier? Op welke manier werd die fraude opgespoord? Wanneer werden er vaststellingen gedaan en welke waren dat? Welke sancties zijn opgelegd?

In het artikel wordt een bedrag van 627.000 euro vermeld. In het laatste jaarverslag van de DGEC worden eveneens fraudegevallen bij tandartsen gemeld, maar daar gaat het op het eerste gezicht om lagere bedragen per tandarts. Zijn er eerder ook al dergelijke grote fraudedossiers bij tandartsen geweest? Kunt u daar meer toelichting over geven?

Hoeveel andere fraudedossiers met betrekking tot tandartsen zijn bekend en over welke bedragen gaat het? Welke stappen worden er momenteel in verband met die dossiers ondernomen?

In welke mate hangt het gebruik van de derde-betalersregeling samen met de kans op fraude? Wordt er dan vaker fraude vastgesteld? Is het mogelijk om de dossiers die door de pers werden ingekeken ook aan het Parlement te bezorgen?

Opsporen en bestraffen is één zaak, maar fraude voorkomen lijkt mij nog belangrijker. Op welke manier kan daarop volgens u verder worden ingezet? Het lijkt mij zinvol dat de DGEC dergelijke fraudezaken jaarlijks in het Parlement komt toelichten, zodat ze zowel de return als een plan van aanpak voor het daaropvolgende jaar kunnen presenteren. Bent u dat idee genegen?

Mijn volgende vraag gaat over de controle van ons zorgfacturatiesysteem, naar aanleiding van de fraude door de thuisverpleegkundige. Enerzijds is er de controle door de DGEC van het RIZIV. Anderzijds spelen ook de ziekenfondsen hierin een rol.

Via de pers verneem ik dat het RIZIV blijkbaar geen informatie van ziekenfondsen over mogelijke fraudegevallen of misstanden bij zorgverstrekkers ontvangt. Dat roept toch wel vragen op.

Wat is de rol van de ziekenfondsen bij de controle van de juistheid van zorgfacturaties? Wie voert die controles uit en op welke manier gebeurt dat precies? Welke rol spelen de adviserende artsen? Bestaan er rapporten van die controles en wat gebeurt daarmee? Kunt u aangeven welke en hoeveel meldingen over mogelijke foute facturatie of fraude door ziekenfondsen zijn doorgegeven, opgesplitst per verzekeringsinstelling en per provincie?

Voorlopig is het RIZIV blijkbaar nog afhankelijk van gegevens die door de ziekenfondsen worden aangeleverd, maar er zou wel worden gewerkt aan een rechtstreeks toegang door het RIZIV via het Data Flow 2.0-systeem. Wanneer is dat systeem operationeel?

Waar wordt de informatie over zorgverstrekkers verzameld, over verzekeringsinstellingen heen? Klopt het dat dit in het Nationaal college van adviserend artsen is, dat ressorteert onder de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV? Klopt het dat zij over gegevens beschikken waarover de DGEC niet beschikt?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, l’auditorat du travail de Gand a confirmé une nouvelle perquisition dans le dossier très médiatisé d’une infirmière indépendante – également élue d'extrême droite –, soupçonnée d’avoir facturé jusqu’à 90 visites par jour aux mutuelles, alors qu’un soignant à domicile particulièrement actif atteint en moyenne une vingtaine de visites quotidiennes. Les premières constatations laissent penser à une fraude massive, avec notamment la saisie de plusieurs véhicules de luxe.

Au-delà de ce cas individuel, cette affaire révèle des failles structurelles dans le modèle de facturation et les contrôles des prestations infirmières. Vous avez annoncé qu’à partir de l’an prochain, un plafond serait instauré sur le nombre de patients qu’un infirmier peut comptabiliser par jour. Cette mesure suscite un large intérêt, tant pour prévenir les abus que pour protéger les soignants honnêtes, qui travaillent souvent dans des conditions difficiles.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelle forme exacte prendra ce plafond: un nombre maximum de visites, un plafond horaire ou un modèle tenant compte du type de soins et des déplacements?

Ce plafond sera-t-il intégré dans un système automatisé de contrôle via les mutuelles, afin de détecter immédiatement les anomalies plutôt que d’intervenir a posteriori ? Ê tes-vous en communication étroite avec votre collègue le ministre Beenders?

Quelles garanties seront-elles prévues pour éviter d’alourdir la charge administrative ou d’entraver l’activité des infirmières et infirmiers respectueux des règles, notamment en zones rurales et lors de soins complexes?

Ces derniers jours, plusieurs affaires de fraude sociale dans les soins infirmiers à domicile ont été révélées, mettant en lumière des pratiques manifestement incompatibles avec la réalité du terrain.

J'en viens à ma seconde série de questions.

Les cas de fraude sociale se sont multipliés dans le secteur des soins à domicile. Ces dossiers, bien que distincts, révèlent une même réalité: certains acteurs isolés parviennent encore à contourner les mécanismes de contrôle au détriment de la sécurité sociale et de la grande majorité des soignants honnêtes. Ils montrent aussi la nécessité d’un renforcement de la détection automatique, d’une meilleure coopération entre inspections, mutuelles, INAMI et auditorats du travail, ainsi que d’un traitement plus rapide des signaux faibles.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelles mesures spécifiques entendez-vous prendre pour détecter plus rapidement les schémas manifestement irréalistes, comme un nombre de visites quotidiennes impossible, avant que les dossiers ne prennent une plus grande ampleur?

La coopération entre les acteurs chargés de la lutte contre la fraude – mutuelles, INAMI, auditorats du travail, inspections sociales – sera-t-elle renforcée grâce à un échange automatisé de données ou à des mécanismes d’alerte précoce?

Enfin, envisagez-vous un plan d’action sectoriel ciblé sur les soins de santé à domicile, afin d’éviter que quelques fraudeurs isolés ne nuisent à la crédibilité d’un secteur, où la très grande majorité des infirmières et infirmiers travaillent de manière honnête et professionnelle?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik denk dat we de context voldoende hebben geschetst. Het is uiteraard niet aanvaardbaar wanneer er voor dergelijke bedragen wordt gefraudeerd. Dit is een falen in de opvolging door het RIZIV. Daardoor dreigt nu het beeld te ontstaan dat zelfstandige zorgverleners massaal frauderen. Ik ben ervan overtuigd, mijnheer de minister, dat dat niet het beeld is dat u wenst te schetsen.

Dergelijke excessen zijn volgens het veld de absolute uitzondering. Ik denk bovendien dat deze perceptie het beroep kan schaden en het is net een beroep waar we in deze maatschappij bijzonder veel nood aan hebben. Die perceptie kan de aantrekkelijkheid van deze cruciale sector schaden, terwijl we in de toekomst net veel meer zorgverleners nodig zullen hebben.

Daarom heb ik enkele vragen, mijnheer de minister.

Hoe kan het dat deze verpleegkundige, nadat zij reeds in 2017 en opnieuw in 2020 werd gesignaleerd, toch niet strenger werd opgevolgd door het RIZIV? Monitort het RIZIV systematisch de overschrijdingen van het plafond aan prestaties? Hoe kan dan worden verklaard dat deze fraude jarenlang onder de radar bleef? Worden er binnen uw inspectiediensten ook prioriteiten gesteld, zodat zorgverleners die extreem veel prestaties factureren sneller en prioritair worden gecontroleerd? Hoe wilt u vermijden dat individuele fraudedossiers een volledige beroepsgroep in een slecht daglicht plaatsen? Hoe wilt u de aantrekkelijkheid van het beroep vrijwaren?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, we hebben het al gehad over de thuisverpleegkundige die gedurende jaren het RIZIV oplichtte, een dossier dat pas na jaren krachtdadig wordt aangepakt en doorgestuurd naar het arbeidsauditoraat. Het kan niet dat een aantal nestbevuilers een hele sector met zich meeslepen, een sector die bestaat uit zorgverstrekkers die dag en nacht ter beschikking staan van hun patiënten, dat correct doen en dat ook correct tariferen.

De vraag die we ons dan ook onmiddellijk moeten stellen, is of de procedures voldoende gevolgd zijn. Zijn ze op tijd gevolgd? Is er gecontroleerd of ze gevolgd zijn? Zijn de definities fijn genoeg gedefinieerd? Wanneer gaat men over tot een doorverwijzing naar het arbeidsauditoraat? Is daarvoor een procedure voorzien, wordt die gehanteerd en wordt ze ook geëvalueerd? Dat is ook wat we in het regeerakkoord hebben opgenomen, namelijk de evaluatie van de werking en de procedures van de DGEC.

Veel belangrijker dan snel tot actie over te gaan, is het uitvoeren van die evaluatie en na te gaan waar de fouten liggen. Waar schort het aan in de procedure, in de aanpak? Hoe is dit kunnen gebeuren? Hetzelfde geldt voor de apotheker, waarvan gezegd wordt dat er via een achterpoortje gewerkt kan worden.

Ik zie u al het hoofd schudden. Ik ben het volledig met u eens: die uitknop bestaat niet. De unieke barcodes vormen de regel die we hanteren en dat is ook wat de DGEC controleert. Ik heb het in een jaarverslag gelezen, maar wat is daar dan fout gelopen? Is die persoon door de mazen van het net geglipt en zijn de controlemechanismen niet tijdig in gang geschoten? Dat zijn de vragen die we ons sowieso moeten stellen.

Daarnaast heb ik een aantal concrete, vrij technische vragen voor u. Artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 vermeldt de notie bedrieglijke handeling . Genoemd artikel is bepalend voor de terugvordering van ten onrechte uitbetaalde prestaties.

Kunt u toelichten wie binnen de DGEC uiteindelijk de beslissing neemt of een bepaalde casus beschouwd moet worden als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van de wet? Kunt u ook toelichten wie binnen de DAC de uiteindelijke beslissing neemt of een bepaalde casus beschouwd moet worden als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van de wet?

Hetzelfde artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 vermeldt de notie bedrieglijke handelingen . Dat is bepaald voor de terugvordering van uitbetaalde prestaties.

Kunt u toelichten of de verzekeringsinstellingen bij de vaststelling van ten onrechte gedane betalingen zelf de afweging maken of een bepaalde casus moet worden beschouwd als bedrieglijk in de zin van artikel 174 van die wet? Indien dat zo is, wie maakt die afweging dan en wie is daarvoor bevoegd? Bestaan er richtlijnen voor de verzekeringsinstellingen over de toepassing van de notie bedrieglijke handelingen ? Wordt bovendien nagegaan of de verzekeringsinstellingen deze regel inzake verjaring, en meer bepaald de toepassing van bedrieglijke handelingen, op een gelijkvormige wijze benaderen?

Wanneer de inspectiediensten van het RIZIV een onderzoek voeren waaruit mogelijks een terugvordering van ten onrechte betaalde prestaties volgt, wordt als bewarende maatregel systematisch de verjaring gestuit ten aanzien van de potentiële debiteur. Kunt u voor zowel de DGEC als de DAC bevestigen of er instructies in die zin bestaan en of die worden nageleefd?

De verzekeringsinstellingen worden in toenemende mate geresponsabiliseerd voor een beter beheer van de middelen van de ziekteverzekering. Dat is een goede zaak en dat hebben we in het regeerakkoord ingeschreven. Zijn er instructies voor de ziektefondsen over het stuiten van de verjaring met het oog op een potentiële - dus al dan niet vastgestelde - terugvordering?

Wat betreft de casus van de apotheker, mijnheer de minister, die op 6 december in de pers kwam, blijkt dat een verjaringstermijn van drie jaar werd toegepast voor de frauderende apotheker, die zelf in de krant getuigde.

Graag verneem ik van u waarom, hoewel artikel 174 van de wet van 14 juli 1994 een termijn van vijf jaar voorziet om terug te vorderen in geval van bedrieglijke handelingen, in dit dossier slechts een verjaringstermijn van drie jaar is gehanteerd. Dank u.

Voorzitter:

Wensen er nog collega’s aan te sluiten bij het actualiteitsdebat? Ladies first , heren De Smet en Prévot.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik heb heel veel respect voor alle zorgverleners, ook voor de thuisverpleegkundigen. Iedereen hier heeft dat, meen ik. Het zijn zij die elke dag klaarstaan om mensen na een operatie weer op de been te krijgen of om ervoor te zorgen dat oudere mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.

Het is heel jammer te zien hoe de schandalige wanpraktijken van enkelen nu een slecht licht werpen op al die zorgverleners die dag in, dag uit het beste van zichzelf geven in vaak moeilijke omstandigheden. Er is nu een terecht debat over hoe de fraude bestreden moet worden. Ik meen dat dit nieuws ons toch aan het denken moet zetten over de prestatiegeneeskunde in het algemeen. Zorgverleners worden nu voornamelijk gefinancierd op basis van het aantal prestaties dat ze aanrekenen. Wij vinden dat we weg van dat systeem moeten gaan.

Mensen kiezen voor de zorg omdat de zorg betekenisvol mensenwerk is. Het prestatiesysteem dwingt zorgverleners voortdurend hun centen te tellen en het biedt openingen voor dergelijke wanpraktijken. In die zin kijken wij nu uit naar de resultaten van het pilootproject om thuisverpleegkundigen via een uurloon te verlonen

Ik heb ter zake wel enkele vragen.

Is er nu eigenlijk zicht op hoeveel van de actieve thuisverpleegkundigen op het terrein binnen zo’n systeem werken? Is dat er nog niet? Hoe evalueren andere organisaties en stakeholders als de mutualiteiten de sector thuisverpleging? Heeft zo’n project vroeger al op de plank gelegen? Is er is vraag naar vanuit de sector? Is het een geheel nieuw initiatief dat van u uitgaat? Wie komt specifiek in aanmerking om deel te nemen aan het project?

François De Smet:

Monsieur le ministre, on se retrouve avec des révélations qui se succèdent sur des fraudes majeures au sein de notre système de soins, qu'il s'agisse de l'affaire bien connue de l'infirmière à domicile ou de ce pharmacien ayant facturé pendant des décennies des médicaments jamais délivrés, ce qui soulève de vraies interrogations quant à l'efficacité et la réactivité des mécanismes de contrôle de l'INAMI.

Ce qui est frappant dans ces deux affaires, c'est que les pratiques frauduleuses ont perduré pendant des années, malgré des signaux, des analyses de données et même des procédures déjà engagées. Ces dossiers révèlent donc des failles structurelles, juridiques et opérationnelles qui doivent être pleinement examinées, parce qu'elles mettent en danger non seulement les finances publiques mais aussi la confiance des citoyens dans la solidarité qui fonde notre système de santé.

Concernant ce fameux pharmacien condamné, celui-ci aurait exploité pendant près de 30 ans une faille technique liée à l'encodage manuel en cas de panne informatique, un système censé assurer la continuité du service mais manifestement vulnérable à des détournements massifs. L'INAMI rappelle être juridiquement contraint par des procédures strictes et ne pas disposer des moyens nécessaires pour suspendre un numéro INAMI, même en cas de récidive avérée. Les sanctions appliquées (amendes, récupérations, etc.) se sont révélées insuffisantes pour mettre fin aux fraudes.

Monsieur le ministre, comment expliquer que, malgré des signaux répétés, des anomalies manifestes et des enquêtes en cours, ces pratiques aient pu perdurer durant de si longues périodes? Confirmez-vous que les services de contrôle ne disposent toujours pas, à ce jour, de la possibilité d'empêcher un prestataire récidiviste de continuer à exercer?

Enfin, vous avez annoncé une réforme permettant aux juridictions administratives de suspendre le numéro INAMI d'un dispensateur en cas de prestations non effectuées. Ce sera un outil effectivement attendu depuis longtemps par les services de contrôle. Quand cette réforme sera-t-elle concrètement mise en œuvre?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, à mon tour, je souhaite revenir sur ces problèmes de fraude sociale qui impactent la société, et singulièrement le cas particulier qui a déjà été évoqué par certains collègues et qui a beaucoup fait parler la semaine dernière. Il s'agit de cette infirmière, conseillère communale Vlaams Belang, qui aurait transmis à l'INAMI de fausses prestations. On apprend en effet qu'elle pouvait déclarer jusqu'à 90 visites par jour, quand des professionnels du secteur nous disent qu'on tourne plutôt autour de 20 visites par jour pour une soignante ou un soignant qui réalise son travail de manière digne et humaine. Ces fausses déclarations dans le chef de cette infirmière lui permettaient visiblement d'avoir un rythme de vie plus que confortable, puisque plusieurs voitures de luxe notamment ont été saisies à son domicile.

Par ailleurs, voici deux jours, comme évoqué par mon collègue de DéFI, on découvrait dans la presse qu'un pharmacien avait détourné 250 000 euros grâce à une faille du système de l'INAMI. Ces cas particuliers illustrent en tout cas une problématique réelle qui mérite une réponse appropriée.

Avant tout, et j'aurais dû commencer par là, il faut évidemment préciser qu'une écrasante majorité d'infirmières et d'infirmiers réalisent un travail remarquable avec probité, tout comme les pharmaciennes et les pharmaciens. Malheureusement, ces tristes épisodes jettent un peu l'opprobre sur ces professions éminemment essentielles.

Il y a quelques jours, monsieur le ministre, à la suite du cas particulier de l'infirmière, vous avez annoncé un plafonnement du nombre de visites par jour. Compte tenu de cette récente déclaration, pourriez-vous nous expliquer les contours de la réforme que vous comptez mener? Pouvez-vous nous confirmer que cette réforme, certainement salutaire, n'alourdira pas les démarches administratives du personnel soignant?

Frank Vandenbroucke:

Collega's, ik wil in de eerste plaats nog eens terugkomen op de essentie. Het verhaal van de thuisverpleegkundige uit Houthulst is hallucinant. Het is gewoon gangsterisme. De betreffende dame was er blijkbaar van overtuigd dat ze de samenleving en haar patiënten kon blijven uitbuiten en oplichten. Ze begon telkens opnieuw, na sancties, na terugvorderingen en na boetes. Ze was zeer inventief en zo is ze ook lange tijd bezig geweest.

Tegelijkertijd mogen we echt niet alles op één hoop gooien. Er zijn talloze thuisverpleegkundigen, die hard en correct werken en het beste doen voor hun patiënten, net zoals talloze apothekers hard en correct werken en het beste voorhebben met de patiënten die in hun zaak komen.

Collega’s, ik sta hier voor een dilemma en ik denk dat u die idee met mij deelt. Wij willen namelijk niet het beeld laten ontstaan dat een grote groep zorgverstrekkers er de kantjes vanaf loopt. Wij willen niet het beeld laten ontstaan dat thuisverpleegkundigen of apothekers gemakkelijk frauderen. Dat willen we niet, want dat is niet het geval. Het is een belediging voor de vele mensen, die hun best doen in die sector.

Tegelijkertijd moeten de enkele rotte appels eruit gehaald worden. Hiervoor hebben we sterkere wapens nodig. Op het moment dat men aan die wapens werkt om ze te versterken, kan de indruk ontstaan dat men iedereen verdenkt. Dat is niet het geval. Dat wil ik zeer uitdrukkelijk zeggen ten aanzien van alle apothekers, thuisverpleegkundigen, artsen en kinesitherapeuten. Dat is niet hoe wij denken over de inzet van die mensen. We moeten echter voldoende sterke wapens hebben om rotte appels, zelfs al gaat het om enkele te midden van tienduizenden anderen, te voorkomen.

Overigens neem ik de gelegenheid te baat om het volgende op te merken over de berichtgeving in de media. Over het algemeen geef ik daar geen commentaar op, maar we moeten toch enige behoedzaamheid aan de dag leggen voor wat er zoal in de media komt. Ik zeg dat met voorzichtigheid. Ik neem het voorbeeld van de apotheker die in een krant twee pagina’s kreeg om anoniem uit te leggen dat wat hij doet, volgens hem door elke apotheker gedaan kan worden. Moeten we ons als lezer niet afvragen of dat wel waar is? Is het een hypothese? Misschien probeert iemand zijn eigen misstappen te minimaliseren door te beweren dat iedereen hetzelfde kan doen. Misschien was dat voor die anonieme getuige in de krant het geval.

Wij moeten dergelijke berichtgeving dus enigszins kritisch benaderen.

Ook heb ik het moeilijk met controleurs van ziekenfondsen die anoniem met een kap over het hoofd getuigen over hun werk. Ik verwijt de media niet dat ze die getuigenissen brengen. Het is echter problematisch dat personen met een officiële taak in een organisatie zoals een ziekenfonds anoniem met een kap over het hoofd in de meest dramatische bewoordingen getuigen in plaats van ervoor te zorgen dat wij een transparant en ondertekend officieel verslag van die instanties ontvangen.

En laat ik dan nog maar zwijgen over het dossier van de dame in Houthulst. Ik heb dat dossier en twee andere anonieme dossiers, een over een tandarts en een over een arts, hier in het Parlement toegelicht. Niemand heeft toen verontwaardigd gereageerd – niemand, niet u, niet de beroepsorganisaties en niet de pers, die alle informatie van mij hebben gekregen. Het volstaat echter dat er een foto van de dame wordt gepubliceerd en dat in de krant enkele bijkomende details worden vermeld of het kot was hier te klein, zoals dat in Vlaanderen wordt genoemd. Ik had dat verhaal hier echter al lang verteld. Wij reageren dus soms eigenaardig.

Ik herhaal dat het ging om een structureel probleem van repetitieve fraude. Dat probleem moesten wij aanpakken met sterkere wapens. Dat heb ik hier maanden geleden al uitgelegd. Iedereen ondervroeg mij toen of ik niet te streng was. Niemand vroeg zich af wat dat specifieke geval precies inhield, totdat er een foto met een naam in de krant verscheen. Wij moeten op dat vlak allemaal enige zelfkritiek betrachten.

Dat helpt natuurlijk niet voor het gevoel van de medewerkers in de sector. Zij zijn het er ongetwijfeld over eens dat problemen structureel moeten worden aangepakt en dat de wapens om echte fraudeurs aan te pakken, moeten worden versterkt. Tegelijk moeten wij absoluut vermijden dat een sfeer ontstaat waarin iedereen in die sector zich verdacht gemaakt voelt of als verdacht wordt beschouwd.

Ik ben al een jaar bezig met de verfijning van een actieplan handhaving. Dat spoort trouwens heel goed met het regeerakkoord. Met dat actieplan versterken wij de noodzakelijke wapens.

Ik voeg hier nog wat het dossier met betrekking tot de thuisverpleegkundige in Houthulst betreft, het volgende aan toe. Mevrouw Depoorter vraagt opnieuw of het RIZIV niet heeft gefaald. Ik heb de gedetailleerde tijdlijn op papier hier in het Parlement uitgedeeld. Ik herhaal ze niet volledig wegens tijdsgebrek.

U kunt vaststellen dat er in juli 2017 een vaststelling werd gedaan, dat tien dagen later het onderzoek werd opgestart en dat enkele maanden later de vaststellingen en conclusies volgden. Daarna worden er terugvorderingen en boetes opgelegd en gebeuren er terugbetalingen. Vervolgens wordt er een tweede controleonderzoek uitgevoerd, gevolgd door een derde controleonderzoek op eigen initiatief van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle van het RIZIV. In de tijdslijn zie ik dus niet als zou het RIZIV in snelheid van handelen tekort zijn geschoten en ik wil dat evenmin beweren. Ik dring er dus ook op aan om dergelijke beweringen achterwege te laten, want dat is niet correct tegenover de inspecteurs van het RIZIV. Die hebben niet te traag gehandeld. Ze waren alleen niet gewapend tegen iemand die telkens opnieuw begon en uiteindelijk een zeer hardnekkige fraudeurster bleek te zijn, tegen dat soort van gangsterisme. Wie bewijs van falen van de inspectie moet mij eens uitleggen waar dat falen dan precies zit, des te meer gelet op de wapens die zij ter beschikking had. Ik zie dat eerlijk gezegd niet. Daarmee wil ik niet gezegd hebben da mijn administraties altijd perfect functioneren, dat is niet het geval. Hier vind ik echter dat die kritiek nogal gemakkelijk wordt geuit.

Ik ga graag ook even in op de bijzondere vraag met betrekking tot het arbeidsauditoraat. De Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle van het RIZIV hanteert een aantal criteria voor het in overleg doorsturen van controledossiers naar het arbeidsauditoraat. Enerzijds gebeurt dat wanneer de eigen onderzoeksbevoegdheden worden overschreden, anderzijds wanneer de sancties die de gerechtelijke instanties in het RIZIV, zoals de kamer van eerste aanleg en de kamer van beroep, kunnen opleggen, ontoereikend zijn. Op basis van een proces-verbaal van vaststelling van sociale inspecteurs van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle kan de kamer van eerste aanleg of de kamer van beroep, naast de terugvordering van de ten laste gelegde bedragen, bijkomend een sanctie opleggen tot 150% van het ten laste gelegde bedrag voor niet-conforme inbreuken of zelfs tot 200% voor niet-uitgevoerde prestaties. Wanneer men oordeelt dat de eigen bevoegdheden worden overschreden of dat de mogelijke sancties ontoereikend zijn, kan men op basis van die criteria het arbeidsauditoraat vatten.

Sommige dossiers zoals dat van de thuisverpleegkundige, zijn technisch zeer complex. De inbreuken beperken zich niet tot het aanrekenen van niet-uitgevoerde prestaties. Ze hebben in belangrijke mate ook betrekking op het aanrekenen van duurdere prestaties door overscoring van de afhankelijkheidsgraad van de patiënt. Daarvoor is een medische beoordeling vereist. Dergelijke onderzoeken door het arbeidsauditoraat gebeuren daarom in nauwe samenwerking met onze Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle.

Het arbeidsauditoraat is om die reden niet gemakkelijk bereid om dat zomaar te doen, omdat het die competenties niet per se heeft.

Wat de thuisverpleegkundige betreft, is een eerste controleonderzoek opgestart in 2017 met een proces-verbaal van vaststelling door de gerechtelijke instantie Kamer van beroep, waarbij de Kamer van beroep een definitieve uitspraak deed op 23 augustus 2023. Dat heeft dus geruime tijd geduurd, omdat de mevrouw in kwestie haar rechtsmiddelen heeft uitgeput. We leven natuurlijk in een rechtsstaat.

Op 23 augustus 2023 werd in dat eerste controleonderzoek dus een definitieve uitspraak gedaan. Al in februari 2023, dus vóór de eindbeslissing van de gerechtelijke instantie in het RIZIV, had de dienst in het kader van het inmiddels derde controleonderzoek – ik verwijs naar de tijdslijn die ik aan het Parlement heb bezorgd – een eerste contact met het arbeidsauditoraat over het dossier. Door de complexiteit en de problematiek van het medisch beroepsgeheim werd toen beslist dat niet het arbeidsauditoraat, maar de dienst dat verder zou uitwerken. Dat gebeurde na onderling overleg. De dienst stelde echter vast dat het dossier zo niet oplosbaar was. Een jaar later werd het dossier formeel doorgegeven aan het arbeidsauditoraat vanwege de aanhoudend hoge aanrekeningen.

Heeft men te traag gewerkt, dat durf ik niet te zeggen, omdat er verschillende procedures tegelijk liepen. Ik ben ook niet zelf betrokken bij de concrete controleonderzoeken en wens dat ook niet te zijn. Wel heb ik gevraagd om een nieuw en krachtig actieplan handhaving, een echt antifraudeplan voor de jaren 2026 tot 2030, met structurele maatregelen die de inspectiediensten de nodige instrumenten geven om gevallen zoals dat van de thuisverpleegkundige uit Houthulst daadwerkelijk te kunnen stoppen. In het kader van de hervormingswet met een voorstel voor de opschorting van het RIZIV-nummer als alternatieve sanctie, heb ik in augustus van dit jaar drie anonieme gevallen in het Parlement voorgesteld.

Naast de opschorting van het RIZIV-nummers, wat we met het Parlement nog moeten bespreken en beslissen, werden er twee maatregelen reeds genomen. Ik hoop dat ze weldra hun vruchten afwerpen. Ten eerste is er het aanrekeningsplafond op jaarbasis voor thuisverpleegkundigen. Mevrouw Hansez, dat heeft dus niet betrekking op het aantal patiënten.

Madame Hansez, vous avez parlé du nombre de patients. Or ce n'est pas de cela qu'il s'agit. Je le répète. De grâce, dites-le aux infirmiers à domicile! Ce n'est pas le nombre de patients; c'est un montant en euros qui, pour des infirmiers indépendants, s'élève à 229 000 euros bruts de facturation sur une base annuelle. De mémoire, pour un salarié, le montant atteint 126 000 euros sur une base annuelle, parce qu'il y a évidemment une pondération des prestations. Voilà le plafond.

Dat is een instrument naast andere; het is uiteraard niet het enige. Als men boven het plafond gaat, moet de betrokken thuisverpleegkundige verantwoorden waarom dat het geval is. Dat betekent dus een omkering van de bewijslast en ik denk dat dat nodig is.

Een voorgangster van mij, mevrouw De Block, wou al een dergelijke regeling in een koninklijk besluit vastleggen. Dat koninklijk besluit werd echter vernietigd door de Raad van State, vermoedelijk wellicht omdat de regering toen in lopende zaken was. Daarom zijn we opnieuw begonnen en het koninklijk besluit werd in 2024 van kracht. Aangezien het echter op jaarbasis werkt, kan de eerste praktische toepassing vanaf begin 2026 plaatsvinden. We zullen dat ook doen. We hebben wel al een sensibiliserende oefening gedaan op basis van de aanrekeningsplafonds.

Voorts is er nog een maatregel van kracht, die ik persoonlijk erg belangrijk vind, hoewel die nog niet volledig dekkend is. Vanaf 15 januari van volgend jaar krijgen patiënten zicht op de prestaties die op hun naam worden aangerekend, waaronder de meeste prestaties die via derde-betaler worden aangerekend. Een zorgverlener zal dus voor de meeste prestaties niet langer in staat zijn om een niet-uitgevoerde prestatie toch aan te rekenen via derde-betaler, zonder dat de patiënt daarvan op de hoogte wordt gesteld. Dat is zeer essentieel. Bijvoorbeeld voor alle forfaitaire prestaties B in de thuisverpleging, een grote groep, wordt de informatie vanaf 15 januari door alle ziekenfondsen aan alle patiënten doorgestuurd voor wie een forfait B wordt aangerekend. Dat is een belangrijk onderdeel van de controle.

Er was een vraag over de 193 dossiers. Dat zijn alle controledossiers van de DGC waarbij de zorgverlener het ten laste gelegde bedrag en of de boete niet wenst terug te betalen. Die dossiers werden overgezonden naar de niet-fiscale invordering van de FOD Financiën, die voor de verdere opvolging zorgt.

Kortom, de fameuze thuisverpleegkundige uit Houthulst werd opgevolgd. Ik denk niet dat dat op een gebrekkige manier gebeurde. Ze kreeg immers tot tweemaal toe twaalf maanden opschorting van de uitbetaling indien aangerekend via derde-betaler. Ze slaagde erin om dat zeer handig te omzeilen door zelf getuigschriften in te dienen bij het ziekenfonds, zogezegd namens haar patiënten.

Het betrokken ziekenfonds stortte het geld naar die patiënten, in de veronderstelling dat zij de bedragen rechtstreeks hadden betaald. Op die manier kon ze haar carrousel weer een tijdje laten draaien. Dat is de story .

De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle ontvangt jaarlijks ongeveer 1.500 meldingen, dat wil zeggen aangiftes van mogelijke fraude, vragen en klachten afkomstig van buiten de dienst. Daarnaast voert de dienst zelf risicoanalyses uit. Een outlier is inderdaad een van de indicatoren om het risico te bepalen. Niet alle outliers zijn fraudeurs. Sommige zorgverleners die gespecialiseerd zijn in specifieke medische handelingen, factureren correct het grootste aandeel van welbepaalde verstrekkingen.

Nogmaals, wij staan voor een dilemma wat onze communicatie aan de sector en het brede publiek betreft. We onderstrepen enerzijds dat we de fraude krachtiger moeten aanpakken en de dienst meer wapens geven en dat ik een actieplan inzake handhaving zal voorstellen, en anderzijds dat het gaat om een zeer kleine minderheid en de regeling ter bescherming van de grote meerderheid van correcte en hardwerkende zorgverleners dient, zorgverleners waarvan ik niet wil dat ze zich hierdoor onterecht verdacht gemaakt voelen.

Mevrouw Gijbels stelt enkele belangrijke vragen over de verantwoordelijkheid van de verzekeringsinstellingen. Die instellingen hebben inderdaad een ruime verantwoordelijkheid in de controle van de juistheid van de zorgfacturaties. Zij voeren zowel administratieve primocontroles uit, zoals het opsporen van verboden cumuls of prestaties door onbevoegden, als inhoudelijke controles die niet rechtstreeks uit de facturatie kunnen worden afgeleid. Voor de thuisverpleegkundigen omvat dat onder meer de controle bij de patiënt bij 10 % van de nieuw gemelde Katzschalen, deels op eigen initiatief van een verzekeringsinstelling en deels intermutualistisch, in opdracht van het Nationaal college van adviserend artsen.

De controles worden uitgevoerd door de adviserend artsen van de verzekeringsinstellingen, die daarbij bepaalde taken kunnen delegeren aan adviserend verpleegkundigen. Elke controle van Katzschalen leidt tot een verslag. Bij intermutualistische controles worden daarnaast resultaatfiches opgesteld, die regelmatig in het Nationaal college van adviserend artsen worden besproken. Afhankelijk van de bevindingen kan dat leiden tot een waarschuwing, een nacontrole of een melding aan de dienst, die de documenten ook kan opvragen tijdens eigen onderzoeken.

Tussen 1 januari en 30 november van dit jaar ontving de dienst 108 meldingen van verzekeringsinstellingen en adviserend artsen. Een gedetailleerde uitsplitsing per instelling en provincie is beschikbaar en kan ik u schriftelijk bezorgen.

Omdat elke verzekeringsinstelling slechts zicht heeft op de prestaties van haar eigen verzekerden, worden alle facturatiegegevens maandelijks gecentraliseerd bij het Intermutualistisch Agentschap, waarvan de dienst in het kader van concrete onderzoeken gegevens kan opvragen.

Om die gegevensstromen te verbeteren en frequenter, vollediger en sneller aan te leveren, wordt momenteel gewerkt aan project Dataflow 2.0. Het doel van dat project is een rechtstreekse en geautomatiseerde toegang van het RIZIV tot het centrale dataplatform, zodat de afhankelijkheid van de afzonderlijke verzekeringsinstellingen vermindert en gegevens sneller kunnen worden gekoppeld aan onder meer fraudedetectie. Voor Dataflow 2.0 is wel een aanpassing van het wettelijke kader nodig. De nieuwe regelgeving wordt in 2026 verwacht, waarna de operationele ingebruikname van Dataflow 2.0 voorzien is, ten vroegste in 2027.

Tot slot wordt informatie over zorgverstrekkers intermutualistisch samengebracht binnen het Nationaal College, dat sinds mei 2022 onder de dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle ressorteert. Via het secretariaat van het Nationaal College van Adviserend Artsen beschikt de dienst sinds mei 2022 over alle resultaten van de intermutualistische Katz-controles, gegevens die voor 2022 niet rechtstreeks toegankelijk waren.

Er werd ook beslist dat de ziekenfondsen, voor een bedrag dat in 2029 zal oplopen tot 100 miljoen euro, fraude uit het systeem moeten halen. Zij moeten met hun eigen administratie borg staan voor het bereiken van dat resultaat. Dat is essentieel. Die afspraak is gemaakt en de beslissing is genomen door de ministerraad.

Mevrouw Gijbels, u hebt een vraag over de tandheelkunde. Ik heb hier een paar maanden geleden één anoniem dossier aangehaald. Over specifieke controles geeft de dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle geen verdere uitleg, ook niet aan mij. In zekere zin staat er een muur, wat correct is, tussen de inspecteurs, de leiding van het RIZIV en mezelf.

Wel kan ik een toelichting geven over fraudedossiers bij tandheelkundigen in het algemeen. Het betreft, net zoals bij andere zorgverleners, zowel de aanrekening van niet-uitgevoerde prestaties als prestaties waarbij de vergoedingsvoorwaarden niet worden nageleefd. Een controledossier bij de dienst wordt opgestart op basis van een externe melding of een eigen risicoanalyse van de dienst. Indien tijdens een onderzoek onterechte aanrekeningen blijken, wordt een proces-verbaal van vaststelling opgesteld.

Het onterecht aangerekende bedrag kan door de zorgverlener worden terugbetaald. Bijkomend kan de dienst het dossier aanhangig maken bij de administratieve rechtscolleges, om onder andere een boete op te leggen.

Op dit ogenblik lopen er verschillende grote fraudeonderzoeken bij tandheelkundigen. Enkele worden uitgevoerd samen met het arbeidsauditoraat. In het kader van het geheim van het onderzoek kan de dienst mij daarover niet verder inlichten.

Laten we dan kijken naar het activiteitenrapport van de dienst met betrekking tot 2023. In 2023 werden er 93 individuele controleonderzoeken bij tandartsen afgesloten. Er werd voor een totaalbedrag van 2.167.780,27 euro ten laste gelegd. Bij 13 van die tandartsen werd een administratieve procedure opgestart voor een bijkomende boete. Bij die 13 ging het om een ten laste legging van 826.988 euro voor niet-conform geattesteerde prestaties en 69.929 euro voor niet-uitgevoerde prestaties.

Die informatie is terug te vinden in publieke verslagen. In die zin kijk ik soms met grote ogen naar dingen die nu in de pers komen, aangezien die activiteitenverslagen allemaal publiek beschikbaar zijn. Dat wil niet zeggen dat de pers daarover niet mag berichten, integendeel, die berichtgeving is zeer welkom, maar het betreft geen nieuwe gegevens, alles is reeds gepubliceerd.

Fraude komt evenzeer voor buiten de derde-betalersregeling, zoals in het geval van de thuisverpleegkundige waarnaar u verwees, die meermaals het recht om via de derdebetalersregeling te factureren ontnomen werd.

Voor tandartsen is de regeling die op 15 januari van kracht wordt, waarbij patiënten altijd geïnformeerd worden over aanrekeningen, heel belangrijk. Bijkomend zullen mutualiteiten vanaf 2026 onderling via een teller opvolgen hoeveel tandartsen aanrekenen, zodat zij bij overschrijding van de P-waarden proactief aanrekeningen kunnen blokkeren. Bij thuisverpleegkundigen zal worden gewerkt met de W-waarden. Bij tandartsen werken we al enige tijd ook met een aanrekeningsplafond, met de P-waarden.

Er bestaat een Comité van de DGEC, waarin onder andere de vertegenwoordigers van de beroepsgroepen en de verzekeringsinstellingen zetelen. Daar worden plannen van de dienst voorgelegd en alle proceduredossiers per type zorgverlener op anonieme wijze toegelicht. Alle eindbeslissingen van de kamer van eerste aanleg en de kamer van beroep zijn op geanonimiseerde wijze toegankelijk voor iedereen via de website van het RIZIV. Dat staat daar allemaal.

Mevrouw Depoorter, u had heel precieze vragen over die termijnen bij die apotheker. Die ene apotheker legde uit dat iedereen kon doen wat hij deed, maar dat laat ik even in het midden. Dat is zijn uitleg. In de berichtgeving daarover had men het over een verjaringstermijn van drie jaar, terwijl artikel 174 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 in geval van bedrieglijke handelingen een termijn van vijf jaar voorziet voor terugvordering.

Het is belangrijk om dat juridisch juist te kaderen. Eerst ga ik in op de Dienst voor Administratieve Controle. Wat de DAC betreft, is er geen termijn van drie jaar voorzien in artikel 174 van de gecoördineerde wet. De verjaringstermijn voor het terugvorderen van onrechtmatige betalingen veroorzaakt door frauduleuze handelingen is vijf jaar, of twee jaar bij afwezigheid van frauduleuze handelingen, maar artikel 174 van de gecoördineerde wet is niet van toepassing in de zaak waarnaar u verwijst.

Vervolgens kom ik tot de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle, de DGEC. De verjaringstermijnen bepaald in artikel 174 van de ziekteverzekeringswet zijn niet van toepassing op de administratieve terugvorderings- en/of sanctieprocedures van de DGEC. Dat blijkt overigens ook uit het tekst van artikel 174, 2de lid, van de ziekteverzekeringswet. Die verjaringstermijnen zijn wel van toepassing op de recuperaties door de verzekeringsinstellingen.

Wat de DGEC betreft, geldt een ander regime. Overeenkomstig artikel 142, § 2, van de ziekteverzekeringswet moeten de vaststellingen door de sociaal inspecteur op straffe van nietigheid worden verricht in een proces-verbaal van vaststelling binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de verzekeringsinstellingen de documenten betreffende de betwiste verstrekkingen hebben ontvangen, of waarop de door de profielencommissie of door het Nationaal college van adviserend artsen overgezonden vaststellingen worden ontvangen door de DGEC.

De inbreuken op artikel 73 bis, 1ste lid, van de ziekteverzekeringswet die de sociale inspecteurs van de DGEC vaststellen, vergen daarbij niet het bewijs van fraude.

Dat geldt eveneens voor de termijnen waarbinnen de vaststellingen moeten worden verricht door de sociale inspecteurs van de dienst, volgens artikel 142, § 2, of waarbinnen een zaak aanhangig moet worden gemaakt bij het orgaan van het actief bestuur of bij de kamer van eerste aanleg, volgens artikel 142, § 3. De driejarige termijn werd destijds ingevoerd naar analogie met de onderzoekstermijn waarover de administratie in het kader van het Wetboek van de inkomstenbelastingen beschikt, zoals toegelicht in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp van 14 november 2016 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid.

Naar mijn inschatting behoren apothekers in ons systeem tot de meest intensief gecontroleerde zorgverstrekkers. Ik wil benadrukken dat het, op basis van wat we weten, om uitzonderlijke gevallen gaat en dat de grote meerderheid van de apothekers correct werkt.

Mevrouw Eggermont, u stelde een vraag over het pilootproject voor een nieuw financieringssysteem. Daar is langdurig overleg over geweest met de sector. Het initiatief komt daadwerkelijk vanuit de sector en mede gelet op het langdurig overleg durf ik te zeggen dat het wordt gedragen door de sector zelf. Het is dus geen plotselinge nieuwe bevlieging, maar een onderwerp dat al lang ter discussie voorligt. Ik ben blij dat het er eindelijk zal komen.

Mijnheer de voorzitter, ik denk dat ik daarmee het belangrijkste heb gezegd.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, we hebben u ruimschoots de tijd gegeven om uw antwoord te formuleren.

Frank Vandenbroucke:

Voor enkele van de vragen kan ik tabellen en cijfers aanreiken, zoals de vragen van mevrouw Gijbels over het aantal meldingen per VI. Ik kan die gegevens allemaal schriftelijk bezorgen, ze zijn gewoon niet voorleesbaar.

Voorzitter:

U kunt ze doorgeven aan het commissiesecretariaat.

De replieken komen aan bod in de volgorde van de vraagstellers, zoals bepaald voor een actuadebat.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik wil graag iets rechtzetten. U zei dat wij nooit hebben gereageerd op eerdere fraudegevallen, maar ik heb al verschillende parlementaire vragen over fraudegevallen gesteld. Ik heb ook al regelmatig vragen over DGEC-krapporten gesteld. Het klopt dus niet dat wij alleen door de pers zijn gealarmeerd.

Ik wil op een aantal zaken repliceren of meer verduidelijking vragen. U zegt dat er 108 meldingen vanuit de verzekeringsinstellingen zijn geweest, maar dat geldt alleen voor de thuisverpleegkundigen. U had het over de Katz-controles. Ik zal een schriftelijke vraag indienen voor de andere zorgberoepen.

Ik verwacht nog de schriftelijke antwoorden, die ik zeker zal nakijken.

Het is me niet helemaal duidelijk of de meldingen vanuit de verzekeringsinstellingen ook daadwerkelijk bij de Dienst Geneeskundige Evaluatie en Controle terechtkomen. In de pers stond dat zij daar geen meldingen van ontvangen en geen toegang toe hebben. Dat moet wellicht ook worden verduidelijkt.

U zei: naast de derde-betaler zijn er ook fraudegevallen. Dat geloof ik zeker, maar ik vraag mij af wat de verhouding is. Zijn er al dan niet meer fraudegevallen wanneer de derde-betalerrichtlijn wordt gebruikt dan wanneer die niet wordt toegepast?

In het algemeen denk ik dat er op een aantal vlakken echt moet worden gewerkt. Er is aandacht nodig voor een betere nomenclatuur. Ik zeg niet dat dat een excuus is voor misbruik, maar niet alleen de gedeconventioneerde zorgverstrekkers frauderen, vaak zijn degenen die misbruik maken van de nomenclatuur de fraudeurs. Gelukkig is dat een heel kleine minderheid, zoals verschillende collega's al hebben aangegeven, maar wel moet de nomenclatuur eerst goed op punt staan. Vervolgens moet fraude opgespoord en streng bestraft worden. Iedereen moet daarin zijn rol spelen, ook de ziekenfondsen. Of zij dat ten volle doen, is mij niet helemaal duidelijk. Daarop zullen we later verder ingaan.

Daarnaast is het ook belangrijk dat de patiënten duidelijkere facturen krijgen, zodat zij in begrijpelijke taal kunnen lezen wat er is aangerekend.

Tot slot moeten we ook snel werk maken van een beter klachtrecht, zodat patiënten weten waar ze terechtkunnen om meldingen te doen. In dit dossier, in soortgelijke dossiers, is dat nog een manco. Niet iedereen weet waar men terechtkan als men een vermoeden heeft dat er iets niet correct is.

Isabelle Hansez:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Quelle que soit la mani è re dont ces affaires ont été révélées, elles mettent en évidence un syst è me qui réagit trop tard. Quand une infirmi è re peut facturer 80 ou 90 prestations quotidiennes sans que cela déclenche la moindre alerte, cela signifie que le problème n'est pas individuel mais structurel.

Dans ce contexte, nous saluons votre volonté et vos éclaircissements par rapport au renforcement des contrôles. Cependant, une chose est sûre: nous ne pouvons plus nous contenter d'intervenir a posteriori , il faut détecter l'anomalie d è s qu'elle apparaît. C'est pour cela que le futur plafond d'activité ne pourra être efficace qu' à la condition expresse d'être intelligent. J'ai compris qu'on parlait de montants, d'un plafond de montants et pas du nombre de patients.

Quand on élabore un système de plafond, il importe que ce système soit intelligent, c'est-à-dire qu'il prenne en considération un certain nombre de critères (le type de soins, la charge réelle de travail, le temps de déplacement) davantage qu'un chiffre brut; en effet, il ne faudrait pas pénaliser ceux qui travaillent honnêtement, en particulier dans les zones rurales et en soins complexes. Il faudrait aussi un système intégré dans un contrôle automatisé via les mutuelles et l'INAMI, permettant de détecter immédiatement ce qui est matériellement impossible, plutôt que de laisser prospérer des dérives massives.

Au-delà du plafond, nous insistons également sur l'urgence d'un véritable échange de données en temps réel entre mutuelles, INAMI, Inspection sociale et auditorat du travail. Chacun doit jouer son rôle. Sans ce volet, nous continuerons à découvrir trop tard des schémas frauduleux qui auraient pu être repérés dès les premiers signaux faibles.

Je veux le redire avec force, 99 % des infirmiers et des infirmières travaillent avec intégrité. Ils ne doivent pas subir des lourdeurs administratives supplémentaires parce que quelques fraudeurs isolés détournent le système et ternissent l'image d'un secteur qui est profondément dévoué. C'est en distinguant clairement les abus manifestes du travail honnête et en modernisant nos mécanismes de détection que nous protégerons à la fois nos finances publiques et le professionnalisme des soignants.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u voor uw uitgebreid antwoord.

Ondanks uw uitgebreid antwoord heb ik het gevoel dat we weinig echt concrete antwoorden hebben gekregen waarmee we verder aan de slag kunnen. U hebt een paar keer gezegd dat u die flow al voldoende heeft toegelicht, maar het zou misschien wel handig zijn dat we eens op een A4'tje kunnen zien wat exact de flow is binnen het RIZIV.

Frank Vandenbroucke:

Maar u hebt die A4 gekregen! In godsnaam. U hebt die gekregen. Ik heb die bezorgd aan het Parlement. Het was zelfs meer dan een A4.

Irina De Knop:

Goed, dan heeft mij dat niet bereikt. Mijn verontschuldigingen daarvoor. Ik zal daarnaar kijken.

In ieder geval, uit uw antwoord blijkt die flow niet volledig duidelijk te zijn. Ik wil graag herhalen, en dat hebt u gelukkig in uw antwoord ook benadrukt, dat het totaal geen zin heeft een volledige beroepsgroep door de mangel te halen omdat er een of meerdere fraudegevallen zijn. Dat is altijd te veroordelen. Als er fraude is moet dat altijd worden aangepakt. Maar de manier waarop wij daarop reageren, en ook u als bevoegd minister, is daarin heel relevant.

Ik vind dat u de eerste uren en dagen na dat voorval het vuurtje niet hebt geblust maar eerder aangewakkerd, door te zeggen dat u bijkomende wetgeving nodig hebt om dit soort fraudegevallen te kunnen aanpakken. Quod non. Het is duidelijk dat er heel wat regelgeving bestaat binnen het RIZIV, maar die wordt blijkbaar niet altijd even accuraat toegepast.

In antwoord op een vraag van ander parlementslid zei u dat u het goed vindt dat er duidelijke facturatie zou komen naar de patiënten. Inderdaad, ik denk dat het niet slecht zou zijn dat mensen inzage krijgen in wat de werkelijke factuur is, ook wanneer er sprake is van een derde-betalerssysteem. Niet alleen omdat op die manier fraude sneller zou kunnen worden aangepakt, maar ook en vooral omdat mensen zouden zien wat de eigenlijke kostprijs is van de zorgverlening die ze ontvangen.

Tot slot denken wij niet, maar we zullen die discussie voeren op het moment dat het voorstel voorligt in de Kamer, dat het schorsen of afnemen van een RIZIV-nummer per se de beste en enige maatregel is die we kunnen nemen om fraude te bestrijden. Dat zou absoluut een eindpunt moeten zijn en geen beginpunt.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, op vandaag loopt er een actie van de thuisverpleegkundigen. Ze dragen drie lintjes: een wit, een groen en een zwart. Dat zijn toevallig de kleuren die ik aan heb. Wit voor hoop op een beleid met goede dialoog, groen als teken van trots op een beroep van zorgverstrekker en zwart voor de verontwaardiging over de fraude. Deze drie lintjes zijn echt een teken van het gevoel dat in de sector leeft en dat u deelt, namelijk dat wat er gebeurt, niet kan.

Het kan niet dat de verpleegkundigen, die vol goede wil werken, door die carrousel van fraude in een verkeerd daglicht worden geplaatst. Ik ben het met u eens dat men ook bij het lezen van de berichtgeving in de pers enige voorzichtigheid aan de dag moet leggen, want het is niet altijd een correcte weergave van de feiten. Ik ben het niet eens met u dat de wapens sterker moeten of onvoldoende gebruikt zijn. Als men een geweer of een pistool gebruikt, moet de loop ervan gekuist zijn en misschien gebeurt dat nog niet altijd.

U hebt inderdaad alarm geslagen, net zoals ook het RIZIV dat deed, in verschillende gremia. Dat is nu net de reden waarom wij in de discussies rond het nieuwe regeerakkoord het zinnetje rond de evaluatie van de procedures binnen de DGEC hebben ingeschreven. We hebben er samen over gediscussieerd en u bent ermee akkoord gegaan. We zijn daar overeengekomen dat die procedures moeten gecontroleerd worden, want men neigt soms wat in de richting van willekeur. Dat is althans het gevoel dat sommige zorgverstrekkers krijgen.

Als ik zeg dat niet alle wapens zijn gebruikt, dan bedoel ik vooral het feit dat er niet meteen werd doorgeschakeld naar het Arbeidsauditoraat. We hebben die discussie al gevoerd en u zegt dat er wel voldoende en snel genoeg is gehandeld. Ik verwijs opnieuw naar het vonnis van 19 oktober 2020 van de kamer van eerste aanleg, waarin de interpretatie rond artikel 77secties van de GVU-wet wordt gehanteerd. Men had mijns inziens dus al eerder kunnen handelen.

Ook vandaag nog lopen er procedures waarbij we ons vragen kunnen stellen, zoals de procedure van november 2023 over een klacht die in diezelfde maand aan de DGEC werd gemeld met betrekking tot twee partners die werken onder eenzelfde RIZIV-nummer, waarvan één niet-verpleegkundige. Het is gekend bij de DGEC en er werden klachten ingediend, maar toch werkt men verder en verzorgt men zonder diploma patiënten. Dat zou moeten leiden tot een schorsing van de derde betaler. Er zijn er in 2023 maar negen geweest, vier personen en vijf verenigingen. Men kan hier krachtdadiger ingrijpen.

Wanneer er echt sprake is van fraude moeten we kunnen ingrijpen.

Risicoanalyses, daar ben ik het volledig mee eens, moeten worden uitgevoerd en dat is in het geval van die apotheker ook noodzakelijk gebleken. Wanneer een apotheker afwijkt qua unieke barcodes, kan men zeker het risico bepalen en controleren hoe men hiermee omgaat.

Wat moet er nu echter echt gebeuren in die sector van de thuisverpleegkundigen, mijnheer de minister? De controle van die procedures moet inderdaad absoluut gebeuren. Die subsidies en forfaits die worden toegekend, moeten ook eens gecontroleerd worden, want ook daar komen veel klachten uit. Sinds het publiceren van het KB is dat namelijk nog niet gebeurd. De middelen die daardoor vrijkomen, zouden we kunnen gebruiken om de nomenclatuur te herzien. Die controle is echter nog niet uitgevoerd, mijnheer de minister.

De vertegenwoordiging van de zelfstandige thuisverpleegkundigen in de overeenkomstencommissie is ook iets waarover we het echt nog eens moeten hebben. Die vertegenwoordiging is essentieel voor de nomenclatuur en het beleid.

Tot slot, mijnheer de minister, wil ik het hebben over de zorgnoden. Wat betreft die Katzschalen, misschien is het ook eens tijd om daarnaar te kijken. BelRAI is erg moeilijk en wordt internationaal niet gebruikt. De BelRAI Screener zou mogelijk een antwoord kunnen zijn om samen met de Katzschalen te gebruiken.

Waarop u niet hebt geantwoord, is op de vraag wie de beslissing neemt wanneer het om fraude gaat of niet, om door te verwijzen of niet, binnen de DGEC en binnen de DAC. Ik zal die vraag opnieuw schriftelijk indienen. Dank u wel.

Voorzitter:

Zijn er fracties die het woord nog niet genomen hebben en dat wensen? (Nee)

Jan Bertels:

Dan zou ik kort iets willen zeggen, namens de Vooruitfractie. Ik denk dat er drie belangrijke zaken zijn. Ten eerste, en daar zijn we het allemaal over eens, de overgrote meerderheid van de zorgverstrekkers – en ik noem ze bewust zorgverstrekkers – doet haar beroep met passie en correct en biedt goede zorg aan haar patiënt. Ten tweede, de rotte appels moeten eruit en daar zijn we het ook allemaal over eens. De verschillende actoren hebben dus mechanismen nodig om die rotte appels te verwijderen. We kijken, mijnheer de minister, allemaal uit naar uw actieplan 'handhaving', want een aantal zaken – en daarover zullen we een discussie moeten voeren – moeten worden versterkt. Het gaat daarbij over verschillende maatregelen. Er zijn ook verschillende zaken die al lopen en die moeten worden versterkt. Ten derde, en daar zijn we het ook allemaal over eens, geldt dat zowel preventieve acties als, waar nodig, repressieve acties moeten worden genomen om fraude te bestrijden. We zijn het er ook over eens dat dat alle actoren betreft, gaande van de VI’s, DG Evaluatie en Controle, DG Administratie en Controle, tot het auditoraat en zelfs de rechtbanken. Mijnheer de minister, u moet al die actoren betrekken bij uw actieplan houdende handhaving. Dan kunnen we hopelijk snel een stap vooruit zetten, ter bescherming van de overgrote meerderheid van de zorgverstrekkers die hun beroep met passie en correct uitoefenen.

De toekomst en leefbaarheid van de extramurale zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Volgens econoom Van de Cloot ondermijnt het huidige beleid bewust het extramurale zorgmodel (toegankelijk, efficiënt, patiëntnabij), met risico’s zoals massale uittreding van artsen (1 op 4) en capaciteitsdruk in ziekenhuizen—wat Irina De Knop als "roekeloos" en "onomkeerbaar" bestempelt. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de regering extramurale zorg wel ziet als sleutel voor betaalbare, kwaliteitsvolle zorg (verankerd in het regeerakkoord), en kondigt registratieplicht, veiligheidsnormen en sectoroverleg aan (tot 2027) voor een "stabiel kader" met behoud van autonomie, maar wijst de urgentie van de cijfers af als reeds besproken. De Knop blijft kritisch en stelt dat het antwoord onvoldoende inspeelt op de dreigende instorting van het model; ze belooft verdere politiek druk bij de kaderwetbespreking.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, een tijdje geleden heeft een toch vrij bekend econoom, de heer Van de Cloot, de alarmbel geluid. Volgens hem dreigt dit zorgmodel, dat net inzet op toegankelijkheid, efficiëntie en patiëntnabijheid, door het huidige beleid bewust te worden ondermijnd. Hij noemt dat roekeloos en mogelijk onomkeerbaar. Hij stelt dat een op de vier artsen overweegt te stoppen met extramurale activiteiten als de financiële druk verder toeneemt.

Jonge artsen voelen zich naar eigen zeggen afgeremd in hun plannen en ontmoedigd in hun ondernemerschap. Het risico bestaat dan ook dat velen afhaken, met alle gevolgen voor de toegankelijkheid van zorg en de capaciteit in de ziekenhuizen, die nu al onder zware druk staan.

U weet dat wij die analyse delen. Zoals de econoom aangeeft, is het extramurale precies een deel van de oplossing voor een duurzame gezondheidszorg. Die kan kwaliteitsvol, dichtbij en kostenefficiënt zijn. Maar mogelijke nieuwe beleidsmaatregelen, zoals uw plannen inzake ereloonsupplementen, kunnen de autonomie en het voortbestaan van dit zorgmodel in gevaar brengen.

Mijnheer de minister, die waarschuwing komt toch niet van de minste, vandaar mijn concrete vragen.

Hoe reageert u op de analyse dat het huidige beleid de extramurale zorg structureel zou verzwakken in plaats van versterken? Bent u zich bewust van de signalen dat een op de vier artsen overweegt te stoppen met extramurale zorg?

Hoe wilt u voorkomen dat in dit segment van onze gezondheidszorg, dat toch zeer belangrijk is, instort? Zult u de autonomie, de financiële leefbaarheid en de aantrekkelijkheid van de extramurale zorg versterken, zodat zorgverleners gemotiveerd blijven ook buiten het ziekenhuis actief te blijven? Hoe wilt u dat doen?

Bent u bereid, mijnheer de minister, samen met de sector te werken aan een stabiele langetermijnvisie voor de extramurale zorg, met duidelijke garanties voor de kwaliteit, voor de continuïteit en voor de vrije keuze van de patiënt?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, de regering erkent de rol die extramurale zorg kan spelen in betaalbare, toegankelijke en kwaliteitsvolle zorg. Dat staat ook uitdrukkelijk in het regeerakkoord. Extramurale praktijken kunnen een waardevolle aanvulling vormen op de ziekenhuizen. Het is dan ook nuttig om die correct in kaart te brengen. Daarom zullen we een verplichting invoeren voor extramurale praktijken om zich te registreren in het medisch kadaster. Samen met de deelstaten willen we normen uitwerken op het vlak van patiëntveiligheid, waaraan deze praktijken moeten voldoen en die aan de hand van het register kunnen worden opgevolgd.

Met betrekking tot de enquête en de cijfers die u aanhaalde, we hebben het daarover nog niet zo lang geleden gehad. Er is dus niet veel reden om dat gesprek opnieuw te openen. Het beleid dat we vandaag ontwikkelen, is er net op gericht extramurale zorg in een stabiel en toekomstgericht kader te plaatsen, met behoud van professionele autonomie en sterke samenwerking met de eerste lijn en de ziekenhuizen.

Artsenorganisaties hebben tot midden 2027 de opdracht om binnen de medicomut een overlegd en fijnmazig voorstel uit te werken voor de omkadering van ereloonsupplementen, gebaseerd op objectieve gegevens en gekoppeld aan de hervorming van de nomenclatuur. Zo zorgen we voor een solide en solidaire financiële basis binnen en buiten het ziekenhuis, steeds in nauw overleg met de sector binnen de RIZIV-overlegorganen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, we zitten een beetje op een andere golflengte. We zullen naar aanleiding van de bespreking van de kaderwet de gelegenheid hebben om hierop verder in te gaan. We zullen dat zeker niet nalaten. Ik dank u voorlopig voor uw antwoorden.

Voorzitter:

Vraag nr. 56009887C van mevrouw De Knop wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De geweigerde zorg voor en het geweld tegen een vrouw in een noodsituatie in het UZ Jette
Het weigeren van hulp aan een patiënte die een miskraam had in het UZ Brussel
Het weigeren van hulp aan een patiënte die een miskraam had in het UZ Brussel
Geweld en geweigerde zorg bij vrouwen in nood in Brusselse ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir en Natalie Eggermont bekritiseren het UZ Jette en de politie voor vermeend medisch en politioneel racisme tegen een Belgo-Marokkaanse vrouw die tijdens een miskraam werd weggestuurd zonder zorg, mogelijk door het "syndroom mediterraneen" (discriminerende vooroordelen), en vervolgens vernederd door de politie. Désir vraagt om systemische oplossingen (strengere controles, sancties bij weigering van zorg, verplichte anti-discriminatietraining), terwijl Eggermont benadrukt dat dit een structureel probleem is, met tientallen meldingen bij Unia, en eist federale actie ondanks de bevoegdheidsverdeling. Minister Vandenbroucke wijst op bestaande klachtprocedures (mediation, inspecties, Unia, Orde der Artsen) maar ontwijkt concrete maatregelen, verwijzend naar de beperkte federale bevoegdheid (opleidingen vallen onder gemeenschappen). Désir noemt zijn antwoord "onvoldoende principieel", Eggermont teleurstellend en ontwijkend, omdat hij geen structurele aanpak belooft voor wat zij zien als een schending van fundamentele zorgrechten en institutioneel racisme.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, dans la nuit du 13 au 14 octobre dernier, une femme belgo-marocaine aurait été victime d'un enchaînement particulièrement grave de violences médicales et policières après s'être rendue aux urgences de l'hôpital UZ Jette alors qu'elle faisait une fausse couche.

Selon le témoignage recueilli par son avocate, la patiente aurait été refoulée par le médecin de garde sans examen adéquat au motif qu'elle ne parlait pas le néerlandais. Malgré son hémorragie, elle aurait ensuite été expulsée de l'hôpital par la police, humiliée et insultée au commissariat selon ses dires, avant d'être finalement prise en charge plusieurs heures plus tard dans un autre établissement. Le rapport médical confirme qu'elle a fait une fausse couche et une plainte a été déposée contre le médecin et les policiers concernés.

Ces faits, s'ils sont avérés, soulèvent évidemment des questions extrêmement préoccupantes quant au respect du droit fondamental à la santé, à la non-discrimination dans l'accès aux soins ainsi qu'à la formation du personnel médical en matière d'éthique et de prise en charge. Ce n'est par ailleurs vraisemblablement pas la première fois que l'UZ Jette est mis en cause pour des refus de soins envers des patientes vulnérables, ce qui laisse craindre l'existence de problèmes systémiques au sein de l'établissement et plus largement dans certains services hospitaliers.

Monsieur le ministre, avez-vous pu faire toute la lumière sur les faits survenus à l'UZ Jette? Des éléments d'informations complémentaires vous sont-ils parvenus? Quel dispositif de contrôle et de sanctions existe-t-il actuellement pour prévenir et pour sanctionner les refus de soins dans les hôpitaux de notre pays? Envisagez-vous de renforcer la formation du personnel médical sur les biais discriminatoires, notamment le syndrome méditerranéen évoqué par l'avocate de la victime? Enfin, comment comptez-vous garantir le respect du droit fondamental à la santé et aux soins sans distinction de langue, d'origine ou de statut administratif sur l'ensemble du territoire?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, een vrouw in de nacht van 13 op 14 oktober die een miskraam kreeg, werd niet verzorgd op de spoeddienst van het UZ Jette, omdat haar vraag om zorg werd toegeschreven aan wat de medische wereld het syndrome méditerranéen noemt. Haar advocaat spreekt van medisch racisme. Zo zijn er overigens al een dertigtal meldingen bij Unia gedaan, maar dat is het topje van de ijsberg. Er is dus wel degelijk een probleem. Het ergste is wel dat de betrokken dame ook nog administratief door de politie werd aangehouden en ook met politioneel racisme werd geconfronteerd.

Het UZ Jette heeft de feiten onderzocht. Welke informatie hebt u daarover ontvangen? Hoe wordt het onderzoek nu opgevolgd?

Hoe kunt u garanderen dat alle patiënten in een medische noodsituatie toegang krijgen tot een kwaliteitsvolle en een respectvolle behandeling in een ziekenhuis?

Welke stappen onderneemt u vandaag om racisme en discriminatie in de zorg tegen te gaan? Welke bijkomende maatregelen kunnen genomen worden in de medische opleidingen en in de permanente vorming om culturele affiniteiten mee te geven aan het zorgpersoneel?

Frank Vandenbroucke:

Chères collègues, la situation que vous exposez est en effet préoccupante et mérite un examen approfondi par les autorités compétentes pour intervenir sur la base de plaintes de patients dans le secteur des soins de santé. Mais, comme vous le savez, en tant que ministre, je ne peux pas me prononcer sur un cas particulier. Celui-ci aurait par ailleurs déjà été porté aux mains d'une avocate et de la police d'après les informations que vous donnez vous-même.

Je rappelle que tout patient a plusieurs possibilités en matière de plainte en soins de santé.

Premièrement, concernant un refus de soins en situation d'urgence et les conséquences qui en auraient découlé, outre le recours à la police ou à un tribunal civil, le patient peut d'abord s'adresser au service de médiation de l'hôpital concerné.

Deuxièmement, concernant le fonctionnement et les aspects organisationnels d'un service d'urgence hospitalier, une demande d'enquête auprès des services d'inspection des institutions de soins dépendant des communautés est aussi envisageable.

Troisièmement, l'aspect plus particulier relatif à la problématique de la discrimination dans les soins peut être porté auprès de l'Ordre des médecins ou auprès d'Unia.

Quant à moi, je suis particulièrement sensibilisé à l'importance de garantir un accès à des soins de qualité pour chaque patiente et patient, certainement en situation d'urgence. Les formations des soignants au respect des droits du patient et aux principes de non-discrimination relèvent, pour la majeure partie des compétences, des communautés. Pour le reste, je ne peux qu'encourager les soignants à suivre de manière très attentive des sessions à caractère éthique dans le cadre de leur formation continue.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir pu nous rappeler les différentes possibilités de dépôt de plainte en matière de soins de santé; cela clarifie le débat. Je comprends bien que vous ne puissiez pas vous exprimer plus avant sur un cas individuel. C'est pourquoi mes questions portaient sur un angle de vue plus général. Il nous semble effectivement intolérable qu'une patiente puisse être traitée ainsi, spécialement si elle souffre de symptômes urgents. On attendait dès lors, monsieur le ministre, peut-être des réponses un peu plus de principe de votre part pour éviter que de tels faits ne se reproduisent. J'ai bien noté ce que vous nous avez déjà indiqué comme possibilités en matière de plainte.

Natalie Eggermont:

Ik begrijp dat u zich niet kunt uitspreken over een individueel geval. Het is goed om te weten wat men kan doen wanneer men te maken krijgt met weigering van zorg, discriminatie of racisme. De vraag is echter niet wat een individu kan doen, maar wat u zult doen, mijnheer de minister. Het gaat hier niet om een individueel probleem, maar om een structureel probleem. Er zijn ook andere meldingen, er is een probleem van racisme en discriminatie in de gezondheidszorg. Dat is een afspiegeling van het structureel racisme in de samenleving. In de opleiding van het zorgpersoneel wordt daaraan onvoldoende aandacht besteed. U zegt dat die opleiding geen federale bevoegdheid is, maar een bevoegdheid van de deelstaten. Dat is een gemakkelijk antwoord. Het gaat hier immers wel over een patiënte aan wie zorg werd geweigerd, wat een inbreuk vormt op een fundamenteel mensenrecht, en het gebeurde in een ziekenhuis en ziekenhuizen vallen wel onder uw bevoegdheid. In die zin was uw antwoord teleurstellend.

De strijd tegen geneesmiddelentekorten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Minister Frank Vandenbroucke bevestigt dat België het nieuwe pluriform farmaceutisch kader (met budgettaire waarborgen, prijsbescherming voor essentiële medicijnen en voorraadplichten voor groothandels) al uitvoert, maar bekritiseert de verwaterde Europese Critical Medicines Act (CMA): cruciale artikelen over pénuriebestrijding en strategische voorraden werden geschrapt, en de financiële middelen zijn ontoereikend – hij onthield zich dan ook van stemming. Carmen Ramlot (pharmacienne) uit zorgen over de zwakke EU-ambitie en benadrukt de urgentie van lokale productie en strategische reserves, vooral gezien geopolitieke risico’s, maar stelt vertrouwen in Vandenbrouckes betrokkenheid, mits het Europees Parlement de CMA alsnog versterkt.

Carmen Ramlot:

Les pénuries de médicaments constituent un enjeu de santé publique majeur et sont la source de vives inquiétudes pour de nombreux patients mais aussi pour les prestataires de soins. Nous sommes bien conscients de cette situation.

L'accord de gouvernement prévoit que les pénuries de médicaments doivent être traitées au niveau européen et au niveau belge, notamment par le biais du Critical Medicines Act, qui vise à diversifier les chaînes d'approvisionnement mais aussi à garantir une plus grande autonomie stratégique ouverte pour les médicaments essentiels. L'accord prévoit également, pour garantir la sécurité de l'approvisionnement au niveau belge, que des efforts seront déployés pour assurer la transparence ainsi qu'une évaluation des mécanismes de fixation des prix, une obligation contraignante de service public de la part des différents acteurs et une liste de médicaments essentiels. L'accord fait également référence à un nouveau cadre pharmaceutique pluriannuel, ayant notamment pour objectif de lutter contre les pénuries de médicaments, ainsi qu'à un dialogue structurel entre les ministres compétents et l'industrie pharmaceutique.

Monsieur le ministre, pourriez-vous faire un état des lieux des démarches menées pour lutter contre ces pénuries? Où en sont notamment les négociations pour le nouveau cadre pharmaceutique pluriannuel et le dialogue structurel mené avec l'industrie pharmaceutique?

Quelles sont les conclusions concrètes de ces initiatives?

Quelles mesures sont prévues à court terme pour assurer que chaque membre de la chaîne d'approvisionnement prenne bien ses responsabilités dans la lutte contre ces pénuries?

Enfin, vu l'importance du secteur pharmaceutique en Belgique, pouvez-vous nous éclairer quant à l'impact du Critical Medicines Act, notamment sur des enjeux importants tels que le soutien à la production locale, la compétitivité, l'accessibilité financière et la sécurité d'approvisionnement?

Frank Vandenbroucke:

Au niveau belge, le nouveau cadre pharmaceutique pluriannuel a été adopté et est en cours de mise en œuvre. Comme vous le savez, il repose sur trois composantes. Premièrement, il y a le budget central des médicaments, ancré à 17,3 % de l'assurance soins de santé, avec de nouveaux outils de suivi ainsi qu'un fonds post-remboursement. Deuxièmement, il y a une enveloppe fermée pour l'accès précoce et rapide. Troisièmement, il y a le pilier dédié à la disponibilité et la viabilité des médicaments essentiels, avec un filet de sécurité qui protège les vieux médicaments importants contre les baisses de prix excessives. Ce cadre est le résultat direct du dialogue structurel avec l'industrie.

À court terme, nous déployons déjà beaucoup d'efforts pour que chaque maillon de la chaîne assume ses responsabilités contre les pénuries. Les firmes ont l'obligation légale de notifier toute indisponibilité dans PharmaStatut et de livrer dans un délai de trois jours ouvrables. Les grossistes-répartiteurs doivent maintenir au moins deux tiers du marché en stock pour un mois de consommation et respecter des règles strictes en matière d'exportation. L'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS) contrôle ces obligations via des inspections ciblées et le suivi des plaintes. Nous préparons en parallèle un outil de veille sur le stock, qui permettra de surveiller plus finement les stocks et d'intervenir plus rapidement.

Au niveau européen, le Critical Medecines Act devra mettre en place d'une part, des instruments pour soutenir la production de médicaments critiques dans l'Union européenne et de l'autre, un cadre pour renforcer les marchés publics, notamment via l'intégration de critères de résilience, afin d'améliorer la sécurité d'approvisionnement et de réduire la dépendance à l'égard des pays tiers. L'impact concret du Critical Medecines Act dépendra toutefois largement des choix des États membres, qui devront développer des programmes nationaux de soutien aux capacités industrielles critiques et veiller à ce que les procédures de marchés publics intègrent effectivement ces critères de résilience.

Je dois admettre que les négociations qui ont eu lieu au sein du Conseil européen ont été décevantes. L'ambition du texte sur la table est très réduite par rapport à la proposition initiale de la Commission européenne. En effet, un article absolument crucial, l'article 4, qui stipulait que la lutte contre les pénuries était une stratégie essentielle de l'Union européenne, a été supprimé, sans que je comprenne pourquoi.

Les dispositions relatives à la stratégie nationale Stockpiling sont insuffisantes et trop faibles. Celles qui concernent les marchés publics et une certaine convergence de ceux-ci à l'échelle européenne sur la base de critères de soutenabilité et de sécurité d'approvisionnement sont aussi trop faibles, tout comme les moyens financiers prévus.

Le niveau d'ambition est donc insuffisant au regard de ce qui est nécessaire. C'est la raison pour laquelle je me suis abstenu. Je l'ai dit très clairement, sans vouloir critiquer la présidence danoise qui a fait de son mieux. Il reste que, le 2 décembre, je me suis abstenu sur cette proposition. J'espère que, dans le trilogue avec le Parlement européen, nous pourrons peut-être de nouveau renforcer la proposition. Par conséquent, les parlementaires européens de tous les partis auront un rôle important à jouer en cette matière.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse transparente, qui n'est pas très rassurante. Cela dit, nous comptons sur vous parce que c'est un enjeu crucial qu'en tant que pharmacienne, je vis quotidiennement. Vous vous situez à un autre niveau, mais il s'agit toujours de pénurie de médicaments et de stock stratégique. Pensons aussi aux conflits commerciaux et même armés qui sont à nos portes. Il sera trop tard pour pleurer ensuite. Je vois que ce problème vous tient à cœur. Cela me rassure légèrement. Vous n'avez pas tout pouvoir en ce domaine, mais il faudrait peut-être passer le mot selon lequel chaque député européen devra se prononcer au bon moment. J'espère que c'est ainsi que nous pourrons nous en sortir dans ce dossier crucial. En effet, nous savons tous qu'en cas de conflit armé ou de catastrophe naturelle, les premières choses manquantes sont l'eau, la nourriture et les médicaments.

PET-scans als supraregionale zorgopdracht

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verdedigt de supraregionale organisatie van PET-scans (omwille van hoge kosten, expertisebehoefte en efficiëntie), maar erkent groeiende vraag (5% jaarlijks) en kiest voor kosteneffectieve uitbreiding via hoger quotum per bestaand toestel in plaats van meer centra—gestuurd door BELMIP-advies dat geen wachtlijstvoordelen ziet bij decentralisatie. Hij ontkent capaciteitsproblemen dankzij IT-samenwerking en stelt dat locoregionale herklassering (zoals de Federale Raad adviseerde) onnodig is, gezien België’s hoge toesteldichtheid en risico op overinvestering. Gijbels deelt de zorg voor evenwicht maar vraagt zich af of personeelstekort (knelpunt voor schaalvergroting) niet beter opgelost raakt bij locoregionale spreiding, en belooft verdere opvolging. Beide benadrukken toegankelijkheid en medische noodzaak als leidraad.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, uit het koninklijk besluit van 23 november 2022 dat de loco- en supraregionale zorgopdrachten van de ziekenhuisnetwerken en de geografische spreiding van de locoregionale zorgopdrachten vaststelt, is gebleken dat PET-scans toegewezen worden aan het supraregionaal niveau. De Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen gaf echter het advies om deze op locoregionaal niveau te brengen. Naar aanleiding van een vraag die ik u stelde in 2023, gaf u aan dat de indeling een dynamisch karakter heeft en op regelmatige tijdstippen geëvalueerd moeten worden.

Hebben er ondertussen al evaluaties plaatsgevonden? Indien wel, wat zijn de voornaamste bevindingen daarvan? Indien niet, wanneer mogen we een evaluatie verwachten? Welke stappen zult u ondernemen als uit de evaluatie zou blijken dat het advies van de Federale Raad correct was en de PET-scans beter een locoregionale opdracht zouden zijn? Is het volgens u eerder een locoregionale of een supraregionale opdracht?

Hoe staat het momenteel met de wachtlijsten en de regionale spreiding van PET-scancapaciteit? Zijn er signalen van capaciteitsproblemen, langere doorlooptijden of verschillen in toegankelijkheid tussen regio's die mogelijk verband houden met de huidige supraregionale organisatie? Ten slotte, zal een eventuele kwalificatie van PET-scans als locoregionale zorgopdracht volgens u leiden tot een stijging van het aantal uitgevoerde scans?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, de classificatie als supraregionale opdracht werd destijds vastgelegd omwille van de hoge investeringskosten, de nood aan expertise en de wens om overcapaciteit te vermijden. Ik kan tegelijkertijd wel erkennen dat PET-scans alsmaar breder worden ingezet en dat toegankelijkheid voor patiënten een belangrijk aandachtspunt is.

Op mijn vraag heeft het Belgian Medical Imaging Platform (BELMIP) in 2023 een grondige analyse uitgevoerd, waarbij de programmatiespreiding en capaciteitsbehoeften van PET-scans in België werden onderzocht. BELMIP stelde vast dat het aantal wetenschappelijk verantwoorde PET-onderzoeken jaarlijks met 5 % groeit, van circa 125.000 in 2023 tot een verwachte 175.000 in 2029. In eerste instantie is dus een uitbreiding van de PET-capaciteit aangewezen. De beschikbare PET-capaciteit kan op verschillende manieren worden uitgebreid: een verhoging van het aantal volledig gefinancierde onderzoeken per toestel per jaar, een uitbreiding van de programmatie of een combinatie van beide.

De keuze is gemaakt om in eerste instantie het aantal volledig gefinancierde onderzoeken per toestel te verhogen, daarbij het advies van BELMIP volgend dat erop wees dat die aanpak meer kosteneffectief is dan een uitbreiding van het aantal centra, aangezien er enkel een toename is van de uitgaven voor het RIZIV-forfait. Die verhoging wordt nu voorbereid en vereist een aanpassing van een KB.

BELMIP stelt in zijn advies bovendien dat voor wat wachttijden betreft, er geen enkel verschil zou optreden indien geopteerd zou worden voor een uitbreiding van het quotum per bestaand centrum dan wel voor een uitbreiding van het aantal centra. Omwille van de verhoogde technische capaciteit van de meest recente toestellen is het mogelijk om het quotum te verhogen zonder uitbreiding van de openingsuren en dus zonder nood aan avond-, nacht- of weekendshiften. De huidige capaciteit van een centrum lijkt vooral bepaald te worden door de toegankelijkheid van de gebruikte tracers en de nood aan hoogopgeleid personeel.

In antwoord op uw derde vraag wens ik dat gefaseerd aan te pakken met op korte termijn een beperkte uitbreiding van de PET-capaciteit, gevolgd door verdere evaluatie van die stap.

In antwoord op uw vierde vraag zijn er momenteel geen aanwijzingen dat de supraregionale organisatie leidt tot medisch onaanvaardbare wachttijden voor PET-scans. De huidige stand van de gegevensuitwisseling en IT-platformen maakt het mogelijk dat specialisten in de nucleaire geneeskunde samenwerkingsverbanden aangaan met de bestaande PET-centra, waardoor elk ziekenhuis in staat is om zijn patiënten te verwijzen naar een nabijgelegen PET-centrum en waarbij alle data en resultaten op dezelfde wijze en rechtstreeks ter beschikking staan van de verwijzende en behandelende artsen, ongeacht of het ziekenhuis nu al dan niet zelf een PET-centrum uitbaat.

Op uw vijfde vraag, elke kwalificatie als locoregionale zorgopdracht zou leiden tot een stijging van het aantal toestellen en dus tot bijhorende investeringen, daar waar België in internationale vergelijking reeds een hoog aantal toestellen per inwoner kent. Dit lijkt op dit moment dan ook niet aangewezen.

Tot slot wil ik benadrukken dat de kwaliteit van zorg en de rechtvaardige toegang voor patiënten centraal staan in deze discussie. Het beleid rond PET-scans vereist een evenwicht tussen medische nood, geografische spreiding, efficiëntie en kosteneffectiviteit. Ik zal de situatie blijven opvolgen en waar nodig bijsturen, in overleg met alle betrokken partijen en op basis van objectieve gegevens en adviezen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik volg u daar wel in wat betreft de uitgangspunten, namelijk dat we een evenwicht moeten bewaren tussen voldoende aanbod en overconsumptie. Ik volg u ook wanneer u zegt dat de factor die waarschijnlijk het belangrijkst is om het aantal scans te kunnen opdrijven het hoogopgeleid personeel is dat daarvoor nodig is. Wat is dan het gemakkelijkste? Is dat als de supraregionale scans meer kunnen draaien of is het gemakkelijker om het nodige personeel aan te werven als het een locoregionale opdracht zou zijn? Ik hoor graag dat u dit opvolgt en dat u op de hoogte bent van het feit dat er almaar meer indicaties zijn omtrent die PET-scans. Ik volg dit de komende jaren samen met u verder op.

Het voorschrijven van scans van de lumbale wervelkolom door huisartsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verdedigt de interdictie voor huisartsen om lumbale CT-scans voor te schrijven (per 2026) als noodzakelijke maatregel tegen overconsumptie (gestegen scans ondanks eerdere afspraken) en onnodige stralingsblootstelling, gebaseerd op Europese studies en radiologische richtlijnen. Hij benadrukt dat IRM-scans niet onder de maatregel vallen en dat 20 nieuwe IRM-toestellen worden uitgerold, terwijl het PSSR-systeem (digitale beslissingsondersteuning) pas in 2026 getest wordt. Gatelier (oppositioneel) erkent het probleem van overprescriptie maar bekritiseert de "brutale" aanpak zonder voorafgaande concertatie met huisartsen, die zich geïnfantiliseerd voelen; hij pleit voor flexibiliteit (met name in plattelandsgebieden met artsentekort) en een gefaseerde invoering via het PSSR. Hij wijst erop dat buurlanden (NL, DE, UK) al strengere regels hanteren, maar vraagt om betere afstemming met de praktijk. Beide partijen steunen evidence-based imagerie, maar Gatelier vindt de maatregel prematuur zonder het beloofde klinische ondersteuningssysteem, terwijl Vandenbroucke stelt dat dringend ingrijpen nodig is en overleg loopt via het Conseil technique médical. De uitvoering blijft onzeker, met discussies over haalbaarheid tegen januari 2026.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, le budget des soins de santé 2026 contient une mesure qui suscite de fortes réactions sur le terrain, chez les médecins généralistes. Vous en avez déjà parlé, à partir du 1 er janvier, les médecins généralistes ne pourront plus prescrire de scanner de la colonne lombaire, sauf en cas d'urgence. Cet examen pourra seulement être prescrit par d’autres spécialistes.

J'étais un des premiers à vous interpeller en début d'année, lors du budget initial 2025, sur le fait que trop d'examens, trop de scanners étaient prescrits. Je vous avais même dit que je préfère que cet argent, autour de 200-250 euros, soit réorienté vers des traitements de kinésithérapie. Je comprends donc très bien qu'il y a une surconsommation en imagerie médicale.

Mais fin octobre, en commission de la Santé, vous indiquiez que "ce sont les radiologues qui sont à l'initiative de cette décision" et que vous avez suivi l'avis de l'association des radiologues. Or la Société belge de radiologie (SBR) a précisé dans plusieurs médias médicaux spécialisés que, si elle soutient la mesure, "elle regrette qu'elle ait été intégrée à la dernière minute dans le budget sans concertation préalable". Elle précise que "le Conseil technique médical doit encore se pencher sur les modalités concrètes" et se demande si c'est réalisable d'ici janvier 2026.

Si nous défendons tous une imagerie mieux ciblée, nous nous interrogeons sur les raisons pour lesquelles on passe directement d'une surconsommation mal encadrée à une interdiction pure et simple. D'autant que l'accord de gouvernement prévoit d'instaurer un système d'aide à la décision clinique intégré à la prescription électronique et de définir des normes d'imagerie fondées sur les données probantes et les comparaisons internationales.

Dès lors, monsieur le ministre, pourquoi avez-vous choisi l'interdiction plutôt que l'accompagnement pourtant prévu dans l'accord Arizona? Pourquoi ne pas mettre en place le système d’aide à la décision clinique en médecine générale avant de restreindre les prescriptions? Une concertation avec les acteurs de terrain est-elle en cours à ce sujet?

Cette interdiction concerne-t-elle également les IRM lombaires? Dans ce cas, prévoyez-vous de renforcer l'accessibilité à l'IRM, qui est souvent demandée secondairement, après un scanner?

Où en est l'élaboration des modalités concrètes par le Conseil technique médical évoquées par la Société belge de radiologie?

Frank Vandenbroucke:

La proposition de limiter le nombre de spécialistes qui peuvent prescrire un examen CT de la colonne vertébrale repose sur plusieurs facteurs déjà abordés dans les protocoles d'accord de 2014 et 2018, selon lesquels l'adhésion aux recommandations en matière d'imagerie médicale entraînerait une diminution du nombre d'examens CT de la tête et de la colonne vertébrale lombaire.

L'hypothèse estimait une diminution du volume des examens CT, qui permettrait le financement et l'extension du parc IRM.

Malheureusement, cette diminution n'a pas eu lieu. Au contraire, nous constatons une augmentation du nombre de CT-scans réalisés en Belgique malgré toutes les campagnes de sensibilisation nécessaires qui ont été menées.

Une étude comparative récente dans sept pays européens, l'étude EU-JUST-CT, confirme qu'en Belgique, la plupart des examens CT inappropriés sont effectués dans la zone anatomique de la colonne vertébrale et des membres, ce qui est confirmé par d'autres études et les collèges de radiologie.

Toutefois, les directives actuelles relatives à l'imagerie de la colonne lombaire sont claires et leur prescription efficiente ne doit pas attendre le déploiement du système PSSR qui, pour un éventail beaucoup plus large d'indications, formule des recommandations sur le type d'imagerie à prescrire basées sur des preuves scientifiques et intégrées dans la prescription électronique.

La proposition actuelle et l'implémentation du PSSR avec des projets pilotes en 2026 ne sont pas en contradiction, car les deux mesures permettraient d'éviter des examens d'imagerie inappropriés, réduisant ainsi l'exposition inutile de la population au rayonnement.

L'élaboration technique de la proposition de limiter le nombre de spécialistes qui peuvent prescrire un examen CT de la colonne vertébrale est actuellement en discussion au sein du Conseil technique médical et de la Commission nationale médico-mutualiste, au sein desquels les acteurs du terrain concernés sont représentés.

Deuxièmement, la proposition n'inclut pas l'IRM lombaire. Conformément à l'arrêté royal du 7 mai 2024, une extension de la programmation de 20 nouveaux appareils IRM est en cours. Les entités fédérées sont compétentes en matière d'attribution de ces nouveaux appareils aux hôpitaux.

Troisièmement, le Conseil technique médical et la Commission nationale médico-mutualiste ont pris connaissance des décisions du Conseil général et commenceront à les mettre en œuvre concrètement dans les mois à venir. Les médecins, les universités et les mutuelles seront impliqués dans ce processus.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, comme je l'entends bien, il y aura sans doute une suite à tout cela. Et je suis demandeur qu'il y ait une suite dans laquelle on puisse concerter vraiment, comme vous le dites, les acteurs universitaires, les médecins de terrain et les radiologues.

Je suis tout à fait convaincu qu'il y a de la surprescription et qu'on doit aussi éviter l'exposition aux examens ionisants. Je vous rejoins complètement. Néanmoins, vous comprendrez que cette mesure a été vécue brutalement, un peu comme si on infantilisait les médecins généralistes de la première ligne. Il faut vraiment aller vers un système d'aide à la décision clinique qui serait certainement mieux perçu par les médecins sur le terrain.

Je pensais qu'on serait peut-être les seuls au monde à interdire aux médecins généralistes de prescrire des scanners. Pour m'être un peu renseigné, c'est déjà le cas aux Pays-Bas et en Allemagne. Et ces pays vont même plus loin en interdisant aussi l'IRM. De même, au Royaume-Uni et en Irlande, ces examens sont fortement cadrés. Cela va même plus loin en Australie, qui est extrêmement sévère, où la prescription des examens spécialisés des genoux est quasiment interdite après 50 ans.

Je suis tout à fait pour une médecine basée sur la clinique, en évitant de faire trop d'examens cliniques. Mais il faut absolument éviter des mesures brutales, carrées qui justement ne tiennent pas compte de cette réflexion que j'amène ici. Je pense qu'il y a moyen d'évoluer et de demander aux acteurs de terrain de participer à l'élaboration de ce système d'aide à la décision clinique.

Frank Vandenbroucke:

Les médecins généralistes ne sont pas les seuls concernés. La proposition visait à limiter la prescription également à d'autres spécialistes, qui perdent donc aussi cette capacité de prescrire. Cela ne vise pas uniquement les médecins généralistes.

Je crois personnellement qu'il y a un argument, mais n'étant ni médecin ni expert, je dois être prudent en la matière. Le type de patient qui a réellement besoin d'un CT-scan de la colonne vertébrale lombaire n'est pas celui qui va se présenter tranquillement au cabinet d'un médecin généraliste. Cela s'avère nécessaire dans d'autres contextes, dans des pratiques d'autres médecins spécialisés lors d'interventions chirurgicales, etc. Mais n'étant pas expert en la matière, je laisse cela à la concertation qui va se poursuivre.

Jean-François Gatelier:

Suite à votre dernier propos, on constate qu'il y a une distorsion avec la pratique en Flandre, avec une grosse densité de population et un accès rapide aux hôpitaux. Je peux vous assurer qu'en première ligne dans les zones à pénurie médicale, les gens se présentent chez leur médecin généraliste avec des pathologies vraiment très aiguës et surprenantes, que des collègues qui travaillent à Bruxelles ou en ville de manière générale ne voient jamais. Mais en tout cas, chez nous, c'est de la vraie première ligne. Des gens attendent deux jours pour avoir un rendez-vous chez le médecin généraliste pour une pathologie aiguë et qui aurait dû peut-être inviter le patient à se rendre plus vite vers un service d'urgence. Mais il semble que les gens suivent ce qu'on leur a toujours dit, à savoir de consulter d'abord le médecin généraliste. Et c'est préférable, je pense, de garder cela en l'état. Il faut laisser aussi de la flexibilité aux examens complémentaires tout en responsabilisant tous ces examens très coûteux et souvent inutiles.

Voorzitter:

Vraag nr. 56010257C van mevrouw Meunier en vraag nr. 56010347C van de heer Prévot vallen weg.

De hervorming van het ziekenhuislandschap
Het advies van de expertengroep over de hervorming van het ziekenhuislandschap
De hervorming van het ziekenhuislandschap
Hervorming ziekenhuislandschap en advies expertengroep

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat het definitieve rapport van de onafhankelijke expertengroep over de hervorming van het ziekenhuislandschap pas op 17 december 2025 (niet november) aan de CIM wordt voorgelegd, waarna de CIM beslist over openbaarmaking en verspreiding. Het KCE levert volgens hem objectieve data (o.a. via simulatiemodellen op basis van SPF-gegevens) om de expertenaanbevelingen te onderbouwen, waarbij hun werk parallel loopt aan dat van de expertengroep. Désir (PS) benadrukt het belang van parlementaire betrokkenheid en transparantie, steunt het hervormingsprincipe maar blijft "vigilant en kritisch" over de uiteindelijke keuzes, en dringt aan op tijdige informatie om deze te kunnen beoordelen. Vandenbroucke belooft regelmatige updates aan het parlement en stelt dat de hervorming langetermijnvisie nastreeft, los van kortetermijnbudgetten.

Voorzitter:

De dames Gijbels en Eggermont zijn niet aanwezig.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, comme on l'a déj à évoqué plusieurs fois au sein de cette commission, la CIM a approuvé la création d'un groupe d'experts indépendants chargé d'élaborer un projet de réforme du paysage hospitalier. Ce panel d'experts est chargé de formuler des recommandations concernant la future organisation du paysage hospitalier en Belgique.

Il nous revient qu'à la demande du groupe d'experts, le KCE réalisera une série de simulations. Ces simulations ont pour but d'objectiver les recommandations du groupe d'experts et de les étayer par des données scientifiques. Selon le calendrier qu'on connaît, l'avis du groupe d'experts était attendu pour fin novembre 2025.

Vu que ce processus constitue une étape importante du projet de réforme du paysage hospitalier et qu'il aura indéniablement un impact considérable sur l'avenir de nos structures hospitalières et sur l'accessibilité aux soins, il nous semble essentiel que le Parlement soit informé régulièrement et qu'il puisse être impliqué dans le processus de réforme.

Monsieur le ministre, est-ce que vous pouvez nous confirmer que l'avis du groupe d'experts indépendants sur la réforme du paysage hospitalier a bien été rendu à la fin du mois de novembre dernier? Cet avis sera-t-il rendu public et communiqué au Parlement, le cas échéant? Pouvez-vous nous expliquer quel sera le rôle spécifique du KCE dans la réalisation des simulations et comment celles-ci vont contribuer à l'objectivation des recommandations du groupe d'experts? Le travail du KCE suivra-t-il la remise du rapport ou se fera-t-il simultanément? Comment, monsieur le ministre, comptez-vous garantir l'implication du Parlement dans le suivi de cet avis et dans les décisions politiques qui en découleront? Comment les parties prenantes continueront-elles à être impliquées?

Frank Vandenbroucke:

Le rapport final du groupe d'experts indépendants sur la réforme hospitalière sera rendu lors de la prochaine Conférence interministérielle Santé publique du 17 décembre 2025.

Il appartiendra aux membres de la CIM de déterminer de quelle manière et à quels acteurs sera communiqué en priorité le rapport final.

S'agissant du rôle du Centre Fédéral d'Expertise des Soins de Santé (KCE), voyant les différents rapports qu'il a publiés au cours des années sur le paysage hospitalier et les besoins en lits, il me semble témoigner de bon sens de la part du groupe d'experts de s'être informés à partir de données pertinentes disponibles au sein du KCE.

À la demande du groupe d'experts, le KCE a également développé un instrument alimenté par des données du SPF Santé publique en vue de répertorier l'activité et l'accessibilité géographique des différents sites hospitaliers. Ces données servent à objectiver les recommandations du groupe d'experts. Elles permettent d'évaluer les options politiques à l'aide de données quantitatives et transparentes.

Bien évidemment, comme vous le soulignez, le Parlement sera régulièrement tenu informé des avancées de ce projet de réforme du paysage hospitalier, et les retours constructifs que ne manqueront pas de faire ses membres permettront d'alimenter la réflexion afin que cette importante et nécessaire réforme – que j'espère soutenue par tous – puisse être un succès.

Je tiens à souligner que l'objectif était que ce plan fournisse une vision à long terme du paysage hospitalier et qu'il est donc indépendant du budget 2026 à court terme.

Caroline Désir:

Merci pour votre réponse. L'avis est prévu pour un peu plus tard que ce que l'on imaginait, mais c'est très bien que vous nous donniez la date, à savoir le 17 décembre prochain. J'entends aussi que vous souhaitez tenir les parlementaires régulièrement au courant. Je pense que c'est important, évidemment en termes de transparence, mais aussi en termes de dialogue et de possibilité de débat autour de cette réforme importante, dont nous soutenons le principe, comme nous vous l'avons déjà dit à plusieurs reprises.

Nous resterons bien sûr vigilants et critiques sur les choix qui seront faits et aimerions donc être autant que possible bien outillés en amont pour pouvoir apprécier les orientations qui seront prises.

Voorzitter:

Vraag nr 56010562 van mevrouw Gijbels wordt uitgesteld. Hetzelfde geldt voor de vragen nrs. 56010644C, 56010645C, 56010646C, 56010648C, 56010649C en 56010657C van mevrouw Bury.

Ultrabewerkte voeding en gezondheidspreventie
De strijd tegen ultrabewerkte voeding
Impact van ultrabewerkte voeding op gezondheid en preventie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke benadrukt dat samenwerking met de voedingssector (retailers, industrie, horeca) centraal staat om ultrabewerkte voeding te beperken, binnen de kaders van het regeerakkoord, met initiatieven zoals verplichte Nutri-Score in reclame, nudging-strategieën (o.a. promoties voor gezonde producten) en evaluatie van zelfregulerende reclamecodes (bv. schoolomgevingsverbod). Van Lysebettens en Gatelier (MR) dringen aan op snellere, strengere maatregelen, vergelijkbaar met de tabaks- of farmaindustrie, en wijzen op medisch bewijs (o.a. The Lancet, Hoge Gezondheidsraad) dat ultrabewerkte voeding kanker, obesitas en diabetes verergert; Gatelier bekritiseert dat preventiebeleid ontoereikend is zolang de agro-industrie niet harder wordt aangepakt, terwijl Van Lysebettens pleit voor betere afstemming met regionale overheden. De minister erkent de urgentie maar blijft vooralsnog afhankelijk van vrijwillige sectorafspraken en wetenschappelijke evaluaties, zonder concrete regelgeving aan te kondigen.

Jeroen Van Lysebettens:

Ik zou het natuurlijk betreuren mocht de minister zijn voorbereiding hier niet kunnen gebruiken.

Ik wil het graag even hebben over ultrabewerkte voeding, mijnheer de minister. Midden november verschenen daarover opnieuw verschillende artikels in The Lancet , die oproepen om in te grijpen en het gebruik van ultrabewerkte voeding aan banden te leggen. Er is immers steeds meer medische evidentie dat die producten leiden tot – of toch minstens gelinkt zijn aan – een aantal ziektes, zoals verschillende soorten kanker, hart- en vaatziekten, diabetes, enzovoort.

Mijn oud-collega De Sutter heeft u daarover ook al bevraagd. U antwoordde toen dat daarrond in het regeerakkoord eigenlijk niet veel voorzien is. Het is dus een beetje zoeken wat we kunnen doen, maar u gaf wel aan dat u zou bekijken wat mogelijk is.

Ondertussen verscheen er in juni een rapport van de Hoge Gezondheidsraad, waarin die medische evidentie opnieuw wordt onderbouwd. Ook was er een advies om ultrabewerkte voeding zoveel mogelijk te mijden. In september vond bovendien een symposium plaats, waarbij u zelf het openingswoord hebt verzorgd om een standpunt te creëren over gezonde voeding en de rol van ultrabewerkte voeding daarin.

Ik heb dus een aantal vragen over dat thema.

Welke concrete acties voor gezonde voeding werden afgesproken na afloop van het symposium? Hoe zult u dat binnen de grenzen van het regeerakkoord nastreven? Ziet u eventueel ruimte binnen de verdere invulling van de nieuwe gezondheidsdoelstellingen?

We hebben het in deze commissie al enkele keren gehad over de tabaksindustrie. Ziet u gelijkenissen tussen de commerciële methodes van deze industrie en die van de voedingsindustrie, specifiek van multinationals en fastfoodketens? Zullen we dan ook gelijkaardige acties voeren, bijvoorbeeld op het vlak van het beperken van reclame?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, très récemment, la ville de San Francisco a déposé une plainte historique contre dix géants de l'agroalimentaire, estimant que certains aliments ultra-transformés, riches en additifs, sucres raffinés et graisses modifiées contribuent directement à l'explosion des maladies chroniques avec un coût sanitaire et économique massif pour la collectivité.

En Belgique, nous venons d'adopter des mesures importantes concernant le remboursement de certains médicaments, comme les antiacides ou les statines, dans un objectif de bon usage et de responsabilisation. Mais parallèlement à ces décisions, un message essentiel doit être entendu. La santé ne se résume pas aux médicaments. La prévention passe aussi par la lutte contre les habitudes de vie délétères, en particulier les comportements alimentaires qui favorisent le recours excessif à ces traitements.

Monsieur le ministre, face à l'exemple américain, envisagez-vous une initiative politique forte au niveau fédéral pour sensibiliser la population aux risques liés à la consommation d'aliments ultra-transformés qui aggravent l'obésité, le diabète et les maladies cardiovasculaires, pour encourager le secteur alimentaire à proposer des produits plus sains et pour mieux encadrer la promotion de ces produits? Allons-nous devoir attendre, comme à San Francisco, qu'une collectivité saisisse la justice pour reconnaître l'impact sanitaire majeur de ces produits?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur le président, avant de répondre aux questions, je signale que je répondrai encore à une question avant de partir; Mme Désir faisant preuve d'une grande patience, je répondrai à sa question figurant au point 43 de l'ordre du jour, si elle se réfère à sa question écrite.

In antwoord op de eerste vraag van de heer Van Lysebettens, vind ik de centrale conclusie die werd geformuleerd op het symposium van september fundamenteel: alle actoren en belanghebbenden in ons voedselecosysteem dragen een gedeelde verantwoordelijkheid en moeten samenwerken om duurzame en toegankelijke oplossingen voor iedereen te ontwikkelen en de huidige trends om te buigen. Het is met die insteek dat ik al van bij het begin van deze legislatuur in een constructief overleg ben getreden met de voedingssector en samen met hem mogelijke samenwerkingen verken.

Concernant la deuxième question, monsieur Gatelier, monsieur Van Lysebettens, au niveau fédéral, nous continuons à encourager le déploiement du Nutri-Score en Belgique afin que le plus grand nombre de consommateurs soit correctement informé de la qualité nutritionnelle des produits qu'ils achètent. Dans ce but, nous travaillons à un arrêté royal rendant obligatoire la mention du Nutri-Score dans la publicité pour les produits alimentaires. Une étude scientifique menée en France montre en effet que l'affichage du Nutri-Score dans la publicité incite les consommateurs à faire des choix plus sains. Les aliments ultra-transformés obtiennent généralement un mauvais Nutri-Score.

Par ailleurs, je souhaite, en collaboration avec les grands détaillants et l'industrie alimentaire, stimuler diverses initiatives de nudging telles que la priorité aux promotions 1+1, 2+2 ou des multi-packs uniquement pour les produits affichant un Nutri-Score A ou B, la mise en avant des produits A et B dans les folders publicitaires, la promotion d'options saines aux caisses, ainsi que la poursuite des reformulations visant à réduire les teneurs en sel, en sucre et en graisses saturées et à augmenter la quantité de fibres et de céréales complètes.

Wat de derde vraag betreft, ben ik me bewust van de commerciële factoren die een rol spelen in het voedingsbeleid dat we willen voeren en ik ben daar gevoelig voor. Ik heb om die reden in juni 2024 deelgenomen aan de lancering van het WHO-rapport voor Europa over commerciële determinanten van niet-overdraagbare ziekten. Op dit ogenblik gaat mijn prioriteit – aangezien het regeerakkoord mijn bewegingsruimte daarin wel wat beperkt – uit naar overleg en samenwerking met de voedingsindustrie, de grote retailers en de horeca. Binnen die context zullen we de resultaten van de zelfregulering van de private sector in de vorm van een nieuwe reclamecode nauwlettend volgen. Zeker de implementatie van het verbod op reclame voor te vet, te zoet en te zout voedsel binnen 150 meter van een school wil ik objectief laten evalueren.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik kijk zeker uit naar de verdere stappen die u daarin zult ondernemen. Gezien de snel evoluerende medische toestand denk ik wel dat u ook uw collega’s aan de regeringstafel – ik hoor dat de heer Gatelier daarin eigenlijk een medestander is – moet betrekken om te zien of we niet meer moeten doen dan onderzoeken.

Ik heb ook een bijkomende suggestie. Het is goed dat u in overleg treedt met de privésector, maar ik denk dat u ook met de regionale overheden moet overleggen, omdat zij eveneens een aantal promotiecampagnes rond voeding voeren. Ik vind dat wij als overheid het goede voorbeeld moeten geven.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie.

Cela fait des années, bien avant d'entrer en politique, que je fais de la lutte contre la malbouffe une priorité. Les statistiques sont très négatives puisque les cancers augmentent chez les jeunes adultes. Vous devrez bientôt organiser des dépistages du cancer du sein dès l'âge de 30 ans ou du cancer du côlon dès l'âge de 35 ans. Sur les photos scolaires que les enfants montrent fièrement à leurs grands-parents, la moitié des élèves sont en surpoids, ce qu'on ne voyait pas il y a 20 ou 30 ans.

Nous sommes donc véritablement face à un problème sanitaire majeur. On le sait, ce sont les aliments ultra-transformés, les aliments sucrés et les additifs mis dans l'alimentation avec des graisses saturées qui sont responsables de ces maladies graves.

Quoi qu'il en soit, je m'opposerai toujours aux politiques de santé qui veulent diminuer le budget des soins de santé sans en même temps faire d'efforts pour punir l'industrie agroalimentaire, qui est vraiment une source majeure de maladies graves.

J'ai entendu votre réponse, monsieur le ministre. Je pense que nous allons dans le bon sens et vous avez tout mon soutien.

Voorzitter:

Vraag nr. 56010714C van mevrouw De Knop wordt uitgesteld.

De stijging van het aantal hiv-besmettingen bij heteroseksuele mannen
Het kostenplaatje van de terugbetalingen door het RIZIV inzake soa's en hiv- en aidsbehandelingen
De hiv-diagnoses
Wereldaidsdag en de toename van het aantal hiv-besmettingen bij Belgische jongeren
Hiv en soa's: besmettingen, diagnoses, kosten en bewustzijn in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir wijst op een stijging van 33% nieuwe hiv-diagnoses bij heteroseksuele Belgische mannen en 15% bij MSM (2024), met Brussel als zwaartepunt (drie keer hoger dan nationaal gemiddelde), en vraagt om concrete preventie-, test- en PrEP-maatregelen, inclusief roluitbreiding voor huisartsen. Minister Frank Vandenbroucke bevestigt dat het huidige nationale hiv-plan (2020–2026) herzien wordt met extra focus op preventie, testen en PrEP-toegang, maar stelt dat decentralisatie naar huisartsen nog onderzocht wordt – het huidige centraal model (via hiv-referentiecentra) wordt door sommigen als verouderd beschouwd. Hij kondigt een opvolgend IST-plan (vanaf 2027) aan, zonder directe extra maatregelen voor PrEP-toegankelijkheid, en verwijst voor lokale acties (bv. systematisch testen in Brussel) naar de gewesten. Désir bekritiseert impliciet de traagheid (geen acute oplossingen voor PrEP-belemmeringen zoals onbekendheid, stigma en ongelijkheid), terwijl Vandenbroucke coördinatie en evaluatie benadrukt maar geen directe budgettaire of structurele wijzigingen aankondigt. Kernpunt: Stijgende hiv-cijfers eisen dringendere actie, maar bevoegdheidsversnippering (federaal vs. gewesten) en beperkte PrEP-toegang blijven knelpunten.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le dernier rapport Sciensano sur le VIH en Belgique révèle que, si le nombre total de nouveaux diagnostics est resté stable en 2024 avec 662 cas, on voit une augmentation significative chez les hommes belges, notamment une hausse de 33 % parmi les hétérosexuels et de 15 % parmi les hommes ayant des relations sexuelles avec des hommes. On voit également que la Région de Bruxelles-Capitale est disproportionnellement touchée, avec un taux de diagnostic presque trois fois supérieur à la moyenne nationale.

Monsieur le ministre, dans ce contexte et en concertation avec vos collègues des entités fédérées, quelles mesures comptez-vous mettre en place en matière de prévention et de dépistage?

Selon l’Institut de médecine tropicale, les principaux freins à l’utilisation de la PrEP (prophylaxie pré-exposition) sont un manque de connaissance, la stigmatisation et les inégalités. Quelles initiatives envisagez-vous pour améliorer l’accessibilité à la PrEP et à la PEP (prophylaxie post-exposition) ? Des mesures sont-elles envisagées en matière de formation et de sensibilisation de la première ligne? Des discussions sont-elles toujours en cours pour permettre la prescription et le suivi de la PrEP par les généralistes?

Frank Vandenbroucke:

Le plan national VIH élaboré en concertation avec les entités fédérées qui couvre la période 2020-2026 comprend des actions axées sur la prévention, le dépistage, la prise en charge et la qualité de vie.

Ces dernières années, des progrès significatifs ont été réalisés dans l’objectif d’atteindre un continuum de soins VIH de qualité, mais l’augmentation du nombre de nouveaux diagnostics VIH après des années de baisse régulière exige une révision des priorités. Il est important de mettre davantage l’accent sur la prévention, le dépistage et la PrEP.

Un grand défi réside dans la diversité des publics concernés par le VIH ou à risque, ainsi que dans la manière de les atteindre. Il est, par exemple, nécessaire de renforcer les actions de proximité dans les zones géographiques où le nombre de diagnostics par habitant est élevé, comme certains arrondissements de la région bruxelloise, afin d’y organiser un dépistage systématique.

Les réponses doivent être coordonnées, car elles relèvent de différentes compétences. C’est pourquoi le GTI Prévention met le monitoring du plan national à son ordre du jour une fois par an. Cette année, cette réunion a eu lieu le 9 juillet. L’évaluation intermédiaire de notre plan VIH actuel, qui couvre donc la période 2020-2026, a en effet montré que notre politique devait être réorientée et que les efforts en matière de prévention, de PrEP et de dépistage devaient être renforcés. Chaque entité fédérée a ses spécificités, mais tout le monde s’est montré impliqué pour travailler à son niveau en ce sens.

Il a aussi été décidé qu'un nouveau plan IST serait élaboré pour succéder au plan actuel, à partir du 1 er janvier 2027. Les travaux préparatoires à cette fin sont menés par Sciensano. Comme le travail est en cours, je ne suis pas encore en mesure de vous en communiquer les détails.

Sur le plan fédéral, l'amélioration de l'accès à la PrEP est en effet une question à l'étude, comme indiqué dans l'accord de gouvernement. Pour le moment, la PrEP remboursée ne peut être prescrite que par les médecins de centres de référence VIH. Les médecins généralistes ne jouent qu'un rôle limité dans le suivi. Ce modèle centralisé a démontré sa valeur lors de la phase initiale de déploiement. Cependant, après plus de sept ans de PrEP en Belgique, il n'est plus considéré comme adapté par tout le monde.

Nous sommes en train d'examiner, à l'échelle fédérale, si et comment la PrEP pourrait également être prescrite par les médecins généralistes et comment ces derniers pourraient mieux assurer le suivi de ses utilisateurs. Cette analyse de l'utilisation, en parallèle aux réflexions sur le nouveau plan plus large sur les IST, doit être coordonnée avec celui-ci pour aller dans le même sens, par exemple pour les questions de formation des professionnels et d'information du grand public. Aucune mesure supplémentaire n'est actuellement prévue pour améliorer l'accessibilité de la PrEP. Celle-ci est disponible dans les hôpitaux dotés d'un centre de référence VIH ou dans les centres de soins après violence sexuelle.

Le dépistage et la prévention incombent aux entités fédérées. Si vous souhaitez obtenir de plus amples détails sur ce qui est fait en ce moment, je vous invite à les contacter directement. Comme je le disais, le Comité de monitoring a indiqué que les efforts de dépistage et de prévention seraient renforcés et mis en priorité dans le plan en cours jusqu'à la fin 2026.

L'INAMI ne peut pas ventiler précisément les remboursements par IST, mais on se sert des classes des médicaments les plus spécifiques pour estimer les dépenses. Les traitements de VIH représentent la part la plus importante: plus de 90 % du budget. Pour les autres IST – notamment syphilis, Chlamydia, gonorrhée, HSV et HPV –, les dépenses sont nettement plus limitées et représentent une fraction relativement stable du total, mais avec une légère augmentation pour la syphilis et la Chlamydia.

Au total, les remboursements pour le VIH et ses principales IST sont passés d'environ 169 millions d'euros en 2019 à environ 190 millions en 2024. Ce sont des estimations, car certains remboursements peuvent couvrir d'autres indications et certaines dépenses ne sont pas comptabilisées.

Pour plus de détails, vous pouvez soumettre une question écrite qui permettra une représentation plus précise des données.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre.

Voorzitter:

Bedankt, collega’s. Ik sluit hierbij de vergadering. Tot morgen! De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.52 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 52.

De impact van PFAS in de voeding op de volksgezondheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 4 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tinne Van der Straeten wijst op de wijdverspreide aanwezigheid van TFA (PFAS-afbraakproduct) in voeding zoals brood en speculaas, gelinkt aan pesticidenlobby’s, en dringt aan op onmiddellijke verbod van PFAS-bevattende pesticiden via Vandenbrouckes bevoegdheid. Vandenbroucke benadrukt dat voedselveiligheid onder minister Clarinval valt, erkent gezondheidsrisico’s (immuunstoornissen, kanker) maar wijst op kennislacunes, en kondigt verdere studies en richtlijnen voor zorgverleners aan (focus op kwetsbare groepen). Van der Straeten repliceert dat actie nu mogelijk is met bestaande kennis en kaart lobbyinvloed aan, eisend dat Vandenbroucke zijn gedeelde bevoegdheid gebruikt om PFAS-pesticiden direct te weren. Kern: conflict tussen voorzorgsprincipe (direct verbod) en wetenschappelijke voorzichtigheid (verdere studie).

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, vanmorgen lazen we in de krant dat heel wat producten die we dagelijks eten, zoals volkorenbrood, alsook producten die we vandaag massaal inkopen, omdat het overmorgen Sinterklaas is, zoals speculaas, vol zitten met TFA. TFA is een afbraakproduct van PFAS, een chemische stof die we vaak in pesticiden aantreffen en die massaal aanwezig is in onze omgeving.

PFAS en TFA functioneren als kleine stoorzenders in ons lichaam. We nemen die stoffen massaal op; ze blijven langdurig aanwezig en verstoren onze immuniteit. Ze hebben een invloed op onze vruchtbaarheid en veroorzaken tal van gezondheidsproblemen.

We vinden die stoffen vandaag overal in terug, onder meer in pesticiden, die mee de oorzaak zijn van de aanwezigheid van TFA in onze voeding. Dat is ook niet toevallen, want voor die chemische stoffen is er jarenlang op het hoogste niveau in Europa zeer sterk gelobbyd.

Mijnheer de minister, wij kennen u als iemand die het voortouw neemt, wanneer het gaat over gezondheidsdossiers die de bevolking zware schade kunnen toebrengen. Denk aan uw beleid en uw standpunten inzake vapen en het roken op terrassen. Hier hebben we opnieuw een dossier waarin we een sterke en proactieve minister van Volksgezondheid nodig hebben. Wanneer we de chemische sector en de lobbyisten hun gang laten gaan, wordt de kraan immers nooit dichtgedraaid. U hebt als minister van Volksgezondheid een bevoegdheid met betrekking tot de toelating van pesticiden. Zult u uw bevoegdheid ter harte nemen en ervoor zorgen dat pesticiden die PFAS bevatten, niet langer op onze markt terechtkomen.

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel voor uw zeer vriendelijke woorden. Ik laat u wel opmerken dat de aanwezigheid van PFAS in voeding, de regels daaromtrent en wat eventueel kan worden ondernomen om de aanwezigheid ervan te verminderen, een voedselveiligheidsmaterie is, die onder de bevoegdheid valt van collega-minister Clarinval. U zult dus een deel van uw vraag aan hem in de bevoegde commissie moeten herhalen.

Wat het verband betreft tussen PFAS en diverse gezondheidsproblemen, wij noteren inderdaad belangrijke alarmsignalen. Anderzijds blijft er veel onbekend over de blootstellingsduur, de dosis, het type PFAS en de ernst van de ziekte, kortom de pathologische mechanismen die een relatie leggen met onder andere immuunstoornissen, een verhoging van het cholesterolgehalte in het bloed en een verhoogd risico op bepaalde vormen van kanker. Het is dus belangrijk dat goed in het oog te houden.

Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg publiceerde daarom in juli – en ik vond dat een belangrijk initiatief – een studie over de impact van PFAS op de volksgezondheid, met als doel uniforme richtlijnen voor zorgverleners in het hele land te ontwikkelen. Dat was ook een uitdrukkelijke vraag van mij. Die richtlijnen worden nu door de gewesten verspreid en zullen ook in een e-learningformaat voor zorgverleners gegoten worden. Ik heb in oktober het kenniscentrum opgedragen de impact van PFAS op de gezondheid van kwetsbare groepen als zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, en zuigelingen, meer gedetailleerd te onderzoeken, met als doel richtlijnen te ontwikkelen voor zorgverleners. Dat advies wordt tegen volgende zomer verwacht.

Tinne Van der Straeten:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is goed meer kennis te verzamelen, maar er is vandaag ook al veel kennis voorhanden. Een aantal zaken weten we vandaag al, bijvoorbeeld dat PFAS aanwezig is in bepaalde pesticiden. Een kleine maar groeiende groep pesticiden zetten continu TFA en PFAS af in onze omgeving. Het is gemakkelijk ertegen te ageren en als u geen lobbyisten voor de chemische sector in uw regering had, zou het misschien nog gemakkelijker zijn. U hebt een gedeelde bevoegdheid met minister Clarinval, wanneer het gaat over de toelating van pesticiden, precies met het oog op de volksgezondheid,. Het is nu aan de orde om de kraan dicht te draaien, vandaag al te ageren gelet op hetgeen we nu al weten, en de gevaarlijke pesticiden met PFAS erin niet langer op de Belgische markt toe te laten.

Het zorgverlof en de pensioenhervorming

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dieter Vanbesien vraagt of vijf RVA-erkende zorgmotieven voor tijdskrediet (o.a. zorg voor zieke kinderen of palliatieve zorg) volledig meetellen als gewerkte dagen voor pensioenberekening, en bekritiseert dat minister Jambon dit eerder niet expliciet bevestigde, terwijl hij claimt rekening te houden met vrouwenloopbanen (vaak deeltijds of met zorgverlof). Jambon bevestigt dat alle zorgverloven (inclusief tijdskrediet met zorgmotief) gelijkgesteld worden aan werkdagen—behalve voor de nieuwe 60-jarige vervroegd-pensioenpoort (42 loopbaanjaren van 234 dagen), waar alleen moederschapsrust en tijdelijke werkloosheid meetellen, en beklemtoont dat de hervorming vrouwen wel degelijk beschermt. Hij ontkracht ook geruchten dat Vlaams zorgkrediet niet zou meetellen: het telt volledig mee voor zowel privésector als ambtenaren, inclusief onbezoldigde verloven met zorgmotief. Vanbesien aanvaardt de verduidelijking.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, ik kom graag terug op enkele vragen over het zorgverlof die mevrouw Dedonder, de heer De Witte en mevrouw Schlitz in de commissie voor Sociale Zaken, Werk en Pensioenen op 30 september 2025, een eeuwigheid geleden, stelden. U werd toen gevraagd welke soorten zorgverlof en periodes als gelijkgestelde periodes voor de berekening van de pensioenmalus en het recht op vervroegd pensioen zouden worden beschouwd. U antwoordde toen dat u uw diensten de opdracht had gegeven om een uniforme definitie van effectief gewerkte perioden uit te werken, waarbij het geboorteverlof, het ouderschapsverlof, het adoptieverlof en het pleegzorgverlof, evenals de tijdelijke werkloosheid beschouwd zouden worden als gewerkte dagen zonder maximale duur.

In die opsomming verwees u echter niet naar specifieke situaties van tijdskrediet met een zorgmotief. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) erkent vijf zorgmotieven: zorgen voor kinderen jonger dan acht jaar, palliatieve zorg verlenen, zorgen voor een zwaar ziek gezins- of familielid, zorgen voor uw kind jonger dan 21 jaar met een handicap en bijstand of zorg verlenen aan uw zwaar ziek minderjarig kind of aan een zwaar ziek minderjarig kind dat deel uitmaakt van uw gezin. Worden die vijf vormen van zorgkrediet eveneens beschouwd als gewerkte dagen zonder maximale duur en dus volledig erkend als gelijkgestelde periode? Zo niet, hoe rijmt u dat met de bewering dat u bij uw hervorming rekening houdt met de loopbaan van vrouwen, die vaker deeltijds werken? Het zijn immers vaak vrouwen die die vormen van tijdskrediet opnemen.

Geldt de gelijkstelling van die zorgkredieten, alsook de gelijkstelling van het zorgverlof, ook voor statutairen. Intussen bereiken ons immers berichten dat dat alvast voor het Vlaamse zorgkrediet niet het geval zou zijn. Kunt u dat bevestigen?

Jan Jambon:

Mijnheer Vanbesien, de vijf vormen van tijdskrediet met zorgmotief worden inderdaad beschouwd als zorgverlof. Zorgverlof wordt gelijkgesteld aan werken en dat zonder maximale duur. De enige uitzondering op die regel is de nieuwe extra toegangspoort voor vervroegd pensioen, namelijk die op 60 jaar na 42 loopbaanjaren van elk minstens 234 gewerkte dagen.

Ik som graag de verschillende maatregelen op. Zorgverlof telt, zoals vandaag, volledig mee voor de bepaling van de vroegste pensioendatum. Vanaf 2027 wordt de grens van 104 dagen om een jaar te laten meetellen voor vervroegd pensioen, opgetrokken naar 156 dagen. Het type gelijkgestelde dagen verandert echter niet.

Zorgverlof zal ook gelijkgesteld worden aan effectief werken voor de werkvoorwaarden van de bonus-malusregeling. Zorgverlof zal dus meetellen in het aantal dagen om na te gaan of de burger voldoet aan de dubbele werkvoorwaarden, namelijk de 35 loopbaanjaren van 156 dagen met effectieve arbeidsprestaties en de 7020 effectief gewerkte dagen, voor het vermijden van een pensioenmalus bij vervroegd pensioen of het ontvangen van een pensioenbonus na de wettelijke pensioenleeftijd. Enkel voor de nieuwe toegangspoort tot vervroegd pensioen, vanaf de leeftijd van 60 jaar na minstens 42 loopbaanjaren van minstens 234 gewerkte dagen, zal zorgverlof niet gelijkgesteld worden aan effectief werken. Voor die maatregel worden enkel tijdelijke werkloosheid en moederschapsrust gelijkgesteld aan effectief werken. Zoals ik al gezegd heb, tellen die periodes wel volledig mee voor de gewone voorwaarden van vervroegd pensioen. Onze pensioenhervorming houdt dus rekening met de loopbaan van vrouwen, die vaker deeltijds werken en die dat doen via de verschillende vormen van tijdskrediet.

Wat de toepassing op ambtenaren betreft, de in uw vraag vermelde zorgverloven zijn vormen van tijdskrediet met motief en zijn enkel van toepassing voor werknemers tewerkgesteld bij een werkgever in de privésector, zoals vermeld op de webpagina van de RVA. De thematische verloven, zoals ouderschapsverlof, palliatief verlof, verlof voor medische bijstand en verlof voor mantelzorg, zijn van toepassing voor zowel ambtenaren als werknemers en tellen integraal mee als zorgverlof in onze pensioenhervorming.

Wat het Vlaams zorgkrediet betreft, die perioden tellen integraal mee voor de toetsing van de dubbele werkvoorwaarden van de bonus-malusregeling, en dat voor alle motieven, zowel voor werknemers als voor ambtenaren. Specifiek voor ambtenaren zullen ook onbezoldigde verloven met een zorgmotief die gelijkgesteld zijn met dienstactiviteit, meetellen als zorgverlof.

Dieter Vanbesien:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dat is een heel uitgebreid en duidelijk antwoord. Er zit ook een logica in het in aanmerking nemen van bepaalde verloven. Begrijp ik het dan goed dat de informatie die ons over het Vlaams zorgkrediet bereikt, fout is en dat dat dus ook volledig gelijkgesteld is, net zoals de andere zorgverloven?

Jan Jambon:

Ja, zo heb ik het in mijn antwoord vermeld.

Dieter Vanbesien:

Dat is heel duidelijk, dank u wel.

Het rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing

Gesteld door

lijst: PVDA Kim De Witte

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Kim De Witte wijst op berekeningen van de Studiecommissie voor de Vergrijzing die aantonen dat pensioenen met 9,2% (werknemers) tot 11,9% (ambtenaren) zullen dalen ten opzichte van lonen, en bekritiseert minister Jan Jambon (N-VA) omdat hij deze daling ontkent; ze stelt dat de hervorming jongeren onevenredig hard treft en laagste West-Europese pensioenen verder verarmt, terwijl de betaalbaarheidscrisis volgens haar zelfgemaakt is door verlaging van werkgeversbijdragen ten voordele van bedrijven. Jambon verdedigt de hervorming als noodzakelijk om escalerende schulden (21 mjrd/jaar extra belastingen zonder actie) en generatie-onrechtvaardigheid te voorkomen, benadrukt dat de benefit ratio-daling (pensioen/loon) ongelijkheid tussen groepen verkleint (ambtenaren vs. werknemers/zelfstandigen) en waarschuwt voor kredietverlies en economische instorting bij uitstel; hij relativeert de daling door te wijzen op netto-inkomenseffecten en geleidelijke invoering om ouderen te sparen. De Witte ontkracht Jambons argumenten als "oneerlijk" door te stellen dat hij arbeidsongeschiktheidsuitgaven meerekent in Europese vergelijkingen (waardoor België ten onrechte als koploper in vergrijzingskosten wordt voorgesteld), terwijl de werkelijke pensioenstijging beperkt is (11%→13% bbp) en lagere dan in Zuid-Europa; ze herhaalt dat het inkomstenprobleem (minder sociale bijdragen) de echte oorzaak is, niet de uitgaven. Beide partijen beschuldigen elkaar van manipulatie: Jambon ziet hervorming als reddingsboei voor jongeren, De Witte als aanval op hun toekomst door belastingverschuivingen naar bedrijven.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, gezien de omvang van de pensioenmaatregelen heeft de Studiecommissie voor de Vergrijzing een aantal berekeningen van de sociale gevolgen van de maatregelen gemaakt. Uit die berekeningen blijkt dat het pensioen van de werknemers zal dalen ten opzichte van het gemiddeld loon. Het gemiddeld pensioen ten opzichte van het gemiddeld loon daalt met 9,2 % en voor de ambtenaren met 11,9%.

We hebben daarover al enkele discussies gehad. Ik sprak hierover al met u. Ik sprak er ook over met een collega van u, mevrouw Demesmaeker van de N-VA, die zei dat deze informatie niet klopt en dat de pensioenen niet zouden dalen.

Mijnheer de minister, zullen de pensioenen in de toekomst dalen door alle maatregelen die u wilt nemen of niet? Ik wil graag meer toelichting daarover.

Jan Jambon:

Mijnheer De Witte, wat de Studiecommissie voor de Vergrijzing in haar vergrijzingsrapport doet, is in essentie een raming maken van de langetermijnevolutie van allerlei sociale uitgaven, meer bepaald de pensioenuitgaven die het gevolg zijn van de vergrijzing. Vervolgens berekent de commissie in welke mate onze pensioenhervorming kan helpen om de forse stijging van de sociale uitgaven en pensioenuitgaven te milderen en beheersbaar te maken. De pensioenhervorming wordt inderdaad ingevoerd om ervoor te zorgen dat de jongeren vandaag niet met een sneeuwbaleffect van escalerende overheidsfinanciën worden geconfronteerd.

Zoals u ongetwijfeld weet, wordt België in de eurozone al enkele jaren door de Europese Commissie en het IMF aangemerkt als een hoog risicoland door de combinatie van hoge vergrijzingskosten en een hoge overheidsschuld. Dit betekent dat het land op termijn zijn verplichtingen niet zal kunnen nakomen als we zouden nalaten om de langetermijnoverheidsfinanciën op orde te brengen. In dat geval zouden wij ons als politici, als minister, als volksvertegenwoordiger ronduit moeten schamen. Ik wil mijn verantwoordelijkheid daarin nemen.

Als we niet kiezen voor structurele pensioenhervormingen om te voorkomen dat stijgende pensioenuitgaven leiden tot onbeheersbare, escalerende overheidsfinanciën op lange termijn, dan zullen we dit via belastingen moeten doen. Er zijn verschillende soorten belastingen, maar ik wil het concreet maken. Eén procent van het bbp vertegenwoordigt vandaag ongeveer 6 miljard euro.

In 2024 bedroeg het bbp 614 miljard euro. Zonder pensioenhervorming hebben we, bovenop de huidige belastingen, decennialang extra belastingen nodig die 3,6 % van het bbp moeten opbrengen. Omgerekend in euro’s van vandaag komt dat neer op 21 miljard euro per jaar.

Het is dan ook totaal onzinnig om een daling van de benefit ratio aan te halen als een argument tegen de pensioenhervorming. De echte vraag is wat de levensstandaard van de gemiddelde werknemer, zelfstandige en ambtenaar in 2070 zou zijn als we zouden kiezen voor massale belastingverhogingen. Daarbij moet men er rekening mee houden dat we in dat scenario eerst door een periode van verlies aan kredietwaardigheid op de internationale markten, stijgende rentelasten en politieke impasse zouden moeten.

U verwijst in uw vraag dus naar de zogenaamde benefit ratio . Dat is het gemiddeld bruto pensioen, geprojecteerd naar bijvoorbeeld het jaar 2070, gedeeld door het gemiddelde brutoloon, geprojecteerd naar datzelfde jaar. Die indicator zegt echter helemaal niets over het beschikbaar netto-inkomen van gezinnen in de toekomst. De evolutie van de benefit ratio over de generaties wordt typisch berekend om te beoordelen hoe de welvaart tussen de gepensioneerde en de beroepsactieve cohorte evolueert.

Een daling van de benefit ratio betekent dat de actieven meer vooruitgaan dan de gepensioneerden. Een vergelijking van de benefit ratio van ambtenaren, werknemers en zelfstandigen toont ook aan dat de ongelijkheid tussen hun pensioeninkomens zal verkleinen als gevolg van de harmonisering die we nu doorvoeren. Minder ongelijkheid tussen pensioeninkomens is mijns inziens verdedigbaar, want de verschillen tussen de pensioenbedragen van de verschillende groepen zijn nu aanzienlijk. In januari 2024 bedroeg het gemiddelde bruto pensioen van een gepensioneerde ambtenaar 3.458 euro, voor een werknemer 1.677 euro en voor een zelfstandige 1.222 euro. Ook in nettotermen bedraagt het verschil tussen die pensioenen in 2024 ongeveer 950 euro per maand wanneer we een ambtenaar vergelijken met iemand met een gemengde loopbaan als werknemer en zelfstandige. Het mediaanbedrag aan aanvullend pensioenkapitaal, omgerekend naar een rente, bedraagt echter slechts ongeveer 41 euro per maand. Er is dus een aanzienlijke inkomensongelijkheid in netto-pensioeninkomen.

U wekt de indruk dat een pensioenhervorming schadelijk zou zijn voor jongeren in de toekomst. Weet u wat de grootste onrechtvaardigheid tegenover jongeren is? Dat de huidige politieke klasse er niet in zou slagen de noodzakelijke pensioenhervorming uit te voeren of ze zou uithollen.

Ik geef nog mee dat uit het laatste vergrijzingsrapport van de Europese Commissie blijkt dat België, bij ongewijzigd beleid, tegen 2070 van alle Europese landen het hoogste percentage van het bbp aan vergrijzingsuitgaven zal besteden – en dat zijn consumptie-uitgaven.

Ten slotte wil ik meegeven dat de keuze voor een geleidelijke pensioenhervorming en het respect voor verworven rechten ook betekent dat als er ergens pensioenverlies is, dat in het algemeen groter zal zijn bij de jongeren dan bij de oudere cohorten. Dat is letterlijk het gevolg van de geleidelijkheid van de hervorming, van ruime overgangsperioden, van overgangsbepalingen en van ons respect voor verworven rechten.

We voeren de pensioenhervorming geleidelijk door om rekening te kunnen houden met personen die vlak voor hun pensioen staan en dus minder mogelijkheden hebben om hun loopbaan nog aan te passen. Hoe meer oudere generaties echter vasthouden aan verworven rechten, hoe minder de vergrijzingskosten gespreid kunnen worden over generaties.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, dat zijn veel woorden om de essentie te verdoezelen. Wat u net zei over de geleidelijkheid, klopt. Door de geleidelijkheid zullen de jongeren inderdaad meer slachtoffer zijn dan de minder jonge mensen. De impact voor de jongeren zal groter zijn dan de impact voor de mensen die net voor hun pensioen staan. Het is echter heel duidelijk, u zult besparen op de pensioenen en de pensioenen zullen dalen. U geeft een hele uitleg dat ze niet zullen dalen, want dat als we dat niet doen, we meer belasting zullen moeten heffen, waardoor de mensen meer zullen verliezen. Mijnheer de minister, dat is niet ernstig. U weet immers heel goed dat u ook kunt knippen in de cadeaus die u aan de bedrijven geeft en dat er meer sociale bijdragen naar onze sociale zekerheid kunnen gaan. Dat is het probleem. U creëert de onbetaalbaarheid van de pensioenen door telkens opnieuw minder sociale bijdragen en meer in het bijzonder minder werkgeversbijdragen naar de pensioenen te laten gaan. Dat zorgt voor een gat in onze sociale zekerheid. Dat geld is echter niet weg. Dat zit bij aandeelhouders en in bedrijven, maar niet meer in onze sociale zekerheid en dat is een cruciaal punt in heel dit debat. U zegt dat de daling minder groot zal zijn bij werknemers dan bij ambtenaren, want dat we harmoniseren. Dat is wat de Studiecommissie voor de Vergrijzing zegt, maar het is nog altijd een heel grote daling bij de werknemers. Zij zullen 9,2 % verliezen en dat terwijl de pensioenen in ons land al bij de laagste van West-Europa zijn, met gemiddeld 1.500 euro netto voor een werknemerspensioen. Als u daar nog eens 9,2 % van afneemt, dan worden dat armoedepensioenen. Dat is wat de Studiecommissie voor de Vergrijzing zegt, dat de hervorming mensen naar armoedepensioenen duwt. Tot slot, u zegt dat het noodzakelijk is, want dat Europa zegt dat België het meeste van alle Europese landen zal besteden aan vergrijzingsuitgaven. We hebben daarover al veel discussies gehad en ik heb het zondag nog herhaald in De Zevende Dag . Ik heb u in februari al gezegd dat het cijfer van de Aging Working Group van de Europese Commissie geen cijfer over de pensioenen alleen is. Zij nemen arbeidsongeschiktheid mee in hun berekening. Dat is gewoon niet eerlijk, mijnheer de minister. U bent niet eerlijk in het debat. Als we arbeidsongeschiktheid optellen bij de pensioenen, dan krijgen we uiteraard andere cijfers. Als we een discussie hebben over de pensioenkosten, dan zit België helemaal niet in de top. Helemaal niet. We zitten momenteel eerder in de staart van West-Europa, zeker niet in de top, en we gaan ook niet naar de top als men rekening houdt met de cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. Dat is het orgaan in ons land dat die berekeningen maakt, al meer dan twintig jaar lang. Nu neemt u plots een ander rapport. Dat is niet eerlijk. Laten we het debat eerlijk voeren. De uitgaven stijgen met ongeveer 2 % van het bbp. Dat is helemaal niet ondoenbaar. We zitten nu aan 11 % van het bbp en gaan naar 13 % van het bbp. Dat is nog altijd minder dan wat een aantal andere landen, zoals Frankrijk, Oostenrijk, Italië, Griekenland en Portugal, vandaag betalen. De betaalbaarheid is in de eerste plaats geen probleem van stijgende uitgaven, maar wel een probleem van dalende inkomsten, dat uw regering zelf creëert.

De recorduitval bij ambtenaren wegens ziekte
De toenemende uitval van federale ambtenaren
De steeds hogere uitval wegens ziekte van federale ambtenaren
De stijging van het aantal burn-outs en de stressgerelateerde uitval bij federale ambtenaren
De stijging van het ziekteverzuim en van burn-outs bij federale ambtenaren
Burn-outpreventie en de aanpak voor meer welzijn en minder ziekteverzuim bij de federale overheid
Ziekteverzuim, burn-outs en welzijn bij federale ambtenaren

Gesteld aan

Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)

op 3 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vanessa Matz erkent dat 43,7% van het ziekteverzuim bij federale ambtenaren psychisch gerelateerd is—een record—en wijt dit aan structurele problemen zoals starre hiërarchie, gebrek aan autonomie, werkdruk en slecht leidinggevendschap, verergerd door de nasleep van COVID-19. Ze kondigt verplichte vijfjaarlijkse psychosociale risicoanalyses, verplichte re-integratie-experts per organisatie (2028) en leiderschapstraining voor alle managers (2026) aan, naast uitbreiding van bestaande programma’s zoals Burnout Program en een netwerk van 41 re-integratiecoaches, maar benadrukt dat succes afhangt van betere implementatie en zichtbaarheid van bestaande hulpmiddelen (nu slechts 15-20% benut). Kritische parlementsleden (De Smet, Daenen, Hansez) bevestigen de alarmerende cijfers en prijzen de plannen als "promettend op papier", maar vragen concrete resultaten en harmonisatie tussen administraties; ze wijzen op cultuurproblemen (gebrek aan vertrouwen, late detectie) en dringen aan op versnelde preventie (vroegsignalering, betere communicatie) om langdurig verzuim te voorkomen. Hansez bekritiseert dat slechts 8-15% van de ondersteuningsdiensten (bv. psychologische consulten) daadwerkelijk wordt gebruikt door gebrek aan bekendheid.

Voorzitter:

Mevrouw Demesmaeker en mevrouw Hansez laten zich verontschuldigen omdat ze op dit ogenblik een andere commissievergadering bijwonen.

François De Smet:

Selon le dernier rapport de Medex, le service médical conseil chargé de contrôler les absences dans l’administration, il appert qu’ en 2024, le fonctionnaire fédéral a manqué en moyenne 18,2 jours de travail, la moyenne des absences monte même à 25 jours si l’on considère uniquement le personnel ayant été malade pendant au moins une journée. Seule la période de la pandémie de covid, avec ses quarantaines obligatoires en cas de contamination, a donné lieu à des chiffres d’absence plus élevés.

La part des jours d’absence attribués à des troubles liés au stress et à des maladies psychologiques ne cesse d’augmenter et en 2024, ce chiffre s’élève à 43,7% par rapport à 2015. Les maladies locomotrices, quant à elles, telles que les douleurs dorsales, musculaires, articulaires ou osseuses, diminuent sensiblement, passant de 24,8% à 18,1% sur une période similaire Les maladies respiratoires, les troubles du système nerveux et les cancers complètent le classement. Finalement , les fonctionnaires fédéraux totalisent de 1,5 million de jours d’absence pour maladie, ce qui constitue un record

En proportion du nombre de membres du personnel, exprimé en équivalents temps plein (ETP), l’absentéisme a légèrement baissé, passant de 6,71% à 6,42%. Cette baisse concerne uniquement les absences de courte et moyenne durée. En revanche, l’absentéisme de longue durée, c’est-à-dire les absences de plus d’un an, est en hausse.

Les premières analyses font état d’une structure hiérarchique rigide au sein de la fonction publique et d’une pression sociale accrue qui peuvent influencer de manière significative le bien-être au travail.

En conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:

quelles appréciation donne-t-elle sur ces chiffres qui sont inquiétants tant au niveau du bien être des fonctionnaires que de l’efficience de la gestion de la fonction publique?

quelles mesures entend-elle prendre pour endiguer cet absentéisme qui de conjoncturel pourrait devenir structurel ?

Nele Daenen:

Volgens recente cijfers van de medische dienst Medex kampt bijna één op vijf federale ambtenaren die ziek thuis zijn met psychische of stressgerelateerde problemen. Het aandeel van ziekteverzuim dat te maken heeft met mentale gezondheid, is ondertussen opgelopen tot bijna 44 % van alle ziektedagen, het hoogste cijfer ooit.

Experts, zoals professor Lode Godderis (KU Leuven), wijzen op structurele oorzaken binnen de overheid zelf: een hiërarchische en weinig flexibele werkorganisatie, een mismatch tussen competenties en functies, en een trage re-integratie bij terugkeer na ziekte.

Hoewel u reeds initiatieven hebt genomen, zoals het netwerk van re-integratie-experten, lijkt de mentale druk op de werkvloer van de overheid verder toe te nemen.

Mevrouw de minister,

Hoe verklaart u zelf deze aanhoudende stijging van het mentale ziekteverzuim bij federale ambtenaren, ondanks de lopende welzijnsinitiatieven?

Ziet u in de huidige organisatiecultuur van de federale overheid — met haar hiërarchie en beperkte autonomie — een structurele factor die burn-outs in de hand werkt?

Welke nieuwe maatregelen zult u nemen om de mentale belasting structureel te verminderen, met name op het vlak van werkorganisatie, leidinggevendenopleiding en preventiebeleid?

Hoe zult u ervoor zorgen dat re-integratie na langdurige afwezigheid niet alleen individueel begeleid wordt, maar ook leidt tot een meer flexibele en moderne overheidscultuur, zodat herval wordt voorkomen?​

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, selon le dernier rapport de Medex, l'absentéisme dans la fonction publique fédérale a atteint en 2024 un niveau historique avec une moyenne de 18,2 jours d'absence par agent, un niveau comparable à celui qu'on observait lors de la pandémie, au moment le plus fort. Alors, si une part importante des agents n'a connu aucune absence, la tendance globale traduit néanmoins une hausse préoccupante des maladies de longue durée.

Le rapport souligne une évolution majeure, à savoir la forte progression des affections psychologiques qui représentent aujourd'hui près de 44 % des jours d'absence contre environ un tiers il y a 10 ans. Le stress, la dépression et le burn-out constituent aujourd'hui les principales causes d'arrêt de travail. Cette évolution confirme la conviction des Engagés que la souffrance mentale au travail est devenue un enjeu central de santé publique et un défi organisationnel majeur.

Je tiens à saluer votre engagement constant pour faire de la fonction publique un employeur responsable et attentif au bien-être de ses agents. Sous votre impulsion, plusieurs mesures importantes ont été initiées via Empreva: formation à la résilience, accompagnement des managers, nouvelles démarches de prévention et création d'un réseau d'experts en réintégration destiné à soutenir le retour progressif des agents après une absence prolongée. Ces initiatives vont clairement dans le bon sens, mais la situation montre qu'il faut poursuivre et renforcer les efforts engagés.

Madame la ministre, comment votre ministère entend-il consolider encore la prévention primaire du stress et du burn-out, alors que les risques psychosociaux représentent désormais la première cause d'incapacité dans la fonction publique fédérale? Une réflexion est à mener sur la prévention secondaire dans la continuité du projet Reborn, afin d'assurer un suivi précoce des agents fragilisés avant qu'ils ne soient en incapacité de travail de longue durée et d'éviter que les absences de moyenne durée ne se transforment en burn-out chroniques.

Une question qu'on m'a déjà posée dans les institutions publiques est de savoir si les plans de bien-être au travail sont suffisamment harmonisés entre les différentes administrations pour garantir une approche cohérente et réellement efficace? Enfin, pourriez-vous préciser le calendrier de déploiement du réseau d'experts en réintégration et les moyens qui leur seront alloués pour assurer un accompagnement solide et équitable des agents de retour au travail?

Vanessa Matz:

Als minister van Ambtenarenzaken hecht ik bijzonder veel aandacht aan mentaal welzijn en welzijn op het werk. Het recentste Medexrapport bevestigt dat het aantal afwezigheden om psychische redenen of stressgerelateerde oorzaken blijft stijgen.

Elles représentent désormais 43,7 % de l'ensemble des jours d'absence, soit le chiffre le plus élevé jamais enregistré. Les causes sont souvent multiples, entre charge émotionnelle, perte de sens et autonomie, charge de travail, exigences administratives et facteurs individuels, et varient d'une organisation à l'autre et d'une personne à l'autre.

Het is bovendien geen fenomeen dat beperkt blijft tot België of de overheid. De situatie is wereldwijd verslechterd sinds de COVID-19-pandemie.

Face à ce constat, dès 2022, le gouvernement a lancé le plan Bien-être mental au travail (BEMAT), qui constitue un cadre de référence pour la prévention, la détection et la réintégration dans l'administration fédérale. Je tiens aussi à rappeler cet élément important, qui est que chaque employeur et chaque organisation fédérale a la responsabilité de veiller au bien-être des membres de son personnel.

De FOD BOSA stelt heel wat hulpmiddelen ter beschikking, maar organisaties moeten deze ten volle benutten en zichtbaar en beschikbaar maken voor hun medewerkers. Uit de ReBornstudie blijkt dat 61 % van de bevraagde medewerkers met een burn-outverleden nooit gebruik heeft gemaakt van de bestaande instrumenten als gevolg van een gebrek aan informatie of vertrouwen.

L'étude ReBorn visait précisément à identifier des recommandations pour prévenir l'absentéisme lié au burn-out, accélérer les interventions lorsque des signaux apparaissent et garantir une réintégration durable après une absence prolongée. C'est surtout dans ces deux derniers domaines, la prévention secondaire et tertiaire, que des efforts supplémentaires sont attendus.

De FOD BOSA heeft mij deze maand het eindrapport bezorgd. Ik zal de aanbevelingen analyseren en een aanvullend actieplan voorstellen dat de maatregelen zal versterken die ik nu al uitvoer.

Ten eerste benadruk ik de verplichting voor elke federale organisatie om elke vijf jaar een volledige analyse van de psychosociale risico’s uit te voeren, gekoppeld aan een verplicht actieplan. Dat actieplan moet maatregelen bevatten rond autonomie, werkdruk en werkorganisatie, wanneer die factoren als risico’s worden geïdentificeerd.

Le SPF BOSA accompagnera activement les services dans la mise en œuvre et l'évaluation de ces plans. D'ici 2028, chaque organisation fédérale devra aussi disposer d'au moins un expert en réintégration. Je travaille sur une circulaire pour rendre cette exigence concrètement applicable aux organisations fédérales.

Le rôle des responsables hiérarchiques est également central. Les études confirment que le leadership influence directement la prévention du burn-out, la détection précoce et la qualité de la réintégration. C'est pourquoi je veux qu'avant fin 2026, chaque manager ait suivi une formation au leadership de soutien.

Die opleiding, gebaseerd op vertrouwen, dialoog en erkenning, komt bovenop een ambitieus vormingsaanbod dat al beschikbaar is voor alle medewerkers. Vroeg ingrijpen is essentieel. Het federale Administration Burnout Program heeft zijn effectiviteit aangetoond in het verminderen van stress-, depressie- en burn-outsymptomen. Ik zal concrete maatregelen voorstellen om het gebruik ervan te verhogen en de toegankelijkheid te verbeteren.

Finalement, je veux instaurer au sein de l'administration fédérale une politique de réintégration véritablement durable. Pour cela, un réseau de 41 coaches spécialisés est pleinement mobilisé pour accompagner les reprises progressives. Des experts en réintégration obligatoire dans chaque organisation devront assurer un suivi individuel et structurel.

Het verminderen van het aantal afwezigheden door burn-out is een van mijn doelstellingen. Het is ambitieus, maar we moeten ook realistisch zijn en erkennen dat er veel factoren meespelen en ik wil in de nodige middelen voorzien om dit te realiseren.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous ne pouvons pas dire que vous ne faites rien. J'entends tout ce qui est mis en place. Nous en ferons avec vous le suivi.

Il n’empêche que 43 % d'absences pour des raisons psychosociales et de stress dans la fonction publique, c'est énorme. C'est considérable, d'autant que ce milieu professionnel a théoriquement pour lui l'avantage d'une certaine stabilité, d'une certaine sécurité d'emploi – même si elle n'est pas absolue. Cela veut donc dire que le manque de sens ou les difficultés managériales au sein de la fonction publique sont beaucoup plus grandes que ce que je pouvais soupçonner.

Les plans que vous mettez en place, objectivement, sur le papier, sont prometteurs et attrayants. Nous espérons que les résultats suivront, et nous vous interrogerons le moment venu. Nous ne pouvons, en toute honnêteté, que vous encourager pour le moment.

Nele Daenen:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw toelichting.

Het is inderdaad, zoals mijn collega al gezegd heeft, een zeer ambitieus plan dat u voor de toekomst voorziet. Er moet echt iets worden gedaan, want 44 % burn-out of uitval is aanzienlijk. Het re-integratietraject dat u voorziet, met de 41 coaches die u zult aanstellen, zal heel belangrijk zijn om federale ambtenaren te kunnen re-integreren. Voor veel mensen die met een burn-out uitvallen, is het immers niet evident om weer aan het werk te gaan. Ik hoop dat u slaagt in uw plan van aanpak. We zullen dat met Vooruit verder opvolgen.

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, je vous remercie de vos réponses. Plusieurs mesures sont donc prises pour prévenir la souffrance, soutenir les agents et construire une fonction publique plus humaine et exemplaire. Pour avoir participé au projet ReBorn et en avoir été l'un des promoteurs, je pense que plusieurs actions sont prises dans l'administration publique pour accompagner les agents. Comme vous l'avez dit, leur visibilité est insuffisante: hormis le suivi par un médecin du travail, par un service externe ou par Empreva, on constate que ce service est utilisé à hauteur de 15 %. BOSA rembourse, pour sa part, les consultations psychologiques, lesquelles sont utilisées à hauteur de 8 %. Une plus grande visibilité serait donc bénéfique dans la prise en charge des incapacités de travail.

De deal met Marokko
Een vernieuwd partnerschap met Marokko
Consulaire bijstand in Marokko
Samenwerking en consulaire ondersteuning met Marokko

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Maxime Prévot bevestigde een nieuwe politieke verklaring met Marokko (23/10), gericht op versnelde terugkeer van illegale criminelen, versterkte veiligheids- en migratiesamenwerking (o.a. gestroomlijnde administratie, strijd tegen georganiseerde misdaad) en economische banden, zonder directe budgettaire impact. Hij schaarde België achter het Marokkaanse autonomieplan voor Westelijke Sahara als "meest realistische oplossing" (UN-resoluties) en kondigde diplomatieke/economische stappen (o.a. ambassadeursbezoek, missies) en consulaire bijstand in de regio aan – ook voor binationalen. Britt Huybrechts (kritisch) noemde eerdere akkoorden "dode letter" en eiste concrete resultaten (remigratie, gevangenisoverbevolking), dreigend met ontwikkelingshulp als drukmiddel als Marokko tekortschiet. Benoît Lutgen (cdH) en Pierre Kompany juichten de "versterkte banden" (o.a. staatsbezoek 2026, economische as) en Sahara-standpunt toe als "juiste, evenwichtige koers".

Britt Huybrechts:

Onlangs raakte bekend dat u een nieuw akkoord heeft afgesloten met het Koninkrijk Marokko om meer illegale criminelen die zich in ons land bevinden, effectief terug te sturen. Volgens berichten in de pers zou dit akkoord deel uitmaken van een ruimer diplomatiek pakket, waarbij België in ruil voor Marokkaanse medewerking steun verleent aan het Marokkaanse plan inzake de Westelijke Sahara.

Terugkeerakkoorden zijn nochtans geen nieuw gegeven: ook in het verleden werden met Marokko al afspraken gemaakt, maar die bleken weinig doeltreffend. Uit de cijfers blijkt immers dat de Dienst Vreemdelingenzaken in de eerste helft van dit jaar slechts 717 veroordeelde criminelen heeft kunnen terugsturen, waarvan 147 naar Marokko.

Daarom heb ik volgende vragen voor u:

1. Kunt u toelichten wat precies de inhoud is van het nieuwe akkoord met Marokko?

Gaat het om een bindende overeenkomst, een intentieverklaring of een bilaterale samenwerking op administratief niveau?

2. Wanneer zal dit akkoord concreet in werking treden en welke praktische afspraken zijn gemaakt om de uitvoering te versnellen?

3. Wat is de financiële impact van dit akkoord?

Werd er financiële of logistieke steun toegezegd aan Marokko in ruil voor de medewerking aan terugkeeroperaties?

Indien ja, om welke bedragen gaat het en onder welke budgetlijn worden deze gedekt?

4. Tot wanneer geldt dit akkoord?

Is er sprake van een vaste looptijd of automatische verlenging?

5. Welke concrete doelstellingen of quota werden afgesproken met de Marokkaanse autoriteiten?

Hoeveel illegale criminelen verwacht u dankzij dit akkoord jaarlijks te kunnen terugsturen naar Marokko?

6. Hoe zal u de opvolging van dit akkoord verzekeren, en op welke wijze zal het parlement hierover geïnformeerd worden?

Benoît Lutgen:

Monsieur le ministre, la Belgique et le Maroc, ainsi que leurs souverains respectifs, entretiennent des liens forts et des relations privilégiées depuis plusieurs générations. L'importante communauté belgo-marocaine présente dans notre pays fait vivre quotidiennement ces relations, tout comme les nombreux Belges qui résident au Maroc. Il s'agit d'un pays ami, qui mérite toute l'attention de notre action diplomatique pour investir toujours davantage dans ces relations. Il s'agit donc d'un pays fiable avec lequel nous entretenons de magnifiques rapports. Je me réjouis dès lors que vous ayez signé avec votre homologue marocain, le 23 octobre dernier, "animés par la volonté d'approfondir les relations d'amitié et de coopération entre les deux pays", une Déclaration conjointe.et je vous en félicite.

Monsieur le ministre, en quoi cette Déclaration consiste-t-elle exactement? Que contient-elle? Quels en sont les résultats concrets? Comment la position de la Belgique a-t-elle évolué au sujet de la question du Sahara occidental? Enfin, quel suivi est-il prévu de donner à cette Déclaration?

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, je parlerai de l'assistance consulaire au Maroc.

Nombre de nos ressortissants se rendent chaque année au Maroc. Pour nombre d'entre eux, la déclaration conjointe que vous avez signée avec votre homologue marocain, comme le disait mon collègue Benoît Lutgen, le 23 octobre dernier, n'est pas passé inaperçue. Elle a été accueillie très positivement.

Vous faites preuve d'une position plus volontaire à l'égard de la question du Sahara occidental. La déclaration est cependant muette quant à la possibilité pour nos ressortissants de faire appel à l'assistance consulaire depuis cette région. Monsieur le ministre, qu'en est-il de l'assistance consulaire aux Belges au Sahara occidental? Les ressortissants binationaux, belgo-marocains, peuvent-ils faire appel à l'assistance consulaire? Je vous remercie.

Maxime Prévot:

Geachte leden, op 23 oktober jongstleden had ik een ontmoeting met mijn Marokkaanse homoloog, minister Nasser Bourita. Bij die gelegenheid hebben we een politiek akkoord ondertekend dat gericht is op het versterken van de samenwerking tussen België en Marokko op tal van domeinen.

Het akkoord vormt een nieuwe belangrijke stap in een strategisch partnerschap gebaseerd op diepe menselijke, culturele en economische banden, mede dankzij de aanwezigheid van een grote Belgisch-Marokkaanse gemeenschap die dagelijks bijdraagt aan de toenadering tussen beide samenlevingen. Dit akkoord heeft de vorm van een gemeenschappelijke politieke verklaring over onze bredere bilaterale politieke en economische betrekkingen, met een administratieve annex inzake een versterkte samenwerking op het gebied van veiligheid, migratie en justitie.

Het akkoord voorziet onder meer in de oprichting van een bredere veiligheidsdialoog, de modernisering van de justitiële samenwerking via de herziening van het bilaterale verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, operationele samenwerking in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en het witwassen van inkomsten uit criminele activiteiten en een versterking van de migratiesamenwerking om de procedures voor terugname te vergemakkelijken.

L'objectif de cet accord, qui n'a pas d'impact budgétaire direct, est bel et bien d'approfondir la coopération bilatérale avec des résultats concrets et mesurables.

Concrètement, cela signifie notamment clarifier les processus administratifs avec des délais précis et établir des canaux efficaces pour l'échange de dossiers dans le domaine du crime organisé international ou du retour de personnes en situation irrégulière par exemple. Cela signifie également d'explorer plus en avant les nombreuses opportunités économiques qui s'offrent à nos entreprises au Maroc et inversement. Outre une consultation régulière avec mon homologue, l'accord prévoit un suivi étroit qui est d'ores et déjà en cours au niveau des administrations et un calendrier précis pour son exécution avec de brèves échéances. Les engagements pris le sont sans limite dans le temps et en ce qui concerne les statistiques des premiers résultats, je vous invite à vous adresser à mes collègues de la Justice et de l'Asile et de la Migration.

Il est prévu que plusieurs de mes collègues et moi-même, probablement sous la présidence du premier ministre dans une approche whole-of-government , nous nous rendions au Maroc au printemps prochain afin de faire le point sur la mise en œuvre de ce protocole. Je tiendrai volontiers cette commission informée.

C'est aussi pour célébrer les relations belgo-marocaines que nous travaillons à l'organisation dans le courant de cette législature d'une visite d'État, une visite de haut niveau avec présence royale au Maroc.

Plus fondamentalement, j'ai fait le choix d'envoyer un signal fort à nos amis marocains à propos du Sahara occidental.

C'est conscient de l'importance existentielle de la question du Sahara occidental pour le Maroc que j'ai décidé d'adopter une approche plus volontariste de la question en déclarant que l'initiative marocaine pour la négociation d'un statut d'autonomie de la région du Sahara, présentée en 2007 et qui prévoit que cette région s'inscrive dans le cadre de la souveraineté du Royaume du Maroc et de son unité nationale, constitue désormais pour la Belgique la base la plus adéquate, sérieuse, crédible et réaliste pour parvenir à une solution politique qui soit juste, durable et mutuellement acceptable par les parties, conformément aux résolutions du Conseil de sécurité des Nations Unies.

J'ai ajouté avec conviction que la Belgique agirait désormais, sur les plans diplomatiques et économiques, en phase avec cette position, toujours dans le respect du droit international. C'est pourquoi j'inviterai notre ambassadeur à Rabat à effectuer très prochainement une visite dans la région. Il s'agira notamment d'y préparer ou de soutenir plusieurs initiatives de nature économique, comme la visite d'entreprises belges, l'organisation de fora économiques en Belgique ou au Maroc, ou encore l'organisation d'une mission économique des trois agences régionales dans la région. Je veillerai ainsi, dans les semaines et mois qui viennent, à donner pleinement corps aux engagements pris par la Belgique.

Monsieur Kompany, sachez que le consulat général de Belgique à Rabat est compétent pour le Royaume du Maroc, sans distinction régionale, y compris donc pour le Sahara occidental. Les quelques Belges qui résident dans la région du Sahara occidental sont inscrits à Rabat et y bénéficient des services consulaires. L'assistance consulaire est par ailleurs offerte aux Belges de passage dans la région. En ce qui concerne les binationaux, le Code consulaire, en son article 79, prévoit explicitement, je cite, que "les Belges qui possèdent aussi la nationalité de l'État dans lequel l'assistance consulaire est demandée peuvent également prétendre à l'assistance consulaire, sauf lorsque le consentement des autorités locales est requis."

Britt Huybrechts:

Mijnheer de minister, elke stap die de terugkeer van illegale criminelen naar hun land van herkomst kan versnellen, moeten we uiteraard toejuichen, maar de vele akkoorden die we in het verleden hebben gesloten, zijn vaak dode letter gebleven. Daarom hoop ik oprecht dat het nieuwe akkoord niet op dezelfde stapel van goedbedoelde intenties belandt die nooit iets opleveren. De Vlaming verwacht immers resultaten. Er moet zo snel mogelijk werk worden gemaakt van de remigratie van illegalen en criminele Marokkanen. Dat is niet alleen noodzakelijk voor onze veiligheid, maar ook voor de aanpak van de overbevolking in de Belgische gevangenissen. De Marokkaanse gevangenen behoren vandaag immers tot de top drie van alle nationaliteiten in die gevangenissen.

Als ten slotte zou blijken, mijnheer de minister, dat dit akkoord opnieuw beperkt blijft tot papieren symboliek, omdat Marokko zijn engagementen niet nakomt, dan mag het voor België geen gratis verhaal zijn. Ons land geeft Marokko jaarlijks een aanzienlijk bedrag als ontwikkelingshulp. Ik verwacht dan ook dat u dat instrument zult – en durft te –gebruiken als hefboom om de naleving van het akkoord af te dwingen, want als Marokko dat niet wil, moet u het ertoe dwingen.

Benoît Lutgen:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

Je ne peux que me réjouir que l'année 2026 verra encore s'intensifier les relations déjà solides entre la Belgique et le Maroc, à travers un programme riche comprenant notamment une visite royale. Je pense aussi à l'élaboration de l'axe économique avec les entreprises concernées. Je ne peux que m'en réjouir évidemment, car c'est essentiel pour le développement des relations économiques entre nos deux pays.

S'agissant du Sahara occidental, j'entends votre volontarisme qui me réjouit, s'inscrivant dans une approche juste, durable et mutuellement acceptable. Nous ne pouvons qu'y souscrire. Ce dossier nous occupe depuis plusieurs années, sans que nous puissions en régler les contours. Je ne souhaite qu'une chose, aller dans ce sens.

En tout cas, merci pour les différentes précisions et pour le solide programme qui sera développé l'année prochaine entre nos deux pays. C'est important, aussi bien pour la communauté belge présente au Maroc qu'à l'inverse, pour la communauté marocaine présente dans notre pays.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, tous les signaux sont au vert pour une relation amicale et respectueuse entre nos deux pays. J'entends que cette visite royale va encore renforcer tout ce que vous êtes en train d'accomplir et qui va mettre en lumière la volonté de la Belgique d'aller de l'avant avec le Maroc. Que dire encore, si ce n'est qu'il faut poursuivre votre travail. Je sais que cela doit être épuisant. Au risque de me répéter, vous êtes le porte-parole de la Belgique tout entière. Les Congolais le répètent encore: vous êtes la voix autorisée de ce pays. Je vous remercie.

De regulering en coördinatie van de strijd tegen drugsduikboten

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Annelies Verlinden bevestigt dat België via het Carrefour d’Information Maritime (CIM) intens samenwerkt met politie, douane, defensie en internationale partners (o.a. MAOC-N, Europol) om drugssmokkel via zee te bestrijden, maar stelt dat narcosubmarines nog niet in Belgische wateren zijn gesignaleerd—mede door hoge scheepvaartdichtheid en versterkte havensurveillance. Ze benadrukt concrete acties zoals deelname aan internationale operaties (bv. White Sea, 3,4 ton cocaïne in beslag), investeringen in datadelingsystemen (ONUDC-project) en de recent verkregen MAOC-lidmaatschap (sinds juli 2024), met een permanente verbindingsfunctionaris. Anthony Dufrane onderstreept het kritische belang van deze aanpak voor België—als europese drugshub via Antwerpen—en uit vertrouwen in verdere justitiële versterking, zonder expliciete kritiek.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, l’interception récente d’un narcosous-marin transportant 1,7 tonne de cocaïne au large du Portugal met en lumière une menace croissante pour l’Europe: l’utilisation de sous-marins artisanaux par les réseaux criminels pour acheminer des stupéfiants depuis l’Amérique latine. Ces embarcations, bien que ne pouvant pas plonger complètement, demeurent difficiles à détecter par les radars et les satellites, ce qui en fait un outil privilégié pour les trafiquants. En Belgique, où le port d’Anvers constitue une plaque tournante du trafic de drogue en Europe, la lutte contre ces nouvelles méthodes de contrebande maritime est un enjeu majeur.

La coopération internationale – notamment via le Centre d’analyse et d’opérations maritime de lutte contre le trafic de drogue (MAOC-N) basé à Lisbonne – a déjà permis des saisies significatives et des échanges d’informations cruciaux entre pays européens, dont la Belgique, bien qu’elle ne soit pas un pays signataire. Cependant, l’évolution des techniques utilisées par les trafiquants, comme les sous-marins sans pilote ou les drones maritimes, exige une adaptation constante des stratégies de détection et de répression.

Madame la ministre, quelles mesures concrètes sont-elles mises en place par les autorités belges pour détecter et intercepter les narcosous-marins et autres embarcations suspectes? Comment les autorités maritimes collaborent-elles avec la justice pour traquer les réseaux criminels impliqués dans le trafic de drogue par voie maritime? Quels investissements et innovations technologiques sont-ils prévus pour améliorer la surveillance des côtes et des ports belges? Enfin, comment votre SPF sensibilise-t-il les acteurs du secteur maritime, que ce soit les compagnies, les équipages, les ports, à la menace des narcosous-marins?

Annelies Verlinden:

Collègue Dufrane, au sein du Carrefour d’Information Maritime (CIM), différentes autorités belges – à savoir la DG Navigation, la police, les douanes et la Défense – collaborent étroitement afin de dresser un tableau complet de la situation maritime. L’objectif est de détecter et de combattre le trafic de stupéfiants en mer et de surveiller les autres menaces potentielles. Pour mener les enquêtes, les services de police et les douanes assurent la liaison avec le MAOC, Europol, les pays partenaires et les autorités judiciaires.

À ce jour, nous n’avons pas connaissance de cas où des semi-submersibles auraient été impliqués ou signalés dans les eaux belges. Cela peut notamment s’expliquer par la fréquentation élevée des routes maritimes, la présence d’un grand nombre d’infrastructures et de bancs de sable, ainsi que par la surveillance renforcée des ports belges.

Ces bateaux ont principalement été découverts dans les eaux portugaises et espagnoles. Néanmoins, pour inspecter des navires et récupérer des cargaisons larguées en mer, des moyens spécifiques, tels que des embarcations rapides, des équipes d'arraisonnement ou de plongeurs, peuvent être mobilisés avec le soutien d'équipes d'analyse lors d'opérations nationales ou internationales.

Ces opérations peuvent cibler différentes méthodes de contrebande, notamment le largage de drogue en mer, le transbordement vers de plus petits navires, la contrebande effectuée par des membres d'équipage, la découverte de cargaisons dissimulées sur les navires, etc.

La police judiciaire fédérale et la police de la navigation luttent également contre le trafic de drogue par voie maritime en participant aux actions internationales coordonnées par les douanes belges, Europol et Frontex, comme lors de l'opération internationale White Sea en juin 2025, qui a permis de contrôler 119 navires, de saisir 3,4 tonnes de cocaïne et d'effectuer 13 arrestations.

Afin de renforcer la détection et l'interception des embarcations suspectes en provenance des pays d'Amérique du Sud, un projet soutenu par l'Office des Nations Unies contre la drogue et le crime (ONUDC), auquel la Belgique participe, a été lancé en 2024. L'objectif est la mise en place d'un système d'échange de données durable et efficace.

Notre pays est officiellement devenu membre du MAOC en juillet 2024. La police fédérale échange quotidiennement des informations opérationnelles avec le MAOC et ses autres pays membres, et y a détaché un officier de liaison depuis septembre 2025.

Anthony Dufrane:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. La lutte contre la drogue est vraiment une priorité en Belgique. Notre pays voit de grandes quantités arriver par voie maritime, et c'est en ce sens que le MAOC est pertinent dans cette lutte. Je ne doute pas que cette thématique restera une de vos priorités, et que l'arsenal judiciaire évoluera en ce sens.

De VES-wetgeving en de toepassing ervan in drugsdossiers

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 december 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Paul Van Tigchelt (PVT) vraagt om uitbreiding van de VES-procedure (voorafgaande erkenning van schuld) naar zware drugsdossiers, geïnspireerd door het Nederlandse model, om megaprocessen te versnellen en justitiële capaciteit efficiënter in te zetten, maar waarschuwt zelf dat toepassing op "grote vissen" als teken van justitiële onmacht kan worden gezien en pleit voor vermogensafpak via internationale samenwerking (bv. met Marokko/VAE). Minister Annelies Verlinden bevestigt dat VES nu beperkt is tot straffen ≤5 jaar, maar onderzoekt uitbreiding na overleg met het College van procureurs-generaal, gezien de efficiëntiewinst (tijd, kosten, strafuitvoering). Ze benadrukt dat VES al voordelen biedt voor slachtoffers (schadevergoeding) en rechtbanken (capaciteitswinst). PVT bekritiseert impliciet een mogelijke uitbreiding naar topcriminelen, uit vrees voor symbolische verzwakking van de drugsbestrijding, maar erkent dat het onderzoek loopt. Het hoofddebat draait om de afweging tussen efficiëntie (VES-uitbreiding) en hard optreden tegen zware criminaliteit.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.

De afgelopen maanden merken we in het gerechtelijk landschap een groeiende interesse voor het gebruik van de procedure van voorafgaandelijke erkenning van schuld (VES), ook in complexe en grootschalige drugsdossiers. Verschillende advocaten signaleren dat cliënten, ook in zware zaken, bereid zijn tot onderhandelingen over schuld en straf, wat potentieel kan leiden tot snellere afhandeling van dossiers, minder ellenlange megaprocessen en een efficiëntere inzet van justitiële capaciteit.

Tegelijk horen we dat het bestaande wettelijk kader hiervoor niet altijd toereikend is: de VES-procedure is vandaag strikt beperkt, laat enkel deals toe binnen bepaalde strafmarges en biedt geen antwoord op situaties waarbij zware straffen al bij verstek zijn uitgesproken. In andere landen, zoals Nederland, wordt dergelijke onderhandelingsruimte wél ruimer ingezet, met tegelijk tijdswinst én een significante financiële return voor justitie.

Overweegt u een uitbreiding of aanpassing van de VES-wetgeving, zodat ook in zwaardere drugsdossiers onderhandelingen mogelijk worden gemaakt, zoals bijvoorbeeld in andere Europese landen reeds gebeurt?

Heeft u hierover reeds overleg gehad met het college van procureurs-generaal, gelet op de signalen vanuit het Antwerpse parket dat men openstaat voor een bredere toepassing?

Hoe beoordeelt u de potentiële meerwaarde van VES-akkoorden voor het terugdringen van de werklast van megaprocessen, het versnellen van strafuitvoering, en het realiseren van een snellere financiële afhandeling richting de staat?

Annelies Verlinden:

Collega Van Tigchelt, de procedure van de voorafgaande erkenning van schuld, die in 2016 werd ingevoerd in artikel 216 van het Wetboek van strafvordering, werd vorig jaar hervormd.

De voorafgaande erkenning van schuld beoogt de ontlasting van de strafrechtbanken door de vermindering van de duur van de strafprocedures wanneer de betrokkene voorafgaand zijn straf aanvaardt. De kortere behandelingstijden zorgen voor meer zittingscapaciteit. Bovendien is er geen mogelijkheid tot beroep en zijn er garanties op strafuitvoering. Ook slachtoffers hebben als burgerlijke partij een sterk voordeel omdat ze hun vordering tot schadevergoeding kunnen baseren op de strafrechtelijke erkenning van de schuld door beklaagden. Deze procedure levert dus op verschillende vlakken winsten op inzake tijd, capaciteit, kosten en efficiëntie.

Momenteel kan de procedure van voorafgaande erkenning van schuld worden toegepast voor feiten die niet van die aard zijn dat ze gestraft moeten worden met een hoofdstraf van meer dan vijf jaar correctionele gevangenisstraf. De procureur kan de toepassing van de in dit artikel omschreven procedure ook voorstellen tijdens het gerechtelijk onderzoek, na het verplicht en bindend advies van de onderzoeksrechter over de stand van het onderzoek, evenals na de overzending van het dossier door de onderzoeksrechter in het kader van de regeling van de rechtspleging. Hij kan het ook voorstellen wanneer de zaak reeds bij de feitenrechter aanhangig is gemaakt.

De mogelijkheid tot verdere uitbreiding van de regelgeving moet nader worden onderzocht. Dit houdt een consultatie in van de terreinactoren, met name het College van procureurs-generaal. We bekijken dit omdat het bijkomende effectiviteits- en efficiëntiewinsten kan opleveren.

Paul Van Tigchelt:

Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. U hebt de procedure uitgelegd, maar die ken ik uiteraard.

We moeten in de strijd tegen de drugsmaffia zeer creatief te werk gaan. We moeten echter voorzichtig zijn om die VES desgevallend uit te breiden naar de zogenaamde grote vissen. Daar moeten we omzichtig mee omspringen, omdat dit zou kunnen worden gezien als een teken van onmacht. Het is belangrijk – en u levert daar ook inspanningen voor, dat weet ik – dat we erop rekenen dat we de criminele vermogens van die grote jongens zoveel mogelijk proberen af te nemen. Dat moeten we doen via samenwerking met landen als de Verenigde Arabische Emiraten en Marokko. We moeten dus voorzichtig blijven.

Ik zeg niet dat u het zal doen, maar het wordt onderzocht. Toch denk ik dat we voorzichtig moeten zijn om de VES ook op die grote jongens toe te passen.

Voorzitter:

Les questions n° 56010575C et n° 56010599C de M. Alexander Van Hoecke sont transformées en questions écrites. La question n° 56010641C de Mme Sarah Schlitz est reportée.

De gezondheid van zelfstandigen en de preventie van burn-out en uitputting
De toenemende druk op de zelfstandigen als keerzijde van succesvol ondernemerschap
Burn-outpreventie bij zelfstandigen
De gezondheidsrisico's en werkdruk van zelfstandigen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 25 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie belicht de alarmerende stijging (49% in 6 jaar) van arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen, voornamelijk door spier- en skeletaandoeningen (70%) en burn-out/psychische problemen (+67%), veroorzaakt door lange werkdagen, isolatie, mentale belasting en financiële druk. Minister Simonet kondigt concrete maatregelen aan: versterkte preventie via ziektekassen (€4 mln/jaar), versnelde digitale ziektemeldingen (2026), begeleidingsprogramma’s voor re-integratie (o.a. TRIO-platform en IPS-methode), en pilotprojecten zoals "Stress, Werk en Eerste Lijn" en uitbreiding zwangerschapsverlof (van 12 naar 15 weken). Kritiek blijft op structurele kwetsbaarheid (geen inkomen bij ziekte, minder bescherming dan werknemers), maar er is steun voor de geplande samenwerking met sociale partners en vereenvoudiging administratie.

Anne Pirson:

Madame la ministre, une enquête des Mutualités Libres met en lumière une évolution vraiment préoccupante puisque le nombre d'indépendants en incapacité de travail a augmenté de 49 % en six ans. Cette progression est beaucoup plus forte que dans le reste de la population active.

Les causes sont identifiées. Les troubles musculosquelettiques représentent 70 % des causes; le burn-out, plus 67 %; les troubles mentaux et du comportement, plus 58 %. Cette tendance s'explique en partie par des facteurs économiques et organisationnels: des journées longues et intenses pour maintenir leur revenu; un isolement professionnel plus marqué et une charge mentale accrue.

Si la suppression du stage d'attente en 2019 a facilité l'accès aux indemnités, elle n'explique qu'une partie de la hausse selon l'enquête. On estime que ces constats doivent vraiment nous interpeller. Les indépendants restent encore à l'heure actuelle toujours moins protégés que les salariés, alors même que leur exposition au stress, à l'usure et à la solitude professionnelle est particulièrement forte.

Madame la ministre, comment le gouvernement entend-il renforcer la prévention et l'accompagnement psychosocial spécifiquement pour les indépendants, pour éviter une nouvelle explosion des incapacités de travail dans ce groupe qui est déjà très fragile? Envisagez-vous de mettre en place des dispositifs ciblés par exemple via l'INASTI ou en partenariat avec les mutuelles pour détecter plus tôt les risques de burn-out et de troubles musculosquelettiques chez les indépendants? Enfin, quelles pistes le gouvernement explore-t-il pour améliorer l'équilibre entre la vie professionnelle et la santé des indépendants, qui sont souvent aujourd'hui encore laissés seuls face aux défis qu'ils doivent relever?

Marie Meunier:

Madame la ministre, les indépendants sont davantage stressés en 2025 qu'ils ne l'étaient en 2024. C'est ce qui ressort d'une étude menée par l'UCM auprès de 850 entrepreneurs et chefs d'entreprise. Ils sont surtout portés par la satisfaction de leur clientèle et de bons résultats comptables. À l'inverse, la surcharge de travail et la pression fiscale plombent leur moral. Parmi les répondants, 40 ont demandé à être suivis par un psychologue.

On connaît les causes de cette situation: toujours plus de pression professionnelle; une surcharge mentale; l'isolement; une difficulté à demander de l'aide ou encore la difficulté de lever le pied face aux impératifs économiques.

Ces chiffres témoignent de la nécessité d'une politique de prévention et d'accompagnement adaptée à la réalité des indépendants, qui aujourd'hui ne bénéficient toujours pas du même soutien psychologique que les salariés.

Madame la ministre, êtes-vous au fait de cette problématique? Depuis votre entrée en fonction, avez-vous pris ou soutenu des initiatives pour améliorer la santé mentale des indépendants? Si oui, lesquelles? Avez-vous eu des échanges avec votre collègue de la Santé à ce sujet?

Eléonore Simonet:

Mesdames Pirson et Meunier, vous avez raison, le stress, la surcharge mentale, le mal-être des indépendants sont aujourd'hui une réalité préoccupante. Les chiffres le montrent très clairement. Vous en avez rappelé quelques-uns.

En 10 ans, l'incapacité de travail de longue durée chez les indépendants a augmenté de 58,6 %, passant d'un peu plus de 22 000 personnes à plus de 35 000 aujourd'hui. Ce sont effectivement surtout les troubles mentaux, qui ont plus que doublé, ainsi que les troubles musculosquelettiques, également en forte progression, qui expliquent cette évolution.

On peut nuancer un peu les chiffres pour les indépendants, parce que le taux d'invalidité des indépendants est moins élevé que le taux d'invalidité des salariés. Le taux d'invalidité est le pourcentage des titulaires indemnisables qui sont invalides. La différence entre les deux statuts est assez significative. Selon les chiffres de l’INAMI, en 2024, pour les indépendants, le taux était de 5,01 %, contre 11,59 % pour les travailleurs salariés.

À part cette nuance, ces chiffres croissants concernant les indépendants m'inquiètent. C'est pourquoi je suis pleinement engagée dans la mise en œuvre des différentes mesures inscrites à ce sujet dans l'accord de gouvernement. Cet accord de gouvernement repose sur un plan d'action global: prévenir plutôt que guérir; soutenir les indépendants dans leur santé mentale et leur retour au travail; simplifier leur environnement pour réduire les sources de stress.

Les indépendants sont souvent exposés à un stress durable, lié à la surcharge de travail, à l'isolement ou encore à la difficulté de demander de l'aide. C'est pour répondre à ces réalités que nous travaillons à un plan global de prévention et de retour au travail.

Plusieurs leviers sont déjà opérationnels. Premièrement, le renforcement du rôle des caisses d'assurance sociale. Depuis 2024, elles ont une mission légale de sensibilisation et d'accompagnement en matière de bien-être mental. Elles proposent déjà des services concrets pour soutenir les indépendants face au stress ou au risque de burn-out. Une enveloppe structurelle de quatre millions d'euros par an est consacrée à ces actions.

Un premier rapport d'évaluation a été rédigé par l'INASTI, puis par le comité général de gestion. Sur la base de cette évaluation et de ces recommandations, les caisses d'assurance sociale peuvent optimiser davantage leur accompagnement.

Deuxièmement, le trajet de retour au travail. Il permet un accompagnement structuré et individualisé pour faciliter une reprise progressive, y compris via des activités autorisées pendant l'incapacité. Depuis début 2025, la plateforme TRIO renforce la communication entre le médecin traitant et le médecin-conseil des mutualités afin d'intervenir dès le début de l'incapacité. Pour les personnes confrontées à des troubles psychiques modérés à sévères, nous utilisons la méthodologie Individual Placement and Support, qui permet un accompagnement intensif vers et pendant le retour au travail.

Troisièmement, la simplification administrative et la détection précoce. À partir du 1 er janvier 2026, les certificats d'incapacité devront obligatoirement passer par le circuit électronique. Cela permettra une détection plus rapide et un suivi plus cohérent. Nous avons également simplifié certaines démarches pour que l'indépendant puisse se concentrer sur sa santé plutôt que sur la paperasse.

Enfin, plusieurs projets sont en cours de développement. Tout d'abord, un bon équilibre entre la vie professionnelle et la vie privée est crucial, tant pour le bien-être mental des travailleurs que pour les maintenir plus longtemps au travail. Avec le ministre des Affaires sociales, la ministre de la Fonction publique et le ministre de l'Emploi, nous avons lancé des travaux sur le développement d'un crédit familial. Lors de l'élaboration de cette mesure, je veillerai bien entendu à ne pas perdre de vue le caractère unique du statut d'indépendant et d'une activité indépendante.

En outre, je propose, dans mon plan PME, d'allonger le congé de maternité pour les indépendantes, afin qu'elles puissent prétendre au même nombre de semaines de congé que les salariées. Le congé de maternité pour les travailleuses indépendantes remplacerait ainsi le système d'aide à la maternité par une prolongation du congé de maternité, passant de 12 semaines à 15 semaines. À partir de la 13 e semaine, la travailleuse indépendante pourrait choisir de prendre son congé ou de bénéficier d'une aide à la maternité via les titres-services.

Ensuite, j'ai demandé aux partenaires sociaux d'examiner un système d'incapacité de travail partielle afin d'éviter une incapacité totale.

Un projet-pilote "Stress, Travail et Première Ligne", financé par l'INAMI, est en cours pour mieux intégrer la dimension du travail dans les soins psychologiques de première ligne.

Enfin, je veux étendre la politique de prévention via un soutien financier associé à la sécurité sociale. J'ai demandé l'avis des partenaires sociaux pour analyser selon quelles modalités un tel soutien peut être organisé, compte tenu des spécificités de l'activité professionnelle indépendante.

Concernant mes échanges avec le ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, la collaboration est constante. Elle se poursuit aussi entre les administrations. Les compétences fédérales en matière de santé mentale et au travail sont en effet réparties entre différentes institutions. D'où le caractère indispensable d'une coordination horizontale. C'est précisément la mission du réseau fédéral Mental health at work, développé par le SPF Sécurité sociale et qui réunit toutes les institutions fédérales concernées afin d'assurer, bien entendu, une cohérence de nos actions et une meilleure coordination des initiatives. Je vous remercie pour vos questions.

Anne Pirson:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et vos éclaircissements, notamment au sujet du taux d'invalidité chez les indépendants. Nous savons que vous êtes sensible à ce problème.

Je me réjouis également d'entendre que vous travaillez à un plan global, notamment par le biais des caisses d'assurance sociale. Les aspects relatifs au trajet de retour via TRIO sont également très positifs, de même que la numérisation des certificats.

Les nouveaux projets Work Life Balance sont également très encourageants. Vous pouvez compter sur le soutien des Engagés pour toutes ces mesures en faveur des indépendants. Nous tenons aussi à souligner votre intention de collaborer de façon intensive avec le ministre des Affaires sociales ainsi qu'avec les partenaires sociaux. C'est, pour nous, un message clair et encourageant pour tous les indépendants.

Marie Meunier:

Madame la ministre, merci pour votre réponse. Vous nous avez indiqué une différence dans les chiffres pour les maladies de longue durée, qui passe du simple au double entre salariés et indépendants. C'est justement un problème indirectement lié au statut. Un salarié est protégé quand il est en maladie; un indépendant ne l'est pas. À un moment donné, quand vous êtes malade et que vous n'avez plus d'argent qui rentre dans l'entreprise, vous n'avez peut-être pas d'autre choix que de retourner travailler, parfois au détriment de votre état de santé, qui demanderait potentiellement de rester encore un peu chez vous pour vous remettre. Nous reviendrons sur le projet "Stress, Travail et Première Ligne". De prime abord, il semble intéressant, de la manière dont vous le présentez ici. Nous verrons par la suite ce qu'il en adviendra. Sur l'allongement du congé maternité pour les indépendantes, vous savez que notre groupe a déposé une proposition qui va exactement dans ce sens. J’imagine que nous nous soutiendrons sur le sujet.

De rol van de RIZIV-inspectiediensten en de ziekenfondsen in het voorkomen van sociale fraude
De controles door het RIZIV
De controles door het RIZIV en de sociale fraude
Het plafond op verstrekkingen van thuisverpleegkundigen en de vrijwaring van het vrij beroep
De controles door het RIZIV
De controles door het RIZIV
De controles door het RIZIV
Toezicht en fraudebestrijding door RIZIV en ziekenfondsen, controles en regelgeving thuisverpleging

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een thuisverpleegkundige fraudeerde acht jaar lang voor 3,5 miljoen euro (90+ gefactureerde consulten/dag, luxeleven met 17 Porsches), terwijl waarschuwingen sinds 2017 (RIZIV, mutualiteiten) werden genegeerd en pas na mediadruk actie kwam—te laat en te zwak. Minister Vandenbroucke verdedigt zich met "nieuwe maatregelen" (omgekeerde bewijslast, plafonds, RIZIV-nummers intrekken), maar oppositie en sector wijzen op structureel falen: controles bestonden al, werden niet toegepast, en eerlijke verpleegkundigen lijden reputatieschade terwijl fraudeurs ongestraft bleven. Kern: systeemfaal door laks toezicht, politieke vertraging en gebrek aan daadkracht, ondanks herhaalde signalen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, elke dag zetten duizenden thuisverpleegkundigen zich met hart en ziel voor hun patiënten in. De job van die mensen werd deze week door een extreme fraudeur besmeurd. Aan al die mensen die hun job goed en eerlijk doen, zijn we het verplicht om duidelijkheid te scheppen.

Dat die fraude kon gebeuren, dat het jarenlang aan de gang was, dat het geweten was, is hallucinant, onaanvaardbaar en moet worden aangepakt. We kunnen alleen maar vaststellen dat u na de feiten, opnieuw, zeer reactief reageert. In een schijnbare opwelling kondigt u plots een breed pakket aan. Dat u actie onderneemt, is goed, doe dat gericht en zorgvuldig, maar opnieuw loopt u achter de feiten aan en treedt u pas op wanneer er een schandaal in de pers komt.

In die case stonden alle knipperlichten aan. Het was pijnlijk duidelijk. Meer dan 90 verplegingen per dag, dag in, dag uit, week na week, jaar na jaar, dat is gewoonweg fysiek niet mogelijk en moet er zo snel mogelijk worden uitgehaald, zeker als er plots zeventien Porsches voor de deur staan.

Hoe kon dat gebeuren, mijnheer de minister? De mutualiteiten trokken bij het RIZIV al in 2017 aan de alarmbel. Vandaag wordt er ingegrepen. In 2020 sprak het RIZIV al over meer dan een miljoen euro fraude. U schreef er deze zomer een brief over aan de artsen, maar u grijpt niet in op het terrein.

Uw huidige maatregelen verscherpen opnieuw de controle, terwijl dat niet het probleem was. Er is niets gebeurd met wat er uit de controle kwam. Waarom niet?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik ken veel zelfstandig thuisverpleegkundigen en u wellicht ook. Ik ken er weliswaar geen die met een Ferrari rijdt, laat staan 17 Ferrari’s. Ze laten zich evenmin rondvliegen in een helikopter of gaan op een jacht op reis. Neen, het zijn mensen die om 05.00 uur opstaan, dan hun eerste patiënten zien en die men om 22.00 uur nog eens tegenkomt, omdat ze dat laatste spuitje of dat laatste pilletje toch nog zijn gaan toedienen. Het zijn ondernemers. Het zijn zelfstandigen.

De bom in de sector was dan ook bijzonder groot toen het nieuws over die frauduleuze verpleegster aan het licht kwam. Het is crimineel. Er is ook sprake van afpersing van patiënten. Dat kunnen we niet tolereren, dat moeten we aanpakken. Daarover zijn we het absoluut eens.

Wat ik echter niet uitgelegd krijg, is dat een organisatie als het RIZIV, met een budget van 40 miljard euro, met 1.200 medewerkers, van wie 243 bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, de alarmsignalen, die er waren, die bekend waren, niet krachtdadig heeft gebruikt, dat het niet onmiddellijk is opgetreden. Ik kan dat niet uitleggen, mijnheer de minister, want ik begrijp het niet.

Er zijn drempelwaarden. We willen het ondernemerschap van de zelfstandigen niet beknotten. Er is een drempelwaarde, er is een V-waarde. Die verpleegster heeft die waarden tientallen keren overschreden, maar toch werd niet tot actie overgegaan, hoewel dat mogelijk was. Ze werd slechts één keer geschorst, de derde-betalersregeling werd geschorst. Pas na zes jaar is men naar de arbeidsauditeur gestapt. Het heeft gewoon veel te lang geduurd. Ondertussen kon die verpleegster blijven frauderen. Ze heeft zich aangesloten bij een groepering, maar ook die kan worden geschorst.

Mijnheer de minister, kunt u mij en al die mensen die te goeder trouw werken, uitleggen hoe dat onder de radar kon blijven?

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, acht jaar lang werd er gefraudeerd binnen onze sociale zekerheid en dat voor een bedrag van 3,5 miljoen euro. Dat geld dient voor de meest kwetsbaren in onze samenleving, voor de zieken, voor de patiënten die extra zorg nodig hadden en voor de oudere mensen die thuis extra hulp nodig hadden.

Ik vind het degoutant en ik ben enorm boos dat dat zo lang heeft kunnen aanslepen. Al die tijd kon die verpleegkundige onze sociale zekerheid bestelen en zichzelf verwennen met luxewagens, luxereisjes en luxehandtassen, terwijl kwetsbare mensen haar vertrouwden voor hun verzorging. Ik hoef u niet te vertellen dat die problematiek vandaag breed uitgesmeerd wordt in de media. Het imago van de zorgsector staat op het spel. Als ik vandaag twee slachtoffers moet benoemen, dan is het ten eerste de zorgsector zelf, terwijl nochtans heel veel zorgverstrekkers dag en nacht op pad zijn om duizenden patiënten te helpen, en ten tweede de patiënt. Oudere mensen durven vandaag hun deur niet meer opendoen omdat ze schrik hebben van de persoon die hen zorg komt bieden. Het vertrouwen is helemaal weg.

Mijnheer de minister, ik heb heel veel vragen die vandaag onbeantwoord blijven. De ziekenfondsen zeggen dat ze hun controlefunctie hebben opgenomen, het RIZIV zegt dat het alle middelen waarover het beschikt heeft ingezet. Zo werd de derde-betalersregeling geschorst en werden er financiële sancties uitgevaardigd. De grote vraag is hoelang het kabinet al op de hoogte was. Wat hebt u gedaan om die diefstal te stoppen?

Julie Taton:

Monsieur le ministre, la fraude sociale est, malheureusement, présente partout. Lorsqu'une faille apparaît dans notre système, l'être humain a tendance à en abuser. Le plus triste dans cette histoire est qu'à force d'en abuser, on finit par le fragiliser, alors que ce système est, au départ, censé nous aider.

Cette fois-ci, il est question d'une infirmière indépendante – ma collègue Nawal me semble en avoir bien parlé à l'instant, car elle a employé les bons mots – qui aurait facturé plus de 90 consultations par jour. Cela lui aurait permis de gagner et détourner beaucoup d'argent. On parle de plusieurs millions d'euros – soit un montant que notre sécurité sociale n'a pas reçu. Ces faits mettent à nouveau tristement en lumière un mauvais fonctionnement du contrôle, étant donné que la limite raisonnable pour pratiquer de bons soins de santé s'élève à une vingtaine de consultations journalières.

En réaction à cette affaire, monsieur le ministre, vous avez annoncé vouloir fixer un plafond du nombre de patients par jour pour un soignant à domicile. Oui, il faut prendre des mesures contre la fraude, et elles doivent être prises rapidement. Pour autant, il nous paraît essentiel de garantir une bonne concertation avec le secteur des infirmiers à domicile, car celui-ci souffre en ce moment et est mis sous pression. Il ne faut surtout pas l'abandonner.

Mes questions, monsieur le ministre, seront très simples. Il semblerait que l'INAMI avait déjà reçu un signalement en 2017 pour des soupçons de fraude. Manifestement, il n'y a pas eu de suivi. Comment pouvez-vous l'expliquer? Comment évaluez-vous ce dispositif de suivi? Combien de dossiers en ce domaine sont-ils ouverts par l'INAMI?

Vous avez annoncé plusieurs mesures relatives au plafonnement des prestations. À ce titre, envisagez-vous vraiment une concertation avec le secteur? Vous dites aussi souhaiter renforcer le contrôle des mutuelles. Or elles sont juge et partie puisque certaines offrent des services de soins à domicile. Tous les infirmiers seront-ils logés à la même enseigne et égaux face à ces contrôles?

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, hoeveel hoofdstukken moeten we nog toevoegen aan het blunderboek van het RIZIV? U bent al zes jaar de verantwoordelijke minister. Twee maanden geleden zei collega Ronse hier dat er 12.000 langdurig zieken in het buitenland verblijven, van Pattaya tot Benidorm, die nooit gecontroleerd worden. Een maand geleden spraken we hier ook over het RIZIV: 529.000 langdurig zieken, 150.000 mensen met lage rugpijn – een bevolking zonder ruggengraat blijkbaar – en 195.000 mensen met psychische problemen. Verder zijn 260.000 mensen arbeidsongeschikt tot aan hun pensioen. Vervolgens ging de FOD eens controleren en toen bleek dat 16,7 % terecht arbeidsongeschikt was, 27,2 % onterecht en bij 55,6 % werd de erkenning ingekort.

Een week geleden vernamen naar aanleiding van een televisie-uitzending dat iemand die acht jaar geleden over een hondendrol is uitgegleden sindsdien thuisblijft met een ziekte-uitkering. Wat doet het RIZIV? Niets. Wat horen we nu? Acht jaar lang lichtte de verpleegkundige Stefanie Sander uit het landelijke Houthulst de boel op. Acht jaar! Al sinds het eerste jaar, 2017, zijn er klachten over 14.475 aangerekende prestaties. Er wordt gecontroleerd en er wordt in beroep gegaan. Wat gebeurt er vervolgens? Niks. De vrouw in kwestie moest een bedrag terugbetalen, maar dat deed ze niet. Wat doet het RIZIV daaraan? Niks.

Bent u dan Calimero, mijnheer de minister? U bent al zes jaar verantwoordelijkheid voor het RIZIV en ik zeg u wat er in één à twee maanden in het Parlement al werd aangekaart. Begin uw werk te doen.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, ons land werd deze week opgeschrikt door een fraudeschandaal van een thuisverpleegkundige dat zijn gelijke niet kent. Een dame slaagde erin om gedurende acht jaar miljoenen euro’s ten onrechte aan te rekenen aan het RIZIV en de mutualiteiten. Er was sprake van facturatie van niet-geleverde prestaties, tot meer dan een miljoen euro per jaar. Ze zette patiënten ook onder druk en foefelde met identiteitskaarten.

Blijkbaar bestaat die fraude reeds sinds 2017, toen het RIZIV een controleonderzoek instelde en op dat moment reeds fraude vaststelde. Toch kon die persoon haar frauduleuze praktijken verderzetten zonder verdere controle door het RIZIV en kon ze er een zeer luxueus leven op nahouden. Blijkbaar hebben de controlemechanismen van uw diensten helemaal niet gewerkt. Dit betreft echt een structureel falen van het beleid. Het gaat trouwens om een voortzetting van jarenlang falend beleid, ook van uw voorgangers.

Onze partij en ook de sector zelf waarschuwen al vele jaren voor dergelijke misbruiken. Ze vragen betere datagedreven detectie, objectieve monitoring en tijdige interventies. Al die waarschuwingen werden door de zogenoemde beleidspartijen vakkundig straal genegeerd. Integendeel, door uw geplande aanpak stigmatiseert u nu zelfs de vele duizenden hardwerkende thuisverpleegkundigen.

Daarom heb ik een aantal vragen.

Hoe is het mogelijk dat dergelijke fraude gedurende acht jaar onder de radar is gebleven, terwijl er al lang voldoende signalen aanwezig waren? Welke controles zijn uitgevoerd? Welke signalen werden er gemist en door wie? Waarom werd er niets ondernomen door het RIZIV, het ziekenfonds of uw administratie en is het pas op het moment waarop een arbeidsauditeur het dossier naar zich toetrekt dat de bal aan het rollen gaat? Hoe zult u er verder voor zorgen dat de correct werkende thuisverpleegkundigen niet langer reputatieschade ondervinden van dergelijke fraudeurs? Sinds wanneer was u op de hoogte van deze hallucinante praktijken? Wat hebt u gedaan en welke acties hebt u ondernomen?

Voorzitter:

Collega's, mag ik het woord geven aan de heer Bertels? (Rumoer)

Mijnheer Bertels, u hebt recht op twee minuten spreektijd.

Jan Bertels:

Collega's, wat wij de voorbije dagen konden lezen, moet ons allemaal verontwaardigen. Ik ben blij dat u die verontwaardiging deelt. Een thuisverpleegkundige die voor miljoenen fraudeert, dat kunnen wij niet aanvaarden. Het systeem werd en wordt daardoor van binnenuit ondergraven, op verschillende manieren.

Zij zette patiënten onder druk om hun identiteitskaart onder de deurmat of in de brievenbus te leggen. Lag er geen identiteitskaart klaar, dan werd de medicatie stopgezet of werd daarmee gedreigd. Op die manier kon ze tot 90 patiënten per dag zien. Zij factureerde bezoeken en streek zelfs premies op die voor haar patiënten of voor zorgkundigen bedoeld waren. Ze waren niet voor haar bestemd, maar zij streek ze toch op.

Sancties werden omzeild. Het RIZIV trad wel degelijk op, zij het misschien niet hard genoeg. Daarover kunnen wij discussiëren. Het streed echter wel met de middelen die wij, wetgevers, het hebben gegeven. Die wapens volstaan niet. Ik hoop dat wij het daar nu allemaal over eens zijn en blijven.

Ook de wapens die het RIZIV aan het ministerie van Financiën geeft om te innen, volstaan niet. Er wordt niet genoegd gedaan met de verslagen die het RIZIV aan het parket bezorgt. Wij moeten daar eerlijk over zijn. Daar wordt niet genoeg mee gedaan. Ook op dat vlak moeten er prioriteiten worden gesteld met betrekking tot socialefraudebestrijding. Fraude is immers onaanvaardbaar. Alle hardwerkende thuisverpleegkundigen komen daardoor in een slecht daglicht. Daarom moeten wij het systeem hervormen en een handhavingsplan opstellen en uitvoeren.

Voorzitter:

Ik geef het woord aan de vicepremier om te antwoorden. Hij heeft daarvoor vijf minuten spreektijd.

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, fraude is diefstal, of het nu om fiscale fraude of sociale fraude gaat, het is in feite een vorm van gangsterisme in de ziekteverzekering. Dat is diefstal. Het is intriest voor talloze hardwerkende thuisverpleegkundigen die het beste voor hebben met hun patiënten. Dat is de reden waarom we keihard moeten optreden.

Is de inspectie van het RIZIV opgetreden? Ja, onmiddellijk. Ik zal de gedetailleerde tijdslijn bezorgen aan het secretariaat van de Kamer. Onmiddellijk nadat moedige mensen uit de omgeving van die thuisverpleegkundige in 2017 hadden gemeld dat er iets niet in orde was, is een onderzoek gestart. Dat is een moeizaam onderzoek waarbij men patiënten thuis moet opzoeken om vast te stellen dat er inderdaad is gefraudeerd. Enkele maanden later werd een proces-verbaal opgesteld. Er is een zware boete opgelegd en onterecht verkregen geld werd teruggevorderd, waarvan een deel werd terugbetaald. Men is die zaak blijven opvolgen. Na nieuwe klachten is men opnieuw opgetreden. Al meer dan twee en een half jaar geleden werd, na sterk aandringen, het parket aan zet gebracht. Het RIZIV is dus opgetreden, onmiddellijk en herhaaldelijk, maar met wapens die tegenover dat soort gangsterisme veel te zwak zijn. Dat is toch juist?!

Maar nu wordt het interessant. Wilt u de wapens tegen dat soort diefstal versterken of niet? Dat is de vraag voor u. Wilt u de middelen versterken om dat soort diefstal aan te pakken of niet? Dat is absoluut nodig.

Overigens, mijnheer Van Lysebettens, dat is allemaal reeds beslist en we gaan het uitvoeren. Om te beginnen wordt de bewijslast omgekeerd, zodat men niet talloze patiënten thuis moet opzoeken om te bewijzen dat er is gefraudeerd. Wanneer een zelfstandig thuisverpleegkundige voor meer dan 229.000 euro aan facturen indient, meer dan tweemaal zoveel als het gemiddelde van een hardwerkende voltijds verpleegkundige, dan mag men om uitleg vragen, zodanig dat de betrokkene moet bewijzen dat hij of zij niet fraudeert. Dat is beslist. Die wetgeving, mijnheer Van Lysebettens, is al tot stand gebracht, dat koninklijk besluit is meer dan een jaar geleden gepubliceerd en we zullen het vanaf nu toepassen. Ja, dat is onder Vivaldi beslist, mét u beslist, en is vanaf nu van toepassing.

Ten tweede, collega’s van het Vlaams Belang, u vraagt wanneer ik van het geval op de hoogte was, maar ik heb tegenover mevrouw Sneppe maanden geleden net het voorbeeld van die frauderende zelfstandige gegeven om tegen uw weerstand in de wapens aan te scherpen. U wilde niet dat we het nummer zouden kunnen intrekken. U vond dat vreselijk. (rumoer en protest in de zaal)

Ik heb met handen en voeten uitgelegd dat het nodig is om dat soort draaimolen te stoppen, door het nummer waarop men factureert gewoon in te trekken. Ik heb van op dit spreekgestoelte het voorbeeld gegeven aan mevrouw Sneppe, om haar te overtuigen.

Ten derde, we moeten ook de patiënten wapenen. We zullen er dus systematisch voor zorgen dat vanaf nu de patiënten geïnformeerd worden, ook wanneer men in derde-betaler factureert, ook in de thuisverpleging.

Morgen ligt op de ministerraad een wetsontwerp voor waarbij onder meer de mutualiteiten voor 100 miljoen euro borg zullen moeten staan voor acties tegen fraude. Dat ligt klaar. We hebben dus niet gewacht.

Het punt is dat men de samenleving moet willen wapenen tegen diefstal. De flauwe en leugenachtige verhalen die ik hier bij de voorgaande mondelinge vraag gehoord heb, dat we zogezegd in de rekeningen zouden gaan kijken, dat zijn leugens.

U liegt. U liegt om diefstal mogelijk te laten zijn. Daarmee beschermt u niet de gewone burger, maar wel drugscriminelen die geld witwassen. Wie u beschermt, als u tegen het principe van de plafonds bent, zijn gangsters in de ziekteverzekering.

Geachte Kamerleden, u zult kleur moeten bekennen, u allemaal, in de meerderheid en in de oppositie. Zult u de inspectie de wapens geven op te treden (…)

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

Over twee zaken zijn we het eens: fraude is diefstal en het RIZIV heeft ten minste een probleem gesignaleerd. Bij andere partijen maken ze van een Porsche Queen een raadslid.

U hebt mij echter op een aantal punten verkeerd begrepen. Mijn punt was niet dat er geen beslissing is genomen, mijn punt is dat beslissingen niet worden uitgevoerd. Het RIZIV heeft sinds 2020 weet van die zaak van miljoenenfraude en toch kan en mag de persoon in kwestie blijven voortdoen. U zegt dat men onmiddellijk ingrijpt, maar we zijn vijf jaar later.

Ik stel vast dat het hier hetzelfde is als met fraude in andere domeinen: u zit met het sleepnet achter de kleine garnalen en de grote vissen zwemmen ongehinderd verder. Dat is hier zo. Dat zal straks ook zo zijn bij de arbeidsmarktfraude die de heer Mertens aankaart (…)

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, iedereen wist het, maar de wapens, die er zijn, zijn gewoon niet gebruikt. De wapens zijn er, maar ze zijn niet voldoende gebruikt. Er is te lang gewacht. Een inspecteur kan na een melding meteen overgaan tot een onderzoek. Dat onderzoek kan leiden tot een schorsing van de derde-betalersregel en vervolgens kan men onmiddellijk naar de arbeidsauditeur stappen. Dat is niet gebeurd, mijnheer de minister. Er zit zes jaar tussen! Zes jaar!

Ik heb weet van fraudedossiers van 50.000 euro – dat is het gemiddelde van de fraudedossiers – en die worden onmiddellijk afgehandeld. Hoe komt het dat het hier om miljoenen euro's gaat en dat men zoveel geduld heeft gehad met die mevrouw? Dat is schandalig.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het was een luid antwoord. Er zat veel passie in. Het gaat hier over het belastinggeld van hardwerkende mensen. Mensen gaan ervan uit dat het belastinggeld goed beheerd wordt en dat het voor de juiste zaken wordt ingezet. In de sociale zekerheid zijn dat de meest kwetsbaren, hulpbehoevende ouderen, die zich vaak niet kunnen verweren.

U zegt dat alle middelen zijn gebruikt. Uw collega, Jan Bertels, zegt dat ze misschien niet hard genoeg zijn ingezet. Wel, ik ben het daar volledig mee eens. Er had veel straffer en veel sneller moeten worden gereageerd.

Als u het hebt over de strijd tegen fraude, dan zult u in cd&v een partner vinden, of het nu gaat over fiscale fraude, fraude met managementvennootschappen, sociale fraude of het aangehaalde type fraude: het moet sneller, harder en u moet (…)

Julie Taton:

À mon tour de vous dire merci pour ces réponses, monsieur le ministre, qui étaient très vivantes. Je suis assez d'accord avec mes collègues. Je voudrais juste ajouter qu'il est très important pour nous de défendre la profession libérale des infirmiers, et de les rassurer. La fraude est là, nous l'avons bien compris. Vous allez la combattre, c'est sûr. Mais il faut aussi rassurer le secteur, il faut l'écouter, échanger avec les infirmiers et leur faire passer le message que nous ne sommes pas contre eux. Nous n'allons pas faire la chasse aux infirmiers, mais nous allons faire la chasse à la fraude. Il y a beaucoup de travail.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, u bent de grootste calimero van dit halfrond. U maakt mevrouw Sneppe hier verwijten – ik heb haar niet te verdedigen - maar zij zit in de oppositie en heeft niets te zeggen. U bent degene die zijn werk niet heeft gedaan. U hoeft het ook niet politiek te spelen, want mevrouw Sanders stond in 2018 op de lijst van de socialisten voor de verkiezingen. Stop daar dus mee.

Waarover gaat het hier? U bent zes jaar minister en nu zegt dat u iets gaat doen, dat u gaat ingrijpen. Gedurende zes jaar hebt u het door de vingers gezien, hebt u gekeken naar de mensen die een pint te veel drinken of een sigaret te veel roken, maar de fraude bij het RIZIV... Hoeveel controleurs heeft het RIZIV trouwens? Ze hebben er 243. Hoeveel controles hebben die uitgevoerd in 2023? Ik zal het u zeggen, het waren er precies 705. Dat zijn drie controles per persoon in een jaar tijd. En u beweert dat u uw werk hebt gedaan. Proficiat.

Kurt Moons:

Mijnheer de minister, u wordt kwaad. Dat is normaal als uw onbekwaamheid op deze manier geëtaleerd wordt. Ik denk dat dat inderdaad normaal is. U reageert nooit vooraf, steeds na de feiten. U spreekt over diefstal, maar de mogelijke maatregelen zijn wel degelijk beschikbaar. Er moet geen verharding plaatsvinden. U hebt tweeënhalf jaar gewacht om de auditeur in te lichten. Hoe is dat mogelijk? Er moet dus geen verharding van de maatregelen komen.

Mijnheer de minister, hoeveel moet er nog gebeuren voordat u zelf uw conclusies trekt? Er was een overfinanciering van het covid-testplatform voor 60 miljoen euro. Daarna was er de vernietiging van miljoenen ongebruikte covidvaccins. Vervolgens de donatie van vervallen geneesmiddelen aan Oekraïne, de Medista-affaire, de artsenstaking, het donorschandaal en nu het fraudedossier van thuisverpleegkundigen. Het zou passend zijn mocht u de eer aan uzelf houden.

Jan Bertels:

Collega's, stop met fraudeurs en bedriegers goed te praten. Ze zit bij jullie. Ik heb begrepen dat we niet moeten rekenen op het Vlaams Belang. Laten we als Parlement ons werk doen. Laten we die fraude aanpakken.

( Rumoer in het halfrond )

Voorzitter:

Ik vraag om de klok even te stoppen. Collega's, de heer Bertels heeft het woord.

Jan Bertels:

Laten we die fraude aanpakken en laten we eindelijk beslissen om het mogelijk te maken een RIZIV-nummer te schorsen wanneer er een vermoeden van fraude is. Late we dat doen. Het Parlement kan dat, dus doe het gewoon.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik zal niet roepen zoals u, maar proberen zeer rustig te blijven.

Het eerste persoonlijk feit dat u aanhaalde, was dat u het voorbeeld hebt gegeven van die dame. U hebt inderdaad een voorbeeld gegeven van een frauderende verpleegkundige. Ik ben natuurlijk Madame Blanche niet.

Frank Vandenbroucke:

(…)

Dominiek Sneppe:

Dat hebt u er niet bij gezegd en dat doet overigens niet ter zake. Ik ben geen Madame Blanche, ik kan dat niet weten. U zit aan de knoppen als minister. U zit aan de knoppen van het RIZIV, niet ik. Ik kan toch niet weten dat er ergens in dit land een verpleegkundige aan het frauderen is? Uw voorbeeld gaat dus niet op.

U wist het nochtans en u had dan beter haar naam genoemd, dan hadden we onmiddellijk kunnen optreden. Dat hebt u echter nagelaten. Zeven à acht jaar hebt u nagelaten daar iets aan te doen en nu wijst u in onze richting. Sorry, u bent in de fout gegaan en niemand anders dan u.

Ik kom tot het andere persoonlijk feit. Mijnheer de minister, fraude moet worden aangepakt. Dat klopt, collega Bertels. Als u die grondig aanpakt en zoals het moet, dan zult u in het Vlaams Belang een partner vinden. Wat stellen we echter vast? De bestaande fraudebestrijdingsmiddelen zijn gewoon niet gebruikt. Ze zijn niet ten volle uitgeput. Nu komt u met iets anders op de proppen, iets wat u eigenlijk al heel lang in gedachten hebt. U misbruikt deze problematiek nu om alweer uw gedacht door te drukken. Mijnheer de minister, ik wist al van bij het begin dat het afpakken van die RIZIV-nummers in de kaderwet zou komen, want zo zit u nu eenmaal in elkaar: uw gedacht en dat van niemand anders.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Sneppe, voor alle duidelijkheid, ik heb dat voorbeeld gegeven zonder te weten over wie het ging. Dat zegt men niet. Ik wist niet dat het om een vrouwelijke verpleegkundige ging. Ik wist niet over wie het ging. Dit is een anoniem voorbeeld. Ik heb u er zo drie gegeven. Ik wist niet dat die dame nog op de lijst van mijn partij en uw partij had gestaan. Dat heeft inderdaad geen belang. Uw partij heeft daarin zeer correct opgetreden. Daar gaat het niet over. Het punt is onze verantwoordelijkheid. U bent hier voortduren tussengekomen om te zeggen dat het opschorten van die RIZIV-nummers een slecht idee was en u herhaalt dat hier weer. Ik zeg u dat u dit soort draaimolen, met gangsters die altijd opnieuw beginnen met facturen te sturen, niet kan stoppen zonder de wettelijke basis om die betalingen stop te zetten. Degenen in dit halfrond die niet willen dat RIZIV-nummers worden opgeschort bij zo’n grote fraude, die beschermen de dieven. Ze beschermen de dieven! Als u de dieven wilt pakken, dan moet u daarvoor de nodige wapens hebben. Wij zullen daarom die RIZIV-nummers opschorten, werken met plafonds en de bewijslast omkeren. Ik hoor hier allerlei loze argumenten van u en van anderen in de oppositie. Die loze argumenten dienen enkel om de dieven te beschermen. Dat is onze verantwoordelijkheid, ervoor zorgen dat dit niet gebeurt.

Het beperken van smaakjes in vapes en de strijd tegen het tabaksgebruik

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de drastische beperking van e-sigaretaroma’s (alleen tabaksmaak toegestaan) om jeugdverslaving tegen te gaan, gebaseerd op een unaniem CSS-advies dat onmiddellijke regulering eist. Minister Vandenbroucke bevestigt het verbod (behalve tabakssmaak) per 1 januari 2028 (door EU-procedures en wetgeving), maar kondigt wel versterkte controles (via inspectiediensten) en een wetsvoorstel aan om handhaving te verbeteren. Ramlot (Les Engagés) steunt het plan, benadrukkend dat e-sigaretten geen speelgoed maar stopmiddelen moeten zijn. Timing en illegale handel blijven kritieke punten, met focus op snelle uitvoering.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, me voici avec un sujet moins brûlant.

L’e-cigarette est un accessoire de mode auprès de nos jeunes. En 2023, la Fondation contre le Cancer rappelait qu’un jeune sur trois, entre 15 et 20 ans, avait vapoté avant de commencer le tabac, et que pour quatre jeunes sur dix, ce sont les arômes et la curiosité qu’ils suscitent qui les ont attirés vers le vapotage. Nous sommes donc bien loin de l’e-cigarette censée aider au sevrage tabagique. L'industrie du tabac, avouons-le, déborde d'imagination pour attirer nos jeunes: fruits tropicaux, pamplemousse, bonbons et j'en passe.

En commission de la Santé, nous avons travaillé sur cette thématique et nous attendions l’avis du Conseil Supérieur de la Santé (CSS) afin de poursuivre nos travaux. L'avis intitulé sans équivoque "Cigarette électronique: restrictions sur les saveurs" a été publié hier. Il recommande à l'unanimité une réduction urgente et drastique du nombre de saveurs pour les cigarettes électroniques. Il propose soit l’interdiction de toutes les saveurs, à l’exception de la saveur tabac, soit l’autorisation de quelques saveurs supplémentaires en plus de la saveur tabac. Il stipule également que les preuves scientifiques existantes sont suffisamment solides pour justifier une réglementation immédiate. En outre, il recommande d'intensifier considérablement les contrôles.

Suite à cet avis, vous avez annoncé votre volonté de proposer au gouvernement d'interdire les arômes à l'exception du goût tabac. Nous nous en réjouissons et nous vous soutiendrons.

Monsieur le ministre, quel est votre timing par rapport à l'action immédiate d'interdiction des arômes à l'exception de l'arôme tabac? Comptez-vous renforcer les contrôles du respect de notre législation et en parallèle lutter contre le commerce illégal de la cigarette électronique? Quelles mesures complémentaires de lutte contre le tabac comptez-vous adopter et selon quel timing?

Je vous remercie d'avance.

Frank Vandenbroucke:

Nous devons en effet protéger la santé de nos jeunes et de nos enfants, et c'est la raison pour laquelle nous devons interdire tous les arômes de cigarettes électroniques à l'exception de celui du tabac. En effet, avec ces innombrables arômes, on attire les jeunes et on essaye de les rendre dépendants de la nicotine. Il faut donc arrêter cela. Je suis totalement d'accord.

Ere wie ere toekomt, het is eigenlijk mevrouw Van Hoof, die dat hier al jaren zegt. Ik denk dat de Hoge Gezondheidsraad het nu ook met haar eens is.

Quel est le timing? Il faut demander un avis au niveau de l'Europe, ce qui prend beaucoup de temps. Il faut légiférer. Donc, si la majorité est d'accord tant au gouvernement qu'au Parlement, mon timing, c'est au plus tôt le 1 er janvier 2028. Cela prendra beaucoup de temps, mais je crois qu'il faut décider maintenant.

En ce qui concerne les contrôles, ceux-ci seront sans doute toujours nécessaires. C'est le travail de notre Inspection. On va dès lors renforcer les possibilités de nos inspections. Un projet de loi en deuxième lecture porte d'ailleurs entre autres sur la possibilité de nos inspections d'agir.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Vous savez que Les Engagés – et je serai à vos côtés – vous soutiennent dans la lutte contre le tabac en général et l'e-cigarette pour protéger nos jeunes, parce que l'e-cigarette n'est pas un gadget mais un outil de sevrage tabagique.

De in 2025 aan de OCMW's toegekende bedragen n.a.v. de hervorming van de werkloosheidsreglementering

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 20 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Anne Pirson dringt aan op de onmiddellijke vrijgave van 26 miljoen euro voor CPAS in 2025, essentieel voor hun vertrouwen in de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen, en kritiseert het uitblijven van concrete actie ondanks eerdere toezeggingen. Minister Van Bossuyt bevestigt dat het geld technisch klaar ligt, maar wacht op een budgettaire overdracht (via controle 26/11) en parlementaire goedkeuring, met betaling direct daarna; de verdeling per CPAS is al bekendgemaakt. Pirson benadrukt dat snelheid cruciaal is om geloven in toekomstige compensaties (300 miljoen vanaf 2026) te behouden en gemeentelijke onzekerheid weg te nemen. Kernpunt: vertraging ondermijnt de geloofwaardigheid van de hervorming.

Anne Pirson:

Madame la ministre, je vais être directe. Si vous voulez avoir la confiance des citoyens de ce pays, vous devez tenir votre parole. Encore la semaine dernière, dans ce Parlement, on a assumé pleinement la réforme du chômage, parce qu'on la croit juste et responsabilisante. Mais une réforme, même la meilleure, ne tient pas debout si les fondations manquent. Aujourd'hui, il manque une brique essentielle à cette réforme, qui est un gage de bonne foi pour nous: les 26 millions prévus pour les CPAS pour 2025.

Alors, on peut difficilement parler de 2026 quand rien n'arrive pour 2025. On peut difficilement parler de la compensation de 300 millions d'euros pour 2026, quand 26 millions pour 2025 semblent rester coincés. Pour nous, cet argent n'est pas un bonus mais un réel engagement envers les pouvoirs locaux. Un engagement ne se reporte pas de semaine en semaine; vraiment, ça s'exécute.

Madame la ministre, les communes n'ont pas besoin de grands discours. Elles demandent simplement du concret, de la clarté. Elles veulent le signal que le fédéral avance à la même vitesse que les obligations qu'il crée parce que, "bientôt", cela ne rassure pas; "bientôt", cela ne finance rien; "bientôt", cela ne coupe pas l'opposition qui est en train d'instrumentaliser la population contre les réformes de ce gouvernement. Ce qui rassure, madame la ministre, c'est un mail qui donne des informations précises, un courrier ou encore des montants versés sur un compte.

Madame la ministre, quand les 26 millions seront-ils libérés? Quand les communes recevront-elles la ventilation officielle, CPAS par CPAS?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Pirson, je sais que vous êtes d’accord sur le fait qu’il est nécessaire de limiter les allocations de chômage dans le temps, vous venez de le réaffirmer.

Le but est de faire sortir les gens du système des prestations sociales. Nous devons mettre un maximum de personnes au travail. Nous savons toutefois qu’une partie de celles et ceux qui perdent leur allocation de chômage se tournera vers les CPAS. C’est pourquoi tant le montant de 26 millions d’euros prévu pour 2025 que le mécanisme de compensation applicable à partir de 2026 sont d'une grande importance dans le cadre du soutien aux CPAS, et en premier lieu à leurs collaborateurs.

L’arrêté royal visant à répartir les 26 millions d’euros entre les CPAS et à verser effectivement ce montant est prêt depuis longtemps. Comme je l’ai déjà expliqué à maintes reprises en commission – et encore la semaine dernière ici en plénière –, ces fonds doivent faire l’objet d’un transfert de crédits du ministre de l’Emploi – plus précisément de son administration, à savoir l’ONEM – vers mon administration – à savoir le SPP Intégration sociale. Le transfert des fonds aura lieu lors du contrôle budgétaire 2025. Le 26 novembre – la semaine prochaine –, ce contrôle budgétaire sera inscrit à l’ordre du jour de la commission des Finances, après quoi il devra encore être approuvé en séance plénière.

Mes services mettront tout en œuvre pour payer les CPAS au plus vite dès l’approbation définitive par le Parlement. Mon cabinet en a informé les fédérations des CPAS.

Les montants par CPAS ont déjà été communiqués il y a plusieurs semaines.

Dès que toutes les décisions finales auront été prises, nous les communiquerons dans le bulletin d'information de mon administration et dans la presse.

Anne Pirson:

Je vous remercie, madame la ministre, pour ces informations ainsi que pour ce calendrier. Je me permets d’insister à nouveau sur le fait que les communes ont besoin, non pas seulement de bonnes intentions, mais de certitudes. Nous sommes déjà le 20 novembre et le 31 décembre arrivera donc très vite. Plus rapidement l’argent sera versé, plus les communes seront rassurées. La crédibilité des compensations futures sera ainsi assurée. C’est vraiment important pour nous.

De begrotingsdeadlines en de voorlopige twaalfden
De voorlopige twaalfden
De kalender voor de financiewet en de voorlopige kredieten
De gevolgen van de voorlopige twaalfden
De voorlopige twaalfden
De OCMW’s en de leeflonen onder de voorlopige twaalfden
Financiële planning, voorlopige twaalfden en budgettaire gevolgen

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De regering-De Wever faalt in het tijdig indienen van een volwaardige begroting 2026 en schakelt over op voorlopige twaalfden voor januari-maart 2026, wat uitgaven bevriest op 2025-niveau en nieuw beleid (zoals de pensioenhervorming en OCMW-financiering) uitstelt. Minister Van Peteghem bevestigt dat de impact op tekort (1-2 miljard euro) en schuldgraad beperkt blijft volgens het Monitoringcomité, maar concrete cijfers ontbreken, terwijl kritiek klinkt op het gebrek aan transparantie en de structurele budgettaire risico’s (tekort richting 40 miljard in 2029). De OCMW’s krijgen wel 26 miljoen extra in 2025, maar garanties voor 2026 blijven vaag, net als de financiering van 300 miljoen euro aan extra werkloosheidskosten. Een volledige begroting wordt uiterlijk begin april 2026 verwacht, maar de haalbaarheid ervan blijft onzeker door vertraagde onderhandelingen.

Wouter Vermeersch:

Mevrouw de voorzitster, volgens de minister van Begroting zit er zeker een maand tussen de indiening van het wetsontwerp met betrekking tot de goedkeuring van de voorlopige kredieten en de uiteindelijke beslissing in de Kamer. Op de voorlopige agenda van onze commissie voor Financiën staat de behandeling van het ontwerp van de financiewet momenteel op 2 of 3 december geagendeerd. Wat acht de minister de uiterste datum voor de indiening van de financiewet? Wanneer beoogt de minister het ontwerp van financiewet precies in de Kamer in te dienen?

De regering-De Wever haalde de deadline voor een begrotingsakkoord voor 2026 en de komende jaren niet. Dat betekent dat er alvast enkele maanden met het systeem van voorlopige twaalfden zal worden gewerkt, ongezien voor een regering met volle bevoegdheid uiteraard. Voor hoeveel twaalfden, dus voor welke maanden, beoogt de regering voorlopige kredieten te openen? Ik schat het eerste kwartaal van 2026. Kunt u dat bevestigen?

In het beginsel blijven de uitgaven onder voorlopige twaalfden op het niveau van 2025. Eerder besliste regeringsmaatregelen zullen niet kunnen aanvangen op 1 januari 2026 en worden uitgesteld, tenzij men natuurlijk begrotingswijzigingen doorvoert. Wat is de geschatte budgettaire impact van de voorlopige twaalfden op het tekort van 2026 en op de schuldgraad in 2026? Ik hoorde mevrouw Bertrand, voormalig staatssecretaris van Begroting, een bedrag noemen van 1,2 miljard euro.

De voorzitter van de MR zei dat die voorlopige twaalfden niet zo erg zijn. Mijnheer de minister, kunt u zich vinden in die vaststelling?

Dan heb ik nog een vraag over de OCMW's en de leeflonen onder de voorlopige twaalfden.

Minister Van Bossuyt verklaarde afgelopen donderdag tijdens het vragenuurtje in de plenaire vergadering dat er bij de begrotingscontrole 2025 een overzetting zou gebeuren van de kredieten van minister Clarinval naar minister Van Bossuyt met het oog op het beschikbaar stellen van 26 miljoen euro aan bijkomende middelen voor de OCMW's in 2025.

Tegelijkertijd was er discussie over de mogelijkheid om de verwachte extra stroom van langdurig werklozen naar de OCMW's op te vangen en te financieren onder het regime van voorlopige twaalfden. Hierover zei de minister het volgende: "Zoals u weet, kunnen nieuwe of verhoogde uitgaven niet automatisch worden uitgevoerd onder de voorlopige twaalfden, zelfs wanneer de wet goedgekeurd is. Daarvoor moeten de nodige kredieten expliciet worden vrijgemaakt. Net daarom bereidt mijn administratie momenteel een dossier voor om te garanderen dat aan de wettelijke verplichtingen kan worden voldaan. Op die manier verzekeren wij dus dat de desbetreffende kredietlijnen voldoende aangezuiverd zullen worden, zodat er geen betaalproblemen zullen zijn van de POD MI naar de OCMW's bij het begin van 2026".

In het behandelde wetsontwerp inzake de begrotingsaanpassing zijn de volgende wijzigingen aan de kredieten van de OCMW's terug te vinden. De toelagen aan de OCMW's worden via een basisallocatie verhoogd met respectievelijk 56 en 6,3 miljoen euro. Volgens de toelichting zitten hierin zowel middelen vervat die bedoeld zijn voor het opvangen van de leeflonen en de extra werklast bij de OCMW's, alsook ter dekking van de eerder genoemde 26 miljoen euro die reeds in 2025 nodig zou zijn.

Mijnheer de minister, kunt u toelichten met betrekking tot hoeveel twaalfden de voorlopige twaalfden geopend zullen worden? Kunt u toelichten welke kredietverschuivingen er concreet verricht zijn ter financiering van de bijkomende 26 miljoen euro? Kunt u toelichten in hoeverre de budgetverhogingen van de OCMW's zullen volstaan om de door de regering verwachte 300 miljoen euro aan extra uitgaven ten gevolge van de beperking van de werkloosheid in de tijd te dekken? Kunt u toelichten hoeveel extra budget er momenteel per twaalfde beschikbaar is om die uitgaven te dekken? Tot slot, kunt u toelichten op welke wijze bijkomende kredieten zouden kunnen worden vrijgemaakt onder voorlopige twaalfden, daar er in beginsel geen nieuw beleid gefinancierd kan worden?

Uit besprekingen in de commissie is duidelijk geworden dat de begrotingsdiensten eigenlijk 12 weken nodig hebben voor de opmaak van een nieuwe, volwaardige begroting. Uit berichtgeving in de media bleek dat de onderhandelingen niet vlot lopen. Dat is ondertussen bevestigd. Naast het uitstellen van de verklaring van de regering op de tweede dinsdag van oktober en de indiening van het ontwerpbegrotingsplan voor 2026 aan de Europese Commissie, rijst de vraag naar de haalbaarheid van een volwaardige begroting voor 2026. Die vraag blijft natuurlijk overeind, zelfs als we Kerstmis als nieuwe richtdatum nemen. Uit verschillende hoeken kwam immers het signaal dat de regering er allicht niet in zal slagen tijdig de begrotingstabel in te dienen. Dat is ook zo gebleken.

Wanneer beoogt de regering haar begrotingstabellen met de Kamer te delen?

Wanneer beoogt de regering een volwaardige begroting voor 2026 in te dienen? Zal dat vanaf 1 april zijn, dus na het eerste kwartaal van volgend jaar?

Kunt u toelichten wat naar uw mening de laatst mogelijke datum is om een volwaardige begroting in te dienen om die nog goedgekeurd te krijgen voor 1 april 2026?

Wanneer zal de regering overwegen over te schakelen op voorlopige twaalfden? Ondertussen heeft ze dat uiteraard gedaan.

Wat zou volgens u de budgettaire impact van die overschakeling zijn?

Frédéric Daerden:

Monsieur le vice-premier ministre et ministre du Budget, j'ai vraiment le sentiment que cet après-midi, toutes les questions se recoupent un peu, et que tout cela est très lié.

Suite à l'échec des négociations sur un budget 2026, le premier ministre a annoncé que le budget fonctionnera en douzièmes provisoires pour les premiers mois de l'année 2026. Ceci, moins d'un an après la mise en place du gouvernement.

Ce manque d'anticipation de la part du gouvernement entraîne plusieurs conséquences en matière de recettes, de dépenses, de dettes, mais limite aussi la capacité du gouvernement à soutenir un ensemble de secteurs, et plus généralement l'activité économique.

Monsieur le ministre, quel est l'impact d'une première tranche de douzièmes provisoires sur les recettes et les dépenses de 2026? Quel serait l'impact pour une année entière, si jamais cela devait perdurer? Quel est l'impact d'une première tranche et d'une année entière sur notre dette et nos charges d'intérêt? C'est évidemment un élément important.

Quel est l'impact de ces douzièmes provisoires concernant la trajectoire pluriannuelle, les réformes et économies annoncées par ce gouvernement en matière de santé, de pensions et d'enveloppe bien-être?

Étant donné la situation actuelle, comment adapterez-vous votre méthode et le calendrier budgétaire pour éviter une telle situation dans les années à venir?

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, nu willen we allemaal weten wat de gevolgen zijn voor de kalender, nu er is aangekondigd dat u met voorlopige twaalfden gaat werken. Dat is inderdaad uitzonderlijk.

Kunt u iets zeggen over de geschatte maandelijks impact van de voorlopige twaalfden op het begrotingstekort? Kunt u de kalender al meedelen? Wanneer zult u de teksten neerleggen? Wanneer kunnen we het advies van het Rekenhof verwachten? Voor hoeveel maanden zult u voorlopige twaalfden aanvragen?

Hoe zal de financiering van de OCMW’s worden ingeschreven in de voorlopige twaalfden? Is alles in orde en zijn er nog andere belangrijke uitgaven of inkomsten die zullen worden ingeschreven in de voorlopige twaalfden die geen nieuw beleid vormen, maar mogelijk wel de uitvoering zijn van bepaalde beslissingen?

Daarnaast is er uiteraard de vraag die iedereen zich stelt. Er is niet enkel beslist dat er voorlopige twaalfden worden ingezet, er is ook bevestigd dat andere hervormingen die volgens het regeerakkoord op 1 januari 2026 moesten ingaan niet van start gaan, onder meer de pensioenhervorming. Die beslissing is al bevestigd. Er was een besparing van 410 miljoen ingeschreven op de pensioenen voor 2026. Kunnen we ervan uitgaan dat die 410 miljoen voor het volledige jaar niet zal worden gerealiseerd? Het lijkt mij immers bijzonder vreemd dat een pensioenhervorming bijvoorbeeld in maart nog zou kunnen worden gestemd, aangezien mensen per gewerkt jaar en per aantal gewerkte dagen rechten opbouwen. Kunt u bevestigen dat de pensioenhervorming hoe dan ook wordt uitgesteld tot 1 januari 2027?

Vincent Van Peteghem:

Zoals ik al veelvuldig heb aangegeven, is het gebruik van voorlopige twaalfden natuurlijk slechts een tijdelijk middel om de continuïteit van de openbare dienstverlening te verzekeren. Het is zeker geen wenselijke situatie. Zij die denken dat de voorlopige twaalfden helpen om de uitgaven structureel te verminderen, dwalen. We hopen dan ook op een zo spoedig mogelijk en goed akkoord over de volwaardige meerjarenbegroting, die we dan ook spoedig kunnen neerleggen hier in de Kamer.

Wat de voorlopige twaalfden betreft, beogen we daarbij de kalender te volgen die ook andere jaren werd gehanteerd. De nodige technische voorbereidingen worden momenteel afgerond, wanneer zo snel als mogelijk ook een ontwerp van financiewet voor het begrotingsjaar 2026 zal worden neergelegd. Ik beoog dit dan ook vervolgens begin december in deze commissie te bespreken.

Le calendrier est similaire à celui des années précédentes, où l'on travaillait avec des douzièmes provisoires. Pour rappel, l'année dernière, le dépôt avait eu lieu le 29 novembre, suivi d'une discussion au sein de la commission début décembre et d'un examen en séance plénière le jeudi précédent la trêve de Noël.

En 2013 également, lorsque le gouvernement Di Rupo n'était pas parvenu à présenter à temps un budget complet, la loi de finances avait été présentée le 27 novembre et avait été examinée en commission des Finances début décembre.

In het kader van deze technische voorbereidingen wordt als uitgangspunt de 3/12de van de laatst goedgekeurde begroting genomen. Daarop kunnen onvermijdelijke uitzonderingen worden voorzien. Het betreft dan uitzonderingen die absoluut noodzakelijk zijn, waarvan de wettelijke, reglementaire of bij overeenkomst bepaalde vervaldatum valt in de loop van het eerste trimester van 2026. Of er binnen de financiewet extra middelen aan de OCMW’s ter beschikking moeten worden gesteld, zal ook binnen dat kader geëvalueerd worden.

De exacte impact van de voorlopige twaalfden op het tekort en de schuldgraad kan pas worden bepaald zodra ook de afwijkingen bekend zijn. Zowel het tekort als de schuldgraad zullen echter niet in grote mate afwijken van deze opgenomen in het rapport van het Monitoringcomité van september 2025.

Ik wil ook nog even benadrukken dat zodra de volledige begroting voor 2026 hier is goedgekeurd, wanneer dat ook gebeurt, de begroting volledig van kracht is en de voorlopige twaalfden komen te vervallen. Als de bespreking afgerond is en een akkoord is bereikt en goedgekeurd, dan zal vanaf die datum de volledige begroting van toepassing zijn.

Wouter Vermeersch:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, ik noteer drie twaalfden, dus u voorziet al voorlopige twaalfden voor januari, februari en maart. Dat zou het volgende betekenen, aangezien de begrotingscyclus zich moet uitkristalliseren. We weten dat de administratie gemiddeld 12 weken nodig heeft. De parlementaire werking heeft ook enkele weken nodig. We zullen dan een volwaardige begroting hebben op 1 april, tenzij het sneller verloopt. Ik noteer ook uw zin “zo snel als mogelijk”. Ik vermoed dat we deze zin hier vandaag nog vaak zullen horen.

Voorlopige twaalfden bij een regering met volle bevoegdheid, dat is absoluut een rood licht. Dit is een absoluut falen van het begrotingswerk onder uw toeziend oog. U werkt maandenlang op automatische piloot, waarbij uitgaven worden vastgeklikt op het niveau van vorig jaar en nieuw beleid uiteindelijk in de koelkast gaat, omdat er geen middelen voorzien zijn. De gigantische rekening voor dit land tikt ondertussen gewoon verder. Dit gaat gepaard met een zekere kost. U hebt dat bedrag, dat miljardenbedrag, niet meegegeven, tenzij ik slecht heb geluisterd. Wat is nu de concrete impact van zoveel maanden uitstel, tot nu toe drie maanden? Dat is nochtans belangrijk. Deze discussie moet worden gevoerd. Ik had gehoopt dat u deze vraag zou beantwoorden. Wat is de impact? Uw voorganger spreekt van een impact van 1,2 miljard euro, dus een impact tussen 1 en 2 miljard euro.

Regeringspartij MR zegt ondertussen dat dit allemaal niet zo erg is, maar de feiten zeggen iets anders. Het tekort van entiteit 1 loopt richting 40 miljard euro in 2029. Dat is geen geruststelling, maar een absoluut noodscenario. Zonder een sluitend plan zal ook de schuld verder aangroeien. Niet alleen het tekort groeit aan, maar uiteraard ook schuld, die daaraan vasthangt. Uw eigen cijfers, evenals die van andere instellingen, bevestigen dit.

Ondertussen houdt u alle opties open voor nieuwe belastingen: een btw-verhoging, meerwaardebelasting, een mogelijke miljonairstaks en zelfs de term defensiebelasting circuleert binnen uw regering.

Er zijn geen taboes. Als u maanden met voorlopige twaalfden gaat werken, dan willen wij dat daarover duidelijkheid komt. Voorlopige twaalfden zijn immers geen beleid. Men koopt er louter tijd mee, op kap van de belastingbetaler.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Je comprends vos références antérieures. Chaque contexte est évidemment différent. Il faudra être attentif.

Je pense que la situation est préoccupante et ne partage pas votre forme d'optimisme. Les délais, le manque d'anticipation et la légèreté avec laquelle le gouvernement gère le budget – vous n'êtes bien entendu pas le seul responsable – sont alarmants. Je m'en tiendrai là à ce stade.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, we kunnen u niet verplichten om te antwoorden op de gestelde vragen, maar ik stel toch vast dat uw antwoorden zeer summier waren, hoewel toch al meer dan twee weken bekend is dat we op voorlopige twaalfden overgaan. U zou dus al een vrij goed idee van de budgettaire impact daarvan moeten hebben. Het is vreemd dat u zegt dat u dat wel zult bekijken wanneer het moment zich aandient. Normaal gesproken zou u daarover vandaag al enige informatie moeten hebben. Ook inzake de OCMW's zegt u alleen dat dat zal worden ingeschreven of bekeken. Er bestaat veel ongerustheid in dat verband. Daarom had ik verwacht dat u de lokale besturen, die u belangrijk vindt, toch enigszins de geruststelling zou geven dat zij de nodige middelen zullen ontvangen, gelet op het feit dat de maatregelen inzake de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op 1 januari ingaan. Ook over de pensioenhervorming had ik graag een antwoord ontvangen. We weten nu dat die niet op 1 januari ingaat, maar wordt die hervorming bijgevolg met een jaar uitgesteld? Daarop had ik ook graag het antwoord vernomen, en ik overigens niet alleen, want veel burgers vragen zich momenteel af of zij op pensioen kunnen gaan en hoe het nu zit met de datum in MyPension. Wordt die hervorming al dan niet met een jaar uitgesteld? U hebt zelf in Terzake gezegd dat een invoering met terugwerkende kracht niet mogelijk is. Dat is al zeker. Kunnen wij er daarom van uitgaan dat de invoering wordt uitgesteld? Ook de regeling inzake de meerwaardebelasting moest voor 1 januari worden goedgekeurd. Ik denk dat u ook enkele berekeningen over de begrotingskosten van dat uitstel had kunnen meegeven. We kunnen u niet verplichten om te antwoorden, maar wij zullen onze vragen zeker opnieuw indienen.

De meerjarige begrotingsambitie van de regering
Het overeind houden van de welvaartsstaat en de ambitie van de regering
De begrotingsambitie
De inspanning van 10 miljard en de becijfering van de besparingspistes van de regering
De verklaringen van de cd&v-partijvoorzitter over de begrotingsinspanning
De modaliteiten van de meerjarenbegroting
De regering en haar meerjarenbegrotings- en besparingsambities voor de welvaartsstaat

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onhaalbare begrotingsdoelstellingen van de regering om het tekort tegen 2030 onder 3% (Maastrichtnorm) te brengen, ondanks tegenstrijdige cijfers (10–30 miljard euro inspanning nodig) en uitstel naar de volgende legislatuur. Minister Van Peteghem bevestigt 10 miljard euro tegen 2029 als minimum binnen de EU-uitgavengroeinorm, maar ontwijkt de kloof met hogere ramingen (16–30 miljard) en de impact op koopkracht (indexsprongen, belastingsverhogingen). Kritiek punt: regering schuift verantwoordelijkheid door (doelstellingen verschuiven naar 2030) en mijdt structurele hervormingen, terwijl het regeerakkoord en EU-plannen onderling strijdig zijn. Oplossing blijft vaag, met onduidelijkheid over defensie-uitgaven (1,75 miljard) en concrete maatregelen.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, de regering zou werken aan een meerjarenbegroting die verder gaat dan de begroting van 2026. Kunt u toelichten op welke jaren die begroting betrekking zal hebben? Ook 2030 wordt genoemd, wat eigenlijk al voor de volgende regering is.

Eerder bevestigde u in de commissie dat het begrotingsparcours van de regering geen col buiten categorie is, maar een koninginnenrit die meerdere cols omvat. Houdt u nog steeds vast aan die stelling? Meent u met andere woorden dat zelfs indien er tijdens deze begrotingsonderhandelingen een inspanning van 10 miljard euro afgeklopt wordt, nog bijkomende inspanningen van gelijkaardige omvang geleverd zullen moeten worden tijdens de legislatuur? Indien niet, hoe zal men op vlak van entiteit I en op vlak van de gezamenlijke overheid voldoen aan de 3 %-norm tegen 2030?

Volgens onze berekening is er 20 miljard nodig om die 3 %-norm te behalen. Als men de staatsschuld onder controle wil krijgen, heeft men zelfs 30 miljard nodig. Dat laatste is onze berekening niet, het is de berekening van Bart Van Craeynest van VOKA. Wij bevestigen die uiteraard. Misschien kunt u die cijfers ook even bevestigen?

Mijn volgende vraag gaat over het overeind houden van de welvaartstaat en de ambitie van de regering.

U stelde onlangs dat er naar de begroting gekeken moet worden opdat de welvaartsstaat voor onszelf en de toekomstige generaties overeind blijft. Daartoe moet volgens u het systeem hervormd en gerenoveerd worden.

Kunt u bevestigen dat de ambitie om 10 miljard euro te besparen niet langer 2029 tot doel heeft, maar 2030?

Meent u dat een begrotingsinspanning van 10 miljard euro in 2030 zal volstaan om de welvaartsstaat overeind te houden?

Hoe rijmt u de focus op de netto-uitgavengroeinorm met de in het regeerakkoord opgenomen ambitie om het tekort op het niveau van entiteit I terug te brengen tot 3 % tegen 2030? Dan volstaat 10 miljard volgens onze berekeningen niet.

Hoe rijmt u de focus op de netto-uitgavengroeinorm met het in het budgettair-structureel plan voor de middellange termijn opgenomen engagement om het gezamenlijke begrotingstekort te reduceren tot 3 % in 2029 en tot 2,5 % in 2030?

Mijn volgende vraag gaat over de verklaringen van de cd&v-partijvoorzitter, uw partijvoorzitter, de heer Mahdi, die op zondag 16 november 2025 bij VTM Nieuws verklaarde dat naar zijn mening de regering eigenlijk op zoek moet naar 13 tot 14 miljard euro. U had het over 16 miljard euro. Later werd bericht dat de partijvoorzitter zelfs een inspanning van 16 miljard euro zou vooropstellen. Kunt u die stelling bevestigen en steunt u ze?

Kunt u enige duiding geven bij de merites van de genoemde getallen? Hoe verhouden de genoemde getallen zich tot de inspanning van 10 miljard euro die de regering momenteel vooropstelt en tot de hogere bedragen van 20 en 23 miljard euro die werden genoemd als inspanningen die moeten worden geleverd om het tekort in 2030 te reduceren tot 3 %, al dan niet in combinatie met het doorvoeren van een verlaging van de lasten op arbeid?

Mijn laatste vraag gaat over de modaliteiten van de meerjarenbegroting.

Door de regering wordt gewerkt aan een meerjarenbegroting, wat de reden zou zijn voor het uitblijven van de begroting voor 2026. Tevens zouden de effecten van bepaalde maatregelen niet langer worden berekend en beoogd voor 2029, maar voor 2030. Tussen 2029 en 2030 zou het tekort toenemen met 3,74 miljard euro voor de gezamenlijke entiteiten en met 3,43 miljard euro voor entiteit 1.

Voor welke jaren zal de regering een meerjarenbegroting opstellen?

Kunt u bevestigen dat de inspanning van 10 miljard euro die de regering levert of wenst te leveren, daadwerkelijk 10 miljard euro bedraagt en dat ze niet in 2029 maar in 2030 zou worden gerealiseerd?

Kunt u toelichten welk effect de budgettaire verslechtering heeft op de budgettaire inspanning die de regering wenst te leveren? Kunt u ook toelichten in welke mate die budgettaire verslechtering tussen 2029 en 2030 zal worden gecompenseerd?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, u hebt op 28 september in VTM Nieuws herhaald dat de regering een bijkomende inspanning van 16,6 miljard euro moest leveren om de ambitie te behouden om het federaal begrotingstekort tegen 2030 onder 3 % te brengen.

Laten we even stilstaan bij die ambitie. Dat is de ambitie van uw regeerakkoord; dat is niet de Europese ambitie, niet de Europese norm, evenmin de Maastrichtnorm, want die heeft betrekking op huis België, op de gezamenlijke overheid, en niet op het federaal begrotingstekort. De ambitie reikt tot 2030, maar dat is, zoals de heer Vermeersch al heeft aangehaald, een verantwoordelijkheid voor de volgende regering. Het is eenvoudiger om dat uit te stellen. Wanneer u die ambitie toch wenst te halen, moet u een inspanning van 16,6 miljard euro leveren. De regering is evenwel op zoek naar 10 miljard euro, een doel dat ze blijkbaar niet haalt.

Mijnheer de minister , hoe kunt u die neerwaartse bijstelling verzoenen met, ten eerste, uw regeerakkoord, ten tweede, uw medium-term fiscal structural plan dat u bij de Europese Commissie hebt ingediend, en ten derde, uw beleidsverklaring waarin staat dat de regering de ambitie heeft om de budgettaire achteruitgang bij ongewijzigd beleid om te buigen en om tegen 2030 voor entiteit 1 het begrotingstekort onder de Europese drempel van 3 % te brengen? In die tekst verwijst u wel naar de Maastrichtnorm en niet meer naar het federaal tekort. Daarnaast verwijs ik nog naar uw annual progress report en uw begroting 2025.

In die verschillende documenten lezen we andere zaken dan wat blijkt uit de werkelijkheid. Kunt u bevestigen dat u in al die documenten hebt beloofd om het federaal tekort onder 3 % te brengen, behalve in uw beleidsverklaring, waarin het over de Maastrichtnorm gaat? Erkent u dat die belofte vandaag ernstig in het gedrang is gekomen?

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, depuis des semaines et selon les explications du premier ministre, le gouvernement cherche 10 milliards d'euros afin de se conformer à la norme de croissance des dépenses. Plusieurs pistes ont été évoquées par les membres de la majorité. Celles-ci vont, une nouvelle fois, impacter durablement le pouvoir d'achat des travailleurs tout en entraînant une hausse des taxes.

À cet égard, monsieur le ministre, confirmez-vous bien l'objectif de 10 milliards à l'horizon 2029? Cet effort tient-il compte d'une exonération de certaines dépenses en matière de défense?

Concernant le financement de la défense, qu'en est-il de la somme de 1,750 milliard que le gouvernement doit identifier en standardisation des dépenses et en financement structurel pour atteindre l'objectif de 2 % en 2029? Cette somme de 1,750 milliard est-elle comprise dans les 10 milliards ou s'agit-il d'un effort supplémentaire, impliquant donc des économies supplémentaires?

En ce qui concerne les pistes d'économies avancées par les partis de la majorité, quel serait l'impact sur notre croissance, nos recettes et nos dépenses d'un saut d'index généralisé? Quel serait-il avec un saut d'index au niveau des allocations pour nos recettes et de nos dépenses? Quel serait-il avec annualisation de l'index des salaires de la fonction publique et des allocations pour notre croissance, nos recettes et nos dépenses? Quel serait-il avec une augmentation des différents taux de TVA pour notre croissance, nos recettes et nos dépenses?

Compte tenu des négociations en cours depuis des semaines, je ne doute pas que vous avez pu chiffrer et évaluer avec précision les conséquences de ces différentes pistes que je qualifierais de désastreuses pour le pouvoir d'achat.

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer Vermeersch, in het nieuwe Europese kader verbinden landen zich tot het volgen van een meerjarentraject voor de netto overheidsuitgaven. Zoals ik hier al vaak heb aangegeven, zit daarin ook de sterkte van dat nieuwe kader, namelijk dat we een meerjarenperspectief hanteren voor onze begroting.

Ondanks het feit dat entiteit I voor 2026 op het goede spoor lijkt te zitten tegenover de uitgavennorm, zoals ook duidelijk blijkt uit het rapport van het Monitoringcomité, is het belangrijk dat we nu reeds maatregelen nemen om de begroting gedurende de hele periode van het plan op koers te houden. Daarom hebben we tijdens de begrotingsopmaak 2026 ook natuurlijk extra aandacht voor die begrotingskoers met horizon 2029-2030. Bij elke komende begrotingscontrole en -opmaak zal de grootte van de inspanning natuurlijk geëvalueerd en waar nodig ook bijkomend ingevuld moeten worden.

De ambitie uit het regeerakkoord blijft voor mij ook een belangrijk streefdoel. Die ambitie van 3 % is echter geen engagement dat België zou hebben opgenomen in het budgettair structureel plan. Zoals al vaak gezegd, engageert ons land zich in dat plan enkel tot het volgen van een bepaald uitgaventraject of een traject van de groei van de netto uitgaven. Om dat traject te respecteren, werkt de regering wel degelijk aan die bijkomende inspanning van minstens 10 miljard euro tegen 2029.

Monsieur Daerden, cette estimation de 10 milliards d’euros reprise dans le rapport du Comité de monitoring tient compte du fait que la clause dérogatoire pour les dépenses de défense expire en 2028. Par conséquent, aucune exception n’est prévue pour les dépenses de défense dans cet exercice. Comme l’indique également le rapport du Comité de monitoring, celui-ci tient déjà compte d’un montant de 1 milliard d’euros de financement structurel en 2029 pour les dépenses de défense supplémentaires, qui doit toutefois encore être concrétisé. La manière dont cela sera fait devra être décidée à la table du gouvernement. Je ne peux pas me prononcer sur l’impact éventuel de mesures qui n’ont pas encore été décidées.

Mevrouw Bertrand, of de belangrijke oefening die we momenteel voorbereiden zal volstaan om onze welvaartsstaat overeind te houden dan wel of bijkomende inspanningen nodig zullen zijn, zal de toekomst uitwijzen. Het is in ieder geval mijn persoonlijke betrachting, evenals die van mijn partij. Deze regering neemt ook daadwerkelijk maatregelen om daartoe een poging te ondernemen.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer de minister, ik stel vast dat u helemaal niet bent ingegaan op uw metafoor van de koninginnenrit. Ook bent u niet ingegaan op het verschil tussen de 10 miljard en de 16 miljard, noch op de noodzaak van eigenlijk 20 of zelfs 30 miljard.

U verkoopt uw begrotingspad graag als een koninginnenrit, maar ondertussen rijdt de Belgische begroting het ravijn in zonder remmen. U bevestigt zelf dat één inspanning van 10 miljard zou volstaan binnen de uitgavengroeinorm. Dat betekent echter nog meer belastingen en besparingen, maar nooit op de echte zaken, zoals ik daarnet al zei.

Bovendien verschuift de regering het doel simpelweg naar de volgende regering, na 2030. Dat is bijzonder gemakkelijk. U doet dat natuurlijk omdat het plan niet werkt en al gefaald heeft voordat u bent begonnen. U focust op de netto-uitgavengroeinorm, maar uw eigen regeerakkoord is duidelijk: een tekort van 3 % tegen 2030. U weet dat dit mathematisch vandaag al onmogelijk is geworden met de huidige ambitie van deze regering.

Plots blijkt voor u dat tekort niet meer van tel te zijn, terwijl het wel in uw regeerakkoord staat. Het is dus het een of het ander. Men kan niet zeggen nu voor de uitgavengroeinorm te gaan en dat het tekort van geen tel meer is, terwijl het wel in het regeerakkoord staat. Ik heb ook de indruk dat u uw regeerakkoord citeert als het u goed uitkomt voor uw antwoorden.

Een percentage van 3 % voor de gezamenlijke overheid in 2029 staat wel degelijk in het plan dat u in maart bij de Europese Unie indiende. Dat staat in de tabellen die u indiende in maart.

Mijnheer de minister, de mensen en ook dit Parlement volgen het niet meer. Uw partijvoorzitter spreekt over 13 tot 16 miljard. Uw regering houdt vast aan 10 miljard. Wie moeten wij uiteindelijk geloven?

Mevrouw de voorzitter, misschien hebt u het antwoord.

Alexia Bertrand:

Dank u wel, mijnheer Vermeersch.

Ik vrees dat ik nog minder een antwoord heb gekregen. Ik zou niet weten wat ik moet repliceren. U hebt gewoon niet geantwoord op mijn vragen, mijnheer de minister. Gaat het nu over 10 miljard, 16,6 miljard, 13 miljard zoals uw voorzitter zegt of 20 miljard zoals aanvankelijk werd gezegd? Ik zou het niet weten.

U handhaaft de ambitie van het regeerakkoord. Hoe u die ambitie handhaaft, is echter allesbehalve duidelijk. U zult dan duidelijk meer dan 10 miljard euro moeten vinden. Omdat het sowieso voor de volgende regering is, vermoed ik dat de oplossing al gevonden is.

Frédéric Daerden:

Merci, monsieur le ministre, pour les quelques précisions concernant les dépenses de défense. Au-delà, vu le contexte, on peut comprendre, même si on peut le regretter, que vous restiez discret sur les échanges actuels et sur l'état des discussions. Néanmoins, monsieur le ministre, gouverner et être responsable, c'est aussi envisager et anticiper les conséquences des choix que vous posez. Je crains vraiment pour le pouvoir d'achat des citoyens et pour nos recettes à l'avenir, mais nous aurons l'occasion d'en rediscuter.

De strijd tegen de drugshandel
Het Lemmensplein in Anderlecht, de drugsbendes en het straatgeweld
De bedreiging van magistraten en hun bescherming tegen het drugsmilieu
De war on drugs
De federale reserve en het drugsgeweld in Brussel
De war on drugs in de Antwerpse haven
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld
De strijd tegen de door drugshandel veroorzaakte onveiligheid
De crisis bij de versterkingsreserve van de federale politie in Brussel-Zuid
Drugsgerelateerd geweld en criminaliteit in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende dreiging van georganiseerde drugscriminaliteit en narcoterrorisme in België, met name in Brussel en Antwerpen, waar sprake is van corruptie, geweld en een dreigende "narco-staat". Parlementsleden kritiseren het gebrek aan middelen, coördinatie en concrete actie ondanks beloftes zoals het *Plan Grandes Villes*, een *taskforce* en een drugsfonds (nog in opbouw), terwijl magistraten en politieagenten bedreigd, onderbemand en gedemotiveerd zijn door onvoldoende operationele steun (bv. gebrek aan toegang tot FOCUS, slechte patrouille-afspraken). Minister Quintin benadrukt versterkte politie-inzet (gemengde patrouilles met defensie tegen eind 2025), technologische investeringen (cameranetwerk, ANPR, MonFin) en internationale samenwerking (MAOC, Panama), maar erkent dat structurele oplossingen (zoals conteneurscans in Antwerpen, waar 96% van de cocaïne binnenkomt) vertraging oplopen door budgettaire en logistieke knelpunten. Kritiek blijft op de traagheid, gebrek aan transparantie en de nood aan een integrale aanpak (preventie, repressie, gezondheidszorg) om het vertrouwen in de overheid te herstellen.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, à de très nombreuses reprises, je vous ai interrogés, vous et votre prédécesseuse, face à un mal qui ronge tout notre pays: le narcotrafic et ses conséquences sur notre État de droit et notre société. Je vous ai notamment interpellés sur les besoins de renforts urgents à la police judiciaire de Charleroi et, plus globalement, à la police fédérale, où l'on compte par milliers le manque d'enquêteurs.

"Nous sommes confrontés à une menace organisée qui sape nos institutions" a dernièrement écrit une juge d'instruction anversoise, dans une lettre publiée, anonymement, sur le site des cours et tribunaux de Belgique. Elle dénonce la montée en puissance des narcotrafiquants, en particulier à Anvers. La magistrate a, elle-même, déjà dû vivre quatre mois sous surveillance après avoir reçu des menaces de trafiquants de drogue. Pour cette juge d'instruction anversoise, les caractéristiques d'un narco-État sont désormais présentes chez nous: économie illégale, corruption et violence.

À l'heure où certains aimeraient pointer uniquement la capitale du doigt, l'État doit s'attaquer à cette évolution inquiétante de la criminalité organisée à l'échelle nationale, en renforçant réellement la police fédérale et la justice, mais aussi la santé publique. Le budget de l'Arizona ne le permet cependant pas. Pas encore, en tout cas.

Monsieur le ministre, avec votre collègue chargée de la Justice, comment réagissez-vous à cette lettre ouverte? Quelles actions concrètes comptez-vous prendre pour renforcer les appareils policiers et judiciaires dans notre pays? Que prévoyez-vous face aux risques liés à la corruption?

Le budget 2026 de l'Arizona patine. Qu'avez-vous demandé comme budget pour renforcer votre SPF dans ce cadre? Qu'en est-il d'un fonds "CrimOrg", proposé via une proposition de loi par mon groupe depuis des années?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, wij moeten niet enkel in Brussel, maar ook op andere plaatsen strijd tegen drugs voeren. Vandaar mijn drie vragen.

Ten eerste, drugsbendes zijn de baas op het Alphonse Lemmensplein in Anderlecht, een plein dat u wellicht niet onbekend is, met straatgeweld tot gevolg. Controles door bijvoorbeeld Parking.Brussels blijven achterwege wegens intimidatie en agressie. Er is sprake van structurele drugshandel, vernieling van infrastructuur en gerichte sabotage van de verlichting. Kortom, het is een place not to be . Daarom moeten wij daar iets tegenover durven te stellen. Het mag geen zone worden zonder wetten of regels. Dat wordt ook bevestigd door uw partijgenote en schepen in Anderlecht. Hebt u kennis kunnen nemen van de schrijnende onveiligheidsproblematiek?

Welke bijkomende maatregelen kunt u nemen om het Alphonse Lemmensplein en de rest van de gemeente te stabiliseren? Kan een hotspotplan worden opgelegd in samenwerking met andere diensten en overheden? Werden er reeds afspraken gemaakt met de politie en het parket met het oog op een lik-op-stukbeleid?

Er zou sprake zijn van een structurele onderbezetting bij interventie en recherche ter plaatse. Kan ter zake soelaas worden geboden door detacheringen of bijkomende budgetten? Hoelang duurt het nog – dit is een politieke vraag – vooraleer er een eengemaakte politiezone in Brussel komt? Ik weet dat u daarmee bezig bent, maar het is mij niet altijd duidelijk hoe snel we die eengemaakte zone mogen verwachten.

Ten tweede – deze vragen sluiten daarop aan –, magistraten worden alsmaar vaker door georganiseerde criminelen bedreigd; zij moeten onderduiken, krijgen politiebescherming en moeten soms vanuit safehouses hun werk doen. De Antwerpse magistratuur trok reeds in een open brief aan de alarmbel en vroeg om snel uitvoerbare maatregelen.

Het kan uiteraard niet de bedoeling zijn dat magistraten in angst hun werk moeten doen of daar zelfs niet toe komen. Kunt u een vast operationeel aanspreekpunt bij de FOD Binnenlandse Zaken of de federale politie voor bedreigingen van magistraten oprichten?

Hoe verloopt een en ander, indien een magistraat zich bedreigd voelt? Bij wie moet hij aankloppen? Kan hij daar op een adequate en snelle manier geholpen worden?

Het is wellicht ook nuttig om te weten of het een wijdverbreid fenomeen is. Met andere woorden, waren de voorbije jaren wel meer magistraten het slachtoffer dan wel of het een recent verschijnsel is? Mijn buikgevoel zegt dat de bedreigingen alleen maar toenemen, maar ik beschik niet over concrete cijfers.

Hoe wordt informatie bij het OCAD, de politie en het parket gedeeld om de georganiseerde drugscriminaliteit en het narcoterrorisme gezamenlijk aan te pakken?

Ik heb, ten slotte, nog een politiek geïnspireerde vraag. Hoe staat het nu met het plan om het leger in te zetten in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit? Minister Francken kondigde aan dat hij tegen april 2026 een wettelijke regeling zou uitwerken om militairen in de straten van Brussel en op andere hotspots in ons land in te zetten. Volgens de heer Vandemaele zou minister Francken naar eigen zeggen vandaag dat al voor het einde van het jaar in orde willen brengen. Hoe moeten we die inzet van militairen zien? Worden er gemengde patrouilles ingezet? Of blijft het bij afzonderlijke bevoegdheden waarbij de militairen statische bewakingsopdrachten krijgen, zodat er meer capaciteit vrijkomt voor politieagenten? Voor mij is dat allemaal niet meer duidelijk.

Als het politiek voor de parlementsleden al niet duidelijk is, hoe kan het dan duidelijk zijn op het terrein, voor onze politieagenten en onze burgers? Het is van het grootste belang dat wij als beleidsmakers, mijnheer de minister, duidelijkheid scheppen. Ik verwacht dan ook een helder antwoord daarop vandaag.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, depuis quelques mois, nous sommes plusieurs à vous interroger sur la question du trafic de drogue, ce cancer qui se propage dans nos quartiers, dans les grandes villes de Belgique. Depuis des mois, nous vous posons des questions quant aux moyens nécessaires à allouer aux services de police pour démanteler les réseaux. Si je vous interroge aujourd'hui, c'est parce que, jour après jour, les étapes sont franchies. On va encore un peu plus loin.

J'ai rédigé ma question lorsque j'ai vu – comme moi, vous l'avez vu –ce qui s'est passé à Anderlecht et lorsque j'ai vu, ce qui fait froid dans le dos, un enfant de 11 ans blessé par des tirs. Imaginons un seul instant que cet enfant ait été le nôtre! Je sais que, comme à moi, cette problématique vous tient à cœur, mais je sais aussi que, pour pouvoir résoudre le problème et trouver une solution, il faut des moyens. Il faut donner des capacités à nos services de police pour qu'ils puissent réagir.

Vous savez, comme moi, ce qui se passe aujourd'hui en Europe et en France car vous suivez l'actualité, et notamment à Marseille, où ces trafiquants et criminels sont maintenant arrivés à des méthodes d'intimidation où ils tuent les proches de militants qui combattent le trafic de drogue dans les quartiers. Vous avez suivi, comme moi, la mort de Mehdi, un innocent, dont le frère était un militant contre les trafiquants de drogue et qui cherchait une solution. Eh bien pour l'intimider, on a tué son frère.

Monsieur le ministre, en février dernier, j'avais interpellé le premier ministre avec deux questions: premièrement, qu'en est-il d'une task force pour réunir l'ensemble des forces vives de notre pays et trouver une solution pour éradiquer ce problème? Et deuxièmement, quand un Conseil des ministres européens se réunira-t-il sur la question pour s'exprimer d'une seule voix contre ces criminels et ne plus leur laisser de place dans nos quartiers?

Matti Vandemaele:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op 12/11/2025 verscheen opnieuw een opmerkelijk artikel in de krant met getuigenissen van de agenten van de federale reserve die nu ingezet worden rond Brussel Zuid om mee te helpen met de bestrijding van de drugscriminaliteit. De kritieken die zij uiten zijn bijzonder stevig. Daarom volgende vragen:

Net zoals de kritiek die er is gekomen vanuit de agenten die het waterkanon bedienen nemen ook deze agenten hun toevlucht tot de pers. We horen dat deze agenten hun grieven altijd eerst herhaaldelijk intern hebben geuit maar niet gehoord worden. De vraag is dan ook: wat loopt er mank in de interne organisaties dat de betrokken agenten niet gehoord worden en geen andere uitweg zien dan verklaringen afleggen in de pers?

Klopt het dat er binnen de federale reserve zeer veel afwezigheid door ziekte is en dat er bij momenten tot 40 agenten in deze groep ziek zijn door afwezigheid? Wat is er gebeurd met deze vaststellingen?

De agenten geven aan dat ze de opdracht krijgen maar dat ze geen controles mogen/moeten uitvoeren, enkel patrouilleren. Ze worden uitgelachen door de dealers ter plekke, geven ze aan. Welke orders hebben deze agenten gekregen? Klopt het dat ze gevraagd werden om geen actie te nemen want dat men nu al niet meer kan volgen met PV's en verdere afhandeling?

De betrokken agenten geven ook aan dat de lokale politie sinds hun aanwezigheid verdwenen is en 'rustig zit te wachten op hun bureau tot er een incident is'. Klopt dat? Zijn er nu meer agenten of zijn de lokale agenten gewoon elders aan het werk?

De agenten verklaren dat ze zonder duidelijke briefing de straat worden opgestuurd en dat ze vanuit de zone Brussel Zuid ook geen toegang krijgen tot FOCUS, waar ze alle relevante informatie zouden kunnen vinden. Kloppen deze beweringen? En als de agenten geen toegang hebben tot FOCUS, waar halen ze de zelfde informatie dan wel?

De agenten van de Federale reserve stellen voor om met gemengde teams te werken. De agenten van de Federale reserve kunnen dan de lokale agenten beschermen tijdens hun interventies. Hoe kijkt u naar dat idee?

François De Smet:

Monsieur le ministre, en ce qui concerne le narcotrafic, je ne vous cache pas que je suis, comme certains de mes collègues, de plus en plus inquiet. En effet, pendant que les fusillades se succèdent, que notre procureur du Roi est menacé de mort, ou que la France a, en plus de son parquet national financier, décidé de se doter prochainement d'un parquet national anticriminalité organisée pour faire face à cette menace, j'ai parfois l'impression qu'une partie de nos politiques sous-estiment cette menace et tentent de cantonner cette question à des quartiers – tels que le Peterbos, Clemenceau, ou ailleurs – ou à des sujets comme la fusion des zones de police, et qu'ils ne perçoivent pas toujours la gravité de la menace.

J'avais envie de vous interroger sur un aspect précis, que je voulais vous soumettre déjà la semaine dernière, et auquel votre collègue Clarinval a répondu en séance plénière, à savoir cette déclaration du procureur général Frédéric Van Leeuw: "Lutter contre la criminalité organisée, c'est aussi toucher à la liberté d'entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d'Anvers, il n'y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés, et on nous dit clairement que si on contrôle 15 % des conteneurs, Anvers va perdre des parts de marché. Si on veut vraiment lutter contre la criminalité organisée, il faudra aussi accepter de perdre des points de PIB".

J'avais pourtant espéré que le ministre Clarinval m'apporte une réponse liée à ses compétences en É conomie, mais il s'est contenté d'une réponse assez classique sur ce qui est déjà fait. Toutefois, je voudrais bien de votre part des engagements et des chiffres sur le scanning que nous pouvons attendre au port d'Anvers et le scanning réel aujourd'hui. Je voudrais dire et répéter que tant que la drogue passera dans les ports, nous aurons des tirs de kalachnikov à Bruxelles et ailleurs, avec, le cas échéant, des vies d'enfants qui seront menacées.

Quels sont les détails du Plan Grandes Villes? Où en est la task force ? Allez-vous vous concerter avec le ministre des Finances sur l'historique de scanning des conteneurs?

Enfin, ne pourrions-nous pas nous inspirer de la France, qui investit dans un nouveau parquet consacré à la lutte contre la grande criminalité? Je vous remercie.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je ne vais pas refaire l'inventaire des nombreux faits de violence qu'on a connus cet été, depuis plusieurs mois maintenant, à Bruxelles et ailleurs également. Les risques se multiplient, les incidents se multiplient encore. Mon collègue a évoqué un cas malheureux. Récemment, une école a été touchée par un impact de balle.

Monsieur le ministre, étant donné la situation, pourriez-vous faire un état des lieux de l'ensemble des mesures que vous avez déjà évoquées et annoncées à de nombreuses reprises lorsqu'on vous a interpellé, notamment en séance plénière également.

Et, de manière plus précise, mes questions portent sur la task force que vous avez décidé de mettre en place avec les compétences Justice, Finance, Santé et Intérieur, bien entendu. Quelle est la fréquence des réunions de cette task force ? Quels sont les objectifs, les moyens? Et surtout, quelles sont les actions concrètes qui en ressortent?

Quant au fonds drogue, des travaux budgétaires sont en cours. D'ici 35 jours au plus tard, nous aurons un budget pour notre pays et j'espère que, dans ce budget, il y aura les réponses à nos questions concernant le fonds drogue. Quelles seront les recettes qui y seront affectées? Comment seront-elles utilisées? Il est temps de pouvoir répondre à ces questions précises. Monsieur le ministre, que pouvez-vous nous dire actuellement des travaux budgétaires concernant ce fonds de manière spécifique?

Enfin, comme mes collègues l'ont évoqué, il faut clarifier la question des équipes mixtes avec l'armée. Cette idée se mettra-t-elle en œuvre? À partir de quand?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, la presse a récemment relayé les témoignages de policiers fédéraux de la FERES, réserve fédérale d'intervention, envoyés en renfort depuis plus d’un an dans la zone Bruxelles Midi. Ils décrivent une situation alarmante et révélatrice d’un grave dysfonctionnement. Ces policiers expliquent qu’ils patrouillent la nuit à Anderlecht, Saint-Gilles et Forest sans briefing, sans consignes opérationnelles, sans accès à l’application FOCUS, pourtant indispensable pour évaluer la dangerosité des situations, et pratiquement sans communication avec les équipes locales, qui n’interviendraient qu’en cas d’incident majeur.

Ils affirment que leur présence est devenue "de la figuration", que la zone locale leur demande de limiter les contrôles faute de capacité de suivi, et que les trafiquants le savent parfaitement.

Aussi, la FERES est trop souvent en sous-effectif pour des shifts de nuit, car un peloton entier serait en maladie. Ils expliquent ne pas comprendre pourquoi aucune patrouille mixte locale-fédérale n’est mise en place.

Enfin, la FERES formule deux propositions : Interdire l’usage des trottinettes dans certains quartiers et à certaines heures, car elles seraient utilisées par les trafiquants pour fuir, ce qui empêche toute poursuite sécurisée ; et investir dans des caméras de surveillance réellement performantes, alors que la dernière fusillade sur la place Bethléem, avec 28 coups de feu tirés, n’a fourni que des images floues.

Monsieur le ministre, au regard de l’ensemble de ces éléments rapportés par les policiers de terrain, comment justifiez-vous que des renforts fédéraux soient maintenus dans un dispositif qui semble dépourvu d’efficacité et de coordination? Avez-vous connaissance du refus de la zone Bruxelles Midi d’organiser des patrouilles mixtes avec la FERES? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir que les policiers fédéraux disposent d’un cadre de travail coordonné avec les équipes locales? Comment expliquez-vous que la police fédérale ne dispose pas d’un accès à l’application FOCUS alors qu’elle est engagée dans des missions de terrain critiques? Envisagez-vous d’examiner les propositions formulées par la FERES? Le gouvernement pourrait-il envisager de conditionner les renforts fédéraux à une obligation pour la zone locale de mener une action cohérente et transparente, afin d’éviter que l’État fédéral ne serve de façade alors que le travail opérationnel ne suit pas? Le gouvernement a-t-il évalué l’impact de cette situation sur la sécurité des citoyens?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos questions concernant la lutte contre le trafic de drogue et la criminalité organisée.

Ces questions récurrentes – comme il se doit – touchent au cœur des défis sécuritaires auxquels notre pays est confronté et méritent une réponse approfondie et détaillée, ce qui revient à dire que je serai un peu long dans ma réponse.

La lutte contre le phénomène complexe que constitue la criminalité organisée liée à la drogue nécessite une approche holistique globale et innovante, avec l'implication de tous les acteurs de la prévention, du répressif, de l'accompagnement et des soins. C'est dans cette optique globale que les moyens supplémentaires octroyés en 2024 et 2025 pour la lutte contre la drogue ont permis de financer non seulement des projets visant à améliorer l'approche répressive, mais également des projets portés par la santé publique tels que, notamment, la mise en place d'équipes de crise mobiles réunissant les acteurs policiers et le monde médical.

Mes collègues des départements de la Justice, de la Santé publique et des Finances et moi-même continuons à travailler ensemble dans ce cadre. Le Commissariat national drogue compte d'ailleurs parmi ses membres des représentants des départements de l'Intérieur, de la Justice et des Finances. Un représentant du département de la Santé publique les rejoindra également très bientôt.

Comme prévu dans l'accord de gouvernement et dans ma note de politique générale 2025, j'ai lancé le plan Grandes Villes, qui constitue l'évolution du plan Canal. Ce plan fédéral, renforcé, doit garantir une lutte active contre la criminalité organisée, plus particulièrement à Bruxelles et Anvers, les deux villes les plus affectées, mais aussi dans les autres grandes villes du pays dans lesquelles la situation tend à se dégrader.

En raison de l'augmentation des incidents liés à la drogue à Bruxelles et à Anvers, un groupe de pilotage avec une task force sur la criminalité organisée a été créé par le premier ministre début avril 2025, sur ma proposition et dans le cadre d'une approche globale.

L'exécution du plan Grandes Villes est en cours. Vous comprendrez qu'il est encore un peu tôt pour en tirer un bilan exhaustif. Néanmoins, de nombreuses opérations ont déjà été organisées avec l'objectif d'accroître la présence policière sur le terrain.

Le plan Grandes Villes s'appuie sur la méthode Clear, Hold, Build , qui comprend trois phases menées en parallèle. Clear : occuper le terrain et reprendre le contrôle des rues, des places et des parcs. Une présence forte et visible des services de sécurité est au cœur de cette approche. Hold : les services de police renforcés sont complétés par d'autres partenaires de sécurité tels que les gardiens de la paix et les travailleurs sociaux. L'objectif est de permettre à la vie sociale et économique normale de reprendre son cours. Build : la police reprend ses activités normales et des efforts sont déployés pour renforcer la résilience afin de prévenir de nouveaux actes de violence et phénomènes criminels.

Il s'agit d'une politique visant à normaliser la vie dans le quartier par l'aménagement de l'espace public, la rénovation urbaine, le soutien aux initiatives citoyennes, etc.

We kunnen slechts succes boeken via een integrale en geïntegreerde aanpak. In het plan ligt, zoals meermaals aangegeven, de nadruk op onder meer preventie, partnerschap en samenwerking, bestuurlijke handhaving, gerechtelijke aanpak, de aanwending van technologische middelen, zichtbaarheid en verschillende soorten politieacties. Kortom, het betreft een heel scala aan maatregelen. De zichtbaarste zijn uiteraard repetitieve politieacties, groot en kleinere, waarbij de federale en lokale politie samenwerken. Het Lemmensplein is een zogenaamde hotspot en is het onderwerp van de geïntegreerde en methodologische aanpak.

In verband met de aanpak van de hotspots kan ik bevestigen drie soorten repetitieve acties zijn uitgevoerd sinds september en dat die ook volgend jaar plaats zullen blijven vinden. Het betreft repetitieve full integrated police actions , FIPA. Die acties hebben een grote omvang en werken volgens het klassieke FIPA-concept, wat de inzet van de volledige lokale en federale politie betekent.

Daarnaast zijn er repetitieve kleinere acties, volgens het concept van very irritating police , zowel op het eigen terrein van de federale politie, de verbindingswegen, als in samenwerking met de lokale politie op hun actieterrein. Zo blijven we druk opvoeren op het criminele milieu.

Bovendien zijn er geïntegreerde controleacties en acties van de arrondissementele inspectiecellen gericht op het aanpakken van de illegale economie, fraude en het malafide gebruik van vennootschappen in de grote steden, acties van onder andere het type flex of BELFI, gelet op de scharnierrol van de federale politie in de strijd tegen criminele organisaties en ondermijnende criminaliteit.

Ces actions sur le terrain sont également soutenues par des investissements technologiques majeurs qui permettent une meilleure efficacité opérationnelle.

À Bruxelles, la connexion de plus de 500 caméras ANPR à la plateforme nationale sera assurée avant la fin de cette année. Depuis cet été, les quelque 10 000 caméras de la SNCB sont accessibles aux forces de l'ordre, locales comme fédérales, permettant d'intervenir dans les gares avec une meilleure connaissance de la situation.

D'ici la fin de cette année 2025, tous les systèmes de traitement de la police locale (Police Search) seront interconnectés, permettant un échange d'informations en temps réel, ce qui n'est pas encore possible aujourd'hui. L'outil MonFin, développé par la PJF du Limbourg, offrira à l'ensemble de la police intégrée une capacité centralisée et proactive de détection des entreprises potentiellement frauduleuses.

Conformément à l'accord de gouvernement, la PJF de Bruxelles a été significativement renforcée ces derniers mois. Concrètement, entre janvier et septembre 2025, les effectifs opérationnels ont été augmentés de 46 collaborateurs. Il subsiste un déficit de 46 équivalents temps plein pour atteindre la norme fixée à 762 collaborateurs, mais 56 engagements supplémentaires sont déjà réalisés ou programmés entre octobre 2025 et début 2026. Une trentaine de détachements temporaires d'enquêteurs expérimentés provenant d'autres unités déconcentrées de la police judiciaire fédérale ont également été mis en place. Il faut évidemment tenir compte du départ naturel de certains membres du personnel, mais la tendance générale est clairement positive.

Parallèlement, la capacité de la PJF d'Anvers est également en cours de renforcement. Je n'en oublie pas pour autant les autres PJF, que ce soit Charleroi ou les autres arrondissements. Toutes les polices judiciaires doivent trouver à être renforcées dans un métier qui est particulier au sein de la police.

Nous devons attaquer les organisations criminelles au niveau de leur centre de gravité, à savoir l'argent, et réinvestir une partie de l'argent criminel dans la lutte contre la narco-criminalité et plus généralement le fléau de la drogue. Ce principe est une évidence pour l'ensemble des partenaires et autorités concernées.

À cette fin, comme je vous l'avais déjà annoncé, nous allons mettre en place un fonds drogue. Un projet de cadre juridique à cette fin est déjà en cours d'élaboration par le Commissariat national drogue. Ce fonds constitue un pilier essentiel du renforcement de la lutte contre les organisations criminelles.

Afin d'assurer son efficacité, il faut tout d'abord renforcer les points critiques de la chaine, de la détection à la saisie et confiscation. Ce travail est mené par mes collègues ministres des Finances et de la Justice sous la coordination de la Commissaire nationale aux drogues.

S'agissant de la question relative à la réserve fédérale d'intervention (FERES), ses renforts nocturnes vers la zone de police Bruxelles-Midi ont été décidés au moment où des incidents par armes à feu se produisaient quasiment chaque jour sur le territoire de la zone. Ils répondent donc à un besoin sécuritaire objectif.

Premièrement, loin d'être laissée en roue libre, cette mission fait l'objet d'une évaluation mensuelle structurée, présidée par le directeur-coordinateur de la police fédérale, en présence de tous les services concernés. Les difficultés soulevées par les membres de la FERES y sont systématiquement examinées. Lorsque c'est possible, des solutions sont apportées avec un feed-back à destination desdites équipes. J'admets toutefois que certains problèmes n'ont pas encore trouvé de solution définitive; ce qui justifie de poursuivre ce travail d'ajustement.

Deuxièmement, concernant les patrouilles mixtes et le refus allégué de la zone, il n'existe aucune interdiction d'organiser des patrouilles mixtes entre la FERES et les équipes locales. Au contraire, les équipes mixtes sont expressément mentionnées comme une option opérationnelle possible, à condition qu'elles restent compatibles avec la mission de base de la FERES: notamment, la capacité d'être redéployée pour des interventions urgentes. La manière concrète de déployer les équipes FERES relève de la responsabilité de la zone de police bénéficiaire. Si des réticences locales existent quant à certains modes opératoires, elles doivent être discutées et arbitrées lors des réunions d'évaluation et des contacts entre le directeur-coordinateur et le chef de corps concerné.

S'agissant du cadre de travail coordonné avec les équipes locales, je puis vous communiquer les informations suivantes. Afin de garantir un cadre de travail coordonné, les équipes FERES reçoivent systématiquement un briefing par l'officier responsable sur place. Elles disposent à présent d'appareils Focus qui leur donnent accès à l'application de briefing de la zone. Les modalités de contrôle et de verbalisation sont définies par le bénéficiaire du soutien, conformément à la pratique, afin d'assurer notamment un équilibre entre le travail de contrôle accompli par la FERES et la charge de travail générée pour la zone. Pour l'accès aux applications Focus ou Incident, contrairement à ce qui a été suggéré, les équipes FERES disposent bien des terminaux Focus et ont accès, via ceux-ci, à l'application de briefing de la zone. En revanche, ce qui n'était pas encore le cas jusqu'à présent, c'est l'accès à l'application Incident de la zone par les équipes FERES. La zone de police Midi s'était abstenue de livrer cet accès, mais il a été convenu que ce point serait réglé à court terme.

Quant à la prise en compte des propositions émises par la FERES, celles-ci sont chaque fois discutées dans le cadre de la réunion mensuelle d'évaluation que j'ai déjà mentionnée. Certaines ont déjà conduit à des adaptations concrètes, d'autres restent soumises à la discussion.

Par ailleurs, la direction a décidé de participer activement au projet "absentéisme" de la police fédérale, s'inscrivant ainsi dans une démarche de prévention des risques psychosociaux et d'amélioration du bien-être des équipes, notamment pour une unité fortement sollicitée comme la FERES.

Le rôle de la police fédérale n'est pas d'assurer à la place des communes la détection précoce de la criminalité locale ni de compenser des lacunes structurelles dans l'organisation du travail d'information. Le rôle de la police fédérale est d'apporter un soutien ciblé et proportionné lorsque la situation l'exige, pas de se substituer aux missions de base des zones. La dimension internationale de la lutte contre le narcotrafic est essentielle à ce titre. Plusieurs initiatives concrètes ont été mises en œuvre.

Concernant le MAOC, Maritime Analysis and Operations Centre, l'agent de liaison de la police fédérale est entré en fonction en son sein le 1 er octobre 2025, ce qui implique bien entendu une période d'adaptation. Je peux vous dire, pour avoir été au Portugal pour une mission il y a quelques jours, que cette période d'adaptation aura été très courte. Il est déjà très bien intégré et le MAOC est une structure qui fonctionne assez bien. C'est vraiment très intéressant.

La mission du MAOC porte sur l'ensemble des navires, à l'exception des porte-conteneurs, et, à la différence de notre carrefour d'informations maritimes (MIC), il intègre également une surveillance des mouvements de l'aviation légère. L'objectif est de pouvoir détecter, entre l'Amérique du Sud, l'Afrique et l'Europe, les navires ou avions à risque et de transmettre l'information à nos partenaires en Belgique et, le cas échéant, à des pays tiers. Ces informations permettent notamment à des navires de marines partenaires d'intervenir en haute mer et de prévenir le déplacement des flux vers l'Afrique de l'Ouest. Cet investissement représente un bon exemple de renforcement de la coopération internationale qui est nécessaire face à ce fléau.

Comme annoncé précédemment, j'ai également ouvert des postes d'officier de liaison de la police fédérale aux Émirats arabes unis et au Panama, qui est un point de départ connu du trafic de drogue venant d'Amérique latine.

La question de la protection des magistrats menacés est une priorité absolue. En Belgique, un protocole établi existe pour assurer la protection des magistrats qui font l'objet de menaces dans l'exercice de leurs fonctions.

Ik zal niet te veel in details treden.

Lorsqu'une menace est signalée, elle est analysée par l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace (OCAM) et la police fédérale. Sur la base de cette évaluation, le Centre de crise national détermine les mesures de protection spécifiques adaptées à chaque situation.

De coördinatie in dat soort dossiers loopt goed. Samen met de minister van Justitie zal ik het kader over bedreigingen tegen ambtenaren, magistraten, journalisten of politici actualiseren en de mogelijke beschermingsmaatregelen aanscherpen.

Quant au recours à la Défense, la situation sécuritaire nécessite la prise de mesures supplémentaires en matière de surveillance et d'occupation du terrain. Comme prévu dans l'accord de gouvernement, le déploiement de la Défense se fait déjà par étapes pour la sécurisation des sites nucléaires et sera étendu à court terme aux sites sensibles tels que les ambassades.

En outre, le travail se poursuit à un rythme soutenu pour déployer les militaires en appui de la police à Bruxelles. Il s'agira dans un premier temps de patrouilles mixtes, qui permettront d'en doubler le nombre par un effet mathématique évident, tout en atteignant un autre objectif qui est celui du message politique clair. L'État est prêt à mettre en œuvre toute sa puissance contre le crime organisé et à assurer ainsi la sécurité de nos concitoyens. Mon objectif reste un premier déploiement avant la fin de l'année.

En pré-conclusion, la lutte contre la criminalité organisée et le narcotrafic demeure ma priorité absolue. Le plan stratégique de la police fédérale que j'ai récemment validé fait d'ailleurs de ces thèmes une priorité.

Le plan grandes villes que j'ai lancé représente une réponse globale, coordonnée et ambitieuse face à ce défi. Il s'appuie sur une approche multidisciplinaire impliquant tous les acteurs concernés. Je suis conscient que cette lutte nécessite de la persévérance, des moyens importants et une coordination sans faille. C'est précisément ce que nous mettons en œuvre au quotidien.

De taskforce is samengesteld uit drie ministers: de eerste minister, de minister van Justitie en ikzelf, als core . Andere ministers kunnen ook deelnemen.

Nous sommes occupés à peaufiner non seulement la méthode de travail, mais aussi tous les tableaux nécessaires pour avoir une bonne coordination entre les différents ministres du fédéral pour que toute la chaîne impliquée dans la lutte contre le crime organisé lié au trafic de drogue puisse trouver à se déployer convenablement et que chacun prenne ses responsabilités dans cette approche en chaîne.

J'ai coutume de dire que mon maillon est celui de l'ordre et de la tranquillité publique, tel que défini par la Constitution. Les maillons précédents sont ceux de l'organisation de la société: logement, emploi, santé publique, etc. Ensuite viennent les maillons de la justice qui doivent aussi trouver à être renforcés.

Concernant les conteneurs à Anvers, je serais le ministre de l'Intérieur le plus heureux si le seul point d'entrée de la drogue était cette ville. Je ne néglige pas ce point, car il est le point d'entrée principal, mais il me paraît limité de dire que c'est le seul. Il y a d'autres portes d'entrée, des aéroports, des routes. Nous sommes un pays qui a l'avantage d'être au cœur d'un continent, sans être au centre, un pays de passage.

On parle souvent du scanning des conteneurs. Je vous invite à poser la question au ministre des Finances, puisque le scanning dépend des douanes. Faut-il augmenter le scanning? Certainement. Je laisserai au procureur général la détermination du pourcentage, mais il faut toujours trouver, ici comme ailleurs, l'équilibre entre les différents intérêts. Vous pensez bien qu'en tant que ministre de la Sécurité de l'Intérieur, mon intérêt principal, c'est la sécurité et donc de faire en sorte qu'il n'y ait plus de drogue – dans un monde idéal – et certainement que le moins de drogues possible entrent via Anvers ou autres points d'entrée.

J'en profite pour dire, sur base d'expériences antérieures, que le scanning est une chose, mais qu'il est aussi très important de continuer à investir dans le screening, c'est-à-dire l'analyse, avant même que les conteneurs arrivent, afin de mieux cibler les contrôles.

Je terminerai par un feedback sur l'image que M. Chahid a utilisée, celle du cancer. C'est la bonne image. Pour combattre le cancer, surtout celui-là qui est déjà en phase de métastases, il faut s'attaquer bien sûr au cancer primaire mais aussi aux métastases. Il faut être prêt à utiliser toutes les méthodes thérapeutiques qui existent, comme on le fait dans la lutte contre le cancer, de la chirurgie à la chimiothérapie, à l'immunothérapie, etc. C'est pour cela que la task force est importante. Tout le monde doit être impliqué dans la lutte contre ce cancer.

Il faut vraiment que tout le monde se retrousse les manches, tant au fédéral que dans les entités fédérées, et tant les autorités publiques que le monde associatif. Croyez bien que je partage votre crainte qu'un jour une victime innocente soit touchée par ces fusillades, et je n'épargne pas une seconde de mon temps pour prendre toutes les mesures pour lutter de manière résolue dans ce qui est un combat difficile, que nous devons mener et dont nous devons accepter qu'il prenne encore du temps.

Éric Thiébaut:

Merci monsieur le ministre pour ces réponses très détaillées. Je me réjouis de l'annonce de la création d'un fonds drogue, que nous portions aussi depuis un certain temps. J'espère qu'il sera alimenté par les prises que l'on fait grâce aux résultats des enquêtes depuis des années, prises qui constituent des millions d'euros d'après ce que les magistrats nous avaient expliqué lors des auditions en commission Justice-Intérieur il y a quelques années.

Pour le reste, il est nécessaire d'avoir davantage de moyens pour faire face à cette crise et à ce risque de narco-État, dénoncé par une série de magistrats.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, dank voor uw omstandig antwoord. De strijd tegen drugs moet op alle fronten worden gevoerd. Ik zal uw antwoord nog eens nalezen.

Laat ik er wel enkele elementen uithalen, die mij zorgen baren. U stelt terecht dat de veiligheidsdiensten zichtbaarder moeten zijn in het straatbeeld en ik sta daar volledig achter. Tegelijkertijd verwijst u ook naar een cameranetwerk dat men over het hele land wil uitrollen. Daar ben ik dan weer een koele minnaar van. Ik pleit veel meer voor een doortastende, maar menselijke aanpak van onze veiligheidsdiensten en dat ontbreekt momenteel. Ik hoor u graag zeggen dat veiligheidsdiensten zichtbaar moeten zijn. Waarom worden die inspanningen niet volgehouden? Ik verwijs naar de razzia's van afgelopen zomer. Dergelijke acties moeten consistent worden uitgevoerd, anders is het slechts een doekje tegen het bloeden. De problematiek verschuift dan naar andere hotspots in onze hoofdstad. Het is nodig om wekelijks dergelijke razzia's te houden.

U sprak ook over de oprichting van een drugsfonds, waar ik volledig achter sta. Ook de nationale drugscommissaris vraagt daar al sinds de vorige legislatuur om en het duurt te lang, voor daar schot in de zaak komt. We hadden allang werk moeten maken van zo'n drugsfonds om het systeem van follow the money in de praktijk te brengen.

Op mijn vraag over de bedreiging van magistraten hebt u niet uitgebreid geantwoord. Dat hangt waarschijnlijk samen met de beveiligingstoestand en de opgelegde vertrouwelijkheid van politie- en beveiligingsdiensten daaromtrent. Uit uw antwoord leid ik wel af dat de beschermingsmaatregelen zullen worden aangescherpt, omdat het fenomeen aan kracht wint. Ik hoop vooral dat er geen slachtoffers vallen, vooraleer men hier de urgentie van inziet. Niet alleen magistraten verdienen bescherming, maar ook personen die andere openbare functies vervullen, zoals journalisten en advocaten.

Wat de inzet van het leger betreft, u maakt zich sterk dat het gaat om gemengde patrouilles. Heb ik dat correct begrepen, mijnheer de minister? Ik betwijfel, samen met heel wat politiemensen, of dat in de praktijk wel goed zal werken. Militairen genieten een andere opleiding dan onze politiemensen. Politiemensen staan in voor de openbare orde. Ik vind het wel een goede zaak, onze partij heeft dat ook altijd gesteund, dat militairen in het straatbeeld aanwezig zijn. Wij moeten inderdaad dat politiek signaal geven, om aan te geven dat het ons menens is. Naar aanleiding van de terrorismeaanslagen, jaren geleden, hebben we ook militairen door de straten laten patrouilleren. Dat had inderdaad een effect, want de criminaliteitscijfers zakten zienderogen. Ik hoop dat dat ook nu het effect zal zijn.

Om nu onmiddellijk dezelfde bevoegdheden van politieagenten ook aan militairen te geven, of omgekeerd, lijkt mij echter een moeilijke, praktische zaak, zeker om zo'n strategie op het terrein uit te rollen. Ik hoor nogal wat vragen rijzen over de coördinatie. Wie stuurt aan? Wie is leidinggevend? Is er een commandocentrum? Is het de lokale korpschef, die bepaalt hoe de gemengde patrouilles worden ingezet? Zo ja, waar worden die ingezet? Wat zijn de opdrachten van die gemengde patrouilles?

Terwijl we nog aan het wachten zijn op de eengemaakte politiezone in Brussel, zijn we precies al aan het lopen met de gemengde patrouilles. Ik heb daar misschien niet zoveel vertrouwen in als u. Ik hoor ook op het terrein, zeker in politiekringen, nog veel vragen daarrond. Ik hoop dat u daarin alleszins duidelijkheid kunt brengen.

Tot slot, ik hoor het u graag zeggen dat de taskforce duidelijk zijn, dat iedereen de mouwen moet opstropen en dat de strijd tegen drugs er eens is van iedereen. Dat is allemaal waar, mijnheer de minister, maar ik zie de taskforce in de praktijk niet. Ik zie geen concrete maatregelen. Het blijft wachten op resultaten. De drugsstrijd is terug van nooit weg geweest. Het wordt alleen maar erger in onze straten. Ik had gehoopt op een sense of urgency bij de taskforce. Ik had gehoopt dat de premier en u en andere ministers daar wel concretere maatregelen tegenover zouden zetten. Ik zie dat momenteel niet gebeuren. Ik hoop dat daarin alleszins verbetering komt.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Elles sont beaucoup plus précises et concrètes que ce que j'ai pu avoir jeudi dernier en séance plénière. Je vous en remercie.

Je tiens aussi à saluer les réponses en matière de renforts pour la police judiciaire fédérale, et ce qui va arriver. On sent bien que vous êtes bien impliqué dans votre fonction et que ce combat vous tient à cœur tout comme à nous.

Puisque j'ai enfin la réponse sur la task force – sur la mise en place de laquelle je n'avais pas encore reçu d'éléments nouveaux – j'ose espérer que l'ensemble du gouvernement est maintenant sur la même longueur d'onde que vous, et que vos collègues vous appuieront dans vos demandes budgétaires pour ce combat, qui doit être le nôtre.

Comme j'ai déjà pu le dire dans cette commission, je pense vraiment que dans le combat contre les trafiquants de drogues, contre le narcotrafic, il n'y a pas de majorité ni d'opposition. C'est un combat commun que nous devons mener, quel que soit le niveau de pouvoir ou la place qu'on occupe, pour défendre notre démocratie, défendre la place de l'État en Belgique; un État fort, face à ces voyous qui sont avant tout là pour tuer nos enfants, point à la ligne. Il ne faut pas chercher midi à 14 heures. Je pense vraiment qu'il faut y mettre les moyens.

Je vous remercie pour les réponses apportées. Nous continuerons évidemment à suivre avec un grand intérêt l'évolution de la mise en œuvre des différentes mesures qui seront prises. J’espère des moyens importants dans le budget 2026. Merci.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre. Nous ne doutons pas de vos engagements, et je vous sais sincère. Merci pour vos réponses sur le renforcement des effectifs sur le terrain. Je n'ai pas d'inquiétudes avec ce gouvernement sur l'aspect "rue". Je sens votre ambition.

Je reste inquiet sur la recherche de l'argent. Vous avez décrit ce qui a été fait. Nous allons voir. Je suivrai cela avec attention.

Tout de même, vous avez parfois un certain discours de relativisation sur le port d'Anvers. Vous m'avez repris en disant: "Attention, toute la cocaïne n'entre pas à Anvers." Je voudrais relever juste un chiffre: en 2023, la douane belge a saisi 121 tonnes de cocaïne dans l'ensemble du pays. Sur ces 121 tonnes, 116 ont été saisies au port d'Anvers. Ce n'est "que" 96 %. C’est quand même… Je ne fais pas de fixette sur Anvers par plaisir, mais il n'y a pas photo, entre cette voie d'entrée – malheureusement – et le reste.

Alors, oui, on saisit de la drogue ailleurs. Par exemple, en 2024, on a saisi 120 kilos de drogue à l'aéroport de Zaventem dans des colis postaux.

On saisit quelques kilos d'un côté, des tonnes de l'autre. Voilà pourquoi j'interrogerai également M. Jambon, jusqu'à ce qu'un membre du gouvernement veuille bien me répondre sur le scan actuel, le pourcentage, le résultat que vous voulez atteindre et avec quels moyens. Néanmoins, je crains quelque peu que ce renvoi de balles ne soit pas toujours à la hauteur du combat, pour lequel nous avons en effet besoin d'une union non seulement de la majorité et de l'opposition, mais surtout de tous les départements régaliens en même temps.

Je vous le répète, et ce n'est pas moi qui avais pointé le problème mais bien le procureur général, Frédéric Van Leeuw: tant que le taux de détection restera aussi faible dans cette principale voie d'entrée, nous n'arrêterons pas les tirs et les fusillades à Bruxelles. Là est le nœud du problème.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse très détaillée. J'entends que beaucoup de choses bougent, et c'est une bonne chose, même s'il reste énormément de travail à réaliser. Pour répondre à l'interpellation du collègue De Smet concernant la nécessité de garantir une coordination et une implication de tous les membres, je citerai cet objectif de task force , et je pense qu'il est vraiment primordial que tous les départements concernés s'inscrivent dans cette dynamique. J'entends ici que la méthodologie a été définie et finalisée, de sorte qu'il faut à présent se mettre au travail et garantir cette vision, cette coordination sur l'ensemble des thématiques concernées.

Sur le fonds Drogues, je me réjouis qu'un cadre légal ait été préparé. Il me semble assez urgent de le rendre opérationnel le plus rapidement possible, d'abord en raison des besoins, mais aussi en raison des enjeux budgétaires actuels. Je pense que le moment est idéal pour proposer ce texte dès que possible, afin que nous sachions quelles sont les recettes affectées, comment seront utilisés ces moyens et comment ils seront répartis. Fixer des règles peut paraître simple, mais en l'occurrence, il s'agit de règles complexes, qui doivent faire en sorte que le département soit le mieux alimenté possible.

Concernant les patrouilles mixtes avec la Défense, j'entends votre objectif de disposer d'une première patrouille d'ici la fin de l'année, et je m'en réjouis. Cela dit, que pourra-t-elle faire? C'est une autre question. Quelles seront ses compétences? Il y aura bien entendu des effets en matière de visibilité des uniformes dans la rue, c'est une chose, mais au-delà de cela, que feront ces patrouilles?

Enfin, j'ai une suggestion à vous faire, pour éviter que la même question soit posée à de multiples reprises. Il serait peut-être intéressant de disposer d'une sorte de tableau de bord de l'ensemble des actions et projets qui figurent dans l'accord du gouvernement, et que ce tableau puisse nous être transmis régulièrement. Cela nous permettrait d'assurer un suivi régulier et concret de l'ensemble des actions.

Pour le reste, je vous remercie et je vous souhaite une excellente soirée à Saint-Gilles.

Rajae Maouane:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Comme vous l'avez dit, le rôle de la police fédérale n'est pas de se substituer aux communes, mais justement de répondre aux lacunes qui sont parfois structurelles, et d'apporter un renforcement là où c'est nécessaire.

Malheureusement, on voit souvent l'inverse aujourd'hui. On voit que l'on déploie des forces fédérales pour combler des manques sans cadre stratégique réellement réfléchi, sans stratégie commune, sans cohérence opérationnelle et sans que cela ne change réellement la situation sur le terrain. C'est ce que nous rapportent les acteurs de terrain, les habitants et habitantes, ainsi que les associations présentes sur le terrain. C'est une approche qui a un impact direct sur la sécurité des citoyens.

Je crains que l'on n'entretienne l'illusion d'une action tout en laissant les habitants continuer à en subir les conséquences. Ce que veulent les habitants et habitantes – et c'est légitime – c'est être en sécurité chez eux.

On voit aussi que des dysfonctionnements de cette nature minent la crédibilité de l'action publique. J'attends des forces de l'ordre qu'elles soient exemplaires mais il faut aussi que les autorités le soient. Il faut une action coordonnée et réfléchie, sous peine d'accumuler les frustrations tant chez les habitants que chez les policiers, ce dont rien de bon ne pourrait ressortir.

J'insiste vraiment sur le fait que, pour nous en tant qu'écologistes c'est précisément cela le plus important: garantir la sécurité des habitants et des citoyens et citoyennes et garantir aussi l'efficacité et la cohérence de l'action publique. C'est là une condition indispensable à nos yeux: restaurer la confiance entre les citoyens et les forces de l'ordre, agir dans le respect des droits et protéger la population à ce niveau-là.

Bernard Quintin:

Je vous remercie, parce qu'il s'agit d'un débat important. Je voudrais apporter quelques précisions. Je ne reviendrai pas sur Anvers – les chiffres sont là et l'on contrôle peut-être moins ailleurs. Je ne peux pas vous dire que, demain, l'aéroport de Liège concurrencera le port d'Anvers dans ce triste palmarès. Je ne me débine pas, je veux bien répondre pour la douane mais la douane n'est pas encore sous mon autorité. J'espère du reste qu'elle ne le sera pas parce que mes nuits sont déjà suffisamment courtes.

Permettez-moi un clin d'œil: j'avais noté "TF" au bout de mon papier, et j'ai repris sur la task force mais en fait je voulais parler du "tribunal financier". Je sais que c'était l'idée d'un de vos coreligionnaires, qui a de nombreuses idées qu'il n'a pas mises en œuvre quand il était à la manœuvre. Le tribunal financier français a été mis en œuvre parce qu'il n'avait pas, justement, toutes ces capacités d'enquête financière que nous avons déjà dans notre propre système.

C'est toujours une bonne chose de s'inspirer de ce qui se fait ailleurs. Je rappelle que j'ai été diplomate pendant 25 ans. Mais il faut aussi porter notre modèle quand il fonctionne bien. Nous devons renforcer ce que nous avons, plutôt que de venir chaque fois avec de nouvelles choses. Je suis bien d'accord avec vous, monsieur De Smet, quant au fait qu'il faut renforcer nos capacités. C'est l'intérêt du Commissariat national drogue, de Follow the value et de tout ce que nous mettons en œuvre.

Concernant les patrouilles mixtes – dommage que M. Dubois soit parti –, si l'on revenait sur l'économie budgétaire de 30 % sur les cabinets, je pourrais engager trois ou quatre personnes pour faire tous les tableaux qu'on me demande chaque jour, comme si j'avais besoin de tableaux pour accomplir mon travail.

Il y a beaucoup de choses à faire et, je suis d'accord avec vous, madame Maouane, c'est une question d'efficacité. Je n'habite pas à Anderlecht ou à Molenbeek, mais je n'habite pas loin et j'y vais souvent. Je n'ai qu'un seul intérêt, avec les collègues de mon cabinet et du gouvernement et la police tant locale que fédérale, c'est d'assurer la sécurité de nos concitoyens. Je pense que personne n'a de doute à ce sujet.

Il faut trouver les bonnes méthodes. Je suis de ceux qui pensent que, pour que ça marche, il faut qu'on prenne le temps de construire un système qui soit le plus structuré et le plus efficace possible. C'est la combinaison du temps très court, qui est celui de la sécurité, et du temps plutôt long d'une expérience que j'ai accumulée dans les relations internationales. J'essaie de combiner ces deux éléments, de répondre à des choses très concrètes aujourd'hui, mais, si on ne prend que des mesures de court terme, on finira par tourner en rond et on aura exactement l'effet contraire.

Quand on fait des choses qui ne fonctionnent pas et puis qu'on en essaie d'autres, si rien ne fonctionne, on ajoute finalement de la misère à la misère. C'est extrêmement dur.

Vous savez que vous pouvez compter sur moi, et je compte aussi tant sur la majorité que sur l'opposition pour que chacun joue son rôle et qu'on puisse vraiment y arriver. Je sais que ce n'est pas un message politiquement facile à porter, c'est un combat de longue durée, qui va demander des moyens. J'ai déjà reçu des moyens supplémentaires et je n'hésiterai pas à en redemander au fur et à mesure du développement des différents plans que j'ai mis sur la table, pour être certain qu'ils puissent avoir des résultats à tous les niveaux de la chaîne et dans tout le pays.

J'ai parlé du plan Grandes Villes, qui est évidemment important pour Bruxelles et Anvers, ainsi que pour les autres grandes villes. C'est aussi une manière de mettre en place un maillage pour le reste du pays. Nous ne pouvons pas négliger le fait que la Belgique est non seulement le réceptacle, à Anvers et ailleurs, de beaucoup de drogues, mais qu'elle est aussi devenue, par le biais des drogues de synthèse, singulièrement, un pays producteur et exportateur de drogue. Il convient donc d'en tenir compte. Je vous remercie de votre attention.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vais brièvement répondre à votre clin d'œil. Vous n'allez quand même pas reprocher à mon ancien collègue Michel Claise, puisque c'est à lui que vous faites allusion, de ne pas avoir créé tout seul, de ses blanches mains, lorsqu'il était juge d'instruction, un parquet national financier alors qu'à l'évidence, il incombait à l'exécutif ou au législateur de le faire. Si nous l'avons proposé avec lui, c'est par le fruit de son expérience. Encore une fois, il ne s'agit pas d'installer un nouveau bidule; mais de rassembler des compétences que l'on trouve dans les parquets Ecofin et dans d'autres instances et qui mériteraient simplement d'être réunis et de jouir d'une indépendance qui n'est pas toujours présente au sein des structures qui, pour l'instant, poursuivent le crime organisé. Voilà la simple précision que je tenais à apporter.

Het gebruik der talen in de 112-centrale in Vlaams-Brabant
De noodhulp en de 112-noodcentrale
De taalklachten over de 112-noodcentrale
De gebrekkige naleving van de taalwetgeving in de Brusselse ziekenhuizen
Het gebruik der talen bij de 112-centrales
Taalgebruik en naleving in noodcentrales en ziekenhuizen

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Franstalige vrouw kreeg in de Vlaamse Forêt de Soignes geen hulp in het Frans via 112, ondanks de wettelijke verplichting (2011) om oproepen in alle landstalen + Engels af te handelen. De operator handelde foutief ("*We zijn een Vlaamse overheid*") en werd gedisciplineerd; een pilootproject (2026) met taalkeuze vooraf moet dergelijke incidenten voorkomen, maar technische en personeelsbeperkingen blijven knelpunten. Taalconflicten in noodhulp (112/101) en Brusselse ziekenhuizen (bv. dodelijk geval door taalbarrière) benadrukken de urgentie van strikte handhaving, met dreigende dwangsommen (Grondwettelijk Hof) en juridische stappen (Vlaamse Volksbeweging) bij non-conformiteit.

François De Smet:

Monsieur le ministre, l’incident qui s’est déroulé dernièrement en Forêt de Soignes, en Région flamande – au cours duquel une promeneuse francophone, témoin d’un accident, s’est visiblement vue refuser l’usage du français par une opératrice néerlandophone du centre 112 du Brabant flamand – aurait pu tourner au drame.

Il existe un régime linguistique spécifique pour ces situations, applicable aux centres 112. Il est prévu à l'article 3, alinéa 2, de la loi du 29 avril 2011. Celui-ci dispose que "tout appel urgent aux numéros 100, 101 et 112, pour l'aide médicale urgente ainsi que pour les services de sécurité civile et la police intégrée doit pouvoir être traité au moins dans les trois langues nationales et en anglais, conformément aux conditions, critères et qualités fixés par le Roi".

À cet égard, la Commission permanente de contrôle linguistique, dans son avis 49.095 du 24 mai 2017, a estimé qu'il est juridiquement prévu que les call takers et opérateurs fédéraux employés dans les centres d'appels d'urgence 100 et 112 répondent en français, néerlandais, allemand et anglais, quelle que soit l'origine de l'appel. Dès lors que ce témoin faisait usage du français, l'opératrice concernée du 112, située en Brabant flamand, aurait dû pouvoir lui répondre en français, malgré le principe de territorialité.

Monsieur le ministre, quelle est votre analyse juridique de cet incident? Confirmez-vous ce qui ressemble à une infraction? En général, à ce type de questions, vous répondez " de wet is de wet " , donc je ne doute pas que vous confirmerez qu'il s'agit probablement d'une infraction. Entendez-vous donner exécution à la loi par voie d'arrêté royal, qui semble manquer, afin de clarifier juridiquement les conditions et exigences linguistiques? En attendant, des instructions seront-elles transmises, par voie de circulaire ou via la DG Sécurité civile du SPF Intérieur, aux différentes centrales d'urgence, afin de rappeler l'utilisation correcte des langues et d'éviter qu'un drame ne survienne, que ce soit en Flandre, en Wallonie, à Bruxelles ou ailleurs, parce qu'une langue n'aurait pas été comprise ou acceptée? Je vous remercie.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, voici plusieurs jours, une employée du CHIREC de Braine-l'Alleud a été témoin d'un grave accident en Forêt de Soignes alors qu'elle circulait à vélo. Après plusieurs tentatives, faute de réseau suffisant, elle a contacté les secours au 112 en français, sa langue maternelle. Force est de constater qu'il semble que la suite donnée par le call center des services de secours fut aussi bizarre qu'inacceptable. En effet, à sa demande de parler en français, l'opératrice lui aurait répondu: "We zijn een Vlaamse overheid".

L'incident s'est produit dans la zone néerlandophone de la forêt. Personne ne le conteste. Toutefois, comme l'a relevé mon collègue, la loi prévoit que des opérateurs francophones soient également disponibles pour les appels d'urgence émis depuis la Région flamande, et inversement. Si ces faits sont avérés, nous considérons qu'ils constituent une faute grave qui aurait pu entraîner des conséquences dramatiques.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me fournir les informations à votre disposition relativement à cette affaire relayée par les médias? Une enquête a-t-elle été ouverte? À votre connaissance, d'autres cas similaires ont-ils déjà été recensés? Enfin, quelles suites allez-vous apporter pour qu'un tel cas de non-assistance à personnes en danger ne se reproduise pas?

Jeroen Bergers:

Collega's, er zijn heel veel voorbeelden van verhalen waarin het met de noodcentrale misloopt, vaker in de omgekeerde richting dan de verhalen die ik hier vandaag hoor. In de commissie voor Binnenlandse Zaken heb ik eerder al vragen gesteld over een oudere man die onder vuur werd genomen met een airsoftgeweer in Overijse, eentalig Nederlandstalig gebied, en waarbij de noodcentrale niet in het Nederlands kon antwoorden. Ik denk daarom dat het belangrijk is dat de taalwetgeving in dit land wordt gerespecteerd. Ik pleit daarvoor langs beide kanten. Het zou mooi zijn als iedereen die consequentie aan de dag kon leggen. Op dat vlak zijn serieuze verbeterstappen noodzakelijk. Wellicht zal dat door het arrest inzake Ronse, dat we al hebben besproken, een nog hardere realiteit worden, aangezien het Grondwettelijk Hof nu dwangsommen oplegt wanneer de taalwetgeving niet wordt gerespecteerd.

Mijnheer de minister, nu kom ik tot mijn specifieke vragen over de noodcentrale. Ik heb begrepen dat u aan een oplossing werkt waarbij mensen hun taal moeten selecteren voordat ze verbonden worden met de noodcentrale. Dat is een interessante piste, die zeker haar merites heeft in spoedeisende gevallen. Daarnaast vraag ik me af of het niet te regelen valt dat een telefoontje naar de noodcentrale automatisch wordt verbonden uitgaande van de mast die correspondeert met het taalgebied, in plaats van met de dichtstbijzijnde mast, die vaak in het andere taalgebied ligt. Ik vraag me af of dat technisch mogelijk is.

Breder gezien heb ik ook een vraag over de problematiek in de Brusselse ziekenhuizen. Die problematiek is veel prangender dan de eerder besproken situatie. Vandaag merken we immers dat inwoners van de Vlaamse rand, die vaak voor spoedeisende gevallen naar Brusselse ziekenhuizen worden gebracht, niet in hun eigen taal kunnen worden geholpen. De ouders van Cisse, een baby van elf maanden, die jammer genoeg is overleden, konden van de artsen, omdat die de taal niet begrepen, niet de juiste uitleg krijgen over hun elfjarige zoontje dat gestorven is. Het kan dramatische gevolgen hebben indien een arts, die nochtans vaak een tweetaligheidspremie ontvangt, zijn patiënt in het Nederlands niet kan verstaan in onze hoofdstad.

Naar aanleiding van die problematiek heeft de Vlaamse Volksbeweging een initiatief genomen en juridische klachten ingediend tegen zeven ziekenhuizen in Brussel. Dat is zeer relevant, want als de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake Ronse wordt gevolgd, zullen die zeven ziekenhuizen worden veroordeeld tot dwangsommen. Ik hoop dat we dat allemaal willen vermijden. Om elementair respect voor de taalwetgeving en elementaire zorg in de twee landstalen in onze hoofdstad af te dwingen, zouden geen dwangsommen nodig moeten zijn.

Ik ben dus zeer blij met het initiatief van de Vlaamse Volksbeweging, al vind ik het jammer dat er juridische procedures nodig zijn om de taalwetgeving te doen respecteren.

De vraag die ik u stel, heb ik trouwens ook ingediend ter attentie van uw collega, minister Vandenbroucke.

Mijnheer de minister, zult u wachten totdat er veroordelingen met dwangsommen worden uitgesproken of zult u nu al maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat tweetalige zorg in onze hoofdstad beschikbaar is? Welke maatregelen zijn dat dan?

Bernard Quintin:

Geachte volksvertegenwoordigers, het klopt dat er vandaag voor artikel 3 van de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112 nog geen uitvoeringsbesluiten zijn genomen, maar de wet bepaalt uitdrukkelijk dat alle oproepen naar de nummers 100, 101 en 112 in de drie landstalen en in het Engels moeten worden behandeld. Het principe ligt dus vast, alleen de precieze modaliteiten moeten nog bij koninklijk besluit worden bepaald.

In het algemeen doet dat niets af aan het feit dat we een burger met een dringende hulpvraag moeten kunnen helpen – het gaat tenslotte om burgers in nood –, als het kan in de territoriaal bevoegde noodcentrale 112- of 101-centrale, door de beller door te verbinden met een collega-operator 112 of een calltaker 101 die de taal voldoende machtig is, dan wel door een conference call op te zetten met een centrale in het ander landsgedeelte, die dan de ontbrekende schakel vormt tussen de beller en de territoriaal bevoegde noodcentrale 112 of 101. Op die manier kan de hulpvraag correct worden ingeschat en kan de territoriaal bevoegde noodcentrale de nodige interventiemiddelen uitsturen. Voor de 112-noodcentrales die, zoals u ongetwijfeld weet met een bovenprovinciale architectuur werken, is het opzetten van een conference call zelfs niet nodig, omdat eens de oproep is doorgeschakeld de noodcentrale 112 in het andere taalgebied zelf de interventiemiddelen kan alarmeren of uitsturen.

Ik heb geen volledig zicht op het aantal Franstalige operatoren 112 of 101 die een Nederlandstalige burger in diens moedertaal verder kunnen helpen, omdat er naast de operationele medewerkers die een taalpremie krijgen voor de kennis van de Nederlandse taal , 38 in totaal, de 101-centrale van Brussel inbegrepen, ook medewerkers zijn die de Nederlandse taal voldoende machtig zijn om de burgers verder te helpen.

Om de taalkennis van onze operatoren 112 en calltakers 101 te verhogen, werden er in het verleden meermaals taalcursussen georganiseerd.

Het totaal theoretisch aantal operatoren 112 en 101 voor Wallonië en Brussel bedraagt 385. Met theoretisch bedoel ik hier het hele personeelskader opgevuld, wat vandaag jammer genoeg nog niet het geval is, maar daar wordt hard aan gewerkt.

Mijnheer Bergers, het probleem waarbij in grensgebieden tussen twee provincies een noodoproep terechtkomt in de aangrenzende provincie omdat die oproep wordt opgepikt door een telefoonmast op het grondgebied van die provincie valt technisch niet te verhelpen. Ook mijn voorgangers hebben dat al meermaals aangegeven.

Nous sommes finalement peu de choses.

Het systeem waarnaar u verwijst, houdt in dat aan het keuzemenu 112 een taalfaciliteit wordt toegevoegd. In eerste instantie zal dat beperkt worden tot de noodcentrale 112, maar er zal worden onderzocht of dat, eventueel in een andere vorm, ook in de 101-centrales toepassing kan vinden. Wanneer een burger in het Nederlandstalig landgebied kiest voor ziekenwagen of brandweer, zal hem worden gevraagd of hij verder wil gaan in het Nederlands, het Frans of het Duits. Kiest hij voor het Nederlands, dan wordt hij verder geholpen door de noodcentrale 112 in het Nederlandstalig landsgebied. Kiest hij voor het Frans, dan wordt zijn oproep doorgeschakeld naar een noodcentrale 112 in het Franstalig landgebied. Wanneer er voor het Duits wordt gekozen, zal zijn oproep worden behandeld door een Duitssprekende operator in de noodcentrale 112 van Luik. Uiteraard geldt dezelfde regeling voor burgers uit het Franstalig en het Duitstalig taalgebied.

Begin 2026 wordt met die taalfaciliteit een pilootproject opgestart, dat in eerste instantie beperkt blijft tot twee provincies, een in het Nederlandstalig en een in het Franstalig taalgebied. Indien het pilootproject gunstig wordt geëvalueerd, zal het over heel België worden uitgerold.

Ik wil ook even meegeven dat de keuze voor een pilootproject ingegeven is door de noodzaak om niet alleen de burger met een noodvraag maximaal te ondersteunen, maar ook dat de interventiediensten die moeten uitrukken de info over het incident in de taal van het betrokken taalgebied moeten kunnen ontvangen.

Wanneer een burger in het Nederlandstalig taalgebied voor het Frans kiest, wordt zijn oproep, zoals eerder aangegeven, afgehandeld door een centrale in het Franstalig taalgebied. Die centrale moet vervolgens de interventiediensten in het Nederlandstalig taalgebied alarmeren of uitsturen. Het is daarbij essentieel dat die interventiediensten de informatie over het incident in het Nederlands toegestuurd krijgen. Dat zal zowel technisch als procedureel worden ondervangen, maar dat moet uiteraard grondig worden uitgetest.

Messieurs Chahid et De Smet, je peux vous informer que, par enquête menée par le centre d'appel d'urgence 112, il s'avère que l'opérateur qui a traité l'appel a tenu des propos malheureux, et qu'il n'avait certainement pas l'intention de faire comprendre à l'appelant que pour appeler le centre d'appel d'urgence dans la région néerlandophone, il fallait connaître le néerlandais. L'opérateur a donc été identifié et interpellé par la direction du centre d'appel d'urgence 112 concerné, et les mesures nécessaires ont été prises.

Chaque année, on recense un petit nombre de cas où des citoyens se plaignent de ne pas avoir pu être aidés dans leur langue maternelle dans un centre d'appel d'urgence 112 ou une centrale 101, mais sans que cela ne s'accompagne de déclarations malheureuses faisant référence à la langue de la région linguistique. Au sein des centres d'appel d'urgence 112 existent d'ailleurs des règles de procédures claires visant à éviter de tels incidents.

D'abord, un opérateur essaiera toujours d'aider lui-même l'appelant, par exemple en lui demandant s'il est possible de s'exprimer dans la langue de la région d'où il appelle. Cela est logique, car dans les situations d'urgence, chaque seconde peut être cruciale. Si cela ne fonctionne pas, l'opérateur transférera immédiatement l'appel à un collègue de son propre centre qui maîtrise suffisamment la langue de l'appelant, ou transférera l'appel à un collègue d'un centre d'appel d'urgence 112 de l'autre région linguistique, qui prendra alors l'appel en charge et le traitera.

Il existe donc au sein des centres d'appel d'urgence 112 des accords clairs sur la manière de traiter les appelants qui ne maîtrisent pas ou insuffisamment la langue de la région d'où ils appellent. Si nécessaire, ces accords sont également rappelés par les responsables des centres d'appel d'urgence 112. J'en profite pour vous informer que je travaille à une réforme de ce système 112-101-1722-1733, parce qu'on accumule les numéros, et cela devient difficilement lisible.

La deuxième chose est que, là comme ailleurs, nous avons un solide manque de personnel. Je travaille également à régler cela.

Cela ne diminue pas l'importance que j'attache non seulement à la loi concernant l'emploi des langues, mais aussi au fait que, dans une situation d'urgence, on puisse être pris en charge convenablement. Il n'y a pas de solution miracle, et il faut faire attention car il existe aussi de fausses bonnes idées. On voit bien les dangers que peuvent représenter une prise en charge dans une autre langue, puis une traduction au moyen d'un système d'intelligence artificielle, par exemple, Je ne dis pas qu'il ne faut pas le faire, mais il faut agir très prudemment parce qu'il s'agit en effet de situations d'urgence.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse claire et complète.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je vous remercie également de votre réponse et des initiatives qui seront prises pour éviter que des drames.ne se reproduisent.

Pour le reste, je suis un ardent défenseur du bilinguisme. Pour moi, il est évident qu'on ne négocie pas pour savoir dans quelle langue il faut être compris. Cependant, quand une vie est en danger, il faut aussi pouvoir s'adapter. Les langues nationales sont hyper importantes. Il faut garder ce principe en tête. Personne ne le remet en question. Seulement, nous parlons en l'occurrence de vies qui sont en danger.

Jeroen Bergers:

Ik ben het ermee eens dat, wanneer er levens in gevaar zijn, het belangrijk is dat de taalwetgeving wordt gerespecteerd. Elke dag worden inwoners van de Vlaamse Rand naar Brusselse ziekenhuizen gebracht, waar zij niet in het Nederlands kunnen worden geholpen. Daardoor worden hun symptomen niet begrepen en krijgen zij niet de juiste behandeling. Mijn belangrijkste vraag ging daarover. U hebt daar niet echt op geantwoord, mijnheer de minister.

Ik wil toch van mijn repliek gebruikmaken om iedereen in deze zaal te wijzen op de noodzaak van het principe van het geven van elementaire zorg. Ik wil iedereen ook wijzen op de toekomst van de taalwetgeving in dit land, ook de mensen die nu misschien heel blij zijn met het arrest van het Grondwettelijk Hof via een prejudicieel advies over Ronse. Ik wil hen erop attent maken dat, als er niets verandert, er honderden en duizenden euro's aan dwangsommen aan instanties zullen worden opgelegd, omdat ze zich niet aan de taalwetgeving houden. De mensen in Ronse die heel blij zijn, zouden dat misschien eens moeten lezen. Ik vermoed dat er vandaag meer instellingen in Brussel, Wallonië en de faciliteitengemeenten in de Rand zijn die de rechten van Nederlandstaligen niet respecteren en tegen de lamp zullen lopen, dan omgekeerd Nederlandstalige instellingen dat zullen doen.

Misschien moet men voor tweetaligheidspremies invoeren dat men een diploma of een attest moet behalen bij een instelling van het taalgebied waar men de tweede taal leert en niet bij een instelling van het eigen taalgebied. Dat zou al heel wat veranderen aan het aantal mensen dat op een tweetaligheidspremie aanspraak maakt.

Die juridische strijd zal er komen. Het is belangrijk dat iedereen die het goed meent met de toekomst van dit land en met de gezondheid van onze burgers zich daarop voorbereidt.

Dank u voor uw antwoord over het 112-project, mijnheer de minister. De twee provincies waar het pilootproject zal starten, zijn Vlaams-Brabant en Waals-Brabant, neem ik aan? Ja? Dank u wel.

Voorzitter:

Vraag nr. 56009888C van de heer Van Tigchelt wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56009892C van mevrouw Pas wordt uitgesteld. Vraag nr. 56009945C van de heer Bergers wordt in een schriftelijke vraag omgezet. De samengevoegde vragen nrs. 56009984C van mevrouw De Vreese en 56010598C van de heer Depoortere worden in schriftelijke vragen omgezet. De samengevoegde vragen nr. 56010092C van de heer Van Rooy, nr. 56010260C van de heer Freilich, nr. 56010261C van de heer Freilich en nr. 56010217C van de heer Van Rooy worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nr. 56010225C van de heer Chahid en nr. 56010273C van de heer Vandemaele worden in schriftelijke vragen omgezet. Vraag nr. 56010233C van de heer Thiébaut wordt uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56010243C van de heer Bergers en 56010619C van de heer Thiébaut worden uitgesteld. Vraag nr. 56010274C van de heer Vandemaele wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010279C van de heer Meuleman wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010340C van mevrouw Pas wordt uitgesteld. Vraag nr. 56010341C van de heer Bergers wordt in een schriftelijke vraag omgezet. De samengevoegde vragen nr. 56010361C van de heer Vander Elst en nr. 56010428C van de heer Keuten worden uitgesteld. Vraag nr. 56010462C van de heer Vandemaele wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010526C van mevrouw Maouane wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010580C van mevrouw De Vreese wordt in een schriftelijke vraag omgezet, net als haar vraag nr. 56010623C. De andere vragen worden sowieso uitgesteld. Ik dank de minister voor zijn talrijke antwoorden. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.48 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 48.

De uitrol van bijkomende zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgcentra na seksueel geweld in 13 ziekenhuizen moeten op 1 januari 2026 operationeel zijn, met een kader vastgelegd in het KB van 21/09/2025 (gepubliceerd op 26/09), waarna een kandidaatstelling liep tot 5/11 (aantal inzendingen onbekend). Selectie verloopt via expertise, multidisciplinaire samenwerking, implementatieplan en bereikbaarheid, met strenge basisvoorwaarden (o.a. spoedzorg, gynaecologie, psychiatrie, tolken). Jaarlijkse rapportering naar het begeleidingscomité is verplicht, maar parlementaire terugkoppeling is (nog) niet voorzien. Bury dringt aan op transparantie naar het Parlement.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, deze vraag gaat over uw beleidsnota, namelijk over de stand van zaken betreffende de zorgcentra na seksueel geweld. Als startdatum wordt 1 januari 2026 vermeld, daarom kom ik er even op terug.

Is er een voorbereidend traject met de sector opgestart?

Is de timing haalbaar?

Welke criteria hanteert u bij de selectie van de dertien ziekenhuizen?

Voorziet u rapportering?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, het RIZIV zal met dertien ziekenhuizen een overeenkomst sluiten voor een zorgcentrum na seksueel geweld. De voorziene startdatum is 1 januari van volgend jaar.

Het RIZIV heeft samen met de sector en het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen gewerkt aan een juridisch kader voor die overeenkomsten. Dat heeft geleid tot een koninklijk besluit van 21 september 2025, dat op 26 september is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.

In navolging daarvan is op 24 september een oproep tot kandidaatstelling gelanceerd via de website van het RIZIV. Ziekenhuizen hadden de mogelijkheid om tot en met 5 november hun kandidatuur in te dienen. Het RIZIV zal de dossiers evalueren conform de bepalingen van dat nieuw koninklijk besluit. Op basis daarvan zullen dertien centra geselecteerd worden door het Verzekeringscomité. Als ze geselecteerd zijn, kunnen ze een overeenkomst afsluiten met het Verzekeringscomité met ingang van 1 januari.

Artikel 3 van dat koninklijk besluit bepaalt dat alleen ziekenhuizen die voldoen aan de basisvoorwaarden zoals omschreven in dat besluit, in aanmerking komen voor een overeenkomst. Dat betekent dat men moet beschikken over gespecialiseerde spoedgevallenzorg en over diensten voor gynaecologie, urologie of gastro-enterologie, pediatrie, psychiatrie en geriatrie. Er moet tevens een sociale dienst zijn, evenals interculturele bemiddelaars en/of tolken op de campus waar het zorgcentrum wordt voorgesteld.

De selectiecriteria in artikel 5 van dat koninklijk besluit zijn als volgt geordend, in afnemende belangrijkheid geordend. Ten eerste, de expertise en ervaring van het ziekenhuis en het voorgestelde team inzake coördinatie en dienstverlening aan slachtoffers van seksueel geweld. Ten tweede, de expertise en ervaring van de kandidaat in externe en interne multidisciplinaire samenwerkingsverbanden, in het bijzonder met politiediensten en gerechtelijke overheden. Ten derde, de voorgestelde planning, methodologie en visie voor de implementatie en werking van de zorgcentra. Ten vierde, de ligging, bereikbaarheid, toegankelijkheid en aanwezige diensten op de campus, evenals de infrastructuur.

Wat betreft de rapportering bepaalt artikel 10 van het besluit dat het ziekenhuis jaarlijks een gedetailleerd activiteitenverslag aan het begeleidingscomité moet bezorgen. Het Verzekeringscomité kan het model van dat verslag vastleggen. Dat zal verder worden opgenomen in de overeenkomst. Het begeleidingscomité heeft de opdracht om ten behoeve van het Verzekeringscomité een jaarlijks verslag over de werking van de centra op te stellen.

Katleen Bury:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik zal het koninklijk besluit verder raadplegen. De oproep is gesloten op 5 november. Weet u hoeveel kandidaatstellingen zijn binnengekomen, of hebt u daar geen zicht op?

Frank Vandenbroucke:

Nee.

Katleen Bury:

U hebt ook de rapportering aangestipt, maar ik heb niet echt gehoord dat die ook naar het Parlement komt. Het zou nochtans zeer opportuun zijn, mocht dat gebeuren. Dank u wel.

De samenstelling van de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen had in maart 2025 vernieuwd moeten worden, maar de ziekenhuiskoepels vragen eerst een uitbreiding van het aantal mandaten om expertise te vergroten, wat nog onderzocht wordt. Minister Vandenbroucke bevestigt dat de huidige raad juridisch blijft functioneren, maar geen concrete timing kan geven voor de vernieuwing. De Knop dringt aan op een duidelijke termijn, maar de minister ontwijkt een antwoord. De hervormingen (financiering, dagziekenhuizen) blijven dus in onzekerheid door het uitstel.

Irina De Knop:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen had na 6 jaar al in maart 2025 opnieuw samengesteld moeten zijn.

Gelet op de hervormingen die de minister met betrekking tot de ziekenhuizen beoogt lijkt het belangrijk dat de Federale Raad opnieuw wordt samengesteld. Ik denk daarbij aan de nieuwe ziekenhuisfinanciering, het omvormen van kleine algemene ziekenhuizen naar dagziekenhuizen, enz.

Graag vernam ik van de minister:

Wanneer de kandidatuur voor nieuwe leden van de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen in het Belgisch Staatsblad zal verschijnen?

Tegen wanneer zal de minister een nieuwe Federale Raad installeren?

Frank Vandenbroucke:

Tot op heden zijn de mandaten van de federale raad nog niet vernieuwd en dit op vraag van de ziekenhuiskoepels die gezien de breedte van de domeinen waarover advies dient te worden uitgebracht een verhoging van het aantal mandaten voorstellen, zodat de expertise binnen de federale raad kan worden uitgebreid. Dit voorstel wordt momenteel bekeken met de andere leden.

Het principe van continuïteit van de werkzaamheden brengt echter geenszins de werking van deze raad in gevaar, aangezien de officieel uitgebrachte adviezen volledig rechtsgeldig zijn.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u hebt in uw antwoord geen timing meegegeven. Tegen wanneer zal dat in orde zijn?

Frank Vandenbroucke:

Daarover durf ik mij niet uit te spreken.

De grote ontevredenheid bij tandartsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tandartsen kritiseren de verouderde nomenclatuur, gebrek aan innovatie door honorariaplafonds en het statuut verhoogde tegemoetkoming, dat volgens hen niet voldoende gericht is op echte armoedepatiënten. Minister Vandenbroucke kondigt een hervorming van de nomenclatuur aan (methodologie eind 2024, uitvoering 2026-2027), maar kan nog geen budgettaire toezeggingen doen, terwijl maximumtarieven voor ondergewaardeerde prestaties onderhandeld zullen worden in het volgende Nationaal Akkoord. Hij benadrukt dat het verhoogde-tegemoetkomingsstatuut wel degelijk beperkt blijft tot lage inkomens, met strenge controles, maar overweegt vermogenscriteria (bv. meerdere woningen) toe te voegen om misbruik tegen te gaan.

Irina De Knop:

Ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend, al is de vraag zeer relevant. Ik hoop dat de minister voldoende tijd uittrekt voor een correct antwoord.

Een enquête onder tandartsen bracht grote onvrede aan het licht over het huidige beleid. De huidige nomenclatuur volstaat niet en de plafonnering van de honoraria staat de innovatie in de weg en belemmert de modernisering van de tandartspraktijken.

Daarnaast storen ze zich aan het statuut verhoogde tegemoetkoming. Ze vinden dat het statuut niet gericht is op patiënten die zich echt in een socio-economisch precaire situatie bevinden.

Graag vernam ik van de minister:

Wat is uw antwoord op hun bezorgdheden?

Is er budgettaire ruimte om de nomenclatuur voor tandartsen te herwaarderen of zal u enkel werken via maximumtarieven voor enkele prestaties?

Wat is uw reactie op het feit dat tandartsen -net zoals veel andere zorgverstrekkers- van mening zijn dat het statuut verhoogde tegemoetkoming niet langer uitsluitend gericht op mensen in een echt precaire situatie?​

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, de Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen werkt momenteel aan de ontwikkeling van een methodologie voor de hervorming van de nomenclatuur. Die hervorming heeft als belangrijkste doel de tarieven van tandheelkundige verstrekkingen te evalueren, de vertrekkosten objectief in kaart te brengen en correcte honoraria voor tandartsen vast te stellen, met daarbij aandacht voor een doelmatig gebruik van de nomenclatuur. Er is voorzien dat de methodologie tegen het einde van dit jaar aan het Verzekeringscomité zal worden gepresenteerd. De methodologie zal vervolgens in 2026 en 2027 worden uitgevoerd om te komen tot objectieve tarieven. Vervolgens moeten politieke en begrotingsbeslissingen bepalen hoe die geobjectiveerde tarieven geïmplementeerd kunnen worden.

In antwoord op uw tweede vraag kan ik u meedelen dat de begrotingsprocedure aan de gang is. Ik kan op dit moment nog geen uitspraken doen over de middelen die in 2026 en 2027 beschikbaar zullen zijn. De Nationale Commissie tandheelkundigen-ziekenfondsen heeft inderdaad de mogelijkheid om maximumtarieven vast te stellen voor sommige verstrekkingen die duidelijk ondergewaardeerd zijn. Dat zal echter onderhandeld worden in het kader van het volgende Nationaal Akkoord.

Ik kom tot uw laatste vraag. Ik mij niet aansluiten bij de vaststelling dat het statuut voor de tegemoetkoming niet langer uitsluitend gericht zou zijn op mensen in een precaire situatie. Dat statuut is voorbehouden aan mensen met een beperkt inkomen. Er zijn twee manieren om er recht op te krijgen. Er is een automatisch recht voor mensen die al een inkomensonderzoek hebben gekregen door een andere overheidsinstantie, bijvoorbeeld het OCMW, in het kader van de IGO of een uitkering voor een persoon met een handicap. Daarnaast kan er een aanvraag zijn via een ziekenfonds op basis van een verklaring op eer, aangevuld met bewijsstukken en elektronische gegevens. Het ziekenfonds voert dan een inkomensonderzoek uit op het bruto belastbaar gezinsinkomen, inclusief roerende en onroerende inkomsten. Er is ook een jaarlijkse systematische controle via gegevensuitwisseling tussen het RIZIV, de FOD Financiën, de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en de ziekenfondsen. Er wordt bovendien nagedacht over hoe het vermogensonderzoek eventueel kan worden uitgebreid en versterkt. Ik ben daar wel voor te vinden.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, kunt u dat laatste element van uw antwoord verduidelijken? Hoe moet ik dat interpreteren?

Frank Vandenbroucke:

Ik heb reeds in de vivaldiregering op een bepaald moment gezegd, als iemand bijvoorbeeld meerdere onroerende bezittingen heeft, in de vorm van meerdere woningen, dat men dan eigenlijk automatisch de vraag zou moeten stellen of zo iemand wel een verhoogde tegemoetkoming moet krijgen. Ik geef daarmee maar een voorbeeld. Een en ander veronderstelt echter dat men het vermogen kent of dat men daarvoor aanwijzingen heeft. Meer wil ik daar nu niet over zeggen, want dat zijn dingen die we aan het bekijken zijn. La présidente : Chers collègues, vu le nombre important de questions à l'ordre du jour, nous allons essayer de nous en tenir aux questions/réponses/répliques. N'hésitez pas à reposer des questions par la suite. Je vais tenter de faire respecter l'ordre de cette séance.

Klimaatadaptatie in de gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om klimaatadaptatie in de gezondheidszorg, met focus op tropische ziekten (malaria, dengue, chikungunya), hitterisico’s en exotische steekmuggen. Minister Vandenbroucke bevestigt lopende studies naar oversterfte (2020) en hitte-effecten, maar concrete resultaten en timing blijven vaag, terwijl mentale gezondheid en medicatie-impact enkel binnen bestaande waarschuwingsplannen worden meegenomen. Voor muggenmonitoring is een tijdelijk protocolakkoord (tot 2029) afgesloten, maar een duurzaam systeem ontbreekt nog—de werkgroep onderzoekt hoe dit tegen 2029 kan worden gerealiseerd. Van Lysebettens dringt aan op snellere transparantie over timing en garanties voor effectieve monitoring.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, vorige week hebben wij het kort gehad over de klimaatadaptatie van de gezondheidszorg zelf. Nu wil ik meer inzoomen op een aantal acties op het terrein. De aanleiding daarvoor is de jaarlijkse balans die het Instituut voor Tropische Geneeskunde opmaakt van tropische infecties bij terugkerende reizigers.

Daaruit blijkt dat malaria opnieuw bovenaan staat, maar ook dat het aantal gevallen van dengue en chikungunya merkbaar stijgt. In België is er nog geen lokale overdracht van die virussen vastgesteld, maar door de klimaatopwarming wordt vermoed dat dat slechts een kwestie van tijd is. Het ITG meldt dat de malariamug er ondertussen in geslaagd is om in minstens drie Belgische gemeenten te overwinteren.

De klimaatopwarming brengt niet alleen tropische ziekten met zich mee, maar ook andere gezondheidsrisico’s, zoals hittesterfte en natuurrampen. De Vesdervallei en de hittegolven van de voorbije zomers staan ons nog goed voor de geest. Daarom wil ik een aantal concrete maatregelen van het NEHAP bevragen en nagaan hoe het staat met de voortgang daarvan.

Volgens actiefiche 1 zouden vanaf 2025 geleidelijk concrete acties worden uitgevoerd, afhankelijk van de beschikbare middelen. Welke maatregelen inzake adaptatie zijn intussen genomen of gepland? Hoe zit het met de middelen, in het licht van de lopende begrotingsbesprekingen? Zult u daarin meer investeren?

Actiefiche 3 voorziet in studies naar de oorzaken van de oversterfte tijdens de hittegolf van augustus 2020, alsook naar de effecten van hitte op de mentale gezondheid en op de werking van medicatie op het zenuwstelsel. Lopen die studies nog? Kunnen wij binnenkort de resultaten daarvan verwachten? Zoniet, zult u die opstarten of op welke manier zult u evidence verzamelen?

Ten slotte, België beschikt nog niet over een duurzaam monitoringssysteem voor exotische steekmuggen. Zoals ik daarnet al opmerkte, slaagt de malariamug er ondertussen wel in te overwinteren in België. De monitoring is nu ad hoc en passief en wordt beperkt door budgetten en aanbestedingsprocedures. Er is daarom gepleit voor het installeren van een permanent systeem, onder meer via Sciensano. Sciensano heeft het voorstel ook begroot.

Wat is de status daarvan? Zullen wij dat systeem effectief opzetten? Zoniet, hoe zullen wij omgaan met de schadelijke gevolgen van de introductie van exotische muggen en de impact daarvan op onze volksgezondheid?

Frank Vandenbroucke:

De veerkracht van ons gezondheidssysteem is inderdaad een belangrijk thema. Het is ook een zeer breed beleidsthema. Binnen de NEHAP-werkgroep Resilient Healthcare Systems bekijken we welke focus binnen dat brede thema noodzakelijk is voor de interfederale acties, rekening houdend met de vele bestaande initiatieven waar de beleidsniveaus vandaag al afzonderlijk aan werken.

Tijdens de gemengde interministeriële conferentie Leefmilieu-Gezondheid van 22 september hebben we beslist om overstromingen prioritair te behandelen binnen de interfederale werkgroep, en verder te onderzoeken welke andere thema’s nog prioritair moeten worden behandeld.

Wat uw tweede vraag betreft, zoals vermeld in NEHAP3 wordt de oversterfte van 2020 momenteel onderzocht in een aparte studie, waarvan de resultaten later worden gecommuniceerd. Die studie wordt uitgevoerd door het departement Zorg. De twee andere thema’s worden niet afzonderlijk bestudeerd, maar vallen onder de werking van de werkgroep zelf. Dat is ook zo opgenomen in NEHAP3.

Wat de mentale gezondheid betreft, zal de werkgroep de komende jaren de beschikbare Belgische gegevens over hitte-effecten analyseren. De inzichten die daaruit voortkomen, kunnen aanleiding geven tot bijkomende maatregelen tijdens de waarschuwingsfase – gecoördineerd door de gemeenschappen – of tijdens de alarmfase, die door de federale overheid wordt gecoördineerd, of tot adviezen van de Risk Assessment Group.

Wat betreft de impact van hitte op medicatie die het zenuwstelsel beïnvloedt, de gemeenschappen hebben al initiatieven ontwikkeld die worden ingezet tijdens de waarschuwingsfase van het Ozon- en Hitteplan. Die omvatten onder meer sensibiliseringscampagnes, richtlijnen en adviezen gericht op kwetsbare groepen, zoals ouderen, chronisch zieken en gebruikers van psychotrope medicatie. Huisartsen, apothekers en lokale besturen worden actief betrokken bij de uitvoering van die initiatieven. De NEHAP-werkgroep Ozon en Hitte fungeert daarbij als platform voor informatie-uitwisseling tussen de verschillende gemeenschappen.

Ik kom tot uw derde vraag. De NEHAP-werkgroep Exotische Muggen en Andere Vectoren zal inderdaad werken aan de totstandkoming van een samenwerkingsakkoord Monitoring van Exotische Steekmuggen. Zo’n akkoord is een langdurig traject. Daarom heeft de werkgroep intussen een protocolakkoord opgesteld. Dat is geldig tot 2029 en kan indien nodig worden verlengd.

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel voor uw antwoorden, minister, en voor de vooruitgang die ondertussen gemaakt is.

Twee elementen uit uw antwoord zijn mij nog onvoldoende duidelijk. Met betrekking tot mijn tweede vraag zei u dat de studie opgestart is en dat de resultaten later worden verwacht. “Later” kan natuurlijk veel later zijn, maar ook volgend jaar of volgende week. Mocht u ons daarover nog enige extra info kunnen bezorgen, dan zou dat geapprecieerd worden.

Betekent het protocolakkoord tussen Sciensano en de werkgroep van het NEHAP dat de kwalitatieve monitoring gegarandeerd is tot 2029 of dat men in de marge van het protocolakkoord zal onderzoeken hoe men zo’n monitoringsysteem kan opzetten tegen 2029?

Frank Vandenbroucke:

(…)

Jeroen Van Lysebettens:

Enige feedback op dat vlak wordt ook geapprecieerd, mijnheer de minister. La présidente : Les questions n os 56008782C et 56008963C de M. Dufrane et Mme Ramlot sont reportées.

De bevraging bij artsen-specialisten over het plafonneren van erelonen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke wijst het plafond van 25% op erelonen voor artsen niet af, maar noemt de Vista Minds-enquête (waarin 50% dreigt te stoppen en 90% langere wachttijden vreest) "onwetenschappelijk en overdreven". Hij eist objectieve hervormingen via overleg met artsenorganisaties tot 2027, gekoppeld aan nomenclatuurhervorming en basisfinanciering ziekenhuizen om supplementen overbodig te maken, zonder dat zorgcapaciteit in gevaar komt. De Knop benadrukt dat artsen wel een directe link zien tussen erelonen, ziekenhuisinkomsten en zorgcontinuïteit, maar Vandenbroucke ontkent elke correlatie en houdt vast aan strikte beperking van supplementen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u hebt eerder de plannen aangekondigd om de erelonen van artsen te plafonneren – we hebben dat zojuist al even besproken bij een andere vraag – waarbij het officiële tarief beperkt zou worden tot maximaal 25 %. Bij eerdere vragen in de commissie voor Gezondheid hebben we al gewezen op de impact van een dergelijke maatregel op de continuïteit van de zorg, ook buiten het ziekenfonds.

Ondertussen hebben we vernomen dat er recent een bevraging is geweest van een onafhankelijke denktank, Vista Minds, onder bijna 150 Vlaamse arts-specialisten uit diverse disciplines. Daaruit blijkt dat de bezorgdheid in het veld erg groot is. De helft van de bevraagde artsen zegt hun praktijk te zullen moeten sluiten of dat te overwegen bij de invoering van een strikt loonplafond, terwijl 90 % van die artsen vreest dat ziekenhuizen de bijkomende instroom van patiënten moeilijk zullen kunnen opvangen. De wachttijd voor een eerste afspraak zou volgens hen ook kunnen oplopen van gemiddeld 11 weken tot 24 weken, indien privépraktijken zouden verdwijnen.

Artsen benadrukken bovendien dat hun inkomsten de voorbije jaren sterk onder druk staan door stijgende personeels- en werkingskosten, omdat ze meerdere mensen tewerkstellen, en dat financiële motieven alleen vaak niet de hoofdreden zijn om zelfstandig te werken. Hun drijfveren zijn vooral kwaliteit, flexibiliteit en patiëntentevredenheid.

Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u zelf de resultaten van de bevraging waarin, toch wel opmerkelijk, een op de twee artsen stelt hun praktijk te moeten stopzetten bij een loonplafonnering van 25 % boven het officiële tarief?

Welke inschatting maakt u van de mogelijke impact op de toegankelijkheid van de zorg en de wachttijden voor patiënten in de ziekenhuizen indien zelfstandige praktijken effectief verdwijnen?

U gaf aan dat beroepsorganisaties van artsen en ziekenfondsen tot juli 2027 de tijd krijgen om zelf met voorstellen te komen. Welke criteria of objectieve parameters zult u opleggen om te vermijden dat de hervorming ook de zorgcapaciteit in gevaar brengt?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, om te beginnen, ik vind elke individuele mening van een arts, huisarts, zorgverlener of burger heel belangrijk en ik luister daar goed naar. Die zogezegde enquête van Vista Minds vind ik echter belachelijk. Het aantal artsen dat die enquête spontaan heeft ingevuld, 146, vertegenwoordigt 0,0027 % van het totale artsenkorps, op basis van de cijfers van de FOD. Die bevraging is helemaal niet representatief en heeft als enquête, laat staan als wetenschappelijk onderzoek, nul komma nul waarde. Wat daarin gezegd wordt, lijkt mij dan ook schromelijk overdreven.

Ik blijf dus stellen dat we de ereloonsupplementen moeten omkaderen. De artsenorganisaties, maar ook de tandartsenorganisaties en andere, hebben tijd gekregen tot midden 2027 om daarvoor een overlegd en fijnmazig voorstel voor te leggen. De regering zegt wel dat ze dat moeten doen aan de hand van objectieve gegevens en dat ze ervoor moeten zorgen dat we geen inflatie krijgen van de uitgaven en kosten in de gezondheidszorg, of dat nu gaat om uitgaven en kosten ten laste van de ziekteverzekering, dan wel van aanvullende verzekeringen, die uiteindelijk ook door patiënten moeten betaald worden.

Het is belangrijk om dat samen met de hervorming van de nomenclatuur te zien. Zowel bij de tandartsen als bij de artsen is dat aan de orde. Men moet een correcte nomenclatuur hebben als het gaat over supplementen, maar omgekeerd moet men op voorhand wel afgesproken hebben dat die nomenclatuur de spil is van het systeem en dat men met supplementen niet om het even wat kan doen.

Wat betreft de zorgcapaciteit en de wachttijden, huisartsen werken allemaal in ambulante praktijken. Veel huisartsen hebben personeel in dienst, wat ook geld kost. Meer dan 90 % van de huisartsen is geconventioneerd en vraagt geen supplementen. Dat bewijst volgens mij toch dat een praktijkvoering, zelfs met onder andere personeelskosten, perfect kan zonder supplementen.

Het is echt nodig dat we het debat objectiveren. Ik heb nog altijd geen objectief argument gehoord waarom supplementen zo nodig zijn. Nog altijd niet!

De ziekenhuiskoepels hebben mij nota’s gestuurd, waarvan sommige interessant zijn. Daaruit blijkt dat er geen enkele statistische correlatie is tussen de hoogte van de afdrachtpercentages op basis van, enerzijds, honoraria en supplementen en de hoogte van supplementen in ziekenhuizen, en anderzijds, de financiële situatie van de ziekenhuizen of hun omzet. Er is geen enkele correlatie.

Ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel. Beeld u in dat ik een statistiek zou geven over ziektes en geneesmiddelen, over een bepaalde ziekte en een bepaald geneesmiddel. Een aantal zieke mensen neemt dat geneesmiddel in , maar blijft toch ziek. Een aantal zieke mensen neemt dat geneesmiddel niet. Een aantal gezonde mensen neemt dat geneesmiddel, een aantal gezonde mensen neemt dat geneesmiddel niet. Wat zou u nu besluiten over dat geneesmiddel? De conclusie is dat veel mensen het innemen. Maar of het helpt tegen de ziekte, laat staan of het middel noodzakelijk is om de ziekte te bestrijden, daarover weten we niets.

Zo is het helaas ook met supplementen en financiële tekorten in ziekenhuizen. Er is geen enkele correlatie, niets. Men overtuigt mij daarmee niet. Het is echt nodig om de ziekenhuisfinanciering te hervormen, zodat de basisfinanciering volstaat, zodat het niet langer nodig is om afdrachten aan de artsen te vragen. De artsen moeten correcte en zuivere honoraria krijgen. Supplementen moeten echter beperkt worden en dat is ook mijn vaste bedoeling.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, het is duidelijk dat uw visies diametraal tegenover elkaar staan, want zij beweren dat er wel een strikte correlatie is tussen de erelonen, de afdrachten en de financiële situatie van de ziekenhuizen. De rapporten van de ziekenhuizen heb ik natuurlijk niet kunnen inkijken, u wel, dus ik houd een slag om de arm. Ik wil zeker niet beweren dat die studie onafhankelijk is of statistisch representatief kan worden genoemd, maar ze geeft wel een duidelijk signaal. Ik noteer dat u dat signaal naast u neerlegt. La présidente : La question n° 56008980C de M. Bacquelaine est transformée en question écrite.

De overheveling van de medische dienstverlening in de gevangenissen naar Volksgezondheid

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frank Vandenbroucke bevestigt de crisis in gevangeniszorg door overbevolking en personeelstekort, maar benadrukt dat overheveling naar Volksgezondheid geen doel op zich is—kwaliteitsverbetering primeert, met strikte voorwaarden zoals veilige consultatieruimtes, eHealth-integratie en vlotte ziekenhuisoverdracht. Pilootprojecten (sinds 2022 in voorbereiding) en interministeriële samenwerking (o.a. via een interfederaal plan) moeten zorg in detentie gelijkwaardig maken aan die in de vrije samenleving, met extra focus op geestelijke gezondheid, drugsbeleid en stigma-trainingen voor personeel. Concrete stappen zijn onder meer haalbaarheidsstudies (BelRAI-tool), extra middelen voor psychologische ondersteuning en interculturele bemiddeling. Samenwerking met Justitie loopt, maar verdere afstemming en budgettaire garanties blijven cruciaal.

Katleen Bury:

Een deel van de uitzichtloze problematiek van de overbevolking in de gevangenissen is dat er meer dan 1.000 geïnterneerden verblijven. Het gaat om kwetsbare mensen die psychiatrische zorg nodig hebben. Al lange tijd wordt er gepleit om de gezondheidszorg in de gevangenissen weg te halen bij de minister van Justitie en over te brengen naar de minister van Volksgezondheid. De minister van Justitie stelt dat de zorg in de gevangenissen een volwaardige en volledige bevoegdheid van de minister van Volksgezondheid moet zijn. De minister van Justitie heeft in de media ook verklaard dat daartoe al stappen werden ondernomen.

Wat is uw standpunt? Heeft er al overleg met de minister van Justitie plaatsgevonden? Zijn er al initiatieven genomen? Zo ja, graag een overzicht.

Frank Vandenbroucke:

Ik kan u verzekeren dat de federale regering zich ten volle bewust is van de crisis die ons gevangeniswezen doormaakt. Binnen de context van de overbevolking en een drastisch personeelstekort staat iedereen zwaar onder druk. Die toestand bemoeilijkt ook aanzienlijk de zorgverlening in onze Belgische gevangenissen.

Verschillende zorgverleners luiden de alarmbel, wat ons tot dringende actie noopt. Het louter overhevelen van bevoegdheden van Justitie naar Volksgezondheid mag geen doel op zich zijn. We moeten streven naar een verbetering van de kwaliteit van de penitentiaire gezondheidszorg. Om die redenen heb ik strikte voorwaarden geformuleerd. Er moeten onder meer voldoende goed uitgeruste en veilige consultatieruimtes worden voorzien. Het patiëntendossier binnen Justitie moet eHealth-compatibel zijn en een vlotte overbrenging naar een ziekenhuis moet gegarandeerd kunnen worden.

Ik vraag uiteraard aan de minister van Justitie om daar samen werk van te maken. Vervolgens zullen we starten met één of twee pilootprojecten. Mijn medewerkers binnen de FOD Volksgezondheid en het RIZIV werken samen met mijn beleidscel het concept en het project uit, inclusief de randvoorwaarden, de governance, de budgetimplicaties en de timing. Ook de overdracht van geneesmiddelen wordt bestudeerd.

Op het niveau van de administraties is er sinds 2022 een constructieve structurele samenwerking gegroeid met het oog op de uitrol van een aantal pilootprojecten, met bijzondere aandacht voor de geestelijke gezondheidszorg voor gedetineerden.

Naast de initiatieven rond drugs en detentie verwijs ik ook graag naar de extra middelen voor het inzetten van een eerstelijns psychologische functie en het uitbreiden van het aanbod van interculturele bemiddeling in detentie. Daarnaast werd studiewerk uitgevoerd door een wetenschappelijk team, samengesteld uit vier universiteiten, en zijn er vormingen ontwikkeld voor het zorgpersoneel in de gevangenissen over stigma en kwetsbaarheid, communicatie en motiverende gespreksvoering, en drugs.

Tot slot wordt een haalbaarheidsstudie uitgevoerd voor het gebruik van de BelRAI Detention Screening Tool in vijf pilootgevangenissen. De resultaten van dat studiewerk zullen verder worden meegenomen met het oog op een meer geïntegreerde aanpak van de penitentiaire gezondheidszorg.

Als we de zorg voor personen in detentie willen versterken en gelijkwaardig willen maken aan die in de vrije samenleving, dan is samenwerking over de bevoegdheidsniveaus heen noodzakelijk. Binnen de interministeriële conferentie Volksgezondheid is daartoe een traject opgestart met alle bevoegde ministers, gericht op betere informatie-uitwisseling, beleidsafstemming en continuïteit van zorg. Dat overleg moet worden voortgezet, met evenwichtige inspanningen van alle partijen. De interkabinettenwerkgroep Forensische Zorg werkt aan een gecoördineerde interfederale aanpak, onder meer via een interfederaal plan.

Katleen Bury:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik volg dit dossier verder op.

Buitenlandse (tand)artsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De erkenning van artsen- en tandartsen-diploma’s in België verschilt tussen EU-burgers (automatische erkenning via EU-richtlijn) en niet-EU’ers (gelijkwaardigheidscontrole via NARIC/gemeenschappen), met federale checks op taalkennis, goed gedrag en professionele geschiktheid na gemeenschapsvalidatie. Derdelanders met een EU-diploma worden wettelijk gelijkgesteld aan EU-burgers, wat volgens Gijbels een juridisch probleem vormt omdat zij geen vrij verkeer genieten; Vandenbroucke bevestigt dat nationaliteitscontrole bij de aanvraag-instantie ligt. Misbruik via verkorte EU-opleidingen (bv. Portugal/Spanje) wordt niet actief gemonitord, hoewel gemeenschappen en federale raden ex-ante controles uitvoeren om onrechtmatige uitoefening te blokkeren. Gijbels blijft kritisch op de gelijkstelling en kondigt verdere navraag aan.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, de toegang tot het beroep van arts of tandarts in België is strikt gereglementeerd, met duidelijke toelatingsvoorwaarden en een contingentering. Voor buitenlandse afgestudeerden of afgestudeerden met een buitenlands diploma gelden andere regels. EU-diploma's worden automatisch erkend, terwijl niet-EU diploma's eerst via NARIC en de beroepsraden moeten worden gevalideerd.

In de praktijk blijkt dat deze regeling risico's inhoudt voor de kwaliteit en continuïteit van de zorg. Communicatieproblemen door onvoldoende taalkennis en twijfel over de kwaliteit van sommige buitenlandse opleidingen maken personeelsplanning en patiëntenzorg complexer.

Ik heb daarover dan ook de volgende vragen. Kunt u toelichten hoe de erkenning van dergelijke diploma's momenteel wordt gecontroleerd en welke mechanismen er bestaan om te garanderen dat de opleidingen voldoen aan de vereiste kwaliteitsnormen? Hoe verloopt de samenwerking met de deelstaten? Welke controle wordt nog uitgevoerd door de federale overheid na de erkenning door de deelstaten?

Wordt elke derdelander met een EU-diploma op dezelfde manier behandeld als een EU-burger met een EU-diploma wat betreft het onderzoek naar de geschiktheid voor de uitoefening van het beroep van arts of tandarts, of wordt ook gecontroleerd of het gaat om een persoon die gebruikmaakt van het vrij verkeer? Welke instantie is verantwoordelijk voor de nationaliteitscontrole in het kader van het al dan niet behoren van de aanvrager tot de EER en Zwitserland?

Bent u zich bewust van het fenomeen waarbij derdelanders via verkorte opleidingen in andere EU-landen, bijvoorbeeld Portugal of Spanje, een diploma verkrijgen en vervolgens in België worden ingezet via detachering? Zijn u daarvan gevallen bekend?

Hoe tracht u te voorkomen dat personen zonder een correcte erkenning in België als arts of tandarts aan de slag gaan?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, de erkenning van Europese beroepskwalificaties behoort tot de bevoegdheden van de gemeenschappen. Voor artsen en tandartsen geldt inderdaad dat de beroepskwalificaties automatisch erkend worden op basis van de Europese richtlijn betreffende de erkenning van de beroepskwalificaties, voor zover ze voldoen aan de minimum opleidingseisen.

De gemeenschappen kunnen in geval van gegronde twijfel de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat bevragen over de echtheid van de aangeleverde documenten en de conformiteit van de kwalificatie aan de richtlijn.

Niet-Europese diploma’s moeten door NARIC-Vlaanderen of door de overeenkomstige diensten bevoegd voor gelijkwaardigheden van de Franse of Duitstalige Gemeenschap gelijkwaardig verklaard worden aan een specifieke Belgische graad of diploma. De authenticiteits- en erkenningscontrole gebeurt eveneens op het niveau van de gemeenschappen.

Na de erkenning door de gemeenschappen vraagt de federale overheid aan iedere buitenlandse beoefenaar die een visum wenst te verkrijgen een bewijs van goed professioneel gedrag, een bewijs van goed gedrag en zeden en een bewijs van voldoende taalkennis volgens de geldende wetgeving. Aanvragers die deze drie bewijzen niet kunnen voorleggen, krijgen geen visum toegekend en kunnen het beroep niet uitoefenen zolang ze zich niet in regel hebben gesteld. Voor niet-Europese beoefenaars wordt bovendien voor ieder dossier advies gevraagd aan de federale adviesraad voor het betreffende beroep.

Wat uw tweede vraag betreft, derdelanders met een EU-diploma worden wettelijk gelijkgesteld met Europese burgers die een EU-diploma hebben en ze worden aan dezelfde controles onderworpen. De nationaliteitscontrole gebeurt door de instantie die de aanvraag ontvangt. Indien op basis van nationaliteit en oorsprong van het diploma wordt vastgesteld dat de aanvraag tot de bevoegdheid van een andere instantie behoort, wordt de aanvrager doorverwezen.

In antwoord op uw derde vraag ben ik momenteel niet op de hoogte van eventuele problemen op dit vlak. In ieder geval zijn de gemeenschappen het best geplaatst om dergelijke zaken op te sporen, aangezien ze instaan voor de erkenning van de diploma’s.

Uw vierde vraag dan. Zoals vermeld worden de verschillende controles uitgevoerd alvorens een tandarts – zoals elke andere beoefenaar – in België erkend kan worden en zijn beroep kan uitoefenen. Op het niveau van de gemeenschappen bestaan verschillende mechanismen om de authenticiteit en de minimale opleidingseisen te controleren. Op federaal niveau wordt nagegaan of de beoefenaar in het land van oorsprong gemachtigd is om het beroep uit te oefenen en of hij geen voorafgaande sancties of veroordelingen heeft opgelopen. Op elk moment van de procedure bestaat de mogelijkheid om tussen te komen en hetzij de erkenning, hetzij het visum te weigeren.

Frieda Gijbels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik zal uw antwoord nog eens nalezen, omdat het mij nog niet helemaal duidelijk is of een burger van een Europese lidstaat met een Europees diploma op dezelfde wijze behandeld wordt als een burger van een derde land met een Europees diploma. Indien dat zo is, zit daar volgens mij een fout in. Dat zou niet mogen, aangezien een niet-EU-burger niet in aanmerking komt voor het principe van het vrije verkeer. Ik zal nog eens goed nalezen hoe u het precies geformuleerd hebt, en anders kom ik erop terug.

De strijd tegen ongezonde voeding in het kader van de volksgezondheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke stelt dat de zelfregulering door de voedingssector (verbod op reclame voor ongezonde voeding voor -16-jarigen vanaf 2026) eerst geëvalueerd moet worden op effectiviteit, met name of de blootstelling aan dergelijke reclame daadwerkelijk afneemt—zo niet, dan volgen strengere maatregelen. Hij overweegt extra transparantie over voedingswaarde in reclame, maar sluit nog geen wettelijke verboden (bv. via KB) of lokale beperkingen uit, afhankelijk van de resultaten. NGO’s zoals FIAN en De Smet pleiten voor direct ingrijpen, o.a. via reclamevrije zones rond scholen en verboden in publieke media. De minister houdt vooralsnog vast aan een "afwachtende, maar kritische" benadering.

François De Smet:

À partir du 1er janvier 2026, la publicité pour des produits malsains, "la malbouffe", sera interdite auprès des enfants de moins de 16 ans. Ces règles, édictées par le secteur lui -même (la Fédération de l’industrie alimentaire belge (Fevia), la fédération du commerce Comeos, l’Union belge des annonceurs (UBA) et le Conseil de la publicité ) sous le code "Belgian Food Advertising Code" s’appliqueront également aux médias sociaux et à la proximité des écoles primaires et secondaires.

Cette interdiction autorégulée est dénoncée par certaines ONG dont plus particulièrement FIAN qui estiment qu’elle ne va pas assez loin.

L’ONG demande notamment aux régions et communes de réglementer l’emplacement des panneaux publicitaires pour ces produits, citant les exemples de Londres et Grenoble, qui ont adopté des mesures en ce sens. Les associations souhaitent également que les Communautés interdisent la publicité pour ces aliments dans les médias audiovisuels publics, via des contrats de gestion avec la RTBF et ses services publics affiliés.

Vous vous êtes également exprimé en ce sens, monsieur le ministre, considérant que cette autorégulation n’était pas en mesure de résoudre tous les problèmes.

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir s'il confirme cette prise de position?

Dans l’affirmative, entendez-vous prendre une initiative de type avertissement sanitaire par voie d’arrêté royal afin de dépasser cette autorégulation? Ou plutôt évaluer les effets de cette autorégulation avant toute réglementation?

Frank Vandenbroucke:

Avant de nous positionner sur les mesures fixées dans le nouveau code de la publicité de Fevia, Comeos, UBA, il est important d'évaluer l'impact qu'elles auront ou n'auront pas sur nos environnements alimentaires. En clair, est-ce que l'exposition à des publicités pour les aliments identifiés par le code, comme les sodas produits à base de chocolat, confiserie et glace, va diminuer à partir de janvier 2026? Ne verra-t-on pas plus de publicités pour ces aliments autour des écoles à moins de 150 mètres, etc.? Si nous ne constatons pas d'évolution positive notable dans les années à venir, que ce soit au niveau de la publicité sur les réseaux sociaux, dans les espaces urbains et à la télévision, il va sans dire que nous devrons tirer nos conclusions de cette autorégulation et discuter de la manière dont nous pouvons améliorer l'environnement alimentaire à un autre niveau.

Nous étudions actuellement les possibilités visant à augmenter la transparence nutritionnelle au niveau de la publicité alimentaire pour les consommateurs.

François De Smet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Het recht om vergeten te worden voor MS-patiënten
Het toepassingsgebied van het recht om vergeten te worden
Het opnemen van multiple sclerose in de wet betreffende het recht om vergeten te worden
Het recht om vergeten te worden voor MS-patiënten en andere aandoeningen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de uitbreiding van het *recht om vergeten te worden* naar mensen met multiple sclerose (MS), die nu vaak geweigerd of zwaar belast worden bij verzekeringen zoals hypotheekbescherming. Minister Vandenbroucke bevestigt dat het KCE MS pas als *achtste prioriteit* bestudeert (na kankers, hiv en andere aandoeningen), met een start in 2026 voor een breder onderzoek naar chronische ziekten, inclusief ethische en verzekeringstechnische haken. Hij benadrukt dat wetenschappelijke grondigheid (data, methodologie, internationale samenwerking) vooropstaat, maar erkent de nood aan snellere inclusie om discriminatie tegen te gaan. De vraagstellers uiten teleurstelling over de traagheid, maar aanvaarden de geplande timing onder voorbehoud van concrete resultaten.

François De Smet:

Monsieur le ministre, les personnes ayant un risque de santé aggravé peuvent rencontrer des difficultés pour souscrire une assurance solde restant dû ou une assurance d'incapacité de travail. Le droit à l'oubli consacré par la loi du 4 avril 2019 vise à obliger l'assureur à "oublier" ce problème de santé totalement ou dans une certaine mesure, afin de rendre l'accès à l'assurance plus aisé.

À cet égard, cette loi n'inclut pas à ce stade les personnes atteintes de sclérose en plaques. Or, il est patent que cette extension fournirait un accès équitable à des produits financiers tels que les assurances emprunteurs, qui sont souvent refusées ou majorées de manière significative en raison de leur diagnostic, et ce, de manière indistincte et discriminatoire. Il me revient sur ce plan qu'un dossier allant dans le sens de cette extension demeure pendant, au niveau du KCE, depuis des années, ce qui prive des milliers de personnes d'une inclusion sociale et économique pleine et entière. Il en résulte un sentiment d'injustice légitime dans le chef de tous ces patients souffrant de cette terrible maladie.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire savoir si vous avez entendu requérir du KCE l'avancement de ce dossier, et si, en tout état de cause, vous entendez prendre d'autres initiatives afin que les personnes atteintes de sclérose en plaques puissent bénéficier d'un traitement administratif plus équitable?

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, collega De Smet zorgde zonet al voor de inleiding van de vragen. We zien dat er inmiddels ook precedenten zijn inzake het recht om vergeten te worden. Behalve oncologische pathologieën gaat het ook om een aantal chronische aandoeningen zoals hiv en mucoviscidose. Daarvoor is er een soort van wettelijk plafond, zonder dat de risico-inschatting volledig wordt uitgeschakeld.

Mijnheer de minister, wat zijn uw bevindingen over de vraag van mensen die multiple sclerose hebben? Werd ter zake al nagedacht over een mogelijke verruiming?

Is het volgens u zinvol om daarover een analyse of impactstudie door het KCE te laten uitvoeren?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer De Smet, mevrouw Bury, ik zal een gezamenlijk antwoord geven op de verschillende vragen.

De terechte bekommernissen van personen met multiple sclerose en van de verenigingen die hen vertegenwoordigen tonen de nood aan een zorgvuldige beoordeling van een mogelijke uitbreiding van het recht om vergeten te worden op medisch en verzekeringstechnisch vlak.

Actuellement, le KCE prépare une étude sur le droit à l’oubli dans le cancer de la thyroïde. Il est prévu qu’après cette étude, les études sur les deux premiers thèmes prioritaires (le mélanome de type 1 et le VIH) soient lancées, en fonction du temps nécessaire à chaque étude.

La sclérose en plaques est actuellement classée huitième dans le programme de travail du KCE dans le domaine du droit à l’oubli. Ce classement a été établi sur la base de critères de sélection bien définis, tels que la pertinence, la magnitude du problème de santé et la faisabilité.

Zoals bepaald in de wet van 4 april 2019 en de wet van 30 oktober 2022 streeft het KCE ernaar om voorstellen te formuleren die gebaseerd zijn op de beschikbare wetenschappelijke gegevens en die objectief en redelijk gerechtvaardigd zijn vanuit medisch en verzekeringstechnisch oogpunt.

Om dergelijke wetenschappelijke studies te kunnen uitvoeren, moet echter de nodige tijd worden uitgetrokken om de juiste methodologie te bepalen, gegevens te verzamelen, literatuur te raadplegen en indien nodig externe of internationale samenwerking op te zetten, bijvoorbeeld in het kader van het ontbreken van Belgische registers, enzovoort.

Het is duidelijk dat het KCE binnen de grenzen van de personeelsmiddelen waarover het voor die opdracht beschikt, ernaar streeft om de studies zo snel mogelijk uit te voeren, zodat de resultaten zo snel mogelijk beschikbaar zijn.

Par ailleurs, une étude a été inscrite au programme annuel du KCE, afin de proposer une approche pour les maladies chroniques pour lesquelles il semble difficile d'appliquer correctement le droit à l'oubli existant, comme défini dans la loi. Cette loi stipule qu'il est déterminé dans une grille de référence après quel délai et suivant quelles modalités l'entreprise d'assurance ne peut, d'une part, imputer une surprime, ni prévoir une exclusion ou refuser de conclure le contrat en raison de cette affection et peut, d'autre part, imputer une surprime en raison de cette affection. La loi détermine également le niveau auquel cette surprime est justifiée au regard de la technique médicale et assurancielle.

De ethische en economische aspecten van het recht om vergeten te worden voor chronisch zieken zullen eveneens onderzocht worden teneinde de mogelijke beleidskeuzes inzake solidariteit binnen de verzekeringssector te verduidelijken. Rekening houdend met de planning van de andere KCE-studies is de start van dat onderzoek nu gepland voor begin 2026.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'espère que les malades de la sclérose en plaques pourront rapidement compter sur le début de cette étude, même si je comprends tout à fait les critères qui sont appliqués.

Katleen Bury:

Perfect. We kijken uit naar 2026. Dank u wel.

De behandeling van personen met sikkelcelziekte

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drépanocytose, de meest voorkomende genetische aandoening in België (50.000 patiënten), kampt met onbekendheid bij zorgverleners, late diagnoses en onvoldoende behandelopties, ondanks vooruitgang zoals neonataal screening in Wallonië en een gespecialiseerd centrum in Erasme. Minister Vandenbroucke bevestigt dat de innovatieve gentherapie *Casgevy* (Vertex) voor kinderen werd geweigerd voor terugbetaling door mislukte onderhandelingen, maar een tweede aanvraag is in voorbereiding—andere therapieën zitten nog in preklinische fase. Geen federale of interministeriële actieplannen zijn momenteel voorzien, aangezien medicijnterugbetaling federaal is en de CIM Santé publique het dossier nog niet behandelde. De financiële en structurele uitdagingen (zoals automatisering van voordelen zoals derdenbetaler) blijven onopgelost, ondanks een Senaatsresolutie van december 2023.

François De Smet:

Monsieur le ministre, la drépanocytose est une maladie dont on ne parle pas souvent, alors que plus de 50 000 personnes en sont atteintes dans notre pays. Elle est toujours perçue comme une maladie honteuse mais je crois que c'est la maladie génétique la plus courante dans notre pays.

La Fédération Wallonie-Bruxelles a systématisé en 2023 le dépistage de la drépanocytose à tous les nouveau-nés grâce au test de Guthrie, ce qui constitue un grand progrès – même si cela ne relève pas de vos compétences.

Bien qu'il s'agisse de la première maladie génétique en Belgique, la drépanocytose demeure largement méconnue de nombreux professionnels de la santé, ce qui a des conséquences lourdes sur la prise en charge des patients qui se heurtent trop souvent à des diagnostics tardifs, des traitements inadaptés et un manque de considération de leur souffrance.

En juin 2024, l'hôpital Erasme a inauguré une unité d'hospitalisation dédiée exclusivement aux adolescents et aux adultes atteints de drépanocytose, qui demeure à ma connaissance le seul centre de référence en Belgique.

Le 22 décembre 2023, le Sénat a adopté une résolution pour que le gouvernement fédéral mène des politiques cohérentes et intégrées en vue de mettre en place des mesures visant à contrer les difficultés de prise en charge, de faciliter l'accès aux soins et aux compensations sociales pour les drépanocytaires, de réfléchir avec les mutualités à la façon d'automatiser l'octroi d'avantages tels que le tiers payant et de développer également des centres médicaux.

Monsieur le ministre, des mesures d'amélioration de la prise en charge financière de certains traitements de la drépanocytose sont-elles envisagées par l'INAMI ou par vous-même en dépit du contexte budgétaire difficile que nous connaissons? La Conférence interministérielle Santé publique entend-elle par ailleurs mettre prochainement ce dossier à son agenda en vue d'une collaboration plus étroite?

Frank Vandenbroucke:

La firme pharmaceutique Vertex a introduit en 2024 une demande de remboursement pour la spécialité Casgevy destinée aux enfants atteints de drépanocytose auprès de la Commission de remboursement des médicaments (CRM).

Ce dossier s'est malheureusement soldé par une décision négative suite à l'absence d'accord dans le cadre de la négociation qui s'est déroulée en vue de la conclusion d'une convention.

La firme a récemment participé à une réunion de pré-soumission au sein du bureau de la CRM, au cours de laquelle elle s'est montrée disposée à soumettre une deuxième demande de remboursement pour la spécialité Casgevy.

Nous ignorons à ce jour si une deuxième procédure de remboursement permettra d'obtenir une admission au remboursement de cette spécialité en Belgique.

En dehors de la spécialité Casgevy, l'arrivée d'aucune autre spécialité n'est actuellement prévue dans le cadre du traitement de la drépanocytose. Selon les informations dont je dispose, la thérapie génique est encore à un stade de développement précoce et nécessite encore du temps avant d'être une option thérapeutique dans cette pathologie.

S'agissant de votre deuxième question, étant donné que le remboursement des médicaments relève de la compétence fédérale, ce dossier n'a pas encore été examiné par la Conférence interministérielle Santé publique.

François De Smet:

Je remercie le ministre pour sa réponse. La présidente : La question n° 56009362C de Mme Muylle est reportée. Les questions jointes n° 56009363C de Mme Muylle et n° 56010499C de M. Piedboeuf sont reportées. La question n° 56009386C de M. Van Lommel est transformée en question écrite. M. Dufrane n'étant plus là, ses questions n° 56009402C et n° 56009405C sont transformées en questions écrites. La question n° 56009417C de Mme Depoorter est transformée en question écrite. La question n° 56009594C de Mme Maouane est transformée en question écrite. La question n° 56009600C de M. Gatelier est reportée. La question n° 56009698C de Mme De Knop est transformée en question écrite. La question n° 56009713C de Mme Depoorter est transformée en question écrite. Les questions jointes n° 56009714C de Mme Depoorter et n° 56010574C de Mme Van Hoof sont transformées en questions écrites.

De studie over de ziekenhuisnetwerken
De hervorming van het ziekenhuislandschap
Hervorming en netwerken van ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De evaluatie van locoregionale ziekenhuisnetwerken (sinds 2019) toont beperkte diepgaande samenwerking door autonomiestreven en logge governance, ondanks verbeterd informeel overleg (UGent-studie). Minister Vandenbroucke bevestigt dat de expertengroep (IMC Volksgezondheid) eind 2023 een hervormingsvoorstel moet indienen, waarbij financiering en landschap samen hervormd moeten worden om kwaliteit, efficiëntie en personeelstekorten aan te pakken—zonder de doelstellingen van samenwerking prijs te geven, ondanks matig succes van het huidige model. Ziekenhuizen vragen dringend duidelijkheid over toekomstig landschap en financiering, terwijl succesvolle lokale initiatieven (bv. Kempen-netwerk) aantonen dat gerichte samenwerking (bv. specialistenmobiliteit) wel degelijk waarde heeft. De tijdslijn blijft onzeker, maar de ambitie is om tegen einde legislatuur een geïntegreerde hervorming af te ronden.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, sinds 2019 zijn onze ziekenhuizen verplicht locoregionale klinische ziekenhuisnetwerken te vormen om de zorgkwaliteit en de efficiëntie te verbeteren. Er is vorig jaar een studie uitgevoerd door de Universiteit Gent die een evaluatie heeft gemaakt van deze netwerken. De resultaten zijn gemengd. Het informeel overleg is verbeterd, maar de impact op diepgaande klinische samenwerking blijft beperkt, onder meer door een blijvend autonomiestreven van de ziekenhuizen en logge governance.

De interministeriële conferentie Volksgezondheid heeft recent, mede op uw vraag, een expertengroep opgericht voor de nakende ziekenhuishervorming. In die hervorming wordt in een latere fase mogelijk ook een evaluatie van de ziekenhuisnetwerken opgenomen, met het oog op een betere samenwerking tussen de ziekenhuizen.

Mijnheer de minister, hoe evalueert u in het licht van het rapport van de Universiteit Gent vandaag de effectiviteit en de toekomstbestendigheid van de locoregionale ziekenhuisnetwerken?

Hoe verhoudt het mandaat van de nieuw opgerichte expertenwerkgroep zich tot het bestaande wettelijke kader van de locoregionale ziekenhuisnetwerken? Zijn er aanbevelingen van die expertengroep op komst die kunnen leiden tot aanpassingen of zelfs alternatieven voor het huidige netwerkmodel, dat niet overal geografisch geslaagd is?

De evaluatie door die expertengroep is in principe voorzien in een mogelijke tweede fase. Hebt u een timing waarbinnen zij een rapport kunnen afleveren over die evaluatie?

Frieda Gijbels:

Mevrouw de voorzitster, mijn vragen gingen inderdaad in dezelfde richting, dus ik kan het kort houden. Ik krijg ook graag een stand van zaken van die expertengroep.

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Bertels, mevrouw Gijbels, binnen de interministeriële conferentie (IMC) Volksgezondheid is afgesproken dat een onafhankelijke groep experts een voorstel uitwerkt voor de hervorming van het ziekenhuislandschap. Normaal gesproken krijgen we dat voorstel voor het einde van dit jaar en het thema van de ziekenhuisnetwerken is daar onlosmakelijk mee verbonden. In die zin komt uw vraag dus net wat te vroeg. Ik wil niet graag een voorafname doen op dat rapport.

Het is evenwel geen geheim dat heel wat stemmen in de sector aangeven dat de huidige locoregionale ziekenhuisnetwerken hun doel niet hebben bereikt. De studie van UGent geeft ons daarover een scherpe analyse, al moet ook gezegd worden dat sommige netwerken toch tot mooie samenwerking hebben geleid en dat het ziekenhuis hen heeft doen nadenken over hun toekomstige rol in het landschap.

Het is voor mij belangrijk dat in de hervorming het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Ik bedoel daarmee het volgende: het is niet omdat het wettelijk instrument niet voldoet dat ook de beoogde doelstellingen moeten worden vergeten. Er is nog altijd een grote nood aan de rationalisatie van het aanbod en een gestructureerde samenwerking tussen ziekenhuizen, met als doel een zo hoog mogelijke kwaliteit van zorg op een zo efficiënt mogelijke manier te kunnen blijven garanderen, ten behoeve van de bevolking.

Onnodig te herhalen dat er een tekort aan zorgpersoneel is, waardoor het moeilijk is om in voldoende zorgpersoneel te voorzien om dag en nacht een correcte bestaffing te hebben in elke ziekenhuisdienst, op elke site die vandaag bestaat.

De fragmentatie van ziekenhuisdiensten werkt bovendien ook de fragmentatie van expertise in de hand. Samenwerkingen en synergieën moeten leiden tot efficiëntiewinsten.

Ik kijk dus uit naar dat verslag van de expertengroep. De complexiteit van het ziekenhuis en de ziekenhuishervorming is dat alles aan alles hangt. De ziekenhuisfinanciering hervormen zonder het landschap aan te pakken, heeft eigenlijk op termijn geen zin. De ziekenhuisfinanciering moet juist de prikkels geven om tot een gewenst landschap te komen. We moeten echter ook nadenken over wat het gewenste landschap is.

Ik heb vandaag nog geen exacte tijdslijn, want de maatregelen zelf zijn eigenlijk nog niet besproken. Ik kan u wel meedelen dat de hervormingen van de financiering en het landschap eigenlijk parallel zouden moeten lopen. Het is mijn ambitie om de hervorming uit te rollen tegen het einde van de legislatuur. Een landschap veranderen vraagt natuurlijk heel veel tijd, maar als de deelstaten het beleid inzake infrastructuursubsidies tijdig willen kunnen bijsturen in het licht van een nieuwe visie op het landschap, dan moet men ook niet te lang wachten om die visie scherp te stellen.

Jan Bertels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik denk dat u twee belangrijke zaken hebt genoemd. Een eerste is dat de hervorming van de ziekenhuisfinanciering en het ziekenhuislandschap samen sporen. Dat denk ik ook. U hebt daar terecht de hervorming van de infrastructuurfinanciering, die op het niveau van de deelgebieden gebeurt, aan toegevoegd. Die spoort daar ook mee samen. Die zaken moeten op elkaar afgestemd worden. Ik hoop dat de expertenwerkgroep van de IMC, wat toch een interfederaal orgaan is, daarover goede voorstellen kan doen.

Het tweede punt is dat u hebt gezegd dat studie dan wel aantoont dat het niet overal even goed gewerkt heeft of werkt, maar dat er ook voorbeelden zijn waar het wel werkt. U wilt het kind niet met het badwater weggooien. Ik kom zelf uit een regio waar het ziekenhuisnetwerk Kempen op een aantal terreinen goed functioneert. Het zorgt er bijvoorbeeld voor dat er veel meer samenwerking is tussen de specialisten van de verschillende ziekenhuizen. Dat is goed, want het zorgt ervoor dat dokters naar de patiënten toegaan. Dokters reizen heen en weer tussen ziekenhuizen in plaats van patiënten. Dat is een goede zaak die blijvend gestimuleerd moet worden.

Frieda Gijbels:

Het algemene aanvoelen, maar zeker ook het aanvoelen in de sector, is dat meer samenwerking nodig en wenselijk is. Men ziet dat aan verschillende initiatieven die ontstaan, met samenwerkingen tussen artsengroepen van verschillende ziekenhuizen, wat vaak hele mooie initiatieven zijn. De ziekenhuizen zelf hebben echter echt wel nood aan duidelijkheid, aan een richting en aan duidelijke doelstellingen waarrond ze zich kunnen organiseren. Velen kijken uit naar het verslag van die expertengroep als startpunt voor de hervorming of het nieuwe landschap. Omdat alles met alles samenhangt, is die onzekerheid er natuurlijk wel en is er ook de vraag om die hele puzzel zo snel mogelijk te leggen.

Een antiagressieplan voor het ziekenhuispersoneel

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende agressie (fysiek, verbaal, psychologisch) tegen ziekenhuispersoneel eist structurele maatregelen, waarvoor minister Vandenbroucke een tweedelige juridische definitie (objectief + subjectieve ervaring) en een centraal registratiesysteem voor incidenten ontwikkelt, gebaseerd op adviezen van CFAMU/CFEH. Hij bevestigt dat agressie tegen zorgverleners al als verzwaring in het Strafwetboek (art. 410bis) is opgenomen, maar benadrukt beperkte budgettaire middelen en pleit voor betere afstemming van bestaande veiligheidsprofielen via samenwerking met sociale partners. Dedonder dringt aan op concrete actieplannen en waarschuwt dat het gebrek aan veiligheid de aantrekkelijkheid van het beroep verder ondermijnt. De focus ligt op preventie, uniforme registratie en juridische verzwaring, maar uitvoering blijft afhankelijk van coördinatie en budgettaire prioriteiten.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, ces derniers mois, j'ai reçu de nombreux témoignages faisant état d'une augmentation inquiétante des agressions à l'encontre du personnel hospitalier: insultes, menaces, coups, destructions de matériel. Ce phénomène touche désormais tous les services, des urgences aux consultations, en passant par les unités psychiatriques. Les soignants ne devraient pas craindre d'exercer leur métier. Et pourtant, sur le terrain, la pression, la fatigue et la détresse des patients s'additionnent parfois à des comportements violents qui fragilisent encore davantage les équipes. Il devient urgent de prendre ce problème à bras-le-corps et de lui donner une réponse structurelle et coordonnée.

Monsieur le ministre, un plan antiagression spécifique aux hôpitaux est-il actuellement à l'étude au sein de votre cabinet ou de vos administrations? Envisagez-vous de définir clairement ce qu'est une agression (physique, verbale, psychologique, matérielle), d'en catégoriser les types et d'en centraliser le recensement dans un système de signalement commun à tous les hôpitaux? Un tel outil statistique partagé permettrait de mieux identifier les causes et, dès lors, de déployer des actions de prévention ciblées.

Les hôpitaux disposent de profils variés pour assurer la sécurité: des agents de gardiennage privés, des agents de sécurité interne, voire du personnel hospitalier formé en prévention. Ces statuts diffèrent notamment sur le plan des compétences, des obligations légales et des rémunérations. Envisagez-vous de clarifier ces statuts et d'octroyer aux hôpitaux des moyens pour engager du personnel de sécurité en suffisance?

Compte tenu de la gravité croissante de certaines agressions, ne faudrait-il pas, comme le suggèrent certains, adapter le Code pénal, la législation du travail et les conventions sectorielles pour reconnaître l'agression envers un membre du personnel soignant comme une circonstance aggravante, à l'image de ce qui existe déjà pour d'autres fonctions d'intérêt public?

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, en ce qui concerne les définitions, j'ai demandé un avis conjoint au Conseil fédéral de l'aide médicale urgente (CFAMU) et au Conseil fédéral des é tablissements hospitaliers (CFEH), avec une attention particulière pour les hôpitaux et les soins préhospitaliers.

Le CFAMU a entretemps rendu son avis et l'a transmis au CFEH. L'avis du CFAMU plaide pour une définition juridique à deux volets de l’agression, qui reconnaît à la fois des critères objectifs et la perception subjective du prestataire de soins. Cette approche s'inscrit dans la législation sur le bien-être et offre un cadre solide pour l'enregistrement et le suivi. Par ailleurs, un système fédéral centralisé d'enregistrement des incidents d'agression est en cours de développement.

L'avis politique du CFAMU du 24 juillet 2025 reconnaît la diversité des profils de sécurité au sein des hôpitaux et des soins préhospitaliers. Des agents de gardiennage privé au personnel formé en interne, cette diversité s'accompagne de différences en matière de compétences, d'obligations légales et de rémunération, ce qui complique la cohérence de la politique de sécurité.

Bien qu'il n'y ait pas de proposition explicite de révision des statuts, il est souligné que les établissements des soins ont besoin d'un soutien structurel pour élaborer une politique cohérente en matière d'agressions. Cela inclut notamment des directives, des formations, un suivi post-incident et une collaboration avec des partenaires spécialisés. En cette période de contraintes budgétaires, il s'agit avant tout de mieux utiliser les moyens existants, et ce n'est qu'en second lieu qu'il convient d'examiner si des ressources supplémentaires sont nécessaires.

S'agissant d'une adaptation du Code pénal, je me dois de dire que, sous la Vivaldi, nous avons pris l'initiative de considérer une agression contre un membre du personnel soignant comme une circonstance aggravante. Il me semble que cette question est réglée, en principe en tout cas. Si des questions demeurent, vous pourriez interroger ma collègue, la ministre de la Justice.

Plus généralement, vous m'avez demandé s'il ne faudrait pas concevoir un plan global face à l'agressivité contre le personnel soignant. Je suis d'accord. En attendant les réponses sur les questions de définition, d'enregistrement, etc., je pense qu’il faut, par exemple, développer une démarche à ce sujet avec les partenaires sociaux du secteur des soins. Je crois en effet que tant le monde syndical que les employeurs sont fortement concernés par cette problématique.

Ludivine Dedonder:

Oui, il importe effectivement de se mettre autour de la table avec les différents partenaires pour aller au-delà. Aujourd'hui, on sait bien que ce métier est en difficulté; cela s'ajoute à la problématique, ne contribue pas forcément à l'attractivité du métier et décourage les soignants.

En ce qui concerne le plan antiagression, je comprends de votre réponse que des actions sont en cours et que vous avancez.

Quant aux différents profils qui assurent la sécurité, vous confirmez qu'il existe un problème de cohérence et qu'il est dès lors d'autant plus compliqué d'intervenir en matière de sécurité. Vous dites qu'il n'y a pas de moyens et qu'on en cherche au niveau du budget. Je l'entends bien, mais il serait peut-être possible d'utiliser les outils dont nous disposons pour pouvoir obtenir cette cohérence sans que cela ne soit trop coûteux.

Enfin, pour ce qui est du Code pénal, je vais vérifier car c'est sur la base de retours que je vous ai adressé cette question.

Frank Vandenbroucke:

Je crois que cela a été réglé par l'introduction d'un article 410 bis qui prévoit cette condition aggravante.

Ludivine Dedonder:

Nous verrons donc si c'est suffisant. L'objet de ma question était de vous rendre attentif ou un peu plus attentif, si c'était déjà le cas, à cette problématique. Je vous remercie, monsieur le ministre, pour ces réponses.

De daling van het aantal verpleegkundigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Ludivine Dedonder kaart de alarmante daling van jonge verplegers (-40% bij <25-jarigen) aan, veroorzaakt door zware werkomstandigheden, lage lonen en gebrek aan erkenning, en kritiseert het ontbreken van budgettaire maatregelen in het huidige beleid. Minister Vandenbroucke wijst op structurele hervormingen (twee nieuwe functies, vereenvoudigde taken) en belooft middelen vrij te maken voor een sociaal akkoord deze legislatuur, maar benadrukt ook kostenneutrale stappen zoals administratieve vereenvoudiging. Dedonder betwist de effectiviteit van de nieuwe functies (negatieve feedback uit het veld) maar verwelkomt de toezegging tot overleg en budgettaire inspanningen, mits dit voldoende en concreet wordt. Kernpunt: attractiviteitscrisis in de zorg vereist dringend financiële en structurele oplossingen, maar de aanpak blijft vooralsnog onzeker en omstreden.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je n'établis pas de lien direct avec ma question précédente, puisque les causes du problème sont évidemment multiples.

Les chiffres publiés cette semaine par Acerta à partir des données de votre administration sont sans appel: le nombre d'infirmiers de moins de 30 ans n'a jamais été aussi bas depuis 10 ans. Nous comptons aujourd'hui 21 770 jeunes infirmiers actifs, soit 12 % de moins qu'en 2020. Chez les moins de 25 ans, la chute atteint près de 40 %. Autrement dit, une génération entière est en train de se détourner du métier.

La crise du covid a mis en lumière sa pénibilité, sa charge émotionnelle, son manque de reconnaissance. Les jeunes diplômés ne s'y trompent pas: horaires décalés, salaires trop bas, pression constante, équilibre de vie quasi impossible. Et pourtant, monsieur le ministre, aucun budget n'est prévu par ce gouvernement, ni pour un accord social ni pour un plan d'attractivité dans les soins. C'est une véritable contradiction, puisqu'on constate l'urgence sans qu'on y consacre pourtant un euro.

Revaloriser les métiers du soin, c'est reconnaître leur utilité sociale, leur expertise, leur dévouement. Mais c'est aussi créer des perspectives de carrière durables, des équipes renforcées et un environnement de travail soutenant.

Le message des jeunes est limpide: ils ne veulent pas "tenir" ou "faire plus avec moins", ils veulent exercer leur métier dans des conditions dignes. Or, sans plan d'attractivité ni accord social, nous risquons de creuser un fossé générationnel dans les soins, qui fragilisera tout le système de santé dans les années à venir.

Monsieur le ministre, comment comptez-vous enrayer cette crise de vocation sans moyens dédiés dans ce budget? Envisagez-vous quand même de conclure un accord social et de développer un plan pluriannuel d'attractivité pour les métiers du soin, assorti d'un financement concret ou y avez-vous aujourd'hui renoncé?

Frank Vandenbroucke:

Vous savez certainement que j'ai mis en œuvre une réforme de l'art infirmier afin de répondre de façon structurelle à la pénurie de praticiens dans ce domaine.

Cette réforme s'est concrétisée par la création de deux nouvelles fonctions: l'assistant en soins infirmiers et l'infirmier de pratique avancée. Ces fonctions ont pour objectif d'élargir les perspectives de carrière et de renforcer l'attractivité des professions. Une révision des prestations techniques et des actes confiés a également été réalisée, accompagnée d'une actualisation de la définition de l'art infirmier.

En parallèle, les législations relatives aux aidants qualifiés aux activités de la vie quotidienne ont été mises en œuvre, ce qui a permis d'élargir les possibilités de délégation pour les infirmiers responsables des soins généraux.

Les prochaines étapes consisteront en la rédaction des arrêtés d'exécution relatifs à l'équipe de soins structurés.

Dans le cadre budgétaire actuel, nous avons effectivement déjà entamé les premiers échanges exploratoires avec les partenaires sociaux.

Je tiens à confirmer que je m'engage à dégager les moyens nécessaires pour aboutir à un accord social au cours de cette législature. Un tel accord doit néanmoins se fonder sur la réalité du terrain. Nous devons nous attaquer aux véritables problèmes auxquels les professionnels du soin sont confrontés chaque jour.

J'insiste toutefois sur le fait que, parallèlement à cet accord social, nous pouvons déjà progresser. Certaines mesures peuvent être mises en place de manière budgétairement neutre, par exemple en simplifiant les charges administratives. Je souhaite coopérer avec les partenaires pour les concrétiser rapidement.

Ludivine Dedonder:

Une vraie concertation avec les partenaires me paraît déjà positive et je pense que c'est du reste la seule manière d'avancer. Vous annoncez dégager des moyens, c'est une bonne nouvelle. Nous verrons si cela sera suffisant mais l'on peut au moins entamer déjà cette concertation et voir quelles sont leurs réalités de terrain. S'agissant des deux nouvelles fonctions que vous évoquez, les retours que j'en ai ne sont vraiment pas positifs, du moins du côté francophone. Les personnes des différents secteurs que j'ai pu rencontrer ne pensent vraiment pas que cela résoudra le problème de fond. J'attire votre attention sur ce point, auquel on aura du reste l'occasion de revenir. Je retiens toutefois le positif, à savoir les progrès réalisés en vue de dégager des moyens et notre participation à une réelle concertation sociale pour ce personnel. Merci pour ces réponses.

De ziektevrije status voor vogelgriep
De vogelgriepepidemie in Duitsland
De stavaza betreffende de vogelgriep in België
Vogelgriepstatus en -epidemieën in Duitsland en België

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België herwon zijn vogelgriepvrije status (H5N1), maar blijft verhoogde waakzaamheid handhaven via preventieve maatregelen zoals verplicht confinement (sinds 23/10/2025), biosveiligheid en gerichte preventieve slachtingen (Ravels, Houthulst). Minister Clarinval bevestigt dat vaccinatie de meest beloftevolle oplossing is op lange termijn—ondanks Europese weerstand (exportbelemmeringen, logistieke uitdagingen)—en pleit voor een gecoördineerde EU-aanpak, geïnspireerd door het Franse voorbeeld waar massavaccinatie van eenden de verspreiding remde. Economische risico’s (exportblokkades, sectorverliezen) en dierwelzijn blijven kritiek, terwijl het FAVV en gewesten samenwerken voor actieve surveillance (wilde/vogels pluimvee) en snelle inperkingszones bij uitbraken.

Lotte Peeters:

Wij namen akte van het goede nieuws dat België de ziektevrije status voor vogelgriep behaalde. De Wereldorganisatie voor diergezondheid heeft de Belgische zelfverklaring van de ziektevrije status voor de besmettelijke dierziekte bij pluimvee een tijdje geleden goedgekeurd. Ik dank u voor de inspanningen die u als bevoegd minister hebt geleverd om die status te kunnen bereiken.

Ik heb nog een korte vraag daarover. Ik neem aan dat ondanks het wegvallen van de afschermplicht, verhoogde waakzaamheid nog steeds belangrijk blijft. Welk standpunt neemt het FAVV daarover in, zowel voor hobbyhouders als voor pluimveehouders? Volgt u als bevoegd minister dat standpunt?

Anthony Dufrane:

Madame la présidente, afin de faire gagner du temps à la commission, je vais laisser de côté mon introduction et en venir directement à mes questions.

Monsieur le ministre, de quelle manière votre administration et les régions collaborent-elles pour surveiller et prévenir la propagation du virus H5N1 en Belgique? Quelles sont les mesures spécifiques prévues pour renforcer cette coordination? Des abattages préventifs ou des mesures de confinement ont-ils été envisagés ou mis en œuvre?

Le virus H5N1 a-t-il déjà été identifié dans de nouveaux élevages belges?

Quelles mesures appliquez-vous pour ralentir la propagation du virus, comme l'interdiction de sortie des volailles ou le renforcement des contrôles sanitaires?

Quid des vaccins disponibles pour la souche H5N1?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, cela fait maintenant quelques années que nous occupons respectivement les mêmes postes, vous ministre, moi député. Certains diront que nos carrières stagnent. Aujourd'hui, nous abordons une énième fois la situation de la grippe aviaire en Belgique.

Que cette maladie revienne dans le débat public et devienne un dossier annuel au sein même de cette commission, vous l'aviez admis lors d'une réponse à l'une de mes nombreuses questions. En mars 2023, vous faisiez part d'une réflexion personnelle et hors balises sur le long terme, disiez-vous: "Nous nous dirigeons vers une impasse. Ce virus va probablement devenir endogène, et nous devrons débattre à l'échelle européenne de la vaccination de nos volailles."

Au moment du dépôt de cette question, plusieurs foyers de la maladie avaient été détectés sur notre territoire. Le risque de contamination étant important, l'AFSCA s'était dite inquiète pour les exploitations avicoles belges, alors que des mesures de confinement drastiques étaient mises en place chez nos voisins français et allemands.

Monsieur le ministre, le temps s'étant écoulé entre le dépôt de cette question et aujourd'hui, pourriez-vous nous faire le point sur la situation de la grippe aviaire en Belgique?

Force est de constater que le virus est visiblement endogène. Une réponse coordonnée à l'échelle européenne semble indispensable. Maintenez-vous toujours les propos que vous m'aviez tenus voici plus de deux ans? Cet impératif est-il prononcé hors balises, ou maintenant au nom du gouvernement fédéral? Si tel est le cas, comptez-vous aborder cette stratégie avec les entités fédérées et vos homologues européens?

David Clarinval:

Europa wordt sinds het najaar van 2020 geconfronteerd met besmettingen door hoogpathogene vogelgriepvirussen van het type H5. Anders dan in de voorafgaande jaren blijven die virussen het hele jaar door circuleren bij wilde vogels, die pluimvee en andere gehouden vogels kunnen besmetten.

Ik heb vanaf het begin van de epidemie, op advies van het FAVV, een reeks preventieve maatregelen ingevoerd om besmettingen bij pluimvee en andere vogels te voorkomen en snel op te sporen. Sommige maatregelen zijn enkel van toepassing op pluimveehouders, andere hebben ook betrekking op hobbyhouders. De afgelopen jaren hebben aangetoond dat die maatregelen doeltreffend zijn. Het FAVV en de gewestelijke autoriteiten werken actief samen aan het toezicht op hoogpathogene vogelgriep bij wilde en gehouden vogels.

Sinds 15 november 2021 is in België een periode van verhoogd risico van kracht. Die geldt nog steeds en de maatregelen worden regelmatig aangepast op basis van een risicobeoordeling die verschillende elementen in aanmerking neemt, zoals de kenmerken van de circulerende stammen, de epidemiologische situatie, de evolutie van de migratie van wilde vogels, evenals de betrokken inrichting en activiteiten.

Le 23 octobre 2025, les mesures ont été renforcées dans toute la Belgique. Depuis ce jour, le confinement des oiseaux et des volailles des élevages commerciaux et des élevages enregistrés auprès de Sanitel est obligatoire. Les volailles et les oiseaux captifs doivent toujours être nourris et abreuvés à l'intérieur ou au moins à l'abri des oiseaux sauvages, et il est interdit d'utiliser de l'eau de surface non traitée ou de l'eau de pluie pour les abreuver.

Des abattages préventifs ont été effectués dans deux exploitations de volailles situées en face des exploitations infectées à Ravels et à Houthulst, fin octobre, en raison d'un risque élevé de transmission. Aucun autre foyer n'a été détecté depuis celui de Ravels.

La grippe aviaire est une maladie à notification obligatoire et, dans toutes les exploitations avicoles, une surveillance passive est assurée. Les cas de maladies anormales ou de mortalité chez les volailles et tous les cas de baisse significative de la ponte ou de forte diminution de la consommation d'aliments et d'eau doivent être examinés par le vétérinaire de l'exploitation. Si le vétérinaire ne peut exclure une infection par la grippe aviaire, aucun traitement thérapeutique ne peut être entrepris avant que des échantillons ou des carcasses aient été envoyés pour autopsie et examen complémentaire afin d'exclure une infection par la grippe aviaire.

De plus, une surveillance active est assurée dans les exploitations de canards, d'oies, de perdrix et de faisans, via des analyses de sang une fois par an. Dès la suspicion d'un foyer de grippe aviaire, des mesures appropriées sont mises en place afin d'éviter toute propagation du virus: confinement des animaux, restrictions sur les contacts et les mouvements, application de mesures de biosécurité stricte.

Les foyers de grippe aviaire causent d'importantes conséquences économiques pour le secteur. En cas de foyer, des mesures de contrôle spécifiques sont appliquées tant au niveau du foyer que dans une zone de protection s'étendant sur 3 km, et dans une zone de surveillance s'étendant sur 10 km, autour de ce foyer. Ces mesures impliquent des restrictions de mouvements pour le secteur avicole, y compris les abattoirs, les couvoirs et les centres d'emballage d'œufs. S'y ajoutent les conséquences liées à la perte de notre statut indemne auprès de l'Organisation mondiale de la santé animale (OMSA), ce qui limite fortement les exportations vers les pays tiers qui imposent des embargos en cas de foyer de grippe aviaire.

L'AFSCA prend en charge les frais d'abattage et de restriction des volailles ainsi que les frais liés au nettoyage et à la désinfection dans le foyer. L'indemnisation pour les volailles et leurs produits ainsi que pour les aliments présents sur le site sont assurés par le Fonds sanitaire.

La Belgique suit de près les recherches menées actuellement sur la vaccination des volailles contre la grippe aviaire, mais des obstacles majeurs, à savoir la disponibilité de vaccins appropriés et efficaces, la faisabilité de la vaccination en termes de capacité de mise en œuvre, la réticence des pays tiers à importer des animaux et des produits ayant fait l'objet d'une vaccination doivent encore être surmontés pour envisager de recourir à une vaccination à grande échelle. Ces défis sont examinés et évalués sur les différents fronts, aussi bien au niveau européen qu'au niveau national.

Et toujours hors balises, monsieur Prévot, j'ajouterai que l'année dernière, nous avions été assez épargnés par la grippe aviaire et j'ose dire que c'était sans doute aussi dû au fait que les Français avaient massivement vacciné leurs canards, principalement, et que cela a eu un impact par phénomène de contagion, si je puis dire. Cette année, ce n'est plus le cas et on voit le retour de la grippe – même si cela reste encore assez ciblé pour le moment, croisons les doigts. Donc cela me conforte dans mes convictions que la vaccination doit être une piste privilégiée. Nous avons déjà pris des initiatives et nous travaillons en parallèle au niveau européen pour essayer d'obtenir cette décision, mais ce n'est pas évident car nous ne sommes pas tous alignés sur cette politique. Je reste toutefois convaincu que c'est la meilleure voie à suivre pour nous épargner cette maladie à l'avenir.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, het is inderdaad belangrijk om op preventieve maatregelen te blijven inzetten, zodat uitbraken zo snel mogelijk kunnen worden opgespoord en de verspreiding ervan kan worden voorkomen. De ziektevrije status is nu eenmaal heel belangrijk gelet op het economische belang ervan voor onze pluimveehouders. Wij zijn heel verheugd te vernemen dat u daarop blijvend zult inzetten.

Tevens dank ik u voor de toelichting over een mogelijke vaccinatie. Ook die beleidsoptie zullen wij samen met u verder opvolgen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, merci d'avoir répondu à nos questions et d'avoir rapidement pris les mesures afin d'endiguer cette grippe, notamment en travaillant avec vos homologues régionaux, afin de réduire et d'empêcher la propagation de cette maladie. Il est également appréciable de noter que les mesures mises en place permettent aujourd'hui de limiter l'épidémie aux deux seules installations identifiées. La propagation de cette souche peut s'avérer catastrophique pour les éleveurs et pour tout le secteur, mais aussi et surtout pour les animaux. Je note qu'à l'approche des fêtes de fin d'année, au moment où la demande de volailles est beaucoup plus élevée, ces nouvelles sont assez rassurantes pour le consommateur. Je vous remercie pour votre implication dans ce dossier.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Malheureusement, cette problématique est devenue récurrente. Cela fait des années que nous l'abordons au sein même de cette commission. J'ai entendu votre réponse. Depuis le 23 octobre, des mesures plus strictes ont été prises, comme le confinement des volailles, et aucun autre foyer n'a été détecté depuis les deux foyers qui avaient été cités fin octobre. C'est de nature à nous rassurer, mais la vigilance doit plus que jamais rester de mise, et les mesures devront être adaptées si d'autres foyers venaient à être détectés. Par ailleurs, vous avez rappelé les risques économiques d'une contamination généralisée.

Je suis aligné avec vous sur la vaccination. Elle fait face aujourd'hui à certaines volontés d'adhésion, et à certaines autres velléités. D'autres ne souhaitent pas s'exprimer. Elle fait face à des obstacles, à des défis, à des réticences que nous devrons surmonter à l'avenir. La France est un exemple, et je partage le sentiment qui est le vôtre. Je pense que la campagne massive de vaccination nous avait prémunis. Elle est la preuve que cela fonctionne. J'espère que les mentalités et les avis sur la question évolueront, dans le sens qui est le vôtre, puisque je le partage.

La présidente : Je donne la parole à M. Prévot pour la question suivante.

Patrick Prévot:

Je transforme cette question ainsi que la suivante en questions écrites. La présidente : Les questions n° s 56005609C et 56005611C de M. Prévot sont donc transformées en questions écrites.

Energiearmoede
Energiearmoede
Energieonzekerheid en toegankelijkheid

Gesteld aan

Mathieu Bihet (Minister van Energie)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de energiearmoede in België (20% van de huishoudens in 2024), waar de PTB prijscontrole voorstelt als oplossing, terwijl de minister bestaande maatregelen (tariefsociale energie, fondsen voor verwarming en schulden) benadrukt en wijst op nuancering van risicocijfers (14,8-19,7% risicogroep vs. werkelijke armoede). D’Amico kaart aan dat Frankrijk met prijscontrole de armoede daalde (van 13,7% naar 10,8%) en eist nieuwe structurele actie, maar de minister belooft enkel verfijning van huidige steun en gerichte analyses zonder concrete prijsmaatregelen.

Roberto D'Amico:

Monsieur le ministre, j'ai lu tout comme vous le rapport du SPF Économie concernant la précarité énergétique, où l'on apprend qu’un ménage sur cinq est exposé au risque de précarité énergétique en 2024. Cela concerne des familles qui peinent à payer leurs factures et à chauffer suffisamment leur logement ou qui consomment moins que leurs besoins essentiels. Pour être plus précis, ce sont 20 % des familles qui sont en précarité énergétique.

Ce chiffre, tout simplement inacceptable dans un pays aussi riche que la Belgique, s’explique notamment par le caractère bien trop élevé des prix de l’énergie et démontre la nécessité du contrôle des prix, que nous proposons avec le PTB.

Monsieur le ministre, quelles mesures structurelles envisagez-vous pour faire baisser les prix de l’énergie et pour lutter contre la précarité énergétique?

Mathieu Bihet:

Monsieur D'Amico, et madame Meunier, une transition énergétique durable et équitable nécessite une attention particulière à la question de la précarité énergétique dont nous avons déjà parlé un certain nombre de fois. Afin de pouvoir élaborer une politique ciblée, il est nécessaire d'identifier les ménages exposés à ce risque accru de précarité énergétique. Nous le faisons sur la base d'indicateurs fixés dans l'arrêté royal du 19 avril 2024. Depuis début 2025, la méthodologie qui sous-tend ces indicateurs est discutée au sein d'un groupe de travail créé par l'Institut interfédéral de Statistique dans le cadre du suivi des sustainable development goals. Il est important de souligner que la publication du SPF Économie porte sur des indicateurs qui mesurent le risque de précarité énergétique et non sur le nombre réel de ménages en situation de précarité énergétique. Il faut le préciser. Parmi ce groupe à risque, on trouve également des personnes qui déclarent ne pas rencontrer de difficultés financières pour joindre les deux bouts. Il convient donc de replacer ce risque dans son contexte. Cela vaut en particulier pour l'indicateur présentant la part la plus élevée, à savoir le groupe de ménages exposés à un risque de précarité énergétique mesuré, qui représente 14,8 % des familles.

Trois indicateurs sont élaborés pour refléter les différents types de risque de précarité énergétique. Tout d'abord, des factures énergétiques très élevées par rapport au revenu disponible indiquent un risque de précarité énergétique mesuré. Deuxièmement, des factures énergétiques très faibles par rapport à des ménages comparables indiquent un risque de précarité énergétique caché. Troisièmement, les difficultés financières pour se chauffer suffisamment, indiquent une pauvreté énergétique subjective.

Différentes analyses sont réalisées sur la profondeur de la pauvreté énergétique et sur le lien entre les indicateurs de pauvreté énergétique et d'autres indicateurs de pauvreté, afin de pouvoir identifier les principales causes du risque de pauvreté énergétique. Ces analyses visent à mieux comprendre les causes sous-jacentes de la précarité énergétique afin de pouvoir élaborer des mesures politiques ciblées et une vision holistique.

Dans le cadre des compétences fédérales, il existe déjà des instruments structurels pour soutenir les consommateurs vulnérables comme, notamment, le tarif social pour l'énergie et le fonds social pour le chauffage qui garantissent l'accessibilité financière de l'énergie aux ménages vulnérables; le fonds social pour l'énergie qui permet aux CPAS d'apporter un soutien financier en cas d'endettement lié au coût énergétique et de mener une politique énergétique préventive en soutenant les investissements qui réduisent la consommation énergétique.

Ces mesures offrent une protection importante à ceux qui peuvent en bénéficier. Le gouvernement vise à créer un marché de l'énergie transparent où les consommateurs sont protégés, peuvent faire des choix éclairés et ont un accès facile au soutien. Le gouvernement fédéral continue de s'engager à renforcer et à affiner ces instruments dans le but de réduire la précarité énergétique structurelle, de rendre la transition énergétique socialement équitable et de ne laisser personne dans la transition vers une société faible en intensité carbone.

Roberto D'Amico:

Merci, monsieur le ministre. J'ai bien compris que vous avez tenté de dissocier les risques de précarité. Vous nous les avez même énoncés. Or moi, je vous parlais de nouvelles mesures structurelles alors que vous parlez de l'existant. Je n'ai donc rien entendu de neuf. Pour vous donner des chiffres, un baromètre de la précarité énergétique établi en 2015 évaluait la précarité énergétique à 18,5 %. Aujourd'hui, ce taux a augmenté jusqu'à 19,7 %. Par contre, en France, là où une forme de contrôle des prix est appliquée, ces niveaux sont plus bas et ont même diminué en dix ans. De 13,7 % en 2012, c'est descendu à 10,8 % en 2022. On comprend aisément qu'avec une forme de contrôle des prix, on parvient à faire baisser le taux de précarité énergétique. Je vous demande donc de vous inspirer de cette initiative.

De impact van orgaandonatie bij leven op het recht op wettelijke vakantiedagen

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België heeft geen specifieke regeling voor werknemers die als levende orgaandonor tijdelijk uitvallen: hun afwezigheid valt onder normaal ziekteverlof, met standaard loon- en sociale zekerheidsrechten (30 dagen werkgeversgarantie, daarna mutuelle). Geen officiële analyse bestaat over de impact op wettelijk vakantierecht of premies, en er zijn geen extra compensatiemechanismen voor donoren, ondanks hun medisch en sociaal belang. Medische kosten (operatie, opvolging) worden wel volledig vergoed door de ziekteverzekering.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, la législation belge encadre le don d'organes de personnes vivantes. Elle exige le consentement éclairé et altruiste du donneur. Au-delà des aspects médicaux et éthiques, un tel acte implique également des conséquences pratiques pour le donneur, notamment en termes de convalescence et de reprise d'activité professionnelle. Actuellement, la loi prévoit un suivi médical gratuit pendant dix ans pour les donneurs.

Le processus de don d'organes par une personne vivante, qu'il s'agisse d'un rein ou d'un fragment de foie, nécessite une intervention chirurgicale et une période de récupération physique, dont la durée peut varier. Cette période de convalescence peut avoir un impact direct sur la situation professionnelle du donneur, notamment en ce qui concerne ses jours de congé, son absentéisme et le maintien de ses droits sociaux et professionnels. Il est donc essentiel de s'assurer que les donneurs, qui réalisent un geste d'une importance capitale pour la santé publique, ne soient pas pénalisés ou confrontés à des incertitudes concernant leur statut professionnel et leurs congés légaux.

Monsieur le ministre, le gouvernement fédéral et/ou l'administration ont-t-ils réalisé une analyse de l'impact des congés de maladie ou des absences professionnelles liés au don d'organes de personnes vivantes sur les droits aux congés légaux des travailleurs en Belgique? Des dispositions spécifiques existent-elles ou sont-elles envisagées dans la législation du travail ou de la sécurité sociale pour garantir que les donneurs d'organes vivants bénéficient d'une protection adéquate en matière d'emploi? Existe-t-il des mécanismes de compensation ou de soutien pour les donneurs qui pourraient voir leurs jours de congés légaux ou leurs primes affectés par une longue période d'absence liée au don et à la récupération?

David Clarinval:

Monsieur le député, à ce jour, il n’existe pas de rapport public ou d’analyse officielle réalisé par le gouvernement fédéral belge spécifiquement sur l’impact des absences professionnelles liées au don d’organes de personnes vivantes sur les droits aux congés légaux des travailleurs. Le droit du travail belge ne prévoit pas de congé légal spécifique consacré au don d’organes par un donneur vivant.

En pratique, les donneurs bénéficient d’une interruption de travail pour raison médicale, assimilée à un congé de maladie classique. Durant cette période, les règles générales du droit du travail s’appliquent: maintien du salaire garanti par l’employeur pendant la première période d’incapacité (généralement 30 jours), puis intervention de la mutuelle (assurance maladie-invalidité).

Les frais médicaux liés au don (examens, hospitalisation, suivi médical) sont quant à eux pris en charge par la sécurité sociale belge.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos précieuses informations. Je ne serai pas plus long.

De versoepeling van de nachtarbeid en de impact op de sociale zekerheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval verdedigt de versoepeling van nachtarbeid als noodzakelijk voor jobcreatie (met name in logistiek/e-commerce) en concurrentiekracht, verwijzend naar achterblijvende groei vs. buurlanden, maar ontwijkt concrete vragen over fiscale loonsubsidies (€100.000/bedrijf) en evaluatie van hun effectiviteit. Van Lysebettens (ABVV) kaart aan dat de maatregel koopkracht aantast (lagere nachtpremies/pensioenen), geen echte jobgroei bewerkstelligt (alleen verschuiving naar ongezonder nachtwerk) en gebaseerd is op ongefundeerde aannames zonder onderbouwde studies. De minister benadrukt wel dat veiligheidsregels behouden blijven, maar biedt geen antwoord op de kritiek over ontbrekende monitoring of het risico op fiscale verspilling.

Jeroen Van Lysebettens:

Minister, het zomerakkoord had de ambitie om de nachtarbeid in een aantal sectoren af te schaffen en bovendien de definitie van nachtarbeid te beperken. Onvermijdelijk zal dat voor nachtarbeiders op lange termijn een loonsvermindering inhouden, omdat de nachtpremies enkel binnen dat beperkte tijdsbestek zullen worden uitgekeerd en omdat ook hun pensioenbedrag zal dalen. Terwijl een van de doelen van de regering was om de koopkracht te verhogen, gebeurt nu het omgekeerde. Anderzijds worden de fiscale voordelen voor bedrijven versoepeld of in stand gehouden. Met betrekking tot nachtarbeid bestaan er een aantal fiscale voordelen, zoals loonsubsidies en vrijstellingen van de bedrijfsvoorheffing voor ploeg- en/of nachtarbeid.

Volgens berekeningen van het ABVV wordt concreet een op de vijf werkdagen door de overheid gefinancierd, wanneer een bedrijf gebruikmaakt van nacht- en ploegenarbeid. Binnenkort komen we in de surrealistische situatie dat het voordeliger zal zijn om ’s nachts te werken. Volgens berichtgeving in De Tijd krijgen bedrijven gemiddeld 100.000 euro fiscaal voordeel via die subsidie. Hebt u zicht op de effectiviteit daarvan en pleit u ervoor die voordelen af te schaffen? We zoeken tenslotte middelen voor de begroting.

U stelt in uw beleidsnota dat afschaffing tot meer internationale concurrentie moet leiden, maar voor een aantal paritaire comités waarover het hier gaat, valt dat te betwijfelen. Ik denk aan wasserijen, auto-inspectie, kansspelen. Zelfs al willen we daar internationale concurrentie, wat op zich al te betwijfelen valt, zie ik dat praktisch niet gebeuren. Welk belang hebben die sectoren daar dan bij?

Net zoals bij de uitbreiding van flexi-jobs ontbreekt ook hier duidelijke monitoring en evaluatie. Het Rekenhof stelt ook dat de loonsubsidies onvoldoende gedefinieerd en geëvalueerd zijn. Hoe zult u dat onderzoek voeren? Is het niet aangewezen om de resultaten van die evaluatie af te wachten, alvorens de regeling inzake nachtwerk verder te versoepelen?

David Clarinval:

De hervorming inzake nachtarbeid passen in een bredere strategie om onze arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken en de werkzaamheidsgraad tot 80 % op te trekken. Dat is noodzakelijk om de betaalbaarheid van ons sociaalzekerheidsstelsel op lange termijn te verzekeren.

Met name in de handel en de distributie, zowel in de e-commerce als in de klassieke kleinhandel, wordt van de uitbreiding van avond- en nachtwerk een positief tewerkstellingseffect verwacht. In ons land werkte in 2023 0,11 % van de werkenden in de sector van de detailhandel niet in winkels, maar aan huis of op markten, waarvan de e-commerce deel van uitmaakt, tegenover een EU-gemiddelde van 0,28 %. In Duitsland gaat het om 0,11 %, in Frankrijk om 0,40 % en in Nederland om 1,26 %. Als de sector in België op het EU-gemiddelde zou zitten, dan zouden er in ons land 8.464 mensen extra aan de slag zijn.

Uit het advies van de CRB van 30 september blijkt dat de groei van de werkgelegenheid in België in distributie en logistiek over de periode 2010-2019 negatief was, met een daling van 2,3 % of 12.000 jobs. In Duitsland was er in die periode en in dezelfde sector een jobgroei van 16 %, goed voor 700.000 jobs extra. In Nederland bedroeg de groei 11 %.

Gezien onze ligging, de rol die we kunnen spelen in logistieke ketens, en het Belgische consumentengedrag, bevestigen meerdere analyses en studies dat België in deze sector een tewerkstellingspotentieel laat liggen.

De afschaffing van de beperkingen op nachtarbeid draagt bij aan de benutting van dat potentieel. Evengoed draagt de maatregel bij tot het behoud van bestaande tewerkstelling door ervoor te zorgen dat ondernemingen minder de aandrang zullen voelen om hun activiteiten te verplaatsen naar buurlanden waar nachtarbeid soepeler is geregeld.

Het CRB-rapport wijst eveneens op een veelheid aan distributiecentra die er de jongste zeven jaar in onze buurlanden bij zijn gekomen, wat zorgde voor de creatie van bijna 20.000 jobs. De geplande hervormingen zullen dus leiden tot een gelijk speelveld met de buurlanden, investeringen aantrekken en bijkomende banen creëren.

Voorts is het belangrijk erop te wijzen dat de versoepeling van het verbod op nachtarbeid niets verandert aan de verplichtingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk. Alle wettelijke en reglementaire bepalingen die nachtarbeiders tegen gezondheidsrisico's beschermen, blijven dus volledig van kracht, ook wanneer het algemeen verbod op nachtarbeid wordt afgeschaft. De creatie van bijkomende tewerkstelling zal een positieve impact hebben op de inkomsten van de overheid en dus op de financiering van de sociale zekerheid.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik stel vast dat uw antwoord het gewone promopraatje is, maar dat u niet ingaat op de kern van mijn vragen. Ik vroeg of de loonsubsidies via de fiscale bevoordeling van nachtarbeid overeind blijven, naast het initiatief om dat wettelijk te versoepelen, maar ik krijg daar geen antwoord op. Ik vroeg ook op basis van welke studie of inzichten u dat doet, maar u maakt enkel een statistische vergelijking met de Europese buurlanden en concludeert daaruit dan, heel kort door de bocht, dat we extra jobs zullen creëren. Doordat wij fiscale voordelen voor nachtarbeid laten bestaan, riskeren we vooral een shift van gewone arbeid naar nacht- en ploegenarbeid. Dat is geen jobcreatie. U zorgt er enkel voor dat bestaande jobs nog ongezonder worden en nog meer impact zullen hebben op het leven van de mensen. Ik vind het teleurstellend dat u op zo'n zwakke basis een dergelijk ingrijpend beleid probeert te voeren. De voorzitster : De heer Raskin is niet aanwezig; zijn vraag nr. 56008270C vervalt dus.

De uitspraken van de procureur-generaal van Brussel over de war on drugs in de haven van Antwerpen
De haven van Antwerpen en de strijd tegen de drugshandel
De rol van de haven van Antwerpen en het OM Brussel in de bestrijding van internationale drugshandel

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 13 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De oppositie (De Smet, Chahid) hekelt dat slechts 0,5-1% van de Anverse conteneurs wordt gecontroleerd omwille van economische belangen, terwijl de cocaïne-instroom fusillades en onveiligheid in Brussel en elders verergert, en spreekt van dubbele agenda’s (veiligheid vs. portconcurrentie). Minister Clarinval (namens Binnenlandse Zaken) bevestigt prioriteit voor georganiseerde criminaliteit, wijst op internationale samenwerking (MAOC-N, liaison-officieren in Panama/Emiraten) en een “Stedenplan”, maar ontwijkt concrete scanpercentages en schuift verantwoordelijkheid door naar Financiën (Jambon). Critici noemen de maatregelen ontoereikend ("*window dressing*"), vragen federale overname van de havencontroles en betichten de regering van laxisme ten koste van burgerveiligheid. De spanning economie (havenbelangen) vs. veiligheid blijft onopgelost, met geen duidelijke doelstellingen voor strengere controles.

François De Smet:

Monsieur le ministre, ce mercredi, le procureur général Frédéric Van Leeuw s'est exprimé dans la presse, en indiquant notamment ceci: "Lutter contre la criminalité organisée, c'est aussi toucher à la liberté d'entreprendre, parce qu'on va devoir faire plus de contrôles. Voyez le port d'Anvers: il n'y a que 0,5 % des conteneurs qui sont contrôlés. Et on nous dit clairement que, si l'on en contrôle 15 %, Anvers va perdre des parts de marché." Voilà une déclaration étonnante parce que, pendant ce temps, votre gouvernement nous assure qu'il investit dans des procédés et dans le scanning des conteneurs à Anvers. Alors, qui dit vrai?

D'abord, est-il exact que votre gouvernement Arizona ne contrôle que 0,5 % des conteneurs dans le port d'Anvers? Oui ou non. Ensuite, que ce chiffre soit exact ou non, quel est votre objectif? Voulez-vous parvenir jusqu'à 2 %, 5 % ou 15 %? Et puis, reconnaissez qu'avec cette déclaration du procureur et à cause d'un tel flou, le doute est permis. Le gouvernement Arizona entend-il vraiment tout entreprendre, quel qu'en soit le prix, pour arrêter la cocaïne dans le port d'Anvers ou bien alors, comme le laisse entendre une telle déclaration, va-t-on faire du window dressing en investissant dans quelques scanners, tandis que tout ne sera pas entrepris pour faire cesser ce trafic parce qu'on ne veut pas entraver l'économie du port d'Anvers?

Cela permet également de dire à tous les donneurs de leçon en matière de sécurité à Bruxelles qui s'expriment régulièrement que, tant que nous laisserons passer la cocaïne par le port d'Anvers, nous aurons des fusillades à Bruxelles, avec des conséquences de plus en plus graves, telle cette balle perdue qui a fracassé la vitre de la chambre d'un enfant à Anderlecht. Il est donc temps de choisir. On ne peut pas décider de faire primer l'économie à tout prix sur la sécurité des citoyens parce qu'on va finir par mettre leur vie en danger, que ce soit à Bruxelles, à Anvers ou partout ailleurs.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, désormais, la Belgique n'est plus seulement connue pour ses gaufres ou son chocolat, elle l'est aussi pour la cocaïne, l'héroïne, les drogues de synthèse. C'est à se demander si l'on ne verra pas bientôt sur les pilules qui traversent l'Europe "Bons baisers d'Anvers".

Anvers est la porte d'entrée de la drogue, vous le savez. Le port d'Anvers est une passoire. J'ai obtenu des chiffres hallucinants de votre collègue Jan Jambon, hier. Pire, mercredi, le procureur fédéral Van Leeuw disait explicitement à l'occasion d'une interview dans Le Soir que moins de 1 % des conteneurs sont contrôlés à Anvers! Pour quelle raison? Pour ne pas mettre en difficulté l'activité économique anversoise, pour ne pas perdre des parts de marché. Voilà, monsieur le ministre, la ligne directrice de votre gouvernement: privilégier le business et l'argent sale au détriment de la sécurité nationale.

Monsieur le ministre, que faites-vous en attendant? Rien! Vous privilégiez le business florissant pendant que le pays paye le prix de votre laxisme. Le monde entier nous pointe du doigt. La ville de notre premier ministre est au centre d'un laisser-aller scandaleux.

Monsieur le ministre, combien de temps faudra-t-il avant que vous ne réagissiez? Combien de fois faudra-t-il que les services de police et de justice tirent la sonnette d'alarme pour que vous sortiez de votre inaction? Prendrez-vous les mesures qui s'imposent pour contrôler tous les conteneurs qui ne sont pas contrôlés de manière efficace? Mettrez-vous le port d'Anvers sous le contrôle des autorités fédérales pour mettre fin à ces trafics?

David Clarinval:

Messieurs les députés, je réponds à la place de mon collègue M. Bernard Quintin, lequel est excusé pour la présente séance. Il m'a demandé de vous communiquer la réponse suivante.

M. le ministre de l'Intérieur a bien pris note des propos du procureur général de Bruxelles quant à la nécessité de lutter efficacement contre la menace du narcotrafic. Tant l'accord de gouvernement que la task force sous l'autorité du premier ministre prévoient de renforcer l'ensemble des services de sécurité, en ce compris les douanes, afin que l'ensemble des compétences, qu'elles soient de l'autorité fédérale ou des entités fédérées, puissent contribuer à une réponse coordonnée face au trafic de drogue et aux trafics qui en découlent, à savoir les trafics d'armes et des êtres humains.

Les mesures ont déjà été largement débattues ici. Il est évidemment indispensable d'améliorer le screening des conteneurs, que cela soit au port d'Anvers ou dans tout autre moteur économique essentiel pour notre pays. Il est évident qu'au plus la drogue est interceptée aux points d'entrée, au moins elle se répand ensuite sur le territoire.

Concernant le screening des conteneurs que vous évoquez spécifiquement, cela relève de la compétence de notre collègue des Finances, M. Jan Jambon. Si vous voulez approfondir le sujet, je vous invite donc naturellement à vous tourner vers lui.

Cependant, je peux vous affirmer – et c'est toujours ici le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur qui vous parle – qu'un plan Grandes villes, destiné à lutter contre le crime organisé et le trafic de drogue, a été présenté en septembre dernier.

En plus des nombreuses mesures concrètes déjà évoquées dans cette Assemblée, je vous rappelle que j'ai mis en place un représentant de la police fédérale au sein du Centre opérationnel d’analyse du renseignement maritime pour les stupéfiants (MAOC (N)), l'organe qui coordonne les opérations internationales de lutte contre le trafic de drogue par voie maritime.

Le ministre de l'Intérieur a également décidé d'ouvrir des postes d'officiers de liaison de la police fédérale aux Émirats arabes unis et surtout au Panama, qui est, comme vous le savez, un point de départ connu du trafic de drogue venant d'Amérique latine.

Messieurs les députés, je parle ici toujours au nom du ministre de l'Intérieur, mais aussi en mon nom. La lutte contre la criminalité organisée est une priorité de notre gouvernement et une préoccupation partagée par l'ensemble de tous ses membres, et elle le restera tout au long de la législature.

Je vous remercie pour votre attention.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre pour cette lecture.

Je sais très bien que M. Quintin n'est pas là mais je me dis que le ministre de l' É conomie a bien un avis sur la question puisque la question est aussi économique. Faut-il faire primer l'économie sur la sécurité? Je sais que vous êtes un peu occupé ces temps-ci mais je n'arrive pas à croire que vous n'ayez pas d'avis sur cette question. Doit-on faire primer l'économie à tout prix sur la sécurité de nos concitoyens? Je vous offrais l'occasion de nous le prouver, c'est dommage.

Monsieur le ministre, de votre réponse, je retiens bien sûr une certaine obligation de moyens, pas d'obligation de résultats, pas d'obligation que le gouvernement se donne une proportion de conteneurs à scanner à Anvers et des tentatives de montrer que la lutte contre le narcotrafic n'est pas un échec. Pourtant c'est le cas. Quoi que vous fassiez pour l'instant, ces moyens sont insuffisants, les fusillades continuent en 2025 au même niveau qu'en 2024. Les solutions Arizona pour l'instant ne fonctionnent pas et vous auriez pu vous exprimer là-dessus de la part de tout le gouvernement.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, votre réponse m'inquiète, elle ne me rassure pas, d'autant que vous avez lu votre texte avec autant d'énergie qu'un mollusque au meilleur de sa forme.

Georges-Louis Bouchez:

(…)

Ridouane Chahid:

En tant que vice-premier ministre, vous siégez au Conseil national de sécurité, vous avez une responsabilité dans la sécurité de ce pays.

Face aux trafiquants, face à la criminalité, que faites-vous? Rien! Le laxisme de votre gouvernement vis-à-vis du port d'Anvers est injustifiable. Il nous faut une approche globale vis-à-vis de cette problématique avec l'ensemble des services de sécurité. Cela fait des mois que j'interroge le premier ministre sur la task force qu'il nous avait vendue ici-même. On ne voit rien venir. Rien, si ce n'est qu'on ferme les yeux lorsqu'il s'agit d'Anvers.

Pour l'Arizona, le business d'Anvers est plus important que la sécurité et la santé des (…)

(Protest van de heren Ducarme en Bouchez)

Voorzitter:

Goede collega's, elk parlementslid is vrij in zijn of haar woordkeuze. Ongeacht of ik het er al dan niet eens ben, ben ik zeer terughoudend om in te grijpen. In dit geval is dat misschien in het voordeel van de heer Chahid. Andere keren zal het in het voordeel van andere collega's zijn. Iedereen moet verantwoordelijkheid nemen voor de terminologie waarmee en de manier waarop hij of zij zich uitdrukt.

De Waalse reportage en de mistoestanden op het gebied van de sociale uitkeringen
De RTL-reportage en het belang van het kadaster van sociale bijstand
De Waalse reportage over werklozen
Onderzoeksreportages naar tekortkomingen, kadaster en uitdagingen in sociale bijstand en werkloosheidsuitkeringen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 13 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een RTL-reportage onthult systematische sociale fraude in Wallonië (en Vlaanderen), waar uitkeringen zoals leefloon en ziektevergoedingen misbruikt worden als inkomen—soms hoger dan een mediane werknemer verdient—door perverse prikkels, zwakke controles en een cultuur van afhankelijkheid. Alle partijen (behalve N-VA/Vlaams Belang) worden beschuldigd het systeem jaren te hebben verdedigd en gefinancierd, terwijl de regering nu plannen aankondigt (centraal register, plafonds, sancties voor OCMW’s) om fraude te bestrijden zonder kwetsbaren te straffen. Kernconflict: Vlaamse partijen (N-VA, Vlaams Belang) eisen een radicale hervorming van het "Belgische ziekteverzuimsysteem" (dubbel zoveel langdurig zieken als buurlanden) en wijzen op communautaire verschillen (hogere fraude in Franstalig België, migratie-effect), terwijl Franstaligen (PS) en de minister structurele oplossingen beloven maar samenwerking tussen gewesten benadrukken als voorwaarde.

Ellen Samyn:

Wie dacht dat we vorig jaar met de Pano -reportage over het leefloondossier in Anderlecht alles wel gezien hadden, vergist zich. We krijgen opnieuw een schandaal van sociale fraude en perverse prikkels voorgeschoteld, dit keer in de armste straat van Wallonië. De reacties hier zijn voorspelbaar: alle partijen zijn verbijsterd en geschokt.

Laten we echter eerlijk zijn: iedereen hier, behalve mijn fractie, heeft boter op het hoofd, want iedereen heeft dat systeem niet alleen in stand gehouden, maar ook mee verdedigd, gefinancierd en vergoelijkt, en zo dat misbruik jarenlang mogelijk gemaakt.

Dit debat gaat niet over de luie Waal, maar over een Belgisch systeem dat mensen afhankelijk maakt en werk ontmoedigt. Het is een systeem dat verkeerde prikkels bevat, zwak gecontroleerd wordt en waar fraude te vaak zonder gevolg blijft. In de reportage van Christophe Deborsu wordt dat pijnlijk blootgelegd. Mensen vertellen openlijk dat ze een burn-out veinzen om zo 2.000 euro te krijgen of dat ze liever niet meer werken omdat het met hun uitkering ook goed gaat.

Wat we bij het OCMW van Anderlecht zagen, zien we nu opnieuw: uitkeringen die bedoeld zijn als vangnet, worden misbruikt als hangmat. De armste straat van Wallonië toont dat dat geen uitzondering is.

Mevrouw de minister, hoe rechtvaardigt u dat niet werken vandaag beter loont dan wel elke dag werken?

Erkent u dat sociale fraude een uitgesproken communautair probleem is, met veel hogere misbruikcijfers in Franstalig België, en dat dat bovendien versterkt wordt door massamigratie?

Hoe zorgt u ervoor dat de strijd tegen sociale fraude niet omslaat in wantrouwen tegenover wie echt ziek en echt kwetsbaar is?

Georges-Louis Bouchez:

Madame la ministre, en télévision, on a l'habitude d'avoir des reportages pour nous expliquer à quel point l'industrie c'est mal, le capitalisme une chose affreuse, le libéralisme quelque chose de destructeur. Et, pour une fois, on a eu droit à un reportage télévisé montrant une réalité malheureusement trop présente en Wallonie mais aussi en Flandre, parce que la question notamment des malades de longue durée n'est pas une question pour laquelle la Wallonie a une spécialité. C'est un problème généralisé dans tout le pays. Et, pour une fois, un reportage nous a montré ces réalités.

Quelle est la réaction aujourd'hui? Grande panique, grande panique à gauche, plainte au Conseil Supérieur de l'Audiovisuel (CSA), plein de posts en vue de décrédibiliser le journaliste. Vous savez, ceux qui sont tellement attachés à la liberté de la presse, du jour au lendemain, ont oublié leurs grands principes. Pourquoi? Parce que ce reportage met au jour un grand problème: le business model de la misère, le business model selon lequel les syndicats peuvent prospérer en payant les allocations de chômage, les mutualités peuvent prospérer en payant des incapacités de travail parfois imaginaires, des partis politiques peuvent prospérer électoralement et, bien évidemment, des allocataires sociaux, comme une certaine Jacqueline, peuvent en fait vivre mieux que la plupart des travailleurs dans ce pays, puisqu'avec 2 400 euros net par mois, Jacqueline est au-dessus du revenu médian. Cette situation n'est pas une caricature parce qu'on la retrouve à de nombreux endroits.

(…) : (…)

Georges-Louis Bouchez:

Oui, le revenu médian est à 2 400 euros net.

Dès lors, madame la ministre, la question est très simple. L'accord de gouvernement prévoit un plafond pour qu'on ne puisse pas cumuler les allocations sociales et se retrouver à mieux gagner qu'un travailleur. À quand ce plafond et selon quelles modalités?

Nahima Lanjri:

De RTL-reportage getuigt van een immense tristesse. Een alleenstaande moeder, Laetitia, 37 jaar, heeft nog geen dag van haar leven gewerkt, maar ontvangt toch 2.700 euro aan uitkeringen. Dat is slechts één voorbeeld, maar het illustreert volgens mij een mentaliteitsprobleem. Sommigen vinden het blijkbaar niet nodig om te gaan werken, omdat de uitkering volstaat om rond te komen.

Daarnaast is er ook een beleidsprobleem. Het advies van de OCMW-voorzitter van Verviers spreekt boekdelen, want die raadt haar cliënte aan om vooral niet te gaan samenwonen met haar vriend, omdat ze dan haar uitkering zou kunnen verliezen. Misbruik? Niet gezien. Dat dat allemaal mogelijk is, komt door een jarenlang laks beleid, een beleid van laissez-aller, laissez-passer. Dat die misbruiken vooral in Wallonië voorkomen, houdt ook verband met het feit dat de PS daar lange tijd aan de macht is geweest.

Gelukkig wil de regering de misbruiken kordaat aanpakken. Collega’s, we zullen straks een wetsontwerp goedkeuren om de OCMW’s te belonen die goed werk leveren, die mensen activeren naar werk, die mensen begeleiden en die misbruiken bestrijden. OCMW's die hun werk niet naar behoren doen, zullen worden gesanctioneerd.

Toch is dat voor ons niet voldoende, want misbruiken moeten volledig verdwijnen. Het leefloon is geen blanco cheque. Wie niet wil werken of te lui is om uit bed te komen, moet zijn uitkering verliezen. Ook domiciliefraude en fraude met ziektebriefjes moeten worden aangepakt. Iemand die acht jaar ziek blijft vanwege een gebroken (…)

Voorzitter:

Ik heb drie vragen ontvangen. Mevrouw de minister, u hebt vijf minuten spreektijd om daarop te antwoorden.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, bedankt voor uw gulheid.

Mevrouw Samyn, monsieur Bouchez, mevrouw Lanjri, de RTL-reportage schetst een onthutsend beeld. Sociale fraude kunnen we nooit tolereren. Dergelijk sociaal misbruik van belastinggeld heeft kunnen voortbestaan omdat er niet werd ingegrepen. Dergelijke reportages zijn niet nieuw. Om de zoveel jaar komen gelijkaardige verhalen aan het licht, maar de politiek deed niets. Met de huidige regering willen we daar eindelijk verandering in brengen. Wie onze solidariteit misbruikt, ondergraaft het hele systeem en laat mensen die echt steun nodig hebben in de kou staan.

U weet dat deze regering de excessen in het systeem wil aanpakken. Het regeerakkoord biedt ons daarvoor meerdere mogelijkheden. Heel binnenkort treedt mijn koninklijk besluit in werking om onrechtvaardige situaties inzake de leeflonen aan te pakken. Het opstapelen van leeflonen in een gezin zal beperkt worden en achterpoortjes worden gesloten. Sociale bijstand moet er immers zijn voor wie het echt nodig heeft.

Daarnaast werkt deze regering aan een ambitieus, maar ook noodzakelijk project, namelijk de uitbouw van een centraal register waarin alle vormen van sociale bijstand en voordelen worden gebundeld. Dat register geeft ons een volledig overzicht van de totale steun per persoon. Op die manier kunnen we opeenstapelingen opsporen, grenzen instellen en ervoor zorgen dat het systeem rechtvaardig blijft. Werken moet altijd meer opbrengen dan niet werken.

Le registre poursuit deux objectifs en ce sens. Le premier consiste à établir un inventaire complet de l’ensemble des avantages sociaux et des allocations. Le deuxième, le cas échéant, vise à plafonner certaines allocations afin d’éviter les pièges à l’inactivité et les excès, et à garantir que le travail soit plus rémunérateur que l’inactivité.

J'ai pris mes responsabilités en proposant la création d’un groupe de travail sur le registre central au sein de la Conférence interministérielle Intégration sociale. Soyons toutefois honnêtes, ma compétence se limite au revenu d’intégration. Sans l’implication des autres ministres et partenaires concernés, nous ne pourrons guère progresser. C’est pourquoi une collaboration étroite avec mes collègues ministres, tant au niveau fédéral que régional, est indispensable. Le registre central doit en effet regrouper l’ensemble des allocations et des avantages sociaux.

Er hebben al meerdere vergaderingen plaatsgevonden. De technische discussies zijn lopende. Het gaat om een ambitieus project, met vele partners rond de tafel.

Het regeerakkoord is duidelijk. De publieke verontwaardiging die we horen, is meer dan terecht. We moeten allemaal onze verantwoordelijkheid opnemen en vooruitgang boeken. Alleen zo zorgen we voor echte solidariteit en zeggen we neen tegen het profitariaat.

Ik reken daarbij ook op mijn collega-ministers om met evenveel ijver aan het werk te gaan. De geloofwaardigheid en het draagvlak van onze sociale zekerheid staan op het spel.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, welke uitleg we hier ook krijgen, het uitkerings- en controlesysteem zit fundamenteel fout. Meer nog, het Belgische systeem zelf is fundamenteel verkeerd. Het is tijd om er afscheid van te nemen. Vlamingen betalen al decennialang voor een systeem dat nooit zal werken, omdat het geen inspanning beloont, maar een hangmatcultuur in stand houdt die alleen maar verder scheeftrekt. Dat zien we op alle vlakken van onze sociale zekerheid. Het aantal arbeidsongeschikten en werklozen ligt in Wallonië en Brussel veel hoger dan in Vlaanderen. Van de uitkeringen in Vlaanderen, zoals het leefloon, gaat bovendien de helft naar mensen met een nationaliteit buiten de Europese Unie. Van alle leeflonen gaat amper 14 % naar Vlamingen.

U en uw partij weten dat, maar u wilt het niet toegeven. België is langdurig ziek en werkloos en wordt door uw N-VA kunstmatig in leven gehouden.

Georges-Louis Bouchez:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse.

Je voudrais juste ajouter une chose à l'intention de ceux qui nous disent que ce reportage ne concerne que quelques cas exceptionnels. Apprenez qu'en Belgique, aujourd'hui, nous avons le double de travailleurs malades en pourcentage de population active par rapport à d'autres pays. En effet, un peu plus de 7% de notre population active est en maladie, contre entre 3,5 et 4,5% en France, aux Pays-Bas et en Allemagne. Rien ne peut expliquer une telle situation.

À ceux qui diront, puisque nous avons dénoncé cette situation pendant la campagne, que nous faisons preuve de mépris, je voudrais répondre que le vrai mépris, c'est cette situation de notre pays où des personnes se lèvent à cinq heures du matin pour aller travailler et donnent à l'État entre 60 et 70 % de leurs revenus via des impôts, des cotisations sociales et des taxes en tout genre, pour financer des personnes qui déclarent sans aucune honte n'avoir jamais travaillé et en fin de compte gagner mieux au quotidien. Cela doit changer. Le travail doit revenir au cœur de la société.

Nahima Lanjri:

We hebben een socialezekerheidssysteem waar we fier op mogen zijn, maar ik vergelijk het altijd met een kar. Iedereen die kan werken, moet werken en die kar trekken of duwen. Enkel wie de pech heeft tijdelijk werkloos te zijn of ziek te zijn, mag op de kar zitten. Natuurlijk, als mensen dat systeem misbruiken en als zelfs mensen die niet ziek zijn en fraudeurs op de kar gaan zitten, dan zal de kar van de sociale zekerheid niet meer bollen. Dat moeten we aanpakken. In Vlaanderen wordt dat al vrij goed gedaan. In Antwerpen zien we bijvoorbeeld dat meer dan 80 % van de leefloners een sociaal contract heeft, een GPMI. We zien dat niet overal. We zien dat niet overal in Wallonië. Het is tijd om daar een tandje bij te steken, zodat we de misbruiken kunnen aanpakken. Alleen als we de misbruiken aanpakken, kunnen we blijven rekenen op de solidariteit van de mensen die om 5 uur opstaan om te gaan werken en die effectief iets bijdragen voor zij die niet kunnen werken, met pensioen zijn of ziek zijn. Al degenen die wel kunnen werken, moeten echter ook gaan werken.

De jacht op sociale fraudeurs in luchthavens door het RIZIV, de SIOD en de RVA

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België voerde nachtelijke controles uit op luchthaven Oostende (okt 2025) in het kader van fraudebestrijding (uitkeringsfraude, arbeidsvoorwaarden luchtvaartpersoneel) via het Plan Fraude Sociale 2025-2026, met preventieve informatieverspreiding maar nog geen concrete resultaten. Minister Beenders kondigt verstrengde controles (20 per 5 luchthavens over 2026-2027) en extra inkomsten van 3 miljoen euro aan via betere datadeling en veldcontroles, maar kritiek richt zich op de stigmatiserende communicatie die werklozen en zieke werknemers als "vakantiegangers" framet. Sarah Schlitz benadrukt dat rechten op vakantie (ook voor werklozen/zieken) en welzijn op het werk ontbreken in het beleid, terwijl de focus ligt op repressie in plaats van digniteit en herintegratie.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, au milieu de la nuit du 18 au 19 octobre dernier, des inspecteurs sociaux de l'ONEM, du Service d'information et de recherche sociale (SIRS) et de l'INAMI ont été mandatés pour traquer et contrôler les passagers arrivant à l'aéroport d'Ostende. L'INAMI a déclaré que cette action a été menée dans le cadre du plan d'action fraude sociale 2025-2026. Il a été remis à chaque personne contrôlée un document expliquant la procédure à suivre si on quitte le territoire quand on est demandeur d'emploi ou travailleur en incapacité de travail.

Cette méthode a surpris. Pourriez-vous dès lors, monsieur le ministre, nous expliquer quels étaient les objectifs de cette action? Quels résultats et enseignements en tirez-vous? Combien de personnes ont-elles été contrôlées? Qu'espériez-vous apprendre? Quelles mesures préventives prenez-vous pour assurer que la démarche nécessaire soit effectuée par chaque personne qui est concernée par certaines réglementations et qui part en voyage, notamment les demandeurs d'emploi ou les travailleurs en incapacité? Par ailleurs, vous dites vouloir renforcer les sanctions pour aller au-delà de la cible de l'Arizona et récupérer 300 millions d'euros de plus qu'escompté. Ce chiffre comprend-il ce genre d'action?

Rob Beenders:

Madame Schlitz, le contrôle effectué à l'aéroport d'Ostende dans la nuit du 18 au 19 octobre 2025 s'inscrivait dans le cadre du plan d'action de lutte contre la fraude sociale 2025-2026 et de l'action 62 qui prévoit que des contrôles de ce type doivent être effectués chaque année dans chaque aéroport. Un contrôle avait déjà eu lieu cette année à l'aéroport d'Ostende au mois de mai.

En application de ce plan d'action, des contrôles aux frontières sont prévus dans les aéroports afin de lutter contre la fraude aux allocations, mais aussi des contrôles dans le but de vérifier le respect des conditions de travail du personnel des compagnies aériennes. Le plan d'action 2026-2027, actuellement en préparation, comprend déjà une proposition visant à effectuer vingt contrôles répartis sur ces deux années dans cinq aéroports, soit quatre par aéroport. Ces contrôles s'inscrivent dans le cadre du fonctionnement des cellules d'arrondissement.

Pour effectuer les contrôles dans le secteur aérien – et je peux vous assurer que tous les aéroports belges peuvent faire l'objet de contrôles par les inspecteurs sociaux des différents services d'inspection sociale –, les services d'inspection peuvent s'inspirer de la méthodologie de contrôle développée dans le cadre de la chaire académique du SIRS sur la réduction de la fraude sociale et du dumping social en 2024.

Ces contrôles ont aussi un caractère préventif: ils donnent l'occasion de communiquer la réglementation aux passagers, notamment par la distribution de dépliants contenant des informations générales. La prévention est un élément essentiel de la chaîne d'exécution.

En ce qui concerne votre demande sur les résultats, ils ne sont pas encore disponibles auprès du SIRS.

En plus du parcours budgétaire de lutte contre la fraude sociale tracé par l'accord de gouvernement, je prévois de générer 3 millions d'euros de recettes supplémentaires. Je prévois une augmentation du nombre de contrôles sur le terrain, un ensemble de mesures permettant un contrôle plus efficace et plus strict du transport international, ainsi qu'un échange de données avec le SPF Finances afin que le fisc puisse vérifier si les travailleurs transfrontaliers de longue durée ne doivent pas payer d'impôts ici. Ces travaux ont été entamés et j'espère pouvoir les achever en 2026.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie pour cette réponse, monsieur le ministre. J'ai été quelque peu interpellée par la campagne de communication autour de cette action. J'ai le sentiment que cela s'inscrit dans une stratégie de stigmatisation des demandeurs d'emploi et des travailleurs malades. La petite histoire que ce chapitre raconte, c'est que les demandeurs d'emploi ne cherchent pas vraiment du travail; ils partent en vacances. Les travailleurs malades ne sont pas vraiment malades; ils partent en vacances. C'est le sentiment que j'ai eu en découvrant les différents articles dans la presse, les partages et les commentaires qui s'en sont suivis sur les réseaux sociaux, qui étaient évidemment de ce tonneau, avec des commentaires très négatifs et très durs vis-à-vis de ces personnes. J'aimerais quand même rappeler que ces deux publics ont le droit de partir en vacances avec leur famille. Souhaitons-nous qu'une maman, qui est au chômage ou qui est malade, en burn-out, doive rester à la maison pendant que son mari et ses enfants partent en vacances? Je ne pense pas que c'est de cela dont la société a aujourd'hui besoin. Par ailleurs, quand on est malade, on n'est pas forcément en incapacité de partir en vacances; on a même parfois besoin mentalement de se ressourcer. Pour moi, l'objectif que nous devons poursuivre collectivement, c'est que chaque personne se sente bien au travail et se réjouisse de retrouver ses collègues et son activité épanouissante. En l'occurrence, je n'ai pas le sentiment que cela va dans ce sens-là, et je ne vois aucune mesure depuis le début de ce gouvernement qui vise à agir pour le bien-être au travail et pour que chacun se sente respecté dans sa dignité.

Het interfederale plan inzake geestelijke gezondheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische samenwerking tussen federale en deelstaatoverheden voor geestelijke gezondheid verloopt via twee intercabinetswerkgroepen (zorgnetwerken en forensische psychiatrie), gestructureerd rond WHO-prioriteiten zoals patiëntgerichte zorg en sociale determinanten. Frankrijk dient als inspiratiebron: België wisselt kennis uit over netwerkgerichte zorgmodellen (ambulante, geïntegreerde diensten) en participeerde in hun nationale sensibiliseringscampagne, terwijl de Franse aanpak juist leunt op het Belgische reformeermodel. Blokkades worden niet expliciet genoemd, maar coördinatie en interfederale afstemming (o.a. via het beloofde plan) blijven cruciale uitdagingen, ondanks de coalitieambitie voor geïntegreerde zorg. Concrete vooruitgang hangt af van de uitvoering van de agenda’s die nu in ontwikkeling zijn.

François De Smet:

Monsieur le ministre, on le sait, et c'est essentiellement dû à l'éclatement des compétences en matière de santé, notre pays consacre dans l'ensemble assez peu de moyens à la prévention de la santé en général, ce qui vaut aussi pour la santé mentale.

Pourtant, le sujet est capital. En France a été instaurée en 2025 une grande cause nationale autour de ce sujet, pour lutter contre la stigmatisation et favoriser l'accès aux soins, avec de nombreux événements de sensibilisation prévus tout au long de l'année, tels que des forums et des marchés.

En Belgique, la Mutualité chrétienne a publié récemment des enquêtes sur l'invalidité – en septembre 2025 – et des articles sur des sujets comme la déconnexion au travail, soulignant l'importance de l'investissement dans la santé mentale.

C'est un champ qui nécessite une coordination entre les différents niveaux de pouvoir, et donc une approche interfédérale, même s'il aurait été plus cohérent – et c'était pourtant l'un des enseignements de la crise covid – de regrouper préventif et curatif au sein d'un seul niveau de compétences.

L'accord de coalition fédérale, il faut le dire, se veut assez volontariste en la matière. Il y est souligné, je cite: "Nous devons travailler main dans la main avec les Communautés pour parvenir à une politique de soins intégrés que nous mettrons en œuvre en collaboration avec les réseaux de santé mentale. Le plan interfédéral prévoit des initiatives nécessaires dans le domaine du traitement de la toxicomanie et de la médecine légale."

Mes questions sont simples, monsieur le ministre. Qu'en est-il du plan interfédéral en matière de santé mentale? Quels sont les éléments d'avancée ainsi que les éventuels blocages? L’exemple français, en dépit de la structure institutionnelle radicalement différente, peut-il nous servir de piste d'inspiration?

Frank Vandenbroucke:

La politique de santé mentale repose sur une collaboration étroite entre le gouvernement fédéral et les entités fédérées.

Afin d'assurer la cohérence des actions, la Conférence interministérielle Santé publique du 21 mai a créé un groupe de travail intercabinets "Soins de santé mentale". Celui-ci élabore un agenda commun de priorités pour toute la législature, structuré autour des axes définis par l'OMS: gouvernance, organisation de services, approche centrée sur la personne et contribution du secteur de la santé mentale aux déterminants sociaux du bien-être.

Un second groupe de travail intercabinets "Soins médico-légaux" a été institué, associant la justice fédérale et les ministres compétents des entités fédérées. Sa principale mission est d'élaborer un plan interfédéral pour les soins médico-légaux sous la présente législature.

Par ailleurs, la Belgique entretient une collaboration de longue date avec la France. En juin 2025, une délégation fédérale et fédérée a participé à Paris au lancement de la campagne française sur la santé mentale comme grande cause nationale. Cette coopération s'inscrit dans la dynamique du programme européen Joined Action Implemental, qui a reconnu la réforme belge des réseaux de soins de santé comme une bonne pratique. La feuille de route française s'inspire de cette approche belge, fondée sur une organisation en réseaux, la participation des usagers et le développement de services ambulatoires accessibles et intégrés.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Nous nous pencherons sur l'évolution du plan interfédéral dès qu'il nous aura été communiqué.

De geestelijke gezondheidszorg bij jongeren

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat mentale gezondheidszorg voor jongeren een absolute prioriteit blijft, met federale investeringen in laagdrempelige eerstelijnszorg, crisis- en transitiezorg (16-25 jarigen), forensische kinderpsychiatrie en participatiecoaches, plus versterkte Vlaamse samenwerking via drie concrete acties: afstemming OverKop-netwerken, crisisinterventie en bundeling van VAPH-expertise. Bertels benadrukt het belang van terreinversterking (lokaal en intersectoraal) en hoopt op een snel interfederaal plan om de zorg structureel te verbeteren. Kernpunt: samenwerking tussen federale en Vlaamse overheden is cruciaal voor een robuuster zorglandschap.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, ook deze vraag gaat inderdaad nogmaals over het mentaal welzijn, in dit geval van jongeren. Wij weten immers allemaal dat onze samenleving wordt geconfronteerd met aanzienlijke uitdagingen op het vlak van het mentaal welzijn, zeker ook bij onze jongeren. Af en toe lezen wij in de media dat er ter zake nog verbeteringen nodig zijn en dat er gebeurtenissen plaatsvinden die wij liever niet zien. Zulke berichten tonen de noodzaak aan om op alle niveaus onze inspanningen te bevestigen, ze onverminderd voort te zetten en zelfs te vergroten.

Onze gezamenlijke overtuiging, die breed wordt gedeeld, is dat investeren in de mentale veerkracht en de zorg voor onze jeugd en jongeren een absolute prioriteit is en moet blijven. Wij moeten die prioriteiten ook in budgettair moeilijke tijden handhaven. Er zijn reeds belangrijke stappen gezet om de geestelijke gezondheidszorg toegankelijker en laagdrempeliger te maken maar wij moeten, zoals gezegd, doorzetten.

Mijnheer de minister, kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot de vele inspanningen die reeds zijn geleverd door de federale regering om een robuust preventief kader te creëren voor het mentaal welzijn, specifiek van jongeren? Hoe verloopt de uitrol van die verschillende initiatieven en inspanningen?

Mijn tweede vraag sluit aan bij wat de heer De Smet reeds heeft gevraagd. Zowel het federale als het Vlaamse regeerakkoord, specifiek dat van Vlaanderen, bevat belangrijke engagementen inzake de geestelijke gezondheidszorg van jongeren. U hebt ter zake al verwezen naar de IMC. Kunt u toelichten hoe de uitrol van die engagementen vordert? Hoe wordt de samenwerking met de gemeenschappen, in het bijzonder met Vlaanderen, bijkomend geoptimaliseerd om onze gezamenlijke doelstellingen te realiseren?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Bertels, u hebt overschot van gelijk. Geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren en investeren in mentale veerkracht bij kinderen en jongeren zijn inderdaad cruciale opdrachten in deze tijd. Dat was de voorbije jaren zo en dat zal de komende jaren ook zo blijven.

We hebben daarom de afgelopen jaren al heel wat geïnvesteerd in zowel laagdrempelige psychologische zorg in de eerste lijn via de RIZIV-conventie als via het budget financiële middelen van de ziekenhuizen. Dan ging het over het intensifiëren van de kinderpsychiatrische diensten, zowel voor, tijdens als na de opname en over de intensifiëring van de liaisonteams vanuit de kinderpsychiatrie naar pediatrie, spoed- en andere ziekenhuisdiensten. Dat betekent dat men meer mensen ter beschikking stelt die kennis hebben over hoe zij deze problemen bij kinderen en jongeren moeten aanpakken en dat men de omkadering verbetert en op die manier ook de capaciteit vergroot om de problemen aan te pakken.

Elk netwerk geestelijke gezondheid kinderen en jongeren kreeg een fundamentele versterking van de teams voor crisiszorg en langdurige zorg. Bovendien werd er ook extra capaciteit voorzien voor de transitieleeftijd - jonge mensen tussen jeugd en jongvolwassenheid - voor eetstoornissen en voor problemen waarbij er een dubbele diagnostiek is van zowel een mentale handicap als een probleem waarvoor geestelijke gezondheidszorg nodig is.

Er werd ook tegemoetgekomen aan de onderfinanciering in het forensisch kinderpsychiatrisch aanbod, met name door de ondersteuning van de For-K-bedden. Ten slotte wordt ook in elk netwerk geestelijke gezondheid kinderen en jongeren een participatiecoach gefinancierd, met als opdracht de actieve betrokkenheid en de inspraak van kinderen en jongeren, maar ook hun context in het geestelijke gezondheidsbeleid te versterken.

Specifiek in Vlaanderen werd op basis van een gemeenschappelijke visie en een gedeelde Vlaams en federale investering ingezet op drie heel concrete acties. In een eerste actie wordt de afstemming en de concrete samenwerking tussen de OverKop-netwerken en de netwerken geestelijke gezondheid kinderen en jongeren met betrekking tot psychologische zorg in de eerste lijn georganiseerd. Met een tweede actie werd een intensieve intersectorale samenwerking uitgebouwd tussen de crisisbegeleidingsdienst van de jeugdhulp en het mobiel crisisteam van een netwerk geestelijke gezondheid kinderen en jongeren. Op die manier verknopen en versterken we de crisiscapaciteit bij vroegtijdige crisisinterventie voor meervoudige en complexe problemen.

In het kader van een derde actie werd de expertise van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH), het Agentschap Opgroeien en de netwerken geestelijke gezondheid kinderen en jongeren (GGKJ) gebundeld. Mensen en middelen worden daarbij intersectoraal ingezet op nieuwe of bestaande verblijfplaatsen.

Naast die drie hogervermelde gezamenlijke acties is er een ruimere afstemming bezig met betrekking tot opportuniteiten in de toekomstige intersectorale samenwerking. De doelstellingen van het Vlaamse geïntegreerd jeugd- en gezinsbeleid en het Perspectiefplan 2040 van het VAPH worden daarbij afgetoetst aan de federale doelstellingen inzake geestelijke gezondheidszorg van het regeerakkoord.

Die afstemming en intersectorale samenwerking vormen de basis voor afspraken die zullen worden opgenomen in een interfederaal plan geestelijke gezondheidszorg. Dat interfederaal plan wordt op dit moment verder uitgewerkt binnen de interkabinettenwerkgroep Geestelijke Gezondheidszorg. Ik verwijs naar wat ik eerder al heb gezegd in antwoord op de vragen van uw DéFI-collega de heer De Smet, waar ik meer precisering heb gegeven over de oprichting en de agenda van de werkgroepen.

Jan Bertels:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Twee zaken lijken mij bijzonder belangrijk. Ten eerste, er worden nu al initiatieven genomen die verder worden uitgewerkt met de gemeenschappen; wat mij betreft is dat met Vlaanderen. Ik stel vast op het terrein, ook als burgemeester van een kleine stad, dat de samenwerking tussen bijvoorbeeld het netwerk OverKop en de netwerken geestelijke gezondheid kinderen en jongeren fundamenteel is en dat ze elkaar versterken. Hetzelfde geldt voor de expertise van het VAPH en de netwerken die ik eerder noemde. Over crisisopvang is iedereen het eens: elke samenwerking daar is nuttig en nodig. Ten tweede stel ik vast dat – naast die samenwerkingen die al lopen op het terrein en die verder moeten worden versterkt – de gemeenschappelijke doelstellingen om het mentaal welzijn van onze jongeren en kinderen te ondersteunen en te verbeteren, zowel op federaal niveau als in de deelgebieden, intersectorale samenwerking vereisen. Ik hoop dan ook, mijnheer de minister, dat het interfederaal plan geestelijke gezondheidszorg waarnaar u verwees en waaraan de werkgroepen en interkabinettenwerkgroepen momenteel werken, in de nabije toekomst kan leiden tot de noodzakelijke versterking van ons geestelijkegezondheidszorglandschap en ruimer gezien tot een groter mentaal welzijn voor kinderen, jongeren en iedereen.

Het seizoen 2025 voor de griepvaccinatie
De kosten van het covidvaccin voor het RIZIV
Het tekort aan versterkte griepvaccins voor 65-plussers
Griep- en covidvaccinatie: planning, kosten en beschikbaarheid voor risicogroepen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De griep- en covid-vaccinatiestrategie 2025-2026 kampt met tekorten aan versterkte griepvaccins voor 65-plussers (slechts 235.000 beschikbaar op 2,6 miljoen totale doses), ondanks het late advies van de Hoge Gezondheidsraad om deze ruimer in te zetten—bestelprocedures en productietijden maakten aanpassing onmogelijk. Minister Vandenbroucke benadrukt dat prioritering (bv. immuungecompromitteerden) en efficiëntie (kosten dalen van €405M in 2022 naar €39,5M in 2025) centraal staan, maar erkent dat communicatie en vertrouwen onder druk staan door tegenstrijdigheden tussen advies en beschikbaarheid—zowel voor versterkte als reguliere vaccins (potentieel tekort bij 100% opname doelgroepen). Covid-vaccins (2M doses, €39,5M) richten zich op kwetsbaren en gelijktijdige toediening met griepvaccins via apothekers, terwijl coördinatie met gemeenschappen en vroegtijdige bestellingen cruciaal zijn om toekomstige tekorten te voorkomen. Kritiek blijft op logistieke knelpunten (administratieve rompslomp, late adviezen) en onvoldoende sensibilisering, ondanks gerichte maatregelen zoals artsenuitnodigingen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, het griepvaccinatieseizoen is gestart. De Hoge Gezondheidsraad adviseert dat 65-plussers, zwangere vrouwen, personen die werkzaam zijn in de gezondheidssector en personen die samenwonen met risicopersonen, zich laten vaccineren. Nieuw dit jaar is dat de raad ook aanbeveelt om meer gebruik te maken van versterkte vaccins, gezien het zware griepseizoen van vorig jaar, zowel voor 75-plussers als voor 65-plussers.

Uit een studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen blijkt dat in 2023 maar 50 % van de 65-plussers en 43 % van de mensen met chronische ziektes zich lieten vaccineren tegen de griep, terwijl de Wereldgezondheidsorganisatie een minimale vaccinatiegraad van 75 % aanbeveelt. In uw beleidsverklaring kondigt u aan een aantal initiatieven te willen nemen en in dat kader heb ik enkele vragen. Ik laat enkele vragen vallen, aangezien u in de door u ingediende wet diverse bepalingen al uitvoerig bent ingegaan op de rol van de apothekers. Ik veronderstel dat dat ook uw antwoord vormt op mijn aanvullende vragen over de apothekers, tenzij u daar nog extra initiatieven over plant. Ik wil mij concentreren op de andere vragen.

Welke concrete nieuwe initiatieven plant u dit jaar om de vaccinatiegraad tegen griep bij 65-plussers en andere risicogroepen te verhogen?

Voor de terugbetaling van de versterkte vaccins is een machtiging 'hoofdstuk IV' van het RIZIV vereist. Dat zorgt voor extra administratieve rompslomp. Hoe schat u de impact daarvan in op de vraag en de toegang tot die specifieke vaccins, gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad om de versterkte vaccins dit jaar ruimer toe te dienen?

Hoeveel griepvaccins, inclusief specifieke versterkte vaccins alsook covid-vaccins, worden ten slotte dit jaar in België beschikbaar gesteld? Is dat voldoende om alle risicogroepen die de Hoge Gezondheidsraad heeft gedefinieerd, te vaccineren?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, dans le même registre, la campagne de vaccination contre le covid-19 pour l'hiver 2025-2026 a officiellement été relancée à la mi-octobre dans un contexte marqué par l'apparition d'un nouveau variant surnommé Frankenstein. Il est la combinaison de plusieurs souches de la variante Omicron. Selon les experts, ce variant n'est pas plus dangereux que celui de l'an dernier, mais il présente une contagiosité accrue. Celle-ci justifie une vigilance renforcée à l'égard des publics les plus fragiles, en particulier les personnes âgées de plus de 65 ans et les patients à risque, souffrant d'insuffisance chronique.

La campagne vaccinale vise à prévenir une surcharge du système hospitalier et des cabinets de médecine générale en cas de concomitance avec les épidémies saisonnières de grippe et de VRS. Elle repose sur la gratuité du vaccin covid et la possibilité de se faire vacciner simultanément contre la grippe, notamment via les pharmaciens qui regroupent les patients afin d'éviter le gaspillage des doses.

Monsieur le ministre, quel est le coût estimé par l'INAMI de la campagne de vaccination contre le covid pour l'hiver 2025-2026, incluant l'achat, la distribution et l'administration des vaccins? Comment évolue ce budget par rapport aux campagnes précédentes? Quelles économies ou optimalisations ont été réalisées? Quelle part de ce financement est spécifiquement destinée aux pharmaciens et aux maisons de repos pour l'administration des vaccins? Quelle prévision de couverture vaccinale l'INAMI et Sciensano ont-ils établie pour cette nouvelle campagne? Quels dispositifs sont envisagés pour renforcer la communication et la participation du public à la vaccination?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de Hoge Gezondheidsraad beveelt dit jaar voor het eerst aan om versterkte griepvaccins toe te dienen aan alle personen vanaf de leeftijd van 65 jaar. Het gaat om hooggedoseerde vaccins, die een krachtigere immuunrespons opwekken en zo betere bescherming bieden aan ouderen.

Toch blijkt nu dat niet alle 65-plussers dit najaar met zo'n versterkt vaccin zullen kunnen worden ingeënt, wegens een gebrek aan voldoende vaccins. Het advies van de Hoge Gezondheidsraad werd pas in juni uitgebracht, terwijl de bestellingen al veel eerder moesten worden geplaatst. Daardoor konden geen bijkomende leveringen meer worden voorzien.

Intussen wijzen experten erop dat België opnieuw een zwaar griepseizoen tegemoet kan gaan. Vorig jaar werd zelfs de hoogste oversterfte in zeven jaar opgetekend, met bijna negen op de tien overlijdens bij 65-plussers.

Mijnheer de minister, erkent u dat de huidige beschikbaarheid van versterkte vaccins onvoldoende is om te voldoen aan de aanbeveling van de Hoge Gezondheidsraad?

Hoe zult u ervoor zorgen dat de bestelprocedures en planningen in de toekomst beter worden afgestemd op nieuwe wetenschappelijke adviezen, zodat dergelijke tekorten niet opnieuw ontstaan? Zult u daarover overleg voeren met de bevoegde ministers van de deelstaten om een gecoördineerde aanpak te verzekeren, zeker met het oog op sensibilisering bij risicogroepen?

Overweegt u bijkomende maatregelen om de vaccinatiegraad bij 65-plussers en risicopatiënten te verhogen, bijvoorbeeld via gerichte communicatie of een actieve uitnodiging via huisartsen en apothekers?

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, ik wil nogmaals beklemtonen dat het beheer van de vaccinatiestrategie een bevoegdheid is van de gemeenschappen en gewesten.

Ten tweede, de rol van de apotheker in het seizoen 2025-2026 blijft ongewijzigd ten opzichte van het seizoen 2024-2025. Mijnheer Van Lysebettens, we hebben vorige week in de commissie inderdaad een tweede lezing gehouden van een wetsontwerp waarbij de rol van de apotheker ook wettelijk wordt bestendigd. We zullen dat dus niet elk jaar moeten vernieuwen, indien het ontwerp ook in de plenaire vergadering wordt goedgekeurd.

Ten derde, we moeten de middelen hoe dan ook weloverwogen gebruiken. Dat geldt voor geneesmiddelen zoals voor andere onderdelen van de gezondheidszorg. Dat geldt ook voor vaccins, aangezien onze budgetten nu eenmaal beperkt zijn.

De verplichte machtigingsaanvraag voor duurdere griepvaccins moet verzekeren dat de vaccins terechtkomen bij de mensen die er het meeste baat bij hebben, op basis van de afweging die de arts maakt in functie van een individuele klinische situatie. Vanwege de beperkte stock van versterkte vaccins moet de arts bijvoorbeeld de immuunstatus van de patiënt in overweging nemen. Artsen kunnen de aanvraag van het versterkte vaccin op papier of elektronisch via CIVARS indienen. Bij een elektronische indiening volgt het akkoord automatisch, zonder bijlagen, wat de procedure versnelt. Op die manier wordt oneigenlijk gebruik voorkomen, zonder de toegang voor rechthebbenden te bemoeilijken.

Ten vierde, op dit moment zijn er in totaal ongeveer 2 miljoen griepvaccins beschikbaar voor de herfstcampagne van 2025 voor de Belgische bevolking. De aantallen zijn gebaseerd op de noden van de voorbije jaren. Voor het griepseizoen 2025-2026 zijn er 2.645.000 griepvaccins beschikbaar, waarvan 235.000 versterkte vaccins en 2.410.000 typische griepvaccins. We kunnen stellen dat de hoeveelheid voor het komende seizoen voldoende zou moeten zijn.

Voor dit seizoen heeft de Hoge Gezondheidsraad inderdaad aanbevolen om 65-plussers bij voorkeur te vaccineren met een versterkt griepvaccin. De beschikbare hoeveelheden zijn echter niet voldoende om elke 65-plusser met dat versterkt vaccin te vaccineren. Ik kan u wel verzekeren dat er voldoende andere griepvaccins beschikbaar zijn die doeltreffend en veilig zijn, ook voor 65-plussers.

De Risk Management Group van de FOD Volksgezondheid heeft daarom een aanbeveling gepubliceerd om de versterkte vaccins voor te behouden voor patiënten bij wie de potentiële winst het grootst is, zoals ouderen met een bijkomende immuundeficiëntie. De firma’s plannen maanden op voorhand de productie van hun vaccins, aangezien dat proces enige maanden tijd in beslag neemt. Daarnaast hebben de betrokken actoren, zoals de apothekers en de lokale overheden, de gewoonte om al in december of januari een voorbestelling te plaatsen voor het komende griepseizoen. Dat helpt de firma’s uiteraard om de nood beter in te schatten.

In die specifieke context is het advies van de Hoge Gezondheidsraad inderdaad te laat gekomen om nog optimaal geïntegreerd te kunnen worden in de lopende vaccinatiecampagne van dit jaar. Ik betreur dat. De Hoge Gezondheidsraad is natuurlijk een onafhankelijk orgaan en dat moet ook zo blijven.

Ik beklemtoon echter dat een vroeger advies alle actoren ten goede zou moeten kunnen komen.

Ik geef wel nog mee dat in functie van de aanbeveling van de Hoge Gezondheidsraad nog een dossier voor wijziging van vergoedingsmodaliteiten van Efluelda is opgestart om ze te aligneren op de modaliteiten van Fluad.

En ce qui concerne le coût des vaccins, je peux vous dire qu'il est actuellement financé par la SPF Santé publique. Il s'élève pour l'année 2025 à environ 39,5 millions d'euros annuels pour 2 millions de vaccins. En ce qui concerne l'administration des vaccins, j'attends encore les données spécifiques de l'INAMI. En ce qui concerne les dépenses, il faut savoir que les coûts fédéraux liés à l'achat des vaccins contre le Covid-19 se sont élevés à 405,4 millions d'euros en 2022, 258,2 millions d'euros en 2023 et 48 millions d'euros en 2024. Ils sont estimés à 39,5 millions d'euros pour 2025.

Depuis la fin de la crise du Covid-19, les coûts liés à la vaccination ont été réduits d’un facteur dix. Cette diminution s’explique principalement par la révision à la baisse des quantités commandées en concertation avec les fabricants, ainsi que par la réduction du nombre de doses par flacon afin de limiter les pertes. Comme je l’ai déjà dit, la gestion de la stratégie de vaccination relève de la compétence des Communautés et des Régions.

En ce qui concerne le volume, je peux vous indiquer qu’à l’heure actuelle, 2 026 450 vaccins contre le covid, destinés à l’ensemble de la population belge, sont disponibles pour la campagne d’automne 2025. Ces chiffres sont basés sur les besoins des différentes entités ainsi que sur le nombre de vaccins administrés au cours des dernières années.

Pour répondre à vos autres questions, monsieur Dufrane, j'attends encore les détails précis de l'administration. Je vous tiendrai au courant.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ten eerste, ik volg u uiteraard wanneer u stelt dat we de middelen weloverwogen moeten gebruiken. Enigszins vreemd in het verhaal is wel dat het advies te laat werd ontvangen. Ik ben het met u eens dat we er alles aan moeten doen om dat in de toekomst vroeger te verkrijgen. We worden nu geconfronteerd met een te laat advies van de Hoge Gezondheidsraad dat stelt dat 65-plussers zich bij voorkeur met een versterkt vaccin zouden moeten laten vaccineren, wat gezien de aankopen en bestellingen niet mogelijk is. De Belgische burger wordt dus geconfronteerd met een advies van de Hoge Gezondheidsraad, een onafhankelijk gezondheidsorgaan, dat aanbeveelt om zich te laten vaccineren met een versterkt vaccin. Vervolgens komt de burger bij de arts, die moet mededelen dat er niet genoeg vaccins zijn en dat een andere indeling zal worden toegepast dan in het advies vermeld staat. Dat schept volgens mij weinig vertrouwen in ons gezondheidssysteem.

Ten tweede, u merk op dat er wel voldoende andere griepvaccins zijn om iedereen in te enten. U geeft echter zelf aan dat de inkoop is gebaseerd op de noden van de voorbije jaren. De voorbije jaren werd echter niet iedereen ingeënt. Als ik u goed heb begrepen, hebben wij 2,9 miljoen vaccins in voorraad. Indien echter iedereen van de doelgroepen zich laat vaccineren, niet met het versterkt griepvaccin maar met het gewone griepvaccin, hebben we volgens de apothekersbond 4 miljoen vaccins nodig hebben. Ik begrijp daaruit dat ook voor gewone vaccins theoretisch een tekort dreigt. Dat ondergraaft volgens mij toch enigszins het vertrouwen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous les éléments de réponse communiqués, même si certains me seront transmis via l'administration dans les prochains jours.

Tout comme mon collègue, je suis aussi un minimum inquiet par rapport au fait que face aux recommandations de vaccins renforcés pour le public de plus de 65 ans, ceux-ci ne seront pas disponibles en suffisance – ils sont limités à 300 000. Néanmoins, je relève que, selon vous, les stocks devraient être suffisants

Je clôture en vous remerciant encore pour tous les éléments fournis et pour ceux que vous m'apporterez dans le futur.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik heb geen bijkomende vragen.

De commercialisering van de tandzorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat er geen actueel overzicht is van tandartspraktijken en private-overnames (zoals door *Dentius*), maar dat een nieuw praktijkregister (via *ProGezondheid*) vanaf 2028 inzicht moet bieden, samen met stimulansen voor conventionering (beperkte supplementen, richttarieven) om betaalbaarheid te garanderen. De commercialisering dreigt volgens hem de zorg duurder en ondoorzichtiger te maken, vooral voor jonge tandartsen. Quota (opleidings-, geen vestigingsbeperkingen) worden nu vastgelegd maar werken pas door na 2032 door de lange studieduur, terwijl een interbestuurlijke werkgroep de geografische spreiding moet coördineren.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, volgens een publicatie van de FOD waren er in 2024 zo'n 10.129 geregistreerde tandartsen, waarvan er 7.000 actief zijn. De spreiding van het aantal actieve tandartsen is echter ongelijk, met een hoge dichtheid in het centrum van het land en een lage dichtheid in de perifere provincies, aldus BeCare Magazine van november 2024. Het exacte aantal tandartspraktijken is echter onbekend. Het aantal ketens in handen van private equity, bijvoorbeeld Dentius en Odontolia, groeit gestaag en zou tot 10 % van de praktijken overgenomen hebben.

Kent u het aantal tandartspraktijken en hun exacte spreiding in België? Zo niet, plant u een oplossing om daar accuraat gegevens over te verkrijgen? Hebt u een zicht op het exacte aantal tandartspraktijken dat ondertussen is overgenomen door private investeerders en waar zij hun diensten aanbieden? Hoe evalueert u dat?

Een verregaande commercialisering van de tandzorg houdt een risico in voor de betaalbaarheid ervan. We stellen vast dat commercialisering gepaard gaat met deconventionering. In uw beleidsnota somt u een aantal maatregelen op die het voor zorgverleners interessanter zouden moeten maken om zich te conventioneren en minder interessant om zich te deconventioneren.

Hoe zit het met de uitrol van deze maatregelen om die betaalbaarheid te garanderen? Hoe specifiek zult u dat op commerciële praktijken richten? Overweegt u een actieve rol te spelen om de gaten in de beschikbare tandzorg te dichten, zowel op vlak van de geografische spreiding als op conventioneringsvlak.

Frank Vandenbroucke:

In antwoord op uw eerste vraag kan ik meedelen dat artikel 42 van de wet van 2019 inzake kwaliteitsvolle praktijkvoering in de gezondheidszorg voorziet in de opmaak van een register om de identificatie van de actieve gezondheidszorgbeoefenaars in de toekomst te vereenvoudigen. Daarin wordt een algemene beschrijving opgenomen van de gezondheidszorg die door elke beroepsbeoefenaar wordt verleend, de plaats waar de zorg wordt verleend en de eventuele samenwerkingsverbanden met andere beroepsbeoefenaars. Dat register zal alle gezondheidswerkers bevatten die in België hun beroep mogen uitoefenen en zal het op termijn mogelijk maken te weten wie in welke sector en op welke plaats actief is.

Momenteel zijn er nog geen gedetailleerde gegevens beschikbaar over de werkplaatsen van alle tandartsen. In het kader van de bovenvermelde wet bouwen de FOD Volksgezondheid en het RIZIV samen een praktijkregister uit dat meer inzicht zal geven in de praktijkvoering van tandartsen. Tandartsen kunnen hun werkadressen nu al beheren via een vernieuwde module in ProGezondheid, ontwikkeld in het kader van dit praktijkregister. In de komende maanden volgt een communicatiecampagne met als doel een zo volledig mogelijk praktijkregister te realiseren.

In antwoord op uw tweede vraag kan ik meedelen dat ik momenteel geen zicht heb op het aantal praktijken dat is overgenomen door private investeerders. De toenemende overname van tandartspraktijken door commerciële ketens is inderdaad zorgwekkend. Ik kreeg en krijg signalen dat zij jonge tandartsen in dienst nemen met contracten die deconventionering stimuleren. Deze winstgedreven logica leidt tot ondoorzichtige tarieven, maakt het voor jonge zorgverleners moeilijker om in het conventiesysteem te stappen en dreigt de zorgketen te versnipperen, wat ten koste gaat van de continuïteit en de toegankelijkheid van de zorg.

In antwoord op uw derde vraag kan ik meedelen dat het voorontwerp van wet betreffende hervormingen in de gezondheidszorg voorziet in sterke stimulansen voor conventionering, met name door een beperking van de supplementen en de mogelijkheid om richttarieven vast te stellen. Het doel is voldoende flexibiliteit te laten en ruimte te bieden voor innovatie in de sector. Die stimulansen treden naar verwachting in werking in januari 2028.

De Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen speelt ook een rol in deze hervorming, met name door te werken aan een hervorming van de nomenclatuur om de tarieven te objectiveren en de toegankelijkheid tot tandheelkundige zorg te waarborgen.

Wat uw vierde vraag betreft, de federale Planningscommissie-medisch aanbod is momenteel bezig met het uitwerken van toekomstscenario’s om de verhouding tussen het aanbod aan tandartsen en de behoeften aan tandheelkundige zorg van de Belgische bevolking tussen 2021 en 2046 te onderzoeken. De resultaten zullen als basis dienen voor de bepaling van de quota vanaf 2032.

Hoewel de subquota en de inzichten over de verdeling van de tandartsen over het Belgische grondgebied onder de bevoegdheid van de deelstaten vallen, heb ik het initiatief genomen om binnen de IKW Gezondheidszorg een werkgroep Planning op te richten, waarin alle actoren van de verschillende bestuursniveaus vertegenwoordigd zijn, zodat onze respectieve acties goed op elkaar kunnen worden afgestemd om aan de behoeften van de bevolking te voldoen. Dat is mijn antwoord op uw vragen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben blij dat u in ieder geval de diagnose deelt en dezelfde signalen opvangt, namelijk dat de gecommercialiseerde praktijken leiden tot minder conventionering.

Ik heb nog een bijkomende vraag. U zei dat de federale Planningscommissie de noden in kaart aan het brengen is. Ik begrijp niet goed waarom dat pas vanaf 2032 impact zal hebben. Dat lijkt mij toch vrij ver in de toekomst. Baseert u zich daarvoor op wettelijke termijnen? Hoe moet ik dat zien?

Frank Vandenbroucke:

Als de Planningscommissie vandaag quota vastlegt, dan is dat altijd voor binnen een paar jaar. De quota worden vastgelegd met het oog op wie na de basisopleiding een verdere gespecialiseerde opleiding mag volgen, bijvoorbeeld huisarts of arts-specialist in de een of andere discipline.

Jeroen Van Lysebettens:

Het gaat over een opleidingsquotum.

Frank Vandenbroucke:

De quota gelden voor binnen een aantal jaren. In functie daarvan worden hier en nu de "quota" bepaald aan de hand waarvan ingangsexamens worden georganiseerd. De Planningscommissie doet een voorstel voor de quota die wij federaal hanteren en die gelden altijd maar binnen een paar jaar. Die studenten moeten immers nog afstuderen.

Jeroen Van Lysebettens:

Het gaat dus over een opleidingsquotum en geen vestigingsquotum. Dat was mijn vraag. Ik dank u voor de verduidelijking.

De personeelsnormen voor ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De invoering van basisverpleegkundigen (afstuderen juli 2026) vereist aanpassingen in wetgeving, personeelsnormen en loonindeling (IFIC), maar de exacte impact op ziekenhuisorganisatie en zorgkwaliteit is nog onduidelijk. Minister Vandenbroucke bevestigt dat alleen verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg nu nog in de ziekenhuiswet zijn opgenomen en dat gemeenschappen en federale instanties samen de normen moeten herzien, met adviezen verwacht tegen februari-maart 2026. IFIC bepaalt de loonschaal op basis van functieanalyse, terwijl tussentijdse sectorale afspraken met sociale partners dringend nodig zijn om onduidelijkheid tegen te gaan. De kwaliteit van zorg blijft gegarandeerd door teamwerk en gestructureerde protocollen, maar een overgangsperiode is essentieel voor optimale integratie.

Irina De Knop:

Tijdens de vorige legislatuur hebben we de basisverpleegkundigen en de verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg wettelijk verankerd. Als gevolg van dit onderscheid werd ook omschreven welke handelingen basisverpleegkundigen mogen stellen.

De eerste basisverpleegkundigen studeren in juli 2026 af. Het onderscheid tussen basisverpleegkundigen en verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg, en de lijst van handelingen die een basisverpleegkundige mag uitvoeren, maakt dat ziekenhuizen zich voor deze nieuwe situatie zullen moeten organiseren.

Mijnheer de minister, zullen de personeelsnormen voor verpleegkundigen in ziekenhuizen worden aangepast als gevolg van het onderscheid tussen basisverpleegkundigen en verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg. Zo ja, wanneer zullen deze beschikbaar zijn?

Kunt u een beeld schetsen van de impact van deze opdeling op de organisatie van de zorg in ziekenhuizen?

Zijn er aanpassingen bij IFIC gepland als gevolg van de opdeling tussen de basisverpleegkundigen en de verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg?

Frank Vandenbroucke:

Artikel 8, ten vijfde van de gecoördineerde ziekenhuiswet definieert een verpleegkundige als "de beoefenaar van de verpleegkunde, bedoeld in artikel 45, § 1, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015". Deze definitie verwijst alleen naar de eerste paragraaf van artikel 45 van de WUG. Dat betekent dat momenteel alleen de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg wordt geviseerd en niet de basisverpleegkundige, die in artikel 45, § 1/2, wordt vernoemd. Dat heeft tot gevolg dat, wanneer in de ziekenhuiswet of in de bijbehorende uitvoeringsbesluiten het woord 'verpleegkundige' wordt gebruikt, alleen de 'verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg' wordt bedoeld.

Het spreekt voor zich dat de definitie in de ziekenhuiswet moet worden verruimd, maar de aanpassing van alle uitvoeringsbesluiten is een complexe aangelegenheid.

Eerst moet worden geanalyseerd of in elke norm zowel de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg als de basisverpleegkundige in aanmerking kan komen om de betrokken functie te vervullen. Daarnaast moet worden nagegaan wie bevoegd is om de aanpassingen door te voeren.

Zoals u weet zijn de gemeenschappen principieel bevoegd voor de erkenningsnormen. De federale overheid is, wat de erkenningsnormen van ziekenhuizen betreft, alleen bevoegd voor de zogenaamde organieke normen. De gemeenschappen zullen dus minstens moeten worden betrokken. Het is ook denkbaar dat bepaalde normen enkel door de gemeenschappen kunnen worden aangepast.

In dit stadium is het nog te vroeg om precies te bepalen welke impact de invoering van het profiel van basisverpleegkundige zal hebben op de organisatie van de zorg in ziekenhuizen.

De nieuwe beoefenaar van de verpleegkunde, van wie de eerste afgestudeerden in juli 2026 worden verwacht, zal autonoom werken in minder complexe situaties. In complexere contexten zal de basisverpleegkundige binnen een gestructureerd zorgteam nauw samenwerken met de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of met de arts, wanneer die de referentiepersoon van het team is. Belangrijk daarbij is dat de complexiteit geen vast gegeven is. Ze hangt af van het moment zelf, van de zorgcontext, van de beschikbare ondersteuning en van het type patiënt. Daarom gebeurt de inschatting van de complexiteit altijd binnen het team.

Zoals bij elk nieuw professioneel profiel is er een aanpassingsperiode nodig zodat iedereen zijn rol binnen een zorgteam kan opnemen. Die overgangsfase zal het mogelijk maken om protocollen en interprofessionele samenwerking te optimaliseren en waar nodig aan te passen.

Om de integratie van de basisverpleegkundigen in de ziekenhuisvoorzieningen te ondersteunen buigt de Federale Raad voor verpleegkunde zich momenteel, op eigen initiatief, over de rol en de plaats van de verschillende verpleegkundige profielen, waaronder de basisverpleegkundige, de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg en de verpleegkundig-specialist, binnen de verpleegafdelingen en de zorgeenheden van de instellingen. Ik verwacht dat advies, dat me zeer nuttig lijkt, tegen februari 2026.

Daarnaast zal ik ook aan de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen vragen om een advies over de actualisering van de personeelsnormen voor ziekenhuizen, en om me dit advies uiterlijk tegen maart 2026 te bezorgen.

Het is belangrijk te benadrukken dat de kwaliteit van de zorg gewaarborgd blijft, aangezien de basisverpleegkundige een beoefenaar van de verpleegkunde blijft, opgeleid is om te voldoen aan de eisen van het werkveld en steeds in teamverband werkt in complexe situaties.

Wat de plaats van de basisverpleegkundige binnen het IFIC-loonmodel betreft, is het aan IFIC om te bepalen tot welke baremische categorie die functie behoort. Binnen het IFIC-systeem wordt het loon niet uitsluitend bepaald door het diploma maar door de functie die effectief wordt uitgevoerd en de bijbehorende verantwoordelijkheden. Wanneer iemand overstapt naar een andere functiecategorie, geldt het barema dat overeenstemt met die functie. Het doel van dat model is verloning transparant en eerlijk te maken, gebaseerd op de werkelijke professionele werklast en verantwoordelijkheden. De functie-analyse van IFIC steunt op een weging volgens zes objectieve criteria: kennis en kunde, leiding geven, communicatie, probleemoplossing, verantwoordelijkheid en omgevingsfactoren. Op basis van die weging wordt de baremische inschaling vastgelegd.

In december 2024 heeft mijn administratie de functie van basisverpleegkundige voorgesteld tijdens een vergadering met IFIC, waarbij ook de functieladder werd toegelicht. IFIC zal op basis daarvan bepalen tot welke baremische categorie die functie zal behoren. Dat proces volgen we nauw op.

Intussen zijn ook gesprekken opgestart met de sociale partners die betrokken zijn bij de sectorale paritaire akkoorden in de gezondheidszorg, met name de werkgeversfederaties en de vakbonden, met als bedoeling een tussentijdse oplossing te vinden in afwachting van de IFIC-inschaling van de basisverpleegkundige. Het is belangrijk dat die tussentijdse oplossing spoedig wordt gevonden.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik heb een verduidelijkende vraag. Op een gegeven moment hebt u gezegd dat u voor de invulling van de verschillende rollen een advies vraagt van … en dan ben ik het even kwijt.

Frank Vandenbroucke:

Er komt een advies van de Federale Raad voor verpleegkunde over de rol en de plaats van de verschillende profielen. Daarnaast heb ik zelf een advies gevraagd aan de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen over de actualisering van de personeelsnormen. Dat advies verwacht ik tegen maart. Het zijn twee verschillende adviesraden en twee verschillende onderwerpen, maar ze draaien uiteraard rond dezelfde kwestie.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw technische maar duidelijke antwoorden. Het is natuurlijk wel zo dat juli 2026 heel dichtbij is. Ik kan mij inbeelden dat zo'n IFIC-inschaling dringend nodig is om duidelijkheid te brengen voor de mensen die in die situatie zitten. Ik heb geprobeerd om goed te luisteren en neem aan dat ziekenhuizen, in functie van de weging die zij maken, onafhankelijk een inschaling kunnen doen. Ik volg het verder op.

De controle van de langdurig zieken
De resultaten v.d. controles op langdurig zieken die tot aan hun pensioen arbeidsongeschikt blijven
De recente steekproef van het RIZIV bij langdurig zieken
De langdurig zieken
De steekproef bij langdurig zieken
De steekproef bij langdurig zieken
De steekproef van het RIZIV bij langdurig zieken
De gevolgen en beleidsaanpassingen na de RIZIV-steekproef bij langdurig zieken
De besparingen op de kap van de langdurig zieken
De erkenningen van invaliditeit tot aan het pensioen en eerdere beleidsinitiatieven
De erkenning van de langdurige arbeidsongeschiktheid en de werking van de GRI
De toenemende uitval door burn-out bij 30-minners
Het terug-naar-werkbeleid en de terug-naar-werkcoördinatoren
De vakbonden als erkend dienstverlener in het kader van het Terug-naar-werkfonds
De langdurig zieken en de preventie bij en verantwoordelijkheid van de werkgevers
De tekortkomingen in het re-integratiebeleid voor langdurig zieken
De Terug-naar-werkbarometer
De langdurig zieken
De langdurig zieken
De langdurig zieken
Een centrale plaats voor preventie in het arbeidsongeschiktheidsbeleid
Het beleid inzake de re-integratie van langdurig arbeidsongeschikten
De exponentiële toename van het langdurig ziekteverzuim bij deeltijdwerkers
Het 'totaalplan' voor de problematiek rond langdurig zieken
De begeleiding naar werk van niet-toeleidbare werkzoekenden
Het 'totaalplan' voor langdurig zieken
De verdeling van de langdurig zieken over de verschillende sectoren
Het re-integratietraject na een burn-out en de follow-up na de terugkeer op de werkvloer
De plannen voor besparingen bij de langdurig zieken
Langdurig ziekteverzuim, re-integratiebeleid en beleidsaanpassingen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hervorming van het beleid rond langdurig zieken, met focus op fraude, controle, re-integratie en solidariteit. Kritiekpunten zijn het gebrek aan opvolging (25% van gecontroleerde dossiers bleek onterecht in invaliditeit), te lage inzet op preventie (werkgevers, artsen en mutualiteiten ontlopen verantwoordelijkheid) en oneerlijke benadering (stigmatisering van zieken vs. werkgeversverantwoordelijkheid). Minister Vandenbroucke kondigt strengere controles (218.000 herbeoordelingen), een bonus-malussysteem voor werkgevers en betere samenwerking tussen artsen aan, maar oppositie en meerderheid blijven verdeeld over de balans tussen sancties en ondersteuning.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, chers collègues, nous allons débuter notre réunion par un long débat d'actualité, puisqu'il comporte 29 questions orales. Ceux qui n'ont pas déposé de questions peuvent évidemment se joindre au débat, soit au moment des questions soit au moment des répliques. Certains d'entre vous ont déposé plusieurs questions dans ce cadre. Dès lors, leur temps de parole s'en trouve prolongé. C'est pourquoi je vous demanderais de regrouper vos questions. Cela nous fera ainsi gagner un peu de temps. Je vous indiquerai combien de temps vous est accordé, compte tenu des multiples questions que vous avez déposées. Sommes-nous d'accord sur le mode de fonctionnement? (Assentiment)

Irina De Knop (Open Vld): Mijnheer de voorzitter, ik ga akkoord met de werkwijze, maar ik heb zeven vragen ingediend. Alleen het voorlezen van die vragen neemt al enige tijd in beslag. Mag ik vragen om daarmee tijdens de vraagstelling rekening te houden?

Voorzitter:

Nous avons fait le calcul pour vous. C'est douze minutes.

Irina De Knop (Open Vld): Je ne vais pas exercer mon droit sur douze minutes; je veux juste avoir les moyens de donner une introduction, puis de poser mes questions.

Voorzitter:

Vous avez parfois redéposé la même question.

Irina De Knop (Open Vld): Het is belangrijk dat we op alle vragen die we hebben voorbereid een antwoord krijgen. Als ik mijn vragen niet stel, zal ik er zeker geen antwoord op krijgen.

Voorzitter:

Je suis obligé de procéder comme cela parce que d'autres que vous ont déposé d'autres questions. Vous ferez ce que vous voulez avec votre temps. C'est votre liberté.

Axel Ronse (N-VA): Ik hoor dat over 'voorlezen' wordt gesproken. Mag ik een suggestie doen? Het zou heel fijn zijn dat niemand hier vragen voorleest, maar dat we een spontaan, authentiek en boeiend parlementair debat houden. Zo niet wordt deze vergadering zeer slaapverwekkend.

Voorzitter:

Monsieur Ronse, j'adore aussi les débats plus spontanés, mais en l'occurrence, certains parlementaires sont spontanés et d'autres le sont moins. C'est aussi leur liberté.

Je vous propose donc de lancer l'échange avec M. Van Lysebettens pour deux minutes.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de voorzitter, ik zal direct tegemoetkomen aan de heer Ronse.

Mijn vraag was natuurlijk al veel eerder ingediend en ondertussen hebben een aantal zaken zich voorgedaan, zoals vrijdag de documentaire op RTL. Daaruit bleek dat een aantal voorbeelden ontspoord zijn en dat is natuurlijk onaanvaardbaar voor het draagvlak van onze sociale zekerheid. Het is ook pijnlijk voor veel mensen die wel willen werken, en die zijn er wel degelijk, dat bleek zelfs in de documentaire. Ze ondervinden echter allerlei hindernissen. De regering wil de uitkering van mensen afnemen, maar eigenlijk moeten mensen vooral de mogelijkheid hebben om aan het werk te gaan.

Uw eigen steekproef, mijnheer de minister, die u hier correct toelichtte, wordt ondertussen al veelvuldig misbruikt om hypothetische opbrengsten te berekenen. Een eenzijdige focus op straffen en afpakken werkt contraproductief. Dat blijkt niet alleen uit het onderzoek van professor Godderis, maar dat hebt u zelf ook bevestigd in uw Oxfordtoespraak van vrijdag.

Onze gemeenschappelijke doelstelling moet zijn om langdurig zieken weer gezond te maken. Hoe wilt u artsen ondersteunen om dat te doen, gezien hun huidige werkdruk? Kan arbeidsongeschiktheid niet beter extern en onafhankelijk worden vastgesteld? Voorziet u specifieke activeringsmaatregelen voor langdurig zieken, bijvoorbeeld via aangepaste werktrajecten? Zal de regering ook voor die trajecten bijkomende maatregelen uitwerken, bijvoorbeeld in het kader van de pensioenhervorming?

U verklaarde dat langdurig zieken slachtoffers zijn van een systeem dat hen jarenlang weinig heeft opgevolgd of geholpen. In de commissie voor Gezondheid hebt u eerder ook aangegeven een beleid te hebben gevoerd waarbij specifieke groepen actief arbeidsonbekwaam werden verklaard tot aan hun pensioen. Dat betekent dat velen zelf niet verantwoordelijk zijn voor de situatie waarin ze zich bevinden. Bent u dan bereid om die groepen uit te sluiten van bijvoorbeeld de bonus-malusregeling voor pensioenrechten? Erkent u dat zij niet mogen worden gestraft voor fouten van de overheid?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, de voorbije weken zijn verschillende rapporten en onderzoeken verschenen die samen één duidelijke boodschap brengen, namelijk dat het beleid rond langdurig zieken niet werkt zoals het hoort.

Uit het recente interne verslag van het RIZIV blijkt dat van de 920 onderzochte dossiers van mensen die tot aan hun pensioen arbeidsongeschikt waren verklaard, ruim een kwart na hercontrole de uitkering verloor, terwijl slechts 16,7 % effectief terecht volledig arbeidsongeschikt bleek tot de pensioenleeftijd. Dat is onthutsend, want het betekent dat er jarenlang nauwelijks of geen hercontroles werden uitgevoerd, hoewel de wet duidelijk bepaalt dat invaliditeit steeds herzienbaar is.

U kondigde intussen aan dat u 100.000 langdurig zieken opnieuw laat controleren. Op zich is dat belangrijk maar tegelijk rijzen er vragen over de manier waarop u dat zult doen. Hoe verklaart u dat die groep jarenlang nauwelijks of niet werd opgevolgd? Kunt u garanderen dat er voldoende adviserend artsen en capaciteit beschikbaar zijn om de hercontroles grondig en menselijk te laten verlopen? Hebt u daar vooral voldoende budget voor?

Ook leerden wij uit dezelfde steekproef dat in 27 % van de onderzochte dossiers mensen ten onrechte een langdurige ziekte-uitkering ontvingen, dat in 55 % van de dossiers de uitkering werd verminderd en dat slechts 16 % volledig gerechtvaardigd bleek.

U hebt daarbij zelf aangegeven dat de opvolging en controle bij bepaalde ziekenfondsen, vooral bij de onafhankelijke ziekenfondsen zoals Helan, te lang zijn uitgehold en dat dat ook financiële gevolgen zal hebben voor de mutualiteiten. Het is uiteraard goed dat er eindelijk inzicht komt in die tekortkomingen maar tegelijk rijzen er ook vragen over de beleidsconsequenties en over de waarborgen voor een correcte behandeling van patiënten.

Hoe zullen ziekenfondsen die in gebreke bleven effectief verantwoordelijk worden gesteld? Vanaf wanneer zal het nieuwe vergoedingssysteem, dat rekening houdt met de kwaliteit van hun opvolging, in werking treden? Hoe garandeert u dat de controles rechtvaardig verlopen en niet leiden tot willekeur of druk op mensen die wel degelijk en terecht langdurig ziek zijn?

Professor Stijn Baert stelde bovendien voor om te onderzoeken of een onafhankelijke laag van controlerende artsen los van de mutualiteiten de kwaliteit en objectiviteit van de beslissingen kan verbeteren. Bent u bereid om dat te bekijken?

Tot slot, hoe evalueert u na vier jaar hervormingen het huidige activeringsbeleid? Wij hebben nu de verplichte opvolgingscontacten en een nauwere samenwerking tussen behandelende, adviserend en bedrijfsartsen. Welke concrete resultaten heeft dat tot nu toe opgeleverd?

Mijnheer de minister, ten slotte wil ik nog wijzen op de resultaten van een nieuw onderzoek van hr-dienstverlener Acerta. Dat onderzoek toont aan dat het re-integratiebeleid in veel bedrijven nog steeds hapert. Een op vier ondernemingen heeft helemaal geen re-integratieplan. Bijna de helft neemt pas na maanden contact op met de zieke werknemer. Meer dan een op drie werkgevers vindt de federale regelgeving te complex.

Ook langdurig zieke werknemers getuigen dat de afstand tussen werknemer, werkgever en mutualiteit veel te groot blijft. Sommigen worden te laat of helemaal niet gecontacteerd. Anderen krijgen te weinig begeleiding om op een aangepaste manier terug te keren. Er zijn zelfs gevallen van mensen die tegen hun wil richting medisch pensioen worden gestuurd, hoewel gedeeltelijke tewerkstelling perfect mogelijk zou zijn.

Mijnheer de minister, ik heb hierover nog drie concrete vragen.

Wordt er nagedacht over het vereenvoudigen van het administratief en juridisch luik van de re-integratieprocedure, gezien de signalen van zowel werkgevers als arbeidsgeneesheren dat de regels te ingewikkeld blijven?

Ziet u mogelijkheden om de rol van de adviserend arts en de arbeidsgeneesheer beter op elkaar af te stemmen, zodat langdurig zieken sneller en persoonlijker worden begeleid?

Hoe voorkomt u dat werknemers zonder degelijk overleg richting medisch pensioen worden gestuurd, ondanks een reële restcapaciteit om aangepast werk te verrichten?

Mijnheer de minister, het doel van dit alles moet immers zijn dat mensen die kunnen werken beter begeleid worden en dat mensen die echt ziek zijn beter beschermd worden. Vandaag faalt het systeem op beide fronten. Ik hoop dat u erkent dat er eindelijk werk moet worden gemaakt van een menselijke, rechtvaardige en uitvoerbare aanpak voor onze langdurig zieken.

Irina De Knop:

De voorbije jaren is het aantal langdurig zieken in ons land onafgebroken blijven stijgen, mijnheer de minister, tot meer dan een half miljoen personen. Onder uw beleid is dat aandeel gestegen met 55 %.

Binnen die groep bevinden zich naar verluidt ongeveer 260.000 mensen die erkend zijn in invaliditeit tot aan de pensioenleeftijd. Uit een recente steekproef van het RIZIV bij 768 langdurig zieken die tot aan hun pensioen als invalide werden erkend bleek dat bij meer dan een kwart van de herbeoordeelde dossiers de invaliditeitsuitkering volledig werd stopgezet. Nog eens meer dan de helft bleek wel terecht arbeidsongeschikt, maar werd onterecht voor de rest van hun leven als invalide erkend. Amper 16 % van de onderzochte gevallen had daadwerkelijk recht op die erkenning tot aan de pensioenleeftijd.

Die steekproef legt een aantal zorgwekkende tendensen bloot, waarover we al een aantal keren hebben kunnen spreken, ook in de plenaire vergadering. Een derde van de langdurig zieken wordt arbeidsongeschikt verklaard om psychische redenen en bij mensen jonger dan 40 met mentale problemen verliest bijna een kwart de invaliditeitsuitkering na controle. Dat zijn zeer verontrustende cijfers, zeker wanneer blijkt dat dossiers jarenlang niet opnieuw worden geopend, zelfs als er geen sprake was van een onomkeerbare aandoening.

Tegelijkertijd bestaat al geruime tijd een beleid rond gerichte herevaluaties van arbeidsongeschiktheid, onder meer via de praktijk van herevaluatie in de zevende maand, die werd opgestart onder uw voorgangster. In de voorbije legislatuur hebt u zelf sterk ingezet op de terug-naar-werkcoördinatoren bij de ziekenfondsen, via het terug-naar-werkfonds en via de terug-naar-werkbarometer als beleidsinstrument.

Ik was dan ook verbaasd toen u aangaf dat dat beleid voor u eigenlijk niet zo belangrijk was, dat het een toegeving was aan de liberalen. Ik heb dat nagelezen en u hebt daar toch herhaaldelijk mee uitgepakt als uw eigen beleid. Ik ga er dan ook van uit dat u dat beleid verdedigt.

Mijnheer de minister, ondertussen zijn er meer dan 580.000 langdurig zieken. Op die manier blijft ons land geconfronteerd met een structureel probleem dat steeds zwaarder weegt op de sociale zekerheid.

Uw collega's van de arizonacoalitie zijn het blijkbaar met mij eens, want niet toevallig is de aanpak van langdurig zieken een van de elementen in het klavertjevier dat de premier op tafel legt. Zelf geeft u aan dat u op die manier ongeveer 1,8 miljard euro zou kunnen besparen. In andere artikels van andere partijen horen we bedragen tot 2,5 miljard euro. Het is daarom goed dat we hierover vandaag een debat voeren, zodat we kunnen begrijpen hoe men aan die cijfers komt.

Nog belangrijker, een cijfertje in een begroting neerpennen is heel makkelijk, maar daar een beleid tegenover stellen dat er echt voor zorgt dat dit wordt gerealiseerd is nog wat anders en daarvoor bent u natuurlijk de bevoegde minister. U zei dat alle betrokken actoren moeten worden geresponsabiliseerd, van werkgevers tot artsen en ziekenfondsen - al horen we dat een beetje minder - en het RIZIV. Zij moeten allen samen mee in bad.

De politieke conclusie van het verhaal lijkt me te zijn dat u vijf jaar bevoegd bent voor deze problematiek, dat u steeds weer nieuwe golven van maatregelen aankondigt die u echt als gamechangers ziet, maar dat het jammer genoeg golven zijn waarvan we de effecten nog niet kunnen zien in de zee van langdurig zieken. Het is moeilijk te begrijpen hoe men dit probleem structureel kan aanpakken door bijkomende initiatieven op te stapelen, terwijl eerdere maatregelen onvoldoende blijken te werken. We hebben dus meer dan ooit nood aan een echt plan.

Ik heb best wel wat vragen, dus ik zal selectief zijn. Wat betreft de RIZIV-steekproef en het statuut van invaliditeit tot aan het pensioen, hoe beoordeelt u het feit dat bij meer dan een kwart van de herbeoordeelde dossiers in de recente RIZIV-studie de invaliditeit volledig werd stopgezet? Acht u dit cijfer representatief voor de volledige groep personen die erkend zijn in invaliditeit tot aan de pensioenleeftijd? Hoe werd die steekproef precies uitgevoerd? Klopt het dat deze vooral betrekking had op leden van onafhankelijke ziekenfondsen? Zo ja, waarom? Kunt u ons de resultaten geven van deze steekproef per verzekeringsinstelling? Welke verklaring ziet u voor eventuele verschillen tussen ziekenfondsen? Werden er daarbij abnormale resultaten vastgesteld bij bepaalde ziekenfondsen of afdelingen?

Hoe verklaart u dat zoveel mensen jarenlang als invalide tot aan de pensioenleeftijd geregistreerd blijven, zonder opvolging, terwijl hun pathologie daar volgens het RIZIV niet voor in aanmerking kwam en er geen sprake was van een onomkeerbare aandoening? Klopt het dat vandaag ongeveer 260.000 mensen dit statuut hebben op een totaal van circa 500.000 invaliden? Hoe evolueerde dit cijfer sinds uw aantreden als minister?

Mijn tweede vraag gaat over eerdere beleidsinitiatieven en de opvolging van arbeidsongeschiktheid. Welke resultaten leverden die gerichte herevaluaties in de zevende maand op? Wat waren de globale resultaten van deze gerichte herevaluaties? Hoe verhouden de resultaten van deze eerdere herevaluatie-initiatieven zich tot de recente steekproef van het RIZIV bij personen erkend tot aan het pensioen?

Dan kom ik aan de vragen over de omvang van de groep arbeidsongeschikten en over de werking van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit. Hoeveel personen zijn er in het laatste volledige jaar bijgekomen in deze groep? Kunt u dit opsplitsen naar primaire arbeidsongeschiktheid, invaliditeit en waar mogelijk naar type pathologie?

Bij hoeveel mensen werd in het laatste jaar de arbeidsongeschiktheid herzien, zowel in primaire arbeidsongeschiktheid als in invaliditeit?

Hoeveel personen kregen in 2024 een door de adviserend arts voorgesteld traject voor re-integratie? Ik wil de nadruk leggen op die vraag, want die lijkt mij essentieel, aangezien het de opdracht is van de ziekenfondsen om mensen te re-integreren.

Kunt u ook zeggen hoeveel personen met een erkende arbeidsongeschiktheid of invaliditeit effectief nog een medische behandeling krijgen door een behandelend arts? Beschikt u over cijfers of schattingen van het aandeel invaliden dat nog regelmatig in behandeling is, per typologie?

Wat is de verdeling van arbeidsongeschikten en invaliden per ziekenfonds? Wij ontvangen graag de recentste cijfers.

Acht u bijkomende hervormingen nodig in de samenstelling van de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit en haar hoge commissie, zodat erkenningen en herevaluaties kritischer, uniformer en onafhankelijker getoetst kunnen worden?

Dan kom ik aan de aangekondigde 100.000 bijkomende controles en de inzet van adviserend artsen.

U hebt aangekondigd dat 100.000 langdurig zieken bijkomend zullen worden gecontroleerd. Hoeveel extra artsen zijn er volgens u nodig om die 100.000 bijkomende controles effectief, kwaliteitsvol en binnen een redelijke termijn te kunnen uitvoeren?

Welke resultaten kunnen de terug-naar-werkcoördinatoren, die sinds 2021 actief zijn binnen de ziekenfondsen tot heden voorleggen op het vlak van de begeleiding van langdurig zieken naar werk? Kortom en concreet, hoeveel langdurig zieken hebben zij daadwerkelijk begeleid en hoeveel van hen zijn inmiddels gedeeltelijk of volledig opnieuw aan het werk na de tussenkomst van een terug-naar-werkcoördinator?

Ik heb daarover nog veel meer vragen geformuleerd maar ik zal mij omwille van de tijd proberen te beperken tot de belangrijkste. De terug-naar-werkbarometer werd aangekondigd als een belangrijk beleidsinstrument om de evolutie van de arbeidsongeschiktheid en de re-integratie op te volgen. Wanneer zal de terug-naar-werkbarometer officieel worden gepubliceerd of geactualiseerd? Zal dat instrument publiek toegankelijk zijn, bijvoorbeeld via het RIZIV-portaal?

U hebt het totaalplan voor langdurig zieken herhaaldelijk aangekondigd. Kunt u ons meenemen in uw totaalplan en toelichten wat daarin de hoofddoelstellingen en -indicatoren zijn? Wanneer verwacht u dat het nieuwe totaalplan in werking treedt? Welke stappen zult u ondernemen voor de uitvoering?

In het kader van dat totaalplan voorziet u ook in datamining van ziekteattesten. Hoe kunt u garanderen dat die datamining niet uitmondt in een algemeen klimaat van wantrouwen tegenover artsen en in naming-and-shaming maar dat zij wel gericht en proportioneel wordt ingezet om misbruik te bestrijden?

Ik heb nog een vraag over de garanties voor patiëntgerichte en vrijwillige trajecten richting werk. Hoe zult u in het geheel van de maatregelen, met name steekproeven, bijkomende controles, het terug-naar-werkbeleid en het totaalplan, garanderen dat trajecten richting werk daadwerkelijk plaatsvinden met oog voor gezondheid, re-integratiemogelijkheden en vrijwilligheid en niet uitsluitend vanuit budgettaire motieven?

Heel belangrijk is ook de volgende vraag. Welke rol ziet u voor de behandelende arts, de adviserend arts, de terug-naar-werkcoördinator en de betrokken arbeidsbemiddelingsdiensten om ervoor te zorgen dat elk re-integratietraject medisch verantwoord, haalbaar en gedragen is voor de patiënt en dat de nadruk zal liggen op een duurzame werkhervatting?

Mijnheer de voorzitter, ik heb de spreektijd gerespecteerd.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, gisteren was het Wapenstilstand, een feestdag. Ook ik had dus een vrije avond. Ik heb met een paar vrienden afgesproken op café. Ik ben naar Café Den Olifant geweest in Lierde. We hebben het daar gehad over voetbal, want de winst van Anderlecht tegen Brugge is groot nieuws tegenwoordig. We hebben ook de cyclocross besproken. Maar nadien werd het pas echt interessant, want toen hadden we het over politiek. Als ze daar mijn hoofd zien, beginnen ze altijd over politiek te zeuren.

Mijn vrienden vonden het vreemd dat de partijen van Arizona ruzie aan het maken zijn. Een paar maanden geleden hadden jullie nog mooi een regeerakkoord afgesloten en was alles peis en vree, maar vandaag geraken jullie er niet meer uit. De begroting geraakt alvast niet goedgekeurd. Er is geen akkoord meer binnen de regering.

Ik voel dat de mensen dat eigenlijk niet graag hebben. Ze hebben niet graag dat er ruzie gemaakt wordt. Ze snappen dat niet. Ze houden niet van de chaos die jullie zelf creëren. Niets is nog zeker.

Eén ding was mijn kameraden wel opgevallen, namelijk dat alle partijen het er alvast over eens zijn dat er bespaard zal worden op de ernstig zieken. Mijn kameraden vroegen zich af van waar of van wie dat idee komt. In wiens partijprogramma stond het dat er 2,5 miljard euro bespaard moet worden op de ziek gewerkten?

Ik moest dan vertellen dat dat een idee was van de heer Vandenbroucke, en dat de partij Vooruit een besparingsplan op tafel gelegd heeft om de ernstig zieken meer te controleren. De dokters worden meer gecontroleerd en verplicht om kortere ziekteperiodes voor te schrijven. Kortom, Vooruit viseert de zieken en de artsen, en krijgt daarvoor applaus en aanmoediging van de N-VA. Of, om het met de woorden van Axel Ronse te zeggen: go, go, go, mijnheer Vandenbroucke.

In Café Den Olifant wilden ze me niet geloven. Ik heb het privilege om u vandaag die vraag te stellen. Mij geloven ze niet. Aangezien ik van de PVDA ben, veronderstelt men dat ik Vooruit wil beschadigen. Ik vraag het vandaag dus expliciet aan u, mijnheer de minister. Is dat een voorstel van u? Is het een voorstel van Vooruit 2,5 miljard euro te besparen op de ziek gewerkten?

Nog over die 2,5 miljard euro, tijdens de herfstvakantie werd er nog gesproken over een besparing van 1,8 miljard. Intussen is er bijna 700 miljoen euro bij gekomen. Kunt u dat uitleggen? Vanwaar komt die 700 miljoen? Welke calculaties zitten daarachter?

In uw plannen worden de werkgevers geresponsabiliseerd. U krijgt veel kritiek van de PVDA, maar de responsabilisering van de werkgevers vinden wij wel degelijk een goede zaak.

Daar staat wel meteen bij dat de solidariteitsbijdrage, die 140 miljoen euro moet opleveren in 2026, via een verlaging van de werkgeversbijdragen zal terugvloeien naar de bedrijven, althans naar de bedrijven die hun best doen. Wat u dus van de ernstig zieken wilt afnemen, zijn ze kwijt, en wat u van de werkgevers wilt afnemen, die ziek gewerkten creëren, geeft u via een belastingvermindering terug aan de werkgevers, weliswaar aan de werkgevers die hun best doen.

Mijnheer de minister, wat betekent 'hun best doen' precies? Op basis van welke criteria zullen werkgevers die belastingvermindering krijgen? Zal dat louter op basis van cijfers gebeuren? Krijgen bedrijven met het minst aantal langdurig zieken dan een belastingvermindering? Zal dat niet leiden tot meer medische ontslagen? Op die manier kan een werkgever de cijfers natuurlijk verlagen.

Werkgevers worden geresponsabiliseerd en er wordt bespaard op de sociale zekerheid bij langdurig zieken, maar het geld vloeit uiteindelijk terug naar de werkgevers. Is dat geen broekzak-vestzakoperatie?

Tot slot, hoe komt u aan de optelsom van 2,5 miljard euro, en waar zal dat geld gevonden worden? De laatste tijd duikt bovendien nog veel meer ander fakenieuws op, met gemanipuleerde cijfers en data. Zo hebben sommige ministers beweerd dat 57 % van de geschorste werkzoekenden geen Belgen zouden zijn. Bepaalde ministers, economen en Kamerleden blijven herhalen dat er in ons land evenveel ernstig zieken zouden zijn als in Duitsland. Dat klopt niet. Duitsland telt meer dan twee miljoen ernstig zieken, wat meermaals is gefactcheckt in de media. Stop dus alstublieft met dat soort uitspraken. Mevrouw Bertrand sprak in onze commissie zelfs over de grootste fraude ooit. Dat ging niet over Didier Reynders, maar over mensen die ziek zijn geworden door hun werk. Ik vind dat echt bijzonder laag-bij-de-gronds en oneerlijk. Stel u voor dat u thuis zit om te herstellen van een rugoperatie en dat iemand als mevrouw Bertrand, geboren in een gouden wieg en lid van een van de rijkste families van België, u beschuldigt van fraude.

(…) : (…)

Robin Tonniau:

Ze is inderdaad niet aanwezig, wat ik jammer vind, want ik had haar daarop graag horen reageren.

Sta me toe dat ik nog even op de RIZIV-steekproef inga.

Ik ben niet lang naar school geweest, maar ik weet wel wat een steekproef is. Dat is een selectie uit een grotere populatie die wordt gebruikt om onderzoek te voeren. Het doel van een steekproef is om op basis van verzamelde gegevens uitspraken te kunnen doen over de gehele populatie. Een goede steekproef moet dus representatief zijn voor de gehele populatie, wat betekent dat de eigenschappen van de steekproef vergelijkbaar zijn met die van de gehele populatie. Welnu, de steekproef van het RIZIV was allesbehalve representatief voor de hele groep van ernstig zieken. Men hanteerde heel specifieke criteria, zoals mensen die tot aan de pensioenleeftijd ziek waren verklaard of jonge mensen met een specifieke problematiek. De steekproef van het RIZIV is dus die naam niet waard. Het is alsof men een politieke peiling zou organiseren bij de abonnees van Kerk & Leven om te weten waarop de volgende verkiezingen zouden uitdraaien. Zo werkt dat niet.

Mijn laatste vraag is dus wat u vindt van de uitspraak dat een vierde van de zieken eigenlijk fake ziek is. Wat vindt u van het misbruik en de manipulatie van de steekproef? Zult u uw regeringspartners oproepen om geen dergelijke valse uitspraken meer te doen?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, "tous fraudeurs, tous suspects"! C'est le climat qui règne aujourd'hui dans notre pays. On reçoit des témoignages comme celui de Louise dont le cancer récidive et qui est en pleine chimiothérapie. Elle a partagé une vidéo sur les réseaux sociaux où elle explique que, le 29 novembre, elle a reçu une lettre lui disant que son incapacité devait être réévaluée alors qu'elle a rendez-vous le 2 décembre. Quelle violence! Quelle violence de recevoir un tel courrier alors que cette femme est en pleine chimiothérapie.

Ce genre de courrier témoigne d'une profonde inhumanité. Une des questions du courrier est: "Quand est-ce que vous pensez reprendre le travail?" Louise, aujourd'hui, se bat contre la maladie, essaye et espère survivre, vivre. Comment se fait-il que ce genre de courrier soit envoyé à tous les malades sans discernement, peu importe que la personne soit à la maison pour telle pathologie ou à cause d'une chimiothérapie.

Les mutuelles et l'INAMI sont au courant des traitements que les gens suivent. Et des Louise, il y en a des milliers dans notre pays: des travailleurs gravement malades du cancer, comme c'est le cas de Louise, mais aussi malades du travail. Je prends l'exemple de René, chauffeur poids lourd depuis de nombreuses années, qui, à 53 ans, a été opéré du dos et se trouve aujourd'hui en incapacité de travail à cause du boulot. Marc a 50 ans. Depuis 20 ans, il travaille au port d'Anvers, dans le froid, tous les jours. Il n'a jamais été malade. Aujourd'hui, ses épaules sont complètement fracassées. Il ne sait plus travailler. Kaput! Il ne sait plus bosser, du moins faire ce travail-là.

Votre réponse? Intimider, sanctionner, surveiller! C'est votre politique! Ce qui est grave, c'est que vous mettez tous les malades dans le même sac, sans distinction aucune.

De plus, de cette façon, le nombre de malades de longue durée continue à grimper parce que vous ne vous attaquez pas aux causes pour lesquelles les gens sont malades.

Je suis médecin. Quand on est médecin, on fait d'abord le diagnostic, puis on met le traitement en marche. Ici, vous faites le contraire. Donc, le nombre de malades de longue durée continue à augmenter. Même les médecins sont tous suspects de fraude aujourd'hui. Je trouve que c'est aussi une insulte grave. C'est comme si les médecins faisaient des certificats à tire-larigot. Je connais très bien le monde médical. Non, la plupart des médecins effectuent leur travail de manière très professionnelle et veulent que les gens puissent reprendre le travail si c'est possible. Mais les problèmes sont bien au niveau du travail.

Regardons les causes de l'incapacité. La première cause est l'âge, bien sûr. La moitié des malades de longue durée, 246 000 personnes, ont plus de 55 ans. Il y a peut-être une raison à cela. Les différents gouvernements ont fait en sorte que les personnes ne puissent plus partir en prépension. Ce gouvernement-ci a même mis purement et simplement fin à cette possibilité. Oui, en relevant l'âge de la pension, vous aurez encore plus de malades de longue durée.

Deux pathologies sur trois sont liées aux conditions de travail et trois personnes sur 10 ont des troubles musculosquelettiques.

Mon camarade Robin a déjà posé beaucoup de questions. Pouvez-nous dire de manière claire, monsieur le ministre, que dans l'étude que tout le monde avance, l'échantillonnage réalisé par l'INAMI n'est pas du tout représentatif de l'ensemble des malades de longue durée? Pouvez-vous confirmer le fact checking qui a été réalisé par Le Soir ?

Comment arrivez-vous à 2,5 milliards d'économies sur les malades de longue durée? Pourquoi, sur ces 2,5 milliards, seulement 280 millions proviennent des entreprises, c'est-à-dire que 10 % de l'effort est fait par les entreprises tandis que vous allez chercher les 90 % restants chez les malades de longue durée?

Axel Ronse:

Collega’s, weet u waar de duurste hondendrol ooit is gelegd? Dat is in Verviers.

"J'ai glissé sur un caca de chien. J'ai cassé mon pied."

Weet u hoelang die dame al voltijds een uitkering van de ziekenkas krijgt, een RIZIV-uitkering? Al sinds 2017, zowat acht jaar. Op de vraag of ze weer kan werken antwoordt ze:

"Oui, donne-moi une petite table et un ordinateur. Et je suis là! Mais non, je ne vais pas le faire. Je suis tranquille depuis huit ans et se lever tôt, non, ce n'est plus pour moi."

Ze zei ook haar portie miserie te hebben gehad, aangezien ze als aanvulling op haar uitkering ook in het zwart had gewerkt als dierenverzorgster, maar dat ze in de zak gezet werd, omdat men haar niet had betaald. Ze vond zichzelf te beklagen.

Voorzitster: Julie Taton.

Présidente: Julie Taton.

Een aantal weken geleden bespraken we in het Parlement nog het naar de media anoniem gelekte bericht over de steekproef bij 1.800 langdurig zieken, waaruit bleek dat meer dan de helft onterecht ziek werd verklaard tot aan het pensioen. Van de langdurig zieken wegens psychische ziekte bleek meer dan een kwart onterecht ziek verklaard. Vorige week vertelde een ex-schoolkameraad me nog dat hij gescheiden is en dat hij naar de dokter was gegaan omdat hij zich daardoor, wat ik begrijp, mentaal niet goed voelde. Hij kreeg meteen een volledig jaar ziekteverlof voorgeschreven. Op basis van één doktersbezoek! Vindt iemand dat normaal? De arbeiders die bandwerk verrichten of de kassiersters die een hele dag in de Aldi of Delhaize werken, kunnen na het zien van zo’n reportage of van die steekproefcijfers niet anders dan denken dat zij gaan werken om een dergelijk rot systeem in stand te houden. Ik vind dat verschrikkelijk en ik hoop dat iedereen dat vindt.

Als we dat nu niet aanpakken, evolueren we naar een samenleving zoals die in Amerika, waarin onderwijs peperduur is, een dokter onbetaalbaar wordt en een enkelbreuk effectief in armoede kan resulteren. Ik pas voor zo’n systeem.

Ik wil een systeem zoals het hier ooit bedacht is, waarin iemand die miserie heeft effectief geholpen wordt en eventueel meer geld kan krijgen dan wat tegenwoordig toegekend, op voorwaarde dat al het profitariaat eruit kan. Wie weigert om de getoonde beelden in die reportage profitariaat te noemen, zou echt in de spiegel moeten kijken.

In de vorige legislatuur is afgesproken om langdurig zieken weer naar werk te begeleiden. Als iemand wordt ontslagen wegens medische overmacht, betaalt men een boete van 1.800 euro. Sinds de invoering van die maatregel, anderhalf jaar geleden, is al 13 miljoen euro verzameld. Men kan op die 13 miljoen euro terugvallen als men ziek is. Men kan vouchers krijgen om weer aan het werk geholpen te worden. Weet u hoeveel mensen zo’n voucher hebben aangevraagd? 250. Wat een fiasco!

Nog het ergste van alles is het volgende. Wij beperken de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. De interimvoorzitster, mevrouw Taton, heeft hier vorige week in de plenaire vergadering nog aangekaart dat een medisch centrum in Charleroi brieven stuurt naar mensen van wie de werkloosheidsuitkering binnenkort eindigt. Ik weet vooreerst al niet vanwaar zij die gegevens hebben. Zonder kennis van de medische voorgeschiedenis worden mensen uitgenodigd om langs te komen zodra hun uitkering stopt. Wie zijn die mensen? Wat bezielt hen om zoiets te doen? Willen zij ons hele sociale systeem kapotmaken?

Ik ben ook naar Café Den Olifant geweest. Ik heb daar pinten gedronken met mensen die allemaal hun nikkel afdraaien en zich afvragen wat dat is met die Partij van de Arbeid en met die vakbond. De mensen werken hard, maar stellen vast dat er wordt geprofiteerd, aangezien veel mensen al lang uitkeringen ontvangen, hoewel ze die eigenlijk niet nodig hebben. Zij vragen zich af waarom de PVDA minister Vandenbroucke bekritiseert. Hij is op dit moment immers de meest sociale minister. Hij durft tenminste zijn nek uit te steken voor wie het echt moeilijk heeft, zodat die mensen nog een uitkering kunnen krijgen en niet alles wordt afgebouwd. Ik zeg dus inderdaad: go, go, go, minister Vandenbroucke.

Wat mij betreft moet heel dat systeem van binnenuit en tot in de kleinste details worden herzien. Is er sprake van fraude bij de ziekenfondsen? Waarom worden sommige mensen zo lang onterecht arbeidsongeschikt verklaard? Hoe is het mogelijk dat iemand zoals die fantastische dame uit de RTL-reportage acht jaar lang een uitkering krijgt wegens een gebroken voet en intussen in het zwart werkt? Hoe kan dat? Hoe komt het dat zo weinig mensen gebruikmaken van de terug-naar-werkvouchers, terwijl er 13 miljoen euro in dat fonds zit? Hoe komt het dat een medisch centrum brieven stuurt aan mensen zonder enige medische voorkennis, met een uitnodiging om te komen, omdat zij dan misschien naar het RIZIV zullen stappen?

Collega’s, ofwel ruimen we dat systeem op en maken we schoon schip, ofwel gaat onze sociale zekerheid kapot. Ik hoop dat we voor de eerste keuze gaan, want ik geloof in onze sociale zekerheid.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, depuis l'entrée en fonction du gouvernement Arizona voici quelques mois, la chasse aux malades a pris une tournure plus qu'inquiétante. Nous voyons des membres de votre gouvernement essayer de boucler un budget, incluant la possibilité de récupérer 5 milliards d'euros sur le dos des malades de longue durée, que l'on accuse d'être de "faux malades". Or il est notoire que l'échantillon sur lequel ils se basent pour dérouler toute cette stratégie repose sur une étude complètement biaisée. Monsieur le ministre, pourriez-vous enfin faire toute la lumière sur celle-ci et confirmer que les chiffres ne correspondent pas à la situation des malades de longue durée en Belgique?

Monsieur Ronse, quand je vous entends, cela me rappelle à quel point il est urgent que les députés retombent dans un régime de travail ordinaire, de sorte que, lorsqu'ils tombent malades, au lieu de conserver leur salaire – comme c'est le cas aujourd'hui –, ils tombent sur la mutuelle. Comme vous le savez peut-être, quand on tombe malade, le premier mois est assuré, avant que les revenus soient si fortement réduits qu'il devient parfois impossible de continuer à rembourser un emprunt ou de payer un loyer.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Chers collègues, les mots que je viens d'entendre sont graves, car ils font reposer sur une petite partie de la population et une infirme portion de personnes qui, en effet, ne respectent pas les règles du jeu, la faillite de l' É tat. Or, dans votre for intérieur, vous savez très bien que ce ne sont pas ces quelques personnes qui plombent le budget de l' É tat. Aujourd'hui, j'aimerais découvrir des émissions télé et un travail journalistique qui mettent en lumière les raisons pour lesquelles certains fraudent le fisc, sont obsédés par l'idée de ne pas participer à l'effort collectif, passent leur temps à construire des montages fiscaux et à pratiquer l'évasion fiscale. C'est ce que je voudrais voir dans une interview et dans une émission télé, monsieur le député.

Mes questions sont identiques à celles des collègues, monsieur le président.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, voici quelques semaines, je vous ai interpellé en séance plénière sur la problématique des maladies de longue durée et des débordements.

Pour ne citer que quelques chiffres qu'on connaît tous, en Belgique, plus d'un demi-million de travailleurs sont en invalidité, c’est-à-dire en arrêt maladie depuis plus d’un an. Ce chiffre a doublé en 20 ans et coûte plus de 9 milliards d'euros par an à l'État. Selon les Mutualités Libres, les personnes les plus touchées sont les jeunes de moins de 40 ans ainsi que le femmes. Les causes principales sont des problèmes psychologiques (stress, burn-out) mais aussi des troubles physiques liés au travail.

Les indépendants sont, eux aussi, de plus en plus touchés. Les Mutualités Libres demandent de renforcer la médecine du travail, d'améliorer le bien-être au travail et de mieux accompagner les maladies psychiques.

Monsieur le ministre, que pensez-vous de l’étude des Mutualités Libres qui montre une hausse des arrêts de travail pour épuisement? Quel est le bilan de votre stratégie actuelle pour améliorer le bien-être au travail? Quel dispositif spécifique comptez-vous mettre en place pour aider les indépendants face à cette la fragilité croissante?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, ma première question concerne le renforcement de la prévention et de la responsabilisation des employeurs dans la lutte contre les maladies de longue durée. Alors que nous comptons aujourd'hui plus de 526 000 personnes en incapacité de travail de longue durée, soit plus d’un actif sur 10, certains voient dans le modèle néerlandais de réintégration des travailleurs malades une piste intéressante pour la Belgique.

Pour avoir entendu les uns et les autres s'exprimer, il faut être très clair! Pour nous, le problème n’est pas qu'on aurait un demi-million de faux malades, profiteurs qui plombent notre système de sécurité sociale ni que les malades ne seraient pas assez responsabilisés. Ils le sont déjà, parfois même de manière très lourde, parfois même en plein traitement, comme cela a encore été rappelé par certaines de mes collègues. Dans le même temps, on parle toujours très peu, à notre estime, du rôle des employeurs et de leur responsabilité. Et je ne prends pas l'exemple des Pays-Bas par hasard car la baisse des absences s’y explique surtout parce que les entreprises ont été contraintes de suivre de près leurs travailleurs et leurs travailleuses et surtout d’améliorer leurs conditions de travail. Par ailleurs, le salaire garanti a été porté à deux ans, ce qui représente évidemment un fameux incitant.

En Belgique, par contre, on continue à faire porter la responsabilité exclusivement sur le travailleur ou la travailleuse et on ne se préoccupe finalement du retour au travail que quand le lien est parfois déjà rompu, quand la personne est déjà épuisée, parfois brisée. Or la politique de santé la plus efficace, c’est celle qui empêche la maladie de s’installer. Et on sait que les entreprises ne jouent pas assez le jeu de l’adaptation des postes de travail. Nous avons déjà eu l'occasion d'échanger à ce sujet, monsieur le ministre.

Monsieur le ministre, ne pensez-vous pas qu'il est temps de placer la prévention au cœur de notre politique de santé au travail et de renforcer la responsabilité des employeurs dans l'évaluation et l'amélioration des conditions de travail, qu'il s'agisse de la charge, du stress, du climat ou des risques physiques, et de les responsabiliser davantage en matière de réintégration au travail? En effet, il est constaté que trop peu d'employeurs prennent des mesures volontaristes en cette matière.

Quelles nouvelles mesures concrètes de prévention comptez-vous mettre en place pour améliorer les conditions de travail, réduire les risques psychosociaux et prévenir ainsi les arrêts de longue durée? Le gouvernement envisage-t-il de renforcer les obligations de suivi et de réintégration pour les employeurs, à l'image justement du modèle néerlandais, en mettant en place des incitants forts pour accompagner chaque salarié dans sa reprise, c'est-à-dire adaptation du poste de travail, suivi régulier, contact humain maintenu, salaire garanti sur une longue période, etc.

Ma deuxième question fait suite à une étude publiée par Securex il y a quelques semaines révélant que l'absentéisme de longue durée – de plus d'un an – a augmenté de 4 % au cours du premier semestre 2025, atteignant un nouveau record de 3,51 % soit 105 086 travailleurs absents pendant plus d'un an.

Derrière ces chiffres, et c'est ce qui m'intéresse en particulier dans cette question, se cache surtout une injustice flagrante. Les travailleurs à temps partiel, souvent des femmes, sont deux fois plus touchés par les maladies de longue durée. Leur taux d'absentéisme a plus que doublé en 11 ans pour atteindre 5,41 %, contre 2,99 % pour les travailleurs à temps plein.

Monsieur le ministre, ce ne sont évidemment pas des statistiques abstraites, ce sont des aides ménagères, des infirmières, des caissières, des travailleuses des soins et du nettoyage qui cumulent souvent emplois précaires, bas salaires, charges familiales lourdes et conditions de travail difficiles. Aujourd'hui, leur santé s'effondre. Securex l'affirme d'ailleurs clairement: "Ce n'est pas le travail à temps partiel en soi qui rend malade, mais la somme des contraintes sociales, familiales et économiques qui pèsent sur ces travailleuses". Et pendant que les politiques parlent d'activation, ces femmes, elles, s'épuisent dans des conditions qui ne laissent aucune place à la prévention ni à la récupération.

Monsieur le ministre, quelle analyse faites-vous de cette étude et quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour protéger la santé des travailleurs à temps partiel, particulièrement celle des femmes dans les secteurs les plus précaires? Quand votre gouvernement prendra-t-il enfin au sérieux la question des conditions de travail dans les secteurs essentiels et fera enfin de la santé au travail une véritable priorité de santé publique?

Cela me permet de faire le lien avec ma troisième et dernière question qui concerne la part qu'occupent justement les conditions de travail dans la dégradation de la santé de nombreux travailleurs et de nombreuses travailleuses.

Des données précises à ce sujet nous seraient particulièrement utiles pour identifier des mesures ciblées. Or l'INAMI ne produit pas de statistiques détaillées sur la répartition des malades de longue durée selon les secteurs professionnels voire selon les commissions paritaires. L'INAMI explique cette absence de données par une impossibilité technique de croiser les données issues de l'ONSS avec ses propres données. Pourtant, de telles informations pourraient faciliter le travail des interlocuteurs sociaux relatif à la pénibilité de certaines activités.

Monsieur le ministre, au moment où le gouvernement envisage diverses mesures susceptibles d'affecter le régime des indemnités de maladie, comment peut-on prétendre agir efficacement sans disposer d'un outil qui permet d'évaluer la corrélation entre les conditions de travail et l'incapacité de longue durée? Pourquoi l'INAMI ne produit-il pas à ce jour de statistiques croisées permettant de dégager la distribution des malades de longue durée par secteur ou par commission paritaire? Quelles initiatives concrètes pourriez-vous prendre pour lever les obstacles techniques invoqués par l'INAMI et permettre le partage de données entre l'ONSS et l'INAMI? Envisagez-vous par exemple de confier au Centre de connaissance de l'incapacité de travail de l'INAMI la mission de développer un outil d'analyse de la corrélation entre pénibilité et incapacité de longue durée?

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je ne vais pas revenir sur les chiffres de l'incapacité. Je crois qu'on les a cités des dizaines de fois dans cette commission. Je voudrais rappeler que la première cause de l'incapacité de travail, au-delà de l'âge, est constituée par les troubles musculosquelettiques et les affections du système locomoteur, donc toutes les pathologies liées à la pénibilité et à l'usure physiques. Le gouvernement prépare des mesures pour accélérer le retour au travail et pour responsabiliser tous les acteurs concernés. Je pense que ces ambitions sont nécessaires et les Engagés vous soutiennent pleinement sur cette voie.

Cependant, comme le soulignent beaucoup de services de protection et de prévention au travail, une grande absente demeure: la prévention. La priorité ne devrait-elle pas être d'éviter que tous ces travailleurs ne tombent malades, qu'il s'agisse de charges physiques lourdes, de postures contraignantes mais aussi de burn-out et autres pathologies professionnelles? À cet égard, des pistes existent, comme l'adaptation du régime de travail dans les métiers les plus pénibles, notamment ceux qui exposent à une forte usure physique. Il faut réfléchir aussi à des passerelles préventives avant la maladie pour alléger, parfois temporairement, la charge de travail. Ne peut-on pas réfléchir aux nouvelles technologies, qui peuvent venir aider quelque peu les travailleurs dans des postures physiques difficiles?

Monsieur le ministre, entendez-vous prendre des mesures pour que la prévention occupe vraiment une place centrale dans votre réforme, au-delà du suivi des personnes déjà malades? Le gouvernement est-il prêt à ouvrir le débat sur l’évolution de notre cadre légal afin d’intégrer des pistes innovantes pour essayer d'assouplir certaines contraintes physiques de travail et d'avoir des solutions en ce sens pour les personnes qui souffrent justement de troubles musculosquelettiques, de lombalgie, de cervicalgie, d'ostéophytes, etc. On peut citer énormément de maladies.

Ma deuxième question concerne plutôt la prévention tertiaire, c'est-à-dire tout ce qui concerne le retour au travail. Il faut être conscient qu'aujourd'hui, trois ans après l’entrée en vigueur de l’obligation pour les entreprises d’adopter une politique de réinsertion des malades de longue durée, une enquête récente notamment d'Acerta révèle qu'une entreprise sur quatre n’a toujours pas mis en place de politique de réinsertion, malgré la loi.

Par ailleurs, seulement 12,5 % des entreprises disposent d’une politique structurée, tandis que la majorité n’a qu’une version un peu partielle de ce type de cadre structuré.

Pourtant, les besoins sont immenses: neuf employeurs sur 10 ont déjà eu au moins un collaborateur en incapacité prolongée. Et tous les experts rappellent qu'il faut un travail adapté pour favoriser la guérison et le maintien du lien social.

Souvent, des obstacles sont cités: complexité de la législation, manque de clarté des procédures à l'attention des employeurs pour mener cette politique de réinsertion, manque de moyens pour les petites entreprises, etc. Ces difficultés risquent de freiner la dynamique de réinsertion pourtant souhaitée par notre gouvernement dans son plan d’action fédéral pour la prévention et la réintégration.

Monsieur le ministre, confirmez-vous les chiffres récents et pouvez-vous préciser l’état d’avancement du déploiement de la politique de réintégration des malades de longue durée dans les entreprises? Votre cabinet a-t-il pris des mesures concrètes pour simplifier les procédures et mieux sensibiliser et accompagner les employeurs, notamment les PME où c'est toujours plus compliqué, dans la mise en œuvre de ces politiques? Comment garantir que cette politique reste fidèle à sa vocation première qui est de favoriser la reprise progressive et adaptée des travailleurs, plutôt que de devenir un outil de pression ou d’exclusion? Enfin, comment cette politique s’articule-t-elle avec la réforme plus large de l’incapacité de travail et les objectifs de l’accord de notre gouvernement en matière de participation et de santé au travail?

Ma dernière question concerne l'après retour au travail –dont on ne parle pas très souvent –, c'est-à-dire l'après prévention tertiaire, comme on l'appelle. Une étude récente menée par la KU Leuven et l'assurance AXA révèle que, de manière générale, un travailleur sur quatre qui reprend le travail après un burn-out vivra une rechute. On ne parle pas très souvent des rechutes, alors que le phénomène est important. Cela signifie que le retour au travail ne doit pas être considéré comme une fin en soi, mais comme un processus qui doit se dérouler dans la durée.

Je suis notamment familière avec certaines recherches de l'Université de Gand, en particulier celles du professeur Eva Derous qui travaille sur ce qu'elle appelle un BRM (Burnout Reintegration Monitor). Un rapport de recherche intitulé RE-BOrn et financé par BELSPO allant dans le sens de l'importance de la qualité du retour au travail sera bientôt publié.

Globalement, les dispositifs de réintégration existent, mais leur application demeure souvent trop administrative avec un manque de coordination de tous les acteurs. Les travailleurs eux-mêmes témoignent de retours au travail insuffisamment préparés et peu accompagnés sur le long terme avec la possibilité de rechute.

Monsieur le ministre, comment le gouvernement entend-il renforcer le suivi durable des personnes qui reviennent d'un burn-out pour éviter ces rechutes assez récurrentes? Le futur plan fédéral "Bien-être au travail" prévoit-il des actions spécifiques pour améliorer la collaboration entre les médecins et les acteurs de la prévention et même les acteurs de l'entreprise qui doivent faire le suivi du retour au travail? Quelles initiatives sont envisagées pour soutenir les employeurs et notamment les PME dans l'accompagnement humain et dans la durée de leurs travailleurs fragilisés?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, vanaf januari zullen gedurende 1,5 jaar ongeveer 184.000 mensen hun werkloosheidsuitkering verliezen, omdat ze langer dan twee jaar werkloos zijn. De afgelopen maanden bleek dat een deel van de werklozen die hun uitkering zullen verliezen mensen zijn die niet-toeleidbaar zijn. De VDAB doet tweejaarlijks een screening van de werkzoekenden. Alleen al in Vlaanderen zijn er zo'n 12.000 Vlamingen die niet-toeleidbaar zijn. Daarvan krijgen zo'n 10.000 mensen een werkloosheidsuitkering en zo'n 2.000 mensen een beschermingsuitkering.

Voor de mensen die een beschermingsuitkering ontvangen, is er momenteel nog geen probleem. Voor hen zoekt de federale regering een oplossing. Echter, voor de groep die vanaf 1 januari uit de werkloosheid uitstroomt en die geen bestaansmiddelen meer hebben en die niet-toeleidbaar zijn wegens medische, sociale of psychische problemen, rijzen er wel problemen. Het is belangrijk dat we deze groep niet in de kou laten staan. We moeten ervoor zorgen dat deze mensen worden opgevangen. Een deel zal wellicht voor een ziekte-uitkering in aanmerking komen. Een ander deel zal een erkenning voor een handicap moeten aanvragen. Voor nog anderen is wellicht nog een apart statuut nodig.

U zou samen met minister Clarinval aan een oplossing, een apart statuut, voor die groep werken. De vraag is natuurlijk wanneer die oplossing er dan komt. Het is belangrijk dat we deze mensen niet in de kou laten staan. Dit mag ook geen pingpongspel worden tussen de ministers van de verschillende regeringen.

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar deze groep? Welke oplossing komt er? Komt die er voor 1 januari, want dan zullen de eerste mensen hun werkloosheidsuitkering al verliezen? Voor sommige mensen is er immers geen oplossing. Zij hebben soms zelfs geen recht op een leefloon. Om een leefloon te ontvangen, mag men immers geen partner hebben die voldoende middelen van bestaan heeft.

Deze vragen gingen niet echt over het grote thema van de langdurig zieken, maar mijn volgende vraag gaat daar wel over. U kent ons voorstel met betrekking tot de arbeidsparticipatietoeslag. Hoe staat u daar tegenover? Denkt u dat we dit toch kunnen realiseren?

Er komen nog hoorzittingen met het RIZIV over de enquête over de langdurig zieken. Ik kijk uit naar een debat ten gronde met de experts en de mensen van het RIZIV. Ik wil echter wel al meegeven dat een steekproef ook maar een steekproef is en niet representatief is. We zien ook nog niet alle effecten van de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen om langdurig zieken terug aan het werk te helpen. Dat moeten we ook nog afwachten.

Belangrijk is ook dat er interpretatieverschillen kunnen bestaan tussen bijvoorbeeld een arts van het RIZIV en een arts van het ziekenfonds. Het lijkt mij nuttig, mijnheer de minister, om in de toekomst te onderzoeken hoe artsen van ziekenfondsen evalueren. Het zou waardevol zijn om een steekproef te doen van hoe zij een bepaalde ziekte beoordelen en diezelfde groep mensen ook door RIZIV-artsen te laten checken. Op die manier kunnen we vaststellen waar de verschillen en overeenkomsten liggen en hoe voorkomen kan worden dat dezelfde persoon op verschillende manieren wordt beoordeeld, met verschillende uitkomsten voor hetzelfde type ziekte.

Tot slot wil ik u vragen naar het terug-naar-werkfonds en de bijbehorende vouchers. Personen die arbeidsongeschikt zijn of ontslagen wegens medische overmacht kunnen een voucher van 1.800 euro aanvragen om begeleiding richting werk in te kopen. In het verleden heb ik cijfers opgevraagd, waaruit bleek dat deze vouchers tot op heden maar heel weinig worden benut. Tussen 1 april 2024 en augustus 2025 werden amper 154 vouchers uitgereikt. Er wordt dus te weinig gebruikgemaakt van dit instrument, terwijl het een goed middel is om mensen met een ziekte-uitkering terug naar werk te begeleiden.

De organisaties die begeleiding aanbieden, geven aan dat de voorwaarden misschien te streng zijn en vragen om die te verruimen. Waarom moet men bijvoorbeeld wachten tot iemand een jaar invalide is vooraleer men die voucher kan aanvragen? Mensen die drie tot zes maanden ziek zijn, zijn ook al vrij lang ziek. Als ze zich al willen laten begeleiden richting werk, dan zou het toch ook mogelijk moeten zijn die voucher aan te vragen zonder dat toestemming van de werkgever nodig is. Dat houdt momenteel mensen tegen, omdat zij hun begeleiding niet durven te vragen zolang zij nog verbonden zijn aan de werkgever. Mijnheer de minister, ziet u daar ook mogelijkheden? Ik doe deze suggestie en probeer constructief mee te werken met een aantal voorstellen van CD&V.

Voorzitter:

Merci, madame Lanjri. Vous avez un petit peu dépassé votre temps de parole.

Anja Vanrobaeys:

Collega’s, ik hoor hier 'straffen en afpakken'. De excessen, zoals die te zien waren in de reportage van RTL moeten er zonder meer uit. Mijnheer Tonniau, gisteren vond in Aalst de jaarmarkt plaats en deze kwestie was het eerste waar de mensen mij over aanspraken in het Volkshuis. Mensen die dag in, dag uit keihard werken, kwamen mij zeggen dat die excessen eruit moesten, want daarvoor willen ze geen bijdragen betalen. Dat begrijp ik volledig. Er kwamen echter ook poetshulpen mij vertellen dat hun polsen, schouders en knieën kapot zijn en dat ze werken niet meer aankunnen.

Mijnheer de minister, u hebt de werkgevers al deels geresponsabiliseerd en het is goed dat u nu met een totaalplan komt dat iedereen op zijn verantwoordelijkheid wijst. Men houdt het contact met langdurig zieken, zodat die excessen verdwijnen, maar dat plan wijst ook werkgevers op hun verantwoordelijkheid. Negen op de tien dienstenchequebedrijven leven de welzijnswet niet na en moeten nu al boetes betalen. Het is goed dat daarop verder wordt ingezet, opdat het geld van die boetes kan worden gebruikt voor preventie als daarover akkoorden worden gesloten.

Dat totaalplan is een goede zaak, maar wordt er verder over overlegd, bijvoorbeeld met de regio’s in verband met die vouchers? Wordt ook ingezet op het sectoraal overleg, zodat we meer kunnen inzetten op preventie en ook meer op aangepast werk? Dit lijkt mij immers echt wel de sleutel tot succes. Zo kan men stappen vooruitzetten en langdurig zieken kansen bieden. Anders is het morsen met talent.

Voorzitter:

Madame Taton, pourriez-vous présider la réunion pendant mon intervention? Je vous remercie beaucoup.

Présidente: Julie Taton.

Voorzitster: Julie Taton.

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, il s'agit d'un sujet important. Nous savons combien l'accord de gouvernement est résolument volontariste en ce qui concerne le retour progressif au travail des malades de longue durée. La prévention de l'apparition de maladies et de l'absentéisme, l'accompagnement et la réintégration professionnelle constituent autant de volets qui figurent clairement dans l'accord de gouvernement. Par conséquent, il serait intéressant de vous entendre vous exprimer quant à votre volonté dans ce dossier.

Certains collègues ont fait allusion à un reportage qui fut diffusé sur RTL-TVI la semaine dernière. La fraude sociale existe, bien entendu, et il ne faut pas faire comme si elle était inexistante ni s'excuser d'en parler quand on traite la question des malades de longue durée. Il s'agit donc de la traiter et de voir si vous allez pouvoir renforcer vos services au sein de l'INAMI, avec la collaboration de votre collègue en charge de la fraude sociale. Quarante personnes travaillent au Service du contrôle administratif (SCA). Le Service d'évaluation et de contrôle médicaux (SECM) compte 250 membres pour une masse de malades de longue durée qui s'élève à 526 000 personnes (11,2 % de la population active). En France et en Allemagne, le taux atteint 7 %. Nous sommes donc parmi les premiers dans l'Union européenne en ce domaine. Cela signifie-t-il que le supplément est uniquement constitué de fraudeurs? Non, bien entendu. Sans intention de caricaturer d'un côté comme de l'autre, il s'agit de développer une politique qui est prévue dans l'accord de gouvernement. Parce que vous êtes ministre de la Santé et responsable du département de l'INAMI, mais également vice-premier ministre, je vous demanderai de nous en dire également un mot. Cela me semble bien venu. Nous pouvons parler de la fraude sociale sans, chaque fois, nous excuser de le faire.

C'est une réalité. Nous pouvons en parler sans faire de caricature. Simplement, il s'agit d'un objectif que nous devons atteindre parce qu'il nous est assigné par l'accord de gouvernement.

Je vous remercie, par avance, de nous en dire un mot.

La présidente : Merci beaucoup, monsieur Ducarme.

M. le ministre va à présent nous répondre.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, er waren heel veel interessante vragen. Om tijd te winnen zal ik een document met allerlei statistische gegevens bezorgen aan het secretariaat. U zult daarin heel wat antwoorden vinden met betrekking tot de cijfers waarnaar u hebt gevraagd. Ik zal ook nogmaals het rapport van het RIZIV over de thematische controles bezorgen, waarin u ook heel veel antwoorden vindt op vragen die werden gesteld. Ik doe dat omdat ik mij hier graag wil concentreren op de kern van de zaak, namelijk dat het gaat over solidariteit.

Uitkeringen voor ziekte en invaliditeit zijn gebaseerd op solidariteit met mensen die getroffen zijn door ziekte, die niet meer kunnen werken en die een uitkering – liefst een fatsoenlijke – nodig hebben om van te leven; op solidariteit met mensen voor wie er wel nog mogelijkheden zijn om opnieuw aan het werk gaan, misschien via aangepast werk, maar die daarbij hulp en ondersteuning nodig hebben. Die solidariteit is een heel kostbaar goed. We moeten daar dus heel zorgvuldig mee omspringen. Die zorgvuldigheid is een verantwoordelijkheid van heel veel verschillende mensen, een verantwoordelijkheid die men moet samenvatten als 'samen verantwoordelijk en aldus solidair'.

Ik heb vorige vrijdag inderdaad een lezing gegeven in Oxford, waarin ik dat wat heb uitgewerkt en waarin ik heb gezegd dat solidariteit niet zonder verantwoordelijkheid kan. Het gaat over coresponsabiliteit, in dit geval van de ziekenfondsen, de artsen, de werkgevers, de VDAB, Actiris, de Forem en de mensen zelf.

De documentaire van Christophe Deborsu waarnaar werd verwezen, of ze nu statistisch representatief is of niet is niet van belang, toont helaas wat er gebeurt als die gezamenlijke verantwoordelijkheid er niet is. Als de ziekenfondsen, noch de behandelende artsen, noch de werkgevers, noch de mensen zelf doen wat men zou mogen verwachten, dan krijgt men dat resultaat. Het resultaat is dat mensen worden losgelaten, gemarginaliseerd geraken, armoedig en triestig leven en daar niet meer uit geraken. Dat is een probleem van een systeem dat niet goed werkt en dat grondig moet worden hervormd.

Ik wil dus herhalen wat hier al gezegd is. Heel veel mensen ontvangen een uitkering omdat ze ernstig ziek zijn. Ze kunnen niet terug aan het werk, of toch niet onmiddellijk. Laat ons goed voor die mensen zorgen. Het probleem is dat het systeem mensen jarenlang loslaat zonder enige opvolging. Daardoor ontstaan situaties waarin mensen zich daarin nestelen en er volledig afhankelijk van worden.

Er is ongetwijfeld ook sprake van regelrecht misbruik en fraude. In heel andere domeinen, zoals fiscaliteit, bestaat er ook fraude; zo worden sommige managementvennootschappen oneigenlijk gebruikt en misbruikt.

Ik ben tegen sociale fraude en tegen fiscale fraude. Ik ben voor echte solidariteit en een rechtvaardige fiscaliteit. Dat is de inzet.

Ik wil even terugkomen op de zogenaamde thematische controles van het RIZIV.

De bedoeling ervan was niet een representatieve steekproef te zijn voor de hele groep mensen met een uitkering. Dat wordt ook duidelijk uitgelegd in de nota die u nogmaals ontvangt. Het RIZIV heeft, op mijn vraag, gekeken naar een groep waarvan men op voorhand al kon vermoeden dat het niet normaal is dat die mensen tot aan hun pensioen in invaliditeit zijn. Het gaat om mensen jonger dan 60 jaar die niet aan een ziekte lijden waarvan het normaal is dat ze tot het einde van hun loopbaan niet meer kunnen werken. Men heeft dus andere mensen onderzocht, bij wie het vreemd is dat ze tot hun pensioen als invalide waren erkend. Ook werden mensen onderzocht die jonger zijn, al twee jaar afwezig zijn en nog geen engagementsverklaring hadden ondertekend. Dat is eveneens bijzonder. Die groepen zijn dus onderzocht en er heeft een thematische controle plaatsgevonden, waarbij men vaststelde dat de ene mutualiteit andere resultaten behaalde dan de andere. Het betreft echter geen steekproef die representatief is voor de hele groep, en dat mag ook niet in die zin worden misbruikt. Toch toont het opnieuw aan dat, wanneer er geen opvolging is, er helaas mensen zijn die zich installeren of geïnstalleerd raken in een situatie die niet goed is Opvolging is dus noodzakelijk.

Mevrouw De Knop, ik weet niet waar u dat cijfer van +55 % vandaan haalt. Ik denk niet dat dat klopt, maar dat is niet zo belangrijk. Het is wel van belang dat die groep stijgt, en als we niet ingrijpen, zal die groep sterk blijven toenemen.

Dat is evident want de pensioenleeftijd verhoogt. De pensioenleeftijd stijgt dit jaar met één jaar en zal in 2030 nog eens met één jaar stijgen. Als we niet opletten komen veel mensen in plaats van in vervroegd pensioen of pensioen terecht in langdurige ziekte. Sommigen waren misschien al in langdurige ziekte. Dat heeft te maken met een strenger beleid inzake werkloosheid en uittredingssystemen, zoals werkloosheid met bedrijfstoeslag. Dat verklaart heel veel, maar niet alles. Er spelen ook mentale gezondheidsproblemen en problemen met arbeidsomstandigheden.

Collega’s, er is dus een zeer grondige hervorming nodig, zowel op het vlak van preventie – men heeft gelijk als men dat hier zegt – als re-integratie van mensen die langdurig ziek zijn. We moeten die mensen helpen om opnieuw aan de slag te gaan.

Wanneer ik zeg dat een grondige hervorming nodig is, dan wil ik, in tegenstelling tot wat de heer Van Lysebettens en mevrouw Samyn suggereren, niet pleiten voor een etatisering – vergeef mij de wat zware uitdrukking – of verstaatsing van het systeem. Men zou kunnen zeggen: we halen de adviserend artsen weg bij de mutualiteiten, en we brengen ze onder in een ministerie en dat ministerie zal dan alles controleren. Zulke voorstellen bestaan, maar ik ben daar geen voorstander van. Ik ben geen etatist. Bovendien, als we dat zouden doen zijn we vier jaar bezig met hervormen zonder iets te bereiken. Een onafhankelijke laag, zoals mevrouw Samyn het noemt, een nieuwe instelling creëren – neen, neen, neen... Laat ons proberen met de instellingen die er al zijn te werken en die instellingen hun verantwoordelijkheid te laten opnemen en aan te scherpen. Dat is de inzet.

Inderdaad, zoals mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Samyn en anderen aangaven, laat ons overleg organiseren en iedereen verantwoordelijk stellen, ook de deelstaten, de VDAB in Vlaanderen, de werkgevers. Daarnaast moeten we duidelijkheid scheppen over wat we verwachten van de behandelende arts van iemand die langdurig ziek is. Ook die arts moet nadenken over wat de mogelijkheden zijn om terug aan het werk te gaan.

Ik ben daarom van plan een rondetafel te organiseren met alle betrokken partijen: bedrijfsartsen, adviserend artsen van de ziekenfondsen, behandelende artsen, werkgevers, mutualiteiten, vakbonden, de ministers van de deelstaten, de VDAB, Actiris en de Forem. Iedereen moet zijn deel van de verantwoordelijkheid nemen en we moeten de neuzen in dezelfde richting krijgen. Dat is essentieel.

Men heeft mij gevraagd wat de resultaten tot nu toe zijn. Ik verwijs naar de cijfers die ik zal ronddelen. Ik denk dat we al enkele gunstige effecten zien van de eerste en tweede golf die ik gelanceerd heb.

Ik wil toch iets herhalen. Mevrouw De Knop of de heer Van Lysebettens heeft gezegd dat ik een beleid zou hebben gecreëerd waarbij mensen tot aan hun pensioen in invaliditeit worden geplaatst. Dat is een misverstand, mijnheer Van Lysebettens. Ik was stomverbaasd toen ik vaststelde dat dat op die schaal gebeurde.

Het fenomeen waarbij mensen tot aan hun pensioen op invaliditeit worden gezet, is beginnen groeien onder de Zweedse regering en is vervolgens verder toegenomen tijdens de coronaperiode. Ik was daarover zo verbaasd en verontwaardigd dat ik heb beslist – die beslissing is al in uitvoering – dat mensen in principe nooit tot aan hun pensioen een erkenning in invaliditeit kunnen krijgen. In principe nooit. Een erkenning kan gelden voor een jaar, twee jaar of vijf jaar, maar niet langer, tenzij het gaat om zeer ernstige ziekten waarbij men op voorhand weet dat betrokkene nooit meer zal kunnen terugkeren naar werk. Behalve die uitzonderingen hebben we voor nieuwe instromers dat principe eigenlijk al afgeschaft. Helaas bevindt een zeer grote groep zich nog in dat oude systeem. Dat is een slechte erfenis uit het verleden. Een zeer grote groep zit erin, en dus moeten we daarmee aan de slag.

Hebben we voorlopig resultaten? Ja. Ik geef één cijfer. Louter met de eerste en tweede golf van maatregelen op de achtergrond zijn 14.000 mensen in 2024 in een traject van VDAB, Actiris of de Forem gestapt, met een uitkering als langdurig zieke. Dat cijfer stijgt, en ik hoop dat het dit jaar nog hoger zal zijn.

Het gebrek aan succes van het Terug-naar-werkfonds en de vouchers voor private bemiddelaars – inderdaad, een eclatant gebrek aan succes – staat gelukkig naast een zeer hoog cijfer bij de publieke bemiddelaars. Waar ligt dat gebrek aan succes bij de vouchers aan? Wellicht, mevrouw Lanjri, hebt u gelijk te stellen dat die vouchers te eng of te weinig omschreven zijn. Ik denk evenwel ook dat de druk om naar oplossingen te zoeken onvoldoende hoog is, en dat we iedereen in het systeem – behandelende artsen, bedrijfsartsen, maar ook de mensen zelf – sterker moeten aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid. Zij moeten zich afvragen wat ze kunnen doen, welke uitwegen er zijn, welke mogelijkheden ze nog hebben.

De derde golf, daar wil ik toch iets over zeggen; die vormt immers een antwoord, collega's, op veel van de vragen die hier zijn gesteld.

Zeer kort samengevat behelst de derde golf maatregelen die zijn opgenomen in het regeerakkoord van Arizona en nu vervat zitten in één groot wetsontwerp, waarvan ik hoop dat het vrijdag in derde lezing door de ministerraad wordt goedgekeurd. Daarnaast is er ook nog een belendend wetsontwerp.

Wat is de bedoeling van die derde golf?

De bedoeling is dat er veel meer samen wordt opgetreden, de zogenaamde coresponsabiliteit. De adviserend arts én de bedrijfsarts én de behandelende artsen moeten samen optreden, in trio. Dat gaan we ondersteunen.

Er moet ook sneller worden opgetreden. We willen iedereen op een scherpere manier voor zijn verantwoordelijkheid plaatsen. Als een werknemer niet ingaat op een uitnodiging van een bedrijfsarts, dan zal hij dat voelen, want als we willen helpen moet men zich ook willen laten helpen. Als een werknemer het dus niet de moeite vindt om in te gaan op een uitnodiging van een bedrijfsarts, dan hangt daar een sanctie aan vast. Een serieuze sanctie, als u het mij vraagt. Hetzelfde geldt voor iemand die het niet de moeite vindt om in te gaan op de uitnodiging van een adviserend arts. Dat zit allemaal vervat in die derde golf.

Ook een scherpere – financiële – verantwoordelijkheid voor de werkgevers zit daarin vervat, aangezien de werkgevers ook voor de tweede en derde maand afwezigheid na het gewaarborgd loon zullen moeten betalen. Ze zullen niet langer dan zes maanden mogen wachten om een alternatief aan te bieden aan een werknemer die nog kansen heeft om terug aan het werk te gaan.

Kortom, scherpere verantwoordelijkheid voor iedereen, samen in actie en sneller in actie. Dat is de essentie van die derde golf.

Mevrouw Samyn, u hebt gelijk, de dingen moeten inderdaad eenvoudiger. U hebt het woord 'afstemmen' gebruikt. Ik wil dat ook, en ik wil ook een rondetafel organiseren om de neuzen in dezelfde richting te krijgen.

In de schoot van de regering heb ik een nota van 65 pagina's neergelegd met het oog op een vierde golf. Ik denk dat die nodig is. Ik voeg er wel aan toe dat die nota nog niet is goedgekeurd door de ministerraad, en dat het wat bizar is om zulke nota's te bespreken in het Parlement, maar bon, die nota is al uitgelekt in de pers. Ik denk dat een vierde golf echt nodig is, met name voor de mensen die lang afwezig zijn. Maar ik zal dat enkel kunnen afwerken als er binnen de regering bij de begrotingsopmaak een globaal en solidair evenwicht is, op alle fronten.

Wat zit daarin? We willen opnieuw meer inzetten op preventie. Die vierde golf voorziet in een investering in eerstelijns psychologische ondersteuning. We hebben gemerkt dat die eerstelijns psychologische ondersteuning een gunstig effect sorteert op ziekteverzuim; dat is gebleken uit een studie van Ronny Bruffaerts. Wat moeten dat versterken en de eerstelijns psychologen mee betrekken bij de oplossing om mensen die uitgevallen zijn geheel of gedeeltelijk opnieuw aan het werk te krijgen.

In mijn voorstel zit een screening, niet van 100.000 mensen – dat is hier een paar keer gezegd –, maar van 218.000 mensen. Dit is wat ik voorstel: tussen nu en het einde van de legislatuur 218.000 mensen in langdurige afwezigheid opnieuw evalueren.

Ten derde, het principe dat men nooit langer dan een jaar een invaliditeitserkenning kan hebben. Na een jaar moet men opnieuw geëvalueerd worden door de behandelende arts. Na een jaar moet opnieuw een aanvraag worden ingediend.

Ik wil even terugkomen op iets wat de heer Van Lysbettens gezegd heeft. Mijnheer Van Lysbettens, controle en een helpende hand, het ene gaat niet zonder het andere. Als we niet controleren, dan krijgen we wat te zien was in de uitzending van de heer Deborsu. Dat is triestig, ook voor de mensen zelf. Dus we moeten op tijd en stond evalueren en controleren. Maar als we controleren moeten we ook hulp aanbieden. We kunnen echter geen hulp aanbieden aan mensen als we hun toestand niet evalueren en controleren. Laat ons dus geen valse debatten voeren. Dit zijn gewoon twee kanten van dezelfde medaille: evalueren, controleren, hulp aanbieden. Dat moeten we veel systematischer doen.

Men vroeg mij naar de cijfers. Nogmaals, collega's, dit is eigenlijk nog niet afgesproken binnen de regering, maar ik zal een paar cijfers geven. Wat ik heb voorgesteld is in de eerste plaats een gezondheidsplan, maar het is ook goed voor de gezondheid van de sociale zekerheid, ook financieel. Tegen het jaar 2029 komen we uit op een nettowinst voor de financiële gezondheid van de sociale zekerheid van 1,8 miljard euro, en dat groeit tot 2,2 miljard euro nettowinst in 2030. Daarin nemen we mee dat de hervorming van het invaliditeitspensioen van ambtenaren een afgeleide kost meebrengt voor de ziekteverzekering van 133 miljoen in 2029 en 183 miljoen in 2030. Als u echt het brutocijfer wilt weten, dan moet u dat optellen bij die 1,8 en die 2,2 miljoen.

In die getallen zit inderdaad ook een financiële bijdrage van de werkgevers. Ik wil die echter niet in de schatkist houden. Voor mij mag die terugvloeien naar de werkgevers. Ik ben voor een bonus-malus: wie het goed doet betaalt minder sociale lasten, wie het slecht doet betaalt meer sociale lasten. Vandaar dat ik heb voorgesteld in de regering om werkgevers iets meer te laten betalen, maar de opbrengst daarvan te recycleren en terug te geven aan de werkgevers. Dan krijg je een bonus-malus en daar ben ik voor.

Dat gaat over redelijk wat geld, 311 miljoen in 2029 en 320 miljoen in 2030. Die cijferdans bevat heel grote bedragen, dat zijn de brutocijfers van mijn plan. De nettocijfers, waarbij de werkgevers de bonus-malus gerecycleerd krijgen in een lastenvermindering, en waarbij we ook de hervorming van het invaliditeitspensioen dekken, bedragen 1,8 miljard tegen 2029 en 2,2 miljard tegen 2030.

Maar het gaat niet alleen om de financiële gezondheid van de sociale zekerheid, het gaat om de gezondheid van de mensen. Terug aan het werk kunnen gaan is voor vele mensen een onderdeel van hun herstel. Ook mensen met ernstige psychische aandoeningen. Ik kan dat niet genoeg herhalen. Ik heb gesproken met mensen die lijden aan een zware depressie en toch terug aan het werk konden gaan. Was die depressie helemaal weg? Nee, dat gaat soms een leven lang niet weg. Ik heb ook gesproken met mensen die chronische pijn lijden of aandoeningen hebben in de sfeer van psychoses. Dat is afzien, dat is lijden. Dat gaat soms een leven lang niet weg. Toch kan men nog kansen krijgen om terug aan het werk te gaan. Het is beter aan het werk te zijn dan thuis te zitten met chronische pijn. Dat is de solidariteit die we nodig hebben. Natuurlijk zullen er altijd mensen zijn die gewoon niet terug aan het werk kunnen gaan.

Collega's, mevrouw Lanjri heeft een heel belangrijk en gevoelig punt aangeraakt, met name de niet-toeleidbaren – een beetje een lelijk woord. Dat is, mevrouw Lanjri, nog niet helemaal uitgeklaard in de regering, maar ik wens absoluut dat we daar een oplossing voor vinden. We proberen daar ook vooruitgang te boeken met mijn collega Rob Beenders, die verantwoordelijk is voor personen met een handicap.

Wat betreft de arbeidsparticipatietoeslag, ja, die zit in mijn plannen. Dat is wel wat controversieel. Ik vind dat goed. Het idee komt trouwens ook een beetje van mij. Cd&v vindt het ook heel belangrijk, we zijn hierin bondgenoten. We moeten er wel voor zorgen dat het niet ontspoort. Ik zou dat meer als een pilootproject willen invoeren dat we goed bewaken, dan dat het ontspoort.

Madame Désir, il serait extrêmement intéressant de pouvoir croiser les données de l'INAMI et celles de l'ONSS, qui fournissent de l'information sur les secteurs desquels les gens qui sont en maladie proviennent. Des échanges sont maintenant organisés entre ces deux administrations en la matière. Je ne peux pas vous dire avec certitude quand ce projet aboutira, car c'est encore fort compliqué, mais nous sommes en train d'en discuter.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Geachte Kamerleden, daarmee heb ik de belangrijkste punten aangeraakt. Solidariteit en verantwoordelijkheid zijn twee kanten van dezelfde medaille. Iedereen moet mee in het bad en iedereen moet mee verantwoordelijk zijn. We mogen de hete aardappel niet naar elkaar doorschuiven. Dat is de enige manier om een zeer grondige hervorming, die nodig is in het belang van de mensen, tot een goed einde te brengen.

Voorzitter:

Je propose deux minutes de réplique par intervenant pour ce débat d'actualité.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de voorzitter, in de beperking kent zich de meester.

Mijnheer de minister, ik ben blij te horen dat u kijkt naar een globaal beleid met alle actoren, in tegenstelling tot sommige leden van de meerderheid die er een sport van maken om individuele cases te verheffen tot beleid. Dat laatste is net het tegenovergestelde van wat we moeten doen. We moeten kijken naar een vorm van systeemdenken dat mogelijk wel vruchten kan afwerpen.

Daartegenover vind ik het wrang dat ook u toegeeft dat de hervormingen op de arbeidsmarkt dreigen te leiden tot meer zieke mensen.

Nu kom ik tot de punctuele punten waarover u mij hebt aangesproken.

Een onafhankelijke laag hoeft voor mij geen aparte laag te zijn. Het kan ook gaan om het versterken van de controleartsen bij de mutualiteiten. Het punt is vooral dat de huisartsen vandaag al met enorme administratieve lasten kampen, waardoor zij die extra controle gewoon niet zullen kunnen bolwerken. Als we daar geen oplossing voor vinden, zullen we hier over twee of drie jaar opnieuw moeten bespreken waarom sommige huisartsen dat pro forma invullen of waarom dat door artificiële intelligentie wordt afgehandeld. Ik pleit er dus voor om daarvoor zeker de nodige middelen uit te trekken om dat mogelijk te maken waar nodig.

Een groot aantal mensen is op ziekte gezet, maar het punt is dat die mensen daar zelf niet verantwoordelijk voor zijn. Dat was een beleidskeuze, hetzij van u, hetzij van een andere minister, maar op zich maakt dat weinig verschil. Er worden vandaag maatregelen genomen waardoor zieke mensen een aantal van hun rechten dreigen kwijt te spelen zonder dat ze daarvoor zelf verantwoordelijk zijn. Daarvoor moet een oplossing worden gevonden.

Ten slotte, u hebt het over straffen en afpakken, maar de maatregelen die u noemt, zijn dat natuurlijk wel. Ik ben het helemaal met u eens dat zulke maatregelen nodig zijn maar er zijn, zoals u zelf aangeeft, ook andere maatregelen nodig om mensen naar werkbaar werk te begeleiden. Daarover blijft het echter stil.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, mijn excuses omdat ik niet uw gehele antwoord heb kunnen volgen.

Ik wil even op de communautaire cijfers ingaan. U hebt me geantwoord op een vraag over de langdurig zieken. We stellen vast dat er een grote communautaire scheeftrekking is, want procentueel zijn er beduidend meer langdurig zieken in Wallonië dan in Vlaanderen. Dat sluit aan bij de bredere problematiek van de lage werkzaamheidsgraad in Franstalig België, wat ook bleek in de recente reportage van Christophe Deborsu.

Het Vlaams Belang pleit voor een activeringsbeleid dat vertrekt vanuit mogelijkheden en niet louter vanuit beperkingen. Dat beleid moet focussen op wat mensen nog kunnen, in plaats van hen te reduceren tot hun ziekte of beperking. U had het daarnet over solidariteit en verantwoordelijkheid. We zijn het er volledig mee eens dat de hete aardappel niet mag worden doorgeschoven. Dat betekent echter ook dat er een gezamenlijk beleid moet zijn, waarbij de regio’s worden betrokken. Daarbij kan ook via de werkgever worden geëvalueerd wat de betrokken persoon nog kan doen, voor welke taken hij geschikt is en of aangepast werk haalbaar is.

In uw antwoord zegt u dat er ook aandacht moet zijn voor mensen die echt ziek zijn, bijvoorbeeld mensen die langdurig met psychische problemen kampen, zoals burn-out en depressie. Die mensen verdienen een degelijke begeleiding en verdienen het niet om gestigmatiseerd te worden.

Belangrijk is ook dat een zieke die opnieuw aan de slag gaat, er financieel op vooruitgaat ten opzichte van zijn uitkering. Werken moet lonen. Het is onaanvaardbaar dat iemand die het werk hervat, al dan niet deeltijds, er financieel op achteruitgaat.

Ik wil ook kort ingaan op het tekort aan controleartsen. Dat is een bekend probleem. Ik hoop dat daaraan gewerkt wordt en dat er voldoende controleartsen ter beschikking zijn. Alles staat of valt immers met een systeem waarin voldoende controle mogelijk is. Het huidig tekort zorgt voor een hoge werkdruk bij de controleartsen zelf en voor ongelijkheid.

Mijnheer de minister, we hebben niet zozeer nood aan een sanctiebeleid, maar wel aan een mensgericht activeringsbeleid dat langdurig zieken perspectief biedt, artsen versterkt en de communautaire verschillen eerlijk benoemt in plaats van ze te verdoezelen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord, weliswaar een zeer politiek antwoord met weinig technische aspecten.

We hebben mensen in een vergeetput gestoken. Dat is naar mijn oordeel zowel een collectieve als een individuele verantwoordelijkheid.

De verhalen over olifanten, Jacquelines, praatjes in het volkshuis, schouders en ruggen blijven wat ze zijn: verhaaltjes. Die verhaaltjes en die feiten doen het zo goed omdat het beleid ontbreekt. U spreekt over communicerende vaten tussen de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en ziekte, maar daarmee bevestigt u net de mogelijke fraude en het gebrek aan een sluitend systeem.

U pakt uit met een zogenaamd totaalplan. Ik begrijp dat u zoekt naar communicatielijnen, maar in de feiten erkent u dat het systeem van de re-integratie van langdurig zieken faalt. Als het systeem faalt, mijnheer de minister, dan faalt uw beleid. Hoe meer woorden u gebruikt om dat duidelijk te maken, hoe duidelijker het voor mij wordt dat u rondjes draait.

De cijfers tonen dat aan: het aandeel langdurig zieken is sinds 2020 met 55 % gestegen. Dat gebeurde onder uw beleid. Dat komt omdat het totaalplan, zowel dat van vroeger als dat van nu, te versnipperd is. U zegt dat iedereen verantwoordelijkheid draagt, maar ik zeg dat het niet werkt als iedereen bevoegd is en niemand verantwoordelijk. Niemand voelt zich de eindverantwoordelijke.

Ja, de ambitie moet zijn om meer mensen aan het werk te krijgen, zodat werken kan lonen. Wij zijn het dan ook niet eens met het feit dat u nog meer de werkgevers en de artsen viseert zonder dat het huis op orde staat. Daarmee schuift u de politieke verantwoordelijkheid van u af.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw politiek antwoord en kijk uit naar uw document vol techniciteiten.

Ik ben blij dat u hebt benadrukt dat de RIZIV-steekproef geen steekproef was, maar wel degelijk een controle en dat die controle niet mag worden misbruikt. Dat is echter wel gebeurd. Die steekproef werd uitgevoerd in april en vlak voor de fameuze eerste begrotingsbesprekingen in de pers gelekt. Die RIZIV-controle werd dus misbruikt, wat bijzonder jammer is.

Mijnheer Ronse, ik wil me ook tot u richten. U hebt gelijk als u zegt dat het systeem rot is. Het is zoals een vis, die rot aan de kop. Jullie zijn de kop, want jullie hebben onder de Zweedse regering een taxshift ingevoerd die niet gefinancierd was, waardoor we vandaag in onze sociale zekerheid met een gat van 8 miljard zitten. Daartegen zijn op 14 oktober 140.000 arbeiders en bedienden op straat gekomen. Dat was een betoging van werkende mensen, niet van zieken. Werkende mensen kwamen op straat, omdat ze vandaag nog aan de slag en in goede gezondheid zijn, maar beseffen dat zij binnen vijf of tien jaar misschien aan de beurt zijn. Ze zien hun collega's immers een na een uitvallen door werkstress of door moeilijke werkomstandigheden.

We kunnen nu al voorspellen dat er in 2026 ongeveer 15.000 langdurig zieken bij zullen komen. Ik durf dat nu al te schatten. De reden is dat de pensioenleeftijd wordt opgetrokken. Het is heel eenvoudig. Brugpensioen afschaffen, landingsbanen moeilijk maken en de pensioenleeftijd optrekken is gelijk aan meer langdurig zieken.

Sofie Merckx:

Tout d'abord, monsieur le ministre, merci d'avoir été clair sur l'échantillon de l'INAMI. Ce n'est pas du tout un échantillon représentatif. Non, c'était un travail de contrôle d'un groupe qui était un peu bizarre, comme vous le dites. Et je crois que c'est important de le dire. Je crois qu'il est important aussi pour certains collègues d'arrêter de tout le temps répéter les mêmes choses. Oui, la fraude doit être combattue; mais non, tous les malades de longue durée ne sont pas des fraudeurs. C'est aussi un message qu'il faut faire passer. Vous êtes ministre de la Santé et nous attendons de vous que vous fassiez passer ce message. Quand vous êtes applaudi tout le temps par la N-VA, il faut peut-être vous poser des questions.

Je retiens quand même de votre plan de 2,2 milliards, ou même un peu plus, que seulement 10 % de l'effort est demandé aux entreprises, et même un peu moins, et que 90 % de l'effort est demandé aux malades. Vous hochez non de la tête. Vous aurez l'occasion, bien sûr, de vous expliquer, mais je crois que c'est fondamentalement injuste dans votre calcul.

J'ai encore été contactée par une dame de 59 ans. Elle travaille depuis 20 ans dans le nettoyage. C'est un secteur qui compte presque 10 % de malades de longue durée. Elle tombe malade. Elle est rappelée par le médecin du travail. Elle se dit: "Ça y est, ils vont me proposer un poste adapté." Qu'est-ce qu'elle a reçu? Un C4, à quelques années de sa pension. Un C4, c'est tout ce qu'elle a reçu. Le problème est là aussi.

Les conditions de travail rendent les gens malades.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Merckx, uw 10 % is even vreemd en verkeerd als de 55 % van mevrouw De Knop, waar ik geen touw aan kan vastknopen. Ik weet niet hoe u dat berekend hebt, maar uw 10 % is heel vreemd.

Wanneer werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen en meer doen om te voorkomen dat mensen ziek worden, en sneller ingrijpen om mensen te helpen en hen alternatieven te bieden, dan valt de besparing natuurlijk bij de sociale zekerheid. Als we aan werkgevers zeggen dat ze nu verdomme eindelijk eens doen wat ze moeten doen, dan hoeven ze daarvoor geen geld uit hun kas halen. Ze moeten actie ondernemen. De besparing die dat oplevert, het gros van het effect, ligt natuurlijk bij de sociale zekerheid. Het is niet de bedoeling dat werkgevers geld uit hun kas halen, wel dat ze iets dóen. Om duidelijk te maken dat ze iets moeten doen, aangezien louter preken niet volstaat, stel ik een bonus-malussysteem voor: een malus voor wie het niet goed doet als werkgever, een bonus voor wie het wel goed doet. De vrucht van dat verhaal, eigenlijk de volle honderd procent, zit natuurlijk in de vermindering van uitkeringen, meer mensen aan het werk en winst voor de sociale zekerheid. Ons plan zal dus altijd, altijd een plan zijn van winst voor de sociale zekerheid.

Uw vergelijking van die 10 tegenover 90 is echt, excuseer, à côté de la plaque , hoor.

Voorzitter:

Madame De Knop, avez-vous un goût de trop peu?

Irina De Knop:

Oui, j'ai encore droit à la réplique.

Voorzitter:

Ce n'est pas vous qui présidez. Voulez-vous intervenir sur ce sujet en particulier?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, inzake die 55 % heb ik daarstraks over het aantal zieken gesproken, maar het ging eigenlijk over een stijging van de daarbij horende kosten met 55 %.

Frank Vandenbroucke:

De kosten? Er is ook nog een klein beetje inflatie geweest. (…) U moet zich echt corrigeren in het vervolg.

Sofie Merckx:

Je retiens mon chiffre de 10 % de plus de 2 milliards que vous allez demander aux employeurs. Je crois qu’il y a d’autres pistes, qui donnent encore plus de responsabilité aux employeurs.

Cette idée est une bonne chose; mais pourquoi ne pas aller vers un système comme aux Pays-Bas, par exemple, où les employeurs doivent continuer à payer leurs malades de longue durée? On pourrait aller beaucoup plus loin là-dedans. Vous verrez qu’ils réintègreront les malades. C’est comme avec les accidents de travail. On trouve toujours des postes adaptés pour les gens en accident de travail, mais pas pour les malades de longue durée. Pourquoi? Parce que les primes augmentent s’ils ne le font pas.

On parle de s’attaquer à la fraude. Je voudrais aussi que nous comptions le nombre d’heures que nous consacrons à parler ici de la fraude des malades, de la fraude des chômeurs, par rapport à la fraude fiscale, par exemple. Trente milliards par an de fraude fiscale. De cela, nous ne parlons presque jamais. Nous regardons ici uniquement d’un côté.

C’est la même chose concernant M. Reynders, par exemple. C’est vraiment une affaire de fraude énorme, une affaire criminelle de blanchiment d’argent. Nous sommes presque le seul parti ici à en parler, à demander une commission d'enquête pour savoir comment une telle fraude a pu avoir lieu. Il est temps de faire cela, et aussi d’avoir du respect pour les malades.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, uw analyse is zeer boeiend. Met een aantal zaken ben ik het eens, met andere niet.

Vooreerst is het opgezette systeem goed qua intentie, maar het is zo lek als een zeef. Mensen worden soms ten onrechte lang ziek geschreven. Die poort moet aangepakt worden. Ten tweede kijkt men bij een langdurig zieke enkel naar wat die persoon van job deed, maar niet naar welke andere job die zou kunnen doen, eventueel zelfs bij een andere werkgever. Een ander probleem in dat systeem is dat voor iemand in langdurige ziekte de drempel om terug te gaan werken hoog is en de angst om de uitkering te verliezen groot. Via terug-naar-werktrajecten zou men een en ander kunnen oplossen.

Het is goed dat u aangeeft dat u 218.000 mensen opnieuw zult controleren. Ik vind dat positief. Dat is lovenswaardig en zal het systeem opnieuw scherp zetten. Waar ik het niet mee eens ben, is het optimisme rond de 14.000 trajecten bij de VDAB. De uitstroom daar is bijzonder pover, omdat er geen stok achter de deur is, geen middel om medewerking te vragen. Daarnaast moet men een vergelijking met terug-naar-werktrajecten maken. De VDAB ontvangt ongeveer 4.000 euro per traject, terwijl terug-naar-werkspelers 1.800 euro per traject krijgen. Dat schept een oneerlijke concurrentie. Ik denk dat we dat systeem grondig moeten herbekijken.

Werkgevers moet men inderdaad responsabiliseren. Dat moet genuanceerd bekeken worden. We moeten opletten dat we niet in een samenleving terechtkomen waar werkgevers een aversie voor het risico van mensen met een ziekteprofiel ontwikkelen. Bovendien mag een werkgever niet één op één verantwoordelijk worden gesteld voor de ziekte van een werknemer. Een werkgever heeft immers niets te maken met het feit dat iemand om vreselijke redenen kanker krijgt.

In ieder geval denk ik dat we het erover eens zijn dat die werf van de regering de allergrootste en belangrijkste uitdaging is. Het is een tanker die moeilijk te keren zal zijn. We moeten op alle fronten werken: mutualiteiten, werkgevers, werknemers met een stok achter de deur en artsen. Grosso modo zit uw plan goed. The devil is in the details maar ook in the execution . Wij zullen u daar in ieder geval met veel passie en overtuiging in bijstaan.

Julie Taton:

Monsieur le président, je voulais préciser qu'on n'est pas là pour faire la chasse aux malades, mais pour faire la chasse aux abus. On ne va donc certainement pas pénaliser les gens qui ne peuvent pas travailler pour des raisons médicales. Quand on est malade, on doit bien sûr prendre le temps de se soigner, de penser à soi, c'est de la solidarité et ça doit être une évidence même. On parle de solidarité, mais on doit aussi parler de responsabilité et, comme M. le ministre l'a dit, de co-responsabilité. Donc, il y a beaucoup de travail.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre pour votre longue intervention.

On vous a entendu défendre la solidarité et la responsabilité. Bien sûr, nous défendons également cette solidarité et personne ne souhaite encourager ou soutenir la fraude sociale. Mais, bien sûr aussi, l'augmentation incessante du nombre de malades de longue durée doit tous nous tracasser, ne fût-ce que pour pouvoir préserver notre système de sécurité sociale.

Toutefois, je regrette d'entendre dans votre réponse relativement peu de développements quant à la manière de faire participer davantage les employeurs, même si vous l'avez évoquée brièvement. Je voudrais rappeler ici que les employeurs ont des obligations légales depuis maintenant plusieurs années en termes de plans de réintégration, qui sont loin d'être toujours respectés. Or cela fait indéniablement partie de la solution, en tout cas dans l'exemple des Pays-Bas.

Je crois comme vous, monsieur le ministre, que bon nombre de malades pourraient envisager de reprendre le travail, et même que cela peut dans certains cas les soutenir dans leur guérison. Pour cela, il faut pouvoir aménager leur retour et améliorer leurs conditions de travail. Il ne faut pas oublier que les troubles psychiques et les troubles musculosquelettiques sont les causes les plus fréquentes d'incapacité de longue durée, suivies par les maladies chroniques comme le cancer. Donc le retour au travail ne peut pas être une réussite, s'il n'y a pas un accompagnement adapté.

Surtout, si on n'améliore pas les conditions de travail dans les métiers pénibles, on aura toujours plus d'entrants dans les statistiques d'invalidité et vous n'atteindrez jamais vos objectifs ambitieux en matière d'économies. Il est indispensable qu'on creuse l'analyse des liens entre la pénibilité et les maladies de longue durée.

Je suis heureuse de vous entendre dire que le croisement des données entre l'INAMI et l'ONSS serait vraiment particulièrement intéressant et que des contacts sont en cours. J'espère vraiment qu'on va pouvoir avancer là-dessus, parce que je crois que nous avons là un angle de travail vraiment intéressant.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Votre ambition de renforcer la réinsertion est essentielle et la conférence visant à mettre ensemble les différents niveaux de pouvoir pour émettre un signal fort est important. Il faut aussi rappeler et marteler que la meilleure politique d'incapacité est encore la prévention primaire, ce dont je suis persuadée. C'est en effet à ce stade que nous pouvons encore agir, adapter le poste, alléger temporairement la charge et éviter que le travailleur ne bascule dans l'incapacité de longue durée. Parce qu'effectivement une fois que les pathologies sont présentes, c'est compliqué justement de pouvoir trouver des alternatives en termes d'aménagement des postes de travail.

Vous l'avez rappelé, la réintégration ne s'arrête pas le jour où l'on reprend le travail. C'est tout l'enjeu: faire en sorte que le retour soit durable, accompagné et humain. Les chiffres de la KU Leuven le montrent, une reprise sans suivi signifie souvent une rechute à court terme. D'où l'importance d'un accompagnement structuré qui implique les mutualités, les médecins, les employeurs, donc les acteurs de l'entreprise et bien sûr le travailleur lui-même. L'intérêt est d'avoir une démarche concertée aussi pour être sûr que les aménagements au niveau des conditions de travail soient durables et puissent lui permettre de rester durablement au travail.

Nous devons sortir d'une approche trop administrative pour aller vers une logique de parcours, d'accompagnement de la personne avec un suivi dans la durée et des outils adaptés. L'enjeu est encore plus crucial pour les PME qui, très souvent, manquent d'outils. Prévenir les rechutes, c'est préserver la santé mentale mais aussi la confiance et la dignité au travail. Nous prenons acte des documents que vous nous partagerez et nous serons attentifs aux futures mesures et chiffres qu'ils contiennent.

Nahima Lanjri:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister.

Ik denk dat we de analyse delen dat als we tot een oplossing willen komen, iedereen zijn verantwoordelijkheid zal moeten nemen, dat er zal moeten worden samengewerkt en dat iedereen zijn verantwoordelijkheid moet nemen, zowel de werkgevers en de werknemers als de artsen en de ziekenfondsen. Ik denk dat de mutualiteiten zeker bereid zijn om mee naar oplossingen te zoeken, want zij hebben een heel goed zicht op deze problematiek. Ik denk dat het belangrijk is om hen uit te nodigen en met hen te bekijken welke mogelijkheden zij nog zien.

Dat betekent inderdaad soms dat een bepaalde groep van het ene vakje naar het andere verhuist. U hebt het zelf ook gezegd. Als we de pensioenleeftijd optrekken, zullen sommige mensen, die binnenkort tot 67 jaar zullen moeten werken, in de ziekte-uitkering terechtkomen. Als we het ziektepensioen voor ambtenaren afschaffen - ik heb daarvoor gepleit en ik zal dat blijven doen - dan is dat logisch, maar het betekent ook dat zij in de ziekte-uitkering terechtkomen en op 25 of 30 jaar niet meer met pensioen worden gestuurd. Dat willen we niet. We verhuizen sommige groepen dan wel van het ene naar het andere vakje, maar het blijft wel onze verantwoordelijkheid om met die mensen ook iets te doen. Dat is belangrijk.

Ik ben ook blij dat u een aantal van mijn voorstellen wilt bekijken. Zo zijn de terug-naar-werkcheques of vouchers van 1.800 euro echt onderbenut. Ik hoor vanuit het sector ook dat men de toegangspoort moet verruimen. Ik ben blij dat u het met mij eens bent dat we die toegangspoort kunnen verruimen en dat we niet moeten wachten totdat mensen een jaar lang ziek zijn. Men kan die cheques ook al inschakelen voordat mensen een jaar lang ziek zijn of voor zij op medisch ontslag zijn gezet. Dat is belangrijk.

Ik ben ook blij dat u de arbeidsparticipatietoeslag, die we in een voorstel van resolutie hebben gegoten, steunt. Ik denk dat we op dat vlak ook op dezelfde golflengte zitten, want wij stellen voor om dit in een tweejarig pilootproject te gieten en daaruit conclusies te trekken. Ik heb ook het voorstel gelanceerd om dit voor een beperkte groep te doen, namelijk voor mensen met een neurodegeneratieve aandoening of mensen met musculoskeletale aandoeningen en niet voor alle ziektes.

Mijn vraag ging ook zeer specifiek over de niet-toeleidbaren. Bij de mensen die hun werkloosheidsuitkering binnenkort verliezen, zit een groep die niet zal kunnen worden geactiveerd. Die personen horen thuis bij de ziekte-uitkering, hebben nood aan een erkenning als persoon met een handicap of horen thuis in een ander statuut, zoals u zei. Er ligt vandaag echter nog geen oplossing op tafel. Ik dring erop aan om te zorgen voor die oplossing.

Kunt u mij ook nog eens de correcte cijfers geven? De cijfers over deze groep lopen namelijk uiteen. Kunt u mij de juiste cijfers geven met betrekking tot de totale doelgroep van niet-toeleidbare personen? In Vlaanderen alleen al zou het om 10.000 mensen gaan. Ik schat dat het voor heel België ongeveer drie keer zoveel zal zijn. Kunt u dat bevestigen?

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de voorzitter, ik heb het debat zeer aandachtig gevolgd.

Mevrouw De Knop, u noemt wat ik zeg verhaaltjes, maar voor de mensen die ik gisteren heb ontmoet, is dit bittere realiteit. Ik sprak iemand die vorige week de diagnose borstkanker kreeg en volgende week aan de therapie zal beginnen. Zij zei mij dat ze gelukkig is dat er zoiets bestaat als gezondheidszorg en sociale zekerheid die haar ondersteunen en beschermen. Ik ontmoette ook iemand die uit een burn-out krabbelt. Zij vertelde mij dat ze nu het gevoel heeft dat er een toxische werksfeer hing op het werk en dat dit de verantwoordelijkheid was van de werkgever, maar dat zij wel degene is die gestraft wordt en thuis zit, terwijl hij gewoon verder doet. Ik heb vele mensen ontmoet die stelden dat die excessen er echt uit moeten, omdat ze onze solidariteit ondermijnen.

Onze minister doet wat nodig is en heeft vanaf het begin zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij komt nu met een totaalplan dat mensen die ziek zijn niet loslaat en tegelijk inzet op de verantwoordelijkheid van werkgevers en veel meer responsabiliseert. Voor mij geldt dat wie ziek is of ziek is geweest bescherming en kansen nodig heeft, geen clichés zoals ik er hier te veel heb gehoord.

Voorzitter:

Je vous remercie pour ce débat, monsieur le ministre. Je ne m’attendais pas à ce que le fameux reportage de M. Deborsu soit à ce point présent dans nos échanges. Si d’aventure certains groupes souhaitent recevoir M. Deborsu en audition, qu’ils le fassent savoir. Le secrétariat recevra leurs demandes si une réelle insistance devait se manifester en ce sens. Les questions n° s 56005900C et 56006231C de Mme Julie Taton sont transformées en questions écrites. La question n° 56007608C de Mme Katleen Bury est retirée.

De erkenning van borstkanker als beroepsziekte die te wijten is aan nachtwerk

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir wijst op het ontbreken van erkenning en onderzoek in België naar het verhoogd risico op borstkanker door nachtarbeid (tot 26% meer risico, vergelijkbaar met roken), ondanks wetenschappelijk bewijs (o.a. INSERM 2024) en stappen in Frankrijk. Minister Vandenbroucke bevestigt dat eerdere studies (2014, 2019) onvoldoende bewijs vonden voor erkenning als beroepsziekte, maar dat Fedris actief nieuwe data monitort. Désir dringt aan op hernieuwd onderzoek naar aanleiding van recentere, alarmerendere studies en het voorbeeld van buurlanden.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le cancer du sein est encore aujourd'hui la première cause de décès par cancer chez les femmes en Belgique. Et pourtant, quand on parle de prévention, on ne parle presque jamais du travail. Il est question de tabac, d'antécédents familiaux, d'alimentation, mais jamais du travail de nuit, ni des expositions professionnelles, ni des secteurs à risque. Et pourtant, les études scientifiques sur le sujet sont relativement claires: le travail de nuit constitue un facteur de risque majeur.

L'Inserm l'a encore confirmé dans une étude récente datant de 2024: une femme qui travaille régulièrement entre minuit et cinq heures du matin a 26 % de risque en plus de développer un cancer du sein. Ce risque peut tripler après 10 ans de travail de nuit trois fois par semaine. À titre de comparaison, le tabagisme augmente le risque de cancer du sein de 20 %. Le Centre international de recherche sur le cancer classe d'ailleurs le travail de nuit comme probablement cancérogène au même niveau que le tabac.

En France, chez nos voisins, ces données ont mené à une mobilisation importante des syndicats, notamment auprès des infirmières et des hôtesses de l'air, à plusieurs premières reconnaissances officielles de cancer du sein comme maladie professionnelle et à une étude en cours de l'Agence nationale de sécurité sanitaire en vue d'inscrire ce lien dans leur tableau des maladies professionnelles.

En Belgique, malgré plusieurs dossiers récemment introduits, il n'y a aucune reconnaissance, à ce jour, ni aucune étude publique sur le lien entre cancer du sein et travail de nuit et aucun plan d'action. Dans ce contexte, le gouvernement Arizona envisage même désormais de supprimer purement et simplement l'interdiction actuelle du travail de nuit, mesure pourtant historiquement fondée sur des préoccupations de santé publique. Cette mesure entre en contradiction totale avec les données scientifiques disponibles, mais aussi avec l'engagement pourtant affiché de ce gouvernement de lutter contre les maladies qui touchent spécifiquement les femmes.

La mesure risque non seulement d'aggraver les risques sanitaires pour les femmes, mais aussi de banaliser et d'invisibiliser encore davantage les liens entre organisation du travail et santé des femmes.

Dans ce cadre, monsieur le ministre, Fedris ou vos services ont-ils commandé ou soutenu une étude sur les liens entre cancer du sein et conditions de travail (travail de nuit, expositions aux perturbateurs endocriniens, etc.)? Dans la négative, pourriez-vous solliciter la réalisation d'une telle étude dans les plus brefs délais en lien avec les milieux scientifiques, syndicaux et les secteurs concernés?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, vous m'interrogez sur le fait de savoir si Fedris ou mes services ont commandé ou soutenu une étude sur les liens entre cancer du sein et conditions de travail. Dans le cas contraire, vous me demandez si je peux solliciter la réalisation d'une telle étude dans les plus brefs délais en lien avec les milieux scientifiques, syndicaux et les secteurs concernés.

En 2014, le Conseil scientifique de Fedris s'était déjà penché sur la question du lien entre le cancer du sein et les horaires atypiques de travail, c'est-à-dire le travail de nuit et à pauses, et avait fait réaliser par sa commission médicale "Cancer professionnel" une analyse exhaustive de la littérature scientifique sur le sujet. La conclusion de l'étude était que les preuves ne permettaient pas une recommandation fondée scientifiquement d'inclure ou d'exclure le cancer du sein dans la liste des maladies professionnelles indemnisables.

Le sujet a été remis à l'ordre du jour du conseil scientifique d'octobre 2019, à la suite de la publication en 2018 d'une revue de la littérature effectuée par l'Inserm, l'Institut national de la santé et de la recherche médicale en France, et en 2019 d'un avis de l'IARC, International Agency for Research on Cancer, classant le travail de nuit en catégorie 2A, c'est-à-dire probablement cancérigène pour l'homme. Je me réfère à leur monographe 124. La constatation qui avait été faite lors des débats était qu'il existe des indications en faveur d'un lien, mais que les données épidémiologiques font encore défaut.

Depuis lors, comme pour bien d'autres sujets, la commission médicale Cancer professionnel continue à effectuer une veille scientifique active afin, le cas échéant, de soumettre au Conseil scientifique de Fedris des éléments de preuve établissant les conditions d'un risque professionnel devant conduire à proposer l'inscription du cancer du sein dans la liste des maladies professionnelles reconnues.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Je reste toutefois un peu sur ma faim, parce que dans les études que je vous ai citées, celle de l'Inserm de 2024 est plus récente que celle de 2019 et semble établir un lien plus clair avec le risque de développer un cancer du sein pour les femmes qui travaillent de nuit. Sur cette base, je vous incite vraiment à réévaluer votre position et à demander qu'on fasse cette étude parce que je pense que c'est un sujet qui est particulièrement important, qui mérite qu'on s'y consacre. On pourrait évidemment prévenir un nombre de cancers particulièrement important. On voit par ailleurs que nos voisins avancent plus vite que nous sur ce sujet.

De erkenning van beroepsziekten bij huishoudhulpen
De beroepsziekten bij huishoudhulpen
Beroepsziekten en erkenning bij huishoudelijk werk

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Over spier- en skeletaandoeningen (TMS) bij titres-services- en schoonmaakwerkers toont onderzoek aan dat 80% gezondheidsklachten heeft door chemische producten, repetitieve bewegingen en slecht materiaal, met een 35x hoger risico op TMS dan gemiddeld, maar 97% van de erkenningen wordt geweigerd door Fedris. Minister Vandenbroucke benadrukt dat wetenschappelijke criteria (blootstelling, causaal verband) bepalend zijn en wijzigingen alleen mogelijk bij nieuwe epidemiologische bewijzen, hoewel een deel van de 115 recente dossiers wel erkend wordt; hij belooft betere preventie (samenwerking met SPF Emploi) en onderzoekt secundaire preventieprogramma’s. Critici zoals Désir en Tonniau vinden de erkenning te traag en onrechtvaardig, wijzen op structurele fraude bij opleidingen en gebrek aan ondersteuning (bv. bewijslast bij werknemers), en pleiten voor snellere aanpassing van de codes en concrete bescherming tegen langdurige uitval.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, à la suite de la publication des résultats d'une enquête menée par la CSC Alimentation et Services auprès de plus de 1 500 aides-ménagères actives dans le secteur des titres-services, il apparaît que plus de 80 % de ces travailleuses souffrent de troubles de santé liés à leurs conditions de travail, notamment à cause de l'utilisation de produits chimiques d'entretien et de l'absence de matériel ergonomique adapté.

L'étude de DULBEA de 2021, par exemple, a mis en évidence que les travailleurs du secteur des titres-services encourent un risque 35 fois plus élevé de troubles musculosquelettiques que la moyenne, et 260 % de risque en plus d'être en incapacité de travail au cours des cinq premières années dans le secteur.

Malgré ces constats scientifiques, la reconnaissance des troubles musculosquelettiques comme maladies professionnelles reste bien trop limitée: le taux de refus par Fedris atteint 56 % pour les pathologies figurant sur la liste officielle, et grimpe à 97 % dans le système ouvert. En décembre 2024, une campagne menée par la CSC et la FGTB a débouché sur l'introduction de 120 dossiers de travailleuses du secteur auprès de Fedris pour la reconnaissance de troubles musculosquelettiques des membres supérieurs.

Dans ce contexte, les organisations syndicales, soutenues par des organisations de défense des droits des femmes, formulent une demande concrète et raisonnable. Elles souhaitent que deux pathologies déjà reprises dans la liste des maladies professionnelles soient expressément liées aux réalités de travail dans les secteurs du nettoyage et des titres-services, à savoir le code 1.606.22 "maladies atteignant les tendons, les gaines tendineuses et les insertions musculaires et tendineuses des membres supérieurs dues à une hypersollicitation de ces structures par des mouvements nécessitant de la force et présentant un caractère répétitif, ou par des postures défavorables" et

le code 1.606.51 "atteinte de la fonction des nerfs due à la pression". Ces demandes visent à rendre le système plus juste, plus accessible et plus protecteur.

Vous avez dit dans votre note de politique générale vouloir "examiner" avec Fedris la pénibilité dans les titres-services. Les données sont donc désormais disponibles et nous estimons que le temps n'est plus à l'analyse.

Monsieur le ministre, ma question est très simple et très concrète: allez-vous élargir la portée des codes que j'ai préalablement cités pour y inclure explicitement les travailleuses du secteur des titres-services et du nettoyage?

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, we kennen allemaal de huishoudhulpen. Ons gezin doet er ook een beroep op sinds de geboorte van onze oudste dochter. Er is een groot probleem bij die huishoudhulpen, want één op tien van hen is langdurig ziek. Dat percentage ligt zelfs 8 % hoger dan in andere sectoren. In de sector trekken de werkgevers er echter hun schouders bij op.

Daarnaast komen spier- en skeletaandoeningen heel veel voor in de schoonmaaksector. Die aandoeningen maken 96 % van de beroepsziekten in die sector uit. Vooral tendinopathie van de bovenste ledematen komt heel vaak voor, waardoor veel huishoudhulpen langdurig uitvallen. Nochtans kan tendinopathie met de juiste behandeling voorkomen worden en hoeft het niet chronisch te worden. Voor huishoudhulpen die aan tendinopathie lijden, is er vaak slechts één oplossing, namelijk rusten. Ze zijn ziek geworden door het werk. Velen van hen hebben in theorie recht op een vergoeding voor die beroepsziekte. In 2024 dienden de vakbonden heel wat aanvragen tot erkenning in bij Fedris. Twee op drie van die aanvragen werd echter geweigerd.

Over het algemeen hebben aanvragen onder bepaalde SSA-codes, zoals mevrouw Désir al zei, een hoog afwijzingspercentage. Dat wijst op moeilijkheden bij de erkenning van beroepsziekten. Vooral in de schoonmaaksector dienen werknemers onevenredig veel claims in. De meeste worden afgewezen op grond van niet-erkenning van de blootstellingscriteria.

Mijnheer de minister, wat zult u doen om de situatie van de huishoudhulpen in de praktijk te verbeteren en te helpen voorkomen dat zij langdurig ziek worden en een SSA ontwikkelen?

Zult u de praktijk bij Fedris verbeteren?

Zult u zorgen voor een verbeterde erkenning van beroepsziekten bij huishoudhulpen?

Ziet u een wisselwerking tussen het aantal huishoudhulpen dat langdurig uitvalt en de moeilijkheden die zij ervaren bij de erkenning van hun beroepsziekten?

Frank Vandenbroucke:

Merci pour ces questions absolument pertinentes.

Madame Désir, vous me demandez d'élargir la portée des codes 1.606.22 et 1.606.51, pour y inclure explicitement des travailleuses du secteur des titres-services et du nettoyage. Une telle modification n'est pas possible dans le cadre législatif actuel, car le régime des maladies professionnelles ne repose pas, comme dans d'autres pays, sur le tableau établissant un lien entre une profession et une maladie, mais bien sur la notion d'un lien causal entre une maladie précise et un risque professionnel. Ce dernier se caractérise par une exposition professionnelle à une influence nocive – par exemple des produits toxiques, le port de charges, des mouvements répétitifs et en force – d'une importance telle, en intensité, durée et fréquence, qu'elle est la cause déterminante de la maladie dont la reconnaissance est revendiquée.

L'exposition professionnelle doit par ailleurs être nettement supérieure à celle subie par la population générale. Les conditions de reconnaissance d'une maladie professionnelle prévoient des critères d'exposition précis qui doivent être communs à l'ensemble des travailleurs concernés, sous peine d'exclure certains travailleurs pourtant exposés à la même influence nocive, mais appartenant à d'autres groupes professionnels que ceux que vous désirez inclure explicitement.

Les critères utilisés sont fixés sur la base de l'avis du Conseil scientifique de l'Agence fédérale des risques professionnels (Fedris), fondé sur des revues de la littérature scientifique épidémiologique disponibles. Ceux-ci permettent d'une part de démontrer l'existence d'une exposition professionnelle nettement supérieure à celle de la population générale et le lien causal prépondérant entre cette exposition et le développement de la maladie, et, d'autre part, de qualifier et de quantifier les conditions d'exposition qui provoquent le développement de la maladie.

Une modification de ces critères d'exposition est conditionnée à l'existence dans la littérature scientifique publiée de nouveaux éléments de preuve épidémiologiques permettant de réviser les critères d'exposition. Cette question, comme d'autres, fait l'objet d'un suivi par les experts de la commission médicale orthopédie du Conseil scientifique qui, le cas échéant, soumettront au Conseil scientifique tout élément de preuve justifiant de modifier les critères actuels.

Fedris reste toutefois en dialogue actif avec les organisations syndicales à l'initiative de la campagne du secteur des titres-services et du nettoyage.

Vrij onlangs, op 7 oktober 2025, vond daarover een vergadering plaats. De analyse van de 115 ingestuurde aanvragen is nog niet volledig afgerond, maar het is inmiddels duidelijk dat een substantieel deel ervan kan worden erkend als beroepsziekte.

De meerderheid van de aanvragen betreft gevallen van tendinopathie aan de schouders. Een deel daarvan voldoet echter niet aan de criteria inzake professionele blootstelling zoals Fedris die momenteel hanteert op basis van de wetenschappelijke inzichten waar ik het daarnet over had.

La question de la détermination de l'exposition professionnelle fait partie d'une discussion plus large, engagée avec les partenaires sociaux, dans le cadre de la réflexion en cours sur l'évolution du régime des maladies professionnelles.

Enfin, Fedris examine actuellement la possibilité de développer des mesures de prévention secondaires pour ces secteurs. À ce sujet, je voudrais ajouter qu’en ce qui concerne les travailleurs et travailleuses des titres-services, il est avant tout nécessaire de prévenir l’apparition de problèmes de santé et qu’une bonne prévention primaire, qui demeure la compétence de l’employeur – en vertu de la loi sur le bien-être au travail –, est essentielle à cet égard.

C’est pourquoi Fedris se concertera avec le SPF Emploi, Travail et Concertation sociale, compétent en matière de prévention primaire, afin de mettre à sa disposition les informations détenues sur le secteur des titres ‑ services et du nettoyage.

Daarnaast heeft Fedris een secundair programma voor preventie van lage rugpijn, waarvan de werknemers in de sector kunnen profiteren. Momenteel wordt de mogelijkheid onderzocht om andere secundaire preventieprogramma’s te ontwikkelen.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse.

J’ai envie d’y voir des signaux encourageants car je sais que c’est une problématique qui vous tient à cœur. Vous en aviez parlé dans votre note de politique générale. Évidemment, je reste un peu sur ma faim car je pense que les choses n’évoluent pas assez vite en la matière.

Il suffit de parler avec n’importe quel travailleuse du secteur des titres ‑ services pour constater qu ’ apr è s 10 ou 20 ans de travail, leur corps ne suit plus. Elles sont litt é ralement fichues en l'air. La prévention est donc importante. Nous en avons largement discuté lors du débat sur les maladies de longue durée. Il est évident qu’il faut améliorer leurs conditions de travail si l’on veut éviter que de nouveaux troubles apparaissent chez les travailleuses à l’avenir.

Nous faisons aussi face à un problème de reconnaissance des maladies professionnelles. Aujourd’hui, trop peu de travailleuses sont reconnues comme malades en raison de leurs conditions de travail dans le système actuel de Fedris. J’aimerais que nous puissions avancer plus rapidement sur cette question car il s’agit d’un véritable enjeu, trop généralisé dans ce secteur pour que ce soit un hasard.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, poetshulpen hebben een zeer specifieke job. Zij kunnen zich moeilijk organiseren in de vakbond, aangezien ze geen vaste werkplaats hebben. Ze zijn vaak afhankelijk van materiaal en producten die de gezinnen ter beschikking stellen. Mijn poetshulp Lucie-Maria valt ook regelmatig ziek uit door het carpaletunnelsyndroom. Ze heeft daarvoor al twee of drie keer een operatie ondergaan. Soms moeten we haar met pijn in het hart enkele maanden missen. Ze komt echter altijd terug, hoewel ze nog altijd pijn heeft en last ondervindt. We proberen haar te helpen, maar ze moet aan de slag gaan. Ze werkt al met pijn en op een bepaald moment lukt het niet meer. Wij vinden dat Fedris veel te streng is, aangezien de bewijslast volledig bij de poetshulpen zelf ligt. De poetshulpen worden onvoldoende ondersteund. Recent berichtten de Vlaamse media over de subsidiefraude bij opleidingen. Dat gebeurt ook volop in de poetshulpsector. Mijn poetshulp werkt voor een van de bedrijven die nu geviseerd wordt wegens opleidingsfraude. Ik zal haar de volgende keer vragen hoe vaak zij al opleiding heeft gekregen in haar carrière. Ik vermoed dat dat zeer weinig is, maar wie weet hoeveel opleidingen op papier ze al heeft gevolgd. Daaruit concluderen wij dat die mensen wel degelijk zijn opgeleid om preventief aan de slag te gaan. Eigenlijk weet ze ook niet bij wie ze terechtkan als er iets gebeurt bij een klant of als er slecht materiaal ter beschikking wordt gesteld; dat weet ze allemaal niet. Er zijn dus nog heel veel stappen te zetten om die groep beter te beschermen.

De loskoppeling van de sociale zekerheid van overeenkomsten voor beroepsomscholing en -opleiding

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De afschaffing van sociale zekerheidsbijdragen voor CAP/CFP-contracten (voor personen met een handicap) via het KB van 2017 ontneemt hen rechten (vakantiegeld, werkloosheid, pensioen) en ondermijnt hun arbeidsmarktintegratie, ondanks dat deze contracten als kruispunt tussen opleiding en werk fungeren. Minister Vandenbroucke verdedigt de maatregel door te benadrukken dat het om opleidingsvergoedingen (geen loon) gaat en wijst op technische belemmeringen (onduidelijk doelgroep, te lage uitkeringen voor rechtenopbouw), maar erkent wel accidentverzekering als alternatief. Hansez blijft staan op herstel van de bijdrageplicht als fundamentele voorwaarde voor gelijkheid en waardigheid, en noemt de huidige situatie een grijze zone die precariteit in stand houdt in plaats van een duurzame opstap naar werk. De kernspanning draait om rechten vs. juridische definities (opleiding vs. arbeid).

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, je vais vous parler du non-assujettissement à la sécurité sociale des contrats d'adaptation ou de réadaptation professionnelle (CAP) et des contrats de formation professionnelle (CFP) conclus par des personnes en situation de handicap qui ne sont, depuis l'arrêté royal du 15 octobre 2017, plus assujetties à la sécurité sociale.

Le Conseil National du Travail (CNT), appuyé par Unia, a clairement mis en évidence les conséquences négatives de cette mesure: perte de droit aux vacances annuelles, perte de droit au chômage, à l'invalidité, à la pension. Cela réduit l'attractivité de ces contrats et contribue à leur diminution, alors même qu'ils constituent souvent un levier indispensable pour l'inclusion de ces personnes en situation de handicap sur le marché du travail.

Au-delà des effets concrets, cette suppression interroge au regard des principes constitutionnels d'égalité et de non-discrimination, du principe de standstill en matière de droits sociaux (article 23 de la Constitution) et des engagements européens et internationaux de la Belgique, notamment la directive européenne 2000/78 et la convention des Nations Unies relative aux droits des personnes handicapées.

Monsieur le ministre, reconnaissez-vous que la suppression de l'arrêté royal de 2017 a entraîné un recul significatif des droits sociaux des personnes en situation de handicap, et qu'elle fragilise par là leurs chances d'insertion professionnelle? Êtes-vous disposé à rétablir l'assujettissement à la sécurité sociale pour ces contrats, au moins pour l'avenir, et, concrètement, pour quelle année?

Frank Vandenbroucke:

Madame Hansez, la suppression de 2017 connaît une longue histoire. Avant l'arrêté royal du 28 novembre 1969, pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté royal de décembre 1944, l'arrêté ONSS prévoyait à l'article 3, 6° et 7° une extension de l'application de la réglementation ONSS aux personnes en situation de handicap et aux personnes valides ayant signé un contrat de formation ou de réadaptation professionnelle. Ces dispositions ont causé des problèmes de perception pendant de nombreuses années. Sur la base de l'article 3, 6° de l'arrêté ONSS, l'ONSS a toujours réclamé le paiement des cotisations sociales sur les indemnités perçues par les personnes en situation de handicap dans le cadre de leur formation. Les institutions régionales pour les personnes en situation de handicap considéraient que seules celles qui ne bénéficiaient pas d'allocation de chômage, d'indemnité de maladie ou d'invalidité ou encore d'allocation aux personnes handicapées devaient payer des cotisations sociales.

À un stade ultérieur de ces litiges, ces institutions ont fait valoir que les travailleurs valides ayant un contrat de formation ou de reconversion professionnelle et les travailleurs non valides disposant d'un tel contrat n'étaient pas traités sur un pied d'égalité. En effet, depuis la régionalisation des services de l'emploi, l'ONSS ne perçoit plus de cotisations sociales pour les chômeurs valides ayant un contrat de formation professionnelle. L'ONSS a accepté cet argument, et toutes les poursuites en cours ont été abandonnées.

Afin de garantir une sécurité juridique, l'arrêté royal du 15 octobre 2017 a abrogé l'article 3, 6° et 7° de l'arrêté ONSS. Par conséquent, ces personnes ne sont plus soumises à la sécurité sociale. Leurs employeurs ne doivent plus payer de cotisations sociales sur les indemnités de formation versées, mais les intéressés ne se constituent plus de droits sociaux non plus. Toutefois, une assurance contre les accidents de travail a été prévue pour couvrir les éventuels accidents sur le lieu d'apprentissage.

Je tiens à souligner que le contrat d'adaptation professionnelle est avant tout une formation visant à permettre aux personnes de renforcer leurs compétences, ce qui facilite l'accès à l'emploi. Il s'agit d'une formation par la pratique, sous la responsabilité de l'entreprise, qui débouche idéalement sur un emploi par la suite. Les personnes concernées reçoivent une indemnité qui n'est pas considérée comme un salaire. Nous nous trouvons donc dans le contexte d'un contrat de formation et non pas dans le contexte d'un contrat de travail. Par conséquent, les personnes qui acquièrent une expérience pratique dans le cadre d'un contrat de formation ne sont pas assujetties à la sécurité sociale et ne se constituent pas de droits sociaux en tant que tels. En revanche, les personnes qui fournissent des prestations professionnelles dans le cadre de leur stage sont censées travailler avec un contrat de travail et ces activités sont en effet toujours soumises à la sécurité sociale.

La constitution ou non de droits sociaux est indépendante de la présence ou non d'un handicap chez les personnes. Elle est évaluée en fonction de l'existence d'un contrat de formation ou d'un contrat de travail. Si une personne handicapée ne sait pas travailler ou doit travailler moins, elle peut toujours demander une allocation de remplacement de revenus.

Le dossier a été examiné in extenso par le SPF Sécurité sociale en collaboration avec plusieurs institutions publiques de sécurité sociale (IPSS). Il a été étudié sous différents angles. Premièrement, les possibilités en matière d'assujettissement général ont été examinées. À cette fin, le SPF Sécurité sociale a collaboré avec l'ONSS. Par la suite, la question a été examinée sous un autre angle. On a cherché à savoir s'il était possible de préserver les droits de ce groupe d'assurés sociaux par le biais d'une couverture dans les différentes branches de la sécurité sociale.

De manière générale, on a dû constater, lors de ces examens, qu'il s'avère très difficile, voire impossible de déterminer le groupe cible en raison des dispositions en vigueur dans les Régions. Il en est de même pour la base de calcul. De plus, il apparaît que les employeurs concernés ont déjà estimé par le passé qu'il n'était pas question de travail ni de salaire et qu'aucune cotisation de sécurité sociale n'était due.

Enfin, il faut également remarquer que la base de calcul doit atteindre un niveau minimal afin de pouvoir acquérir des droits sociaux. Il semble que les indemnités octroyées n'atteignent pas ce niveau nécessaire.

Isabelle Hansez:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse et cet historique législatif, ainsi que pour l'attention que vous portez à cette problématique, qui est souvent méconnue. Les constats du CNT et d'Unia sont pourtant sans équivoque. La mesure de 2017 a pour effet de fragiliser les droits sociaux des personnes qui cherchent justement à s'insérer durablement sur le marché du travail, malgré toutes les difficultés qu'elles peuvent rencontrer de par leur situation de handicap. Rétablir l'assujettissement à la sécurité sociale pour les contrats d'adaptation et de formation n'est pas pour nous seulement une question technique, mais une question de dignité et d'égalité des chances pour ces personnes qui sont touchées par le handicap. Ces contrats doivent redevenir un tremplin vers l'emploi, vous l'avez précisé, mais ce serait bien que ce ne soit pas une zone grise entre formation et précarité.

De impact van de arbeidsmarkthervorming op de uitval en de langdurig zieken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat de regering nog onderhandelt over uitbreiding van nachtarbeid, waarbij gezondheidsrisico’s (kanker, hartziekten, mentale problemen) en fiscale voordelen (€2,5 mjd) centraal staan, maar stelt dat nachtarbeid economisch onvermijdelijk blijft. Hij wijst op een bonus-malussysteem om werkgevers financieel verantwoordelijk te maken voor gezondheidsschade, maar Van Lysebettens dringt aan op preventieve beperking (alleen essentiële sectoren) en kritiseert het curatieve karakter van het systeem. Sociale partners en sectoren moeten betrokken worden, maar concrete maatregelen of extra budgetten ontbreken nog. De spanning blijft tussen economische noodzaak en volksgezondheid, zonder duidelijke oplossing.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, het zomerakkoord breidt in ieder geval de nachtarbeid uit. Het is mij niet meer helemaal duidelijk in welke mate en ik heb begrepen dat het ook de regering niet langer duidelijk is. In elk geval heeft nachtarbeid een negatieve impact op de volksgezondheid. Uit talloze wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat er een direct verband bestaat tussen deze vorm van arbeid en geestelijke gezondheid, slaapstoornissen, spijsverteringsproblemen, cardiovasculaire aandoeningen, diabetes en verschillende vormen van kanker.

Bovendien blijkt uit een omzendbrief van uw collega-minister Jambon van deze zomer dat hij het fiscaal voordeel voor ploegen- en nachtarbeid wil blijven garanderen, hoewel dat mogelijk 2,5 miljard euro kan opbrengen, dit terwijl er tegelijkertijd wordt bespaard op de sociale zekerheid en de gezondheidszorg en er aan de andere kant dus extra lasten worden gecreëerd.

Hoe evalueert u als minister van Gezondheid de link tussen nachtarbeid en langdurige ziekte?

Verwacht u dat de versoepeling van nachtarbeid en het gunstige fiscale regime ertoe zullen leiden dat er meer nachtarbeid wordt verricht en dat daardoor het aantal langdurig zieken zal toenemen?

Werkt u aan een preventief actieplan om de impact op de gezondheid van extra nachtwerk te beperken? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Welke rol ziet u voor de bedrijven en sociale partners en hoe zal de regering hen daarin ondersteunen?

Gezien de toename van nachtwerk en de daaruit voortvloeiende gezondheidsproblemen zal ook het budget van de sociale zekerheid onder druk komen. Overweegt u bij de huidige begrotingsbesprekingen daar extra middelen voor te vragen, bijvoorbeeld door ze te financieren via een verminderd fiscaal voordeel voor de bedrijven of via het bonus-malussysteem dat u in een van de vorige debatten noemde?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Van Lysebettens, we zijn binnen de regering eigenlijk nog in overleg over de hervorming van de arbeidsmarkt inzake nachtarbeid. Het is immers een gevoelige kwestie, omdat het zowel gaat over het recht op bijkomende premies voor wie nachtarbeid verricht, als over de garantie dat mensen die daar vandaag recht op hebben dat recht ook behouden. Dat vind ik zeer belangrijk. Het gaat om een correcte vergoeding voor een meer penibele arbeidsomstandigheid, namelijk ’s nachts werken. Daarnaast betreft het de procedures van sociaal overleg die bepalen of nachtwerk al dan niet wordt georganiseerd en dus de invloed die de vakbonden daarop hebben. We zullen daarin hervormen, maar er moet een goed evenwicht behouden blijven. Het debat gaat ook over de notie van nachtarbeid zelf en over de sectoren waarin dit al dan niet mogelijk is.

Het blijft een gevoelige kwestie, omdat het eveneens een gezondheidsaspect heeft. Ik kan niet vooruitlopen op wat de regering daarover uiteindelijk zal beslissen. Dat kan en mag ik niet, aangezien het ook onder de bevoegdheid van een collega-minister valt.

Ik ben het wel met u eens dat gezondheid hier een onderdeel van de overwegingen moet zijn. Anderzijds kan ons economisch systeem niet zonder een zekere mate van nachtarbeid. U slaat de nagel op de kop wanneer u zegt dat het bonus-malussysteem, zoals ik dat voor ogen heb voor werkgevers, ook een deel van het antwoord kan vormen. Als sectoren en bedrijven waarin veel nachtarbeid voorkomt ook die zijn waar veel werknemers uitvallen en langdurig afwezig blijven, dan zullen zij dat met zo’n bonus-malussysteem natuurlijk voelen. Dat lijkt mij ook correct. Dat maakt inderdaad deel uit van het debat.

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel, minister, voor uw antwoord.

Ik begrijp uiteraard dat u niet wilt vooruitlopen op de lopende discussies binnen de regering. Ik wil graag meegeven – en u kunt dat meenemen in die gesprekken – dat de integratie van dit thema in het bonus-malussysteem op zich geen slecht idee is. Toch is dat systeem vooral curatief, want men grijpt pas in wanneer men vaststelt dat vele werknemers gezondheidsproblemen ondervinden als gevolg van een nachtwerkregime. Er moeten uiteraard ook preventieve maatregelen worden genomen, zodat de malus zich hopelijk niet voordoet. Ik wil u vragen om daar zeker aandacht aan te besteden.

Als u het mij vraagt, moeten we nachtarbeid beperken tot de hoogstnodige sectoren in ons economische systeem en het regime niet uitbreiden. Dat is de beste preventieve maatregel die we kunnen nemen.

Voorzitter:

La question n° 56008524C de M. Vincent Van Quickenborne est transformée en question écrite.

De gevolgen van de beperking van de werkloosheidsuitkering voor de toegang tot gezondheidszorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (2026) dreigt chômeurs hun zorgrechten te ontnemen door verlies van de "gecontroleerde werkloosheidsstatus". Minister Vandenbroucke belooft automatische statusswitch (naar "ingezetene-titularis") voor BIM-gerechtigden en een tweejarige overgangsperiode (effect pas in 2028), terwijl mutualiteiten proactief andere chômeurs moeten waarschuwen. Een geautomatiseerd datadeelproces tussen ONEM en mutualiteiten (via INAMI) is in voorbereiding om administratieve leemtes te voorkomen, maar vereist nog regelgevend kader en BCSS-goedkeuring. Désir benadrukt dat niemand tussen wal en schip mag vallen, vooral niet door "dubbele straf" bij uitkeringsverlies.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, la loi-programme du 18 juillet 2025 limite dans le temps le droit aux allocations complètes de chômage avec une entrée en vigueur progressive à partir du 1 er janvier 2026. Cette réforme aura pour conséquence que de nombreux chômeurs vont perdre leurs allocations et de ce fait également leur qualité de titulaire chômeur contrôlé au sens de l'article 32 de la loi A.M.I. coordonnée. Ce qui fait que sans démarche proactive de leur part, ces personnes risquent de perdre leur droit aux soins de santé, ce qui serait évidemment un drame supplémentaire lié à leur exclusion du chômage.

Monsieur le ministre, j'ai trois questions simples. Quels sont les moyens concrets que le gouvernement mettra en place pour s'assurer qu'aucun chômeur ne perde son droit aux soins de santé du fait de la réforme des allocations de chômage? Comment comptez-vous automatiser au maximum le processus de changement et limiter la charge administrative pour les futurs exclus du chômage, mais également pour les mutualités? Un échange de données automatisé entre l'ONEM et les mutualités existe-t-il aujourd'hui pour permettre un accompagnement efficace par les mutualités des personnes qui seront exclues afin qu'elles conservent leur accès aux soins de santé? Sinon, cet échange de données pourrait-il être mis en place et selon quelle échéance?

Frank Vandenbroucke:

Ce sont des questions importantes. Le gouvernement prévoit plusieurs mesures pour garantir qu'aucun chômeur ne perde l'accès aux soins de santé à cause de la réforme. L'assurabilité en soins de santé est calculée sur la base de la situation des deux ans précédents. Ainsi, la perte d'allocations de chômage en 2026 n'aurait d'effet qu'en 2028. Les personnes concernées devront alors changer de statut, de titulaire chômeur contrôlé à titulaire résident.

Pour éviter toute rupture de droits, une conversion automatique du statut sera appliquée aux chômeurs bénéficiant de l'intervention majorée. Ils deviendront d'office titulaires résidents, sans démarche supplémentaire de leur part. Un arrêté royal modifiant les articles 252 et 276 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 est en préparation et a été approuvé par le Comité de l'assurance de l'INAMI le 29 septembre dernier.

Pour les chômeurs sans intervention majorée, il est proposé que les mutualités les contactent de manière proactive afin de les informer à temps de l’impact de la perte de leur allocation sur leur assurabilité ainsi que des démarches administratives nécessaires pour modifier leur qualité et conserver leurs droits aux soins de santé.

En ce qui concerne votre deuxième et troisième questions, un changement automatique de qualité est prévu pour les bénéficiaires de l’intervention majorée. Cela réduira considérablement la charge administrative, tant pour les futurs exclus du chômage concernés que pour les mutualités. Le traitement manuel des dossiers n'étant pas requis pour ce groupe, les mutualités pourront ainsi consacrer leurs moyens au traitement des dossiers d’autres chômeurs.

Une condition nécessaire à cette simplification administrative est la mise en place d’un échange de données adéquat et rapide entre l’ONEM et les organismes assureurs. C’est pourquoi l’INAMI examine avec l’ONEM, les organismes assureurs et la Banque Carrefour de la Sécurité Sociale la manière dont la date de cessation des allocations de chômage pourrait être communiquée aux mutualités dès que l’information sur la perte du droit aux allocations est disponible.

L’objectif est de parvenir à un échange de données permanent, structurel et complètement automatisé afin que les mutualités soient informées en temps utile et puissent prendre les mesures nécessaires en matière d’assurabilité. Pour l’implémentation effective de ce flux d’informations, un cadre réglementaire – qui fait l’objet du projet d’arrêté royal susvisé – ainsi qu’une autorisation du comité de sécurité de l’information de la Banque Carrefour sont nécessaires.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse qui me rassure sur deux points importants. Il s'agit, d'une part, des deux ans qui permettent de se retourner et, d'autre part, de l'attribution automatique du statut BIM à ses bénéficiaires. C'est évidemment rassurant. Pour la troisième question, nous suivrons évidemment les possibilités d'obtenir cet échange de données entre l'ONEM et les mutualités, au travers de travaux de l'INAMI. Il est essentiel que personne n'échappe aux mailles du filet, puisqu'il faut éviter la double peine dans les conséquences de cette réforme des allocations de chômage. Il faudrait évidemment éviter à tout prix que qui que ce soit perde des droits aux soins de santé.

De werkloosheidshervorming en het armoederisico voor mensen met een arbeidsbeperking

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vanaf januari 2026 verliezen 25.000 langdurig werklozen (waarvan 10.000 niet-toeleidbaar door arbeidsbeperkingen) hun uitkering, wat armoederisico’s verergert. Minister Vandenbroucke bevestigde een tijdelijke uitzondering voor 2.000 niet-toeleidbaren met een beschermingsuitkering, maar streeft naar uitbreiding tot 2028, afhankelijk van onderhandelingen met collega Clarinval. OCMW’s en sociale economie (met slechts 1.000 extra Vlaamse plaatsen) kunnen de instroom niet opvangen, terwijl een structureel alternatief statuut ontbreekt. De minister erkent dat armoedebestrijding en systeemaanpassingen dringend nodig zijn, maar concrete oplossingen blijven onzeker.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, heeft uw collega Beenders vanochtend hier in de commissie al enige toelichting gegeven. Aangezien wij beiden toen in een andere commissie aanwezig waren, stel ik mijn vragen toch opnieuw.

In januari 2026 gaan de eerste hervormingen van start inzake de beperking van de werkloosheid in de tijd. Personen die langer dan twintig jaar werkloos zijn, zullen hun werkloosheidsuitkering verliezen. Volgens recente cijfers die minister Clarinval eveneens hier in de commissie deelde, gaat het om ongeveer 25.000 personen.

Voor Vlaanderen blijkt uit cijfers en verklaringen van de VDAB dat ongeveer de helft van hen een arbeidsbeperking heeft, waardoor velen van hen niet in staat zijn om te werken. Het is erg waarschijnlijk dat die ratio in andere regio’s vergelijkbaar is. Ik heb dan ook de hiernavolgende vragen.

Over hoeveel personen met een arbeidsbeperking gaat het in heel België?

Het OCMW zal voortaan worden gevraagd om mensen te activeren. Een deel van de financiering zal daarvan afhangen. In het wetsontwerp van uw collega Van Bossuyt wordt een bonus-malussysteem ingevoerd. Aangezien de VDAB die mensen niet heeft geactiveerd en nu zelf aangeeft dat velen niet in staat zijn om te werken, hoe groot acht u dan de kans dat het OCMW hen wel zal kunnen helpen om werk te vinden? Wat is de impact daarvan op hun financiering?

Kunt u met betrekking tot werk verduidelijken hoe die groep met een geïndiceerde arbeidsbeperking een job zal krijgen in de sociale economie? Zal het aantal beschikbare plaatsen daarvoor voldoende zijn? Het Vlaamse regeerakkoord voorziet immers slechts in 1.000 extra plaatsen in de sociale economie.

Hoeveel plaatsen zal de federale overheid helpen creëren bovenop die aangekondigde plaatsen? Hoe zit dat in Wallonië en Brussel?

Velen zijn, zoals ik al aangaf, zelfs niet-toeleidbaar naar maatwerk. In haar antwoord op een vraag van mijn collega Platteau antwoordde minister Demir dat zij hoopte dat de federale overheid dat zou vaststellen en een statuut zou uitwerken buiten de werkloosheid om. Hoe en wanneer zult u met die oproep aan de slag gaan?

Voorlopig bestaat er nog geen apart statuut. Vele betrokkenen zullen aangewezen zijn op een heel beperkt leefloon en dus inkomsten verliezen. Zij leven door hun arbeidsbeperking al in precaire omstandigheden. Ik vrees dan ook dat de armoede nog zal toenemen. Hoe zult u als minister van Armoedebestrijding met die uitdaging omgaan?

Frank Vandenbroucke:

De federale regering heeft inderdaad het recht op werkloosheidsuitkeringen tot maximaal 2 jaar beperkt. Mijn collega, Rob Beenders, en ik hebben bij de uitwerking van die hervorming echt wel gevochten om een uitzondering te krijgen voor wat men de niet-toeleidbare groep noemt. Ik meen dat we het daarnet al even over gehad hebben met mevrouw Lanjri, in het actuadebat. Mevrouw Lanjri heeft dat ook vanochtend aangekaart in een vraag aan de heer Beenders.

We hebben nu een uitzondering bekomen voor de niet-toeleidbaren die een beschermingsuitkering krijgen. Dat gaat over een heel specifieke, beperkte doelgroep van hoofdzakelijk jongeren die na een periode met een inschakelingsuitkering het statuut niet-toeleidbaar verkrijgen en die dus een zogenaamde beschermingsuitkering ontvangen. Dat zijn een 2.000-tal mensen. Er is een uitzondering voor die groep, in afwachting van een specifieke oplossing, die we zouden moeten kunnen ontwikkelen tegen 2028. We zijn samen aan het bekijken hoe die specifieke oplossing er zou kunnen uitzien.

Nu is er binnen de werkloosheidsuitkering inderdaad de grotere groep niet-toeleidbare mensen die het moeilijk hebben duurzaam aan het werk te gaan. Het gaat dan over mensen die recht hebben op een werkloosheidsuitkering, maar na een periode van tewerkstelling moeilijkheden ondervinden door een handicap, medisch of psychosociaal. Volgens de cijfers van de RVA gaat het over een 10.000-tal mensen. Vaak zitten die mensen in een specifiek begeleidingstraject binnen de bevoegde arbeidsbemiddelingsdienst.

Mevrouw Lanjri zei dat ze die cijfers niet zo goed begrijpt, omdat ze meent dat men op het Vlaamse niveau andere cijfers hanteert. Dat moet ik onderzoeken. Maar hoe dan ook, ik heb deze kwestie opnieuw ter sprake gebracht in de schoot van de federale regering, want ik deel die bezorgdheid.

Ik stel samen met mijn collega, Rob Beenders, voor de toegang tot de beschermingsuitkering uit te breiden tot de hele groep niet-toeleidbaren. Dit zou betekenen dat we die groep kunnen beschermen tot 2028 en dat we dan een globale oplossing voor de hele groep zullen kunnen toepassen. Dat is echter iets dat ik nog moet bespreken in de regering en met name met mijn collega bevoegd voor Werk, minister Clarinval.

Als er niets gebeurt, zal die groep geleidelijk instromen in de OCMW’s of in de arbeidsongeschiktheidsverzekering, afhankelijk van hun problematiek. Een deel van de groep kan misschien erkend worden als persoon met een handicap, maar voorspellingen of exacte inschattingen over de systemen waarin die mensen terecht zouden kunnen, heeft de RVA op dit ogenblik nog niet gemaakt. Er is dus nog werk aan de winkel, zoals u terecht zegt.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, hebt u reeds een uitzondering bekomen voor een kleine groep van de niet-toeleidbaren die aan bepaalde voorwaarden voldoen. U zei dat de totale groep ongeveer 10.000 mensen telt. Hebt u cijfers over die kleine groep?

Frank Vandenbroucke:

Dat gaat over ongeveer 2.000 mensen.

Jeroen Van Lysebettens:

Ik volg het samen met u verder op. Zoals u zegt, er is nog werk aan de winkel. La réunion publique de commission est levée à 17 h 02. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.

De betrokkenheid van minderjarigen bij drugsmisdrijven
De samenwerking met Nederland in het kader van de strijd tegen de drugscriminaliteit
Jeugdcriminaliteit en grensoverschrijdende aanpak van drugshandel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toename van minderjarigen in drugsmisdrijven, vooral in de Antwerpse haven, waar jongeren (soms onder de 13) als goedkope, gewapende pionnen door bendes worden misbruikt. Minister Verlinden benadrukt preventie (weerbaarheid, UNODC-programma’s) en een verschuiving van daderschap naar slachtofferschap, met focus op herstel en samenwerking (o.a. met Nederland via havenveiligheid en Europese digitale rekruteringsbestrijding), maar erkent dat repressie (zoals strengere straffen voor uitbuiters) nodig blijft. Critici (De Wit, Dillen) eisen hardere maatregelen: lagere leeftijdsgrens voor uithandengeving, intensievere grensoverschrijdende repressie en een bredere aanpak dan louter preventie, gezien de winstgevende drugseconomie en escalerend geweld bij jeugdcriminaliteit.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, de recente cijfers – en dat blijkt ook uit verschillende mediaberichten – tonen een alarmerende trend: steeds meer minderjarigen worden betrokken bij drugsmisdrijven. Zo duiken bijvoorbeeld bij de uithalers in de Antwerpse haven almaar vaker minderjarigen op.

Opvallend is dat dit gebeurt terwijl het totale aantal jeugddelicten het voorbije jaar net lichtjes is gedaald. Dat toont aan dat het aandeel van drugsfeiten binnen de jeugddelinquentie toeneemt en dat is zorgwekkend. Zeer opvallend is bovendien dat soms erg jonge kinderen – jongeren van nog geen twaalf of dertien jaar – steeds vaker in beeld komen.

Jeugdrechters signaleren dat jongeren vaker gewapend rondlopen, terwijl drugsbendes kwetsbare kinderen ronselen en misbruiken als goedkope pionnen in hun criminele activiteiten. Die evolutie, mevrouw de minister, dreigt niet alleen de veiligheid in onze samenleving te ondermijnen, maar ook de toekomstkansen van een hele generatie jongeren te hypothekeren. Daarop moet uiteraard een kordaat en structureel antwoord volgen.

Hoe beoordeelt u de evolutie dat steeds meer minderjarigen opduiken in dossiers van drugsmisdrijven? Hoe kan volgens u een beter onderscheid worden gemaakt tussen minderjarigen die in zulke dossiers eerder als slachtoffer van criminele uitbuiting optreden en zij die als dader fungeren?

Hoe werken de federale politie en de parketten samen om de netwerken die jongeren ronselen in kaart te brengen en te vervolgen? Welke federale instrumenten bestaan er vandaag om te vermijden dat jongeren door drugsbendes worden misbruikt? Acht u die toereikend?

Tot slot, welke bijkomende maatregelen overweegt u om jongeren beter te beschermen tegen criminele uitbuiting in het drugsmilieu, in het bijzonder in de Antwerpse haven?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, op het ogenblik van het indienen van mijn vraag enkele weken geleden, waren er al bijna 200 uithalers gepakt in Antwerpen, van wie ongeveer 40 minderjarigen. Een vaststelling was dat hierbij zeer veel Nederlanders betrokken waren.

Dat is bijzonder alarmerend, mevrouw de minister. Nederland waarschuwde dat er nog honderden klaarstaan om naar Antwerpen te komen en hier toe te slaan in de drugcriminaliteit. Er is dan ook dringend nood aan een betere en verhoogde samenwerking met Nederland om de drugcriminaliteit aan te pakken en te voorkomen dat jonge Nederlanders hier zullen toeslaan, vandaar mijn vraag.

Welke initiatieven hebt u inmiddels genomen om de samenwerking met Nederland op dit vlak te verbeteren en structureel aan te pakken? Wat is de stand van zaken betreffende de huidige samenwerking? Kunt u een overzicht geven van de concrete acties die gezamenlijk zijn gevoerd en wat de resultaten daarvan zijn? Wordt er werk gemaakt van een structurele gegevensuitwisseling tussen de Nederlandse en de Belgische veiligheidsdiensten? Tot slot, plant u nog verdere initiatieven om te vermijden dat deze ernstige problematiek blijft toenemen?

Annelies Verlinden:

Collega's, bij het interpreteren van cijfers over jeugdcriminaliteit is voorzichtigheid geboden, want politie- en justitiestatistieken tonen gerapporteerde feiten en moeten daarom worden aangevuld met gegevens uit slachtofferbevragingen en zelfgerapporteerde criminaliteit. Toch valt op dat steeds jongere kinderen, soms 12 of 13 jaar oud, betrokken raken bij ernstige misdrijven gelinkt aan de georganiseerde criminaliteit.

Die vaststelling is bijzonder zorgwekkend, omdat wetenschappelijk onderzoek aantoont dat hoe jonger iemand begint met het plegen van misdrijven, hoe langer die persoon ermee zal doorgaan en hoe groter de kans is dat dit levenslang zal zijn. Het onderscheid tussen dader en slachtoffer is bij jongeren vaak niet zwart-wit. Jongeren die door criminele organisaties worden gerekruteerd, zijn kwetsbaar en missen beschermende factoren. Ze zijn zowel slachtoffer van rekrutering als dader van strafbare feiten.

In het vervolgtraject van deze jongeren wordt vaak wel een onderscheid verwacht, maar dat is dus niet mogelijk. Onze kijk moet fundamenteel veranderen van jeugddelinquent naar slachtoffer van criminele rekrutering. Door te focussen op slachtofferschap kunnen we ook inzetten op herstel en bescherming, schoolherintegratie, een zinvolle dagbesteding en een veilige leefomgeving.

Dat sluit uiteraard strafsancties niet uit, zoals gemeenschapsdienst of een tijdelijk verblijf in een gesloten instelling, maar biedt meer perspectief dan louter repressieve maatregelen die alleen focussen op het daderschap, zoals het verlagen van de leeftijdsgrens voor uithandengeving.

Om rekrutering te voorkomen, moeten we België minder aantrekkelijk maken voor criminele organisaties en jongeren weerbaar maken. Preventie is cruciaal en de meest doeltreffende vorm richt zich niet op drugs zelf, maar op levensvaardigheden zoals emotiebeheersing, weerstaan aan drugs en conflictoplossing.

Momenteel wordt het toonaangevende programma van het United Nations Office on Drugs and Crime (UNODC), Line Up Live Up , als proefproject uitgerold in Antwerpen. Dit wordt opgevolgd door experten in de preventiewetenschap en door het Nationaal Drugscommissariaat. Inspanningen van alle beleidsniveaus zijn nodig.

Er bestaan al initiatieven, zoals strengere straffen voor het inzetten van jongeren door criminele organisaties en het Drugsfonds dat middelen vrijmaakt voor politie en justitie. Een structurele, multidisciplinaire aanpak die inzet op preventie, jongerenbescherming en digitale regulering is nodig. Daarbij worden alle departementen betrokken: Onderwijs, Armoedebestrijding, Welzijn, Jeugd enzovoort.

We onderzoeken ook in welke mate decriminaliseringstrajecten op lokaal niveau kunnen worden ontwikkeld, naar analogie van deradicaliseringstrajecten, gelet op de evidente parallellen.

Daarnaast vormen havens een belangrijke draaischijf in het verdienmodel van criminele organisaties. De havens van Rotterdam, Antwerpen en Hamburg wisselen strategische informatie uit om de havenveiligheid te verbeteren via het Port Security Steering Committee.

De samenwerking richt zich op de consistente toepassing van de International Ship and Port Facility Security Code en op containerveiligheid. Het comité ontwikkelt momenteel in samenwerking met Europol een gemeenschappelijk dreigingsbeeld op basis van een vastgelegde template. Er is intensieve samenwerking tussen de politie- en justitiediensten van België en Nederland en er werden concrete afspraken gemaakt. Het is immers de bedoeling dat jongeren die in het buitenland betrapt worden op het plegen van strafbare feiten, zo snel mogelijk worden overgebracht naar het land waarin ze wonen. Op die manier staat het belang van de jongeren voorop en worden de diensten die betrokken zijn bij de opvang en begeleiding van die minderjarigen hier niet langer dan noodzakelijk mee belast.

Een van de concrete acties met betrekking tot dat overleg is de stedendialoog tussen Vlaanderen en Nederland. Die vond plaats op 20 maart, met als centraal thema de grensoverschrijdende jeugdcriminaliteit. Ook op Europees niveau moet werk worden gemaakt van de aanpak van online rekrutering via sociale media. Via de Coalition of the Seven Against Organized Crime wordt gewerkt aan een Europese aanpak tegen rekrutering via sociale media, met samenwerking tussen de ministers van Justitie, Digitale Zaken, Jeugd en Binnenlandse Zaken. Door gezamenlijke richtlijnen, gegevensuitwisseling en preventiecampagnes kunnen jongeren beter worden beschermd en criminele netwerken sneller worden aangepakt, met respect voor de privacy. De problematiek van de rekrutering van jongeren, zowel offline als online, zal ook deel uitmaken van het nieuwe actieplan van voormelde coalitie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik begrijp uiteraard dat de nadruk wordt gelegd op preventie. Die is ook belangrijk, maar daarmee alleen zullen we het niet opgelost krijgen, meen ik.

Zolang er veel geld verdiend kan worden met drugstrafiek en de verkoop van drugs, zal men dit symptoom blijven krijgen. Waarom zet men minderjarigen in? Omdat het straffen van jongeren natuurlijk minder evident is. Ik meen dat er een veel ruimere aanpak nodig is. We moeten dit zeker internationaal bekijken en we moeten de samenwerking met Nederland echt verder op poten zetten om te vermijden dat men de grens oversteekt om hier dingen te doen terwijl men zich beter thuis met veiliger zaken zou bezighouden.

Er is nog veel werk aan de winkel.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Jongeren weerbaar maken, meer aandacht schenken aan preventie, meer aandacht binnen het onderwijs enzovoort. Dat zijn allemaal mooie zaken, los van het feit dat ze uw bevoegdheid niet zijn maar die van de gemeenschappen.

U kunt er toch niet omheen, mevrouw de minister, dat de criminaliteit bij jongeren angstwekkend blijft stijgen en steeds zwaarder wordt, trouwens niet alleen inzake drugsdossiers, maar ook inzake zware geweldsdelicten. We worden er helaas bijna dagelijks mee geconfronteerd.

Voor deze jongeren is preventie echt niet het juiste antwoord, mevrouw de minister. Het is niet de oplossing, zeker niet bij recidive. Ik durf dan ook pleiten voor een ruimere aanpak en ook voor een verlaging van de leeftijd voor de uithandengeving van zwaar criminele jongeren.

Voorzitter:

La question n° 56009101C de M. Hervé Cornillie est transformée en question écrite.

Het zoveelste gewelddadige incident in de drugsvrije afdeling van de gevangenis van Hasselt

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De overbevolking (142% capaciteit), drugproblematiek en personeelstekort (41 vacatures) in de gevangenis van Hasselt leiden tot geweld en onveiligheid, met zes gewonden in één maand. Verlinden kondigt aan: verplichte drugstesten, bijgewerkte opleidingen over nieuwe drugs, inzet van speurhonden en detectietechnologie, plus uitbreiding van drugsbehandelingstrajecten (2026) en kortetermijnoplossingen zoals 12 actieve camera’s en 50 extra—terwijl het zwakstroomdossier nog loopt. Personeelstekorten worden aangepakt via rekrutering (tot 2026) en mutaties, met extra begeleiding voor slachtoffers van agressie. Yzermans benadrukt de nood aan een taskforce tegen de "narcostaat" in gevangenissen, strengere controles (speurhonden) en verplichte, gespecialiseerde hulpverleningstrajecten om drugsvrije afdelingen daadwerkelijk clean te houden.

Alain Yzermans:

De feiten zijn al uitvoerig in de media besproken, maar toch vind ik het belangrijk om nog even te onderstrepen wat mogelijke oplossingen kunnen zijn met betrekking tot de overbevolking in Hasselt. Op dit moment zitten we aan meer dan 142 % van de capaciteit. De geestelijke gezondheid van de gedetineerden, de overbevolking en de aanwezigheid van drugs zijn drie elementen die zorgen voor een gewelddadige cocktail. Verdovende middelen veroorzaken agressie en ondermijnen de veiligheid van het personeel. Alarmerend is dat er in één maand tijd minstens zes mensen bij incidenten gewond raakten. Mijn vragen zijn dan ook zeer pertinent.

Welke maatregelen hebt u heel specifiek genomen? Uit de situatie blijkt dat er een acute onderbezetting van het personeel in Hasselt is, waar het kader niet eens volledig is ingevuld. Er is momenteel een tekort van 41 personeelsleden ten opzichte van het kader. Daar moet dringend aan gewerkt worden en de vraag is op welke manier u dat wilt aanpakken.

Tot slot wil ik nog een vraag toevoegen aan het dossier, met name over Hasselt. Hoe staat het met het zwakstroomdossier dat inmiddels al meer dan een jaar loopt? Dat dossier moet bijdragen tot meer veiligheid in de algemene toestand van de gevangenis van Hasselt.

Annelies Verlinden:

Gedetineerden die op de drugsvrije afdeling verblijven, worden onderworpen aan drugstesten als onderdeel van het regime op die afdeling. Naast de drugstesten volgen de gedetineerden een drugsbehandeling. De nieuwe psychoactieve substanties die op de markt komen, zijn echter niet altijd detecteerbaar door middel van drugstesten. Dit incident maakt ons er nog sterker van bewust dat een hoge aandacht en alertheid onder het personeel nodig zijn om de eerste symptomen van dergelijk gedrag te herkennen, teneinde erger te voorkomen.

Kennis van deze nieuwe drugs is dan ook onontbeerlijk voor het personeel. Daarom voorzien we een actualisatie van de opleidingsmodule drugs, zowel in de basisopleiding als in de voortgezette opleidingen. De opleidingsmodule wordt ontwikkeld door het DG EPI samen met het Trimbos-instituut en de dienst Justitiële Inrichtingen in Nederland, aangezien zij recent hun opleiding hebben afgestemd op deze problematiek. De strijd tegen het gebruik van verboden middelen binnen penitentiaire inrichtingen kent verschillende aspecten en benaderingswijzen.

Wat betreft het repressieve luik bestaat er sinds meerdere jaren een protocolakkoord tussen het DG EPI en de directie Hondensteun van de federale politie. De lokale directies kunnen een beroep doen op hen om controles uit te voeren met speurhonden. Daarnaast beschikt het operationele team van de directie Integrale Veiligheid over detectiesystemen die sporen van illegale stoffen op voorwerpen en oppervlakken kunnen opsporen. Het operationele team kan eveneens tussenkomen op verzoek van lokale directies. Met deze drugsdetectie heeft het DG EPI bijzondere aandacht voor de nieuwe substanties op de markt. Ik verwijs ook naar het wetsontwerp tot invoering van verplichte drugstesten dat in deze commissie werd besproken.

Op het vlak van hulpverlening en behandeling van drugsgebruikers verwijzen we naar de projecten drugs en detentie van de FOD Volksgezondheid in samenwerking met het DG EPI, die in 2026 nog verder zullen worden uitgebreid naar andere inrichtingen. Nochtans is de gevangenis van Hasselt een van de eerste inrichtingen die een drugsvrije afdeling en een drugsbehandelingstraject hebben uitgerold. Een dergelijk ernstig incident bevestigt de nood aan meer drugstesten en aan een duurzame investering in een behandeling die niet vrijblijvend is, maar strikt moet worden opgevolgd.

In dit verband verwijzen we naar het lopende project Installatie van geweldloze cultuur , waar personeelsleden leren omgaan met concrete situaties op de werkvloer om agressie-incidenten te voorkomen. In overleg met de opdrachtnemer gaat er als concrete maatregel op korte termijn binnen de lopende opleiding bijzondere aandacht naar de eerste symptomen van agressief gedrag als gevolg van drugsgebruik en naar de tijdige detectie ervan. In Hasselt vindt dit plaats op 11 december.

Om de personeelstekorten in de gevangenis van Hasselt aan te pakken, werd op 27 maart een rekruteringsprocedure afgerond. De indiensttredingen lopen nog tot en met begin 2026. Daarnaast zal dit najaar nog een mutatiebeweging worden voorzien. Nadien zullen de resterende vacante posten opnieuw worden opengesteld, hetzij voor instroom, hetzij voor statutarisering , volgens de noden en in overeenstemming met de afspraken die in het protocol zijn vastgelegd.

Ten aanzien van de personeelsleden die het slachtoffer werden van incidenten en agressie worden maatregelen genomen om hen beter te begeleiden. Dat gebeurt ten eerste door middel van opvangteams, ten tweede door een interventie van de sociale dienst en ten slotte via psychologische begeleiding door een externe partner.

Dan kom ik aan uw vraag over het zwakstroomdossier. Dit dossier doorloopt momenteel de nodige administratieve wegen ten behoeve van de aanvaarding van de budgetten voor het gekoppelde onderhoudscontract. De 12 camera’s die de meest kritische plaatsen behandelen, zijn geleverd, geïnstalleerd en actief.

Bovendien zal een dossier worden bestudeerd om nog ongeveer 50 camera’s opnieuw in dienst te stellen, om in afwachting van een gefinaliseerd zwakstroomdossier zoveel mogelijk beelden te kunnen recupereren. De budgetten daarvoor zullen worden voorzien.

Alain Yzermans:

Het verheugt mij dat u alert reageert met betrekking tot de camera’s en dat u extra camera’s zult voorzien, waardoor de veiligheid in de gevangenis beter kan worden gegarandeerd. Drugs vormen een groot probleem in de gevangenissen. De narcostaat in de gevangenissen groeit. Ik pleitte vroeger al om dit via een bijzondere werkgroep of taskforce te bekijken, aangezien de aansturing van de narcobuitenwereld ook van binnenuit gebeurt. Daarom is het van groot belang dat de drugsvrije afdelingen daadwerkelijk drugsvrij blijven. Een korte opvolging en regelmatige controles zijn noodzakelijk, inderdaad met speurhonden. Er moeten controles gebeuren, maar gespecialiseerde trajecten van drugshulpverlening voor de patiënten, in dit geval gedetineerden, zijn eveneens wenselijk. .

De ontmanteling van een groot drugslabo in Torhout

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De ontdekking van een drugslabo in Torhout met vier Nederlandse verdachten (in voorlopige hechtenis) onderstreept de nood aan gecoördineerde grensoverschrijdende bestrijding van georganiseerde drugscriminaliteit, met intensieve samenwerking tussen België en Nederland (via Interpol, Europol en burenoverleg). Minister Verlinden bevestigt een verstrengde aanpak via het Limburgs model (betere taakverdeling en informatie-uitwisseling), een draaiboek voor gerechtelijke en bestuurlijke afstemming, en focus op ketendisruptie (afpakken winsten, blokkeren grondstoffen, anonieme meldpunten). Strafverzwaring (bv. hogere minimumstraffen) wordt overwogen, maar prioriteit ligt op preventie en logistieke barrières om labo’s minder aantrekkelijk te maken. De nationale drugscommissaris coördineert de multidisciplinaire strategie, met uitrol van beste praktijken om verplaatsing van criminaliteit tegen te gaan.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik verwijs naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend.

Afgelopen vrijdag werd in een oude koeienstal in Torhout een drugslabo ontdekt waar synthetische drugs werden geproduceerd. Vier Nederlanders van 24, 30, 31 en 47 jaar oud werden ter plaatse opgepakt. De federale politie en de Civiele Bescherming waren het hele weekend bezig met de ontmanteling.

Deze zaak toont opnieuw hoe criminele netwerken afgelegen locaties in Vlaanderen gebruiken voor de productie van synthetische drugs. Opvallend is ook de terugkerende betrokkenheid van buitenlandse — in dit geval Nederlandse — verdachten, wat de nood aan een gecoördineerde en doortastende justitiële aanpak onderstreept.

In het Federale Regeerakkoord 2025-2029 (p. 127-128) wordt de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit als prioriteit naar voren geschoven, met een intensievere, ketengerichte aanpak onder leiding van de nationale drugscommissaris die de samenwerking tussen justitie, politie, douane en andere diensten moet versterken.

Ik heb volgende vragen voor u:

Welke gerechtelijke stappen zijn inmiddels gezet tegen de vier verdachten en werden zij in voorlopige hechtenis geplaatst? Welk parket leidt het onderzoek?

Hoe verloopt de samenwerking met de Nederlandse autoriteiten, onder meer inzake uitlevering, informatie-uitwisseling en vervolging en welke instanties zijn daarbij betrokken?

Wordt onderzocht of het drugslabo deel uitmaakt van een breder crimineel netwerk en hoe wordt dit onderzoek, eventueel samen met het federaal parket en de Nederlandse autoriteiten, gecoördineerd?

Hoe worden drugslabo’s vandaag justitieel aangepakt en hoe sluit dit aan bij de in het regeerakkoord voorziene intensievere strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit en de coördinatie door de nationale drugscommissaris?

Hoe zal de strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit concreet worden geïntensiveerd, zowel qua opsporing en vervolging als via snellere en meer gespecialiseerde behandeling binnen parketten en rechtbanken?

Hoe vertaalt u de aangekondigde intensievere strijd tegen georganiseerde drugscriminaliteit naar de vervolging van buitenlandse verdachten en de strafrechtelijke afhandeling van dergelijke dossiers en welke bijkomende maatregelen voorziet u hierbij om de pakkans en vervolgingskans te verhogen?

Acht u het, gelet op de toenemende professionalisering en veiligheidsrisico’s van dergelijke drugslabo’s, aangewezen om de strafrechtelijke aanpak te verstrengen, bijvoorbeeld via hogere minimumstraffen voor de productie van synthetische drugs?

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, de vier verdachten werden voorgeleid en aangehouden door de onderzoeksrechter. Op 24 oktober heeft de raadkamer hun aanhouding verlengd voor een periode van één maand. Verder kan er, vanwege het geheim van het onderzoek, niets worden meegedeeld over de inhoud of de omvang ervan. In het dossier is er contact met de Nederlandse autoriteiten via de geëigende kanalen. In het algemeen is de uitwisseling van operationele informatie met Nederland zeer intensief en verloopt die via meerdere kanalen, zoals Interpol, Europol, de operationele invalspunten in de grensregio's en ook het zogenaamd burenoverleg.

Op politiek niveau had ik recent trouwens een gesprek met mijn nieuwe Nederlandse collega Foort van Oosten, waarin de samenwerking tussen onze landen in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit centraal stond.

Op gerechtelijk niveau wordt de richtlijn inzake de aanpak van drugslabo’s en dumpingen momenteel geëvalueerd. De bedoeling is te evolueren naar het Limburgs model, waarin de taakverdeling tussen alle betrokken veiligheidsactoren wordt verfijnd en de afspraken rond samenwerking, taakverdeling en informatie-uitwisseling worden verbeterd.

Verder werkt het Drugscommissariaat aan een draaiboek dat de afstemming moet bevorderen tussen de gerechtelijke overheden bij de opsporing van en het onderzoek naar drugsproductielabo’s enerzijds, en de bestuurlijke overheden op het vlak van preventie, sensibilisering, opruiming en sanering anderzijds. Het strenger bestraffen van de productie van synthetische drugs kan ontradend werken, maar vooral is het van belang om zoveel mogelijk barrières op te werpen en de logistieke keten van de drugsnetwerken te verstoren. Er wordt meer ingezet op het afpakken van criminele winsten, het bemoeilijken van de toegang tot benodigdheden voor de vervaardiging van drugs, het verhogen van de bewustwording en de meldingsbereidheid bij lokale overheden, burgers en kwetsbare handelszaken, zoals de drogisterij- en doe-het-zelfzaken, en op het uitrollen van anonieme meldpunten in elke provincie. Via een structurele, multidisciplinaire aanpak wordt het voor criminele netwerken moeilijker en minder aantrekkelijk om in België een drugslabo op te richten. Vanuit het Drugscommissariaat worden goede praktijken uit bepaalde regio’s kenbaar gemaakt aan andere regio’s, zodat de algemene weerbaarheid toeneemt en de verplaatsingseffecten worden vermeden.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De overbrenging van geïnterneerden naar inrichtingen voor gespecialiseerde zorg

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Over 1.000 geïnterneerden in Belgische gevangenissen ontvangen onvoldoende gespecialiseerde zorg, wat de veiligheid en doelstellingen ondermijnt. Minister Verlinden bevestigt dat het actieplan (met 90 zorghuisplaatsen, modulaire units, en een observatiecentrum in Haren) deels loopt, maar vertraging oploopt door budgettaire en personeelsproblemen. Selectiecriteria en transportveiligheid vallen onder andere bevoegde ministers (Volksgezondheid, Binnenlandse Zaken). Doorstroom naar gespecialiseerde zorg moet de veiligheidsdruk in gevangenissen verlagen, maar concrete timing en impact blijven onduidelijk.

Sophie De Wit:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Vandaag verblijven nog steeds meer dan duizend geïnterneerden in de Belgische gevangenissen, hoewel zij daar niet de gespecialiseerde zorg krijgen waarop zij recht hebben. Deze situatie vormt niet alleen een zware belasting voor het penitentiair personeel, maar staat ook haaks op de doelstelling om geïnterneerden in een aangepaste zorgomgeving te plaatsen.

In een recent interview met De Zondag (19 oktober 2025) verklaarde u dat tegen eind dit jaar “enkele geïnterneerden” zullen worden overgebracht naar gespecialiseerde zorginstellingen. U sprak daarbij over “creatieve oplossingen” om de druk op het gevangeniswezen te verlichten en de betrokkenen de juiste zorg te bieden.

Tijdens de commissievergadering van 21 oktober verwees u, in antwoord op een vraag van collega Marijke Dillen, naar het actieplan inzake internering, dat in samenwerking met minister Vandenbroucke werd uitgewerkt. Dat plan voorziet onder meer in bijkomende capaciteit via modulaire units in de FPC’s van Gent en Antwerpen, 180 extra plaatsen in zorghuizen en medium- en low-securityinstellingen, 12 bijkomende FTE’s goed voor 120 extra zorgtrajecten, de operationalisering van het beveiligd klinisch observatorium in Haren en de oprichting van een behandel- en oriëntatiecentrum voor 60 geïnterneerden in dezelfde inrichting.

Deze initiatieven zijn ongetwijfeld een stap vooruit, maar de effectieve uitvoering en impact ervan zullen bepalend zijn om de huidige overbezetting en de schrijnende toestanden in de gevangenissen structureel aan te pakken.

Ik heb hierover volgende vragen:

Hoe verloopt de uitvoering van dit actieplan concreet? Welke onderdelen zijn reeds operationeel en welke timing geldt voor de nog te realiseren projecten?

Hoe zal de toewijzing van de bijkomende plaatsen in zorghuizen en medium-/low-securityinstellingen precies verlopen en op basis van welke criteria worden de betrokken geïnterneerden geselecteerd (bijvoorbeeld psychiatrische urgentie, gevaarinschatting, duur van internering, beschikbaarheid van zorgplaatsen …)?

Hoe wordt tijdens de overbrenging van geïnterneerden naar gespecialiseerde zorg de veiligheid van het transport en de continuïteit van hun medische en psychiatrische opvolging verzekerd?

Hoe zal u nagaan of deze overplaatsingen effectief leiden tot een betere zorg voor de betrokken geïnterneerden en tot een vermindering van de veiligheidsdruk in de gevangenissen?

Annelies Verlinden:

Collega De Wit, de samenwerking met mijn collega van Volksgezondheid verloopt constructief binnen de taskforce Internering. Een groot aantal acties zijn momenteel volop in uitvoering. Zo zal Volksgezondheid voorzien in maximaal 90 bijkomende plaatsen in zorghuizen. In dat verband heeft de FOD Volksgezondheid een oproep gelanceerd om projectvoorstellen in te dienen. Voor meer details over het aantal voorstellen en het tijdpad van de realisatie verwijs ik u naar Volksgezondheid.

Daarnaast loopt er momenteel een technische haalbaarheidsstudie naar de bijplaatsing van maximaal 120 plaatsen in modulaire units op beide domeinen van de forensische psychiatrische centra (FPC). Zodra die studie is afgerond, kunnen zowel de capaciteit, de financiering als het tijdpad concreet worden bepaald. Wat betreft het operationaliseren van het beveiligd klinisch observatiecentrum en de ontwikkeling van het behandel- en oriëntatiecentrum in Haren: beide projecten bevinden zich in de implementatiefase. Voor de operationalisering van de twee projecten is echter bijkomend personeel nodig en daarvoor zijn extra middelen gevraagd. De noodzakelijke aanwervingen lopen momenteel vertraging op, aangezien er nog geen goedgekeurde begroting is.

Wat betreft de vragen over de medium- en low-securityinstellingen wil ik u eveneens verwijzen naar Volksgezondheid en naar de Vlaamse minister van Welzijn, aangezien dat tot hun bevoegdheden behoort. De DAB is bevoegd voor het transport van geïnterneerden vanuit de gevangenissen naar erkende zorginstellingen via een plaatsingsbeslissing van de KBM, net zoals voor de intakes van geïnterneerden in externe instellingen.

Voor uw vraag over de veiligheid tijdens het transport verwijs ik naar Binnenlandse Zaken. Wanneer het gaat om verplaatsingen vanuit niet-justitiële instellingen is het in eerste instantie aan die instellingen om zo nodig de lokale politie te contacteren.

Tot slot biedt de opname van geïnterneerden in gespecialiseerde zorginstellingen die worden aangestuurd door Volksgezondheid of door de bevoegde gefedereerde overheden evident betere zorg en behandeling dan een verblijf binnen een penitentiaire context. De doorstroom van meer geïnterneerden naar extrapenitentiaire zorginstellingen zal bovendien bijdragen aan een lagere veiligheidsdruk in de gevangenissen. Vandaag is ongeveer een derde van de zware geweldsincidenten tegenover personeel of andere gedetineerden toe te schrijven aan geïnterneerden. De uitstroom van die doelgroep zal de werklast en de veiligheidsdruk voor het gevangenispersoneel dus aanzienlijk kunnen doen dalen.

Sophie De Wit:

Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik vroeg meer informatie naar aanleiding van uw eigen uitspraken over het actieplan, maar voor sommige zaken zal ik dus bijkomend te rade gaan bij uw collega.

De hinderpalen voor het aanwerven van bijkomend personeel bij de OCMW's

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Walloonse CPAS kampen met acute personeelstekorten door opgeheven regionale subsidie (subsidie Collignon) en blokkering van nieuwe aanwervingen door het CRAC, terwijl de federale hervorming van 2026 (uitsluiting werklozen) een extra druk zal leggen. Minister Van Bossuyt belooft 26 miljoen euro (nog niet vrijgegeven) en vereenvoudigde diplomavoorwaarden voor aanwerving, maar wijst de verantwoordelijkheid voor het CRAC-beleid af aan de Waalse Regie. Meunier benadrukt dat federale maatregelen nutteloos zijn zolang regionale blokkades en gebrek aan middelen aanwervingen onmogelijk maken, en dringt aan op samenwerking tussen gewesten en federale overheid om instorting van de CPAS te voorkomen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, comme vous le savez, de nombreux CPAS wallons sont aujourd'hui sous tutelle régionale et donc dépendants du Centre régional d'Aide aux Communes (CRAC) pour engager du personnel.

Le problème qui m'amène à vous interpeller aujourd'hui est que, d'une part, le gouvernement wallon n'est pas en mesure de garantir les subventions nécessaires à l'engagement d'assistants sociaux. Nous avons d'ailleurs appris, lors de la présentation du budget du gouvernement wallon, que la subvention Collignon a été supprimée. Cette subvention avait été mise en place durant la période covid pour engager du personnel supplémentaire en temps de crise. Elle avait été prolongée pour deux années complémentaires, et ne le sera plus. D'autre part, l'administration de tutelle régionale, le CRAC, bloque les nouveaux engagements dans les CPAS, alors même que les besoins en personnel n'ont jamais été aussi cruciaux.

Je suis bien consciente que la tutelle des CPAS relève de la compétence régionale, et non de la vôtre, mais c'est bien la réforme de votre gouvernement fédéral qui va peser sur les CPAS dès janvier 2026. C'est bien à cause de cette réforme qu'ils devront absorber une vague importante de nouvelles demandes en raison des exclusions du chômage.

Si déjà aujourd'hui les CPAS ne peuvent pas maintenir leur personnel actuel faute de subventions régionales garanties, et qu'ils ne peuvent, en plus, pas anticiper les renforts nécessaires pour faire face à cette réforme fédérale, ce n'est plus dans le mur que nous courons, mais dans le lac.

Madame la ministre, comptez-vous débloquer dès à présent des moyens supplémentaires pour permettre aux CPAS de recruter et d'anticiper la surcharge qui arrive?

Comptez-vous vous coordonner immédiatement avec la Région wallonne afin que le CRAC cesse de bloquer les engagements de personnel? Si non, quelles mesures comptez-vous prendre et selon quel calendrier pour éviter que les CPAS, déjà en difficulté, ne soient totalement asphyxiés par vos réformes?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Meunier, en ce qui concerne votre première question, le contrôle budgétaire sera déposé très prochainement au Parlement. En juillet, un accord avait été trouvé pour verser en 2025, sous réserve de ce contrôle, 26 millions d'euros aux CPAS. Dès que ce transfert sur les comptes de mon administration sera effectif, ce montant sera versé aux CPAS.

En ce qui concerne votre deuxième question, comme vous le mentionnez, le CRAC fait partie des instances régionales. C'est donc à la Région wallonne d'intervenir.

Pour ce qui est de votre troisième question, certaines de mes réformes ont justement pour objet de soutenir les CPAS. C'est notamment le cas de l'arrêté royal qui a été publié le 7 octobre au Moniteur belge concernant les conditions de diplôme. Par cette mesure, je souhaite élargir les conditions de diplôme et offrir aux CPAS la possibilité de recruter plus largement. Il va de soi qu'il faut garantir que les formations concernées mènent à des profils de qualité. La Flandre a déjà terminé ce travail et publié une liste de diplômes complémentaires. J'espère donc que les autres Régions suivront cet exemple.

Par ailleurs, je travaille également à une amélioration des processus de travail; j'y ai déjà fait référence à plusieurs reprises. En outre, en collaboration avec les ministres Clarinval et Vandenbroucke, j'ai mis en place un groupe de travail afin de réduire les charges administratives. Un premier point d'attention important concerne la gestion des avances.

Marie Meunier:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses. À peu près chaque fois que nous nous voyons, nous avons l'occasion de parler de ces 26 millions, et à peu près chaque fois, je vous demande ce qu'il en est. Nous sommes en novembre, et vous me confirmez que ce montant n'est pas encore débloqué pour les CPAS. Certes, il le sera dès que l'argent sera en possession de votre administration, mais cela ne permet donc pas actuellement aux CPAS d'engager qui que ce soit. Je comprends – et je vous l'ai dit dans ma question – que vous n'avez pas la tutelle du CRAC; c'est la Région wallonne qui est compétente en l'occurrence. Franchement, je vous invite à avoir des contacts avec vos collègues des différents gouvernements. J'en viens ainsi à votre réponse à ma troisième question. Vous pouvez faciliter l'accès à la profession de quelque manière que ce soit, si les CPAS ne sont pas en mesure et n'ont pas l'autorisation de la part de leur tutelle d'engager du personnel complémentaire, ils ne pourront pas le faire. Donc, les mesures que vous mettrez en place au niveau fédéral ne seront pas d'application au niveau régional. C'est un grave problème pour les institutions.

Het afschaffen van de subsidie voor de OCMW's voor participatie en sociale actie
Het participatiebudget voor de OCMW's
De impact van de afschaffing van de PSA-subsidie op de artikel 27-tickets
Impact van afschaffing PSA-subsidie en participatiebudget op OCMW's en sociale initiatieven

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt de afschaffing van het Fonds voor Participatie en Activatie (PAS) (11,8 miljoen in 2025, volledig stopgezet in 2026), omdat ze het als een *"usurpatie van federale bevoegdheden"* beschouwt, ondanks de sociale impact op kwetsbare groepen (kinderarmoede, cultuurtoegang, werkherintegratie). Het vrijgekomen budget (15 miljoen) wordt heringezet in *werkbevordering* als "beste armoedebestrijding", terwijl de verantwoordelijkheid voor sociale activering naar gewesten en OCMW’s verschuift—zonder garantie op compensatie of overleg. Kritiek van oppositie en sector (o.a. Article 27) benadrukt dat dit precaire gezinnen en CPAS extra belast, juist nu de werkloosheidshervorming de druk op lokale diensten vergroot. De minister blijft vasthouden aan haar standpunt, ondanks vragen over coördinatie met gewesten of alternatieven.

Marie Meunier:

Madame la ministre, à plusieurs reprises, vous avez indiqué que des mesures et initiatives clés dans le soutien à l'intégration sociale seraient abandonnées par le gouvernement fédéral, en invoquant encore une fois l'argument selon lequel elles constitueraient des compétences usurpées. Parmi celles-ci figure la subvention "Participation et action sociale". L'enveloppe de ce Fonds de participation et d'activation sociale est déjà passée de 19,1 millions d'euros en 2024 à 11,9 millions en 2025.

Ce Fonds est pourtant essentiel car il finance des initiatives fondamentales en matière d'épanouissement social et de remobilisation des publics éloignés de l'emploi. Avec l'afflux massif de personnes très éloignées de l'emploi en raison de la réforme des allocations de chômage, les CPAS risquent d'avoir plus que jamais besoin de moyens à allouer à la remobilisation de ces publics.

Ce Fonds permet aussi de lutter contre la pauvreté des enfants, en permettant par exemple aux familles précarisées de pouvoir bénéficier du strict nécessaire et même vital: du lait pour les enfants, des langes, etc.

Madame la ministre, qu'en est-il aujourd'hui concrètement de ce Fonds? À quelles politiques et initiatives spécifiques avez-vous décidé de mettre un terme dans ce cadre?

Confirmez-vous le maintien du budget de 11,3 millions à partir de 2026? Ou peut-on craindre une suppression pure et simple de ce Fonds dès 2026?

Une concertation avec l'ensemble du gouvernement a-t-elle eu lieu dans le cadre de ce désengagement?

Vos homologues et partenaires des gouvernements de Régions et Communautés partagent-ils votre analyse relative aux compétences usurpées dans le cadre de ce Fonds?

Des discussions préalables à votre décision de supprimer ce Fonds ont-elles été menées avec les entités fédérées? Pourront-elles compenser votre désinvestissement dans ce cadre, alors que les CPAS ont déjà engagé les projets, mobilisé les équipes et affecté les ressources?

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, u schrapt de participatie- en activeringssubsidies ten belope van 15 miljoen voor OCMW's, waardoor veel kansarmen voortaan nog minder kansen zullen krijgen om deel te nemen aan culturele of sociale activiteiten, en verantwoordt die beslissing door te stellen dat dergelijke activiteiten geen federale bevoegdheid zijn. Nochtans staat in de begrotingsverantwoording van de POD Maatschappelijke Integratie van dit jaar dat uw diensten wel bevoegd zijn om de maatschappelijke participatie te verhogen en isolement te doorbreken door middel van sociaal nuttige activiteiten. Zulke sociaal nuttige activiteiten worden net beschouwd als een middel voor verdere re-integratie op de arbeidsmarkt. U voorzag jaarlijks 11,3 miljoen aan subsidies voor participatie en sociale activering bij OCMW's tot en met 2029.

Waarom wordt de subsidie nu geschrapt? Waarom is dat domein plots geen federale bevoegdheid meer? Zijn zulke activiteiten niet nuttig voor maatschappelijke integratie? Indien ze wel nuttig zijn en u alleen vaststelt dat het hier geen federale bevoegdheid betreft, hebt u geprobeerd de werking en de budgetten over te hevelen naar de regionale overheden of andere bevoegde instanties?

U verklaarde in de media dat u het vrijgekomen budget wilt besteden aan zaken waarvoor u wel verantwoordelijk bent. Kunt u toelichten waaraan de 15 miljoen euro concreet zal worden besteed?

Ten slotte, uw collega-minister Jambon verklaarde enkele weken geleden in het plenum dat het doel van de regering was om armoede te verminderen. Ik deel misschien niet veel doelen van de regering, maar dat doel treed ik wel degelijk bij. Hoe draagt de schrapping daaraan bij volgens u?

François De Smet:

Madame la ministre, dans une autre vie, j'ai été vice-président d'une ASBL assez formidable, l'ASBL Article 27. Au départ, celle-ci a été fondée par des artistes. Elle vise à proposer à un public précarisé des tickets à 1,25 euro afin de leur permettre de participer à la vie culturelle (théâtres, cinémas). J'ai pu donc voir à quel point des dispositifs de ce genre fonctionnent. En arrivant à reconnecter un certain nombre de personnes à la vie sociale et culturelle, on arrive à les reconnecter à la vie économique et à les élever.

Il se trouve que ce dispositif est l'une des victimes collatérales probables de la suppression du fameux Fonds pour la Participation et l'Activation Sociale (PAS). La fin probable de ce soutien signifie que la charge financière estimée à 220 000 euros sera transférée vers les CPAS et les communes, ce qui inquiète légitimement les acteurs du secteur. On connaît tous l'état des finances des communes et des CPAS. La Fédération des CPAS bruxellois, par exemple, a mis en évidence que le PAS ne sert pas uniquement à financer l’accès à la culture mais vient aussi en appui d’aides sociales pour lutter contre la pauvreté et favoriser l’inclusion des personnes dans une dynamique d’activation. Pour les associations telles que Article 27, la suppression du soutien fédéral risque de creuser davantage ces inégalités notamment culturelles.

Madame la ministre, vos services ont-ils pris en considération ce genre de dommages collatéraux? Ce n'est plus simplement une ligne dans un budget mais cela a des conséquences très concrètes directement sur le terrain. Des contacts sont-ils envisagés avec notamment les fédérations des CPAS afin de limiter l’impact sur l’avenir du dispositif article 27?

Anneleen Van Bossuyt:

Monsieur le président, madame Meunier, meneer Van Lysebettens, monsieur De Smet, il est inexact d'affirmer que le budget du Fonds pour la Participation et l'Activation Sociale s'élevait à 19,1 millions d'euros en 2024.

En 2024, la loi du 22 décembre 2023, portant la loi de finances générale pour l'exercice 2024, prévoyait, en effet, que les crédits disponibles sur l'allocation de base 44.55.11.43.52.01 s'élevaient à 19,18 millions d'euros en crédit d'engagement. Cette allocation de base concerne notamment le financement de la subvention Participation et Activation Sociale mais également d'autres subventions.

En réalité, 15,5 millions d'euros ont été engagés en 2024 pour le financement de la subvention PAS, comme confirmé par l'arrêté royal du 21 mars 2024 fixant les mesures de promotion de la participation et de l'activation sociale des usagers des services des CPAS pour l'année 2024. Après correction du budget initial 2024, et sur la base de la décision d'économie adoptée par le Conseil des ministres du 28 mars 2025, le budget pour la subvention participation et activation sociale s'élève à 11,8 millions d'euros pour l'année2025.

À partir de 2026, je ne prolongerai plus cette subvention. Comme vous le soulignez vous-même, il s’agit d'une compétence usurpée. La participation et l'activation sociale ne relèvent pas des compétences fédérales. La notification du programme gouvernemental prévoit que les compétences usurpées doivent être progressivement supprimées. Dans ce cadre, je souhaite mettre fin à cette subvention.

L'Inspection des finances a spécifiquement qualifié la subvention PAS de subvention à caractère usurpateur. Cette appréciation repose sur les critères de compétences utilisés par la Cour constitutionnelle et le Conseil d'État. Il avait déjà été établi que l'autorité fédérale n'est pas compétente en la matière. Ainsi, en 2025, une proposition de loi a été déposée afin de promouvoir la participation sociale ainsi que l'épanouissement culturel et sportif des usagers des CPAS. Le Conseil d'État a alors clairement indiqué que l'autorité fédérale dépassait, en 2025 déjà, ce faisant, ses compétences. Les compétences fédérales concernent les droits fondamentaux en matière d'assistance sociale. Il s'agit d'un minimum garanti à toutes les personnes résidant en Belgique, c'est-à-dire des droits minimaux qui ne peuvent être différenciés entre les Communautés.

De OCMW’s beslissen zelf naar eigen goeddunken over het gebruik van de subsidie voor participatie en sociale activering.

Overigens – dit is geen onbelangrijk punt –, de participatie- en activeringssubsidies kwamen niet uitsluitend ten goede aan mensen in een precaire situatie. De PAS zal dan ook vanaf 2026 niet langer worden verleend. Het is voortaan aan de bevoegde deelentiteiten om, indien ze het wenselijk achten, dergelijke initiatieven voort te zetten of te versterken in het kader van de eigen bevoegdheden.

Het doel van de regering is werk te bevorderen – u verwees daarnaar, mijnheer Van Lysebettens – en mensen opnieuw zelfredzaam te maken. De vrijgekomen middelen zullen dan ook worden ingezet voor de versterking van die aanpak. Dat beantwoordt meteen uw vraag in welke mate dat bijdraagt aan het bestrijden van armoede. Wie niet werkt, heeft 32 % kans om in armoede te leven, terwijl dat voor werkenden 5,5 % is. Op die manier draagt dat bij aan de strijd tegen armoede.

Marie Meunier:

Madame la ministre, j’ai encore une question: que disent vos collègues? Vous me servez la même réponse robotique depuis des semaines. Ici, sur trois questions qui concernent les compétences dont vous avez décidé qu’elles sont usurpées, j'ai l'impression d'entendre systématiquement la même réponse.

Vous décidez (on l’a bien compris), les Régions subissent, et donc indirectement les communes et les CPAS. Qu'en disent vos collègues? Sont-ils d'accord avec ce procédé? À nouveau, vous vous débarrassez de la compétence, vous la refilez à vos collègues des Régions, sans savoir s'ils vont pouvoir débloquer les moyens eux-mêmes.

Je veux dire, nous parlons quand même ici d'aides à destination d'enfants! Cela vous va! Cela ne vous pose aucun souci! Vous nous annoncez, la fleur au fusil: "Hé bien oui, je les supprime; La responsabilité du travail en aval incombe aux Régions". Et si elles ne le font pas? Vous avez la responsabilité de ces citoyens-là, qui sont précarisés et qui ne seront peut-être plus aidés par les Régions par la suite!

Cela ne semble pas vous affecter outre mesure. Vous seriez un homme, j'aurais envie de vous dire: "Ça a l'air de vous en toucher une sans faire bouger l'autre". C'est quand même dingue!

Voorzitter:

S'il vous plaît, madame Meunier!

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, ik stel vast dat u projecten stopzet zonder de vraag te stellen of ze doeltreffend zijn. U overweegt ook niet om de betrokken overheden het budget te geven, zodat zij hun bevoegdheden kunnen uitoefenen. U zegt dat u die 15 miljoen euro wil gebruiken om uw aanpak te versterken, maar hoe blijft volledig onduidelijk.

De subsidie wordt in 2026 volledig geschrapt, net op het moment dat de OCMW's een massale toestroom van nieuwe mensen zullen moeten opvangen, als gevolg van de federale hervorming waarbij de werkloosheidsuitkering in de tijd wordt beperkt. Het is toch volstrekt onlogisch om net op dat moment van de OCMW's te verlangen dat ze meer uitkeringsgerechtigden activeren met minder budget. Hoe zullen ze dat doen? Dat kan toch niet?

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie, même si je n'ai pas obtenu de réponse au cas précis de l'ASBL Article 27. En tout cas, vous avez répondu surtout au sujet du PAS. Vous confirmez, réponse après réponse, que l'action de ce gouvernement vise avant tout à développer une grande régionalisation de la pauvreté et de la précarité. Parmi les dispositifs, j'en ai cité un qui a fait ses preuves pour montrer que si l'on supprime les fonds qui leur étaient alloués et que l'on demande aux Régions et aux communes de se débrouiller, on doit le faire au minimum avec des évaluations, des préavis et la possibilité de voir si les autres pouvoirs peuvent reprendre la main. On sait bien que ce ne sera pas le cas ou, du moins, que ce sera extrêmement difficile à cause des problèmes de financement que ces CPAS et communes vont connaître afin de pouvoir absorber la réforme du chômage.

De situatie bij het OCMW van La Louvière
De druk op de OCMW's en het welzijn van het personeel
De uitdagingen binnen OCMW's en de impact op werknemerswelzijn

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De CPAS-medewerkers in La Louvière en elders waarschuwen voor onhoudbare werkomstandigheden: extreme werkdruk, agressie (inclusief doodsbedreigingen), gebrek aan middelen en veiligheid, verergerd door de aankomende hervorming die duizenden extra cliënten zonder voldoende extra budget of personeel op hen afstuurde. Minister Van Bossuyt erkent de problemen, wijst op gefaseerde compensatie (26 miljoen in 2025, mits parlementsgoedkeuring), vereenvoudiging van administratie (bv. direct betalen van voorschotten) en mogelijke sancties bij agressie, maar veel maatregelen (zoals veiligheidsprotocollen) vallen onder regionale bevoegdheden—wat Meunier onvoldoende en te traag vindt, gezien de acute crisis en het ontbreken van concrete, directe oplossingen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, ces derniers jours, le personnel du CPAS de La Louvière s'est mobilisé pour dénoncer une situation devenue intenable.

Les travailleurs et travailleuses sociaux dénoncent une surcharge de travail, un manque de reconnaissance et un climat d'insécurité croissant. On a un personnel qui se dit non écouté, qui évoque une série de dégradations de ses conditions de travail, mais au-delà des aspects organisationnels, c'est surtout l'inquiétude face à l'avenir qui domine, puisque dès janvier, les CPAS devront absorber l'arrivée de nombreuses personnes exclues du chômage sans moyens supplémentaires suffisants.

Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter, ce sont les travailleurs et les travailleuses de première ligne qui sont bien souvent déjà aujourd'hui épuisés, et vos réformes ne vont faire qu'augmenter leur charge de travail. Ici, le personnel du CPAS de La Louvière redoute également une montée de la tension avec le public qui va arriver, alors que certains témoignent déjà de menaces, d'agressions verbales voire de menaces de mort. Et je ne reviendrai pas sur l'incident malheureux de cet été à Gand.

Avez-vous été informée de la situation du CPAS de la Louvière? Quelle a été votre réaction – si cela a été le cas – face à ces signaux alarmants? Quelles mesures comptez-vous prendre pour soutenir les travailleuses et les travailleurs du CPAS, que ce soit en matière de sécurité ou de renforcement des équipes? De grâce, ne me répondez pas que les 26 millions arrivent, parce que là, on parle de la sécurité physique du personnel des CPAS.

Le cas du CPAS de La Louvière n'est pas un cas isolé. Il y a un malaise similaire dans de nombreux CPAS du pays. Encore une fois, on a des travailleuses et des travailleurs sociaux qui font face à des conditions de plus en plus difficiles, une surcharge de travail, un épuisement, une agressivité du public et un sentiment d'insécurité.

Avec votre réforme, un afflux massif de nouvelles personnes va se produire dans ces CPAS. Ces décisions vont avoir des conséquences directes sur les services de première ligne, qui vont devoir traiter des centaines voire des milliers de nouveaux dossiers sans préparation ni renforcement suffisant. Et donc au-delà de celui de La Louvière, plusieurs CPAS alertent sur une tension insoutenable entre leurs missions croissantes et les moyens qui ne sont pas suffisamment alloués pour ces matières-là.

D'une manière plus générale, comment comptez-vous garantir le bien-être, la sécurité et la santé mentale des travailleuses et travailleurs des CPAS à l'approche des conséquences de vos réformes? Quels dispositifs comptez-vous mettre en place pour prévenir ces situations d'épuisement et de violences auxquelles le personnel va être de plus en plus confronté?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Meunier, je vous remercie pour vos questions qui évoquent la situation difficile vécue par le personnel du CPAS de La Louvière. J'ai beaucoup de respect, comme je l'ai déjà souligné à plusieurs reprises au sein de cette commission, pour l'expertise et l'engagement des assistants sociaux. Leur rôle est d'une valeur inestimable. Je suis pleinement consciente de la forte charge de travail qu'ils subissent, dans un climat souvent tendu et parfois peu sûr. Je comprends les préoccupations que vous exprimez. Je prends très au sérieux les signaux relatifs à la surcharge de travail.

Concernant les compensations octroyées aux CPAS à la suite de la limitation des allocations de chômage, c'est précisément la raison pour laquelle j'ai voulu anticiper les effets de la réforme du chômage. Celle-ci sera introduite progressivement – le 1 er janvier, le 1 er mars, le 1 er avril, etc. – et une compensation est prévue pour les CPAS.

Nous en avons déjà longuement discuté au sein de cette commission mais je peux vous rappeler brièvement les éléments de la compensation que nous venons de voter. Cette compensation comprend une augmentation du taux de remboursement du revenu d'intégration, un doublement des coûts personnels ainsi que des incitants financiers relatifs à l'activation et à la réintégration des bénéficiaires du revenu d'intégration. En outre, un budget supplémentaire de 26 millions, comme nous venons d'en parler, sera dégagé en 2025 dès que le contrôle budgétaire aura été approuvé par le Parlement. Concernant ces 26 millions, j'ai déjà indiqué que tous les CPAS avaient été informés du montant auquel ils avaient droit, selon une clé de répartition.

Nous avons mis en place une task force composée de notre cabinet, du cabinet du ministre Clarinval, des différents organismes de l'emploi, de l'ONEM, des fédérations de CPAS et du SPP Intégration sociale. Ce groupe de travail a pour objectif de préparer la communication nécessaire à destination des CPAS, des services de l'emploi et des personnes exclues des allocations de chômage.

D'autres aspects tels que l'amélioration des flux de données informatiques sont également abordés. Un système de suivi sera instauré afin de mesurer les effets de la réforme et d'ajuster les moyens, si nécessaire.

Pour ce qui concerne vos questions concernant les actions en matière de politique du personnel et de sécurité, je suis également attentive aux préoccupations concernant la pénurie d'assistants sociaux. Comme nous venons de le dire, l'arrêté royal relatif à l'équivalence des diplômes a été publié le 7 octobre au Moniteur belge et permet aux Régions d'élargir les conditions de diplômes à la profession d'assistant social. Il s'agit d'une mesure essentielle pour accroître l'attractivité de cette profession en pénurie. Grâce à cette modification, d'autres diplômes incluant une formation socio-éducative pertinente peuvent désormais donner accès à la profession d'assistant social, sous réserve de reconnaissance par les Régions compétentes.

Pour ce qui est du soutien administratif aux CPAS, afin de réduire la charge de travail et de trouver des solutions, nous avons lancé un groupe de travail sur la simplification administrative réunissant plusieurs cabinets et administrations concernés. Les fédérations de CPAS seront associées afin d'intégrer leurs propositions. Un premier chantier essentiel de ce groupe porte sur la problématique des avances. Il ressort des analyses que les assistants sociaux consacrent jusqu'à un cinquième de leur temps au paiement d'avances sur d'autres allocations.

Ce travail est non seulement peu motivant, mais entraîne également des transactions administratives complexes entre différents niveaux de pouvoir lorsqu'il apparaît ultérieurement que la personne concernée avait droit à une autre allocation. Mes collègues ministres de l'Emploi et des Affaires sociales ont exprimé leur plein soutien pour aborder cette question. Nous explorons plusieurs pistes, dont le paiement direct des avances par les organismes de paiement proprement dits, la numérisation de certains processus et la réduction des délais de traitement des allocations.

En ce qui concerne la violence croissante à l'égard des assistants sociaux, la politique du personnel et les protocoles de sécurité relèvent des compétences locales et communautaires, de même que l'enregistrement des incidents de violences envers les assistants sociaux. Heureusement, de tels accidents tragiques sont rares, mais je suis consciente que chaque incident est un incident de trop. Dans le cadre de mes compétences, nos inspecteurs réalisent au sein des CPAS des analyses de processus, en ce compris la gestion de l'accueil. Ils y discutent des difficultés rencontrées, formulent des conseils et encouragent l'échange de bonnes pratiques. J'examine actuellement dans quelle mesure il serait possible de suspendre le revenu d'intégration ou une partie de celui-ci lorsque des bénéficiaires adoptent un comportement agressif.

Quand j'ai dit au début de ma réponse que cette politique relevait des compétences locales et communautaires, vous avez réagi avec énervement. Mais j'agis là où je peux.

Une difficulté réside toutefois dans la définition juridique du "comportement agressif". Certaines formes de violence ne laissent place à aucun doute, mais les comportements verbaux agressifs sont parfois plus difficiles à qualifier. À cet égard, j'examine actuellement la mesure selon laquelle le comportement agressif, qu'il soit physique ou verbal, peut être considéré comme une obstruction à l'enquête sociale et dans quelle mesure un CPAS peut sanctionner ce type de comportement.

Enfin, je souhaite réitérer toute ma reconnaissance pour le travail quotidien des assistants sociaux sur le terrain. Ils constituent le cœur battant de notre protection sociale. Les défis sont nombreux, mais je m'engage sur plusieurs fronts pour alléger leur charge de travail et mieux les soutenir dans leurs missions essentielles.

Marie Meunier:

Merci madame la ministre pour cette réponse assez complète. Je vais me permettre de revenir sur le début de celle-ci. Vous nous expliquez que ce financement à partir du 1 er janvier sera mis en place dès que le contrôle budgétaire sera accepté par le Parlement. Il faudrait déjà qu'on vienne nous présenter ce budget au Parlement. Je veux bien que le Parlement doive à un moment donné poser un acte mais, ici, le budget n'a pas encore été présenté. Comment ferons-nous si le budget n'est pas voté d'ici le 1 er janvier, madame la ministre? Il n'y aura pas de moyens complémentaires pour les CPAS? Premier problème. On a déjà eu l'occasion de discuter au sujet de cette fameuse répartition et de ce phasage des piètres moyens que vous allez allouer aux CPAS par la suite. Ils ne sont clairement pas suffisants, pour commencer. Et les budgets que vous débloquez, c'est pour le remboursement des revenus d'intégration sociale (RIS) et pour les engagements complémentaires. Concrètement, cela représente l'engagement d'un assistant social pour la gestion de 100 dossiers. C'est aussi complètement insuffisant. Je ne vais pas revenir sur les auditions qu'on a eues en début de législature au sein de cette commission, mais 100 dossiers, 100 suivis sociaux sur la tête d'une seule et même personne, ce n'est pas possible. Ce sont les professionnels du secteur qui nous l'ont expliqué. Et donc, vos moyens ne sont pas suffisants. Alors, effectivement, comprenez mon mécontentement à chaque fois que je vous pose une question. En général, vous m'expliquez que ce n'est pas dans vos compétences, que ce sont des compétences usurpées, qu'il revient à vos collègues des Régions de s'en occuper. C'est à tout le moins énervant. La solution que vous apportez maintenant en termes de sécurité est une piste. Ce sont des solutions qui méritent discussion. Nous analyserons cela dès que vous nous proposerez quelque chose d’établi. Je vous amène encore une fois un problème concret. Nous avons eu plusieurs problèmes cette année. Ce sont des problèmes qui vont continuer à s’accentuer dès le début de l’année prochaine. De ce que j’entends, c’est que nous en sommes encore au stade de l’étude: "J’étudie ceci, je réfléchis à cela". Il serait quand même bien qu’à un moment donné, nous atterrissions avec des pistes de solutions concrètes pour les travailleurs.

De middelen voor aanwervingen bij de OCMW's

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marie Meunier kaart aan dat CPAS’ers acuut onderbemand zijn door wegvallende subsidies (o.a. Collignon in Luik) en gebrek aan coördinatie tussen ONEM/Actiris, terwijl een beloofde federale enveloppe van 26 miljoen euro (voor 2025) nog niet is vrijgegeven—wat dreigt te leiden tot een capaciteitscrisis per januari 2026. Minister Van Bossuyt bevestigt de 26 miljoen en benadrukt werk als beste oplossing, maar wijst op regionale bevoegdheden (o.a. flexibele diploma-eisen voor sociaal werkers) en efficiënter taakverdeling (administratief vs. sociaal). Concrete vrijgave ontbreekt echter, wat CPAS’ers dwingt eigen middelen in te zetten. Meunier dringt aan op onmiddellijke budgetuitvoering (niet wachten tot 2025) en betere afstemming met de Waalse tutel (CRAC blokkeert nu aanwervingen door onzekerheid over fondsen), terwijl de voorzitter oproept het CRAC schriftelijk te garanderen dat het geld komt. Kern: 26 miljoen euro staat op papier, maar vertraging en regionale knelpunten (personeelstekort, CRAC-bezwaren) ondermijnen de voorbereiding op een dreigende instroomgolf in 2026.

Marie Meunier:

Je vais en venir directement aux questions à madame la ministre. Je l'ai brièvement abordé tout à l'heure, c'est le fait qu'aujourd'hui les CPAS, une fois de plus, sont en première ligne face à la crise sociale qui s'annonce. Sur le terrain, ils tirent la sonnette d'alarme sur le manque d'informations de la part de l'ONEM et une absence de coordination avec Actiris.

J'avais, d'ailleurs, déjà eu l'occasion d'interpeller votre collègue ministre de l'Emploi sur le sujet pour que l'ONEM puisse à un moment donné collaborer avec les instances du CPAS. Il m'avait répondu, il y a six ou sept mois, que cela allait se mettre en place. Rien n'a été fait depuis!

Et je vous en parlais tout à l'heure, la fameuse suppression de la subvention Collignon qui à Liège – c'est le cas de Liège spécifiquement dont on parle –permettait localement de renforcer temporairement le personnel des CPAS depuis la crise covid, avec la création de 35 postes, ce qui est énorme vu la vague qui risque d'arriver dès le 1 er janvier prochain. Je reviens donc avec ma question habituelle: qu'en est-il de cette enveloppe de 26 millions d'euros que vous avez promise aux CPAS pour 2025?

Je reviens sur ce que vous m'avez dit tout à l'heure par rapport à l'étalement et aux compensations. Je pense que cela répondra en partie à la deuxième question: compte tenu de la suppression de la subvention Collignon, envisagez-vous une mesure fédérale de compensation pour permettre aux CPAS de conserver ces emplois précieux à l'approche du mois de janvier? Vous êtes revenu tout à l'heure avec l'enveloppe de compensation qui est prévue dans le budget, qui n'a pas encore été présenté au Parlement. Quelles sont vos solutions pour maintenir et renforcer l'emploi dans les CPAS?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Meunier, comme je l'ai mentionné à plusieurs reprises, les moyens dégagés par le gouvernement sont importants et permettront aux CPAS d'engager du personnel. J'ai, d'ailleurs, lu en début de semaine que la ville d'Anvers était à la recherche de 36 personnes et qu'elle les a trouvées entre-temps. En outre, un suivi sera mis en place pour évaluer les répercussions de la réforme du chômage sur les CPAS. Mentionnons également qu'en collaboration avec les Régions, un effort accru est consenti pour aider ces personnes à trouver de l'emploi et ainsi de ne pas dépendre des CPAS! Comme je l'ai indiqué à plusieurs reprises, le travail offre des perspectives et constitue la meilleure forme de protection sociale. Le travail n'est pas une punition mais une chance. En outre, le gouvernement s'est mis d'accord pour dégager un budget de 26 millions d'euros à destination des CPAS.

En ce qui concerne le métier d'assistant social dans un CPAS, j'ai offert la possibilité aux Régions d'élargir les diplômes qui permettaient l'accès à ce métier. À côté de cela, l'organisation même d'un CPAS ne repose pas uniquement sur les assistants sociaux, mais sur un nombre élevé d'autres métiers qui ne sont pas en pénurie, tels que les agents administratifs. En effet, à l'heure actuelle, des assistants sociaux font certaines tâches qui pourraient être confiées à un agent administratif. Cela permettrait aux assistants sociaux de consacrer davantage de temps aux tâches purement sociales. Mon administration a publié l'année dernière une circulaire portant sur les tâches assignées aux assistants sociaux dans les procédures CPAS. Il s'agit de la circulaire du 29 mars 2024.

Marie Meunier:

Madame la ministre, je me réjouis de votre réponse pour ce qui concerne le CPAS d'Anvers. Comme je vous le disais, quand les CPAS en ont la possibilité, ils anticipent. Encore faut-il trouver le personnel parce que c'est aussi un métier en pénurie. Néanmoins, ces CPAS comptent sur l'enveloppe des 26 millions d'euros. Ils comptent sur le fait que vous débloquez le budget cette année et pas l'année prochaine. Sinon, il s'agit d'un investissement sur fonds propres. Le calcul est donc vite fait: si on multiplie le nombre d'agents par leur salaire, je ne suis pas certaine qu'ils puissent engager tout le monde si vous ne débloquez pas les quelques millions d'euros pour le CPAS d'Anvers?

Mais je parle également de tous les autres CPAS, de tous ceux qui ne peuvent pas trouver d'emploi complémentaire, soit parce que la pénurie est là et qu'ils ne peuvent pas engager, soit parce qu'à nouveau, leur tutelle régionale ne les autorise pas à engager. Donc, une fois de plus, je vous sollicite et je vous conseille de prendre contact avec vos homologues des différentes Régions, et principalement ceux de la Région wallonne. Ceux-ci seront ainsi à même d'expliquer à leurs administrations que, vu le contexte dans lequel les CPAS vont être plongés à cause des mesures du gouvernement Arizona, elles doivent pouvoir engager du personnel complémentaire pour gérer l'arrivée massive de nouveaux bénéficiaires à partir du 1 er janvier 2026.

Voorzitter:

Je sais que cela ne se fait pas, madame Meunier, mais permettez-moi de vous demander pourquoi le Centre régional d'Aide aux Communes (CRAC) ferait obstacle si les nouveaux emplois sont financés?

Marie Meunier:

Parce qu'aujourd'hui, monsieur le président, étant donné que le budget de 26 millions d'euros n'est pas libéré, le CRAC estime qu'il n'existe pas. En réponse à certains CPAS qui demandaient une dérogation à leur plan d'embauche pour pouvoir engager anticipativement du personnel, le CRAC a répondu par la négative en arguant que, comme il ne pouvait pas être certain que les moyens seraient libérés, il n'accordait pas d'autorisation. C'est donc un véritable problème.

Voorzitter:

Alors, il faut rassurer le CRAC. Vous devriez écrire à ces gens-là, madame la ministre! Je vous remercie, madame Meunier, et pardonnez-moi pour cette demande de précision.

De toestroom bij de OCMW's van werklozen die hun werkloosheidsuitkering verliezen
De werkloosheidshervorming en het gebrek aan middelen voor de OCMW's
Een enveloppe voor de OCMW's van 26 miljoen in 2025
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's in de regio Centre
Impact van werkloosheidsherziening op OCMW-financiering en -druk

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De reform van de werkloosheidsuitkeringen (ingang 2026) dreigt CPAS-overbelasting door gebrek aan proactieve gegevensdeling (ONEM weigert nominatieve lijsten omwille van privacywetgeving) en onvoldoende financiële middelen (26 miljoen euro nog niet uitbetaald, compensatiemechanisme gebrekkig). Minister Van Bossuyt benadrukt dat CPAS enkel dossiers mogen openen *na* een hulpvraag (geen preventieve actie mogelijk) en wijst naar eigen verantwoordelijkheid van gewesten voor personeelsbeleid, ondanks regionale bezuinigingen (bv. schrapping subventionering Collignon in Wallonië). Kritiek van oppositie (De Smet, Meunier) richt zich op realiteitszinloze planning (1 sociaal werker per 100 dossiers), ontbrekende coördinatie tussen federale/regionale overheden en risico’s op sociale noodsituaties door onvoorbereide instroom. De minister belooft webinars en richtlijnen, maar concrete oplossingen voor middelen of datadeling blijven uit.

François De Smet:

Madame la ministre, à quelques semaines de l'entrée en vigueur de la réforme du chômage portée par le gouvernement, les Centres publics d'action sociale (CPA) expriment une profonde inquiétude quant à leur capacité à préparer et accompagner l'arrivée des personnes exclues du chômage.

Selon de nombreux responsables locaux et fédérations de CPAS, l'ONEM – qui relève de votre compétence – refuse actuellement de communiquer aux CPAS les informations nominatives (noms, prénoms, numéros nationaux) des personnes concernées par la réforme, invoquant la législation liée à la protection des données.

Par ailleurs, la Fédération des CPAS bruxellois souligne que la compensation financière promise dépend du nombre de personnes se signalant avant le 30 juin, alors même que le manque d'informations empêche les CPAS de les contacter proactivement. Elle rappelle également que les 26 millions d'euros annoncés pour renforcer les CPAS n'ont toujours pas été versés, à quelques semaines de l'échéance.

Dès lors, je vous prie de répondre aux questions suivantes: Confirmez-vous que l'ONEM refuse de transmettre proactivement aux CPAS les listes nominatives des personnes concernées par l'exclusion du chômage? Quelles alternatives concrètes sont prévues pour garantir que les CPAS puissent anticiper l'arrivée de ces personnes? L'outil en ligne UnemploymentData, qui ne donne accès aux informations qu'après l'envoi de la lettre d'avertissement, peut-il réellement permettre un accompagnement préventif? Compte tenu du risque de désorganisation signalé par plusieurs responsables locaux, votre gouvernement envisage-t-il de modifier le cadre réglementaire afin de permettre un partage d'informations, sous conditions de confidentialité, avant l'exclusion effective?

Quelles mesures prenez-vous pour garantir que la compensation financière liée à la réforme reflètera la réalité du terrain, y compris pour les personnes qui ne se signaleront qu'après le 30 juin? Envisagez-vous d'adapter le mécanisme de calcul? Quand les CPAS recevront-ils concrètement les 26 millions d'euros annoncés pour renforcer leurs moyens avant l'entrée en vigueur de la réforme?

Dans un contexte où les CPAS sont déjà fortement sollicités, il est impératif que l'État leur fournisse les informations, les moyens et la visibilité nécessaires pour garantir un accompagnement digne et efficace des personnes concernées.

Marie Meunier:

Madame la ministre, les CPAS sont aujourd'hui en première ligne face à la crise sociale qui s'annonce. La réforme fédérale du chômage, décidée par votre gouvernement, va entraîner l'exclusion de milliers de personnes du régime des allocations dès le 1 er janvier 2026.

Sur le terrain, les CPAS tirent la sonnette d'alarme: manque d'informations de la part de l'ONEM, absence de coordination avec Actiris, incertitudes sur les compensations financières promises… Les fédérations de CPAS dénoncent des risques de dysfonctionnements majeurs, d'engorgement et de détresse sociale. À Liège, pour vous donner un exemple, un point central d'accueil sera ouvert exceptionnellement pour accueillir les exclus du chômage et des centaines de personnes y sont attendues.

À cela s'ajoute, au niveau régional, la suppression de la subvention Collignon, qui permettait de renforcer temporairement le personnel des CPAS depuis la crise du Covid. À Mons, cette suppression signifie la perte de 14 assistants sociaux; à Liège, elle concernait 35 postes.

Ces décisions conjuguées laissent les CPAS sans moyens pour faire face à un afflux massif de nouvelles demandes d'aide sociale. Les travailleurs sociaux parlent d'un non-sens complet, de votre politique qui demande "de faire plus avec moins".

Madame la ministre, les moyens promis par le fédéral pour 2025 ont-ils été effectivement débloqués? Comment ont-ils ou seront-ils répartis? Enfin, compte tenu de la suppression de la subvention "Collignon", envisagez-vous une mesure fédérale de compensation pour permettre aux CPAS de conserver ces emplois précieux à l'approche du mois de janvier?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Meunier, monsieur De Smet, concernant le partage de données, je souhaite d'emblée souligner que l'ONEM ne relève pas de mes compétences, contrairement à ce que votre question semble suggérer, monsieur De Smet.

En effet, les données ne peuvent pas être transmises aux CPAS. La raison est simple. Toutes les personnes exclues du chômage n'iront pas faire une demande d'aide au CPAS. Les estimations mentionnent que plus de deux tiers des personnes exclues du chômage n'auront pas droit à l'aide du CPAS. La législation concernant la protection des données permet à un CPAS de ne commencer son enquête sociale que lorsqu'une personne a fait une demande. Il ne peut pas enquêter sur des personnes qui, potentiellement, pourraient faire une demande. En outre, cela engendrerait pour les CPAS un surplus de travail, puisqu'ils devraient faire des enquêtes sociales pour des personnes qui n'introduiront pas de demande d'aide au CPAS.

Comme vous le savez, la réglementation relative au chômage n'est absolument pas basée sur les revenus du ménage. Une personne peut bénéficier du chômage, même si son conjoint a une très bonne situation financière. Par contre, dans la législation concernant le droit à l'intégration sociale, tous les revenus (mobiliers, immobiliers et cessions) sont pris en compte, y compris ceux du conjoint.

Le CPAS anticipe déjà cette arrivée de plusieurs manières. La première façon d'anticiper est de libérer de l'espace lors du premier trimestre 2026. Dans la législation concernant le droit à l'intégration sociale, le CPAS doit revoir la situation de la personne au moins une fois par an. En conséquence, les dossiers qui auraient dû être revus pendant le premier trimestre 2026 peuvent être revus dès maintenant.

La deuxième manière est de constituer un dossier pour la personne qui introduit déjà une demande d'aide alors qu'elle bénéficie toujours des allocations de chômage. Le CPAS acte la demande et l'analyse. Il prend une décision dans les 30 jours en fonction de la situation actuelle. En janvier, il peut d'initiative reprendre le dossier. Il vérifiera alors que les conditions d'octroi sont remplies. Sur base de son enquête sociale mise à jour, il pourra prendre d'initiative une décision d'octroi (article 18, § 2, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale).

Pour ce qui est des questions sur la compensation financière, nous en avons déjà beaucoup parlé aujourd'hui. Comme je viens de vous l'expliquer, madame Meunier, il appartient à chaque entité de prendre la responsabilité de sa politique. Il ne m'appartient donc pas de commenter des décisions prises par d'autres entités sur des compétences qui leur appartiennent. En conséquence, je n'envisage pas une mesure de compensation spécifique par rapport à la mesure envisagée par le gouvernement wallon.

Concernant les questions sur les 26 millions d'euros, j'ai déjà plusieurs fois répondu aujourd'hui.

En ce qui concerne la question sur la communication, je suis tout à fait d'accord avec vous: pour qu'une réforme fonctionne, il faut que l'ensemble des parties prenantes soient conscientes de ce qu'on attend. J'ai mis en place, comme je l'ai déjà aussi expliqué, un groupe de travail entre les différentes administrations et les fédérations de CPAS. Un premier webinaire a eu lieu visant à expliquer aux CPAS la réforme du chômage. Celui-ci a remporté un vif succès.

S'agissant plus spécifiquement des mesures de compensation, plusieurs articles expliquant les compensations ont été communiqués aux CPAS. J'ai également programmé un webinaire au début décembre, visant à expliquer les mesures de compensation. Une circulaire est également en cours d'élaboration. Les réunions concernant l'adaptation des programmes software sont en cours.

Par ailleurs, mon administration a travaillé avec les fédérations de CPAS pour proposer aux CPAS des documents à destination des personnes qui seront exclues du chômage. Les différents documents se trouvent sur le site du SPP Intégration sociale.

La question relative au budget pour la sécurité était de M. Prévot, mais je vais y répondre maintenant. Madame Meunier, je vous ai déjà répondu il y a quelques minutes, dans le cadre d’une autre de vos questions.

La politique du personnel et les protocoles de sécurité relèvent des compétences locales et communautaires. Dans le cadre de mes compétences, nos inspecteurs des CPAS effectuent des analyses de processus qui incluent également la gestion de la réception. Ils discutent des difficultés, fournissent des conseils et encouragent l’échange de bonnes pratiques. Comme je viens de le dire, j’examine actuellement différentes pistes, dans le cadre de mes compétences, qui pourraient contribuer à renforcer la sécurité du personnel social.

Lorsqu’un bénéficiaire du CPAS adopte un comportement agressif envers un assistant social, je suis d’avis que le revenu d’intégration ne peut pas être octroyé en raison de l’entrave à l’enquête sociale, ou qu’il doit pouvoir être suspendu totalement ou partiellement. Certains CPAS appliquent déjà ce principe aujourd’hui en cas d’agression. En règle générale, cette approche est confirmée par les tribunaux. Toutefois, certains points d’attention juridique subsistent. C’est pourquoi nous analysons actuellement en profondeur la faisabilité juridique de ces pistes.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour les différentes clarifications que vous avez apportées.

Voorzitter:

Madame Meunier, en faites-vous de même?

Marie Meunier:

Pas du tout, mais tout n'est pas négatif. Depuis les début, nous entendons votre fameuse logique du un tiers, un tiers, un tiers: un tiers des exclus vont passer la porte d'un CPAS, un tiers des exclus vont disparaître et un tiers des exclus vont retrouver du travail. Dans la pratique – c'est déjà le cas aujourd'hui et c'est humain –, plus d'un tiers des exclus vont passer la porte d'un CPAS. Je ne dis pas qu'ils vont avoir le droit de bénéficier d'un revenu d'intégration sociale, mais plus d'un tiers des exclus essayeront de trouver une solution et passeront la porte d'un CPAS. Comme j'ai déjà eu l'occasion de vous le dire lors d'une commission antérieure, cela engendrera une obligation d'ouverture et d'analyse du dossier pour l'assistante sociale. C'est donc une charge de travail complémentaire. Cela n’est pas pris en compte dans l’analyse des maigres budgets qui sont débloqués pour le suivi et pour faire face à la vague qui s’annonce. Vous me dites que la gestion des espaces complémentaires ne relève pas de vos compétences, mais que vous la recommandez aux CPAS pour gérer l’afflux. Dans mon exposé, je reprenais l'exemple de Liège, qui a annoncé l'ouverture d'un point central dans les semaines à venir, mais c'est aussi une dépense supplémentaire pour le CPAS de la Ville, puisqu'il doit louer un espace afin d'y installer des bureaux. Pour le financement, c'est pareil: c'est à sa charge. Autrement dit, c'est une double peine pour les CPAS – également du point de vue des infrastructures. Vous avez également indiqué qu'aucune compensation ne serait versée par vous en réponse aux mesures prises par les gouvernements régionaux relativement au personnel. La subvention Collignon, dont je vous parlais tout à l'heure, correspond à Liège à 35 emplois, à Charleroi à 38 emplois (de mémoire), à Mons (chez moi) à 14 emplois. Vous devez quand même vous rendre compte qu'entre les mesures que vous prenez et celles que prennent les gouvernements régionaux, vous allez permettre l'engagement d'un assistant social pour 100 dossiers. C'est ce que vous m'avez répondu tout à l'heure en parlant de la fameuse répartition à partir du 1 er janvier, si le budget est finalement voté. Grand seigneur! Un assistant social pour 100 dossiers… Pourtant, dans le même temps, vos homologues régionaux suppriment des postes d'assistant social. Nous savons qu'en Wallonie, on a besoin de plus de 800 assistants sociaux pour absorber la vague qui va déferler, mais des postes seront supprimés! Vous ne semblez pas vous en rendre compte. J'imagine quand même que vous parlez avec vos homologues. C'est indispensable. Il est impossible que, de ce côté, vous nous vendiez du rêve en promettant des moyens à destination des CPAS et que, de l'autre, on fasse tout le contraire. En tout cas, madame la ministre, vous savez que je ne manquerai pas de revenir vers vous afin de vous poser des questions complémentaires. À un certain moment, une concertation générale est nécessaire. J'y reviendrai tout à l'heure, mais il faut vous concerter avec vos homologues régionaux, car ce n'est plus possible.

De terugbetaling van diëtetiekbegeleiding voor kinderen en jongeren met obesitas

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat er geen directe evaluatie komt van de strenge terugbetalingsvoorwaarden (leeftijd, BMI-drempel, artsenvoorschrift) voor diëtetiek bij kinderen met obesitas, ondanks signalen dat kwetsbare kinderen buiten de boot vallen of zelfs actief worden overvoed door ouders om aan de criteria te voldoen. Hij benadrukt wel het bestaande multidisciplinaire zorgtraject in 24 gespecialiseerde centra, waar inschaling via risicoscreening (Edmonton-systeem) bepaalt of laagdrempelige of intensievere zorg nodig is. Farih dringt aan op flexibele uitzonderingen voor medisch verantwoorde gevallen, om te voorkomen dat de huidige regels contraproductief werken en kinderen in gevaar brengen. De minister belooft het probleem mee te nemen in het interfederaal obesitasprogramma, maar concrete aanpassingen blijven vooralsnog uit.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik wil mijn eerste vraag wijden aan de terugbetaling van diëtetiek bij kinderen en jongeren met obesitas. We zien steeds meer obesitas bij de jongere generatie. Dat baart mij zorgen.

Sinds 2020 voorziet de verplichte ziekteverzekering in een terugbetaling van diëtetiekbegeleiding voor kinderen tussen 2 en 17 jaar met overgewicht of obesitas. Daarbij gelden drie cumulatieve voorwaarden. De eerste voorwaarde is de leeftijdsvoorwaarde tussen 2 en 17 jaar. De tweede voorwaarde is dat de BMI-waarde boven de vastgelegde grens moet liggen, wat overeenkomt met meer dan 25 BMI bij een 18-jarige. De derde voorwaarde is dat er een voorschrift van een arts vereist is.

Ik heb daarover drie vragen, mijnheer de minister. Wordt momenteel geëvalueerd of het cumulatief opleggen van deze drie criteria wel nuttig is en geen onbedoelde negatieve effecten veroorzaakt? Zijn er signalen dat kinderen met een duidelijk gezondheidsrisico net buiten de boot vallen omdat zij niet aan alle criteria voldoen, terwijl preventie in deze essentieel is? Plant u aanpassingen aan de huidige voorwaarden om toch in vroegtijdige en laagdrempelige begeleiding voor jonge kinderen met obesitas of overgewicht te kunnen voorzien?

Frank Vandenbroucke:

Momenteel zijn er geen evaluaties of bijsturingen van de bestaande voorwaarden voor terugbetaling van diëtetiekverstrekkingen voorzien, gezien de recente aanpassingen van december 2023.

Parallel hiermee wordt het zorgtraject obesitas momenteel uitgevoerd in de 24 erkende pediatrisch multidisciplinaire obesitascentra. Dat traject biedt gepersonaliseerde zorg aan kinderen en jongeren met obesitas en is erop gericht hen op een geïntegreerde en multidisciplinaire wijze te ondersteunen. Kinderen van 2 tot en met 17 jaar die lijden aan obesitas, hebben recht op een tegemoetkoming wanneer hun BMI een bepaalde drempelwaarde bereikt. Deze drempelwaarde hangt af van de leeftijd en het geslacht van het kind.

Het kind wordt ingeschaald aan de hand van het Edmonton Obesitas Staging System for Pediatrics. Dat is een tool voor een eerste screening van risicofactoren en om de ernst van de obesitas in te schatten. Op basis van deze inschaling wordt het kind doorverwezen naar het geschiktste zorgniveau voor verdere behandeling.

Er wordt een passend advies gegeven voor alle kinderen met een gezondheidsrisico. Een kind met een lage inschaling wordt in het eerste niveau opgevolgd. Indien nodig kan de behandelende huisarts of kinderarts uit het eerste niveau een advies aanvragen bij het PMOC voor bijkomende expertise met betrekking tot het behandelplan. Een kind met een hoge inschaling wordt verder opgevolgd in het PMOC, door middel van een ambulant multidisciplinair zorgtraject. Indien nodig kan het kind zelfs worden doorverwezen naar het derde zorgniveau voor residentiële zorg in het Zeepreventorium of Clairs Vallons.

Wij nemen dit alles mee in onze reflecties over het interfederaal programma rond obesitas bij kinderen en jongeren, met als doel een vroege en structureel verankerde impact te ontwikkelen, die aansluit bij de behoefte van alle kinderen.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik wil even op de kwestie terugkomen omdat ik signalen heb gekregen van artsen op het terrein. Zij merken dat bepaalde patiënten, met name jonge kinderen, de drempelwaarden niet behalen, waardoor ouders hun kinderen actief overvoeden om toch een terugbetaling te verkrijgen. Dat is een heel gevaarlijk fenomeen. Ik zie dat u fronst, maar dat was ook mijn reactie toen ik het nieuws vernam. Het zou om meerdere gevallen gaan, vooral bij tieners, omdat zij vaak kampen met een negatief zelfbeeld of gepest worden op school. Ouders willen hen dan zo snel mogelijk helpen op een betaalbare manier. Ik wil u niettemin vragen of het niet mogelijk is om de voorwaarden te herbekijken en uitzonderingen toe te laten wanneer dat medisch wordt verantwoord door artsen. Wij hebben niets aan kinderen die worden overvoed om alsnog in aanmerking te komen voor een terugbetaling. Het gaat om kwetsbare kinderen. Dus ik wil dat de nodige aandacht aan het probleem wordt besteed.

De hospitalisatiecriteria van het RIZIV

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat patiënten die na middernacht worden opgenomen en dezelfde dag ontslagen, juridisch niet als gehospitaliseerd gelden, waardoor ze geen aanspraak maken op hun verzekering, maar wel onder ambulante zorg vallen (zonder persoonlijk aandeel voor verpleegdagen). Nawal Farih kaart de oneerlijkheid van deze strikt administratieve tijdsgrens aan, ondanks medische noodzaak, en pleit voor een herziening naar objectievere criteria (bv. 8 uur verblijf of overnachting). De minister erkent de spanning tussen werkbaarheid en billijkheid en belooft dat het RIZIV de definitie zal heroverwegen, zonder concrete aanpassingen toe te zeggen. De discussie draait om de kloof tussen juridische regels en patiëntenbelangen in hospitalisatievergoedingen.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, nog niet zo lang geleden kwam mij het verhaal ter ore van een patiënte die, ondanks ze in een ziekenhuiskamer overnachtte, niet als gehospitaliseerd werd beschouwd, omdat ze enkele minuten na middernacht werd ingeschreven en zij nog dezelfde kalenderdag werd ontslagen. De patiënte kon dus geen beroep doen op haar hospitalisatieverzekering. Blijkbaar valt een dergelijk verblijf niet onder de definitie van een hospitalisatieverzekering. Juridisch klopt dat volgens het RIZIV volledig. Ik heb echter wel vragen over de rechtvaardigheid van die aanpak, zeker gezien de medische noodzaak.

Minister, vindt u ook dat de huidige hospitalisatiecriteria in de praktijk tot oneerlijke situaties kunnen leiden voor patiënten die objectief gezien wel gehospitaliseerd waren? Zou u kunnen overwegen om het RIZIV te vragen de definitie te herzien, zodat bijvoorbeeld een verblijf van meer dan acht uur of een overnachting automatisch als hospitalisatie geldt?

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel dat u die specifieke situatie onder de aandacht brengt.

Artikel 3 van de Nationale Overeenkomst tussen de verpleeginrichtingen en de verzekeringsinstellingen stelt dat er in dat geval inderdaad geen sprake is van een klassieke hospitalisatie en er dus geen aanrekening kan gebeuren van het bedrag per opname en verpleegdag, dus van het tarief voor de klassieke hospitalisatie.

Indien iemand pas na middernacht opgenomen wordt in het ziekenhuis en dezelfde kalenderdag naar huis gaat en er daarnaast ook geen sprake is van een daghospitalisatie, valt de patiënt onder de facturatieregel voor ambulante zorg. De patiënt betaalt dan ook geen persoonlijk aandeel voor de facturatie van de verpleegdag. De kamerkeuze is ook niet van belang voor het bepalen van eventuele supplementen, maar wel de conventiestatus van de arts.

De huidige criteria zijn al jaar en dag dezelfde en zijn gebaseerd op administratieve tijdsgrenzen. Het blijft essentieel om een evenwicht te bewaren tussen administratieve werkbaarheid en het opstellen van duidelijke en objectiveerbare criteria en een billijke behandeling van patiënten. Dat neemt niet weg dat het RIZIV op de hoogte is gesteld van de situatie en dat het zal bekijken of de definitie moet worden herzien.

Nawal Farih:

Dank u wel voor de opvolging, mijnheer de minister.

De toegankelijkheid van CAR T-celtherapie

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Nawal Farih kaart aan dat Limburgse kankerpatiënten voor CAR-T-celtherapie naar Leuven, Gent of Antwerpen moeten, wat zware logistieke en psychologische lasten met zich meebrengt, terwijl nabijheid cruciaal is—ondanks dat Limburgse centra aan alle criteria voldoen maar door terugbetalingsregels (RIZIV) en accreditatie-eisen (o.a. 28 allogene transplantaties/jaar) worden uitgesloten. Frank Vandenbroucke bevestigt dat een herziening van het terugbetalingskader lopende is—met brede stakeholderconsultaties (o.a. JACIE, EBMT, KCE)—waarbij toegankelijkheid en spreiding meegenomen worden, maar concrete aanpassingen (zoals drempelverlaging) nog niet vastliggen. De minister benadrukt dat kwaliteit, nabijheid en datamonitoring centraal staan in het toekomstige beleid, zonder al details te geven. Farih reageert hoopvol maar dringt aan op snelle oplossingen voor regionale ongelijkheid in zorgtoegang.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, in regio’s zonder erkend centrum voor CAR-T-celtherapie, zoals Limburg, moeten patiënten zich verplaatsen naar Leuven, Gent of Antwerpen. Dat vergt heel veel van de betrokkenen, zowel op fysiek en psychologisch vlak als op het vlak van de logistiek, en zorgt voor extra uitdagingen, zowel voor de patiënt en zijn familieleden als voor de zorgverstrekkers, terwijl nabijheid van zorg en een sociaal vangnet bij een traject van intensieve kankerbehandeling net cruciaal zijn.

Formeel kent de vergunninghouder de accreditatie toe aan de centra, maar de facto stuurt het federale beleidsniveau via de RIZIV-terugbetalingscriteria en de programmering wel degelijk aan, wanneer het gaat over de nabijheid en de inhoud van het zorgaanbod.

Limburg valt uit de boot voor de terugbetaling van CAR-T-celtherapie, hoewel de centra aldaar wel aan alle criteria voldoen. In andere landen kan het wel anders, met behoud van kwaliteit en met aandacht voor toegankelijkheid en nabijheid.

Bent u bereid de huidige criteria te herzien, aangezien vandaag vooral de universiteitsziekenhuizen aan bod komen en de perifere ziekenhuizen wat uit de boot vallen? Vooral de verlaging van de drempel van minstens 28 allogene transplantaties per jaar zou kunnen helpen.

Bent u bereid rekening te houden met de toegankelijkheid en de nabijheid van de therapie door in de programmering een spreidingsdoelstelling vast te leggen, zodat ook Limburgse patiënten op een makkelijkere manier toegang kunnen krijgen tot de behandeling?

Hoe zult u ervoor zorgen dat in de toekomst altijd rekening wordt gehouden met principes van nabijheid en toegankelijkheid van de zorg? Ik besef dat expertise een belangrijk aspect is en u hebt wat dat principe betreft een partner in ons. Maar kwaliteit van zorg is een holistisch begrip en daar maken ook toegankelijkheid en nabijheid deel van uit.

Frank Vandenbroucke:

Het therapeutisch landschap rond de CAR-T-behandelingen was tot mei 2025 veeleer gericht op lymfomen en leukemie. Een grote uitbreiding situeert zich op het gebied van myeloombehandeling, naast andere nog niet terugbetaalde indicaties aan de horizon. Momenteel zijn een grondige evaluatie en overleg met alle stakeholders lopende om het terugbetalingskader voor centra in België die CAR-T-behandelingen toedienen, future-proof te maken.

Er werden reeds diverse consultatierondes geïnitieerd vanuit het CTG-bureau, met input van de Benelux-A-landen, de centra die vergoedbare CAR T-behandelingen toedienen in België, de CAR-T-vergunningshouders, de nationale vertegenwoordiger en laboratoriuminspecteur van het Joint Accreditation Committee for the International Society of Cellular Therapy (JACIE) in België, en de European Society for Blood and Marrow Transplantation (EBMT), aangevuld met informatie verkregen via het KCE over de organisatie in diverse Europese landen, waaronder Spanje, Frankrijk, Oostenrijk en Nederland, en nazicht van wetenschappelijke rapportages. Er is dus een zeer uitgebreide consultatie en bijkomend studiewerk gebeurd.

Op basis daarvan werd een ontwerp van het kader opgesteld en gedeeld met alle betrokken stakeholders. Momenteel wordt alle input van de diverse stakeholders geanalyseerd. Het onderwerp zal op basis daarvan worden aangepast.

De toegankelijkheid en nabijheid van de therapie is inderdaad een van de facetten die in overweging dienen te worden genomen bij het uitwerken van het nieuwe kader. Zoals ik aangegeven heb, wordt in het nieuwe kader de input van alle stakeholders meegenomen.

Ook de nood aan dataverzameling wordt meegenomen bij het opstellen van het nieuwe kader. Het is in dit stadium te vroeg om in te gaan op de vraag hoe het nieuwe kader in de toekomst geëvalueerd en aangepast zal of kan worden. Nadere details van het nieuwe kader kunnen nog niet worden vrijgegeven, aangezien dat nog in volle ontwikkeling en afstemming is met alle betrokken partijen.

Nawal Farih:

Dank u wel, minister. Ik kijk uit naar de input van alle stakeholders en naar de outcome . Het verheugt me alvast te horen dat de toegankelijkheid en de nabijheid in de oefening in aanmerking worden genomen. Voor patiënten en familieleden is het immers zeer uitdagend om in moeilijke periodes die afstanden af te leggen. La présidente : La question n° 56007629C de Mme Carmen Ramlot est transformée en question écrite.

De recente studie v.d. Onafhankelijke Ziekenfondsen en het mentale welzijn van jonge werknemers
Burn-outpreventie en een betere bescherming van vrouwen op dit gebied
Mentale gezondheid en burn-outpreventie bij jonge werknemers en vrouwen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De alarmerende stijging van burn-outs (verdubbeld in 6 jaar, vooral bij jongeren <40 jaar en zelfstandigen +49%) en bijbehorende kosten (12 mjd €, 50% van arbeidsongeschiktheid) vraagt om dringend ingrijpen, stelt Isabelle Hansez, die pleit voor verplichte vroege opvolging via bedrijfsarts en versterkte preventie. Minister Vandenbroucke kondigt een geïntegreerd plan aan met vroegtijdige interventie (preventieve trajecten, digitale TRIO-platform voor multidisciplinair overleg), verplichte risicopreventie in bedrijven, toegankelijke psychologische zorg (gereduceerd tarief) en focus op kwetsbare groepen (jongeren, vrouwen via gendergerichte aanpak). Pilotprojecten (Fedris, IPS) moeten langdurige afwezigheid voorkomen, met uitrol in 2026. Hansez benadrukt de urgentie van primaire preventie: bedrijven analyseren risico’s wel, maar zetten te weinig concrete actieplannen op, terwijl secundaire preventie (via Fedris) pas ingrijpt bij eerste signalen van uitval. De kern: snel handelen met verplichte preventie, vroege detectie en sectoroverschrijdende samenwerking, gericht op jongeren en vrouwen, om zowel menselijk leed als socialezekerheidskosten te beperken.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, effectivement, les Mutualités Libres ont publié les résultats d'une enquête qui mettent en évidence une évolution alarmante: en six ans, les cas de burn-out ont quasiment doublé. Avec les autres troubles psychosociaux, ils représentent aujourd'hui près d'une incapacité sur deux. C'est particulièrement marqué – c'est un résultat qui m'interpelle – chez les indépendants (plus 49 % depuis 2018) et chez les jeunes actifs de moins de 40 ans.

Ces chiffres traduisent une double réalité: d'une part, un drame humain pour des milliers de familles; d'autre part, un défi tout de même majeur pour la soutenabilité de notre sécurité sociale puisque les dépenses liées aux incapacités de travail, comme vous le savez, ont doublé en dix ans pour atteindre 12 milliards d'euros.

Les Mutualités Libres recommandent d'agir rapidement: mise en place d'un suivi obligatoire par la médecine du travail après trois mois d'absence; prévention accrue des risques psychosociaux; responsabilité renforcée des employeurs; et recherche ciblée sur les causes de la hausse des troubles mentaux, notamment chez les jeunes travailleurs.

Dès lors, monsieur le ministre, comment le gouvernement entend-il répondre à cette explosion des burn-out et autres troubles psychosociaux, tant en matière de prévention que d'accompagnement des personnes touchées – en l'espèce surtout les jeunes? Êtes-vous favorable à l'instauration d'un suivi systématique et précoce via la médecine du travail pour les pathologies liées à la santé mentale, comme le suggère l'enquête réalisée par les Mutualités Libres? Enfin, quelles mesures spécifiques envisagez-vous pour mieux protéger un public particulièrement vulnérable par rapport à cette évolution: les jeunes travailleurs?

Frank Vandenbroucke:

Madame Hansez, les chiffres publiés récemment par les Mutualités Libres sont en effet sans appel. Face à de tels chiffres, je crois qu'il faut agir avec détermination. Nous considérons cette question comme un enjeu de santé publique qui appelle une approche intégrée. C'est le sens du plan global de prévention et de retour au travail prévu dans l'accord de gouvernement. Ce plan poursuit deux objectifs: prévenir autant que possible l'apparition des maladies et accompagner activement les personnes déjà touchées afin d'éviter un éloignement durable du marché du travail.

Voici ce que nous voulons faire concrètement.

1. Nous voulons intervenir plus tôt. Un salarié en difficulté pourra entamer un parcours préventif avec son médecin du travail pour adapter ses conditions avant qu'une absence prolongée ne devienne nécessaire.

2. Dès le début d'une incapacité, nous organiserons un dialogue structuré entre le travailleur, l'employeur et le trio de médecins (le médecin traitant, le médecin du travail, le médecin conseil).

3. La plateforme numérique TRIO, active depuis février, facilitera cette concertation sécurisée et multidisciplinaire.

4. En parallèle, nous renforçons la prévention primaire des risques psychosociaux en collaboration avec le ministre de l'Emploi. Le stress chronique au travail est un facteur majeur de burn-out et chaque entreprise doit prendre ses responsabilités.

Nous investissons aussi dans la santé mentale. Les soins psychologiques de première ligne sont désormais accessibles à tarif réduit. Nous développons des lignes directrices pour que psychologues et médecins généralistes puissent mieux identifier les signaux liés au travail et maintenir le lien professionnel. Un projet pilote dans trois régions associe médecins et psychologues autour du thème "santé mentale et travail". Il sera évalué en 2026 pour un éventuel déploiement national.

À ces actions s'ajoutent les initiatives de Fedris, l'Agence fédérale des risques professionnels. Depuis 2019, Fedris mène des projets pilotes de prévention du burn-out dans plusieurs entreprises et secteurs. Ces projets permettent aux travailleurs présentant des signaux précoces d'épuisement professionnel de bénéficier d'un trajet de coaching financé par Fedris.

Des centaines de travailleurs ont déjà été accompagnés avec succès, souvent avant qu'une incapacité de longue durée ne s'installe. Nous allons renforcer et étendre ces projets, en particulier dans les secteurs les plus exposés – soins de santé, enseignement, services sociaux – pour qu'un plus grand nombre de travailleurs puissent accéder à cette aide. Ces expériences inspirent aussi la politique générale. Elles démontrent qu'une intervention précoce, financée collectivement, peut réellement éviter des absences prolongées.

La réussite de notre stratégie passe aussi par une coopération entre le Fédéral et les Régions. Début 2026, nous conclurons un nouveau protocole d'accord avec les ministres régionaux de l'emploi. Des approches comme l'Individual Placement and Support (IPS), qui aide les personnes atteintes de troubles psychiques sévères à retrouver un emploi, seront généralisées.

Dans ce cadre, nous encourageons également la collaboration entre, par exemple, les werkwinkels et les psychologues de première ligne. Concrètement, les psychologues de la première ligne pourront travailler en lien direct avec les conseillers des werkwinkels afin de détecter précocement les difficultés, prévenir les ruptures de parcours professionnel et soutenir le retour progressif au travail dans des conditions adaptées.

Enfin, nous portons une attention particulière aux jeunes et aux femmes. Chez les jeunes actifs, les troubles psychiques augmentent fortement. Nous voulons comprendre les causes (la précarité, les nouvelles organisations du travail, l'équilibre vie privée et professionnelle,…) et adapter nos politiques.

Quant aux femmes, elles représentent près de 65 % des incapacités pour burn-out. C'est un reflet de la double charge professionnelle et familiale et d'une surreprésentation dans les métiers du care . Nous intégrons donc une dimension de genre dans toutes nos politiques de prévention et de réintégration, en nous appuyant sur l'étude sur la santé des femmes de Sciensano.

Notre stratégie, je crois, est claire: prévenir en amont, intervenir tôt, accompagner avec des outils adaptés, y compris via les projets de Fedris, et réintégrer durablement. Nous voulons protéger la santé mentale des travailleurs avec une attention particulière pour les jeunes et les femmes, et assurer la viabilité de notre modèle social.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. J’insiste un peu parce que je pense qu’il y a urgence à agir. Nous parlons d’un véritable enjeu de santé publique, mais aussi de la soutenabilité de notre sécurité sociale. Ces 12 milliards d’euros de dépenses sont autant de moyens qu’il faudrait investir en amont, dans la prévention. Vous me parlez du programme Fedris, que je connais évidemment bien. C’est de la prévention secondaire. On agit là quand les personnes manifestent déjà des premiers signes de burn-out. Nous devons réfléchir à nouveau à l’importance de la prévention primaire. Aujourd'hui, beaucoup d’entreprises font une analyse des risques, mais peu d’entreprises développent et appliquent des plans d’action. Je pense que nous devons revenir sur l’importance de la prévention primaire dans les entreprises. Je suis heureuse d’entendre que nous pouvons faire un focus sur des groupes à risque au sein de ces entreprises. Je vous remercie, monsieur le ministre.

De beslissing van het Wit-Gele Kruis om remgeld te vragen
Het remgeld en de thuiszorg
Thuiszorg en remgeld bij het Wit-Gele Kruis

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat remgeld in thuiszorg wettelijk is maar variabel toegepast wordt door zorgverleners, wat leidt tot regionale ongelijkheid en complexiteit voor patiënten, hoewel een maximumfactuur financiële drempels moet verzachten. Hij wijst op een pilootproject in 2026 voor een nieuw financieringsmodel, maar ontwijkt of verplicht remgeld daarin zal worden opgenomen. Van Lysebettens kritiseert de willekeur in remgeldheffing en vraagt om een uniform kader, maar krijgt geen duidelijk antwoord over veralgemening of prijsstijgingen. Coalitiepartners (cd&v, N-VA) willen hogere patiëntenbijdragen, maar Vandenbroucke bevestigt dit niet als regeringsstandpunt.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, vanaf 1 september zal het Wit-Gele Kruis, omwille van veranderende werkomstandigheden in Limburg, Oost-Vlaanderen en Vlaams-Brabant, remgeld vragen voor hun thuisverplegingsdiensten. In Antwerpen en West-Vlaanderen doet het Wit-Gele Kruis dat niet. Ook andere zorgorganisaties zoals i-mens doen dit voorlopig nog niet.

Hieruit blijkt dat het remgeld vandaag afhangt van de organisatie die langskomt. Dit leidt dus tot willekeur en ongelijkheden bij patiënten en tot verhoogde concurrentie in prijzen tussen de zorgorganisaties, wat potentieel de focus van een betere organisatie van de zorg wegneemt.

Mijnheer de minister, is het volgens u aan de zorgorganisaties zelf om de hoogte van het remgeld te bepalen? Het gevolg is immers dat de patiënt zo wordt geconfronteerd met een complexer systeem, dat verschilt van aanbieder tot aanbieder en van locatie tot locatie.

Zo neen, is er volgens u dan nood aan een duidelijk kader voor de uniforme inning van het remgeld, zoals ook het geval is bij apotheken, waar de inning van het remgeld verplicht is? Gaat u hierbij ook pleiten om de inning van het remgeld te veralgemenen, met als gevolg dat meer mensen een hogere prijs zullen moeten betalen en misschien van zorg zullen worden uitgesloten?

In de media mocht ik vernemen dat zowel de voorzitters van cd&v als N-VA, uw coalitiepartners, voorstander zijn om de factuur voor de burger te verhogen door het remgeld globaal te verhogen. Is dat een visie die u onderschrijft en die deel uitmaakt van het regeringsbeleid?

Hoe zult u voor deze problematiek aandacht hebben bij de verdere onderhandelingen over de nomenclatuur in de Overeenkomstencommissie verpleegkundigen-verzekeringsinstellingen?

Frank Vandenbroucke:

Het innen van remgeld door verpleegkundigen is wettelijk toegelaten en gebeurt al door verschillende thuisverplegingsdiensten en individuele verpleegkundigen in België. Elke verpleegkundige of dienst heeft de autonomie om zelf te beslissen of hij of zij het vastgelegde remgeld geheel of gedeeltelijk aanrekent of niet. Zij bepalen dus niet de hoogte van het remgeld zonder kader of beperking, maar uiteraard blijft het belangrijk dat de verpleegkundige de patiënt daarover goed informeert.

De noden van de verpleegkundigen zijn mij bekend, net zoals die van andere sectoren. Ik blijf me inzetten voor voldoende budget voor de gezondheidszorg, met ruimte voor de broodnodige behoeften, binnen de mogelijkheden van het budgettaire kader.

Momenteel wordt intensief gewerkt aan de voorbereiding van een pilootproject voor de thuisverpleging. Een nieuw financieringssysteem zal worden getest in de loop van 2026. Dit project heeft tot doel beter in te spelen op de huidige realiteit van het verpleegkundige beroep, met oog voor de noden van zowel de patiënt als de verpleegkundige. Het is echter nog te vroeg om te kunnen oordelen in welke mate deze nieuwe manier van werken tegemoet zal komen aan de noden van de sector en van de patiënten.

Om te vermijden dat de uitgaven voor medische zorg blijven oplopen, bestaat het mechanisme van de maximumfactuur. Als de medische kosten die een gezin moet betalen, na tegemoetkoming van de verplichte ziekteverzekering, in de loop van het jaar een maximumbedrag bereiken, betaalt het ziekenfonds de kosten die daar later nog bij komen volledig terug. Dit ondersteuningsmechanisme gaat ruimer dan alleen de rechthebbenden met verhoogde tegemoetkoming.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, de zorgkundigen bepalen inderdaad misschien niet de hoogte van het remgeld, maar, zoals u zelf zegt, wel de mate waarin men het vastgestelde remgeld opneemt. Dat leidt toch wel degelijk tot verschillen tussen verschillende zorgverstrekkers, instellingen en regio's. Het lijkt mij niet in het belang van de patiënten dat wij dat faciliteren. U hebt het ook over een pilootproject en benoemt, denk ik, de medische voordelen die daaraan kunnen vastzitten, maar u spreekt ook over een nieuw financieringsmodel. Vermits u antwoord geeft op een vraag over remgelden, ga ik ervan uit dat in dat nieuwe financieringsmodel wel wordt gekeken naar een verplicht remgeld voor de thuiszorg. La présidente : Les questions jointes n° 56007715C de Mme Irina De Knop et n° 56008938C de Mme Sarah Schlitz, la question n° 56007825C de M. Staf Aerts, la question n° 56007852C de Mme Frieda Gijbels et la question n° 56007925C de Mme Victoria Vandeberg sont retirées. Les question n° 56007817C et n° 56007877C de Mme Nawal Farih et les questions n° 56007922C et n° 56007923C de Mme Carmen Ramlot sont transformées en questions écrites.

Het farmaceutische meerjarenkader

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke presenteert een meerjarig farmaceutisch kader (2026-2029) om de 7-8% jaargroei in geneesmiddelenuitgaven te beteugelen via drie budgetcomponenten: (1) een vast percentage (17,3%) van het gezondheidsbudget met strikte clawback bij overschrijding, (2) een apart budget van €25 miljoen voor versnelde toegang (Early and Fast Equitable Access) tot innovatieve geneesmiddelen (gefundeerd via remgelden), en (3) vangnetten tegen tekorten (bv. prijsdalingen oudere medicijnen). Bertels prijst met name de versnelde procedure voor patiënten met dringende noden, die vanaf 2026 operationeel wordt.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, u weet het waarschijnlijk beter dan ik, maar de uitgaven voor farmaceutische verstrekkingen zullen de komende jaren een zeer grote uitdaging vormen voor de begroting van de ziekteverzekering. De cijfers tonen aan dat bij ongewijzigd beleid – wat niet onze wens is en zeker niet onze voorkeur wegdraagt – het budget jaarlijkse zal groeien met 7 tot 8 %. Dat ligt fors boven de reële groeinorm. De farmaceutische verstrekkingen nemen daardoor, als daar niets aan gedaan wordt, een steeds groter deel van het budget van de ziekteverzekering voor hun rekening.

Tegelijkertijd is er een grote nood bij patiënten met specifieke zorgbehoeften. Deze patiënten wachten ongeduldig op een snellere toegang tot innovatieve behandelingen en geneesmiddelen. Andere patiënten zijn terecht als de dood voor het risico van onbeschikbaarheid van sommige noodzakelijke geneesmiddelen. Daarom is in het regeerakkoord afgesproken dat er een meerjarig farmaceutisch kader komt voor deze legislatuur. Dat kader moet fungeren als een soort kompas om de begroting financieel houdbaar te houden, zowel de RIZIV-begroting als de begroting voor de geneesmiddelenindustrie, het geneesmiddelenbeleid.

Mijn ingediende vragen dateren nog van voor de beslissing van de Algemene Raad over de gezondheidszorgbegroting voor 2026, maar ze blijven pertinent.

Hoever staat u met de uitwerking van het meerjarig kader, inclusief de beslissingen die zijn genomen voor de begroting voor 2026? Loopt er nog overleg met de betrokken actoren, zoals de farmasector, die uit verschillende actoren bestaat, met betrekking tot dat meerjarig kader?

Is er al overeenstemming bereikt of een beslissing genomen over een apart budget dat wordt voorzien en besteed aan nieuwe noodzakelijke maatregelen, zoals de procedure Fast and Early Equitable Access? Hoe ver staat u daarmee en wanneer kunnen we de eerste resultaten daarvan verwachten?

Frank Vandenbroucke:

Het meerjarenkader voorziet in een voorspelbaar budgettair kader, met zowel een groeipad als een aantal structurele maatregelen. We hebben drie doelstellingen. We willen een duurzame groei van de terugbetalingsmogelijkheden voor innovatieve geneesmiddelen en behandelingen. We willen, ten tweede, geneesmiddelentekorten maximaal voorkomen en aanpakken. Ten derde willen we bevorderen dat alle betrokken actoren meer verantwoordelijkheid nemen om het budget te bewaken en gericht in te zetten op de belangrijkste noden.

Daarom hebben we gekozen voor een andere benadering, waarbij het budget voor farmaceutische specialiteiten niet als één monoliet wordt beschouwd, maar analytisch wordt gezien in drie componenten.

De eerste component betreft het nettobudget voor farmaceutische specialiteiten voor 2026-2029. Dat budget wordt vastgesteld als een vast percentage van 17,3% van het normbudget voor de gezondheidszorgdoelstelling. Dat betekent een belangrijke vooruitgang voor de stabiliteit en voorspelbaarheid van het budget voor zowel de industrie, de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen, als de overheid. Bij overschrijding van het budget wordt in een strikte responsabilisering van de industrie voorzien via een strengere clawback.

De tweede component wordt jaarlijks bepaald en financiert de nieuwe procedure Early and Fast Equitable Access. Daarvoor starten we in 2026 met een budget van 25 miljoen euro. Dat bedrag wordt deels gefinancierd met het budget voor het bestaande programma Unmet Medical Needs en deels met extra middelen verkregen door de invoering van een minimumremgeld van één à twee euro per verpakking. De bijdragen van patiënten worden dus rechtstreeks ingezet om de procedure Early and Fast Equitable Access te realiseren, wat vooral belangrijk is voor patiënten met vaak hoge noden die wachten op terugbetaling van innovatieve geneesmiddelen.

De derde component in dat budget farmaceutische specialiteiten is de weerspiegeling van maatregelen om tekorten aan geneesmiddelen te voorkomen via vangnetten. Een concreet voorbeeld is het invoeren van een vangnet voor oudere geneesmiddelen bij ad hoc-prijsdalingen, om te vermijden dat prijzen te ver worden uitgediept.

Daarnaast worden in verschillende flankerende maatregelen voorzien, met name de stimulering van onderzoek naar behandelingsoptimalisaties via het Post Reimbursement Fonds, de vereenvoudiging van CTG-procedures en de verdere ontwikkeling van beleid rond onbeschikbaarheid van geneesmiddelen en doelmatig gebruik.

Om het meerjarenkader tot stand te brengen, hebben meerdere overlegmomenten plaatsgevonden met de farmaceutische industrie en de verzekeringsinstellingen, evenals met andere stakeholders, zoals de koepelorganisaties voor apothekers en ziekenhuisapothekers. Ik denk dat ik mag zeggen dat die dialoog intens, maar ook constructief is verlopen.

Jan Bertels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is goed te horen dat de dialoog consistent, intensief en constructief verlopen is en dat er een meerjarenkader is uitgekomen, met de drie componenten die u aanhaalt. Een onderdeel verheugt mij in het bijzonder, met name het aparte budget dat werd gecreëerd voor de procedure voor Early and Equitable Fast Access. Dit moet toelaten om een aantal geneesmiddelen sneller op de Belgische markt te krijgen. Voor een aantal mensen die op zoek zijn naar innovatieve geneesmiddelen omdat ze daardoor kunnen worden geholpen, is het van belang dat deze snel beschikbaar zijn. Achteraf kan dan worden geëvalueerd of deze geneesmiddelen duurzaam in het reguliere circuit kunnen worden opgenomen. Dit is een goede zaak. Ik heb begrepen dat hiervoor extra middelen worden vrijgemaakt, namelijk 25 miljoen euro in 2026. Wij zullen dit blijven ondersteunen.

Radiotherapie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Frieda Gijbels kaart aan dat kankerpatiënten onvoldoende geïnformeerd worden over radiotherapie als alternatief voor chirurgie/chemotherapie, ondanks wettelijke verplichtingen (art. 8 patiëntenrechtenwet) en technologische vooruitgang die bijwerkingen vermindert. Minister Vandenbroucke benadrukt dat multidisciplinaire oncologische consulten (MOC’s, 90% dekking in 2020) en oncocoaches patiënten moeten informeren, maar MOC’s zijn enkel verplicht bij complexe gevallen en niet voor benigne tumoren—al gebeurt multidisciplinair overleg hier vaak informeel. Gijbels wijst op informatiehiaten (bv. snelle innovaties in radiotherapie die niet altijd bij artsen bekend zijn) en pleit voor KCE-richtlijnen en transparantere MOC-verslagen voor patiënten. De minister bevestigt dat evidence-based richtlijnen (bv. prostaatkanker) bestaan, maar laat ruimte voor KCE-onderzoek bij tekortkomingen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik breng graag volgende kwestie onder uw aandacht naar aanleiding van de World Radiotherapy Awareness Day in september. Toen ik recent een bezoek bracht aan een afdeling radiotherapie beklaagde men zich erover dat patiënten vaak onvoldoende geïnformeerd worden over radiotherapie als alternatieve of bijkomende behandelingsoptie voor chirurgie of chemotherapie. Dat zou eigenlijk niet mogen gebeuren, want artikel 8 van de wet op de patiëntenrechten bepaalt dat patiënten volledig geïnformeerd moeten worden over alle mogelijke behandelopties, ook wanneer die uitgevoerd dienen te worden door een andere gezondheidszorgbeoefenaar.

Radiotherapie heeft de voorbije jaren grote ontwikkelingen gekend: niet alleen vergroten de mogelijkheden door de stereotactische en de hypofractionaire toepassingen, maar verminderen ook de bijwerkingen. Dat maakt radiotherapie bijzonder interessant.

Op welke manier wordt gecontroleerd of patiënten voldoende geïnformeerd worden over bijvoorbeeld radiotherapie als mogelijke behandelingsoptie?

Welke maatregelen kunnen eventueel worden genomen om te garanderen dat alle kankerpatiënten volledig geïnformeerd worden over alle beschikbare behandelopties, inclusief radiotherapie?

Momenteel worden multidisciplinaire oncologische consulten ingericht voor de bespreking van de behandeling van maligne tumoren, maar ze kunnen ook zeer zinvol zijn voor benigne tumoren, bijvoorbeeld bij benigne hersentumoren die moeilijk bereikbaar zijn, waar vooral het ruimte-innemend proces van belang is. Daar kan radiotherapie soms soelaas bieden. Overweegt u om ook bij benigne tumoren dergelijke MOC”s toe te laten?

Wordt er volgens de regelgeving of de richtlijnen een MOC geadviseerd of verplicht gesteld bij de initiële diagnose en bij de bepaling van een behandelingsplan? Zijn er cijfers beschikbaar over het percentage kankerpatiënten dat effectief een MOC heeft doorlopen voor een behandeling?

Ten slotte, bij bijvoorbeeld prostaatkanker en hersenmetastase lijkt radiotherapie op zijn minst evenwaardig als chirurgie. Sommige studies tonen aan dat er minder neveneffecten zijn bij de behandeling van prostaatkanker met radiotherapie dan bij chirurgie. Bestaan er interdisciplinaire richtlijnen voor de aangewezen behandeling van bepaalde tumoren, of zou het KCE dergelijke analyse- of literatuurstudie kunnen uitvoeren om richtlijnen te bepalen?

Frank Vandenbroucke:

In België worden elk jaar veel mensen geconfronteerd met een diagnose van kanker, een ziekte die een grote impact heeft op het leven van de patiënt en zijn of haar naasten. Om te vermijden dat patiënten overweldigd worden door de veelheid aan informatie en beslissingen die op hen afkomen, kunnen ze rekenen op de ondersteuning van een oncocoach. Die gespecialiseerde verpleegkundigen staan in voor informatie, begeleiding en coördinatie en fungeren als een vast aanspreekpunt in het zorgteam.

De functie is cruciaal om patiënten doorheen hun traject te loodsen en draagt in grote mate bij tot de kwaliteit van de zorg en de empowerment van de patiënt. De oncologische zorg in België wordt steeds ingebed in een multidisciplinair kader. Tijdens een multidisciplinair oncologisch consult (MOC) worden alle relevante behandelopties, inclusief radiotherapie waar aangewezen, besproken door de betrokken disciplines. Dat overleg leidt tot een behandelvoorstel, gedragen door het hele team van zorgverleners, waardoor de patiënt er zeker van kan zijn dat alle mogelijkheden op een geïntegreerde manier bekeken worden. Het versterken van de multidisciplinaire samenwerking en het betrekken en informeren van de patiënt blijven erg belangrijk.

Alhoewel een MOC wettelijk enkel voor oncologische pathologieën vastgelegd is, benadruk ik dat een multidisciplinaire aanpak van groot belang is bij alle complexe aandoeningen, ook bij benigne tumoren. Dat inzicht wordt trouwens al door veel artsen gedeeld en in de praktijk toegepast. Voor patiënten met een benigne maar moeilijk behandelbare tumor, bijvoorbeeld bepaalde hersentumoren, kan een overleg tussen disciplines bijzonder waardevol zijn. Ook al valt dat formeel niet onder de noemer van een MOC, kan het dezelfde meerwaarde bieden door kennis en expertise samen te brengen ten gunste van de patiënt.

Het MOC werd door het koninklijk besluit verplicht gemaakt in drie specifieke gevallen. Ten eerste is dat het geval bij elke oncologische behandeling die niet is opgenomen in of die afwijkt van de in het kwaliteitshandboek van het betrokken ziekenhuis uitgeschreven protocollen. Ten tweede is het MOC verplicht bij elke chemotherapeutische behandeling met een geneesmiddel dat in de eerste fase van de verzekeringstegemoetkoming door de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen werd aangeduid voor monitoring via het MOC. Ten derde is het MOC obligatoir bij elke oncologische behandeling met gebruik van een verstrekking uit artikel 18, die aangerekend wordt door een geneesheer-specialist voor een ander specialisme dan radiotherapie, oncologie of nucleaire geneeskunde en die verwant is aan zijn specialisme.

Daarentegen, indien een behandeling wordt gesteld zonder MOC, houdt de behandelende arts alle stukken die zijn keuze motiveren, ter beschikking van de adviserend geneesheer. Er zijn uitzonderingen. Zo is een MOC niet verplicht voor bepaalde huidkankers, zoals een epidermisch spinocellulair carcinoom of een niet-complex basaalcelcarcinoom.

De meest recente gegevens voor het jaar 2024 zijn op dit ogenblik nog niet beschikbaar. Wel kan ik verwijzen naar het KCE-rapport Performance of the Belgian health system: Report 2024 , waarin de cijfers van 2020 zijn opgenomen. Daaruit blijkt dat in België 90,4 % van de kankerpatiënten effectief werd besproken tijdens een MOC. Er zijn wel regionale verschillen. In Vlaanderen bedroeg het percentage 91,6, in Brussel 89,3 en in Wallonië 88,2.

Ik wil ten slotte wijzen op het belang van de wetenschappelijke onderbouwing bij de keuze van behandelingen. Voor sommige tumortypes, zoals prostaatkanker en hersenmetastasen, bestaat er steeds meer evidentie dat radiotherapie minstens evenwaardig is aan chirurgie en in bepaalde gevallen gepaard gaat met minder neveneffecten.

Interdisciplinaire richtlijnen voor dergelijke behandelingen worden ontwikkeld in de wetenschappelijke verenigingen en in samenwerking met het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg. Hoewel er op vandaag geen plannen zijn voor een verdere studie, kan aan het KCE worden gevraagd om bijkomende literatuurstudies of richtlijnontwikkeling op te nemen, indien er hiaten worden vastgesteld.

Frieda Gijbels:

Dank u wel voor uw antwoord. De patiënt heeft zelf geen inzicht in het resultaat van een MOC, als ik het goed begrijp. Het zou interessant zijn, als delen daarvan beschikbaar kunnen worden gesteld, zodat men een volledig overzicht van alle behandelopties krijgt. Voor zover ik het heb begrepen, worden niet in alle gevallen alternatieve behandelmethodes voorgesteld. Ik begrijp dat dat niet eenvoudig is, omdat de ontwikkelingen op het gebied van radiotherapie zeer snel gaan. De afdeling die ik bezocht heb, zet sterk in op innovatieve toepassingen. Het is begrijpelijk dat dergelijke informatie niet altijd volledig tot andere disciplines doordringt, zodat niet altijd duidelijk is wat de juiste opties zijn. Ik hoop dat dat niet in het nadeel van de patiënt is. Er bestaan volgens mij wel degelijk hiaten. Het zou aangewezen zijn om aan het KCE te vragen te onderzoeken of er nieuwe interdisciplinaire richtlijnen moeten worden opgesteld of een literatuurstudie moet gebeuren. Hoe beter we patiënten kunnen informeren, hoe beter dat is voor de algemene volksgezondheid. La présidente : Mme De Knop étant absente, ses questions n ° 56007949C et 56007955C sont sans objet.

De terugbetaling van naloxon in opvangcentra voor drugsverslaafden

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De wijziging van het KB (juli 2025) versoepelt de afgifte van naloxon door apothekers aan artsen in verslavingszorgcentra, maar roept vragen op over vergoedingsmechanismen en kostendruk voor de centra, die als rechtspersonen niet onder de ziekteverzekering vallen. Minister Vandenbroucke wijst de eerste twee vragen af naar de gewesten (sinds de zesde staatshervorming) en bevestigt enkel dat de INAMI-procedure voor remboursement van *Ventizolve* (naloxon) lopende en vertrouwelijk is, met een beslissing na voorstel van de CRM. Prévot benadrukt het dringende belang voor terreinactoren en belooft opvolging, maar aanvaardt het wachten op een definitief standpunt. Kernpunt: onduidelijkheid over financiële haalbaarheid blijft bestendigen, terwijl naloxon levensreddend is voor kwetsbare groepen.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, l'arrêté royal du 4 juillet 2025 modifiant l'arrêté royal du 21 janvier 2009 portant instruction pour les pharmaciens est évidemment une évolution du cadre légal sur l'approvisionnement de la naloxone. Comme vous le savez, je suis moi-même ce dossier depuis plusieurs années maintenant et cette évolution du cadre légal est accueillie avec satisfaction par les acteurs de terrain. Force est de constater toutefois que des interrogations persistent et je me permets une nouvelle fois de vous les relayer.

Premièrement, l'arrêté royal stipule, et je le cite, que "le pharmacien peut délivrer des médicaments à usage humain à base de naloxone aux médecins enregistrés auprès d'un centre d'accueil pour toxicomanes visé à l'article 2 de l'arrêté royal du 19 mars 2004 sur présentation d'un document original daté et signé reprenant le nom du médecin ainsi que l'adresse du centre". Sur ce passage précisément, quels mécanismes de remboursement sont prévus dans ce cadre?

Deuxièmement, et en complément à ma première question, les centres devront-ils supporter le coût du produit au prix plein sachant qu'une personne morale n'est pas couverte par la sécurité sociale? Dans l'affirmative, l'impact financier serait considérable et risquerait de limiter fortement la capacité de ces structures, pourtant en lien direct avec les publics les plus vulnérables, à assurer la mise à disposition de cet antidote vital.

Troisièmement, où en sont les négociations avec l'INAMI au sujet des conditions de remboursement? Une classification en catégorie B est-elle envisagée? Si tel est le cas, une quote-part de 8,30 euros par dose serait à charge du patient. Pouvez-vous, oui ou non, confirmer cette information?

Frank Vandenbroucke:

Merci, monsieur Prévot. Il m'est un peu difficile de répondre à vos deux premières questions parce que la gestion des conventions conclues avec les centres pour personnes toxicomanes a été transférée aux entités fédérées depuis la sixième réforme de l'État.

En ce qui concerne votre troisième question, une procédure de remboursement est en cours pour la spécialité Ventizolve au niveau de la commission de remboursement des médicaments de l'INAMI depuis le 21 janvier 2025. Je ne suis pas en mesure de fournir des informations relatives à ce dossier vu que la procédure, confidentielle, est en cours. Dès que je serai en possession de la proposition définitive de la CRM, je prendrai une décision relative à ce dossier dans le délai qui m'est imparti tout en étant bien conscient des spécificités particulières de ce traitement.

Patrick Prévot:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Sur le troisième volet, je ferai preuve d'encore un peu de patience, comme je le suis depuis quelques années maintenant. J'entends évidemment que les négociations sont toujours en cours, qu'elles sont confidentielles et que, dès lors, vous ne pouvez pas vous exprimer. J'entends également qu'il vous reviendra de trancher sur la question. Je serai encore un peu patient, mais je ne manquerai pas de revenir vers vous avec cette question qui me paraît – mais qui le paraît surtout aux acteurs de terrain – très importante.

Urgente tandzorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ontoereikende toegankelijkheid van spoed-tandzorg in België, vooral ’s avonds en in het weekend, ondanks de wettelijke verplichting voor tandartsen om deel te nemen aan dienstwachten. Regionale verschillen (beperkte openingsuren, ongelijke verdeling van de lasten) leiden tot overbelaste ziekenhuis-spoeddiensten of risicovolle zelfmedicatie, terwijl een landelijk geharmoniseerd systeem (sinds 2022 in voorbereiding) en betere inzet van ziekenhuisinfrastructuur als oplossingen worden voorgesteld. De minister bevestigt de verplichting en benadrukt samenwerking met beroepsorganisaties, maar concrete uitvoeringstermijnen ontbreken. Kritiek blijft dat de huidige regeling te beperkt is om acute, niet-levensbedreigende pijn effectief op te vangen.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, l'accès aux soins dentaires est une préoccupation récurrente de nos concitoyens. Les urgences dentaires ne mettent pas toujours la vie en danger, mais elles provoquent bien des douleurs intenses et invalidantes, qui empêchent de travailler, d'étudier ou même, simplement, de vivre normalement. Face à une rage de dents ou un traumatisme dentaire le soir ou le week-end, de nombreux patients se retrouvent encore trop souvent sans solution immédiate.

Or, depuis 2006, l'agrément des dentistes généralistes est conditionné à leur participation à un service de garde. Sur le terrain, pourtant, l'organisation de ces gardes reste très inégale. Dans certaines régions, la garde se limite encore à quelques heures par week-end; ce qui est insuffisant pour répondre aux besoins réels. La répartition de la charge entre praticiens varie fortement en fonction de la densité de dentistes sur le territoire.

Ces disparités créent une réelle inégalité d'accès aux soins dentaires urgents. Les patients concernés se tournent parfois vers les urgences hospitalières – ce qui surcharge inutilement ces services déjà sous pression – ou recourent à l'automédication, avec les risques inhérents.

Je sais que vos services travaillent actuellement à une harmonisation des horaires de garde à l'échelle nationale, avec pour objectif d'étendre et de rendre plus cohérente l'offre de soins le week-end. Dès lors, monsieur le ministre, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Quelles mesures concrètes envisagez-vous pour garantir que chaque patient, où qu'il vive, puisse bénéficier d'un service de garde dentaire réellement accessible le week-end? Quel est le calendrier de mise en œuvre de cette harmonisation et comment sera-t-elle coordonnée avec les acteurs de terrain? Enfin, quelles solutions complémentaires envisagez-vous afin de mieux prendre en charge les urgences dentaires non vitales, mais douloureuses, qui ont un impact direct sur la qualité de vie et la santé des patients?

Frank Vandenbroucke:

Conformément aux articles 21 à 26 de la loi sur la qualité, la permanence est obligatoire pour les praticiens de l'art dentaire. La participation aux services de garde est donc légalement obligatoire. L'arrêté ministériel du 29 mars 2002 stipule que: "Pour rester reconnu en tant que dentiste généraliste, le praticien concerné doit participer à la prestation de soins de santé dans le cadre d’un service de garde" (article 3, §5).

Un praticien de l'art dentaire est donc tenu de participer à un service de garde afin d'assurer, dans une zone géographique déterminée, les premiers soins nécessaires aux patients nécessitant une prise en charge urgente, garantissant ainsi la continuité des soins durant les soirées en semaine, les week-ends, les jours fériés et les jours de pont reconnus.

Conscients qu'un système unique est plus efficace que plusieurs systèmes distincts, les organisations professionnelles représentant le secteur et le Conseil de l'art dentaire ont élaboré ensemble en 2022 un règlement harmonisé pour les services de garde en dentisterie.

Les hôpitaux organisent également un service de présence pour la dentisterie générale et spécialisée. Toutefois, certains hôpitaux ne peuvent pas organiser ce service car certains dentistes ne contribuent pas aux services de garde hospitaliers. Pourtant, ils pourraient bénéficier des équipements et du système de sécurité des hôpitaux, ce qui n'est pas le cas dans un cabinet privé. Il serait donc opportun d'impliquer les services hospitaliers dans l'organisation des services de présence.

Ludivine Dedonder:

Je vous remercie pour les différentes réponses. Il est effectivement question d'une obligation mais, sur le terrain, si une garde se limite à quelques heures par week-end, c'est trop peu pour répondre à la demande et offrir un service aux personnes qui se retrouvent confrontées à de tels problèmes. Par ailleurs, je partage votre dernière suggestion et j'imagine que vous allez, en tant que ministre de la Santé, encourager de telles initiatives et faire en sorte qu'un service soit rendu plus largement à la population qui souffre de ces problèmes dentaires.

De nood aan een expertisecentrum voor long covid

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke erkent dat de huidige longcovid-zorgovereenkomst in België onvoldoende gestructureerd is en te weinig benut wordt, ondanks terugbetalingen voor multidisciplinaire zorg (kinesitherapie, neuropsychologie, etc.). Hij belooft een nieuwe overeenkomst en een zorgpad voor een bredere doelgroep, gebaseerd op wetenschappelijk bewijs en overleg met experten, patiëntenverenigingen en Nederlandse expertisecentra, maar concrete timing ontbreekt. Bury dringt aan op een duidelijke planning, wijzend op het gebrek aan centrale expertise en de nood aan een Belgisch referentiecentrum naar Nederlands model. De focus ligt op betere coördinatie, kennisdeling en toegankelijkheid voor patiënten.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, de gevolgen van long covid blijven voor veel Belgen bijzonder zwaar. We zien blijvende vermoeidheid, ademhalingsproblemen en concentratiestoornissen, met een heel grote impact op de levenskwaliteit.

Wanneer ik met patiënten praat, vertellen ze me dat ze vaak van het kastje naar de muur worden gestuurd, zonder duidelijke richtlijnen of aanspreekpunt. Ook verwijzen ze vaak naar Nederland, waar wel al stappen zijn gezet en waar een expertisecentrum werd uitgebouwd. Dat centrum biedt niet alleen gespecialiseerde zorg, maar verzamelt ook kennis die kan worden verspreid onder zorgverleners.

Ik heb in mijn vraagstelling verwezen naar een nieuwe studie van Yale, dat de eerste stappen heeft gezet om het postvaccinatiesyndroom, het PVS, te karakteriseren en dat immunologische patronen heeft blootgelegd die mensen met PVS onderscheiden van anderen.

Mijnheer de minister, daaruit vloeien enigszins logisch de volgende vragen voort. Vindt u het huidig zorgtraject voor longcovidpatiënten in België voldoende en voldoende gestructureerd? Is er voldoende expertise aanwezig? Overweegt u in ons land de oprichting van een centraal postcovidexpertisecentrum of -referentiecentrum waar patiënten en zorgverleners terechtkunnen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, de huidige longcovid-19-overeenkomst is niet ideaal, maar het is wel een belangrijke stap die we samen met de patiëntenverenigingen hebben gezet. Die overeenkomst biedt toegang tot zorg op maat van elke patiënt voor de behandeling van somatische en cognitieve stoornissen ten gevolge van longcovid-19.

Een activering van die overeenkomst door de huisarts opent het recht op terugbetaalde verstrekkingen, kinesitherapie, diëtetiek, ergotherapie en neuropsychologie. Het aantal unieke patiënten voor wie die overeenkomst werd opgestart, is echter lager dan verwacht.

We analyseren de redenen waarom de overeenkomst minder frequent dan verwacht werd opgestart. We zullen daar rekening mee houden bij de ontwikkeling van een nieuwe overeenkomst.

We onderzoeken momenteel samen met experten en zorgverleners hoe er een zorgpad kan worden ontwikkeld voor een bredere doelgroep van patiënten met gelijkaardige klachten. Die zoektocht naar een optimale behandeling is zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijk bewijs, maar houdt evengoed rekening met de levenskwaliteit van de patiënt en met de bevordering van zijn sociale en professionele integratie.

Eind september hebben we een consensusvergadering georganiseerd met de experten, artsen uit de eerste en de tweede lijn, artsen uit het klinische werkveld en uit het onderzoekswerkveld, en paramedici uit verschillende disciplines om een consensus te zoeken over de afbakening van die doelgroep. Alle stakeholders, inclusief patiëntenverenigingen, zullen binnenkort bij de besprekingen betrokken worden in een meer uitgebreide werkgroep. In die discussies komen ook vragen over de organisatie van het zorgpad aan bod, dus ook over de mogelijke oprichting van expertisecentra of andere oplossingen om onze wetenschappelijke kennis over long covid te vergroten.

Het Nederlands initiatief in verband met de longcovidexpertisecentra is ons ook bekend. Overlegmomenten met de Nederlandse centra gaan door op hun werkwijze beter te leren kennen. Met alle input zullen we daarna een ontwerpovereenkomst kunnen ontwikkelen en bespreken met experten, patiënten, en andere stakeholders.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dat is heel goed nieuws. Is er een concrete timing gepland? U had het over overlegmomenten, een zorgpad, een consensusvergadering, mogelijk expertisecentra, samenzitten met de doelgroepen. Een timing heb ik niet echt gehoord. Ik kan nu alleen afwachten totdat er iets gebeurt en eventueel een vervolgvraag stellen. Als u me een timing kon geven, zou ik heel blij zijn.

Het geneesmiddelentekort
Het geneesmiddelentekort en de Europese afhankelijkheid van ingevoerde producten
Geneesmiddelentekorten en Europese importafhankelijkheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met recordhoogte tekorten aan 650 essentiële geneesmiddelen (pijnstillers, astmamedicatie) door Europese coördinatiegebreken, afhankelijkheid van Azië (China/India) en marktmechanismen zoals contingentering en *just-in-time*-productie. Minister Vandenbroucke wijst op Europese initiatieven (o.a. *Critical Medicines Act*, solidariteitsmechanisme, verplichte *shortage prevention plans*) en Belgische maatregelen (stockmonitoringtool, aangescherpte sancties voor nalatige leveranciers, prijsstijgingen voor kritieke medicijnen), maar concrete timing en uitvoering ontbreken nog grotendeels—terwijl landen als Frankrijk en Duitsland wel bilaterale stappen zetten. Kritiek blijft dat Europa de oplossing vertraagt en België te afhankelijk is van import, ondanks beloftes na COVID-19 om strategische autonomie te versterken. Parlementsleden dringen aan op versnelling, verscherpt toezicht op leveringsplichten en prioritaire productie in Europa om geopolitieke kwetsbaarheid te verminderen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de voorbije weken – ondertussen is dat al maanden, want de vraag dateert van september – berichtte de pers dat geneesmiddelentekorten in Europa een recordniveau bereiken. Dat wordt toegeschreven aan een gebrek aan coördinatie en strategie op Europees niveau, maar tegelijk ook aan de blijvende afhankelijkheid van import uit derde landen zoals China en India.

Tijdens de coronacrisis klonk nochtans luid en duidelijk de belofte dat Europa lessen zou trekken en meer farmaceutische autonomie zou nastreven. Men zou investeren in eigen productiecapaciteit en zo vermijden dat we nog langer gegijzeld worden door kwetsbare toeleveringsketens of geopolitieke chantage. Vandaag moeten we echter vaststellen dat er van die voornemens bitter weinig is gerealiseerd.

Welke stappen zet België concreet, zowel op nationaal vlak als binnen Europees overleg, om de bevoorradingszekerheid van essentiële geneesmiddelen te garanderen?

Kunt u bevestigen dat er een operationeel plan komt met duidelijke deadlines, afspraken en desnoods sancties voor wie nalatig blijft?

Hoe zult u ervoor zorgen dat de lessen van de coronacrisis, namelijk het belang van strategische autonomie en minder afhankelijkheid van dubieuze regimes, eindelijk wél worden omgezet in actie?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, les pénuries de médicaments atteignent un niveau préoccupant en Belgique: près de 650 produits sont aujourd'hui en rupture de stock, ce qui place notre pays parmi les plus sévèrement touchés en Europe. Des traitements de première nécessité sont concernés – antidouleurs, anti-inflammatoires, produits contre l'asthme –, compliquant la vie quotidienne de milliers de patients.

Un récent rapport de la Cour des comptes européenne pointe la persistance de failles structurelles dans la réponse des États membres et de l'Union européenne. L'audit rappelle que, si une liste de médicaments critiques a été établie fin 2023, les mesures pour garantir leur disponibilité demeurent insuffisantes. La dépendance croissante vis-à-vis de la production en Asie, la logique de flux tendu adoptée par l'industrie, le contingentement économique et l'absence de coordination européenne en matière de stocks sont identifiés comme causes majeures.

Vous avez rappelé dernièrement que l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS) développe un Stock Monitoring Tool , que l'arrêté royal "transparence" impose déjà des obligations spécifiques aux grossistes répartiteurs et qu'un cadre plus strict pour l'obligation de service public – accompagné de sanctions – sera mis en place afin de responsabiliser l'industrie pharmaceutique. Vous avez également mentionné l'importance du projet européen, même si les moyens financiers prévus restent insuffisants.

Quelles conclusions tirez-vous de ce rapport de la Cour des comptes européenne?

À quelle échéance le cadre belge renforçant l'obligation de livraison et les sanctions à l'égard des acteurs de la chaîne du médicament sera-t-il finalisé et appliqué?

Comment comptez-vous associer la Belgique, de manière proactive, aux initiatives européennes afin de réduire notre dépendance aux importations hors Union européenne?

Quelles mesures spécifiques envisagez-vous pour protéger en priorité l'accès aux médicaments critiques pour les patients belges, notamment face au contingentement économique pratiqué par une partie de l'industrie pharmaceutique?

Frank Vandenbroucke:

Mesdames, je suis un peu gêné, et même fort gêné, parce que je n'ai pas de préparation en réponse à vos questions. Je n'ai pas, pour une raison que je ne comprends pas, vos questions chez moi, donc je n'ai pas de réponse. À vrai dire, la référence au rapport de la Cour des comptes européenne est extrêmement importante. C'est un rapport important qui a été débattu lors de la dernière réunion de la formation "santé" du Conseil. Il y a toute une série de recommandations que nous partageons. Hélas, je peine toutefois à donner une réponse précise, parce que je n'ai pas la préparation écrite.

Ik zal daarom eerst even ingaan op de drie vragen van mevrouw Sneppe, waarvan ik de voorbereiding wel voor mij heb liggen.

Welke stappen zetten we concreet? Tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie is onder meer een solidariteitsmechanisme opgezet waardoor landen geneesmiddelen kunnen uitwisselen. We hebben ook een lijst van kritische geneesmiddelen kunnen laten opstellen, waarvan de kwetsbaarheden in kaart worden gebracht. Daarnaast is er een Critical Medicines Act in voorbereiding. Dit is een wetgevend kader dat een batterij aan maatregelen mogelijk moet maken, waaronder initiatieven om minder afhankelijk te worden van landen zoals China. Verder komt er nieuwe Europese geneesmiddelenwetgeving, die het voor de firma's verplicht zal maken om shortage prevention plans aan te houden.

Momenteel werken we aan de afronding van een stockmonitoring tool. Deze zal toelaten om voorraden beter op te volgen en indien nodig te verschuiven. Samen met de FOD Economie is er ook gewerkt aan een nieuw kader voor prijsstijgingen van geneesmiddelen die een risico lopen op kritieke onbeschikbaarheid. Dit kader maakt het mogelijk om een hogere prijsstijging toe te kennen dan gewoonlijk. Indien er toch een onbeschikbaarheid optreedt, is er een kader voor de invoer van geneesmiddelen uit het buitenland, dat solidair wordt gefinancierd door de industrie.

Ten tweede is het bestrijden van geneesmiddelentekorten een van de grote werven van het strategisch plan van het FAGG. Het agentschap heeft daarvoor een operationeel plan uitgewerkt dat jaarlijks wordt geactualiseerd. Dit voorziet in continue monitoring van de geneesmiddelenmarkt, onder meer via inspecties, samenwerking met andere federale diensten en het gebruik van tools zoals de stockmonitoring tool.

Het FAGG kan optreden tegen actoren die hun wettelijke verplichtingen tot marktbevoorrading niet nakomen. Het regeerakkoord voorziet ook dat de sancties met betrekking tot de openbare dienstverplichtingen verder zullen worden aangescherpt.

Ten derde, België kan niet op eigen houtje zorgen voor strategische autonomie. Dit vraagt om een Europese aanpak en een samenwerking tussen de lidstaten. Precies daarom heb ik in het verleden voorgesteld om een Critical Medicines Act op te stellen, waarover op dit ogenblik wordt onderhandeld in de Europese lidstaten en het Europees Parlement.

Voici quelques éléments plus précis sur le rapport de la Cour des comptes européenne. Nous souscrivons aux conclusions de ce rapport et nous soutenons également la majorité des recommandations qu'il contient. Il importe de noter que la mise en œuvre de la législation pharmaceutique révisée et du Critical Medicines Act permettra de résoudre la plupart des problèmes dans les années à venir.

Le rapport de la Cour des comptes européennes confirme que l'Union et ses États membres sont toujours confrontés à des lacunes dans leur approche de pénurie de médicaments. Dans ce contexte, je tiens à souligner quelques conclusions importantes du rapport et les initiatives belges qui y répondent.

Avec PharmaStatut, la Belgique dispose d'un outil efficace pour signaler et communiquer les ruptures de stocks. Chaque notification est évaluée par l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé, ce qui permet de recenser rapidement et systématiquement les pénuries critiques. Comme l'indique le rapport – notamment la figure 8 –, la Belgique est en tête en matière d'informations correctes de l'Agence européenne des médicaments sur les pénuries critiques. La recommandation de la Cour des comptes visant à améliorer la communication sur les autres solutions possibles est mise en œuvre concrètement en Belgique par le biais de PharmaStatut et PharmaInfo. À l'avenir, des efforts seront déployés pour proposer des solutions alternatives de manière encore plus transparente.

La Cour des comptes souligne également les risques liés aux obligations nationales de stockage. La Belgique n'a pas d'obligation nationale, mais soupçonne avoir déjà été victime des obligations de stockage imposées par les autres États membres. La Belgique soutient la nécessité d'une approche européenne coordonnée dans ce domaine.

En outre, la politique actuelle en matière de marché public est trop axée sur les prix, de sorte que la production à bas coût en Asie est souvent privilégiée. La Belgique a soulevé cette question dans une note libre ( non-paper ) document informel en 2023, qui a conduit à la création de la Critical Medicines Alliance et la proposition du Critical Medicines Act. Par ailleurs, la distribution parallèle et les restrictions à l'exportation entraînent des perturbations du marché. La Belgique a prévu une réglementation nationale en matière de restrictions à l'exportation, qui n'est appliquée qu'aux pénuries les plus critiques et est correctement notifiée à la Commission européenne.

Madame Dedonder, votre deuxième question fait l'objet de discussions approfondies. Il est important d'examiner la manière de garantir l'obligation de livraison en concertation avec le secteur.

Troisièmement, au niveau européen, les efforts sont déployés pour prévenir les pénuries et remédier aux vulnérabilités dans la chaîne d'approvisionnement des médicaments. L'AFMPS participe activement aux discussions et aux projets pilotes des Shortage Prevention Plans et des Shortage Mitigation Plans, à l'élaboration et à la mise à jour de l'Union list of critical medicines, à l'élaboration d'une méthodologie pour déterminer la vulnérabilité de la chaîne d'approvisionnement des médicaments et au développement de l'European Shortages Monitoring Platform.

En outre, l'AFMPS a joué un rôle de premier plan dans la Critical Medicines Alliance qui a abouti au Critical Medicines Act, une proposition législative visant à améliorer l'approvisionnement en médicaments critiques et vulnérables et à renforcer l'autonomie stratégique de l'Europe dans ce domaine. Les initiatives susmentionnées sont également liées au Critical Medicines Act et font toutes l'objet d'un suivi actif au sein de l'Agence.

Quatrièmement, la distribution des médicaments est actuellement un processus particulièrement complexe en raison de la pluralité des acteurs. D'une part, le cadre juridique actuel impose des responsabilités aux titulaires d'autorisation de mise sur le marché, aux grossistes, aux grossistes répartiteurs et aux pharmaciens. D'autre part, nous constatons que des pratiques économiques telles que le contingentement et l'absence d'un cadre juridique suffisamment spécifique rendent difficile, dans la pratique, l'application de l'obligation de livraison.

Pour cette raison, l'AFMPS examine, en concertation avec toutes les parties concernées, une proposition visant à renforcer le cadre juridique relatif au service public et à l'obligation de livraison. Les titulaires d'une autorisation de distribution sont tenus de maintenir un stock suffisant pour garantir un approvisionnement continu aux patients. Ils doivent être en mesure de livrer les commandes des grossistes répartiteurs et des pharmacies dans un délai de trois jours ouvrables.

Les grossistes répartiteurs doivent, quant à eux, prévoir des stocks minimaux et assurer la livraison urgente dans les 24 heures. Le respect de l'obligation de livraison envers les grossistes répartiteurs est essentiel. Dans la pratique, l'obligation de livraison est actuellement difficile à faire respecter car le cadre juridique ne fait pas clairement la distinction entre les livraisons dans le cadre du service public et les autres activités des grossistes répartiteurs.

Étant donné qu’ils ne sont pas tenus d’indiquer la finalité des médicaments lors de leurs commandes, par exemple les livraisons à des pharmacies ou d’autres grossistes sans garantie qu’ils soient destinés au marché belge, il est alors difficile pour l’AFMPS de contrôler le respect de l’obligation de livraison. C’est pourquoi l’AFMPS souhaite mettre en place un cadre juridique plus clair, qui oblige les grossistes répartiteurs à indiquer explicitement les commandes dans le cadre du service public, afin de permettre des contrôles ciblés et de garantir le respect effectif de l’obligation de livraison.

Dominiek Sneppe:

Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.

Een lijst van 300 kritieke geneesmiddelen is natuurlijk niet niks. Het zijn vooral ook geneesmiddelen die patiënten dagelijks of wekelijks nodig hebben om hun levenskwaliteit op peil te houden.

Ik hoor u in uw planning veel spreken in de toekomstige tijd – we zullen dit en we zullen dat – maar ook hier heb ik geen concrete timing gehoord. Een land dat geen controle heeft over zijn geneesmiddelenketen, heeft eigenlijk ook geen strategische autonomie. In deze tijd van geopolitieke strubbelingen is dat heel zorgwekkend.

Het is eigenlijk meer dan vijf voor twaalf om de lessen die we uit de covidcrisis zouden moeten hebben geleerd, in de praktijk te brengen, zowel op nationaal als op Europees vlak. U verwijst graag naar Europa, maar helaas merken we dat Europa vaak de boel vertraagt en soms ook een deel van het probleem vormt. We kunnen niet op eigen houtje handelen, zegt u, maar landen als Frankrijk, Duitsland en Italië voeren toch bilaterale gesprekken en treffen maatregelen. Waarom zou België dat dan ook niet kunnen?

Ik hoop oprecht, mijnheer de minister, dat u de ernst van deze tekorten inziet en in de timing een tandje bijsteekt, zodat de lange lijst van kritieke geneesmiddelen op zijn minst kan worden ingeperkt. Voor een ontwikkeld land als België zou die eigenlijk zelfs niet mogen bestaan.

Dank u.

Ludivine Dedonder:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Je vous encourage à continuer sur cette voie. Je dirai la même chose que ce que je répète depuis plusieurs années – et plus encore maintenant – dans le domaine de la Défense: il est fondamental d'avoir une autonomie stratégique européenne, tant au niveau de la Défense que dans les secteurs de la santé, de l'énergie, ou d'autres. Aujourd'hui et plus que jamais, nous avons besoin de limiter au maximum nos dépendances dans tous ces domaines et, évidemment, particulièrement en matière de santé, parce qu'elles peuvent constituer l'objet de mauvaises intentions de la part d'ennemis potentiels. Je vous encourage donc à continuer dans cette direction, à concentrer vos efforts pour nous permettre de limiter ces dépendances et de faire en sorte que la population dispose en temps voulu des médicaments dont elle a besoin pour se soigner. Vous avez parlé des difficultés de contrôle pour l'obligation de livraison, et je pense que les pistes que vous évoquez sont intéressantes. Il faut poursuivre en ce sens.

De gevolgen van de verplichte derde-betalersregel in de tandzorg en andere vormen van zorgselectie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat tandartsen patiënten met verhoogde tegemoetkoming weigeren (o.a. 45 klachten bij CM, meldingen bij Toezichtcommissie en Unia), wat discriminatie en deontologisch onaanvaardbaar is, en onderzoekt versterking van toezicht (uitbreiding bevoegdheden Toezichtcommissie, samenwerking met Orde der Artsen en RIZIV). Hij benadrukt dat de tandartstarieven hervormd moeten worden (via Nationale Commissie Tandartsen-Ziekenfondsen) om kostendekkend te zijn zonder supplementen, maar de volledige uitbreiding van het supplementenverbod pas in 2026 geldt. Van Lysebettens steunt de aanpak maar vreest tariefstijgingen door kostendekkende aanpassingen en hamert op snelle operationalisering van antidiscriminatiemaatregelen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, sinds 1 januari 2025 is het verboden ereloonsupplementen aan te rekenen aan patiënten die recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming van de ziekteverzekering bij het uitvoeren van een aantal terugbetaalde prestaties, zowel in de medische als in de tandheelkundige zorg. Op 1 januari 2026 wordt die lijst nog uitgebreid.

Nog voor het ingaan van deze maatregel, die de toegang tot zorg moet verbeteren voor kwetsbare doelgroepen, maakten verschillende media melding van tandartsen die patiënten met verhoogde tegemoetkoming weigerden omwille van de verplichte toepassing van de conventietarieven voor die doelgroep. We kennen de gebruikelijke bezwaren van de tandartsen over dure materialen en tarieven die de kosten niet dekken, maar we weten evenzeer dat dergelijke praktijken bijzonder 'ondeontologisch' zijn en zelfs illegaal.

Op 3 april 2025 maakte de CM bekend dat zij reeds 45 klachten had ontvangen, waarvan de meeste betrekking hadden op tandartsen die patiënten met verhoogde tegemoetkoming geweigerd hadden. De CM voegde daar meteen aan toe dat het klacht indiende bij de Federale Toezichtscommissie.

Daarnaast vernemen we dat tandartsen geregeld jonge kinderen weigeren met de boodschap dat het nog niet nodig is om naar de tandarts te komen, terwijl wetenschappelijk aangetoond is dat preventieve tandzorg vanaf 2 jaar nodig is. Ook patiënten die geen toegang hebben tot de verplichte ziekteverzekering en voor wie zorgverstrekkers hun prestaties moeten factureren aan een OCMW en Fedasil worden in een aantal gevallen geweigerd.

Ik heb de volgende vragen. Kunt u bevestigen dat er een klacht werd ingediend over de weigering van patiënten met verhoogde tegemoetkoming? Indien ja, kunt u meedelen in welk stadium de behandeling van die klacht zich bevindt?

Hebt u intussen via andere kanalen weet van weigering van patiënten? Om hoeveel patiënten en om welke zorgverstrekkers zou het dan gaan? Zijn er ook andere redenen waarom artsen en tandartsen patiënten weigeren, bijvoorbeeld omdat ze hun prestaties moeten factureren aan een OCMW of Fedasil of omdat het om jonge kinderen gaat? Welke maatregelen hebt u genomen of zult u op korte termijn nemen als u nog niets ondernomen hebt om dergelijke praktijken een halt toe te roepen?

Frank Vandenbroucke:

Ik kan bevestigen dat de Federale Toezichtcommissie verschillende meldingen heeft ontvangen van gezondheidszorgbeoefenaars die patiënten met een verhoogde tegemoetkoming weigeren. Ook de federale Ombudsman ontving hieromtrent enkele klachten. De kwaliteitswet voorziet dat de zorgverstrekker de continuïteit van zorg moet waarborgen. De Toezichtcommissie zal nagaan of dat gegarandeerd werd.

Wanneer het weigeren van nieuwe patiënten betreft, situeert de problematiek zich in het domein van discriminatie. Artikel 5 van de wet op de patiëntenrechten bevat de notie dat een patiënt recht heeft op kwaliteitsvolle zorg, zonder enig onderscheid op welke grond dan ook.

Ik onderzoek ook samen met de FOD hoe we de Toezichtcommissie bevoegd kunnen maken voor de patiëntenrechten. Ook de algemene discriminatiewetgeving kan hier van toepassing zijn. De Toezichtcommissie geeft aan dat ze mensen heeft verwezen naar Unia en ook de Christelijke Mutualiteiten hebben een klacht ingediend bij Unia. Daarnaast betreft dit eveneens een probleem van deontologie. Voor artsen kan ook de Orde der artsen optreden.

Op uw tweede vraag kan ik het volgende antwoorden. Ook het RIZIV heeft enkele vragen ontvangen van burgers die melding maken van een weigering door een tandarts, omdat een patiënt een verhoogde tegemoetkoming geniet. Het RIZIV beschikt niet over cijfers over het aantal gevallen, noch over berichten waarin andere redenen tot uiting komen voor zorgselectie door tandartsen.

Ten derde, het NIC en de VI’s voeren een monitoring uit van de ereloonsupplementen die ze meegedeeld krijgen voor prestaties van tandartsen waarvoor een verbod bestaat op aanrekening van dergelijke supplementen.

Ik zal samen met het RIZIV en de VI's onderzoeken welke passende maatregelen kunnen worden getroffen. Daarnaast zal ik, zoals zonet vermeld, met de FOD bekijken wanneer en op welke wijze een uitbreiding van de bevoegdheid van de Toezichtcommissie naar de wet op de patiëntrechten hier zinvol kan zijn.

Naast het antwoord op uw specifieke vragen, wil ik toch ook stilstaan bij het feit dat de tweede fase, met uitbreiding naar alle verstrekkingen van het supplementenverbod, pas ingaat op 1 juli 2026 voor de tandartsen. Vandaag geldt het verbod op het aanrekenen van supplementen enkel voor de verstrekkingen van artikel 5 van de nomenclatuur, die sinds 2022 geherwaardeerd zijn, en voor alle preventieve verstrekkingen. De site van het RIZIV geeft hier een duidelijk overzicht.

Vandaag al patiënten weigeren, roept bij mij, en ik veronderstel ook bij u, vragen op over de ernst van het argument en het soort deontologie, of het gebrek daaraan, dat hier getoond wordt. Bovendien beschikt men binnen de sector van de tandarts, de Dentomut, over de mogelijkheid om bepaalde maximumtarieven te voorzien. Dat biedt een zekere flexibiliteit om een verhoogd tarief te voorzien.

Het verslag aan de Koning bij het betrokken koninklijke besluit was ook zeer duidelijk. Daarin staat dat de Nationale Commissie Tandheelkundige Ziekenfondsen tijdens het Nationaal Akkoord 2024-2025 moet werken aan een hervorming van de nomenclatuur, die tot doel heeft correcte tarieven vast te leggen voor alle verstrekkingen, in het bijzonder voor verstrekkingen die materialen en technieken omvatten, voor verstrekkingen die bijzondere bekwaamheid van de verstrekker behoeven en voor patiënten met bijzondere noden, opdat deze tarieven toepasbaar zouden zijn zonder supplementen voor de rechthebbenden van de verhoogde tegemoetkoming.

Met andere woorden, een belangrijke rol is weggelegd voor de Nationale Commissie Tandartsen-Ziekenfondsen om correcte tarieven te waarborgen die toelaten iedereen te behandelen zonder supplementen. De commissie beschikt daarvoor ook, onder meer via die flexibele maximumtarieven, over de nodige instrumenten.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb ook een aantal zaken bijgeleerd. Ik ben blij dat wij de algehele doelstelling delen en dat u ook heel duidelijk zegt dat het weigeren van patiënten op basis van de door mij genoemde criteria discriminatie is en dat we daartegen moeten optreden. Ik kijk ernaar uit hoe u dat verder zult operationaliseren. Het versterken van de Toezichtcommissie kan daar mogelijk aan tegemoetkomen. Ik ben een beetje bevreesd wanneer u zegt dat de aanpassing van de nomenclatuur ervoor moet zorgen dat al die tarieven kostendekkend zijn. Dat is op zich terecht, denk ik, vanuit een breder perspectief. Dat zou er echter ook toe kunnen leiden dat de tarieven stijgen, als men u zegt dat die niet toereikend zijn. Daaraan moeten we aandacht besteden, maar ik ben ervan overtuigd dat u dat goed zult aanpakken.

De bescherming van zorgverleners tegen onjuiste online recensies

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Franse hof van beroep verplichtte Google een Google My Business-profiel van een tandarts te verwijderen wegens AVG-schending, omdat persoonlijke gegevens en recensies zonder toestemming waren geplaatst en Google’s beroep op "gerechtvaardigd belang" onvoldoende was. Frieda Gijbels vraagt of dit precedent in België toepasbaar is en hoe zorgverleners zich kunnen verweren tegen onrechtmatige, anonieme recensies, waar ze door beroepsethiek niet op kunnen reageren, met name via artikel 17 AVG (recht op vergetelheid). Minister Vandenbroucke bevestigt de rechtstreekse werking van de AVG in België en wijst zorgverleners naar de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), die klachten kan onderzoeken, maatregelen en dwangsommen kan opleggen, maar geeft geen concrete stappen voor extra bescherming. Gijbels belooft de GBA te raadplegen en de informatie onder zorgverleners te verspreiden.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, op 22 mei 2025 heeft het hof van beroep van Chambéry in Frankrijk voor het eerst de verwijdering van een Google My Business-profiel van een zorgverlener bevolen, op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming. Het betrof een tandarts van wie zonder toestemming een profiel werd aangemaakt, waarop persoonlijke gegevens en beoordelingen verschenen. De rechtbank oordeelde dat deze gegevens onder de AVG vallen en dat de rechtsgrond van gerechtvaardigd belang, die door Google werd aangevoerd, onvoldoende onderbouwd was.

Deze uitspraak is ook voor België bijzonder relevant, want ook bij ons worden artsen en andere zorgverleners regelmatig geconfronteerd met online profielen en recensies die zonder toestemming worden aangemaakt. Hierop kunnen zij bovendien niet vrij reageren omwille van de beroepsethiek. Het onevenwicht is dus groot. Patiënten kunnen anonieme of niet-verifieerbare negatieve recensies plaatsen, terwijl zorgverleners zich amper kunnen verdedigen.

Mijnheer de minister, acht u het mogelijk dat dit precedent ook in België toepasbaar kan zijn? Wordt in ons land al werk gemaakt van een juridische analyse van dergelijke gevallen, waarbij zorgverleners zich beroepen op artikel 17 van de AVG, het recht op verwijdering? Welke mogelijkheden bestaan er voor Belgische zorgverleners die zich benadeeld voelen door onrechtmatige of anonieme recensies, die zij wegens beroepsethische regels niet kunnen tegenspreken? Ziet u ruimte voor bijkomende initiatieven, bijvoorbeeld via overleg met de Gegevensbeschermingsautoriteit, om zorgverleners beter te beschermen tegen onevenwichtige of lasterlijke beoordelingen op digitale platformen?

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel voor het delen van deze interessante casus, die zeker ook precedentwaarde voor België heeft, vermits de Algemene Verordening Gegevensbescherming een directe werking heeft in elke Europese lidstaat.

Zoals u weet, is de Gegevensbeschermingsautoriteit het onafhankelijk orgaan dat in België toezicht houdt op de naleving van de beginselen van de AVG. Ik heb geen weet of de GBA specifieke klachten van zorgverleners heeft ontvangen, maar dit is wel het orgaan waar zorgverleners met eventuele klachten terechtkunnen.

De GBA beschikt over onderzoeksbevoegdheden en kan, indien opportuun, voorlopige maatregelen opleggen. Bovendien beschikt de GBA over een geschillenkamer die maatregelen kan opleggen die via dwangsommen afdwingbaar kunnen worden gemaakt

Uw vraag over een juridische analyse richt u best aan de GBA. Zij zijn het orgaan dat zowel de bevoegdheid als de expertise heeft om inbreuken tegen de AVG vast te stellen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, u gaf een kort maar waardevol antwoord. Veel zorgverleners weten immers gewoon niet tot wie ze zich moeten richten. Ik zal dit zeker verder delen. Ik zal tevens de Gegevensbeschermingsautoriteit contacteren en een aantal vragen stellen. Ik dank u om dit mee te delen aan ons, zodat we het verder kunnen verspreiden.

Manieren waarop ziekenhuizen en artsen Israëlische producten zouden kunnen boycotten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke wijst een boycot van Israëlisch farmabedrijf Teva af omwille van VN-verboden op medicijnsancties, risico’s voor patiënten (geen alternatieven voor cruciale geneesmiddelen) en juridische haken (geen bewijs van mensenrechtenschendingen door Teva). België neemt wel economische maatregelen (importban bezette gebieden, druk op EU voor opschorting handelsakkoord Israël) en onderzoekt overheidsaankopen en onderzoekssamenwerking met Israël. Van Lysebettens pleit voor federale coördinatie van lokale boycots (bv. door Zorgnet-Icuro), maar Vandenbroucke benadrukt dat individuele artsen wel, de overheid niet mag boycotten zolang patiëntenzorg gegarandeerd blijft.

Jeroen Van Lysebettens:

Mjnheer de minister, ik heb deze vraag al een tijdje geleden ingediend en ook al is er sindsdien op het terrein heel wat veranderd, ik kom graag even terug op de discussie welke initiatieven de regeringen kunnen nemen gelet op de genocide in Gaza die toen aan de gang was, discussie die in veel parlementen aan de orde kwam.

Uw collega in de Vlaamse regering, Caroline Gennez, riep bijvoorbeeld op tot een culturele boycot. Ook actoren in de Belgische zorgsector willen nog altijd actie ondernemen en roepen op om niet medeplichtig te zijn. Zo onderzoekt het Vlaamse zorgnetwerk Zorgnet-Icuro of het een ethisch kader kan opstellen inzake de aankoop van Israëlische producten. Het richt tot de overheid de vraag om mee het kader te bepalen door bepaalde eisen juridisch of via rondzendbrieven te verankeren, of door een clausule op te nemen die Israëlische bedrijven uitsluit die actief zijn in de bezette gebieden of die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen. Voor Russische bedrijven bestaan zulke Europese regels al.

Gelooft u in de kracht van boycots, zoals uw Vlaamse collega, mevrouw Gennez, dat doet?

Zo ja, bent u bereid binnen uw bevoegdheden met voorstellen hiervoor te komen? U zou bijvoorbeeld de sector kunnen helpen bij het uitwerken van een robuust ethisch kader dat Israëlische bedrijven kan uitsluiten die actief zijn in bezette gebieden of die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen.

Zo ja, hoe ziet u dat toepasbaar op contracten met bepaalde Israëlische producenten, specifiek dan TEVA?

Heeft België initiatief genomen op Europees vlak om zo’n boycot ook Europees mogelijk te maken?

Frank Vandenbroucke:

Wat onze houding ten opzichte van het bedrijf Teva betreft, we hebben onderzocht of het mogelijk en wenselijk is om tegen dat bedrijf een boycot in te stellen. Er zijn verschillende redenen waarom dat niet aan de orde is. Een eerste belangrijke reden is dat het sanctioneren van toegang tot medicatie, vaccins en voeding expliciet verboden is door de Verenigde Naties met als onderliggende redenering dat in een conflict de volksgezondheid te allen tijde moet worden beschermd. Daarom worden ook in de sancties tegen Rusland medicijnen expliciet niet getroffen.

Een tweede reden sluit daarop aan. Een eventuele boycot van Teva zou veel patiënten in België in de problemen brengen, aangezien het bedrijf een belangrijke leverancier is van onder andere kankermedicatie voor kinderen, medicatie voor pijnpatiënten en anti-epileptica. Voor veel van die medicijnen is geen alternatieve leverancier beschikbaar die de benodigde volumes voor de Belgische markt kan leveren. Er zou dus een ernstig risico ontstaan dat patiënten zonder levensnoodzakelijke medicijnen komen te zitten.

Daarnaast spelen enkele juridische overwegingen mee. De Belgische markt importeert bijna geen medicatie uit Israël. Volgens informatie van het bedrijf zelf gaat het om minder dan één procent. Uit onderzoek blijkt bovendien dat Teva niet gelinkt kan worden aan mensenrechtenschendingen. Het bedrijf staat niet op de VN-zwarte lijst van bedrijven die deelnemen aan de illegale bezetting en wordt ook niet genoemd in het rapport van Francesca Albanese, de speciale VN-rapporteur voor Palestina. Dat maakt het juridisch bijzonder moeilijk om medicijnen van Teva van de markt te weren. De minister van Volksgezondheid mag volgens Europese en Belgische wetgeving trouwens enkel vergunningen van medicijnen intrekken, als er een gevaar is voor de volksgezondheid, niet om andere redenen. Om al die redenen is volgens ons een boycot van Teva geen gepaste actie.

Het akkoord van de ministerraad van 12 september, volgend op het besluit van het kernkabinet van 2 september, stelt een reeks maatregelen voor om de tweestatenoplossing concreet te maken en de druk op de Israëlische regering en enkele terroristische organisaties zoals Hamas te vergroten. Zo worden economische maatregelen tegen Israël genomen, waaronder een importban voor producten uit de bezette gebieden. Voorts pleit België in de EU voor een opschorting van het handelsluik van het associatieverdrag met Israël. Artikel 11 van de beslissing stelt bovendien dat de federale regering een bredere analyse zal maken van alle overheidsaankopen die momenteel in Israël worden gedaan, met het oog op de versterking van de algemene Belgische en Europese strategische autonomie.

Ten slotte heb ik aan Sciensano gevraagd om bestaande internationale samenwerkingen met Israëlische instellingen binnen grote Europese consortia via het Horizonprogramma te problematiseren en bij de raden van bestuur van die consortia te pleiten voor een uitsluiting van Israëlische deelname aan die Europese onderzoeksconsortia, in afwachting van een Europese beslissing rond Horizon.

Ik verwelkom uiteraard het huidige staakt-het-vuren in Gaza, maar wil erop wijzen dat de maatregelen van de regering onverkort gehandhaafd blijven, totdat alle parameters voor een duurzame vrede en respect voor het internationale recht zijn vervuld.

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel voor het antwoord. Uiteraard mogen we de volksgezondheid niet in gevaar brengen. U gaat er in uw antwoord niet op in, maar ik stel vast dat verschillende instellingen in België zoals Zorgnet-Icuro zich daarover buigen. Het zou niet slecht zijn dat ook te coördineren vanuit het federale niveau. Er zijn vandaag al zorginstellingen die, bijvoorbeeld, Teva volledig weren. Mevrouw Merckx kan daar misschien van getuigen, maar als ik goed geïnformeerd ben, weert Geneeskunde voor het Volk Teva al. Uit uw antwoord zou men kunnen afleiden dat dat een gevaar voor de volksgezondheid is, omdat hierdoor bepaalde medicatie die enkel Teva levert, niet beschikbaar is. Ik denk dus dat het nuttig is dat er federale coördinatie komt vanuit uw kabinet.

Frank Vandenbroucke:

Ik wil heel duidelijk zijn. Ik heb hier in commissie al onderstreept dat een individuele arts kan kiezen tussen alternatieve medicijnen met dezelfde therapeutische waarde en betekenis. Er is niets verkeerds aan dat de arts keuzes tussen verschillende vormen van medicatie maakt, zolang de kwaliteit van de zorg voor de patiënt de eerste prioriteit heeft. Het is echter een heel ander verhaal wanneer de overheid beslist een bepaald farmaceutisch bedrijf te boycotten.

De verhoging van het remgeld bij de huisarts

Gesteld door

lijst: PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sofie Merckx waarschuwt dat de hoge eigen bijdragen in België (20% vs. buurlanden) leiden tot uitgestelde zorg, vooral in Wallonië en Brussel, en vreest verhoging van het remgeld bij huisartsen en specialisten als besparingsmaatregel—tegen adviezen van het KCE in. Minister Vandenbroucke ontkent concrete plannen voor 2026 en benadrukt dat niets beslist is voor latere jaren, maar vermijdt een expliciete afwijzing. Merckx hamerde op het tegenstrijdige karakter van dergelijke maatregelen, die de eerste lijn ondermijnen en uiteindelijk dure tweedelijnszorg (ziekenhuizen, spoed) in de hand werken, zoals ook INAMI en Rekenhof eerder bevestigden. De budgetonderhandelingen voor 2027-2029 blijven onduidelijk, met risico op contraproductieve bezuinigingen.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, vous le savez, en Belgique, les patients doivent assumer déjà une grande partie des coûts des soins de leur poche. En moyenne, en Belgique, un euro sur cinq est payé directement par le patient. C'est deux fois plus que nos pays voisins, tels que la France et l'Allemagne par exemple.

Cela représente un réel obstacle à l'accessibilité des soins. Régulièrement, des rapports font état de reports de soins, non pas par choix mais parce que les gens n'ont pas les moyens. Selon une étude de Sciensano, un ménage sur 10 a reporté des soins de santé au cours de l'année écoulée pour des raisons économiques. Et on sait qu'en Wallonie et à Bruxelles, les chiffres sont encore plus importants.

Les experts, dont le KCE, recommandent, dès lors, de rendre notre système de soins de santé plus accessible, surtout au niveau de la première ligne. Or, très étonnamment, le gouvernement semble envisager la voie inverse et, contrairement aux promesses électorales que nous avions entendues de certains partis, aujourd'hui, dans le cadre des négociations budgétaires, des mesures d'économie seraient sur la table, entre autres l'augmentation du ticket modérateur chez les généralistes mais aussi chez le spécialiste.

Monsieur le ministre, l'augmentation du ticket modérateur chez les généralistes et les spécialistes est-elle sur la table du gouvernement? Y a-t-il un consensus pour éventuellement aller dans ce sens? Ne pensez-vous pas au contraire qu'il faille rendre les soins de première ligne plus accessibles au lieu de les rendre plus coûteux? Quelle est la position éventuellement de votre parti ou la vôtre en tant que ministre de la Santé ainsi que celle du gouvernement ou des autres partis du gouvernement? Combien de recettes supplémentaires pourraient-elles être récoltées en augmentant le ticket modérateur ou combien de dépenses en moins cela représenterait-il? Cela compenserait-il vraiment le coût et le risque réel de report des soins qui pourraient être augmentés?

Frank Vandenbroucke:

Madame Merckx, l'accessibilité des soins est absolument essentielle, c'est la raison pour laquelle nous investissons dans les soins de santé.

Je crois que vous connaissez toutes les décisions qui sont prises, envisagées ou préparées en exécution du budget 2026 pour les soins de santé. Aucune augmentation des tickets modérateurs des médecins spécialistes ni généralistes n'est prévue dans ce budget 2026.

Pour le reste, aucune décision n'est prise en ce moment au sein du gouvernement fédéral concernant les tickets modérateurs pour les médecins généralistes ou spécialistes.

Sofie Merckx:

Effectivement, nous avions eu écho du fait que cette mesure-là n'était pas envisagée dans le budget 2026. J'ai toutefois cru comprendre qu'elle était éventuellement envisagée dans le cadre des discussions budgétaires pour 2027, 2028 et 2029, à savoir l'exercice en cours. Je ne sais donc pas si je dois interpréter votre réponse comme étant "Non, ce n'est sur la table ni pour 2026, ni pour les années suivantes". Pourriez-vous préciser votre réponse à ce sujet, monsieur le ministre?

Frank Vandenbroucke:

J'ai simplement indiqué que rien n'avait été décidé en la matière, qu'aucune proposition concrète n'avait été formulée. Si vous suivez les nouvelles dans les médias, vous savez sans doute que le débat sur le budget pluriannuel à déterminer pour 2026, 2027, 2028 et 2029 n'est pas exactement en train d'évoluer.

Sofie Merckx:

"… n'est pas exactement en train d'évoluer". Je ne sais trop comment interpréter cette phrase mais il semble du moins que ce ne soit pas encore décidé, ce qui est logique au vu de votre désaccord sur le budget. La question est, toutefois, sur la table, et cela m'inquiète, surtout en ce qui concerne la première ligne. Vous savez, en effet, qu'une première ligne complètement accessible constitue véritablement le socle d'un bon système de soins de santé, et permet justement de diminuer les coûts en deuxième ligne, et notamment le recours aux hôpitaux et aux urgences. Je rappelle que nous avons fait une proposition de loi à ce sujet au cours de la dernière législature. Cette proposition a reçu un accueil positif tant de la part de l'INAMI que de la Cour des comptes. Ainsi, en ce qui concerne l'accessibilité des soins de santé, les économies que vous voudriez, ou du moins que certains voudraient réaliser de cette manière, seront bel et bien des économies contre-productives parce qu'elles risquent de générer des coûts, justement, au niveau de la deuxième ligne.

De verhoging van de geneesmiddelenprijzen
Besparingen op medicatie
Besparingen op medicatie
De hogere prijs van cholesterolverlagers voor patiënten
De hogere prijs van cholesterolverlagers voor patiënten
Kosten en besparingen op geneesmiddelen, waaronder cholesterolverlagers

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke voert 900 miljoen euro besparingen door via twee medicijnmaatregelen: een minimumremgeld van 1-2 euro per verpakking (uitzondering voor ziekenhuisbehandelingen zoals chemo) en duurdere statines (ook voor hoogrisicopatiënten, door administratieve complexiteit). Hij benadrukt solidariteit (extra budget voor innovatieve geneesmiddelen) en bescherming via de maximumfactuur, maar 60% van de besparingen komt van de farmaceutische industrie. Merckx kritiseert de maatregelen als gevaarlijk voor de volksgezondheid: kwetsbare patiënten (bv. diabetici met hartrisico) dreigen medicatie te skippen, wat leiden kan tot dure ziekenhuisopnames (infarcten, CVA’s) en hogere kosten. Ze wijst op de echte boosdoener: exorbitante prijzen van nieuwe medicijnen (bv. Leqvio, 4.000 euro/jaar), die het budget ontwrichten, in plaats van goedkope, essentiële statines duurder te maken.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, vous avez déjà été interpellé à plusieurs reprises sur ce sujet par ma collègue Mme Eggermont. Vous connaissez donc bien la problématique ainsi que nos critiques.

Je souhaitais tout de même poursuivre ce débat avec vous car il me semble que, lors de la dernière séance plénière, vous n’avez pas tout dit dans votre échange avec Mme Eggermont et que vos propos manquaient de clarté. J’aurais donc voulu que vous nous apportiez une réponse plus précise.

Comme nous le savons maintenant, des économies sont prévues l'année prochaine à hauteur de 900 millions d'euros. Vous allez récupérer une grande partie de cette somme auprès des patients.

Pour ce faire, vous introduisez deux mesures au niveau des médicaments.

Premièrement, un seuil minimum de ticket modérateur sera mis en place: chacun devra désormais payer au moins deux euros de ticket modérateur pour une boîte de médicaments. Je souhaiterais obtenir quelques précisions à ce sujet. En Belgique, certains médicaments essentiels bénéficient du statut de remboursement "A" et sont donc entièrement pris en charge. Je pense notamment à certains médicaments contre le diabète, comme l’insuline, ou encore à des traitements contre le cancer.

Tous les médicaments actuellement remboursés en catégorie A sont-ils concernés? Les médicaments en ambulatoire, donc achetés en pharmacie, sont-ils également visés? Ou bien cela pourrait-il aussi concerner des traitements que les patients vont chercher, par exemple, en hôpital de jour – notamment des injections régulières ou des Baxter dans le cadre des immunosuppresseurs? Ces traitements-là resteront-ils gratuits? Je pense bien sûr aussi aux chimiothérapies administrées par voie intraveineuse. J’aurais donc souhaité obtenir des précisions à ce sujet.

Madame la présidente, j'avais trois questions. Je vais essayer de ne pas prendre six minutes (...)

La présidente : Une règle a été fixée au niveau des différentes commissions. Nous prenons en compte les questions qui ne portent pas le même titre.

Dans le cas présent, les questions ont plus ou moins le même intitulé. Je dirais que vous en avez deux: l’une porte plus particulièrement sur le cholestérol, et l’autre aborde de manière plus générale l’augmentation du prix des médicaments.

Sofie Merckx:

Je vais essayer d'être brève.

Premièrement, je souhaiterais savoir quels médicaments gratuits aujourd'hui ne le seront plus.

Deuxièmement, je souhaiterais aborder l’augmentation du prix des médicaments contre le cholestérol et contre l’acidité à l’estomac.

Concernant le cholestérol, vous avez déjà eu ce débat avec ma collègue en plénière. Vous aviez toujours promis que les patients à haut risque d’un événement cardiovasculaire – soit en raison de comorbidités, soit dans le cadre d’une prévention secondaire – ne seraient pas concernés par l’augmentation du ticket modérateur.

Quand on lit le budget de l’INAMI tel qu’il a été décidé, on voit clairement que cette proposition d’un traitement différencié entre prévention primaire pure et prévention secondaire n’a pas été retenue, pour cause de charge administrative trop importante. Par conséquent, tous les patients, y compris ceux à haut risque d’événement cardiovasculaire, seront bel et bien concernés par cette augmentation de prix, c'est-à-dire qu'ils passeront de la catégorie B à la catégorie C.

J’aurais voulu savoir si vous pouvez me reconfirmer cela, parce que vous n’avez pas été précis envers ma collègue Mme Eggermont en séance plénière à ce sujet-là.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Merckx, ik weet niet goed op welke vragen ik moet antwoorden, want ik heb allerlei vragen gekregen, ook in de voorbereiding die u ingediend hebt. U vraagt onder meer waar het minimumremgeld per verpakking van toepassing is. Om te beginnen moet ik u corrigeren, want het minimumremgeld per verpakking bedraagt 2 euro voor een patiënt die de verhoogde tegemoetkoming niet geniet, en slechts 1 euro voor een patiënt die een verhoogde tegemoetkoming geniet. Vermoedelijk weet u dat, maar ging u wat kort door de bocht.

Dat geld zullen we gebruiken om nieuwe geneesmiddelen, die zeer hard nodig en soms kritiek zijn, maar die vaak pas met veel vertraging in de terugbetaling worden opgenomen, sneller terug te betalen aan de patiënten. Dat is een vorm van solidariteit in een periode waarin er geen geldoverschot is. We vragen daarbij een inspanning van de brede bevolking om een heel klein beetje bij te dragen, zodat we een extra budget kunnen toevoegen aan het farmaceutisch budget voor hoognodige innovatieve geneesmiddelen die we sneller willen terugbetalen.

Aangaande de cholesterolremmers ben ik wel duidelijk geweest, al was dat in een kort mondeling antwoord op een korte mondelinge vraag in de plenaire vergadering. Uiteindelijk is in de Algemene Raad, die het budget voor de ziekteverzekering heeft vastgelegd, een voorstel naar voren gekomen dat een beetje afwijkt van mijn initiële suggestie in de opdrachtenbrief. Het gaat namelijk om een verschuiving van categorie voor alle statines, maar die is beperkter qua remgeld dan wat aanvankelijk was voorgesteld. Ze geldt wel voor alle statines.

Ik wil daarbij benadrukken – en heb ik daarover al vaak gediscussieerd met mevrouw Eggermont – dat het administratief bijzonder complex is om een onderscheid te maken tussen patiënten bij wie statines een duidelijke meerwaarde hebben, bijvoorbeeld bij een verhoogd cardiovasculair risico of een cardiovasculair accident of aandoening, en patiënten bij wie het louter om primaire preventie gaat. Aangezien het niet eenvoudig is om dat administratief te regelen, reken ik op de verantwoordelijkheidszin van de voorschrijvende artsen. In ons land worden zeer veel statines voorgeschreven met weinig medische meerwaarde, met name voor primaire preventie bij patiënten die eigenlijk geen bijzonder cardiovasculair risico lopen.

Dat heeft zeer weinig medische meerwaarde, mede omdat onderzoek van het Kenniscentrum duidelijk aantoont dat er bij die patiënten vaak weinig therapietrouw is. Het geld dat daaraan wordt besteed, kan beter aan iets anders worden besteed. We geven dus inderdaad een signaal, door alle statines in een andere categorie van terugbetaling van middelen te plaatsen. Ik heb aan mevrouw Eggermont uitgelegd dat daar duidelijk een plafond op zit, waardoor het op jaarbasis om niet veel geld gaat.

Bovendien worden mensen die echt financieel in nood zijn, beschermd door de maximumfactuur. Tegelijkertijd heb ik de bescherming door de maximumfactuur aanzienlijk verbeterd door alle medicamenten, ook degene die vergoed worden in de categorieën CX en CS, in het systeem van de maximumfactuur in te sluiten. Medicatie tegen allergieën, antihistaminica, wordt nu bijvoorbeeld in de maximumfactuur opgenomen.

Dat betekent dat we mensen die in hoge financiële nood zitten, beter beschermen wat betreft de kostprijs van medicamenten, omdat we de maximumfactuur uitbreiden. Het betekent tevens dat we patiënten die wachten op de terugbetaling van innovatieve medicatie, waar we tot nu toe maar traag in vooruitgingen, sneller kunnen helpen. Via een minimum van 1 of 2 euro, voor mensen die nog niet aan de maximumfactuurgrens zitten, vragen we een kleine bijdrage om dat allemaal mogelijk te maken. Mensen die statines gebruiken en nog niet aan de maximumfactuur zitten, zullen dus inderdaad iets meer betalen.

Ik wil daaraan toevoegen dat 60 % van de inspanning die in het budget 2026 wordt gevraagd om de uitgaven voor farmaceutica te beheersen, van de industrie komt, die in een duidelijk keurslijf wordt geplaatst. Indien het budget overschreden zou worden, zal de industrie alles moeten ophoesten. De industrie is dus met andere woorden niet alleen de belangrijkste leverancier van extra middelen en de belangrijkste bijdrager aan de besparingen die we vragen, maar staat ook garant voor het sluitend houden van dat budget. Dat moet u in de overweging meenemen.

De tijd dat men kon zeggen: ‘laat het kraantje maar openstaan, het geld loopt’ en ‘elk medicament dat niet schadelijk is, is toch nuttig’, is naar mijn mening voorbij. We moeten keuzes maken. Men kan een euro maar één keer uitgeven.

Voor alle duidelijkheid, inzake het minimumremgeld per verpakking gaat het natuurlijk over de verkoop in open officina’s in de ambulante sector.

Sofie Merckx:

Merci pour ces éclaircissements, monsieur le ministre. En tout cas, votre réponse était plus détaillée qu'en séance plénière, ce qui est intéressant. La première mesure, c’est que vous demandez deux euros ou un euro de plus pour chaque boîte. Je ne sais pas si vous réalisez. Je pense que oui, parce que d’'habitude, les partis comme Vooruit sont quand même concernés par les patients. Cela représente beaucoup d'argent. Ce sont souvent des patients qui cumulent diabète, par exemple, épilepsie, parfois des maladies auto-immunes. Oui, il y a des gens qui ne vont pas pouvoir payer cela. Le maximum à facturer est réservé à certaines personnes, mais vous savez que ce n'est pas pour tous. Quelqu'un peut tout à fait vivre avec un petit salaire, travailler tous les jours, cumuler les facteurs de risque, etc. Je suis contactée par des gens qui sont très inquiets quant à leur facture à la pharmacie. La deuxième mesure concerne les statines. Vous avez dit: "Je veux lutter contre la surconsommation, donc je vais les rendre plus chères pour ceux dont je pense qu’elles ne leur sont pas nécessaires. Mais je vais préserver ceux qui ont vraiment besoin." Il semble finalement que vous ne puissiez pas tenir votre promesse, parce qu'administrativement, cela concerne de nombreux patients. Je comprends qu’ils ne veulent pas avoir 40 formulaires pour un médicament qui est prescrit tous les jours. Monsieur le ministre, vous prenez quand même le risque que des gens qui ont réellement besoin de ces médicaments contre le cholestérol ne vont pas les prendre, pour des raisons financières. Vous savez, et je reviens à mon premier propos, que ce sont justement les patients qui cumulent le diabète et un antécédent d’infarctus, qui seront concernées par votre première mesure, mais aussi par votre deuxième mesure, c'est-à-dire l'augmentation du prix des statines. Vous risquez que les gens n’en prennent plus. Vos économies ne serviront à rien, parce que ces personnes vont faire des infarctus ou des AVC. Ils auront les artères bouchées parce qu'ils ne prennent pas les médicaments, et en fin de compte, ils coûteront le double à la sécurité sociale. De plus, ils risqueront leur vie, car les infarctus sont quand même une cause de mortalité très importante dans notre pays. Je pense que vous auriez dû revenir sur votre mesure. En termes de santé publique, vous avez pris une décision dangereuse. Si vous voulez lutter contre la surconsommation de médicaments, ce n'est pas en augmentant le ticket modérateur: D'ailleurs, Mme De Block l'a fait pour les antibiotiques, et à quoi cela a-t-il servi? Cela n'a servi à rien, juste à ce que les patients payent leurs médicaments plus cher. Pour conclure, si vous voulez réellement maîtriser le budget des médicaments, mais c'est encore un autre débat, il faut vous en prendre aux prix exorbitants demandés par les firmes pharmaceutiques. Dans le cadre de la lutte contre le cholestérol, le prix du Leqvio a fait exploser le budget, car il coûte 4 000 euros par an au patient et à la sécurité sociale, ce qui n'est absolument pas justifié. Il est responsable de 30 % de l'augmentation annuelle du budget. C'est à ce médicament qu'il fallait s'en prendre et pas aux simples statines, qui sont essentielles dans beaucoup de cas. Je pense que votre mesure est dangereuse.

De toegang tot transspecifieke zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kaart aan dat toegang tot transzorg in België structureel bemoeilijkt wordt door onvoldoende remboursement (o.a. epilatie, gezichtschirurgie als "esthetisch" bestempeld), administratieve chaos (geen duidelijke nomenclature, verplichte psychiatrische attesten) en langs wachtlijsten. Minister Vandenbroucke wijst op uitbreiding van gespecialiseerde centra (van 2 naar 6 in 2025) en belooft evaluatie van behoeften, maar sluit remboursement van "esthetische" ingrepen principieel uit. Schlitz benadrukt dat deze zorg geen luxe is maar fundamenteel voor lichamelijke integriteit en pleit voor systeemwijziging, gezien de socio-economische discriminatie (werkloosheid, armoede) die transpersonen extra kwetsbaar maakt. De kernstrijd draait om erkenning van transzorg als medisch noodzakelijk versus het huidige fragmentarische, drempelrijke systeem.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, malgré l'existence de soins transspécifiques en Belgique et leur remboursement partiel par l'assurance obligatoire, l'accès effectif à ces soins pour les personnes transgenres reste profondément entravé.

Plusieurs facteurs expliquent ce non-recours: les pratiques médicales en dehors de ces structures sont souvent inadéquates, voire inaccessibles, en raison du refus de certains médecins de poser un diagnostic nécessaire au remboursement. De plus, de nombreux soins essentiels dans le cadre d'une transition sont considérés comme "esthétiques" (épilations, chirurgies faciales, etc.) et ne bénéficient d'aucun remboursement.

Par ailleurs, certaines interventions (vaginoplastie, phalloplastie, etc.) ne sont que partiellement remboursées, une seule fois, malgré la nécessité parfois médicale de les répéter. À cela s'ajoute une grande opacité administrative: l'absence de nomenclature dédiée et le manque de formation des professionnels rendent les parcours de soins incertains et fragmentés.

Mes questions sont les suivantes: Quelles mesures concrètes prévoyez-vous d'adopter au cours de cette législature pour garantir un accès équitable aux soins transspécifiques? Comptez-vous élargir le champ des soins remboursés (épilations, logopédie, cryopréservation, chirurgies non prises en charge aujourd'hui) et supprimer l'exigence d'attestations psychiatriques non désirées?

Frank Vandenbroucke:

Chère collègue, l'accès aux soins adéquats pour les personnes souffrant de dysphorie de genre est effectivement une préoccupation importante.

C'est d'ailleurs la raison pour laquelle nous avons indiqué dans l'accord de gouvernement que nous renforcerons la prise en charge des personnes transgenres après une évaluation des programmes de soins et un recensement des besoins. En 2025, le nombre de centres conventionnés par l'INAMI pour l'accompagnement de la transidentité est passé de deux à six. La convention qui encadre cet accompagnement a également été adaptée pour mieux répondre aux attentes et aux besoins du terrain. À travers cette augmentation, le but premier est de permettre de répondre à la demande importante et de diminuer la longueur des listes d'attente actuelles, certains pouvant s'étaler sur plusieurs années.

Ces centres doivent aussi assurer une prise en charge adaptée et complète pour chaque personne qui s'y présente. Il n'en reste pas moins qu'il est nécessaire de poursuivre la formation continue des médecins et de l'ensemble des professionnels de santé pour toujours plus de sensibilisation et une amélioration du suivi des personnes transgenres. Concernant la nomenclature, il n'existe effectivement pas de nomenclature dédiée spécifiquement à la prise en charge chirurgicale de la dysphorie de genre.

Par ailleurs, certains traitements ne pourront a priori jamais faire l'objet d'un remboursement, car ils sont considérés comme des traitements esthétiques.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre pour vos réponses. Précision sémantique, on ne dit plus souffrir de dysphorie de genre, ce sont des personnes transgenres qui ont une identité de genre différente de celle dans laquelle la société les a assignées à la naissance et elles doivent donc être respectées comme telles. Il s'agit ni plus ni moins de la défense des droits fondamentaux de ces personnes. Il ne faut jamais dire jamais. Au niveau communal par exemple, un changement de nom pour des questions de changement de genre est moins cher lorsqu'il s'agit de cette situation par rapport à un changement de prénom qui serait effectué pour d'autres raisons. Je pense donc qu'une distinction pourrait tout à fait être effectuée et ne plus être considérée comme des chirurgies esthétiques. Je pense que vous avez compris que ce n'en sont pas, c'est une question de respect de l'intégrité physique de ces personnes qui, en fait, ont besoin de ces opérations pour pouvoir se sentir pleinement elles-mêmes et bien dans leur corps. Je pense donc que la société doit pouvoir prendre en charge ces opérations. D'autre part, les personnes transgenres sont régulièrement victimes de discrimination et ont des difficultés à accéder à un emploi stable et de qualité qui leur permet de financer ces opérations, c'est véritablement la double peine.

Wegwerpvapes
Wegwerpvapes
Wegwerpvapes (handhaving en sancties)
Wegwerpvapes
De controles op wegwerpvapes
Wegwerpvapes, handhaving en controles

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 5 november 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het verbod op wegwerpvapes (sinds 1/1/2025) wordt massaal ontweken: 40% van de 1.270 gecontroleerde winkels overtrad de regels (469 inbreuken), met 420 PV’s en 63.000 producten in beslag genomen, vooral in dag- en nachtwinkels. Handhaving verloopt moeizaam door gaten in EU-harmonisatie (illegale invoer via vrachtwagens ontgaat controles), maar samenwerking met douane, politie en parket wordt versterkt, met 6 Brusselse winkels gesloten na herhaalde overtredingen. Online handel (sociale media, e-commerce) blijft een zwakke plek: slechts 62 van 1.322 controles richtten zich op webverkopen, terwijl 7.313 illegale vapes via huiszoekingen werden ontnomen. Extra maatregelen (publieke sanctieoverzichten, EU-lobby voor uniform verbod, jongerencampagnes) worden overwogen, maar concrete timing en afspraken met platforms/betaaldiensten ontbreken nog.

Frank Vandenbroucke:

Ik kan deze vragen nog beantwoorden, maar het is dan wel het laatste punt. Het is namelijk ook een redelijk lang antwoord.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik ben al tevreden dat u zegt dat u een redelijk lang antwoord hebt. Ik zal deels verwijzen naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend, om het een beetje vooruit te laten gaan.

Ik vind het wat spijtig dat mijn drie vragen samengevoegd zijn, aangezien ik ook specifieke vragen had ter attentie van minister Clarinval wat de handhavingssancties en de Economische Inspectie betreft, en ook aan minister Beenders inzake consumentenbescherming. Het zijn zeer concrete vragen, waarbij ik ook enkele tips voorstel. Ik ben benieuwd wat u er allemaal op zult antwoorden. Voor het overige verwijs ik naar de tekst van mijn vragen zoals ingediend.

Sinds 1 januari 2025 is de verkoop van wegwerpvapes verboden. Toch bleek recent dat vier op de tien winkels nog steeds dergelijke producten aanbieden, vaak onder de toonbank en steeds vaker ook via sociale media.In eerdere commissiebesprekingen kondigde u grootschalige acties aan en gaf u aan het wettelijk kader verder te willen herbekijken.

Ik had hierover de volgende vragen:

Welk concreet gevolg werd gegeven aan de vastgestelde overtredingen in de eerste helft van dit jaar: hoeveel PV's zijn er opgesteld en welke sancties volgden daaruit?

Welke bijkomende maatregelen voorziet u om controles en sancties te versterken?

Hoe zorgt u ervoor dat de samenwerking met Economische Inspectie en Douane structureel verankerd wordt?

Welke specifieke initiatieven neemt u om jongeren te beschermen, onder meer tegen de verkoop via sociale media en andere informele kanalen, en acht u bijkomende sensibilisering of preventiecampagnes nodig?

Hoewel wegwerpvapes sinds begin dit jaar verboden zijn, blijkt dat ze in tal van winkels nog steeds te verkrijgen zijn, vaak onder de toonbank.

Ik had hierover de volgende vragen:

Hoeveel controles en vaststellingen heeft de Economische Inspectie sinds 1 januari uitgevoerd met betrekking tot wegwerpvapes, en welke sancties volgden daaruit?

Welke prioriteiten legt u vast voor de komende maanden, en welke gezamenlijke acties met Volksgezondheid en Douane staan op de planning?

Acht u het huidige sanctiekader voldoende om recidivisten af te schrikken? Zo niet, welke bijkomende instrumenten stelt u voor en binnen welke timing?

Het verbod op wegwerpvapes wordt in de praktijk massaal omzeild. Voor consumenten, en in het bijzonder jongeren, is het onduidelijk wat nog wel of niet mag. Transparantie over handhaving en resultaten ontbreekt, en online verkoopkanalen blijven grotendeels buiten schot.

Ik had hierover de volgende vragen:

Welke maatregelen neemt u om consumenten en ouders actief te informeren over het verbod en de risico's van wegwerpvapes?

Komt er een publiek overzicht van inspectieresultaten en opgelegde sancties, zodat recidive zichtbaar wordt?

Welke concrete afspraken maakt u met online platformen, betaalproviders en pakketdiensten om de illegale handel via het internet en sociale media af te blokken?

Plant u bijkomende sensibiliserings- of preventiecampagnes, specifiek gericht op jongeren?

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, ik heb vier heel specifieke vragen in verband met cijfers die ik heb opgevraagd. Ik vat het even kort samen.

Ten eerste, ik heb cijfers opgevraagd van de controles op handelszaken tussen 1 januari 2025 en 30 juni 2025, een half jaar na de invoering van het verbod op de wegwerpvapes. Van de 1.322 controles waren er maar 62 op de e-commerce, terwijl net daar de meeste vaststellingen waren. Zullen er in de tweede helft van het jaar meer controles zijn op dat type handelszaak?

Ten tweede, de verkoop van wegwerpvapes via e-commercewinkels vereist een doorgedreven aanpak en samenwerking met andere bevoegde ministers. In hoeverre bent u daarover in overleg met onder andere de minister van Financiën?

Ten derde, enkele maanden geleden sprak u over een Europees verkoopverbod. Welke stappen zijn daarvoor al gezet?

Ten vierde, zijn er handelszaken die meerdere controles kregen van de inspectiedienst van de FOD Volksgezondheid? Op die vraag hebben we gisteren al enkele antwoorden gekregen tijdens de commissie. Welke sancties worden opgelegd bij recidivisme? Ook op die vraag hebben we gisteren al een antwoord gekregen bij de bespreking van het wetsontwerp.

Frank Vandenbroucke:

Sinds het verbod op de verkoop van wegwerp-e-sigaretten van 1 januari zijn door de Dienst Inspectie Consumptieproducten van de FOD Volksgezondheid tijdens de eerste helft van dit jaar 1270 controles uitgevoerd op het op de markt brengen van e-sigaretten in de vorm van een integraal wegwerpproduct. Deze controles hebben geleid tot 469 vastgestelde inbreuken, waarvan 40 % plaatsvond in dagwinkels en 30 % in nachtwinkels.

In januari werd voornamelijk nog gesensibiliseerd. Vanaf februari werd overgegaan tot handhaving. In totaal werden 420 processen-verbaal opgesteld, waarvoor meestal een administratieve sanctie werd opgelegd of nog dient te worden opgelegd. Het bedrag van deze sancties is afhankelijk van de ernst van de inbreuk en het eventuele recidivegedrag. De wettelijke bandbreedte voor dit type inbreuken varieert tussen 208 euro en 120.000 euro. Ernstige inbreuken worden onmiddellijk aan het parket overgemaakt. Alle producten die in overtreding waren, zijn uit de handel genomen. In totaal gaat het om meer dan 63.000 wegwerp-e-sigaretten die tussen 1 januari en 30 juni uit de markt zijn gehaald. De markt wordt dus wel degelijk nauw gecontroleerd.

De dienst Inspectie en Controle Consumptieproducten doet dat uiteraard niet alleen. Zo wordt er niet alleen samengewerkt met de politie, die trouwens ook bevoegd is om processen-verbaal op te stellen, maar ook met de douanediensten voor de controles van goederen die het grondgebied binnenkomen. De samenwerking tussen de dienst Inspectie en Controle Consumptieproducten en de douane loopt al een hele tijd. Ik mag ook zeggen dat die samenwerking bijzonder goed verloopt. Binnenkort wordt deze samenwerking geformaliseerd via een samenwerkingsprotocol.

Sinds bijna een jaar wordt een belangrijke evolutie vastgesteld in de invoerroutes. Het wegvervoer, in het bijzonder via vrachtwagens, neemt steeds vaker de plaats in van de meer traditionele lucht- en zeeroutes. Deze verandering maakt de controles aanzienlijk complexer. De verantwoordelijkheid voor de invoercontrole van de goederen ligt immers bij de bevoegde autoriteit van het land waar de producten de Europese Unie binnenkomen. Deze bepaling beperkt de actiemogelijkheden aanzienlijk. Zodra de producten in België aankomen, hebben de douanediensten niet langer de wettelijke bevoegdheid om deze pakketten te openen, wat elke rechtstreekse opsporing van hun aanwezigheid op ons grondgebied onmogelijk maakt.

Om die reden is het initiatief genomen om de internationale samenwerking te versterken. Er zijn reeds contacten gelegd met verschillende grensautoriteiten, met name Frankrijk en Nederland, om onze nationale wetgeving, zoals het verbod op wegwerp-e-sigaretten, beter bekend te maken en een verhoogde waakzaamheid te verkrijgen bij de controles aan de buitengrenzen van de EU. Het doel is om deze samenwerkingsmethode geleidelijk uit te breiden naar alle lidstaten.

Toch blijft een belangrijk knelpunt bestaan, namelijk het gebrek aan harmonisatie op Europees niveau. In tegenstelling tot andere gereglementeerde producten, zoals cosmetica, blijven wegwerp-e-sigaretten immers in de meeste lidstaten toegestaan.

Dit gebrek aan uniformiteit verzwakt de doeltreffendheid van het Europese kader en bemoeilijkt de toepassing van ons nationale verbod. Ik dring dan ook op Europees niveau aan voor een breder verbod.

Daarnaast kan ik meegeven dat de inspectiediensten van de verschillende federale administraties maandelijks bijeenkomen om transversale kwesties te bespreken. Deze vorm van informatie-uitwisseling en netwerking faciliteert de organisatie van tal van specifieke inspectiecampagnes in samenwerking tussen verschillende diensten.

Naast fysieke controles in traditionele winkels is de dienst Inspectie Consumptieproducten van de FOD Volksgezondheid ook zeer actief in het toezicht op e-commerce. Deze controles vinden plaats op verkoopplatformen, op websites die specifiek deze producten verkopen en op sociale media, waar een fenomeen van verkoop tussen particulieren wordt vastgesteld. Zo leidden deze verkopen tussen particulieren via sociale media tussen 1 januari en 30 augustus tot de organisatie van 14 huisvisitaties, waarbij 1.563 niet-conforme producten in beslag werden genomen. In 2024 leidde dit controlekanaal tot de inbeslagname van 7.313 niet-conforme producten tijdens 14 huisbezoeken.

U ziet dat er wordt gewerkt aan de handhaving van het verbod op wegwerp-e-sigaretten. De cijfers die ik u geef, zijn duidelijk, er werden al heel wat producten van de markt gehaald. Momenteel kan ik stellen dat het controle- en sanctiekader op zich afdoende werkt, wat niet betekent dat er geen verdere initiatieven worden genomen. Binnen de dienst Inspectie Consumptieproducten wordt dagelijks gezocht naar nieuwe manieren om de markt efficiënter te controleren, zeker voor de online markt en sociale media. Mocht hiervoor een wetswijziging nodig zijn, dan zal ik de nodige stappen ondernemen.

Wat de sanctionering betreft, kan ik meegeven dat de dienst Inspectie Consumptieproducten tot op heden zelf geen handelszaken heeft gesloten, tijdelijk of definitief. In de praktijk werden wel al enkele zaken gesloten, maar dan via de burgemeester. Niettemin wordt de sluitingsbevoegdheid van de dienst Inspectie Consumptieproducten van de FOD verder verfijnd, zodat dit een concreet handhavingsmiddel wordt.

Mocht verder blijken dat een administratieve sanctie niet meer werkt, dan worden de parketten gecontacteerd voor strafrechtelijke vervolging. Ook daar hebben de contacten tussen de parketten en mijn administratie ervoor gezorgd dat de wetgeving bekend is. Bovendien erkennen de parketten het maatschappelijk belang van het respecteren van deze maatregel, waardoor ze bereid zijn mee te werken aan het aanpakken van deze problematiek. Ik kan dat alleen maar toejuichen.

Zo werden recent zes winkels in het centrum van Brussel, die regelmatig werden gecontroleerd en beboet voor de verkoop van grote hoeveelheden niet-conforme e-sigaretten, vorige week voor onbepaalde tijd gesloten. Deze beslissing werd genomen door de procureur des Konings op basis van verschillende inspecties die sinds januari werden uitgevoerd. Dat toont aan dat de goede samenwerking tussen mijn diensten, de lokale politie en Justitie resulteert in effectieve maatregelen.

Tot slot wil ik in nauw overleg met de deelstaten ook bekijken of een communicatiecampagne kan worden georganiseerd die specifiek jongeren informeert over de risico’s die verbonden zijn aan het gebruik van de e-sigaret.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De cijfers over het aantal controles, inbreuken en processen-verbaal zijn toch onthutsend. Het is heel goed dat de parketten in actie zijn geschoten en die zes heel hardleerse winkels voor onbepaalde tijd hebben gesloten. De tijd zal uitwijzen of er minder winkels betrapt zullen worden wanneer ze weten dat de pakkans reëel is.

Wat betreft de EU, dat moet verder opgevolgd worden. U zegt dat grensoverschrijdingen niet meer kunnen gecontroleerd worden. Dat is een heel groot pijnpunt en het zal zeker geen walk in the park zijn om alle Europese landen te overtuigen van een verbod op wegwerpvapes. Die controle zal daar moeten worden herbekeken.

Wat betreft de vragen aan minister Beenders, u zult met de deelstaten bekijken of een campagne kan worden georganiseerd. We hebben het over consumentenbescherming, dus ik kijk zeker ook naar minister Beenders en u hopelijk ook, om consumenten en ouders actief te informeren. Ik deed in een van mijn vragen de suggestie om een overzicht van die inspectieresultaten en die opgelegde sancties publiek te maken. Dat kan heel goed werken om mensen die weten wat er hen boven het hoofd hangt wat terughoudender te maken.

Daar blijf ik nog wat op mijn honger zitten en ik volg dit verder op.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Het gaat inderdaad om heel zware inspanningen van de inspectiediensten. Dat bleek ook al uit de cijfers. Ik dank u om dat nog eens extra toe te lichten. Ik zal eind 2025 opnieuw de cijfers opvragen. Ik hoop dat wij op dat moment kunnen vaststellen dat er evenveel controles zullen zijn uitgevoerd en dat een positieve trend, namelijk dat er minder illegale wegwerpvapes circuleren, zal zijn ingezet. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.01 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 01.

Duurdere medicatie voor de patiënt

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verhoogt de prijs van cholesterolverlagers ondanks eerdere beloftes dat hoogrisicopatiënten gespaard zouden blijven, wat volgens Eggermont (PVDA) leidt tot gevaarlijke ontmoediging van essentiële medicatie en meer hart- en vaatziekten—onderbouwd door cardiologen en wetenschappelijke consensus. Vandenbroucke verdedigt de maatregel met een beroep op het BCFI (onnodig overgebruik in primaire preventie) en beschuldigt Eggermont van lobbyen voor big pharma, terwijl hij wijst op dure nieuwe medicatie (€4.000/jaar vs. €100 voor klassieke statines) en prioriteit geeft aan terugbetaling voor andere kritieke zorg. Eggermont kaatst terug: de prijsstijging komt door geheime deals met farmabedrijven voor dure nieuwe middelen, niet door overconsumptie, en de maatregel ondermijnt de volksgezondheid.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik sta hier opnieuw omdat u de prijs verhoogt van cholesterolverlagers en omdat wat u tot hier toe hebt gezegd niet blijkt te kloppen. U zegt dat er gesmost wordt met de medicatie, maar u hebt mij ook altijd gelijk gegeven wanneer ik zeg dat er heel wat mensen zijn die deze medicatie nodig hebben, omdat bewezen is dat voor hen het risico op hart- en vaatziekten afneemt wanneer ze deze nemen. U hebt altijd gezegd dat er voor die mensen geen verhoging van het remgeld zou zijn, maar wat werd er nu maandag beslist? Een platte prijsverhoging voor alle patiënten. Kunt u vandaag bevestigen dat wat u de afgelopen weken hebt gezegd niet klopt?

Beseft u de ernst van de hele zaak? Uw maatregelen dienen om mensen die cholesterolverlagers nemen te ontraden om die te nemen. Er zijn heel veel mensen die ze nodig hebben. Samen met kanker zijn hart- en vaatziekten de belangrijkste doodsoorzaak in België. Elke dag opnieuw vecht de medische wereld om dergelijke sterfgevallen te voorkomen. Tachtig procent daarvan kan worden voorkomen door preventie en er bestaat een brede wetenschappelijke consensus dat samen met een levensstijlaanpassing cholesterolverlagers een essentieel element van die preventie vormen.

U gaat nu de mensen die deze medicatie nodig hebben ontraden om ze correct in te nemen. Ik word overspoeld met getuigenissen van patiënten die zich zorgen maken. Niet enkel de patiënten maken zich zorgen, u hebt een open brief gekregen van de Belgische Cardiologische Liga die zich ook heel veel zorgen maakt. Ik citeer uit die brief: "We betreuren dat uw maatregelen het risico inhouden dat patiënten die wel cholesterolverlagers nodig hebben hun medicatie zullen stopzetten. Dat zal leiden tot vermijdbare cardiovasculaire evenementen, met alle menselijke en economische gevolgen van dien."

Mijnheer de minister, nu blijkt dat uw belofte dat de mensen die deze medicatie echt nodig hebben niet zullen worden geraakt niet nagekomen wordt, gaat u die maatregel terugschroeven?

Frank Vandenbroucke:

Collega’s, we investeren in gezondheidszorg om de bestaande noden beter te beantwoorden, bijvoorbeeld die in de geestelijke gezondheidszorg. We investeren vandaag in de gezondheidszorg om nieuwe en belangrijke medicatie terug te kunnen betalen, niet om het gebruik van geneesmiddelen met weinig meerwaarde te blijven terugbetalen. Gespecialiseerde organisaties zeggen één ding, maar u moet ook eens andere richtlijnen daarover lezen. Ik zal niet citeren wat huisartsen daarover zeggen. Ik zal het onafhankelijk Belgisch Centrum voor Farmacotherapeutische Informatie (BCFI) citeren. Dat stelt letterlijk dat het aantal gebruikers van statines in primaire preventie ongetwijfeld sterk kan worden verminderd, zonder gezondheidsrisico’s. Dat is gewoon waar. Dat is dus het signaal dat we geven.

Weet u waarin we moeten investeren? We moeten investeren in een betere bescherming van mensen die echt hoge kosten hebben. Met deze begroting voor de gezondheidszorg verbeteren we bijvoorbeeld de terugbetaling voor mensen die antiallergische middelen moeten nemen. Mevrouw Eggermont, ik vind het onbegrijpelijk dat de PVDA zich zo voor de kar van de big pharma laat spannen, terwijl die geld met bakken binnenrijven door geneesmiddelen te laten voorschrijven die niet nodig zijn of zelfs verslavend werken, zoals maagzuurremmers. De raad van bestuur van Teva zou vandaag voor u applaudisseren. De raad van bestuur van Sandoz zal zeggen: “Zeer goed PVDA, vertel dat maar voort.” De raad van bestuur van Takeda zal zeggen: “Uitstekend wat u hier vertelt.” De raad van bestuur van EG zal zeggen: “Mevrouw Eggermont, doe zo voort. Maak de mensen wijs dat al die geneesmiddelen nodig zijn.” Wij doen dat niet.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik vraag u wanneer cholesterolverlagers bewezen zijn, bij primaire preventie met hoog risico en bij secundaire preventie. U fiets daar echter in een boog omheen en begint over maagzuurremmers, primaire preventie met laag risico en over nog allerlei andere zaken, omdat u weet dat wat u zegt niet klopt.

Ik zei u dat als u mensen ontraadt om geneesmiddelen te nemen terwijl het nut daarvan bewezen is, er meer hartinfarcten en beroertes zullen optreden als gevolg van dat beleid. Daarop hebt u niet geantwoord. Wat u doet, houdt een risico in voor de volksgezondheid.

Ik rijd niet voor de farmaceutische industrie. Wij hebben een studie gepubliceerd. U zegt altijd dat mensen te veel cholesterolpillen nemen, maar de stijging van het budget in de voorbije jaren komt niet doordat er meer pillen worden gebruikt – want dat aantal blijft gelijk – maar doordat er in de voorbije twee jaar een nieuw geneesmiddel op de markt is gekomen, waarvoor u een geheim contract hebt afgesloten. Een gewone cholesterolbehandeling kost 100 euro per jaar per patiënt, terwijl het nieuwe geneesmiddel 4.000 euro kost! U rijdt voor de farmaceutische industrie! Het zijn niet de patiënten …

Voorzitter:

Bedankt, mevrouw Eggermont.

De alarmerende brief van een aantal wijkgezondheidscentra over de langdurig zieken

Gesteld door

lijst: MR Julie Taton

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke veroordeelt het initiatief van een Charleroise medische huis dat chômeurs met dreigend verlies van uitkering benaderde voor consulten, wat deontologisch en RGPD-schendingen oplevert, en kondigt een onderzoek aan door APD en INAMI. Hij benadrukt dat legitieme medische arbeidsongeschiktheid moet worden beschermd, maar eist striktere controles om misbruik te voorkomen en de solidariteit in het systeem te waarborgen. Taton onderschrijft de noodzaak om fraude en systeemmisbruik te bestrijden om kwetsbaren niet te benadelen, maar waarschuwt tegen generalisatie richting artsen, met de nadruk op een rechtvaardig evenwicht in de sociale bescherming.

Julie Taton:

Bonjour à toutes et à tous. Monsieur le ministre, je vous souhaite un bon anniversaire avec un peu de retard.

Le gouvernement a récemment décidé de prendre toute une série de mesures nécessaires pour lutter contre le chômage à vie, dans un contexte budgétaire qui, comme nous le savons, est excessivement tendu.

Depuis hier, un bruit circule – et même plus qu’un bruit – selon lequel une maison médicale de Charleroi contacterait directement des patients dont les allocations de chômage devraient être supprimées, pour leur proposer une consultation téléphonique, autrement dit, une espèce de mutuelle à vie.

La direction du centre a réagi immédiatement, évoquant visiblement un malentendu, et affirmant qu’il ne s’agissait absolument pas d’inciter les patients à la fraude, mais simplement de les réorienter – voire tout simplement de les orienter – vers les bons services. De son côté, le Conseil de l’Ordre des médecins du Hainaut a condamné fermement cette pratique, en déclarant qu’il était totalement contraire à la déontologie d’inviter des patients non demandeurs à une consultation.

Monsieur le ministre, trouvez-vous normal que des maisons médicales contactent directement des patients pour les orienter sur la base d’informations économiques ou administratives les concernant? Qu’en est-il du respect du règlement général sur protection des données (RGPD) et de la confidentialité des données de santé? Une enquête a-t-elle été ouverte par l’INAMI et par le SPF Santé publique pour vérifier si d’autres centres ne feraient pas la même chose ailleurs en Belgique, peut-être de manière un peu plus discrète? Enfin, nous connaissons votre engagement à lutter contre tout type de fraude. Qu’avez-vous l’intention de faire dans ce dossier à court terme?

Frank Vandenbroucke:

Madame Taton, j'ai pris connaissance du courrier adressé à plusieurs patients par le Centre de santé La Chenevière de Charleroi. Je condamne ces pratiques et demanderai qu'une enquête soit menée pour déterminer quelles mesures peuvent être prises. En effet, tant l'Ordre des médecins que l'Autorité de protection des données (APD) indiquent qu'au minimum, ces médecins ne respectent pas la déontologie médicale. En revanche, on peut regretter que ces mêmes médecins n'aient pas évalué la situation des patients plus tôt. Dans le cadre des trajets de retour au travail pour les personnes connaissant de vrais problèmes de santé et de l'accompagnement spécifique que nous pouvons leur fournir, ces patients auraient peut-être pu reprendre le travail; ce qui aurait pu améliorer leur état de santé.

Je ne souhaite, en aucun cas, déclencher une chasse aux sorcières à l'égard des personnes qui vont perdre leur droit aux allocations de chômage. Lorsque quelqu'un au sein de ce groupe de chômeurs présente de graves problèmes de santé et répond aux critères légaux de l'incapacité de travail, la loi doit évidemment s'appliquer correctement. En même temps, je demande aux mutualités et à l'INAMI d'examiner ces demandes avec une attention et une rigueur particulières. Il est essentiel de protéger celles et ceux qui y ont légitimement droit, mais il est tout aussi important que la reconnaissance de l'incapacité de travail se fasse de manière sérieuse, objective et médicalement fondée.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Comme vous le savez, la lutte contre le chômage reste une priorité pour nous dans un contexte budgétaire où chaque euro compte. Comme vous l'avez dit, à force d'user et d'abuser d'un système, ce sont les personnes les plus fragiles, celles qui ont vraiment besoin d'aide, qui vont être pénalisées. C'est le plus important. Je pense que le message est passé. Notre responsabilité politique est, bien entendu, de protéger la solidarité, mais il faut que celle-ci soit juste et équilibrée. Je tenais à en profiter pour préciser que nous ne mettions pas tous les médecins dans le même panier. En tout cas, une telle situation doit nous alerter. Pour cette raison, nous comptons sur vous. Je vous remercie beaucoup, monsieur le ministre.

Discriminatietests

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 22 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Beenders benadrukt dat discriminatiebestrijding cruciaal is, maar kritiseert Unia’s aanpak in Gent, waar 90 werkgevers zonder voorafgaand overleg een aanmaning kregen, wat volgens hem de steun voor discriminatietests ondermijnt. Schlitz weerlegt dit door te stellen dat Unia wel degelijk vooraf contact zoekt en vooral via dialoog en bemiddeling werkt, waardoor rechtszaken vaak vermeden worden. Zij verdedigt Unia als essentiële speler in preventie en stelt dat de Gentse actie deel uitmaakt van een langlopend, gefaseerd project met eerdere sensibilisering. De kern van het debat draait om de balans tussen handhaving (sancties) en preventie (dialoog) in discriminatiebestrijding.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, 90 employeurs de Gand ont été mis en demeure pour discrimination présumée dans le cadre d'un projet pluriannuel mis en place par la ville de Gand et Unia pour lutter contre la discrimination sur le marché du travail. Alors que les phases précédentes étaient axées sur des mesures de référence, la sensibilisation et la formation, la phase finale comprenait des actions en justice telles que la mise en demeure. Sur les 118 entreprises sélectionnées, 90 ont reçu une convocation.

Considérant que la lutte contre les discriminations fait partie intégrante des missions d'Unia, considérant que cette mission est essentielle pour garantir le principe d'égalité entre tous les citoyens de notre pays, considérant que s'adonner à des discriminations est illégal et considérant que les discriminations sont encore très présentes sur le marché de l'emploi, pour quelles raisons vous êtes-vous opposé au Centre de l' É galité des chances dans cette affaire?

Rob Beenders:

Madame Schlitz, la lutte contre la discrimination est une priorité majeure pour moi. Cependant, je m'oppose à la procédure qui a été suivie dans ce cas précis à Gand, où des mises en demeure ont été immédiatement émises sans consultation ni dialogue préalable. Cela compromet le soutien aux tests de discrimination, une méthode que je soutiens pleinement.

J'ai également exprimé cette préoccupation à Unia.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. Je suis un peu étonnée parce qu'il m'est revenu qu'il y avait bien eu des contacts en amont et que ce n'était ni une approche top down ni une méthode de la surprise qui avait été mise en œuvre. De ce que j'ai vu du travail effectué par Unia ces dernières années, c'est un catalyseur de tensions et un organe qui permet le dialogue et justement d'éviter des actions en justice, qui seraient beaucoup plus nombreuses si Unia n'existait pas. À ma connaissance, Unia, quand il effectue des tests de discrimination ou quand il reçoit une plainte ou un signalement de la part d'une victime, va dans un premier temps prendre des contacts en vue d'une médiation avec les entreprises concernées, ce qui, dans une très large portion des cas, dispense d'une action en justice. Je pense donc que c'est vraiment sur cet aspect-là qu'il faut miser et qu'il faut envisager l'action d'Unia.

De stopzetting van de federale subsidies voor de winteropvang
De afschaffing van de federale subsidies voor het winterplan
De afschaffing van het winterplan en de oproep van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding
Het winterplan en de oproep van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding
Afschaffing federale subsidies voor winteropvang en reacties armoedebestrijding

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale stopzetting van de Grand Froid-subsidies (€65.000 per stad voor vijf grote steden) zorgt voor acute ongerustheid over daklozenopvang deze winter, met name in Brussel, Wallonië en Vlaanderen, waar het aantal daklozen sterk stijgt. Minister Van Bossuyt (N-VA) handhaaft de beslissing, verwijzend naar "bevoegdheidsoverschrijding" en federale bezuinigingsdoelen, maar biedt Brussel eenmalig €1 miljoen als overgangsmaatregel; andere steden moeten zelf oplossingen vinden. Oppositie (PS, Les Engagés, Ecolo) bestempelt de maatregel als "wreed en onverantwoord", wijst op morale en internationale afspraken (EU-doel: daklozenopvang tegen 2030) en eist herstel van de financiële steun, dringend overleg in de CIM en een lijst van alle geschrapte "bevoegdheidsusurpaties". Critici linken de bezuinigingen aan breder sociaal beleid (uitsluiting werklozen, pensioenverlagingen) dat kwetsbaren en lokale overheden extra belast. De politieke polarisatie is scherp: de minister ontkent elke flexibiliteit, terwijl oppositie en veldorganisaties (o.a. Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté) structurele coördinatie en solidariteit eisen om een humanitaire crisis af te wenden.

Marie Meunier:

Madame la ministre, il y a quelques semaines, je vous ai interpellée en session plénière à propos de la suppression brutale et irresponsable des subventions fédérales au plan grand froid.

Je voudrais vous rappeler que l'accord de coopération concernant le sans-abrisme et l'absence de chez-soi du 12 mai 2014 précisait les compétences et les responsabilités des différents niveaux de gouvernement dans la lutte contre le sans-abrisme. Certes, ce sont les autorités locales qui, en premier lieu, ont la compétence pour l'accueil des sans-abris. Cependant, les autorités fédérales, par le biais du SPP Intégration sociale, fournissent depuis de nombreuses années les moyens supplémentaires nécessaires pour soutenir l'hébergement d'urgence aigu pendant la période hivernale. Il s'agissait d'un financement annuel accordé aux cinq grandes villes et destiné à la mise en place d'un accueil de jour, de soirée et de nuit pour les sans-abris présentant des besoins sociaux aigus.

Vous avez brutalement décidé de supprimer ce financement parce que vous considérez cette compétence, qui relève pourtant de votre responsabilité, comme une "compétence usurpée". Avec le groupe PS, nous avons dans la foulée déposé une motion demandant que vous communiquiez rapidement la liste des politiques que votre gouvernement ne financera plus au motif qu'elles sont des compétences usurpées, car nous voulons à tout prix éviter que vous puissiez mener d'autres politiques inhumaines pour ce motif.

Nous nous sommes alors rendu compte que nous étions loin d'être les seuls à nous alarmer puisque, depuis, le Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté a exprimé son inquiétude face aux conséquences de votre décision. Il rappelle que le nombre de personnes sans abri est bien plus élevé que prévu en Flandre et en Wallonie, et que ce nombre est en très forte croissance à Bruxelles. Il rappelle surtout que la fin du financement fédéral du plan grand froid menace directement la capacité d'accueil cet hiver. Il demande à ce qu'une consultation urgente soit organisée dans le cadre de la conférence interministérielle de l'Intégration sociale et de l'Économie sociale afin d'aboutir à des solutions structurelles à court et à long terme.

Par ailleurs, Madame la ministre, quand vous évoquez ces prétendues compétences usurpées, nous parlons, nous, de vies humaines avant tout. Le sans-abrisme, je vous l'ai déjà dit également, ne s'arrête pas aux frontières régionales et nécessite une coordination fédérale.

Avez-vous pu prendre connaissance de la lettre ouverte du Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté? Quelle est votre réponse à leurs préoccupations et à leur appel au réexamen de votre décision?

Y aura-t-il prochainement une conférence interministérielle à ce sujet et, si oui, à quelle échéance? Comptez-vous rétablir un financement de transition pour le plan grand froid cet hiver, afin d'éviter que des milliers de personnes ne se retrouvent sans solution d'accueil d'urgence? La réponse me paraît simple: oui ou non.

Enfin, quand le Parlement recevra-t-il la liste exhaustive des politiques que vous ne financerez plus pour cause de compétence usurpée?

Anne Pirson:

Madame la ministre, nous connaissons bien votre intention affirmée de mettre fin aux compétences dites usurpées au nom de la viabilité financière de l'entité fédérale. C'est conforme à votre note de politique générale ainsi qu’à l'accord de gouvernement. Cette orientation s'inscrit vraiment dans une volonté de clarification institutionnelle. On l'entend pleinement.

Malgré l'annonce récente de la suppression des subsides fédéraux destinés au plan grand froid, alors que nous sommes seulement à quelques semaines de l'arrivée de la période hivernale, Les Engagés soulèvent quand même de grandes inquiétudes. Ces plans ne sont pas pour nous des dispositifs secondaires. Ils constituent chaque année un filet de sécurité vital pour des milliers de personnes qui sont tombées sans abri. Ils permettent l'ouverture de lits supplémentaires, la mobilisation de services de première ligne et la coordination avec les CPAS et les associations. Cette décision un peu brutale de mettre un terme au financement fédéral intervient à un moment critique et suscite vraiment de vives interrogations, tant sur le plan pratique que sur le plan humain.

Madame la ministre, une concertation accrue avec les entités fédérées est-elle prévue pour garantir qu'aucune personne ne se retrouve à la rue sans solution durant cet hiver? Avez-vous déjà pris contact avec vos homologues régionaux? Même si nous avons déjà eu l'information par voie de presse, pouvez-vous préciser à la Chambre quelles sont les grandes villes concernées par cette suppression de subsides et à combien s'élève le montant total retiré?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, dans une lettre ouverte, le Réseau belge de lutte contre la pauvreté interpelle sur les conséquences possibles de la fin du financement fédéral du plan Grand Froid. À l’approche de l’hiver, les acteurs de terrain sont déjà très inquiets quant à la capacité d’accueil.

Selon le réseau, le nombre de personnes sans abri est beaucoup plus élevé que prévu en Flandre et en Wallonie, et en très forte croissance à Bruxelles. Face à ce constat, les signataires de la lettre ouverte appellent à un réexamen de la décision de mettre fin au financement annuel du plan Grand Froid par le gouvernement fédéral.

Les organisations à l’origine de l’appel demandent également qu’une consultation urgente soit organisée dans le cadre de la Conférence interministérielle de l’Intégration sociale et de l’ É conomie sociale (CIM) afin d’aboutir à « des solutions structurelles à court et à long terme ».

Madame la ministre, pouvez-vous m’indiquer combien de personnes sont sans abris aujourd’hui, région par région? Avez-vous évalué l’impact des mesures de votre gouvernement sur l’augmentation du sans-abrisme? Avez-vous mis ce sujet à l’ordre du jour de la CIM? Quand s’est-elle réunie? Quelles décisions ont été prises afin de coordonner efficacement la lutte contre le "sanschezsoirisme"? Vos collègues des Engagés ont exprimé leur indignation face à cette suppression. Ont-ils été en mesure de bloquer votre initiative? Quelles actions ont-ils entreprises pour y parvenir?

Anneleen Van Bossuyt:

Mesdames Meunier, Pirson et Schlitz, je vous remercie. Comme vous l'avez souligné dans vos questions, l'accueil des sans-abris relève avant tout de la compétence des pouvoirs locaux. Par le passé, un soutien fédéral a été débloqué pour les grandes villes à titre strictement supplétif.

En réponse à vos questions, au total, nous mettons fin aux subsides pour l'accueil hivernal dans cinq villes. Il s'agit de Liège, Charleroi, Bruxelles, Anvers et Gand, soit 65 000 euros par ville. Je considère évidemment que l'accueil hivernal est très précieux, mais l'accueil des sans-abris n'est pas une compétence fédérale. Depuis des années, des instances indépendantes, telles que le SPF BOSA et l'Inspection des Finances, soulignent qu'il n'est pas admissible que nous continuions à payer au niveau fédéral pour des compétences régionales ou locales.

Ce gouvernement fédéral a très clairement convenu dans l'accord de gouvernement que nous ne paierons plus pour des matières qui ne relèvent pas de la compétence fédérale. C'est notamment de cette manière que le gouffre de la dette est devenu si profond. Pour chaque problème, des subsides étaient accordés. Nous y mettons un terme.

Il est assez cynique que les partis qui nous ont conduit à ces difficultés crient aujourd'hui depuis les tribunes que cette politique est dure, alors que ce sont précisément eux qui ont détruit tout le système. Bien trop longtemps, on a omis de rétablir l'ordre. On a toujours demandé à quelqu'un d'autre de payer l'addition. Mais cela ne constitue pas une politique durable.

J'ai entre-temps appris qu'Anvers tout comme le ministre-président wallon reconnaissent la répartition des compétences et assumeront leurs responsabilités en prévoyant eux-mêmes le montant de 65 000 euros. Chacun doit jouer son rôle dans cette problématique très complexe du sans-abrisme.

J'ai bien reçu, le lundi 29 septembre, la lettre du Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté. Comme je viens de le dire, je reconnais que l'accueil hivernal est particulièrement précieux, mais l'accueil des personnes sans abri ne relève pas des compétences fédérales.

Dans le cadre de la Conférence interministérielle Politique des grandes villes, Intégration sociale et Lutte contre la pauvreté, une première réunion s'est tenue fin juin, au cours de laquelle une concertation a eu lieu avec mes collègues ministres des Régions et Communautés afin de délimiter les domaines d'action de chaque partie. Le 1 er octobre, voici deux semaines, s'est tenue la première réunion d'un groupe de travail sur le sans-abrisme. Nous y discuterons de la manière de mieux coordonner les efforts et de parvenir à une politique cohérente en matière de sans-abrisme dans le respect des compétences de chacun.

En ce qui concerne l'accueil hivernal dans la Région de Bruxelles-Capitale, bien que l'Inspection des finances évoque également ici un dépassement de compétences, nous comprenons évidemment la situation difficile dans laquelle se trouve la ville de Bruxelles. Je comprends que la suppression simultanée du soutien financier à la ville et à la Région aurait un impact important.

Dans son avis, l’Inspection des finances a laissé la possibilité de prolonger le soutien pour la Région Bruxelles-Capitale d'une année supplémentaire. Je cite l'avis de l'Inspection des finances: "(…) éventuellement permettre, à titre de mesure transitoire et afin de pouvoir communiquer préalablement, un dernier accueil hivernal en 2025-2026."

Je tiens également à souligner que ce soutien financier est d'une nature totalement différente du soutien apporté à la ville. Cet hiver, nous attribuons à la Région une aide financière d'environ un million d'euros.

Marie Meunier:

Merci, madame la ministre, mais vous n'avez que très partiellement, voire pas du tout, répondu à mes questions. Je n'ai toujours aucune nouvelle de la liste exhaustive des politiques que vous ne financerez plus pour cause de compétences dites usurpées. Nous l'attendons depuis quelques semaines maintenant. Je vous repose la question aujourd'hui. Je n'ai toujours pas de réponse.

Cela vous paraît un peu cynique que les partis, notamment de l'opposition, critiquent et qualifient la politique que vous menez de dure à l'égard de celles et ceux qui n'ont plus rien. Je rappelle qu’on ne parle pas de personnes qui ont les moyens, mais de personnes qui sont dans la rue.

Je suis désolée de vous le redire aussi: c'est une politique qui est dure et brutale. Nous continuerons à le dénoncer. Vous n'allez pas chercher l'argent là où il est réellement, c'est-à-dire dans la poche de ceux qui ont d'énormes moyens, des millionnaires, des milliardaires. Vous auriez pu le faire.

Vous faites le choix, qui est politique, d'aller chercher l'argent chez celles et ceux qui n'en ont déjà pas, chez celles et ceux qui dorment déjà dehors. Comme c'était le cas il y a quelques semaines, je constate que le choix est assumé, que vous n'avez aucune remise en question à ce sujet et qu'il n'y a manifestement pas moyen de négocier.

Par ailleurs, j'entends que Bruxelles doit assumer tout le fardeau du fédéral et que les partis francophones de votre majorité n'en ont que faire.

J'ai entendu notre collègue des Engagés soulever le fait qu'il s'inquiète quand même. Je vous rappelle que vous êtes à la table des négociations, que vous étiez là pour signer l'accord de gouvernement et que pour toutes les décisions qui sont prises par la ministre, bien qu'elle ne soit pas de votre parti aujourd'hui, vous vous trouvez quand même autour de la table. Il existe quand même une solidarité collective autour de ces décisions.

Madame la ministre, il en va de même pour les grandes villes que vous ciblez. Je vous rappelle quand même que Gand est votre ville. Elle-même souligne la difficulté dans laquelle vous êtes en train de la placer. Je le souligne.

Je continuerai, avec mon groupe, à faire entendre la voix de celles et de ceux que vous êtes en train de noyer. Pour notre part, nous continuerons à faire des propositions beaucoup plus constructives que celles-là, pour permettre à ces gens de voir un semblant de bout au tunnel dans lequel vous êtes en train de les enfoncer, madame la ministre.

Anne Pirson:

Madame la ministre, merci pour vos réponses et vos éclaircissements. Je suis contente d'entendre que des solutions ont été trouvées pour Bruxelles, à court terme en tout cas.

Permettez-moi néanmoins d'exprimer notre préoccupation. Notre président s'était aussi exprimé sur le sujet. Pour lui, une solidarité ne se rompt pas comme ça sans concertation. Nous devons quand même constater que c'est ce qui s'est produit. Une décision a été prise sans dialogue avec les Régions, les CPAS et même au sein du gouvernement. Le plan grand froid n'est pas seulement un choix politique, madame la ministre, c'est une obligation légale, un devoir moral. Depuis la déclaration de Lisbonne qui a été signée en 2021 par l'ensemble des pays de l'Union, c'est un engagement partagé de mettre fin au sans-abrisme à l'horizon 2030. Donc, rompre la chaîne de la solidarité à quelques semaines de l'hiver suscite franchement une inquiétude inutile, tant pour les personnes concernées que pour ceux qui les accompagnent sur le terrain.

Les Engagés vous demandent avec force de rétablir ou de poursuivre une véritable concertation avec les entités fédérées à l'avenir, dans la mise en œuvre dans l'accord de gouvernement. En effet, protéger les plus vulnérables contre le froid n'est pas option, c'est le cœur de notre solidarité; et nous vous savons aussi sensible à ce sujet, madame la ministre.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, je vous remercie de vos réponses. Je n'en attendais pas plus de votre part, puisque nous avons déjà eu cette discussion. Au demeurant, je savais bien que le courrier envoyé par les associations qui tentent de vous alerter au sujet des graves difficultés auxquelles vont se heurter plusieurs personnes cet hiver n'allait pas vous faire bouger d'un iota. Bref, cela ne me surprend pas. Cela dit, je me demande parfois comment cela se passe dans votre cabinet. Un de vos collaborateurs est-il chargé d'identifier dans quelles politiques sociales il faut couper? Je suppose qu'il y a des points bonus quand cela peut toucher davantage les francophones ou des villes de gauche. Est-ce ainsi que cela fonctionne, madame la ministre? À la fin du mois, consulte-t-on un petit tableau pour voir qui a réussi à couper le plus pour emmerder les bourgmestres "rouges" en Wallonie?

Blague à part, ce que vous êtes en train d'accomplir est absolument catastrophique. Vous vous dissimulez derrière des arguments invoquant des compétences usurpées. Or, en réalité, votre gouvernement est en train de refourguer ses problèmes aux autres en excluant 180 000 personnes du chômage, en faisant la chasse aux malades, en réduisant le montant des pensions à tel point que certains vieilliront dans une précarité extrême avec une pension moyenne de 1 072 euros par mois. Que voulez-vous faire avec cela? En parallèle, ce sont les grandes villes qui vont trinquer, ce sont les CPAS qui vont devoir assumer certaines missions à votre place en accompagnant des personnes qui ont été exclues d'un système dont elles avaient le droit de bénéficier. Or vous n'assumez pas vos responsabilités. Les CPAS sont en train de licencier à cause des coupes que vous avez décidé d'opérer. Une de mes amies, Barbara, travaille dans un CPAS. Après 10 ans de travail, elle a été licenciée à quelques mois de l'exclusion des chômeurs. Les CPAS ne sont pas prêts à accueillir toutes ces personnes. Par conséquent, nous allons au-devant de très grandes difficultés, madame la ministre.

Anneleen Van Bossuyt:

Madame la présidente, je voudrais réagir. Madame Schlitz, si j'ai l'habitude que vous m'insultiez chaque fois que je prends la parole, je n'accepte pas du tout que vous insultiez mes collègues au sein du cabinet. Donc, vous pouvez m'insulter tout votre soûl, mais n'insultez pas des gens qui travaillent au quotidien avec sincérité! Voilà que vous riez, maintenant!

Sarah Schlitz:

Des gens qui travaillent avec sincérité pour exclure des personnes du chômage.

Anneleen Van Bossuyt:

J’ai l’habitude que vous m’insultiez. Insulter les gens, c'est ce que vous faites. Vous pouvez m'insulter, mais pas les gens qui travaillent dans mon cabinet. Merci.

De voorzitster : Nog een laatste woord, mevrouw Schlitz.

Sarah Schlitz:

Le dernier mot est au Parlement. Madame la ministre, je ne vous insulte pas, vous. Ce que je fais, c'est vous dire que les politiques que vous menez font le jeu du Vlaams Belang. C'est ce que je vous ai répondu la dernière fois. Est-ce que je vous insulte, vous? Regardez, ils se frottent les mains. Ils le savent. Qu'est-ce que je vous dis aujourd'hui? Qu'on dirait qu'en effet, vous êtes en train de faire en sorte avec vos équipes – vous ne travaillez pas toute seule – de rendre plus difficile le quotidien d'un certain nombre de personnes et de certains dirigeants au niveau wallon, au niveau des grandes villes en particulier. Voilà ce qui est en train de se passer. Ce n’est qu’un décryptage de la méthode politique que vous mettez en place. Et je n'insulte personne, madame la ministre. Je ne vous ai pas attaquée personnellement. Ce sont vos politiques que j'attaque et que je dénonce. De voorzitster : Misschien moeten we het laatste woord aan het Parlement laten, zoniet blijven we discussiëren. Ik denk niet dat jullie het met elkaar eens zullen worden.

De toegang tot zorg en de hygiënische omstandigheden in de Fedasilcentra

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De slechte leef- en gezondheidsomstandigheden in Fedasil-opvangcentra (overbevolking, gebrek aan medische opvolging, psychische noodsituaties) leidden tot kritische vragen over urgente oplossingen. Minister Van Bossuyt benadrukte bestaande medische basiszorg, versterkte vroege detectie van psychische problemen en infrastructuurprioriteiten, maar wees vooral op beheersing van instroom en versnelde doorstroom als structurele oplossing. Extra personeel (verplegers) en sanitaire upgrades zijn gepland, maar afhankelijk van samenwerking met de Régie des Bâtiments. Sarah Schlitz drong aan op concrete actie en dialoog, gezien de alarmerende getuigenissen en het belang van waardige omstandigheden voor asielzoekers.

Sarah Schlitz:

Monsieur la ministre, la situation dans les centres d’accueil Fedasil suscite une inquiétude croissante, non seulement sur le plan social mais également sur le plan sanitaire. La surcharge des structures entraîne une dégradation des conditions de vie: promiscuité, manque d’intimité, hygiène parfois insuffisante et difficultés d’accès aux soins de santé de première ligne.

Plusieurs témoignages font état de graves retards dans la prise en charge médicale, d’un manque criant de personnel soignant et d’une absence de suivi psychologique adapté pour des personnes souvent fragilisées par leur parcours migratoire. Des mineurs, des femmes enceintes, des personnes en situation de handicap ou encore des victimes de traumatismes ne reçoivent pas l’attention particulière que leur état de santé nécessiterait.

Cette réalité expose non seulement les demandeurs d’asile à des risques accrus en matière de santé physique et mentale, mais elle exerce également une pression considérable sur les équipes médicales présentes, déjà en sous-effectif et confrontées à des conditions de travail difficiles.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes:

Quelles mesures urgentes le gouvernement entend-il prendre pour garantir un accès effectif et rapide aux soins de santé dans les centres Fedasil, afin d’éviter que des pathologies mineures ne se transforment en situations graves faute de suivi médical adéquat?

Comment votre ministère compte-t-il répondre de manière spécifique à la crise de santé mentale dans les centres, où l’on constate une multiplication des cas de dépression, de stress post-traumatique et d’anxiété, aggravés par la promiscuité et l’incertitude prolongée du parcours d’asile?

Quelle concertation entretenez-vous avec votre collègue en charge de la Migration?

Enfin, des investissements spécifiques sont-ils prévus pour renforcer la présence de personnel médical et paramédical dans ces centres, ainsi que pour améliorer les infrastructures sanitaires, afin de garantir un environnement de vie digne et respectueux de la santé publique?

D’avance, je vous remercie.

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Schlitz, les membres du personnel des centres d'accueil de Fedasil accomplissent un excellent travail. Ils doivent – nous en convenons tous – faire face à des situations souvent difficiles. Chaque centre d'accueil dispose d'un bureau médical qui assure l'accueil des nouveaux arrivants, le triage et la gestion des rendez-vous auprès des prestataires de soins externes. En cas d'absence de l'équipe médicale ou de besoin de renforts, Fedasil fait appel à ses équipes mobiles ou à des infirmiers externes. À l'heure actuelle, il n'existe pas de liste d'attente pour les consultations auprès des infirmiers ou des médecins généralistes.

Par ailleurs, des activités de base sont organisées dans les centres, afin de réduire le stress et d'améliorer le bien-être général des résidents. L'Agence renforce également la détection précoce des problèmes psychiques afin d'orienter plus rapidement les personnes qui ont besoin d'un suivi thérapeutique. Je tiens toutefois à souligner que la meilleure façon de lutter durablement contre le stress lié à la surpopulation dans les centres est de réduire les flux d'entrée et d'accélérer les sorties. Cela permet de diminuer la pression sur le réseau d'accueil et sur le personnel. Le gouvernement s'y emploie pleinement à travers des mesures ciblées de maîtrise des flux et une politique de retour renforcée.

En ce qui concerne le personnel, Fedasil a élaboré un plan d'action pour améliorer le bien-être de ses équipes, y compris les infirmiers. L'arrêté royal publié par le SPF BOSA permettra en outre d'engager des infirmiers disposant d'une expérience spécifique au niveau B2 et B3.

Enfin, s'agissant des infrastructures, Fedasil met l'accent sur le principe de "fix the basics", soit la réalisation des projets les plus critiques, notamment ceux qui concernent les installations sanitaires. Environ 30 % des bâtiments dépendent de la Régie des Bâtiments, à laquelle les mêmes priorités et besoins ont été communiqués.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses, madame la ministre. Je pense toutefois que dans le cas présent, il faut être attentif au cri d'alerte qui a été lancé dans la presse par différents témoins. J'espère donc que vous prenez au sérieux les retours que vous recevez par rapport à cette situation et que des actions seront menées. J'entends qu'il y a une responsabilité de la Régie des Bâtiments, mais il est indispensable que les personnes soient dans les meilleures conditions. C'est essentiel pour leur parcours en Belgique. À titre personnel, mais aussi pour l'ensemble de la collectivité, j'espère que vous pourrez entrer en dialogue et faire en sorte que des améliorations puissent voir le jour dans les prochains mois. De voorzitster : De vragen nr. 56008991 en nr. 56009006 van de heer Vandemaele worden in schriftelijke vragen omgezet.

De illegale sigarettenfabrieken

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De illegale sigarettenproductie in België bereikt alarmerende niveaus, met 42 miljoen inbeslaggenomen sigaretten en 8 ontmantelde fabrieken in 2025 (waaronder een met een dagcapaciteit van 6 miljoen stuks), wat 153 miljoen euro accijnsverlies veroorzaakt. Criminele netwerken verschuiven hun activiteiten van Limburg naar Oost-Vlaanderen, Henegouwen en West-Vlaanderen, gebruikmakend van leegstand en zwakke lokale handhaving, en opereren vaak binnen bredere polycriminele structuren (drugs, mensenhandel, witwassen), hoewel vervolging meestal per delict verloopt. Samenwerking tussen douane, politie en Europol is structureel (via kaderovereenkomsten en verbindingsofficieren in Roemenië/Moldavië), maar operationele acties blijven ad hoc; EU-burgers worden niet systematisch gemeld aan de DVZ, in tegenstelling tot niet-EU’ers. Preventie (monitoring energieverbruik, logistiek) en grensoverschrijdende coördinatie (met VK, Frankrijk, Nederland, Duitsland) blijven onderbelicht, terwijl Europol een sleutelrol moet spelen om de financiële en gezondheidsschade te bestrijden.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, recent vonden er gecoördineerde actiedagen plaats van de douane, in samenwerking met de politiediensten. Die acties hebben de ernstige omvang van de illegale sigarettenproductie in ons land aangetoond. Tijdens de operatie werden drie productiesites ontmanteld in Ledegem, Merksem en Oostkamp, waarbij 42 miljoen sigaretten in beslag werden genomen en 47 personen werden gearresteerd. De fabriek in Ledegem had een capaciteit van 6 miljoen sigaretten per dag. Begin oktober werd een andere fabriek ontdekt in Grembergen, wat het totaal aantal ontmantelde fabrieken in 2025 op acht brengt. In 2024 werd een recordaantal van twaalf illegale fabrieken stilgelegd, tegenover 29 in 2021. In 2023 nam de douane bijna 308 miljoen sigaretten in beslag, goed voor een geschat verlies van 153 miljoen euro aan accijnzen en btw.

De geografische spreiding van de fabrieken is eveneens zorgwekkend. Terwijl ze vroeger vooral in Limburg werden ontdekt, verplaatsen criminele netwerken hun activiteiten nu ook naar andere provincies, met een toename in Oost-Vlaanderen, Henegouwen, Namen en recent ook West-Vlaanderen. Die verbreding suggereert dat organisaties hun werkterrein bewust spreiden om opsporingsdruk te ontwijken.

Hoe verloopt de samenwerking tussen federale politie, douane en de Bijzondere Belastinginspectie? Bestaat er een structureel protocol voor die samenwerking?

Hoe verklaart u de geografische verschuiving van ontmantelingen? In welke mate spelen leegstand, bedrijventerreinen, transportknooppunten en lokale handhavencapaciteit daarin een rol?

Welke bilaterale politie- en douanesamenwerking bestaat er met Polen, Litouwen, Oekraïne, Roemenië en Moldavië, gezien het aantal uit die landen afkomstig aangehouden personen?

Daarnaast is het belangrijk te weten of er aanwijzingen zijn dat de Belgische productiefaciliteiten ingebed zijn in bredere criminele netwerken, bijvoorbeeld op het vlak van drugshandel, mensen- en wapensmokkel of witwassen. Worden die netwerken integraal aangepakt of worden tabaksdelicten afzonderlijk vervolgd?

Als het burgers betrof van buiten de Schengenzone of buiten de Europese Unie, werden die dossiers overgezonden aan de Dienst Vreemdelingenzaken. Wat gebeurt er met overtredingen door EU-burgers?

Welke preventieve detectiemechanismen worden ingezet, zoals monitoring van aankoopmachines, tabak, energieverbruik en logistieke patronen?

Bestaan er afspraken met de verhuursector om verdachte verhuringen te signaleren?

Ten slotte, de productie in België is vaak exportgericht naar het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Duitsland. Welke grensoverschrijdende operaties worden gecoördineerd met politiediensten uit die landen?

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, vooreerst, de controle op illegale handel en de handhaving van de verkoopregels voor tabaksproducten is een bevoegdheid van de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen. Sinds 2012 bestaat er een kaderovereenkomst tussen de federale politie en de douane die structurele samenwerking mogelijk maakt op het vlak van onder meer informatie-uitwisseling, gezamenlijke risicoanalyse en opleiding. Illegale sigarettenfabrieken doken onder andere op op leegstaane bedrijfssites in Limburg, Luik, Eupen, Brussel, Antwerpen en Oost-Vlaanderen.

De uitwisseling van politionele informatie met Polen, Litouwen, Roemenië, Oekraïne en Moldavië verloopt voornamelijk via het Europolkanaal. Elk van die landen beschikt over een vertegenwoordiging op het hoofdkwartier van Europol in Den Haag. De Belgische desk bestaat uit vertegenwoordigers van de politie en de douane.

Daarnaast beschikt de federale politie over een verbindingsofficier in Boekarest, die ook geaccrediteerd is voor Moldavië en Oekraïne. De internationale informatie-uitwisseling verloopt via gescheiden kanalen: politiediensten communiceren enkel met buitenlandse politiediensten en de douane enkel met hun buitenlandse tegenhangers.

De operationele samenwerking met de douane gebeurt ad hoc per dossier. Er zijn aanwijzingen van polycriminele netwerken die zich onder meer bezighouden met mensenhandel, tewerkstelling van personen in illegaal verblijf en witwassen. Waar relevant, wordt geïntegreerd opgetreden en worden onderzoek en interventie gecoördineerd.

Personen zonder geldige documenten worden, conform artikel 21 van de wet op het politieambt, altijd ter beschikking gesteld van de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ). Voor de preventieve detectie en grensoverschrijdende operaties verwijs ik graag naar de minister van Financiën.

Maaike De Vreese:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw zo volledig mogelijk antwoord. Ik besef dat u hiervoor niet alleen bevoegd bent en dat de douane ook een belangrijke rol speelt. Overigens, mijn hoed af voor de mensen van de douane, die voor heel wat aangelegenheden bevoegd zijn en heel veel wetgeving tot in de details moeten kennen. Het is ongelooflijk wat ze doen. Er is een niet onaanzienlijke taak weggelegd voor Europol, zeker gelet op het feit dat de verliezen van accijnzen en btw 153 miljoen euro bedragen, om nog maar te zwijgen over de impact op de volksgezondheid. Kortom, het moet voor de verschillende diensten een prioriteit blijven om de illegale sigarettenfabrieken te ontmantelen. De regering moet daar hard tegen optreden.

Zorgverleners die ondanks een schrapping in het buitenland in België actief zijn
De geschrapte buitenlandse artsen
Het gebruik van het IMI-systeem voor het toezicht op buitenlandse zorgverleners
Practitioners die in België werken ondanks een beroepsverbod of sancties in het buitenland
Geschorste en geschrapte buitenlandse zorgverleners en het falende controlesysteem
Artsen die ondanks een schrapping in het buitenland in België praktiseren
Buitenlandse zorgverleners met sancties actief in België en controlesystemen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de ontoereikende controle op buitenlandse zorgverleners in België, die ondanks schorsingen of intrekkingen in andere EU-landen hier ongestoord blijven werken door gaten in het Europese waarschuwingssysteem (IMI) en gebrek aan automatische synchronisatie met Belgische registers (RIZIV, Orde der Artsen). Minister Vandenbroucke kondigt versterkte bevoegdheden voor de Federale Toezichtcommissie (snellere procedures, boetes, meldplicht werkgevers), automatische schorsing van RIZIV-nummers bij beroepsverboden en een nieuwe zoekmotor (HealthPro, 2026) aan, maar ontbeert concrete timing en wijst op juridische beperkingen (privacywetgeving) voor een publiek register van gesanctioneerde zorgverleners. Kritiekpunten zijn het ontbreken van systematische opvolging van IMI-meldingen, gebrek aan transparantie (vs. UK-model) en dubbele standaarden (strenge quota voor Belgische studenten vs. soepele toelating buitenlanders). De minister belooft Europese druk voor betere IMI-harmonisatie, maar parlementsleden eisen snellere, waterdichte maatregelen en een onafhankelijk audit.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, uit een Europees onderzoek blijkt dat dokters die in een ander Europees land hun licentie kwijtspeelden na ernstige feiten, zoals slecht medisch handelen, seksueel misbruik of fraude, zich toch nog gemakkelijk in België kunnen vestigen en hier nog steeds patiënten kunnen behandelen.

Helaas zijn er geen exacte cijfers bekend over het aantal gevallen in België. Wel blijkt uit cijfers van de Federale Toezichtscommissie dat sinds 2023 reeds 113 keer het visum van een zorgverstrekker werd ingetrokken, al is niet helemaal duidelijk waarom dat precies gebeurde. Belangenorganisaties klagen dan ook aan dat er te weinig transparantie bestaat. Vandaar mijn vragen.

U pleit ervoor om de bevoegdheden van de Federale Toezichtscommissie uit te breiden, met meer sanctiemogelijkheden, meer armslag bij inspecties en de verplichting voor werkgevers om snel te melden wanneer een zorgverstrekker wordt ontslagen, omdat hij of zij een gevaar vormde voor patiënten. Hoe zult u dat concreet realiseren? Welke sanctiemogelijkheden hebt u op het oog? Aan welke timing denkt u?

Die maatregelen hebben natuurlijk betrekking op het voorkomen van toekomstige onregelmatigheden, maar ze bieden geen oplossing voor het probleem van artsen die vandaag al een schorsing hebben opgelopen en nog in België werkzaam zijn. Welke maatregelen zult u nemen om die artsen te controleren?

Uit de berichtgeving bleek bijvoorbeeld dat er geen synchronisatie bestaat tussen het IMI-systeem en de eigen lijst van erkende artsen. De meldingen in het IMI-systeem worden bovendien niet systematisch onderzocht of toegepast. Hoe zult u die lacune aanpakken en wanneer mogen we daarvan resultaten verwachten?

Hoe kijkt u naar voorbeelden uit het Verenigd Koninkrijk, zoals het General Medical Councilregister? Dat systeem biedt transparantie over tuchtmaatregelen die aan zorgverstrekkers worden opgelegd. Ziet u een dergelijk systeem als toepasbaar in de Belgische of Europese context?

Op welke manier zult u het recht op privacy van de artsen enerzijds afwegen tegen het recht van de patiënten op veilige en kwaliteitsvolle zorg anderzijds?

Voorzitter:

Mevrouw De Knop, ik stel voor dat u op het einde aansluit. We waren immers stipt op tijd begonnen, zoals we meestal doen, en u was te laat.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik heb eerder al een aantal vragen gesteld over de instroom van buitenlandse artsen en tandartsen. Nu richt ik mij op het Europese waarschuwingssysteem, het informatiesysteem interne markt, het IMI-systeem, dat nogal wat tekortkomingen vertoont.

Met dat waarschuwingssysteem waarschuwen lidstaten elkaar wanneer zorgverleners in hun land zouden zijn geschrapt, althans dat is de bedoeling. Hoe gebruiken de FOD Volksgezondheid en de Federale Toezichtscommissie momenteel het IMI-systeem om controle uit te oefenen op de dossiers van buitenlandse zorgverleners die in ons land willen werken? Welke concrete maatregelen werden er genomen om te garanderen dat de waarschuwingen uit het IMI-systeem systematisch leiden tot correcte registratieopvolging en, indien nodig, tot schorsing van zorgverleners in België? Overweegt u eventueel om de koppeling tussen het IMI en de nationale registers te automatiseren, zodat waarschuwingen in de toekomst niet meer over het hoofd kunnen worden gezien? Hoeveel waarschuwingen heeft België sinds de opstart van het IMI-systeem zelf verstuurd en volgens welke criteria gebeurt dat?

Zoals mijn collega al zei, zijn in landen zoals het Verenigd Koninkrijk tuchtmaatregelen en schrappingen publiek raadpleegbaar. Acht u meer transparantie in België wenselijk, zodat patiënten kunnen weten of een arts of een andere zorgverlener eerder een sanctie kreeg en bent u bereid om daartoe stappen te nemen?

Voorzitter:

Mevrouw Ramlot is afwezig.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, uit het internationaal onderzoek ‘Bad Practice’ blijkt dat er in België steeds meer buitenlandse zorgverleners actief zijn, maar dat de controle daarop ernstige lacunes vertoont. Zelfs artsen, tandartsen en psychotherapeuten die in andere landen definitief geschorst of geschrapt werden wegens seksueel misbruik, fraude of medische fouten, kunnen in België ongestoord verder werken. Hoewel er sinds 2016 een Europees waarschuwingssysteem bestaat, het IMI, wordt dat onvoldoende gebruikt of opgevolgd. België stuurde al waarschuwingen uit, maar omgekeerd worden inkomende meldingen vaak niet systematisch verwerkt of toegepast.

Daardoor blijven gesanctioneerde zorgverleners in de registers staan van de Orde der artsen, het RIZIV en Volksgezondheid. De Orde der artsen en beroepsverenigingen wijzen op een gebrek aan synchronisatie en op de moeilijkheid om de overvloed aan data te verwerken. Het Vlaams Patiëntenplatform waarschuwt dat patiënten daardoor onnodige risico’s lopen en dringt aan op sluitende garanties en meer transparantie. U kondigde intussen maatregelen aan, zoals de uitbreiding van de bevoegdheden van de Federale Toezichtcommissie. In het regeerakkoord is het opsporen van fraude en misbruik binnen de gezondheidszorg en de sociale zekerheid in het algemeen bovendien een belangrijke doelstelling.

Tot op heden hebben we daar echter weinig tot geen initiatieven rond gezien. Erger nog, bestaande instrumenten om fraude en misbruik te detecteren en tegen te gaan, blijken na meer dan tien jaar nog steeds niet te functioneren. Het Europese waarschuwingssysteem IMI, waarnaar in het onderzoek wordt verwezen, vertoont na al die jaren nog steeds grote hiaten, waardoor geschorste en zelfs geschrapte zorgverleners hun praktijk doodleuk kunnen verderzetten.

Dat staat in schril contrast met de manier waarop coronacritici onmiddellijk voor de Orde der artsen of zelfs de rechtbank moeten verschijnen en geschorst worden vanwege een andere mening of andere, en misschien wel betere, therapieën. Verder kan het ook niet de bedoeling zijn om steeds meer buitenlandse artsen en tandartsen hier een RIZIV-nummer toe te kennen, terwijl onze studenten geneeskunde moeten voldoen aan een ingangsexamen en opgelegde quota.

Mijn vragen daarover, mijnheer de minister, zijn de volgende.

Hoeveel geschorste zorgverleners zijn momenteel werkzaam in België? Waarom wordt de informatie uit het Europese waarschuwingssysteem vandaag niet systematisch geïntegreerd in de Belgische registers? Hoe evalueert België het functioneren van het IMI-systeem sinds de invoering in 2016?

Welke garanties bestaan er momenteel voor patiënten dat zij niet in behandeling komen bij een zorgverlener die in een ander land uit het beroep gezet werd? Welke concrete stappen zullen worden genomen om het risico voor patiënten te beperken zolang er nog lacunes bestaan in het IMI-systeem of de opvolging ervan?

Overweegt u, mijnheer de minister, meer transparantie voor de patiënten, bijvoorbeeld via een publiek toegankelijke lijst van gesanctioneerde zorgverleners in België en de Europese Unie, naar het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk? Wanneer zal de uitbreiding van de bevoegdheden van de Federale Toezichtcommissie concreet van kracht worden en in welke bijkomende sanctiemogelijkheden voorziet u voor dergelijke gevallen?

François De Smet:

L’enquête internationale "Bad Practice", menée par le quotidien belge De Tijd avec des rédactions issues de 44 pays vient de révéler que des soignants qui ont perdu leur agrément dans un autre pays européen à la suite de faits graves, tels que des fautes médicales ou des violences sexuelles, peuvent ainsi encore consulter des patients en Belgique. Ceux-ci sont ainsi enregistrés en Belgique à l'Ordre des médecins, au SPF Santé publique et à l'Institut national d'assurance maladie-invalidité (Inami).

Selon l’Ordre des médecins, le système européen d'information du marché intérieur (IMI) n'est en pratique pas utilisé de manière optimale et il n’existe pas de synchronisation entre l'infrastructure de l'IMI et sa propre liste de médecins agréés.

Par ailleurs, il appert que les signalements de l'IMI ne sont pas non plus systématiquement examinés ou appliqués.

Enfin, l’Ordre des médecins met en évidence être juridiquement contraint par la législation, qui ne lui permet pas de "juger" un médecin une seconde fois. S’il est en mesure de refuser d’inscrire un praticien condamné et radié de l’Ordre à l’étranger, il lui est difficile de le radier lorsqu’il est déjà inscrit en Belgique.

En réponse à cette enquête, vous avez appelé à mettre en place de "mécanismes de contrôle" et à la détermination "d'un cadre clair dans lequel chaque praticien peut et doit exercer".

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir si il confirme l’ampleur du problème posé par l’enquête?

Quelles sont les mesures à caractère conjoncturel puis structurel qu’il entend prendre pour lutter contre ce phénomène qui est difficilement admissible sur le plan sociétal?

Irina De Knop:

Dank u, mijnheer de voorzitter. Excuseer me dat ik twee minuten te laat was, maar de commissiezaal was gewijzigd. Ik zal dat voor de toekomst noteren. Zeker als u voorzitter bent, zal het ongetwijfeld punctueel verlopen en de minister zal dan ook steeds stipt aanwezig zijn. We zullen dat onthouden.

Mijnheer de minister, uit een grootschalig internationaal onderzoeksproject, waarbij ook Belgische media betrokken waren, blijkt dat artsen, tandartsen en psychotherapeuten die in een andere lidstaat hun erkenning kwijtspeelden soms zonder problemen in ons land aan de slag blijven. Voorbeelden tonen aan dat zorgverleners die in Zweden, Nederland, Frankrijk of Zwitserland geschorst of veroordeeld werden, hier een actief RIZIV-nummer behouden, erkend blijven door de Orde der artsen of zelfs een praktijk blijven uitbaten.

Er werd reeds herhaaldelijk verwezen naar het Europese IMI-waarschuwingssysteem, dat sinds 2016 net dit soort situaties moet voorkomen. In de praktijk blijkt dat systeem echter niet sluitend te werken. Sommige lidstaten zouden amper waarschuwingen delen, andere wel, maar de opvolging blijft uit. We vernamen dat België sinds 2016 314 warnings verstuurde, maar blijkbaar ook signalen ontving over personen die hier toch onbelemmerd actief bleven. In dat licht heb ik een aantal vragen voor u.

Hoe beoordeelt u het feit dat zorgverleners die in andere EU-landen uit het beroep werden gezet, in België toch verder kunnen werken zonder automatische schorsing of controle?

Hoe wordt de informatie uit het IMI-systeem vandaag opgevolgd? Wordt elke ontvangen waarschuwing ook daadwerkelijk onderzocht?

Zult u een onderzoek instellen om te bepalen welke artsen en zorgverleners in ons land actief zijn die in hun eigen of in andere landen hun licentie verloren wegens ernstige feiten en zult u daarbij ook hun RIZIV-nummer intrekken? Wat zijn volgens u de grootste lacunes in het huidige Europese waarschuwingssysteem en welke landen zijn, naar uw mening, opvallend nalatig in het delen van alerts?

Zult u het probleem met het Europees waarschuwingssysteem ook aankaarten op Europees niveau? Volstaat het volgens u dat landen het systeem actief voeden met meldingen over zorgverleners die hun licentie verliezen of zou u willen pleiten voor een verplicht en transparanter tucht- en meldingskader op EU-niveau?

We weten dat Europese maatregelen altijd lang op zich laten wachten, vandaar dat we graag willen vernemen welke extra initiatieven u zelf zult nemen om te voorkomen dat dergelijke wanpraktijken in de toekomst nog kunnen plaatsvinden, in afwachting van betere en meer sluitende Europese regelgeving. Dank u wel.

Voorzitter:

Het is een actualiteitsdebat. Zijn er nog collega's van andere fracties die geen vraag hebben gesteld en toch willen aansluiten? Zo niet, geef ik het woord aan de minister.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, ik heb kennisgenomen van het onderzoek van een Europese journalistenvereniging waarmee De Tijd verbonden is.

Ik heb momenteel geen indicatie dat het zou gaan om een grootschalige reeks inbreuken. Dat weet ik niet, maar elke inbreuk is uiteraard een probleem. Ik wil er evenwel op wijzen dat er vandaag al veel maatregelen bestaan om zorgverleners te controleren en patiënten te beschermen. Zo moet men een aantal stappen doorlopen om een diploma te laten homologeren en bij elke visumaanvraag wordt een uittreksel uit het strafregister en een certificaat van professioneel gedrag gevraagd. Dat certificaat van professioneel gedrag – in het Engels certificate of current professional status – mag niet ouder zijn dan drie maanden en moet worden afgeleverd door een bevoegde autoriteit. Dat kan een ministerie, een andere overheidsinstantie of een orde zijn.

Bij vermoedens van inbreuken of bij twijfel wordt de nodige informatie opgevraagd bij de lidstaat van herkomst en wordt het IMI-systeem geraadpleegd. We pleiten binnen de Europese Unie voor een betere integratie en harmonisering van dat systeem. Belangrijk is dat het niet alleen kan worden gebruikt bij visumaanvragen, maar dat ook elke bevoegde autoriteit – de Federale Toezichtcommissie, het parket enzovoort – kennis kan nemen van IMI-waarschuwingen en die binnen de eigen bevoegdheid kan opvolgen.

Overigens wil ik daaraan toevoegen dat als een burger – of het nu gaat om een patiënt, een collega-zorgverlener of een derde, zoals een journalist – een vermoeden heeft van ongepast gedrag, het aangewezen is om dat onmiddellijk te melden aan de bevoegde instanties.

Ik wil ook verduidelijken dat het professionele gedrag, dus het certificate of current professional status , voor Europese beoefenaars sinds 2024 rechtstreeks door de FOD Volksgezondheid wordt gecontroleerd. Sinds de invoering van de taalvereisten is beslist om dat certificaat samen op te vragen met het bewijs van taalkennis. Voorheen waren het de gemeenschappen die deze specifieke controle uitvoerden en ons op de hoogte stelden wanneer een inbreuk werd ontdekt. Voor niet-Europese beoefenaars kan IMI overigens niet worden gebruikt, maar zij moeten wel dezelfde attesten en diplomavoorwaarden voorleggen.

Ik zet ook de verdere plannen uiteen. In de wet op de hervorming van de gezondheidszorg zal worden bepaald dat het RIZIV-nummer automatisch wordt opgeschort wanneer er een beroepsverbod geldt, hetzij wegens intrekking of schorsing van het visum door de Federale Toezichtcommissie, hetzij wegens een deontologische sanctie door de Orde der artsen of de Orde der Apothekers.

Laat het duidelijk zijn, een zorgverlener die zonder visum zorg verleent, maakt zich schuldig aan illegale praktijkvoering. Dit is strafbaar en wordt gemeld bij het parket, zodat strafrechtelijke vervolging mogelijk is.

U weet waarom wij het belangrijk vinden om de schorsing van het RIZIV-nummer daaraan te koppelen. Voor de zorgverlener in kwestie wordt het dan onmogelijk om nog aan te rekenen aan de verplichte ziekteverzekering. Daarnaast zal de zorgverlener, op basis van het nieuwe wetsontwerp, een meldingsplicht hebben over zijn of haar status bij de patiënt. Opschortingen van het RIZIV-nummer zullen bovendien op de RIZIV-website worden vermeld. Tot daar de procedures die we in België hebben en die we nog zullen invoeren.

De belangrijkste problemen met het Europese waarschuwingssysteem zijn momenteel de volgende: ten eerste, het IMI-systeem signaleert alleen definitieve beslissingen die geheel of gedeeltelijk een beroepsverbod opleggen. Andere beslissingen die geen beroepsverbod met zich meebrengen, ontsnappen hierdoor aan het systeem, bijvoorbeeld veroordelingen wegens fraude.

Ten tweede, het IMI-systeem signaleert bovendien geen lopende procedures, procedures waarvoor nog geen definitieve beslissing is genomen. Een lopende procedure is dus ook niet terug te vinden. Zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen over een schorsing of intrekking van een beroepstitel, wordt deze informatie niet of te laat in het IMI-systeem ingegeven of openbaar gemaakt.

Ten derde, de meldingen in het IMI-systeem bevatten weinig tot geen informatie over de redenen voor het opleggen van een beroepsverbod. Het is daarom noodzakelijk dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de inhoud van deze beslissingen meedelen en naar de verzoekende autoriteit doorsturen.

Ten vierde, in sommige landen wordt het IMI-systeem niet regelmatig bijgewerkt of besluiten de autoriteiten om toch geen beroepsverbod op te leggen aan gezondheidszorgbeoefenaars op hun grondgebied. Een harmonisatie op EU-niveau van de redenen om een beroepsverbod op te leggen zou dus nuttig zijn.

Ten vijfde, het ontbreken van een koppeling tussen de nationale databanken en het IMI-systeem bemoeilijkt het detecteren van outliers tussen de honderden tot duizenden alerts per jaar. Dit gebeurt niet automatisch en moet telkens geval per geval worden geanalyseerd.

Tijdens de vorige legislatuur heb ik in het kader van het Belgische EU-voorzitterschap bij de Europese Commissie al gepleit voor een strenger en duidelijker systeem binnen het IMI-platform. De vastgestelde lacunes blijven echter bestaan. Ik zal het probleem opnieuw onder de aandacht brengen van de Europese Commissie en het formeel aankaarten in een brief aan de directeur-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Europese Commissie. Een gecoördineerde aanpak op Europees niveau blijft absoluut noodzakelijk als we efficiënt en transparant willen werken.

Ik heb al opgemerkt dat procedures moeten worden doorlopen om het visum te verkrijgen. Wanneer de visumaanvraag onvolledig is of wordt geweigerd, is er geen toegang tot het beroep en kan de betrokkene het beroep niet legaal uitoefenen. Bovendien kan de Toezichtcommissie passende maatregelen opleggen, zoals het schorsen of volledig intrekken van het visum van een zorgverstrekker. Ik herhaal dat de schorsing van het visum ook automatisch tot de schorsing van het RIZIV-nummer leidt. Dat is opgenomen in het ontwerp van de hervormingswet. Overigens maken de bevoegde Belgische administraties van dergelijke beslissingen en feiten steeds melding in het IMI-systeem.

Er werd ook gevraagd naar de versterking van de bevoegdheden van de federale Toezichtcommissie. Die versterking is tijdens de vorige legislatuur gebeurd. Ik verwijs naar de bevoegdheid om maatregelen op te leggen aan gezondheidszorgbeoefenaars die niet voldoen aan de kwaliteitscriteria of die beroepsongeschikt worden verklaard. Die maatregelen kunnen variëren van een waarschuwing tot de definitieve intrekking van de machtiging om het beroep uit te oefenen.

Ik wil de bevoegdheden van de Toezichtcommissie nu nog meer versterken via een nieuw wetsontwerp dat drie zaken beoogt. Ten eerste, de procedures van de Federale Toezichtcommissie worden versneld en de controlebevoegdheden van de commissie en van de inspecteurs worden uitgebreid tot alle wetgeving die de uitoefening van de gezondheidsberoepen regelt. Het gaat daarbij om de Kwaliteitswet, de WUG-wet en ook de wet op de esthetische heelkunde.

Ten tweede, de sancties in het nieuwe wetsontwerp worden uitgebreid. In geval van inbreuk op dat wettelijk kader zal de mogelijkheid bestaan om administratieve geldboeten op te leggen, indien er geen vervolging is door het parket.

Ten derde, elke werkgever die een maatregel moet noemen om een zorgverstrekker wiens beroepsuitoefening patiënten aan ernstig gevaar blootstelt te ontslaan, uit zijn ambt te ontzetten of te schorsen, moet dat onverwijld melden aan de Toezichtcommissie.

Dat zijn drie elementen die ik in het nieuwe wetsontwerp wil opnemen om de Federale Toezichtcommissie te versterken.

Er waren vragen over de synchronisatie tussen het IMI-systeem en de eigen lijst van erkende artsen. Laat mij verduidelijken dat het IMI-systeem geen databank is, maar een communicatiesysteem tussen de bevoegde autoriteiten, die als enige over de gegevens van de gezondheidszorgbeoefenaars beschikken. Het gaat dus niet om het synchroniseren van databanken, het gaat wel om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten de databanken correct gebruiken om met elkaar te communiceren.

Er werd gevraagd of inspiratie kan worden gehaald uit het Verenigd Koninkrijk. De federale databank van de bevoegde beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen, het zogenaamde kadaster, is online toegankelijk. Ik ben van plan om deze gegevens ook beschikbaar te stellen via een nieuwe, gebruiksvriendelijke zoekmotor, HealthPro. Deze zoekmotor zal alle actieve zorgverleners in België tonen, inclusief hun werkadres en informatie zoals hun conventiestatus en openingsuren. Burgers kunnen zo eenvoudig zorgverleners in de buurt opzoeken en actuele informatie verkrijgen. HealthPro wordt in 2026 gelanceerd.

Bij de huidige stand van de wetgeving en in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Gegevensbeschermingsautoriteit is het evenwel niet mogelijk om een zwarte lijst te publiceren van zorgverleners die een beroepsverbod zouden hebben gekregen. Het invoeren van een zogenaamde zwarte lijst zou namelijk een schending kunnen vormen van het recht op bescherming van persoonsgegevens en van het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ons doel blijft het garanderen van kwaliteitsvolle zorg voor elke patiënt en het beschermen van de belangen en rechten van elke patiënt. Dit moet evident zijn voor elke zorgverstrekker in ons land en daarbuiten, ongeacht de nationaliteit.

Daarom is het des te belangrijker om controlemechanismen in te bouwen en een duidelijk kader te creëren waarin elke zorgbeoefenaar kan en moet werken. Dit garandeert de kwaliteit van de zorg waaraan elke zorgverlener moet voldoen en beschermt de rechten van de patiënt en, bij uitbreiding, de rechten van diens familie beter.

De controle in IMI wordt toegepast in de context van aanvragen tot vestiging van het beroep, met name de aanvraag van een visum. Zoals gezegd kan bovendien elke bevoegde autoriteit – het parket, de Toezichtcommissie enzovoort – kennisnemen van IMI-waarschuwingen en deze opvolgen, binnen de eigen bevoegdheid.

Het IMI is ontworpen als een uitwisselingsplatform tussen lidstaten, niet als een centrale databank. Elke lidstaat blijft verantwoordelijk voor de verwerking van de gegevens die hij ontvangt of verzendt via het IMI. In België worden gegevens uit het IMI geëvalueerd en, indien relevant, geïntegreerd in de federale databank van gezondheidszorgberoepen, ook het kadaster genoemd. Dat fungeert als authentieke bron voor het bepalen van de bevoegdheid om een beroep uit te oefenen. De verwerking gebeurt conform de wet van 10 mei 2015 en onder toezicht van de Data Protection Officer.

Wanneer de betrokken persoon een officiële aanvraag indient om in België te mogen werken, bijvoorbeeld via een visumaanvraag of een erkenningsprocedure, is het wettelijk toegestaan om zijn of haar gegevens op te nemen in eCad, het elektronische kadaster. Enige waakzaamheid blijft echter geboden, want een automatische koppeling tussen IMI en eCad, zonder juridische filter, zou tot problemen kunnen leiden. Ten eerste kan dat leiden tot de opslag van niet-relevante of niet-toegestane gegevens. Ten tweede bestaat het risico op sancties wegens niet-naleving van de GDPR.

Een volledige automatisering van de koppeling tussen IMI en nationale registers dient zorgvuldig te worden onderzocht, meer bepaald om na te gaan hoe de verwerking van waarschuwingen uit IMI efficiënter en veiliger kan verlopen binnen het bestaande juridische kader. Dat vereist een zorgvuldige afweging tussen efficiëntie, rechtszekerheid en gegevensbescherming. Dat moet zeker ook op Europees niveau worden bekeken.

Wat de cijfers betreft, België heeft 304 signaleringen in het IMI opgenomen. Dat ligt ruim boven het Europese gemiddelde. Het gaat in elk geval om definitieve beslissingen van de beroepsordes, bijvoorbeeld van artsen of apothekers, of van de Federale Toezichtcommissie, die de toelating tot het uitoefenen van een gezondheidszorgberoep geheel of gedeeltelijk hebben ingetrokken.

Wat wil ik nu in termen van wetgevende initiatieven nog voorleggen? Ten eerste is in het kader van de hervormingswet voorzien dat het RIZIV-nummer automatisch wordt opgeschort indien er een beroepsverbod geldt wegens de intrekking of schorsing van het visum door de Federale Toezichtcommissie, of wegens een deontologische sanctie door de Orde der artsen of de Orde der Apothekers.

Ten tweede bereiden we een wetsontwerp voor om de bevoegdheden van de Toezichtcommissie verder te versterken door aanpassingen in de kwaliteitswet. Het advies van de Raad van State over het voorontwerp en dat van de Gegevensbeschermingsautoriteit worden momenteel geanalyseerd.

Naast die twee nieuwe legistieke kaders lanceer ik in 2026, zoals reeds vermeld, een nieuwe, gebruiksvriendelijke zoekmotor: HealthPro.

Tot slot zal ik met een brief aan de Europese Commissie pleiten voor een duidelijker en geharmoniseerd systeem binnen het IMI-platform. Die brief wordt zo spoedig mogelijk voorbereid, zodat we de Europese Commissie kunnen aangeven in welke richting wij de ontwikkeling van het beleid willen zien evolueren.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het omstandige antwoord en de acties die u neemt, maar een aantal zaken zijn mij nog niet helemaal duidelijk.

Ten eerste, de versterking van de Federale Toezichtcommissie. U hebt heel goed uitgelegd hoe u dat ziet en op welke manier, maar de timing hebt u daarbij niet genoemd, terwijl ik dat wel gevraagd had.

Voorts begrijp ik dat het IMI-systeem geen centrale databank is, maar een messaging queue die signalen geeft, die vervolgens moeten worden opgepikt. Wat uit uw antwoord niet helemaal duidelijk is, is in welke mate u garandeert dat elk signaal dat uit het IMI komt door ons wordt opgepikt en vervolgens om een aantal redenen misschien niet verder in ons eigen systeem wordt verwerkt, bijvoorbeeld om redenen van dataprivacy. Zegt u soms dat er vandaag al signalen zijn die wij zelfs niet bekijken en die niet verwerkt worden? Dat is mij niet helemaal duidelijk. Uit de berichtgeving meen ik het laatste te begrijpen. Uw antwoord bevestigt dat niet, maar u ontkent het ook niet echt. Graag nog enige duiding daarbij.

U zegt ook terecht dat in het IMI alleen uiteindelijke veroordelingen staan. Mijn vraag is dan of het wenselijk is dat wij zelf of op Europees niveau lopende procedures voor de gebruikers zichtbaar maken. Ik denk dat het voor de gevallen die in de pers waren zeker wenselijk is, want het gaat om procedures waarvan de finaliteit vrij duidelijk is, maar die om administratieve en juridisch-technische redenen nog aanslepen, terwijl er toch duidelijk een beroepsverbod zou moeten komen.

Over uw zoekmotor HealthPro zegt u dat er geen zwarte lijst kan worden opgesteld, maar ik mag toch aannemen dat mensen met een beroepsverbod niet meer uit de zoekmotor naar voren zullen komen? Is er indirect toch ergens een zwarte lijst? Men kan namelijk zoeken of een bepaalde zorgverstrekker nog een vergunning heeft en die vindt men dan niet terug.

Frieda Gijbels:

Er zijn inderdaad een aantal stappen die zorgverstrekkers met een buitenlands diploma moeten doorlopen om hier van start te kunnen gaan, maar ik blijf wel met de vraag zitten in hoeverre die stappen grondig worden genomen en onderzocht. Bij de visumaanvraag wordt een uittreksel uit het strafregister gevraagd, evenals een certificaat van goed professioneel gedrag. Ik vraag mij echter af of die documenten ook effectief op echtheid worden gecontroleerd. Wordt telkens nagegaan of ze authentiek zijn, en gebeurt dat ook systematisch met eventuele meldingen in het IMI-systeem? Dat is mij, zoals mijn collega ook aangaf, niet helemaal duidelijk. De fouten die er blijkbaar toch zijn, waar gebeuren die precies?

U geeft aan dat alleen de definitieve beslissingen in het IMI-systeem worden opgenomen. Dat begrijp ik wel, want zolang iemand niet veroordeeld is, is het moeilijk om daarover al informatie te delen. Anderzijds lijkt het mij wel belangrijk dat er, zodra een beslissing of veroordeling wel definitief is, een actieve melding gebeurt aan het land waar die zorgverstrekker actief is, zodat daar de juiste maatregelen kunnen worden genomen.

Ik vraag mij dus af of er daar niet nog mogelijkheden zijn om het systeem waterdichter te maken. In theorie is het waarschuwingssysteem IMI uiteraard een goed instrument, maar het moet wel door iedereen consequent en op de juiste manier gebruikt worden. Het moet aan de ene kant gevoed, maar aan de andere kant ook geraadpleegd worden. Op welke manier kunnen we dat in de toekomst garanderen? Ik vind het goed dat u daarvoor op Europees niveau aan de alarmbel trekt, maar hoe kunnen we ervoor zorgen dat het systeem sluitender wordt en dat het effectief ook zo zal werken?

Ik wil er ook op aandringen streng te zijn voor mensen die met een buitenlands diploma naar hier komen, onder meer omdat zij niet vallen binnen het beperkte contingent aan RIZIV-nummers en er voor hen altijd een nummer beschikbaar is, terwijl we voor onze eigen studenten zo streng zijn en zoveel eisen opleggen vooraleer zij een RIZIV-nummer kunnen krijgen. Ik wil er dan ook op aandringen dat er een manier wordt gezocht om maximaal toezicht te houden op wie in ons land een zorgberoep komt uitoefenen.

Dominiek Sneppe:

Dank u wel voor uw uitgebreid antwoord, mijnheer de minister. Zoals zo vaak verdrinkt u echter de vis in uw antwoord. Ik heb ook de indruk dat u het probleem minimaliseert. U zegt dat u niet weet of het een grootschalig fenomeen is, waaruit ik afleid dat u vermoedt dat het niet grootschalig is.

Ik ben er nochtans van overtuigd dat we dit niet mogen minimaliseren. Elke arts die zijn beroep niet reglementair uitoefent, is er een te veel, en elke arts kan bovendien tientallen slachtoffers maken. We mogen dit probleem dus zeker niet minimaliseren. Er moet zeker een en ander gebeuren om dergelijke situaties te vermijden.

U zegt dat er procedures bestaan voor de toelating van zorgverstrekkers, maar blijkbaar zijn die toch niet waterdicht. Hoe komt dat? Worden de documenten die moeten worden voorgelegd, voldoende gecontroleerd? Ook dat verdient de nodige aandacht, zodat die procedures op zijn minst waterdicht worden gemaakt.

U zegt wat u allemaal nog van plan bent, maar – zoals een collega al opmerkte – we hebben geen timing gehoord. We weten niet of die maatregelen binnenkort worden ingevoerd of pas binnen tien jaar. Het IMI bestaat ondertussen ook al bijna tien jaar, maar blijkbaar loopt het nog altijd niet vlot. Dat is geen efficiënte manier van werken.

Er is een schril contrast in de behandeling van mensen die grove fouten maken en hier nog altijd aan de slag kunnen, en anderen – zoals kritische stemmen tijdens de coronaperiode – die worden gebroodroofd of zelfs voor de rechter worden gedaagd. Die dubbele standaard is uiteraard onaanvaardbaar.

De procedures moeten dus waterdicht worden gemaakt, zodat onze studenten – over wie mijn volgende vraag zal gaan – niet de dupe worden. Zij zijn nu immers al aan handen en voeten gebonden door quota, ingangsexamens en allerlei andere beperkingen.

U zei zelf dat elke bevoegde autoriteit het IMI kan inkijken. Dat is net het probleem: het gebeurt niet, of te weinig. Het is allemaal veel te vrijblijvend. Uw brief aan de Europese Commissie kan in dat verband misschien nuttig zijn. Ik stel voor dat u hem aangetekend verzendt, zodat hij zeker besproken wordt en effectief op tafel komt.

Ik kijk uit naar uw volgende stappen, maar ik mis op dit moment een duidelijke timing en vrees dat dit dossier geen prioriteit zal krijgen. Dank u.

François De Smet:

Je remercie simplement le ministre pour sa réponse très complète et circonstanciée. Sur les procédures, en effet, c'est très clair. Il reste qu'on ne sait toujours pas de combien de cas on parle. La pratique devra donc nous en apprendre plus. Merci pour les éclaircissements.

Irina De Knop:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw zeer uitgebreid antwoord gegeven, waarin u zich focust op de techniciteit en de procedures. Ik blijf evenwel bezorgd. Ik kan uit uw antwoord immers niet afleiden hoe urgent u een onderzoek van het probleem acht. Wat is bovendien de grootteorde waarover we spreken? Een door een journalist gevoerd onderzoek vormt niet echt een objectieve basis om beleid op te baseren. Ik heb u inderdaad geen grondig onderzoek naar het aantal artsen dat onrechtmatig aan de slag zou zijn, horen aankondigen.

Een aantal collega’s verwezen naar de terecht strenge eisen die we opleggen aan onze studenten en aan binnenlandse artsen om een erkenning te verkrijgen. In België gelden artsenquota en we weten dat één op de zeven artsen in ons land een buitenlands diploma heeft. Juist daarom zou de situatie ons bijzonder moeten verontrusten, aangezien die groep steeds groter wordt.

Ik sluit mij ook aan bij de kritiek dat u geen duidelijke timing of concreet stappenplan meegeeft. Misschien moeten we daar op een later moment in de commissie op terugkomen. Uw antwoord blijft onvolledig en is gespeend van elke urgentie.

Frank Vandenbroucke:

Ik heb begrip voor uw vragen over de timing en over het systematisch gebruik en uw pleidooi om het instrumentarium te verbeteren en heb ze goed genoteerd. Ik stel voor dat ik daarop terugkom wanneer het wetsontwerp, waarnaar ik eerder heb verwezen en waarmee we de Federale Toezichtscommissie willen versterken, aan bod komt. Dat zal hopelijk nog voor het einde van dit jaar zijn.

Jan Bertels:

Voor de Vooruitfractie is het een baseline dat we onze patiënten beschermen. Er bestaan inderdaad drempels die patiënten vandaag moeten beschermen, bij de controle van zorgverstrekkers, denk maar aan het diploma, de attesten, het uittreksel uit het strafregister en het uittreksel in verband met professioneel gedrag. Het is positief, mijnheer de minister, dat sinds 2024 de FOD Volksgezondheid al die aspecten, samen met de taalkennis, zelf controleert en niet langer via een cascadesysteem werkt. Dat is een goede evolutie, waarop we moeten blijven inzetten.

Ik zie daarbij twee beleidsmatig belangrijke punten, waarover we hopelijk in de nabije toekomst verder kunnen discussiëren. Ik heb het dan over de initiatieven die worden genomen op Europees niveau, bij onze Europese collega’s, zowel wat de tekortkomingen in het controlesysteem als wat de harmonisatie betreft. We moeten dat aandachtig blijven volgen.

Voorts hoop ik evenveel enthousiasme te mogen vaststellen bij alle fracties wanneer het gaat over de versterking van de bevoegdheden van de Federale Toezichtscommissie, die kan controleren, ingrijpen en boetes opleggen, tekst die nog voor het einde van het jaar zal worden voorgelegd, zo heb ik begrepen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Dominiek Sneppe en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Dominiek Sneppe en het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast Armoedebestrijding, - overwegende dat uit het internationale onderzoeksproject Bad Practice (De Tijd, The Times, OCCRP) blijkt dat in België buitenlandse zorgverleners actief zijn die in andere lidstaten definitief uit het beroep werden gezet wegens ernstige inbreuken zoals fraude, seksueel misbruik of medische fouten; - overwegende dat het Europese waarschuwingssysteem (IMI) sinds 2016 voorziet in een uitwisseling van dergelijke tuchtrechtelijke maatregelen tussen lidstaten, maar dat de verwerking en opvolging van inkomende meldingen in België traag en onvolledig blijven; - overwegende dat dit leidt tot een risico voor de patiëntveiligheid en tot een ongelijk speelveld tussen Belgische en buitenlandse zorgverleners; - overwegende dat de Orde van Artsen en de FOD Volksgezondheid tot op heden geen sluitend systeem hebben ontwikkeld om Europese waarschuwingen automatisch te integreren in de nationale registers (RIZIV, Orde, FAGG); - overwegende dat transparantie en publieke toegankelijkheid van disciplinaire maatregelen een essentieel element vormen van patiëntenbescherming en vertrouwen in de gezondheidszorg; - overwegende dat het regeerakkoord de bestrijding van fraude en misbruik binnen de gezondheidszorg als prioriteit naar voren schuift, maar dat de huidige stand van zaken deze doelstelling onvoldoende waarmaakt; vraagt de regering - werk te maken van een volledig geautomatiseerde en verplichte koppeling tussen het Europese IMl-waarschuwingssysteem en de Belgische beroeps- en erkenningsregisters (RIZIV, Orde van Artsen, FOD Volksgezondheid); - te voorzien in een publiek raadpleegbaar register van gesanctioneerde zorgverleners, met respect voor de Europese privacyregels. - een onafhankelijke audit te laten uitvoeren naar de werking en de doeltreffendheid van de Federale Toezichtcommissie en de Orde van Artsen inzake opvolging van buitenlandse sancties; - te onderzoeken hoe patiënten sneller en transparanter kunnen worden geïnformeerd wanneer een zorgverlener onder tuchtonderzoek staat of eerder gesanctioneerd werd; - en de Kamer binnen zes maanden te informeren over de genomen maatregelen en hun concrete uitvoering. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Dominiek Sneppe et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Dominiek Sneppe et la réponse du vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté, - considérant qu’il ressort de l'enquête internationale Bad Practice (De Tijd, The Times, OCCRP) que des praticiens étrangers actifs en Belgique ont été exclus définitivement de la profession dans d’autres États membres à la suite d’infractions graves comme la fraude, des abus sexuels ou des erreurs médicales; - considérant que le système d’alerte européen (IMI) prévoit depuis 2016 un échange d’informations concernant les mesures disciplinaires de ce type entre États membres, mais que le traitement et le suivi des signalements reçus restent lents et incomplets en Belgique; - considérant que cette situation entraîne un risque pour la sécurité des patients et une concurrence déloyale entre les praticiens belges et étrangers; - considérant que l'Ordre des médecins et le SPF Santé publique n'ont, à ce jour, pas développé de système concluant visant à intégrer automatiquement les alertes européennes dans les registres nationaux (INAMI, Ordre, AFMPS); - considérant que la transparence et l'accessibilité publique des mesures disciplinaires constituent un élément essentiel de la protection des patients et de la confiance dans les soins de santé; - considérant que la lutte contre la fraude et les abus au sein des soins de santé est érigée en priorité dans l'accord de gouvernement, mais que cet objectif n'est pas suffisamment réalisé dans l'état actuel de la situation; demande au gouvernement - de s'atteler à une connexion totalement automatisée et obligatoire entre le système d'alerte européen IMI et les registres professionnels et d'agrément (INAMI, Ordre des médecins, SPF Santé publique); - de prévoir un registre accessible publiquement des praticiens sanctionnés, dans le respect des règles européennes en matière de respect de la vie privée; - de faire réaliser un audit indépendant portant sur le fonctionnement et l'efficacité de la Commission fédérale de contrôle et de l'Ordre des Médecins en ce qui concerne le suivi des sanctions prises à l'étranger; - d'examiner comment informer les patients plus rapidement et de manière plus transparente lorsqu'un praticien fait l'objet d'une enquête disciplinaire ou a déjà été sanctionné; - et d'informer la Chambre dans un délai de six mois des mesures prises et de leur mise en œuvre concrète. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Jan Bertels. Une motion pure et simple a été déposée par M. Jan Bertels . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De startquota voor artsen en tandartsen in Franstalig België
De artsenquota en de toekenning van een hoger aantal kandidaten in de Franse Gemeenschap
Vaststelling en toewijzing van artsen- en tandartsenquota in Franstalig België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het structurele overschot aan Franstalige artsen- en tandartsstudenten (54% en 72% boven federale quota), ondanks het pact van 2022 dat dit moest voorkomen. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de Franstalige Gemeenschap eigen uitvalspercentages (35-42%) hanteert—hoger dan in Vlaanderen (21%)—maar belooft hernieuwde onderhandelingen over een uniforme formule en handhaving via contingenteringsattesten (nog niet ingezet). Kritiek van N-VA/Vlaams Belang: gebrek aan sancties en oneerlijke concurrentie doordat Vlaanderen zich wél aan quota houdt, terwijl Franstaligen straffeloos overschrijden, met risico op nieuwe kwijtschelding in 2031. Een motie eist transparantie, handhaving en herziening van de bevoegdheidsverdeling.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, in Franstalig België kunnen 1462 studenten beginnen aan hun opleiding tot arts en 186 aan hun opleiding tot tandarts.

Nochtans bepalen de federale quota dat er voor Franstalig België 950 RIZIV nummers beschikbaar zijn voor artsen en 108 voor tandartsen. Dit wil zeggen dat er een overschot is van respectievelijk 512 studenten geneeskunde (54%) en 78 studenten tandheelkunde (72%).

Het lijkt me sterk dat er in de loop van de studies een dermate grote uitval zal zijn van studenten.

De vrees leeft dan ook dat er opnieuw meer RIZIV nummers zullen worden uitgereikt dan toegestaan. En dat komt natuurlijk bovenop het jarenlang opgebouwde overschot (1500 teveel aan Franstalige kant).

Hierover heb ik volgende vragen:

Welke afspraken zijn hierover gemaakt met de Franstalige gemeenschap? Is het protocolakkoord dat in 2022 van start moest gaan inderdaad van toepassing?

Wist u dat er een dergelijk groot aantal studenten zou worden toegelaten? Welke deperditieformule werd er toegepast?

Op welke manier zal u garanderen dat de federale quota zullen worden nageleefd? Welke wetgevende initiatieven liggen klaar en wanneer zal u daar gebruik van maken? Zal u een responsabiliseringsmechanisme in het werk stellen en de overtallige nummers in mindering brengen van het eerstvolgende quotum?

Zullen de studenten die in overtal zijn geen aanspraak kunnen maken op een RIZIV nummer? Is er daarover communicatie geweest met de Franstalige gemeenschap?

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, voor het toelatingsexamen van 28 augustus 2025 voor de studie arts en tandarts van de Franse Gemeenschap waren 6.674 kandidaten ingeschreven. Uiteindelijk namen 5.294 kandidaten deel aan het examen. Dat betekent dat 1.380 personen niet deelnamen.

Volgens de uitslag van 8 september 2024 worden in de Franse Gemeenschap 1.462 kandidaten toegelaten tot de opleiding geneeskunde en 186 tot de opleiding tandheelkunde. Voor niet-residenten die worden toegelaten tot de opleiding geldt een quota van 15 %. Voor 2031, het einde van de studie genees- en tandheelkunde, laat de Federale Planningscommissie 2.328 nieuwe artsen en een RIZIV-nummer toe, 1.378 Vlamingen en 950 Franstaligen. Deze federale quota houden rekening met een percentage uitvallers tijdens de studies op basis van een gemiddeld slaagpercentage.

Als er dit academiejaar in de Franse Gemeenschap 1.462 studenten in het eerste jaar geneeskunde starten, zijn dat er 512 meer dan de 950 die over 6 jaar tot het beroep worden toegelaten. Dat druist dus in tegen het pact dat u in 2022 sloot met de Franse Gemeenschap, die zich daarmee engageerde om het aantal startende studenten in overeenstemming te brengen met het aantal artsen dat 6 jaar later een praktijk mag beginnen.

In 2022 berekende de Federale Planningscommissie immers dat de 17 voorafgaande jaren proportioneel 2.233 Franstalige artsen te veel en 98 Vlaamse artsen te weinig werden opgeleid. Daarom bepaalt dat fameuze pact dat Vlaanderen het teveel aan artsen dat de Franstaligen in de loop der jaren opbouwde deels mag compenseren. Op die basis beslist de Vlaamse Gemeenschap om dit jaar 1.741 studenten op te leiden, 26 % of 363 meer dan wat federaal vastligt. De formule waarop Vlaanderen zich baseert, is helder en kan door iedereen worden ingekeken, maar dat kunnen we jammer genoeg niet zeggen van de formule waarop de Franse Gemeenschap zich beroept.

In 2022 zwaaide u nog met het pact dat u sloot met de Franse gemeenschap en zei dat dit nooit gezien was in de Belgische geschiedenis en dat de Franstalige gemeenschap zich eindelijk aan de quota zou houden. Het Vlaams Belang stond heel kritisch tegenover uw euforie over het pact en wij twijfelden toen reeds aan het woord van de Franstaligen in dit land. Waarom zouden zij zich nu plots wel schikken naar de wet en de quota respecteren, iets wat zij in de voorbije kwarteeuw nooit deden?

Nu blijkt dat onze kritiek terecht was. U hebt zich laten ringeloren door uw Franstalige collega's. Hoeveel van wat in dat pact stond, werd gerealiseerd? Behalve dat er nu ook voor Franstalige studenten een ingangsexamen is, blijkt dit pact een zoveelste lege doos. Het ingangsexamen blijkt immers ook geen goede filter te zijn, als er meer dan 50 % extra studenten toegelaten worden.

Wat stond er nog in dat pact? Overleg tussen de gemeenschappen en het federale niveau, nihil. Uniforme deperditieformule, nihil. Oplossingen voor de verschillende VTE in het noorden en het zuiden van het land, nihil. Meer inspraak voor de gemeenschappen en de Federale Planningscommissie, nihil.

Mijnheer de minister, op basis van welke formule berekende de Franse Gemeenschap het aantal toegelaten studenten op 1.462 voor de opleiding geneeskunde en op 186 voor de opleiding tandheelkunde?

Het akkoord uit 2022 stipuleerde dat de federale en regionale niveaus de formule moesten goedkeuren. Tegen eind november 2022 moest dit uitmonden in een protocolakkoord. Drie jaar later is er echter nog steeds geen protocol en geen akkoord. Wordt hiervan alsnog werk gemaakt?

De Franse Gemeenschap interpreteert het pact uit 2022 blijkbaar naar eigen goeddunken, zoals wij destijds ook hadden gevreesd. Laat u dit zomaar toe?

Onze kritiek was dat u geen stok achter de deur had, maar die hebt u blijkbaar wel. Zult u in 2031 zwichten voor de Franse Gemeenschap en meer RIZIV-nummers voor Franstaligen toestaan dan door de planningscommissie voorzien? Dan de stok achter de deur, wanneer zult u de federale contingenteringsattesten uit de kast halen, om zo de Franse Gemeenschap te dwingen de quota te respecteren?

Frank Vandenbroucke:

De federale quota bepalen hoeveel studenten na hun basisopleiding van zes jaar een specialisatie tot tandarts, huisarts of arts-specialist mogen aanvatten. Dat systeem is essentieel om de toekomstige behoeften aan zorgverleners in ons land adequaat te beantwoorden. De gemeenschappen bepalen op hun beurt hoeveel studenten mogen starten aan deze basisopleiding en moeten inschatten hoeveel studenten tijdens de opleiding zullen uitvallen.

Sinds 2018 is er, in het kader van overleg over de totstandkoming van een protocolakkoord tussen de federale overheid en de deelstaten, een formule voor het inschatten van die uitval overeengekomen, de zogenoemde deperditieformule. Die formule werd voor het laatst bijgewerkt door de cel Aanbod en Planning van de Federale Planningscommissie in 2023. Elke gemeenschap baseert zich op deze formule om de uitval van studenten in te schatten, maar behoudt de bevoegdheid om de coëfficiënten aan te passen volgens trends op het terrein en eigen specifieke kenmerken. De Franse Gemeenschap heeft overigens bij decreet het vergelijkend ingangsexamen ingevoerd, sinds het academiejaar 2023-2024.

Ik ben een absolute voorstander ervan om een deperditieformule op interfederaal niveau overeen te komen en te verankeren in een protocolakkoord. Tijdens de vorige legislatuur zijn daarover verregaande gesprekken gevoerd, maar ik heb moeten vaststellen dat de Vlaamse Gemeenschap niet bereid was daarmee verder te gaan. Men wilde dat overleg niet voeren en niet komen tot één interfederale deperditieformule. De aanhouder wint echter. Het is mijn bedoeling om deze gesprekken volgend jaar terug op te starten.

De gemeenschappen zijn verantwoordelijk voor het organiseren van de instroom in de basisopleiding op een manier die ervoor zorgt dat, na de verwachte uitval, het aantal afgestudeerden in België dat aan een specialisatie begint, overeenstemt met de federale quota.

De deperditieformule houdt rekening met drie belangrijke coëfficiënten. Een eerste coëfficiënt is het aantal toegelaten laureaten die niet aan de studie beginnen, dat is de uitval vóór de start van de basisopleiding. Niet iedereen die slaagt voor het toelatingsexamen, start immers effectief met de opleiding.

Een tweede coëfficiënt is het aantal studenten dat niet aan de masteropleiding begint, dat is de uitval tijdens de basisopleiding. Het gaat om studenten die niet slagen. Dat percentage ligt hoger in de Franse Gemeenschap dan in de Vlaamse Gemeenschap.

Ten derde zijn er de gediplomeerden die, ondanks hun diploma, niet aan een specialisatie beginnen, dat is de uitval na de basisopleiding. Dit betreft buitenlandse studenten die na hun basisopleiding terugkeren naar hun land van herkomst. Ook dat aantal ligt hoger in de Franstalige Gemeenschap. Daarnaast zijn er afgestudeerden die niet aan de slag gaan in de zorgsector en zich dus niet specialiseren.

De uitvalpercentages die de Franse Gemeenschap voor 2025 heeft toegepast, bedragen 35 % voor de artsen en 42 % voor de tandartsen. Die percentages bedragen ongeveer 21 % in de Vlaamse Gemeenschap. Voor zover mij bekend is, stemmen die cijfers overeen met de vastgestelde realiteit op het terrein.

In haar planningsmodel gebruikt de Planningscommissie Medisch Aanbod historische waarnemingen om projecties te maken per gemeenschap, zodat de verschillende realiteiten worden weerspiegeld. Er is vastgesteld dat het percentage studenten dat niet slaagt in het bachelorprogramma voor beide opleidingen hoger ligt in de Franse Gemeenschap dan in de Vlaamse Gemeenschap. Het is uiteraard belangrijk die cijfers goed op te volgen, aangezien het organiseren van een vergelijkend ingangsexamen zou kunnen leiden tot betere slaagcijfers.

Binnen de interfederale werkgroep Gezondheidsberoepen zal een subwerkgroep Planning worden opgericht, waarin alle betrokken partijen vertegenwoordigd zijn. Die werkgroep zal bijzondere aandacht besteden aan de opvolging van artsen en tandartsen, vanaf de selectie van de laureaten tot het verkrijgen van een RIZIV-nummer als specialist.

Ik wijs erop dat in het akkoord dat in 2022 met de Franstalige Gemeenschap werd gesloten, is bepaald dat vanaf 2028 eventuele overtallen slechts geregulariseerd zullen worden indien een overschrijding van het quotum van jaar X wordt afgetrokken van het aantal studenten dat wordt toegelaten tot de basisopleiding in jaar X + 1. Dat gebeurt op basis van artikel 92, § 1, 5°, van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat de verliesformule kan worden aangepast aan de eigen specifieke kenmerken. Het is duidelijk dat elke gemeenschap daarvoor haar eigen bevoegdheden heeft. Toch vind ik het opvallend dat die kenmerken zo sterk verschillen. Zelfs onze partij had niet in de gaten dat de verschillen tussen de landsdelen zo groot zijn. We zullen binnen enkele jaren zien hoeveel RIZIV-nummers er effectief zullen worden aangevraagd. Hopelijk zal er dan ook verantwoordelijkheid worden genomen om ervoor te zorgen dat er opnieuw orde op zaken wordt gesteld. We zitten nu al met een overtal van 1.500 RIZIV-nummers. Die zijn ondertussen kwijtgescholden, dus daar mogen we het blijkbaar niet meer over hebben.

Mijnheer de minister, u zult begrijpen dat wij daar enigszins sceptisch tegenover staan. Helaas zullen we pas over enkele jaren weten wat de werkelijke gevolgen zullen zijn. Het is goed dat u opnieuw gesprekken zult aanknopen met de Vlaamse regering. Ik begrijp eerlijk gezegd de houding van de Vlaamse regering in de vorige legislatuur ook wel. Zij zagen geen reden om akkoord te gaan met een overeenkomst met daarin een kwijtschelding van het opgebouwde overtal, terwijl zij zichzelf altijd correct aan de afgesproken aantallen had gehouden. Men had daarbij het belang van de kwaliteit van de opleiding en een correcte consumptie van zorg voor ogen. Ik begrijp dus waar hun weerstand vandaan kwam. Uiteraard hoop ik dat eventuele nieuwe gesprekken tot een goed resultaat zullen leiden.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, u hebt me niet overtuigd, maar dat was te verwachten. U begon uw antwoord met de opmerking dat die quota niet zonder reden zijn ingevoerd, maar om een evenwicht te waarborgen tussen voldoende artsen en de kwaliteit van de opleiding. Als die quota echter stelselmatig worden genegeerd, dan raakt dat evenwicht natuurlijk zoek in een bepaald deel van het land.

Wat mij eveneens niet heeft overtuigd, is de uitvalsformule. In Vlaanderen is die helder en transparant, maar in Franstalig België zou ik ze toch eens opvragen, want volgens mij is er gewoon geen formule. Is het nattevingerwerk? Men moet bepaalde uitvalsfactoren vastleggen of in rekening brengen, maar kan men dat eigenlijk wel correct inschatten, aangezien het ingangsexamen nog maar twee jaar van kracht is.

U was er destijds van overtuigd dat de Franstaligen het pact zouden volgen, maar ik heb u niets horen zeggen over de contingenteringsattesten. U zegt dat u het gesprek over het protocolakkoord opnieuw wilt opstarten, maar intussen zijn er alweer te veel studenten begonnen. Zal dat in 2031 opnieuw leiden tot een algemeen pardon? Waar zijn we eigenlijk mee bezig? De wet geldt voor iedereen, maar de ene blijkt toch wat meer gelijk te zijn dan de andere.

Mijnheer de minister, u hebt die contingenteringsattesten in uw hoed zitten. Tover ze eruit, want dat is het enige middel om Franstalig België ertoe te brengen zich aan de quota te houden. Dat is bovendien de enige zekerheid voor de Franstalige studenten dat ze aan het einde van de rit, aan het einde van hun lange en zware studies ook werkelijk aan de slag zullen kunnen. Als u doet wat u zegt, namelijk dat u voet bij stuk zult houden, wat ik betwijfel want u zult tegen dan waarschijnlijk al lang weg zijn, dan zullen we een overschot aan artsen hebben in Franstalig België, terwijl de Vlamingen altijd braaf doen wat de wet hun oplegt. Dit brengt een onevenwicht met zich mee en brengt ook de goede kwaliteit van de opleiding in gevaar.

Mijnheer de minister, ik doe nogmaals een oproep om die contingenteringsattesten van onder het stof te halen. Bovendien is dat niet moeilijk. Er bestaat al een wettelijke basis, er moet alleen nog een KB worden genomen. Dat kan gemakkelijk, op één, twee, drie. Doe het dus.

Ik heb ook een motie ingediend om dat aan te kaarten en om dat gerealiseerd te krijgen.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Dominiek Sneppe en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Dominiek Sneppe en het antwoord van de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast Armoedebestrijding, - overwegende dat het zogeheten pact van 2022 tussen de federale overheid en de Franse Gemeenschap voorzag dat het aantal toegelaten studenten in de geneeskunde en tandheelkunde in overeenstemming zou worden gebracht met de federale quota; - overwegende dat uit de recente toelatingsresultaten van augustus 2025 blijkt dat de Franse Gemeenschap opnieuw aanzienlijk meer studenten tot de opleiding geneeskunde toelaat dan federaal werd voorzien, met een overschrijding van ruim 50 procent; - overwegende dat deze praktijk een structurele en herhaalde overtreding vormt van het gelijkheidsprincipe tussen de gemeenschappen en de wettelijke contingenteringsregels voor het toekennen van RIZIV-nummers; - overwegende dat de Vlaamse Gemeenschap zich wél aan de afgesproken quota houdt, maar door de Franstalige overschrijdingen de facto gestraft wordt met een lagere federale vertegenwoordiging in het artsenkorps; - overwegende dat deze scheeftrekking ernstige gevolgen heeft voor de rechtvaardige spreiding van zorgverstrekkers in het land, de financiële houdbaarheid van de ziekteverzekering en de geloofwaardigheid van de federale afspraken; vraagt de regering - de Franse Gemeenschap formeel te sommeren om de contingentering te respecteren zoals bepaald door de federale Planningscommissie; - de federale contingenteringsattesten effectief toe te passen, teneinde te vermijden dat Franstalige studenten zonder wettig recht een RIZIV-nummer verkrijgen; - geen bijkomende RIZIV-nummers toe te kennen aan Franstalige afgestudeerden boven het contingent dat federaal werd vastgelegd; - een transparante en uniforme berekeningsformule te publiceren, zoals voorzien in het pact van 2022, die door beide gemeenschappen en het federale niveau wordt goedgekeurd; - de bevoegdheid over de planning van het medisch aanbod te herbekijken, met het oog op een eerlijk en autonoom Vlaams beleid inzake artsenquota. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Dominiek Sneppe et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Dominiek Sneppe et la réponse du vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté, - considérant que le "pacte de 2022" conclu entre les autorités fédérales et la Communauté française prévoyait que le nombre d'étudiants admis en médecine et en dentisterie serait mis en concordance avec le quota fédéral; - considérant qu'il ressort des récents résultats d'admission d'août 2025 que la Communauté française admet une fois encore à la formation en médecine un nombre d'étudiants nettement supérieur au quota prévu par les autorités fédérales, puisqu’il le dépasse de plus de 50 pour cent; - considérant que cette pratique constitue une violation structurelle et répétée du principe d'égalité entre les communautés et des règles légales du contingentement pour l'attribution des numéros INAMI; - considérant que la Communauté flamande respecte, elle, les quotas convenus, mais qu'en raison des dépassements francophones, elle est sanctionnée de facto par une représentation fédérale moindre dans le corps médical; - considérant que cette distorsion entraîne de graves conséquences pour la répartition équitable des prestataires de soins dans le pays, pour la viabilité financière de l'assurance soins de santé et pour la crédibilité des accords fédéraux; demande au gouvernement - de sommer officiellement la Communauté française de respecter le contingentement tel que défini par la Commission fédérale de planification de l'offre médicale; - d'appliquer effectivement les attestations de contingentement fédérales, afin d'éviter que des étudiants francophones n'obtiennent un numéro INAMI sans y avoir droit légalement; - de ne pas accorder de numéros INAMI supplémentaires aux diplômés francophones au-delà du contingent qui a été fixé au niveau fédéral; - de publier une formule de calcul transparente et uniforme, tel que le prévoit le pacte de 2022, qui sera approuvée par les deux communautés et le niveau fédéral; - de réexaminer la compétence pour la planification de l'offre médicale, dans l'optique d'une politique flamande équitable et autonome en matière de quotas de médecins.” Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Jan Bertels. Une motion pure et simple a été déposée par M. Jan Bertels . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De RIZIV-begroting voor 2026
De niet-goedkeuring van de begrotingsdoelstelling in het Verzekeringscomité
Het Verzekeringscomité van het RIZIV
De gezondheidszorgbegroting
Het voorstel voor een gezondheidszorgbegroting 2026
Het RIZIV-budget
De stand van zaken met betrekking tot het overleg over de RIZIV-begroting
Financieel beleid en begrotingsproces van het RIZIV voor 2026

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gezondheidsbegroting 2026 (€1,56 miljard extra) wordt gekenmerkt door besparingen van €470 miljoen (o.a. farmasector, artsen, ziekenfondsen), met patiënten en zorgverleners als hoofdtreffers: hogere remgelden (bv. maagzuurremmers, statines), beperkte toegankelijkheid (bv. CT-scans enkel voor specialisten), en hervormingen zonder draagvlak bij artsensyndicaten. Minister Vandenbroucke benadrukt doelmatigheid (minder overconsumptie, focus op medische meerwaarde) en herinvesteringen (bv. maximumfactuur-uitbreiding voor chronisch zieken), maar kritiek blijft op een eenzijdige lastenverdeling (patiënten betalen via remgelden, farmabedrijven ontlopen structurele kortingen) en gebrek aan echte hervormingen (kaasschaafmethode zonder sectorbrede afspraken). Overleg mislukt, het budget werd opgelegd via de Algemene Raad (17/4 stemmen), wat de verhouding met zorgverleners verder onder druk zet.

Voorzitter:

Mevrouw Schlitz is niet aanwezig.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, we volgen het nieuws op de voet. We moeten ons immers informeren via de media om in het Parlement bij te blijven. We begrijpen dat de opmaak van een gezondheidsbudget altijd een delicate oefening is, zeker wanneer er moet worden bespaard.

In het verleden werd daarover gediscussieerd in de overlegstructuren van het RIZIV en kwam men tot een gedragen voorstel. Dit jaar is dat duidelijk niet gelukt in het Verzekeringscomité. We vernamen gisteren dat u via de Algemene Raad een begroting hebt doorgeduwd die vooral een vertaling is van uw eerdere opdrachtenbrief. Zo weten we nu al dat het gezondheidsbudget aangroeit met afgerond 1,56 miljard euro, toch een belangrijke voorafname op de gehele begrotingsoefening die momenteel nog niet is afgerond.

Twee zaken zijn alvast duidelijk: de groeinorm en de index blijven gevrijwaard. Dat betekent echter niet dat alle beroepsgroepen erop vooruitgaan, want er moet ook, zo lezen we, 470 miljoen euro worden bespaard: 150 miljoen euro bij de medische prestaties, 50 miljoen euro bij de ziekenfondsen, 227 miljoen euro in de farmasector en 47 miljoen euro bij de andere zorgverleners. Daarbij lijkt het, althans volgens onze lezing, dat u vooral de zelfstandige zorgverleners viseert, zoals de farmasector en de artsen. Dat is op zich niet helemaal nieuw. Gevrijwaard blijven de ziekenfondsen en de medische huizen. Het lijkt er bovendien op dat de overconsumptie van geneesmiddelen belangrijker wordt geacht dan een overbevraging van artsen.

Zonder dat we hier een allesomvattend debat kunnen voeren – want dat is niet mogelijk binnen het tijdsbestek waarbinnen we moeten werken –, heb ik toch al een aantal vragen voor u. De farmasector heeft voorstellen tot besparingen gedaan, maar u hebt die niet aangehouden. Ook het RIZIV heeft dat niet gedaan. Kunt u toelichten waarom?

Ook bij de artsen werden een aantal besparingsmaatregelen geformuleerd, maar ook die werden van tafel geveegd en vervangen door andere maatregelen. U bent onder andere niet ingegaan op het voorstel om de remgelden te verhogen voor een bezoek aan de arts, maar u hebt er wel voor gekozen om de overconsumptie van geneesmiddelen aan te pakken. Er wordt dus wel ingezet op de beperking van de overconsumptie van geneesmiddelen, maar niet op die van artsenbezoeken. Kunt u dat toelichten?

Voor de artsen wordt ook een groot aantal lineaire maatregelen genomen. Zo vermindert u de sleutelletterwaarde, terwijl nog heel wat zaken in concrete maatregelen moeten worden omgezet. U hebt dus nu al een budget vastgesteld zonder dat de maatregelen al bekend zijn.

In de ziekenhuissector bespaart u 50 miljoen euro. Nochtans had u al eerder aangegeven dat volgens u 8 % van de bedden kan verdwijnen. Waarom zet u die operatie niet meteen door?

Kunt u ons ten slotte toelichten welke besparingen precies zijn doorgevoerd voor medische huizen, waardoor ze zogezegd al 7 miljoen euro hebben bespaard. We stellen immers vast dat de opdrachtenbrief forser was en de signalen op het terrein elkaar tegenspreken. Nogmaals, het is slechts een kleine bloemlezing vragen naar aanleiding van het pakket waarvan we gisteren kennis konden nemen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, hier, vous avez fait adopter le budget des soins de santé pour 2026. Soyons clairs: c’est un budget d’austérité. Nous ne sommes, d’ailleurs, pas les seuls à le dénoncer. Ce sont près de 900 millions d'euros d'économies qui sont réalisées sur le dos des patients, des soignants et de nos hôpitaux. Sous prétexte de responsabilité budgétaire, on va donc faire payer celles et ceux qui soignent et celles et ceux qui souffrent.

Concrètement, comment cela se traduit-il? La consultation des sages-femmes – qui était gratuite – deviendra payante, les malades chroniques verront le prix de leurs médicaments augmenter et plusieurs traitements essentiels seront moins bien remboursés.

Prenons un exemple très concret! Prenons le cas de Karine, qui a 62 ans, qui est diabétique et qui, chaque jour, prend un médicament pour éviter les AVC et un autre pour protéger son estomac. Avec vos mesures, se soigner va lui coûter 190 euros de plus par an. Pendant ce temps, le personnel soignant, déjà épuisé, devra faire encore plus avec moins et les hôpitaux, eux, devront réduire leurs dépenses de 160 millions d'euros.

Après cela, certains viendront faire semblant de s'inquiéter de voir des services fermés. Regardez la maternité de Lobbes qui ferme déjà. Demain, combien d'autres vont suivre? En effet, ce ne sera pas ce gouvernement qui décidera directement de fermer tel ou tel service dans tel ou tel hôpital. Mais ce sont bien vos choix budgétaires qui pousseront les hôpitaux à le faire. Aujourd'hui, ce sont la qualité, l'accessibilité et la sécurité des soins qui sont en jeu.

Monsieur le ministre, pourquoi demander des sacrifices aux patients, aux hôpitaux, aux soignants et pas aux géants pharmaceutiques qui continuent, eux, à engranger des profits colossaux? Vous nous parlez souvent, monsieur le ministre, de ne pas ouvrir le robinet. Mais ce que vous prévoyez, ce sont 2 milliards d'euros d'économie d'ici 2029, dont près d'un milliard acté pour 2026.

Mais allez-vous vous arrêter là? Dites-le nous franchement, monsieur le ministre! La norme de croissance du budget des soins de santé est-elle pour l'instant renégociée au sein du gouvernement, oui ou non? En effet, ce qui se joue ici, c'est évidemment l'avenir de notre système de soins et ce sont les patients qui risquent d'en payer le prix.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, de collega’s hebben de context al geschetst. Ik kom dus meteen tot mijn vragen.

Welk voorstel werd er gisteren goedgekeurd? Is dat het voorstel dat eerder door het Verzekeringscomité is afgekeurd of gaat het om uw eigen voorstel? Wat hebt u aangepast aan eerdere versies? Wat houdt dat precies in?

Betekent de goedkeuring van het budget gisteren dat het RIZIV-budget voor 2026 vastligt en dus niet meer op de onderhandelingstafel ligt voor de begroting?

Ik heb ook nog enkele vragen over specifieke zaken die naar buiten komen. Er wordt gesproken over een hervorming van het remgeld op geneesmiddelen. Op elk geneesmiddel zou voortaan een remgeld worden geheven van minimaal een à twee euro. Voor welke klassen van geneesmiddelen betekent dat een prijsverhoging? Zijn er eventueel ook prijsverlagingen?

Daarnaast is er het remgeld voor de vroedvrouwen. De mutualiteiten signaleren dat zij daarmee alleen konden instemmen omdat u garandeerde dat het geld dat daarmee wordt opgehaald, opnieuw in de sector geïnvesteerd zou worden. Mijn vraag is dan ook eenvoudig: aan welke investeringen denkt u in die sector?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, gisteren kwam de aankondiging over de besparingen van ruim 800 miljoen euro in de zorgsector in 2026. Vanochtend zag ik op sociale media een visual van Vooruit waarop staat: “De sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.” Daarbij wordt gezegd dat ook de farmasector zijn deel zal moeten doen en de helft van de inspanningen op zich zal nemen. Ik dacht toen: ik zal de minister toch eens vragen om mij dat uit te leggen.

Als ik naar de tabellen kijk, zie ik inderdaad dat een groot deel van de inspanning uit de farmaceutische sector komt, maar onder die sector vallen ook de patiënten, die een hoger remgeld zullen moeten betalen voor hun medicatie. Net van hen wordt eigenlijk de grootste inspanning gevraagd: een hoger remgeld voor cholesterolverlagers, voor maagzuurremmers, voor zowat alle geneesmiddelen – zelfs voor medicatie die vandaag gratis is, zoals kankermedicatie.

Daaruit komt 100 miljoen euro aan besparingen, terwijl van de farmasector zelf 90 miljoen wordt gevraagd. Dus als men zegt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen, wie zijn dan die sterkste schouders? Dat zijn de patiënten.

Ik heb een getuigenis ontvangen van een arbeider die al 37 jaar in ploegen werkt in de automobielsector, in een spuitcabine met gevaarlijke stoffen. Zijn aders zijn dichtgeslibd, hij heeft diabetes en neemt daarvoor medicatie. Met de maatregelen die u nu neemt, verdubbelt zijn factuur. Dat zijn de mensen die getroffen worden door de besparingen. Dat zijn de schouders die de lasten dragen, boven op alle andere maatregelen die ze al hebben moeten slikken van deze arizonaregering.

Mijn vraag is dus heel eenvoudig. Hoe legt u uit dat zogezegd de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen, terwijl het in werkelijkheid de patiënten zijn die de factuur gepresenteerd krijgen?

Dominiek Sneppe:

Ik verwijs naar de tekst van mijn ingediende vraag.

Dat het overleg binnen het Verzekeringscomité nogal stroef verloopt, is een open deur intrappen. Begin deze maand bliezen de artsen uiteindelijk het overleg op en gingen niet akkoord met de voorgestelde maatregelen.

Volgens uw opgelegde planning zouden er deze week (de 2de maandag van oktober) adviezen moeten binnenkomen van DGOS en CBC en volgende week zou de Algemene Raad van het Verzekeringscomité zich moeten buigen over het voorgestelde budget en de voorgestelde besparingsmaatregelen.

Daarover volgende vragen:

Zijn de artsensyndicaten al terug “on speaking terms"?

Is er nog sprake van overleg?

Wat is de stand van zaken van het overleg?

Zijn de adviezen binnen volgens planning?

Wat werd geadviseerd?

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, gisteren keurde de Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging, overigens ook een overlegstructuur, de gezondheidsbegroting voor 2026 goed. Zoals de andere sprekers al hebben aangekaart, toont die begroting een duidelijke en ambitieuze visie. Er wordt volgend jaar meer dan 1,5 miljard euro extra geïnvesteerd, onder meer dankzij de vrijwaring van de index en de groeinorm, zoals een collega hier al heeft aangehaald.

Wat voor onze Vooruitfractie belangrijk is, is dat die begroting aantoont dat investeren en hervormen perfect kunnen en moeten samengaan. We hebben de investeringen en de hervormingsagenda nodig om onze ziekteverzekering solidair en duurzaam te kunnen behouden voor de toekomst.

Er zitten heel positieve elementen in voor zowel de zorgverleners als voor de patiënten, die ik zal vervatten in mijn vragen.

De begroting combineert een forse investering in hervormingen. Ze is vertrokken vanuit de gezondheidszorgdoelstellingen. Kunt u aangeven hoe die gezondheidszorgdoelstellingen mee aan de basis hebben gelegen?

Kunt u concreter maken wat de uitbreiding van de maximumfactuur in 2026 betekent voor de langdurig zieke psychiatrische patiënten, die in het systeem van de maximumfactuur worden opgenomen? Ook een aantal geneesmiddelen zal opgenomen worden in de maximumfactuur. Hoe zal dat de factuur verlichten voor sommige langdurig zieken of voor mensen die veel medicatie moeten gebruiken?

We geven een belangrijk signaal als we zeggen dat er wordt geïnvesteerd in de eerste lijn, bijvoorbeeld in de wachtposten. Daarnaast wordt ook meer geïnvesteerd in de vroedvrouwen; daarnaar was al heel lang vraag. Dat gebeurt nu, via een herinvestering van het remgeld. Dat laat toe de vroedvrouwen beter te honoreren. Kunt u dat toelichten?

Ook op de iets langere termijn moeten we investeren in de hervormingsagenda. Solidariteit is belangrijk voor onze gezondheidszorgverzekering, en voor onze sociale zekerheid in het algemeen. We moeten duurzaam investeren en hervormen om onze gezondheidszorgverzekering duurzaam en robuust te houden. In uw communicatie wijst u erop dat er nu hervormingen moeten komen om ruimte te maken voor een sociaal akkoord voor het zorgpersoneel. Kunt u dat bevestigen en toelichten?

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, j’ai un moyen mnémotechnique simple, de constater que le budget des soins de santé est en augmentation: c’est la première fois qu’il dépasse les 40 milliards. C'est bien la preuve qu’auparavant, il était inférieur à ce seuil. L’augmentation est donc réelle. Vous savez que je n’accorde pas beaucoup d'importance aux pourcentages. Ce qui m’intéresse, c’est le contenu du budget, et surtout la manière dont l’argent public est utilisé pour la santé.

J’aimerais, toutefois, poser plusieurs questions. Tout d’abord, je regrette qu’il n’ait pas été possible de réaliser ce budget par la voie de la concertation. C’est dommage et il faudra renouer au plus vite avec cette méthode.

Je constate qu’on ne touche pas au ticket modérateur, qui n’a pourtant plus été augmenté depuis plus de vingt ans. En réalité, il a fortement diminué, puisqu’il n’a jamais été indexé. Je regrette qu’il n’ait pas été possible d'être davantage solidaire et responsable, en envisageant une augmentation du ticket modérateur pour les patients ne bénéficiant pas de l’intervention majorée. C’est, selon moi, une occasion manquée et une forme d’irresponsabilité.

Concernant le cholestérol, je comprends la volonté de limiter l’ampleur des prescriptions d’hypocholestérolémiants. Toutefois, je m’inquiète de la manière dont vous comptez faire en sorte que les patients en prévention primaire avec comorbidité, ou en prévention secondaire, puissent bien recevoir les hypocholestérolémiants évidemment nécessaires à leur état de santé.

Enfin, je vois que vous limitez la liberté de prescription des médecins généralistes en matière de scanners. Il est vrai que notre pays en prescrit trop, comparativement à d’autres pays européens. De plus, c’est une technique qui irradie les patients. Cela doit donc être prescrit à bon escient. Mais n’y a-t-il pas moyen de travailler sur la prescription en elle-même, plutôt que de limiter drastiquement la liberté thérapeutique des médecins généralistes? Il s'agit à nouveau d'une atteinte vis-à-vis des médecins généralistes qui ne me semble pas nécessairement heureuse.

Voilà les quelques réflexions que je voulais apporter.

Frieda Gijbels:

Het behoud van een kwaliteitsvolle, betaalbare en duurzame gezondheidszorg is een uitdaging die ons allemaal bezighoudt, of toch zou moeten bezighouden. Een besparingsoefening is nooit aangenaam en nooit eenvoudig. Het is dan zaak om daar op een gerichte en verstandige manier mee om te gaan, zodat de kwaliteit van de zorg zeker niet in het gedrang komt.

Het is jammer dat er geen akkoord kon worden bereikt op de zogezegd normale manier. Ik wil ook aandringen om on speaking terms te blijven met de zorgverstrekkers en de syndicaten.

Mijnheer de minister, wat zijn de reacties van de verschillende zorgsectoren? Zijn er bepaalde opvallende aandachtspunten waarmee men rekening zal moeten houden in de toekomst? Op welke manier zal de impact van de genomen maatregelen worden gemonitord? Zal worden geëvalueerd of die maatregelen werkbaar zijn en of de zorgkwaliteit gegarandeerd kan blijven? Indien na verloop van tijd blijkt dat aanpassingen nodig zijn, zal er dan ruimte zijn om die door te voeren?

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, om te beginnen vind ik het jammer dat er in het Verzekeringscomité geen akkoord kon worden bereikt over een voorstel dat kon worden bezorgd aan de Algemene Raad. De regering heeft geluisterd naar de kritische bedenkingen. We hebben niet met alle, maar wel met een aantal kritische bedenkingen rekening kunnen houden. Het resultaat is wel een brede consensus op de Algemene Raad, met 17 stemmen voor en 4 onthoudingen. Het ging natuurlijk om een voorstel dat door de regering op punt was gesteld. Van de sociale partners hebben de werkgevers, een groot deel van de vakbondsbank en een groot deel van de mutualistische bank het voorstel goedgekeurd. Ik besef echter dat de artsenorganisaties niet tevreden zijn met wat voorligt.

Er kan nochtans niet worden beweerd dat er geen gelegenheid is geweest tot overleg. Die gelegenheid is er geweest op het Verzekeringscomité. Uiteindelijk heeft op de Algemene Raad de grote meerderheid van de actoren, onder meer ook de vakbonden en de mutualiteiten, verklaard dat het voorstel in de huidige omstandigheden een goed voorstel is.

Mevrouw Gijbels, mevrouw De Knop, mijnheer Bacquelaine, ik wil daaraan meteen toevoegen dat wanneer de artsenorganisaties de doelmatigheid die wij beogen en waarvan wij denken dat ze op een aantal domeinen moet worden versterkt, kunnen versterken met alternatieve voorstellen, die voorstellen heel welkom zijn.

Mevrouw De Knop, ik wil zelfs iets preciezer zijn, omdat u het even hebt aangestipt, naar mijn mening terecht. In de opdrachtbrief van de regering stond immers de vraag of binnen het budget van de artsenhonoraria maatregelen konden worden genomen ten belope van 150 miljoen euro, gericht op meer doelmatigheid. Wanneer u kijkt naar hoe die 150 miljoen euro is samengesteld, dan blijkt dat bijna 56 miljoen euro daarvan wordt gerealiseerd door maatregelen waarbij iets wordt gedaan aan een tarief of de wijziging van een sleutelletter, zoals wij dat noemen. Dat is dus een tariefwijziging, dat is geen ingreep op het volume. De resterende 94 miljoen euro, wat toch een aanzienlijk bedrag is, betreft wel degelijk maatregelen op het volume. Dat is dus in principe wat moet gebeuren, want, voor alle duidelijkheid, het louter verlagen van tarieven is niet de beste keuze.

U zou dus kunnen stellen – ik zal u op dat punt niet tegenspreken – dat wanneer bijna 56 miljoen euro aan maatregelen in het budget van de artsenhonoraria voortvloeit uit aanpassingen van sleutelletters, dat inderdaad een uitnodiging vormt aan de artsenorganisaties om alternatieven voor te stellen die meer gericht zijn op volumebeheersing en doelmatigheid.

Monsieur Bacquelaine, vous avez souligné une mesure qui est délicate en termes de message pour la médecine générale. J'accepte cela; j'y ai moi-même un peu réfléchi. Il s’agit de la proposition des radiologues de réserver la prescription d'examens CT de la colonne vertébrale, à un certain nombre de spécialistes. Ce sont les radiologues mêmes qui sont à l'initiative de cette décision.

Je comprends que les médecins généralistes se sentent visés, mais à vrai dire, il y a des spécialistes aussi qui ne pourront plus prescrire cet examen si cette mesure est appliquée, parce que nous avons limité la possibilité de prescrire ces CT de la colonne vertébrale aux spécialistes en neurochirurgie, neurologie, orthopédie, médecine physique, médecine d'urgence et rhumatologie. En effet, ce CT de la colonne vertébrale est nécessaire dans des contextes précis, par exemple en cas d'opération envisagée, ou d'autres contextes précis dans lesquels lesdits spécialistes sont en action, et pas d'autres spécialistes, ni les médecins généralistes.

Je comprends bien que, dans le chef des médecins généralistes, cela peut être perçu comme un manque de confiance, mais à vrai dire, le contexte dans lequel un médecin généraliste voit un patient – comme d'autres spécialistes voient un patient – n'est pas un contexte dans lequel un examen CT de la colonne vertébrale est à prescrire. C'était l'avis de l'association des radiologues et nous l’avons suivi.

Met andere woorden, doelmatigheid brengt soms mee dat men een maatregel neemt waarbij men het voorschrijven beperkt tot een welbepaalde groep artsen, terwijl de context voor andere artsen zich daartoe niet leent, bijvoorbeeld omdat de CT-scan enkel echt noodzakelijk is in geval van een operatie of een pathologie; ondertussen zit de patiënt wel bij een andere specialist.

U vroeg naar de medische huizen, mevrouw Gijbels. Eigenlijk zijn we in twee etappes te werk gegaan. De inspanning die nu gevraagd wordt, vormt eigenlijk de tweede golf aan maatregelen. In juni beslisten we namelijk al een eerste golf van maatregelen op basis van overleg, waaraan onder andere ook de artsen en de farmaceutische industrie hebben bijgedragen. In die eerste golf moesten de medische huizen een besparingspakket van 4,3 miljoen euro op tafel leggen. Men heeft daarvoor een aantal maatregelen uitgewerkt op basis van adviezen van de commissie Forfait. Zo moet de elektronische identiteitskaart systematisch worden gelezen bij de inschrijving en om de drie jaar worden herlezen.

Daar komt nu nog 3 miljoen euro bij, in de vorm van een vermindering van de technische raming. Dat betekent dat het budget waarbinnen men erkenningen kan toekennen en in zekere zin kan programmeren, iets strakker wordt. Daardoor ontstaat een wat “strakkere” programmatie van de ontwikkeling van medische huizen. In totaal gaat het dus over 7,3 miljoen euro. Dat was ook de vraag, wat men daar ook over moge denken. Sommige mensen vonden dat onterecht, anderen vonden het meer dan terecht. Hoe dan ook blijft het een aanzienlijke inspanning van de medische huizen.

De ziekenfondsen, mevrouw De Knop, kregen ook de opdracht om maatregelen uit te werken, met name om oneigenlijk gebruik tegen te gaan. Als ze dat niet doen en die maatregelen geen resultaten opleveren, zullen zij zelf 25 miljoen euro verliezen. Zij hebben dus een soort huiswerk gekregen dat gebaseerd is op indicatoren. Als dat niet het verwachte resultaat oplevert in termen van 25 miljoen euro minder uitgaven, dan verdwijnt die 25 miljoen bij hen. De ziekenfondsen passeren hier immers wel langs de kassa, nadat we hun administratiekosten al verschillende keren hebben verminderd.

Wat was ons probleem met de voorstellen van Pharma.be en van Medaxes? Het is niet dat we overleg weigeren. Trouwens, u zult, wanneer u de opeenvolgende voorstellen vergelijkt met de finale beslissing van de Algemene Raad, vaststellen dat echt wel rekening is gehouden met de vele gesprekken met de farmaceutische industrie. Dat Pharma.be en Medaxes elk alternatieve voorstellen indienden die elkaar tegenspreken, waarbij de voorstellen van Pharma.be allemaal ten koste waren van de leden van Medaxes en die van Medaxes allemaal ten koste van de leden van Pharma.be, maakte het overleg niet eenvoudig. Ik sluit verder overleg in de toekomst zeker niet uit en hoe dan ook hebben we geprobeerd om maximaal met hen rekening te houden.

Mevrouw Eggermont, als u kijkt naar de cijfers, dan kunt u niet anders dan vaststellen dat van de bijkomende opdracht die nu moet worden gerealiseerd, een zeer groot aandeel bij het farmaceuticabudget zit en dat een belangrijk deel daarvan rechtstreeks door de farmaceutische industrie moet worden opgehoest door een korting op haar prijzen ten belope van 80 miljoen euro, n door de clawback.

Overigens, mevrouw Eggermont, als u niet kritisch bent - en ik heb de indruk dat u dat niet bent - voor het absolute overgebruik van maagzuurremmers, waarin we bijna wereldkampioen zijn, dan moet men zich afvragen wiens belang u dient. Dat is toch enkel dat van de verkopers van de maagzuurremmers. U bent tot nu toe hun beste propagandist geweest, want u zegt dat mijn uitgangspunt dat er te veel maagzuurremmers worden voorgeschreven, schandalig is. Die firma’s zullen u daar ongetwijfeld dankbaar voor zijn.

De beste besparing op de farmaceutische sector is dat er minder wordt voorgeschreven. De wetenschappelijke richtlijnen over maagzuurremmers zijn overduidelijk. Het gaat niet om medicatie die men chronisch moet innemen, behalve in zeer specifieke omstandigheden. Het is medicatie die men slechts nu en dan nodig heeft. Bovendien veroorzaakt het, wanneer men het langdurig blijft nemen, ontwenningsproblemen. Wanneer men ermee stopt, ondervindt men gedurende twee weken hinder. Dat is een fantastisch businessplan, als u het mij vraagt. Als u zegt dat het fout is om het gebruik van maagzuurremmers te willen verminderen, dan moet de farmaceutische industrie u bijzonder dankbaar zijn.

De wens van de regering en ook mijn persoonlijke wens is niet dat de mensen veel meer remgelden betalen. Onze wens is dat er minder maagzuurremmers worden voorgeschreven. Om dat bewustzijn te creëren, moet men echter ook een duidelijk signaal geven.

Le débat est quelque peu semblable pour les statines ou, plus généralement, les médicaments hypocholestérolémiants. Là, vous avez raison, monsieur Bacquelaine, des nuances existent.

Au niveau des hypocholestérolémiants, la question est: quelle est la plus-value médicale en prévention primaire pour des gens qui n'ont pas de risque indiqué? S’il y a suffisamment d'argent dans le budget, en néerlandais, on dit: " Baat het niet dan schaadt het niet ." Autrement dit, si cela n'aide pas, cela ne fait pas de mal. C'est une ligne de conduite que l’on peut suivre si on a suffisamment d'argent. Mais dès le moment où il faut réfléchir sur l'endroit où on investit les euros que l'on a, alors il faut chercher la plus-value la plus importante. C’est la raison pour laquelle nous disons qu'il faut réfléchir sur cette prescription. Le fait qu'un quart des Belges de 40 ans ou plus consomment des statines est quand même interpellant. Et surtout le fait, comme l'a remarqué le Centre Fédéral d'Expertise des Soins de Santé (KCE), que beaucoup de gens qui commencent sur la base d’une prescription, et peut-être sur la base d'une motivation intrinsèquement honnête de leur médecin, arrêtent après quelque temps. Il convient donc de s'interroger. Le message n'est pas que nous voulons que les patients payent davantage les tickets modérateurs, qui sont d'ailleurs assez limités suite à ce que nous avons finalement décidé. Ce que nous voulons, c'est qu'on arrête de prescrire si la plus-value est très limitée. C'est le message. Et si l'on prescrit avec une plus-value médicale très limitée, alors le fait que le citoyen paye un peu plus est acceptable.

Ce qu’il s'est passé dans le débat sur les statines montre que nous avons quand même bien écouté. En effet, les mesures que nous avons proposées au Conseil général sont plus légères que celles qui figuraient initialement dans la lettre de mission du gouvernement. Nous avons proposé de traiter les hypocholestérolémiants dans le remboursement catégorie C. Si je ne me trompe pas, cela veut dire que pour 100 jours, au lieu, par exemple, de 6 euros de ticket modérateur, vous payerez 15,5 euros de ticket modérateur. Sur une base annuelle, cela représente peut-être 30 ou 40 euros.

Je ne dis pas que ce n'est rien, car pour certaines personnes, chaque euro compte. Mais il ne faut pas non plus prétendre qu'il s'agit d'une catastrophe en matière d'accessibilité de ce type de médicaments. Avec cette mesure, nous libérerons des moyens pour rembourser plus rapidement des médicaments absolument nécessaires, innovants et avec une très grande plus-value, mais souvent onéreux. Nous accélérerons la procédure souvent très longue de remboursement de ces médicaments attendus par des patients, souvent des enfants. Sachant cela, il y a donc un gain important. La même chose vaut pour les mesures que nous avons décidées pour le ticket modérateur minimal pour un conditionnement, une boîte donc, à savoir 2 euros, et 1 euro pour une personne sous statut BIM. Ce n'est certes pas une mesure facile, mais si cet argent peut servir à accélérer le remboursement de médicaments absolument nécessaires et souvent critiques, et qui ne sont actuellement pas accessibles et dont les procédures prennent énormément de temps, les priorités sont au bon endroit. Pour moi, la justice sociale, c'est choisir les priorités et d'abord aider ceux qui sont dans la situation la plus difficile et préoccupante. Ce sont les choix que nous faisons ici.

S'agissant des malades chroniques, madame Désir, il faut remarquer que ce budget présente également des mesures importantes en soutien aux malades chroniques. Il y a, par exemple, l'inclusion des médicaments des catégories Cs et Cx dans le maximum à facturer, ceci incluant les antiallergiques. Pour les patients atteints d'une pathologie chronique telle qu'une allergie, ces médicaments ne pèseront donc pas sur leur budget s'ils dépassent la limite du maximum à facturer.

Par exemple, les contraceptifs seront inclus dans le maximum à facturer. Par ailleurs, pour les patients hospitalisés en psychiatrie pendant une période dépassant une année, l’entièreté du coût de leur séjour sera désormais également incluse dans le maximum à facturer. Cette lacune dans notre système de protection était particulièrement regrettable. Nous le savions, mais nous n’avions pas encore réussi à concrétiser cette avancée. Désormais, tout le coût du séjour sera pris en compte dans le maximum à facturer, même après 366 jours d’hospitalisation dans un hôpital psychiatrique.

Dat is ook een antwoord op de vragen van de heer Bertels.

Mijnheer Van Lysebettens, u vroeg welk voorstel nu is goedgekeurd. Dat vind ik een moeilijke vraag. Ik zou u daarvoor willen verwijzen naar de website van het RIZIV. Dat is inderdaad niet wat de mutualiteiten op het Verzekeringscomité hebben voorgelegd. Het is ook niet helemaal letterlijk wat in de opdrachtenbrief van de regering stond. Het zit in de grote prioriteiten van de opdrachtenbrief van de regering, maar het houdt rekening met een aantal kritieken die zijn geformuleerd.

Concernant les hôpitaux, madame Désir, ce n'est pas un reproche – sans doute ne pouvez-vous pas immédiatement saisir toutes les données, mais il y a un investissement considérable dans la liquidité des hôpitaux. En effet, nous sommes en train de récupérer dans le chef des hôpitaux des montants de rattrapage des années précédentes très importants.

Cette année encore, 580 millions d'euros supplémentaires seront reçus par les hôpitaux dans le système de rattrapage, donc pour régler les arriérés du passé. Ce sont 240 millions de plus qu'en 2024, ce sont près de 400 millions de plus qu'en 2023 et avant 2023, il s’agissait souvent de montants négatifs.

Vous vous imaginez qu'en termes de liquidité, on va injecter dans les hôpitaux plus d’un demi-milliard d'euros – 240 millions d'euros de plus qu'en 2024, 400 millions de plus qu'en 2023. En termes de liquidité, c'est super important.

Et on prend un peu de temps pour réfléchir avec les hôpitaux sur des mesures plutôt structurelles, par exemple promouvoir un shift de certaines activités des hospitalisations classiques vers l'hôpital de jour, de l'hôpital de jour vers l'activité purement en ambulatoire. Mais en même temps, on est en train de régler un problème de liquidité extrêmement important. Et donc, si je dis cela, c'est pour souligner que notre gouvernement investit en soins de santé, investit dans les hôpitaux, et investit ainsi aussi dans le personnel soignant.

Mijnheer Van Lysebettens, daarmee ligt dat budget inderdaad vast. Daarom is het zo belangrijk dat we die beslissing hebben genomen. Voor de vroedvrouwen betekent dit inderdaad dat hun honoraria zullen kunnen worden gerevaloriseerd. Dat is beslist.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u hebt opnieuw zeer uitgebreid geantwoord. De conclusie is echter, zoals ook de collega’s hebben opgemerkt, dat dit budget vastligt. Met andere woorden, de indexering en de groeivoet zijn gevrijwaard. Men zal dus elders middelen en mogelijkheden moeten vinden.

U zei in uw antwoorden eigenlijk exact wat wij ook opmerken, namelijk dat u zich heel sterk richt op de zorgverleners. Zij moeten het grootste deel van de besparingen leveren. U wijst erop dat dit ook in een Overlegcomité is beslist, maar u weet heel goed wie daar de touwtjes in handen heeft, namelijk de mutualiteiten, de vakbonden en de regering. In die zin vind ik sommige opmerkingen van collega’s, die ondertussen al vertrokken zijn, enigszins grappig, want zij hebben dat daar natuurlijk mee goedgekeurd.

Mijnheer de minister, u zegt dat de toegankelijkheid van de zorg voor u een belangrijke bekommernis is. Bij huisartsen leidt dit echter tot een verminderde toegankelijkheid of tot overconsumptie wegens een te laag remgeld. U geeft aan dat noch de farmasector, noch de huisartsen concrete voorstellen hebben gedaan waarop u kon ingaan. Nochtans beschikken we over uitgewerkte nota’s, zowel van de farmasector als van de artsenverenigingen, waarin zeer concreet wordt becijferd hoe zij tot een aantal besparingen kunnen komen. Die nota’s tonen aan dat er besparingen mogelijk zijn binnen de specialismen, dat overconsumptie kan worden tegengegaan en dat de terugbetaling van bepaalde onderzoeken kan worden verminderd. Het gaat om een cijfermatig goed onderbouwd voorstel, maar u wilt daar eenvoudigweg niet naar kijken.

De conclusie voor ons is dan ook dat er eigenlijk geen echt project is. U past vooral de kaasschaafmethode toe, u gebruikt die eenzijdig, terwijl echte hervormingen uitblijven. U treft de zorgverleners disproportioneel en het zijn zij die de zwaarste lasten moeten dragen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Les économies que vous faites peser sur la santé en 2026 sont indéniablement énormes, même si elles étaient à la fois attendues et annoncées. Vous les confirmez aujourd'hui. Ce que nous continuons à dénoncer est la part élevée portée par les patients et les hôpitaux.

Dans le débat sur les anti-acides et les statines, je dois dire que l'on a du mal à vous suivre. Vous dites qu'il faut réfléchir à la prescription, qu'il y a donc différentes lignes de conduite pour les médecins. Vous évoquez aussi la plus-value thérapeutique. Mais tout cela concerne en réalité les prescripteurs. Or, vous faites payer la facture aux patients en augmentant le prix des médicaments. Comment cette mesure responsabilise-t-elle de quelconque manière les prescripteurs?

Pour les hôpitaux, vous dites que vous réglerez un problème de liquidités important. Vous savez très bien qu'il ne s'agit pas d'un investissement mais d'un rattrapage, comme vous le dites vous-même. Les hôpitaux ne feront que récupérer ce qui leur est dû.

Enfin, votre silence concernant mes questions sur la renégociation de la norme renforce aujourd'hui encore nos inquiétudes. Nous craignons que votre gouvernement fasse à l'avenir des efforts supplémentaires qui pèsent sur les épaules du secteur, des patients et des soignants.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het valt mij op hoe u opgesloten zit in de N-VA- en de MR-logica, de regeringslogica. Er is een beperkter budget voor gezondheid en binnen dat budget neemt u een aantal beslissingen. Een aantal beslissingen kan ik volgen en op een aantal andere heb ik minder kritiek, maar finaal betekent het wel dat medicijnen en behandelingen duurder worden en dat mensen daar meer voor zullen moeten betalen. U probeert dat dan te verantwoorden door te zeggen dat een aantal medicijnen en behandelingen onterecht wordt voorgeschreven, dat er te veel worden voorgeschreven en dat dit een remmend effect heeft, maar de evidentie daarvan ontsnapt mij toch. Dat is mijn fundamentele kritiek op dit gegeven.

Daarnaast vroeg ik expliciet naar de herinvesteringen van de remgelden bij vroedvrouwen. U hebt daarop geantwoord, maar het meest veelzeggende was eigenlijk het betoog van de heer Bertels, die zei dat een deel van de opbrengsten van remgelden wordt geïnvesteerd. Ik moet daaruit toch afleiden dat er ergens een scenario is, waarbij die opbrengsten niet volledig terugvloeien.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat het effectief quatsch is.

Een groot deel van de inspanningen komt van het farmaceuticabudget. Dat werd gezegd, maar dat is niet de farma-industrie, want van dat budget komt maar 80 of 90 miljoen van de farma en al de rest komt van de patiënten. Met de verhoging van het remgeld, met de maagzuurremmers, de cholesterolverlagers en medicatie in het algemeen, komt men aan 100 miljoen.

Als we dan een voorbeeld geven van wat dat dan concreet betekent voor de patiënten, zegt u dat van 6 naar 15 euro gaan toch niet zo’n catastrofe is, dat dat niet plezant is, maar dat we daar nu toch niet zo’n drama van moeten maken, want dat er overconsumptie is en dat mensen dat slikken alsof het niets is en dat we daar iets aan moeten doen.

Wij hebben een studie uitgebracht die aantoont dat de stijging van de uitgaven voor cholesterolmedicatie er niet is omdat meer mensen cholesterolpillen nemen, maar wel omdat er een nieuw medicijn op de markt is dat aan superhoge prijzen wordt verkocht en waarvoor u een geheim contract hebt gesloten. Dat is de reden voor de stijging van het budget voor cholesterolverlagers. En wie moet dat betalen volgens u? De patiënten. Daar zit de onrechtvaardigheid en die blijven we aankaarten. Vandaag krijgen we steun van de MR, die enerzijds likkebaardend blijft kijken naar het remgeld voor de huisarts en naar nog verdere besparingen in de gezondheidszorg, waarvoor u de poort openzet, maar anderzijds wat betreft de cholesterolverlagers akkoord gaat met ons en ook zegt dat er een probleem is.

U hebt altijd beloofd dat er geen prijsverschil zou zijn voor mensen in primaire preventie met comorbiditeit of in secundaire preventie. In het voorstel dat nu is goedgekeurd door het RIZIV, is dat echter van de baan. U zit dus met een probleem, denk ik.

Dominiek Sneppe:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw uitgebreide antwoord. Toch ben ik niet echt tevreden met uw reactie.

U zegt dat u het jammer vindt dat het in het Verzekeringscomité niet goed is afgelopen. Eigenlijk haalt u echter uw slag thuis, want net omdat het daar niet goed afliep, kunt u nu met uw opdrachtenbrief op de proppen komen, die quasi volledig zal worden geïmplementeerd.

U verwees naar de website van het RIZIV. Ik ben daar uiteraard onmiddellijk gaan kijken. Daar staat: "Deze financiële inspanningen, overeenkomstig de grote lijnen gezet in de opdrachtenbrief van de regering…" 'Grote lijnen', dat betekent dus dat er hier en daar misschien wat punten en komma’s zijn verzet, maar voor de rest hebt u uw slag thuis. Uw opdrachtenbrief is legio.

Het overleg is dus dood, mijnheer de minister, maar dat wisten we natuurlijk al. Volgens u is er echter nog steeds overleg. Ik hoop dat met u, maar laat ons eerst duidelijk stellen wat u onder overleg verstaat. Begrijpt u onder overleg dat men maar heeft te nemen of te laten wat u voorstelt? Ja? Dan is er inderdaad nog overleg. In onze ogen is dat echter geen overleg, maar dictatuur. Dan verwondert het mij niet dat de zorgverstrekkers en de artsen in het bijzonder het schip verlaten. Uw hervormingen zullen ervoor zorgen dat nog meer zorgverstrekkers zullen deconventioneren. Dat zal uiteraard ten koste van de patiënt gaan. De patiënt wordt er dus niet beter van en de zorgverstrekker evenmin.

Als er zoveel reactie komt op uw opdrachtenbrief en uw hervormingswet, dan zou ik, als ik u was, ook eens in eigen boezem kijken. Misschien loopt er wel iets fout, misschien bent u inderdaad ergens het noorden kwijt. Ik kan mij niet van de indruk ontdoen dat de mensen op het terrein de meest geschikte personen zijn om duidelijk te maken waar en waarop kan worden bespaard. Uiteindelijk zal er inderdaad moeten worden bespaard. Daarmee ga ik akkoord. We kunnen echter ook heel wat efficiëntiewinsten boeken. Laat ons vooral dat bekijken.

Nu, wat uw opdrachtenbrief betreft – die een onderdeel vormt van het voorontwerp van uw hervormingswet, dat in de media gekomen is, waardoor we het onbedoeld hebben kunnen zien – stel ik me de vraag naar de legitimiteit van die brief. Ik bedoel, als die een deel vormt van uw wettelijk kader, dat nu nog niet van kracht is, blijf ik bij mijn idee dat alles wat ik al over dit dossier gezien en gehoord heb, betekent dat u uw slag thuis haalt en dat de rest maar moet knikken.

Dat gebeurt ten koste van de patiënt, ten koste van onze zorgverleners en ten koste van onze gezondheidszorg.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord.

Collega’s, ik meen dat een aantal van jullie absoluut onderschat wat het belang is van een goedgekeurde gezondheidszorgbegroting voor 2026. Die geeft zekerheid aan de patiënten - daar doen we het vooral voor - en ook aan de zorgverstrekkers.

Alle akkoorden en conventiecommissies, dus alle actoren, kunnen nu met die goedgekeurde begroting voor 2026 aan de slag om een aantal uitvoeringen ervan te bedenken. Bijvoorbeeld inzake de indexmassa. Ik ben blij dat we die bewaard hebben, mevrouw De Knop. Ook de groeinorm. Ik ben daar blij om, vanuit de Vooruitfractie. Zij kunnen daar nu mee aan de slag gaan om te bekijken hoe ze de indexmassa toewijzen. Van overleg gesproken. Voor 1 januari zullen ze dat normaliter allemaal doen.

Mevrouw Sneppe, mevrouw De Knop, dat is overleggen en dat mogen ze nu doen. Ze mogen zelf beslissen over meer dan 700 miljoen euro. Belangrijk is dat we zekerheid gegeven hebben. En ja, collega’s, dat betekent dat we het geld moeten inzetten waar het het doelmatigst is, waar het de grootste meerwaarde biedt inzake de gezondheidszorgdoelstellingen. Dat is dan ook onze vertrekbasis geweest.

Om het kort te zeggen: we moeten dat doen, om de solidariteit te behouden. Om de solidariteit te schragen moeten we ervoor zorgen dat ons geld zo goed mogelijk gebruikt wordt en gericht wordt ingezet ten voordele van de gezondheidszorg. Om het met een slagzin te zeggen, die al een paar keren gebruikt is door anderen in dit Parlement: meer geld voor onze gezondheidszorg. Daar zijn we het allemaal over eens, meen ik.

De heer Bacquelaine heeft er al naar verwezen. Maar laten we ook meer gezondheid bekomen door dat extra geld dat we inzetten. Dat is, meen ik, de doelstelling en de uitdaging die we moeten aangaan. Daarvoor hebben we een kader gecreëerd waarmee de actoren nu aan de slag kunnen, in overleg met elkaar.

Irina De Knop:

Mijnheer de voorzitter, ik wil de minister nog even een gelukkige verjaardag wensen voor hij vertrekt.

Frank Vandenbroucke:

Waarvoor dank. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.50 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 50.

Het schrappen van de subsidie voor advocatenpraktijk Casa legal, die juridische bijstand biedt
Het in het gedrang komen van de werking van Casa legal
De vzw Casa legal
De toekomst van Casa legal
De financiering van Casa legal, een prioriteit voor de toegang tot het gerecht
De federale ondersteuning van de vzw Casa legal en het beroep van de Orde van Vlaamse Balies
De financiering en toekomst van vzw Casa legal en haar juridische bijstand

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dreigende stopzetting van de federale subsidie voor Casa Legal, een innovatief Brussels multidisciplinair advocatenkantoor dat holistische juridische en psychosociale hulp biedt aan kwetsbare groepen (o.a. 982 aanvragen in 2025, vooral vrouwen en slachtoffers van geweld). Kernpunt: minister Verlinden bevestigt dat de achterstallige betalingen voor 2024 (saldo) en 2025 (voorschot) in november worden vrijgegeven, maar de toekomst na 2026 blijft onzeker door een lopend beroep bij het Grondwettelijk Hof (ingediend door de *Orde van Vlaamse Balies*, OVB), dat de legaliteit van de subsidie betwist. Critici (meerdere partijen) wijzen op het risico dat politiek-communitaire druk (OVB vs. OBFG) en budgettaire onwil een succesvol pilootproject—met lopend wetenschappelijk onderzoek (ULB/UCL)—voortijdig doorkruisen, terwijl de aangekondigde studie pas in 2026 resultaten oplevert. Verlinden benadrukt dat ze geen budgettaire coupes plant in de tweede-lijns juridische bijstand, maar stelt geen garanties voor 2026—wel eist ze een gezamenlijk voorstel van OVB, OBFG en Casa Legal voor een landelijke oplossing, zonder dat dit een voorwaarde is voor verdere financiering. Belangrijkste bezwaar: het project dreigt te sneuvelen door procedurele vertraging en communautaire tegenstellingen, terwijl de maatschappelijke meerwaarde (toegankelijkheid, kostenefficiëntie) breed wordt erkend.

Voorzitter:

Dank u, mevrouw De Wit.

Je prends votre point en considération.

Minister Annelies Verlinden : (…)

Voorzitter:

Je pense qu’on a bien entendu la remarque de Mme De Wit. La ministre a déclaré hors micro qu’elle était disponible la semaine dernière mais que les travaux n’ont pu se tenir. Je crois effectivement qu’on doit essayer de veiller à avoir le plus régulièrement possible des séances de questions orales comme le prévoit l’esprit du Règlement. C’est aussi la volonté que nous avons, et c’est pour cette raison que nous avons organisé cette semaine deux sessions de questions orales: c’est pour être sûr d’avoir terminé les questions avant cette semaine de coupure.

Donc, j’entends la remarque de Mme De Wit. Je pense qu’on essaie de faire le maximum pour répondre le plus rapidement possible aux questions. Passons maintenant aux questions. Nous allons débuter par un débat d'actualité.

Voorzitter:

Pour rappel, les débats d'actualité permettent aux intervenants qui ne seraient pas inscrits de se joindre soit aux questions soit aux répliques.

Khalil Aouasti:

Monsieur le président, en guise de préambule, je sais que la ministre et moi-même ne sommes pas toujours d'accord, mais je dois reconnaître qu'elle est souvent, et même toujours, là. Il faut pouvoir le saluer. Elle reste même jusqu'au bout pour répondre aux questions. Il faut pouvoir reconnaître la disponibilité de la ministre pour cette commission. Et c'est fort heureux.

Madame la ministre, comme vous le savez, le groupe socialiste est un fervent défenseur du modèle de cabinet multidisciplinaire d'avocats dédiés à l'aide juridique. Ce type de structure permet d'offrir au public le plus précarisé une approche globale de ses difficultés où les questions juridiques et psychosociales s'entremêlent. Pour nous, ces cabinets à vocation holistique contribueront à rendre notre justice plus accessible pour ce public, en complément de l'aide juridique de seconde ligne traditionnelle. C'est pourquoi, sous la précédente législature, vos prédécesseurs, aussi bien M. Van Quickenborne que M. Van Tigchelt, ont lancé le projet pilote avec le cabinet d'avocats Casa legal, qui poursuit ce modèle. Or, il nous revient que, malheureusement le cabinet est en grande difficulté alors que ni le solde du budget 2024 ni l'avance 2025 ne lui ont été versés.

Par ailleurs, l'incertitude règne pour 2026 alors qu'une étude universitaire vient de débuter pour évaluer ce modèle, notamment sur le plan économique. En outre, il ressort de certaines informations que, malgré le soutien de la bâtonnière de Bruxelles (et, en partie de l'OBFG) et bien qu'il n'en dépende pas, vous céderiez aux pressions de l'OVB. Pour rappel, celui-ci a introduit un recours en annulation – non suspensif pour le budget 2025 – devant la Cour constitutionnelle, dont l'arrêt n'est pas attendu avant le second semestre 2026, au plus tôt.

Or couper la subvention, c'est avorter un projet et jeter à la poubelle deux ans de financement fédéral, ainsi qu'une étude économique d'ampleur (à savoir, le projet de recherche SCALA LEGAL, démarré en septembre 2025 et financé par la Région de Bruxelles-Capitale) poursuivie par quatre centres de recherche de l'ULB et de l'UCL.

Madame la ministre, quand les budgets 2024 et 2025 seront-ils libérés? Pour quelle raison, posez-vous de telles difficultés au projet Casa legal? Dans l'hypothèse où vous entendiez y mettre un terme, quelles sont les alternatives que vous allez offrir aux nombreux justiciables (982 sollicitations depuis janvier 2025, dont plus de 600 femmes) qui attendent ce suivi multidisciplinaire? D'autres coupes budgétaires sont-elles attendues dans le budget de l'aide juridique de deuxième ligne?

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik vind het belangrijk dat juridische innovaties die bijdragen tot globale benaderingen van rechtsproblemen , in dit geval de holistische benadering van kwetsbare rechtszoekenden, worden aangemoedigd. Dergelijke unieke proefprojecten dragen bij tot een grotere toegankelijkheid van onze rechtsbedeling en kunnen er in de 360°-benadering ook complexere juridische dossiers worden opgenomen. Dat gaat verder dan de klassieke aanpak.

Ik wil u enkele cijfers niet onthouden. Sinds de start van het pilootproject in 2023 werden meer dan duizend aanvragen ingediend. Ongeveer 300 dossiers werden begeleid; de overige aanvragen werden doorverwezen volgens het principe van complementariteit met de klassieke advocatuur. Elk dossier vertegenwoordigt een persoon met meerdere, multicomplexe, psychosociale problemen. Het is belangrijk dat aanvullend kan worden gewerkt, zodat organisaties de dossiers grondig kunnen uitspitten en de problematieken centraliseren. We moeten dergelijke organisaties, zoals Casa Legal, en hun methode appreciëren en verder ondersteunen.

Hoe zit het met de laatste schijf van de subsidie van 2024 en het voorschot dat voor 2025 was beloofd?

Is er nog enig langetermijnperspectief?

Tot slot, worden de binnenkort verwachte resultaten van de studie van de ULB en de UCLouvain eveneens meegenomen in de beoordeling?

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, le cadre du projet ayant été bien tracé par mes collègues MM. Aouasti et Yzermans, je poserai simplement quelques questions sur le blocage des crédits. Quelle est la cause de ces retards? À quelle date concrète pensez-vous que la libération du solde des budgets 2024 et 2025 interviendra? Qu'est-il prévu concernant l'évaluation de ce projet pilote? Sur la base de quels critères cette évaluation sera-t-elle réalisée? Qu'en est-il de la pérennité du projet dans les années à venir? Quels sont les engagements qui ont été pris? Et enfin, quelle est votre position à propos du respect de ces engagements?

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, onze fractie is een vrij grote voorstander van een veel vlottere toegang tot justitie. Wij hebben in het verleden ter zake ook heel veel voorstellen gedaan. In samenwerking met de commissie voor Justitie hebben wij bijvoorbeeld ook gewerkt aan de verhoging van de inkomensgrenzen.

Wij ijveren er nu ook al enkele jaren voor om aan het model van holistische advocatenkantoren een juridische basis te geven vanuit de vaststelling, zoals sommige leden al hebben aangegeven, dat sommige rechtzoekenden worden geconfronteerd met een veelheid aan juridische problemen die vaak niet altijd door één advocaat of één advocatenkantoor kunnen worden opgenomen. Vaak worden zij geconfronteerd met een veelheid aan problemen zowel op juridisch als op sociaal vlak en die kunnen holistisch in een juridische context met sociale ondersteuning worden behandeld. Daarom is het project van Casa legal uniek en heel waardevol.

De problematiek is geschetst door de andere vraagstellers. Ik heb er moeite mee dat, terwijl er een pilootproject nog enkele jaren lopende is en een studie is opgestart om op een wetenschappelijk onderbouwde wijze de methodiek en het pilootproject te onderzoeken en te analyseren of het voldoet aan de noden en welke waardevolle lessen eruit kunnen worden getrokken, er wordt beslist om de ondersteuning stop te zetten en de werking te beëindigen. Dat wordt niet zomaar gedaan bij een pilootproject. Dat wordt zeker niet gedaan wanneer de evaluatie nog volop bezig is.

Ten eerste, hoe beoordeelt u de impasse rond Casa legal en de weigering van de OVB om deel te nemen aan een gezamenlijk pilootproject?

Ten tweede, is het correct dat een eventuele budgetlijn pas in 2026 kan worden ingeschreven en enkel op voorwaarde dat de OVB en de OBFG akkoord gaan met een gezamenlijke oplossing?

Ten derde, acht u het wenselijk om de voortzetting van een innovatief project als Casa legal afhankelijk te maken van de instemming van de balies?

Ten vierde, zult u stappen ondernemen om te waarborgen dat Casa legal minstens kan blijven bestaan tot de lopende studie is afgerond, zodat de resultaten effectief kunnen worden meegenomen in het beleid en de eventuele nieuwe oriëntaties nadien?

Ismaël Nuino:

Madame la ministre, je ne vais pas répéter l'ensemble des éléments qui ont déjà pu être donnés sur Casa legal. Par ailleurs, nous avons déjà eu l'occasion d'échanger à ce sujet. Au regard de ce qu'est Casa legal, de cette approche holistique de la justice et d'une prise en charge des personnes qui sont en grande difficulté, autrement que par le prisme étriqué parfois d'un simple cabinet d'avocats, je pense qu'un des grands objectifs de cet accord de gouvernement est de rendre la justice accessible. Ce genre de cabinet y participe activement.

Certes, cela a un coût, mais cela constitue aussi un apport sociétal important. Cela a été répété par plusieurs des collègues. Une étude est en cours, qui serait par ailleurs mise à mal si la pérennité de l'organisme n'était pas garantie, pour pouvoir vérifier l'apport même économique que cela peut représenter. Donc, on pourra avoir des éléments tangibles et concrets sur lesquels se reposer.

Aujourd’hui, je voulais attirer à nouveau l’attention sur le sujet et poser les mêmes questions que mes collègues sur le solde de 2024 et les paiements pour 2025 et 2026. De plus, cela peut être l’occasion pour vous de nous expliquer votre vision de ce cabinet et, de manière plus générale, les façons dont on peut participer de manière innovante à – c'est peut-être un peu galvaudé – démocratiser la justice et son accès. C'est un objectif qu'on devrait et qu'on pourrait toutes et tous poursuivre.

François De Smet:

Madame la ministre, en effet, c'est depuis 2023 que le SPF Justice soutient financièrement, à hauteur d'un peu plus d'un million d’euros, ce projet Casa legal – cette ASBL bruxelloise assez novatrice dans son genre, qui associe avocates, assistantes sociales, médiatrices, juristes de première ligne et psychologues. On a déjà souligné ici l’aide juridique holistique et multidisciplinaire. On devrait encore souligner que cette ASBL agit surtout pour les plus vulnérables. Je pense aux victimes de violences intrafamiliales et sexuelles.

Le projet pilote, lancé sous le précédent gouvernement, sur décision de votre prédécesseur, devait de toute façon être évalué sur plusieurs années, jusqu'en 2029. On le sait, on l'a dit, un suivi scientifique conjoint de l'ULB et de l'UCL est en cours.

L'Orde van Vlaamse Balies (Ordre des barreaux flamands) (OVB) a introduit un recours devant la Cour constitutionnelle, contestant la légalité du subside fédéral octroyé à Casa legal, au motif qu'il créerait une inégalité de traitement entre avocats et qu'il interférerait avec les compétences communautaires en matière d'aide juridique en première ligne.

Cette procédure, à son issue, n'interviendra pas avant 2026. Cela risque de compromettre la continuité d'un projet qui est unanimement souligné pour son impact social, en ce compris par des figures judiciaires et académiques d'importance.

Mes questions recoupent celles des collègues. Confirmez-vous votre soutien politique et institutionnel au projet Casa legal, malgré la procédure engagée par l'OVB? Le gouvernement fédéral entend-il maintenir la subvention annuelle prévue pour 2026, le temps que la Cour constitutionnelle se prononce, afin d'éviter la disparition prématurée du projet? Quelle est votre analyse de la compétence fédérale en la matière? Partagez-vous l'avis selon lequel Casa legal s'inscrit dans le cadre de l'aide juridique de seconde ligne, relevant donc bien du fédéral? Comptez-vous défendre le principe d'une approche multidisciplinaire de l'aide juridique, combinant droit, médiation et accompagnement psychosocial comme modèle d'avenir pour améliorer l'accès à la justice?

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, comme mes collègues l'ont déjà dit, Casa legal accomplit un travail très important, essentiel et unique dans notre pays. Ce cabinet réunit des avocats, des travailleurs sociaux, des médiateurs, des juristes, des psychologues afin d'offrir leurs services de manière très accessible. J'en veux pour preuve les 982 sollicitations depuis le début de l'année 2025. C'est un projet innovant, ayant une approche holistique et qui contribue à l'accessibilité de la justice.

En 2023, une subvention structurelle a été octroyée au projet jusqu'en 2029, qui doit être renouvelée chaque année. Entre-temps, des équipes de recherche de l'ULB et de l'UCL mènent une étude sur le fonctionnement de Casa legal qui pourrait faire la lumière scientifiquement sur les apports de ce projet. On a lu dans la presse que Advocaat.be a récemment introduit un recours devant la Cour constitutionnelle contre ces subventions. Ce recours met en péril la pérennité de l'ASBL Casa legal.

Madame la ministre, le recours introduit par Advocaat.be ne sera examiné que durant le deuxième trimestre 2026. Quelles seront les conséquences pour les subventions de 2026? Seront-elles tout de même accordées? Assurerez-vous la continuité des subventions qui avaient initialement été garanties jusqu'en 2029? Quelles seraient les conséquences pour la recherche qui est en cours? Confirmez-vous aujourd’hui votre soutien au projet Casa legal?

Annelies Verlinden:

Chers collègues, le projet Casa Legal nous est bien connu. Nous avons déjà eu plusieurs échanges avec ses représentants concernant leurs subventions.

Comme vous l’avez indiqué, messieurs Aouasti et De Smet, l’Orde van Vlaamse Balies (OVB) a formulé de sérieuses critiques sur la légalité et les aspects juridiques de ce projet, et a introduit une procédure devant la Cour constitutionnelle.

Je tiens à rappeler l’importance d’une aide juridique accessible et pluridisciplinaire pour les personnes confrontées à des problématiques complexes. C’est précisément pour cette raison que mes collaborateurs ont récemment convié Casa legal, l’OVB et l’Ordre des barreaux francophones et germanophone (OBFG) à une réunion. Nous leur avons demandé d'élaborer une proposition commune visant à mettre en place une approche pluridisciplinaire pour les personnes confrontées à des problématiques multiples, afin que chaque justiciable puisse y avoir accès. L’objectif est de favoriser une collaboration qui permette d’offrir des solutions à l’échelle de l’ensemble du territoire.

Monsieur Nuino, cette innovation juridique est ainsi mise en œuvre au bénéfice de tous les justiciables. Dans ce cadre, les questions liées à la répartition des compétences doivent évidemment être examinées.

Collega Van Hecke, ik heb zeker niet de indruk dat de OVB geen medewerking zou verlenen of zou willen verlenen aan de opstart van een gezamenlijk pilootproject. Wel integendeel, dat is immers exact wat tijdens het voorafgaand overleg, waarnaar ik daarnet al verwees, werd overeengekomen. Anders dan u laat uitschijnen, werd dat niet als voorwaarde gestipuleerd voor de eventuele toekenning van enige subsidie voor 2026.

Le système de subventions facultatives fait actuellement l'objet de discussions dans le cadre du conclave budgétaire en cours. Casa legal a été informée du fait que ces subventions seraient examinées lors des négociations budgétaires, et qu'aucune garantie ne pouvait être donnée à cet égard. Mon cabinet est donc pleinement informé de leur demande et reste en concertation avec eux.

En ce qui concerne l'aide juridique de deuxième ligne, qui relève de ma compétence et qui doit être distinguée des subventions facultatives, je peux vous confirmer, monsieur Aouasti, qu'aucune coupe budgétaire n'est envisagée pour l'instant. Nous souhaitons optimaliser son fonctionnement, ce qui pourrait se traduire par certaines économies. La qualité actuelle du service et l'accès à celui-ci seront maintenus. Ni les justiciables ni les avocats ne seront impactés.

Collega’s Yzermans, Jadoul en Nuino, ik kom tot uw bijkomende vragen over dit onderwerp. Wij informeerden Casa legal recent dat prioriteit wordt gegeven aan onder meer hun dossier om de middelen met betrekking tot het saldo voor 2024 en het voorschot voor 2025 vrij te geven. Er werd ons bevestigd dat de uitbetalingen in november zullen kunnen worden uitgevoerd. Door de verschillende overlegmomenten met Casa legal namen wij tot slot kennis van het universitair onderzoek dat door de UCLouvain en ULB werd opgestart. Zoals eerder toegelicht, dient dat te worden gekaderd in de hiervoor geschetste discussie.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je vous remercie déjà de nous indiquer qu'enfin les soldes de subsides 2024 et les subsides 2025 seront effectivement libérés en ce mois de novembre et qu'ils ne font pas l'objet des discussions relatives aux subventions facultatives. C'est en effet important de pouvoir respecter les conventions telles qu'elles ont été faites. Ceci rassurera certains acteurs.

Il n'en reste pas moins, madame la ministre, que je ne comprends pas certaines choses. C'est parce que l'OVB a introduit un recours en annulation qu'on réfléchit à changer un cadre. À vous écouter, dès que l'OBFG ou l'OVB introduira un recours en annulation devant la Cour constitutionnelle, que ce soit en Asile et Migration contre une loi jugée liberticide, que ce soit en Justice contre une loi où les droits fondamentaux reculent, que ce soit en Intérieur, notamment sur la future loi annoncée sur les organisations radicales parce qu'elle est considérée aussi liberticide, d'un seul coup, vous allez arrêter l'ensemble de la mécanique et attendre que la Cour constitutionnelle se prononce.

Est-ce une pratique que vous allez adopter de manière constante ou plutôt une pratique conjoncturelle parce qu'un organe, l'OVB, fait pression sur vous, ce dossier prenant des tournures très communautaires? Il faut pouvoir le dire.

Il est ici question d'accès à la justice, de la mise en place d'une étude scientifique pluriannuelle pour définir si cet accès à la justice peut être renforcé et à moindre coût pour les finances fédérales. On ne parle pas de répartition des compétences mais bien de deuxième ligne juridique qui jusqu'à présent – sauf s'il s'agit de "compétences usurpées", mots qui reviennent souvent ces derniers temps – est encore une compétence fédérale. C'est donc pleinement votre compétence que d'assurer en réalité le financement de cette deuxième ligne de l'aide juridique, en ce compris par des projets pilotes qui permettraient à terme peut-être de réduire le budget de l'aide juridique de deuxième ligne au global et au final.

Il ne faut donc pas céder aux pressions communautaires néerlandophones, qui ont des appétits voraces pour changer le modèle de l'aide juridique tel qu'ils nous l'avaient présenté il y a peu, mais il faut soutenir un projet qui a tout son sens et qui ne coûte pas si cher: 1 000 dossiers à 1 million d'euros, cela revient à 1 000 euros bruts le dossier. Ce n'est vraiment pas cher, croyez-moi! Pour avoir été avocate, vous le savez vous-même. Il s'agit donc de soutenir ce projet encore et toujours en 2026: 1 million sur 2,6 milliards d'euros, ce n'est vraiment pas grand-chose dans votre budget! Et, si vous faites ce choix, ce sera un choix conscient et il faudra en tirer des conclusions: vous aurez cédé à la pression du camp néerlandophone.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik ben blij te horen dat de financiering van 2024 en 2025 gefaseerd zal worden afgehandeld. Wij blijven wel pleiten voor een multidisciplinaire thematiek en insteek. In een complexe wereld met complexe problemen is het belangrijk om die op een andere dan de klassieke manier aan te pakken. De tentoongespreide innovatie moet kansen krijgen en mogelijk ook behouden blijven, wat in een globaal kader dient te worden bekeken. Verder lijkt het mij belangrijk om dergelijke initiatieven, zoals dat van afgelopen vrijdag bij het bezoek aan het Vlinderpaleis, waarbij het welzijnsloket een geïnstitutionaliseerde vorm van een multicomplexe aanpak is, zeker te onderschrijven en te proberen mee te ondersteunen.

Pierre Jadoul:

Madame la ministre, je juge inutile de vous expliquer le soutien que je suis susceptible d'apporter à ce projet. Je me réjouis des informations que vous communiquez quant au paiement des soldes dus pour 2024 et 2025. Cela ne résout évidemment pas la situation pour le futur. J'en appelle donc à votre sens des responsabilités pour que ce projet puisse effectivement se poursuivre dans le temps de cette évaluation qui est en cours. Je vous remercie.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. We zijn op de hoogte van het beroep bij het Grondwettelijk Hof, maar er is nog geen uitspraak, dus zolang er geen uitspraak is, lijkt het me voorbarig om te beslissen om die financiering voortijdig stop te zetten.

U zegt wel heel duidelijk in antwoord op een van de vragen dat voor het budget van 2026 er geen voorwaarde is dat er een akkoord moet zijn met OVB en Avocats.be. Dat is een belangrijk antwoord en verduidelijking.

Minder duidelijk bent u over hoe we nu verder gaan. Dat is ook het punt dat ik wil maken. Wanneer er beslist wordt om voor een pilootproject te gaan, omdat we er allemaal van overtuigd zijn – de vorige regering eveneens – dat het een waardevol initiatief kan zijn, moet men dat pilootproject toch enkele jaren laten lopen om de resultaten ervan te kunnen evalueren. Het is me niet duidelijk hoe u daarnaar kijkt, maar het lijkt mij niet logisch dat men, terwijl een pilootproject en de wetenschappelijke evaluatie daarvan nog lopende zijn, al besluit om de financiering stop te zetten. Dat wetenschappelijk onderzoek kan positief uitvallen, maar het kan ook opmerkingen opleveren. Vervolgens moeten we op basis van dat onderzoek beslissingen nemen en het debat voeren over de verdere aanpak.

Voor ons is een multidisciplinaire aanpak in ieder geval essentieel. Voor veel rechtszoekenden, die vaak verloren lopen in justitie en meer dan alleen juridische hulp nodig hebben, is het echt belangrijk dat een dergelijk systeem bestaat. Ik hoop dan ook dat u dat zeer grondig ter harte zult nemen, ook voor 2026.

Ismaël Nuino:

Madame la ministre, je vous remercie pour les réponses que avez pu apporter.

Je veux rappeler l'importance du modèle qui est proposé par Casa legal. S’agissant d’un projet pilote, il doit pouvoir être étudié. L'étude doit donc pouvoir continuer; en plus, elle est déjà financée.

Nous avons visité le palais de justice d'Anvers vendredi. Ils ont placé là aussi un hub qui permet aux justiciables de venir poser toutes leurs questions. Ils nous expliquaient l'utilité et le bien-fondé de ce genre de hub qui est super important, parce que chacun n'est pas armé face à la complexité de notre système judiciaire. Je pense que des modèles tels que Casa Legal doivent aussi nous permettre d'explorer ce qui est possible. C'était un simple rappel qu'il est très important de continuer à soutenir ce genre de projets.

Vous avez mentionné une tentative d'accord entre les différents acteurs. Je ne peux que la saluer. C'est un problème qui semble soluble. Pour moi, le compromis ne pourra pas être la disparition pure et simple de Casa legal. Si on doit trouver un compromis, chacun doit se demander là où il peut avancer ou reculer. Ce n'est pas à vous que je dois donner cette explication. Mais cela ne peut pas simplement se terminer pas un blocage d'un côté, qui mènera à l'impossibilité de poursuivre cette initiative, qui semble particulièrement importante pour un grand nombre d'acteurs du monde judiciaire également.

François De Smet:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses. Je prends note que vous laissez entendre que les soldes seront libérés pour le passé. Tant mieux. Je prends note de votre engagement à ce que la qualité du service soit maintenue, ce sont vos mots précis. Dont acte. C'est important, mais pour le reste et pour l'avenir, je pense que vous ne devez pas vous laisser impressionner par l'OVB et ses attaques juridiques en vue de faire évoluer le cadre, parce que c'est cela qui est en train de se passer. On connaît malheureusement cette technique.

Cette initiative est saluée par le monde judiciaire et académique. Elle porte ses fruits et doit être soutenue. On parle d'un budget d'un million d'euros par an. C'est beaucoup et peu à la fois. Vous êtes en train de demander un milliard d'euros en conclave pour la Justice. On verra peut-être cette nuit si vous l'obtenez, ce que je vous souhaite. Mais dans tous les cas, un million est peu de choses en termes de leviers par rapport à tout ce que cela apporte, notamment pour les victimes qui sont accompagnées et qui, à mon avis, ne comprendraient pas que ceci s'arrête tout simplement, pour des conflits institutionnels et communautaires qui les dépasseront très vite. Je crois que l'aide offerte aux victimes accompagnées vaut bien plus que cela.

Je vous remercie d'avance d'essayer de continuer à soutenir ce projet autant que possible.

Voorzitter:

La question n° 56007206C de M. Gatelier est transformée en question écrite. La ministre peut rester jusqu’à 19 h 30. Si vous avez la possibilité ou la volonté de vous en référer à votre question écrite, n’hésitez jamais à le faire.

De oprichting van een drugsfonds
De fiscale en financiële opsporingsdienst (FIOD)
Drugsbeleid, fiscale opsporing en financiële criminaliteit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De FIOD (multidisciplinaire fiscale opsporingsdienst) wordt conform het regeerakkoord voorbereid in overleg tussen Justitie en Financiën, met focus op geldstromen en criminele circuits, maar de oprichting vergt nog afstemming over bevoegdheden (o.a. gerechtelijke politie) en samenwerking met het OM. Het COIV blijft een autonoom kenniscentrum binnen het OM (geen volledige integratie in FIOD) en moet efficiënter vermogens recupereren om herinvestering in veiligheid mogelijk te maken. Een drugsfonds (niet in het regeerakkoord) bestaat wel als los instrument voor specifieke projecten, maar de governance en verantwoordelijkheidsverdeling blijven onduidelijk ten opzichte van FIOD en COIV. Urgentie en informatiedeling zijn cruciaal, maar concrete budgetten, inkomstenbronnen en een startdatum voor de FIOD ontbreken nog.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, u weet dat in het regeerakkoord voor de strijd tegen drugs en georganiseerde misdaad is voorzien in de oprichting van een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst, de zogeheten FIOD. Die dienst valt onder een co-bevoegdheid van de minister van Financiën enerzijds en van Justitie, uw bevoegdheid, anderzijds. Van een drugsfonds als zodanig is in het regeerakkoord geen sprake, al kondigde minister Quintin wel een wetgevend initiatief daarover aan.

De FIOD is een dienst die zich binnen het kader van de georganiseerde misdaad richt op het opsporen, analyseren en lamleggen van criminele circuits en geldstromen die onze economie en samenleving ondermijnen. Daartoe werkt de dienst intensief samen met andere partners, zoals het drugscommissariaat en de financiële criminaliteitsafdelingen. De FIOD besteedt bijzondere aandacht aan de recuperatie van criminele vermogens van criminele organisaties, ook in het buitenland.

Hoewel de FIOD, het drugsfonds en het CrimOrg-fonds dezelfde doelstelling nastreven, zijn het drie verschillende instrumenten. Het verschil zit voornamelijk in de governance en het beheer. Daarbij speelt niet alleen politieke verantwoordelijkheid een rol, maar ook de discussie over welk departement instaat voor het beheer en welke inkomstenbronnen beschikbaar zijn. Behalve de FIOD worden in het regeerakkoord geen andere fondsen vermeld. Vandaar mijn vragen.

Kunt u bevestigen dat er conform het regeerakkoord effectief wordt gewerkt aan de oprichting van de FIOD en niet als zodanig aan een drugs- of CrimOrg-fonds? Indien er toch sprake is van een drugs- of CrimOrg-fonds, kunt u dan toelichten wat de verschillen zijn in governance en het beheer van die instanties?

Wat is de stand van zaken van de oprichting van de FIOD? Welk budget is voorzien en wanneer kan die opsporingsdienst haar cruciale werkzaamheden aanvatten?

Kunt u aangeven welke bronnen zullen worden aangewend voor de inkomsten van de FIOD, hoe en over welke diensten de opbrengsten zullen worden verdeeld?

Wat is de stand van zaken van de hervorming van het huidige Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring, het COIV, en de integratie daarvan in de FIOD?

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, de zogenaamde FIOD als multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst maakt inderdaad deel uit van het plan om elke fase van de follow-the-valueketen te kunnen optimaliseren. De besprekingen daarover zijn volop aan de gang. Vorige week had ik nog een gesprek met de collega-ministers Jambon en Beenders om duidelijke afspraken te maken over de samenwerking en het delen van informatie. Daarbij worden verschillende scenario’s onderzocht, in overleg met de betrokken diensten. U kunt zich ongetwijfeld voorstellen dat het een uitdaging is om dat zo goed mogelijk uit te werken, ook in het kader van de informatiedeling die we wenselijk achten.

Bovendien bestaan er uiteenlopende structuren en bestaande werkprocessen. Onder meer de betrokkenheid van het openbaar ministerie en de toekenning van de bevoegdheid van officier van de gerechtelijke politie zijn knopen die moeten worden doorgehakt.

Ik ben er evenwel van overtuigd dat er een gedeelde wil bestaat om tot een succesvolle oplossing te komen. Er heerst bij iedereen een groot gevoel van urgentie, waardoor alle deelnemers aan die overlegmomenten aan een werkbaar model werken.

Het COIV is een noodzakelijk en nuttig orgaan, ook in de follow-the-moneyketen. Het COIV moet kunnen uitgroeien tot een volwaardig beheersorgaan en kenniscentrum, dat andere actoren op het terrein systematisch kan ontlasten en bijstaan. Het COIV is geen incassobureau, maar het heeft als kenniscentrum wel degelijk een toegevoegde waarde. Door een beter beheer kunnen we ook meer opbrengsten genereren. De bedoeling is om die vervolgens te herinvesteren in justitie en de veiligheidsdiensten.

Ik ben zelf geen voorstander van een volledige integratie van het COIV in enige andere organisatie. Vandaag maakt het deel uit van het openbaar ministerie. De toegevoegde waarde daarvan wordt ook erkend, mits de nodige verbeteringen en versterkingen. Dat moet ook zo blijven.

Wat het drugsfonds betreft werd in het verleden al beslist om gelden voor bepaalde projecten vrij te maken. De opvolging daarvan, met aandacht voor de return en de impact van die investeringen, is zeer belangrijk. Dat is iets waar we samen met het Drugscommissariaat aan werken en waarop ook de taskforce CrimOrg de komende maanden verder zal toezien.

Sophie De Wit:

Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. Ik noteer dat er inzake de FIOD overleg lopende is, wat ik goedvind, maar u mag het mij niet kwalijk nemen dat ik het in dat kader wel vreemd vind dat er dan ook communicatie over het drugsfonds komt. Naar mijn gevoel lopen die zaken wat door elkaar. Ik zal dat zeker opvolgen, want het is belangrijk dat ook dat deel van het regeerakkoord met spoed wordt uitgevoerd.

De overheveling van de gezondheidszorg in de gevangenissen naar Volksgezondheid

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Orde van Artsen klaagt de structurele schendingen van gezondheidsrechten in gevangenissen aan en pleit voor overdracht van de gevangeniszorg naar Volksgezondheid. Minister Verlinden bevestigt dat deze gefaseerde overdracht loopt: eerste stappen (RIZIV-integratie, aanwerving psychologen) zijn gezet, een proefproject in twee gevangenissen volgt, en het geneesmiddelenbeheer wordt voorbereid, maar benadrukt dat de operatie complex en tijdrovend is. Dillen stelt dat de kritiek op negeren van de problemen afkomstig is van de Orde, niet van haar. De overdracht blijft onomkeerbaar, maar vergt nog concrete uitvoering.

Marijke Dillen:

De Orde van Artsen heeft in een officieel advies zwaar uitgehaald naar de compleet belabberde toestand in de gevangenissen waar volgens de Orde “gevangenisartsen systematisch vaststellen dat de fundamentele rechten qua gezondheidszorg op ontoelaatbare wijze worden geschonden". De Orde vindt het bovendien “ontoelaatbaar dat deze problemen worden genegeerd".

Eerder dit jaar getuigden enkele gevangenisartsen over de dramatische situatie in verschillende gevangenissen.

Al lang wordt er een pleidooi gehouden om de gezondheidszorg in de gevangenissen weg te halen van de minister van Justitie en om de zorg in de gevangenissen om te vormen tot een volledige en volwaardige Volksgezondheidsbevoegdheid. Op deze wijze kan de zorg in de gevangenissen, die vandaag sterk te wensen overlaat, worden verbeterd. Ook de Orde van Artsen is hier voorstander van.

De minister heeft in de media verklaard dat er reeds stappen zijn ondernomen.

Welke initiatieven werden er deze legislatuur reeds genomen om de medische dienstverlening ook achter de gevangenismuren gecoördineerd te zien door Volksgezondheid? Zo ja, graag een gedetailleerd overzicht.

Wat is hier het standpunt van de bevoegde minister van Volksgezondheid? Deelt hij het standpunt van de minister en is er bereidheid om hiervan op zeer korte termijn werk te maken?

Annelies Verlinden:

Mevrouw Dillen, er werd al eerder beslist om de penitentiaire gezondheidszorg naar de FOD Volksgezondheid over te dragen. Die overdracht wordt gefaseerd uitgevoerd. De eerste fase betrof de integratie in het RIZIV van alle medische prestaties die tijdens detentie buiten de gevangenismuren worden uitgevoerd. Zowel de FOD Justitie als de FOD Volksgezondheid hebben ook eerstelijnspsychologen en maatschappelijk assistenten aangeworven voor de medische diensten van de gevangenissen. Op die manier werd een belangrijke stap gezet naar de organisatie van een multidisciplinaire eerstelijnsgezondheidszorg.

Op dit moment loopt de voorbereiding van de overname door het RIZIV van het gehele geneesmiddelenbeheer voor alle gevangenissen. Het is geen evidente oefening, ze vraagt voorbereiding zowel op het gebied van regelgeving als operationeel. Binnenkort zullen twee gevangenissen worden aangewezen waar een proefproject zal starten met het oog op de integrale overdracht van de gezondheidszorg. Dat project zal de FOD Volksgezondheid de kans geven om een of meer zorgmodellen uit te testen.

Kortom, de weg naar een integrale overdracht van de gezondheidszorg in de gevangenissen naar de FOD Volksgezondheid is onomkeerbaar ingeslagen. Het lijkt me dus niet correct te stellen dat dit probleem genegeerd wordt, maar een bevoegdheidsoverdracht van deze aard in een operationele organisatie is complex en dus ook tijdsintensief.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik was niet van plan om nog te repliceren, omdat u duidelijk hebt geantwoord, maar u laat uitschijnen dat ik mondeling of in mijn schriftelijk ingediende vraag de aanklacht heb geformuleerd dat de problemen worden genegeerd, terwijl die aanklacht afkomstig is van de Orde van artsen.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56008970C de M. Prévot et n° 56009421C de M. Jadoul sont reportées. M. Soete est absent pour poser sa question n° 56008985C.

De veroordeling van de Staat tot dwangsommen aan een geïnterneerde wegens gebrek aan gepaste zorg

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Hof van Beroep Antwerpen veroordeelde de Belgische Staat tot een dwangsom van €250/dag (max. €250.000) omdat een geïnterneerde DVL-patiënt sinds 2008 onvoldoende gespecialiseerde psychiatrische zorg krijgt en tussen gevangenissen pendelt, in strijd met EVRM-art. 5.4 en EHRM-rechtspraak. Minister Verlinden bevestigt dat het arrest (nog niet betekend) een structureel falen blootlegt—geïnterneerden horen niet in gevangenissen—maar wijst op afhankelijkheid van FOD Volksgezondheid en deelstaten voor geschikte plaatsing, terwijl de KBM de uiteindelijke beslissing neemt. Er is nog geen oplossing, hoewel versnelling wordt gezocht; een identieke vordering loopt nog bij de rechter ten gronde. De minister erkent dat meerdere veroordelingen dreigen zonder systeemwijziging.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Recent heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de Belgische Staat veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van 250 euro per dag vertraging met een maximum van 250.000 euro aan geïnterneerde DVL wanneer deze man niet binnen de maand wordt overgeplaatst naar een geschikte psychiatrische instelling waar hij gepaste zorg krijgt.

Deze man werd in 2008 ontoerekeningsvatbaar verklaard na een veroordeling wegens belaging en bijgevolg geïnterneerd. De realiteit was een eindeloze pendel tussen gevangenissen, de F.P.C. 's van Gent en Antwerpen en nu de gevangenis van Merksplas.

Het Hof is duidelijk: deze man moet naar een instelling die aansluit bij zijn persoonlijke noden en die gespecialiseerd is in het begeleiden van geïnterneerden. De Staat kan zich niet langer verschuilen achter het argument dat het tijd kost om een geschikte plaats te vinden. De Staat schendt de wetgeving en de mensenrechten waarbij ook verwezen wordt naar de rechtspraak van het E.H.R.M.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende dit duidelijke arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen? Werd dit arrest inmiddels betekend?

Welke initiatieven heeft de minister inmiddels genomen om gevolg te geven aan deze uitspraak teneinde te vermijden dat er dwangsommen dienen te worden betaald? Werd er inmiddels een geschikte plaats gevonden? Graag meer toelichting.

Annelies Verlinden:

Het arrest werd op 6 oktober geveld en is momenteel nog niet betekend. Het vrij summier gemotiveerde arrest vormt een strikte toepassing van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat oordeelt dat het verblijf van een geïnterneerde in een inrichting beheerd door de penitentiaire administratie, na afloop van een redelijke termijn per definitie een schending vormt van artikel 5.4 van het EVRM en dus een fout in hoofde van de Belgische Staat is.

Waar de rechter in eerste aanleg nog rekening hield met de houding en het gedrag van de betrokkene, die zijn externe plaatsing zelf tegenwerkt, om de vordering in kortgeding af te wijzen, deed het hof dit niet. Het arrest betreft een uitspraak in de kortgedingprocedure. Een identieke vordering is ook nog hangende voor de rechter ten gronde. Het zal dan ook afwachten zijn wat de rechter ten gronde beslist.

Aangezien het arrest nog niet werd betekend, is de termijn vanaf wanneer dwangsommen verschuldigd zouden zijn nog niet beginnen te lopen.

Hoe dan ook is deze uitspraak geen verrassing. Er waren eerder al veroordelingen in dezelfde zin en er zullen er mogelijk nog volgen.

De problematiek van geïnterneerden in een gevangenis dient structureel te worden aangepakt, waarbij geïnterneerden niet langer in een gevangenis verblijven.

Zoals na elke veroordeling tot overbrenging wordt met de inrichting van verblijf gekeken naar de mogelijkheden om het proces van overbrenging naar een meer geschikte inrichting te versnellen. Daarvoor wordt overigens niet op een veroordeling gewacht. Het is de insteek in elk dossier van een geïnterneerde die verblijft in een gevangenis.

De FOD Justitie is daarbij evenwel afhankelijk van de KBM, die een concrete plaatsingsbeslissing dient te nemen en, indien die beslissing een residentiële opname behelst, van de beschikbaarheid van een plaats in een inrichting die beantwoordt aan het profiel van de betrokken geïnterneerde.

Het betreft, zoals gezegd, een structureel en complex probleem waar ook andere departementen, in het bijzonder de FOD Volksgezondheid en de deelstaten, geacht worden aan een oplossing mee te werken.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister.

Voorzitter:

La question n° 56009063C de M. Yzermans est transformée en question écrite. Les questions jointes n os 56009074C et 56009558C de Mmes De Wit et Dillen sont reportées. La question n° 56009098C de M. Van Rooy est transformée en question écrite. Le sort de la question n° 56009101C de M. Cornillie, qui est absent, n'est pas encore déterminé. Les questions jointes n os 56009120C, 56009211C et 56009229C de Mmes De Wit et Dillen et de M. Yzermans sont reportées. La question n° 56009123C de Mme De Wit est transformée en question écrite. Les questions et l’interpellation jointes n os 56009146C, 56000150I, 56009203C et 56009215 de MM. Van Rooy, Van Hoecke et Bergers et Mme De Wit sont reportées. Les questions n os 56009154C et 56009157C de M. Van Hecke sont reportées sauf s’il n’y pas de séance demain. Dans ce cas-là elles seront transformées en questions écrites. On déterminera cela à la fin de la séance .

De toekomst van het Welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 21 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Welzijnsonthaal in Antwerpen (Vlinderpaleis), een succesvolle brug tussen Justitie en Welzijn, dreigt te sluiten door stopzetting van stadssubsidies (per juni 2025), omdat het CAW de werking nu structureel zou moeten dragen—wat de stad niet langer financiert. Minister Verlinden bevestigt logistieke en huisvestingssteun van Justitie (5 medewerkers) maar wijst financiering van CAW-personeel af, terwijl Dillen pleit voor behoud en uitrol naar andere rechtbanken, met koppeling aan griffies, parket en juridische hulp. *Besluit sluiting nog niet definitief*, maar stad en CAW blijven knelpunt; geen concrete plannen voor landelijke uitrol gemeld.

Marijke Dillen:

Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.

Mevrouw de Minister,

Het Welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis te Antwerpen functioneert goed en beantwoordt aan een duidelijke nood. Er gaan geruchten dat door tekorten bij het CAW dit zou gesloten worden. Dit is allesbehalve wenselijk. Integendeel, een verdere rol is absoluut aangewezen om de noodzakelijke brug tussen Justitie en Welzijn te blijven leggen.

Ook een uitrol van een Welzijnsonthaal in elke hoofdplaats van een afdeling is wenselijk waarbij zowel een persoonsgerichte als een structurele werking moet worden beoogd en er een link moet zijn tussen de griffiers en de parketsecretariaten, de juridische eerste- en tweedelijnsbijstand en het lokale CAW.

Kan de Minister meer toelichting geven betreffende de mogelijke plannen om het Welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis te sluiten ? Heeft er overleg plaatsgevonden met het CAW ? Is deze beslissing reeds definitief ? Of gaat de Minister een initiatief nemen om de toekomst van dit Welzijnsonthaal te garanderen ?

Heeft de Minister reeds initiatieven genomen om ook in andere Rechtbanken een Welzijnsonthaal uit te rollen ? Zo ja, wat is de stand van zaken ? Welke stappen werden er reeds gezet ? Welke middelen worden er hiervoor vrijgemaakt ? Zo neen, gaat de Minister een initiatief nemen om ook in andere Rechtbanken een welzijnsonthaal te realiseren ?

Annelies Verlinden:

Het welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis in Antwerpen is ontstaan als een samenwerking tussen de rechtbank van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbank, de arbeidsrechtbank, het Openbaar Ministerie, de balie, het CAW Antwerpen en de stad. Financieel steunde het welzijnsonthaal op projectsubsidies van de stad. De logistieke ondersteuning werd geleverd door Justitie. De balie voorzag in eerstelijnsbijstand.

In juni 2025 gaf de stad aan dat zij de projectsubsidies wenste stop te zetten, omdat daarmee structureel medewerkers van het CAW werden betaald, wat volgens de stad niet tot haar bevoegdheden behoorde. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg organiseerde daarop een overleg met alle betrokken actoren. De stad benadrukte tijdens het overleg dat de projectsubsidie niet langer kan en moet worden betaald, aangezien het welzijnsonthaal ondertussen deel is gaan uitmaken van de reguliere werking van het CAW.

Hoewel de financiering van het CAW niet onder mijn bevoegdheid valt, blijven wij ons engageren om de logistieke ondersteuning door een vijftal medewerkers en de huisvesting van het welzijnsloket te verzekeren.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dat is positief nieuws. Ik heb al herhaaldelijk aangegeven dat het welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis bijzonder goed functioneert en aan een aantal noden tegemoetkomt. Het zou dan ook bijzonder spijtig zijn, mocht dat gesloten worden. Ook de magistraten zullen u dankbaar zijn, want uit uw antwoord begrijp ik dat u de financiering van de medewerkers van het CAW naar Justitie zult overhevelen. Dat is een goede zaak.

Ik betreur alleen de beslissing van de stad, want zij had ook veel voordeel bij een goede werking van het welzijnsonthaal.

Voorzitter:

La question n° 56009398C de M. Van Hoecke est transformée en question écrite, tout comme les questions n° 56009433C de Mme De Wit et n° 56009445C de M. Ribaudo.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, graag wil ik de samengevoegde vragen nr. 56009502C van mevrouw De Wit en nr. 56009556C van mezelf uitstellen op vraag van collega De Wit.

Voorzitter:

Ces questions sont donc reportées. La question n° 56009503C de Mme De Wit est transformée en question écrite.

De ongeziene situatie bij het Verzekeringscomité door het uitblijven van een akkoord
De RIZIV-begroting
De RIZIV-begroting en het voorstel van het Verzekeringscomité
Financiële en bestuurlijke uitdagingen binnen RIZIV en Verzekeringscomité door gebrek aan akkoorden

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische regering plant 907 miljoen euro te besparen in de gezondheidszorg tegen 2026, ondanks massale protesten van ziekenhuizen, zorgverleners, mutualiteiten en patiëntenorganisaties, die waarschuwen voor overbelaste staf, gesloten afdelingen, langere wachttijden en hogere eigen bijdragen—met name voor kwetsbare groepen. Minister Vandenbroucke benadrukt "gerichte investeringen" (1,5 miljard extra, inclusief indexering en betere terugbetalingen), maar critici ontmaskeren dit als schijninvesteringen: 469 miljoen van de beloofde 756 miljoen ontbreekt in de begroting, terwijl de echte besparingen neerkomen op bezuinigingen op personeel, medicijnen en consultaties, wat de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg verder uitholt. Het historische vertrouwensverlies in het overlegmodel (RIZIV) is compleet: de sector weigert de opgelegde, niet-onderhandelbare besparingsdoelen, beschuldigt de regering van topdown-beleid zonder draagvlak en ziet dit als een "doodsteek voor de solidariteit" in de zorg. De oppositie eist meer transparantie, echte investeringen in personeel en geestelijke gezondheidszorg—en niet "besparen op Excel-cijfers ten koste van patiënten"—maar Vandenbroucke houdt vast aan "meer gezondheid voor ons geld", zonder concrete oplossingen voor de acute crisis in ziekenhuizen en eerste lijn.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, votre gouvernement prévoit d'économiser deux milliards d'euros sur nos soins de santé d'ici 2029 et près d'un milliard rien que pour 2026. Je ne sais pas pourquoi d'ailleurs, mais je sens que ce sera pire que ce que vous annoncez.

Depuis des mois, pourtant, nous vous mettons en garde. Les économies que vous imposez auront des conséquences dramatiques sur les hôpitaux, sur les soignants et sur les patients. Aujourd'hui, tous les acteurs du secteur tirent la sonnette d'alarme: hôpitaux, mutualités, médecins, syndicats, associations de patients, absolument tous. Et pour la première fois depuis 20 ans, le Comité de l'assurance, qui réunit mutualités, hôpitaux et prestataires de soins, n'a pas réussi à trouver un consensus sur le budget santé 2026. Un blocage historique, donc, mais aussi un message qui est clair: le malaise est profond. En effet, les économies que vous exigez sont à la fois irréalistes et socialement inacceptables. Pourquoi? Parce qu'aujourd'hui déjà, les soignants sont épuisés, les hôpitaux sont à la corde et les délais d'attente chez les spécialistes ne cessent de s'allonger.

Je voudrais d'ailleurs ajouter que, en cette semaine de la santé mentale, les services pédopsychiatriques sont saturés, laissant des centaines d'enfants et de jeunes seuls avec leur détresse. Je vous le demande donc solennellement, monsieur le ministre, après avoir décidé d'augmenter le prix des médicaments, allez-vous vraiment oser augmenter le prix des consultations chez le médecin? Allez-vous vraiment oser augmenter les tickets modérateurs? Il est encore temps de changer de cap, d'arrêter cela, parce que vous le savez comme moi, chaque euro de plus, c'est un frein de plus pour ceux qui ont besoin de soins, c'est une inégalité de plus entre ceux qui peuvent payer et ceux qui doivent renoncer – et on le sait, ils sont nombreux. Aujourd'hui, c'est vous et votre gouvernement qui détenez les cartes pour élaborer le budget des soins de santé 2026. Et je vous le dis sans détour, cela ne nous rassure pas du tout. Par conséquent, quelles horreurs allez-vous imposer demain au secteur de la santé alors qu'elle a besoin (...)

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister Vandenbroucke, u wilt een ongeziene besparingsoperatie doorvoeren in de zorg. De grote arizonashow van investeren in de zorg loopt helemaal ten einde. U wilt in 2026 907 miljoen euro besparen op de kap van het zorgpersoneel en de patiënten.

U beweert dat u respect hebt voor de helden van de zorg. U hebt meegedaan met het goedkope applaus. Hoe vertaalt dat respect zich echter in daden? U wilt besparen op de ziekenhuizen. Dat betekent dat afdelingen worden gesloten en personeel wordt afdankt. Voor de zorgkundigen die overblijven, stijgt de werkdruk nog meer, hoewel die nu al ondraaglijk is.

U beweert dat u respect hebt, maar het zorgpersoneel moet langer werken voor een lager pensioen en altijd maar flexibeler worden. U blokkeert de lonen en valt de nachtpremies aan. Wanneer het zorgpersoneel op het einde van de rit uitvalt en zelf ziek wordt, kreunend onder uw beleid en uw besparingen, wilt u die mensen nog eens opjagen en sanctioneren. U hebt geen enkel respect voor de helden van de zorg.

Voor de patiënten betekenen de besparingen nog langere wachttijden, hogere ereloonsupplementen, een hoger remgeld bij de artsen en een hoger remgeld voor medicatie. Alle zorg die u niet meer financiert, moeten de mensen immers uit eigen zak betalen. Zij die het geluk hebben om een privéverzekering te hebben, zoals ieder van u hier, ondervinden geen probleem. Alle anderen zullen moeten beginnen sparen en hopen dat ze niet ziek worden.

U wilt 907 miljoen euro besparen en u hebt de opdracht gegeven aan de sector, maar die sector heeft de opdracht maandag terecht geweigerd. Wat u wilt doen, is volgens de mutualiteiten, de ziekenhuizen en de artsen een doodsteek voor de zorg. Zij hebben gesteld dat zij hun waardigheid willen behouden en die besparingen niet zullen doen. Als u dat wilt doen, moet u het voor hen maar zelf doen en zelf de volle verantwoordelijkheid dragen.

Mijn vraag is eenvoudig. De bal ligt nu opnieuw in uw kamp. U hebt het mes in handen. Zult u, zoals wij ondertussen van u gewend zijn, (...)

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, hetgeen afgelopen week in het Verzekeringscomité gebeurde, is symptomatisch voor de manier waarop u omgaat met overleg en verantwoordelijkheid in de gezondheidszorg. Een besparingsplan van 900 miljoen euro is niet min en het betreft keuzes die rechtstreekse gevolgen hebben voor de zorgcontinuïteit, de aantrekkelijkheid van het beroep en uiteindelijk ook de patiënt. Zulke beslissingen vragen overleg, draagvlak en transparantie.

De overlegpartners hebben, zoals verwacht, het voorstel verworpen. Dat is ongezien. Men deed dat niet omdat men niet bereid was tot inspanning, maar wel omdat het zogezegde overleg in feite niet meer was dan een afvinkvergadering. Men kreeg uw vooraf uitgeschreven opdrachtenbrief, met een besparingsbedrag dat al vastlag, zonder ruimte om te onderhandelen of alternatieven aan te reiken. De artsen spreken over een ontsporing van het overlegmodel en stellen dat u en uw kabinet zich de bevoegdheden van het Verzekeringscomité toemeten.

Mijnheer de minister, het RIZIV-overlegmodel was ooit de ruggengraat van onze gezondheidszorg. U breekt die ruggengraat echter wervel voor wervel af, en dat in een periode waarin ziekenhuizen, huisartsen en zelfstandige zorgverleners op hun tandvlees zitten en patiënten geconfronteerd worden met langere wachttijden en hogere kosten.

Waarom laat u het sociaal overleg zijn werk niet doen?

Wat zult u doen om het vertrouwen in het overlegmodel in het Verzekeringscomité te herstellen, zodat de patiënt niet de dupe wordt van de vertrouwensbreuk? Met andere woorden, hoe moet het nu verder, mijnheer de minister?

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, wij investeren in de gezondheidszorg. Er komt volgend jaar anderhalf miljard euro bij. Dat laat toe om alle vergoedingen volledig te indexeren. Het laat toe om meer mensen te verzorgen. Het laat toe om meer medicamenten terug te betalen. We investeren dus.

Die investeringen moeten we wel zorgvuldig gebruiken. Het kraantje gewoon openzetten en het water laten lopen, is het slechtste wat we kunnen doen. Daarom hebben we, zoals altijd, gevraagd aan de artsenorganisaties, de tandartsenorganisaties, de kinesitherapeuten, de logopedisten en de ziekenfondsen om na te denken over hoe we het bijkomend anderhalf miljard euro zo goed mogelijk kunnen gebruiken voor de gezondheid van de mensen en voor de toegankelijkheid van de gezondheidszorg.

Daar was helaas geen overeenkomst over, en de normale spelregels van het overleg gelden. De regering zal dus een voorstel doen aan de Algemene Raad van het RIZIV, waarin de sociale partners zetelen. Ik hoop dat er daar wel een draagvlak komt voor een ernstige en goede investering in de gezondheidszorg.

Wat mij betreft, is het motto eigenlijk eenvoudig: meer geld voor de gezondheidszorg, maar ook meer gezondheid voor ons geld.

Wat men volgens mij toch moet aanvaarden, is dat een euro maar één keer kan worden uitgeven. We investeren enorm in geestelijke gezondheidszorg. Daar heeft de Christelijke Mutualiteit gisteren nog een interessant rapport over gepubliceerd. Die investering in de geestelijke gezondheidszorg is enorm. We zijn ook aan het investeren in kinderpsychiatrie. Dat vraagt geld. De euro's die we zinloos uitgeven aan maagzuurremmers, zullen we niet kunnen besteden aan geestelijke gezondheidszorg. Het geld dat we uitgeven aan een medicament dat misschien wel een beetje nuttig is, onder het motto 'baat het niet, dan schaadt het niet', kunnen we vandaag beter aan andere medicatie besteden die hard nodig is en die een enorme meerwaarde heeft, maar die nog niet terugbetaald wordt, hoewel patiënten erop zitten te wachten.

Solidariteit is de basis van gezondheidszorg. Daar moeten we zeer zorgvuldig mee omgaan. De doodsteek van de solidariteit is er kwistig mee zijn en het kraantje gewoon openzetten. Daarover gaat het. In moeilijke tijden die solidariteit hooghouden en de juiste prioritaire noden eerst bedienen, dat is de inzet. Dat vraag van iedereen een inspanning.

Si, historiquement, on peut dire que nos soins de santé sont solides, c’est parce qu’ils reposent exactement sur cette solidarité, mais nous devons en faire un usage judicieux. Judicieux signifie utiliser les ressources disponibles. Celles-ci sont croissantes. Il faut utiliser ces ressources à bon escient et de manière ciblée, et ne pas simplement laisser les vannes ouvertes. Au contraire, si nous voulons une marge pour bien investir dans les soins de santé, pour continuer à investir, également dans le personnel soignant, nous devons porter un regard critique sur les dépenses qui ont lieu aujourd'hui. Et cela, il est vrai, c’est un effort conséquent et pas facile que nous demandons à tous les acteurs, à chacun d’entre eux. S’ils ne tombent pas d'accord, c’est à nous d’agir. J’espère donc que lors du Conseil général, il y aura de nouveau un consensus pour un investissements solide, bien ciblé, dans les soins de santé.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, vous nous répétez systématiquement la même chose à cette tribune, mais les investissements sont insuffisants pour répondre aux besoins de la population, et vous le savez très bien. Les économies qui sont demandées aujourd'hui aux acteurs sont déraisonnables, et on en voit le résultat. On se demande vraiment dans quel monde vit le gouvernement. Allez passer une nuit dans un hôpital avec un infirmière qui tient à bout de bras son service toute seule pendant la nuit ! Dans quel monde peut-on imaginer faire porter de tels charges sur le dos des patients, des soignants et des hôpitaux? Comment peut-on imaginer demander autant d’efforts à un secteur dans lequel il faudrait au contraire investir davantage? Dans ce secteur les besoins sont criants, immenses et urgents. Nous ne voulons pas que la santé soit une variable d’ajustement budgétaire. Elle est le pilier de notre cohésion sociale, et le pilier de notre bien-être collectif.

Vous me permettrez, chers collègues des Engagés, de me tourner vers vous, parce que nous ne croyons plus en vos promesses. Vous disiez, et vous avez encore osé le répéter aujourd'hui, que vous ne toucheriez jamais à la santé. Mais regardez ce qui est en train de se passer. On y touche en plein cœur et sans le moindre état d’âme!

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, u komt altijd met hetzelfde riedeltje dat we investeren, maar u liegt. Die zogezegde grote investeringen bestaan enkel in woorden en op sociale media. Die bestaan alleen in de bubbel waarin u leeft. U zegt dat de groeinorm 2 % bedraagt en dat er 756 miljoen euro bijkomt in 2026. Het rapport van de Commissie voor Begrotingscontrole van het RIZIV van twee weken geleden stelt dat volgend jaar meer dan de helft van dat bedrag niet gefinancierd is. Van de 756 miljoen euro die u belooft, is 469 miljoen euro niet te vinden in de begroting en de budgetten. Dat loopt op tot een half miljard tegen het einde van de legislatuur, waardoor er voor het sociaal akkoord voor het zorgpersoneel geen rotte frank overblijft. Zijn dat dan uw prioriteiten? Die loze woorden betekenen niets. De waarheid staat in de tabellen: er wordt bijna een miljard bespaard en er wordt nog geen 300 miljoen geïnvesteerd. Dat is de waarheid.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de regering zal een voorstel doen aan de Algemene Raad. Dat is uw overlegmodel: de regering zal beslissen. Als u de spelregels van het overlegmodel herschrijft, hoeft het u niet te verbazen dat niemand nog wil meespelen. Dit gaat over de kern van ons solidariteitsmodel. Zonder vertrouwen van en in de zorg is er geen zorg, enkel frustratie en kwaliteitsverlies. In de gezondheidszorg, mijnheer de minister, bespaart men niet op cijfertjes en Exceltabellen, maar op mensen. Wie bespaart op de dokter, moet durven toegeven dat de patiënt de factuur zal betalen. Het Vlaams Belang is voorstander van overleg, evidencebased beleid en vertrouwen in het systeem. U en uw kabinet doen echter net het omgekeerde: centralisering, wantrouwen, top-downsturing en vooral egobased beleid. Tegenover dit socialistisch beleid stelt het Vlaams Belang een zorgbeleid met gezond verstand: minder kabinet, meer overleg, minder Excel, meer mens.

De gelijkstelling van periodes van ziekte en moederschapsrust bij een pensioenmalus

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 9 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

cd&v eist dat ziekteperiodes (bv. kanker, MS) en moederschapsrust volledig meetellen als gewerkte dagen voor het pensioen, om dubbele afstraffing van zieken en vrouwen (met name pre-2003 bevalling) te voorkomen. Minister Jambon bevestigt dat moederschapsrust gelijkgesteld wordt en dat ziektecorrectie besproken wordt, maar benadrukt re-integratie boven vervroegd pensioen. Lanjri (cd&v) dringt aan op volle gelijkstelling (geen lichte correctie) en noemt dit essentieel voor een rechtvaardige hervorming. De regering onderzoekt nog concrete maatregelen.

Nahima Lanjri:

Wie ziek wordt, kiest daar niet voor. Toch riskeren mensen die ooit ernstig ziek zijn geweest, bijvoorbeeld, door kanker, MS of een andere zware ziekte, binnenkort mogelijk een lagere pensioenuitkering als ze vervroegd met pensioen gaan. In die gevallen wil men ziektedagen niet volledig gelijkstellen met effectief gewerkte dagen. Wij willen vanuit cd&v evenwel een pensioenstelsel dat sociaal en rechtvaardig is. Wie de pech heeft gehad om ziek te worden, mag niet nogmaals worden afgestraft bij het pensioen.

Hetzelfde geldt voor moederschapsrust. Het is logisch dat de dagen van moederschapsrust meetellen voor het pensioen. Dat is in principe ook de bedoeling. Helaas blijkt dat voor vrouwen die v óó r 2003 bevallen zijn, die periodes vaak als ziekteverlof en niet als zwangerschapsverlof werden geregistreerd. Een van de voorgestelde oplossingen is dat vrouwen zelf moeten bewijzen dat ze bevallen zijn, moederschapsrust hebben genomen en niet ziek waren. Stel u voor. Een vrouw van 64 jaar oud vraagt haar pensioen aan en men vraagt haar om aan te tonen dat ze in 1987 geen ziekteverlof, maar moederschapsrust heeft opgenomen. Dat is natuurlijk de wereld op zijn kop en dat willen we niet.

Daarom, mijnheer de minister, is het voor ons duidelijk: zorg ervoor dat die periodes gelijkgesteld worden. Niet alleen zwangerschapsrust, maar ook ziekteperiodes moeten gelijkgesteld worden voor het pensioen. Op die manier slaat men twee vliegen in één klap: zieken en vrouwen worden niet afgestraft. Geen enkele vrouw zal nog gevraagd worden om te bewijzen dat ze bevallingsverlof heeft opgenomen in plaats van ziekteverlof. Dat is logisch en eerlijk. Dat is een faire pensioenhervorming, iets waar wij allen in dit Parlement voor zouden moeten staan.

Bent u het daarmee eens?

Jan Jambon:

Mevrouw Lanjri, zoals u ongetwijfeld weet, lopen de besprekingen over een mogelijke aanpassing in tweede lezing van de arizonapensioenwet momenteel binnen de regering. Zoals ik vorige week in de Commissie voor Sociale Zaken toelichtte, ligt ook het voorstel op tafel om alle vormen van moederschapsrust gelijk te stellen met effectief gewerkte dagen, zodat voldaan wordt aan de werkvoorwaarden, ook voor de nieuwe vorm van vervroegd pensioen van 60 jaar na 32 effectief gewerkte jaren van elk minstens 234 dagen.

Ook de discussie over de gelijkstelling van periodes van langdurig ziekte om bij vervroegd pensioen gevrijwaard te worden van de malus wordt zoals afgesproken nog verder gevoerd binnen de regering. Daarbij zal ook het voorstel om te voorzien in een vorm van ziektecorrectie aan bod komen. Het spreekt voor zich dat ik niet kan vooruitlopen op het resultaat van deze besprekingen, maar ik kan wel bevestigen dat de voltallige regering volmondig achter de doelstelling staat om langdurig zieken niet aan hun lot over te laten, maar om extra in te zetten op hun re-integratie, bijvoorbeeld in de vorm van een deeltijdse progressieve werkhervatting. Dat is volgens mij een veel betere oplossing voor henzelf en voor de sociale zekerheid dan hen zo snel mogelijk te laten doorstromen naar een vervroegd pensioen.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, een pensioenhervorming is nodig als we de pensioenen betaalbaar willen houden, maar die moet rechtvaardig zijn. Ik heb in februari al meteen gezegd dat die ziektedagen moesten meetellen en ik herinner mij dat u zich toen vergiste en dacht dat die ziektedagen meetelden. Elke logisch denkende mens zou immers denken dat die ziektedagen zouden meetellen en dat men daar niet voor afgestraft zou worden. Ik ben bij te horen dat u nog bereid bent om binnen de regering te bekijken hoe we niet alleen de moederschapsrust, maar ook die ziektedagen kunnen meepakken. Voor cd&v moet het meer zijn dan een lichte correctie en moet die periode volledig meetellen. Men kan daar immers niet aan doen, men kiest er niet voor om bijvoorbeeld ALS, MS of kanker te krijgen. Laten we dus kiezen voor een faire en zorgzame pensioenhervorming.

De schietpartijen in Sint-Gillis en de drugshandel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 9 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de vertraging in de uitvoering van 20 anti-narcotraficmaatregelen uit het regeerakkoord, met name in Brussel, waar fusillades (zoals in Saint-Gilles) en onderfinanciering van lokale politiezones de veiligheid ondermijnen. Minister Quintin benadrukt lopende acties zoals politiële versterking (31 extra eenheden, 40 vanaf 2025), anti-witwasoperaties (Belfi), camera’s (€20M) en militaire steun, maar erkent dat de fusie van politiezones en "Grandes Villes"-plannen weerstand oproepen. Nuino dringt aan op snel refinancieren van onderbetaalde lokale zones (cruciaal voor eerste lijnsbestrijding) en transparantie via een dashboard om de voortgang van de maatregelen te monitoren, met als kernboodschap: veiligheid als fundamenteel recht mag in Brussel niet langer wachten.

Ismaël Nuino:

Monsieur le ministre, je sais que vous avez beaucoup de dossiers à traiter pour le moment. La semaine dernière, mon très estimé collègue Lutgen vous posait encore une question sur l'un d'eux. En tout cas, nous serons absolument d'accord pour reconnaître que la priorité doit être réservée au narcotrafic. En effet, celui-ci entraîne des conséquences dramatiques sur la sécurité des Belges et plus particulièrement des Bruxellois.

Je souhaitais vous poser une question sur la fusillade qui a encore eu lieu cette semaine à Saint-Gilles. Au regard des trop nombreuses fusillades qui l'ont précédée, je me suis rendu compte que je vous avais posé la même question en séance plénière voici six mois. Par conséquent, ma question est une sorte de clause de rendez-vous pour savoir où vous en êtes dans l'application de l'accord de gouvernement et dans l'exécution de ses mesures. Je sais que, le 1 er octobre, vous avez eu l'occasion de pouvoir faire le point et de parler de la task force.

Cela dit, je souhaiterais savoir où l'on en est dans l'application de la vingtaine de mesures figurant dans l'accord de gouvernement et qui sont pratiquement les meilleures dont nous puissions disposer, puisque nous avions à table le bourgmestre d'Anvers. En effet, il est le premier à avoir eu à affronter le narcotrafic en Belgique et à avoir connu les fusillades – bien avant Bruxelles. Il sait donc de quoi il parle. Il n'est pas nécessaire de parler de ces initiatives dans une task force, car elles nécessitent d'être prises le plus rapidement possible. Parmi elles, on trouve la création d'un Fonds drogues, la technique du " Follow the value " – qui consiste à s'attaquer au portefeuille des narcotrafiquants, à leur faire mal à travers leurs moyens financiers –, peut-être encore la surveillance de la criminalité organisée afin d'en mieux connaître le fonctionnement et de voir comment, à Bruxelles en particulier, certains commerces servent à blanchir de l'argent. Toutes ces mesures existent.

Monsieur le ministre, selon quel calendrier allez-vous appliquer ces dispositions? Quelles sont les mesures que vous avez déjà prises? Je sais que vous avez fait beaucoup, mais il reste encore beaucoup de choses à accomplir. J'aimerais en savoir plus.

Bernard Quintin:

Monsieur le député, j'ai en effet beaucoup de choses à faire, ce qui est normal. Nous sommes payés pour cela.

Je n'ai pas attendu l'incident à Saint-Gilles pour être interpellé sur le sujet. Je suis sur le terrain plus que régulièrement, à la rencontre des habitants et aussi des forces de l'ordre. À la fin de l'été, j'étais avec les habitants de la place Bethléem, où la fusillade – avec des balles qui se sont fichées dans une école – a eu lieu. Je suis aussi allé à Molenbeek, à Anderlecht ainsi qu'à d'autres endroits.

Je tiens quand même à rappeler ici que ce sont les zones de police locale qui s'organisent pour la première ligne. Dans le cas de la zone Midi – puisque vous parliez de Saint-Gilles –, c'est une zone avec trois communes. Il y a un président de zone, le bourgmestre d'Anderlecht, un chef de corps, et plus de 1 000 policiers, dont je salue le travail au quotidien. La police fédérale, elle, vient en soutien. C'est le principe même de la police intégrée à deux niveaux. Ce soutien fédéral est constant – c'est en tout cas ainsi depuis le début de mon mandat – avec des dizaines de policiers fédéraux qui sont tous les jours sur le terrain, un renforcement de la PJF de Bruxelles comme cela a été demandé: 31 unités, et 40 qui seront engagées de manière pérenne à partir du 1 er novembre 2025.

Les actions sont claires. Je les ai déjà listées et je les mets en place. Elles sont en effet dans l'accord de gouvernement. Premièrement, nous avons la fusion des zones de police à Bruxelles, dont je rappelle que l'objectif est une meilleure sécurité pour toutes les Bruxelloises et tous les Bruxellois, par une meilleure allocation des moyens, y compris les actions d'intervention et la police de proximité. Deuxièmement, nous avons le plan "Grandes Villes" que j'ai annoncé à la fin de l'été, avec des mesures FIPA (Full Integrated Police Actions), des mesures coup de poing – nous en avons déjà eu deux organisées à Bruxelles, mais elles peuvent l'être dans d'autres villes – avec le plan "Caméras" de 20 millions que j'ai mis sur la table, les militaires en rue pour renforcer la sécurité et des actions anti-blanchiment appelées Belfi à Bruxelles, et portant d'autres noms ailleurs.

Comme ces actions sont dans l'accord de gouvernement, je sais que j'aurai le soutien de tous les partis de la majorité, et peut-être même de l'opposition, pour mettre en œuvre toutes ces mesures pour la sécurité de tous nos concitoyens.

Ismaël Nuino:

Merci monsieur le ministre. Vous avez listé les mesures que vous mettez en place. Vous savez que la fusion des zones de police génère des réticences importantes au niveau local. Mais vous savez aussi qu’une des demandes, et une des autres choses qui se trouvent dans l’accord de gouvernement, c’est le refinancement des zones de police locale, qui sont la première ligne pour faire face au crime. Et ce refinancement, il doit arriver le plus rapidement possible parce qu’aujourd’hui, on sait que Bruxelles, structurellement, est sous-financée par rapport à son nombre d’habitants. Et donc, ce à quoi je vous encourage, c’est à pouvoir agir le plus rapidement possible pour donner des moyens financiers à la zone de police locale qu’il y aura à Bruxelles, pour qu’elle puisse réellement agir. Un autre élément, peut-être, c’est de faire en sorte d’avoir une meilleure visibilité et un dashboard sur ces 20 mesures. Vous avez également parlé de mesures qui ne se trouvent pas dans l’accord de gouvernement. Les militaires dans les rues, ça n'est pas dans l’accord de gouvernement de cette manière. Mais ce qu’on doit faire, c’est pouvoir avoir un dashboard sur les mesures et la manière dont elles évoluent. Vous serez d’accord avec moi, la sécurité est un droit fondamental. Les Bruxellois y ont droit aussi.

Het ongeziene niveau van het geweld tegen de politie
De veiligheid van de zorgverleners
Het geweld tegen de hulpdiensten
Geweld en veiligheidsrisico's voor hulpverleners en diensten

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 8 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van geweld tegen politie en hulpverleners (11.000 agressiegevallen/jaar, 1.000 met werkonbekwaamheid), met nultolerantie-beleid dat faliekant faalt door gebrek aan strafuitvoering en structurele steun. De minister belooft verzwaarde straffen (nieuwe Strafwetboek 2026), betere registratie, psychosociale opvang en camera’s voor hulpdiensten, maar kritiek blijft dat Justitie straffen niet executeert, wat straffeloosheid en demotivatie verergert. Concrete eisen: automatische burgerlijke partijstelling door zones (niet door slachtoffers zelf) en daadwerkelijke handhaving in plaats van leeg beleidsretoriek.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, recente cijfers tonen aan dat dagelijks dertig politieagenten het slachtoffer worden van agressie. In augustus 2025 trokken de politievakbonden aan de alarmbel: opgeteld komen we namelijk aan 11.000 gevallen van agressie tegen de politie per jaar. Dat is het hoogste niveau ooit op dat vlak. In 2023, het laatste jaar met volledige cijfers, stond de teller op bijna 1.000 gevallen, meer bepaald 947, van slagen en verwondingen die leidden tot werkonbekwaamheid, een andere kwalificatie dan agressie, of een stijging van 10 % in vergelijking met tien jaar eerder.

Het betreft ernstig geweld en het gaat niet om geïsoleerde gevallen. Wij zien duidelijk een tendens. Niet enkel politieagenten zijn daarvan het slachtoffer, maar ook andere hulpverleners. Eigenlijk wordt iedereen die een uniform draagt, in onze maatschappij loslopend wild voor bepaalde geweldenaars. Daartegen moet uiteraard worden opgetreden.

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen voor u. Van de vijf vragen die ik schriftelijk heb ingediend, blijven er uiteindelijk slechts twee over die ertoe doen en waarop ik graag een antwoord zou krijgen. Ten eerste, welke stappen of welk stappenplan wilt u nemen om die stijgende trend aan te pakken?

Ten tweede, hoe kunnen wij onze politieagenten een betere bescherming bieden, ook vanuit de federale overheid? Ik geef toe dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid met de lokale politiezones.

Voorzitter:

Ik stel vast dat mevrouw Reuter niet aanwezig is om haar vraag nr. 56008267C te stellen.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, voor het zomerreces verscheen een studie van het Vias institute over geweld tegen hulpverleners. Naar aanleiding van dat verontrustende rapport vroeg ik in een schriftelijke vraag om extra cijfers en die bevestigen een zorgwekkende trend. Het geweld tegen hulpverleners neemt toe, van 235 gevallen in 2020 naar 354 processen-verbaal in 2023. Ook het geweld tegen brandweerlieden stijgt: terwijl in 2023 6 gevallen werden geregistreerd, waren dat er in het eerste trimester van 2024 al 12.

Volgens het rapport verklaart 75 % van de hulpverleners dat zij al het slachtoffer van verbale agressie, zoals geschreeuw en scheldpartijen werden. Voor dergelijke feiten worden meestal zelfs geen processen-verbaal opgemaakt. Daarnaast heeft ongeveer de helft van de hulpverleners al te maken gehad met fysieke agressie. Daaronder verstaat men het gooien of vernielen van voorwerpen, maar ook het duwen, schoppen, bespuwen of slaan van de hulpverlener. Het spreekt vanzelf dat voor geweld tegen hulpdiensten nultolerantie verwacht wordt, conform trouwens het regeerakkoord.

Het is extra problematisch dat door de niet-uitvoering van de nultolerantie vandaag de dag maar liefst een op de drie hulpverleners aangeeft te overwegen hun job op te geven wegens de toenemende agressie tegenover hulpdiensten. Dat mogen we niet laten gebeuren.

Mijnheer de minister, op welke manieren ondersteunt de regering hulpverleners die met agressie te maken krijgen?

Hoe wilt u die cijfers doen dalen in plaats van stijgen?

Hoe ver staat het met de concretisering van de dringend noodzakelijke nultolerantie voor geweld tegen hulpverleners?

Bernard Quintin:

Laat ik duidelijk zijn: geweld tegen hulpverleners en politieagenten is onaanvaardbaar en moet worden bestraft. De hulpverleners en politiemensen hebben mijn steun en zij weten dat.

In mijn beleidsnota heb ik duidelijk mijn voornemen kenbaar gemaakt om een beleid van nultolerantie te voeren ten opzichte van geweld en bedreigingen tegen degenen die ons helpen en beschermen. Ik zal mijn inspanningen en initiatieven in die richting uiteraard voortzetten. Ik ga ervan uit dat ook de minister van Justitie de inspanningen inzake vervolging voortzet.

De cijfers zijn te hoog en blijven te hoog. Ik zal binnenkort overleggen met de leidinggevenden van de politie en de hulpdiensten of bijkomende initiatieven nodig zijn.

Het is mogelijk om, op basis van informatie in de ANG, een rapport op te stellen over geregistreerde criminele feiten tegen politiediensten of een bepaald beroep, gecombineerd met de plaats, hospitaal of polykliniek. Zo zijn er in 2023 113 feiten gekoppeld aan kliniek, door de politiediensten geregistreerd. Voor het eerste, tweede en derde semester van 2024 waren er 65 registraties.

Rondzendbrief GPI100 biedt reeds garanties om het politiepersoneel dat het slachtoffer van geweld is geworden, te beschermen. Met betrekking tot het geweld tegen hulpverleners bestaat er een gelijkaardige ministeriele rondzendbrief van 20 januari 2023, met richtlijnen over preventie, begeleiding, strafrechtelijke en civiele aspecten en administratieve procedures. De rondzendbrief wordt momenteel geactualiseerd en aan de zonevoorzitters bezorgd. Aanvullende informatie en maatregelen zijn beschikbaar op de FAQ van civiele-veiligheid.be. De nadruk ligt op de psychosociale opvang, het aanstellen van preventieadviseurs of vertrouwenspersonen en duidelijke administratieve stappen bij geweld, zoals de erkenning van arbeidsongevallen, rechtshulp en herplaatsing.

Voorts wordt het belang van de burgerlijkepartijstelling benadrukt. Zowel het slachtoffer als de zone moet klacht indienen om agressie te veroordelen en schadevergoeding te verkrijgen. Elke agressie moet worden gemeld en geregistreerd. Dat helpt om de problematiek beter te begrijpen en gerichte acties te ondernemen. De minister blijft de zone oproepen om alle gevallen van agressie consequent te rapporteren.

Agressie tegen hulpverleners is complex en vraagt om een sterke preventie. Essentieel zijn risicoanalyses, opleidingen en de voorlichting van brandweerleden en ambulanciers. Er bestaan drie door Binnenlandse Zaken gesubsidieerde opleidingen in alle brandweerscholen, die leren hoe gepast te reageren bij agressie tijdens interventies.

In 2021 liep een interne sensibiliseringscampagne over het omgaan met agressie en het belang van melden. In 2023 volgde de externe campagne Not Funny met getuigenisfilms die door zones blijvend worden gebruikt en regelmatig via sociale media worden verspreid. Binnenkort komt er een onderwijstoolbox om het thema in het secundair onderwijs bespreekbaar te maken.

Daarnaast laat de wet van 21 februari 2024 het gebruik van camera's door hulpdiensten vanaf april 2025 toe om personeel beter te beschermen.

De nultolerantie voor geweld tegen hulp- en ordediensten is zeker ook een thema van de minister van Justitie.

Het nieuwe Strafwetboek, dat in werking treedt op 8 april 2026, voorziet in zwaardere straffen om de ernst van dergelijke feiten beter te weerspiegelen. De omzendbrief COL 3/2008, herzien in 2014, bevat ook richtlijnen voor de politie en het parket om gepaste strafrechtelijke reacties te waarborgen, waarbij rekening met de ernst van de feiten en de betrokkenen wordt gehouden.

Ik zal mijn collega van Justitie vragen of zij een mogelijkheid ziet in het anoniem indienen van klachten in geval van agressie tegen hulp- en ordendiensten. De persoonlijke gegevens van brandweerlieden of ambulanciers zouden kunnen worden vervangen door een nummer of de naam van de zone, waardoor hun privacy en veiligheid tijdens de gerechtelijke procedure beter beschermd blijven.

Ortwin Depoortere:

Bedankt, mijnheer de minister. Ik heb al een tijdje zitting in het Parlement en ik hoor steeds dezelfde mantra: nultolerantie voor geweld tegen de politie en nultolerantie voor geweld tegen hulpverleners. Dat stond in het regeerakkoord van de vivaldiregering en het staat ook in het regeerakkoord van de regering-De Wever. Ik hoor dat hier al zes jaar debiteren, maar ik zie geen daden.

Daar bent u, mijnheer de minister, in de eerste plaats het slachtoffer van. U verwijst terecht naar de minister van Justitie, maar precies daar ligt het probleem. Het gaat er niet om dat de straffen moeten worden verzwaard, maar wel dat de uitgesproken straffen niet worden uitgevoerd. U kent het gevolg daarvan: er ontstaat een sfeer van straffeloosheid en een demotivatie bij onze politiediensten, die wel hun werk doen, dag in, dag uit, in moeilijke omstandigheden.

Mijnheer de minister, u komt uit Brussel en dus weet u zeer goed in welke omstandigheden onze politiediensten moeten werken. Zij worden niet gesteund door de politiek. Ik geloof u wel op uw woord dat u daar alles aan wilt doen, maar als Justitie niet volgt, is het dweilen met de kraan open. Dat moet dringend veranderen. U hoeft daarvoor niet met de leidinggevenden van politie en hulpdiensten te overleggen over bijkomende maatregelen. Het volstaat dat Justitie haar werk doet, namelijk de uitgesproken straffen daadwerkelijk uitvoeren. Dat is de enige, maar dan ook de enige oplossing om de straffeloosheid uit de wereld te helpen en om onze politie en hulpdiensten de nodige politieke steun te geven. Zo niet voorspel ik u, mijnheer de minister, dat we hier binnen de vier jaar, samen met de heer Bergers, dezelfde vraag zullen stellen en dat er op het terrein niets zal zijn veranderd.

Jeroen Bergers:

Ik ben het met u eens, mijnheer Depoortere, dat Justitie dringend beter werk moet leveren, en dat het vandaag faliekant fout loopt, maar dat is niet het enige probleem. Ik moedig het wel aan en ik ben dankbaar dat de minister zal samenzitten met de diensten om te bekijken wat er nog meer kan gebeuren. Hij wil de rondzendbrief actualiseren. Mijnheer de minister, het is niet voldoende dat de slachtoffers anoniem klacht kunnen indienen en zich burgerlijke partij kunnen stellen. Het zijn vooral de zones waar die slachtoffers actief zijn, die zich altijd burgerlijke partij moeten stellen. Dat mag niet de individuele verantwoordelijkheid zijn van de aangevallen hulpverleners. Dat is de steun die de overheid aan de hulpverleners moet bieden. De kwestie van de burgerlijkepartijstelling moet structureel worden aangepakt, zodat het niet langer de eigen verantwoordelijkheid van de slachtoffers is. We moeten meer doen dan de betrokkenen aanmoedigen zichzelf burgerlijke partij te stellen. Het is inderdaad goed dat er al strengere straffen opgenomen zijn, maar in het regeerakkoord is sprake van nultolerantie. Ik meen dat het belangrijk is dat de regering echt werk maakt van nultolerantie en ik verwacht dat de minister van Justitie dat voornemen in de praktijk omzet. De gevolgen van het uitblijven van een oplossing ter zake komen bij u terecht en zorgen ervoor dat u minder personeel kunt aantrekken, terwijl de noden op het veld groot zijn. Ik juich het dus toe dat u de minister van Justitie hierop zult aanspreken.

De administratieve rompslomp om een visum van de FOD Volksgezondheid te verkrijgen

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Diploma-erkenning van psychologen klinici vertraagt door dysfunctionele federale procedures: onduidelijke documentvereisten (o.a. onbestaande stagiairsattesten), een onderbemand SPF (2 ambtenaren voor heel België) en inconsistenties in dossierbehandeling (geen *first in, first out*). Vandenbroucke erkent de problemen, ontkent verkeerde vereisten (provisoire diplomas *zijn* geldig) en belooft interne oplossingen, waaronder mogelijke automatisering, maar biedt geen concrete termijnen. Prévot kaart aan dat jongeren banen verliezen door maandenlange wachttijden, chaotische communicatie (gesloten kantoren, onbeantwoorde mails) en onlogische vertragingen—zelfs bij proactieve dossiers—terwijl de penurie in geestelijke gezondheidszorg nijpend is. De minister vraagt specifieke gevallen voor nazicht, maar structurele actie blijft uit.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, la reconnaissance fédérale du titre de psychologue clinicien pose de sérieuses difficultés administratives qui ont, dans les faits, pour conséquence de retarder l'accès à l'emploi de jeunes diplômés. J’en veux pour preuve les nombreux témoignages que j’ai reçus ces dernières semaines. Plusieurs cas m’ont été relatés et je vais vous en rapporter un anonymisé.

Un jeune diplômé de l'Université de Mons, reconnu comme psychologue clinicien par la Fédération Wallonie-Bruxelles et inscrit à l'Ordre des psychologues, a entamé dès juillet, au lendemain de l'obtention de son diplôme, la procédure pour obtenir le "visa" délivré par le SPF Santé publique, étape préalable indispensable avant de solliciter l'agrément régional, puis le numéro INAMI.

Or cette procédure est ralentie par plusieurs facteurs: un site internet de demande de visa comportant des champs ou justificatifs inadaptés (exigence d'un document attestant d'un stage qui n'existe pas dans le cursus tel qu'implémenté, par exemple); la lenteur du traitement accentuée par le sous-effectif du service (seulement deux fonctionnaires en charge pour l'ensemble du pays) et l'impossibilité de présenter un diplôme définitif dans les délais, alors même qu'un diplôme provisoire ou une attestation officielle pourrait suffire.

Par conséquent, pour ce cas particulier mais malheureusement aussi pour bien d’autres, malgré un dossier complet depuis plusieurs semaines, le visa n'a toujours pas été délivré, empêchant ce jeune diplômé de prendre ses fonctions dans un établissement de soins, au risque que l'offre d'emploi lui soit ensuite retirée. Depuis lors, il a déjà vu deux offres d’emploi lui passer sous le nez.

Monsieur le ministre, quelles mesures comptez-vous prendre pour améliorer le fonctionnement du site et simplifier la procédure, notamment en supprimant les demandes de pièces inutiles ou redondantes? Quelles sont les raisons de ce sous-effectif et comment entendez-vous y remédier rapidement? Dans un contexte de pénurie de professionnels de la santé mentale, n'est-il pas justement urgent de réduire drastiquement ces délais administratifs afin que les diplômés puissent intégrer le marché du travail immédiatement? C’est un véritable appel que ces jeunes vous font, monsieur le ministre, car, comme je l’ai dit, des emplois leur sont déjà passés sous le nez. Ils sont en attente. Des établissements prennent parfois patience. Mais vont-ils encore attendre des semaines qu’ils obtiennent ce fameux visa? Enfin, il semble que la règle du first in, first out ne soit pas d’application non plus car certains jeunes, ayant rentré leur demande après le cas particulier que je viens de vous signaler, ont reçu leur visa, alors que ce même jeune n’a toujours pas reçu le sien.

Frank Vandenbroucke:

Pour obtenir un visa d'un psychologue clinicien, un candidat doit toujours fournir différents documents, tels que la carte d'identité ou une copie de leur attestation de réussite ou de leur diplôme. Si nécessaire, mon administration peut demander des pièces supplémentaires. Les documents demandés constituent un minimum pour s'assurer qu'ils répondent aux conditions d'octroi du visa. Contrairement à ce que vous semblez affirmer, le portail en ligne pour les demandes de visa ne requiert pas d'attestation de stage. Seuls le diplôme et, le cas échéant, la preuve de trois années d'expérience professionnelle sont demandés. En outre, les attestations provisoires sont également acceptées, en plus des diplômes définitifs. Il est vrai que, pour l'instant, le service qui traite les demandes fait face à des difficultés, mais des solutions internes sont recherchées. Par ailleurs, mon administration recherche en permanence des moyens de simplifier et d'alléger les procédures. Des démarches ont déjà été entreprises afin d'examiner si une automatisation de l'octroi des visas pour les psychologues cliniciens pouvait être mise en œuvre. En attendant, le service en charge s'efforce de résorber le retard accumulé dans les plus brefs délais et dans la mesure du possible.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre. Pour les jeunes qui m'ont interpellé, votre réponse est malheureusement clairement insuffisante. On se retrouve ici, comme je vous l'ai dit, avec ce cas particulier, mais j'en ai d'autres et, si vous le désirez, je vous donnerai la liste des noms pour que votre administration puisse vérifier tout cela. Le jeune dont je parlais a déjà refusé deux emplois ou, plutôt, deux emplois lui sont passés sous le nez. La plateforme n'était pas du tout fonctionnelle, or c'est la même plateforme qu'ont remplie ses collègues qui, eux, ont obtenu leur visa. Il a ensuite contacté l'administration, qui travaille à bureaux fermés. Il parle donc tantôt avec une personne X, tantôt avec une personne Y, et les informations diffèrent en fonction des personnes qu'il parvient à avoir au téléphone. On lui a dit explicitement que les mails ne servaient à rien, car ils en recevaient des centaines et qu'ils ne les ouvraient pas. On lui a ensuite conseillé d'ouvrir un dossier en litige. Ce dossier était tantôt complet, tantôt incomplet, tantôt en attente, et pas toujours dans l'ordre. On lui a fait savoir qu'il n'y avait que deux personnes pour gérer le dossier cet été et que, suite aux erreurs faites cet été, ils avaient plusieurs semaines de retard. Comme je vous l'ai dit, certains jeunes avec qui j'ai été en contact ont finalement, eux, reçu leur visa, mais le cas particulier que je vous ai exposé ne l'a toujours pas reçu. Il avait pourtant été plus proactif que ses camarades, et cela fait donc presque trois mois que des jeunes diplômés attendent d'obtenir d'une administration un document confirmant la validité de leur diplôme. On marche donc clairement sur la tête avec ce dossier. Une fois qu'ils auront reçu le visa de la part du fédéral, ils devront ensuite demander l'agrément à un autre niveau de pouvoir et, s'ils veulent un numéro INAMI, ils devront réintroduire la demande auprès du SPF.

Si vous le désirez, je vous transmettrai les noms afin que vous puissiez les vérifier. Ces jeunes sont dans le plus grand désarroi: aujourd’hui, une institution hospitalière est en attente de pouvoir les engager, mais je ne suis pas certain qu’elle patientera longtemps.

Frank Vandenbroucke:

Merci de me transmettre tous les éléments utiles pour vérifier ce dossier.

De transparantie van de tarieven in de zorgsector

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de transparantie van zorgtarieven en de effectiviteit van de huidige afficheplicht (sinds maart 2024) voor zorgverleners. Van Quickenborne pleit voor een centraal digitaal platform (bv. via *Mijn Gezondheid*) in plaats van papieren affiches, kritiseert de onduidelijke communicatie over meerkosten bij niet-geconventioneerde zorg (bv. 25% lagere terugbetaling bij kinesisten) en vraagt om strengere controles. Vandenbroucke beaamt dat digitalisering wenselijk is, maar wijst op vertragingen (o.a. bij artsen/specialisten) en ontbrekende uitvoeringsbesluiten voor boetes; hij erkent dat de huidige regels onvoldoende gehandhaafd worden en dat de patiëntenrechtenwet meer tanden nodig heeft. Beide zijn het eens over de nood aan modernisering, maar concrete stappen blijven uit.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik diende deze vraag begin maart schriftelijk in. Behoudens vergissing van mijnentwege werd ze nog niet beantwoord, vandaar dat ik ze nu mondeling stel.

In oktober 2021 keurde het Parlement een wet goed om meer transparantie over de tarieven die worden gehanteerd door zorgverleners, te creëren. De wet verplicht zorgverleners om hun tarieven duidelijk zichtbaar te maken via affiches en, indien van toepassing, op hun website. Die verplichting werd voor diverse beroepsgroepen van kracht in maart 2024, na tweeënhalf jaar voorbereiding door het RIZIV.

Ten eerste, is het niet efficiënter om in plaats van papieren affiches en lokale websites een centraal digitaal platform te ontwikkelen waar patiënten transparante informatie over tarieven en het al dan niet geconventioneerd statuut van zorgverleners per regio kunnen vinden? Op die manier kunnen zij de keuze op voorhand maken in plaats van die informatie pas te verkrijgen wanneer zij zich al in een kabinet bevinden.

Ten tweede, wordt de afficheplicht sinds maart 2024 goed nageleefd? Hoe wordt gecontroleerd of de verplichting wordt nageleefd? Zijn er al gevallen van overtredingen bekend?

Ten derde, doorstaat de informatieplicht de kafkatoets? Is de informatie eenvoudig en begrijpelijk voor de gemiddelde burger? Hoe verklaart u dat affiches voor sommige beroepsgroepen, zoals kinesisten of logopedisten, geen correcte informatie bevatten over de meerkosten bij niet-geconventioneerde zorgverleners? Waarom wordt niet vermeld dat de ziekteverzekering bij bepaalde beroepen 25 % minder terugbetaalt bij niet-geconventioneerde zorgverleners?

Ten slotte, wanneer is de informatieplicht van toepassing op alle andere zorgverleners, zoals artsen en specialisten?

Frank Vandenbroucke:

Met uw eerste vraag doet u een interessante suggestie. Inderdaad, in de toekomst kan worden onderzocht of via ProGezondheid, ons digitaal platform voor zorgverleners, bepaalde gegevens zoals tariefinformatie op een gestructureerde wijze kunnen worden ingezameld. Geautomatiseerde systemen en op termijn ook artificiële intelligentie kunnen daarbij een ondersteunende rol spelen. Dat zou het mogelijk maken om dergelijke geïndividualiseerde informatie via bestaande digitale platformen voor patiënten toegankelijk te maken, zoals Mijn Gezondheid.

Op uw tweede vraag, we hebben wel wat vertraging in de werkzaamheden in het domein van de huisartsen en de artsen-specialisten opgelopen. Het is een complex dossier, want we moeten de meest frequente prestaties voor de dertig medische disciplines bepalen.

We hebben aan GBS-VBS, de representatieve organisatie, gevraagd om het RIZIV te helpen bij het opstellen van de affiches, maar zowel het RIZIV als GBS-VBS was bijzonder druk bezig met allerlei andere projecten, discussies en beleidsdossiers.

Ten derde, wordt de afficheplicht goed nageleefd? Artikel 168 van de wet bepaalt dat administratieve geldboetes kunnen worden opgelegd aan zorgverleners die de affichageverplichting van artikel 73 niet respecteren. We moeten daarvoor echter nog een uitvoeringsbesluit nemen. Het ontwerp van koninklijk besluit is klaar en de goedkeuringsprocedure kan snel worden opgestart. De organisatie en de modaliteiten van eventuele controles zullen afhangen van de inwerkingtreding van dat koninklijk besluit.

Wat de kafkatoets betreft, zolang alle wettelijk verplichte vermeldingen zijn opgenomen, is de sector of de bevoegde commissie bij het RIZIV redelijk vrij om te bepalen hoe zij de tarieven vermelden. Een bijkomende controle op de wijze waarop een en ander wordt verduidelijkt, is vastgelegd in de finale goedkeuring van elke affiche door het Verzekeringscomité van het RIZIV.

Uw vierde vraag ging over de specifieke problematiek van de min-25%-terugbetaling van prestaties door niet-geconventioneerde kinesisten: Met betrekking tot de uitleg op de affiche over de beperkte terugbetaling van bepaalde verstrekkingen bij niet-geconventioneerde zorgverleners in bepaalde sectoren, moet ik u zeggen dat in de wet geen verplichtingen zijn opgenomen.

De vigerende wet bepaalt dat de terugbetaling voor de patiënt 25 % lager zal zijn, als een zorgverlener niet is aangesloten bij een nationale overeenkomst in de betreffende sectoren en indien die overeenkomst een bepaald quorum van toetredingen heeft bereikt. De beslissing of dat op de affiche moet worden vermeld, komt toe aan de betrokken sectoren en commissies. Het is ook redelijk complex om uit te leggen. Hoe dan ook is het een terecht punt van kritiek. Indien de -25 %-regel van toepassing is, moeten de niet-geconventioneerde zorgverleners in de rubrieken “tussenkomst RIZIV” en “remgeld patiënt” in ieder geval de bedragen vermelden die volgen uit de concrete toepassing van de regel. Het resultaat moet dus zichtbaar zijn. De gedetailleerde uitleg over de regel valt onder de vrijheid van de betrokken commissies.

Ik kom tot het verbod om supplementen aan te rekenen, indien ze niet geafficheerd worden. Ik zal het kort samenvatten. Indien gewenst, kan ik ook alle wettelijke verwijzingen meegeven. Er zijn drie relevante wetten. Ten eerste is er de wet van 14 juli 1994 betreffende de ziekteverzekering. Die wet bepaalt dat administratieve geldboetes kunnen worden opgelegd aan zorgverleners die de affichageverplichting van artikel 73 niet naleven. Daarvoor moet ik nog het uitvoeringsbesluit laten goedkeuren.

Ten tweede is er artikel 8 van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt. Conform die wet moet de patiënt vooraf geïnformeerd worden over financiële tussenkomsten. Op dit moment kan een patiënt die meent dat er wat dat betreft een inbreuk was, terecht bij de Federale Ombudsdienst voor de Rechten van de patiënt. Dat systeem is niet ideaal en er wordt overwogen de handhaving van de wet op de patiëntenrechten te verbeteren.

Het derde wettelijke kader vindt men in boek VI van het Wetboek van Economisch Recht (WER). Dat legt eveneens een informatieplicht op. Artikelen 3 tot en met 5 van dat boek bepalen namelijk dat bij openbare verkoop de prijs schriftelijk en ondubbelzinnig moet worden aangegeven. Indien goederen zijn uitgestald, moet de prijs goed leesbaar en zichtbaar zijn. Voor diensten geldt dat de aangeduide prijs de totaal door de consument te betalen prijs moet zijn, vermeld in euro.

Ons Wetboek van Economisch Recht bevat ook bepalingen die bij flagrante overtreding met transparantie-eisen zouden kunnen worden ingeroepen om daartegen te ageren.

Is dat alles ideaal? Neen, dat is het niet. Ik ben het met u eens en met de suggestie van uw vraag dat wij meer naar digitalisering zouden moeten evolueren. Dat is juist.

Ten tweede, zaken die zijn afgesproken, moeten ook gebeuren. Er moet ter zake dus vooruitgang worden geboekt.

Ten derde, ik verwijs naar de wet op de patiëntenrechten. Die wet zou echter wel wat bite moeten krijgen. Daarvoor is er maar één goede oplossing, namelijk dat de Federale Toezichtcommissie ook bevoegd wordt gemaakt voor inbreuken op de wet op de patiëntenrechten. Dat hebben wij nog niet gedaan, omdat de Federale Toezichtcommissie eerst good up and running moet zijn.

Ter zake moet dus inderdaad nog een hele agenda worden afgewerkt.

La présidente : Monsieur le ministre, vous avez pris 7 minutes pour répondre, ce qui est trop long. Je vous ai laissé poursuivre cette fois, mais à partir de maintenant, je couperai les réponses qui dépassent 2 minutes 30. Sinon, les séances s’allongent trop et le temps manque pour répondre aux questions de chacun.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik vond uw antwoord zeer verhelderend en interessant. Sowieso is gezondheid een kostbaar goed voor iedereen, ook voor patiënten. Het is bovendien positief dat patiënten vooraf weten wat ze moeten betalen. Veel wordt terugbetaald, maar mensen zijn niet altijd op de hoogte van ze zelf moeten betalen. Tegelijkertijd moet worden vermeden dat zorgverstrekkers geconfronteerd worden met extra administratieve lasten. Het uithangen van affiches doet mij denken aan lang vervlogen tijden. Vroeger werd het vertrekuur van de trein gecontroleerd op gele bladen; die hangen er nog, maar tegenwoordig worden ze nauwelijks nog bekeken. Neemt u zelf veel de trein, mijnheer de minister? Die bladen worden niet meer bekeken. Ik heb de indruk dat men in een dokterspraktijk teruggaat naar de tijd van de gele bladen. U bent een modern persoon en ik denk niet dat dat uw bedoeling is. Daarom stel ik voor de informatie te centraliseren en gemakkelijk toegankelijk te maken voor patiënten. Daarnaast moeten patiënten voorafgaand aan hun keuze voor een zorgverstrekker weten welke kosten zij eventueel moeten dragen, zonder dat dat extra administratieve lasten oplevert voor de zorgverstrekkers. Ik waardeer het voluntarisme van uw antwoord en hoop dat daar daadwerkelijk iets mee gebeurt. Ik zal de situatie blijven volgen. La présidente : Je vous remercie pour votre rapidité, qui a permis une minute de plus pour M. le ministre. Cela ne veut bien sûr pas dire que le débat n’était pas intéressant. Je suis juste la maîtresse du temps.

De toekomst van de hyperbare kamer van het CHU te Charleroi
De hyperbare kamer
De dreigende sluiting van de hyperbare kamer van het CHU te Charleroi
De terugbetaling van hyperbare zorg en de toekomst van de hyperbare kamer in Montigny-le-Tilleul
De toekomst van de laatste hyperbare kamer van Wallonië
De toekomst en uitdagingen van hyperbare kamers in Wallonië

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het enige hyperbare caisson in Wallonië (CHU Charleroi), essentieel voor noodgevallen (CO-vergiftiging, duikongelukken) en chronische aandoeningen (covid long, diabetische wonden), dreigt te sluiten door structureel financieel tekort: de INAMI-vergoeding (€85/séance, enkel eerste 2 dagen) dekt slechts de helft van de werkelijke kost (€180/séance), wat een jaarlijks verlies van €500.000 veroorzaakt voor het ziekenhuis. Minister Vandenbroucke erkent het probleem maar wijst op ontbrekend wetenschappelijk bewijs (KCE-studies 2008/2016) voor brede vergoeding en geen budgettaire ruimte in de huidige akkoorden; hij stelt voor om via centra van referentie en een herziening van de nomenclatuur (op basis van hospitalière kostendata) een oplossing te zoeken, maar biedt geen concrete reddingsmaatregelen. Parlementsleden benadrukken de levensreddende noodzaak en pleiten voor dringende aanpassing van INAMI-vergoedingen, regionale samenwerking (kostendeling tussen ziekenhuisnetwerken) of noodfinanciering, terwijl ze vrezen dat sluiting dodelijke vertragingen en ongelijkheid in zorgtoegang zal veroorzaken. Politieke keuzes (bv. defensie-investeringen ten koste van gezondheidszorg) worden aangeklaagd als oorzaak van het gebrek aan middelen.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, ma question a été déposée il y a un certain temps déjà.

Le CHU de Charleroi dispose du seul caisson hyperbare encore en activité en Wallonie. Cet outil est indispensable pour le traitement de nombreux patients ayant subi une intoxication au monoxyde de carbone, un accident de plongée, une embolie gazeuse, mais également pour certaines pathologies chroniques, comme des formes sévères de covid long. Environ 260 patients en bénéficient aujourd'hui.

Pourtant, ce caisson semble menacé de fermeture. L'hôpital souligne que le coût de fonctionnement dépasse largement les moyens dont il dispose. Une séance coûte environ 180 euros, tandis que le remboursement forfaitaire de l’INAMI ne couvre que 85 euros, et ce uniquement pour les deux premiers jours de traitement.

Afin d'assurer la continuité des soins, un tarif social de 39 euros a été mis en place, mais il ne permet pas de combler le déficit structurel. Dans un contexte budgétaire fragilisé par la crise du covid et l'inflation, la situation financière de l'hôpital ne permet plus de compenser cette différence.

Face à ce constat, une pétition a été lancée afin de sensibiliser la population et les autorités au risque de voir disparaître ce dispositif unique en Wallonie.

Monsieur le ministre, êtes-vous conscient de cette menace qui pèse sur le maintien de ce caisson à Charleroi? Disposez-vous d'un état des lieux actualisé concernant les infrastructures hyperbares en Belgique, en ce qui concerne la répartition géographique, le taux d'occupation et les besoins de la population? Confirmez-vous que le remboursement actuel de l'INAMI ne couvre pas le coût réel des séances? Envisagez-vous une révision des modalités de financement? Quelles pistes envisagez-vous pour éviter la fermeture de ce service, qui laisserait des centaines de patients sans solution en Wallonie?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, le CHU André Vésale de Charleroi possède un caisson hyperbare qui est menacé de fermeture. Or il s'agit du seul caisson hyperbare multiplaces de Wallonie, qui prend en charge environ 260 patients par an, tant pour des urgences vitales telles que les intoxications au monoxyde de carbone – très fréquentes en hiver –, les accidents de plongée (pensons aux lacs de l'Eau d'Heure), les embolies gazeuses, les infections nécrosantes, les brûlures graves, ainsi que pour des pathologies chroniques telles que les ulcères diabétiques, les lésions post-radiothérapie, les ostéomyélites, les surdités brusques.

La fermeture de ce centre poserait des problèmes médicaux majeurs: perte d'accès rapide à des traitements vitaux, aggravation du pronostic pour des patients chroniques, allongement des délais de prise en charge et nécessité de transferts lourds et coûteux vers Bruxelles, Anvers, Bruges ou Genk.

Le problème semble lié à un remboursement INAMI insuffisant pour couvrir les coûts d'utilisation. Cette situation crée un déficit structurel qui met en péril l'existence du service. En effet, le CHU André Vésale ainsi que le réseau HUmani se heurtent à des problèmes financiers. Hier, j'ai ainsi appris que le coût de la prise en charge par l'hôpital des 260 patients annuels s'élèverait à 500 000 euros. C'est énorme! Ce demi-million d'euros creuse donc le déficit de cet hôpital déjà en difficulté. De plus, le caisson hyperbare nécessite un entretien annuel à hauteur de 62 000 euros. Si vous comptez bien, même si l'on applique un tarif social de 50 euros, cela correspond à la prise en charge par l'hôpital de 2 000 euros par patient.

Monsieur le ministre, quelles mesures envisagez-vous pour éviter la fermeture du caisson hyperbare de Charleroi? Confirmez-vous la différence entre le financement de l'INAMI et le coût réel d'utilisation? Envisagez-vous une révision urgente du financement INAMI, afin de garantir la pérennité de ce service essentiel, qui assure à lui seul la couverture hyperbare de toute la Wallonie?

Julie Taton:

Monsieur le ministre, le caisson hyperbare du CHU de Charleroi est menacé de fermeture, comme viennent de le dire Mme Dedonder et M. Gatelier.

Le problème est que le tarif est trop bas pour couvrir les coûts de fonctionnement et qu'il est impossible de l'augmenter sans risquer d'exclure des patients. En résumé, ce service vital est déficitaire à cause des coûts de la maintenance, du personnel, des réparations, etc.

Monsieur le ministre, pourquoi l'INAMI ne couvre-t-il pas plus largement les coûts réels des séances en caisson hyperbare? Quel est le montant total annuel des remboursements de ce type de séance à charge de l'INAMI en Belgique? Le gouvernement envisage-t-il d'adapter ce remboursement pour garantir la viabilité de ce service vital? Et dans quelles proportions? Êtes-vous favorable à l'instauration d'un mécanisme d'aide exceptionnelle pour éviter la fermeture de services hospitaliers essentiels et uniques en Belgique? En cas de fermeture du caisson de Charleroi, où les patients seront-ils redirigés?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, afin d'éviter d'être redondant par rapport aux descriptions et aux interpellations de mes collègues, qui ont bien décrit la problématique financière qui touche le réseau HUmani, j'en viens directement à mes questions.

Monsieur le ministre, une réévaluation des remboursements INAMI des soins hyperbares est-elle actuellement en cours? Quels critères médicaux sont-ils pris en compte? Quelles pathologies pourraient-elles être reconnues dans la mise à jour du remboursement, notamment par rapport aux cas de covid long et certaines plaies chroniques complexes?

Quels moyens spécifiques entendez-vous déployer pour préserver le caisson hyperbare de Montigny-le-Tilleul, dernier en Wallonie, afin d'éviter sa fermeture pour raisons financières?

Une réflexion est-elle menée pour harmoniser au niveau national ce type de soins afin que les patients wallons ne soient pas contraints de se déplacer vers d'autres régions, au risque d'inégalités de traitement? Combien de patients utilisent-ils les caissons hyperbares en Belgique, et en Wallonie particulièrement? Ne craignez-vous pas que la suppression de celui de Vésale rende l'accès à un rendez-vous dans les autres caissons plus difficile, et fragilise donc la santé des Wallons?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, le dernier caisson hyperbare de Wallonie est menacé de fermeture faute de financement par l'INAMI. Ce caisson est en lien avec les huit grands réseaux hospitaliers. Sans ce caisson, les patients devront être transférés vers Bruxelles ou Lille. Un tel délai peut entraîner des séquelles irréversibles, voire la mort, notamment en cas d'accident de décompression, où chaque minute compte.

Ce service existe depuis plus de 20 ans. Les médecins hyperbaristes se battent depuis longtemps pour sa reconnaissance et son financement. Pourtant, ce service sauve des vies chaque jour. Cette thérapie est bénéfique pour de nombreuses pathologies telles que les intoxications au monoxyde de carbone, les plaies chroniques (ulcères, escarres), les surdités brusques, les œdèmes traumatiques, les lésions liées aux radiothérapies, mais aussi pour les accidents de décompression qui peuvent survenir dans la pratique de la plongée sous-marine.

Malheureusement, ces traitements sont onéreux et restent largement à la charge des patients. Cela représente une charge financière considérable pour de nombreuses personnes, souvent déjà fragilisées par leur état de santé. L'INAMI doit rendre ce soin accessible à toutes celles et ceux qui en ont besoin.

Monsieur le ministre, allez-vous assurer la pérennité de ce caisson?

Frank Vandenbroucke:

Je n'ai pas reçu d'informations spécifiques sur le caisson hyperbare à Charleroi, mais ce n'est pas un problème isolé. L'exploitation d'une chambre à oxygène hyperbare a fait l'objet d'études menées par le KCE en 2008 et 2016. Mais ces études n'ont toutefois pas abouti à des recommandations permettant de résoudre les problèmes que l'on mentionne.

Sur la base des données de facturation pour les prestations remboursées par l'INAMI, il apparaît qu'en 2023 et 2024, 3 486 prestations ont été facturées, dont 666 à Charleroi. Le reste est réparti sur les autres caissons hyperbares.

Des analyses antérieures semblent montrer que l'exploitation financière d'un caisson sur la base d'un simple financement par nomenclature n'est pas viable, en raison des coûts élevés du personnel, de la nécessité de disposer d'une équipe spécialisée, du respect des critères de sécurité requis et de la facturation limitée des prestations. Mais je voudrais souligner que la rentabilité financière d'une activité spécifique au sein d'un hôpital ne peut pas être considérée séparément des flux financiers globaux au sein d'un hôpital, où l'on sait que certains services sont plus rentables que d'autres.

La réforme en cours de la nomenclature qui évalue le coût des actes médicaux sur la base des données hospitalières devrait apporter plus de clarté et de transparence à ce sujet. D'ailleurs, je serais également intéressé de savoir si les autres hôpitaux qui ont un caisson menacent également de le fermer.

Concernant la quatrième question, le premier élément du débat concerne la détermination des indications cliniques de l'oxygénothérapie hyperbare (OHB). En ce qui concerne l'efficacité de l'OHB, l'étude du KCE de 2008 a montré à l'époque qu'il n'y avait pas encore suffisamment de preuves scientifiques pour étendre le remboursement à un certain nombre de pathologies, allant de trois séances pour l'intoxication au CO à 40 séances pour les plaies du pied diabétique. Il a également été souligné qu'il était nécessaire de mener des essais cliniques randomisés sur l'efficacité et le coût des traitements par OHB. Une revue Cochrane du KCE est arrivée à la même conclusion en 2016, à savoir l'absence de recommandations fortes dans la littérature pour la plupart des indications en raison de l'absence d'essais randomisés.

Compte tenu de cela, aucun budget supplémentaire pour l’oxygénothérapie hyperbare n’a été retenu dans les accords médico-mutualistes précédents ni dans les procédure budgétaires. Si la conclusion de cette discussion démontre qu'une offre étendue s’avère nécessaire, une bonne répartition géographique peut être envisagée, par exemple via un certain nombre de centres de référence. Afin d’aboutir à un financement correct, une nouvelle analyse des coûts devra être effectuée en fonction du nombre de patients attendus par centre et du nombre de séances de traitement prévues. Il est clair que l’extension des indications existantes, du nombre de séances par indication et du nombre de centres entraînera un surcoût important, pour lequel aucun budget n’est actuellement prévu.

En conclusion, nous pouvons donc affirmer qu’une analyse approfondie et un débat sont nécessaires. Toutefois, dans le contexte budgétaire actuel, les solutions ne seront pas évidentes.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne peux bien sûr me réjouir de ce qui vient d’être dit. Vous avez conclu en affirmant qu’une analyse approfondie et un débat étaient nécessaires, mais que le contexte budgétaire ne laissait aucune marge. J’entends qu’une série d’analyses ont été effectuées il y a un certain temps, en 2008 et en 2016, et qu’elles n’ont pas apporté de preuves suffisantes d’efficacité. À vous entendre, en ajoutant les problèmes budgétaires au manque de preuves d’efficacité résultant d’études – qui sont malgré tout datées –, ce caisson hyperbare pourrait donc être supprimé.

Vous dites par ailleurs que la rentabilité ne doit pas s’évaluer uniquement sur la base des caissons hyperbares, mais dans les flux globaux dans les hôpitaux. Je ne dois pas vous rappeler que la presse relatait hier soir et ce matin qu'en raison des 900 millions d’économies prévues dans le budget 2026, les hôpitaux n’auront d’autre choix que de licencier du personnel et/ou d’augmenter les tarifs pour les patients. Cela n’augure rien de bon pour l’avenir des caissons hyperbares.

Votre réponse ne me semble pas laisser le moindre espoir à terme pour ce caisson hyperbare et cela me désole. J’espère que vous pourrez demander une analyse plus poussée et revoir la politique de remboursement de l’INAMI.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je suis surpris que vous n'ayez pas été informé. Sachez que, chez nous, cela fait deux mois qu'on en parle presque tous les jours. Et regardez aujourd'hui le front commun wallon face à vous pour vous interpeller sur cette question qui nous inquiète. Je suis étonné que votre cabinet n'ait pas fait un minimum de recherches pour savoir qu'effectivement, on s'en inquiétait depuis deux mois.

Même si je comprends que certaines indications puissent être discutées, vous ne pouvez quand même pas enlever que les intoxications au monoxydes de carbone, les accidents de plongée et les embolies gazeuses sont des réelles urgences médicales qui ne permettent pas un transfert des patients de manière éloignée. Je suis donc très inquiet.

Le caisson hyperbare est quelque chose d'utile en médecine. Sachez aussi que, tous les dix ans – et on va y arriver maintenant –, ce caisson doit être démonté complètement, ce qui coûte encore plus cher. Maintenant, je comprends très bien que, dans un hôpital, des actes soient déficitaires et d'autres rentables.

Je me demande aussi pourquoi ce réseau assume apparemment à lui seul ce coût exorbitant d’un demi-million d'euros par mois. Comment se fait-il qu'il n'y ait pas un partage entre les réseaux hospitaliers wallons de la région pour la prise en charge commune de ce caisson bien utile à tout le monde? Vos services, monsieur le ministre, pourraient éventuellement se renseigner, susciter l'intérêt du réseau INAMI – peut-être l’ont-ils déjà fait – et frapper à la porte des réseaux voisins voire un peu plus éloignés – en province de Hainaut surtout mais aussi, pourquoi pas, à Namur – en vue de partager ces frais de santé indispensables.

La présidente : Ce serait ainsi une espèce d'intercommunale, un partage de frais. Pourquoi pas?

Julie Taton:

Monsieur le ministre, on sait que le cadre budgétaire est très compliqué et que vous avez aussi des choix difficiles à faire. Mais il ne faut toutefois pas oublier de soutenir nos hôpitaux qui ont été durement impactés par la période covid et le coût de la vie.

Comme vous l'avez mentionné dans notre accord de gouvernement, n'oublions pas non plus l'accessibilité géographique et pensons aux patients wallons qui n'ont plus que le CHU de Charleroi pour ce rendez-vous médicalisé spécialisé.

Il n'en reste plus que six et, comme vous l'avez également dit, le but n'est peut-être pas d’être rentable mais en tout cas de pouvoir s'y retrouver et de trouver des solutions.

Notre contact, Jonathan Arvicus, infirmier hyperbariste à Charleroi – qui nous suit en live et que je salue –, nous a aussi parlé du cas de Liège qui a fermé voici deux ou trois ans. Il y avait aussi le projet de rouvrir, qui est tombé à l'eau à cause de son coût estimé à plusieurs millions d’euros. Jonathan a lancé une pétition pour sauver le caisson du CHU de Charleroi; il vise les 25 000 signatures.

À long terme, le traitement hyperbare coûte moins cher que la prise en charge des complications médicales qu’il permet d'éviter. C’est donc quand même un joli paradoxe économique.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je ne serai pas redondant par rapport à l’excellente conclusion de ma collègue Julie Taton.

Je vais essayer de rester positif. J’ai quand même entendu que vous laissiez une porte entrouverte et qu’un débat était nécessaire. Je ne manquerai donc pas de suivre ce dossier tout comme ma collègue Taton et les autres collègues de Wallonie, pour éviter que ce caisson hyperbare ne ferme en région de Charleroi. Ce caisson présente de l’utilité pour toute une région. Vous évoquiez des statistiques, nous en sommes à près de 20 % des consultations du pays à Charleroi. Ce caisson est vraiment d’utilité publique et il faudra combler ces 500 000 euros d’une manière ou d’une autre, avec la mutualisation ou encore en suivant une autre piste au niveau des remboursement des mutuelles aux patients. Tout cela pourrait être débattu autour d’une table ronde.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le ministre. Les informations que vous nous transmettez ne sont évidemment pas rassurantes. J’entends qu’il s’agit de la situation financière et budgétaire dans laquelle vous vous trouvez. Ou plutôt, de la situation dans laquelle vous et vous collègues avez décidé de vous trouver, parce que financer ou pas des soins de santé est un choix politique. Le fait de choisir d’investir des milliards dans la défense, d’investir dans des F-35 mais, à côté de cela, de définancer la santé, relève de choix politiques. Chers collègues des Engagés et du MR, j’entends votre ardeur à défendre le caisson hyperbare, mais j’espère que vous partis viendront au secours du ministre Vandenbroucke dans les négociations budgétaires qui nous attendent dans les prochains jours, pour faire en sorte que de telles technologies, dont nous avons besoin pour sauver des vies, ne soient pas définancées. En 2025, il est inconcevable d’imaginer se priver d’un tel outil pour les personnes qui sont intoxiquées au monoxyde de carbone ou pour les plongeurs. Mes parents sont plongeurs, et je suis très inquiète d’entendre des nouvelles comme celle-là. Oui, en effet, il faut des budgets pour la santé, pour les caissons hyperbares et pour de nombreuses autres missions que requièrent les soins de santé pour sauver des vies. La présidente : Tentons tout de même de rester optimistes. Nous continuons à espérer et nous comptons sur vous, monsieur le ministre, pour défendre ce sujet, parmi d’autres choses, au niveau du budget.

De hervorming van het ziekenhuislandschap

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat het onafhankelijke expertenpanel tegen eind 2025 een definitief rapport met acht prioritaire hospitalierreformes zal indienen, maar geeft geen details over methode, kalender of concrete chantiers. Hij benadrukt dat de koppeling met de financieringshervorming (nomenclatuur) nu ontbreekt, maar later mogelijk wordt. Dedonder dringt aan op parlementaire betrokkenheid en een openbaar debat over de uitkomsten, nu transparantie ontbreekt.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, le groupe d'experts chargé en mars 2025 par la Conférence interministérielle (CIM) Santé publique de formuler des recommandations en vue de la réforme du paysage hospitalier a rendu un premier rapport intérimaire qui a été présenté lors d'une CIM le 9 juillet dernier. Dans ce rapport, le groupe d'experts semble avoir défini la méthode de travail qu'il entendait mettre en place et avoir identifié les huit chantiers prioritaires pour les six prochains mois en vue d'aboutir aux recommandations attendues.

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous indiquer la méthode de travail fixée par le groupe d'experts et les huit chantiers identifiés? Un calendrier plus précis a-t-il pu être établi? Les recommandations du groupe d'experts seront-elles bien finalisées fin de cette année comme prévu initialement? Comment la réflexion de ces experts s'intègre-t-elle avec la réforme du financement et de la nomenclature actuellement en discussion?

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, il est important de rappeler que le groupe de travail d'experts est indépendant. Il est chargé de présenter un rapport d'ici la fin de l'année. Comme vous l'avez dit, lors de la dernière CIM, le 9 juillet, le rapport intermédiaire du groupe de travail d'experts a effectivement été présenté avec huit chantiers prioritaires. L'objectif est de discuter en CIM des priorités, après réception du rapport final, et de les intégrer dans le cadre de la réforme du paysage hospitalier.

À ce stade, il n'y a pas de lien direct avec la réforme de la nomenclature actuellement en cours et donc du financement. Cependant, il est possible que des liens se forment à l'avenir, notamment au moment de la mise en œuvre d'un nouveau système de financement pour le paysage hospitalier.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir repris mes questions, mais vous ne m’avez pas fourni de réponse, à part le fait que ce rapport doit être présenté fin d'année en CIM. Dès lors, pourrais-je vous demander qu’un retour et un débat aient lieu ici sur ce qui aura été discuté, afin que nous puissions, en tant que parlementaires, avoir notre mot à dire?

De steun voor fibromyalgiepatiënten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over de erkenning en onvoldoende vergoeding van fibromyalgie in België, een onzichtbare chronische pijnziekte die vooral vrouwen treft. Minister Vandenbroucke bevestigt dat 60 (en 20 extra) fysiotherapie-sessies vergoed worden, maar wijst op budgettaire grenzen en ontbrekende sectorale vraag voor verdere uitbreiding; een specifiek zorgpad (zoals bij diabetes) ziet hij (nog) niet als meerwaarde. De Smet benadrukt de menselijke nood (werkongeschiktheid, sociale isolatie) en pleit voor betere coördinatie via huisartsen en interdisciplinaire zorg, met de belofte concrete voorstellen in te dienen. De minister toont zich open voor gemotiveerde aanpassingen, mits budgettaire haalbaarheid.

François De Smet:

Monsieur le ministre, la fibromyalgie a été reconnue par l'OMS en 2019 comme douleur chronique généralisée. C'est une maladie chronique qui résulte d'une dysfonction du système nerveux central amplifiant anormalement la perception de la douleur. Cela provoque des douleurs diffuses, une fatigue intense, des troubles du sommeil et des difficultés cognitives.

On estimerait que près de 300 000 personnes en souffrent en Belgique, surtout des femmes, et qu’elles souffrent malheureusement dans un certain silence puisque cette maladie a la particularité d'être invisible à double titre. Elle est invisible sur le plan médical car aucun test ni examen standard ne permet aujourd'hui de l'objectiver clairement. Elle est invisible aussi socialement car il s'agit d'un handicap qui ne se voit pas mais qui épuise chaque jour ceux et celles qui en souffrent. Cette double invisibilité retarde la reconnaissance institutionnelle et fragilise les patients dans leur vie professionnelle et sociale.

Il y a évidemment des choses qui ont été faites déjà dans notre pays. Il y a une résolution parlementaire adoptée à la Chambre en 2011 qui a posé les jalons d'une reconnaissance de cette maladie.

Depuis le 1er mai 2023, l'INAMI permet aux patients d'obtenir le remboursement de 60 séances de kinésithérapie par an à tarif préférentiel à condition qu'un spécialiste ait confirmé le diagnostic. Au-delà de ces 60 séances, le remboursement devient dégressif, ce qui reste très insuffisant pour une pathologie chronique et complexe. Bien sûr, certains patients peuvent accéder aux centres de douleur pour requérir une approche pluridisciplinaire, mais ces centres sont territorialement inégalement répartis et saturés.

Monsieur le ministre, envisagez-vous de permettre sous cette législature le remboursement au-delà des 60 séances de kinésithérapie prises en charge déjà par l'INAMI? Envisagez-vous la mise en place d'un trajet de soins spécifique pour la fibromyalgie, à l'instar de ce qui existe par exemple pour le diabète ou la sclérose en plaques?

Frank Vandenbroucke:

La kinésithérapie peut tout à fait être utile pour certains patients atteints de fibromyalgie. C'est la raison pour laquelle la fibromyalgie figure parmi les pathologies de la liste dite "FB", qui ouvre aux patients le droit de bénéficier d'un plus grand nombre de séances de kinésithérapie dans lesquelles l'assurance maladie intervient à un tarif plus élevé, afin que le coût pour le patient soit moins élevé.

Dans le cadre de la liste FB, comme dans d'autres listes, à l'issue de ces séances remboursées au tarif le plus élevé, le traitement peut se poursuivre sous certaines conditions. Chaque année civile, à l'issue des 60 séances remboursées au meilleur tarif de remboursement, 20 séances supplémentaires sont soumises à un tarif de remboursement intermédiaire – non négligeable. Ce n'est qu'à l'issue de ces 80 séances que la dégressivité est plus marquée.

Au 1 er janvier de chaque année, le compteur est remis à zéro et le patient peut à nouveau bénéficier de séances remboursées au tarif le plus élevé. Nous sommes conscients du fait que certains malades ont de lourdes charges financières et autres à supporter. L'amélioration du remboursement des frais de santé par l'assurance maladie est une mission à laquelle nous travaillons constamment. En ce qui concerne le secteur de la kinésithérapie, nous développons diverses initiatives qui peuvent contribuer à des soins qualitatifs et accessibles. Les règles de la nomenclature sont déterminées et constamment examinées au niveau de l'INAMI en vue de mieux répondre aux besoins des patients.

Quant à la prise en charge subventionnée de la fibromyalgie, même s'il est impossible de savoir dans quelle direction les modalités de prise en charge pourraient évoluer à l'avenir, il n'y a, à l'heure actuelle, aucune demande visant à modifier ces modalités de la part des partenaires qui prennent part aux organes de concertation du secteur. J'examinerai néanmoins avec intérêt toute proposition en ce sens. Évidemment, ces propositions devront être bien motivées et compatibles avec le cadre budgétaire, et correspondre à l'esprit appropriate care et aux objectifs de soins de santé.

Pour répondre à votre deuxième question, il n'existe actuellement pas de trajet de soins spécifique pour la prise en charge de la fibromyalgie. Cependant, l'assurance maladie-invalidité intervient déjà dans différents aspects de la prise en charge des patients atteints de fibromyalgie, tels que la kinésithérapie, les consultations chez les médecins, les médecins spécialistes, les cliniques de la douleur et les médicaments. À ce jour, je ne suis pas convaincu de la plus-value d'un tel trajet dans ce contexte, mais je suis bien entendu à l'écoute de propositions motivées sur cette question.

François De Smet:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses, vos précisions, et votre ouverture. Je l’entends en tout cas comme telle. Je suis en contact avec plusieurs personnes qui souffrent de fibromyalgie. Pour certaines d’entre elles, la vie est réellement un enfer à cause des douleurs, de la fatigue morale, mais aussi à cause de l’incapacité à travailler, ou à mener une vie de famille, à leur grand regret. Je pense par exemple à une maman qui souffre de fibromyalgie, et qui a un petit garçon autiste dont elle doit s’occuper. Elle est en conflit avec sa mutuelle parce qu’elle ne parvient pas à la convaincre de la gravité de la situation. Je crois que cette maladie souffre d’une carence de reconnaissance et de l’absence d’un trajet de soins coordonné par le médecin généraliste, et de manière interdisciplinaire. Je crois que nous pouvons faire mieux, même dans le contexte budgétaire que nous connaissons. Vous avez dit être ouvert à la discussion. Je ferai en sorte moi-même qu’on puisse revenir vers vous avec des propositions plus concrètes, ou bien le secteur le fera. Je vous remercie.

De stijging van de geneesmiddelenprijzen

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat de besparingsplannen voor geneesmiddelenremboursement (433 mln euro, incl. verhoogde eigen bijdrage tot 1-2€/doos) nog niet wettelijk verankerd zijn, maar al wel in een voorlopige missiebrief staan om het budget 2025 voor te bereiden. Hij erkent dat patiënten via het MAF-plafond worden beschermd, maar dat de maatregel hen 26,2 mln euro extra zal kosten—zonder concrete lijst van betrokken medicijnen (bv. antidiabetica, kankerbehandelingen) tot een definitieve regeringbeslissing valt. Désir kritiseert het ontbreken van een juridische basis en dringt aan op transparantie over de impact op patiënten en specifieke geneesmiddelen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, dans la lettre de mission envoyée par le gouvernement à l'INAMI en vue de préparer le budget des soins de santé 2025, vous avez fait état d'une économie de 433 millions d'euros, soit près de la moitié du montant à trouver, à réaliser dans le remboursement des médicaments.

Parmi les pistes évoquées, la hausse du ticket modérateur sur les médicaments, soit la part payée par les patients après le remboursement de l'INAMI, à minimum un euro par boîte pour les personnes bénéficiant d'une intervention majorée (BIM) et à deux euros pour les bénéficiaires ordinaires. Cette proposition, si elle se concrétise, n'offrira plus la possibilité d'obtenir certaines molécules, comme des antidiabétiques, des traitements contre le cancer ou des antihypertenseurs, quasiment gratuitement ou à moins d’un euro.

Monsieur le ministre, quelle est la valeur légale de cette lettre de mission dans le cadre du processus budgétaire du budget des soins de santé? Vous dites que les patients seront protégés, puisque la mesure sera en partie compensée par le maximum à facturer (MAF). Reste que cette mesure devrait rapporter, selon vos estimations, 26,2 millions d'euros qui seront donc directement à charge des patients. Confirmez-vous cela? Enfin, pourriez-vous nous lister les médicaments qui pourraient faire l'objet de la mesure et qui sont donc aujourd'hui à moins d’un euro par boîte?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, la lettre de mission, comme approuvé par le gouvernement le 17 juillet 2025, définit les priorités politiques ainsi que le cadre budgétaire et un calendrier clair dans lequel le Comité de l’assurance doit s’acquitter de sa mission légale de préparation d’un premier projet de budget. La base légale concernant la lettre de mission est en cours d’élaboration. Néanmoins, le gouvernement a estimé que, dans un souci d’anticipation, et conformément à l’accord de gouvernement, il était préférable d’entamer ce processus itératif dès maintenant. Ceci peut être un processus d’apprentissage qui pourra faire l’objet d’une évaluation avec les partenaires du Comité de l’assurance et du Conseil général plus tard dans l’année. Il n’y a, dans la législation belge, aucun élément qui interdit d’envoyer une telle lettre. Soyons clair !

Votre deuxième question est une question encore quelque peu théorique car rien n’a été décidé. Toutefois, il est exact que mon idée visait à protéger les patients via le MAF et qu’une telle mesure pourrait rapporter 26,2 millions d’euros

Je peux donc confirmer qu'il s'agissait d'une conséquence de la proposition que j'ai faite, mais cette proposition, comme tout le budget du reste, n'a pas encore été formellement acceptée. Elle est donc un peu spéculative mais elle reste, en fait, conforme à la proposition que j'ai faite.

S'agissant de votre troisième question, celle-ci est à nouveau un peu spéculative. C'est pourquoi je me propose de vous envoyer, dès le moment où le gouvernement aura pris sa décision, la liste des spécialités pharmaceutiques remboursables en officine ouverte au public au 1 er septembre 2025, avec une explication sur les conséquences de cette mesure. Je le ferai toutefois dès le moment où cela aura été décidé par le gouvernement.

Caroline Désir:

Effectivement, dans votre réponse à ma première question, vous confirmez bien qu'il n'existe pas, à ce stade, de base budgétaire permettant d'encadrer ce processus avec lettre de mission, mais que vous avez anticipé avec le gouvernement sans base légale. Pour le reste, je vous entends bien, aucune décision n'a encore été prise, et mes questions revêtent donc effectivement un caractère spéculatif. J'estime néanmoins important que les personnes puissent être informées non seulement de ce qu'elles devront éventuellement porter à leur charge mais aussi, bien sûr, des médicaments qui seront concernés par ces augmentations. J'espère donc que ces questions pourront être clarifiées le plus rapidement possible.

Het verbod op de verkoop van energiedranken aan minderjarigen
Het verbod op de verkoop van energiedranken aan minderjarigen
De verkoop van energiedrankjes
Energiedrankjes
De gezondheidsaanpak met betrekking tot energiedranken
Regulering en gezondheidsbeleid rond energiedranken voor jongeren

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen), Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België overweegt geen directe leeftijdsgrens voor energiedranken, maar volgt wel het advies van de Hoge Gezondheidsraad (2010)—dat een verbod afraadt maar strenge etikettering (waarschuwingen voor kinderen/zwangeren) en doseringslimieten (max. 320 mg cafeïne/liter) beveelt—en houdt Europese initiatieven (zoals het Britse voorstel voor een verbod onder 16) nauwlettend in de gaten. 10% van de Belgische adolescenten (10-17 jaar) drinkt wekelijks energiedranken, met hogere cijfers bij jongens, hoewel de consumptie sinds 2010 daalt. Nieuw wetenschappelijk advies en reclamebeperkingen (naar analogie met tabak/alcohol) worden overwogen, maar concrete plannen ontbreken nog—sensibilisering blijft vooral een bevoegdheid van de gewesten. De sector zelf ontwijkt regulering door alternatieve stimulerende stoffen (taurine, creatine) toe te voegen, terwijl marketing gericht op jongeren (hippe verpakkingen, sponsoring van sporters) onverminderd doorgaat. Vrijwillige afspraken (zoals in het VK met supermarkten) kunnen een tussenstap zijn.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, er bestaan vandaag 101 soorten energiedrankjes, in allerlei kleurrijke verpakkingen, in allerlei onschuldige smaakjes, zoals perzik-watermeloen. U kent die werkwijze. Ook de vape-industrie maakt gebruik van die marketingstrategieën, gericht op jongeren. Het aanbod is groot, de verleiding is groot en de drempel is heel laag. Beide zijn ook ongezond, zeker voor kinderen en jongeren.

Het advies van de Hoge Gezondheidsraad is op dat vlak ook heel duidelijk. De consumptie van energiedranken wordt afgeraden tot de leeftijd van 16 jaar. In het Verenigd Koninkrijk wil men de verkoop van energiedranken met een hoog cafeïnegehalte aan jongeren onder de 16 jaar verbieden. In België bestaat momenteel geen wettelijke leeftijdsgrens.

Mijnheer de minister, wordt ook in ons land overwogen om een leeftijdsgrens voor de verkoop van energiedranken in te voeren?

Zijn er bijkomende maatregelen mogelijk, zoals beperkingen op reclame en duidelijkere waarschuwingen op verpakkingen?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, pour ma part aussi, je suis inquiète. Une récente enquête journalistique a mis en lumière les effets préoccupants d'une consommation excessive de boissons énergisantes. Après l'ingestion de plusieurs canettes en peu de temps, les examens médicaux pratiqués ont révélé des conséquences directes sur le rythme cardiaque et la récupération après effort.

Ces boissons sont vendues sans restriction, souvent à des prix très accessibles, et leur marketing cible clairement les jeunes. Pourtant, les risques sont connus.

Au vu de ces constats, monsieur le ministre, je souhaite vous poser quelques questions. Reconnaissez-vous que ces produits présentent un risque de santé publique, particulièrement chez les jeunes, lorsqu'ils sont consommés excessivement? Quelles sont les règles en vigueur relatives à leur vente, leur publicité ou leur étiquetage? Vous semblent-elles suffisantes ? Envisagez-vous de renforcer ce cadre, par exemple en limitant leur teneur en caféine, en en restreignant la publicité ou en en interdisant la vente aux mineurs? Disposez-vous de données nationales récentes sur la consommation et les effets de ces boissons? Des recherches supplémentaires sont-elles prévues? Enfin, quelles actions de sensibilisation envisagez-vous pour informer les parents, les enseignants et les jeunes des risques inhérents à cette consommation excessive?

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik zal niet herhalen wat mijn collega’s reeds hebben gezegd, maar ik wil nog enkele elementen toevoegen. Na het Verenigd Koninkrijk overweegt nu ook Portugal een verbod op de verkoop van energiedranken aan jongeren. In België adviseerde de Hoge Gezondheidsraad al in 2010 om het gebruik van energiedranken te beperken bij jongeren jonger dan 16 jaar, maar bijvoorbeeld ook bij zwangere vrouwen. De Raad adviseerde om de inname van cafeïne te beperken tot een maximale dosis van 300 milligram, het equivalent van drie liter cola. Energiedranken bevatten echter veel meer werkzame stoffen dan alleen cafeïne en worden vaak gecombineerd met een hoge dosis suiker, wat bepaalde medische risico’s nog verhoogt.

Gezien de recente maatschappelijke aandacht voor de overconsumptie van energiedranken en uw terechte focus op toekomstgerichte en preventieve gezondheidszorg, heb ik twee vragen.

Het advies van de Hoge Gezondheidsraad dateert van 2010. Vindt u dat nog steeds een voldoende actueel advies om uw beleid op te baseren? Overweegt u een geüpdatet advies aan te vragen?

In welke mate zijn de acties van uw Europese collega’s in Portugal en het Verenigd Koninkrijk een voorbeeld en worden dergelijke acties besproken op Europees niveau? Overweegt u om ook in België de verkoop aan minderjarigen te beperken en/of de reclame voor energiedranken te reguleren?

Frank Vandenbroucke:

Chers collègues, il n'y a actuellement pas de travaux en cours au sein du gouvernement ou du SPF Santé publique concernant la vente de boissons énergisantes aux mineurs. Les risques pour la santé liés à ces produits restent cependant suivis et surveillés. Je suis avec beaucoup d'attention les travaux réalisés au Royaume-Uni.

L'enquête de consommation alimentaire effectuée sur la période 2022-2023 par Sciensano fournit une fréquence de consommation des boissons énergisantes dans la population belge. Selon ces données, près de 10 % des adolescents entre 10 et 17 ans consomment des boissons énergisantes au moins une fois par semaine; 9,2 % pour les filles, 13 % pour les garçons. Les données de l'enquête HBSC "Health Behaviour in School-aged Children" disponibles pour la Wallonie et Bruxelles montrent par ailleurs que la consommation de boissons énergisantes a diminué entre 2010 et 2022, en particulier chez les élèves de cinquième et de sixième primaire.

Le système de nutrivigilance mis en place au sein du SPF Santé publique prend en charge les effets indésirables liés à certaines denrées alimentaires, dont les boissons énergisantes, lorsqu'elles sont enrichies en vitamines et en minéraux, ce qui est la majorité des cas. Très peu de cas ont été déclarés et ils ne concernaient pas les enfants. Les professionnels de la santé n'ont pas contacté le SPF Santé publique concernant de potentielles dérives auprès des jeunes et des mineurs.

Ik wil verduidelijken dat het verbod in het Verenigd Koninkrijk, waarnaar een aantal leden verwezen hebben, nog niet in werking is getreden. Het bevindt zich nog in de consultatiefase tot 26 november. De FOD Volksgezondheid kan dat project grondiger bestuderen, met name wat betreft de rechtvaardiging die eraan gegeven wordt en de draagwijdte, zodra het concreter vorm krijgt. Dat is zeker interessant.

Wat betreft de vraag of een beperking of een verbod aan de orde is, de Hoge Gezondheidsraad beveelt in zijn laatste advies over energiedranken geen verbod aan, maar wel maatregelen inzake etikettering en dosering. Die zijn we in de praktijk aan het opvolgen.

Het klopt dat het advies van de Hoge Gezondheidsraad dateert van 2009, zoals mijnheer Van Lysebettens zegt, en dat de consumentenmarkt en de wetenschap inmiddels niet stilgestaan hebben. In die zin kan een nieuw advies worden overwogen, maar we hebben niet noodzakelijk een advies nodig om te handelen.

In het Verenigd Koninkrijk werd zo in 2018 een vrijwillig verkoopverbod aan min-16-jarigen afgesproken tussen alle grote supermarktketens. Ik vind dat eigenlijk echt wel interessant en ik vind dat iets wat ik eventueel in een dialoog met de sector zou kunnen bespreken.

Au niveau fédéral, nous avons des règles strictes concernant l’utilisation de la caféine dans les denrées alimentaires. Son ajout est uniquement autorisé dans les boissons aromatisées sans alcool, dans une limite maximale de 320 mg de caféine par litre. Dans les autres denrées alimentaires, l’ajout de caféine est interdit, sauf si elle est utilisée comme arôme ou dans le cadre de compléments alimentaires.

La sensibilisation et la prévention relèvent de la compétence des entités fédérées.

Er bestaan al specifieke etiketteringsregels voor dranken met een cafeïnegehalte van meer dan 150 milligram per liter. Ze moeten de vermelding dragen “afgeraden voor kinderen en voor zwangere vrouwen of vrouwen die borstvoeding geven.” Die vermelding moet in hetzelfde gezichtsveld staan als de benaming van de drank, gevolgd door een vermelding van het cafeïnegehalte, uitgedrukt in milligram per honderd milliliter.

Bij gebrek aan advies van de Hoge Gezondheidsraad in die zin zijn nieuwe verplichtingen inzake etikettering momenteel niet aan de orde. Wat de reclame betreft, is er niet in specifieke regels voorzien voor energiedranken, noch zijn die, bij gebrek aan een advies van de Hoge Gezondheidsraad in die zin aangewezen.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, bedankt om dat te blijven opvolgen en om verder werk te maken van een gezonde leefomgeving, zeker voor onze kinderen en onze jongeren. Vandaag zien we immers dat kinderen en jongeren zich niet bewust zijn van de risico’s die gekoppeld zijn aan de consumptie van energiedrankjes.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Il est un fait que, dans les supermarchés, les boissons énergisantes font l’objet de plus en plus de marketing et de packaging. Mon fils adolescent m’a d’ailleurs dit qu’il faisait la collection des canettes, une pratique visiblement à la mode. Elles servent à décorer, mais à force d’en boire, le consommateur ne peut plus s’en passer.

Vous affirmez que les risques sont surveillés, mais, à mon sens, un nouvel avis n’est certainement pas inutile. Tenir à l’œil leur étiquetage et le rendre plus austère pour limiter l’effet du marketing pourrait être une piste également.

Comme vous, madame Oru, je pense que les jeunes ne sont pas conscients des risques liés à la consommation de ces boissons. Quelque 10 % des adolescents en consomment une fois par semaine, ce n’est pas insignifiant. Je vous remercie donc, monsieur le ministre, de surveiller ce dossier.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Ik ben blij te horen dat u ook een aantal acties onderneemt aangaande een nieuw onderzoek. Dat valt te overwegen, omdat de sector wel inziet dat als reactie op een aantal strenge regulaties wordt uitgeweken naar niet-gereguleerde stoffen. In uw antwoord had u het ook over cafeïne. Wij weten echter dat wordt geprobeerd om in energiedranken ook taurine, creatine en allerlei andere activerende stoffen toe te voegen. Het vorig advies van de Hoge Gezondheidsraad is daarop nog niet diep ingegaan. De HGR stelt enkel vast dat nog onvoldoende onderzoek is gebeurd naar de samenwerking tussen die stoffen. Ik kan mij inbeelden dat dat ondertussen is veranderd. Daarnaast vind ik het de overweging waard om ook reclame in ogenschouw te nemen. Mevrouw Dedonder heeft daar ook al naar verwezen. We merken dat de sector heel hard inzet op reclame en op zaken die cool en hip zijn. Veel sporters worden gesponsord door een niet nader genoemd merk. Dat heeft een zekere invloed, waartegen de overheid met haar sensibiliserende opdracht heel moeilijk kan opboksen. In het verleden heeft de overheid wel maatregelen genomen om reclame voor andere verkrijgbare ongezonde stoffen, zoals tabaks- en alcoholproducten, aan banden te leggen voor jongeren. Misschien valt dat in deze materie ook te overwegen voor een aantal producten. La présidente : Ceci clôture notre séance. Je vous remercie toutes et tous. M. le ministre, je vous remercie aussi. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.09 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 09.

De 'recente vaststellingen' van de minister in de groep van de langdurig zieken
De strijd tegen 'valse' langdurig zieken
De langdurig zieken
Het recordaantal langdurig zieken
Beleid, uitdagingen en trends rond langdurige ziekte en arbeidsongeschiktheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 2 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het schandalig hoge aantal langdurig zieken in België (500.000, vergelijkbaar met Duitsland maar met 8x minder inwoners), waaruit massale fraude en misbruik blijkt: steekproeven tonen dat 80% van de tot-pensioen-zieken onterecht is verklaard, met miljardenverspilling (€15-16 mjd/jaar) als gevolg. Minister Vandenbroucke erkent het probleem en kondigt strengere controles, begeleiding naar werk en financiële sancties voor ziekenfondsen aan, maar krijgt kritiek: de oppositie (o.a. PTB) beschuldigt hem ervan 5 miljard te willen besparen op kwetsbaren (zoals poetshulpen met €1.300/mnd) in plaats van rijken te belasten, terwijl rechts (o.a. MR) hem laxiteit en vertraging verwijten. Kernpunt: systeemfaal door gebrek aan controles en werkbare arbeidsomstandigheden, met polarisatie tussen "fraude bestrijden" (regering/rechts) en "sociale rechtvaardigheid" (links).

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, in ons land zijn er evenveel langdurig zieken als in Duitsland, terwijl er acht keer zoveel Duitsers zijn. Er zit dus fundamenteel iets verkeerd; dat is heel duidelijk. Van de half miljoen langdurig zieke werknemers blijken er maar liefst 300.000 thuis ziek te zitten tot aan hun pensioen.

Afgelopen week raakte het resultaat van de steekproef van het RIZIV bekend. Bij een derde van alle gecontroleerden werd het regime van arbeidsongeschiktheid onmiddellijk stopgezet. Van de werknemers die tot aan hun pensioen thuis ziek zijn gezet, blijkt, met uitzondering van wie echt ongeneeslijk ziek is, dat meer dan acht op de tien gevallen onterecht zijn. Bovendien kreeg 55 % daarbovenop nog eens een inkorting van de invaliditeit.

Mijnheer de minister, dat is meer dan een symptoom van een falend beleid. Dat gaat over misbruik. Onder uw beleid als socialist is het aantal langdurig zieken enorm toegenomen en swingen de kosten de pan uit. We spreken dit jaar, dames en heren, over 15 miljard euro. Ik heb de tabel bij mij en het is overduidelijk: het gaat om maar liefst drie keer het budget voor de werkloosheid. Dit is uw bilan: na vijf jaar als minister van Volksgezondheid is het aantal langdurig zieken van 440.000 gestegen naar een half miljoen! U kunt niet zeggen dat u dat niet wist.

Op een ogenblik dat onze regering uitblinkt in het uitvinden van nieuwe belastingen en taksen, is het bijzonder wrang dat daarvoor miljarden de deur blijven uitvliegen. Mijn vraag is duidelijk. (…)

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, cela fait de nombreuses, trop nombreuses années que l'on dit vouloir s'attaquer au problème des malades de longue durée. En réalité, ces dix dernières années, le nombre de malades de longue durée a doublé. On est à plus de 500 000 personnes, ce qui représente 10 % de la population active. Ce nombre est supérieur au nombre de chômeurs dans notre pays.

Certes, les personnes qui sont malades et ne peuvent plus travailler doivent se soigner et prendre le temps de le faire; cela s'appelle la solidarité. Mais pour qu'il y ait cette solidarité et qu'elle soit finançable, il faut que les contrôles soient stricts, que les personnes qui sont capables de travailler puissent retourner au travail et qu'on lutte également contre les abus.

Or, les résultats de l'analyse menée par l'INAMI sur un échantillon analysé sont accablants, puisque sur les 768 000 personnes considérées comme invalides jusqu'à leur retraite, seuls 16 % sont réellement complètement invalides et répondent aux critères. Plus de 25 % ont perdu leur invalidité; elles peuvent retourner purement et simplement travailler. Je le redis, ce sont des chiffres accablants.

L'accord de gouvernement précise qu'il faut s'attaquer au problème en prenant des mesures pour lutter notamment contre ces abus, mais également en accompagnant les personnes afin qu'elles puissent retourner travailler selon leurs capacités, bien évidemment.

Monsieur le ministre, quelles mesures supplémentaires envisagez-vous pour prendre ce problème à bras-le-corps?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, le gouvernement cherche de l'argent. Cela fait 40 ans qu'on fait des économies. Cette semaine, l'idée suivante a surgi. Au lieu de toujours chercher l'argent chez les mêmes, on pourrait pour une fois le puiser là où il y en a: chez les ultra-riches. Taxer les riches! C'est une idée que le PTB défend depuis des années. Elle a atterri sur la table du gouvernement. Magnifique! Cependant, c'était sans compter sur le veto immédiat du MR, les libéraux. Pas question de toucher à leurs amis, les ultra-riches! Ils sont donc venus avec une contre-proposition qui consiste en une économie de 5 milliards d'euros sur les malades de longue durée. C'est la moitié de ce que coûtent aujourd'hui les malades qui sont chez eux depuis plus d'un an. Voilà ce que vous proposez. Cela signifie que vous voulez retirer l'allocation à la moitié des gens qui sont indemnisés par la mutuelle.

Donc, pour vous, les libéraux, pas question de demander 0,6 % à vos amis les multimillionnaires – parce que c'est bien la proposition qui figure sur la table –, mais vous voulez aller chercher 5 milliards chez les malades de longue durée. Savez-vous combien de revenus perçoit un malade de longue durée? Tout à l'heure, j'ai encore téléphoné à une dame qui est à la maison depuis plus d'un an et qui travaille dans les titres-services; elle a 1 300 euros par mois. Comment osez-vous?

Monsieur le ministre, ma question est donc très claire: irez-vous chercher 5 milliards d'euros chez les malades de longue durée?

Axel Ronse:

In de voorbije vijf jaar heb ik af en toe naar Villa Politica gekeken, naar een vergadering van de Kamer. Ik vroeg me af of ik, als ik minister Vandenbroucke in het echt tegenkwam, hem dan wel leuk zou vinden.

Ik vond dat u nooit lachte, mijnheer de minister. Ik meende dat u een strenge kwade man was. Maar sinds ik hier ben, zie ik een verloste Frank Vandenbroucke, iemand die kan lachen, iemand die opnieuw werkvreugde heeft, iemand die verlost is van de PS en van Open Vld, iemand die eindelijk kan doen wat gedaan moet worden.

Mijnheer de minister, u hebt vastgesteld dat in dit land verdorie 260.000 mensen tot hun pensioen zijn ingeschreven als zieken. U wist in de voorbije vijf jaar al: daar zit iets niet goed, daar stinkt iets. Maar u mocht het niet controleren. Van Quickenborne zei: doe dat niet; blijf daar af. Magnette zei: non, lache ça, monsieur Vandenbroucke . De Croo zei: non, je suis le premier ministre, laisse tout à l' aise, monsieur Vandenbroucke .

Maar nu bent u lid van Arizona: Vandenbroucke, go, go! En inderdaad, Vandenbroucke checkt een en ander.

1.800 mensen die tot hun pensioen ziek verklaard waren, werden gecontroleerd. Raad eens hoeveel er onterecht ziek verklaard waren? Meer dan de helft! Mevrouw Gabriëls, ik ben geen zeveraar. Lees de studie. Meer dan de helft werd onterecht ziek verklaard tot zijn pensioen. Van een vierde van die mensen is de uitkering onmiddellijk ingetrokken.

Plegen de ziekenfondsen fraude? Is het totale incompetentie? Ik weet het niet. Maar het Parlement heeft recht op de waarheid, want er wordt geld weggesmeten van mensen die werken, van arbeiders die dag en nacht hun kas afdraaien.

Mijnheer de minister, wat is volgens u (…)?

Frank Vandenbroucke:

Dat zoveel mensen uitvallen door ziekte en zo lang afwezig blijven van het werk, is een gezondheidsprobleem bij uitstek en wat mij betreft het belangrijkste gezondheidsprobleem van deze tijd. We moeten dat aanpakken en we pakken dat ook aan.

Ik wil toch even teruggaan in de tijd. Een eerste golf van maatregelen, die ik in de vorige regering heb genomen, bestond erin het contact met werknemers die in het stelsel van ziekte en invaliditeit instroomden, mogelijk te maken, vanuit de bekommernis dat er misschien ook moet worden uitgekeken naar hun mogelijkheden om weer aan het werk te gaan. Dat is immers soms voor de gezondheid en het herstel van de betrokkene zeer belangrijk. Daarom heb ik, achter de blinde muur van de ziekenfondsen, een kleine groep van terug-naar-werkcoördinatoren die dat contact zijn beginnen te organiseren, geïnstalleerd. Dit was de allereerste stap: opnieuw contact leggen met mensen die we uitsluiten uit de samenleving.

De tweede stap had te maken met mijn vaststelling vrij snel dat de vorige minister van Volksgezondheid een situatie had gecreëerd waarbij mensen zonder enige vorm van controle tot aan hun pensioen op arbeidsongeschiktheid konden blijven. Ik heb dat vastgesteld. Ik zeg daar verder niets over; ik heb daar nooit veel over gezegd. ( Protest )

Mevrouw De Knop, in het vivaldiregeerakkoord stond daar niets over, maar ik heb aan de ziekenfondsen gezegd dat ze vanaf dat moment in de vierde maand, in de zevende maand, in de elfde maand persoonlijk contact moesten opnemen en dat zij in principe nooit meer een erkenning van arbeidsongeschiktheid tot aan het pensioen zouden verlenen. Zij zouden nog een erkenning van één jaar, twee jaar of vijf jaar verlenen en uitzonderlijk nog iemand tot aan het pensioen als arbeidsongeschikt kunnen erkennen. Wij moesten die deur dus sluiten. Het regeerakkoord had dat niet gevraagd; niemand had mij dat gevraagd, maar ik vond het rechtvaardig en goed om dat zo te doen.

Nu volgt er een derde golf maatregelen, door de arizonaregering beslist, waarbij we iedereen, bedrijfsartsen, werkgevers en behandelend artsen, mee in het bad trekken om het contact en de ondersteuning te organiseren en de nodige perspectieven te bieden, zodat die werknemers weer aan het werk kunnen gaan.

Er is een vierde golf van maatregelen nodig. Niemand heeft mij dat gevraagd, ook mijn arizonacollega’s niet, want dat staat niet in het regeerakkoord van Arizona. Ik heb gemeend dat het nuttig is om te onderzoeken hoe het zit met de lopende erkenningen tot aan het pensioen en inderdaad, dat zit niet goed. Dat verschilt ook van ziekenfonds tot ziekenfonds. Daarom zullen we de ziekenfondsen daarop ook financieel aanspreken. Wanneer men zijn werk niet goed doet - dat blijkt ook uit de steekproeven die ik heb laten uitvoeren en die verder lopen -, dan zal men dat voelen. Iedereen zal mee in het bad gaan.

De vierde golf van maatregelen, die ik nodig vind, houdt in dat werknemers niet langer dan één jaar in invaliditeit kunnen zijn zonder garantie op begeleiding, ondersteuning en hulp. Dat betekent inderdaad ook dat er een grondig gesprek moet komen over de vraag of iemand eventueel nog aan het werk kan en wat die arbeidsongeschiktheid concreet betekent.

Laten we trouwens niet defaitistisch zijn. Van het fameuze half miljoen mensen zijn er ondertussen, ook dankzij het beleid, waarvoor mevrouw De Block overigens ook verdienste toekomt, al honderdduizend deeltijds weer aan het werk.

Er werd verwezen naar Duitsland. Dat is een zeer interessant voorbeeld. Daar is men strenger dan hier. Dat mag. Ik ben voor streng en rechtvaardig, maar wel voor iedereen, ook voor de werkgevers. Zij betalen daar al heel lang zes weken zelf. Zij hebben al heel wat verplichtingen die werkgevers hier nu beginnen te krijgen en waarover men klaagt en zaagt.

Ik ben dus voor streng en rechtvaardig, maar wel voor iedereen. En iedereen moet mee in bad om werknemers die een gezondheidsprobleem hebben, nieuwe kansen te geven. Daarover gaat het.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u bent ondertussen meer dan vijf jaar bevoegd, bijna zes jaar zelfs.

Mijnheer Ronse, uw collega naast u heeft vijf jaar lang het ontslag gevraagd van collega Vandenbroucke en nu komt u hier een bloemlezing houden? Ook in de politiek moeten we nog een beetje correct en coherent blijven. Kom mij nu dus niet vertellen dat het de vorige premier is die ervoor gezorgd heeft dat het aantal zieken zo exponentieel is gestegen! We hebben evenveel langdurig zieken als in Duitsland. Duitsland telt echter acht keer zoveel inwoners als België. Dat is dus dramatisch. We hebben meer mensen nodig die werken.

Ik hoor van uw regeringspartijen dat u dit mag en moet aanpakken, mijnheer de minister. Mensen in een vergeetput steken, dat is immers pas asociaal. We moeten die mensen activeren, begeleiden en helpen…

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Vous avez évoqué l'Allemagne. Il est vrai qu'elle compte huit fois plus d'habitants que chez nous mais le même nombre de malades de longue durée. Il y a donc un problème.

Nous avons parlé de solidarité, mais en parlant de solidarité, il faut aussi parler de responsabilité. L'un ne va pas sans l'autre.

Je vous sens enthousiaste, motivé, déterminé sur la question. Aujourd'hui, nous ne sommes plus dans la Vivaldi, nous avons un gouvernement volontariste. C'est sans doute cette orientation-là qu'il faut prendre. Je voudrais d’ailleurs rappeler que le budget consacré aux maladies, qu’elles soient de courte ou de longue durée, par l’INAMI s’élève aujourd’hui à 16 milliards d’euros. Si rien n’est fait, nous allons droit dans le mur. Ce sera, à l’horizon 2030, 19 milliards d’euros au minimum.

Il est donc effectivement temps de prendre le problème à bras-le-corps. Vous pourrez nous avoir avec vous, évidemment, pour le régler.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, u hebt niet op mijn vraag geantwoord, of u denkt dat u 5 miljard euro kunt vinden door op de langdurig ziekten te besparen. Ik heb u ook in de media horen zeggen dat er bij de MR enige rekenkundige fouten waren gemaakt.

Met betrekking tot het aantal langdurig zieken wordt er veel te weinig gesproken over hoe men ervoor kan zorgen dat het werk werkbaar is. Kijk bijvoorbeeld naar de sector van de poetshulpen, waar 11 % van de mensen langdurig ziek is. Dat is 8 % meer dan in andere sectoren. Toen de sociale inspectie naging of de wet op het welzijn op het werk daar werd gerespecteerd, bleek dat 9 bedrijven op 10 niet in orde waren. Hoe wilt u dat mensen niet ziek worden, als zelfs de wet op het welzijn op het werk niet wordt gerespecteerd?

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, ik wil u een hart onder de riem steken. Ik zie op de websites en de sociale media van de communisten zeer lelijke zaken over u verschijnen: Vandenbroucke perst langdurig zieken uit, hij is geen socialist. Dat is niet waar.

Stel u voor dat de heer Magnette arbeider is, dat hij ’s nachts zijn kas afdraait, dat de heer Bouchez zich onterecht ziek laat verklaren en dat de heer Magnette een derde van zijn loon aan de heer Bouchez moet afstaan, die onterecht ziek is. Dat is niet sociaal. Dat is asociaal. Dat is niet wat een socialist zou willen. Geen enkele socialist die het goed voorheeft met de sociale zekerheid kan dat willen.

Als wij onze sociale zekerheid willen opbouwen en versterken en willen dat mensen er opnieuw in geloven, dan moet u doen wat u nu doet. Ik vind dat u alle steun van het hele Parlement verdient. Ook de communisten zouden voor u mogen applaudisseren, want u verdient dat. Dank u wel, minister.

Persoonlijke feiten

Faits personnels

Voorzitter:

De heer Ronse is uitgebreid in het citeren van collega’s. In zijn repliek heb ik niets onheus teruggevonden. In zijn vraag heeft hij echter twee collega’s een bepaald verwijt gemaakt of een bepaalde bedoeling in de schoenen geschoven en zij wilden daarop reageren.

Ik geef het woord aan de heer Van Quickenborne voor een persoonlijk feit.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, ik dank u om u de regels te respecteren. Ik apprecieer dat.

Mijnheer Ronse gedraagt zich als Comical Ronse en neemt een loopje met de waarheid. Wat is de waarheid? Minister Vandenbroucke is al zes jaar bevoegd en verantwoordelijk voor dit departement. In die zes jaar is het aantal langdurig zieken met 55 % toegenomen, een record in Europa. Zoals veel mensen stel ik mij de vraag waarom u daar in die zes jaar niets aan hebt gedaan. Waarom hebt u laten betijen? Waarom hebt u die mensen niet gecontroleerd? Was het om de ziekenfondsen te beschermen of hebt u iets anders (…)

Voorzitter:

Mijnheer Van Quickenborne, ik heb hier geen reactie op de woorden van de heer Ronse gehoord. Dit is niet de toepassing van het Reglement met betrekking tot het persoonlijk feit. U hebt zich tot de minister gericht. Ik geef de heer Ronse het woord, zodat hij u kan antwoorden. Mijnheer Van Quickenborne, ik pas het Reglement toe. De veroorzaker van het persoonlijk feit heeft de ruimte om te reageren.

Axel Ronse:

Mijnheer Van Quickenborne, u zegt dat u een groot deel van die zes jaar vicepremier was en dat u in de ministerraad en het kernkabinet op uw tong hebt moeten bijten toen het regeerakkoord werd opgesteld, omdat u vond dat minister Vandenbroucke zo slecht bezig was. U hebt zes jaar lang de vreselijkste tijd van uw leven beleefd.

Ik begrijp dat u in die periode weinig kon lachen, maar ik zal u de waarheid vertellen. U hebt toen een regering gevormd en uw ziel verkocht aan de PS om op het vlak van hervormingen helemaal niets te doen. Als er één iemand was die toen wel iets wilde doen, dan was het wel minister Vandenbroucke. Hij heeft toen immers stappen gezet met betrekking tot de langdurig zieken die effectief verder gingen dan het regeerakkoord. Nu is hij bevrijd en kan hij all the way gaan. Ik verzeker u dat wij ervoor zullen zorgen dat er geen eurocent meer naar het profitariaat gaat. Dat dient een sociaal doel: het versterken van onze sociale zekerheid. Arizona, here we are .

Voorzitter:

Mijnheer Van Quickenborne, u bent een kenner van het Reglement. Dan zou u toch moeten weten dat een persoonlijk feit aanleiding geeft tot een tussenkomst van 5 minuten voor beide sprekers samen. Mijnheer Ronse en u zijn heel terughoudend geweest. U kunt het Reglement erop nalezen, want het verbaast mij dat u nu verbaasd kijkt.

Voorzitter:

J’ai aussi une demande de fait personnel de M. Magnette.

Paul Magnette:

Monsieur le président, on connaît les caricatures de la droite.

Monsieur Ronse, quand on vous entend, on a l’impression que tous les malades sont des tire-au-flanc, des fainéants, des tricheurs. Il y a une question que vous ne vous posez jamais: pourquoi sont-ils malades?

Vous ne vous posez jamais cette question, parce que vous n’avez jamais travaillé durement comme eux. Vous n’avez jamais nettoyé deux, trois maisons par jour en prenant le bus entre chaque maison. Vous n’avez jamais fait une garde de nuit avec 30 patients. Vous n’avez jamais déchargé des bagages ou des colis en pleine nuit. Vous n’avez jamais travaillé dans la pluie et le vent sur un chantier. Vous ne savez pas ce que c’est, ce travail si dur. C’est cela qui, malheureusement, rend les gens malades.

Et vous, que faites-vous? Au lieu de les aider, vous aggravez les choses. Vous venez avec des heures supplémentaires, de la flexibilité, des flexi-jobs, de la concurrence entre les salariés et les étudiants. Faire travailler tout le monde jusqu’à 67 ans, quelles que soient les conditions de travail! C’est vous qui allez créer des dizaines de milliers de malades de longue durée en plus.

Alors, monsieur, à la place de votre mépris, ce que ces travailleuses et travailleurs méritent, c’est notre respect et notre gratitude!

Axel Ronse:

Mijnheer Magnette, dit Parlement is uitgerust met tolken, goede tolken. Ik raad u aan toch naar de tolken te luisteren. Dan zou u begrepen hebben wat ik zei. Ik raad u ook aan de studies te lezen die het RIZIV heeft gemaakt. Wat ik gezegd heb, is dat er een studie geweest is over een steekproef bij 1.800 mensen die tot hun pensioen als ziek ingeschreven zijn en dat daaruit ondubbelzinnig bleek dat één vierde onterecht ziek verklaard is. Eén vierde. En meer dan de helft ervan was onterecht ziek verklaard tot zijn pensioen. U vindt dat normaal? U vindt dat oké? U vindt dat normaal voor een arbeider? Trouvez-vous normal que quelqu'un qui travaille sur un chantier dans la pluie ou à l'usine la nuit doive payer pour quelqu'un qui n'est pas vraiment malade, jusqu'à sa pension? Non! Nee, zo kijken wij niet naar onze sociale zekerheid. Wij willen dat er meer middelen gaan naar de mensen die werkelijk ziek zijn. Wij willen dat er meer geld gaat naar de sociale zekerheid, naar een arbeider van wie de dochter zelfmoordneigingen heeft en aan wie gezegd wordt dat er een lange wachtlijst is. Wat moet die persoon wel niet denken als hij hoort dat meer dan de helft van de 1.800 gecontroleerde mensen onterecht als ziek werd ingeschreven? Is dat socialisme? Is dat solidariteit? Ik zou diep beschaamd zijn in uw plaats, mijnheer Magnette.

De toegang tot RIZIV-nummers

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 2 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frieda Gijbels kritiseert dat Vlaamse artsenstudenten strenge quota en toelatingsexamens ondergaan, terwijl Wallonië 54% meer startplaatsen toekent en buitenlandse diploma’s (zelfs van veroordeelde criminelen) te gemakkelijk worden erkend, wat oneerlijk en schadelijk is voor de kwaliteit en betaalbaarheid van de zorg. Minister Vandenbroucke benadrukt dat quota nodig zijn voor kwalitatieve opleidingen en wijst op hogere afvalcijfers in Wallonië, maar geeft toe dat een akkoord over een uniforme "verliesformule" (toelatingsberekening) faalt door Vlaams verzet tegen overleg. Gijbels kaatst de schuld terug: Vlaanderen hanteert wel transparante regels, terwijl Wallonië oneerlijk voordeel geeft en eist dringend federale correctie om de overschotten (1000+ overtollige artsen) en oneerlijke concurrentie aan te pakken.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, een RIZIV-nummer is in dit land een ticket om aan de slag te kunnen gaan als dokter of tandarts. Dat ticket is van goudwaarde. We reiken die tickets dan ook niet gemakkelijk uit. Men moet eerst een zeer moeilijk examen doorlopen, en alleen de besten mogen aan de opleiding beginnen, in een poging om na een lange studie en stages zo'n ticket te bemachtigen. We zijn zo spaarzaam met die tickets omdat we de kwaliteit en de betaalbaarheid van onze gezondheidszorg willen behouden.

Dat geldt echter blijkbaar niet voor wie een buitenlands diploma heeft. Dan zijn die tickets blijkbaar heel wat minder schaars. Ze worden bijna op een presenteerblaadje aangereikt, zelfs aan veroordeelde criminelen, zoals we vandaag in de krant lezen.

Ook in Wallonië is het blijkbaar veel minder moeilijk om de studies voor arts of tandarts te mogen aanvatten. Maar liefst 512 studenten extra mogen beginnen aan hun studie tot arts, wat 54 % meer is dan het federale quotum. Voor tandartsen gaat het zelfs om 72 % extra. Dat gebeurt ondanks alle overtallen die al een kwarteeuw worden opgestapeld. Dat is dus niet eerlijk, mijnheer de minister.

Drie jaar geleden maakte u zich sterk dat er een akkoord was bereikt, dat er een einde zou komen aan de overtallen en dat de quota zouden worden gerespecteerd. Van dat akkoord blijkt heel weinig in huis te zijn gekomen. Er is weliswaar een toelatingsexamen, maar verder lijken ze grotendeels hun voeten eraan te vegen.

Mijnheer de minister, wat denkt u van die cijfers over de startquota? Waarom mogen zoveel studenten beginnen aan hun studie? Wat kunt u er zelf aan doen? Zult u de spons erover vegen of hebt u toch nog een stok achter de deur?

Wat zult u doen met de buitenlandse dokters en tandartsen (…)

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, we moeten zorgen voor voldoende artsen, niet te veel en niet te weinig. Dat is belangrijk om opleidingen te kunnen aanbieden die goed georganiseerd en van goede kwaliteit zijn. Dat is ook van belang voor de betrokken beroepen zelf. Dat is ook belangrijk voor de zorg voor de mensen. Daarom bepalen wij die fameuze federale quota, die vastleggen hoeveel artsen na hun basisopleiding van zes jaar een opleiding tot huisarts of arts-specialist mogen beginnen.

Ik heb tijdens de vorige legislatuur inderdaad een historisch akkoord bereikt waardoor nu ook in de Franstalige Gemeenschap een beperking wordt gehanteerd op de toegang tot die opleidingen. Eindelijk, zou ik zeggen.

Om te bepalen hoeveel studenten mogen starten aan de basisopleiding, moeten de gemeenschappen uiteraard inschatten hoeveel studenten in de loop van de studie zullen afhaken. Per definitie ligt het startquotum dus hoger dan het uiteindelijk quotum voor het aantal studenten dat de basisopleiding zal voltooien. Daarvoor worden inschattingen gemaakt en die verschillen inderdaad tussen de Franstalige en de Vlaamse kant. Aan Franstalige kant haken meer studenten af en slagen minder studenten tijdens de basisopleiding.

Ik heb tijdens de vorige legislatuur gevraagd om daarover een grondig overleg te plegen en afspraken te maken. Dat is de zogenaamde verliesformule. De Vlaamse minister van Onderwijs wilde dat echter helemaal niet. Hij wilde daarover geen overleg en wilde geen afspraken maken om het akkoord volledig af te ronden.

Ik hoop dat de huidige Vlaamse minister van Onderwijs wel bereid zal zijn om afspraken te maken over die verliesformule. Ik hoop dat we van elkaar zullen begrijpen waarom de formule in Franstalig België anders is dan in Vlaanderen en waarom ze misschien moet worden gelijkgetrokken; daarvoor ben ik wel te vinden. (…)

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, u kunt de schuld toch niet in de schoenen schuiven van de Vlamingen, die zich al zo lang houden aan die toelatingsexamens en die ook een heel transparante deperditieformule – die verliesformule waarover u het hebt – gebruiken? Dat is totaal niet transparant in Wallonië. U maakte zich sterk dat er een akkoord was, maar dat akkoord blijkt heel weinig waard te zijn. Ik vind dat bijzonder pijnlijk voor onze Vlaamse studenten, die alle moeite van de wereld doen om een diploma te behalen om arts of tandarts te kunnen worden. Ze zien dat het aan de andere kant van de taalgrens veel makkelijker blijkt te zijn om aan die studie te beginnen en dat men met een buitenlands diploma hier zomaar in hetzelfde beroep kan stappen, terwijl zij daarvoor zo hard moeten vechten. Daarom vraag ik u om in te grijpen, mijnheer de minister. Dat kan niet blijven duren. Ik hoop dat er echt een stok achter de deur is die u kunt gebruiken, want dat sleept al jarenlang aan. Er zijn al meer dan duizend artsen te veel (…)

Het effect van nachtwerk op de gezondheid van vrouwen
De hervorming van de nachtpremies
De bepalingen inzake nachtarbeid uit het zomerakkoord
De bevraging van de sociale partners inzake nachtarbeid
De versoepeling van nachtarbeid en de verdere uitholling van de sociale zekerheid
De toepassing van de nieuwe regels inzake nachtarbeid
Nachtarbeid (1)
Nachtarbeid (2)
Nachtarbeid (3)
De hervorming van het nachtwerk
Nachtarbeid, hervormingen en gevolgen voor gezondheid en sociale zekerheid

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hervorming van nachtarbeid en -premies, waarbij de regering het nachtwerk wil uitbreiden (van 20u-6u naar 00u-05u voor nieuwe contracten in 5 paritaire comités) om de concurrentiekracht van e-commerce en distributie te versterken, maar kritiek oogst op gezondheidsrisico’s (vooral voor vrouwen), loonsverlies (tot €560/maand voor nieuwe werknemers) en ondermijning van collectieve arbeidsovereenkomsten. De minister benadrukt geen loonsverlies voor bestaande werknemers, vrijwilligheid en preventiemaatregelen, maar oppositiepartijen wijzen op sociale dumping, gebrek aan evaluatie en tegenstrijdigheden met ILO-normen en eerdere toezeggingen. De focus ligt op 5 sectoren (o.a. detailhandel, logistiek), maar uitbreiding via koninklijk besluit blijft mogelijk.

Voorzitter:

Collega’s, ik wil meedelen dat de leden die een vraag zeker behandeld willen zien – er zijn namelijk heel veel vragen, ook vragen die al dateren van de maanden mei en juni – de minister kunnen vragen om het antwoord onmiddellijk te krijgen. Dat heeft het kabinet toegezegd. Op die manier kunt u uw vragen zeker stellen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, une étude anglaise publiée par RG Open Research s'est penchée sur les conséquences du travail de nuit sur la santé des femmes. En conséquence, les femmes effectuant exclusivement du travail de nuit présentent 50 % plus de risques de développer un asthme modéré à sévère que les femmes travaillant de jour. Ce risque n'est pas observé chez les hommes, quels que soient leurs horaires de travail. Par ailleurs, chez les femmes ménopausées sans traitement hormonal de substitution, ce risque est presque deux fois plus élevé.

Monsieur le ministre, votre gouvernement a décidé d'intensifier le travail de nuit en l'étendant à tous les secteurs. Quelle politique de prévention va être mise en place? Les employeurs seront-ils sensibilisés et responsabilisés à cette problématique?

Une personne ménopausée actuellement au chômage sera-t-elle forcée d'accepter un travail de nuit au risque d'être sanctionnée si elle refuse? Quelles seront les potentielles répercussions de cette réforme sur la santé de la population? Ces répercussions feront-elles l'objet d'un suivi?

Par ailleurs, de manière plus générale, vous avez décidé de réduire l'application des primes de nuit au travail effectué entre minuit et 5 h du matin, alors qu'actuellement, ces primes sont dues pour tout travail effectué de 20 h à 6 h du matin. Je vous entends dire que c'est faux, de sorte que je me réjouis d'entendre votre réponse, monsieur le ministre.

Cette réforme concernait initialement 10 commissions paritaires. J'entends que vous auriez retiré cinq commissions paritaires, à savoir les commissions ouvrières. Il ne resterait donc aujourd'hui que les commissions paritaires 201, 202, 226, 311 et 312, qui couvrent le commerce de détail alimentaire, la logistique, les grandes entreprises de vente au détail et les grands magasins. Confirmez-vous cette information?

Si nous ne pouvons que nous réjouir pour les commissions paritaires épargnées, nos inquiétudes restent entières pour les cinq restantes. Pour nous – et les syndicats le soulignent également –, cette réforme entraînera une baisse de revenus pour les travailleurs, alors même que ces primes constituent une compensation équitable pour des conditions de travail reconnues comme pénibles, nocives pour la santé et compliquant la conciliation avec la vie de famille.

Cette politique pose également une question de cohérence par rapport à l’engagement du gouvernement de récompenser ceux qui travaillent. Dans les faits, nous constatons que vous allez réduire le pouvoir d'achat des travailleurs de nuit.

Vous avez rappelé que la réforme ne s’appliquerait qu’aux nouveaux contrats et qu’aucun travailleur en place aujourd’hui ne verrait sa prime diminuée. J'imagine que c'est pour cette raison que vous vous échinez à dire que c'est faux. Mais c'est pour nous précisément pour cela que les salaires de travail de nuit vont être réduits, car le rapport de force sera d'autant plus défavorable pour les travailleurs en raison de cette modification. Les employeurs auront tout intérêt à remplacer le plus vite possible les anciens travailleurs par de nouveaux contrats moins coûteux; et ces nouveaux travailleurs entreront de facto avec des conditions salariales moindres.

Monsieur le ministre, quelles sont les motivations qui ont conduit au retrait des commissions paritaires ouvrières de cette réforme? Ce retrait résulte-t-il d’un choix politique du gouvernement ou d’un ajustement lié au processus de concertation sociale? Le périmètre des commissions aujourd’hui limité à cinq doit-il être considéré comme définitif, ou est-il encore susceptible d’évoluer, notamment suite aux avis du Conseil d’État, du Conseil National du Travail (CNT) et du Conseil Central de l’Économie (CCE)?

Comment le gouvernement justifie-t-il la cohérence entre les objectifs affichés de valoriser le travail alors même que cette réforme, en introduisant une différence de traitement entre anciens et nouveaux contrats, risque de fragiliser encore davantage la position des travailleurs de nuit et de renforcer un rapport de force défavorable entre eux?

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, selon une étude de l’économiste Olivier Malay, la réforme des primes de nuit adoptée dans le cadre de l’accord d’été entraînera une perte de rémunération importante pour de nombreux travailleurs et travailleuses, en particulier dans le commerce alimentaire, sans pour autant renforcer de manière ciblée le secteur de l’e-commerce, qui est pourtant présenté comme la motivation de la réforme.

L’étude chiffre la perte potentielle pour certains ouvriers du commerce alimentaire jusqu’à 560 euros bruts par mois, tout en générant une perte nette estimée à 20 millions d’euros pour la sécurité sociale et les impôts. Dans le même temps, les économies réalisées bénéficieraient principalement aux entreprises du commerce alimentaire, secteur très peu exposé à la concurrence étrangère en matière d’e-commerce. En définitive, ce sont celles et ceux qui occupent déjà des emplois pénibles et essentiels qui vont être pénalisés.

Monsieur le ministre, allez-vous enfin reconnaître que vous allez faire perdre des centaines d’euros aux travailleurs de nuit? Vous pouvez encore répéter que celui qui travaille déjà en horaire de nuit ne perdra rien. Néanmoins, celui qui démarrera en 2026 perdra bien des centaines d’euros par rapport au salaire qu’il aurait dû recevoir aujourd’hui. Pouvez-vous me le confirmer enfin, monsieur le ministre?

Quelles sont les estimations du gouvernement relativement à la perte mensuelle de salaire que subiront concrètement les travailleurs concernés par secteur?

Votre projet de loi contient-il des dispositifs anti-abus pour éviter que, demain, les entreprises concernées ne remplacent les travailleurs bénéficiant encore des primes entre 20 h et minuit par de nouveaux travailleurs qui n’en recevront plus? Merci d'avance pour vos réponses, si vous m'avez écoutée, bien évidemment.

François De Smet:

Monsieur le ministre, l'Arizona, dont l'imagination est fertile, a donc inventé, uniquement pour le monde du travail, la nuit qui commence à minuit, et non plus à 20 h. Pourtant le mot même, "minuit", aurait pu donner un certain indice qu'à cette heure-là, en général, on est au milieu de la nuit.

Tant pis pour l'alternance naturelle des jours et des nuits qui régit l'humanité depuis des centaines de milliers d'années. Tant pis pour le rythme circadien qui régit le corps humain et sa santé. L'Arizona, le MR, les Engagés, vous êtes plus forts que tout cela et vous avez décidé que la santé des travailleurs devait devenir la variable d'ajustement de certains commerces, notamment de la distribution.

Votre accord gouvernemental estival, en effet, entérine la suppression de l'interdiction générale du travail de nuit, et ne conserve pour les nouveaux contrats que la possibilité de prime entre minuit et 5 h du matin, et non plus entre 20 h et 6 h.

Ce ne sont pas seulement les syndicats qui s'interrogent, monsieur le ministre. Ce ne sont pas seulement les médecins. Ce sont aussi les économistes. Je pense à Étienne de Callataÿ, évoquant les conséquences pour la santé des travailleurs et le manque de responsabilisation des entreprises; ou Bruno Colmant, s'interrogeant sur la pénalisation de certaines professions comme les infirmières, ainsi que la défiscalisation des heures supplémentaires qui ne créerait pas de nouveaux emplois. Les deux que je cite, ce n'est pas, a priori , l'Internationale communiste.

On comprend bien le dilemme, évidemment. D'un côté, la santé des travailleurs; de l'autre, la compétitivité de certaines entreprises.

Oui, bien sûr qu'on a besoin que des travailleurs travaillent de nuit. Sans cela, des secteurs essentiels ne pourraient pas fonctionner. Mais non, néanmoins, l'être humain, a priori , n'est pas fait pour travailler la nuit. Ceux qui le font ont droit à des primes et à des considérations particulières, car leur santé est en danger. Et pas qu'un peu! Rappelons-le, la littérature est claire: troubles du sommeil, de la digestion, limitation directe de l'espérance de vie. Coût direct pour les travailleurs concernés, mais aussi pour la collectivité.

Monsieur le ministre, une étude d'impact sera-t-elle menée quant aux conséquences de cette réforme sur la santé des travailleurs? Quelles sont les justifications de l'adoption de la période de minuit à 5 h? Cette réforme du travail va-t-elle vraiment être génératrice d'emplois comme vous l'affirmez?

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter Ducarme, sta mij toe op te merken dat u er vandaag bijzonder goed uitziet.

Mijnheer de minister, over de nachtarbeid wil ik de zaken even schetsen zoals ze zijn, want over die nachtarbeid wordt al sinds het begin van de legislatuur veel onzin verteld.

Iedereen die vandaag nachtarbeid verricht, zal zijn of haar premie behouden wanneer hij of zij vanaf 20.00 uur begint te werken. Iedereen, in alle sectoren behalve de paritaire comités die daarnet zijn opgesomd, en dus ook nieuwkomers, zal vanaf 20.00 uur een premie ontvangen.

Het enige wat verandert, is dat werknemers die nachtarbeid verrichten in een aantal sectoren pas vanaf middernacht met een premie zullen worden vergoed en dat het vetorecht van de vakbond niet meer zal gelden. Wij doen dat, omdat wij heel veel e-commerce verliezen aan onze buurlanden, in het bijzonder aan Nederland.

Mijnheer de voorzitter, sta mij dus toe om het volgende voorstel te doen. Dit voorstel hoort misschien eerder thuis onder de regeling van de werkzaamheden, maar ik stel voor dat wij met de commissie een bezoek brengen aan een aantal e-commercebedrijven in Limburg en vervolgens aan vergelijkbare bedrijven net over de grens, zodat iedereen ziet hoeveel mensen en jobs wij ondertussen al verloren hebben aan Nederland omdat wij een dergelijke regeling niet hebben.

Mijnheer de minister Clarinval, ik wil u, ten eerste, feliciteren met uw initiatief om de uitzondering op nachtarbeid mogelijk te maken voor nieuwkomers in de e-commercesector, maar ik wil, ten tweede, ook een bezorgdheid uiten. Ik hoor immers in het werkveld dat het aantal paritaire comités onvoldoende zou zijn.

Er vindt nu een consultatie plaats. Welke potentiële paritaire comités zouden nog kunnen worden toegevoegd, zodat wij zeker zijn dat ons doel wordt behaald, namelijk jobs hier houden?

Voorzitter:

Mijnheer Ronse, vorige week hebben leden van de commissie voor Economie blijkbaar een bezoek gebracht aan de e-commercesector.

Axel Ronse:

Ik stel in dat geval voor om de commissie voor Economie naar onze commissie voor Sociale Zaken uit te nodigen om die ervaringen te delen.

Voorzitter:

We kunnen alvast het verslag lezen.

Mijnheer Van Lysebettens, u hebt ook een vraag voor de minister. U hebt daarvoor twee minuten spreektijd.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, proficiat met de afschaffing van nachtarbeid in een aantal sectoren en dus met de reële loonsvermindering die de arbeiders in de betrokken paritaire comités zullen moeten slikken. Terwijl de koopkracht van de werknemers zal dalen, worden de fiscale voordelen voor bedrijven versoepeld of behouden. Met betrekking tot nachtarbeid ondersteunt de overheid ondernemingen reeds via loonsubsidies, namelijk door een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing vrij te stellen voor ondernemingen die ploeg- of nachtarbeid verrichten. Volgens berekeningen van het ABVV wordt op die manier een op de vijf werkdagen door de overheid gefinancierd.

Volgens berichtgeving in De Tijd krijgen bedrijven gemiddeld ruim 100.000 euro fiscaal voordeel door die subsidie. Hebt u een zicht op de effectiviteit daarvan, gelet op de begrotingsdoelstellingen? Pleit u ervoor om die subsidies naar beneden bij te schaven?

U stelde in uw beleidsnota dat de afschaffing tot meer internationale concurrentie moet leiden. Tegelijkertijd zien we dat in de getroffen paritaire comités ook veel sectoren zitten die eigenlijk niet onderhevig zijn aan internationale concurrentie, of toch niet op het vlak van nachtarbeid, zoals kansspelen, wasserijen en dergelijke. Welk belang hebben die sectoren bij die hervorming?

Net zoals bij de uitbreiding van de flexi-jobs ontbreekt ook hier een systeem van duidelijke monitoring en evaluatie. Het Rekenhof stelt immers dat de doelstelling van die loonsubsidie onvoldoende gedefinieerd noch geëvalueerd wordt. Het blijft onduidelijk of die subsidie daadwerkelijk leidt tot een sterkere concurrentiekracht van onze ondernemingen en of die de positie van bepaalde doelgroepen op onze arbeidsmarkt versterkt. Wanneer mogen we daarover een sluitend antwoord verwachten? Is het bovendien niet aangewezen om die evaluatie af te wachten alvorens het nachtwerk verder te versoepelen?

Nadia Moscufo:

Monsieur le ministre, le travail de nuit est actuellement défini comme étant le travail exécuté entre 20 heures et 6 heures. Dans votre exposé d'orientation politique, vous indiquez que, désormais, cette définition va changer et ce sera à partir de minuit et non plus 20 heures. Dans votre avant-projet que vous avez soumis au Conseil National du Travail (CNT), vous dites que, désormais, le travail de nuit sera défini comme étant le travail exécuté entre minuit et 5 heures.

Or, selon l'article 1 er de la convention de l'Organisation internationale du Travail (OIT), le travail de nuit est prévu tel quel. Il s'agit donc de tout travail effectué au cours d'une période d'au moins sept heures consécutives, comprenant l'intervalle entre minuit et 5 heures, à déterminer par l'autorité compétente, après consultation des organisations les plus représentatives des employeurs et des travailleurs ou par la voie des conventions collectives de travail.

Dès lors, votre volonté de limiter la définition du travail de nuit pour certains secteurs à la période de minuit à 5 heures est contradictoire avec cette convention de l'OIT. Comment envisagez-vous de concilier votre volonté de changer cette définition et le respect de la convention de l'OIT?

J'en viens à ma deuxième question. Dans les journaux du groupe Sudpresse du 29 septembre, vous avez déclaré que la limitation du paiement des primes de nuit pour la période de minuit à 5 heures ne concernera que les travailleurs de cinq commissions paritaires et qu'il s'agit uniquement des magasins de nuit et des entreprises qui font de l'e-commerce, et qui n'existent pas aujourd'hui en Belgique parce qu'elles sont établies aux Pays-Bas ou en Allemagne.

Pouvez-vous préciser quelles sont exactement ces cinq commissions paritaires? Dans votre avant-projet de loi, que vous avez soumis au CNT, il est prévu de limiter l'application de la période de nuit à cinq commissions paritaires, étant entendu que le gouvernement pourra ajouter d'autres commissions supplémentaires par le biais d'un arrêté royal. Confirmez-vous cette information?

Vous avez déclaré également que, si une grande surface crée un centre d’e-commerce, seuls les travailleurs qui y seront employés seront concernés tandis que les caissières, les gens qui remplissent les rayons ou qui conduisent les camions ne seront pas concernés. Toutefois, l’avant-projet de loi ne prévoit pas de distinction à l’intérieur des commissions paritaires entre les travailleurs rattachés à un centre d’e-commerce et ceux qui ne le seraient pas. La limitation de la nuit à la période de minuit à 5 heures concernera donc bien tous les travailleurs de la commission paritaire qui entreront en service à partir au 1 er janvier 2026, indépendamment de leur appartenance éventuelle au secteur de l'e-commerce. Comment expliquez-vous cette contradiction entre l’avant-projet de loi et vos déclarations dans la presse?

Confirmez-vous que l’avant-projet de loi vient s’immiscer dans les conventions collectives de travail (CCT) existantes pour décider qu’elle ne s’appliqueront pas de la même manière aux travailleurs qui entreront en service à partir du 1 er janvier 2026? Confirmez-vous que, pour ces derniers, les primes de nuit prévues par les conventions collectives de travail ne pourront être payées que pour les heures prestées entre minuit et 5 heures, même si la CCT prévoit une plus grande amplitude?

J'en viens à présent à ma troisième question. Dans votre argumentation motivant votre souhait de modifier la législation sur le travail de nuit, à laquelle nous n'apportons aucun crédit, vous évoquez un déficit de compétitivité et un désavantage concurrentiel par rapport aux pays voisins. Cela expliquerait que des centres de distribution s’installent de l’autre côté de la frontière, entre autres aux Pays-Bas.

Actuellement, le travail de nuit est défini comme étant le travail exécuté entre 20 heures et 6 heures. Vous prévoyez que, pour les entreprises du secteur de la distribution et des secteurs annexes, y compris le commerce électronique, le travail de nuit serait désormais défini comme étant le travail exécuté entre minuit et 5 heures.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Cette nouvelle définition s'appliquera donc à cinq commissions paritaires. Confirmez-vous que les commissions paritaires 201 et 202 font partie des cinq commissions paritaires concernés? Comment justifiez-vous cette définition? En effet, ces deux commissions paritaires ne sont pas confrontées à l'exposition à la concurrence internationale puisqu'il ne s'agit pas de centres d'e-commerce.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, de heer Ronse heeft daarnet verklaard dat er grote plannen zijn om de regels inzake nachtarbeid te versoepelen, om de nacht te laten starten om middernacht in de plaats van om 20.00 uur voor bepaalde sectoren.

J'ai toutefois constaté, monsieur le ministre, qu'un avant-projet provenant de votre cabinet reprenait dix secteurs, dix comités paritaires pouvant bénéficier de cette exception. Or, aujourd'hui, le texte présenté au CNT ne parle que de cinq secteurs? Que s'est-il passé, monsieur le ministre? Y a-t-il eu un changement? Il semblerait, que lors des discussions sur l'accord de l'été, des partis vous aient dit que les secteurs et comités paritaires pouvant en bénéficier étaient trop nombreux et qu'il fallait réduire leur nombre.

Mijnheer Ronse, eerst ging het om tien paritaire comités en nu nog slechts om vijf. Als we zo verdergaan, eindigen we misschien op nul.

Mijnheer de minister, wat is er gebeurd? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Hoe komt het dat het aantal is verminderd van tien naar vijf? Zo vallen de paritaire comités 119 en 140.03 daar bijvoorbeeld niet meer onder.

Dat betekent concreet, mijnheer Ronse, dat bijvoorbeeld supermarkten en supermarktdepots zoals Delhaize Collect of Collect & Go bij Colruyt daarvan helemaal geen gebruik kunnen maken. Wat met veel tromgeroffel was aangekondigd, namelijk dat de e-commerce eindelijk zou kunnen genieten van een versoepeling, blijkt dus een compleet lege doos te zijn. De vijf overblijvende paritaire comités betreffen in feite immers supermarkten, die sowieso de deuren sluiten om 20.00 uur. Het maakt dus helemaal geen verschil.

Mijnheer de minister, waarom werd beslist om terug te gaan van tien naar vijf paritaire comités? Wie heeft tot die aanpassing beslist? Ik weet wel dat u zult zeggen dat dit nu voorligt bij de Nationale Arbeidsraad, maar dat de vakbonden dat zullen weigeren. Hoe zult u er dus voor zorgen dat de e-commerce uiteindelijk toch kan genieten van die versoepeling?

Voorzitter:

Collègues, conformément au Règlement, et étant donné qu’il s’agit d’un débat d’actualité, les membres qui n’ont pas déposé de question peuvent encore y prendre part, soit en posant une question à la suite de celles déjà posées, soit en intervenant par voie de réplique. Il importe de rappeler que ces membres ne peuvent cumuler les deux modalités d’intervention: soit ils s'inscrivent pour la question, soit ils s'inscrivent pour la réplique.

Comme nous sommes au stade des questions, y a-t-il des parlementaires qui souhaitent se joindre au débat via la question?

Président: Vincent Van Quickenborne.

Voorzitter: Vincent Van Quickenborne.

Denis Ducarme:

Monsieur le ministre, je serai bref. Sur le plan socio-économique, j'ai parfois l'impression, que certains raisonnent comme si nous étions une île. Mais nous ne sommes pas Cuba. Nous faisons partie d’un ensemble interdépendant, et lorsque nous abordons la question du travail de nuit, il s’agit de ne pas l’envisager sous un prisme moralisateur, mais bien réaliste eu égard aux pratiques autorisées ou non chez nos voisins.

Donc moi, ce qui m'intéresserait tout de même, c'est que vous puissiez rappeler les réalités européennes en la matière, et nous dire si, avant votre réforme, on était en décalage par rapport aux réalités européennes en matière de travail de nuit.

L'autre élément – c'est comme ça que moi j'ai lu la réforme –, c'est qu'aujourd'hui – et c'est pour ça que je pense que la gauche devrait adhérer à cette réforme – on est un peu dans un flou artistique. En effet, le travail de nuit n'est pas autorisé – sans être interdit, puisqu'il y a des dérogations possibles. En ce sens, je pense que c'est une clarification importante. Actuellement, avant la réforme, on est quelque part un peu les fesses entre deux chaises.

Dernier point que je pense fondamental, la réforme – selon les analyses et les rapports produits – créera-t-elle de nouveaux emplois? Avons-nous des informations par rapport à une potentielle création d'emplois? Et si elle a été chiffrée, il serait intéressant naturellement qu'on puisse disposer de ces éléments.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

David Clarinval:

Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie évidemment pour toutes les questions. Permettez-moi tout d'abord de clarifier certains éléments concernant la question de la suppression de l'interdiction du travail de nuit, une mesure qui est actuellement en cours de préparation.

Il est exact qu'aujourd'hui, la loi sur le travail dispose que le travail de nuit est interdit. Dans le même temps, cette loi prévoit que des dérogations à cette interdiction sont possibles. Et elle énumère pas moins de 22 secteurs d'activité dans lesquels le travail de nuit est déjà autorisé. Ce sont, par exemple, l'horeca, les soins de santé ou les taxis.

Chers collègues, ce sont là des exceptions à l'interdiction du travail de nuit qui sont déjà en vigueur aujourd'hui et que nous trouvons toutes évidemment normales, mais pour lesquelles il avait fallu par le passé mettre en place des procédures lourdes pour les autoriser.

C'est pourquoi le gouvernement veut s'atteler à la suppression de l'interdiction du travail de nuit et définir clairement ce qu'est le travail de nuit dans les différents secteurs, en particulier le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce, des secteurs qui souffrent aujourd'hui fortement de la concurrence des pays voisins. Dans l'e-commerce, le travail de nuit commencera à minuit et se terminera à 5 heures. Nous nous plaçons ainsi sur la même ligne que les pays voisins tels que les Pays-Bas, où le travail de nuit commence à minuit, et l'Allemagne, où il débute à 23 heures.

Dans le projet de loi approuvé dans le cadre de l'accord d'été, l'interdiction du travail de nuit est supprimée, et les procédures d'introduction du travail de nuit sont assouplies. Ce projet de loi a été transmis pour avis au Conseil National du Travail (CNT) et au Conseil Central de l’Économie (CCE).

Une étude de la Fédération des Entreprises de Belgique (FEB) montre qu'entre 2009 et 2019, le chiffre d'affaires de la vente à distance en Belgique a augmenté de 95 % alors qu'aux Pays-Bas il a augmenté de 253 % et en Allemagne de 269 %, ce qui correspond environ à 40 à 50 000 emplois non créés pendant cette période en Belgique. Nous sommes donc trois fois moins en croissance que ces deux pays voisins. Ce sont en quelque sorte entre 40 et 50 000 emplois qui ont été perdus dans notre pays.

Il est en outre absolument nécessaire d'assouplir les procédures permettant d'introduire effectivement le travail de nuit dans l'entreprise. Si la réalité économique exige le recours au travail de nuit dans une entreprise, il ne peut pas être question qu'il ne puisse pas être mis en place ou uniquement moyennant des coûts excessifs. C'est jouer avec l'emploi et les jobs de nombreuses personnes, alors que ce gouvernement a fait de la création et du maintien de l'emploi une priorité. Je mettrai donc pleinement en œuvre cette mesure.

La suppression de l'interdiction du travail de nuit et l'introduction d'une nouvelle définition alignée sur celle de nos pays voisins renforceront la compétitivité de nos entreprises. Elles disposeront ainsi de la flexibilité nécessaire pour réagir plus rapidement aux marchés internationaux et créer de nouveaux emplois. De cette manière, nous évitons que la production et l'innovation ne soient délocalisées à l'étranger. Il ne s'agit pas d'un démantèlement des droits, mais d'une modernisation nécessaire pour simplement rendre notre économie pérenne.

Ik ga nu dieper in op uw vragen.

Met betrekking tot de impact van nachtarbeid op de gezondheid van werknemers, wil ik benadrukken dat de regering zich hiervan ten volle bewust is, maar in het huidige ontwerp wordt geen afbreuk aan de welzijnswetgeving gedaan. De codex over het welzijn op het werk bevat immers reeds specifieke beschermingsmaatregelen inzake nachtarbeid. Zo moet de werkgever een risicoanalyse uitvoeren voor de werknemers die nacht- of ploegenarbeid verrichten. Deze werknemers worden, omwille van de risico’s, aan het verplichte gezondheidstoezicht onderworpen.

Een voorafgaande gezondheidsbeoordeling moet nagaan of de betrokken werknemer geschikt is om in het nachtregime te werken. Wanneer uit de resultaten van deze onderzoeken en analyses blijkt dat nachtarbeid een bijzonder risico van geestelijke of lichamelijke spanningen met zich meebrengt, moet de werkgever de nodige preventiemaatregelen nemen. Daartoe behoort onder meer een jaarlijkse periodieke gezondheidsbeoordeling die specifiek op nachtarbeid gericht is. Als zou blijken dat er geen andere bijzondere risico’s bestaan dan deze die eigen zijn aan nachtarbeid, worden de werknemers aan een driejaarlijkse algemene periodieke gezondheidsbeoordeling onderworpen.

L'employeur doit en outre veiller à ce que les services de prévention et de protection du travail soient suffisamment disponibles, à ce que les premiers secours et les soins d'urgence puissent être dispensés, à ce que les travailleurs effectuant un travail de nuit ou en équipes soient informés de tous les risques inhérents à leur travail, des mesures de prévention prises ainsi que de l'organisation des services de prévention et de protection au travail et des premiers secours. Le travail de nuit ne sera donc pas instauré du jour au lendemain, mais uniquement après la réalisation d'analyses de risques et la mise en place de mesures préventives. Grâce à des évaluations de santé périodiques, l'impact sera également suivi et, le cas échéant, des mesures supplémentaires pourront être proposées. L'impact est donc bel et bien suivi, tant au niveau de l'entreprise qu'au niveau du travailleur individuel.

En outre, la proposition actuelle ne remet nullement en cause le principe du volontariat pour le travail de nuit. Ainsi même une demandeuse d'emploi en période de ménopause, madame Schlitz, ne sera en aucun cas contrainte de travailler la nuit.

Dan kom ik bij de vraag naar de zogenaamde subsidies die de ondernemingen ontvangen. Deze maatregel is in feite geen subsidie, maar een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid, en vormt een essentieel instrument van ons beleid ter ondersteuning van de werkgelegenheid en de competitiviteit van de ondernemingen.

En effet, ces activités se caractérisent par des conditions de travail particulières, souvent contraintes et peu attractives. Sans ce mécanisme, de nombreuses entreprises actives dans des secteurs stratégiques tels que la logistique, la production industrielle, la santé ou encore certaines branches de la distribution rencontreraient de graves difficultés à recruter et à maintenir du personnel.

Le régime actuel agit donc comme une compensation légitime pour des travailleurs qui assurent la continuité du service essentiel et le maintien d'emploi en Belgique. Supprimer brutalement cette disposition, comme proposé, représenterait un choc compétitif majeur. Cela pèserait directement sur le coût du travail, mettrait en péril des milliers d'emplois et renforcerait la délocalisation d'activités vers des pays voisins où des dispositifs comparables existent déjà. L'impact budgétaire brut ne doit donc pas être isolé de ces effets économiques et sociaux qui pourraient s'avérer négatifs tant pour l'État que pour la collectivité. Une suppression n'entraînerait pas une augmentation des recettes de l'État de 2,5 milliards mais aurait un effet négatif compte tenu des destructions d'emplois que cela engendrerait.

Notre objectif n'est pas d'encourager le travail de nuit en soi mais d'en atténuer les conséquences financières et organisationnelles là où il s'avère indispensable. C'est pourquoi le gouvernement estime qu'il est opportun de maintenir ce régime tout en poursuivant parallèlement des politiques de santé et de prévention afin de limiter les effets négatifs du travail de nuit et en équipe sur les travailleurs.

En ce qui concerne les primes pour le travail de nuit, l'accord de gouvernement prévoit expressément qu'il ne peut y avoir aucune perte de pouvoir d'achat pour le travailleur qui est aujourd'hui déjà actif entre 20 h et minuit. Je répète: aucune perte de pouvoir d'achat pour les travailleurs qui sont aujourd'hui déjà actifs entre 20 h et minuit! Je déplore qu'il y ait vraiment une propagation de fake news à l'égard du fait que certains perdraient leurs primes de nuit.

Dans la plupart des secteurs où le travail de nuit est déjà en vigueur, la procédure d'introduction du travail de nuit sera assouplie sans que les primes ne soient modifiées. De même, le travailleur qui est aujourd'hui déjà actif dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce, ne subira aucune perte de pouvoir d'achat. Aucune perte de pouvoir d'achat! Seuls les nouveaux travailleurs de ces secteurs seront soumis à la nouvelle définition du travail de nuit et percevront une prime correspondante.

Une telle réforme dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes se fonde sur la nécessité de rétablir la compétitivité des entreprises belges actives dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce, qui est mis à mal par rapport aux entreprises des pays voisins exerçant le même type d'activité.

En outre, et corrélativement, il est important de souligner que les gains de compétitivité obtenus sur base de la réduction des coûts pour les employeurs, induite par les réformes précitées, seront eux-mêmes susceptibles d'avoir un impact positif sur le taux d'emploi, en permettant l'engagement de travailleurs supplémentaires dans les secteurs précités, et de contribuer ainsi à l'objectif du gouvernement d'augmenter le taux d'emploi en Belgique à 80 %.

Un rapport récent du CCE statue qu'avec une part de 11,8 %, le secteur de la distribution contribue de manière significative à l'emploi en Belgique. Entre 1997 et 2022, l'emploi y a progressé de 8,7 %.

La croissance de l'emploi dans le secteur est toutefois nettement inférieure à celle enregistrée en Belgique au cours de la même période, de 30,5 % entre 1997 et 2022.

Selon une étude de Comeos, seuls 27 % des colis commandés par les Belges proviennent de Belgique – à peine un quart –, tandis que 41 % proviennent des Pays-Bas, 14 % d'Allemagne et 6 % de France. Le handicap salarial est l'une des causes qui expliquent ce gros retard.

Wat de definitie van distributiesector en aanverwante sectoren, met inbegrip van e-commerce betreft, het ontwerp bevat inderdaad slechts vijf paritaire comités. In het kader van de vraag om advies van 28 juli 2025 met betrekking tot het wetsontwerp in voorbereiding heb ik de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven dan ook verzocht om op gefundeerde en objectieve wijze de paritaire comités die tot de distributiesector en aanverwante sectoren behoren, te identificeren. Die analyse moet zich specifiek richten op de kwalificatie van ondernemingen en sectoren waarvoor met bewijzen kan worden aangetoond dat er sprake is van een concurrentieel nadeel inzake nachtarbeid ten opzichte van de buurlanden. Op basis van die analyse zal worden nagegaan welke sectoren aan de lijst moeten worden toegevoegd.

Zonder dat ik op de analyse vooruit wil lopen, lijkt het mij dat onder andere ook de paritaire comités 119 en 140 wegvervoer en logistiek voor rekening van derden op de lijst thuishoren.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, je vous prie de m'excuser. Mme Schlitz veut absolument que vous concluiez. Je demanderai également aux parlementaires de respecter le Règlement dès qu'ils dépassent un peu trop leur temps de parole. Ne vous en inquiétez pas, monsieur le ministre. Voulez-vous conclure?

David Clarinval:

Monsieur le président, je veux bien répondre à toutes les interpellations, mais si on ne me laisse pas le temps de le faire…

Voorzitter:

Voyant Mme Schlitz s'activer et bondir sur son siège, monsieur le ministre, j'espère que vous comprenez que j'ai pris peur. Je vous demande dès lors, compte tenu du Règlement, d'aller au bout de votre propos le plus rapidement possible.

David Clarinval:

We moeten een oneerlijke behandeling tussen paritaire comités of bij ondernemingen vermijden.

Madame Moscufo, ce projet de loi actuel prévoit en effet la possibilité d'élargir la liste par arrêté royal et – pour que vous ayez des réponses à vos questions – je vais vous préciser exactement les 5 commissions paritaires qui sont actuellement dans l'avant-projet de texte. Il s'agit de la CP 201 (commerces de détail alimentaires), de la CP 202 (moyennes entreprises d'alimentation), de la CP 226 (employés de commerce international, du transport et de la logistique), de la CP 311 (grandes entreprises de vente au détail) et de la CP 312 (grands magasins). Il s'agit effectivement d'une liste provisoire qui est arrêtée dans l'arrêté, qui est mise à consultation et qui pourra être élargie le cas échéant.

We kunnen er ook voor opteren om te werken met een definitie van activiteiten waarvoor men een beroep op de nieuwe regeling kan doen, in plaats van met een lijst van paritaire comités. Op die manier benadelen we geen sectoren en behandelen we ondernemingen die dezelfde activiteiten uitoefenen maar in verschillende sectoren, op dezelfde manier, dus ook de ondernemingen die voor de activiteit onder paritair comité 100 of 200 vallen.

Pour faire bref, je vais résumer la suite. J'aurais pu répondre aux questions sur les dispositions anti-abus. Je rappellerai simplement que la convention collective de travail 109 concernant la motivation du licenciement, et notamment la procédure prévue en cas de licenciement manifestement déraisonnable ainsi que les mécanismes de protection prévus pour certains travailleurs et travailleuses, s'applique. Par ailleurs, en lieu et place de la procédure relative aux licenciements manifestement déraisonnables prévue par la convention collective de travail 109, le travailleur qui estime que son licenciement est dépourvu de fondement peut toujours demander réparation du préjudice subi.

Je passe rapidement des réponses. En ce qui concerne la question des primes pour le travail de nuit, je me réfère volontiers aux dispositions de l'accord de gouvernement reprises dans le projet de loi. Je voudrais quand même rappeler clairement que pour les nouveaux travailleurs, une prime de nuit restera toujours due, soit sur la base de la convention collective de travail 49, soit sur la base d'une convention sectorielle ou d'entreprise. Mme Meunier notamment m'a posé cette question. Cette CCT 49 s'appliquera toujours. Elle est transversale. Il est donc faux de dire que les nouveaux travailleurs ne bénéficieront pas de primes de nuit. Au contraire, la CCT 49 s'applique.

Monsieur le président, je ne serai pas plus long. Je ne voudrais pas irriter certains collègues.

Voorzitter:

Non, il ne faut pas, dans cette commission, monsieur le ministre. Je vous remercie d'avoir conclu. La parole est donc aux parlementaires pour les répliques.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Vous évoquez souvent la compétitivité comme le moteur principal de cette réforme. Or, ce qui transparaît de votre discours, c'est un nivellement par le bas des salaires et des conditions de travail, pour correspondre à des standards moins exigeants pratiqués ailleurs.

Au sein de l'Union européenne – cette Europe dans laquelle nous devrions renforcer notre coopération en matière de migration – ne serait-il pas temps d'avoir une discussion sur les conditions de travail et la qualité des emplois, notamment avec nos partenaires des Pays-Bas et de la France, plutôt que de niveler par le bas des salaires et des conditions de travail de travailleurs qui sont déjà parmi les plus précaires de notre pays? Je ne peux concevoir que la réforme du marché du travail ait pour boussole une course après des pays moins-disant.

J'entends dire que le recours au travail de nuit dans le cadre de cette réforme serait fondé sur le volontariat. Vous le confirmez d’ailleurs: une personne au chômage qui refuse un emploi de nuit ne sera pas sanctionnée. Mais vous évoquez également le caractère "indispensable" du travail de nuit pour certains secteurs. Quelle est la définition de ce terme? Existe-t-il une liste limitative, exhaustive des métiers ou des missions considérés comme indispensables au bon fonctionnement d’un secteur? À partir de quand estime-t-on qu'un emploi de nuit est indispensable? Dans le secteur de la santé, évidemment, nul ne contestera que le travail de nuit est indispensable, mais qu'en est-il lorsqu'il s'agit de se faire livrer une chaîne hi-fi à minuit? Est-ce cela, pour vous, l'indispensable? Ce flou persiste et nous inquiète.

Lorsque vous affirmez qu'il n'y aura pas de perte de salaire pour les travailleurs déjà actifs, nous vous entendons. En revanche, pour les nouveaux travailleurs, nous sommes quand même d'accord pour dire que la prime pour travail de nuit presté entre 20 heures et minuit et entre 5 h et 6 heures ne sera plus versée. Dès lors, en quoi consiste votre réforme si ce n'est pas de cela qu'il s'agit?

Trop de flou subsiste encore en la matière, raison pour laquelle nous continuerons à vous interroger sur le sujet.

Sophie Thémont:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Nous savons que les nouvelles règles du travail de nuit vont toucher principalement le secteur de la grande distribution. Une étude a été publiée en août dernier sur le sujet. Nous savons également que ce secteur est en pleine vague de licenciements. Tout ce secteur est en train de fermer. Soyons réalistes.

Vous parlez de la santé. Le travail de nuit est reconnu comme un facteur de risque. On parle de troubles du sommeil, de maladies chroniques. La réduction des primes représente une diminution des compensations pour un travail nettement plus pénible. Vous dites que les travailleurs qui bénéficient aujourd'hui de cette prime la conserveront. Mais, pour les nouveaux travailleurs, la prime ne sera plus payée entre 20 heures et minuit et entre 5 et 6 heures.

Vous brandissez sans cesse l'objectif de 80 % de taux d'emploi. Je me demande bien comment vous allez pouvoir relever le taux d'emploi en accentuant systématiquement les flexi-jobs, le travail de nuit et les contrats "zéro heure". Vous prenez des mesures sans pour autant avoir créé sur le côté un seul emploi. Nous étions à 7 780 emplois perdus au premier trimestre; aujourd'hui nous sommes à plus de 10 000 et les entreprises n'arrêtent pas de fermer.

Nous savons aussi quel impact cela a sur la gent féminine. Vous avez dit tout à l'heure qu'il n'y aurait pas d'obligation, surtout pour les femmes qui sont en ménopause. J'ai trouvé cela un peu fort de café. Une femme qui travaille régulièrement entre minuit et 5 heures a 26 % de risque en plus de développer un cancer du sein. Et ce risque peut tripler après 10 ans de travail de nuit trois fois par semaine. Je pense vraiment que vous devriez parfois faire attention à vos propos.

David Clarinval:

Madame Thémont, j'ai donné l'exemple de la femme ménopausée en réponse à une question spécifique de Mme Schlitz.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

Il y a donc bien une perte de pouvoir d'achat, non pour les anciens travailleurs – vous l'avez répété à plusieurs reprises –, mais bien pour les nouveaux contrats. Dès lors, nous verrons deux types de travailleurs, qui ne percevront pas la même rémunération selon leurs conditions de travail. Surtout, il reste le coût de ces mesures pour la santé. Vous avez bien fait de rappeler les mesures déjà en vigueur en matière de prévention, d'accompagnement et d'analyse de risque. Tout cela est vrai. Néanmoins, malgré tout, nous savons que l'impact du travail de nuit sur la santé est inévitable et considérable. C'est évidemment une entourloupe. En effet, en facilitant le travail nocturne, votre gouvernement va mutualiser les coûts engendrés par ces problèmes de santé qui seront pris en charge par la collectivité, tout en permettant des bénéfices qui, dans une large mesure, resteront privés et seront réalisés par des entreprises telles qu'Amazon, Zalando ou Shein.

Enfin, j'entends l'argument que c'est nécessaire parce que nous vivons dans un monde dur et que les Pays-Bas le font déjà. Cela ne me semble pas vraiment un bon argument. Je sais que votre premier ministre préfèrerait que nos amis néerlandais et nous-mêmes formions un seul et même pays, mais il n'est quand même pas scandaleux d'imaginer que, dans certains secteurs, les choses s'organisent différemment. En matière de santé des travailleurs, l'alignement ne devrait-il pas plutôt s'orienter vers davantage de protection pour tous que vers davantage de travail de nuit pour chacun?

Axel Ronse:

Ik heb begrepen dat de minister het helemaal eens is met het feit dat het huidig aantal paritaire comités te beperkt is. De minister heeft er een aantal opgesomd die er zeker bij zouden moeten komen. Ik wens de minister veel moed en doorzettingsvermogen en ik steun hem volledig in de verdere bespreking van dat wetsontwerp.

Ik vermoed dat de NAR en de CRB geen eenduidig advies zullen uitbrengen, aangezien de spelers diametraal tegenover elkaar staan, maar althans aan de hand van onderdelen van die adviezen zal een verstandige keuze gemaakt moeten worden, zodat we de e-commerce hier kunnen houden, waaruit extra jobs kunnen voortkomen.

Jeroen Van Lysebettens:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Eens te meer moet ik echter vaststellen dat deze regering vooral voor grote bedrijven en werkgevers rijdt. De bedrijven behouden de vrijstelling van belastingen voor nachtarbeid. Op die manier zou ik ook geen subsidies meer behoeven. Dat is een puur ideologische beslissing, zonder enige onderbouwing en zonder na te gaan of uw doelstelling daarmee zal worden bereikt. Dat is niet mijn stelling, maar die van het Rekenhof.

Tegelijkertijd dwingt u de toekomstige werknemers om voor minder loon meer belastend werk te verrichten, dag en nacht, terwijl u zich goed bewust bent van de gezondheidseffecten die dat met zich meebrengt. Ongezond, onrechtvaardig en ondoelmatig; een mooie slogan voor deze arizonaregering.

Nadia Moscufo:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses, même si vous n'avez pas pu aller au bout.

Ces réponses me permettent de confirmer ce que je vous ai dit au début, à savoir que les arguments que vous avancez pour supprimer une partie des primes de nuit ne sont pas convaincants. Je ne vous crois pas, parce que votre volonté profonde, votre vision de la société, votre obsession, comme vous le dites dans la presse, c'est de sauvegarder et d'améliorer la compétitivité des entreprises. Vous ajoutez, dans votre verbiage, que vous voulez atteindre cet objectif en conciliation avec la santé des travailleurs.

Je ne dois pas vous rappeler que la santé des travailleurs de ce pays – et du monde entier – ne dépend jamais de la volonté du grand patronat de protéger la santé des gens, et encore moins de la volonté de n'importe quel politicien représentant de ce grand capital, dont vous faites partie. Vous avez dit que vous alliez organiser des surveillances spécifiques, mais ces surveillances existent déjà. Vous n'apportez donc rien. Et vos réponses me confirment que vous appliquez ce que j'appellerais la "tactique du saucisson".

Cette suppression de primes vous met mal à l'aise parce que vous sentez la pression dans la rue, une pression qui sera encore là le 14 octobre, parce que les travailleurs vous ont bien compris. Vous commencez par une petite partie des travailleurs, à savoir cinq commissions paritaires. Vous en avez enlevé 10. Vous êtes poussé par la N-VA – enfin, poussé est un bien grand mot parce que vous êtes du même avis – et savez pertinemment qu'il faudra un arrêté royal pour élargir la mesure à tout le monde.

Pire que ça, vous vous obstinez dans vos mensonges en prétendant vouloir sauver le pouvoir d'achat des citoyens, en disant que ce sont ceux qui travaillent qui gagneront du pouvoir d'achat, mais que les nouveaux perdront, ce qui n'est pas grave, selon vous. Nous ne vous croyons plus, et d'ailleurs, vous n'êtes même plus un gouvernement légitime.

Les enquêtes prouvent que s’il y avait des élections demain, vous ne seriez plus à ce poste. Entretemps, avant les élections, la rue va continuer à décider. Le 14 octobre, nous serons à leurs côtés, parce que vous voulez aussi, à travers cela, casser la concertation sociale.

Il n’y a jamais eu, dans ce pays, une loi qui veut imposer des conditions de travail et des conditions financières, qui normalement sont décidées dans les conventions collectives de travail. C’est cela que vous voulez faire à travers cela: casser le mouvement syndical.

Voorzitter:

Je ne connaissais pas la "technique du saucisson", madame Moscufo. J’adore le saucisson.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, u zegt dat die 5 te weinig is en de heer Ronse zegt dat ook.

Mais vous n'avez pas répondu à ma question. Initialement il y avait dix comités paritaires.

Waarom hebt u toegelaten dat het van 10 naar 5 paritaire comités is gegaan?

Vous n'avez pas répondu à cette question-là. Dans votre texte original vous parliez de dix comités paritaires. Pourquoi vous êtes passé à cinq?

David Clarinval:

(…)

Vincent Van Quickenborne:

Vous dites que c'est le choix du gouvernement. Vous faites partie de ce gouvernement, alors ça veut dire que vous avez accepté ce choix.

Mijnheer Ronse, men is van 10 naar 5 paritaire comités gegaan en de minister zegt dat het de keuze van de regering is geweest.

Die regering wordt geleid door de N-VA. De heer De Wever heeft dat dus toegelaten. Hoe komt dat? Omdat u geplooid bent voor de druk van Vooruit en van de linkse partijen, die niet willen dat nachtarbeid wordt versoepeld. Dat is het probleem, mijnheer Ronse.

Men is dus van 10 naar 5 sectoren gegaan, maar u geeft mij geen antwoord. Ofwel lag u dus te slapen, ofwel hebt u niet goed opgelet, ofwel dacht u dat alle toeleveranciers van de supermarkten ervan zouden kunnen genieten. Dat is echter niet het geval.

Mijnheer de minister, we staan op een keerpunt. We zien dat de druk overal aan het stijgen is. De flexi-jobs komen onder vuur te liggen door de heer Van Peteghem. Studentenarbeid komt onder druk te staan door Vooruit. Hetzelfde gebeurt met de managementvennootschappen. Wat ik u voorspel, mijnheer de minister, is dat veel partijen beginnen te twijfelen aan die flexibiliteit onder druk van links, Groen, de communisten en Vooruit. Als u daaraan toegeeft, zal er van uw grote plannen niet veel overschieten. Er is sprake van uitzonderingen en uithollingen.

De grote beloften, waar mijnheer Ronse altijd de mond vol van heeft, het zogenaamd historische karakter, blijkt meer en meer een lege doos te zijn. Daarom zou ik zeggen, mijnheer de minister: ga terug naar de tekentafel en zorg dat uw originele plannen de effectieve plannen zijn. Ik wens u veel succes. Ik wil u daarin trouwens bijstaan. Geef echter niet toe aan die linkse partijen, want dan blijft er niets over. Dan zult u niets overhouden.

Voorzitter:

Je vous remercie, monsieur Van Quickenborne. Voici qui clôture ce premier débat d'actualité.

Avant d'entamer le second débat d'actualité, chers collègues, je tiens préalablement à faire une petite remarque. Je m'interroge, parce que c'est un peu nouveau et c'est déjà arrivé hier, sur le fait de voir, dans le cadre d'un débat d'actualité ou de questions jointes, des parlementaires déposer des questions avec le même intitulé, en gros pour gagner du temps, multiplier le temps. En effet, qu'est-ce qui va m'empêcher demain de déposer dix questions au ministre du gouvernement que j'apprécie le moins, puisqu'il y en a un que j'apprécie moins que les autres, et ainsi bénéficier de 25 minutes de temps de parole? Je pense qu'il y a quand même un dévoiement du Règlement dans ce cadre-là et je vais, même si elle s'est déjà penchée sur cette question, interroger la Conférence des présidents pour savoir où on met le curseur.

Madame Moscufo, votre exemple n'est pas le seul. On a eu d'autres cas, même au niveau des parlementaires de la majorité, qui multipliaient les questions avec le même intitulé, sur le même thème, dans les mêmes débats, pour avoir plus de temps. Je m'interroge donc par rapport à cela et, en toute objectivité, je vous transmettrai la note que j'enverrai dans ce cadre à la Conférence des présidents pour attirer davantage sa réflexion sur le sujet.

Vincent Van Quickenborne:

Monsieur le président, il faut savoir qu'en juillet, la Conférence des présidents a déjà traité cette question.

Voorzitter:

Oui, mais ils étaient fatigués, c'était juillet, ils n'avaient pas eu de vacances, ils étaient fatigués en juillet.

Vincent Van Quickenborne:

Un débat d'actualité a été organisé en commission des Finances sur le sujet de la taxe sur les plus-values. Différents parlementaires de l'opposition et même de la majorité avaient posé pas mal de questions, parce qu'il y avait quand même beaucoup d'éléments qui nécessitaient d'être éclaircis.

À un certain moment, le président de cette commission – pas vous, monsieur. le président, parce que vous êtes un bon président – des Finances a dit que, puisqu'il s'agit d'un débat d'actualité, tout le monde a deux minutes et pas plus. J'ai alors objecté que cela revenait à raboter le débat démocratique en commission, et M. Piedboeuf – que je connais très bien, qui est chef de groupe du MR – a rappelé que la logique d'un débat d'actualité qui est d'élargir, de permettre à d'autres parlementaires d'intervenir et non de raccourcir le débat pour les parlementaires qui ont déjà déposé une question.

Et le président de cette Chambre – que nous connaissons tous très bien, M. Peter De Roover – a convenu que c'était exact et que si, dans un débat d'actualité, une personne a par exemple trois questions, elle a droit à autant de fois le temps de parole alloué à une question.

C'était la conclusion de la Conférence des présidents, mais si d'autres veulent en tirer d'autres conclusions, c'est à eux de décider, monsieur le président, cela ne me pose aucun problème. Je pense toutefois qu'il faut respecter le travail fait par les parlementaires, tant de la majorité que de l'opposition, parce que, sur les flexi-jobs – ce sera le prochain débat, monsieur le ministre –, j'ai deux questions complètement différentes et j'espère quand même que je pourrai les poser sans être limité quant au temps de parole.

Voorzitter:

Vos deux questions sont-elles différentes?

Vincent Van Quickenborne:

Oui, elles le sont.

Voorzitter:

Avez-vous des intitulés différents?

Vincent Van Quickenborne:

Oui, tout à fait.

Voorzitter:

Je me retrouve dans des situations dans lesquelles nous avons des questions avec les mêmes intitulés et portant sur le même point. Je demande simplement de voir où nous devons nous arrêter. En effet, en suivant ce principe, il n'y aurait aucun problème pour déposer 10 questions et parler 50 minutes pour interroger le ministre. La question est donc de savoir où nous devons mettre le curseur. Pour être totalement transparent, je vous tiendrai au courant de l'échange que j'aurai par rapport à cela. Je vous le garantis.

Nadia Moscufo:

Je m'exprime pour que cela figure dans le compte rendu. En effet, si je ne dis rien, cela ferait penser que je suis d'accord avec ce que vous avez dit. Je ne suis pas d'accord avec votre interprétation. Si j'ai bien compris, je ne suis pas la seule, sans quoi cela ne serait pas un problème du tout alors. Sur le principe, je ne suis pas d’accord avec votre interprétation selon laquelle nous introduirions plusieurs questions dans le but de gagner du temps, de prolonger nos interventions et de monopoliser la parole pendant 50 minutes pour interroger M. le ministre. Ce n’est pas ainsi que mon groupe entend faire de la politique.

Voorzitter:

Je m'en doute.

Nadia Moscufo:

Effectivement, certaines questions peuvent porter sur la même thématique. Dans ce cas précis, nous avions un débat qui portait sur le travail de nuit. C’est une thématique commune, mais vous conviendrez sans doute que celle-ci est si riche qu’elle permet d’aborder des sujets très différents, tout en restant dans le même cadre.

Ici, mes trois questions portaient sur des éléments assez spécifiques et pour lesquels je souhaitais vraiment des réponses. Je les ai eues pour une partie. Ce n'était pas juste pour faire du show. Je ne sais pas si vous étiez déjà là au moment où j'ai commencé mes questions, mais cela a peu d'importance.

Ma première question portait sur la contradiction entre la volonté du ministre et la Convention de l'Organisation internationale du Travail (OIT). Ma deuxième question portait sur la contradiction qu'on interprète entre l'avant-projet de loi et les déclarations du ministre dans la presse. Ma troisième question, quant à elle, portait sur l'argumentation du ministre qui consistait à dire qu'il faut faire des réformes, sans quoi, le travail se fait aux Pays-Bas, au détriment de la Belgique, alors qu'il s'agit de commissions paritaires pour lesquelles il n'y a pas, selon nous, de concurrence internationale.

Je dois vous dire que nous avons discuté en équipe afin de se limiter à ces trois questions, parce que nous aurions effectivement très bien pu en introduire encore 12 autres, ce que nous n'allons pas manquer de faire par la suite. Et les 12, monsieur le président, sont probablement maintenant devenues 18, à la lumière de la réponse du ministre.

Je veux quand même rejoindre mon collègue qui dit que c'est quand même ici que nous avons le meilleur espace démocratique pour un débat d'idées. Vous n'avez pas dit que vous vouliez supprimer cela.

Si vous dites que vous avez un problème avec l'intitulé, nous serons attentifs à cela. Par exemple, au lieu de mettre "Travail de nuit 1", "Travail de nuit 2", "Travail de nuit 3", nous pourrions mettre – j'invente – "contradictions avec la convention", "contradictions dans les dires du ministre". Si cela vous fait plaisir, nous ferons attention à cela.

Voorzitter:

Ce n'est pas une question de plaisir, c'est aussi une question d'équité entre parlementaires. Un certain nombre de parlementaires, qu’ils soient de l'opposition ou de la majorité, ont abordé dans les questions qu'ils ont déposées, plusieurs thèmes dans la même question. Ce que j'essaie simplement...

J'ai bien vu votre bras, madame Schlitz, mais je vais terminer. En toute objectivité, j’essaie d'éviter qu'à l'inverse de vous, qui n'êtes pas mal intentionnée, madame Moscufo, je le sais, et qui travaillez vos dossiers avec beaucoup de sincérité, qu'on ait des manipulations de l'ordre du jour, avec des questions déposées simplement pour prendre plus de temps, de manière un peu artificielle, par l'un ou l'autre parlementaire mal intentionné, là où d'autres parlementaires ne déposeront qu'une ou deux questions pour faire porter le débat sur cinq thématiques, qui seront abordées par un autre parlementaire à travers cinq questions. Vous voyez?

Nadia Moscufo:

Je vous entends bien, mais je vais aussi clôturer avec cela. Je n'ai pas été élue par mes électeurs pour tenir compte ici d'une certaine équité avec mes autres collègues d'autres partis. J'ai été élue pour dire ma vérité ici et défendre les intérêts de la classe travailleuse. S'il y a d'autres députés qui ont écrit une question abordant quatre thèmes différents, je les invite la prochaine fois à envoyer quatre questions. Qu'est-ce que vous voulez que je vous dise ?

Voorzitter:

Écoutez, je n'ai naturellement pas de problème par rapport à ce que vous dites et par rapport à votre mission.

Je dis donc simplement: la prochaine fois, travaillez sur l'intitulé de vos questions, afin que nous comprenions bien que ce sont trois questions distinctes. Si nous regardons simplement l'ordre du jour, nous lisons: "le travail de nuit 1", "le travail de nuit 2" et "le travail de nuit 3". Vous n'êtes pas la seule à avoir introduit des questions comportant des intitulés identiques. Pour des questions jointes ou un débat d'actualité, je demande simplement – et j'en informerai par écrit la Conférence des présidents – aux parlementaires de bien expliciter que leurs questions portent sur des aspects différents d'un même thème.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, vous nous indiquez que rien n'empêche de déposer dix questions sur un même thème. Le Règlement ne l'empêche pas. C'est bien notre droit, en tant que parlementaires de l'opposition, mais aussi de la majorité, d'être actifs en commission et de déposer plusieurs questions.

Je n'ai pas l'impression que vous ayez reçu une plainte du cabinet du ministre au sujet des questions. Si vous aviez consulté le site, vous auriez constaté que leurs contenus étaient différents. Donc, je ne comprends pas très bien la raison de cet ordre des travaux soudain.

Voorzitter:

É coutez, c'est…

Sarah Schlitz:

Je vais terminer ce que j'ai commencé à dire, monsieur le président.

Voorzitter:

Faites donc, madame Schlitz.

Sarah Schlitz:

Cela vous agace un peu, les femmes parlementaires de gauche qui s'expriment? Cela vous fait bouillonner?

Voorzitter:

Non, pas du tout. Je vous demande simplement de me parler autrement et de rester courtoise, s'il vous plaît. Désolé de vous avoir interrompue.

Sarah Schlitz:

D'accord, continuons ainsi.

Grâce au dépôt de plusieurs questions, M. le ministre dispose de plus de temps pour répondre, vu qu'il a du mal à tenir son temps de parole. Je ne comprends pas pourquoi on crée un incident. (…) Si, vous créez un incident! Vous dites: "Cela va remonter à la Conférence des présidents!" Franchement… Le niveau est incroyable…

Voorzitter:

Madame Schlitz, c'est vous qui faites baisser le niveau plus bas que terre.

La question est simplement de…

Sarah Schlitz:

C'est vous qui parlez de respect, monsieur le président?

Voorzitter:

Madame Schlitz, je ne vais pas… Je tiens seulement à souligner un problème. Je constate que vous n'êtes pas d'accord. Si nous persistons dans un schéma sans limite, et je parle simplement dans la perspective de la bonne tenue des travaux, nous allons nous retrouver avec des débats d'actualité dans lesquels chacun va déposer cinq à sept questions, au point que cela deviendra ingérable. En effet, c'est la liberté de chaque parlementaire de déposer autant de questions qu'il le veut, mais j'attire simplement votre attention sur le fait que chacun pourrait déposer trois, quatre ou cinq questions au risque que nous débouchions sur des difficultés dans l'organisation de nos travaux. C'était le seul aspect de ma remarque. Il ne s'agissait pas de créer un incident, mais de partager une réflexion avec vous, que nous avions débutée hier puisque nous avons déjà vécu cette situation. Si je vois que ma réflexion n'est pas rejointe par un certain nombre d'entre vous, je n'écrirai pas à la présidence ni à la Conférence des présidents. Je n'écrirais dès lors que si j'étais rejoint dans ces interrogations par l'ensemble des membres. Je vois que ce n'est pas le cas, donc je ne vais pas le faire. Je ne vais pas perdre de temps. Nous allons donc continuer les travaux et entamer le deuxième débat d'actualité sur les flexi-jobs.

De langdurig zieken in de dienstenchequesector
De langdurig zieken in de dienstenchequesector
De werkbaarheid in de dienstenchequesector
Langdurig zieken en werkbaarheid in de dienstenchequesector

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dienstenchequesector kampt met slechte werkomstandigheden en loonongelijkheid: Vlaamse en Waalse huishoudhulpen kregen een loonsverhoging (met terugwerkende kracht tot 2025), maar Brusselse werknemers blijven achter door het ontbreken van een regionale regering. Ondanks herhaalde inspecties schieten preventiemaatregelen (risicoanalyses, bescherming tegen chemische stoffen en musculoskeletale aandoeningen) tekort, terwijl sancties nu pas worden opgelegd bij herhaalde overtredingen—19 PV’s zijn al uitgeschreven. Minister Clarinval benadrukt verplichte preventie (opleidingen, aanpassingen) en vroegtijdige re-integratie, maar Vanrobaeys wijst op structureel falen door winstgedreven bedrijven die te weinig investeren in veiligheid. Dwangmaatregelen lijken de enige oplossing om werkvloeromstandigheden daadwerkelijk te verbeteren.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, mijn vraag betreft de dienstencheques. Zoals ik al heb vermeld, is er een loonakkoord gesloten in de dienstenchequesector. Ruim 134.000 huishoudhulpen in Vlaanderen en Wallonië krijgen eindelijk hun loonsverhoging, met terugwerkende kracht tot maart 2025. Het is een belangrijke stap voor de huishoudhulpen, die zeer hard werken en ervoor zorgen dat andere gezinnen ook kunnen werken.

Toch blijven er zorgen bestaan. Enerzijds is er nog geen akkoord voor de Brusselse huishoudhulpen. Dat is uiteraard het gevolg van het ontbreken van een regering in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Daardoor verkeren zij nog altijd in onzekerheid. Er moet dan ook dringend overleg worden gevoerd in het paritair comité met de betrokken regio, zodat de Brusselse huishoudhulpen snel op een gelijke manier worden behandeld.

Mijn voornaamste vraag betreft echter uw bevoegdheid, namelijk de werkomstandigheden. Er zijn opeenvolgende inspectiecampagnes geweest. De Welzijnswet wordt evenwel nog altijd overtreden. Er is nog steeds geen verbetering inzake risicoanalyse en moederschapsbescherming. Er ontbreekt ook een risicoanalyse met betrekking tot chemische stoffen en musculoskeletale aandoeningen. Er is voorts geen gezondheidstoezicht en de werkplek wordt niet gecontroleerd.

Mijn eerste vraag is dus of er overleg wordt gevoerd met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en er druk wordt uitgeoefend via het paritair comité, zodat de loonsvoorwaarden van de Brusselse huishoudhulpen verbeteren.

Daarnaast wil ik vooral weten welke concrete maatregelen er worden getroffen naar aanleiding van de inspectierondes, om de problemen daadwerkelijk op te volgen en te verhelpen. Zijn er vervolgcampagnes? Worden bedrijven die herhaaldelijk hun verplichtingen inzake welzijn niet nakomen eindelijk gesanctioneerd?

David Clarinval:

Madame Vanrobaeys, vous parlez ici d'un problème avec Bruxelles, mais ce n'était pas dans la question de base. Je ne peux pas y répondre, je peux juste vous donner la réponse prévue pour la question que vous aviez déposée. Je ne peux pas vous parler de Bruxelles. Je préfère être honnête avec vous. Nous pourrons en parler par après, si vous le voulez.

Onder dit agendapunt zijn bovendien drie vragen samengevoegd, namelijk ook een vraag van mevrouw Merckx en een vraag van de heer Tonniau.

De regering is zich ten zeerste bewust van de stijgende cijfers inzake langdurige ziekte. Dat is ongetwijfeld ook het geval in de sector van de huishoudhulpen, die immers een fysiek belastende job hebben waarin ze aan verschillende risico’s worden blootgesteld. Het is dan ook zeer belangrijk dat werkgevers blijven werken aan correcte risicoanalyses, want zonder een duidelijk zicht op de risico’s waaraan de huishoudhulpen worden blootgesteld, is het onmogelijk om de juiste preventiemaatregelen te nemen. Het blijft immers beter om preventief op te treden en zo te vermijden dat werknemers uitvallen, dan hen achteraf te moeten re-integreren.

Net door het stijgend aandeel van spier- en skeletaandoeningen als oorzaak van langdurige afwezigheid in alle sectoren, maar zeker ook in de dienstenchequesector, besteedt de codex over het welzijn op het werk van 2024 bijzondere aandacht aan de preventie van die aandoeningen. Er geldt een verplichting voor werkgevers om de verschillende risicofactoren in kaart te brengen, te analyseren en preventiemaatregelen te nemen. In de dienstenchequesector is dat des te belangrijker, aangezien huishoudhulpen worden blootgesteld aan verschillende musculoskeletale risico’s, zoals heffen en tillen van lasten, vaak vooroverbuigen, knielen en repetitieve bewegingen.. Werkgevers moeten dan ook inzetten op alle mogelijke preventiemaatregelen om die risico’s te beperken, bijvoorbeeld door herhaalde en passende opleidingen te voorzien, maar ook door vervanging van arbeidsmiddelen, het vervangen van gevaarlijke chemische producten, het ter beschikking stellen van persoonlijke beschermingsmiddelen, enzovoort.

Werkgevers in de dienstenchequesector moeten bovendien inzetten op het onderhouden van een goed contact met de klanten die een beroep doen op de huishoudhulpen, zodat die preventiematerialen ook daadwerkelijk in de praktijk worden toegepast en gecontroleerd. BeSWIC, het Belgische kenniscentrum over welzijn op het werk, wijdt een volledige rubriek aan het welzijn op het werk van dienstenchequewerknemers.

Daarnaast blijven we uiteraard verder inzetten op het aanmoedigen van de terugkeer naar werk van alle werknemers die uitvallen, waarbij nog meer aandacht zal worden besteed aan vroege actie. De lijnen in het regeerakkoord daartoe zijn overduidelijk. We zijn momenteel ook bezig met het vertalen van die lijnen in wetgeving. Zo zullen werkgevers contact moeten onderhouden met hun zieke werknemers en zullen zij vanaf acht weken de mogelijkheid krijgen om een inschatting van het arbeidspotentieel te vragen aan de preventieadviseur-arbeidsarts. Als er sprake is van arbeidspotentieel, zullen de mogelijkheden voor ander of aangepast werk moeten worden nagegaan. Ook een opleiding of een job bij een andere werkgever kunnen deel uitmaken van die mogelijkheden. We willen werknemers ten slotte ook aanmoedigen om, nog voordat zij uitvallen, met hun werkgever te bekijken of er eventuele aanpassingen aan het werk mogelijk zijn om uitval te voorkomen.

Conform het door de Arbeidsinspectie algemeen directie Toezicht op het welzijn op het werk gevoerde handhavingsbeleid zal een dienstenchequeonderneming waarin tijdens een eerste inspectiebezoek inbreuken worden vastgesteld op de welzijnsregelgeving en waarvoor in toepassing van het Sociaal Strafwetboek in eerste instantie een schriftelijke waarschuwing werd gegeven, worden geverbaliseerd indien tijdens een opvolgingsbezoek blijkt dat er onvoldoende inspanningen geleverd werden om de vastgestelde problemen te remediëren. Zo werden tot op heden reeds 19 processen-verbaal opgesteld en overgemaakt aan het openbaar ministerie.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, huishoudhulpen verrichten zwaar werk verrichten, waardoor er een grote uitval is. Wat mij in het bijzonder stoort, is dat er al verschillende inspectiecampagnes zijn geweest, maar dat de preventiemaatregelen geen zoden aan de dijk brengen. Uiteindelijk worden enkel tekorten vastgesteld. Bovendien wordt de sector alsmaar meer beheerst door enkele grote spelers, die enorme winsten maken, aldus een krantenbericht van vanochtend. Er zou dus ruimte moeten zijn om sterker in te zetten op preventie.

Ik verheug me dat de controle-inspecties worden voortgezet en dat ondernemingen die bij de initiële inspectie inbreuken pleegden en toen slechts een waarschuwing kregen, bij een volgende vaststelling eindelijk worden gesanctioneerd. Na al die jaren inspectierondes vrees ik dat het opleggen van sancties de enige manier is om de dienstenchequebedrijven in de goede richting te dwingen, zodat er eindelijk werk kan worden gemaakt van een gezonde en veilige werkvloer voor onze huishoudhulpen.

Voorzitter:

La question n° 56005882C de Mme Eva Demesmaeker est transformée en question écrite. Les question n° 56005141C de Mme Sarah Schlitz, n° 56005144C et n° 56005145C de Mme Anja Vanrobaeys sont, transformées en questions écrites. Les questions jointes n° 56005245C de Mme Marie Meunier et n° 56007544C de Mme Sophie Thémont sont transformées en questions écrites.

Humanitaire hulp en de seksuele en reproductieve gezondheid

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie belicht de catastrofale toestand van seksuele en reproductieve gezondheid (SSR) in Gaza, waar gebrek aan medische zorg, hygiëneproducten en voedsel voor zwangere vrouwen, pasgeborenen en menstruerende meisjes leidt tot levensbedreigende situaties en waardigheidsverlies. België steunt via UNFPA, WHO en lokale partners SSR-zorg in Gaza (o.a. noodhulp, psychologische bijstand en voorlichting), maar de minister benadrukt de groeiende internationale druk om gendergelijkheid en SSR-rechten uit hulpprogramma’s te schrappen, gedreven door conservatieve machten zoals de VS onder Trump. Schlitz dringt aan op meer Belgische inzet—zowel in concrete hulpverlening (bv. bescherming van hulpkonvooien) als in internationaal lobbyen voor SSR als kernelement van noodhulp, naast water, voedsel en onderdak, om de systematische afbraak van deze rechten tegen te gaan.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, cette question remonte à plusieurs semaines, dans la foulée d'une rencontre que nous avions eue avec Sensoa qui nous avait informé, grâce à plusieurs témoins, de la situation humanitaire catastrophique à Gaza – laquelle, depuis lors, s'est encore détériorée. Il convient donc de placer cette question dans son contexte. Cette question portait à l'époque sur la santé sexuelle et reproductive des femmes et des filles à Gaza, enjeu qui découle aussi de la grave situation actuelle.

Voici la description qui nous en fut donnée. Seuls sept hôpitaux et quatre centres de soins mobiles assurent encore des soins obstétriques et néonataux, mais aucun ne fonctionne pleinement. Plus de la moitié des médicaments essentiels pour les mères et les nouveau-nés sont en rupture de stock. Des équipements vitaux tels que les incubateurs ou les échographes sont bloqués aux frontières, tandis que le personnel médical est débordé.

Une grossesse sur trois est désormais à haut risque. Deux nouveau-nés sur dix nécessitent des soins spécialisés de plus en plus inaccessibles. La malnutrition maternelle, l’anémie pendant la grossesse et le manque de compléments alimentaires aggravent encore la situation. Par ailleurs, la pénurie d’eau potable et la destruction des infrastructures d’assainissement favorisent la propagation de maladies infectieuses, y compris évidemment chez les femmes enceintes.

La crise affecte aussi gravement la santé menstruelle. Depuis l’imposition du blocus, les produits d’hygiène de base – serviettes hygiéniques, tampons, savon, eau – sont devenus totalement inaccessibles. Les femmes et les jeunes filles, dont environ 700 000 sont en âge de menstruer à Gaza, vivent leurs règles dans des conditions d’insalubrité et sans intimité; ce qui engendre douleur, isolement et anxiété venant s'ajouter au reste de l'horreur du génocide.

Ces enjeux sont trop souvent négligés dans l’aide humanitaire d’urgence, alors qu’ils sont essentiels à la dignité, à la santé et à la survie. Dans ce contexte, monsieur le ministre, quelle est la part de l’aide humanitaire belge actuellement consacrée aux composantes SSR, y compris la contraception, les soins médicaux et psychologiques pour les victimes de violences basées sur le genre, les médicaments contre le VIH, la santé menstruelle et l’accès à des soins d’avortement sûrs?

La Belgique soutient-elle des organisations locales actives dans la santé sexuelle et reproductive à Gaza, avant et pendant cette crise? Si oui, lesquelles? Dans le cas contraire, des initiatives sont-elles prévues pour en soutenir à l’avenir?

Enfin, la Belgique plaide-t-elle activement au sein des instances internationales pour que la santé sexuelle et reproductive soit systématiquement inclue dans l’aide humanitaire vitale, au même titre que l’eau, la nourriture et l’abri?

Président: Michel De Maegd.

Voorzitter: Michel De Maegd.

Maxime Prévot:

Madame Schlitz, nos partenaires humanitaires, tout comme la Commission européenne, nous informent régulièrement des différents impacts du conflit à Gaza, notamment sur la santé sexuelle et reproductive et plus spécifiquement encore sur l'accès à des produits d'hygiène indispensables aux femmes et aux filles qui, en raison du blocus persistant de l'aide, font cruellement défaut.

Dans notre programme de coopération gouvernemental avec la Palestine, une formation en santé mentale spécifique à la jeunesse comporte un volet consacré à l'amélioration de l'accès à la santé et aux droits sexuels et reproductifs, ainsi qu'au renforcement de la prévention de la violence basée sur le genre.

À cet égard, je m'écarte de la réponse à proprement parler pour vous dire qu'au plus je multiplie les rencontres avec une série d'acteurs clés de nos organes multilatéraux, notamment ceux qui défendent la question de l'égalité des genres et de l'inclusion, au plus je suis effrayé de voir la pression qui est faite sur tous ces acteurs pour progressivement biffer des programmes qu'ils lancent les termes "gender equality" – et je ne vous parle même pas de la question des droits sexuels et reproductifs des femmes pour pouvoir éviter des coupes budgétaires de certaines grandes puissances – et au plus je suis effrayé de l'invisibilisation progressive de ces thématiques qui, heureusement, continuent à être adressées par la volonté qui est déployée sur le terrain, mais avec un cadre de pensée et de décision politique qui est de plus en plus conservateur sur ces questions. Ce n'est pas sans m'interpeller. Je referme la parenthèse, mais, pour avoir eu une discussion récente sur le sujet, notamment avec des responsables de hautes institutions financières multilatérales, c'était l'occasion, à travers votre question, de pouvoir vous partager ma préoccupation.

Pour revenir à l'actualité de votre propos, la politique belge de coopération et d'aide humanitaire privilégie des financements non affectés.

Plusieurs de nos partenaires sont actifs dans le domaine de la santé sexuelle et reproductive. Je pense au United Nations Population Fund (UNFPA), à l'Organisation mondiale de la Santé (OMS), à ONUSIDA ou encore au Global Fund, ce qui leur permet d'utiliser leurs ressources au mieux des besoins.

Par exemple, le UNFPA a pu intensifier et réorienter son intervention à Gaza, dans la mesure de la possibilité d'accès à Gaza, en collaboration avec ses partenaires locaux. Le UNFPA s’efforce de garantir l’accès à des services vitaux en améliorant la disponibilité des fournitures de santé reproductive, notamment en cas de rupture de stock, pour les femmes enceintes et les jeunes mères. Le réseau de sages-femmes du UNFPA est mobilisé pour offrir un soutien, tout en maintenant les liens avec les spécialistes hospitaliers.

Le UNFPA soutient également les lignes d'assistance téléphoniques pour fournir des informations et des conseils aux femmes et aux jeunes. Dans le cadre des prochains financements d'ONG humanitaires, la question de la protection des violences sexuelles, et basées sur le genre, sera prise en compte pour répondre au mieux aux besoins. Dans les instances internationales auxquelles la Belgique participe, nous continuons, pour notre part, de promouvoir plus que jamais un accès universel aux soins de santé et aux droits sexuels et reproductifs, également dans les situations de crise et d'urgence. Je vous remercie.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie pour cette réponse et pour les éléments d’actualité que vous avez pu me transmettre. C’est évidemment un contexte que l’on ressent fortement. Nous avons vu la tonitruante suspension du financement de la United States Agency for International Development (USAID) par Donald Trump. C’est l’un des signes les plus visibles à l’heure actuelle. Il faut en effet rester vigilant, car il n’y a pas que lui. Derrière lui, il y a tout un mouvement d’ampleur, organisé, orchestré et financé, qui vise à démanteler systématiquement les programmes d’aide et de promotion de la santé sexuelle et reproductive, et plus largement, ceux qui œuvrent pour l’égalité entre les femmes et les hommes. Vous évoquiez les droits sexuels et reproductifs dont on ne parle même pas. Il en est de même pour les droits LGBTQIA+. Je suis heureuse d’entendre qu’à l’international, vous portez une voix résistante sur ces sujets. Il faut continuer à porter cette voix, et continuer à construire un réseau de pays qui, résolument, veulent maintenir une position progressiste en faveur de l’égalité des genres. En effet, aujourd’hui, le contexte est plus qu'alarmant alors qu'il s’agit de droits humains, de dignité et de santé. Je vous remercie pour ces éléments. Plus globalement, je ne peux qu’insister pour que la Belgique en fasse encore davantage à Gaza sur cet aspect et sur l'ensemble. Je ne peux également qu’espérer que la Belgique puisse assurer la protection des différentes flottilles qui sont en train d’arriver à Gaza, et qui pourraient contribuer à une solution, si elles parvenaient à briser le blocus. Je tiens à rappeler l’importance de nous engager concrètement dans cette protection. Je vous remercie.

De compenserende financiering van de OCMW's n.a.v. de werkloosheidshervorming
De compensatieregeling voor OCMW's
De steun voor de OCMW's in het kader van de hervorming van de werkloosheidsreglementering
De compensatie voor OCMW's in het kader van de hervorming van de werkloosheidsreglementering
De SPW-studie over de impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's en gemeenten
De beperking van de werkloosheidsuitkering en de doelgerichte compensaties voor lokale besturen
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op de OCMW’s
De impact van de beperking van de werkloosheid in de tijd op de lokale besturen en hun OCMW's
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's en hun actiemiddelen tegen januari 2026
De hervorming van de werkloosheidsreglementering en de compensaties voor de OCMW's (1)
De hervorming van de werkloosheidsreglementering en de compensaties voor de OCMW's (2)
De hervorming van de werkloosheidsreglementering en de compensaties voor de OCMW's (3)
Het anticiperen op de gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's in de regio Le Centre
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's en de financiering van de SPI-diensten
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's in de provincie Luik
Financiële impact en compensaties voor OCMW's na de werkloosheidshervorming

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking tot 2 jaar) leidt vanaf 1 januari 2026 tot een massale instroom van 180.000 exclus bij de OCMW’s, met name in Waalse en Brusselse gemeenten, waar financiële en personele tekorten dreigen. De federale overheid belooft 300 miljoen euro compensatie in 2026 (stijgend tot 342,6 miljoen in 2029), met 100% terugbetaling van leeflonen in 2026 (afnemend tot 75% in 2029) en een bonus-malussysteem voor activering via GPMI’s, maar critici (SP, PS) wijzen op een tekort van 500 miljoen (SPW-studie) en onvoldoende voorbereiding (veiligheid, personeel, administratieve last). Minister Van Bossuyt benadrukt dat de compensatie dynamisch is (bijsturing bij overschrijding) en dat werk de beste armoedebestrijding is, maar oppositie en OCMW’s vrezen sociale ontwrichting, met name voor langdurig werklozen, zieken en 55-plussers, en eisen snelheid, transparantie en structurele oplossingen in plaats van tijdelijke maatregelen.

Voorzitter:

Bonjour à tous. Nous commencerons par un débat d'actualité sur la réforme du chômage.

J'ai une demande de M. Patrick Prévot, qui doit rejoindre une autre commission. Il souhaite intervenir le premier. Je pense que cela ne pose de problème à personne. Pour rappel, dans le cadre des débats d'actualité, si vous n'avez pas déposé de question, vous pouvez vous joindre, soit aux questions, soit aux répliques, mais pas les deux, si vous n'avez pas déposé de question. Il vous revient donc de nous dire si vous voulez vous joindre, et de demander la parole à la fin des questions, ou à la fin des répliques.

La parole est à M. Prévot.

Patrick Prévot:

Madame la ministre, à partir du 1 er janvier 2026, vous le savez, nous le savons, un tsunami de personnes exclues du chômage va déferler dans les CPAS de notre pays.

Mes collègues Marie Meunier et Sophie Thémont reviendront plus largement sur la problématique, mais c'est un poids de la charge qui est renvoyé du fédéral vers d'autres entités, en l'occurrence ici les communes, des localités majoritairement francophones. Votre premier ministre, Bart De Wever, ne s'en est d'ailleurs jamais caché et n'a jamais caché le volet communautaire d'une telle réforme.

C'est parce que, justement, toutes les communes ne sont pas logées à la même enseigne qu'il existe des iniquités entre différentes zones. Je tenais évidemment à vous interpeller par rapport à cela, plus spécifiquement par rapport à une région que je connais bien, l'arrondissement du Centre. Une région qui regroupe des communes comme Soignies, qui est ma ville, La Louvière ou Binche, mais j'en oublie et j'en m'en excuse. C'est une fédération qui comporterait à elle seule 75 000 personnes exclues.

Dès lors, au-delà du drame social, les agents des CPAS craignent pour leur sécurité. Ce sont eux qui sont face au public dans le désespoir. Pour garantir leur sécurité, certains CPAS ont mis en place des mesures, qui ont un coût supplémentaire pour les finances communales.

Le fédéral compte une enveloppe budgétaire pour dédommager ce transfert de compétences. Pourriez-vous nous communiquer précisément sa répartition et l'impact de cette réforme pour les différentes Régions? Le fédéral compte-t-il prendre en compte la question de la sécurité des agents des CPAS à assurer dès la première vague de personnes exclues, ce 1 er janvier 2026?

Voorzitter:

Madame Merckx, vous allez prendre la parole en deuxième. Vous avez quatre questions. En accord avec la Conférence des présidents qui a étudié le cas des débats d'actualité et des questions jointes, vous avez huit minutes.

Sofie Merckx:

Merci beaucoup. Je vais essayer de ne pas utiliser mes huit minutes afin de ne pas rallonger le débat, mais nous avons déposé des questions précises qui exigent, forcément, des réponses précises également.

Madame la ministre, j'ai demandé au CPAS et au Conseil communal de Charleroi comment la ville se préparait à l'afflux des personnes exclues du chômage qui émargeraient au CPAS, et les représentants du CPAS de Charleroi m'ont dit être dans le flou artistique le plus total. Vous nous avez déjà fourni des informations sur les moyens que vous comptez utiliser pour compenser les exclus du chômage. Je ne vais pas revenir sur les différentes catégories, 100 %, ensuite 90 % et 80 % pour arriver à 75 % à partir de 2029.

Le taux de remboursement, quant à lui, sera augmenté de 15 % à partir de juillet 2026 seulement. Vous dites aussi qu'il y aura un soutien supplémentaire au travers des projets individualisés d'intégration sociale (PIIS) à hauteur de 5 à 15 %, mais uniquement à partir de 2028. En réalité ce soutien viendra en remplacement de la subvention PIIS qui est déjà octroyée actuellement.

La subvention pour frais de dossier sera doublée pendant deux ans, et nous voyons donc que dès 2026, la compensation sera insuffisante par rapport aux moyens que les CPAS devront déployer. Le Soir , par contre, a révélé que les compensations seront en partie financées par des économies sur d'autres aides fédérales. Selon vos propres propos, tenus le 18 juillet 2025, la différence de 66 millions – le montant initial s'élevait à 234 millions, ensuite à 300 millions après les discussions au sein du gouvernement cet été – devra être compensée par des économies dans les départements sociaux de l'État, les plans de cohésion et le budget complémentaire des CPAS, par exemple.

Premièrement, confirmez-vous que vous allez compenser en partie les mécanismes de soutien par des économies dans les départements sociaux de l'État?

Quel sera le montant de ces économies pour les années 2026, 2027, 2028 et 2029, et quels sont les postes budgétaires qui seront affectés par les compensations?

Les gens sur le terrain se posent bien sûr la question.

Concrètement, comment cela va-t-il se passer pour les CPAS? Existe-t-il aujourd'hui une répartition par villes, par exemple? Êtes-vous en contact avec les différents CPAS ou les fédérations de CPAS, ou avec les ministres, même régionaux, qui ont aussi les CPAS dans leurs compétences? Vous vous amusez, pour parler un peu cyniquement, à barrer les compétences usurpées. Vous comprenez aussi que ce problème-là n’est pas le seul qui arrive ainsi aux CPAS. Il y a aussi d'autres fonds que vous venez de supprimer, comme le fonds qui était utilisé pour combattre la pauvreté infantile. Les CPAS sont face à tous ces différents défis.

Suivant l'étude de Belfius sur les finances communales et les estimations des fédérations de CPAS, on peut estimer qu'au moins 180 millions d’euros par an resteront à charge des CPAS. Mais une étude du Service public de Wallonie récente dit que, pour la période 2026-2030, la charge nette totale cumulée sera entre 497 et 558 millions d'euros. C'est une pression très forte dans les grandes villes, mais l'étude met aussi en lumière la vulnérabilité des plus petites communes, où le coût de la réforme, à l'horizon 2030, se situe entre 40 et 65 % de la dotation communale du CPAS inscrite dans le budget initial 2025.

Allez-vous revoir votre copie afin de garantir une compensation intégrale? Il me semble que, dans l'accord de gouvernement, c'était ce qui avait été promis: que les charges supplémentaires allaient être compensées aux CPAS. Là, on ne le voit pas.

Un soutien est nécessaire dès 2025. J’ai parlé de 2026 et la suite. Il est indispensable d'anticiper le flux de possibles nouveaux bénéficiaires et de recruter les assistants sociaux. Former une assistante sociale prend du temps.

Nous sommes le 1 er octobre. Au 1 er janvier, les personnes vont venir au CPAS. Vous annoncez un budget de 26 millions en 2026. Comment avez-vous déterminé ce budget? Quelle sera la clé de répartition de ce budget entre les différents CPAS? À quelle date ces fonds seront-ils effectivement versés sur les comptes des CPAS? Voilà mes questions. Merci.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, er is al heel wat inkt gevloeid over de te verwachten impact van de historische beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd op de OCMW’s. Het grote aantal vragen dat vandaag is gesteld, is daar een teken van. Bij heel wat lokale besturen leeft de vrees dat de werkdruk, die vandaag al hoog ligt, nog verder zal toenemen wanneer een groep werklozen een aanvraag zal indienen voor een leefloon.

U bent zich daarvan bewust en u hebt zich in het verleden al uitgesproken over de mogelijke impact. U maakt bovendien werk van een compensatieregeling. Aanvankelijk was gepland om vanaf 2027 een budget ter beschikking te stellen, zoals overeengekomen in het regeerakkoord, maar intussen is beslist om al eerder middelen vrij te maken. Uiteraard is het niet de bedoeling, of kan het toch niet de bedoeling zijn, om blanco cheques uit te keren. Daarom wilde u de financiering baseren op drie pijlers: compensatie voor de instroom vanuit de werkloosheid, ten tweede een vergoeding op basis van de inspanningen die OCMW’s leveren op het vlak van activering, waarbij het GPMI heel belangrijk is, en ten derde een vergoeding op basis van de effectieve uitstroom naar werk.

Ik heb twee concrete vragen. Wat is vandaag de stand van zaken van die compensatieregeling en hoe zal die eruitzien qua omvang en modaliteiten?

Voorzitter:

Madame Meunier, vous avez déposé cinq questions dans le cadre de ce débat d'actualité et disposez donc de dix minutes de temps de parole.

Marie Meunier:

Merci monsieur le président. Vous aurez noté que nos questions ont des titres différents.

Madame la ministre, le 18 juillet dernier, votre cabinet a communiqué aux fédérations des CPAS les compensations prévues pour faire face à l'afflux de personnes qui seront exclues du chômage à partir de 2026. Ces mesures prévoient notamment: une intervention fédérale modulée, dans le cadre du revenu d'intégration, selon la date d'exclusion du chômage; un doublement temporaire des frais de dossier uniquement pour les premiers entrants et entre 2026 et 2028; la mise en place d'un système de bonus-malus lié à la mise à l'emploi durable ainsi qu'un budget de 26 millions d'euros pour 2025. Au-delà des nombreuses interrogations que ces compensations suscitent, ça va clairement être la douche froide pour les CPAS et les pouvoirs locaux – ça on le sait –, parce que, clairement, ces compensations seront largement insuffisantes, contrairement à ce que certains veulent nous faire croire. Ce n'est pas moi qui le dit mais le service public de Wallonie, le SPW qui a mené une étude à la demande de votre collègue des Engagés à la Région, monsieur François Desquesnes, étude fort intéressante et qui tire des constats extrêmement alarmants.

Environ 85 000 personnes devraient perdre leurs allocations dès 2026 en Wallonie, près de 28 500 se tourneront, a priori, vers les CPAS pour solliciter un revenu d'intégration sociale et, selon le SPW, même avec un mécanisme de compensation fédéral partiel et dégressif, la charge nette pour les communes wallonnes atteindra entre 110 et 127 millions d'euros par an à l'horizon 2030.

Sur la période 2026-2030, cela représenterait près d'un demi-milliard d'euros. C'est un coût colossal, directement supporté par les finances communales et donc les grandes villes comme Liège, Charleroi, Mons ou la Louvière devraient assumer à elles seules près d'un tiers de ce poids. Cet énorme transfert de charges se doublera d'une tension accrue sur les services des CPAS qui devront financer davantage de revenus d'intégration tout en recrutant du personnel supplémentaire, alors qu'aujourd'hui ils peinent déjà à en trouver.

Les services de l'insertion socioprofessionnelle, eux, vont se voir fragilisés par des mobilités internes et un déficit de moyens alors qu'ils devraient être un levier majeur de remise en parcours. La fédération Wallonne des CPAS insiste d'ailleurs sur la nécessité d'un soutien financier spécifique aux ISP, faute de quoi on demandera aux CPAS d'assurer l'insertion tout en réduisant leur capacité d'action.

Enfin, au-delà des aspects budgétaires qui sont, somme toute, déjà fort inquiétants, je m'inquiète aussi de la situation des personnes directement concernées: les exclus du chômage, lesquels recevront – certains l'ont déjà reçu – un courrier leur notifiant leur fin de droit. Mais ces exclus du chômage ne sont absolument pas informés des démarches à effectuer dans la suite de leur parcours.

Plusieurs questions se posent, madame la ministre. Tout d'abord, concernant les compensations dédiées, pourquoi avoir choisi une intervention différenciée en fonction des dates d'exclusion? Sur quelle base les différentes catégories ont-elles été décidées? Concernant le mécanisme de bonus-malus: quelles en seront les modalités concrètes, les calculs concrets, les conditions relatives au type d'emploi – temps plein, temps partiel, article 60, article 61 –, la durée du maintien, les sources authentiques utilisées? Quelles seront les conséquences en cas de malus pour les CPAS?

Par ailleurs, il y a des compensations financières qui sont prévues jusqu'en 2029, mais elles reposent sur des hypothèses de report élaborées par le gouvernement. Donc, est-ce qu'une réévaluation de ces montants est envisagée au vu des risques d'écart important avec la réalité?

L'augmentation des frais de dossier limitée aux premières vagues d'exclus et pour une période restreinte, quant à elle, ne suffira clairement pas à absorber la charge. Selon la fédération des CPAS, cela correspond à un engagement de 600 à 800 ETP jusque 2028, soit environ un travailleur social pour une centaine de dossiers. Je ne sais pas si vous vous rendez compte; 100 dossiers ainsi que leur suivi, soit 100 personnes sur la tête d'une seule personne, c'est énorme! Cela risque de mettre en péril tant la qualité de l'accueil des personnes que les conditions de travail des professionnels, qui sont déjà, comme je vous l'indiquais, sous pression.

Est-ce qu'une adaptation de ces moyens est envisagée? Qu'est-ce que vous pouvez nous dire? Quelles garanties pouvez-vous offrir aux travailleurs sociaux quant au maintien de leurs conditions de travail, quant à la qualité du service rendu aux citoyens les plus fragiles et quant à leur sécurité, afin d'éviter des drames comme celui survenu à Gand cet été? Un collègue est en effet décédé cet été, alors qu'il effectuait son travail de travailleur social.

Vous annoncez un budget de 26 millions d'euros pour 2025. Comment ce budget sera-t-il réparti concrètement? Quelles dépenses seront éligibles et à quelle échéance les CPAS pourront-ils en disposer?

Nous voyons aujourd'hui que vous avez légèrement augmenté la compensation par rapport aux premiers chiffres donnés. Sur quels postes précis comptez-vous faire des économies pour dégager ces montants? Parlons-nous ici à nouveau des politiques que vous considérez comme des compétences usurpées, ou d’autres postes sont-ils concernés?

Concernant le transfert de charges, plusieurs questions se posent également. Comment justifier un transfert d’une telle ampleur vers des pouvoirs locaux qui, déjà aujourd’hui, ne disposent ni des moyens budgétaires ni des effectifs humains nécessaires? Comme je vous l'ai déjà dit, les conséquences seront dramatiques, non seulement pour l'ensemble des bénéficiaires qui ne seront pas suivis correctement, mais également pour l'ensemble des citoyens. Comptez-vous mobiliser de nouveaux moyens pour protéger les CPAS et les communes et pour soutenir financièrement les services d'insertion socioprofessionnelle? Des concertations ont-elles été menées dans ce cadre avec vos collègues des Régions et, en particulier, avec le ministre François Desquesnes?

En ce qui concerne les personnes qui seront exclues du chômage et des allocations d'insertion dans le futur, elles devraient recevoir un courrier – si elle ne l'ont pas déjà reçu – leur indiquant leur fin de droit. Une information leur est-elle communiquée par rapport aux démarches administratives à envisager, notamment auprès des CPAS? Est-ce indiqué? Savent-ils vers où se tourner?

De quels outils concrets disposent aujourd’hui les CPAS pour anticiper la gestion de milliers de nouvelles demandes, mais aussi pour éviter que les potentiels bénéficiaires d’un RIS ou d’une aide sociale ne se retrouvent sans aucun revenu pendant plusieurs mois – le temps de leur enquête – au risque d’accentuer le cercle vicieux de la pauvreté?

Finalement, comme vous avez augmenté le montant de la compensation, sur quel poste précis allez-vous faire des économies?

J’ai donc ici un certain nombre de questions qui, jusqu’à présent, sont restées sans réponse. J’espère qu’aujourd’hui, nous pourrons y voir un peu plus clair avec vous. Je vous remercie.

Voorzitter:

Mme Katja Gabriëls est absente pour sa question n° 56007901C.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, vanaf januari 2026 verliezen in Brussel alleen al meer dan 40.000 mensen hun werkloosheidsuitkering. De RVA is ondertussen gestart met het uitsturen van verwittigingsbrieven. OCMW's bereiden zich voor op een stormloop aan hun loketten en voelen zich verplicht om extra stewards, bewakingspersoneel en zelfs politiepatrouilles in te zetten. Dat zegt veel over de gespannen situatie waarin maatschappelijke werkers vandaag al functioneren.

In Brussel beheert een sociaal assistent gemiddeld 140 dossiers, terwijl 100 eigenlijk het maximum zou moeten zijn. OCMW's hebben dringend honderden extra maatschappelijke werkers nodig. Recent werd door u aangekondigd dat er extra financiële middelen zullen worden vrijgemaakt. Diplomavoorwaarden voor maatschappelijke werkers worden uitgebreid, zodat OCMW's zelf kunnen beslissen welke diploma's in aanmerking zullen komen. Er wordt ook nog nagedacht over hoe de werklast van de maatschappelijke werkers kan worden verminderd.

Ik heb hierover een aantal vragen, mevrouw de minister. In het verleden hebben we het al gehad over de financiële middelen voor het veiligheidspersoneel. U verwees toen naar de deelstaten. OCMW's voelen zich genoodzaakt om in veiligheid te investeren, maar wordt hiervoor op federaal niveau ook een bedrag uitgetrokken? Worden er vanuit de POD MI richtlijnen aan OCMW's gegeven, om bijvoorbeeld na te gaan hoe er met de gevallen van agressie kan worden omgegaan? In welke extra middelen wordt er voorzien om de werklast van de maatschappelijke werkers te verminderen?

Los van die extra middelen waarin u nu voorziet, hoe garandeert u dat deze hervorming niet leidt tot extra financiële en ook menselijke druk op de gemeentes?

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, in het regeerakkoord is afgesproken dat de werkloosheidsuitkering in de tijd zou worden beperkt. De maatregelen zijn al in werking getreden. Afgelopen weken kregen duizenden mensen al een brief dat zij hun uitkering vanaf 1 januari zouden verliezen. In de loop van volgend jaar zal men starten met de eerste groepen, mensen die 20 jaar of langer werkloos zijn geweest en mensen met een wachtuitkering. Nadien komen de mensen aan bod die tussen de 8 jaar en de 20 jaar werkloos zijn. In de loop van het jaar volgen diegenen die langer dan 2 jaar werkloos zijn.

Het is te hopen dat deze mensen de weg vinden naar de VDAB, Actiris of de Forem voor een goede begeleiding.

Een deel van hen zal echter niet aankloppen bij het OCMW, indien zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken, bijvoorbeeld via een partner met een eigen inkomen. Een ander deel van deze mensen, dat geen bestaansmiddelen heeft, zal wel aankloppen bij het OCMW. Dit zorgt uiteraard voor extra druk op de OCMW's, die vandaag al overbevraagd zijn. Daarop kom ik straks in een andere vraag terug.

De OCMW's worden geconfronteerd met twee problemen, namelijk personeelsgebrek en middelengebrek. Voor beide zaken heeft de regering beslist om hen tegemoet te komen. Voor dit jaar is namelijk besloten 26 miljoen euro extra toe te kennen en voor volgend jaar 300 miljoen euro. Dit geld zal dienen ter ondersteuning van de OCMW's en zal worden toegekend in functie van de instroom uit de werkloosheid en de manier waarop mensen begeleid worden via een GPMI en de effecten op duurzame tewerkstelling. Die begeleiding moet er dus zijn vanuit de OCMW's.

Mijn eerste vraag betreft de verdeling van de 300 miljoen voor volgend jaar. Hoe worden deze middelen verdeeld? Kunt u ons deze verdeelsleutel geven en kunnen de OCMW's hiervan op de hoogte worden gebracht?

Ten tweede is het niet eenvoudig om personeel te vinden, zeker gezien de loonvoorwaarden en de aard van het werk. Het werk is namelijk niet altijd gemakkelijk. Daarom is er aangedrongen om de diplomavereisten aan te passen. In Vlaanderen deed men dat de facto al. In de nieuwsbrief van de POD Maatschappelijke Integratie, die wij vrijdag hebben ontvangen, lezen we dat het KB ondertussen klaar is, zodat de regio's de mogelijkheid hebben de diplomavereisten aan te passen. Hierdoor kunnen ook andere mensen dan maatschappelijk werkers worden aangeworven. Dit is positief en in Vlaanderen werd hiermee al gewerkt. Hoe ziet u de effecten hiervan op het terrein, ook in Brussel en Wallonië? Hebben de regio's al interesse getoond om de diplomavereisten aan te passen, zodat ze ook andere personeelsleden kunnen aantrekken met een ander diploma dat ook op de lijst staat, om de werkdruk bij de maatschappelijke werkers te verlichten?

Dat is immers nodig, want het is niet de bedoeling mensen voor onbepaalde tijd met een leefloon te laten leven. Het doel is hen verder te begeleiden naar werk, maatschappelijke integratie, vrijwilligerswerk of deels vrijwilligerswerk en deeltijds werk indien nodig. Dat vergt voldoende mensen en middelen om hen effectief te begeleiden en hen, indien nodig, tijdelijk van een leefloon te voorzien.

Victoria Vandeberg:

Madame la ministre, je ne reviens pas sur tout l'historique, que l'on connaît évidemment déjà, sur les décisions qui ont déjà été prises et sur les débats qui ont déjà eu lieu ici.

J'ai une question plus pratique. En tant que bourgmestre, je suis confrontée à l'incertitude et aux inquiétudes de certains travailleurs au sein des CPAS, que ce soit dans ma commune, dans les communes voisines ou les communes que je côtoie. Ces personnes se posent des questions sur la mise en œuvre et sur le timing.

Des enveloppes seront débloquées, parce qu'on est bien conscient de l'impact que cela pourra avoir sur les CPAS. Bien que l'esprit premier soit évidemment la remise au travail, les CPAS locaux seront évidemment impactés et souhaitent dès lors avoir un timing plus précis – nous sommes déjà fin septembre – sur la manière dont ces fonds seront débloqués, et savoir ce que chaque CPAS, chaque commune pourra percevoir. Ils souhaitent vraiment être rassurés. Une communication claire envers les pouvoirs locaux est très importante, le but étant aussi évidemment pour eux de pouvoir ramener ces personnes au travail. Un accompagnement me semble très important.

Madame la ministre, quelles réponses pouvez-vous leur donner par rapport à ce timing? Comment assurer, précisément, que les moyens complémentaires qui ont été annoncés et qui seront mobilisés seront affectés, et permettront d'éviter l'engorgement des CPAS et, comme je le disais, de relancer ces personnes sur le chemin du travail, le but n'étant pas qu'elles restent au CPAS.

Sophie Thémont:

Madame la ministre, comme on l'a dit, la réforme limitant les allocations de chômage à deux ans entrera en vigueur en janvier 2026. Progressivement, c'est quand même environ 180 000 personnes qui perdront leurs allocations et se tourneront vers les CPAS, lesquels craignent de ne pas avoir les moyens suffisants pour répondre à cette nouvelle charge.

La province de Liège sera particulièrement touchée par cette réforme. Une étude de l'administration wallonne prévoit un déficit de 497 à 558 millions d'euros, dont un tiers à charge des grandes villes comme Liège, Seraing ou encore Herstal. À Liège, cela représente près de 2 800 nouveaux bénéficiaires et un surcoût de 36 millions d'euros d'ici 2030. Cela représente une hausse de 19 % de la dotation communale, alors que le fonds de réserve du CPAS ne dispose plus que de 51 000 euros.

Dans les communes plus petites, l'impact sera tout aussi lourd. Je pense, par exemple, à ma commune, Flémalle, où 752 personnes perdront leurs allocations entre janvier 2026 et juillet 2027, ce qui va entraîner, selon le Service public de Wallonie, 252 bénéficiaires supplémentaires pour le CPAS.

Partout, cette réforme exercera une pression insoutenable, comme on vient de le dire, notamment sur les capacités financières, mais aussi sur les capacités humaines. Vous avez annoncé deux mesures d'accompagnement: le remboursement de 100 % des dossiers exclus et une enveloppe de 26 millions d'euros dès 2025 pour préparer l'arrivée des nouveaux bénéficiaires. Cependant, plusieurs questions se posent.

On vient de le dire: comment cette enveloppe se répartira-t-elle entre les CPAS et selon quels critères? Quelles dépenses seront-elles éligibles? S'agira-t-il uniquement des dépenses en personnel, ou aussi des investissements pour faire face à l'afflux de dossiers? Surtout, à quelle échéance ces moyens seront-ils réellement disponibles, alors que les exclusions commencent déjà à produire leurs effets?

Madame la ministre, pouvez-vous garantir que le gouvernement fournira aux CPAS, notamment ceux de la province de Liège, des ressources suffisantes et rapidement disponibles, afin qu'ils puissent continuer à remplir leurs missions sans être mis en difficulté par les conséquences directes de cette réforme?

Voorzitter:

Merci, madame Thémont. Nous avons une question surprise qui est remontée du fond du tableau, parce qu'elle était en fait liée à la thématique.

Jeroen Van Lysebettens:

Mevrouw de minister, het is goed om hier een Gents gezicht te zien. Eindelijk, zou ik zeggen. Ik heb nog geen whatsappje met felicitaties ontvangen.

In verband met de compensatieregeling voor de OCMW's hebben mijn collega's de problematiek al voldoende geschetst, dus ik zal me beperken tot mijn vragen. De OCMW’s gaan ervan uit dat er minstens 460 nieuwe maatschappelijk werkers nodig zijn om enkel en alleen de aanvragen te kunnen verwerken. Dan hebben we het nog niet over de activering van de mensen die zullen instromen. Voor hoeveel maatschappelijk werkers hebt u eigenlijk extra financiering voorzien? Acht u het realistisch dat zij allemaal tijdig kunnen worden aangeworven?

Mevrouw Lanjri verwees al naar de versoepeling van de diplomavereisten. Welke impact heeft dat op de kwaliteit van het werk, in het bijzonder voor Vlaanderen? Ik denk namelijk dat dat voor Vlaanderen eigenlijk niet zo veel verandert.

U stelt dat de compensaties voor de OCMW’s doelgericht zullen zijn. Welke criteria zullen worden gehanteerd om die compensaties toe te kennen?

Veel van de compenserende maatregelen zijn slechts tijdelijk. Hoe duurzaam is uw aanpak? Aangezien de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd een permanente maatregel is, dreigt er op lange termijn immers stelselmatig extra instroom bij de OCMW’s. Hoe groot schat u die instroom op lange termijn in en welke financiering voorziet u daarvoor?

De OCMW’s moeten eigenlijk tegen 1 januari over volledige informatie beschikken en bij voorkeur ook volledig zijn versterkt. Hoe zult u de lokale besturen helpen om zich daarop voor te bereiden?

Ten slotte, die aanpassingen worden zeer snel en versneld uitgerold. Hoe zult u die uitrol evalueren?

Voorzitter:

Quelqu'un souhaite-t-il se joindre au débat d'actualité? Non? Moi bien!

Voorzitster: Ellen Samyn.

Présidente: Ellen Samyn.

Denis Ducarme:

Madame la ministre, l'occasion était trop belle pour vous remercier de tout le travail que vous accomplissez dans cette réforme extrêmement importante. Quand on consultera les livres d'Histoire politique de la Belgique, ce gouvernement restera probablement dans les annales comme celui qui aura enfin mis fin aux allocations de chômage illimitées dans le temps. Pour rappel, nous restons l'un des seuls pays dans l'Union européenne, sinon au monde, à encore procéder de la sorte.

Bien entendu, une telle réforme peut effrayer. Soit on souffle sur les braises pour effrayer davantage, comme le font certains représentants de gauche, soit on assume qu'une réforme implique toujours du changement; et cela en impliquera, en l'occurrence, dans les CPAS. Je me réjouis donc de vous voir ici, afin d'apporter des éclaircissements quant au soutien dont les CPAS vont pouvoir bénéficier, notamment pour la prise en charge à 100 % du RIS au cours de la première année, à 90 % la deuxième, et ainsi de suite. De même, les taux de remboursement du RIS vont augmenter. Un soutien financier sera également apporté pour les frais de fonctionnement, par exemple sous forme d'un forfait de 1 036 euros par dossier d'exclu du chômage pendant les six premiers mois. Cela vaut également pour le Projet Individualisé d'Intégration Sociale (PIIS): 10 % de prime pour les personnes qui resteraient à l'emploi.

Pour conclure, il est faux de répéter à satiété que nous allons assister à un transfert automatique, semblable à un tsunami, des personnes qui recevaient des allocations de chômage vers les CPAS. Nous parlons d'un tiers des cas. Le ministre Clarinval nous a indiqué, encore récemment, qu'en six mois 9 % des personnes percevant des allocations de chômage depuis 20 ans avaient trouvé un emploi et que c'était aussi le cas pour 37 % des gens bénéficiant d'une allocation d'insertion.

En tout cas, il est utile de vous entendre nous dire, ici au Parlement, combien, pour que cette réforme soit un succès tant dans le changement attendu que du point de vue de la capacité de gestion des CPAS, vous êtes pleinement à leurs côtés pour la transition importante liée à cette réforme. Je vous remercie, madame la ministre.

Anneleen Van Bossuyt:

Eerst wens ik de heer Van Lysebettens te feliciteren met zijn eedaflegging op 18 september in de Kamer. U bent een Gents gezicht dat een niet-Gents gezicht vervangt, want Petra De Sutter is niet van Gent. Welkom in de Kamer.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Le régime de compensation à la suite de la réforme des allocations de chômage est très important pour les CPAS, car ils sont confrontés à une lourde charge de travail. Je me réjouis donc que nous soyons parvenus à un accord avant les vacances d'été afin que les CPAS obtiennent la clarté et la sécurité auxquelles ils ont droit. Comme M. Ducarme l'a indiqué, nous sommes à leurs côtés.

Le vendredi 19 septembre, le gouvernement fédéral a pris une décision définitive à ce sujet. Le projet de loi sera bientôt déposé au Parlement. Le régime de compensation reposera sur les mêmes paramètres pour chaque CPAS et se déroulera en trois phases. Tout a également été communiqué par le SPP Intégration sociale dans sa newsletter Écho aux CPAS. Je pense que Mme Meunier y a fait référence.

De eerste fase betreft de onmiddellijke ondersteuning bij de behandeling van de aanvragen, ten eerste, door een verdubbeling van de bijdrage voor personeelskosten van 518 euro naar 1.036 euro per dossier voor de personen die in de periode tussen 1 januari 2026 en 30 juni 2026 vanuit de werkloosheid instromen, en ten tweede, door een verhoogde, gefaseerde terugbetaling van het leefloon.

Voor wie uit de werkloosheid uitstromen in de periode tussen 1 januari en 30 juni 2026 zal de terugbetaling van het leefloon 100 % bedragen in 2026, 90 % in 2027, 80 % in 2028 en 75 % vanaf het jaar 2029. Daarbij wil ik erop duiden dat het verschil tussen grote en kleine OCMW's hier totaal niet speelt. Nu bestaat er een systeem van terugbetaling tussen 55 en 70 %, afhankelijk van de grootte van de OCMW. Voortaan zal voor alle OCMW's voor die categorie gelden wat ik net heb toegelicht. Voor mensen die na 30 juni 2026 uit de werkloosheid uitstromen, zal er nog een verhoging zijn met 15 %.

Nu kom ik tot de tweede van de drie fases. Na de eerste fase, de onmiddellijke ondersteuning bij de behandeling van de aanvragen, vindt in de tweede fase een gewijzigde subsidiëring plaats van het GPMI, voor alle leefloonbegunstigden. Het gaat dus niet enkel voor mensen die uitstromen uit de werkloosheid, maar om alle leefloongerechtigden.

Vanaf 1 januari 2028 komt er een bonus-malussysteem waarbij de bijzondere toelage voor het GPMI afhankelijk zal zijn van het aantal GPMI's. Met andere woorden, hoe meer GPMI's er worden afgesloten, hoe hoger de toelage, volgens de hiernavolgende ratio. Als ten minste 80 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, zal dat 15 % zijn. Dat wordt 12,5% indien tussen 60 en 80 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, 10 %, zoals de huidige situatie, als tussen 40 en 60 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, 7,5 % als tussen 20 en 40 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, en 5 % indien minder dan 20 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten. Daarmee willen we de inspanningen belonen die de OCMW's leveren om mensen te activeren.

Dan komen we tot de derde fase. De derde fase betreft een stimulans van 1.776 euro. In de eerste ontwerpen was sprake van 10 %, maar dat is gewijzigd naar een forfaitair bedrag van 1.776 euro omdat er anders een extra administratieve last bij de OCMW's en de POD Maatschappelijke Integratie zou terechtkomen. Het forfaitair bedrag van 1.776 euro is gelijk aan een twaalfde van het jaarlijks leefloonbedrag categorie 3, bedoeld voor personen met gezinslast, als de OCMW's erin slagen om de personen naar duurzame tewerkstelling toe te leiden. Met duurzame tewerkstelling wordt bedoeld dat de persoon minstens één jaar aan het werk moet blijven na de toekenning van het leefloon en de persoon moet hebben deelgenomen aan een GPMI toen hij een leefloon ontving.

Nu kom ik tot de vragen over de budgetten. In de budgetten wordt niets geschrapt, aangezien we een compensatie voorzien. Bij de begrotingsopmaak 2026 wordt een compensatiebudget voor de OCMW's uitgetrokken van 300 miljoen euro in 2026 en 2027, 302,3 miljoen euro in 2028 en 342,6 miljoen euro in 2029. Niet onbelangrijk, bij mogelijke overschrijding van die budgetten engageert de federale overheid zich ertoe om de tekorten bij te passen.

Daarnaast zal in 2025 nog een budget van 26 miljoen euro worden uitgetrokken, waar de meesten van u al naar verwezen. De verdeling van die 26 miljoen euro gebeurt op basis van de verwachte instroom bij de OCMW’s, zodat dit jaar nog voorbereidende maatregelen genomen kunnen worden. De verdeling gebeurt volgens de verwachte uitstroomcijfers per gemeente. Met andere woorden: door de regel van drie toe te passen op de 26 miljoen euro kan het bedrag per gemeente bepaald worden. De cijfers zijn bekend en werden al verspreid.

Madame Vandeberg, vous avez demandé quand ce budget sera libéré pour 2025.

Welnu, wanneer de RVA het geld overmaakt aan de POD Maatschappelijke Integratie, zal de POD MI het doorstorten aan de desbetreffende OCMW’s.

À partir de 2026, le montant dépendra de plusieurs paramètres, notamment le nombre de PIIS, le nombre d'emplois durables, etc. Le choix a été fait délibérément de différencier l'intervention en fonction de la date d'exclusion des allocations de chômage. En effet, la première vague, avec des exclusions au 1 er janvier, au 1 er mars et au 1 er avril, concerne le public le plus difficile à activer. Il s'agit respectivement des personnes étant au chômage depuis plus de 20 ans, plus de 8 ans et au moins 2 ans. C'est pourquoi le pourcentage de remboursement y est plus élevé. Pour la prime liée à l'emploi durable, l'emploi dans le cadre des articles 60 et 61 est pris en compte.

La charge administrative ne reposera pas sur les CPAS, mais sur le SPP Intégration sociale, qui se chargera de la vérification des conditions et de l'octroi de cette prime aux CPAS.

We hebben een taskforce opgericht die is samengesteld uit ons kabinet, het kabinet van minister Clarinval, de verschillende tewerkstellingsorganisaties, de RVA, de OCMW-federaties en de POD MI. Die werkgroep heeft tot doel om de nodige communicatie voor te bereiden voor de OCMW's, de arbeidsbemiddelingskantoren en de personen die van de werkloosheidsuitkering worden uitgesloten. Er wordt ook gewerkt aan andere aspecten, zoals de verbetering van de IT-gegevensstromen.

Er is ook gevraagd naar de diplomavoorwaarden. Het ontwerp van koninklijk besluit inzake de gelijkwaardigheid van diploma's is klaar voor publicatie in het Belgisch Staatsblad . Het is ondertekend en alles is rond. Enkel de publicatie in het Belgisch Staatsblad moet nog gebeuren.

Wat de taken betreft die door andere profielen kunnen worden uitgevoerd, vermeldt een omzendbrief van 29 maart 2024 de taken die door een administratief medewerker of een andere persoon kunnen worden vervuld. Het gaat om een tabel die de volledige procedure weergeeft. Het is voor een OCMW dus perfect mogelijk om zijn administratieve structuur beter te organiseren.

Er werd gevraagd naar de mogelijkheid van een voorlopige toekenning van een leefloon als tijdelijke oplossing om te vermijden dat mensen zonder inkomen zouden vallen. Wettelijk is het niet mogelijk om van de vastgestelde wettelijke procedure af te wijken. We kunnen geen discriminatie creëren tussen steunaanvragers. Het zou onrechtvaardig zijn dat personen die uitgesloten zijn van de werkloosheidsuitkering, onmiddellijk een leefloon zouden krijgen zonder een sociaal onderzoek, terwijl anderen die in een gelijkaardige situatie steun aanvragen bij het OCMW, wel de volledige onderzoeksprocedure moeten doorlopen. Dat voorstel vind ik trouwens ook niet wenselijk.

Ik werf zelf geen enkele maatschappelijk werker aan. Dat doen de lokale besturen natuurlijk. Ik lees dagelijks de kranten, net als u. Ik heb al heel veel verschillende extrapolaties en simulaties gezien en die lopen eerlijk gezegd nogal uiteen. Extra maatschappelijk werkers zullen nodig zijn, daar ben ik absoluut zeker van. Op basis van de cijfers van de RVA over de uitstromers per gemeente weten we dat onze lokale besturen zich voorbereiden en dat er veel vacatures openstaan. Ik heb ze niet geteld, maar als het om 460 gaat – de heer Van Lysebettens vernoemde dat getal – dan betekent dat niet per se 460 voltijdsequivalenten per OCMW.

We monitoren de uitstroom en de werkdruk bij de OCMW's via de POD MI, meer bepaald via het NOVA PRIMA-systeem.

Le budget de compensation destiné aux CPAS ne constitue en aucun cas un transfert de compétences. Le niveau fédéral souhaite, au contraire, indemniser les CPAS en raison des réformes en matière de chômage. J'ai déjà souligné que les montants prévus sont considérables.

Si le coût réel, comme je viens de le dire aussi, devait s'avérer supérieur au budget de compensation, des ajustements seront effectués. Il est toutefois impossible aujourd'hui de calculer ce budget de manière précise par région, par ville ou par commune. La répartition dépend en effet de plusieurs paramètres qu'il n'est pas possible d'anticiper. Par exemple, il faudra tenir compte du nombre de personnes qui, suite aux réformes, s'adresseront au CPAS entre le 1 er janvier et le 1 er juillet 2026, ainsi que de celles qui le feront après le 1 er juillet 2026.

Comme je viens de le mentionner, l'impact final dépendra également du nombre de PIIS que les CPAS concluront à partir de 2028, ainsi que du nombre de personnes durablement mises à l'emploi.

Chers collègues, le point de départ de cette réforme est très clair: il faut accompagner les personnes vers l'emploi. Celui qui, après un certain temps, perd son allocation de chômage ne doit pas considérer cela comme une perte, mais comme un stimulant. Notre société ne peut pas enfermer les gens dans une allocation, mais doit les soutenir et les accompagner vers le travail. Car le travail offre des perspectives et constitue la meilleure forme de protection sociale.

De cijfers tonen dat trouwens aan. Het risico om in armoede te belanden is voor mensen zonder werk 32 %, terwijl dat voor werkenden 5,5 % is. Het is dus overduidelijk dat een job de beste garantie is tegen armoede.

Le travail n'est pas une punition, mais bien une chance. Pour utiliser les propos d'Adrien Dolimont, la règle n'est pas là pour exclure les gens mais bien pour les inclure.

Sofie Merckx:

Merci pour les explications. Si je comprends bien, vous démentez ce qui était écrit dans Le Soir , qui disait que les 300 millions prévus, il faudrait aller les puiser dans d'autres économies. Et vous dites même que vous allez ajuster le budget à la hausse si les compensations ne sont pas suffisantes.

Mais logiquement, elles ne seront pas suffisantes, étant donné que vous utilisez un taux dégressif par rapport aux années d'exclusion. Donc oui, forcément, les CPAS devront combler une partie, sauf si à un moment donné, il n'y a plus un exclu du chômage qui se présente dans un CPAS. Mais ça, je pense quand même qu'il y a peu de chances.

Donc, il va falloir compenser cela. Maintenant, je suis un peu stupéfaite par votre discours ou celui de M. Ducarme. Vous reprenez l'idée que 9 % ont trouvé un emploi – chiffre que M. Clarinval a avancé hier –, mais cela signifie que 91 % n'ont toujours pas de travail. C'est une très grande majorité. On est à trois mois de l'exclusion définitive pour 90 % des cas qui n'ont pas trouvé de travail.

Je trouve aussi qu'il y a une vraie contradiction avec le fait de dire qu'on va voir un "article 60" comme un emploi durable. Moi, je veux bien, tant mieux pour la compensation temporaire alors. Mais un "article 60" n'est en rien un emploi durable. C'est bien ça le problème: un petit intérim à gauche, quelques jours de travail par là.

On voit aujourd'hui que beaucoup de gens qui cherchent un emploi sont loin de la caricature que vous mettez tout le temps en avant. Et je pense précisément à la personne qui a témoigné sur les réseaux sociaux, qui a repris aujourd'hui des études de sage-femme. Elle va voir son allocation coupée du jour au lendemain, alors qu'elle a réellement entamé ses études avec succès pour son avenir.

Je pense qu'il faut revoir cette réforme. Sur le terrain, il y a quand même énormément de panique face à ce qui va arriver. Et de l'autre côté, l'exclusion que vous organisez, elle est vraiment massive.

Je crains que le pire n'arrive.

Voorzitter:

Madame Merckx, en un mot, puisque vous m'avez interpellé directement, le chiffre est de 9 %. Ce sont 9 % des personnes qui sont au chômage depuis plus de 20 ans qui, en six mois, ont retrouvé un travail. C'est précisément de ces personnes-là dont on parle.

Sofie Merckx:

Cela signifie que 91 % n'ont pas trouvé de travail aujourd'hui.

Voorzitter:

Ce sont des gens qui étaient au chômage depuis 20 ans.

Sofie Merckx:

Je croyais que tout le monde allait trouver du travail, conformément au discours qui dit: "Il y a des emplois et tout le monde va trouver du travail". Ce chiffre de 9 % me semble très limité!

Voorzitter:

Moi, je trouve extraordinaire qu'en six mois, grâce à la réforme, des gens qui étaient au chômage depuis 20 ans retrouvent un travail. Je m'arrête là, sauf si vous souhaitez encore réagir. Non? Très bien.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, ik wil u danken voor uw antwoorden.

Wat u zegt, klopt natuurlijk helemaal. De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd was noodzakelijk. Het was een verantwoorde keuze. België was zowat het enige land waar nog een onbepaalde werkloosheidsperiode bestond.

De beperking past in het heel duidelijke doel om mensen richting werk te bewegen. Dat is immers, zoals u zei, de allerbeste garantie tegen armoede. Het is een remedie tegen financiële problemen, maar komt ook tegemoet aan de latente functies van arbeid, die op menselijk vlak superbelangrijk zijn. De krappe arbeidsmarkt van vandaag biedt daar effectief mogelijkheden toe, mits een goede activering en een goede trajectbegeleiding. Ik wil uitgaan van het potentieel van die mensen, in plaats van hen af te schilderen als sukkelaars die nooit meer aan de slag kunnen gaan.

Voor de groep die toch nog bij het OCMW terechtkomt, is duidelijk in middelen voorzien om de trajecten naar werk kwalitatief vorm te geven via de GPMI's. Als die GPMI's succesvol zijn, zullen die mensen extra beloond worden. In de extra middelen zitten ook de verhoging van de terugbetalingspercentages en de verhoogde toelagen voor de personeelskosten. Ik weet wel dat het voor sommige mensen nooit genoeg zal zijn, maar dit zijn aanzienlijke verhogingen.

U bent goed voorbereid op een weliswaar grote uitdaging, maar deze operatie moet en zal slagen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, merci pour vos réponses.

Vous avez commencé par dire qu'il y a de la clarté, que vous êtes aux côtés des CPAS. Moi, je voudrais commencer en vous disant qu'à ce stade, il n'y a ni sécurité, ni clarté pour les CPAS. Si vous croyez ce que vous dites, je vous invite vraiment à retourner sur le terrain. Ce n'est pas du tout ce qui est en train de se passer. Les institutions ne se sentent pas du tout en sécurité et les travailleurs sociaux ne voient aucune clarté dans tout ce qui est en train de se mettre en place.

Sur plusieurs questions que je vous ai posées, vous m'avez indiqué qu'à ce stade, on ne sait pas, on attend, on doit attendre de voir. On ne sait pas, mais on sait quand même que 85 000 personnes seront exclues du chômage. On sait que 28 500 d'entre elles passeront la porte des CPAS. Et je vous annonce déjà que d'autres viendront toquer à la porte des CPAS, qui n'auront droit à rien, mais pour lesquelles les travailleurs sociaux devront effectuer un travail administratif, parce qu'on ne peut refuser aucune demande d'initiative. Si une personne passe la porte d'un CPAS, un dossier social doit être introduit. Ce travail devra être fait.

Aucune information non plus concernant l'accompagnement des exclus. Je vous parlais du fameux courrier qui leur a été envoyé, que certains ont déjà reçu. Quid d'une information sur leurs droits ou d'une démarche proactive à leur égard? Pas de réponse. Peut-être le faites-vous exprès. Vous avez raison: laissons-les dans l'ignorance, évitons de les aider! Si en plus, ils peuvent éviter, après avoir été exclus, de passer la porte d'un CPAS, j'imagine que ça vous arrange.

Pour ce qui est de la compensation, vous dites que vous allez l'augmenter si nécessaire, mais le Service public de Wallonie (SPW) parle déjà d'un manque de 500 millions d'euros à horizon 2030. Je vous l'annonce déjà aussi: cela sera nécessaire. Pourquoi attend-on? Faites-le maintenant!

S'agissant des 26 millions, je suis désolée, mais je n'ai pas compris comment ils seront octroyés. Je vous ai entendu parler de l'ONEM. Nous sommes en octobre. C'est maintenant que les CPAS ont besoin de moyens. Ce n'est pas le 31 décembre pour les arrivées à partir du 1 er janvier. Un travail en amont est déjà par les CPAS.

Un collègue nous parlait des livres d'histoire tout à l'heure. Je ne crois pas que les livres d'histoire retiendront vos atrocités. Par contre, ce que les citoyens, eux, retiendront, c'est que ce gouvernement a augmenté la grande précarité au sein de sa population. Que ce gouvernement a préféré favoriser le 0,01 % de sa population contre les 99,99 % autres. Que ce gouvernement a préféré appliquer une politique d'austérité sur ses citoyens les plus fragiles: les pensionnés, les femmes, les enfants… Bref, ce qu'on retiendra de tout ça, je pense, c'est qu'à l'inverse de créer de l'emploi et de l'espoir, vous aurez créé de l'angoisse et de la misère. Et ça, je suis désolée, pour moi ça ne mérite aucune fierté!

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zal onvermijdelijk leiden tot een grotere instroom bij de OCMW's. Dat betekent dat de werkdruk voor maatschappelijk werkers, die vandaag al bijzonder hoog is, nog verder zal toenemen. U ziet vermoedelijk ook in dat het belangrijk is oog te hebben voor de realiteit en voldoende maatregelen te nemen om die werkdruk werkbaar te houden. U geeft aan dat er extra middelen zullen vrijkomen, maar ik hoop ook dat er tijdig een evaluatie plaatsvindt om na te gaan of de financiële middelen en het aantal personeelsleden toereikend zijn.

Een tweede punt, waarop ik blijf hameren, betreft de veiligheid. Maatschappelijk werkers worden in hun dagelijkse praktijk helaas geconfronteerd met verbale en soms ook fysieke agressie – in Gent zagen we recent op pijnlijke wijze welke dramatische gevolgen dat kan hebben. Het is essentieel dat er duidelijke richtlijnen komen om dergelijke situaties te voorkomen en aan te pakken, alsook dat OCMW's over de nodige middelen beschikken om hun personeel goed te beschermen.

Daarnaast is heldere communicatie naar de betrokken burgers cruciaal. Wie zijn uitkering verliest en zich tot het OCMW moet wenden, moet tijdig en duidelijk geïnformeerd worden over zijn rechten en plichten. Onduidelijkheid leidt alleen maar tot frustraties en spanningen aan de loketten, en dat is voor niemand wenselijk.

Ik besluit dus dat garanties voor de bescherming en ondersteuning van maatschappelijk werkers, evenals duidelijke communicatie naar de betrokken burgers van cruciaal belang zijn.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoord.

Het is goed dat de regering in extra middelen heeft voorzien, zowel voor de leeflonen, niet alleen nu maar ook op langere termijn, als voor extra personeel. Er worden de komende jaren extra middelen vrijgemaakt. Dit jaar gaat het al om 26 miljoen euro. De regering heeft dat engagement genomen.

Het is eveneens positief dat gemeenten een hogere financiële bijdrage zullen ontvangen, ook in de toekomst. Op termijn zullen zelfs kleine gemeenten, die normaal gezien 55 % krijgen, voor deze groep een financiële bijdrage van 75 % blijven ontvangen. Dat is op zich al positief.

We moeten afwachten wie werkelijk zal instromen bij de OCMW's en daar zal aankloppen voor een leefloon, en wie daarvoor aan de voorwaarden zal voldoen en behoeftig is. Indien zou blijken dat de middelen – bijvoorbeeld het bedrag van 300 miljoen euro waarin voor volgend jaar voorzien is – niet volstaan, engageert de regering zich om bij te passen. Dat engagement is heel belangrijk en onthoud ik zeker uit uw antwoord.

Ik heb echter geen antwoord gekregen op mijn concrete vraag of u me de verdeling kunt geven over de gemeentebesturen van de 300 miljoen euro die voor volgend jaar voorzien is. Die gemeenten wachten daarop, of minstens op een raming van het bedrag dat ze kunnen verwachten. Daar heb ik geen antwoord op gekregen.

Ik wil ook een kanttekening maken. Er wordt gekeken naar het aantal GPMI’s dat men afsluit. Dat zal immers mee bepalen hoeveel tussenkomst men krijgt. Een GPMI afsluiten is één ding, zorgen voor een effectieve en goede begeleiding is iets heel anders. Ik hoop dat we niet alleen streven naar het afsluiten van GPMI’s zonder dat de begeleiding voldoende kwalitatief is.

Tot slot wil ik benadrukken dat het hier gaat om de moeilijkste doelgroep, mensen bij wie de VDAB, Actiris en de Forem er niet in geslaagd zijn ze te activeren. Mensen die soms 20 jaar of langer werkloos zijn en die nu door de OCMW’s geactiveerd zouden moeten worden. Ik hoop dat dat lukt, maar men zal daarvoor de handen in elkaar moeten slaan en versterking moeten vragen aan andere bevoegde diensten.

In die doelgroep zitten namelijk mensen die niet onmiddellijk toeleidbaar zijn naar werk. Er zijn mensen die te ziek zijn om te werken, maar niet ziek genoeg om een invaliditeitsuitkering te krijgen. Er zijn mensen met een handicap die vandaag geen IVT ontvangen, en er zijn mensen die misschien wel kunnen werken maar bij wie dat progressief zou moeten gebeuren.

Mevrouw de minister, u gaf aan dat er werkgroepen actief zijn en dat er overleg is met andere ministers, onder andere minister Vandenbroucke, verantwoordelijk voor de invaliditeitsuitkeringen, minister Clarinval, de bevoegde ministers voor de regio’s en ook minister Beenders, bevoegd voor personen met een handicap. De VDAB heeft al eens aangegeven dat 10.000 mensen niet toeleidbaar zijn naar werk. Als men dat weet, dan zal het OCMW dat ook niet zomaar kunnen.

Hier zal maatwerk moeten worden geleverd. Die mensen moeten naar een specifiek statuut worden geleid. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat zij toch recht krijgen op een erkenning als persoon met een handicap en bijvoorbeeld een inkomensvervangende tegemoetkoming. Ik vraag u om dat eens te bekijken, geval per geval. Het is maatwerk, maar ik hoop dat u oog hebt voor deze groep. Samen met de andere bevoegde ministers en de regionale ministers moet dat werk ook gebeuren.

Het zou heel jammer zijn over tien jaar vast te stellen dat de OCMW's nog altijd met die doelgroepen zitten. Het is niet de bedoeling dat we die mensen een uitkering geven en ze verder aan hun lot overlaten. Nee, het is echt wel de bedoeling die mensen op één of andere manier te activeren. Kan dat niet voor regulier werk, dan eventueel voor vrijwilligerswerk, voor maatwerk of nog iets anders.

Victoria Vandeberg:

Je vous remercie , madame la ministre, pour vos réponses.

Complémentairement à cela, je pense qu’une communication – qu’elle soit ciblée ou plus large – à destination des CPAS et des pouvoirs locaux pourrait être utile. Elle permettrait de réaffirmer que vous êtes à leurs côtés – ce qui est bien le cas – et de mettre fin aux fausses informations qui circulent, ici ou ailleurs, laissant entendre que vous ne soutiendriez pas les CPAS.

Par ailleurs, lorsque nous parlons d’atrocités, je me demande si la véritable atrocité ne consiste pas à maintenir certaines personnes dépendantes de l’État, à vie pour certains et depuis plus de 20 ans pour d'autres. Aujourd’hui, nous avançons vers une politique qui vise à rendre les personnes actrices de leur vie, dans une logique d’émancipation.

Alors, je pense que quand on entend parler d'atrocités, il faut vraiment pouvoir peser ses mots, parce que le vocabulaire est important, et surtout mensonger, dans ce cas-ci.

Sophie Thémont:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses.

Étant bourgmestre de la commune de Flémalle, je dois bien vous dire que les retours et les inquiétudes de ma présidente de CPAS, mais aussi de mon directeur général, portent notamment sur le courrier de l’ONEM, qui délivre, en effet, de simples informations en application de la loi. Ce courrier a pourtant toute son importance, car s’il contient une décision individuelle à l’encontre d’un citoyen, il faut aussi pouvoir mentionner les délais et les voies de recours auxquels cette personne peut prétendre.

Nahima Lanjri:

(…)

Sophie Thémont:

Je m'excuse, mais, franchement, madame Lanjri, ce n'est pas sympathique de me couper la parole.

Voorzitter:

Vous avez raison, madame Thémont. Je vous laisse donc plus de temps pour vous exprimer.

Sophie Thémont:

Je poursuis.

Au-delà de cela, avec le RGPD, les CPAS n'ont pas accès aux noms des personnes qui vont se retrouver demain sur leurs listes. Ne pas pouvoir anticiper ou prendre contact avec ces personnes est aussi un handicap. En effet, comme cela a été dit tout à l’heure, lorsque la personne se retrouvera sans revenu au 1 er janvier, elle ne commencera les démarches qu’à ce moment-là, ce qui entraînera un laps de temps durant lequel elle sera sans allocation. C'est inadmissible. Il faudrait également trouver une solution permettant d’améliorer l’information à destination des citoyens.

Concernant la répartition, vous avez donné un chiffre global, mais nous ne dites pas quel montant aura chaque CPAS, en fonction de quels critères.

Par ailleurs, vous dites que l'emploi est une garantie contre la pauvreté. Évidemment! Je peux vous rejoindre sur cette idée, mais dans quelles conditions? On en a parlé lors des débats précédents avec M. Clarinval. Quand on voit aujourd'hui la réforme du marché du travail dans laquelle on va privilégier les flexi-jobs et annualiser le temps de travail, comment voulez-vous que les gens retrouvent un travail stable et s'épanouissent?

On stigmatise systématiquement la gauche, surtout le Parti Socialiste, en disant que nous sommes le parti des fainéants. Mais non! Nous avons aussi envie que les gens retrouvent du travail, mais du travail dans de bonnes conditions. Pour cela il faut leur donner un bon salaire, et des heures normales. Trouvez-vous normal qu'aujourd'hui, dans une zone de police mono-communale, des policiers doivent trouver un flexi-job pour clôturer la fin du mois? Ce n'est quand même pas normal, et vous n'en disconviendrez pas.

On n'a pas parlé non plus des personnes âgées de plus de 55 ans. Que vont faire les femmes, principalement? Elles vont se retrouver sur le carreau. Je ne vais pas reprendre l'exemple de Cora. Ces femmes-là qui aujourd'hui ont un complément de chômage ne l'auront plus non plus. C'est là que vous touchez à la classe moyenne aussi. Cela signifie que si mon époux travaille et que je travaillais chez Cora, sans avoir un temps plein, je n'ai plus le droit à une allocation. Cela signifie qu'aujourd'hui, d'autres publics cibles vont également frapper à la porte du CPAS, et notamment la classe moyenne.

Jeroen Van Lysebettens:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoorden. Die antwoorden bieden veel informatie en stof tot nadenken. Ik kijk ernaar uit om dat hier in de toekomst verder te bespreken wanneer er wetsvoorstellen worden ingediend. Het is positief dat u duidelijk stelt dat budgetoverschrijdingen door de federale overheid zullen worden bijgepast en niet door de lokale besturen. U zegt echter ook dat de beste bescherming tegen armoede werk is en daar schuilt precies de denkfout van de regering. De beste bescherming tegen armoede is niet werk, maar een inkomen. Dat zeg ik niet zelf, dat stelt de FOD Sociale Zekerheid, eergisteren in De Tijd . Het inkomen van veel mensen wordt echter door de regering afgenomen, zonder de garantie dat ze een vervangingsinkomen zullen krijgen. In de ideale wereld zouden al die mensen aan de slag kunnen. Tegelijkertijd zijn het precies die mensen waarop de VDAB, Actiris en de Forem al jaren inzetten. Nu wordt van de OCMW's gevraagd om die mensen te activeren. De OCMW's zullen daar ook financieel op worden gestuurd, terwijl zij slechts in beperkte mate over de benodigde expertise beschikken. De werkdruk op de OCMW's neemt toe. U stelt zelf dat er veel vacatures openstaan. Ik merk daarbij op dat die vacatures niet worden ingevuld. Waarschijnlijk zal het op korte termijn erg moeilijk zijn om die in te vullen. Ik ben blij dat u in een taskforce voorziet, maar ik vraag me af waarom minister Vandenbroucke als minister van Sociale Zaken daar niet bij is betrokken. Het zal noodzakelijk zijn dat er op korte termijn veel gebeurt om het ergste te voorkomen. Het is van belang dat de OCMW's zo snel mogelijk gedetailleerd worden geïnformeerd over de financiering en het aantal mensen dat specifiek op hen afkomt. Zoals mevrouw Lanjri aangeeft, zijn er een aantal groepen die zeer moeilijk te activeren zullen zijn. Een plan om daarmee aan de slag te gaan ontbreekt vooralsnog, maar is absoluut noodzakelijk.

De toekomst van het MIRIAM-project bij de OCMW's
De stopzetting van het MIRIAM-project
De toekomst en stopzetting van het MIRIAM-project bij OCMW's

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt wijst de vraag over de stopzetting van federale financiering voor MIRIAM—een succesvol begeleidingsproject voor kwetsbare eenoudergezinnen—door naar minister Vandenbroucke (Armoedebestrijding), omdat het niet onder haar bevoegdheid valt. Pirson kaart aan dat het project wetenschappelijk bewezen positieve effecten heeft, maar dreigt te verdwijnen door een ongefundeerd budgettair besluit en een onbetaalbaar overdrachtsrisico naar de gewesten, zonder alternatief voor deze kwetsbare groep. De discussie onthult een bevoegdheidsvacuüm en gebrek aan zekerheid over de toekomst van sociaal waardevolle initiatieven. Geen concreet antwoord of oplossing wordt geboden.

Anne Pirson:

Madame la ministre, depuis 2015, le projet MIRIAM constitue une innovation sociale majeure en matière d’accompagnement des femmes monoparentales en situation de précarité. Ce projet a permis, dans de nombreux CPAS partout en Belgique, de développer un suivi intensif et volontaire de ces femmes, en rupture avec les pratiques classiques centrées sur le contrôle et les obligations contractuelles.

Plusieurs évaluations scientifiques ont démontré l’impact significatif de ce projet, tant sur l’émancipation et l’inclusion sociale que sur l’accès à l’emploi ou à la formation pour les participantes. De plus, peu de dispositifs spécifiques destinés à ces publics existent.

Nous avons appris votre volonté de mettre fin au financement fédéral du projet MIRIAM et de transférer sa responsabilité vers les entités fédérées. Or, dans le contexte budgétaire particulièrement tendu que connaissent aujourd’hui les Régions et Communautés, ce transfert, qui devrait s’opérer sans compensation financière, pose de vraies questions de faisabilité.

Confirmez-vous votre intention de supprimer le financement fédéral du projet MIRIAM et de transférer cette compétence aux Régions au nom du principe des compétences usurpées? Sur quelle base d’évaluation repose cette décision, alors que les rapports scientifiques pointent les effets positifs du projet, tant pour les participantes que pour les CPAS eux-mêmes? Au vu des effets potentiels d’un tel transfert, pouvez-vous nous en dire plus sur ce que vous comptez mettre en place pour répondre aux parents isolés, un groupe particulièrement vulnérable au sein des CPAS? Plus largement, comment éviter que des projets à forte valeur ajoutée sociale, comme MIRIAM, ne soient fragilisés par des arbitrages budgétaires qui ne tiennent pas toujours compte des impacts humains à long terme?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Pirson, je suis désolée, parce que vous avez une longue question, mais la poursuite du programme MIRIAM relève de la compétence du ministre en charge de la Lutte contre la pauvreté, c'est mon collègue Vandenbroucke, donc je ne puis que vous inviter à vous adresser directement à lui pour plus d'informations.

Anne Pirson:

Merci pour la précision. Désolée, je ne sais pas comment cette question est arrivée au mauvais endroit. Voorzitter: Wouter Raskin. Président: Wouter Raskin.

De audit van het OCMW van Anderlecht
De audit van de POD Maatschappelijke Integratie over het OCMW van Anderlecht
Controle van het OCMW Anderlecht door auditdiensten

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De audit van POD MI onthult zware structurele tekortkomingen bij OCMW Anderlecht: ontbrekende procedures, fraude met fictieve data, gebrek aan toezicht, overbelaste maatschappelijk werkers en onterechte uitkeringen, wat 18.000 kwetsbare cliënten en het vertrouwen in het sociale systeem ondermijnt. Minister Van Bossuyt bevestigt drastische maatregelen (extra controles, samenwerking met justitie, uitbreiding inspectieteam) en dringt aan op versnelde gewestelijke audits (nu bij GGC, maar te traag) naar Vlaams model, maar benadrukt dat herstel jarenwerk vraagt en samenhangend optreden met Brussel en Wallonië essentieel is. Parlementsleden Samyn en Raskin eisen snelle, transparante opvolging van de auditbevindingen—met duidelijke deadlines—en een breed preventief onderzoek naar andere OCMW’s om herhaling te voorkomen, terwijl het gerechtelijk onderzoek (arbeidsauditoraat) en politieke verantwoordelijkheid (cliëntelisme, wanbeheer) centraal staan. De crisis in Anderlecht dient als waarschuwing voor het hele land, met vertrouwenherstel en betere dienstverlening als absolute prioriteit.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, uit een recent gepubliceerde audit van de POD MI over het OCMW van Anderlecht blijkt dat er ernstige tekortkomingen zijn in de werking. Interne procedures ontbreken of zijn verouderd. Maatschappelijk werkers worden onvoldoende begeleid. Dossiers worden niet of gebrekkig opgevolgd. Fictieve data zouden zelfs worden gebruikt om wettelijke termijnen te omzeilen.

Hoewel het OCMW maatregelen aankondigt en de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest oproept om in te grijpen, blijft de situatie bijzonder zorgwekkend, zeker in een gemeente waar 18.000 mensen afhankelijk zijn van het OCMW.

Mevrouw de minister, ik heb een aantal vragen voor u. Hoe beoordeelt u de huidige situatie in Anderlecht in het licht van goed bestuur en een correcte besteding van federale middelen? Acht u het aangewezen dat er bijkomende federale controlemechanismen komen om herhaling elders te voorkomen? U stelde zich enkele maanden geleden burgerlijke partij in het onderzoek naar mogelijke fraude bij het OCMW van Anderlecht. Wat is daar de stand van zaken en overweegt u naar aanleiding van de audit van de POD MI bijkomende stappen? En ten slotte, hoe garandeert u dat kwetsbare burgers in Anderlecht ondanks deze problemen de steun krijgen waarop ze recht hebben?

Wouter Raskin:

Indien er geen bezwaar is, sluit ik hier vanop deze stoel aan. (Instemming)

Ik verwijs naar dezelfde audit van de POD MI, die bevestigt wat wij eigenlijk al langer wisten, namelijk dat er bij het OCMW van Anderlecht heel wat misloopt.

Dat gaat van verouderde tot onbestaande procedures, slechte begeleiding van maatschappelijke assistenten en gebrekkige controle op de besteding van de middelen – en dan blijf ik nog beleefd door mij daartoe te beperken. Eén vraag, welk gevolg hebt u al gegeven of zult u nog geven aan de ernstige tekortkomingen die daarin naar voren komen?

Alvast dank voor uw antwoord.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Raskin, mevrouw Samyn, de opvolging van het OCMW van Anderlecht blijft een absolute prioriteit. Specifiek voor dit OCMW zijn binnen mijn bevoegdheidsdomein al verschillende maatregelen genomen.

De inspectiedienst van de POD MI heeft bijkomende inspecties van sociale dossiers uitgevoerd, die een aantal tekortkomingen bevestigen die in de VRT-reportage aan het licht werden gebracht. Er werden controles uitgevoerd op de sociale dossiers van het Sociaal Gas- en Elektriciteitsfonds en op het gebruik van de begeleidingssubsidie voor mensen onder tijdelijke bescherming. In maart werd bovendien een audit uitgevoerd op de interne processen met betrekking tot subsidies van de federale overheid. Ook deze audit bracht tekortkomingen aan het licht, zoals een gebrek aan transparantie bij aanvragen en slordigheden in de verwerking van dossiers van eerste aanvragers. Daarnaast worden de wettelijke termijnen niet altijd gerespecteerd. De continuïteit van de dienstverlening is niet gewaarborgd door de afwezigheid van maatschappelijk werkers en er bestaat geen overzicht van het aantal dossiers dat elke maatschappelijk werker beheert, waardoor een gelijkmatige verdeling van de werklast ontbreekt.

De auditors constateerden eveneens een gebrek aan interne controle en toezicht, waardoor fouten worden gemaakt bij de verwerking van dossiers. Er is een tekort aan leidinggevenden die toezicht houden op de maatschappelijk werkers, die bovendien gebukt gaan onder een enorme werklast. De maatschappelijke werkers beschikken niet over de middelen die nodig zijn voor een goed dossierbeheer en voor het delen van kennis.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Naast deze risico's rond het interne beheer, constateerden de auditeurs ook een gebrek aan opvolging van waarschuwingen, herinneringen, mutaties en knipperlichten, waardoor begunstigden mogelijk onterecht worden betaald. Met andere woorden, het OCMW in Anderlecht functioneert niet. De POD Maatschappelijke Integratie benadrukte dat het OCMW moet werken aan betere interne procedures, het beheren van de werkdruk door het aantal dossiers per maatschappelijk werker in de gaten te houden, hun betere ondersteuning te bieden in de aanloop naar het bijzonder comité en te zorgen voor continuïteit van de dienstverlening met tijdschema's en een beter zicht op aanvragen. Dit moet gepaard gaan met een grotere betrokkenheid van het management bij de taken van de maatschappelijk werkers.

Er werd aangedrongen op onmiddellijke, corrigerende maatregelen door het OCMW. De POD MI volgt het OCMW intensief op, maar handelt uiteraard binnen de eigen beperkte bevoegdheden. We kunnen de bevindingen van de parlementaire werkgroep, die na meer dan 60 uur aan intensieve getuigenissen spreekt over politiek cliëntelisme en fraude, niet negeren.

Ik heb minister-president Rudi Vervoort, als voorzitter van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), die toezicht houdt op de Brusselse OCMW's, gewezen op de vaststellingen van de inspecties, de audits en de parlementaire werkgroep. Ik heb hem verzocht om passende maatregelen te nemen ten aanzien van het OCMW van Anderlecht.

Na overleg tussen onze kabinetten blijkt dat de GGC nu zelf een audit heeft besteld bij een extern bureau. Ik heb vernomen dat die audit één jaar zou lopen. Dat vind ik bijzonder lang. Ik twijfel niet aan de capaciteiten van het bureau in kwestie, maar zij hebben niet het mandaat om verregaande onderzoeksdaden te stellen, zoals het uitlezen van mailboxen. Ik pleit er dan ook voor dat in Brussel, maar ook in Wallonië, de gewestelijke auditinstanties hun activiteiten eveneens kunnen toespitsen op de lokale besturen en met verregaande onderzoeksmogelijkheden, net zoals Audit Vlaanderen dat kan in Vlaanderen.

De voorzitter van de parlementaire werkgroep, de heer Ducarme, heeft het parket ingelicht over uw bevindingen. Ik heb mij onmiddellijk burgerlijke partij gesteld, mocht het tot een gerechtelijk onderzoek komen. Mijn kabinet nam onlangs contact op met het parket, omdat onze brieven daarover onbeantwoord bleven.

Men kan zich slechts burgerlijke partij stellen als er daadwerkelijk een onderzoek loopt. De procureur van Brussel, Julien Moinil, liet daarop weten dat het dossier inmiddels bij het arbeidsauditoraat zit. We hebben met de procureur zelf contact opgenomen, die onmiddellijk antwoordde en meldde dat het dossier is overgedragen aan het arbeidsauditoraat.

Zoals u weet, ga ik aan de slag met de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep en zal ik de controle- en sanctieketen versterken, onder meer door vroegtijdige waarschuwingsmechanismen te ontwikkelen. Ik heb ook voorgesteld om het inspectieteam uit te breiden in de begroting van 2026, die momenteel in opmaak is. Er zijn contacten gelegd met de federale audit- en controleorganen – in het bijzonder de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) –, maar ook met regionale instanties zoals de GGC en Audit Vlaanderen, om synergiën tussen de verschillende diensten te ontwikkelen. De samenwerkingen zijn erop gericht de informatie-uitwisseling tussen de diensten te versterken, zodat er sneller kan worden geschakeld bij signalen.

Mevrouw Samyn, in antwoord op uw vraag over de toegang tot maatschappelijke dienstverlening voor kwetsbare groepen in de gemeente Anderlecht, wijs ik erop dat de gegevens van maart 2025 aangeven dat 5.875 personen recht hebben op maatschappelijke integratie. Onder hen ontvangen 5.407 personen een leefloon en 1.777 personen maatschappelijke hulp van het OCMW van Anderlecht. Die gegevens vindt u ook online terug op de Barometer voor Maatschappelijke Integratie.

Die gegevens zijn ook online terug te vinden op de Barometer voor Maatschappelijke Integratie. Er worden ook initiatieven genomen voor de aanwerving en opleiding van maatschappelijke werkers en dat volgen we uiteraard van nabij op.

De situatie binnen het OCMW van Anderlecht kan niet langer voortduren, noch voor de aanvragers die steun nodig hebben van het OCMW, noch voor de maatschappelijk werkers die werken in een boot zonder kapitein aan boord, noch voor de subsidiërende overheden, zoals de federale overheid, die een gebrek aan opvolging van dossiers vaststelt, met betalingen van nutteloze subsidies aan het OCMW tot gevolg, die tijdens een controle achteraf door de inspectie moeten worden gerecupereerd.

Met zijn wanbeheer brengt het OCMW van Anderlecht bovendien alle OCMW's in diskrediet en heeft het het gebrek aan vertrouwen van onze burgers in de overheid vergroot. Daarom wil ik streng optreden en samen met andere bevoegde overheden de nodige maatregelen nemen, zodat de interne tekortkomingen, waarvan sommige nauw verband houden met de gewestelijke bevoegdheden, onmiddellijk kunnen worden gecorrigeerd.

Ik sta uiteraard tot uw beschikking voor een regelmatige opvolging van het dossier.

Wouter Raskin:

U hebt veel zaken aangegeven waarmee ik het eens ben. Ik ga die niet allemaal overlopen en bevestigen. Hoe schandelijk en pijnlijk is echter de conclusie van de audit van de POD MI dat het OCMW van Anderlecht niet functioneert? Ik zou mijn gezicht niet meer durven laten zien op straat. Het is een pure schande dat dat de conclusie moet zijn.

U koppelt daar uw eigen conclusie aan, namelijk dat de opvolging van het OCMW van Anderlecht prioritair blijft. Ik ben blij dat u dat zegt. Dat zal grondig moeten gebeuren. We hebben allemaal geleerd tijdens de vele uren hoorzitting dat het daar grondig en structureel fout zit en dat lost men natuurlijk niet in één, twee, drie op.

Ik ben verheugd te horen dat de GGC nu zelf ook een audit gaat uitvoeren. Ik ben echter even verbaasd als u dat die een jaar moet duren. Wat daarachter zit, is mij niet helemaal duidelijk.

U houdt een terecht pleidooi – ik heb enige ervaring, ook met het lezen van auditverslagen van Audit Vlaanderen – ten aanzien van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Wallonië om de werkwijze van Audit Vlaanderen over te nemen, want dat is echt top en vakwerk.

Ik ben vooral blij voor alle cliënten die door de gebrekkige werking zijn benadeeld en voor de maatschappelijke assistenten die moesten functioneren op een toxische werkvloer. Het is dan ook positief dat het parket bevestigt dat er nu een onderzoek bij het arbeidsauditoraat loopt. Ik hoop dat gerechtigheid zal geschieden. Er zijn mensen die een serieuze straf of een blaam verdienen.

Verder zal ik opvolgen in welke mate u de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep opvolgt.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw zeer duidelijke en volledige antwoord.

We zijn bijna een jaar na de onwaarschijnlijke reportage van Pano en de audit naar het OCMW van Anderlecht onthult opnieuw welke bijzondere en ernstige problemen er bestaan in Anderlecht. We spraken eerder over een gebrek aan interne controle, onvoldoende transparantie en fouten bij de toekenning van steun. Dat ondermijnt niet alleen het vertrouwen in dat OCMW, maar ook in het hele sociale vangnet. U wees daar in uw antwoord ook op. Het is daarom essentieel dat de aanbevelingen uit de audit niet in een lade verdwijnen, maar daadwerkelijk worden opgevolgd met duidelijke termijnen. Ik reken op uw engagement.

Ik hoop tevens dat bij andere OCMW's preventief wordt nagegaan of soortgelijke tekortkomingen bestaan. De audit mag geen op zichzelf staand geval blijven, maar moet een wake-upcall zijn om overal transparantie en correcte procedures af te dwingen. Het is positief dat u aandringt op audits in Wallonië en Brussel, zoals in Vlaanderen. Ik deel uw mening. Het is goed dat we op regelmatige basis overleggen over de toestand bij het OCMW van Anderlecht. Net zoals de heer Raskin en uzelf vind ik het onwaarschijnlijk dat een audit een jaar moet duren. Beter een audit dan geen audit natuurlijk. Hopelijk wordt er ook echt iets gedaan met onze aanbevelingen vanuit dit Parlement. Ik reken erop dat we hier op regelmatige basis over kunnen blijven overleggen.

Voorzitter:

Madame la ministre, si vous êtes d'accord, je propose que votre réponse soit transmise à l'ensemble des membres du groupe de travail.

De OCMW-medewerker die tijdens de uitoefening van zijn werk met geweld om het leven werd gebracht
Meer veiligheid voor maatschappelijk werkers
Veiligheid en bescherming van maatschappelijk werkers tegen geweld

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na de moord op een 56-jarige OCMW-maatschappelijk werker in Gent tijdens een huisbezoek eisen parlementsleden structurele federale maatregelen om geweld tegen hulpverleners te bestrijden, met name in probleemwijken waar agressie vaker voorkomt. Minister Van Bossuyt benadrukt dat veiligheid lokaal wordt geregeld (bv. noodknoppen, bezoeken met twee, registratie van locaties), maar bevestigt nultolerantie en steun voor lokale initiatieven via kennisdeling en inspecties—zonder centrale federale cijfers over incidenten. Kritiekpunten zijn het ontbreken van een nationaal actieplan, gebrek aan gecentraliseerde data over agressie, en de dringende nood aan betere preventie (bv. beveiliging, psychologische ondersteuning) om hulpverleners in kwetsbare wijken te beschermen, terwijl het regeerakkoord te vaag blijft in uitvoering.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In Gent werd woensdagavond een 56-jarige maatschappelijk werker van het OCMW dood teruggevonden in een sociaal appartement in de wijk Nieuw Gent, na een huisbezoek aan een 38-jarige bewoner. De vermoedelijke dader werd later opgepakt in de binnenstad.

Dit is helaas niet het eerste incident van geweld tegen OCMW-medewerkers. Midden maart ondervroeg ik u nog over agressie tegen OCMW-medewerkers in onder meer Molenbeek. Toen stelde u dat agressie tegen OCMW-medewerkers tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort en dat meldingen niet aan uw administratie dienen te worden overgemaakt. U voegde er wel aan toe dat de regering de problematiek ernstig neemt en in het regeerakkoord maatregelen heeft opgenomen om de veiligheid van overheidspersoneel en maatschappelijke werkers te versterken.

Graag verneem ik van de minister:

Hoe reageert u op dit tragische incident in Gent, en welke concrete federale initiatieven ziet u mogelijk om geweld tegen OCMW-medewerkers en andere maatschappelijke hulpverleners – waar ook in dit land – te voorkomen?

Nieuw Gent is één van de vele probleemwijken die door immigratie zijn verworden tot no go-zones voor hulpverleners, net zoals Anderlecht of de Noordwijk in Brussel. Zal er een speciale aanpak worden voorzien voor probleemwijken?

Bestaan er op federaal niveau cijfers of een overzicht van geweldincidenten tegen maatschappelijk werkers, en zo niet, welke stappen zal u ondernemen om die te verzamelen en te centraliseren?

Wordt er nagedacht om -in overleg met de gewesten en gemeenschappen- te komen tot een nationaal actieplan ter bescherming van hulpverleners, zodat slachtoffers van agressie niet louter afhankelijk zijn van lokale veiligheidsafspraken?

Hoe garandeert u dat de maatregelen uit het regeerakkoord -waarnaar u eerder verwees- ook daadwerkelijk en uniform in de praktijk worden toegepast?

Anne Pirson:

Madame la ministre, le décès tragique d’un assistant social du CPAS de Gand, agressé lors d’une visite à domicile, a profondément ébranlé la profession. Cet événement dramatique s’ajoute malheureusement à d’autres agressions récentes survenues dans la capitale et ailleurs, et rappelle la vulnérabilité de ces femmes et de ces hommes qui sont en première ligne auprès des plus fragiles.

Si la grande majorité des visites et enquêtes sociales se déroulent sans incident, ce drame met en évidence des conditions de travail tendues en certains endroits: surcharge de dossiers, situations de détresse extrême, manque de soutien psychologique et de protocoles clairs de sécurité. À cela s’ajoute un problème de manque d’attractivité croissant: la fonction d’assistant social au CPAS souffre de recrutements difficiles, d’un taux élevé de burn-out et d’un déficit de reconnaissance.

Dans ce contexte, quelles mesures le gouvernement envisage-t-il afin de renforcer la sécurité des assistants sociaux, en particulier lors des visites à domicile, et ce en collaboration avec le ministre de l’Intérieur et les autorités locales?

Une concertation est-elle prévue avec les CPAS et les organisations représentatives du personnel afin d’élaborer un plan fédéral de prévention des violences à l’encontre des travailleurs sociaux et de renforcer l’attractivité de la fonction?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, mevrouw Pirson, het tragische overlijden van een maatschappelijk werker in Nieuw Gent heeft mij diep geraakt; niet alleen omdat het in mijn eigen stad is gebeurd, dus heel dichtbij, maar ook in het algemeen. Mijn gedachten gaan uit naar de familie, de collega’s en het OCMW-team van Gent, dat ik ook meteen heb aangeschreven om hen veel steun te betuigen.

Ik kan me voorstellen dat, wanneer een van uw collega’s vertrekt voor een huisbezoek en niet terugkeert, dit een enorme impact heeft op alle maatschappelijk werkers. Dit herinnert ons eraan hoe kwetsbaar maatschappelijk werkers soms zijn, terwijl zij onmisbaar werk verrichten voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Dat maakt het misschien nog des te tragischer.

Het personeelsbeleid en de veiligheidsprotocollen behoren tot de lokale en gemeenschapsbevoegdheden, net zoals het registreren van geweldincidenten tegen maatschappelijk werkers. Op federaal niveau worden deze cijfers niet centraal bijgehouden. Elk incident is er een te veel en ik ondersteun vanzelfsprekend de initiatieven van de bevoegde instanties ter zake.

Binnen mijn bevoegdheid voeren onze inspecteurs bij de OCMW’s procesanalyses uit, waarbij ook het onthaalbeheer aan bod komt. Zij bespreken de moeilijkheden, geven advies en stimuleren de uitwisseling van goede praktijken. De doeltreffendste aanpak gebeurt lokaal, in nauwe samenwerking met OCMW-verenigingen en partners. Vanuit mijn bevoegdheid ondersteun ik dergelijke initiatieven en help ik mee succesvolle praktijken breder uit te rollen.

Des mesures de prévention peuvent être prises au niveau des équipes, telles que la présence de personnel de sécurité lors des permanences, la possibilité d'effectuer des visites à domicile à deux ou accompagné d'un responsable, la mise à disposition de téléphones de service pour les assistants sociaux ou encore la tenue d'un registre permettant de savoir où se trouvent les assistants sociaux lorsqu'ils effectuent une visite à domicile.

Daarenboven nemen OCMW's ook het initiatief om hun maatschappelijk werkers uit te rusten met een uurwerk met noodknop wanneer zij op huisbezoek gaan.

De omzendbrief van 14 maart 2014 betreffende de minimumvoorwaarden voor het sociaal onderzoek bepaalt dat wanneer de veiligheid van de maatschappelijk werker niet kan worden gegarandeerd, de maatschappelijk werker in zijn sociaal verslag kan rechtvaardigen waarom het bezoek niet kon plaatsvinden. Sommige OCMW's hebben ook een mechanisme opgezet om met moeilijke situaties om te gaan, zoals supervisie en regelmatig contact met vertrouwenspersonen binnen de instelling.

Il est en effet prévu dans l'accord de gouvernement qu'une agression à l'égard de membres du personnel des services publics est inacceptable et doit être poursuivie.

La tolérance zéro à l'égard de la violence envers les aidants doit en être le principe directeur. Toute personne qui s'engage pour l'intérêt général doit pouvoir exercer son travail en toute sécurité et dans le respect.

Dans mon rôle fédéral, je continuerai à contribuer là où cela est possible. Merci.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het drama in Gent, waarbij een maatschappelijk werker tijdens de uitoefening van zijn job met geweld om het leven werd gebracht, heeft ons allemaal diep geschokt. Zoiets is onaanvaardbaar. Die mensen staan elke dag in de frontlinie van onze sociale dienstverlening, vaak in moeilijke omstandigheden en in probleemwijken. Zij verdienen dan ook ons respect en onze bescherming.

U verwees naar maatregelen in het regeerakkoord, maar de realiteit leert ons dat er dringend meer nodig is. We moeten niet alleen zorgen voor betere preventie en veiligheidsafspraken, maar ook voor een duidelijke registratie, in samenwerking met de regio's, van agressie-incidenten, zodat we de omvang van het probleem in kaart kunnen brengen en structureel kunnen aanpakken.

Daarnaast lijkt het me belangrijk dat er een actieplan komt, opnieuw in overleg met de gewesten en de gemeenschappen, om hulpverleners te beschermen. U had het over een noodknop, wat ik een goed initiatief vind. Of het nu in Gent, Anderlecht of elders gebeurt, we moeten de veiligheid van maatschappelijk werkers overal kunnen waarborgen en ervoor zorgen dat zij niet worden aangevallen.

Anne Pirson:

Merci madame la ministre pour vos réponses. Je pense effectivement que cet événement à Gand a créé un choc dans la profession. J'ai entendu ce qui figurait dans les plans de prévention.

Je pense qu'il est très important de prendre d'autres mesures. On sait que dans les mois à venir, les assistants sociaux seront sans doute plus sous tension que jamais. Il y a le problème des visites domiciliaires, puis il y a la sécurité à l'intérieur des CPAS. Elle n'est pas non plus toujours optimale et il ne faut pas perdre cela de vue.

Je pense que centraliser les chiffres concernant les différents incidents est aussi capital pour avoir une meilleure vision et pour pouvoir prendre les mesures adéquates quant à la tolérance zéro reprise dans l'accord de gouvernement. On ne peut évidemment que se féliciter de cette volonté. On doit pouvoir mettre tous les moyens en place pour y arriver ainsi que communiquer sur l'intransigeance à l'égard des violences envers les assistants sociaux.

Voorzitter:

Tout à fait.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lanjri had gevraagd of het mogelijk was om onze samengevoegde vragen, nrs. 56007338C en 56008633, om te zetten in schriftelijke vragen. (Instemming)

Voorzitter:

La question n° 56007722C de M. Legasse est reportée.

De OCMW's en de verlaging van de middelen van het Gas- en Elektriciteitsfonds voor 2025

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kaart aan dat het Fonds Gaz en Elektriciteit in 2025 6 miljoen € minder krijgt voor Brussel—terwijl energiefacturen structureel hoger blijven—en waarschuwt voor verzwakte CPAS-steun door schrapping van subsidies (REDI, PAS) en de chomagehervorming 2026, die meer armen naar de CPAS zal drijven. Minister Van Bossuyt benadrukt dat de basisbedragen geïndexeerd blijven (72,4 mln € in 2025) maar dat extra federale middelen (zoals 20 mln € in 2024) wegvallen, omdat regio’s complementaire hulp moeten regelen—wat Schlitz regionalisering onder mom noemt, zonder zekerheid dat regio’s het gat dichten. Kernpunt: dreigende energiearmoede door bezuinigingen terwijl de nood stijgt, met onduidelijke opvang door regio’s.

Sarah Schlitz:

Pour l'efficacité de nos travaux, je m'en réfère au texte de ma question.

Madame la Ministre, le Fonds Gaz et Electricité, créé en 2002, est un outil indispensable pour lutter contre la précarité énergétique. Il permet aux CPAS de financer du personnel, d’intervenir pour apurer des factures ou développer des actions de prévention. Ces dernières années, grâce à des moyens exceptionnels, ce Fonds a permis d’éviter à des milliers de familles de se retrouver dans le noir ou dans le froid.

Or, les montants pour 2025 marquent un recul brutal: rien qu’à Bruxelles, les CPAS perdent près de 6 millions € par rapport à 2024. Alors que les factures d’énergie restent structurellement plus élevées qu’avant la crise : un ménage médian bruxellois paie en moyenne 654 € de plus par an qu’en 2021 pour son gaz et son électricité.

Cette diminution des moyens s’ajoute à d’autres signaux inquiétants. Depuis le début de l’année, le subside REDI n’est plus disponible. Et demain, le Plan d’Activation Sociale subira lui aussi un définancement. Les CPAS, déjà fragilisés, voient ainsi se multiplier les coupes dans les leviers qui leur permettaient de soutenir efficacement les ménages les plus précarisés.

Par ailleurs, la réforme du chômage qui entrera en vigueur en 2026 aura des effets mécaniques sur la pauvreté : des personnes exclues du chômage viendront frapper à la porte des CPAS, avec des situations d’endettement accrues, notamment pour payer leurs factures d’énergie.

Dans ce contexte, la Fédération des CPAS bruxellois plaide pour un refinancement structurel du Fonds Gaz et Electricité dès 2026. Car garantir l’accès à l’énergie n’est pas seulement une réponse sociale, c’est aussi une question de santé publique et de justice climatique: sans soutien, ce sont les ménages les plus fragiles qui resteront enfermés dans des logements mal isolés, exposés au froid et aux dettes.

Madame la Ministre, pourquoi cette baisse en 2025, alors que la demande reste élevée et que les prix demeurent supérieurs à ceux d’avant-crise?

Quelles solutions envisagez-vous pour compenser la disparition du subside REDI et le définancement annoncé du PAS, deux leviers essentiels pour l’action sociale des CPAS ?

Vous engagez-vous à garantir, dès 2026, un refinancement structurel du Fonds Gaz-Electricité, tenant compte de l’urgence sociale et de la nécessaire transition énergétique?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Schlitz, les moyens du Fonds gaz et électricité sont prévus dans la loi du 4 septembre 2002 qui mentionne que les moyens sont prélevés sur les fonds prévus à l'article 21 de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité et à l'article 15/11 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations. Le montant de base pour l'électricité est 24 789 350 euros, et pour le gaz de 17 848 333 euros. Ce montant est indexé chaque année, sauf entre 2012 et 2018 mais le montant a été récupéré en 2020. En 2024, le montant du Fonds indexé est de 70 132 354 euros. En 2025, le montant du Fonds indexé est de 72 374 151 euros. À ces montants sont ajoutés les montants non utilisés par les CPAS l'année précédente et les récupérations faites les années antérieures par l'Inspection.

À côté de ces montants de base, les gouvernements précédents ont injecté un financement supplémentaire. Suite à l'après-covid et au début de la crise énergétique, 16 millions d'euros ont été ajoutés en 2022 et 20 millions d'euros en 2024. Le Fonds gaz et électricité n'a donc pas diminué puisque les montants de base ont été indexés. Toutefois, le gouvernement fédéral n'ajoutera pas de montant supplémentaire à l'allocation de base en 2025, étant donné qu'il revient aux Régions d'octroyer une aide sociale complémentaire.

Les compétences fédérales se limitent donc à la définition des droits fondamentaux en matière d'aide sociale. Il s'agit de droits minimaux qui ne peuvent varier d'une Communauté à l'autre. Les autres domaines relèvent de la compétence des Communautés.

En ce qui concerne l'outil REDI, il s'agissait d'une subvention temporaire accordée par le gouvernement précédent pour les années 2023 et 2024, dans le cadre de l'octroi d'un soutien complémentaire. Les CPAS sont actuellement libres d'utiliser cet outil. J'ai reçu entre-temps une étude d'évaluation que mon cabinet se charge actuellement d'analyser.

En ce qui concerne la subvention pour la participation et l'activation sociale (PAS), l'Inspection des finances a explicitement jugé que la subvention PAS revêtait un caractère usurpatoire. Cette appréciation s'appuie sur les critères de compétences appliqués tant par la Cour constitutionnelle que par le Conseil d'État.

Sarah Schlitz:

Merci, madame la ministre, pour cette réponse complète.

En effet, vos prédécesseurs avaient décidé d'accorder des montants supplémentaires pour le Fonds gaz et électricité en raison de l'augmentation de la précarité énergétique et de l'augmentation des factures. Aujourd'hui, ce soutien n'est plus là. Cela veut dire que techniquement, les CPAS ont moins de ressources pour soutenir des familles qui en ont besoin, dans une période critique où ils seraient censés augmenter leurs capacités et leurs effectifs, notamment humains, pour pouvoir faire face à l'exclusion des chômeurs au 1 er janvier.

Vous nous parlez du caractère usurpatoire des subventions PAS. Pourriez-vous nous transmettre l'avis de l'Inspection des finances à ce sujet? (Oui)

Ce que je remarque, c'est que systématiquement, vous allez supprimer des subventions qui aujourd'hui permettent de soutenir les CPAS en disant que ce sont les Régions et les Communautés qui n'ont qu'à les assumer. Ce sont de nouveau des régionalisations déguisées, des transferts de financements qui sont déguisés dans ces politiques. Donc aujourd'hui, vous demandez aux Régions et aux Communautés d'assumer à votre place. Ou alors, cela signifie que les personnes qui ont besoin d'être aidées ne le seront plus.

Les Communautés et les Régions ont-elles pu prendre le relais pour pallier ces diminutions ou bien va-t-on simplement couper, avec moins de soutien alors que nous approchons de l'hiver et que des familles ont du mal à se chauffer? Ce sera encore plus vrai puisque certaines personnes vont perdre des revenus, vu l'exclusion du chômage.

En tout cas, merci pour vos réponses.

Voorzitter:

Nous vous remercions pour la transmission du document, madame la ministre. Mme Meunier a demandé la report de ses questions n° 56007957C et n° 56008598C. Mme Samyn transforme sa question n° 56008477C en question écrite.

De middelen voor de politie in de strijd tegen de drugshandel in Brussel
De taalproblematiek bij de Brusselse politie in het kader van de fusie van de zes politiezones
Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De drugscriminaliteit in Antwerpen
De federale dotatie voor de politiezones
De inzet van het leger in de strijd tegen het geweld in de hoofdstad
De inzet van militairen op straat in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De gewelddadige moord en het escalerende geweld in Oostende
De plannen van de regering om in een aantal grote steden militairen in te zetten op straat
De fusie van de politiezones in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
Het geweld aan de kust
De inzet van militairen in Brussel (2/2)
Het drugsgeweld in Brussel
De aanstelling van verbindingsagenten in het buitenland in de strijd tegen de drugshandel
Het 'Plan Grote Steden' en de strijd tegen de drugshandel
Het drugsfonds
De Turkse maffia
De bedreigingen aan het adres van magistraten
De drugsproblematiek over de landsgrenzen heen
De whole-of-government-aanpak
Het Kanaalplan
Gemengde brigades van militairen en politieagenten
De fusie van de Brusselse politiezones
De inzet van Defensie op straat en het 'Grootstedenplan' van de minister
De herziening van het Kanaalplan
Het bezoek van de procureur van Marseille aan Brussel
De KUL-norm
Uitdagingen en maatregelen in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit en geweld in Belgische steden

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draaide voornamelijk om de aanpak van drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad in België, met focus op Brussel, Antwerpen en andere grote steden. Minister Quintin (Binnenlandse Zaken) verdedigde zijn Grootstedenplan (opvolger van het Kanaalplan), met maatregelen zoals militaire steun voor de politie, versterkte politie-inzet, fusie van de Brusselse politiezones, en een nog op te richten DrugsFonds om criminele netwerken financieel te raken. Kritiek kwam vooral op de haastige fusie van politiezones (gebrek aan draagvlak bij burgemeesters en Brulocalis), onduidelijkheid over de rol van militairen (bevoegdheden, timing, juridisch kader), en het ontbreken van structurele middelen voor justitie, politie en preventie. Oppositie en meerderheid benadrukten dat veiligheid alleen kan verbeteren met gecoördineerde actie tussen federale, regionale en lokale overheden, maar twijfelen aan de effectiviteit van de voorgestelde oplossingen.

Voorzitter:

Collega's, welkom.

Ik wil bij aanvang graag een suggestie doen, ook in naam van enkele collega's die me daarover hebben aangesproken. Het onderwerp van een actualiteitsdebat zou meer gespecifieerd moeten zijn. Nu staat er een debat over veiligheid op de agenda, met 31 toegevoegde vragen. Het zou beter zijn om in de toekomst het onderwerp van een actualiteitsdebat meer af te bakenen. Het onderwerp 'veiligheid' is veel te algemeen. U begrijpt dat dit geen gemakkelijke manier van werken is.

Ik herhaal graag dat u niet verplicht bent uw volledige spreektijd te benutten. U kunt ook verwijzen naar de schriftelijke versie van uw vraag.

François De Smet:

Monsieur le président, quasiment toutes les compétences du ministre sont liées à la sécurité, à part peut-être Beliris, et encore. Donc, effectivement, je me retrouve avec des questions qui n'ont pas de lien direct les unes avec les autres, mais soit.

La première question qui concerne le narcotrafic à Bruxelles. Pour cette question-là, je renvoie au texte écrit, d'autant que j'ai eu un échange à ce sujet avec le ministre en séance plénière.

Je tiens tout d’abord à saluer votre volontarisme en termes de lutte contre la violence grandissante générée par le narcotrafic à Bruxelles, votre bilan présenté sous le titre (flatteur) “ 6 mois d’action : Le Ministre Quintin renforce l’autorité de l’Etat et la sécurité des citoyens” sur le site de votre formation politique , met en avant : Le ministre a également intensifié la lutte contre les réseaux criminels qui gangrènent nos quartiers. Des filières ont été démantelées, grâce à un meilleur partage d’informations entre services et à une collaboration renforcée avec la justice”

Le procureur du Roi, Julien Moinil, lors de sa conférence de presse du 13 août dernier, a félicité les services de police pour l’interpellation de pas moins de 7085 suspects (dont 6211 majeurs et 874 mineurs ) interpellés par la police mis à disposition du parquet, et ce depuis janvier 2025 (ce qui représente pas moins du triple d’interpellations durant un laps de temps identique en 2024)

Il n’en demeure pas moins que le Procureur du Roi lors de cette même conférence de presse a fustigé le manque de moyens de la police, et ma question ne portera pas sur la fusion des zones de police à Bruxelles, à propos de laquelle je me suis déjà exprimé avec opposition et je m’exprimerai lors des travaux parlementaires, mais bien sur les moyens mis à disposition en Région bruxelloise pour lutter contre le narcotrafic,

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:

quels résultats concrets a t-il obtenu en termes de démantèlement des filières de narcotrafic depuis janvier 2025?

quels renforcements d’effectifs sont prévus au cours du dernier quadrimestre 2025 pour permettre une densification de la lutte contre le narcotrafic?

si il a rencontré le procureur du Roi suite à cette sortie médiatique ?

En revanche, je vais poser les deux autres questions. La première concerne ce qui peut apparaître comme un marronnier, mais encore plus régulier qu'un marronnier classique, à savoir la fusion des zones de police à Bruxelles, puisque votre avant-projet est toujours en discussion au sein du gouvernement. Néanmoins, nous avons reçu plusieurs signaux entretemps, notamment un signal de la Conférence des bourgmestres et un autre de Brulocalis.

Le moins que l'on puisse dire, c'est que votre plan ne fait pas l'unanimité. En effet, il a été rejeté à l'unanimité le 27 août dernier par la Conférence des bourgmestres – donc les bourgmestres, MR et Engagés inclus, j'imagine – et qu'il a fait l'objet d'un avis particulièrement négatif de Brulocalis la veille, le 26 août. Brulocalis évoque un déficit significatif de financement structurel par l'autorité fédérale de la future zone de police unifiée, en l'absence aujourd'hui de révision de la fameuse norme KUL, qui, évidemment, est demandée par les 19 bourgmestres ainsi que par votre partenaire de majorité Les Engagés. Ce dernier vous a quand même tancé assez méchamment ces jours-ci en expliquant que cette partie du deal, pour l'instant, n'était pas remplie dans l'avant-projet puisqu'on se contente, pour l'instant, de la fusion.

Cette fusion constitue une réponse inappropriée aux enjeux de lutte contre le narcotrafic et la criminalité organisée, sans parler de l'argumentaire justifiant la fusion, qui cache mal les desseins peut-être plus pernicieux que d'aucuns ont quant à l'atteinte à l'autonomie communale de Bruxelles. Une fusion imposée alors que l'avant-projet de loi entend promouvoir la fusion volontaire, avec un traitement discriminatoire, comme chacun le sait, entre Bruxelles et les autres Régions.

La Conférence des bourgmestres tance également l'insécurité juridique profonde du texte et estime que ce projet de fusion met en péril la police de proximité et sera chronophage en matière de réorganisation – il suffit de voir combien de temps nous y avons déjà consacré ici –, alors que Bruxelles est confrontée à des défis bien plus essentiels. Je ne vais pas revenir sur toutes les critiques que nous avons déjà exprimées à plusieurs reprises et dont nous aurons encore l'occasion de discuter. Sans préjudice de l'avis du Conseil d' É tat, qui doit encore être rendu sur l'avant-projet de loi, cette première salve de critiques de ces deux organes montre que ce projet de fusion est profondément contestable sur le plan de la légalité, mais aussi sur le plan de l'opportunité politique, de sorte qu'il nécessite des réactions.

Mes questions sont simples. Estimez-vous que les craintes exprimées par les bourgmestres bruxellois et par Brulocalis sont fondées, tant pour ce qui est de l'aspect financier que pour ce qui concerne le contrôle démocratique et l'atteinte à l'autonomie communale?

Vous attendez l'avis du Conseil d' É tat, bien sûr, mais allez-vous également apporter des rectifications sur la base de ces deux avis?

L'autre question que je souhaitais vous poser concerne le narcotrafic à Anvers. On parle beaucoup, évidemment à raison, de Bruxelles, parce que c'est la plaque tournante de la distribution. C'est un débat que nous avons régulièrement.

Mais il est intéressant de noter que la presse s'est fait écho, voici quelques semaines, d'une comparaison des incidents et faits graves de violence liés au narcotrafic entre Bruxelles et Anvers, qui est, elle, organisée en zone unique. Brulocalis faisait référence par exemple à une étude du Vlaams Vredesinstituut qui évoque un nombre de fusillades liées au narcotrafic quasiment équivalent entre notre capitale et la zone de police d'Anvers.

Le Moniteur de Sécurité 2025, également cité, rapporte une diminution de la criminalité dans les trois Régions, avec d'ailleurs une diminution plus sensible en Région bruxelloise que dans les deux autres Régions.

L'antienne qui consiste à répéter que la criminalité est en hausse à Bruxelles peut donc être relativisée, car elle contribue à un Bruxelles-bashing injuste et sert les desseins de la fusion des zones imposée à Bruxelles. Elle relève donc, d'une nouvelle manière, d'une inégalité de traitement.

Monsieur le ministre, quelle est votre approche spécifique de la lutte contre le narcotrafic à Anvers et son port? Avez-vous pris connaissance de ces chiffres? Je sais que vous êtes évidemment allé sur le terrain. Il y a la question de la plus grande détection de ce qui se trouve dans les conteneurs.

Nous sommes tous d'accord. Je crois qu'il faudra endiguer le phénomène, à la fois à l'arrivée du narcotrafic à Anvers et dans sa plaque de distribution à Bruxelles. Il nous faudra réussir sur l'un et sur l'autre, sans mettre en compétition, avec ou sans idée préconçue, ces deux territoires.

Voorzitter:

De vraag nr. 56007310C van mevrouw Barbara Pas wordt ingetrokken.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, ma question porte plus particulièrement sur ce que l'on vit à Bruxelles ces derniers mois.

Le procureur du Roi de Bruxelles a exposé les mesures prises par le parquet bruxellois face à une nouvelle série de fusillades qui touchent notre capitale depuis plusieurs semaines. On le sait, les acteurs, tant la justice que la police, sont sur le terrain. Ils travaillent d'arrache-pied, et ils engrangent des résultats. On a encore vu récemment se dérouler une action policière sur plusieurs communes bruxelloises. Mais les moyens humains et budgétaires restent insuffisants, et ces acteurs demandent toujours un soutien important de la part du fédéral pour pouvoir mener à bien les missions qui sont les leurs. Ils le disent eux-mêmes, et ils l'ont encore dit en début de semaine lors de cette intervention: arrêter des délinquants, des criminels, c'est une chose, mais il faut pouvoir faire du travail de fond et il faut donner les moyens à la justice pour pouvoir les mettre en prison.

Vous nous avez effectivement informé qu'il y aurait un plan à cet égard, avec un certain nombre de mesures. Quid de ce plan? Comment allez-vous financer ce plan et sur combien de temps allez-vous le mettre en œuvre?

Vous avez également évoqué la question du financement de la police et des zones de police. On sent qu'il y a une sorte de flottement entre vous et différents partenaires de la majorité, puisqu'on sait qu'il manque environ 800 policiers, et plus ou moins 100 policiers à la police judiciaire. On sait donc qu'il faut plus ou moins 300 à 500 millions d'euros qui pourraient, pour l'ensemble des zones de police, aider à répondre à un certain nombre de défis en la matière.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire un état des lieux des moyens qui seront débloqués en Région bruxelloise pour la lutte contre le trafic de drogue? Quels moyens allez-vous mettre en place avec votre collègue de la Justice pour soutenir le procureur du Roi dans ses initiatives? Quels seront les moyens consacrés à la question de la santé publique dans le contexte du trafic de drogue?

Enfin, monsieur le ministre, en février dernier, le premier ministre nous avait clairement dit en séance plénière qu'on allait mettre une task force sur pied. Celle-ci réunirait les différents acteurs pour pouvoir trouver des réponses à ces problèmes. Quand allez-vous mettre en œuvre cette task force?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb drie vragen ingediend, allen met een verschillende inhoud.

Ten eerste, op 6 september jongstleden werd een vrouw op klaarlichte dag in Oostende neergeschoten, het trieste slot van een hele reeks gewelddaden. Het gaat om het vijfde ernstige incident in die stad op amper twee weken tijd. Dat sterkt mij in mijn overtuiging dat drugsgeweld niet meer beperkt blijft tot Antwerpen, Brussel en andere grootsteden, maar dat ook middelgrote en kleinere steden alsmaar vaker geconfronteerd worden met dergelijke gewelddaden. Welke concrete maatregelen en federale steun plant u op korte en middellange termijn om de escalatie van drugs- en geweldsproblemen in die steden aan te pakken? Kunt u specifiek wat Oostende betreft een stand van zaken geven met betrekking tot het onderzoek en aangeven welke gevolgen u hieraan wenst te verbinden?

Ten tweede, de heer Moinil, de procureur de Konings van Brussel, die procureur van Marseille Bessone voor een bezoek aan Brussel heeft uitgenodigd, vraagt expliciet aan de regering om voor de Belgische wetgeving het Franse model te volgen. Ik begrijp zijn standpunt, zeker gezien de vaststelling dat Marseillaanse gewelddaden alsmaar vaker in onze hoofdstad worden geïmporteerd, denk maar aan de vele executies en de alsmaar gewelddadigere acties van drugsbendes in onze hoofdstad.

Sinds begin dit jaar werden al 1.250 dealers opgepakt en voorgeleid bij het parket. Het aantal illegalen in onze hoofdstad, dat alsmaar vaker door drugsbendes als gewillig of ongewillig slachtoffer wordt gebruikt, loopt ook de spuigaten uit. Het is natuurlijk een schatting, want het gaat om mensen zonder papieren, maar men spreekt toch van meer dan 100.000 personen alleen al in Brussel. Dit jaar waren er al 57 schietpartijen in Brussel, waarvan 20 tijdens de zomervakantie alleen. Vorig jaar stond de teller op meer dan 90 schietpartijen. Bovendien ziet het ernaar uit dat het er dit jaar, met de cijfers die we tot nu toe hebben kunnen noteren, niet op verbetert.

“Ik begrijp dat sommige agenten moedeloos worden wanneer ze dezelfde persoon drie, vier of zelfs tien keer arresteren en hij telkens weer vrijkomt”, aldus procureur des Konings Moinil. Wij moeten zijn woorden allemaal ter harte nemen. Ook al valt een en ander niet onder uw bevoegdheid, mijnheer de minister – de regering is een en ondeelbaar -, vernam ik graag hoe ver het staat met de beloofde grote taskforce. Hoe kunnen wij de huidige malaise en de blijvende demotivatie van onze politieagenten tegengaan? Dat kan onder meer door strenger toe te zien op de uitvoering van de straffen die dergelijke criminelen in dit land moeten krijgen.

Ik wil, ten derde, nog ingaan op het ideetje dat vooral u de MR bij monde van u, mijnheer de minister, in de media heeft gelanceerd. Ik doel op de inzet van het leger op het grondgebied van Brussel. U voegde eraan toe dat dat later eventueel ook in andere steden zou kunnen gebeuren, indien dat nodig blijkt. In eerste instantie wees de minister van Defensie, de heer Francken, het voorstel af, hoewel hij daar in de vorige legislatuur samen met de heer De Wever, toen ze nog geen minister waren, een heel groot voorstander van was. Mevrouw De Vreese kan dat zeker beamen. Vooral de heer Francken ziet dat niet iets voor de korte termijn. Volgens hem zou daartoe pas een eerste aanzet kunnen worden gedaan vanaf 8 april 2026. Ook qua visie moet nog een en ander worden afgestemd, want de heer Francken ziet eigenlijk een totaal ander takenpakket voor de militairen dan waarvoor u hen wilt inzetten. Ik wil daarom nagaan wat nu precies de bedoeling is.

Zullen militairen politietaken overnemen of worden er gemengde patrouilles opgericht waarbij militairen een ander takenpakket krijgen dan de politie?

Ik wil ook meer duidelijkheid over de timing van het voorstel. Blijft het bij woorden in de media of worden daar ook concrete daden aan gekoppeld?

Matti Vandemaele:

Mijn twee vragen hangen inhoudelijk niet samen en het verwondert mij dus dat die in hetzelfde debat aan de orde komen. Ik stel voor om inhoudelijk verschillende items een volgende keer apart te behandelen.

Ten eerste, wat de inzet van militairen op straat in Brussel of elders betreft, volgens sommigen zouden militairen statische bewakingsopdrachten moeten overnemen; anderen zien heil in gemengde patrouilles en nog anderen vinden dat militairen politionele taken moeten uitvoeren. Welke van de drie systemen overweegt de regering? Heeft de regering daarover een definitieve beslissing genomen? In de media is er alvast ruis op de uitspraken van ministers en partijvoorzitters ter zake.

Militairen zijn niet opgeleid of uitgerust voor bepaalde taken in de publieke ruimte. Is het wel aangewezen om militairen met politiebevoegdheden en -wapens de straat op te sturen? Wie zal het commando voeren bij gemengde patrouilles? Op mijn schriftelijke vraag hierover kreeg ik een bizar antwoord: enerzijds stelde u dat militairen te allen tijde onder de controle en het gezag van de hoogste militair blijven, en anderzijds merkte u op dat de leider van de opdracht op dat moment de politieagent is. Wat gebeurt er echter als de twee elkaar tegenspreken? Zijn er duidelijke afspraken over wie dan het gezag voert?

U voelt wel aan dat ik hier geen voorstander van ben. Ik denk dat militairen slechts zeer uitzonderlijk op straat kunnen worden ingezet, bijvoorbeeld in het kader van de strijd tegen terrorisme, zoals in het verleden is gebeurd. Dat mag evenwel niet de norm worden. Mijn grote zorg en die van veel militairen is dat een uitzonderlijke situatie wellicht langer kan duren dan verwacht. Op die manier maken we geen werk van echte oplossingen. Het blijft steeds een lapmiddel.

Ten tweede, wat de fusie van de Brusselse politieraden betreft, het advies van Brulocalis en het Bureau van de Conferentie van Burgemeesters was niet echt positief. Ik begrijp dat u als positief ingestelde persoon er positieve elementen in hebt gezien, maar ik heb toch veel kritiek gelezen. Ik ben benieuwd hoe u tegen die kritiek aankijkt.

Vindt u de kritiek ongegrond is en kunt u ze weerleggen? Of bent u bereid om het voorstel dat op tafel ligt, bij te sturen?

U zegt zelf dat u altijd de dialoog gaat met de mensen op het terrein. Bent u ook bereid om met de vrienden in Brussel werkelijk in dialoog te treden, zodat de fusie ook breed gedragen wordt? Ik denk dat een fusie alleen kan werken, als die breed wordt ondersteund. Ik ben dan ook benieuwd of u het pad van de dialoog wilt bewandelen, dan wel of u de forcing zult voeren en gewoon uw beslissing zonder meer in de praktijk zult omzetten.

Xavier Dubois:

Monsieur le président, je vais essayer de synthétiser mes six questions, en tout cas de les présenter dans un ordre qui a du sens. Je vais prendre comme point de départ la conférence de presse du procureur du Roi cet été, qui m'a fortement interpellé, un véritable cri d'alarme.

Cette conférence de presse a eu lieu dans un endroit gardé secret, des mesures de sécurité ayant été prises tout autour. Le procureur du Roi a lui-même été menacé de mort par des narcotrafiquants. Et donc ses mots étaient particulièrement interpellants, notamment quand il a dit que chaque Bruxellois pouvait prendre une balle perdue, évoquant aussi les montants en jeu au niveau des points de deal. Je pense qu'il est nécessaire d'entendre cet appel.

Nous avons d'ailleurs sollicité une audition du procureur du Roi en commission de l'Intérieur, et je remercie les membres de la commission d'avoir accepté cette proposition. Le procureur du Roi évoque un besoin supplémentaire de 10 millions d'euros. Il évoque également le fait que la police judiciaire fédérale devrait reprendre en main des enquêtes sur la criminalité organisée et sur les mafias. Qu'en pensez-vous? Quels sont les moyens que vous allez pouvoir débloquer pour répondre à cet appel important?

Il a aussi évoqué la problématique du cadre. Je pense qu'il faut remplir les cadres au plus vite. Quel est votre plan d'action pour atteindre cet objectif?

Comme d'autres collègues l'ont évoqué, le procureur du Roi a rencontré son homologue, le procureur de la République de Marseille. Cela a permis de faire ressortir toute une série de pistes intéressantes. Avez-vous pu le rencontrer également et, si ce n'est pas le cas, qu'avez-vous retiré de cette rencontre importante?

Ensuite, je voudrais vous interroger sur le plan "Grandes Villes".

Je ne vais pas le détailler, vous l'avez déjà bien présenté. Pour rappel, il s'agit de 20 millions d'euros pour des caméras, ou encore de la piste d'amener des militaires en rue avec des équipes mixtes. C'est aussi renforcer les objectifs policiers. Beaucoup de choses sont imaginées pour les grandes villes, mais, pour rappel, la problématique se vit aussi en zone rurale et dans les petites villes. Que prévoit votre plan pour ces zones? Il faut aussi avoir des réponses très claires et concrètes en la matière. Le combat se mène partout, sur l'ensemble du territoire de la Belgique. J'attends des mesures concrètes et précises pour répondre aux besoins des villes et communes, aux besoins des zones de police en zone rurale.

Autre question, n'estimez-vous pas qu'il serait important, et opportun surtout, de convoquer le Conseil national de sécurité pour qu'on puisse travailler tous ensemble à tous les niveaux pour pouvoir rendre plus efficace et opérationnelle cette lutte contre ce crime organisé?

Je voudrais aussi vous interroger sur des mesures qui sont prévues dans l'accord du gouvernement. Il y a ce premier plan et une vingtaine d'autres mesures. L'une d'elles consiste en la création du Fonds drogue. Je m'étonne du fait qu'il n'y ait pas encore eu de projet concret présenté au Conseil des ministres pour la création de ce Fonds drogue. Pouvez-vous nous dire où vous en êtes par rapport à cette mesure très importante, qui permettra de s'attaquer au portefeuille des trafiquants et surtout de réutiliser ces moyens, de les affecter à une lutte efficace contre cette problématique? Il paraît que des freins auraient été remarqués, notamment au niveau de l'administration des finances. Pouvez-vous confirmer ou infirmer le fait que des freins seraient observés dans certains services?

Mes collègues ont évoqué les zones de police. Je ne vais donc pas revenir sur l'avis concernant la fusion à Bruxelles, mais sur le financement des zones de police. Il est clair que – vous l'avez dit vous-même, et cela fait d'ailleurs partie de l'accord de gouvernement –, la fusion des zones de police de Bruxelles s'accompagne nécessairement d'une révision de la norme KUL et d'un refinancement qui soit le plus correct, efficace et juste de l'ensemble des zones de police. On a entendu que des réunions s'organisent pour présenter certains projets en la matière.

J'aimerais bien que vous puissiez aussi nous dire où on en est exactement, quels sont les acteurs qui ont déjà été informés du projet de réforme de cette norme KUL? Je pense qu'il est important que le Parlement soit informé aussi si certains acteurs le sont. On attend les éléments précis en la matière au plus vite.

Enfin, je reviendrai sur une mesure qui est peut-être moins stratégique, mais tout aussi importante, puisqu'elle concerne la collaboration et la coopération avec les autres É tats membres et hors de l'Union européenne. C'est la mesure concernant les officiers de liaison étrangers qui viendraient chez nous et, à l'inverse, nos officiers qui partiraient à l'étranger. Cela fait partie de l'accord de gouvernement.

Pouvez-vous définir de manière beaucoup plus claire ce qui est attendu de ces officiers agents de liaison? Comment vont-ils fonctionner? Quels sont les rapports qu'ils devront émettre? Surtout, quels moyens avez-vous à disposition pour mettre en œuvre de manière efficace cette mesure importante dans cette thématique qui nous rassemble tous aujourd'hui?

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de minister, ik kan het kort houden, omdat ik niet te veel in herhaling wil vallen. De voorbije maanden hebben we dit soort debatten met u meermaals kunnen voeren. Nog maar twee weken geleden waren de Kamerdiensten zo vriendelijk om mijn vraag toe te voegen aan de vraag in de plenaire vergadering, die toen ook in een actualiteitsdebat is gesteld.

Voor mij zijn twee punten relevant.

Ten eerste bestaat er een contradictie tussen uw verklaringen en die van minister Francken over de inzet van militairen. Daarover heb ik geen vraag gesteld, want anderen doen dat.

Mijn vraag gaat heel specifiek over de fusie van de Brusselse politiezones. Afgelopen zomer is daarop veel kritiek geuit. Dat is niet onverwacht, want er is veel koudwatervrees. Ik herhaal mijn steun, mijnheer de minister, voor uw initiatief. U hebt de moed gehad om met uw neus in de wind te gaan staan, een eigenschap die in de politiek niet aan iedereen gegeven is. Ik hoop dat u doorzet en wens u dat toe.

Ik verwijs voor mijn concrete vragen naar de schriftelijke voorbereiding.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, comme mes collègues sont déjà intervenus, je vais essayer d'être aussi brève que possible.

J'imagine que vous partagez le même objectif que moi, à savoir que la sécurité, l'une des priorités de nos concitoyens, mérite des mesures structurelles et véritablement efficaces, au lieu d'effets d'annonce contraires aux demandes des experts et que ne cautionnent pas les acteurs de terrain. Je pense ainsi à l'annonce selon laquelle vous alliez rétablir une présence militaire dans nos rues, notamment à Bruxelles.

Monsieur le ministre, quel est le cadre légal dans lequel l'armée opèrera? Quelles seraient les missions confiées aux militaires? Auront-ils le droit d'être en rue ou ailleurs, en brigade mixte avec la police ou seuls?

Je voudrais revenir également en bref sur la fusion des zones de police à Bruxelles. Vous la présentez souvent comme l'une des solutions qui permettraient de résorber le sentiment d'insécurité dans la capitale. Pour être complètement honnête, je ne suis pas philosophiquement fermée à cette option. Toutefois, fin août, les 19 bourgmestres bruxellois se sont exprimés à l’unanimité contre ce projet. Ils réclament plutôt un financement structurel supplémentaire pour la police bruxelloise et s’inquiètent, par ailleurs, de la suppression annoncée des conseils de police, qui jouent un rôle essentiel dans le contrôle démocratique.

Leur avis, très négatif, rejoint celui de Brulocalis et du bureau de la Conférence des bourgmestres, qui soulignent également les risques pour la proximité avec le citoyen, l’autonomie communale, ainsi que les incertitudes juridiques et budgétaires entourant ce projet.

Monsieur le ministre, comment prenez-vous en compte cette position unanime des bourgmestres, qui demandent avant tout un refinancement structurel de la police plutôt qu’une fusion des zones?

Comment comptez-vous répondre à leurs préoccupations concernant la suppression des conseils de police et les conséquences pour la démocratie locale et la proximité avec les citoyens?

Enfin, êtes-vous disposé à adapter vos projets afin de tenir compte des arguments et de l’expertise exprimés par les autorités locales? Je m'arrête ici pour pouvoir vous entendre. Merci, monsieur le ministre.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, het is een soort hutsepot geworden van vragen die door elkaar gemixt zijn en ik lust niet zo graag hutsepot. Ik heb liever dat sommige zaken van elkaar gescheiden worden. Ik vind dat dit lekkerder smaakt. Hier zijn er net iets te veel vragen samengevoegd om het behapbaar te maken. Ik heb nu bijvoorbeeld een aantal vragen over het geweld aan de kust, wat toch tot een andere discussie leidt dan die over de drugscriminaliteit in onze hoofdstad.

Minister, de voorbije weken werden we in Oostende geconfronteerd met bijzonder hard drugsgeweld, met de tragische moord op een 43-jarige vrouw als dieptepunt. Lokale besturen uiten hun grote bekommernis over de stijgende druk op de veiligheid in de kustregio. Tijdens weekends en de vakantieperiodes, standaard zeer drukke periodes, neemt de bevolking er enorm toe, waardoor de politiecapaciteit structureel onder druk komt te staan.

In Oostende specifiek verdrievoudigt tijdens de zomermaanden het bevolkingsaantal. Daarbovenop wordt regelmatig gevraagd dat agenten van de kustzones bijstand verlenen in andere regio's, terwijl net aan de kust de noden hoog zijn. We kunnen stellen dat doorheen de zomer onze kustlijn eigenlijk één groot evenemententerrein vormt.

Hoe evolueert de drugsproblematiek in Oostende en zijn er linken met de drugscriminaliteit in de rest van het land?

Hoe beoordeelt u de huidige veiligheidsdruk in Oostende en in de bredere kustregio in het licht van recente incidenten en de sterk toenemende bevolkingsaantallen tijdens piekperiodes?

Welke maatregelen plant u om te vermijden dat lokale politiezones aan de kust capaciteit verliezen door systematische bijstandsoproepen naar andere regio's, terwijl de lokale noden zeer hoog zijn?

Bent u bereid in overleg met de gouverneur en met de burgemeesters van de kuststeden een specifiek plan uit te werken om de structurele uitdagingen door het geweld, gekoppeld aan de toeristische drukte en de evenementen, aan te pakken?

Hoe zult u ervoor zorgen dat kustgemeenten voldoende operationele ondersteuning krijgen, zonder afhankelijk te worden van noodinterventies of ad-hocversterkingen?

Jullie zien, collega's, dat dit heel andere vragen zijn dan de andere die op de agenda staan.

Wat het drugsgeweld in de hoofdstad betreft, wil ik mij aansluiten bij de collega's. Dat is een zaak waar we al heel wat debatten over gevoerd hebben. Ook ik heb een aantal vragen over de inzet van militairen in Brussel.

Het drugsgeweld duurt voort. Er zullen militairen ingezet worden op straat. Maar wij hebben er op gehamerd dat daarvoor een kader voorhanden moet zijn, minister, zodat de militairen geen sitting duck zijn en voldoende kunnen ingrijpen op momenten dat het nodig is.

Ik wil verwijzen naar de vragen die ik heb opgesteld, want er zijn nog een aantal zaken die moeten of inmiddels misschien al zijn uitgeklaard tussen u en de minister van Defensie. Ondertussen gaf bijvoorbeeld ook de burgemeester van Charleroi aan dat hij dergelijke ondersteuning wenst.

Hoever gaan wij daarin? Hoe worden de steden geselecteerd? Wat wilt u daar precies mee doen?

De gemengde patrouilles, het overleg met de minister van Defensie en het wettelijke kader zijn voor ons belangrijk. Wanneer worden ze wel ingezet en wanneer niet?

U weet dat in het regeerakkoord wordt gesproken over dreigingsniveau 4. Blijven wij bij die piste of voorziet u in cumulatieve voorwaarden om die mensen in te zetten?

Ik weet dat zelfs bepaalde militairen vragende partij zijn om ook bepaalde bevoegdheden te krijgen. Wij moeten daar goed over nadenken. Dat is immers niet iets wat zomaar wordt gedaan. Een en ander moet weloverwogen gebeuren en in goed overleg tussen beide ministers in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, waarin wij u zeker steunen. Dat moet heel duidelijk zijn.

Wij hebben inderdaad vastgesteld dat de drugsproblematiek, wat wij overigens al wisten, niet enkel hier of in onze grote steden bestaat, maar dat het om een Europees probleem gaat dat zelfs internationaal moet worden aangepakt.

Wij zagen bijvoorbeeld de Franse procureur Nicolas Bessone communiceren dat de voorbije maanden ongeveer vijftig Belgen, onder wie een twintigtal Brusselaars, werden gearresteerd in Zuid-Frankrijk, voornamelijk in Marseille en de grensregio. Onder hen bevonden zich ook twee landgenoten die zwaar bewapend een opdracht zouden uitvoeren.

Dat is toch niet niets. Tijdens zijn bezoek aan Brussel wees de Franse procureur op de connecties tussen bendes in Brussel en Marseille. Bovendien legde hij een link met de rol van de haven van Antwerpen in de internationale drugshandel. Hij bracht daarbij enkele praktijken uit Marseille aan en riep de Belgische autoriteiten op om de wetgeving aan te scherpen. Wij moeten met de Franse autoriteiten de krachten bundelen in één gezamenlijke strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Op welke manier werken onze politiediensten vandaag concreet samen met de Franse autoriteiten in de gezamenlijke strijd tegen drugscriminaliteit? Kunnen wij die samenwerking nog uitbreiden? Hoe verloopt de informatie-uitwisseling met Frankrijk in dossiers waarin Belgische drugsnetwerken betrokken zijn? Waar ziet u nog verbeterpunten?

Hoe zit het met de informatie-uitwisseling over die vijftig Belgen die daar zijn aangetroffen? Krijgen wij de noodzakelijke gegevens, zodat wij weten wie zij zijn en hoe wij hen verder kunnen opvolgen? Hebt u daarover recent overleg gehad met uw Franse collega-minister of zult u dat nog doen? Voor mij is dat noodzakelijk. Wat zijn de voornaamste afspraken die u met hem wilt maken of welke vooruitzichten ziet u?

Wordt onderzocht of bepaalde praktijken uit Marseille, zoals het groeperen van drugshandelaars in zwaarbeveiligde gevangenissen, ook in België toepasbaar kunnen zijn? Dat is misschien ook een vraag voor uw collega-minister Verlinden.

Hoe reageert u op de oproep van procureur Bessone om de Belgische wetgeving aan te scherpen in het licht van de toenemende internationale dreiging?

Dat waren mijn specifieke vragen. Ik verontschuldig mij voor het overschrijden van mijn spreektijd.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, in het Bonneviepark vinden op klaarlichte dag drugsdeals plaats. Mensen verstoppen zelfs drugs in speeltoestellen waarop kinderen veilig zouden moeten kunnen spelen. Ouders durven hun kinderen niet meer te laten spelen uit angst voor verdwaalde kogels of confrontaties met bendes. Een plek die een veilige groene speelruimte zou moeten zijn, wordt gedomineerd door angst en criminele baldadigheden.

Brussel is een stad waar honderdduizenden mensen wonen en waar pendelaars elke dag komen werken. Deze stad zou de Belgische vitrine naar de wereld moeten zijn. Wanneer geweld en drugsbendes echter het straatbeeld gaan bepalen, wordt Brussel een stad waar mensen niet meer durven te komen. Ik heb enorm veel respect voor onze politiemensen, die met een nijpend personeelskader hard moeten werken in Brussel en andere steden waar drugsgeweld de kop opsteekt.

We wensen in te zetten op militairen op straat. De vakbonden hebben in verband hiermee enkele terechte bezorgdheden geuit. Hoe gaat u daarmee om?

Het regeerakkoord stelde duidelijk dat er één wijkagent per 2.000 inwoners moet zijn. Welke inspanning zult u hiervoor treffen? In sommige gemeenten en steden kunnen zij als een soort vrederechter een eerste oplossing zijn.

Vooral nu in Brussel, maar ook in andere steden moet er een tandje worden bijgestoken. Wat zult u nog extra ondernemen om ervoor te zorgen dat Brussel de Belgische vitrine naar de wereld kan zijn?

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je voudrais revenir sur ce sujet ô combien important pour les communes qu'est le montant des dotations fédérales aux zones de police, avec un problème que j'ai déjà évoqué très souvent dans cette commission, à savoir le décalage entre la fixation du montant des dotations aux zones de police par le fédéral et l'adaptation à l'inflation, soit à l'indexation des salaires.

Aujourd'hui, on demande aux zones de police de prévoir dans leur budget le même montant de dotation fédérale que dans le budget de l'année précédente, sans tenir compte des potentielles indexations de salaire qui sont prévues par le Bureau du Plan. Or il faut savoir que le budget d'une zone de police, c'est pratiquement à 90 % des charges de personnel. Il est donc très sensible à l'indexation des salaires.

Alors, d'une part, on est obligé de prendre une dotation qui n'est pas indexée, mais, d'autre part, la tutelle fédérale sur l'établissement des budgets impose aux communes et aux zones de prévoir dans le budget les dépenses qui correspondent à l'augmentation du coût de la vie. Il y a donc là un réel décalage entre les prévisions de dépenses et les prévisions de recettes.

Dès lors, monsieur la ministre, comme je l'ai sollicité auprès de Mme Verlinden lors de la législature précédente, j'aimerais que vous permettiez aux zones de police de déjà prévoir l'indexation des dotations qui est prévue en fin d'année, de pouvoir le faire bien avant, par exemple, au mois de septembre ou d'octobre.

Par ailleurs, pourriez-vous nous dire où vous en êtes dans la réflexion sur la réforme de la norme KUL? Vous en parlerez certainement dans une heure ou deux au Conseil des bourgmestres, dont je fais partie. Comme je suis aussi député fédéral, je vous pose également la question ici.

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik zal u drie vragen stellen; voor alle duidelijkheid niet in volgorde van belangrijkheid, maar in de volgorde zoals ze geagendeerd staan.

Mijn eerste vraag gaat over een nieuw fenomeen uit de onderwereld dat aan de oppervlakte is gekomen in Wallonië. Nieuwe criminele bendes worden zichtbaar in de publieke ruimte, met name de Daltons en de Caspers, zo berichtte Het Laatste Nieuws op 25 september. Dat zijn groepen die betrokken zouden zijn bij geweld, intimidatie en schietpartijen. Bendeleiders en hun leden gedragen zich opvallend aanwezig in het straatbeeld, waardoor hun macht en invloed zichtbaar worden voor de bevolking.

De recente moordaanslag op de leider van de Daltons maakt duidelijk dat er sprake is van gewelddadige afrekeningen tussen rivaliserende groepen. Dat fenomeen wijst op een verplaatsing van de georganiseerde misdaad naar een openlijke strijd in de publieke ruimte. Helaas hebben we dat de laatste maanden al te vaak gezien in ons land. Dat heeft uiteraard een grote impact op de veiligheid en het onveiligheidsgevoel bij burgers.

Beschikt u over recente cijfers over dit fenomeen? Ik denk dan aan het aantal leden, het leeftijdsprofiel en de verspreiding in België. Hoe ernstig schat u de dreiging die uitgaat van deze bendes? Welke concrete acties onderneemt u of de federale politie om hun activiteit te monitoren en in te perken? Zijn er aanwijzingen dat deze groepen banden onderhouden met bredere criminele netwerken?

Wordt er op dit moment een gecoördineerde aanpak ontwikkeld, zoals dat ook gebeurt tegen motorbendes en drugsclans, specifiek gericht op deze opkomende bendes? Heel belangrijk, wordt er een samenwerking met burgemeesters en lokale besturen georganiseerd, gezien de zichtbaarheid van die bendes in de publieke ruimte?

Mijn tweede vraag gaat over Defensie op straat in het kader van het grotestedenplan, een thema dat hier al uitgebreid aan bod is gekomen. De publieke discussie en de berichtgeving in de media daarover hebben tot enige onduidelijkheid geleid, met geruchten over de uitbreiding van de bevoegdheden van militairen en de organisatie van gemengde patrouilles.

Kunt u duidelijkheid verschaffen over die geruchten omtrent de inzet van Defensie op straat, dus de plannen voor gemengde patrouilles en de vermeende uitbreiding van de bevoegdheden van militairen, mogelijk zelfs tot het gebruik van vuurwapens?

Bevestigt u dat het uitgangspunt van het inzetten van Defensie uitsluitend is – en dat staat ook zo in het regeerakkoord – om politiecapaciteit vrij te maken die gericht kan worden ingezet in de strijd tegen drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad?

Wat is de stand van zaken van het juridisch en operationeel kader voor het inzetten van militairen? Zijn de contacten tussen het kabinet van de minister van Defensie en dat van u al afgerond? Kunt u verzekeren dat dat kader zich beperkt tot de overname van statische opdrachten en geen nieuwe bevoegdheden voor militairen omvat? Kunt u concreet aangeven wat de politie zelf vraagt om de strijd tegen de drugscriminaliteit op een effectievere manier te voeren?

Mijn derde vraag in dit actualiteitsdebat gaat over de KUL-norm. Onder burgemeesters wordt daar wel eens naar verwezen als de “flauwekulnorm”, wat meteen ook het probleem aantoont. Het regeerakkoord voorziet in de invoering van een nieuw en eenvoudig financieringsmodel voor de lokale politiezones ter vervanging van de huidige KUL-norm. Het doel is om elke zone – met inachtneming van de eigen specificiteit – voldoende flexibele en transparante middelen toe te kennen om de basispolitiezorg, die zo belangrijk is, te garanderen.

Dat is een noodzaak gezien de toenemende uitdagingen waarmee onze politiediensten geconfronteerd worden. Ik mag hier ook tegen de collega’s zeggen dat ze woord hebben gehouden. U hebt mij een aantal maanden geleden beloofd om naar Zelzate te komen. De minister heeft dat gedaan en u hebt daar een en ander op het terrein kunnen zien en ervaren. U hebt van mijn korpschef gehoord waar de uitdagingen liggen. Financiering – het zal u niet verbazen, het heeft u toen ook niet verbaasd – komt daarbij prominent aan bod.

De lokale politiezones dragen een zware verantwoordelijkheid terwijl de financiële druk op die lokale besturen, die reeds een aanzienlijk deel van de politiebudgetfinanciering dragen, enorm toeneemt. Ik had graag van u een aantal zaken concreet vernomen.

Ten eerste, welke initiatieven hebt u tot heden genomen om het nieuwe, vereenvoudigde en transparante financieringsmodel voor de lokale politiezones op basis van kwalitatieve en wetenschappelijk onderbouwde parameters in te voeren?

Ten tweede, wat is de timing voor de implementatie van dat nieuwe model en zal hierbij gegarandeerd worden – en dat is toch niet onbelangrijk, mijnheer de minister – dat de financiering de zones in staat zal stellen om effectief een kwaliteitsvolle basispolitiezorg te leveren, los van de financiële draagkracht van de individuele lokale besturen?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, comme l'ont évoqué la presse et les collègues, le procureur du Roi de Bruxelles, M. Julien Moinil, a dû être placé sous protection rapprochée. Cette situation nous interpelle.

J'en viens donc directement à mes questions, monsieur le ministre. Combien de magistrats ou hauts responsables judiciaires bénéficient-ils actuellement en Belgique d'une protection rapprochée organisée par le service de la protection (DAP) de la police fédérale?

Ensuite, quels sont les critères précis retenus pour activer une telle mesure? Quels sont les moyens humains et logistiques actuellement mobilisés dans ce type de protection rapprochée?

L'usage de technologies intrusives – valises blindées, drones, brouilleurs, etc. – fait-il l'objet d'un encadrement spécifique?

Enfin, quelles mesures sont-elles envisagées ou ont-elles été prises pour renforcer la prévention et la détection précoce des menaces contre les acteurs de la justice, en particulier dans les dossiers liés au trafic de stupéfiants? Merci à vous.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik snap dat het misschien een beetje vreemd is dat mijn vragen in dit debat aan bod komen, maar ik begrijp dat er heel veel op de agenda staat.

Mijn eerste vraag gaat over whole of government -aanpak, die in verschillende belangrijke dossiers, zoals de Nationale Veiligheidsstrategie en het nationaal weerbaarheidsplan, door het regeerakkoord naar voren geschoven wordt. Die aanpak is erop gericht efficiëntie en gedragen samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus te realiseren. Dit is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat in crisissituaties beslissingen doeltreffend genomen kunnen worden en dat elke speler in dit land weet wat er van hem verwacht wordt. Een gedragen samenwerking versterkt het beleid en maakt een constructieve whole of government -aanpak noodzakelijk.

Vanuit zowel de Vlaamse als de Waalse overheid vang ik signalen op dat de uitvoering in de praktijk soms stroef verloopt, bijvoorbeeld bij het nationaal weerbaarheidsplan. Het is echter juist belangrijk dat deze plannen breed gedragen worden om efficiënt te zijn. Dat betwist niemand, denk ik. Het is daarom noodzakelijk om te zorgen voor een structurele en volwaardige participatie van de deelstaten in elke fase van deze trajecten, zowel politiek als administratief. Dit kan bijvoorbeeld worden gegarandeerd door de opmaak vanuit het Overlegcomité te coördineren, maar dat is slechts een suggestie.

Voor een optimale whole of government -aanpak is het bovendien cruciaal dat er vanaf het begin van elk proces sterke informatiedeling plaatsvindt, bijvoorbeeld via een centraal platform. Zo kan elke actor met kennis van zaken aan de tafel zitten en is de input niet beperkt tot ad-hocgedachten.

De huidige overlegstructuur loopt naar mijn aanvoelen minstens stroef en kan worden bijgestuurd door een paritaire samenstelling. Vergaderingen waarbij slechts één vertegenwoordiger per deelstaat aanwezig is, maar waarbij talrijke vertegenwoordigers van de federale overheid aan tafel zitten, leiden zowel politiek als administratief tot onevenwichtige beslissingen. Daarbij is het belangrijk dat voor elke entiteit een duidelijke coördinator wordt afgesproken en gerespecteerd.

Ik heb hierover enkele vragen. Hoe definieert u een whole of government -aanpak om de aanpak en de opmaak van deze cruciale plannen zo sterk mogelijk te maken en de beveiliging van onze burgers te garanderen? Hoe definieert u een whole-of-government -aanpak? Hoe loopt de opmaak van het nationaal weerbaarheidsplan en de Nationale Veiligheidsstrategie? Engageert u zich om de deelstaten hier op een correcte manier bij te betrekken, volgens de principes die ik net heb uiteengezet?

Mijn volgende vraag gaat over het Kanaalplan. In de zomer hebben we immers jammer genoeg wederom gezien waarom dit zo broodnodig is in Brussel. Het is echter niet beperkt tot Brussel. Ook in de Vlaamse Rand, in mijn eigen stad Vilvoorde, waren er bijvoorbeeld rellen in het station na de arrestatie van een drugsbaas. Het gaat ook breder dan dat.

Het lijkt erop dat u met het plan grote steden een nieuwe naam voor dit Kanaalplan hebt gekozen. Schuift u inderdaad een nieuwe naam naar voren? Kunt u een stand van zaken geven rond de invoering van dit nieuwe plan? Welk werkingsgebied ziet u voor dit plan? Zijn er naast de reeds aangekondigde maatregelen in het plan grote steden, zoals militairen op straat en het budget voor extra camera's, nog andere maatregelen die u vooruit wilt schuiven?

Ik wil trouwens ook mijn appreciatie uitspreken voor de ronde die u hebt gedaan, ook in de Vlaamse Rand, om met de mensen op het veld te spreken.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous avez récemment présenté un plan "Grandes Villes" – j'imagine que c'est le nouveau nom pour le plan Canal – qui vise à renforcer la sécurité dans les zones urbaines, qui sont confrontées à des défis multiples. Si le plan "Grandes Villes" est bien le plan Canal, je m'en réjouis parce qu'évidemment ça veut dire qu'on cesse de se focaliser uniquement sur la ville de Bruxelles et que vous allez vous attaquer à travers ce plan à la criminalité dans les grandes villes du pays, ce qui est très important.

Selon vos déclarations publiques, ce plan prévoit, on l'a dit à plusieurs reprises, le déploiement de militaires dans l'espace public, mais aussi la modernisation et la généralisation de caméras de surveillance, ainsi que l'organisation d'opérations policières de grande ampleur, dites opérations coup de poing. Vous avez participé à l'une d'entre elles très récemment. Vous avez également souligné que la priorité était de lutter contre le crime organisé, le trafic de stupéfiants et la criminalité violente qui en découle.

La refonte du plan Canal répond à une attente de fermeté, elle traduit une volonté de restaurer l'autorité de l' É tat dans les quartiers où l'insécurité s'est aggravée. Néanmoins, la lutte contre le crime organisé ne saurait se limiter à une approche strictement policière voire militaire, elle touche à des domaines transversaux comme la justice, les finances, les douanes, la politique sociale et la santé publique. De plus, la mise en œuvre concrète de ce plan repose sur une coordination étroite entre polices locale et fédérale, ainsi que sur une articulation claire des rôles entre le ministère de l'Intérieur et d'autres départements ministériels.

Dans ce contexte, je voudrais vous poser trois questions: vous indiquez que la priorité est la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue, le crime organisé sera-t-il explicitement intégré dans un axe central du plan? Le plan "Grandes Villes" intégrera-t-il une cartographie claire des compétences qui relèvent d'autres ministères qui ont un rôle à jouer dans la lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé? Quels budgets sont spécifiquement alloués à ce plan par poste, surveillance, présence militaire, renfort policier, etc.?

Bernard Quintin:

Monsieur le président et mesdames et messieurs les députés, d'abord, je ferai une petite note liminaire. Je suis en effet le premier désolé que l'on doive grouper les choses. Je pense avoir déjà prouvé que j'étais le plus disponible possible pour la Chambre et pour cette commission, mais il est vrai que l'agenda de rentrée était difficile et un peu mouvementé.

Ook al is het wat hectisch, ik ben hier en nu te uwer beschikking.

Je vous remercie pour les nombreuses questions qui témoignent, pour autant que de besoin, de l'intérêt que nous partageons pour le fait de garantir et même de renforcer l'ordre et la sécurité dans notre pays. La majorité d'entre elles partent d'un constat: la recrudescence des fusillades dans les villes, particulièrement dans notre capitale mais seulement, la montée en puissance de la criminalité organisée et du narcotrafic, et un sentiment d'insécurité croissant au sein de la population, qu'il nous faut combattre.

Sinds mijn aantreden, acht maanden geleden, zet ik mij, niet behept met naïviteit of fatalisme samen met de hele regering in om met respect voor het regeerakkoord structurele, samenhangende en gecoördineerde oplossingen te bieden voor de uitdagingen waarmee ons land wordt geconfronteerd.

Cette réponse coordonnée qui constitue une boussole de mon action politique privilégie des mesures qui se renforcent mutuellement. Cela implique également d'avoir conscience des responsabilités partagées dans la chaîne sécuritaire, de l'Intérieur en passant par la Justice, les Douanes, la Défense, l'Asile et la Migration, la Santé au niveau fédéral sans oublier le rôle des autres niveaux de pouvoir. Je pense ici notamment aux communes, avec les bourgmestres, mais aussi aux Régions et Communautés dans le cadre de leurs politiques propres telles que la prévention, la santé et plus globalement l'approche administrative. Tout le monde doit unir ses forces et assumer ses responsabilités

Ik neem mijn verantwoordelijkheid. Waar ik kan handelen, doe ik dat.

Dès les premières semaines de mon entrée en fonction, j'ai obtenu le déploiement de 31 unités supplémentaires pour la police judiciaire fédérale à Bruxelles. En novembre, 40 agents viendront encore s'y ajouter, soit plus de 70 agents en 7 mois. J'ai demandé au commissaire général d'accélérer au maximum les recrutements, mais il s'agit d'un chantier à long terme que je conduis déjà.

Kort na de start van mijn ambtstermijn heb ik de eerste minister gevraagd om een taskforce op te richten waarin Justitie, Binnenlandse Zaken en andere departementen zoals Financiën en Volksgezondheid elkaar ontmoeten. Er zijn al twee ministeriële vergaderingen gehouden. Een coördinatietabel bepaalt de stappen.

Het is opnieuw een langdurige klus. Op het gebied van georganiseerde misdaad worden resultaten immers in jaren gemeten, niet in maanden.

Ik ben er mij van bewust dat er grote inspanningen moeten worden geleverd. Ik heb de wil, in alle nederigheid, om de structuur van de binnenlandse veiligheid grondig te herzien, zowel op lokaal als op federaal niveau. De geïntegreerde politie op twee niveaus, waaraan ik veel waarde hecht, omdat het een zeer efficiënt model is, en de duizenden politiemensen, die elke dag voor onze veiligheid zorgen, verdienen efficiëntere structuren om hun opdrachten goed te kunnen uitvoeren.

Om dat te verwezenlijken, heb ik gelijktijdig zowel het strategisch plan voor de federale politie als het ontwerp betreffende de fusie van lokale politici in eerste lezing voor de zomer laten goedkeuren. Ik heb besloten om over dat initiatief brede consultatierondes te organiseren, veel verregaander dan wat gewoonlijk wordt vereist in het administratief en juridisch proces.

S'agissant donc de la fusion, j'attends près de 20 avis d'ici le milieu de ce mois d'octobre. D'ores et déjà, je puis vous indiquer – et cela ne vous étonnera pas – que certains se montrent bien plus positifs que celui rendu par Brulocalis. J'insiste sur le fait que son avis est identique à celui de la Conférence des bourgmestres. Bien évidemment, on peut se livrer à un petit jeu d'optique mathématique en cumulant les deux. Simplement, celui de Brulocalis a été avalisé par la Conférence des bourgmestres. Néanmoins, il reconnaît que certaines préoccupations ont déjà été prises en considération. Ces différents avis sont en cours d'analyse ligne par ligne. J'ai demandé à mon cabinet d'y réserver une attention particulière et d'intégrer les remarques pertinentes. Cela interviendra dans les semaines à venir.

Pour répondre à vos questions, madame Maouane, messieurs De Smet, Dubois, Chahid et Vandemaele, oui, des amendements seront évidemment apportés – et ils ne seront pas cosmétiques. Oui, j'ai entendu les craintes, parfois légitimes, des bourgmestres bruxellois auxquelles je souhaite, lorsque c'est possible, apporter une réponse. Cette réforme ne sera jamais punitive à l'égard de Bruxelles. Elle est conçue au bénéfice des Bruxelloises et des Bruxellois – dont je fais partie, tout comme certains d'entre vous, au demeurant –, de leur sécurité, ainsi que des centaines de milliers de travailleurs et de voyageurs qui font vivre notre capitale.

Tijdens mijn carrière heb ik altijd de tijd genomen om te consulteren. Dat is essentieel. De rol van een beslisser houdt evenwel in dat die na consultatie effectief moet beslissen zonder aarzeling of zenuwachtigheid. De koers die ik en de regering volgen, is duidelijk: de fusie van de Brusselse politiezones zal plaatsvinden.

La fusion des polices à Bruxelles aura lieu. Je constate qu'il y a quelques ouvertures, j'ai entendu Mme Maouane, j'ai écouté très attentivement le bourgmestre de Saint-Gilles, M. Spinette, ce matin sur BX1, qui finalement, à part le mot fusion, a parlé exactement de mon projet de fusion. Coordination, mise en commun des services centraux, mutualisation des forces d'intervention, what's in a name…

Franchement, je vous le dis, s'il faut utiliser un autre terme que le mot "fusion" pour que cela mette tout le monde à l'aise, j'ouvre le concours aux meilleurs mots pour faire ce qui finalement est un projet politique majeur pour l'architecture de sécurité de notre pays. Dès lors, cette fusion aura lieu, non pas comme certains voudraient le faire croire, parce que ce serait une volonté flamande, mais bel et bien car c'est une nécessité, et la réalité de terrain le prouve. Je crois qu'il faut avoir vécu ailleurs que sur notre planète pour ne pas avoir vu la situation cet été.

Je crois qu'il ne faut pas aller à la rencontre des habitants, ce que j'ai fait au mois d'août, ce que je fais régulièrement, pour ne pas penser qu'il y a quelque chose à faire pour la sécurité. Et je n'ai évidemment jamais dit, je n'ai jamais écrit, que la fusion des zones de police était "la" solution. Je n'ai jamais dit, je n'ai jamais écrit, que les militaires en rue étaient "la" solution. Il n'y a pas une seule solution.

Dé oplossing bestaat niet; ik heb ze in ieder geval niet gevonden. Als iemand de oplossing heeft, mag die mij komen opzoeken, zelfs in alle discretie.

Si l'un d'entre vous a "la" solution, venez me voir, même discrètement, et si vous ne voulez pas l'assumer, je le ferai moi-même, mais franchement, travaillons ensemble, je pense que la question demande ce sérieux-là.

Je vous confirme également ma volonté de supprimer les conseils de police, qui dépossèdent trop souvent les conseillers communaux de leurs droits constitutionnels de contrôle démocratique. Là aussi, je sais à qui je m'adresse: les conseillers communaux, les bourgmestres, la démocratie locale, c'est le conseil communal. Or les conseillers communaux sont des élus directs, les conseillers des conseils de police sont des élus indirects et, dans la plupart de nos communes, vous avez des majorités, souvent à 80 % de l'assemblée du conseil communal.

Toutefois, dans les grandes zones, eh bien ces conseillers communaux peuvent envoyer deux conseillers de police, un de la majorité, un de l'opposition, ce qui veut dire que ces communes sont représentées dans les conseils de police à parts égales entre la majorité et l'opposition. Cela me semble être, en mathématiques électorales, un dévoiement de la démocratie. En outre, les très nombreux chefs de corps et bourgmestres que j'ai rencontrés m'ont fait part du manque d'utilité de cet organe, ce qui me conforte dans ma décision.

À côté de la réforme de la norme de financement sur laquelle je reviendrai, je vous confirme que des moyens sont consacrés spécifiquement aux fusions des zones de police, avec un plafond de 40 millions d'euros par an jusqu'en 2029. C'est en tout cas ce qu'il y a dans l'avant-projet de loi, parce que j'aurais peut-être dû préciser qu'il s'agit d'un avant-projet de loi. Des avis sont donnés, il y aura encore des discussions et la loi police intégrée devra être adaptée. Dès lors, ce que je dis aujourd'hui, c'est qu'il ne faut pas m'en tenir comptable plus que ce que je peux dire aujourd'hui par rapport aux décisions qui seront prises à l'issue des différentes discussions, en ce compris ce beau mot que j'utilise de moins en moins, de "consubstantialité".

Ces incitants, par définition limités dans le temps, visent à accélérer le nombre de fusions sur le territoire. Ils sont basés sur un montant par membre du personnel du cadre réel des zones à fusionner, auquel s'ajoutent plusieurs multiplicateurs pertinents retenus par le gouvernement. Nous en débattrons lors de l'examen du projet de loi.

Het bedrag voor de hoofdstad dat door de heer Van Tigchelt werd genoemd – de 55 miljoen euro die voor Brussel werd verkregen en die, tot ongenoegen van sommigen, werd goedgekeurd door alle partners van de regering – houdt geen herziening in van de financieringsnorm, in tegenstelling tot wat sommigen hebben laten doorschemeren op een min of meer subtiele manier, maar altijd met het doel om te desinformeren en te manipuleren. Dat zijn straffe woorden, ik weet het.

Mais à un moment, il faut dire les choses comme elles sont. J'ai toujours parlé d'un incitant fusion qui doit justement permettre de répondre aux défis qu'est la fusion.

Ce n'est pas moi, comme ministre de l'Intérieur, qui va vous dire que la fusion des zones de police est chose facile. Et certainement pas à Bruxelles, où nous devons passer de six à une zone qui comptera plus de 7 000 équivalents temps plein. C'est pour cette raison qu'il y a 55 millions d'appui à la fusion.

Donc celles et ceux qui continuent à dire que ce n'est pas un refinancement suffisant pour Bruxelles et les autres Régions, je m'excuse mais on peut dire et faire beaucoup de choses, mais moi j'ai appris dans ma vie que mentir, ça n'était jamais bien. Par conséquent, si je n'avais pas modifié les incitants existants dans le cadre des fusions, les six zones de police bruxelloises auraient obtenu moins d'un million d'euros. Elles auront donc au moins 55 fois plus.

Si après cela on ose encore me dire que Bruxelles est délaissée, j'aurais du mal à l'entendre mais j'ai déjà entendu bien d'autres choses.

Dames en heren parlementsleden, politiek actief zijn, is één ding, maar een betoog dat geen enkele realiteit weerspiegelt, is iets heel anders.

Ik heb de vragen van de heren Thiébaut, Depoortere, Meuleman en de heer Chahid gehoord over de herziening van de zogenaamde flauwekulnorm. Dat zijn mijn woorden niet, maar het is toch grappig. Ter zake heeft de multidisciplinaire commissie begin juli haar voorbereidende werkgroep afgesloten, waarbij een aantal parameters werd gehanteerd die gebaseerd zijn op de werkelijke werklast van de politiezone. Ik herinner eraan dat de vergadering, voorgezeten door een van mijn collega’s van het kabinet, vijftig keer is samengekomen. Dat is toch aanzienlijk meer dan de drie vergaderingen die de commissie in voorgaande jaren hield.

De relevante en toegankelijke criteria die werden geselecteerd, worden voorgelegd aan de VCLP. Voor raadpleging worden ze ook gepresenteerd aan de recent geïnstalleerde Raad van Burgemeesters, die een advies zal uitbrengen.

Par ailleurs, je peux vous annoncer que l'Université libre de Bruxelles a remporté en consortium le marché visant à concrétiser la méthode retenue et surtout à modéliser l'impact financier pour chaque zone de police du pays.

À cet égard, l'accord de gouvernement est clair. Il s'agit d'un financement supplémentaire, puisque nous travaillerons en enveloppe ouverte. Les premières conclusions de cette démarche académique que j'ai initiée sont attendues pour le premier trimestre 2026.

Il ne s'agit pas d'une énième étude, mais bien de la volonté d'aboutir à une nouvelle norme de financement que je mettrai sur la table du gouvernement l'année prochaine. Concernant spécifiquement ce shade , je ne peux pas encore vous indiquer à ce stade l'ampleur du refinancement, puisque le travail est en cours à l'ULB. J'ai néanmoins bien conscience qu'on ne modifie pas une structure, quelle qu'elle soit, sans aborder son financement ni la manière de la pourvoir.

Notre police a besoin d'hommes et de femmes qui viennent renforcer ses effectifs. Ce n'est pas nouveau, mais je me retrousse les manches. Sur ce point, je tiendrai donc un conclave à la fin du mois de novembre, avec différents acteurs, afin de définir les mesures concrètes pour améliorer au mieux l'attractivité de la fonction et faciliter les procédures de recrutement.

Vous noterez la petite différence sémantique entre table ronde et conclave. Il ne s'agit pas de se réunir pour disserter sur le pourquoi du manque. Les constats et les chiffres sont connus. Il s'agit vraiment de sortir d'un conclave qui durera le nombre de jours nécessaire à dégager des pistes concrètes à mettre en œuvre.

Beste Kamerleden, een aantal van u heeft vragen gesteld over de inzet van defensie ter ondersteuning van de politie. Ik wens op dat vlak heel duidelijk te zijn. Ik ben voorstander van de inzet van militairen voor specifieke binnenlandse opdrachten, maar evenwel zonder hun dezelfde bevoegdheden en opdrachten als de politie te geven. Dat is niet noodzakelijk en ook niet wenselijk.

De huidige veiligheidssituatie in onze hoofdstad moet ons allen zorgen baren. Het is voor mij duidelijk dat vanuit de overheid moet worden aangetoond dat we alle beschikbare middelen inzetten om de veiligheid van de inwoners te garanderen. Het gaat hier ook niet om het falen van de politie. Onze politiemensen doen hun werk goed, maar we moeten schakelen en bekijken hoe we de dispositieven kunnen versterken.

U zult het ongetwijfeld met mij eens zijn dat politieopdrachten door politiemensen moeten blijven worden uitgevoerd. De inzet van defensie in deze specifieke aangelegenheid is met andere woorden subsidiair, aanvullend en dus niet ter vervanging van politiecapaciteit. Deze visie van gezamenlijke ontplooiing van macht ben ik genegen.

Nous avons un accord politique entre nous, c'est-à-dire le premier ministre, la Défense et l'Intérieur. Comme vous, j'ai pris connaissance des derniers sondages en la matière et j'ai constaté que 64 % des Belges sondés sur cette thématique étaient favorables au déploiement des policiers en rue. Comme je l'ai déjà annoncé, ma ferme intention est de voir cette mesure concrétisée avant la fin de l'année.

Er zijn intussen ook reeds bilaterale overlegmomenten geweest om het juridische kader uit te klaren, om inzetscenario's te bespreken enzovoort. Dat zou mogelijk zijn op basis van het protocol van 2003, dat nog geldig is. Concreet willen we komen tot een nieuw protocol tussen de politie en defensie, in afwachting van de nieuwe codex voor defensie.

Comme je l'ai indiqué en préambule, cette mesure, comme les autres, n'est pas isolée. Elle s'inscrit dans le plan "Grandes Villes", pour lequel j'ai consulté différents acteurs.

Ce plan "Grandes Villes" produira ses effets en premier lieu dans la capitale et est déjà en cours. Ce plan "Grandes Villes", qui succède partiellement au Plan canal, vise à renforcer la lutte contre la criminalité organisée et la violence liée à la drogue dans nos principales villes: Bruxelles, Antwerpen, Liège, Charleroi, Mons, Gent et Namur. Il repose sur l'approche intégrée All of Government , associant police, Justice, Douanes, Régions, Communautés et communes, avec une coordination renforcée des gouverneurs là où cela est pertinent.

Concrètement, il combine une meilleure cartographie criminelle et un renseignement accru, des opérations récurrentes de grande ampleur – comme les opérations FIPA, telle celle qui s'est déroulée ce lundi – et ciblées – les VIP, Very Irritating Police –, une approche administrative renforcée et le déploiement d'outils technologiques innovants, tels que Police Search, Monfin, ANPR et BSC. La méthode Clear, Hold, Build guide l'action: occuper le terrain, stabiliser les quartiers et reconstruire le tissu social.

Un budget, actuellement estimé à 65,37 millions d'euros, est mobilisé jusqu'à la fin de la législature, notamment pour les caméras – 20 millions d'euros – du matériel spécialisé, des licences judiciaires, afin d'accroître la visibilité policière, rassurer la population et neutraliser durablement les réseaux criminels.

C'est le bon moment pour évoquer les réponses à vos questions sur le Fonds drogues. Le projet de loi Fonds drogues s'inscrit dans l'amélioration de toute la chaîne Follow the Value , qui comprend quatre étapes principales, à savoir la détection, la confiscation, la gestion et la redistribution des valeurs confisquées. Ce dispositif représente une opportunité majeure pour doter nos services de moyens concrets et durables dans la lutte contre la criminalité organisée. Mais son apport dépasse la seule dimension budgétaire. Il introduit un principe essentiel, celui du retour fondé sur les résultats. Plus l'action est efficace, plus les moyens récupérés sont importants et plus il est possible de réinvestir dans la lutte.

Si le Conseil des ministres ne s'est pas encore prononcé sur un avant-projet de loi, c'est parce qu'un tel dispositif implique des choix structurants qui relèvent de plusieurs départements, au premier rang desquels l'Intérieur et la Justice. Avant de soumettre un texte, il est indispensable de parvenir à un accord sur les modalités de gouvernance, de gestion et de redistribution des avoirs criminels, afin de garantir un cadre juridique et opérationnel robuste.

Je tiens à rassurer, mes services travaillent activement à la création de ce fonds. Le Commissariat national drogue a d'ores et déjà été chargé d'affiner différents scénarios.

Vous me demandez pourquoi les initiatives de la législature passée n'ont pas abouti. Eh bien, c’est notamment en raison des remarques du Conseil d’État qui, très justement, s’interrogeait sur le lien à clarifier entre la raison d’être du Fonds – à savoir la lutte contre la criminalité organisée – et le processus de répartition des moyens, lequel, s’il y a Fonds, doit spécifiquement s’attaquer à cette lutte. C’est pourquoi j’ai demandé au Commissariat national drogue de me proposer une solution qui tienne compte de cet avis et qui permette de justifier pleinement la raison d’être du Fonds, à savoir l’exécution d’une politique dont les actions sont formellement identifiées et suivies.

De même, il est essentiel d’éviter qu’un lien direct soit créé entre percepteurs et bénéficiaires, au risque d’influencer le choix des dossiers en fonction de leur potentiel rendement financier.

Enfin, quant à la position des Finances, il est normal que l’administration s’interroge sur la nécessité de prévoir une exception au principe d’universalité du budget. C’est bien pour cette raison que nous travaillons à l’élaboration d’un texte qui n’implique pas une simple injection supplémentaire dans le budget régulier des bénéficiaires, ce qui annulerait la raison d’être d’un fonds. Il est donc primordial que ce mécanisme profite directement aux services de première ligne qui, grâce à des méthodes innovantes, favoriseront un fonctionnement plus coordonné et donc plus efficace de la lutte contre le crime organisé lié à la drogue.

Nous pourrions d’ailleurs parler d’un fonds d’impulsion pour la lutte contre le crime organisé, tant il est nécessaire d’appuyer de nouvelles méthodes pour s’attaquer autrement à cette menace grandissante. La crédibilité et la force de l’État de droit, c’est aussi sa capacité à protéger ses autorités, notamment judiciaires.

Je souhaite ici répondre aux questions de MM. Anthony Dufrane et Brent Meuleman concernant les personnes qui bénéficient actuellement en Belgique d’une protection rapprochée organisée par le service Direction de la protection (DAP), ainsi que sur les questions relatives aux services de renseignement.

S’agissant des critères de protection, le Centre de crise national (NCCN) est informé lorsqu’une nouvelle menace vise une personne et demande, à cet effet, des analyses de menace aux services compétents. La police fédérale, via la Direction des opérations de police judiciaire (DJO), est chargée de l’analyse des menaces provenant du milieu criminel, tandis que l'OCAM se charge de celles provenant du milieu extrémiste ou terroriste. Outre ces évaluations, le NCCN tient compte du risque et des éléments propres à la situation pour déterminer les mesures de protection.

L’analyse repose sur plusieurs critères: la nature et le niveau de la menace en cours, le type de menace pesant sur la victime elle-même, sa famille et ses proches, les caractéristiques de l’auteur présumé de la menace, les informations disponibles en ligne sur la personne menacée, ainsi que les caractéristiques propres à la victime. Le budget de fonctionnement de l’unité DAP s’élève à 3,565 millions d’euros par an.

À côté des mesures visant à protéger l’intérieur de notre territoire, nous devons également lutter contre les menaces extérieures qui contribuent fortement au développement de la criminalité organisée. Vous comprendrez, bien entendu, au vu du caractère sensible de ces informations, que je ne souhaite pas communiquer davantage publiquement sur le contenu concret des mesures mises en place.

En recoupant ces chiffres avec des informations médiatiques, des criminels pourraient déduire qui bénéficie ou non d’une protection, ou même qu’ils font eux-mêmes l’objet d’une surveillance.

Mijnheer Meuleman, het antwoord op uw vraag over Turkse bendes geldt voor alle criminele netwerken. De analyse van de dreiging die uitgaat van criminele dadergroepen en bendes is het onderwerp van regelmatig overleg op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen, met het oog op het nemen van passende maatregelen.

In het algemeen stellen onze diensten vast dat gestructureerde organisaties nu een grotere bedreiging vormen voor de integriteit van de samenleving dan in het verleden. Naast de impact op het gevoel van veiligheid door gewelddadige acties en het aanvallen van mensen in nood, maken de infiltratie van de economie, het misbruik van commerciële structuren en herhaalde pogingen tot corruptie, deze groep tot een grotere bedreiging van onze medeburgers.

Zoals hierboven vermeld, is het aan de lokale autoriteiten om op basis van politiebeelden een nuttige benadering te identificeren. Die kan uiteraard van gerechtelijke aard zijn. Op internationaal niveau kan de steun van Europol worden overwogen. Het kan ook de implementatie van een gerichte informatiepositie inhouden.

Dezelfde lokale autoriteiten kunnen administratieve politiemaatregelen nemen om de schadelijke effecten van die groepen en met name de infiltratie van de lokale economie tegen te gaan.

Daarnaast heeft de regering besloten om een plan voor grote steden uit te voeren, om de impact van de georganiseerde criminaliteit op het gevoel van veiligheid sterk aan te pakken.

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, jullie hebben vragen ingediend over het geweld aan de kust, in het bijzonder in Oostende. De FGP West-Vlaanderen en de politiezone Oostende laten me weten dat uit de voorlopige cijfers van 2025, afkomstig van de Algemene Nationale Gegevensbank, blijkt dat de problematiek in Oostende wel een evolutie kent op het vlak van aanvoerroutes en het gebruik van geweld. Die evolutie houdt verband met druggerelateerde criminaliteit, maar blijft daartoe niet beperkt.

Er zijn gerichte maatregelen genomen om het hoofd te bieden aan het groeiende onveiligheidsgevoel in de stad Oostende, waarvan het tragisch dieptepunt ongetwijfeld het overlijden van een 43-jarige vrouw op 6 september jongsleden was. Voor het lopende onderzoek verwijs ik uiteraard naar mijn collega van Justitie.

Voor de concrete acties die in Oostende werden ondernomen en de statistieken inzake criminaliteit, zal ik uw schriftelijke vragen zoals steeds met de grootste zorg en snelheid beantwoorden.

Mijnheer Vandemaele, de link tussen illegale migratie, opvangcapaciteit en bendes verdient een nadere toelichting. Tegen de netwerken van drugshandel worden maatregelen genomen en die zullen worden versterkt. Tegelijkertijd wordt een strenge migratiepolitiek gevoerd. Er zijn twee afzonderlijke beleidslijnen en we handelen op beide fronten.

Het gaat enerzijds om multidisciplinaire acties, binnenkomstcontroles sinds juni, gerichte opdrachten van de wegpolitie samen met de lokale politiediensten in de hotspot, met name in Brussel. Anderzijds is er een nieuwe coördinatie tussen justitie, de Dienst Vreemdelingenzaken en de politie om de overbevolking in de gevangenissen aan te pakken, met versterkingen van de DAB en de LPA voor overplaatsingen en uitzettingen van illegaal verblijvende gedetineerden.

Mijnheer Depoortere, de politie is een betrouwbare partner in de strijd tegen illegale migratie. De overbevolking in de gevangenissen weegt zwaar, maar de DAB en de LPA zijn actief betrokken bij het verwijderen van personen met een illegaal verblijf. De LPA zal worden versterkt.

We voorzien tevens in een versterking van Frontex. Sinds september zijn er acht extra begeleiders bij de LPA BruNat voor gedwongen uitzettingen bijgekomen.

Voor de cijfers van 2025 over gedetineerde criminelen met een onregelmatig verblijf en effectieve uitzettingen verwijs ik u naar de minister van Asiel en Migratie.

Permettez-moi de terminer par un petit chapitre international en évoquant en effet avec vous, et pour répondre à vos questions, la venue du procureur de la République de Marseille et le rôle des officiers de liaison dans la lutte contre le trafic de drogue.

Mevrouw De Vreese, mijnheer Depoortere, voor uw vragen over de samenwerking tussen Brussel en Marseille verwijs ik u naar de minister van Justitie. Ik juich de synergie tussen hun respectieve parketten uiteraard ten zeerste toe.

Je n'ai pas été sollicité par le procureur de la République pour une rencontre.

Wat de inspanningen tot overleg op het vlak van politie betreft, is in het verleden aangetoond dat de banden tussen Brussel en Marseille inzake drugshandel bekend en aanzienlijk zijn. Ik heb dat reeds besproken met mijn Franse collega Bruno Retailleau en zal dat blijven doen. Het zal u niet verbazen dat de diplomaat die ik altijd ben geweest, sterk gelooft in internationale samenwerking en in het wederzijds belang waarvoor buurlanden moeten instaan.

Wat de oproep betreft van procureur Bessone – overgenomen door mevrouw De Vreese – om de Belgische wetgeving te versterken, meen ik, in het licht van mijn eerdere tussenkomsten, te mogen stellen dat ik die oproep sinds het begin van mijn mandaat heb opgenomen en dat het mijn uitdrukkelijke bedoeling is de inspanningen in die richting voort te zetten.

Monsieur Dubois, vous m'avez interrogé sur les officiers de liaison et leur rôle. Je suis évidemment tout à fait disposé à vous communiquer des statistiques par écrit et en marge de ce débat. Je peux cependant déjà mentionner que la police belge est représentée auprès d'Europol, d'Interpol, du Maritime Analysis and Operations Centre à Lisbonne, et du National Targeting Center des douanes américaines en Virginie.

En concertation avec la Justice et les Affaires étrangères, nous tâchons de les placer là où l'on observe des départs de transport de drogue vers l'Europe. C'est pourquoi nous finalisons une décision pour ouvrir un poste à Panama.

Ces officiers de liaison bilatéraux de la police belge, qui sont nommés pour une période de six ans, ont trois missions principales: faciliter l'échange d'informations policières avec leur pays de travail dans tous les domaines pour lesquels la police belge est compétente; faciliter la coopération judiciaire avec leur pays de travail, notamment dans le cadre de l'exécution de demandes d'entraide judiciaire ou d'extradition et faire office de conseillers pour les postes diplomatiques belges dans leur pays de travail.

Les officiers de liaison de la police belge à l'étranger sont en contact étroit avec leurs homologues d'autres pays actifs sur place, avec lesquels ils échangent des expériences et, lorsque la situation le permet, des informations opérationnelles.

Mesdames et messieurs les députés, mon cap pour mieux sécuriser notre pays est clair: une action coordonnée, ferme et mesurée pour protéger nos citoyens, démanteler les réseaux criminels et restaurer durablement la tranquillité publique. Comme vous le constatez, nous agissons sur tous les fronts.

Le déploiement du plan "Grandes Villes" est déjà en cours. Soit dit en passant, rien n'empêche ici de faire appel à l'imagination.

Ik verwelkom alle suggesties voor een nieuwe naam voor het plan "Grandes Villes", of beter nog, een naam voor elke stad afzonderlijk.

Le déploiement du plan "Grandes Villes", déjà en cours; des renforts policiers ciblés; des protocoles actualisés police-défense pour des missions strictement définies; l'amélioration de la chaîne des éloignements avec DAB, LPA et Frontex; et réforme de l'architecture policière conduite dans la concertation, avec un financement modernisé, fondé sur des critères objectifs.

Sur le plan "Grandes Villes", je ne peux pas prendre trop de temps en plus. Je voudrais aussi signaler que l'intérêt de ce plan "Grandes Villes", et j'aurai l'occasion certainement de revenir vous en parler, est d'avoir un cadre qui soit non pas, comme je l'ai déjà dit, one-size-fits-all , mais un cadre commun pour les différentes villes du pays. L'objectif n'est pas que chaque ville ait son trophée et son plan. Cela doit répondre aux critères que nous définissons. La complétion de ces critères va nous permettre de voir où il faut mettre plus d'emphase.

J'ai entendu un certain nombre de bourgmestres dire qu'ils étaient assez preneurs pour des militaires en rue. C'est déjà une première étape. Il ne suffit pas de le demander pour l'avoir. Il faut qu'on voie en fonction des chiffres. C'est pour ça que nous avons besoin d'une image.

Het is belangrijk een goed beeld te hebben van de criminaliteit. We moeten dat samen met mijn diensten, justitie, de gouverneur en de burgemeesters in kaart brengen. Op basis daarvan kunnen we dan bepalen of we militairen moeten inzetten of niet, of er meer federale gerechtelijke politie nodig is, meer van dit, minder van dat, camera’s, enzovoort.

Nous prenons les réformes nécessaires, sans naïveté ni fatalisme – je l'ai dit –, et avec comme préoccupation le respect de l'État de droit. Je poursuivrai ce travail avec l'ensemble des niveaux de pouvoir et rendrai compte des progrès au Parlement. J'invite chacune et chacun à soutenir ces mesures pour adresser un message univoque: en Belgique, la loi s'applique partout et à tous. La sécurité des habitants est non négociable. Il n'y a pas de place chez nous pour le crime.

Je vous remercie.

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoord dat zeer uitgebreid, deskundig en to the point was.

Ik geef het woord aan het Parlement voor de replieken.

Ridouane Chahid:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses qui, évidemment, ne m'ont pas convaincu, vous vous en doutiez. Je voudrais revenir sur plusieurs points.

Par rapport à la fusion, vous dites qu'il s'agit d'une question de vocabulaire, etc. Vous n'avez pas, à mon avis, compris le message de mon camarade Jean Spinette ce matin. Nous avons effectivement un problème de vocabulaire, vous et moi, puisque quand nous demandons plus de policiers sur le terrain, vous, vous envoyez des militaires. Je constate donc qu'on ne se comprend pas. La police et l'armée n'ont pas vocation à faire la même chose, dans ce pays en tout cas. Peut-être est-ce le cas dans d'autres pays comme la France mais, en Belgique, chacun a son rôle. À titre personnel, cela me désole de voir un ministre de l'Intérieur qui, en décidant l'arrivée de l'armée sur le terrain, déforce la police et n'accorde pas à ces uniformes qui nous défendent chaque jour la valeur qui leur revient.

Je ne serai pas beaucoup plus long. Au sujet de la fusion, je voudrais simplement vous dire que lorsque ce texte viendra au Parlement, il faudra prendre beaucoup de temps, monsieur le ministre. Je vais en effet vous démontrer que votre texte est antidémocratique en attirant votre attention sur deux éléments.

Le premier concerne les conseils de police parce que, en les supprimant, la première chose que vous faites c'est supprimer la possibilité à la population, à l'opposition démocratiquement élue par elle, de pouvoir s'exprimer, parce que les conseils communaux n'ont plus cette possibilité-là. Ici, vous opérez un retour en arrière par rapport à la réforme du début des années 2000, la loi sur les zones de police et la nouvelle loi intégrée. Vous constaterez vous-même que, si on a créé des conseils de police et qu'on leur a donné des missions et des tâches, c'est justement pour que les conseils communaux n'aient plus ces missions-là. Il faudra alors que vous nous expliquiez comment s'exercera ce contrôle démocratique qui ne pourra plus se faire.

Deuxième élément très important, il y a, un principe fondamental à Bruxelles qui fait que cette Région est bilingue. Comment ferez-vous en sorte que la minorité linguistique de cette Région – à savoir les néerlandophones – puissent avoir une voix dans les institutions que vous allez créer, puisque, en fonction de ce que vous déposez aujourd'hui, elles n'auront plus leur mot à dire dans le fonctionnement de la future zone de police telle que vous la souhaitez?

Pour conclure, prenez tout votre temps, parce que je pense que vous en aurez besoin pour étudier le nombre d'amendements que nous allons déposer. Nous allons pouvoir vous démontrer que votre solution n'est en tout cas pas efficace pour l'objectif que vous visez, la sécurité des Bruxellois.

Éric Thiébaut:

Monsieur le ministre, je parle tout le temps d’argent. Comme vous le savez, l'argent est le nerf de la guerre. Je vous ai posé des questions par rapport aux dotations, mais vous ne m'avez pas vraiment répondu cette fois-ci. Donc, je vais être obligé de revenir avec ces questions-là. J'ai posé des questions assez précises. On est toujours au stade des bonnes intentions, comme depuis votre note de politique générale. Et vous êtes, je le sais, plein de bonne volonté. Mais à un moment donné, il n'y a rien à faire. Il va falloir que la note soit présentée au gouvernement. Et, visiblement, personne ne veut payer la note de votre politique, clairement. Sauf peut-être les communes, mais elles ont déjà beaucoup payé. Il va donc quand même falloir qu'au niveau de ce gouvernement Arizona, on donne aux zones de police les moyens nécessaires à la sécurité des citoyens.

Il va falloir aussi que vous m'entendiez par rapport à toute une série de mesures que vous pouvez quand même prendre pour aider les zones de police à établir leur budget de manière plus juste, avec une répartition des efforts équitable entre le niveau local et le niveau fédéral.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u nogmaals voor uw uitgebreide antwoord en zeker voor de deelaspecten waarop u hebt geantwoord. Wat ik echter in globo mis, is de urgentie van dat alles. Wij kunnen er, zoals u zelf aangaf, niet omheen. Men moet van een andere planeet komen om de realiteit niet te zien. Die realiteit is heel ernstig. Ze is niet hopeloos maar zeker heel ernstig.

In dergelijke situaties moeten wij de moed hebben, ook de politieke moed, om vlugger te ageren. Ik geef u enkele voorbeelden van maatregelen waarop mijn partij, het Vlaams Belang, al jaren hamert.

Ten eerste, wij vragen een nationaal drugsbestrijdingsagentschap, met een drugsparket dat specifiek kan worden ingezet. De huidige regering heeft enkel een taskforce opgericht waarvan de resultaten nog moeten blijken. Het is mij niet duidelijk wat die taskforce in de praktijk precies doet.

Ten tweede, wij hebben reeds vóór de vorige legislatuur het idee en het voorstel gelanceerd om een drugsfonds op te richten. U hebt vandaag een uitvoerige technische uitleg gegeven waarom dat fonds er nog altijd niet is. Dat kan er bij mij werkelijk niet in. Als het mogelijk is om in het kader van de verkeersveiligheid een verkeersveiligheidsfonds op te richten dat al jaren operationeel is, dan kan ik niet begrijpen waarom het zo moeilijk is om een drugsfonds op poten te zetten. U hebt geen timing en er is geen urgentiegevoel.

Nochtans hadden wij gisteren de commissaris-generaal, de heer Snoeck, op een hoorzitting in onze commissie. Ook de nationale drugscommissaris heeft het reeds laten weten. Zij zijn allebei heel grote voorstanders van de urgente oprichting van een dergelijk drugsfonds. Daarbij aansluitend, heeft de commissaris-generaal gisteren een strategisch plan uiteengezet. Dat betreft echter slechts het eerste deel, namelijk de taken die zij nu kunnen uitvoeren binnen het huidige kader en met de bestaande middelen.

Het belangrijkste deel moet nog komen, zoals de heer Thiébaut terecht heeft opgemerkt. Dat zijn de bijkomende middelen die kunnen worden geïnvesteerd in onze politiediensten. Ook de manier waarop de nieuwe structuren op het getouw zullen worden gezet, is cruciaal. Ook op dat vlak stel ik te weinig urgentie vast.

U hebt er zelf naar verwezen, deze week werden 500 agenten ingezet in Brussel voor een actie tegen drugshandel en georganiseerde misdaad aan het Noordstation, aan het Zuidstation en in de Peterboswijk. In wezen was dat echter een symbolische actie. Dat werd ook op die manier uitgelegd door de korpschef, de heer De Landsheer, op de openbare omroep. Misschien volgt u het niet helemaal, maar op onze openbare omroep, de VRT, verklaarde de korpschef dat de actie vooral bedoeld was om een signaal te sturen naar de burgers.

Zo staat het ook in De Standaard . Wat is dan eigenlijk het resultaat? In dezelfde uitzending zei de reporter van de VRT ter plaatse dat de drugsdealers er meteen na de actie opnieuw stonden en dat er op het terrein weinig tot niets was veranderd.

Ten tweede gaat u wat licht voorbij aan het feit dat 40 % van de gevangenen in ons land niet de Belgische nationaliteit hebben. Ik hoor geen cijfers van u, want u verwijst mij naar uw collega, de minister van Asiel en Migratie. Het blijft echter wel een feit dat 40 % van de gevangenen niet de Belgische nationaliteit heeft en dat wij kampen met overbevolking in de gevangenissen, waardoor er voor criminelen geen plaats meer is. Zo blijven onze politieagenten dweilen met de kraan open, hoewel zij hun werk zeer goed doen. U hebt dat namelijk terecht benadrukt: onze politieagenten doen hun werk goed. Als zij echter keer op keer zien dat criminelen vrijuit gaan omdat er geen plaats is in de gevangenissen, dan zitten we met een zeer groot probleem.

Ik heb u ook meerdere keren horen zeggen dat u achter de rechtsstaat staat. Het ondermijnen van de rechtsstaat betekent echter precies dat men criminelen niet de straf geeft die ze verdienen. Ik hoop, mijnheer de minister – en ik besef dat dit niet allemaal binnen uw bevoegdheden valt – dat u ook beseft dat de regering een en ondeelbaar is. Deze regering zou het anders en vooral beter doen dan de vorige regering. Ik zie de resultaten op het terrein echter nauwelijks. Voor ons is het wel duidelijk: we moeten onze politiediensten versterken, criminelen effectief opsluiten en vooral die criminele vreemdelingen ons land uitzetten.

Ook het idee om het leger in te zetten binnen de politiediensten blijft omgeven door een waas van onduidelijkheid. U herhaalt wat u in het verleden al zei, namelijk dat u mikt op gemengde patrouilles en dat het absoluut niet de bedoeling is dat militairen politietaken overnemen. Ik hoor echter een minister van Defensie die andere dingen beweert. Ik hoop dat we daarover vroeg of laat toch duidelijkheid krijgen. Het moet namelijk duidelijk zijn. De burger verwacht geen politieke discussie over militairen tegenover politie en omgekeerd, de burger verwacht dat er actie wordt ondernomen op het terrein. Ik hou niet zo van die semantische discussies over wie wat moet doen. Ik geloof wel dat onze politiediensten voldoende moeten worden versterkt en uitgerust om recht en orde in onze samenleving te herstellen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

U hebt een interessante uitspraak gedaan met betrekking tot mijn eerste vraag over de politiezones. U zei dat u gerust uw voorstel wilt amenderen en dat het meer dan cosmetica zal zijn. Ik denk dat dit een heel duidelijk signaal is dat u bereid bent om tot een onderhandelde oplossing te komen, een oplossing die gedragen kan worden. Dat is ook de manier waarop ik u als minister ken. Ik hoop dat u dat inderdaad zult waarmaken. The proof of the pudding is in the eating , uiteraard, maar au fond ben ik voorstander van de fusie, dus daarin kunnen we elkaar vinden.

Twee aandachtspunten voor ons zijn de nabijheid van de politie enerzijds en het democratisch gehalte anderzijds. U verwijst naar de gemeenteraad, waar alle vragen kunnen worden gesteld. Dat klinkt logisch. Vandaag kan ik als oppositieraadslid in de politieraad rechtstreeks vragen aan de korpschef stellen, maar ik kan me niet voorstellen dat de korpschef aanwezig zal zijn bij alle vergaderingen van de gemeenteraad om dergelijke vragen te beantwoorden. Er blijft dus een zekere gap tussen wat er vandaag mogelijk is in de politieraad en wat binnenkort in de gemeenteraden zal kunnen. Dat is een belangrijk aandachtspunt.

Een tweede aandachtspunt gaat over de gegarandeerde plaats van de Nederlandstaligen in de instellingen die op Brussels niveau zullen worden gecreëerd. Ik ga ervan uit dat de collega’s van N-VA u hierop zullen attenderen. Er moeten garanties zijn. Op dit moment zie of hoor ik die garanties niet.

Op het vlak van het democratisch gehalte ligt er dus nog een uitdaging om daadwerkelijk tot iets te komen wat ook goed functioneert.

Het tweede element van mijn vraag ging over de inzet van militairen op straat. Het wordt voor mij steeds onduidelijker.

Hoe meer vragen we aan ministers stellen, hoe meer verschillende variaties of antwoorden we krijgen. U zei, maar misschien is mijn Frans niet goed genoeg of ligt het aan de vertaling, dat het alleen over Brussel gaat, om het dan vervolgens over andere steden te hebben. Is het de bedoeling dat de militairen uitsluitend in Brussel worden ingezet of ook elders? Ik weet het nog niet. Dat is belangrijk om uit te klaren.

U zei dat het niet de bedoeling is dat de militairen louter statische opdrachten uitvoeren, maar ik hoor niet of ze in gemengde teams zullen werken en met welk mandaat. Ik vind dat u geen duidelijk antwoord geeft en dat de elementen van antwoord die u geeft bovendien niet altijd in lijn liggen met wat uw collega-ministers zeggen. Daardoor blijft er een zekere onduidelijkheid bestaan.

Tot slot verwijst u zelf ook naar het groeiend aantal mensen zonder papieren dat in Brussel ronddoolt. Dat is een gevolg van het beleid van uw collega, de minister van miserie, mevrouw Van Bossuyt. Het is een bewuste keuze van deze regering om steeds meer mensen de straat op te duwen.

Daar wordt altijd aan gekoppeld dat men de mensen zonder recht op verblijf gaat terugsturen. U weet echter net zo goed als ik dat dit gewoon niet gebeurt. Er vertrekken nauwelijks mensen uit onze gevangenissen terug naar het buitenland. Er vertrekken nauwelijks mensen die uitgeprocedeerd zijn in de asiel- en migratieprocedure. Er gaan nauwelijks mensen terug. Al die mensen krijgen dan misschien geen opvang meer.

Inderdaad, mevrouw Van Bossuyt kan dan haar statistieken opkuisen, maar die opgekuiste statistieken leiden ertoe dat steeds meer mensen doelloos, zonder middelen en zonder ondersteuning rondlopen in Brussel – vooral in Brussel, maar ook in andere steden. Zij vormen daar een reservoir voor criminele bendes en zijn heel gemakkelijk te rekruteren.

Ik denk dat u uw minister van Asiel en Migratie echt diep in de ogen moet kijken. U bent daar namelijk een joekel van een probleem aan het creëren, eerder dan het op te lossen.

Xavier Dubois:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Je tiens à saluer les éléments que vous avez mis en avant, comme les renforts que vous avez obtenus rapidement, les 31 agents de la police judiciaire, plus les 40 qui arriveront en novembre. Cela fait 70 agents en plus, ce qui est déjà une belle avancée, même si ce n'est pas suffisant. Il y a aussi la task force , dont vous avez précisé qu'elle était en place et qu'elle allait produire des résultats, ce que nous espérons aussi. Et puis le plan stratégique de la police fédérale, dont nous avons eu l'occasion de discuter hier. Je pense que c'est une première qu'il faut saluer.

Vous avez d'abord affirmé que l'armée n'était pas la solution, ni la fusion des communes.

Bernard Quintin:

Vous avez dit la fusion des communes.

Xavier Dubois:

Ah oui, la fusion des communes, c'est une autre phase, qui viendra plus tard.

Vous avez dit que la fusion des zones de police n'était pas la solution, et je partage bien entendu cet avis. Vous vous posez la question de quelle est la solution. C'est en fait de mettre en œuvre les mesures de l'accord de l'Arizona. Il y en a 20. J'insiste bien pour que toutes ces mesures soient mises en œuvre.

Je rappelle que ces mesures ont été décidées par les négociateurs, parmi lesquels figurait le bourgmestre d'Anvers, qui a une bonne compréhension de la réalité et de la question du trafic de drogue. Dans ce cadre-là, il y a de nouveaux plans. Il y avait aussi le Stroomplan, dont on ne parle plus, de la Vivaldi. Qu'en est-il? Est-ce qu'il existe encore? Est-ce qu'il produit encore ses effets? Quel lien peut-on faire entre cet ancien plan et d'autres actions que vous mettez en œuvre? J'ai cru comprendre dans votre réponse que le plan "Grandes villes" répondait partiellement ou était le successeur partiel du Plan Canal. Il faut aussi le prendre en considération.

Concernant le financement des zones de police, vous avez évoqué les incitants à la fusion. Mais, au-delà des incitants à la fusion, il y a le financement général, qui doit être juste et équitable. Et donc, à côté de cela, il y a la réforme de la norme KUL, dont vous avez dit que cela avançait, qu'il y avait effectivement beaucoup de travail qui avait été réalisé et qu'un marché avait été attribué à l'ULB, si j'ai bien compris. Cela veut dire que les modalités et les paramètres ont été définis.

J'espère que nous pourrons avoir très vite des informations sur ces paramètres, puisque l'université va les tester pour savoir quel en sera l'impact sur les zones et sur les types de zones. Cet après-midi, si j'ai bien compris, il y aura une présentation de cette réforme à la Conférence des bourgmestres. Je suppose qu'on aura la réponse très rapidement.

Sur le Fonds drogue, les services avancent, et la commissaire nationale aux drogues également, c'est une bonne chose. Cependant, cela fait des mois qu'on en parle et on n'a toujours pas d'idée concrète des moyens que ce fonds pourrait véritablement mobiliser. Il est vraiment nécessaire que l'on puisse avoir ces informations. Les travaux budgétaires étant en cours, il est absolument nécessaire de définir quelles seront les recettes et les sources de ce fonds et quels vont en être les moyens. Où devra-t-on mettre les effectifs pour assurer le financement le plus important possible de ce fonds, pour qu'on puisse lutter de manière très efficace contre cette problématique?

Vous m'avez répondu sur la question des agents de liaison. Il s'agit effectivement d'un outil à développer davantage et nous reviendrons, comme vous l'avez proposé, avec le détail écrit par rapport à nos questions.

Pour conclure, je n'ai pas eu beaucoup de réponses sur les actions que vous entreprenez en faveur des zones rurales. Je répète qu'il est indispensable de ne pas négliger les zones rurales parce qu'au-delà de ce que ces communes vivent au quotidien, ces zones sont choisies par certains trafiquants pour se réfugier afin de disparaître des radars. Dès lors, je pense qu'il est important que les zones de police rurales disposent des moyens pour pouvoir recenser ces risques et poursuivre ces narcotrafiquants avec davantage de moyens. Merci d'avance pour vos réponses complémentaires, monsieur le ministre.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Malgré votre bonne volonté, dont je ne doute pas, les solutions que propose aujourd'hui le gouvernement sont des réponses au mieux naïves, au pire autoritaires, et qui ressemblent davantage à une fausse réponse rassurante qu'à une vraie politique de sécurité, puisque l'armée n'est ni formée, ni payée, ni même demandée par les grandes villes pour remplir les missions qu'on veut lui faire remplir. Et au lieu de s'attaquer à la source du narcotrafic et aux raisons pour lesquelles des milliers de personnes se retrouvent en situation de consommation régulière, on préfère déployer des militaires dans les quartiers les plus précarisés, même si, soyons de bons comptes, vous dites que ce n'est pas la solution, et je pense aussi que cela ne fait pas partie de la solution tout court.

Du reste, je ne suis pas sûre que les Bruxelloises et les Bruxellois se sentent davantage en sécurité au milieu de militaires avec des armes lourdes et des uniformes de camouflage. Je ne suis pas sûre que poster des militaires en rue soit le meilleur moyen de rassurer la population. Les trafiquants, quant à eux, ils iront tout simplement ailleurs, nous connaissons leurs méthodes. D'ailleurs, ils n'hésitent pas à menacer nos institutions. Pendant ce temps, ce sont la Justice, les services sociaux et la Santé qui sont privés de moyens dont ils ont cruellement besoin pour démanteler ces réseaux.

Sur la fusion des zones de police, monsieur le ministre, les principales questions qui se posent portent sur l'efficacité. En effet, en tant qu'écologistes, nous sommes ouverts à tout ce qui pourrait être encore plus efficace, encore plus proche du citoyen, encore plus lisible, mais la méthode compte aussi. On ne peut pas imposer une réforme sans concertation, sans études solides qui prouvent sa nécessité et sans des garanties claires de refinancement. Les bourgmestres l'ont dit et ce sont aussi des spécialistes et il faut pouvoir les écouter.

Ce qu'il faut, c'est aussi davantage de moyens structurels, une police de proximité et une police judiciaire qui travaille sur le long terme et pas un bricolage précipité qui affaiblit le contrôle démocratique et qui éloignerait encore plus la police des citoyens et des citoyennes. Comme l'ont dit les collègues, n'hésitez pas à prendre le temps de bien construire cette réforme essentielle.

La réalité aujourd'hui, monsieur le ministre, est que le gouvernement dont vous faites partie fragilise les vrais piliers de la sécurité que sont la Justice, la police de proximité, la prévention et la cohésion sociale. On ne protège pas une société en détruisant ce qui la tient debout. Nous attendons donc la suite avec impatience.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, het risico bij een hutsepot van samengevoegde vragen is dat er op een aantal vragen geen antwoord komt. Mijn vragen over de problematiek in Oostende en aan de kust werden in één zin beantwoord. Ik zal deze nog eens schriftelijk indienen om een antwoord te krijgen. Deze problematiek leeft immers sterk in West-Vlaanderen. Deze specifieke problematiek duikt immers elke zomer weer op en is veel breder is dan louter de druggerelateerde criminaliteit. Het gaat ook over de manier waarop de politionele capaciteit wordt ingezet.

In het regeerakkoord werd met betrekking tot de aanpak van georganiseerde criminaliteit duidelijk de urgentie ingeschreven om grote hervormingen door te voeren, zowel bij Binnenlandse Zaken als bij Justitie. U bent zich er duidelijk van bewust dat er zeer veel werk op de plank ligt. U hebt met de mensen op het terrein gesproken, in de eerste plaats in Brussel. U zou ook nog ter plaatse gaan in West-Vlaanderen, hoor ik.

U hebt onmiddellijk werk gemaakt van de fusie van de politiezones door een plan op tafel te leggen en met alle burgemeesters te gaan spreken. U moet deze zeer moeilijke opdracht tot een goed einde brengen door op een bepaald moment knopen door te hakken en door te duwen. Dat geldt eveneens voor de beoogde hervorming van de federale politie. Gisteren kwam de commissaris-generaal met zijn strategisch plan. Aan het einde van deze week zal hij u ook zijn plan rond de hervormingen bezorgen. Het is belangrijk dat er politieke keuzes worden gemaakt, omdat de urgentie voor de hervorming van de federale politie ook zeer groot is.

De discussie over militairen op straat zou een semantische discussie zijn. Collega’s, dat is natuurlijk veel meer dan een semantische discussie. Men zet immers niet zomaar militairen op straat. Dat moet zeer weloverwogen gebeuren, binnen een tijdelijk kader en met een duidelijke analyse. Ik ben blij dat u dat ook zegt, minister, dat er een duidelijke analyse moet aan voorafgaan om te bepalen wie we waar en hoe zullen inzetten. Dat is volgens mij ook de correcte manier. De minister van Defensie geeft ook aan samen en weldoordacht een plan uit te werken, waaraan mogelijk een aantal discussies voorafgaan. Dat is normaal en we moeten daar gewoon uit raken. We vormen dan ook één front in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

Tot slot wil ik nog kort iets zeggen over het Grootstedenplan, dat het Kanaalplan vervangt. Ik ben ervan overtuigd dat elke grote stad een plan moet hebben voor de aanpak van drugscriminaliteit. Elke grote stad wordt immers op de een of andere manier geconfronteerd met drugscriminaliteit en georganiseerde criminaliteit. Elke stad moet dus zo’n plan hebben.

Toch wil ik een kleine waarschuwing meegeven: het is belangrijk voldoende te focussen op de plaatsen waar de problemen het grootst zijn. Dat was precies de sterkte van het Kanaalplan: de focus leggen op de gebieden waar de problemen het meest prangend waren en die zeer gericht aanpakken.

Dat was ook de vraag in het regeerakkoord: het Kanaalplan verder uitwerken. Ik zal mijn collega Jeroen Bergers specifiek laten spreken over de Vlaamse Rand, want hij kent de situatie daar veel beter dan ik. Onze vraag blijft echter dezelfde: verlies die focus niet op de plaatsen waar de problemen het grootst en het meest prangend zijn. Leg ons een plan voor waarin duidelijk wordt aangegeven op welke manier u het Kanaalplan zult vervangen. Bedankt, mijnheer de minister.

Franky Demon:

Mijnheer de minister, ik ben vannacht uit Moldavië van de verkiezingswaarnemingen teruggekeerd. De Veiligheid van de Staat had mij verwittigd om op mijn gsm en andere zaken te letten. Ik heb daar waarnemingen en vergaderingen gedaan. Soms voelde ik mij daar veiliger dan wanneer ik in Brussel van het station naar hier kwam. Ik denk dat u echt onze steun krijgt als u zegt dat u doorgaat met één politiezone. Ik geef u ook gelijk als u zegt dat u niet dé oplossing in uw mouw hebt zitten. Het zal een en-en-en-enverhaal worden.

Ik wil ook waarschuwen voor symbolische acties. Ik heb dit zelfs tegen partijgenoten gezegd. Door 500 agenten naar Peterbos te sturen of agenten tijdelijk te verplaatsen, scoort u in de media. Dat geeft waarschijnlijk ook een goed gevoel voor de bewoners. Ik denk echter dat we vooral nood hebben aan structurele oplossingen en dat we daarop nog krachtiger moeten inzetten.

Voor het Kanaalplan en het Grootstedenplan krijgt u mijn steun, maar ik heb wel vragen over de steden. Ik begrijp dat er bepaalde namen worden genoemd, omdat er recente schietincidenten waren. Daarvoor hebt u mijn steun. Ik vraag mij echter af waar Roeselare hierin staat. U zult dat toch eens moeten bekijken. Ik geloof niet dat u dat communautair hebt bekeken, maar ik geloof wel dat er aanpassingen mogelijk zijn.

Velen hier, ook u, ook mevrouw De Vreese, hebben het over Justitie. Ik geloof dat de vraag van onze minister van Justitie om extra budget door u moet worden ondersteund. Als u samen met de minister van Justitie een goede tandem kunt vormen om extra middelen in te zetten, zullen we volgens mij vooruitgang boeken.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onze binnenlandse veiligheidsarchitectuur moet hervormd worden, daarover zijn we het roerend eens. Brussel wordt daarbij een van de grootste werven, dat is ook wel duidelijk geworden. Laten we echter niet vergeten dat ook op andere plaatsen in ons land en in Vlaanderen heel grote veiligheidsuitdagingen op tafel liggen. Het zijn uitdagingen waarvoor vaak uitsluitend naar de lokale besturen en de lokale politiezones wordt gekeken. Zonder een transparant en vooral toereikend financieringsmodel zullen vele goede plannen dode letter blijven.

Ik zal uw beleidsinitiatieven dan ook met grote belangstelling opvolgen, constructief waar mogelijk, maar kritisch wanneer nodig. Veiligheid is de eerste zorg van een sterke overheid en blijft daarom voor mijn partij, voor Vooruit, een topprioriteit.

Voorzitter:

Mijnheer Meuleman, u toont hoe men in weinig woorden toch een duidelijke boodschap kan brengen.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, helaas heb ik op een van mijn twee vragen geen antwoord gekregen. Ik vond zelf ook dat mijn vraag niet volledig in dit debat thuishoorde, dus ik neem het niet persoonlijk. Ik zal bekijken op welke manier ik die vraag opnieuw kan indienen. Eventueel kan ze gekoppeld worden aan een vraag van collega Chahid, die nog op de agenda staat. Ik vermoed dat we die vandaag toch niet zullen verwerken.

Over het Kanaalplan of het Grootstedenplan is al uitvoerig gesproken. Ik treed – niet geheel toevallig – mijn collega De Vreese bij. Het is belangrijk dat we vertrekken vanuit de essentie van het regeerakkoord, dat heel duidelijk stelt dat het Kanaalplan – als u er een andere naam aan wilt geven, is dat geen probleem – versterkt zal worden in Brussel en de Vlaamse Rand, waar het al in werking was, aangezien we merken dat de criminaliteit daar één geheel vormt. Voorbije zomer werd in Vilvoorde een Brusselse drugsbaas opgepakt, met rellen aan het station tot gevolg. Verschillende politieagenten werden daarbij werkonbekwaam geslagen. Het is dus echt belangrijk dat de problemen van Brussel en het wanbeleid dat daar is gevoerd, zich niet zomaar kunnen verplaatsen naar de Vlaamse Rand. In die strijd zullen wij u steunen, want het is belangrijk dat er aandacht blijft voor de gehele problematiek, zoals opgenomen in het regeerakkoord.

Ik heb u enkele steden horen noemen en vraag me af welke criteria zijn gehanteerd om die steden te selecteren. Het is echter belangrijk te beginnen met de essentie van het regeerakkoord.

Als u een andere naam voor het Kanaalplan wilt, kan ik een naam suggereren die mij geruststelt dat er genoeg aandacht zal zijn voor de Vlaamse Rand. Het is een beetje humoristisch, maar Randgevallenplan is misschien een optie, zodat er zeker aandacht is voor die regio.

Catherine Delcourt:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses et surtout pour vos actions et votre présence sur le terrain lors de l'opération coup de poing, où vous étiez aux côtés des 500 policiers. Cela démontre la volonté de l'État de reprendre pied dans nos quartiers et de rendre la rue aux citoyens. C'est une démonstration de fermeté et un signal fort pour les habitants qui voient que vous ne les abandonnez pas.

Une police de proximité, présente et visible, c'est évidemment ce qu'il nous faut. Pour cela, il faut dégager de la capacité et vous vous y employez de différentes manières: fusion des zones de police, mobilisation des militaires. Environ 70 % de la population est favorable à la présence des militaires en rue et estime que cela renforcera leur sentiment de sécurité.

Il faut donner aux policiers les moyens d'agir. Vous renforcez leurs effectifs, en soutenant leur travail de terrain, et c'est comme cela qu'on pourra restaurer durablement la confiance et la sécurité dans nos villes. Mais la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue ne s'arrête pas là, elle doit être globale, transversale. Il faut que la justice soit impliquée, les finances, la santé publique, la politique sociale.

La rencontre et les échanges entre le procureur du Roi de Bruxelles et le procureur de la République de Marseille constituent un bon signal. Cela montre que la justice est un maillon essentiel de la chaîne. Nous devons nous inspirer du modèle français pour certains aspects de lutte contre le trafic de drogue et le crime organisé. Vous pourrez, monsieur le ministre, donner tous les moyens nécessaires à la police locale et à la police fédérale, si la justice ne fait pas son travail derrière, on se sentira toujours en insécurité en faisant le trajet entre la gare et le Parlement.

Je continuerai à suivre avec attention ce plan "Grandes Villes" et son implémentation, pour que vous veilliez à ce que ce soit un outil fort au service de la sécurité de tous.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, vous souhaitez intervenir? Vous donnerez ainsi l'occasion aux parlementaires de répliquer une nouvelle fois, puisque le dernier mot revient au Parlement.

Bernard Quintin:

J'ai dit plusieurs fois que j'étais très respectueux de l' É tat de droit. Et je ne suis pas complètement fou!

Je tenais à revenir sur quelque chose d'important. En effet, il y a beaucoup d'éléments.

Ik heb het in mijn antwoord niet in detail gehad over Oostende en de kustregio, maar mijn invalshoek is het Grootstedenplan.

Ce plan "Grandes Villes" répond à une nécessité. Je peux me limiter à la lettre de l'accord de gouvernement et simplement travailler à un nouveau Plan Canal, m'arrêter, c'est très bien, j'ai une médaille, j'ai fait ce que je devais faire.

La situation à Anvers est compliquée, il y a le Stroomplan qui n'est pas dirigé de la même manière, ça aussi c'est un élément à prendre en compte. Il faut se mettre à la place du ministre de l'Intérieur! Si chaque ville commence à faire son plan avec ses propres critères et sa gestion, ça complique singulièrement le tableau. Chaque ville adressant, bien sûr, ses demandes au ministre: "J'ai besoin de la FERES, j'ai besoin du CIK, j'ai besoin..." Donc je pense qu'un peu d'ordre et de systématisme est une bonne chose.

J'ai oublié de répondre en effet sur la proximité. C'est précisément pour cela qu'on a besoin d'acquérir une vision fine de la criminalité. Ce n'est pas juste pour le plaisir de dire que chaque ville doit avoir son plan, il y a une image de la criminalité. C'est pas un plan Bruxelles, c'est un plan Bruxelles en omstreken . Ce n'est pas un plan Liège. Parler de Liège sans parler de Bierset, ça n'a aucun sens, de la même manière que ça n'a aucun sens de parler de Charleroi sans parler de l'aéroport de Charleroi. Et par maillage, cela permet également de travailler sur les villes moyennes et sur les campagnes, qui ont leurs propres spécificités. Mais je ne vais pas envoyer l'armée à Silly, pour prendre un joli village du Hainaut que je connais peut-être un peu plus que d'autres.

Je voudrais revenir sur deux points, surtout à part sur le plan grande ville. Monsieur Chahid vous l'avez dit, et franchement ça m'attriste un peu, parce que je l'ai répété, faire appel à l'armée de manière ponctuelle, limitée, dans le scope et dans le temps, je pense que c'est une nécessité. Ce n'est en aucun cas un désaveu du travail de la police. Je ne peux pas laisser dire sans réagir qu'en faisant ça, je désavoue le travail de la police. Je suis tous les jours avec la police. C'est comme si vous me disiez qu'en envoyant les renforts de la police fédérale, je désavoue la police locale. Non, on a besoin de toutes les forces vives de la nation pour tenter de résoudre ça. Est-ce que c'est une bonne idée? Je le pense. Vous pouvez évidemment penser le contraire. C'est votre droit le plus strict.

Deuxièmement, madame Maouane, vous avez dit que les villes ne le demandent pas. Moi, j'ai quand même entendu les bourgmestres de Charleroi et Liège – dont on ne peut pas soupçonner qu'ils soient sur la même longueur d'onde politique que votre serviteur – dire que pourquoi pas, que c'est peut-être une bonne idée, que ça peut servir.

We moeten alles in het werk stellen om de situatie te verbeteren.

Je pense avoir démontré que je travaille sur tous les chantiers en même temps, mais la journée n'a que vingt-quatre heures. Et je ne parle pas seulement de la journée du ministre, mais aussi de celle des administrations qui doivent traduire en textes de loi toutes nos idées politiques. Tout cela prend du temps.

Enfin, sans pouvoir répondre à toutes vos questions, je voudrais revenir sur les Full Integrated Police Actions (FIPA) comme celle que nous avons menée lundi. Il n'agit pas d'une opération de pure optique, visant à satisfaire l'égo qui serait éventuellement blessé, malade ou démesuré de Bernard Quintin, ministre de l'Intérieur. Je vous assure que j'ai passé l'âge! Je n'en ai pas besoin. Il est intéressant de le faire pour les actions en elles-mêmes. Je puis vous dire que nous avons assisté à plusieurs opérations policières qui ne se sont pas déroulées devant les caméras et qui étaient d'une grande fermeté et nécessité pour lutter contre différents trafics et autres faits criminels.

En tout cas, j'assume totalement le message politique. Enfin, nous sommes ici à la Chambre, où nous faisons de la politique! J'assume le message politique auprès de la population, qui le demande. Je suis allé place Bonnevie, place Clemenceau et place Bethléem – c'est certainement un peu plus que ce que font certains, qui auraient dû y aller aussi. Et je ne vise personne ici en particulier. C'est ce que demande la population. Nous étions du côté de la Porte de Hal. Une dame m'a fait signe de son balcon et m'a dit: "Je ne peux pas parler maintenant." Les réseaux sociaux fonctionnent, puisqu'elle a trouvé le numéro de téléphone d'un de mes collaborateurs pour nous remercier de l'action menée. Elle nous a dit: "C'est très bien. Nous en avons besoin. Depuis les dernières années, nous devons bien constater que la situation s'est dégradée." Pour être de bon compte, car je suis honnête, nous n'avons pas reçu que ce message. D'autres personnes étaient mécontentes de notre présence. Je ne parle pas de trafiquants, mais de gens qui nous ont dit: "Très bien, vous êtes là en nombre, mais quel message voulez-vous envoyer?" Donc, je fais vraiment la part des choses. En tout cas, je maintiendrai ces opérations.

J'ai parlé des FIPA. D'autres opérations doivent être menées quotidiennement telles que la Very Irritating Police. Je constate que les trois bourgmestres de la zone Midi ont supprimé les Brigades Koban, Uneus et autres qui s'en chargeaient. Désolé, ce n'est pas ma décision. Elle a été prise par les autorités locales. Pour moi, c'était une mauvaise décision. En tout cas, elle n'a pas contribué à améliorer la situation, puisque celle-ci s'est dégradée ces dernières années. Ce n'est pas moi qui le dis. Ce sont l'image et les chiffres de la criminalité.

Donc, je veux bien, rien n'est jamais bon, rien n'est jamais suffisant. Mais enfin, en attendant, moi je mets des choses sur la table et surtout je mets des choses sur le terrain plutôt que de les retirer et je pense que c'est ça qui est important à faire et je pense que c'est ça que nos concitoyens nous demandent.

Mais je vais continuer à travailler, je vais continuer à parler avec tout le monde. J'ai bien entendu un certain nombre de reproches; j'aurais dû appeler l'un ou l'autre bourgmestre. Je rappelle que les zones de police locales sont encore toujours sous l'autorité d'un président de la zone qui n'est pas le ministre de l'Intérieur, mais un bourgmestre qui peut prendre son téléphone pour prévenir ses collègues.

Donc, je pense être en général assez calme et serein et prendre les critiques, mais à un moment, il faut quand même que chacun prenne ses responsabilités aussi. Moi, je prends les miennes, j'écoute, je concerte, j'essaie de voir.

Ik ga akkoord met de heer Demon wanneer hij zegt dat we moeten samenwerken. De ministers van Binnenlandse Zaken, Justitie, Asiel en Migratie en Volksgezondheid, de ministers van de gemeenschappen en de gewesten, de burgemeesters en de gemeentelijke overheden zijn allemaal partners wat betreft de veiligheid van onze medeburgers.

Onze medeburgers, ils s'en fichent de savoir qui est responsable à quel niveau. Ce qu'ils veulent, à l'instar des parlementaires qui veulent pouvoir venir de la gare centrale au parlement en toute tranquillité, c'est sortir de chez eux, prendre le métro à Clémenceau et ne pas devoir envoyer leurs enfants avec des taxis dans leurs écoles. Je trouve ça absolument terrible et j'y travaille.

Je ne vais pas revenir sur les conseils de police. J'aurai l'occasion d'y revenir.

Over de politieraad zullen we het hebben als we de wijziging van de LPI bespreken.

Voorzitter:

Het Parlement heeft het laatste woord.

Ridouane Chahid:

Monsieur le président, ce sera très court. J’aimerais rappeler tout d'abord que si les bourgmestres de Mons, Charleroi et Liège se sont exprimés par rapport aux militaires, ils l'ont fait de manière très claire en disant que si c'était pour garder des bâtiments publics importants, pourquoi pas? Pour le reste, pas.

Mais il y a un élément très important dans la réponse du ministre, quand il dit qu’il veut apporter une réponse concernant les militaires dans la rue, de quand parle-t-il: demain, après-demain, dans un mois? Mais le ministre de la Défense dit lui-même que ce ne sera pas avant avril 2026. Ce n'est pas moi qui le dis.

Pire, il dit que ce sera probablement les jeunes à qui on envoie des lettres aujourd'hui qu'on va mettre en uniforme et qu'on va envoyer dans la rue. Donc, il ne s’agira même pas de personnes formées. Ce sont des propos tenus par le ministre Francken. Il suffit d'aller lire le compte rendu de la commission. C'est écrit noir sur blanc.

Pour le reste, par rapport aux brigades de proximité, je vous invite, monsieur le ministre, vous et vos collaborateurs, à aller relire le compte rendu qui a été fait ici en commission puisque les trois bourgmestres sont venus. Ils ont exposé qu'il n'y avait pas de suppression, mais de réorganisation de la brigade de proximité. Cela vous apprendra peut-être quelque chose. Et enfin oui, monsieur le ministre, en appelant à la présence des militaires dans la rue, vous donnez un mauvais signal aux corps de police. Vous leur dites, en réalité, qu'ils ne sont pas en mesure de répondre à vos ambitions, aux craintes et aux sentiments qu'a la population en matière de sécurité. Le problème est là. On ne donne pas un signal à celles et à ceux qui veulent s'engager dans la police demain.

Vous avez vous-même dit ici avant les vacances que l’un de vos problèmes était de réfléchir à l'attractivité de la fonction de la police. Est-ce que vous croyez qu'en envoyant les militaires dans la rue, vous allez aboutir à cette attractivité de la fonction de la police? Je ne crois pas.

(…) : (…)

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, ik ga het debat hier afsluiten. Het is de bedoeling dat we hier in debat gaan met de minister en niet dat we elkaar onderling verwijten naar het hoofd slingeren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 16.

Het zomerakkoord en de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid
Het zomerakkoord en de belastingvrije som
Het zomerakkoord en het minimumloon
Het zomerakkoord en de jobbonus
Het zomerakkoord en hervormingen in sociale zekerheid, belastingen en arbeidsmarkt

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 oktober 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jan Jambon kondigt een hervorming van de bijzondere sociale bijdrage (2029) aan: berekening per individu (niet per huishouden), halvering van het maximumbedrag, hogere inkomensdrempel en lagere percentages voor de eerste schijf, om de arbeidsval voor laagste inkomens te verminderen. Het minimumloon stijgt netto met 109€/maand in 2029 door fiscale maatregelen (exclusief indexering en sociale partners-akkoorden), terwijl de werkbonus versterkt wordt (van 33,14%→35% en 52,54%→72%). Kemal Bilmez kritiseert de selectieve communicatie naar pers (bv. *VRT*, *L’Express*) terwijl het parlement onvolledige antwoorden krijgt, en wijst op politiek misbruik van voorlopige cijfers door partijen zoals MR. De definitieve tekst staat nog open voor wijzigingen.

Kemal Bilmez:

Hier, on a reçu une série de réponses à nos questions écrites, mais il me reste quand même quelques questions.

La première porte sur la cotisation spéciale de sécurité sociale. Vous proposez non seulement de la diminuer de 50 % pour le revenu des isolés, mais aussi de – je cite – "augmenter le seuil de revenu pour le calcul de la cotisation spéciale et réduire le pourcentage applicable à la première tranche de revenu". Pourriez-vous très concrètement préciser quel sera le nouveau seuil de revenu à partir duquel s'appliquera la cotisation spéciale de sécurité sociale? Quel sera le pourcentage applicable à la première tranche? Quels revenus seront inclus dans cette première tranche? Sur la quotité exemptée, vous dites: "Le gouvernement propose toutefois de geler temporairement l'indexation de tous les suppléments à la quotité du revenu exempté d'impôts mentionnés aux articles 132 et 133 du Code des impôts sur le revenu 1992". Ceci avait aussi été évoqué par votre chef de cabinet lors de sa célèbre conférence de mai dernier.

Mes questions sont les suivantes: jusqu'à quelle année avez-vous prévu de geler le montant supplémentaire de la quotité exemptée pour enfant à charge?

Deuxièmement, vous parlez aussi d'une augmentation de la quotité pour un ou deux enfants à charge en quatre étapes. L'augmentation sera-t-elle répartie en tranches égales à chaque étape ou non? Et pour ce qui est du salaire minimum et le bonus emploi, je me réfère à ma question écrite.

Monsieur le ministre, le 22 juillet dernier, sur le site de la VRT, on peut lire que - pour un isolé au salaire minimum - il y aura une augmentation de 109 euros du net mensuel en 2029 suite à votre réforme fiscale.

Cependant, concernant le salaire minimum, deux augmentations sont déjà prévues sur cette même période suite aux accord avec les interlocuteurs sociaux: une de 35 euros bruts en avril 2026 et une en 2028 (dont le montant doit encore être précisé).

Voici donc mes questions:

Dans vos projections sur l’augmentation du salaire minimum, est-ce que vous avez déjà intégré ces deux augmentations du salaire minimum?

Si oui, quelle est donc la part attribuable aux accords avec les interlocuteurs sociaux qui précède la réforme de ce gouvernement et quelle est la part attribuable à la réforme fiscale même?

Monsieur le ministre, le gouvernement veut renforcer le bonus à l’emploi, mais à l’heure actuelle il n’y a pas de détails à ce sujet.

À présent, le volet fiscal du bonus emploi est calculé comme suit:

- 33,14 p.c. du montant du volet A du bonus à l'emploi social réellement accordé (pour les salaires allant du salaire minimum à 2 669 par mois);

- 52,54 p.c. du montant du volet B du bonus à l'emploi réellement accordé (pour les salaires allant de 2 669 à 3 144 euros par mois).

Voici donc mes questions:

Est-ce que lors de l'accord d’été vous avez déjà décidé comment modifier le volet fiscal du bonus emploi?

Si ceci est le cas, pourriez-vous nous indiquer si et dans quelle mesure vous allez augmenter les pourcentages actuels de 33,14% et 52,54%?

Jan Jambon:

La réforme de 2022 de la cotisation spéciale de sécurité sociale a déjà conduit à une réduction de cette cotisation pour les bas et moyens revenus. Toutefois, la cotisation spéciale de sécurité sociale est toujours calculée par imposition et donc par ménage fiscal. Le calcul actuel peut conduire à une taxation plus lourde pour les contribuables imposés isolément.

Le gouvernement proposera donc de calculer la cotisation spéciale par contribuable et donc par conjoint en cas d'une imposition commune et en même temps de diviser par deux le montant maximum de la cotisation. La cotisation spéciale contribue également au piège à l'emploi et augmente la pression fiscale marginale pour les revenus les plus faibles. C'est pourquoi il sera également proposé d'augmenter le seuil de revenu pour le calcul de la cotisation spéciale et de réduire le pourcentage applicable à la première tranche de revenu.

Ainsi, non seulement les contribuables imposés isolément bénéficieront de la réforme proposée, mais par exemple aussi les contribuables à bas revenu et les ménages à un seul revenu. Il est prévu que cette réforme sera mise en œuvre à partir de l'année de revenu 2029.

S'agissant de votre question concernant la quotité exemptée, vos questions sont identiques aux questions écrites n° 397 et n° 43 de votre collègue, M. Raoul Hedebouw. C'est la raison pour laquelle je vous renvoie aux réponses que j'ai fournies à ces deux questions écrites.

Je tiens à souligner une nouvelle fois que le projet de loi relatif à la réforme de l'impôt des personnes physiques doit encore être soumis à une deuxième lecture. Des modifications peuvent donc encore intervenir qui pourraient influencer le champ d'application et, par conséquent, le coût des différentes mesures.

Wat uw vraag over het minimumloon betreft, de berekening die u vermeldt omvat enkel de parafiscale en fiscale maatregelen die de regering neemt in het kader van de fiscale hervorming. De inflatie – een blijvende onzekere factor in de huidige economische context, die jaarlijks wordt gecorrigeerd via de automatische indexering van de fiscale bedragen – is daarbij niet in rekenschap genomen. Het bedrag in 2029 kan daarom hoger uitvallen.

Door de aanpassing van de modaliteiten van de sociale werkbonus, waarbij in het geval van het minimumloon de forfaitaire bedragen voor lage en zeer lage lonen hoger uitvallen dan de in eerste instantie verschuldigde RSZ-bijdragen, en door de versterking van de fiscale werkbonus die de regering met de fiscale hervorming beoogt, zullen de verhogingen die de sociale partners hebben beslist in principe worden vertaald in een nettoverhoging die gelijk is aan de bruto loonsverhoging.

Concernant le bonus emploi, le texte à l'examen prévoit un relèvement de 33,14 % à 35 % et de 52,54 % à 72 %. L'adaptation vise à garantir qu'un salaire minimum sera égal brut et net. Je le rappelle, il s'agit d'un projet de loi qui doit encore être soumis à une deuxième lecture, des modifications peuvent donc toujours intervenir. Mais le but est un relèvement de 33,14 % à 35 % et de 52,54 % à 72 %.

Kemal Bilmez:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Sur la CSSS, j'aurais voulu quelques précisions complémentaires. J'entends très bien qu'il y aura encore une deuxième lecture mais, en même temps, je regrette qu'il y ait déjà des choses qui fuitent dans la presse. Vous donnez au Vif-L'Express un chapitre de 17 pages sur la réforme fiscale; à la VRT vous donnez une simulation; il y a en parallèle M. Bouchez qui raconte n'importe quoi sur les réseaux sociaux. Et ici, vous nous dites que vous ne pouvez pas encore donner de réponse définitive puisque c'est encore sujet à modifications éventuelles. J'en conviens mais, dans ce cas, ne donnez pas non plus à la presse ces infos que nous ne pouvons pas recevoir. J'espère que vous comprenez ce que j'essaie de dire. Nous trouvons ça dommage, parce que cette réforme fiscale est très importante et nous voudrions, nous aussi, déjà pouvoir faire notre analyse et pas juste nous baser sur des chiffres entendus dans la presse et qui, apparemment, changeront peut-être dans deux semaines, alors qu'un certain président de parti fait déjà une campagne totale sur des chiffres qui ne reposent, en fait, sur rien du tout.

De impact van de pensioenhervorming op langdurig zieken
Een uitzondering inzake de bonus-malusregeling voor de specifieke doelgroep van de langdurig zieken
De gevolgen van pensioen- en werkgelegenheidsregels voor langdurig zieken

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming dreigt langdurig zieken die vervroegd met pensioen willen te straffen door dagen ziekte niet mee te tellen voor de vereiste 35 jaar/7.020 dagen carrière, wat leidt tot een pensioenvermindering – ondanks dat hun ziekte onvrijwillig was. Minister Jambon benadrukt dat alleen vervroegde pensioenen worden geraakt en dat wie tot de wettelijke leeftijd in arbeidsongeschiktheid blijft geen malus krijgt, met een ziektecorrectie als verzachting, maar critici (waaronder vakbonden) vinden deze onvoldoende om dubbele straf te voorkomen. Specifiek voor groepen die door overheidsbesluit tot pensioenleeftijd arbeidsongeschikt werden verklaard (bv. 58-plussers of langdurig zieken tijdens corona), weigert Jambon een uitzondering op de bonus-malusregel, wat Dedonder en Vanbesien oneerlijk noemen omdat deze mensen geen keuze hadden. De discussie draait uiteindelijk om empathie versus systeemlogica: zieken betalen nu tweemaal (gezondheid *en* pensioen), terwijl alternatieven ontbreken.

Ludivine Dedonder:

Dans le cadre de votre proposition de réforme concernant les pensions, vous avez présenté un projet qui pourrait pénaliser financièrement les personnes qui ont été malades de longue durée, particulièrement celles qui souhaitent partir en retraite anticipée. Selon les modalités envisagées, les jours de maladie ne seront pas pris en compte dans le calcul des 35 années de carrière et 7 020 jours nécessaires pour éviter le malus, ce qui impactera négativement le montant de la pension anticipée, alors que ces périodes de maladie sont involontaires.

Il y a des critiques des syndicats et d'autres partis politiques concernant cette mesure. Ces critiques pointent notamment que la "correction" que vous proposez reste insuffisante pour atténuer l'ampleur de l'impact négatif sur le droit de ces personnes à prendre leur pension anticipée. De nombreux citoyens et, particulièrement, ceux ayant connu des périodes de maladie invalidante, risquent ainsi de ne pas pouvoir bénéficier d'une retraite anticipée sans en payer le prix durant le reste de leur vie.

Mes questions, monsieur le ministre, sont donc les suivantes. Comment pouvez-vous justifier cette approche qui pénalise ceux qui ont souffert de maladies graves et qui ne peuvent être tenus responsables de leur situation. C'est ce que je vous disais ce matin encore en commission. Existe-t-il des alternatives possibles pour garantir que ces personnes ne soient pas doublement pénalisées. Elles le sont déjà par la maladie et ne doivent donc pas l'être encore par une pension réduite. J'espère que vous pourrez apporter des précisions, des éclaircissements et, surtout, de l'empathie.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, uit berichtgeving over het voorontwerp van de pensioenplannen blijkt dat langdurig zieken bijzonder zwaar benadeeld zullen worden wanneer ze vervroegd met pensioen gaan. Ze riskeren namelijk onvoldoende gewerkte jaren te kunnen voorleggen, met als gevolg dat ze naast een sowieso al lager pensioen ook nog een malus opgelegd krijgen.

Ik wil het hier even hebben over een specifieke groep mensen die door de overheid zelf bewust tot aan hun pensioen arbeidsongeschikt werd verklaard. Uw collega, minister Vandenbroucke, lichtte op 15 juli in de commissie voor de Gezondheid toe dat de Geneeskundige Raad voor Invaliditeit van het RIZIV in december 2020, in volle coronacrisis, besliste om een specifieke groep langdurig arbeidsongeschikten automatisch tot de pensioenleeftijd te erkennen. Dit gebeurde om de adviserende artsen ademruimte te geven en hen te laten focussen op de dringendste dossiers tijdens de pandemie. Het betrof concreet verzekerden die 10 jaar of langer als arbeidsongeschikt erkend waren, ongeacht hun leeftijd, verzekerden van 58 jaar en ouder die minder dan 10 jaar als arbeidsongeschikt erkend waren en verzekerden van 50 tot en met 57 jaar die tussen 5 en 10 jaar arbeidsongeschikt erkend waren. Pas vanaf januari 2024 werd dit systeem hervormd en werd de ziekenfondsen gevraagd een selectie van dossiers te herevalueren, volgens hun mogelijkheden en prioriteiten.

Met andere woorden, mensen die door een bewuste beleidskeuze in een uitzonderlijk statuut werden geplaatst, dreigen nu door dit pensioenplan dubbel gestraft te worden. Vandaar mijn vraag, bent u bereid om deze specifieke groepen, zoals omschreven door minister Vandenbroucke, een uitzondering te geven en expliciet uit te sluiten van de bonus-malusbepaling bij de berekening van hun pensioenrechten?

Jan Jambon:

Je vous remercie pour votre question, même si je constate qu'il circule beaucoup de malentendus sur ce dossier. Permettez-moi de clarifier immédiatement: les personnes qui ont été longtemps malades ne voient pas automatiquement leurs pensions réduites. La réduction de la pension ne s'applique qu'en cas de pension anticipée.

Toute personne qui reste en incapacité de travail jusqu'à l'âge légal de la retraite ou qui reprend le travail à temps plein ou à temps partiel conserve l'intégralité de ses droits à la pension. Pour celles et ceux qui ont été en incapacité de travail pendant une période de jusqu'à sept ans, la pension anticipée sans pénalité reste possible à condition de remplir la double condition de carrière: au moins 35 années de carrière comptant chacune 156 jours prestés et un total de 7 020 jours prestés sur l'ensemble de la carrière. Les périodes de maladie de courte durée, comme le premier mois couvert par le salaire garanti, sont en outre pleinement assimilées à des jours travaillés et n'ont donc aucun impact sur la pension, y compris en cas de pension anticipée.

De plus, nous avons introduit dans l'accord d'été une correction pour maladie. Cette correction permet de réduire le nombre de jours ou de mois manquants pour obtenir une pension anticipée sans pénalité en tenant compte du pourcentage de jours en incapacité de travail pendant toute la carrière. Cette proposition a été approuvée en première lecture dans l'avant-projet de loi qui est pour l'instant soumis à la concertation avec les partenaires sociaux.

Donc, quand les personnes en incapacité de longue durée pour lesquelles la réintégration n'est pas possible restent en incapacité de travail jusqu'à la date légale de la retraite, il n'y a aucune pénalité sur le montant de la pension. En 2020, le conseil médical de l'INAMI a décidé de déclarer toutes les personnes malades de longue durée âgées de 58 ans et plus en incapacité de travail jusqu'à la retraite. La même chose s'est produite pour les 50 à 57 ans qui étaient malades depuis cinq ans.

L'accord de coalition prévoit – et j'ai toute confiance en notre ministre des Affaires sociales – que nous nous engagerons pleinement dans cette législature à la réinsertion des personnes malades de longue durée de manière à ce qu'il soit encore possible de les réintégrer.

Mijnheer Vanbesien, de vermindering is enkel van toepassing op personen die hun pensioen vervroegd opnemen zonder te voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de vermindering. De mogelijke toepassing ervan zal voor langdurig zieken bovendien getemperd worden door de toepassing van een ziektecorrectie. Hierbij wordt er rekening gehouden met perioden van ziekte om te bepalen wanneer personen het pensioen kunnen opnemen zonder toepassing van de vermindering. Hierdoor kunnen ze in bepaalde gevallen toch het pensioen opnemen voor ze de wettelijke pensioenleeftijd zonder toepassing van de vermindering bereiken. Bovendien geldt er geen vermindering voor de mensen die in invaliditeit blijven tot aan de wettelijke pensioenleeftijd en rechtstreeks vanuit die situatie met pensioen gaan.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, il n'y avait pas de confusion dans mon chef. Du reste, dans ma question, j'avais bien indiqué: "en cas de pension anticipée". Il était donc bien entendu que je parlais des personnes malades de longue durée qui n'ont pas choisi d'être doublement pénalisées.

J'entends votre propos. Moi-même, j'avais parlé de "correction". Vous y avez réfléchi et avez apporté une correction, mais sans qu'elle résolve le problème dans son ensemble. Je ne suis pas seule à le dire, puisque plusieurs syndicats l'ont également affirmé. Selon eux, cette correction n'atténue pas suffisamment l'ampleur de l'impact négatif sur le droit à partir anticipativement à la retraite.

Je le répète, nous ne parlons pas ici de personnes qui ne veulent pas travailler ni d'un choix, mais de personnes gravement malades ou qui souffrent en raison, peut-être, des conditions de travail. Elles n'ont donc pas à être pénalisées deux fois.

Pour ma part, j'aurais souhaité que non seulement vous corrigiez la mesure, mais que vous preniez conscience de la difficulté éprouvée par ces gens. Je le répète, on ne choisit pas de tomber malade et on n'a pas à le payer deux fois.

Dieter Vanbesien:

Mijnheer de minister, mijn vraag ging specifiek over mensen die het statuut van arbeidsongeschiktheid tot het pensioen van de overheid hebben gekregen. Zij hebben daarvoor niet zelf gekozen. Uit uw antwoord begrijp ik dat de regering zegt dat deze mensen tot aan hun pensioenleeftijd op de ziekenkas moeten blijven staan, wat voor een aantal van die mensen toch wel jammer is. Misschien moeten wij bekijken of er voor hen toch geen andere mogelijkheden zijn.

De pensioenmalus en het zwangerschaps- en ziekteverlof
De uitsluiting van moederschapsrust bij vervroegd pensioen na 42 loopbaanjaren
Pensioenregelingen en arbeidsvoorwaarden voor ouders en langdurige loopbanen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon bevestigde dat moederschapsrust (inclusief gerelateerde verloven zoals zwangerschapsverlof en borstvoedingsverlof) volledig meetelt als gewerkte dagen voor alle vormen van vervroegd pensioen, ook in het nieuwe 60-42-stelsel, na eerdere kritiek op discriminatie en in strijd met EU-wetgeving. De ziektecorrectie voor pensioenmalus blijft complex maar wordt geëvalueerd op praktische haalbaarheid, met aandacht voor zwaar zieken om dubbele straf te vermijden. Kritische parlementsleden Vanrobaeys (Vooruit) en Samyn benadrukten dat het initiële uitsluiten van moederschapsrust de pensioenkloof (25% nadeel voor vrouwen) verergert en waarschuwen voor structurele discriminatie als loopbaanonderbrekingen niet volledig gelijkgesteld worden.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, tijdens het reces ben ik enorm geschrokken toen ik vernam dat in het wetsontwerp over het vervroegd pensioen 60-42, moederschapsrust aanvankelijk niet werd meegeteld. Er kwam daarop forse kritiek van de Gezinsbond, de Vrouwenraad en Mama Baas. Dat is terecht, want dat is immers niet alleen discriminerend, het staat bovendien ook haaks op Europese en Belgische regelgeving. U hebt gezegd dat te zullen rechtzetten.

U zult zich afvragen waarom ik deze vraag nog stel, aangezien u het al hebt rechtgezet, maar ik wil weten of moederschapsrust zonder uitzondering en in zijn geheel zal meetellen als gewerkte periode voor alle vormen van vervroegd pensioen, dus ook voor het stelsel 60-42. Moederschapsrust is één zaak, maar ook werkverwijdering hangt daarmee samen. Sommige vrouwen worden van zodra zij weten dat ze zwanger zijn om gezondheidsredenen van het werk verwijderd. Het gaat dan bijvoorbeeld om vrouwen die werken in labs en kleuterleidsters. Verder is er ook het borstvoedingsverlof. Dat zijn allemaal zaken die samenhangen met de bescherming van de moederschapsrust en die onder dezelfde Europese en Belgische regelgeving vallen.

Zit dat daar allemaal in vervat? Hoe voorkomt u dat soortgelijke voorstellen in de toekomst nog worden ingediend, waardoor iedereen in paniek schiet en u ze uiteindelijk toch moet intrekken omdat ze discriminerend zijn?

Mijn tweede vraag betreft de impactanalyse met betrekking tot de genderkloof, maar u hebt die vanochtend al deels beantwoord.

Mijn laatste vraag betreft de compensatie voor de ziektejaren die is voorzien voor de malus. Ik vind die berekening vrij ingewikkeld. Kunt u die complexe berekening nader toelichten? Hoe garandeert u dat dit voor de Federale Pensioendienst praktisch haalbaar is?

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, uit berichtgeving in diverse media blijkt dat uw pensioenplannen oorspronkelijk voorzagen dat de moederschapsrust niet zou meetellen voor de berekening van het vervroegd pensioen bij een lange loopbaan van 42 jaar. Door moederschapsrust uit te sluiten van het criterium van 234 effectief gewerkte dagen per jaar, zou in de praktijk elke moeder per kind een extra jaar langer moeten werken. Dat is een flagrante vorm van discriminatie die bovendien, zoals mijn collega al zei, haaks staat op de Europese en Belgische antidiscriminatiewetgeving. U zou hier nu op terugkomen.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? U zou een wijziging doorvoeren voordat uw tekst voor een nieuwe lezing op de regeringstafel belandt. Werden de wijzigingen reeds besproken? Wat was de reactie van uw collega’s en de sociale partners?

Hoe verklaart u dat een dermate essentiële sociale bescherming als moederschapsrust aanvankelijk niet als gewerkte periode in het nieuwe systeem van vervroegd pensioen in aanmerking werd genomen?

Tot slot, tijdens de plenaire vergadering van 18 september antwoordde u dat periodes van tijdelijke werkloosheid en alle zorgverloven zoals moederschapsrust, ouderschapsverlof, palliatief verlof enzovoort in uw voorstel worden gelijkgesteld met gewerkte periodes, ook in het bonus-malussysteem. Mijn vraag hierbij is wat er onder die ‘enzovoort’ valt. Is dat ook mantelzorg en bij uitbreiding bijvoorbeeld ook de militaire dienst?

Ik dank u alvast voor uw antwoord.

Jan Jambon:

Dank u voor uw vraag. Het is belangrijk om een onderscheid te maken tussen de opening van het recht op vervroegd pensioen en de berekening van het pensioenbedrag. Voor de bestaande mogelijkheden tot opening van het recht op vervroegd pensioen verandert er niets. Moederschapsrust telt daarvoor steeds mee.

Daarnaast wordt in een nieuwe mogelijkheid voor de opening van het recht op het vervroegd pensioen voorzien, waardoor personen vanaf de leeftijd van 60 jaar het vervroegd pensioen kunnen opnemen, mits ze een loopbaan van minstens 42 jaar hebben, waarbij elk jaar minstens 234 effectief gewerkte dagen telt. De nadruk ligt daarbij op effectieve arbeidsprestaties. In alle gevallen wordt moederschapsrust meegeteld in de pensioenberekening voor het vervroegd pensioen. De voorliggende ontwerpteksten veranderen daar niets aan.

Ik kan u ook bevestigen dat ik aan de ministerraad zal voorstellen om in de tweede lezing van het wetsontwerp alle periodes van moederschapsrust gelijk te stellen met gewerkte dagen voor de nieuwe vorm van vervroegd pensioen, vanaf 60 jaar, na 42 gewerkte jaren van minstens 234 gewerkte dagen.

Zoals de benaming aangeeft, blijft een voorontwerp een voorlopige versie van een ontwerptekst. Juist daarom is het essentieel dat een voorontwerp de volledige procedure van meerdere lezingen doorloopt. In elk van die stadia wordt het grondig geanalyseerd, worden opmerkingen geëvalueerd en krijgen alle belanghebbenden de gelegenheid om gehoord te worden. Dat geldt ook binnen het sociaal overleg, waar specifiek aandacht wordt besteed aan mogelijke bezorgdheden. Een wetsontwerp krijgt pas zijn definitieve vorm nadat het in de Kamer werd besproken en goedgekeurd. De periode daaraan voorafgaand is er dan ook uitdrukkelijk op gericht om eventuele onregelmatigheden te detecteren en te corrigeren. Het respecteren van deze termijn en de procedure vormt een fundamenteel onderdeel van het legistieke proces.

Tussen de eerste en tweede lezing van het voorontwerp van de pensioenwet worden op basis van analyses, onder meer van het Federaal Planbureau en de studiedienst van de Federale Pensioendienst, mogelijke aanpassingen grondig geëvalueerd. In overleg met de bevoegde instanties en de voogdijministers worden daarbij oplossingen uitgewerkt, terwijl ook de budgettaire gevolgen in de begroting worden meegenomen.

Elke afzonderlijke maatregel wordt in dit proces zorgvuldig geanalyseerd, net als de bredere gecumuleerde effecten, zodat in de beslissingsfase een volledig en onderbouwd beeld beschikbaar is. Alle elementen worden op die manier opnieuw grondig beoordeeld in de tweede lezing van het wetsontwerp. Met de sociale partners heeft constructief overleg plaatsgevonden binnen diverse overlegorganen, waarvan de laatste sessie in comité A op 24 september werd gehouden.

Voor de voortzetting van het legistieke proces is de ontvangst van de ondertekende protocollen noodzakelijk. We rekenen erop die spoedig te mogen ontvangen, zodat het voorontwerp tijdig aan de ministerraad kan worden voorgelegd voor een tweede lezing.

De berekeningsmethode van de ziektecorrectie die zal worden toegepast bij het vaststellen van de vroegst mogelijke ingangsdatum van een pensioen zonder malus voor een persoon die periodes van langdurige ziekte in zijn loopbaan heeft, kan in een aantal stappen worden uitgelegd.

Stap 1: de vroegst mogelijke pensioendatum wordt bepaald, ongeacht of er op die datum een malus is. Indien uit stap 1 blijkt dat er een malus is en indien wordt vastgesteld dat de betrokkene ziektedagen heeft in zijn loopbaan die niet meetellen als werkelijk gepresteerde diensten, dan wordt bepaald tot welke vroegst mogelijke pensioendatum de betrokkene zou moeten doorwerken om recht te hebben op een pensioen zonder malus. Het aantal maanden wordt bepaald tussen de vroegst mogelijke pensioendatum, zoals bedoeld in stap 1, en de vroegst mogelijke pensioendatum, zoals bedoeld in stap 2.

Vervolgens wordt in stap 4 de ziektecoëfficiënt vastgesteld op basis van de volledige loopbaan zoals ze is op de vroegst mogelijke pensioendatum, zoals bedoeld in stap 1. Deze coëfficiënt is de verhouding tussen het totale aantal ziektedagen gedurende de volledige loopbaan – over alle pensioenstelsels samengesteld – ten opzichte van het totale aantal potentiële werkdagen in de jaren die de betrokkene nodig heeft om recht te hebben op een vervroegd pensioen.

Het aantal maanden, zoals bedoeld in stap 3, wordt vermenigvuldigd met de ziektecoëfficiënt. Het resultaat daarvan vormt het aantal maanden ziektecorrectie. De pensioendatum zal dus verminderd worden met het aantal maanden ziektecorrectie, zoals bedoeld in stap 5. Dat is de vroegst mogelijke pensioendatum waarop de betrokkene zijn pensioen kan opnemen zonder malus.

Met betrekking tot de praktische uitvoerbaarheid van die ziektecorrectie moet ik meedelen dat de analyse daarvan momenteel loopt. Een aanpassing van de maatregelen is niet uitgesloten indien zou blijken dat de ziektecorrectie in haar huidige vorm te moeilijk uitvoerbaar is voor de administratie.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Ik heb twee opmerkingen. Ten eerste, voor die 60-42 is er inderdaad een bijkomende mogelijkheid tot vervroegd pensioen. Ik heb er geen probleem mee dat daar bijkomende voorwaarden voor effectieve tewerkstelling aan worden gekoppeld. U hebt ook duidelijk gezegd dat dit geldt voor alle periodes van moederschapsrust. Ik heb er een aantal opgesomd. Ik ga ervan uit dat die ook worden meegerekend. Tot nu toe zijn vrouwen de enigen die kinderen kunnen krijgen. Het zou pure discriminatie zijn als die periodes niet meetellen. Dat moet op alle mogelijke vlakken met arbeidsdagen worden gelijkgesteld.

Ten tweede, ik heb genoteerd dat er vijf stappen zijn, maar ik blijf het toch vrij complex vinden. Ik hoor dat dit eventueel op basis van de uitvoerbaarheid voor de administratie kan worden aangepast.

Ik herinner u ook aan de brief van Kom op tegen Kanker en de oproep van het Vlaams Patiëntenplatform. Dat zijn toch de mensen om wie het hier gaat: mensen die tegenslag kennen, mensen die zwaar ziek zijn, mensen met kanker die tijdens hun loopbaan ziek worden, opnieuw aan het werk gaan, maar door de therapie die ze hebben ondergaan andere kwalen kregen waardoor ze soms opnieuw uitvallen. Voor Vooruit is het belangrijk dat goed wordt nagegaan op welke manier die ziekteperiodes worden meegeteld. Mensen die al eens tegenslag in hun leven hebben gehad, worden anders een tweede keer gestraft. Dat kan echt niet.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, het feit dat uitsluiting van de moederschapsrust behouden bleef in het voorstel is op zijn zachtst gezegd toch opmerkelijk te noemen. U weet dat vrouwen vandaag gemiddeld 25 % minder pensioen ontvangen dan mannen. Dat is het gevolg van lagere lonen, deeltijds werk en loopbaanonderbreking om voor kinderen, gezin en familie te zorgen. Toch overwoog u om zelfs het moederschapsverlof niet mee te tellen in de loopbaan. Dat is op zijn minst gezegd opmerkelijk. Bovendien – u mag mij dat kwalijk nemen of niet – bestaat de vrees dat uw hervorming deze ongelijkheid nog zal vergroten. Het is nog altijd wachten op uw hervormingsvoorstel en als ik de voorgaande collega hoor, begrijp ik dat nog niet alles is besproken. Ik hoop dus dat er effectief maatregelen worden genomen om die pensioenkloof te dichten, anders blijft ook uw beleid vrouwen structureel straffen voor hun maatschappelijke bijdrage.

De onduidelijkheid over de met effectief werk gelijkgestelde perioden i.h.k.v. de zorgverloven
De gelijkgestelde periodes bij de pensioenmalus
De verwarring over de met effectief gewerkte periodes gelijkgestelde periodes van zorgverlof
Gelijkgestelde periodes bij zorgverlof en pensioenmalus

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 30 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de assimilatie van zorgverloven (zoals ouderschapsverlof, mantelzorg en ziekte) als "effectief werk" voor pensioenrechten (minimumpensioen, vervroegd pensioen, bonus-malus). Minister Jambon bevestigt dat *alle* zorgverloven (inclusief onbetaalde, binnen een quotum van max. 24 maanden voltijds) en tijdelijke werkloosheid volledig meetellen voor pensioenopbouw, maar arbeidsongeschiktheid door beroepsziekten/ongevallen leidt wél tot malus—wat kritiek uitlokt. Onduidelijkheid blijft over specifieke uitzonderingen (bv. coronaperiode, gedeeltelijke werkhervatting na zware ziekte) en het behoud van onderscheid tussen arbeiders/bedienden. Doel is gelijkheid voor mantelzorgers (vooral vrouwen), maar de complexe regels zorgen voor verontwaardiging.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, vous avez annoncé que dans le cadre des conditions d'accès à la pension minimale et au système de bonus-malus, les périodes de congés de soins seraient assimilées à du travail effectif. C'est évidemment indispensable; le contraire serait intolérable. Mais le cadre annoncé reste assez flou et imprécis.

En effet, la liste des congés de soins pris en compte apparaît incomplète. Des situations importantes, comme le crédit-temps pour soins à un membre du ménage ou de la famille gravement malade, ou encore le crédit-temps pour soins à son enfant mineur gravement malade, ne semblent pas incluses. Or ces absences créent non seulement une inégalité de traitement entre les formes de congés de soins mais aussi une grande incertitude pour les travailleurs et travailleuses qui ont dû y recourir.

Vous avez indiqué vouloir uniformiser les différentes interprétations de la notion de "travail effectif" et veiller à ce que toutes les périodes de congés de soins soient assimilées. Pourtant, à ce stade, les périodes énoncées diffèrent selon les mesures: malus, droit à la pension anticipée, pension minimum.

Dès lors, monsieur le ministre, pouvez-vous clarifier sans ambiguïté quels types de congés de soins seront effectivement assimilés à du travail effectif, que ce soit dans le calcul des droits à la pension minimale, à la pension anticipée ou au bonus-malus?

Présidente: Ellen Samyn.

Voorzitster: Ellen Samyn.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, welke zorgverloven worden effectief gelijkgesteld? Bestaat er daarbij een maximaal aantal dagen of jaren zorgverlof?

Worden arbeidsongevallen of beroepsziektes ook als ziekte in aanmerking genomen voor de malus die u wilt invoeren of is daarvoor een uitzondering uitgewerkt? Er kan immers weinig discussie over bestaan dat er in die gevallen een rechtstreeks verband is met het werk.

Als ik het goed begrijp, zou voor iemand die herstelt van een zware ziekte, bijvoorbeeld kanker, en die vanaf 1 februari deeltijds het werk hervat, dat volledig jaar niet meetellen. De motivatie om op die manier het werk te hervatten, wordt daarmee niet echt vergroot. Hoe ziet u dat?

Wordt er een uitzondering gemaakt voor de werknemers die ziek waren tijdens de coronaperiode? Dat gaat immers om zeer veel mensen. Een arbeider die in die periode halftijds gewerkt heeft en twee weken ziek was, zou ook een volledig jaar verliezen.

In een vorige commissievergadering hebt u verklaard dat korte ziekteperiodes niet zouden meetellen voor de malus. Voor arbeiders wordt de limiet op twee weken en voor bedienden op een maand ziekte gelegd. Het Grondwettelijk Hof heeft ongeveer vijftien jaar geleden geoordeeld dat het onderscheid tussen arbeiders en bedienden niet meer van deze tijd is. Met de nieuwe regeling wilt u dat onderscheid echter opnieuw implementeren in de wetgeving. De vraag dringt zich op of dat onderscheid de toets van het Grondwettelijk Hof zal doorstaan. Het in stand houden van dat onderscheid lijkt me zeer discutabel.

Worden de periodes van tijdelijke werkloosheid, bijvoorbeeld om technische of economische redenen, of wegens overmacht, allemaal gelijkgesteld? Bestaat er daarvoor een maximaal aantal dagen?

Kunt u een opsomming van de gelijkgestelde periodes voor de malus geven? Op die manier krijg ik een goed overzicht van de beoogde regeling.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, notre législation prévoit actuellement que certaines périodes d'interruption de carrière ou d'absence, notamment les congés pour soins, seront assimilées à du travail effectif pour le calcul de la pension. Cette reconnaissance est évidemment essentielle pour ne pas pénaliser celles et ceux qui s'arrêtent temporairement de travailler afin de prendre soin d'un proche malade, d'un parent âgé ou d'un enfant en situation de handicap, toute une série de missions que ces personnes effectuent à la place de l'État.

Or, dans votre réforme, il apparaît que des confusions persistent quant à la prise en compte ou non de ces périodes. Pour de nombreux bénéficiaires, c'est l'incertitude. Ils ont des difficultés à comprendre encore aujourd'hui quelles absences seront effectivement assimilées ou non. Même les services administratifs peinent à leur donner des réponses claires. Cela crée évidemment beaucoup d'insécurité et de tracas, ainsi qu'un sentiment d'injustice pour les familles concernées, qui sont déjà dans des situations de grande vulnérabilité et qui ont beaucoup donné pour la collectivité.

Monsieur le ministre, quelles catégories de congés pour soins sont actuellement reconnues comme périodes assimilées? Quelles limites existent dans cette assimilation? Quel mécanisme de clarification et de simplification allez-vous mettre en place pour éviter que des citoyens et citoyennes ne soient perdus dans des règles techniques complexes? Envisagez-vous d'élargir la reconnaissance des congés pour soins comme périodes assimilées afin de renforcer la solidarité et la justice sociale, notamment en matière d'égalité entre les femmes et les hommes? On sait que ce sont en général les femmes qui interrompent leur carrière pour donner des soins aux autres. Il serait quand même de bon aloi de leur rendre la pareille au moment du calcul de leur pension.

Jan Jambon:

Comme je l'ai déjà indiqué dans la déclaration de politique générale, nous avons donné instruction d'élaborer une définition uniforme du travail effectivement presté.

Je tiens à souligner que nous ne touchons pas aux congés pour soin. Le congé de naissance, le congé parental, le congé d'adoption et d'accueil ainsi que toutes les formes de chômage temporaire sont considérés comme des jours effectivement prestés sans durée maximale. La réforme des pensions que nous mettons en œuvre prend donc bien en compte la carrière des femmes qui travaillent relativement souvent à temps partiel et assument davantage de responsabilités familiales.

Toutes les périodes pour congé pour soins resteront également assimilées au dernier salaire perçu pour l'acquisition de la pension et ne seront pas prises en compte pour le plafond des périodes assimilées, qui passera d'un maximum de 40 % à un maximum de 20 % dans les années qui suivent.

De tijdelijke werkloosheid blijft volledig gelijkgesteld met het laatstverdiende loon voor de pensioenopbouw en telt volledig mee als gewerkte dagen voor de werkvoorwaarden om bij vervroegd pensioen aan de pensioenmalus te ontsnappen en om voor vervroegd pensioen vanaf 60 jaar, met 42 loopbaanjaren van elk minstens 234 gewerkte dagen, in aanmerking te komen.

Voor de pensioenmalus geldt bovendien het volgende. Dagen van arbeidsongeschiktheid na een arbeidsongeval of beroepsziekte tellen niet mee als effectief gewerkte dagen, maar worden wel meegerekend voor de ziektecorrectie. Bij een gedeeltelijke werkhervatting na een ernstige ziekte tellen de dagen die iemand werkt, wel mee als effectief gewerkte dagen. De dagen van arbeidsongeschiktheid tellen mee voor de ziektecorrectie.

Ook in het pensioenstelsel voor ambtenaren blijven zorgverloven meetellen voor de opening van het recht op vervroegd pensioen. Federale zorgverloven met een RVA-uitkering blijven onbeperkt meetellen. Andere onbetaalde zorgverloven zullen vanaf 1 januari 2026 meetellen binnen een quotum: 24 maanden voltijds, 48 maanden halftijds en 120 maanden bij een vermindering van een vijfde.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, vous avez encore accéléré à la fin. Il faut que nous suivions. Il est difficile de prendre note.

Avez-vous bien dit que les congés de soins étaient assimilés à du travail effectif pour le droit à la pension, mais aussi pour le calcul de la pension anticipée, pour la pension minimale et au niveau du bonus-malus? C’est donc pris en compte pour l’ensemble. D’accord. Merci.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat de niet-betaalde zorgverloven nog gelden voor een periode van 24 maanden. Alle andere periodes worden gelijkgesteld en cumulatief.

Ik onthoud ook dat mensen die een arbeidsongeval of een beroepsziekte hebben gehad, wel een malus krijgen. Zij hebben dus pech gehad. Uiteraard telt die periode van ziekte mee voor de ziektecorrectie. Het zou totaal absurd zijn als die werd weggelaten. Het is evident dat die meetellen, maar het blijft toch opmerkelijk dat werknemers door een ziekteperiode die te wijten is aan het werk, een malus kunnen krijgen. Dat vind ik echt straf. Ik denk dat veel mensen daarover zeer verontwaardigd zullen zijn. Ik heb al veel berichten gekregen van werknemers die aanklagen dat ze er niets aan konden doen, maar daarvoor toch een malus in hun pensioen krijgen.

Ik heb ook genoteerd dat de periodes van alle vormen van tijdelijke werkloosheid gelijkgesteld worden.

Dank u voor uw toelichting, mijnheer de minister.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le ministre pour les éléments de réponse. C’est bien noté. De voorzitster : Mevrouw Irina De Knop is niet aanwezig om haar vraag nr. 56007619C te stellen. Vraag nr. 56007669C van mevrouw Natalie Eggermont wordt op haar vraag naar een volgende vergadering uitgesteld.

De achterstand van België wat betreft de vrijwillige zwangerschapsafbreking
Het Belgische immobilisme wat de vrijwillige zwangerschapsafbreking betreft
Belgische achterstand en politiek immobilisme rond vrijwillige zwangerschapsafbreking

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 25 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België blijft achterop bij abortuswetgeving: 30% van de vrouwen die aborteren doet dit illegaal of in het buitenland, door verouderde regels (12-wekentermijn, strafbaarstelling, verplichte bedenktijd van 6 dagen) die niet aansluiten bij wetenschappelijk en maatschappelijk draagvlak. Vooruit-minister Vandenbroucke bevestigt de belofte uit het regeerakkoord (wijziging na "consensus" binnen de meerderheid), maar critici (De Smet, Schlitz) wijzen op jarenlang uitstel, internationale terugval (vs. VS) en de nood aan concrete stappen—zoals constitutionele verankering en afschaffing van penalisering—om abortus als gezondheidsrecht (niet als justitiële kwestie) te garanderen. De druk groeit om het "taboe" te doorbreken, gegeven dat 92% van de Belgen een ruimer kader steunt, terwijl de politieke blokkade (cd&v/Les Engagés) de praktische toegang blijft belemmeren. Conclusie: woorden zijn er, daden ontbreken nog.

François De Smet:

Monsieur le ministre, dans notre pays, près de 30 % des femmes qui ont déjà avorté disent ne pas avoir pu le faire légalement en Belgique. C'est ce qui ressort d'un sondage d'Amnesty International, publié aujourd'hui.

Quand on analyse la carte européenne réalisée par le Centre d'Action Laïque, on comprend combien la Belgique est en retard sur le sujet, que ce soit pour la durée légale, la pénalisation, ou le délai de réflexion. C'est d'autant plus navrant qu'il existe dans notre pays un large consensus scientifique, sociétal et même une majorité politique pour clôturer le travail de dépénalisation. Un consensus pour sortir pour de bon l'IVG du Code pénal – rappelons que les médecins et les femmes, théoriquement, peuvent encore être poursuivis aujourd'hui. Un consensus pour porter le délai de 12 à 18 semaines, la durée qui fait consensus actuellement au niveau scientifique. Un consensus également pour en finir avec ce délai de six jours de réflexion, qui est infantilisant. Et tout simplement pour pouvoir aider enfin ces femmes qui, par centaines chaque année, doivent aller subir un avortement tardif aux Pays-Bas.

En fait, les seuls qui ne suivent pas le mouvement, c'est la classe politique. En 2019-2020, on avait eu droit à la flibuste parlementaire organisée par le cd&v et Les Engagés. Puis on a eu droit au frigo de la Vivaldi. Et, désormais, on a le frigo de l'Arizona, puisque vous expédiez le sujet par deux lignes dans votre accord de gouvernement, où vous expliquez qu'il faudra poursuivre un débat sociétal – qui est pourtant déjà terminé – et qu'il faudra attendre un consensus qu'on voit toujours venir.

Nous avons déjà posé la question à la ministre Verlinden, du cd&v, et nous n'avons pas appris grand-chose si ce n'est qu'elle ne montrait pas un enthousiasme formidable à vouloir exécuter l'accord de gouvernement sur ce sujet. Donc, je vous adresse cette question à vous, parce que votre parti, Vooruit, est le dernier parti progressiste du gouvernement sur ce sujet et parce que c'est une question de santé publique avant d'être une question de justice.

Monsieur le ministre, à quand la fin de l'immobilisme éthique de l'Arizona? Quand ce dossier finira-t-il par bouger pour ne plus être, comme l'est le droit des femmes, une variable d'ajustement de deux lignes dans un accord de gouvernement?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, les études se suivent et se ressemblent. Aujourd'hui, une nouvelle étude d'Amnesty International montre – on le savait déjà – qu'une femme sur cinq avorte ou avortera en Belgique. Or on apprend aujourd'hui que parmi elles, plus d'une sur quatre a recouru à l'IVG dans un contexte hors du cadre légal, à l'étranger ou via des avortements clandestins.

Monsieur le ministre, je pense que vous me rejoignez sur le constat que cette situation est indigne. Aujourd'hui, notre cadre légal ne colle pas aux réalités des femmes dans notre pays et il est grand temps que ça s'arrête. À commencer par ce délai de six jours totalement infantilisant qui force une femme déterminée à mettre fin à sa grossesse de quand même réfléchir pendant six jours et de maintenir cette grossesse en elle pendant ce temps. Imaginez-vous la violence que cela peut représenter pour certaines d'entre elles? Il y a ensuite le maintien des sanctions pénales. On peut se dire que de toute façon, ce n'est jamais appliqué et que par conséquent, ce n'est pas grave. Sauf qu'en fait on constate que dans certains pays où ce n'était pas appliqué hier – comme par exemple au Royaume-Uni – des poursuites sont aujourd'hui mises en œuvre sur la base de messageries telles WhatsApp, tentant de vérifier si certaines fausses couches n'étaient en réalité pas des IVG illégales.

Le contexte international actuel, monsieur le ministre, nous oblige à agir pour sanctuariser le droit à l'avortement. Fini de rire, finis les petits jeux politiques et les tractations. Maintenant, il s'agit – c'est peut-être la dernière fois que nous en avons l'opportunité en Belgique – de garantir l'inaliénabilité du droit à l'avortement en l'inscrivant dans la Constitution comme nous le proposons avec mon groupe, mais aussi de faire correspondre les conditions d'avortement aux besoins des femmes parce que c'est un soin de santé auquel elles ont aussi droit.

Monsieur le ministre, quelles sont les actions que vous allez mener pour y parvenir? Je vous remercie.

Frank Vandenbroucke:

Je remercie madame Schlitz et monsieur De Smet pour ces questions. L'avortement est un thème très important. La santé des femmes doit être une priorité absolue de nos politiques publiques, et garantir l'accès à des soins de qualité adaptés aux besoins réels des femmes est un impératif de santé publique, mais aussi un enjeu fondamental d'égalité. Les femmes confrontées à une grossesse non désirée ont le droit de décider pour elles-mêmes, et lorsqu'elles choisissent d'y mettre un terme, elles doivent pouvoir faire cela de façon accompagnée et de manière sécurisée.

C'est pourquoi, comme vous le savez, ce gouvernement s'engage à prendre ce dossier en main. Et l'accord du gouvernement est clair. Nous modifierons la législation actuelle sur l'avortement, et ce, après avoir trouvé un consensus au sein des partis de la majorité. Il est donc de notre responsabilité de faire évoluer le cadre légal effectivement, évidemment de façon concertée.

Le point de vue de mon parti est en effet connu et constant. Nous sommes alignés sur la recommandation formulée par les experts et les expertes au sein du Comité interuniversitaire. Ces recommandations visent à permettre à davantage de femmes de bénéficier d'un avortement sûr en Belgique, au lieu de devoir se tourner vers l'étranger d'opérer dans des conditions souvent plus précaires, plus coûteuses, ou même d'avoir recours à des solutions qui ne sont pas encadrées médicalement avec des risques réels pour leur santé.

Il s'agit donc d'une mesure à la fois de justice sociale, d'égalité et de protection de la santé. Une modification de cette loi dans cette direction constituera un pas important vers une société plus juste, qui reconnaît pleinement le droit des femmes à disposer de leur corps et qui leur garantit un accès sûr et digne à des soins de santé essentiels. Sous cette législature, le gouvernement même est engagé dans ce sens et je crois que c'est très important.

François De Smet:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse, même si, honnêtement, nous n'avons pas appris grand-chose. Je voudrais soulever deux éléments.

Premièrement, ma collègue a eu raison de parler du contexte international: il n'est pas du tout propice au droit à l'avortement. Il y a des reculs significatifs. Ceux que nous observons aux États-Unis, par exemple, on ne les aurait pas imaginés il y a 10 ou 15 ans. Le recul sur les droits peut donc survenir très rapidement, dès qu’on n’avance plus. Rien que pour cette raison, afin que la parole de notre pays puisse valoir quelque chose sur le sujet, nous devons avancer et terminer ce travail.

Deuxièmement, vous avez en effet rappelé les deux lignes de l’accord de gouvernement qui appellent à une modification législative et à un consensus. Cela correspondait quasiment mot pour mot à ce qu'avait aussi promis la Vivaldi, avec les suites que nous connaissons. La vérité est que l'Arizona, tout comme la Vivaldi, a mis un verrou sur ce droit fondamental pour les femmes.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse. J'entends votre avis personnel et la position de votre parti, que je connais d'ailleurs fort bien, mais cela ne nous avance pas beaucoup sur les perspectives que nous avons, aujourd'hui, d'évoluer vers un droit qui correspond davantage aux réalités du terrain. Je sais bien que nous avons souvent tort de parler de chiffres. Ces derniers nous révèlent qu'une femme sur cinq avorte, dont une sur quatre hors du cadre. Nous oublions ces chiffres avec le temps qui passe. Mais en réalité, qui sont ces femmes? Il s'agit de vos mères, vos sœurs, vos amies, la caissière de la grande surface dans laquelle vous allez, la femme que vous croisez en rue, ou bien peut-être ici une collaboratrice ou une collègue dans les couloirs. Ce sont ces femmes que vous fréquentez tous les jours, qui ont recours à l'avortement. Je vois à votre tête que vous avez l'air perplexe, mais c'est la vérité! Alors oui, ce sujet est encore tabou pour une personne sur deux en Belgique. Par contre, 92 % de la population soutient un droit élargi à l'IVG. Il est temps d'avancer, monsieur le ministre. Je compte sur vous.

De oproep van Voka om werknemers na één maand ziekte naar de controlearts te sturen

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 25 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met het hoogste aandeel langdurig zieken in Europa (1 op 10), wat economische en sociale kosten met zich meebrengt. Voka’s voorstel—huisartsen maximaal één maand ziekte laten voorschrijven en daarna de arbeidsarts inschakelen—wordt afgewezen als wantrouwend en te rigid, vooral voor complexe medische gevallen zoals kanker of zware operaties. Minister Vandenbroucke benadrukt dat werkgevers nu al verplicht zijn (maar nalaten) de arbeidsarts te betrekken na een maand afwezigheid en kondigt een wetsontwerp aan met verplichte melding, fitnote-invoering (focus op *wat iemand nog wél kan*) en werkgeversverantwoordelijkheid om binnen zes maanden alternatieven te bieden. cd&v en de minister eisen samenwerking tussen alle partijen (werknemer, werkgever, artsen) en versnelde uitrol van de fitnote om langdurig ziekteverzuim structureel aan te pakken.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, in België is één op tien werkenden langdurig ziek. Daarmee scoren wij het slechtst in heel Europa. Dat kost niet alleen handenvol geld aan de sociale zekerheid, maar wij laten ook talent verloren gaan dat wij op de arbeidsmarkt heel hard nodig hebben.

In de krant lazen wij vandaag een nieuw voorstel van werkgeversorganisatie Voka, dat voorstelt dat huisartsen nooit langer dan een maand ziekte kunnen voorschrijven en dat vanaf dan de arbeidsarts wordt ingeschakeld.

Wij zijn de eersten om aan te dringen op oplossingen voor langdurig zieken en om dat probleem aan te pakken. Dit voorstel verwondert ons echter. Het gaat uit van wantrouwen, alsof artsen niet weten hoe lang de ziekteperiode moet zijn voor iemand die ziek is. Wat gaan wij dan bepalen? Leggen wij vast dat een arts nooit langer dan een maand mag voorschrijven, ook als iemand moet herstellen van een zware operatie of een kankerbehandeling moet ondergaan? Dat kan toch niet.

Uiteraard moet de zieke goed opgevolgd worden en moet er regelmatig controle zijn. Een koele afhandeling is voor cd&v echter niet the way to go . Een mens blijft een mens. Wij moeten vooral focussen op de juiste begeleiding en op wat iemand nog wel kan in plaats van te focussen op wat hij of zij niet meer kan. Artsen moeten kunnen werken met de fitnote. Als de arts vindt dat de patiënt nog bepaalde taken kan uitvoeren, kan hij dat aangeven in de fitnote. Hij kan overleggen met de arbeidsarts om te bekijken wat de mogelijkheden zijn op de werkvloer.

Op die manier zorgen wij ervoor dat de afstand tot de arbeidsmarkt niet groter wordt, laten wij niemand aan zijn lot over en zetten wij mensen niet in een vergeethoekje zonder hen met de juiste begeleiding te ondersteunen.

Wat is uw mening over het voorstel van VOKA? Hoever staat u met de uitwerking van de fitnote?

Frank Vandenbroucke:

Mensen die door ziekte afwezig zijn, hebben recht op de beste zorg en de best mogelijke ondersteuning om zo snel als mogelijk weer aan het werk te gaan.

Het voorstel van de werkgeversorganisatie Voka is inderdaad een uiting van veel wantrouwen tegenover artsen en vooral van weinig vertrouwen in zichzelf. Het is eigenlijk wat vreemd. Voka wil de arbeidsarts centraal plaatsen, maar vandaag is die al verplicht om actie te ondernemen om een zieke werknemer te helpen, zodra een werkgever meldt dat die persoon langer dan een maand afwezig is. De waarheid is dat werkgevers dat bijna nooit melden. Ik vraag me dus af of Voka zijn leden daarover zal informeren en zal zeggen dat dit moet gebeuren. Zal Voka zijn verantwoordelijkheid nemen in plaats van, zoals zo vaak, een ander met de vinger te wijzen?

Overigens ligt er morgen een belangrijk wetsontwerp voor in de ministerraad, waarmee we onder meer een garantie zullen inbouwen dat de arbeidsarts inderdaad op de hoogte wordt gebracht als iemand een maand afwezig is en in hij actie moet komen. In dat wetsontwerp zullen ook verplichtingen voor werkgevers worden opgenomen om voor mensen die nog kansen hebben niet langer dan zes maanden te wachten om praktische oplossingen en alternatieven in het bedrijf aan te bieden. Daarnaast zullen artsen de mogelijkheid krijgen aan te geven wat mensen nog wél kunnen, de zogenaamde fitnote. We zullen inzetten op ieders verantwoordelijkheid. Het systematisch doorschuiven van de hete aardappel en het afschuiven van schuld op anderen is geen oplossing voor mensen die door ziekte uitvallen. Pas als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt, ook Voka en de Vlaamse werkgevers, zullen we vooruitgang boeken.

Nahima Lanjri:

Meneer de minister, we weten allemaal dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft om ervoor te zorgen dat het aantal langdurig zieken teruggedrongen wordt. Met 526.000 langdurig zieken kunnen we niet op deze manier doorgaan. Iedereen draagt verantwoordelijkheid, zowel de werknemer, die wanneer hij hiertoe in staat is moet werken, eventueel met aangepast werk, als de werkgever, die moet zorgen voor de mogelijkheden daartoe. We constateren soms nog een gebrek aan bereidheid aan de kant van de werkgever. Ook artsen en mutualiteiten spelen een belangrijke rol, zowel bij de controle als bij de begeleiding. Daarom vragen we vanuit cd&v om werk te maken van de fitnote. Ik denk dat we daar echt stappen vooruit moeten zetten. Ik ben ervan overtuigd dat we dan eindelijk iets kunnen doen aan dit probleem, dat al veel te lang aansleept.

Militairen op straat
De inzet van militairen op straat en het wettelijke kader daarrond
De inzet van militairen op straat
De inzet van militairen op straat
Het inzetten van militairen op straat in de war on drugs
De inzet van militairen voor binnenlandse opdrachten
De plannen om militairen in te zetten op straat
Militairen op straat
Militairen op straat en hun binnenlandse inzet

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 24 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de controversiële inzet van militairen voor binnenlandse veiligheidstaak (o.a. drugscriminaliteit in Brussel), waar geen consensus over bestaat. Tegenstanders (o.a. N-VA, Ecolo, PTB) benadrukken dat militairen niet getraind, juridisch onbeschermd en ongeschikt zijn voor politiewerk, dat dit structurele politietekorten maskeert en dat een wettelijk kader (Defensiecodex) ontbreekt – dat pas tegen 2027 operationeel zou zijn via een territoriale reserve (500 personen). Voorstanders (o.a. MR, Vooruit) zien het als tijdelijke noodmaatregel om veiligheidsgevoel te herstellen, maar eisen duidelijk mandaat, training en financiële dekking om *windowdressing* te vermijden. Minister Francken (Defensie) bevestigt de urgentie maar waarschuwt voor risico’s (proportionaliteit, incidenten, afleiding van kerntaken zoals oorlogsvoering) en stelt dat een robuust juridisch kader (pas klaar in 2025) en afstemming met politie essentieel zijn—zonder garantie op snelle inzet.

Annick Ponthier:

Mijnheer de minister, ik kan grotendeels verwijzen naar de schriftelijke versie van mijn vraag. Uw opzet is anders dan wat de jongste tijd wordt beweerd. Er is kennelijk ook ruis op de lijn tussen u en de minister van Binnenlandse Zaken, wanneer het gaat over het tijdstip wanneer de militairen op straat zouden worden ingezet. Terwijl u in juli aankondigde dat militairen heel snel zouden worden ingezet, blijkt er nu toch een en ander te schorten aan onder andere de juridische invulling van het operationeel statuut. Kunt u dus duidelijkheid verschaffen? Wat is uw standpunt nu? Wanneer zouden er militairen op straat worden ingezet?

Kunt u meer uitleg verschaffen over het operationeel statuut en het toerbeurtensysteem waaronder onze militairen taken van binnenlandse bewaking opnemen?

Hoe ver staat het met het langverwachte wettelijk kader voor militairen in binnenlandse veiligheidsopdrachten?

Wat is de stand van zaken inzake de territoriale reserve? Hoeveel mankracht plant u? Hoeveel zit er al in de pijplijn? Wanneer verwacht u dat die mankracht operationeel en inzetbaar is?

Tot slot, voor ons is de DAB de hoofdverantwoordelijke voor de bewakingsopdrachten op plaatsen met kritieke infrastructuur. Daarvoor mag geen defensiecapaciteit worden ingeschakeld, volgens ons. U hebt echter een andere keuze gemaakt. Graag vernam ik van uw wat uw plannen zijn en wat is de stand van zaken.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, merci de rester plus longtemps que prévu.

Une nouvelle fois, avec le MR et la N-VA dans la majorité gouvernementale, on a l'impression que c'est le retour du militaire bon à tout faire. Après avoir repris les missions dévolues à la Direction de la sécurisation (DAB) de la police fédérale dans la surveillance des centrales nucléaires, on apprend aujourd'hui que le MR, par le ministre de l'Intérieur, veut absolument que l'on redéploye rapidement des militaires dans les rues de la capitale. Ce déploiement de militaires devrait se faire avec une capacité d'intervention telle qu'elle existe en France.

Nous étions bien d'accord, et vous l'aviez dit vous-même, monsieur le ministre, que les militaires n'ont pas à pallier l'incapacité du fédéral et du ministre de l'Intérieur à investir dans la police – c'est d'ailleurs plutôt le contraire qui s'est passé ces dernières années avec un désinvestissement dans la police – et à assurer la sécurité des citoyens face à des réseaux et à des violences qui relèvent de la responsabilité de la police fédérale, et de la police de manière générale. Les zones locales font déjà énormément de choses pour faire face au problème national que représentent les violences liées au trafic de drogue. Les militaires n'ont ni la formation, ni le cadre légal pour le faire. Je sais que vous travaillez sur une proposition de définition d'un cadre pour assurer de telles missions. En fait, c'est la gendarmerie qui aurait dû assurer ce type de mission, mais elle a été supprimée dans notre pays il y a presque 30 ans, ce qui n'est pas le cas en France.

Monsieur le ministre, comment vous positionnez-vous face à cette demande de votre collègue en charge de l'Intérieur? Où en êtes-vous dans vos négociations avec lui sur le sujet? Comment expliquez-vous une nouvelle fois le recours à des militaires plutôt que d'augmenter les moyens de la police fédérale pour assurer la sécurité de nos citoyens? Quelles seraient les conséquences humaines, matérielles et budgétaires pour la Défense d'un tel déploiement? Où en êtes-vous dans la confection de votre protocole d'accord avec votre collègue en charge de l'Intérieur? Les missions actives voulues par vos collègues de coalition sont-elles prévues et selon quelles concertations avec les syndicats militaires?

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik zal meteen met de deur in huis vallen. Vooruit is voorstander van het inzetten van onze militairen op straat in Brussel. Elk voorstel dat of elke maatregel die kan bijdragen tot de verbetering van de verschrikkelijke situatie in de Brusselse straten en op de Brusselse pleinen, is welkom. Wij zullen dat voorstel dus steunen.

In het regeerakkoord zijn echter twee voorwaarden gestipuleerd. De eerste voorwaarde is de oprichting van een territoriale reserve, omdat de inzet op straat eigenlijk niet behoort tot de kerntaken van onze actieve defensie. Aan die eerste voorwaarde zullen wij de eerstkomende jaren eerlijk gezegd niet kunnen voldoen. Dat vergt immers tijd. Zo'n reserve is er niet van de ene op de andere dag. Vooruit is dan ook absoluut bereid om die voorwaarde uit het regeerakkoord te laten vallen gelet op de noodzaak van uitzonderlijke maatregelen.

Een voorwaarde die voor ons wél absoluut van groot belang is, betreft het mandaat van de militairen en het wettelijke kader dat wij onze militairen bieden om te kunnen doen wat zij op straat moeten doen. Als daar militairen worden ingezet zonder duidelijk mandaat en zonder wettelijk kader, dan blijft het bij windowdressing. Dan toont men wel dat militairen aanwezig zijn, maar die kunnen niets doen. Dat is niet alleen frustrerend voor de militairen die de opdracht moeten uitvoeren. Dat is vooral ook heel inefficiënt. Voor elk incident moet dan immers toch een beroep worden gedaan op de politie.

Mijnheer de minister, dat wettelijke kader is voor ons dus een absolute voorwaarde. Denkelijk is het dat ook voor u.

Mijn vraag is bijgevolg heel eenvoudig. Hoe ver staat u met de uitwerking van het wettelijke kader en kunt u al een tipje van de sluier lichten over wat daarin precies zal worden opgenomen?

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, ik ben het geregeld met u eens, maar wat de inzet van militairen op straat betreft, is dat niet het geval. Ik beschouw dat als een bijzonder slecht idee en zal uitleggen waarom.

Ten eerste is de militair daarvoor niet opgeleid. Een militair is niet getraind om de orde te handhaven in een stad in het binnenland. Indien men dat wil doen - en er zullen altijd zijn die dat willen -, dan gaat men bij de politie. Dan wordt men geen militair.

De tweede reden betreft de capaciteit. Wij doen alsof de Belgische Defensie zoveel personeelsleden telt dat we niet weten waar we ze moeten stationeren. De internationale en geopolitieke context is echter bijzonder gespannen en vraagt dat operationele militairen op het internationale toneel beschikbaar blijven, niet in het binnenland. Binnenlandse ordehandhaving is een taak van de politie.

Ten derde, ik was nog redelijk mild toen ik over dat plan in het regeerakkoord las, want – dit zijn de te vervullen voorwaarden - leden van de territoriale reserve die niet operationeel voor langere periodes in het buitenland kunnen worden ingezet, zouden inderdaad voor bepaalde binnenlandse taken kunnen worden ingezet. Maar dan moet een wettelijk kader dat wel toelaten, zodat ze niet louter als een kamerplant aanwezig zijn op straat en alleen de politie mogen bellen bij incidenten. Als die twee voorwaarden vervuld waren, is daar wel iets voor te zeggen, maar dat is niet het geval.

Ten vierde, er wordt geargumenteerd dat men Defensie slechts in uitzonderlijke omstandigheden zou inzetten. In Brussel bestaat echter een structureel veiligheidsprobleem. Daar moeten structurele veiligheidsmaatregelen voor komen. De inzet van militairen naast politieagenten vormt geen structurele oplossing voor een veiligheidsprobleem zoals in Brussel hoofdstad of andere steden. Een drugsproblematiek, die al jarenlang speelt en waarschijnlijk nooit volledig zal verdwijnen, wordt niet opgelost door militairen naast politieagenten te laten patrouilleren. Dat is geen structurele oplossing, maar symboolpolitiek, mijnheer de minister.

Mijnheer de minister, u merkte op dat het wettelijk kader klaar is. Wanneer zal dat aan het Parlement worden voorgelegd? Gelet op het feit dat er enige ruis bestaat met de minister van Binnenlandse Zaken, vernam ik graag wanneer u die maatregel op het terrein denkt uit te voeren? Over welke capaciteit van militairen gaat het?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, le gouvernement fédéral a annoncé le retour de militaires dans certaines communes bruxelloises afin de lutter contre le trafic de drogues et les violences qui s'y rattachent. Cette mesure, présentée comme un appui aux forces de police, soulève de nombreuses interrogations quant à l'efficacité réelle. Les experts rappellent que l'armée n'a pas les compétences ni les prérogatives d'un service de police, et que son action s'inscrit avant tout dans le champ du maintien de l'ordre administratif.

Les expériences passées, notamment à la suite des attentats de Bruxelles, ont montré que cette présence pouvait influencer le sentiment d'insécurité. En effet, la présence policière renforcée depuis quelques années joue un rôle mais cette nouvelle présence doit être une force de dissuasion supplémentaire. Il faut aussi éviter que la problématique soit déplacée vers d'autres zones.

Dès lors, il est primordial qu'une complémentarité entre la Police et l'Armée soit mise en place pour protéger nos citoyens et empêcher que les réseaux puissent prospérer ou qu'ils puissent se développer dans de nouveaux quartiers.

Monsieur le ministre, quel sera le coût global de ce déploiement pour la Défense et comment sera-t-il financé? Une estimation a-t-elle été faite du coût par militaire mobilisé et du coût global par quartier concerné? Comment les moyens humains et financiers de ces déploiements urbains s'articulent avec les besoins actuels de l'armée dans ses missions principales? Comment ces déploiements s'articuleront-ils avec les forces de l'ordre? Quelle sera la durée prévue de ce dispositif et selon quels critères son efficacité sera évaluée? Une coordination spécifique est-elle prévue avec la police et la justice afin d'éviter que cette présence ne se limite à un déplacement du problème plutôt qu'à une réelle solution?

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, depuis quelques semaines, l'idée de renforcer les forces de police par des militaires tourne au sein des acteurs de la société et du monde politique, notamment pour renforcer la lutte contre le trafic de drogue. Évidemment, cette idée interpelle car elle met en lumière l'insuffisance actuelle des effectifs policiers. De même, elle laisse croire qu'il s'agit d'une solution miracle qui permettrait de combler les insuffisances actuelles du dispositif de lutte contre le trafic de drogue.

Nous savons tous que la première priorité doit être le renforcement des moyens de la police, singulièrement la police judiciaire pour pouvoir mener des enquêtes. Des moyens adéquats pour la justice sont tout aussi nécessaires. Surtout, les solutions pérennes doivent avoir une approche globale ou holistique impliquant l'ensemble des gouvernements en passant par de l'éducation à toutes les chaînes pénales, sans oublier le traitement des personnes touchées par l'addiction aux drogues.

Néanmoins, les Engagés pourraient accepter une présence temporaire de l'armée dans les rues pour rassurer la population. Mais il faut que les conditions de cet engagement soient clairement définies et qu'il ne porte pas atteinte à la readiness de la Défense sur laquelle vous insistez tellement, à raison.

Pour ce qui est de mes questions précises, je renvoie au texte de la question telle que déposée.

Monsieur le ministre, j'aimerais savoir quelle serait la quantité d'effectifs engagés? La Défense a-t-elle fait part d'un nombre maximum possible? L'utilisation des jeunes formés dans le cadre du service militaire volontaire a été évoquée. Ne serait-ce pas dangereux? Quelle serait la stratégie de sortie pour que ce soutien ne s'éternise pas ? Avez-vous fixé une limite temporelle? Quelles missions précises seraient attribuées aux militaires dans ce cadre? À quelles règles seront-ils soumis lorsqu'ils participeront à ces opérations? Quel serait l'impact sur l'objectif d'amélioration de la readiness de la Défense?

En bref, monsieur le ministre, il est nécessaire d'apporter beaucoup de précisions pour que nous puissions réellement apprécier de la pertinence et l'impact de ces propositions.

Robin Tonniau:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

De inzet van militairen in Brusselse wijken tegen druggerelateerd geweld wordt door experts en militaire vakbonden bekritiseerd: militairen zijn hiervoor niet getraind, juridisch beschermd of correct vergoed voor civiele politietaken. Tegelijk blijven cruciale maatregelen, zoals versterkte douanecontroles, gespecialiseerde speurders, adequate financiering van justitie en een totaalplan voor wijkveiligheid met preventie en sociale investeringen, uit.

Vandaar heb ik enkele vragen voor u meneer de minister:

Welke concrete structurele en lange termijn maatregelen neemt de regering om drugscriminaliteit effectief aan te pakken, in plaats van militairen op straat te zetten?

Zullen militairen dezelfde vergoeding krijgen als politieagenten?

Hoe lang wilt u militairen op straat laten patrouilleren?

Gaat u militairen op straat verplicht laten patrouilleren zonder een sluitend juridisch kader?

Peter Buysrogge:

Mijnheer de minister, de veiligheid in onze straten is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de politie. Het is klaar en duidelijk dat daar de verantwoordelijkheid ligt. Als er natuurlijk een capaciteitsprobleem is bij de politie, moet Defensie kunnen worden ingezet, mits goede afspraken, protocolakkoorden en dergelijke. Dat standpunt hebben we in het verleden als partij altijd ingenomen.

Collega Vander Elst, u vraagt waar het wettelijk kader blijft. Als er een wettelijk kader zou zijn, dan wilt u er misschien nog eens over nadenken. Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur, toen we nog samen op de oppositiebanken zaten, hebben wij een resolutie ingediend specifiek om dat wettelijk, juridisch kader te creëren. Die resolutie is toen vlotjes weggestemd, ook door uw partij, mijnheer Vander Elst; niet door u persoonlijk, maar wel door uw voorgangers.

Wat ons betreft, is het van belang dat dat juridisch kader er komt. Het had er al kunnen zijn als onze resolutie toen was aangenomen, maar die werd helaas verworpen.

Voor het overige verwijs ik naar mijn ingediende vragen.

Als voorzitter geef ik u nu het woord, mijnheer de minister.

Theo Francken:

Collega’s, het is een moeilijk debat, een debat dat telkens opnieuw opduikt. Er zijn argumenten aan beide kanten.

De drugsoorlog en de georganiseerde criminaliteit rond drugs zijn geen alleenstaand fenomeen. Het gaat om een structureel probleem dat al langer bestaat. Wel is er nu veel meer straatgeweld dan vroeger, zeker in Brussel, en dat geweld neemt toe. Er bestaat dus wel degelijk een expliciete vraag naar meer zichtbare aanwezigheid, een show of force . Aan beide kanten valt er iets te zeggen.

Politiemensen hebben hierin de eerste verantwoordelijkheid, dat klopt. Militairen hebben dit niet als hoofdtaak, maar hulp aan de natie behoort wel degelijk tot hun opdracht. Het is dus niet helemaal uitzonderlijk. Als er morgen opnieuw een aanslag zou plaatsvinden met tientallen doden en honderden gewonden, dan zullen militairen onmiddellijk op de straat komen. Ik neem aan dat de meesten onder u desgevallend zullen zeggen dat het niet anders kan.

De essentie van het debat is dus de volgende: verantwoordt een strijd tegen georganiseerde criminaliteit – niet tegen terroristen of zogenoemde lone wolves – de inzet van militairen op straat, of niet? Dat is de kernvraag.

Principieel heb ik er geen probleem mee om meer militairen en materiaal op straat in te zetten, ook in het binnenland. Er zijn natuurlijk tal van redenen om dat niet te doen. We bevinden ons momenteel in volle transformatie van onze landmacht. We hebben iedereen nodig. De situatie van 2016 is echt niet te vergelijken met die van 2025 of 2026: we zijn met veel minder personeel, we zijn volop aan het transformeren, er komt veel nieuw materiaal binnen en we hebben iedereen nodig. We bereiden ons volledig voor op oorlogsvoering aan de oostflank, wat een zeer zware vorm van oorlogsvoering is. Dat is totaal anders dan het expeditionaire verhaal van tien jaar geleden. We hebben een andere Defensie en bevinden ons in een heel ander stadium, waardoor het een moeilijke discussie is.

Op dit moment zijn onze militairen opgeleid om zeer scherp en agressief op te treden, echt gericht op war fighting . In die zin, als je dat inzet tegen een straatbende van twaalfjarige drugsdealers … Proportionaliteit is toch ook belangrijk.

Ik vind dit een uiterst moeilijk debat. Ik lig er ook wel wakker van; het is een van de lastigste kwesties. Volgens het regeerakkoord is het niet mogelijk. Het regeerakkoord voorziet in statische patrouilles op straat, bijvoorbeeld voor kerncentrales, mits inachtneming van de codex territoriale reserve. Gemengde patrouilles worden alleen ingezet bij een OCAD-niveau 4. Bij een drugsoorlog heb je echter geen niveau 4-dreiging. Dat niveau geldt enkel bij imminente dreiging voor terroristische aanslagen. Een drugsconflict met bendes die de straten van Kuregem of Peterbos overnemen, zoals de drugsmaffia uit Marseille die actief is, valt daar niet onder.

Aan de andere kant kunnen we de ernst van de problemen niet negeren. De situatie is zeer urgent. De vraag van Binnenlandse Zaken is duidelijk en alarmerend. Collega Quintin heeft mij hierover gevat en heeft daar vrijdag terecht een punt van gemaakt op de ministerraad.

Ik wil dit aanpakken. Vorige week heb ik met minister Quintin samengezeten. De juridische diensten van FEDPOL en Defensie komen vanmiddag om 14.00 uur samen op mijn kabinet voor overleg. Dit is een debat dat gevoerd moet worden. We zullen eruit geraken. Wat mij betreft is de Defensiecodex klaar. Het is belangrijk dat die er komt; vermoedelijk pas tegen de zomer, wegens het parlementaire proces. De vraag of Defensie en militairen ook politietaken mogen uitvoeren is een fundamenteel debat, waarover in het Parlement enkele maanden kan worden gediscussieerd. Er zullen waarschijnlijk ook nog procedurele stappen volgen, vermoed ik.

Ik schatte dat dit ongeveer een jaar zou duren. Rond 21 juli zou het wellicht afgerond en goedgekeurd zijn. Dit is namelijk ook afgestemd op het nieuwe Strafwetboek dat op 8 april in werking treedt. De artikelen zijn daarop geschreven. Als alles in het Parlement vlot verloopt, inclusief bij de Raad van State, zou 8 april haalbaar kunnen zijn. Dan zouden we dat kunnen doen.

Wat de territoriale reserve betreft, gaat het dit jaar om 500 personen. De brieven hiervoor worden hopelijk, als het wordt goedgekeurd, binnenkort verstuurd. De eerste 500 personen zullen dan worden opgeleid vanaf september 2026. Met een opleiding van twee à drie maanden zijn zij tegen het einde van 2026 opgeleid en begin 2027 inzetbaar. Het is niet de bedoeling om alleen deze 500 mensen op straat te zetten of de nucleaire installaties te laten bewaken. Zo’n taak is niet heel sexy. Men kan dat ook geven als taak, maar niet als enige taak. Dan is dat het domste idee ooit en zal geen enkele jongere dat willen doen, omdat ze dan gewoon als bloemzak worden gebruikt. Er moet dus een inzetkader komen. De territoriale reserve blijft dan ook staan als een huis.

Er is momenteel een urgente vraag en ik sta open voor antwoorden en hulp. We zouden ook eerst de nucleaire sites niet bewaken, maar we staat er al. Defensie staat er dus altijd voor open om te helpen, maar er zijn veel vragen, bijvoorbeeld over gemengde patrouilles met de politie. Politiemensen hebben echter een totaal andere opleiding genoten. Dat moet dus op elkaar afgestemd worden. Wat gaan we precies doen? In 2016 hebben we dat immers ook gedaan, maar enkel tijdens de eerste dagen. Daarna waren het enkel militairen die patrouilleerden, ook hier rond de Kamer, zonder politiemensen. Als er iets gebeurde, moest men maar bellen en dan kwam de politie. Dat is echter geen optimale situatie. Daarom is een grondig debat nodig. We zijn er nog niet uit, dat geef ik eerlijk toe, maar we zijn er volop mee bezig.

Of het nu voor het einde van het jaar nog zal gebeuren of pas erna, we moeten er vooral voor zorgen dat het werkt. Het is belangrijk dat de inzet van militairen correct gebeurt, dat ze goed inzetbaar zijn en dat de acties effect hebben op het terrein. Een show of force is belangrijk, maar het mag niet het enige zijn. Ook moeten de risico's goed worden ingeschat, want die zijn reëel. Het zou spijtig zijn als ik vragen krijg over incidenten, zoals toen een jonge militair van 18 jaar betrokken was bij dat incident in Anderlecht waarbij hij met de kolf van zijn SCAR de kaak verbrijzelde van een 12-jarige. Er werden toen klachten ingediend bij het Comité P en er werd een groot onderzoek gestart. We moeten dus goed weten wat we doen. In die zin ben ik altijd bereid om te helpen wanneer een collega van Binnenlandse Zaken vraagt om de binnenlandse veiligheid mee te verzekeren.

Dat heb ik ook gedaan toen ik staatssecretaris voor Asiel en Migratie was. Destijds werkte ik samen met een andere, maar zeer goede, minister van Binnenlandse Zaken. Ook met de huidige minister, eveneens een zeer goede, wil ik altijd nadenken over oplossingen. We hebben dat ook al gedaan met betrekking tot de nucleaire sites.

Als u mij echter vraagt of de militairen er effectief zullen komen en of het volledig rond zal zijn, kan ik zeggen dat we in onderhandeling zijn, dat we het al bespreken en dat we het rustig en goed zullen aanpakken. We zullen geen stommiteiten doen. Dat gaat echt niet gebeuren.

Over deze passage is trouwens maanden onderhandeld tijdens de regeringsonderhandelingen. Dat is niet voor niets gebeurd.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, uw kalme en genuanceerde houding wordt geapprecieerd.

Christophe Lacroix:

Ministre Francken, nuancé, équilibré, discret, calme… Mais on nous a transformé le ministre!

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre, parce qu'elle a le mérite de la franchise. Nous ne sommes pas souvent d'accord, mais au moins vous êtes quelqu'un de franc. Parce que j'ai l'impression que le MR et son président, c'était l'écran de fumée. Donc, pour résoudre toute l'incurie des partis de droite qui ont eu le portefeuille de l'Intérieur ces 25 dernières années, en termes de police et de recrutement de policiers, on vous fait porter le chapeau en disant: "Mais ça, ce sont les militaires et M. Francken qui vont le résoudre."

Et vous dites qu'une solution passe tout d'abord par un volet multidisciplinaire, qu'il faut travailler sur le plan judiciaire, sur le plan de la répression, et qu'il faudrait même travailler sur le plan de la prévention des assuétudes. Cela appelle donc à un dialogue avec les Régions et Communautés, et demande d'avoir un vrai plan interfédéral de lutte contre la drogue. Ensuite, vous dites qu'il faut au préalable que le codex soit voté, et que ces militaires soient formés le cas échéant; ils ne seraient déployables qu'en 2027.

Ma grande crainte est qu'on lance les gamins ou les gamines de la réserve territoriale dans une opération sans aucune préparation – alors qu'ils ont voulu s'engager pour leur patrie –, dans un contexte qui n'est pas celui qui est défini prioritairement dans le cadre de la défense.

Enfin, d'une manière générale – parce qu'on parle beaucoup aussi de fake news –, vous avez signalé à bon escient qu'il y a des fusillades à Bruxelles. Effectivement, on constate une augmentation des fusillades de 30 % à Bruxelles sur cette année et de 22 % à Anvers. Si on regarde les chiffres des autres villes de taille plus ou moins similaire, ou les grandes villes wallonnes ou flamandes, il s'agit, selon moi, d'un problème national, qui doit être réglé avec sérieux. Je pense que vous êtes bien plus sérieux en la matière que certains de vos collègues libéraux au gouvernement.

Axel Weydts:

Mijnheer de minister, ik was misschien wat voluntaristisch met mijn uitspraak dat wij voorstander zijn van het inzetten van militairen op straat. We blijven dat ook, maar daar past natuurlijk wel enig voorbehoud bij. Nogmaals, het wettelijke kader is een absoluut minimum. Ik denk dat we op dat vlak op dezelfde lijn zitten. We moeten alles goed afspreken en niet over één nacht ijs gaan bij de effectieve inzet van militairen. In die zin begrijp ik de bekommernissen zeker en steun ik die. Dat is heel belangrijk. Het is niet iets wat men van vandaag op morgen beslist. Daarom hebt u onze steun om niet te snel te schakelen en om een dergelijke maatregel correct vorm te geven, zonder zich aan steekvlampolitiek te bezondigen en van vandaag op morgen een aantal militairen op straat in te zetten. Het pad dat u wilt bewandelen, is ook het onze. U hebt daarvoor dus alle steun van ons.

Kjell Vander Elst:

Dank u voor uw duidelijke antwoord, mijnheer de minister. Ik denk dat we toch meer op dezelfde lijn zitten dan ik eerst dacht.

De eerste vraag die we moeten beantwoorden, is een principiële vraag, namelijk willen we militairen op straat inzetten of niet. Ik ben heel duidelijk: ik wil dat niet. Ik wil geen militairen op straat die structureel binnenlandse taken op zich nemen.

Wat ik wel wil – het wordt hier wat op flessen getrokken –, is dat in uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld bij een terreuraanslag of een dreigingsniveau van 4 zoals bepaald door het OCAD, alle veiligheidsdepartementen klaarstaan om het binnenland te beveiligen en eventueel te reageren. Dat geldt voor iedereen, ook voor militairen en Defensie. Als men dat aan Defensie vraagt, zal zij aan die vraag tegemoetkomen. Daar ben ik het 100 % mee eens.

In Brussel is er echter een structureel veiligheidsprobleem op het gebied van ordehandhaving. Daarvoor is een politiehervorming nodig; daarvoor moeten de politiemensen goed opgeleid worden en dat gebeurt momenteel onvoldoende. De fusie van de Brusselse politiezones steun ik ook volledig – dat zal zoden aan de dijk brengen – maar men moet politietaken aan politiemensen toevertrouwen, niet aan militairen.

U merkte op dat de opleiding van militairen nu zeer specifiek is. Die opleiding is helemaal anders dan 5 à 10 jaar geleden en terecht, want de dreiging is zeer reëel en ernstig.

U verwijst naar de Defensiecodex. Ik ben het volledig met u eens dat die niet op een drafje door het Parlement mag worden gejaagd. Het is een bijzonder belangrijk document waarin we structurele keuzes vastleggen over wanneer en waar welke militairen worden ingezet. Dat is cruciaal en technisch van aard. Men moet waarschijnlijk bijna een jurist zijn om die codex volledig te kunnen doorgronden. Ik zal me daar moeten doorworstelen. Ik wil absoluut vermijden dat de Defensiecodex er snel wordt doorgejaagd.

Ik respecteer minister Quintin en de MR, maar wat de Defensiecodex betreft, zitten we niet op dezelfde lijn. Ik hoop dat we die er niet overhaast zullen doorjagen, omdat minister Quintin en de MR zo snel mogelijk de militairen puur symbolisch willen inzetten. Zonder codex, zonder territoriale reserve en zonder wettelijk kader blijft het slechts een symbolische inzet. De militairen mogen momenteel niets doen. Ze mogen niet zelfstandig ingrijpen en moeten de politie contacteren. Als dat de aanpak blijft, hoop ik dat u uw woord gestand doet, voorbehoud maakt en voldoende tijd neemt voor de besluitvorming. Nogmaals, een dergelijke aanpak zou een zeer slechte zaak zijn voor Defensie. Ordehandhaving omwille van binnenlandse veiligheid is een taak van de politie en dat moet zo blijven.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Stéphane Lasseaux:

Monsieur le ministre, je vous remercie également pour votre réponse.

Monsieur Lacroix, je crois que, si Joëlle Milquet était de droite, cela se saurait. Je ferme la parenthèse. C'est un petit trait d'humour.

Monsieur le ministre, il est clair qu'en situation 'urgence et d'exception, on peut entendre les positions qui sont prises et qui visent à mettre les militaires dans les rues. On vous remercie pour votre volontarisme mais aussi pour votre prudence et votre réflexion. C'est aussi très important. On pourrait évidemment l'accepter à partir du moment où ces situations d'urgence, telles qu'on les a évoquées, sont bien présentes. Toutefois, on veut aussi certainement que la police soit renforcée, surtout la police judiciaire.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, het is niet alleen mij opgevallen, u bent hier veel minder offensief dan in de pers. Ik heb de indruk dat u tegen het idee van militairen op straat bent en dat - vooral - de MR u dwingt om een juridisch kader te maken om militairen in te zetten op straat. Wie militairen op straat wil, doet dat vooral om te besparen. Militairen zijn goedkoper dan politieagenten, goedkoper dan spoorwegpolitie, recherche en douaniers. Men probeert hen te gebruiken als goedkope vervangers, onder andere om kerncentrales te bewaken of rond te lopen in stations en op de Grote Markt in Brussel. Daarvoor hebben die mensen zich echter niet bij defensie aangemeld. Dat was niet de afspraak. Daarvoor zijn ze geen militair geworden. Bovendien hebben militairen geen stakingsrecht. Ze mogen geen orders weigeren, wat niet onbelangrijk is. Dat betekent dat ze veel makkelijker kunnen en zullen worden uitgebuit. Ze zullen langere shiften moeten draaien dan politieagenten en ze zullen niet kunnen weigeren. Laten we eerlijk zijn, militairen horen militair te zijn, in hun kazerne en operaties waarvoor ze zijn opgeleid. Ze moeten niet worden gebruikt als goedkope ordediensten in onze straten. Door hen die rol op te dringen, hollen we hun statuut uit en geven we hun opdrachten waar ze niet om vragen. Militairen zijn met andere woorden geen passe-partout voor alle veiligheidsproblemen in het land. Laat militairen militair zijn en investeer in politiediensten, die daarvoor wel opgeleid en gemotiveerd zijn. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.10 uur. La réunion publique de commission est levée à 13 h 10.

De studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen over langdurig zieken
Langdurige arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen
Zelfstandigen die steeds vaker uitvallen door ziekte
Langdurige ziekte en arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen en werknemers

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen (+58% sinds 2014, vooral door psychische aandoeningen (+120%) en musculoskeletale problemen (+53%)) wordt toegeschreven aan te lang doormodderen uit angst voor inkomensverlies, administratieve lasten en gebrek aan preventie. Minister Simonet kondigt versterkte preventie (financiële steun via sociale zekerheid, vereenvoudigde administratie, mentale gezondheidszorg via verzekeringsfondsen) en een proportioneel ziekte-uitkeringsysteem (i.p.v. forfaitair) aan, maar concrete uitvoering hangt af van lopend sociaal overleg. Kritiek blijft dat bestaande maatregelen (deeltijdse hervatting, vervangingsregeling) onvoldoende bekend of effectief zijn, terwijl de transversale werkgroep nog moet resulteren in tastbare oplossingen.

François De Smet:

Madame la ministre, une récente étude des Mutualités Libres met l'accent sur la grande fragilité des indépendants face à l'incapacité de travail, en montrant un risque d'invalidité supérieur pour cette catégorie professionnelle et une hausse de 49 % des entrées en incapacité de travail depuis 2018, alors que leur proportion parmi les personnes indemnisables est restée stable. Quelles analyses détaillées faites-vous des causes profondes de cette vulnérabilité accrue? Quelles sont les mesures spécifiques envisagées pour inverser cette tendance?

Cette étude met aussi en garde contre la fragilité croissante des indépendants, dont la proportion parmi les nouvelles incapacités a "explosé" après la suppression de la période de carence, et insiste sur la nécessité d'adapter les outils de prévention et d'accompagnement à ces profils spécifiques.

Madame la ministre, quelles actions concrètes comptez-vous entreprendre pour développer des outils de prévention et d'accompagnement sur mesure pour les indépendants, afin que le système puisse absorber la croissance continue des cas et que leur accès à l'indemnisation ne soit pas le seul facteur explicatif de cette hausse? Quelles stratégies le gouvernement entend-il développer pour soutenir la résilience et le bien-être des indépendants, en particulier face aux deux pathologies qui sont soulignées avec insistance par l'étude en question, à savoir les troubles psychiques et musculosquelettiques qui dominent les causes d'incapacité chez les indépendants?

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, u hebt wellicht de studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen gezien waaruit blijkt dat het aantal zieke zelfstandigen met de helft is gestegen. Het gaat onder meer om spier- en gewrichtsaandoeningen, burn-out en psychische en gedragsstoornissen.

Wat daarbij opvalt, is dat zelfstandigen soms te lang doorwerken. Ze zijn bang hun zaak te verliezen, beschikken niet over een financieel vangnet en negeren de signalen van hun lichaam. Wanneer ze dan uiteindelijk toch uitvallen, is hun ziekte al vergevorderd en duurt het herstel ook veel langer.

De getuigenissen in de krant waren bijzonder schrijnend. Zelfstandigen die vanuit hun ziekenhuisbed hun zaak proberen te blijven runnen en die zaak boven hun gezondheid stellen, het blijkt voor velen de harde realiteit.

Experts wijzen op verschillende oorzaken, zoals de economische onzekerheid, de torenhoge administratieve lasten en de concurrentie met grote bedrijven. UNIZO benadrukt bovendien het gebrek aan preventie en pleit voor een preventiebudget van 1.000 euro per zelfstandige om externe diensten in te kopen, zoals ergonomisch advies, psychologische ondersteuning of begeleiding door een sociaal secretariaat.

De cijfers moeten ons allemaal aanspreken, want het probleem is breder dan gezondheidszorg alleen. Het is schrijnend dat zelfstandigen op die manier met hun gezondheid omgaan.

Ik heb verschillende vragen. Ten eerste, hoe beoordeelt u de cijfers en de analyse dat zelfstandigen te lang doorwerken, waardoor hun ziekte ernstiger wordt en hun herstel langer duurt?

Ten tweede, u hebt in uw beleidsverklaring al een pakket maatregelen aangekondigd, namelijk een premie voor preventiebeleid, gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, een evaluatie van de sociale verzekeringsfondsen inzake mentaal welzijn, administratieve vereenvoudiging bij arbeidsongeschiktheid en een proportionele ziekte-uitkering. Kunt u daarvan een stand van zaken geven? Hoe staat het met de uitvoering daarvan?

Ten derde, er bestaan al verschillende maatregelen. De betrokken zelfstandige kan bijvoorbeeld in overleg met de arts het werk gedeeltelijk hervatten. Ook kunnen collega-zelfstandigen worden ingeschakeld om tijdelijk het bedrijf over te nemen. Volgens zelfstandigenorganisaties blijken die mogelijkheden in de praktijk echter weinig effect te hebben. Zelfstandigen doen daar nauwelijks een beroep op. Hebt u daar verklaringen voor? Moet er niet meer worden ingezet op sensibilisering rond die maatregelen? Hoe ziet u verdere stappen inzake sensibilisering, zodat zelfstandigen zich ten minste bewust zijn en weet hebben van het bestaan van de maatregelen en meer aan hun gezondheid denken?

Ik kijk uit naar uw antwoorden.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, naar aanleiding van de recente studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen getuigden enkele zelfstandigen die uitvielen door ziekte, zowel in De Morgen als op VRT Nieuws , hoe zij niet alleen uit liefde voor hun zaak, maar ook omdat ze geen personeel hebben en geen beroep op anderen kunnen doen, toch moedig blijven doorwerken. We kunnen die reflex wel begrijpen, maar die handelwijze wreekt zich ook achteraf. Die mensen worden dan nog zieker en vallen soms volledig uit, omdat ze op niemand terug kunnen vallen en zich geen groot inkomensverlies kunnen permitteren.

Ten eerste, wat preventie en terugkeer naar het werk betreft, hebt u tijdens de bespreking van uw beleidsnota aangegeven dat u een transversale werkgroep van het ABC RSVZ zou oprichten om mogelijke maatregelen samen te bespreken. Is die werkgroep intussen opgericht? Hoe vaak is die al samengekomen? Welke voorstellen heeft hij geformuleerd en wanneer komt u daarmee naar het Parlement? Moeten er zaken in wetgeving worden omgezet of gaat u daar zelf op een andere manier mee aan de slag?

Ten tweede, sinds 2024 krijgen de sociale verzekeringsfondsen ook financiering voor maatregelen die het mentale welzijn van zelfstandigen kunnen bevorderen. U wilde dat ook uitwerken voor andere aspecten van welzijn. Een maatregel die op tafel lag, was de uitbreiding van het preventiebeleid met financiële steun die gekoppeld is aan de sociale zekerheid, met als doel het preventieve aspect van de sociale zekerheid voor zelfstandigen te versterken. Zal die maatregel, die ook is aangekondigd in het regeerakkoord, worden doorgevoerd? Hoe ver staat u met die maatregel en liggen er nog andere maatregelen op tafel?

Tot slot, ondernemingsorganisatie UNIZO pleit al langer voor een proportioneel systeem van ziekte-uitkeringen, vergelijkbaar met dat voor werknemers, in plaats van de huidige forfaitaire regeling waarbij men een vast bedrag krijgt. Hoe beoordeelt u de invoering van proportionele uitkeringen voor zelfstandigen bij arbeidsongeschiktheid en hoe ver staat u met die denkoefening?

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Voorzitter:

Madame la ministre, je vous donne la parole pour répondre aux questions.

Eléonore Simonet:

Mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Lanjri, mijnheer De Smet, ik zal uw vragen over langdurige arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen samen beantwoorden.

Comme vous le mentionnez, l'évolution importante de l'incapacité de travail au cours de ces dix dernières années touche également les travailleurs indépendants. Il est question d'une augmentation de 58,6 %. Nous sommes ainsi passés de 22 353 travailleurs indépendants reconnus en incapacité de travail de longue durée en 2014 à 35 445 en 2024.

Les troubles mentaux et musculosquelettiques constituent les deux grands groupes de pathologies présents parmi les indépendants reconnus en incapacité de travail de longue durée. On parle d'une évolution de ces deux grands groupes de pathologies au cours de ces dix dernières années de + 119,61 % pour les troubles mentaux (passant de 4 655 travailleurs indépendants reconnus en incapacité de travail de longue durée en 2014 à 10 223 en 2024) et + 53,11 % pour les troubles musculosquelettiques (passant de 6 596 en 2014 à 10 099 en 2024).

Cependant, je me permettrai de nuancer ces chiffres. Le nombre de travailleurs indépendants en invalidité est relativement limité par rapport au nombre total de travailleurs indépendants. Ils sont moins susceptibles d'être malades pendant de longues périodes que les salariés, et un cinquième des travailleurs indépendants malades de longue durée entre dans le système de retour partiel au travail, soit un chiffre plus élevé que pour les salariés.

Évidemment, l'augmentation du nombre d'indépendants en incapacité de travail est préoccupante. Un indépendant – pas seulement eux, je vous rassure – c'est un travailleur et sa vie, c'est son business: souvent, il attend trop longtemps pour chercher l'aide dont il a besoin.

Tout au long de cette législature, je continuerai une politique intégrée. Nous renforcerons la prévention, l'aide pour ceux en incapacité et la réintégration plus facile pour les travailleurs indépendants. Pour contribuer à la réalisation des objectifs de l'accord de gouvernement, j'ai lancé plusieurs chantiers. Je les élaborerai en étroite concertation avec les partenaires sociaux, les mutualités et les administrations compétentes. À mon initiative, un groupe de travail transversal a déjà été convoqué pour examiner et mettre en œuvre diverses mesures.

Pour les indépendants qui travaillent tout en souffrant de problèmes de santé il est important, dans la mesure du possible, d'éviter qu'ils ne se retrouvent dans une situation d'incapacité totale de travail. À cette fin, nous élargirons la politique de prévention via un soutien financier associé à la sécurité sociale. L'objectif est de renforcer le volet préventif de la sécurité sociale des indépendants.

Nous étudions également un système d'incapacité de travail partielle pour les indépendants afin d'éviter leur incapacité totale. Un aspect important de la prévention de l'incapacité de travail à long terme chez les indépendants est la dimension du bien-être mental au travail. Les caisses d'assurance sociale jouent un rôle crucial dans la sensibilisation à cet égard et proposent depuis un an des services d'aide.

Je renforce aussi l'aide aux indépendants qui tombent malades: nous améliorerons concrètement l'information lors de la déclaration d'incapacité de travail. Un indépendant doit pouvoir se concentrer sur son rétablissement et non pas sur la paperasse. Les démarches administratives doivent donc être réduites au strict minimum.

Vandaag is het al mogelijk dat de huisarts het getuigschrift van arbeidsongeschiktheid via het elektronische circuit aan de adviserende arts van het ziekenfonds bezorgt, als het gaat om een arbeidsongeschiktheid van langer dan 14 dagen of bij een verlenging van de periode van arbeidsongeschiktheid. Ik voorzie dat vanaf 1 januari 2026 de huisarts verplicht wordt om in die situatie het elektronische circuit te gebruiken. Verder is het de bedoeling om de formaliteiten in het kader van de toekenning van de gelijkstelling van sociale bijdragen te vereenvoudigen.

J'ai également demandé au groupe de travail transversal d'examiner la faisabilité d'une indemnité de maladie proportionnelle pour les indépendants.

Enfin, l'accord de gouvernement prévoit de renforcer la politique de réintégration des malades de longue durée. Cela passe par une meilleure communication d'informations lors de la reprise du travail. Les trajets de retour au travail n'ont été introduits pour les indépendants qu'en 2023. Grâce au baromètre mis en place, nous suivrons en permanence leur impact afin de pouvoir les adapter ou les améliorer si nécessaire.

J'ai déjà sollicité l'avis des partenaires sociaux sur ces différentes mesures et je présenterai les décisions concrètes au gouvernement après concertation.

Ik kan bevestigen dat de arbeidsongeschikte erkende zelfstandigen eveneens met de toelating van de adviserend arts het werk kunnen hervatten. De activiteit moet weliswaar verenigbaar zijn met de algemene gezondheidstoestand.

Tijdens de periode van invaliditeit verrichtte eind 2023 26 % van de gerechtigden een toegelaten activiteit. De cijfers van het RIZIV tonen aan dat dit aandeel van lopende toelatingen in stijgende lijn zit. In 2018 bedroeg dat aandeel ongeveer 20 %. De cijfers tonen ook aan dat proportioneel meer zelfstandigen gebruikmaken van dit systeem dan werknemers. Ik zal u ook de gevraagde cijfers bezorgen over de duur en het percentage van de toelatingen.

Ongeveer de helft van de gerechtigden die tijdens de invaliditeit de toegelaten activiteit stopzetten – 53,26 % in 2023 – doet dit binnen het jaar na het aanvatten van de activiteit. In 2023 stopte 25,26 % van de deeltijdse activiteiten na een duur tussen 1 en 2 jaar en 7,76 % voerde de activiteit minstens 5 jaar uit alvorens die stop te zetten.

U had ook een vraag over het stelsel van de vervangende ondernemer. Eind 2023 doofde dat stelsel uit. Het stelsel werd op 1 juli 2010 in het leven geroepen met het nobele doel een mogelijkheid te voorzien voor zelfstandigen om hun beroepsactiviteit tijdens een moeilijke periode tijdelijk te schorsen zonder de continuïteit van hun onderneming in het gedrang te brengen. Zo konden kandidaat-vervangers zich voortaan inschrijven in het register van vervangende ondernemers en werden ondernemers in moeilijkheden verondersteld op die manier makkelijker een vervanger te kunnen vinden.

Ik kan bevestigen dat het stelsel weinig succes kende. Het register telde in 2011 amper 39 inschrijvingen en dat aantal daalde sindsdien alleen maar verder, tot zelfs bijna 0 in 2016. Vooral wantrouwen ten opzichte van het idee van vervanging, de complexiteit van de betrokken activiteit en de kosten van een vervanging lagen daaraan ten grondslag. De instandhouding en het onderhoud van dit stelsel vergden veel middelen in het kader van de aanpassingen aan de Kruispuntbank van Ondernemingen, terwijl het gebruik ervan erg beperkt was.

Op basis van al die vaststellingen en rekening houdend met het advies van de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO van 7 december 2021 besliste mijn voorganger, minister David Clarinval, dan ook het stelsel van vervangende ondernemers vanaf 21 december 2023 volledig af te schaffen.

De focus werd verlegd naar preventie op het vlak van mentaal welzijn en naar sectorale initiatieven. Zoals reeds toegelicht, ga ik op dat elan verder en trek ik volop de kaart van preventie.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses exhaustives et précises que nous prendrons le temps d'analyser.

Vous avez raison de rappeler que les indépendants mettent beaucoup de temps à solliciter les aides auxquelles ils ont déjà droit. Merci de renforcer la prévention à cet égard. Nous ne manquerons pas de faire le suivi de votre task force et des différents projets en cours.

Anja Vanrobaeys:

Bedankt, mevrouw de minister, voor het uitvoerige antwoord met de verschillende cijfers en de stand van zaken.

Meer zelfstandigen hervatten het werk. Ik zou dat niet vergelijken met de werknemers. Er is een stijging met de helft. Het is ernstig en de verhalen zijn bijzonder schrijnend. Zelfstandigen werken gewoon door tot ze erbij neervallen, uit angst om hun zaak te verliezen.

Het is dan ook goed dat u al die verschillende maatregelen in gang hebt gezet en dat er een transversale werkgroep is waarin dat wordt besproken. Ik kijk er echter naar uit dat de maatregelen die u aankondigt, die nu nog het voorwerp zijn van sociaal overleg, daadwerkelijk uitgevoerd en zo snel mogelijk gerealiseerd worden, zodat zelfstandigen er een beroep op kunnen doen.

Het gaat er niet alleen om die cijfers te verlagen, maar vooral ook te voorkomen dat mensen die ziek uitvallen zich alleen voelen in hun zaak, geïsoleerd blijven en doorgaan tot het te laat is. Zij moeten echt beseffen dat deze regering hen op moeilijke momenten ondersteunt. Ze hebben dat nodig.

Nahima Lanjri:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord, dat uiteraard overeenstemt met uw beleidsverklaring en beleidsnota. Het klopt dat het aandeel zelfstandigen beperkt is in de meer dan een half miljoen langdurig zieken in ons land. Dat is enerzijds omdat zij in omvang beperkter zijn, maar anderzijds is het zeker geen reden tot trots, omdat uit de cijfers juist blijkt dat mensen vaak veel te lang wachten – u hebt dat ook toegegeven – voor ze erkennen dat het niet meer gaat. Dat is geen goede zaak, noch voor de zelfstandigen die volledig ziek uitvallen, noch voor de economie. Het is dus belangrijk om in te zetten op preventie, wat ik ook heb aangekaart. Ik ben blij dat preventie voor u een speerpunt is, want voorkomen is nog altijd beter dan genezen. Het is dus goed dat de werkgroep die is opgericht nu voorstellen uitwerkt en dat er via de sociale verzekeringsfondsen extra middelen zijn om in te zetten op preventie, niet alleen op het vlak van mentale problemen maar ook voor andere aspecten van welzijn. Ik hoop dat de werkgroep snel met voorstellen komt. Onder meer UNIZO heeft al een aantal voorstellen gedaan, zoals de invoering van proportionele ziekte-uitkeringen. Ik ben blij dat u daarmee aan de slag gaat en dat dat momenteel voorligt bij de sociale partners. Ik verwacht dan ook dat we binnenkort in het Parlement de concrete uitwerking daarvan zien. Dan kunnen we dat goedkeuren, zodat zelfstandigen ook mogelijkheden krijgen om op tijd aan de alarmbel te trekken, op de rem te gaan staan en niet nog zieker worden. We willen immers absoluut vermijden dat mensen volledig uitvallen. Ik dank u alvast voor uw engagement en we zullen dit dossier verder opvolgen.

De erkenning van criminelen als zelfstandigen
Het erkennen van drugscriminelen als zelfstandigen
Het registreren van personen met inkomsten uit criminele activiteiten als zelfstandigen
Criminelen die als zelfstandigen beschouwd zouden worden
Het erkennen van criminelen als zelfstandigen
Het plan om criminelen systematisch als zelfstandigen te erkennen
De kwalificatie van drugsdealers als zelfstandigen
Erkenning van criminelen en drugshandelaren als zelfstandigen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister van Zelfstandigen (Simonet) stelt voor drugscriminelen systematisch als zelfstandigen te registreren om hen sociale bijdragen te laten betalen (met terugwerkende kracht tot 5 jaar) en hen sociale voordelen (kinderbijslag, werkloosheidsuitkering) te ontnemen, gebaseerd op bestaande wetgeving die ook illegale inkomsten als "professioneel" beschouwt. Kritiek luidt dat dit criminele activiteiten indirect legitimeert, de scheiding der machten schendt (sancties zonder vonnis) en praktisch moeilijk uitvoerbaar is (insolvabiliteit, gebrek aan cijfers), terwijl justitie en politie beter kunnen optreden via confisquering en zwaardere straffen. Ondanks symbolische en morele bezwaren (zelfstandigen voelen zich beledigd) en juridische twijfels (presomptie van onschuld), verdedigt de minister het als aanvullend wapen naast justitie, met steun van sommigen (Ducarme) die het zien als fiscale aanpak (zoals in Wallonië al gebeurt), terwijl anderen (Chahid, Moons) structurele justitiële actie eisen via een beloofde *taskforce* die nog ontbreekt. De maatregel zal niet automatisch zijn, maar afhangen van gerechtelijke informatie.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, u hebt onlangs het voornemen geuit criminelen systematisch als zelfstandigen te erkennen. Op die manier zouden ze niet alleen hun achterstallige bijdragen op hun criminele activiteiten betalen, maar ook de toegang verliezen tot een aantal sociale voordelen.

Ten eerste, kunt u wat meer toelichting geven bij dat plan? Hoe zou het concreet in zijn werk moeten gaan?

Ten tweede, vandaag zouden de parketten al in de mogelijkheid zijn informatie door te geven aan het RSVZ, maar die mogelijkheid zou slechts sporadisch gebruikt worden. Kunt u daarvan cijfers geven? Hoe vaak gebeurde dat in de afgelopen vijf jaar? Waarom gebeurt het niet nog vaker?

Ten derde en tot slot, is een automatische erkenning als zelfstandige wel steeds opportuun? Wat bijvoorbeeld met criminelen die, zoals vaak het geval is, actief zijn in een groter geheel en daar onder gezag en toezicht staan van anderen in die organisatie? Hoe ziet u dat allemaal? Ik kijk uit naar uw antwoord.

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, vous avez annoncé dans la presse votre intention d’assimiler les trafiquants de drogue à des travailleurs indépendants. Cela reviendrait donc à considérer comme travailleurs indépendants des criminels qui gagnent leur vie en tuant des gens et en propageant un cancer dans nos quartiers.

Vous avez indiqué que l’Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants (INASTI) pourrait affilier ces personnes qui génèrent des revenus et qu'une rétroactivité allant jusqu’à cinq ans pourrait être envisagée. Concrètement, on se baserait sur des procès-verbaux, sans même attendre des jugements, uniquement sur des constatations faites par la police ou l’auditorat.

Madame la ministre, j’ai été très étonné par votre déclaration, même si nous sommes d’accord avec l’objectif final qui est de mettre un terme à ces trafics et de faire en sorte que ces criminels soient à leur place, c’est-à-dire en prison. J’ai été très surpris qu’une telle annonce puisse être faite, car elle risque surtout de donner une forme de reconnaissance à ceux qui empoisonnent nos quartiers, détruisent des vies et sèment le chaos dans notre société.

Dans votre intervention médiatique, vous avez fait savoir que la loi permet déjà d’imposer des mesures financières à des personnes ayant exercé des activités illégales, via l’INASTI, en les considérant comme indépendants.

Madame la ministre, pouvez-vous nous expliquer quelles sont ces dispositions légales? Ont-elles déjà été mises en œuvre? Comment envisagez-vous de les faire évoluer dans ce cas précis?

En utilisant l’INASTI pour sanctionner ces personnes, ne risque-t-on pas de porter atteinte au principe même de la séparation des pouvoirs, en condamnant quelqu’un avant qu’il ait été jugé par les instances ad hoc ?

En reconnaissant comme indépendants ceux qui commettent de telles activités illégales, ne court-on pas le risque de légitimer ces activités criminelles? Ne serait-il pas plus opportun d’investir dans la police et la justice afin de donner aux autorités compétentes les moyens de mettre fin à ces trafics et à ces deals?

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, u hebt aangekondigd dat u criminelen systematisch als zelfstandigen wilt laten erkennen. Daardoor worden ze verplicht om hun sociale bijdragen te betalen binnen het zelfstandigenstelsel. Die verplichting kan eventueel tot vijf jaar teruggaan. Anderzijds verliezen ze ook hun toegang tot een aantal sociale voordelen, zoals kinderbijslag, werkloosheidsuitkering en steun van het OCMW.

Ik heb twee vragen die aansluiten bij de vragen van de heer Raskin.

U stelt voor dat rechtbankvonnissen over bijvoorbeeld drugsdelicten systematisch worden doorgestuurd naar het RSVZ, zodat die personen automatisch als zelfstandigen worden geregistreerd. Kunt u toelichten hoe dat concreet in zijn werk zou gaan? Welke stappen zijn daarvoor voorzien? Welke actoren worden daarbij betrokken? Wat is de timing?

Er bestaat vandaag al een mogelijkheid om die informatie aan het RSVZ door te geven, maar die zou slechts sporadisch worden gebruikt. Hoe vaak is die mogelijkheid de laatste vijf jaar gebruikt? Waarom is dat tot nu toe zo sporadisch ingezet? Hoe zult u dat verhelpen?

Is er overlegd met het RSVZ over die maatregel? Hoe staat het RSVZ daar zelf tegenover?

Ten slotte, vandaag zijn al heel wat criminelen als zelfstandigen geregistreerd via dekmantels zoals een gokkantoor of een leegstaand restaurant. Hun inkomsten worden systematisch laag aangegeven, omdat het net de bedoeling is om witwaspraktijken te verdoezelen. Het RSVZ zegt dat het hen in dat geval niet opnieuw kan inschrijven. Bovendien zijn de financiële gevolgen van een inschrijving als zelfstandige beperkt.

Wie heeft dat plan aangekondigd? Welke impact verwacht u daarvan? Verwacht u werkelijk dat er zo bijkomende inkomsten zullen worden geïnd en dat criminelen bijkomend kunnen worden gestraft doordat hun sociale voordelen worden afgeschaft? Hoe ziet u dat precies?

Ik kijk alvast uit naar uw antwoorden. Dank u wel.

Kurt Moons:

Mevrouw de minister, in de pers lazen we vlak voor het reces dat u criminelen wilt laten erkennen als zelfstandigen, zogezegd om hen in hun portemonnee te raken. U zegt dat daarvoor geen nieuwe wetgeving nodig is, dat de bestaande regels volstaan. Het Vlaams Belang is uiteraard voorstander van een harde aanpak van criminelen. Toch stellen we ons ernstige vragen bij de uitvoering en de impact van dit plan.

Ten eerste, over welke bestaande regels hebt u het? Hoe zult u die verder toepassen?

Ten tweede, hoe zult u zware criminelen raken? Dat zijn vaak mensen die in het buitenland verblijven of zich al lang verschuilen achter vennootschappen en constructies als zelfstandig bestuurder.

Om hoeveel mensen gaat het concreet? Hoeveel extra inkomsten verwacht u hiermee te innen?

Vindt u dit zelf niet eerder een ersatzoplossing, een surrogaat? Is het niet beter om te kiezen voor wat echt nodig is, namelijk zwaardere financiële straffen, langere celstraffen en vooral meer vervolging?

Waarom past u niet gewoon de wetgeving aan, in plaats van een bestaand systeem te misbruiken voor iets waarvoor het nooit bedoeld is geweest?

Hebt u hierover trouwens al overleg gepleegd met de minister van Justitie, uw collega mevrouw Verlinden? Wat waren de resultaten van een eventueel overleg dat u hebt gevoerd?

Ten slotte, vallen de inkomsten uit de drugshandel zelf volgens u ook onder de normale belastingverplichtingen, met mogelijke terugvorderingen enzovoort?

Kortom, mevrouw de minister, raken we met dit plan echt criminelen, of wekt u vooral de indruk dat zelfstandige zijn in dit land een straf is? Is dit geen totaal verkeerde boodschap? Is het u echt menens om dit ideetje dat u hebt voorgesteld daadwerkelijk door te voeren?

François De Smet:

Madame la ministre, je trouve toujours intéressant que des ministres lancent des idées, même si la forme peut surprendre. A priori, on vous attend sur des projets de loi ficelés plutôt que sur des ballons d'essai qui sont visiblement non concertés. Mais, face à cette pieuvre qu'est le narcotrafic, je peux comprendre que chacun cherche les meilleures solutions.

Alors, si on suit votre idée, l'INASTI affilierait ainsi désormais systématiquement les personnes générant des revenus d'activités criminelles, telles que le trafic de drogue, et cela de manière rétroactive jusqu'à cinq ans, via une transmission systématique, à l'INASTI entre autres, des jugements prononcés.

On voit assez vite les problèmes et critiques.

Premièrement, sur le plan de l'efficacité, on peut douter de la capacité à appliquer concrètement la mesure, notamment si les personnes condamnées sont insolvables. C'est d'ailleurs un élément que vous aviez vous-même déjà souligné.

Deuxièmement, sur le respect des droits et de la procédure légale, envoyer des procès-verbaux ou des constatations policières pour affilier quelqu'un, puisque c'est une des possibilités que vous avez évoquées, soulève des questions sur le droit à la défense, la présomption d'innocence, les preuves requises. Quant à la sécurité juridique, il y a des craintes de dérive. Des personnes pourraient se voir affiliées sur la base d'informations peu fiables ou par erreur.

Et puis surtout, il y a l'effet symbolique et moral. En effet, en termes de message, est-ce vraiment une bonne idée d'assimiler légalement les narcotrafiquants à des travailleurs indépendants? J'ai reçu des réactions d'indépendants allant dans ce sens. Cela paraît quand même douteux. En outre, permettre aux dealers d'accéder au statut d'indépendant, c'est aussi leur ouvrir la voie à une protection sociale, alors que, au départ, ceux-ci sont évidemment en totale infraction avec la législation pénale et fiscale: vente illicite de produits stupéfiants, pas d'inscription à la Banque Carrefour, etc.

Madame la ministre, mes questions sont simples. Quel est l'état d'avancement de ce projet, s'il existe et s'il est davantage qu'un ballon d'essai? A-t-il éventuellement été concerté avec vos homologues en charge de l'Intérieur et de la Justice? Une étude d'impact de ce projet sur la réalité du narcotrafic a-t-elle été lancée?

Je vous remercie.

Voorzitter:

Chers collègues, comme c'est un sujet passionnant, je vais me joindre au débat.

Voorzitster: Anja Vanrobaeys.

Présidente: Anja Vanrobaeys.

Denis Ducarme:

Je trouve ce débat intéressant. Je suis un peu surpris de voir les collègues s'inquiéter à ce point pour les droits des trafiquants de drogue. Je voudrais donc les interpeller sur un point. Que fait le fisc dans d'autres pays? Que commence à faire le fisc dans notre pays? C'est évidemment s'en prendre aux trafiquants de drogue sur la base des revenus qu'ils ont accumulé via le trafic de la mort. Ils le font dans d'autres pays d'Europe. Il commence à y avoir des projets en Belgique, sans attendre un jugement. Il y a plutôt une inversion de la charge de la preuve qui impose à une personne qui a acheté une Ferrari ou une Porsche sans avoir le moindre revenu de justifier ses revenus quand il y a une suspicion de trafic de drogue. Ici, nous sommes un peu choqués par l'emballage. Les dealers seraient finalement des travailleurs indépendants. Il ne s'agit pas de cela. Il s'agit de les frapper au portefeuille comme le fisc le fait. Je pense que c'est un bon projet.

D'ailleurs vous ne l'avez pas inventé. C'est quelque chose qui existait déjà en Wallonie. Vous préciserez à ce sujet quelques informations utiles. Je crois qu'il ne faut pas tout confondre. Ici, on se donne simplement les moyens de frapper encore davantage les trafiquants de drogue au portefeuille.

Président: Denis Ducarme.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Eléonore Simonet:

Mesdames et messieurs, je vous remercie pour ce débat d'actualité qui relève, on le voit bien, d'un sujet important.

La lutte contre le trafic de drogue est l'un des piliers de l'accord de gouvernement. Le trafic de drogue, vous l'avez tous répété, gangrène nos quartiers et sème la terreur auprès des commerçants et des habitants.

Dans mon champ de compétences, j'agis là où ça fait mal: le portefeuille des trafiquants. Il est scandaleux que des criminels actifs dans le commerce de la mort puissent bénéficier d'avantages sociaux. Là est mon objectif, et non pas de sanctionner des indépendants. Ceux qui ne veulent pas respecter les règles de la société n'en méritent pas les avantages.

Je vais être claire avec vous, l'objectif principal de cette action est de priver les malfrats des avantages sociaux par le moyen de leur affiliation comme indépendants. En effet, l'article 3 de l'arrêté royal n° 38 organisant le statut social des travailleurs indépendants prévoit que toute personne physique, qui exerce en Belgique une activité habituelle et régulière dans un but de lucre et en raison de laquelle elle n'est pas engagée dans les liens d'un contrat de louage de travail ou d'un statut, entre dans le champ d'application de cette législation et doit être considérée comme indépendante. Cette disposition est d'ordre public et s'applique indépendamment du caractère licite ou illicite de l'activité.

Lorsque l'INASTI constate, après enquête, qu'une personne qui exerce effectivement une activité indépendante n'est pas affiliée à une caisse d'assurances sociales, il la met en demeure de s'affilier à une caisse de son choix. Sans affiliation volontaire, elle est affiliée d'office à la caisse nationale auxiliaire qui est la caisse de l'INASTI.

Les cotisations sociales des indépendants sont calculées sur la base d'un pourcentage de leurs revenus professionnels. Ces revenus sont communiqués par l'administration fiscale. En l'absence de revenus connus, les cotisations des indépendants à titre principal sont calculées sur un revenu minimum légal.

Les autorités judiciaires disposent des pleins pouvoirs pour transmettre les procès-verbaux et décisions de justice à l'INASTI via une apostille classique. Je n'invente rien, je propose la systématisation de ces transferts, transferts qui se font déjà de manière sporadique dans la réalité.

Monsieur Ducarme, vous parliez de la Wallonie. Je peux vous dire qu'à Namur, les auditorats du travail transmettent à plus vive allure que dans d'autres régions de notre pays.

L'INASTI travaille de concert avec les auditorats du travail. Ces derniers envoient en effet des apostilles demandant notamment d'examiner si une personne doit, au vu de son activité professionnelle, être affiliée à une caisse d'assurances sociales. Sur cette base, l'INASTI examine l'assujettissement de la personne concernée en tant qu'indépendant.

Quand l'INASTI reçoit un dossier, il évalue, sur la base des éléments retenus dans le procès-verbal ou le jugement, s'il est question d'une activité professionnelle. Il n'est donc pas question d'un processus automatique.

Ik heb het RSVZ de opdracht gegeven een doeltreffende interne procedure op te zetten om de aansluitingen zo efficiënt mogelijk te realiseren. De informatie-uitwisseling tussen de parketten en de auditoraten enerzijds en het RSVZ anderzijds zullen we op korte termijn verder bespreken met de drugscommissaris. De procureur des Konings van Brussel zal alvast het nodige doen om dat soort dossiers systematisch door te geven.

Door die personen aan te sluiten, zullen zij net als iedere andere persoon die een commerciële activiteit uitoefent, sociale bijdragen moeten betalen. Die activiteit moet ook in aanmerking worden genomen bij de toekenning van uitkeringen van het RIZIV, de RVA of het OCMW. Daarnaast kan die aansluiting geval per geval een invloed hebben op de gezinsbijslagen, studiebeurzen en andere sociale voordelen. Door die procedure naar voren te schuiven, wil ik de magistratuur bewust maken van deze mogelijkheid.

Er bestaan geen precieze cijfers over het aantal dossiers van de voorbije vijf jaar, aangezien het RSVZ tot nu toe geen onderscheid maakte tussen de activiteiten waarvoor personen waren aangesloten. Het doel is een structurele overdracht van vonnissen of bepaalde processen-verbaal van de politie naar het RSVZ te organiseren, wanneer die verband houden met een illegale activiteit en relevant zijn in het kader van het sociaal statuut van de zelfstandigen. De overdracht zou via de gerechtelijke overheden verlopen. De documenten zouden een van de elementen van het onderzoeksdossier vormen en zouden als basis dienen voor een onderzoek naar de onderwerping. Zoals ik al eerder heb vermeld, zou er geen automatische onderwerping en aansluiting zijn. De maatregelen en de uitvoering ervan vergen uiteraard overleg met de verschillende betrokken actoren, justitie, politie en mijn administratie.

Momenteel werk ik aan de praktische uitvoering van de maatregelen. Een goedkeuring door de regering is niet nodig, aangezien alle wettelijke bevoegdheden al aanwezig zijn om de informatiestroom te systematiseren zonder verhoging van het budget. Het kabinet van Binnenlandse Zaken is in dit stadium niet betrokken, aangezien de informatie van de parketten zal komen, wanneer de procureur of zijn substituten dat nuttig achten. Het RSVZ is bereid om de nieuwe werkmethode structureel aan te pakken.

Tot slot stelde u mij de vraag over degenen die al een zelfstandige activiteit hebben. Dat is mogelijk en zij betalen al sociale bijdragen, maar het RSVZ kan hun inkomen opnieuw beoordelen op basis van de ontvangen gerechtelijke informatie en indien dat naar boven wordt aangepast, hun bijdrage verhogen. Niemand zal dus aan de gevolgen ontsnappen.

Nous agissons ici en complément de la justice, non à sa place. Tandis que les juges condamnent, nous coupons le robinet des aides sociales.

Double peine pour les trafiquants, double soulagement pour les contribuables, et double considération pour les policiers, qui retrouvent trop souvent dans la rue les mêmes dealers dès le lendemain de leur arrestation. Le signal adressé à nos forces de l’ordre et à notre justice est clair: nous sommes à leurs côtés dans la lutte contre la drogue.

Cette mesure doit être perçue comme un outil préventif et dissuasif, car, oui, l’argent facile peut faire perdre gros. Face à la criminalité, nous n’avons pas le luxe de la tiédeur. Nous agissons contre les narco-assistés.

Wouter Raskin:

Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw uitgebreide antwoord.

Laat me beginnen met te zeggen dat ik veel begrip heb voor de goede bedoeling achter uw initiatief om ervoor te zorgen dat die criminelen, die trafikanten, hun bijdragen betalen en dat de mogelijke sociale voordelen die ze daarnaast nog verwerven, worden aangepakt. De strijd die u in dat kader wilt voeren, is volgens mij de juiste strijd. Het is een werf waar zeker aan kan worden gewerkt.

Toen ik uw voornemen in de pers las, had ik evenwel gemengde gevoelens. We moeten immers opletten dat we door de stappen die we zetten niet impliciet illegale activiteiten zouden legitimeren. Ik weet dat dat absoluut niet uw bedoeling is, dat blijkt ook duidelijk uit uw antwoord, maar ik denk dat het heel belangrijk is om dat in de communicatie te benadrukken, zodat er geen verkeerde perceptie kan ontstaan. Het is volgens mij een terechte bezorgdheid die u moet meenemen. Ik heb altijd geleerd dat criminele activiteiten een gezonde economie ondermijnen en dat we dus moeten vermijden dat we die als legitiem ondernemerschap gaan zien.

U hebt mij enigszins gerustgesteld met uw antwoord, want de ethische vraag of criminelen niet beter beoordeeld en bestraft worden op basis van de feiten is evenzeer legitiem. U hebt dus de taak om die aanpak goed uit te leggen en om wat u wilt implementeren evenwichtig vorm te geven. Ik vind het jammer dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de stroom van de parketten naar het RSVZ. U zult, zo heb ik vernomen, alle betrokken actoren opnieuw rond de tafel brengen om een en ander af te stemmen. Ik kijk uit naar wat volgt, maar wil u toch in alle bescheidenheid vragen om de gemengde gevoelens die ik bij het vernemen van het nieuws had mee te nemen in uw communicatie en in de verdere uitwerking van uw plannen, zodat verkeerde percepties zeker worden vermeden.

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, merci pour votre réponse et pour les éléments que vous donnez ici, qui sont beaucoup plus précis que votre communication.

Je note deux choses; la première est relative à votre propos: "Vous n'inventez rien". Malheureusement, si. Vous inventez le fait qu'être trafiquant de drogue est une profession. C'est ce que vous inventez, et c'est là que réside le problème. Aujourd'hui, si vous nous dites que certains indépendants blanchissent parfois de l'argent, qu'en extension de leur travail d'indépendant, ils font du trafic de drogue et que vous voulez les attaquer, on est d'accord, et on sera derrière vous en cette matière. Mais la question est: pourquoi aujourd'hui la ministre des Indépendants et des Classes moyennes doit-elle intervenir à la place de la ministre de la Justice et du ministre de l'Intérieur? C'est la vraie question. On vous demande effectivement de faire en sorte qu'il n'y ait plus de trafic ni de trafiquants de drogue, de mettre un stop au deal, mais c'est le job du ministre de l'Intérieur et de la ministre de la Justice. Que font-ils? Ils n'arrivent à ce point pas à apporter des solutions à ces questions que la ministre des Indépendants et des Classes moyennes doit venir en support pour essayer de lancer des ballons d'essai et examiner si elle peut apporter son soutien dans la problématique que nous connaissons dans les grandes villes de notre pays. Le problème est donc vraiment là.

Ensuite, monsieur Ducarme, puisque vous nous avez directement interpellé, je vais me permettre de vous répondre. Il faut effectivement confisquer les biens de ces criminels et de ces trafiquants. On a d'ailleurs déposé une proposition de loi CrimOrg. On attend d'ailleurs que vous la votiez. On confisquerait tous les biens pour que ceux-ci puissent être réinvestis dans la police et la justice afin d'apporter des réponses concrètes. Personne ne dit le contraire. Mais le problème est que ce gouvernement est tellement en train de bouleverser les règles démocratiques de notre pays qu'on ne sait plus très bien qui s'occupe des trafiquants de drogue. Est-ce la ministre des Classes moyennes et des Indépendants, le ministre de l'Intérieur, la ministre de la Justice? Le premier ministre nous avait dit qu'il allait constituer une task force , mais nous l'attendons toujours. Le ministre de l'Emploi, le ministre de la Santé? On ne sait plus très bien qui s'occupe de quoi. Ce que nous voulons, c'est que chacun, aujourd'hui, s'occupe, avec les compétences qu'il exerce, du réel problème, investisse dans la police, dans la justice et mette ces criminels en prison. C'est là où ils doivent être, tout simplement. Merci.

Denis Ducarme:

Puisque vous m'avez interpellé, je me permettrai de vous répondre tout à l'heure, mais pas ici. Je partirai là-bas et je vous répondrai en 30 secondes, ou en deux heures si vous voulez. C'est vous qui choisissez.

Voorzitter:

La parole est à Mme Vanrobaeys.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord.

Uiteraard kan ik de doelstelling van de regering, namelijk een grondige aanpak van de drugsproblematiek en de dealers onderschrijven, des te meer gezien de situatie in zeker de grootsteden waar de kogels de pendelaars die met de metro of de bus naar het werk gaan, en de kinderen die met het openbaar vervoer of gewoon te voet naar de school gaan, om de oren vliegen en waar er zelfs bommen voor de deur ontploffen, waardoor een fiets of een auto die toevallig in die straat geparkeerd is, beschadigd geraakt. Ik had echter bij uw aankondiging toch gemengde gevoelens. U hebt een aantal zaken genuanceerd en verduidelijkt. U zegt dat het vooral uw doelstelling is dat criminelen sociale voordelen verliezen. Dat zou er nog aan moeten mankeren. Die mening deel ik dus volledig.

Als men hen echter ook automatisch aansluit, bouwen ze eveneens rechten op en kunnen ze dus sociale rechten verkrijgen. We moeten er dan ook zeer goed over waken dat we hun niet de indruk geven dat de handeltjes die ze opzetten deels gelegaliseerd worden, door hun aansluiting als zelfstandige. Die handeltjes veroordelen we allemaal, want ze leiden tot gevaarlijke situaties.

Ik vind het dan ook jammer dat u geen cijfers ter beschikking hebt. Waarom functioneert het systeem nu niet goed? Daarover heb ik heel weinig input gekregen. Waarom wordt bepaalde informatie dan niet doorgegeven? U hebt gezegd dat het sporadisch gebeurt, meer in Wallonië dan in de andere regio’s en dat de arbeidsauditeur van Brussel de informatie nu systematisch zal doorgeven. Ik had eigenlijk graag gezien dat het, aangezien het systeem bestaat, ook zou worden toegepast. Waarom wordt het niet toegepast en welke lessen kunnen we daaruit trekken, vooraleer we met een nieuw systeem verdergaan?

Ik heb goed begrepen dat u nog overleg zult hebben met de verschillende actoren, met name justitie, politie, het RSVZ en uw diensten. Ik kijk echt uit naar dat overleg. Als de automatische aansluiting een bijkomend middel is in de strijd tegen criminelen, tot daaraan toe, maar we moeten er wel over waken dat we hen niet de minste indruk geven dat zij op de ene of andere manier toch erkend worden en dat hun activiteiten enigszins gelegaliseerd worden.

Kurt Moons:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoorden.

Het is u blijkbaar echt menens om door te gaan met uw plan. Ik sluit me deels aan bij de collega’s. We kunnen natuurlijk niet tegen doeltreffende maatregelen tegen drugscriminaliteit zijn, maar het verbaasde me wel dat de minister van Middenstand, Zelfstandigen en Kmo's zich hiermee inlaat. Bij het publiek zou de perceptie van drugshandel als een commerciële activiteit kunnen ontstaan, hoewel dat zeker niet de bedoeling is. Natuurlijk moeten de sociale voordelen worden afgenomen, maar uiteindelijk is de vraag hoe we dat moeten aanpakken.

Criminaliteit bestrijdt men niet door het RSVZ in te schakelen, maar met de politie, het parket, rechters en gevangenissen. Men kan drugscriminelen helemaal niet bestrijden door hun het statuut van zelfstandige te geven. Uw plan stelt eigenlijk dat zelfstandig zijn een straf is. Een ondernemingsnummer is een sanctie. Laten we echter duidelijk zijn, een ondernemingsnummer is geen strafblad. Wie drugs verkoopt, krijgt bij u geen celstraf maar een KBO-nummer. Dat is geen beleid, dat is absurditeit. Zelfstandig zijn is geen misdaad.

De voorgestelde maatregel is in feite een vernedering voor de honderdduizenden zelfstandigen in het land, mensen die dag en nacht werken, bijdragen betalen en amper sociale bescherming genieten. U degradeert hun statuut tot een correctionele straf voor misdadigers. Criminelen belasten alsof ze ondernemers zijn, dat is amper beleid. Wat komt er daarna? Een btw-nummer voor mensenhandelaars? Ik had goede hoop bij uw aantreden als minister en meende uw enthousiasme voor ondernemers aan te voelen, maar de boodschap van dit plan is niet goed. Het zou pijnlijk duidelijk maken dat zelfstandig zijn in België een nadeel is, geen recht. Van een drugshandelaar een zelfstandige maken, is een belediging voor elke eerlijke ondernemer.

Als u respect hebt voor zelfstandigen, versterk dan hun statuut met betere pensioenen, ziektebescherming, crisissteun en dergelijke. Als de regering-De Wever criminelen wil aanpakken, investeer dan in politie, justitie en echte straffen. Laat er geen twijfel over bestaan: een drugshandelaar hoort thuis in de cel, niet in de kruispuntbank.

François De Smet:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses qui permettent d'y voir plus clair.

Aller chercher l’argent là où il se trouve, oui, bien entendu. Nous attendons toujours la mise en œuvre de la stratégie " follow the money " promise par le gouvernement. Parce qu’entre nous, les profits générés par le narcotrafic ressemblent bien plus au budget d’une grande ville qu’à une cotisation à l'INASTI.

Priver les trafiquants d'avantages sociaux, bien sûr, oui, sans état d'âme. Je reste toutefois troublé qu'on puisse inclure une activité non seulement illicite, mais criminelle, comme pouvant ouvrir la voie à un statut d'indépendant. L'affiliation me semble toujours détournée de son but originel. Il s'agit purement d'une question de principe et d'une position philosophique, et je suis peut-être en décalage avec l'époque, ce que je n'exclus pas.

J'ai quand même des doutes sur l'effectivité de la coordination entre l'INASTI et la justice, qui est pourtant indispensable à la réussite du projet tel que vous le détaillez, mais je crois qu'il faut vous laisser travailler, et nous jugerons le bébé sur pièce.

Voorzitster: Anja Vanrobaeys.

Présidente: Anja Vanrobaeys.

Denis Ducarme:

Monsieur Chahid, comme vous m'avez interpellé, je me permets de réagir brièvement. Il ne suffit pas non plus de simplement confisquer les biens. Il faut que le fisc frappe fiscalement les revenus perçus illégalement – et il commence à le faire. Le dispositif mis en œuvre par la ministre des Indépendants n'est pas nouveau, cher collègue. Vous débarquez un petit peu! Il est mis en œuvre par l'auditorat du travail depuis un certain temps déjà. Je suis désolé de vous l'apprendre, mais ce transfert d'informations de l'auditorat du travail vers l'INASTI pour assimilation, et surtout pour charger les trafiquants de drogue sur la base des revenus qu'ils ont accumulés dans ce cadre-là, existe déjà depuis longtemps. Il faut simplement considérer qu'il y a plusieurs moyens pour atteindre et frapper les trafiquants de drogue et le narcotrafic. Et ce gouvernement a décidé de déclarer la guerre au narcotrafic. Il mettra tout en œuvre sur tous les plans, en matière de police et de justice, et en matière fiscale, comme le fait la ministre Simonet, pour les atteindre le plus profondément possible. Tout est bon pour les frapper et c'est un outil supplémentaire.

Eléonore Simonet:

Si vous me le permettez, madame la présidente, je souhaiterais préciser quelque chose. Je ne pense pas que cela suscitera des réactions ni que cela partira en pugilat. Je tiens simplement à dire que je ne venais pas ici en tant que ministre de la Justice, ni en tant que ministre de l'Intérieur, et je ne suis pas première ministre. Mais je pense qu'il faut que nous soyons tous – et je ne parle pas que des ministres – sur le même axe de lutte contre ce trafic de drogue.

Monsieur Chahid, nous sommes tous les deux bruxellois, si je peux me permettre de le dire dans l'hémicycle. Nous sommes conscients qu'il faut penser différemment, think out of the box, et que c'est avec les députés, les bourgmestres, etc. que nous y arriverons.

Moi, dans mon champ de compétences, je prends une mesure administrative qui effectivement existait déjà. Je souhaitais la mettre en lumière. J'ai même un exemple d'un arrêt de 1999. Nous sommes tous responsables de cette criminalité liée à la drogue qui gangrène nos quartiers et qui fait qu'on se demande parfois si Bruxelles n'est pas le far west. Voilà ce que je voulais dire.

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, vous avez raison. C'est une affaire qui doit tous et toutes nous concerner, qu'on soit dans la majorité ou dans l'opposition. Nous attendons toujours la task force promise ici par le premier ministre, le 21 février dernier, qui réunirait les ministres compétents, vous incluse, les différents acteurs locaux, les Régions, et ferait en sorte que d'une seule et même voix, sans distinction entre majorité et opposition, on frappe fort. Mais cela fait sept mois qu'elle se fait attendre. Si elle existait, nous aurions pu venir vous soutenir, entendre vos différentes propositions et les comprendre. Aujourd'hui, vous êtes venue, vous nous avez répondu de manière plus détaillée que ce qui a été annoncé dans la presse. Cela nous donne un certain nombre d'éléments. Mais si cette task force réunissant l'ensemble des acteurs concernés existait, nous n'aurions peut-être même pas eu besoin de vous interroger. Ce que nous, membres de l'opposition, reprochons aujourd'hui, c'est l'absence d'une stratégie commune et unique qui permette à tous les niveaux de pouvoir, majorité et opposition, de dire aux trafiquants de drogue: "Vous ne diviserez pas le monde politique. Nous avons un combat: vous mettre à terre. Et nous y arriverons. Point à la ligne." C'est tout ce que nous demandons.

De noodkreet van de dierenartsen

Gesteld aan

Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zware mentale crisis bij dierenartsen (suïciderisico 3-4× hoger dan gemiddeld, burn-out bij 20-30% starters) wordt veroorzaakt door overbelasting, financiële precariteit, isolement en online pestgedrag, terwijl hun onafhankelijke status onvoldoende bescherming biedt. De minister bevestigt uitbreiding van psychosociale steun via ziektekassen (sinds 2024), onderzoekt gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen en vereenvoudiging administratie/fiscaliteit (o.a. lagere startbijdragen, e-box), maar specifieke maatregelen voor hoogrisicogroepen zoals dierenartsen staan nog niet concreet vast. Beide benadrukken nood aan structurele oplossingen via overleg met de sector, met erkenning dat het beroep—essentieel voor volksgezondheid en landbouw—dreigt onleefbaar te worden zonder gerichte actie. De minister belooft focus op preventie en verdere evaluatie, maar concrete stappen blijven vaag.

Anne Pirson:

Madame la ministre, la profession de vétérinaire est confrontée à un grave problème de santé mentale. Le taux de suicide estimé est trois à quatre fois supérieur à celui de la population générale et il est encore plus élevé chez les femmes vétérinaires. C'est une réalité glaçante qui est nourrie par une charge de travail démesurée, une précarité économique méconnue, un isolement professionnel profond et un harcèlement sur les réseaux sociaux qui ne cesse de croître.

Des témoignages récents, relayés notamment par la presse wallonne, révèlent un quotidien fait de sacrifices, de solitude et d'effondrements physiques et mentaux. Derrière le mythe d'un métier de passion, les vétérinaires indépendants sont souvent livrés à eux-mêmes: douze heures de travail par jour ou plus, un revenu net parfois inférieur à 2 000 euros, un accès difficile aux soins psychologiques, un statut d'indépendant peu protecteur en cas de burn-out ou d'accident.

Ce phénomène touche une profession majoritairement constituée d'indépendants qui cumulent charge de travail élevée, faible reconnaissance sociale et manque d'accès à des dispositifs adaptés de soutien psychologique. La réalité est que les vétérinaires sont esseulés. Selon certains professionnels, 20 à 30 % des jeunes vétérinaires abandonnent la pratique durant les premières années. Ce constat n'est pas tenable, c'est un métier de passion et il ne doit pas briser ceux qui l'exercent avec dévouement.

Dans votre note de politique générale, vous avez mentionné le rôle crucial des caisses d'assurance sociale qui proposent depuis un an des services de soutien en santé mentale et précisé qu'un premier rapport d'évaluation était attendu avant l'été.

Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser les questions suivantes. Une extension ou un renforcement du rôle des caisses d'assurance sociale est-il envisagé spécifiquement pour les professions à haut risque psychologique comme la médecine vétérinaire? Une meilleure couverture sociale est-elle à l'étude pour les indépendants en matière de congé de maladie ou de prise en charge psychologique? Quelles mesures sont envisagées pour alléger la pression administrative et fiscale pesant sur les vétérinaires, notamment en début de carrière? Le gouvernement entend-il ouvrir un dialogue avec les représentants de la profession vétérinaire pour améliorer leurs conditions d'exercice et réduire les facteurs de burn-out?

Eléonore Simonet:

Madame Pirson, à la lumière des données chiffrées relatives à l'évolution du nombre de personnes reconnues en invalidité par groupe de maladies, force est en effet de constater la progression du nombre de personnes atteintes par des troubles musculosquelettiques et mentaux chez les travailleurs indépendants reconnus en incapacité de travail depuis plus d'une année. Il est donc nécessaire de cibler les mesures préventives pour éviter que l'indépendant ne tombe en incapacité à cause de ces maladies.

Comme vous l'avez dit, depuis 2024, les caisses d'assurance sociales offrent un soutien psychosocial de première ligne aux indépendants. Un financement est prévu pour ces caisses afin de prendre des mesures visant à promouvoir le bien-être mental des travailleurs indépendants. Compte tenu de l'augmentation du nombre d'indépendants souffrant de burn-out et de dépression, l'accent a été mis sur la prévention et le bien-être mental. Ces services font annuellement l'objet d'une évaluation. Je suis consciente que certaines professions, tels les vétérinaires, sont particulièrement exposées.

Bien que le système actuel soit conçu de manière générale, des approches spécifiques pour les professions à haut risque, comme celles qui sont marquées par un risque accru de burn-out ou de suicide, ne sont pas exclues.

L'introduction de ce nouvel accompagnement a constitué une première étape. Je poursuis cette politique en rendant également possibles des mesures de prévention pour d'autres aspects du bien-être au travail des travailleurs indépendants. En exécution de l'accord de gouvernement, j'ai demandé au Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs indépendants d'examiner l'extension de la politique de prévention via un soutien financier sur le plan du régime de sécurité sociale.

Une deuxième mesure concerne l'incapacité de travail partielle. J'ai demandé à un groupe de travail au sein de l'INAMI d'analyser la création d'un régime d'incapacité de travail partielle pour les indépendants. Ce mécanisme permettrait de maintenir une activité adaptée à l'état de santé afin d'éviter une cessation complète, notamment en cas de burn-out.

La simplification administrative constitue un autre volet important. Plusieurs réformes sont en cours: la déclaration électronique d'incapacité via un certificat médical, la transmission automatisée des données par les mutualités vers les caisses d'assurance sociale et l'INASTI ou encore la généralisation de l'eBox.

Parallèlement, l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants (INASTI) développe une base de données unique et une plateforme interactive dans le cadre de la stratégie eGov 3.0. Ces outils visent à réduire les charges administratives pesant sur les indépendants selon le principe du o nly once .

Concernant les indépendants débutants, dont les jeunes vétérinaires, une cotisation sociale minimale réduite est prévue pour les quatre premiers trimestres d'affiliation, assortie d'une réduction supplémentaire au premier trimestre. En matière fiscale, plusieurs réformes sont également envisagées sous la responsabilité du ministre des Finances.

Enfin, je tiens à rappeler l'importance du dialogue avec les organisations professionnelles. Les signaux relatifs à la surcharge de travail, à l'isolement ou à l'insécurité économique doivent être pris en compte pour renforcer le bien-être psychosocial de professions essentielles comme celle des vétérinaires. À la foire de Libramont, j'avais rencontré le secteur des vétérinaires et ils m'avaient sensibilisée aux chiffres qui étaient effectivement affolants.

Je vous remercie donc d'avoir retapé sur le clou pour moi. Je prends bonne note de votre remarque et je porterai l'accent là-dessus. J'y travaille.

Anne Pirson:

Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses. Il est effectivement essentiel de prendre vraiment pleinement conscience de la gravité de la situation vécue par les vétérinaires. Nous nous sommes rencontrées à Libramont et je me réjouis de savoir que vous avez rencontré le secteur. Aujourd'hui, les témoignages de détresse ne peuvent effectivement plus être considérés comme des cas isolés. Comme vous l'avez dit, cela révèle une tendance structurelle faite de surcharge. À cela s’ajoutent la précarité financière et l’isolement, qui aggravent encore la situation. Nous ne pouvons donc que vous féliciter d'avoir un dialogue régulier avec les représentants de la profession comme vous l'avez initié. Il ne faut pas oublier que derrière toutes ces difficultés se cache vraiment une évidence: la médecine vétérinaire est à la fois un métier essentiel et un métier de passion. C'est essentiel pour la santé publique, pour nos filières agricoles et pour le bien-être animal. C'est de la passion, parce que ceux qui l'exercent le font avec un dévouement remarquable. Notre responsabilité collective à tous est de veiller à ce que cette passion puisse continuer à s'exprimer sans briser ceux et celles qui s'y consacrent. Je vous remercie pour votre engagement et votre travail.

De klimaatdoelstelling voor 2040
De Europese Milieuraad van 18 september 2025
Emissiereductie en de doelstellingen voor 2040
De klimaatdoelstelling 2040
De klimaatdoelstellingen voor 2040
De klimaatdoelstellingen voor 2040
De neerwaartse bijstelling van de emissiereductiedoelstellingen van de EU
EU-klimaatdoelstellingen en emissiereductie voor 2040

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België steunt de EU-doelstelling van 90% CO₂-reductie in 2040, maar stelt drie voorwaarden: een Europees transitie-investeringsplan, een herzien budgetkader en versnelde internationale flexibiliteit (koolstofcredieten)—ondanks kritiek op de betrouwbaarheid en ethiek daarvan. Tijdens de EU-Milieuraad (18/9) blokkeerde een minderheid een akkoord, waardoor de beslissing doorgeschoven wordt naar de Europese Raad (23/10); België eist garanties voor koopkracht, competitiviteit en rechtvaardige transitie, maar de uitvoering blijft onzeker door gebrek aan draagvlak in de regeringen. De tussentijdse 2035-doelstelling (66,25–72,5% reductie) werd vastgelegd in een intentieverklaring voor de COP30, maar kritiek luidt dat de EU verzwakt en verdeeld aantreedt door uitstel en waterige afspraken. België verkleint zijn COP30-delegatie met 39% en benadrukt partnerschappen met Afrika voor "win-win"-klimaatprojecten, maar interne tegenstrijdigheden (bv. energienorm-uitstel) ondermijnen de geloofwaardigheid.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, la Commission européenne a publié le 2 juillet dernier sa proposition législative en ce qui concerne l'objectif climatique de 2040. La Commission propose un objectif de réduction de 90 % des émissions nettes de gaz à effet de serre d'ici 2040. Pour y parvenir, elle propose d'intégrer, dès 2036, le recours aux "flexibilités", c'est-à-dire la possibilité pour les É tats d'atteindre l'objectif en achetant des crédits carbone à l'étranger.

Dans ce contexte, votre gouvernement a décidé, dans le cadre de son accord d'été, de soutenir la proposition de la Commission moyennant trois conditions: un plan européen de transition et d'investissement crédible dans l'année, destiné aux industries intensives en énergie; une révision du cadre budgétaire européen, afin de mieux accompagner les États membres qui atteignent leurs objectifs climatiques et économiques; la mise en œuvre anticipée des flexibilités internationales prévues, avant 2036.

Les flexibilités internationales font l'objet de vives critiques. Y recourir est, selon nous, une rupture par rapport au passé. Les marchés internationaux de carbone fonctionnent mal. Une tonne de CO 2 stockée dans une forêt n'est pas aussi stable qu'une tonne de CO 2 enfouie dans le sol. Les crédits carbone sont trop souvent surévalués. Ils favorisent l'accaparement des terres et la violation des droits humains. Avec ce mécanisme, on externalise l'effort climatique vers les communautés du Sud. Il vaut mieux, pour nous, tabler sur des réductions domestiques de gaz à effet de serre. Au regard de ces critiques, comment justifiez-vous votre exigence d'anticiper la mise en œuvre des flexibilités avant 2036?

Des discussions ont lieu au niveau européen en ce début de mois de septembre. Les 10 et 11 juillet, un Conseil Environnement informel s'est tenu à Aalborg; le 16 juillet, un Coreper; le 18 septembre, le Conseil Environnement extraordinaire, censé entériner la trajectoire climatique de l'UE. Pouvez-vous faire le bilan de ces discussions au niveau européen? Qu'avez-vous obtenu concernant vos trois conditions? Quelle a été au final l'attitude de la Belgique?

Kurt Ravyts:

Wie zegt dat deze regering zwak is op het vlak van klimaatambities? Ik durf dat niet te zeggen, mijnheer de minister. Op 21 juli jongstleden heeft de federale regering het voorstel van de Europese Commissie goedgekeurd dat een vermindering van minstens 90 % van de netto-uitstoot van broeikasgassen tegen 2040 tot doel heeft. Er zijn inderdaad voorwaarden, zoals mevrouw Meunier zei, namelijk concrete waarborgen op het vlak van concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en technisch-economische haalbaarheid.

De federale regering pleit voor een geloofwaardig Europees transitie- en investeringsplan, dit jaar nog, voor energie-intensieve industrieën. U pleit ook voor een herziening van het Europese budgettaire kader om de lidstaten beter te begeleiden. Daarnaast pleit u voor de vervroegde invoering van de voorziene internationale flexibiliteit vanaf 2036.

Heel wat mensen aan de linkerzijde zijn ontgoocheld over de Europese Milieuraad van 18 september, want een en ander moest uiteraard besproken worden via uw Waalse collega. Het Deense voorzitterschap heeft een compromisvoorstel op tafel gelegd, waarop een blokkeringsminderheid is ontstaan. Duitsland zou erop hebben aangedrongen dat de discussie verdergezet wordt op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders, die op 1 oktober informeel in Kopenhagen samenkomen en op 23 oktober naar Brussel afzakken voor een formele top. Dat is de Europese lijn.

Aan de andere kant is er de VN-lijn. Daar is er een compromisvoorstel opgesteld – een intentieverklaring, heb ik begrepen – waarbij de EU naar een indicatieve vermindering van de uitstoot zal streven, tussen 66,25 % en 72,5 % tegen 2035, binnen die vork. Daarnaast worden de ambities voor 2030 – min 55 % – bevestigd. Er zal de komende dagen op VN-niveau worden toegelicht dat Europa in 2035 een nieuwe tussentijdse klimaatambitie zal vastleggen. Ook aan het klimaatdoel voor 2040 zal verder moeten worden geschaafd.

Dat is echter allemaal niet voldoende voor mijn collega’s van de linkerzijde. Toch wil ik u vandaag bevragen.

Kunt u verslag uitbrengen over de conclusies van de Europese Milieuraad? Klopt alles wat ik hier heb gezegd? Mijn eerste vraag gaat dus over de Belgische positiebepalingen bij monde van uw collega tijdens die Raad.

Werd er al overleg gepleegd met de gewestregeringen rond de goedkeuring door de federale overheid van het voorstel van de Europese Unie om een tussendoel voor 2040 vast te leggen in de Europese klimaatwet, of is dat niet nodig? Ik denk van wel.

Ten derde, kunt u een stand van zaken geven over de aangehaalde Belgische voorwaarden, het Europese transitie- en investeringsplan, de begeleiding en de internationale flexibiliteit? Dank u wel.

Voorzitter:

Dank u wel, collega Ravyts.

U bent een beetje over de tijd gegaan, maar dat is ook omdat u zo goed geïnformeerd bent. Dat wil ik u dus vergeven.

Marc Lejeune:

Monsieur le ministre, je ne referai pas le discours de mes prédécesseurs à propos de l'objectif européen intermédiaire 2040.

En juillet, la Commission européenne annonçait une réduction intermédiaire de nos émissions de 90 % à l’horizon 2040. Afin d’y arriver, la Commission a décidé d’accorder une certaine flexibilité aux États membres, en autorisant, par exemple, le financement de projets de réduction de CO 2 à l’étranger dans le calcul final. Cependant, avec vos homologues européens, vous vous êtes accordés sur un objectif de réduction de CO 2 entre 66,25 % et 72,50 % pour 2035.

Monsieur le ministre, quelle a été la position défendue par notre gouvernement sur ces objectifs climatiques? Quelle est la position aujourd'hui sur les objectifs intermédiaires fixés pour 2040?

J'ai aussi une sous-question: l’accord du gouvernement prévoit une réflexion sur la taille des délégations internationales que nous envoyons, qu’en est-il pour la COP30?

Tinne Van der Straeten:

Mijnheer de minister, over de klimaatdoelstelling 2040 bestaat enige zenuwachtigheid, zowel op Europees niveau als tussen verschillende lidstaten, met bepaalde lidstaten die hun positie wijzigden kort voor de Raad plaatsvond. Die zenuwachtigheid is uiteraard ook ingegeven door het feit dat het voor het Deense voorzitterschap een heel belangrijk dossier is en de klimaatdoelstelling 2040 moet resulteren in een NDC waarmee Europa naar Belém kan trekken. In die zin vond vorige week een belangrijke raadsvergadering plaats. Ik sluit mij dan ook aan bij de eerdere sprekers, die vroegen naar het standpunt dat België daar heeft ingenomen.

Ik zou vooral ook willen weten wat de uitkomst was van de Raad. We hebben wel kunnen lezen hoe de conclusie luidde, maar ik zou graag kennis willen nemen van uw inzicht over twee aspecten. Ten eerste, hoe moeten wij de letter of intent van het Deense voorzitterschap interpreteren? Wat wordt daarmee nu verder gedaan? Wat is de verwachting? Het Deense voorzitterschap kon die discussie niet afronden en heeft een uitweg gevonden in de vorm van een intentieverklaring. Wat is echter de route van de conclusies van de Raad, die al samengezeten heeft, naar de top in Belém? Komt er een Europese doelstelling, een NDC, waarmee we naar Belém kunnen trekken?

Ten tweede, is het een zaak van de klimaatministers of wordt het een chefsache? In het verleden is het immers nog gebeurd dat op de Europese Raad met de staatshoofden en regeringsleiders ook werd gesproken over de klimaatdoelstellingen. Waar zal de knoop finaal worden doorgehakt? Zal dat in de Milieuraad gebeuren of wordt de discussie integraal overgeheveld naar de Europese Raad?

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, vous vous êtes récemment réunis avec vos homologues européens pour tenter d’adopter un objectif climatique pour 2040, avant la COP30 de Belém. Cette réunion a débouché sur un compromis a minima , comme l’a relayé la presse: une simple déclaration d’intention fixant un objectif intermédiaire pour 2035, compris entre -66,25 % et -72,5 % des émissions par rapport à 1990. Cet accord a été présenté comme une manière de sauver la face. Il est jugé trop flou par de nombreux acteurs. Les ONG évoquent une non-décision, trop imprécise pour garantir la trajectoire vers la neutralité carbone en 2050. Pendant ce temps, les catastrophes climatiques en Europe s’aggravent d’année en année.

L’objectif pour 2040 de -90 % proposé par la Commission européenne, et qui était un pas en arrière, restera en suspens, et sera désormais discuté au niveau des chefs d’État et de gouvernement le 23 octobre. Selon la presse, la Belgique fait partie des pays qui ont freiné des quatre fers, réclamant une longue liste de garanties liées à la protection du pouvoir d’achat et à la compétitivité des entreprises.

Monsieur le ministre, pensez-vous qu’il sera toujours possible de parvenir à un accord sur un objectif contraignant pour 2040 avant la COP30? Ou faudra-t-il constater que l’Europe risque d’y arriver divisée et affaiblie?

Deuxièmement, pouvez-vous rendre publique la liste précise des garanties qui ont été exigées par notre pays pour soutenir l’objectif de -90 % des émissions en 2040?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, vous le savez, la Commission européenne a présenté ses ambitions climatiques pour 2040, visant une réduction de 90 % de ses émissions de gaz à effet de serre. Je sais que vous êtes sensible à cet objectif également.

C'est un objectif qui paraît ambitieux sur le papier. Plusieurs éléments, malgré tout, suscitent notre inquiétude. L'utilisation des crédits carbone, les différences de traitement entre secteurs et l'inclusion de technologies d'élimination de carbone qui sont encore immatures, qui sont coûteuses en ressources financières et coûteuses en ressources naturelles.

La position officielle de votre gouvernement est d'approuver cette décision, qu'on ne juge pas assez ambitieuse au vu de l'urgence climatique et du coût de l'inaction. On rappelait encore, la semaine dernière, le rapport sur la Cour des comptes en France sur la transition écologique: le coût de la transition est estimé à 1,2 points de PIB contre 15 points pour l'inaction. Donc cette inaction climatique coûte plus cher que d'agir contre le dérèglement climatique. Pendant ce temps, on voit que l'Union européenne tergiverse également et on a reporté notre prise de position concernant cet objectif 2040, pourtant si stratégique.

Dans ce contexte, pourriez-vous nous expliquer quelles mesures vous allez prendre au niveau européen pour défendre le maintien d'un objectif ambitieux – on connaît votre capacité à convaincre les collègues – pour que l'Union européenne reste à la pointe du combat climatique à l'échelle mondiale et puisse continuer à être à la pointe de sa position de leader environnemental? Quel niveau d'ambition allez-vous défendre pour l'objectif intermédiaire de l'Union européenne pour 2035 qui sera défendu à la COP30? Avez-vous pris connaissance de ce rapport de la Cour des comptes en France que j'évoquais en début de question? Si oui, quels enseignements en tirez-vous? Comment le gouvernement fédéral entend veiller à ce que les technologies émergentes d'élimination du carbone soient intégrées de manière réaliste et complémentaire plutôt que de servir d'alibi pour reporter l'action climatique immédiate et dévier les capitaux?

Merci pour vos réponses.

Jean-Luc Crucke:

Chers collègues, je manquerais à toutes mes obligations en ne commençant pas par féliciter Mme Meunier pour l'heureux événement qu'elle attend. Je l'ai appris par la presse et je pense pouvoir le faire publiquement. Je me réjouis pour elle et sa famille.

Pendant le Conseil informel "Environnement", le 10 et 11 juillet, les États membres sont intervenus sur la proposition d'amendement de la loi européenne sur le climat, pour la première fois au niveau ministériel. Pendant le COREPER du 16 juillet, les États ont continué les discussions et pendant le COREPER du 12 septembre, la présidence danoise a constaté qu'il n'y avait pas suffisamment de soutien parmi les États membres pour adopter une approche générale sur la loi européenne climat, lors du Conseil "Environnement" du 18 septembre. J'étais présent avec ma collègue Neven, et il était évident que nous n'arriverions pas à dégager une majorité avant de décider de modifier l'ordre du jour et d'organiser un débat d'orientation sur la loi européenne sur le climat lors du Conseil "Environnement" afin que le Conseil puisse s'exprimer sur l'objectif 2040 fin octobre.

Het debat over de 2040-doelstelling tijdens de Milieuraad van 18 september was zonder meer constructief en geeft mij de hoop dat we goed op weg zijn naar een oplossing en een mogelijke landing in dit dossier. De focus van het debat lag ook nu weer in grote mate op de faciliterende voorwaarden die nodig zullen zijn om ervoor te zorgen dat competitiviteit, koopkracht en decarbonisatie hand in hand kunnen gaan. Dit zal de staatshoofden en regeringsleiders toelaten een constructief debat te voeren over de randvoorwaarden en factoren die zij relevant achten tijdens de Europese Raad in oktober. De uiteindelijke stemming zal moeten plaatsvinden tijdens de Milieuraad, na de Europese Raad.

Le Conseil a approuvé une déclaration d'intention, comme précisé, en vue de la présentation par l'Union européenne d'une contribution déterminée au niveau national (CDN) de l'Union européenne et de ses États membres à la Convention-cadre des Nations Unies sur les changements climatiques.

La déclaration, qui n'est pas la CDN de l'Union européenne, indique l'intention de l'Union européenne de soumettre sa CDN post-2030, avant la COP30, conformément aux obligations de l'Accord de Paris.

De definitieve NDC zal worden aangenomen zodra er een beslissing genomen is over de Europese doelstelling voor 2040. De Europese Unie moet een beslissing nemen over haar NDC voor de COP30.

En ce qui concerne la question de la délégation belge à la COP30, je peux vous informer qu'avec mes collègues flamands, wallons et bruxellois, nous nous sommes accordés pour réduire la délégation belge de 39% par rapport à la COP29 de l'an dernier, pour des raisons budgétaires et climatiques. Une décision quant à la délégation elle-même sera prise dans les prochaines semaines.

Wat het Belgische standpunt betreft, u weet dat dat steeds wordt bepaald tijdens een DGE-vergadering, waarin zowel de federale regering als de gewesten vertegenwoordigd zijn. Het Belgische standpunt is dus steeds het resultaat van een consensus, aangezien België met één stem spreekt tijdens de Europese vergadering.

Au cours des discussions européennes de juillet et septembre, la Belgique a constamment réaffirmé son engagement pour la neutralité climatique d'ici 2050. Cependant, elle n'accordera son soutien à un objectif intermédiaire de réduction de 90 % des émissions de gaz à effet de serre qu'à la condition que des garanties claires et crédibles soient mises en place.

Concrètement, la Belgique défend trois axes essentiels et a défendu ces trois axes lors du Conseil du 18 septembre. Le premier est la protection du pouvoir d'achat, de l'emploi et de la compétitivité. La transition doit rester juste et inclusive. Elle doit garantir une énergie abordable, bas carbone et compétitive, préserver l'avenir de notre agriculture et créer un environnement porteur pour nos entreprises et nos travailleurs.

Deuxièmement, nous voulons un cadre post-2030 équitable et efficace. Nous plaidons pour une architecture climatique fondée sur le principe du coût/efficacité et la neutralité technologique, tout en assurant un véritable level playing field entre États membres.

Les critères de solidarité et de coût/efficacité doivent être appliqués à parts égales afin de garantir l'équité et l'efficacité du futur cadre.

Troisièmement, nous souhaitons un plan d'accompagnement solide et prospectif. La Belgique insiste sur la nécessité d'un plan européen crédible de transition et d'investissements, en particulier pour les industries énergivores comme la chimie, le ciment et l'acier. Sans des dispositifs d'accompagnement à la hauteur des efforts demandés, l'Europe ne parviendra pas à susciter l'adhésion indispensable de ses citoyens et de ses entrepreneurs. Une flexibilité budgétaire accrue doit aussi être prévue pour les États membres respectueux de leurs objectifs.

Concernant la flexibilité liée aux crédits internationaux, l'objectif de 2040 doit avant tout porter sur les réductions d'émissions au sein de l'Union, mais cela n'exclut pas, selon moi, une certaine flexibilité limitée, sans répéter des erreurs qui ont parfois pu être commises par le passé. La flexibilité doit être comprise comme un instrument complémentaire qui stimule l'action climatique dans des pays tiers, renforce la coopération au développement et contribue à des relations durables win-win avec nos partenaires, notamment en Afrique. Je veillerai à ce que les crédits internationaux soient additionnels, de haute qualité et à ce qu'ils préservent l'intégrité environnementale tout en contribuant à la transition climatique.

Ma position est que nous devrions utiliser uniquement des crédits certifiés sous l'article 6.4 afin de garantir la qualité et l'ambition de notre action internationale. Pour avoir eu l'occasion de me rendre à la COP africaine, et notamment d'y défendre notre objectif ABC Africa Belgium Climate, je peux dire qu'il y a de réelles demandes de pays africains en la matière pour ce que j'appellerais un partenariat équitable, juste, pas seulement pour des partenariats où l'on profite des avantages que connaît l'Afrique en la matière, mais bien des collaborations qui permettent également des investissements durables, y compris en termes d'emplois, sur le sol africain. C'est en empruntant cette direction que je pense qu'un pays comme la Belgique sera la mieux placée pour à la fois être crédible mais aussi atteindre des objectifs climatiques qui ne sont pas seulement des objectifs européens mais qui sont, comme vous le savez, mondiaux.

L'Europe, 6 % d'émissions de CO2, l'Afrique 4 % d'émissions de CO2, cela fait 10 % ensemble. Si on parle le même langage, je pense qu'on sera bien plus forts et qu'on donnera des exemples qui seront parfaitement compris par d'autres continents.

Marie Meunier:

Merci monsieur le ministre pour vos explications.

J'entends ce que vous nous dites. C'est de nature à me rassurer, néanmoins j'espère que vous serez suivi. Nous serons attentifs, comme à chaque fois, à la suite et on espère vraiment sincèrement que vous puissiez mettre en œuvre tout cela et que vous receviez la capacité et le soutien nécessaires au sein des Régions.

Comme vous le dites: la Belgique ne parle que d'une seule voix. J'espère que vos différents partenaires de majorité vous soutiendront également dans votre démarche et que les différentes Régions pourront toutes aller dans le même sens. En tout cas, c'est mon souhait.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de minister, verdergaand op wat mevrouw Meunier zei, de N-VA maakt deel uit van de regering en ging op 21 juli akkoord met het 90 %-standpunt waarmee u en uw collega, uiteraard ook met toestemming van de Vlaamse regering, op 18 september naar de Europese Raad zijn getrokken. Ik neem daarvan akte.

De faciliterende voorwaarden worden een chefsache, zoals mevrouw Van der Straeten opmerkte. Ik ben benieuwd hoe de chefs, de regeringsleiders dus, daarover zelf zullen oordelen, want er wordt nogal wat druk uitgeoefend, bijvoorbeeld door Duitsland. De automobielindustrie is er maar één voorbeeld van hoe de hele industrie – dit komt straks aan bod – met de vergroening worstelt. Er moet financieel een mogelijkheid daartoe zijn, er moet daarvoor ruimte in de businessplannen worden gemaakt, er zijn de dure energieprijzen enzovoort. We zijn dus nog niet aan het einde van de rit voor de Europese NDC's.

Marc Lejeune:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour la précision de vos réponses.

Nous ne doutons pas de votre volonté d'aboutir ni de votre implication dans nos objectifs climatiques que vous souhaitez atteindre, tout comme nous. Nous suivrons avec beaucoup de passion et d'attention votre travail. Nous savons que vous voulez aller jusqu'au bout et que vos paroles ne sont pas vaines. Merci beaucoup.

Tinne Van der Straeten:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw duidelijke antwoord.

Laat ik beginnen met te zeggen dat ik niet twijfel aan uw goede intentie. Die wordt echter wel begrensd door de wil van de andere federale ministers om concreet beleid uit te werken, om nog maar te zwijgen van de gewestministers. Die bereidheid zie ik momenteel namelijk niet.

Ik heb uiteraard geen bezwaar tegen de lijst van randvoorwaarden. Een klimaatbeleid moet namelijk rekening houden met de competitiviteit van bedrijven en de koopkracht van gezinnen – dat is een evidentie –, maar een en ander blijft in de praktijk zonder effect. De randvoorwaarden vormen vaak louter windowdressing om in feite niets te doen. Een concreet voorbeeld daarvan is de energienorm, die oorspronkelijk voor het einde van het jaar geïmplementeerd zou worden. Volgens mij zit dat dossier in het slop.

Ligt dat aan u? Nee, uw intentie is goed. U geeft aan dat u als minister van Klimaat wilt dat andere ministers beleid ontwikkelen dat rekening houdt met competitiviteit. De minister van Energie, die het moet uitvoeren, gooit er echter met de pet naar. In die zin worden de randvoorwaarden louter windowdressing en wordt er in feite niets gerealiseerd.

Trouwens, wat de grootte van de delegatie betreft, de intentie om de delegatie te beperken, is op zich juist – minder CO 2 -uitstoot en minder impact op de begroting –, maar dan moet er wel rekening mee gehouden worden welke kosten van de delegatie door de federale begroting worden gedragen. Ngo's en bedrijven als Fluxys en Elia dragen hun eigen kosten. Die vallen niet onder de federale begroting, maar als u aangeeft dat u de delegatie beperkt om begrotingsredenen, dan wil ik weten of dat betekent dat u het aantal onderhandelaars of klimaatdiplomaten beperkt. Beperkt u het aantal ambtenaren die meegaan? Het zou bijzonder kwalijk zijn als onze competentste medewerkers, die internationaal en Europees gewaardeerd worden, niet meer kunnen deelnemen aan een van de belangrijkste multilaterale klimaatonderhandelingen, uitsluitend omwille van snel ideologisch gewin.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Ce qui me frappe aujourd'hui, et que je constate aussi au niveau européen, c'est que l'urgence climatique semble avoir été reléguée au second plan. En 2019, nous étions des millions de jeunes à manifester dans la rue pour réclamer des mesures fortes et, aujourd'hui, j'ai l'impression que c'est plutôt la protection de la compétitivité qui domine les débats européens.

Alors, les faits sont là! Une étude a démontré qu'en 2025, l'été a coûté 43 milliards à l'économie européenne en vagues de chaleur, en sécheresses, en inondations. Selon les chercheurs, cette facture pourrait grimper à 120 milliards en 2029. Elle est là la menace pour notre économie et pour le pouvoir d'achat des citoyens. Chaque euro non investi aujourd'hui dans la transition, engendrera une dépense doublée, voire triplée demain en réparation.

On connaît vos intentions, et elles sont louables. Mais le gouvernement ne parle pas de la même voix. Et quand j'entends votre collègue David Clarinval du MR appeler à mettre l'écologie en pause, cela revient, en fait, à condamner nos entreprises à rester à la traîne. Plutôt que d'opposer sans cesse la compétitivité et le climat, n'est-il pas temps d'assumer que la meilleure garantie pour le pouvoir d'achat des familles dont vous parlez, comme pour la survie de notre industrie, c'est précisément une économie sobre en énergie et résiliente face aux chocs climatiques?

De l'argent, le nerf de la guerre, il y en a. Votre gouvernement a trouvé des milliards pour faire la guerre, mais rien pour le climat! Pour la militarisation, que ce soit en Europe ou en Belgique, tout va vite et on est dans une logique de surenchère. Pour le climat, je le regrette, c'est tout l'inverse, ça traîne, et on ne compte que des centimes.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je prends bonne note de votre engagement et de l'engagement de la Belgique au niveau européen, même si on voit que les ambitions sont à la baisse. Comme l'ont souligné les collègues, ce n'est pas tant votre intention ou votre ambition qui est ici questionnée, c'est celle de votre gouvernement. Nous vous évaluerons non pas seulement en fonction de vos déclarations – qui ont tendance à nous rassurer – mais surtout des actions concrètes et mesurables qui seront prises. On le sait, l'urgence climatique impose que chaque mécanisme, qu'il s'agisse de crédits carbone ou de technologies d'élimination du carbone, serve réellement la réduction des émissions immédiates et puisse aussi accompagner les gens dans le changement de paradigme que nous impose le dérèglement climatique. On a trop tendance à présenter les politiques climatiques comme des freins ou des contraintes, alors qu'elles sont en réalité également un levier extrêmement intéressant de croissance et d'innovation pour l'économie européenne. Ce que nous voulons vraiment, c'est un accompagnement au niveau social, afin que les ménages et les familles puissent elles aussi bénéficier de ces mécanismes pour faire face aux effets du dérèglement climatique, mais également que les politiques climatiques soient de vraies alliées de la politique économique car l'un et l'autre ne sont pas du tout incompatibles.

De ondoorzichtige en onrechtmatige praktijken van muziekfestivals

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Patrick Prévot kaart abusieve festivalpraktijken aan, met name verplichte digitale munteenheden (bracelets/jetons) met onduidelijke conversie, hoge kosten en moeilijke terugbetaling, ondanks bestaande *richtlijnen* en een vrijwillige gedragscode die onvoldoende werkt. Minister Beenders bevestigt lopende onderzoeken door de Inspectie Economie, herhaalt de regels voor eigen betaalmiddelen (2024) en belooft verder overleg met de sector, maar sluit nog geen verplichte wetgeving uit—hoewel hij persoonlijk tegen prepay-systemen is. Prévot dringt aan op vrije betaalkeuze en snellere actie, met een opvolgvraag voor de zomer.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je reviens sur un dossier pour lequel j’ai déjà interpellé vos prédécesseurs. Une nouvelle fois, je viens interroger le membre de l'exécutif sur les abus commis par les festivals de musique. C'est simple, ma dernière question parlementaire sur le sujet, adressée à la secrétaire d'État Alexia Bertrand, commençait par cette citation de la porte-parole de Testachats: " Le secteur des festivals est connu depuis des années pour ne pas être des plus favorables aux consommateurs. " L'organisation de défense des consommateurs marque sa lassitude face à un secteur qui continue, été après été, de mener des pratiques à l'encontre, le plus souvent, d'un jeune public qui a parfois économisé pour passer un moment agréable entre amis ou en famille et qui se voit floué par des organisateurs peu scrupuleux.

Début de ce mois, Testachats a porté plainte auprès de l'Inspection économique pour deux pratiques observées dans plusieurs festivals. Les deux pratiques portent sur la monnaie virtuelle imposée par les festivals, à savoir, des jetons numériques qui se trouvent sur un bracelet dont le taux de conversion à l'achat est parfois obscur et dont il est difficile de récupérer le restant dû une fois le festival terminé ou lorsque le consommateur décide de quitter le site du festival. Testachats dénonçait déjà ces pratiques l'année dernière. Après les guidelines élaborées par le SPF Économie et la vaste campagne de sensibilisation à la fraude au billet " What the fake " , votre code de bonne conduite allait – il faut le souligner – un cran plus loin. Or force est de constater que ce n'est toujours pas suffisant pour ce secteur. Pour Testachats, votre code demeure muet au sujet des frais d'activation, autorise toujours des frais de récupération et, comme son nom l’indique, ne fonctionne que sur une base volontaire.

Face à la continuité de pratiques opaques et abusives pratiquées par des festivals de musique (je pense notamment aux Ardentes, Tomorrowland, Ronquières Festival, Pukkelpop, Werchter et j'en passe), que comptez-vous faire? De la base volontaire, allez-vous étudier l'option contraignante et tenter de couler ces directives dans des textes de loi?

Je vous remercie pour vos réponses.

Rob Beenders:

Monsieur Prévot, pendant la dernière saison des festivals, l'Inspection économique a de nouveau effectué plusieurs enquêtes lors des festivals. Les résultats de ces enquêtes sont toujours en cours de traitement et ne sont donc pas encore disponibles. Lors de celles-ci, l'Inspection économique a contrôlé le fonctionnement des moyens de paiement propres au festival. Elle a notamment vérifié que l'utilisation obligatoire de ces moyens de paiement propres et leur fonctionnement ne constituaient pas une pratique commerciale déloyale. Si des problèmes persistent à l'avenir, l'Inspection économique procédera à une enquête plus approfondie.

De plus, les signalements introduits via ConsumerConnect concernant les festivals sont systématiquement suivis et analysés et, si nécessaire, une enquête est ouverte.

En 2024, l'Inspection économique a publié les guidelines intitulées "L'utilisation de propres moyens de paiement lors d'événements." Elle y a précisé les règles que les organisateurs doivent respecter s'ils souhaitent recourir à un tel système de paiement. Les guidelines contiennent également des conseils concrets à l'intention des organisateurs. L'Inspection économique continuera à promouvoir ces guidelines à l'avenir et poursuivra ainsi ses efforts de sensibilisation auprès des organisateurs.

Par ailleurs, pour les festivals ayant adhéré au code de conduite, les frais demandés pour l'utilisation et le remboursement des cartes prépayées ne peuvent excéder le coût d'une consommation standard ou d'une consommation. Ceci comprend donc bien les frais d'activation.

Des consultations avec l'ensemble du secteur de l'événementiel concernant notamment les cartes prépayées reprendront d'ici la fin de l'année. Personnellement, je n'aime pas non plus les cartes prépayées. Il y a, selon moi, d'autres moyens de paiement possibles lors d'un festival. Je continuerai donc à discuter avec les organisateurs afin de changer les méthodes de paiement.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.

Quand on se rend à un festival, qu'on est jeune et même, du reste, moins jeune, et que l'on se trouve en groupe, il faut se préparer au moment de commander une tournée à solliciter un emprunt, tant les montants exigés dans certains festivals sont déjà complètement hallucinants. Si l'on y ajoute ces bracelets qu'il faut charger avec des prépaiements pour lesquels les moyens de récupération sont rendus toujours plus compliqués pour permettre à l'organisateur de capter et de maintenir un maximum de cet argent prépayé, cela devient évidemment difficile. Je suis pour la liberté individuelle de chacun et j'aime qu'on laisse les gens payer comme ils le souhaitent et, surtout, qu'on ne les oblige pas à charger des bracelets ou des cartes à outrance, en leur compliquant la vie dans un second temps pour qu'ils puissent récupérer leur argent. J'entends que vous n'aimez pas cela non plus.

Comme j'ai entendu que plusieurs enquêtes étaient en cours de traitement, je ferai un nœud dans mon mouchoir pour revenir vers vous dans quelques mois, évidemment avant les prochains festivals d'été, afin de voir si vous avez réussi à infléchir quelque peu les organisateurs.

Voorzitter:

Monsieur Prévot, vos questions n° 56008066C, n° 56008067C, n° 56008068C, n° 56008069C et n° 56008070C ont été transformées en questions écrites, tout comme la question n° 56008043C de M. Christophe Lacroix.

De crisis in de zorgsector

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgsector staat op instorten door massale uitstroom (1 op 6 overweegt te stoppen), slechte arbeidsomstandigheden (40% verpleegkundigen in slechte gezondheid) en gebrek aan investeringen, terwijl concrete oplossingen zoals hoger loon, minder administratie en betere work-lifebalance al jaren op tafel liggen. Minister Vandenbroucke erkent de problemen maar stelt dat structurele oplossingen (via een nieuw sociaal akkoord) pas in de tweede helft van de legislatuur komen, met beperkte middelen nu; hij benadrukt wel "positieve communicatie" om jongeren niet af te schrikken. Eggermont kaatst terug dat dringend actie nodig is—de sector loopt leeg door onderbetaald nacht-/weekendwerk en overbelasting—en dat "wachten" geen optie is nu duizenden al protesteren. De kernkwestie blijft: waarin investeert de regering nu concreet, terwijl de crisis escaleert?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, de zorgsector is in crisis, dat weet u ook. Een studie van de FOD Volksgezondheid rond het verpleegkundig beroep toont alarmerende cijfers. Een op de twee verpleegkundigen zou niet opnieuw beginnen aan de studies en de job. Een op de zes overweegt om te stoppen. Intussen is de uitstroom groter dan de instroom, waardoor er steeds minder mensen overblijven om het werk te doen. Mijnheer de minister, het vat is af: 40 % van de verpleegkundigen zegt zelf dat ze in slechte gezondheid verkeren.

Enkele citaten uit het rapport van de FOD: “Ik houd van mijn job, maar ik raak op. Hoe ga ik dit volhouden tot mijn 67 jaar?” Een andere verpleegkundige zegt: “De job van verpleegkundige is de mooiste job, maar ook degene die mij beetje bij beetje doodmaakt. Ik ben constant uitgeput.”

De sector trekt dus opnieuw aan de alarmbel. Het is niet de eerste keer, ze zijn al meerdere keren op straat gekomen met dezelfde oproep, namelijk om nú investeringen te doen die het beroep aantrekkelijker maken. Er liggen oplossingen op tafel: een hoger loon, meer handen aan het bed, minder administratie en een betere work-lifebalance.

De oplossingen zijn er dus, en de sector vraagt investeringen om die te kunnen realiseren. Maar er wordt niet geluisterd. Wat u nu voorziet in de opdrachtenbrief voor het volgende jaar, voor het RIZIV, is de boodschap dat men nu de broekriem moet aanhalen om pas tegen het einde van de legislatuur budgettaire ruimte te creëren om te investeren in het zorgpersoneel. De boodschap aan het zorgpersoneel is dus: "Hou nog even vol en wacht op beter in de toekomst." Maar ondertussen moeten zij wel langer werken voor minder pensioen, door de pensioenmalus. Ze moeten flexibeler werken terwijl ze qua flexibiliteit nu al op hun limiet zitten.

Veel mensen begrijpen niet waarom er moet worden gewacht op investeringen terwijl de alarmkreten uit de sector zo groot zijn. Waarom vindt deze regering wel miljarden voor wapens, maar niets voor het zorgpersoneel? Waarom krijgen jongeren een brief om naar het leger te gaan om hun dienstplicht te vervullen, maar worden ze niet aangespoord om voor knelpuntberoepen te kiezen en het mooie beroep van verpleegkundige te ontdekken?

Mijnheer de minister, wat zult u doen om tegemoet te komen aan de alarmkreten van de sector?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Eggermont, als we voortdurend roepen hoe verschrikkelijk het is om in de zorg te werken, dan zullen er inderdaad geen jongeren meer aangesproken worden. Men moet ook eens nadenken over de manier waarop men daarover communiceert. Ik hoor immers ook veel positieve en warme verhalen, ondanks de druk, ondanks het feit dat het geen gemakkelijk werk is, met een grote verantwoordelijkheid, en ondanks het personeelstekort. Voortdurend zeggen dat het allemaal verschrikkelijk is, is het beste recept om jongeren ervan te weerhouden voor dit beroep te kiezen.

We moeten positieve perspectieven bieden, en dat doen we ook. Ik ga niet herhalen – dat zou ons te ver leiden – welke maatregelen we de voorbije jaren hebben genomen als uitlopers van, soms verbonden met, soms bijkomend bij of los van, het sociaal akkoord van 2020, waarin we aanzienlijk hebben geïnvesteerd.

We hebben heel wat bijkomende maatregelen genomen, soms nog vrij recent, maatregelen die ook mikken op de kwaliteit van de omgang met het personeel, de kwaliteit van het personeelsbeleid en de ondersteuning van het personeel enzovoort. Tegelijk zijn we in gesprek met de vakbonden en de werkgevers over wat een nieuw sociaal akkoord moet inhouden. Dat heb ik voorbereid tegen het einde van de vorige legislatuur door samen met werkgevers en vakbonden van de federale sectoren een agenda op te stellen. Daarover is een interessant document gepubliceerd, namelijk Toekomstagenda voor het werken in de zorg . Dat was op het einde van de legislatuur en heeft de neuzen al een beetje in een bepaalde richting gezet.

Vandaag zijn we zeer concreet in gesprek met de sociale partners om het terrein te effenen voor een goed overleg over een nieuw sociaal akkoord. Ik denk echter niet dat dat dit najaar al afgerond zal worden. Dat betekent niet dat er ondertussen geen werk gebeurt: we moeten de bestaande maatregelen zo goed mogelijk uitrollen en nadenken over wat er in de toekomst voor ons ligt.

Meer kan ik daar nu niet over zeggen, omdat we samen met de sociale partners nog willen bepalen hoe een en ander gefaseerd moet worden. Zijn er zaken die we nu al kunnen realiseren omdat ze geen directe budgettaire impact hebben? Welke zaken pakken we beter aan in de tweede helft van de legislatuur of tegen het einde ervan, wanneer er budgettaire middelen beschikbaar komen? Daar wil ik niet op vooruitlopen.

Ik vind het echter uitermate belangrijk dat we een aanzienlijke enveloppe kunnen vrijwaren – opzij kunnen zetten – voor een degelijk sociaal akkoord dat de arbeidsomstandigheden en de werkvoorwaarden verbetert en dat we in de tweede helft van de legislatuur kunnen beginnen uit te rollen.

Natalie Eggermont:

Het is toch wel bijzonder om te stellen dat het zorgpersoneel, dat om aandacht roept en de problemen aankaart, er zelf voor zou zorgen dat jongeren worden ontmoedigd om voor dit beroep te kiezen. Van de een op de zes verpleegkundigen die overweegt te stoppen, gaat het meestal om mensen die nog niet zo lang aan de slag zijn. Dat zijn jongeren die zien dat ze elders voor hetzelfde nacht- en weekendwerk een betere verloning en degelijke extra’s krijgen. Het probleem zit dus in de arbeidsomstandigheden, die maken dat mensen het niet meer volhouden, dat de sector leegloopt en dat er steeds meer moet worden gedaan met steeds minder handen. Wanneer we dat aankaarten, antwoordt u dat te veel negativiteit jongeren zou afschrikken. Het probleem ligt echter bij de arbeids- en loonvoorwaarden in de zorgsector. De vraag is dus wat u nu zult doen om tegemoet te komen aan een sector die smeekt om verandering. Alle alarmbellen luiden. Tienduizenden mensen zijn al verschillende keren op straat gekomen. Uw antwoord blijft echter dat het pas voor de tweede helft van de legislatuur zal zijn. "Wacht nog even", zegt u, maar de mensen kunnen niet wachten.

De uitgaven voor preventieve gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België investeert slechts 3% in preventieve zorg (2022), maar minister Vandenbroucke benadrukt dat cijfers onbetrouwbaar zijn door covid-vertekening en definities (bv. preventieve tandzorg wel meegerekend, huisarts-preventie niet). Hij pleit voor vroegtijdige preventie (vanaf zwangerschap), interfederale samenwerking (bv. obesitas bij kinderen, perinatale zorg) en federale maatregelen (tabak/vapes), maar erkent dat bevoegdheidsversnippering (deelstaten vs. federale zorg) een struikelblok is. Eggermont linkt preventie aan arbeidsomstandigheden: precair werk, onstabiele uren en stress verergeren gezondheid, terwijl hervormingen (langer werken, flexibilisering) dit versterken—een blinde vlek in het huidige beleid. Beide eisen integrale aanpak (gezondheid *en* sociaaleconomische stabiliteit), maar concrete actie op arbeidsmarkt ontbreekt nog.

Natalie Eggermont:

U weet dat België geen koploper is qua investeringen in preventieve zorg. Uit een studie van Eurostat op basis van cijfers van 2022 blijkt dat België slechts 3 % investeert in preventieve zorg en dat we daarmee achterophinken ten opzichte van andere landen. Hebt u ook cijfers hebt van 2023 en 2024? Hoe interpreteert u die?

Deze voormiddag werd ook gesproken over efficiënte investeringen en het belang van preventieve zorg. In dat kader is het belangrijk te benadrukken dat het gaat om allerlei preventieve maatregelen, maar dat de belangrijkste gezonde voeding, een gezonde levensstijl en een dak boven het hoofd zijn. In de zomer bleek ook dat er 250 nieuwe fastfoodrestaurants in België zouden worden geopend, waarvan vele in de buurt van scholen. Wat is uw visie daarop?

Ik kom tot het belang van een gezond leven en gezond werk. Als u preventie belangrijk vindt, rijst de vraag hoe dat zich verhoudt tot de arbeidsmarkt- en pensioenhervormingen, waardoor mensen langer moeten werken en die leiden tot meer flexibiliteit en werkonzekerheid. Studies tonen aan dat precair werk ook ziekmakend is. Uw brede visie op preventieve gezondheidszorg, waarin gezonde voeding, schone lucht en gezonde arbeidsomstandigheden centraal staan, lijkt haaks te staan op de huidige hervormingen. Ik ben benieuwd naar uw mening daarover.

Frank Vandenbroucke:

Preventie is inderdaad buitengewoon belangrijk. Ik denk dat we veel sterker moeten inzetten op preventie, ook op een kordatere manier. Ik ben het daar helemaal mee eens. Preventie is eigenlijk de beste investering in de gezondheidszorg. Men moet er bovendien zeer vroeg mee beginnen, van kleins af aan, van zodra een kind in de wieg ligt, eigenlijk al v óó r de geboorte.

In ons land is preventie een verantwoordelijkheid van de deelstaten. Daar moeten we rekening mee houden, want u hebt een aantal voorbeelden gegeven van thema’s die duidelijk tot de bevoegdheid van de deelstaten behoren. De huidige opsplitsing van preventie bij de deelstaten en het remediëren en het curatieve bij de federale ziekteverzekering, is eigenlijk zeer kunstmatig. In veel activiteiten van huisartsen, maar ook van thuisverpleegkundigen en artsen-specialisten, zit immers een belangrijke dosis preventie. Dat kan gaan om het vermijden dat een klein probleem een groter probleem wordt. Denk ook aan diabetes, waar in de activiteiten van huisartsen, diabetesverpleegkundigen en endocrinologen een belangrijk stuk secundaire preventie vervat zit. Ik vind dus dat we veel sterker samen met de deelstaten moeten inzetten op preventie. Voor een deel is dat een zaak van een goede taakverdeling.

Als het bijvoorbeeld gaat over voeding, zijn er zaken die duidelijk onder de federale bevoegdheden vallen, maar ook zaken die duidelijk tot de bevoegdheden van de deelstaten behoren.

Wanneer het gaat om preventief optreden in de zorgsector zelf, denk ik dat we echt een sterke interfederale samenwerking moeten organiseren. Een voorbeeld daarvan is het perinatale zorgprogramma voor kwetsbare moeders. Dat programma is preventief en begint eigenlijk al v óó r de geboorte. Het richt zich voorlopig op een beperkte doelgroep, namelijk moeders die beantwoorden aan een bepaald kwetsbaarheidsprofiel. Ik denk dat dat wel de weg is die we moeten inslaan.

Samen met de deelstaten zullen we ook een traject uitwerken rond obesitas bij kinderen en jongeren. Daarbij is opnieuw een preventief luik aanwezig, met name de preventie van ernstige obesitas. Dat moeten we echt samen aanpakken. Ik denk dat we inderdaad verder in die richting moeten gaan.

Daarnaast beschikken we ook over louter federale bevoegdheden, zoals inzake tabaksreclame, tabaksverkoop en producten zoals vapes. U weet ongetwijfeld dat ik op dat vlak pleit voor een zeer kordate aanpak binnen de federale verantwoordelijkheden die we ter zake hebben.

U vraagt mij naar de cijfers. Ik moet eerlijk zeggen dat ik altijd een beetje aarzel bij het gebruik daarvan, in het bijzonder voor 2022. Dat jaar was immers uitzonderlijk door de blijvende impact van covid. Ik denk dat 2022 misschien niet het meest representatieve jaar is, omdat we toen zeer veel curatief en minder preventief hebben gewerkt. Meer in het algemeen is de manier waarop men de statistieken opstelt enigszins betwistbaar. Men baseert zich bij het opmaken van deze cijfers immers op de omschrijving in de nomenclatuur. Preventieve tandzorg wordt bijvoorbeeld volledig als preventie beschouwd. Het globaal medisch dossier, dat huisartsen goed kunnen gebruiken om patiënten ook proactief op te volgen, is eveneens een instrument van preventie. Toch wordt het globaal medisch dossier niet meegeteld bij preventie.

Wat wij nu aan het opzetten zijn inzake eerstelijnspsychologische zorg is voor een groot deel eveneens gericht op het voorkomen van escalatie van problemen. Dat ziet men echter niet terug in de nomenclatuur, waardoor het niet correct in de cijfers wordt weerspiegeld. Ik heb dus mijn twijfels bij het nut van die cijfers. We weten dat we veel meer moeten inzetten op preventie. Dat is de kern van mijn antwoord.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik ben blij dat we het eens zijn over het belang daarvan. Er is echter een aspect waarop u niet bent ingegaan. Hopelijk kunnen we dat in de toekomst nog verder behandelen. Ook het belang van de arbeidsmarkt, de jobs en de flexibilisering in de precariteit moet worden benadrukt. Wanneer men wil voorkomen dat mensen ziek worden, is het belangrijk dat zij een degelijke job en een degelijk loon met stabiele uurroosters hebben, dat zij de tijd krijgen om te plannen, naar de winkel te gaan, te koken en zich te ontspannen. Wat er momenteel op de arbeidsmarkt gebeurt, maakt mensen nog verder ziek. Als ze ziek worden, worden ze bovendien verder opgejaagd. We kunnen een heel andere visie toepassen op de arbeidsmarkt, om ervoor te zorgen dat mensen echt gezond kunnen worden. Dat aspect van preventie is een zeer belangrijk element, waarin nog veel ruimte voor verbetering bestaat.

Het innovatiebudget voor ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat een innovatiebudget voor ziekenhuizen komt als onderdeel van de hervorming van ziekenhuisfinanciering en nomenclatuur, maar geen concrete bedragen of details kan geven, omdat dit afhangt van data-analyse en de herverdeling van huidige honoraria (waaronder ereloonsupplementen). Hij streeft naar een flexibel systeem zonder directe inperking van ziekenhuisautonomie, maar wil innovatie afschermen via een apart fonds—zonder vestzak-broekzaklogica—door onkostenvergoedingen beter te scheiden van zuivere honoraria. De Knop benadrukt de urgentie van duidelijkheid voor de sector, aangezien de koppeling met ereloonsupplementen (en hun mogelijke beperking) onrust veroorzaakt en het ontbreken van concrete plannen de hervorming bemoeilijkt.

Irina De Knop:

Mevrouw de voorzitster, de commissiesecretaris zet al onze vragen altijd samen en hij doet dat erg goed, maar zo lijkt het alsof alleen wij vragen stellen, wat voor alle duidelijkheid zeker niet zo is.

Mijnheer de minister, het regeerakkoord voorziet dat voor ziekenhuizen een innovatiebudget wordt voorzien waaruit middelen kunnen worden toegekend voor innovatieve investeringen. Bij de discussie over de hoogte van de honorariumsupplementen bestaat zowel bij artsen-specialisten als bij ziekenhuizen de grote vrees dat bij een beperking van die honorariumsupplementen ook investeringen in innovatie zouden verdwijnen of sterk zouden dalen. U zei daarop dat u dat zou opvangen met het innovatiebudget. We hebben daar dan ook bijkomende vragen over.

Hoe groot ziet u dat innovatiebudget voor ziekenhuizen?

Zullen ziekenhuizen een aandeel van het innovatiebudget krijgen op basis van hun grootte en dan zelf kunnen beslissen in welke innovatie ze investeren, of zult u ook willen bepalen in welke innovatie en onder welke voorwaarden ziekenhuizen moeten investeren? Dat zou een inperking zijn van de vrijheid die ze vandaag hebben.

Zal het innovatiebudget afkomstig zijn uit de financiële middelen van vandaag, of zult u extra middelen voorzien voor de financiering van het innovatiebudget, om te vermijden dat het een vestzak-broekzakoperatie zou worden?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ik kan nog geen precieze cijfers geven, omdat het idee van het innovatiebudget een onderdeel is van de geplande hervorming van de ziekenhuisfinanciering, die op haar beurt nauw verbonden is met de hervorming van de nomenclatuur.

Het uitgangspunt is dat wanneer de nomenclatuur van de medische prestaties hervormd zal zijn en een nieuw financieringsmodel van de ziekenhuizen zal starten, het hervormde en waar nodig uitgebreide budget van financiële middelen van de ziekenhuizen moet volstaan om de noden van de ziekenhuizen te financieren, zonder dat ze al van bij de start van het nieuwe model een beroep moeten doen op afdrachten van ereloon of ereloonsupplementen.

Op basis van een objectieve analyse van de kosten zullen we immers bepalen welk deel van de huidige honoraria nodig is om de onkosten van de ziekenhuizen via een rechtstreekse financiering te dekken.

Vervolgens is de vraag hoe daarin ruimte kan worden gecreëerd voor voortdurende innovatie. Net als het vastleggen van een nieuw bestuursmodel voor de ziekenhuizen, is dat een zeer belangrijke kwestie die nog verder besproken moet worden. Het is bovendien ook het best om deze vraag te bekijken op basis van zoveel mogelijk data. Vaak wordt gesteld dat supplementen op erelonen in de ziekenhuizen onder meer nodig zijn om investeringen in innovatie te financieren. Dat moet beter in kaart worden gebracht. Ik heb de ziekenhuiskoepels gevraagd om mij daarover meer gegevens te bezorgen en die worden momenteel verzameld. Dat kan ook wat helpen om te bepalen in welke mate een soort innovatiebudget nodig is, al gaat niet al dat geld naar innovatie.

Samengevat, bij de nieuwe nomenclatuur wordt een onderscheid gemaakt tussen een zuiver honorarium en een onkostenvergoeding. Als supplementen meer aan banden worden gelegd, rijst de vraag hoe innovatie op een flexibele manier mogelijk blijft. Daarvoor is een nieuw instrument nodig. Dat is het idee van het innovatiefonds. Hoeveel daarin zal worden geïnvesteerd, durf ik vandaag echter nog niet te zeggen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, we zijn in de commissie, maar dit is wellicht niet het moment om grote politieke discussies te voeren. Het is echter essentieel in het debat over ereloonsupplementen, die grotendeels in de kaderwet zijn vastgelegd. Ik begrijp dat het een moeilijke kwestie is, maar het is een knoop die u moet ontwarren om de sector gerust te stellen. In die zin vind ik het jammer dat u momenteel geen concretere informatie kunt geven. Het lijkt erop dat uw opdracht, met name het hervormen van het ziekenhuislandschap, steeds moeilijker wordt. Ik kom hier straks nog op terug in een volgende vraag over de ereloonsupplementen.

De vraag om onderzoek naar het raadplegen van digitale gezondheidsportalen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat digitale inclusie in gezondheidszorg prioriteit heeft via bestaande initiatieven zoals *mijngezondheid.be* (11,5 miljoen jaarlijkse bezoeken) en het protocolakkoord van 2023, maar plandt geen extra onderzoek naar reële data-analyse (zoals inlogfrequenties gekoppeld aan socio-demografische gegevens) zoals het Observatorium Chronische Ziekten voorstelt. Hij verwijst naar bestaande bronnen zoals de *Barometer Digitale Inclusie*, zonder concrete toezegging voor aanvullend onderzoek.

Irina De Knop:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het Observatorium Chronische Ziekten pleitte in haar advies van 1 juli 2025 ervoor dat, naast barometers gebaseerd op enquêtes en steekproeven, ook publiek toegankelijk onderzoek wordt uitgevoerd naar het raadplegen van digitale gezondheidsportalen. Dit onderzoek zou moeten steunen op reële data (vanzelfsprekend geanonimiseerd) zoals inlogfrequentie en het raadplegen van persoonlijke gezondheidsinformatie, gecombineerd met gegevens over leeftijd, sociaaleconomische status en gezondheidsstatus. Dergelijk onderzoek is volgens het Observatorium cruciaal om digitale ongelijkheden4 te identificeren en te begrijpen welke groepen mogelijk worden uitgesloten, zodat gerichte interventies kunnen worden ontwikkeld om deze ongelijkheden te verminderen.

Graag vernam ik van de minister:

Zal de minister gevolg geven aan de vraag van het Observatorium Chronische Ziekten?

Zo ja, wanneer wil hij dat onderzoek laten plaatsvinden?

Zo niet, waarom niet?

Frank Vandenbroucke:

Digitale inclusie is inderdaad zeer belangrijk, vooral wanneer het toegang betreft tot gezondheidsinformatie en -diensten. Daarom schenkt het protocolakkoord tussen de federale overheid en de gefedereerde entiteiten van 28 juni 2023 inzake het optimaal elektronisch uitwisselen en delen van informatie en gegevens tussen actoren bevoegd in de gezondheids- en welzijnssector inzake bijstand van personen, daar bijzondere aandacht aan. Bij elk initiatief op het vlak van e-gezondheid wordt het aspect digitale inclusie in acht genomen. Daarbij wordt rekening gehouden met inzichten en aanbevelingen uit relevante onderzoeken, zoals de Barometer Digitale Inclusie van de Koning Boudewijnstichting.

Het portaal mijngezondheid.be is inmiddels uitgegroeid tot een digitale plaats waar burgers op een geïntegreerde en gebruiksvriendelijke manier toegang hebben tot hun gezondheidsgegevens, zodat er niet moet worden gezocht in meerdere gezondheidsportalen. Statistieken over het gebruik van mijngezondheid.be tonen een stijgende lijn, met inmiddels ongeveer 11,5 miljoen bezoeken per jaar. Deze gegevens vormen een nuttige informatiebron om te verzekeren dat alle burgers vlot toegang hebben tot hun gezondheids- en welzijnsgegevens.

Irina De Knop:

Mijn tweede vraag was of u zelf nog bijkomend onderzoek zult organiseren naar aanleiding van dit advies. Zult u dat doen? Als dat niet het geval is, waarom niet?

Frank Vandenbroucke:

Ik kan mij vergissen, maar ik heb dat niet zo voor ogen op dit moment. Voorzitster: Ludivine Dedonder. Présidente: Ludivine Dedonder.

De erkenning van kinderrevalidatie als een apart zorgprogramma
De erkenning en de financiering van kinderrevalidatie als apart specialisme
Erkenning en financiering van kinderrevalidatie als apart zorgspecialisme

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Kinderrevalidatie mist in België een eigen erkenning, nomenclatuur en financiering, wat leidt tot onderfinanciering, ongelijke toegang (kosten voor gezinnen) en onvoldoende multidisciplinaire zorg, terwijl de noden fundamenteel verschillen van volwassenenrevalidatie. Minister Vandenbroucke bevestigt ontvangst van de visienota (Zorgnet-Icuro) maar stelt dat juridische, financiële en bevoegdheidsmatige analyse (federale/gemeenschapsverdeling) eerst nodig is voordat concrete stappen kunnen volgen, zonder termijn te geven. Parlementsleden Gijbels en Farih benadrukken de urgentie van gelijke kansen, werkbare oplossingen voor de sector en aanpassing van de K60-codes om kindvriendelijke zorg te garanderen. De minister wijst op lopende overlegstructuren (Federale Raad, interfederaal) maar concrete toezeggingen of tijdspad ontbreken.

Frieda Gijbels:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, verschillende artsen uit revalidatiecentra en ziekenhuizen pleiten voor de erkenning van kinderrevalidatie als een apart zorgprogramma binnen de gezondheidszorg. Ze wijzen erop dat kinderrevalidatie gepaard gaat met specifieke noden, die fundamenteel verschillen van revalidatie bij volwassenen. Daarnaast, zo zeggen zij, sluit het huidige financieringssysteem, dat grotendeels gebaseerd is op de nomenclatuur bedoeld voor volwassenen, daarop onvoldoende aan. Dat leidt tot een gebrek aan middelen voor de zorginstellingen en ziekenhuizen, maar ook tot hoge kosten voor de gezinnen.

De betrokken zorgprofessionals hebben in samenwerking met Zorgnet-Icuro een visienota opgesteld, die ze ook aan u willen voorleggen, of wellicht al hebben voorgelegd. Ze wijzen op het gebrek aan een erkend zorgkader, de nood aan structurele financiering en de groeiende ongelijkheid die ontstaat omdat bepaalde ouders de kosten niet langer kunnen dragen.

Erkent u de specificiteit van de noden van kinderrevalidatie? Is dat inderdaad fundamenteel anders dan volwassenenrevalidatie?

Deelt u de analyse dat het huidige financieringsmodel daar onvoldoende op inspeelt?

Bent u van plan te bekijken of kinderrevalidatie een apart zorgprogramma kan worden met een aangepaste financiering en nomenclatuur? Zo ja, welke termijn denkt u nodig te hebben om dat te realiseren?

Hebt u ondertussen kennisgenomen van de visienota? Zo ja, wat is uw reactie daarop?

Nawal Farih:

Mevouw de voorzitster, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld Nederland en Duitsland erkent België kinderrevalidatie niet als een apart medisch specialisme. Nochtans hebben wij ook in België kinderen met aangeboren afwijkingen, neurologische letsels of complexe aandoeningen die revalidatie nodig hebben. Zij hebben specifieke ontwikkelingsgerichte trajecten nodig die fundamenteel verschillen van revalidatie bij volwassenen.

Door het gebrek aan formele erkenning vallen kinderen momenteel onder een nomenclatuur en financieringsstructuur die volledig op volwassenen geënt is. Zo wordt in de praktijk vaak gewerkt met de K60-codes, maar die zijn niet afgestemd op kindertrajecten. Pediaters met een erkenning in functionele en professionele revalidatie mogen deze codes zelfs niet zelf aanrekenen; enkel artsen fysische geneeskunde kunnen dat. Bovendien kan er bij meerdere aandoeningen vaak maar één code mag gebruikt worden. Bij congenitale syndromen wordt de aandoening doorgaans als één geheel beschouwd, waardoor bijkomende behandelingen niet afzonderlijk kunnen worden vergoed. Dat zorgt voor veel onduidelijkheid en leidt ertoe dat kinderen met zeer complexe noden in de praktijk slechts een beperkt aantal therapieën terugbetaald krijgen. Hun trajecten – waarin intensieve, frequente en multidisciplinaire begeleiding cruciaal is – worden zo onvoldoende ondersteund.

Daarnaast laat de huidige nomenclatuur nauwelijks ruimte voor de brede multidisciplinaire aanpak die kinderrevalidatie vraagt. Samenwerking tussen kinesitherapeuten, logopedisten, ergotherapeuten, psychologen, pedagogen en scholen is nochtans essentieel om achterstanden in te halen en kinderen maximaal hun potentieel te laten benutten.

Internationale voorbeelden tonen aan dat een aparte erkenning van kinderrevalidatie leidt tot betere kwaliteit, betere resultaten en uiteindelijk lagere maatschappelijke kosten, omdat kinderen zo sneller, beter en duurzamer worden geholpen.

In dat kader stel ik u graag de volgende vragen:

1. Erkent u de noodzaak en overweegt u om kinderrevalidatie als apart specialisme te erkennen, met een eigen nomenclatuur en kwaliteitskaders?

2. Bent u bereid om hierover op korte termijn in overleg te gaan met de sector, in het bijzonder de Belgian Academy of Paediatrics en het Riziv?

3. Hoe interpreteert het Riziv de toepassing van de K60-codes in het geval van kinderen met meerdere of congenitale aandoeningen? Erkent u dat de huidige interpretatieregels ertoe leiden dat zij structureel benadeeld worden in hun toegang tot revalidatie?

4. Hoe zal u garanderen dat kinderen toegang krijgen tot voldoende en intensieve revalidatiebehandelingen, aangepast aan hun ontwikkelingsstadium, en niet langer beperkt worden door een op volwassenen afgestemde nomenclatuur?

5. Zal u bekijken hoe multidisciplinair kinderrevalidatieteams structureel erkend en gefinancierd kunnen worden, zodat samenwerking tussen artsen, therapeuten, pedagogisch personeel en schoolbegeleiders duurzaam kan worden uitgebouwd?

Frank Vandenbroucke:

Dank om dit onder de aandacht te brengen. Mijn beleidscel heeft de visienota Zorgprogramma Revalidatie van Kinderen en Jongeren , gericht op gespecialiseerde kinderrevalidatiecentra in België, in augustus ontvangen. De nota pleit voor een centralisatie van de kinderrevalidatiezorg en bevat een concept voor een zorgprogramma voor de revalidatie van kinderen en jongeren, maar gaat nog niet in op de juridische of financiële uitwerking van deze visie.

De kwestie van de K-nomenclatuur, die onvoldoende rekening zou houden met de zorgnoden van kinderen en jongeren, komt aan bod in de perscommunicatie bij de nota, maar is niet verder uitgewerkt in de visienota zelf. Ook worden daarin geen financiële noden gespecificeerd. Eerder was er in 2016 binnen het cahier Revalidatiezorg van Zorgnet-Icuro al sprake van een gespecialiseerd zorgprogramma voor de revalidatie van kinderen en jongeren. Een nadere vergelijking is nodig om te beoordelen of de voorstellen volledig overeenkomen dan wel of er verschillen bestaan.

Er bestaan uiteraard ook reeds RIZIV-overeenkomsten gericht op kinderen en jongeren, waarvan sommige in het kader van de zesde staatshervorming naar de gemeenschappen werden overgeheveld. Het is belangrijk te bekijken hoe dit voorstel zich verhoudt tot bestaande initiatieven. Eerst moeten we de tijd nemen om het voorstel grondig te analyseren en dit desgevallend mee te nemen in de bredere reflectie over de organisatie en financiering van het revalidatielandschap. Deze oefening loopt zowel binnen de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen, op mijn verzoek, als binnen een interfederale werkgroep.

De materie raakt immers niet alleen aan federale bevoegdheden. Revalidatiezorg is op het vlak van bevoegdheden een complexe materie. Een aantal revalidatieovereenkomsten, zoals long-term care -revalidatie, werden in het kader van de zesde staatshervorming overgeheveld, evenals de Vlaamse revalidatie-instellingen en zorgverstrekkingen in geïsoleerde diensten voor behandeling en revalidatie. Aangezien het om gespecialiseerde zorg gaat, is ook de bevoegdheidsverdeling met betrekking tot de organisatie en financiering van ziekenhuizen van belang.

Een voorafname op de lopende oefening daaromtrent is niet wenselijk, zodat de Federale Raad en de interfederale werkgroep eerst de opportuniteit, de plaats in het zorglandschap en de financieringsnoden van een dergelijk programma in beschouwing kunnen nemen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, de versnipperde bevoegdheden spelen ons blijkbaar opnieuw parten.

Het is goed te horen dat u de kwestie ernstig neemt en dat er overleg plaatsvindt. Ik hoop dat er nog veel over wordt gepraat, want als het over kinderen gaat, zeker over kinderrevalidatie, is het bijzonder belangrijk om hun alle kansen te geven. Het is dan ook jammer dat sommige gezinnen het zich wel kunnen permitteren en andere niet. Wij moeten alle kinderen gelijke startkansen geven.

Het is niet nodig om nu al meer details mee te delen, maar ik wil aandringen op verder overleg en een verdere uitwerking van voorstellen die werkbaar zijn voor de sector en natuurlijk vooral voor de betrokken gezinnen.

Nawal Farih:

Ik sluit me aan bij mevrouw Gijbels wat de financiële ongelijkheid betreft. Belangrijk is ook dat het effectief werkbaar wordt gemaakt voor de sector. Als pediaters met een erkenning in functionele en professionele revalidatie zelfs bepaalde nomenclatuurcodes niet kunnen gebruiken, dan zitten we met een probleem dat de toegang tot zorg bemoeilijkt voor de kinderen. Bij de nomenclatuurherijking zal de nodige aandacht geschonken moeten worden aan de kindvriendelijkheid en er zal zeker rekening gehouden moeten worden met de kinderrevalidatie, zodat er gepaste zorg kan worden aangeboden.

Het KCE-rapport en de uitrol van datasystemen voor intensieve zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het KCE-rapport toont aan dat België een versnipperde, inefficiënte intensieve zorg heeft met onduidelijke capaciteit, gebrek aan monitoring en kleine, onderbenutte eenheden (<12 bedden), wat personeelsinzet en kwaliteit bemoeilijkt. MICA (benchmarkingtool voor prestatievergelijking) wordt onvoldoende gebruikt door GDPR- en licentievragen, maar biedt potentieel voor kwaliteitsverbetering en kostenefficiëntie—financiële ondersteuning en verplichte aansluiting worden bepleit. Minister Vandenbroucke bevestigt de nood aan hervorming van normen (KB 1998), betere datatransparantie en integratie in de bredere ziekenhuisherstructurering, met overleg met beroepsverenigingen. Gijbels hamerde op maximale MICA-adoptie en garanties over datagebruik om ziekenhuizen te overtuigen.

Frieda Gijbels:

In het recentelijk gepubliceerde rapport van het Kenniscentrum over de organisatie en financiering van de intensieve zorg in België, een onderwerp waarover we het in de voorbije legislatuur tijdens de covidcrisis geregeld hadden en dat heel interessante debatten opleverde, lezen we dat er eigenlijk heel weinig duidelijkheid is over de organisatie van de intensieve zorg in België. Er wordt gewezen op het belang van een betere monitoring van het aantal beschikbare bedden – het exacte aantal bedden is zelfs niet bekend –, het aantal gesloten bedden en eventuele personeelstekorten, zodat er kan worden ingezet op capaciteitsbeheer en patiëntenoverdracht waar dat nodig zou zijn.

Daarnaast vestigt het rapport ook de aandacht opnieuw op het MICA-programma, programma waar we het de vorige legislatuur ook al over hadden. Wat is dat? MICA is een benchmarkingsysteem dat toelaat resultaten te vergelijken tussen ziekenhuizen, waardoor ze van elkaar kunnen leren. Spijtig genoeg is er nog altijd maar een beperkt aantal ziekenhuizen aangesloten op dat programma.

In het KCE-rapport wordt ook onderstreept dat elke intensieve eenheid minstens 12 bedden zou moeten tellen. Maar voor er beslissingen daarin worden genomen, lijkt het me van belang dat er eerst een duidelijker zicht komt op de performantie en de organisatie van de eenheden voor intensieve zorg.

Wat zijn voor u de belangrijkste conclusies uit het rapport?

Zal er een systeem van monitoring worden uitgewerkt, indien mogelijk met automatische data-extractie, om de ziekenhuizen niet met nog meer administratie op te zadelen? Als zo'n systeem wordt uitgewerkt, kan er een realtime overzicht bestaan van de capaciteit van intensieve zorg. Dat kan immers ook in crisissen van cruciaal nut zijn, zowel crisissen ten gevolge van personeelstekort als crisissen ten gevolge van uitbraken, zoals we die gekend hebben.

De gebruikers van het MICA-platform lijken enthousiast te zijn over de uitwisseling van data onder professionals. Het lijkt me dan ook wenselijk dat alle ziekenhuizen aansluiten bij dat of een soortgelijk systeem. Wat is uw houding ten opzichte van zo'n systeem?

Werd er een onderzoek gedaan naar de evolutie in zorgkwaliteit bij de gebruikers van dat systeem van benchmarking?

Tot slot, is financiële ondersteuning voor installatie en gebruik van dat systeem denkbaar? Ik kan me voorstellen dat het een return geeft, aangezien het volgens mij ook bijdraagt tot een grotere kostenefficiëntie.

Frank Vandenbroucke:

Het recente KCE-rapport wijst erop dat België een relatief groot aantal intensievezorgeenheden en bedden heeft, maar dat die capaciteit erg versnipperd is en niet altijd aansluit bij de reële zorgbehoeften van de patiënt. Ook blijkt dat meer dan 60 % van de intensieve eenheden maximaal twaalf erkende bedden telt. De kleinere sites kennen doorgaans een lagere bezettingsgraad en grotere schommelingen dan de grotere, universitaire centra. Een dergelijke variabiliteit bemoeilijkt een efficiënte inzet van middelen, in het bijzonder van personeel.

De organisatie van intensieve zorg is vandaag vastgelegd in een KB uit 1998. Het lijkt nuttig om de hierin opgenomen normen te herbekijken aan de hand van de aanbevelingen van het KCE-rapport. Ik kan mij vinden in het concept van een indeling tussen basisintensieve zorg en intensieve zorg niveau 1, met de bijbehorende aanbevelingen.

Het rapport benadrukt bovendien het belang van performante, transparante en continue gegevensverzameling, wat vandaag grotendeels ontbreekt. In dat kader is ook het MICA-platform regelmatig ter sprake gekomen. Het KCE doet geen aanbeveling om dat platform al dan niet te gebruiken, maar wijst erop dat MICA gevalideerde scoringssystemen bevat die ziekte-ernst en zorgintensiteit meten en die kunnen worden ingezet voor kwaliteitsmeting, organisatie, personeelsinzet en financiering. Deelnemende ziekenhuizen krijgen zicht op hun prestaties in vergelijking met anderen. Tegelijk bestaan er wel vragen rond licenties, data-eigendom, GDPR en de bezorgdheid dat data gebruikt zouden worden voor besparingen.

Een eerste stap in de verdere uitwerking van die elementen uit het rapport is overleg met de Belgische Vereniging voor Intensieve Geneeskunde en de betrokken beroepsvereniging van verpleegkundigen, zoals in het KCE-rapport wordt aanbevolen.

Ik wil benadrukken dat die hervormingen niet op zichzelf staan, maar deel uitmaken van de bredere hervorming van het ziekenhuislandschap. Intensieve zorg is immers onlosmakelijk verbonden met de organisatie van acute en gespecialiseerde zorgprogramma's. Het is in dat bredere kader dat de aanbevelingen van het KCE zullen worden meegenomen.

Frieda Gijbels:

Er staat ons een grote hervorming van het ziekenhuislandschap te wachten. Ik begrijp dat de kwestie van de intensieve zorg daar niet los van kan worden gezien. Maar hoe dan ook vind ik het belangrijk dat het gebruik van systemen zoals het MICA-systeem, dat data verzamelt en aan benchmarking doet, maximaal wordt aangemoedigd. Ik dring erop aan dat u de ziekenhuizen ondersteunt om zich daarop aan te sluiten, want dat zal zich terugbetalen. Dergelijke investeringen zijn echt wenselijk. Ik heb begrip voor de terughoudendheid van sommige ziekenhuizen voor de implementatie van zo'n systeem. Als zij echter kunnen worden gerustgesteld dat de data voor de juiste doeleinden worden gebruikt, en kennisnemen van de ervaringen van de ziekenhuizen die wel zijn aangesloten, denk ik dat hun mening daarover kan veranderen. Ik vind het in elk geval heel belangrijk dat we een goed zicht hebben op de performantie van onze ziekenhuizen, zodat we ook kunnen beoordelen welke impact alle beleidsmaatregelen op het terrein hebben.

De maatregelen inzake gezondheidszorg uit het zomerakkoord

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de beperking van aanvullende honoraria in de gezondheidszorg en de methodologie, timing (deadline: 31/01/2027) en betrokkenheid van actoren zoals zorgcommissies, ziekenhuizen en mutualiteiten, met plafonds gebaseerd op objectieve data en sectorale onderhandelingen—bij gebrek aan akkoord beslist de overheid. Verzekeraars worden pas betrokken zodra de impact van plafonds duidelijk is, terwijl teleconsultaties in de wachtposten (vanaf 2026) deel uitmaken van een bredere hervorming van spoedzorg, met verplichte triage. Kritiekpunt: het evenwicht tussen kostbeheersing en toegang tot zorg, met aandacht voor onvoldoende vergoedingen in de huidige nomenclatuur en het vermijden van ongewenste neveneffecten voor patiënten en zorgverleners.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, l'accord de l'été validé par le gouvernement fin juillet contient plusieurs mesures en matière de santé. Si la mise en œuvre de cet accord ne sera effective qu'après plusieurs étapes, je souhaite néanmoins déjà vous interroger sur certains points.

Pourriez-vous nous donner des informations sur la concertation avec les acteurs de la santé, notamment au sein des commissions d'accord et groupes de travail? Quelles sont les modalités de cette concertation? Quelle sera la méthodologie utilisée? Quel est le calendrier envisagé?

Comptez-vous mener une concertation avec les compagnies d'assurance afin de les faire contribuer à l'effort collectif, étant donné qu'elles bénéficieront du plafonnement des suppléments d'honoraires tout en continuant à percevoir les primes d'assurances hospitalisation payées par les patients? Quelles seront les modalités et l'objectif de cette concertation?

Pourriez-vous également nous éclairer sur les modalités pratiques du remboursement des téléconsultations dans les postes de garde prévu à partir du 1 er janvier 2026?

Je vous remercie pour vos réponses.

Frank Vandenbroucke:

Cher collègue, en vue de la mise en œuvre des mesures proposées par l'avant-projet de loi en ce qui concerne les suppléments d'honoraires, les commissions d'accord seront donc chargées d'élaborer une proposition visant à limiter les suppléments d'honoraires pour les secteurs pour lesquels elles sont compétentes.

Dans ce cadre, les commissions d'accord organiseront les discussions relatives à cette limitation, étant entendu qu'elles devront avoir dressé une proposition pour le 31 janvier 2027 au plus tard. Pour ce faire, le gouvernement demande qu'elles se basent sur des données objectives et, le cas échéant, qu'elles tiennent compte de la réforme de la nomenclature. Les commissions d'accord peuvent aussi bien proposer un plafond général pour leur secteur que faire une proposition différenciée, dans laquelle différents plafonds maximum sont applicables en fonction, par exemple, du groupe de prestations, du numéro d'agrément, etc. En ce qui concerne les suppléments d'honoraires pour les patients hospitalisés, un groupe de travail mixte, (médecins, hôpitaux, mutualités) sera mis en place afin de servir de caisse de résonance lors de ces négociations.

En cas d'absence d'accord au sein d'une commission d'accord concernée, le gouvernement fixera le pourcentage maximal pour le secteur concerné. Il prendra ses décisions sur la base des informations disponibles concernant les suppléments d'honoraires facturés dans le secteur concerné au cours des cinq dernières années. Les principes directeurs sont le plafonnement des excès et la prévention d'une spirale inflationniste. De cette manière, les objectifs de l'accord de gouvernement, à savoir limiter les suppléments d'honoraires dans tous les secteurs et lutter contre les excès, devront être atteints.

Il sera également demandé au Comité de l'assurance d'élaborer, d'ici le 31 octobre 2026, un document de réflexion concernant le rôle que le nouvel instrument flexible des tarifs indicatifs jouera pour créer davantage de degrés de liberté dans le système de conventionnement, afin qu'il soit adaptable avec plus de souplesse aux nouveaux besoins et que ces tarifs indicatifs laissent aux prestataires de soins conventionnés individuels une plus grande marge d'appréciation en fonction de la situation concrète du patient.

Ensuite, dans le cadre de l'accord de coalition fédérale, il est fait référence à la réforme du financement des hôpitaux et de la nomenclature. Les administrations de l'INAMI et de la santé publique ont été chargées de présenter un plan d'action avec un calendrier pour fin 2025. L'année 2026 laissera la place aux concertations nécessaires tant au sein de la Médicomut que là où cela est nécessaire dans le CFEH ( Conseil fédéral des établissements hospitaliers ).

Parallèlement à ces chantiers et conformément aussi à l'accord de gouvernement, nous poursuivons la réforme du paysage hospitalier. Ce chantier, piloté par la Conférence interministérielle (CIM) Santé publique, couvre plusieurs volets: capacité hospitalière, soins alternatifs, réseaux locaux, gouvernance et planification stratégique. Il nécessite une concertation constante entre nous, entités fédérale et fédérées, pour garantir la cohérence de nos compétences. La CIM Santé publique a donné mandat en mars à un groupe d'experts indépendants pour proposer une réforme ambitieuse en ce qui concerne l'organisation du paysage hospitalier, garantissant des soins accessibles et de qualité, tout en optimisant les ressources humaines et financières. Ce panel remettra ses conclusions à la CIM à la fin de l'année 2025.

Quant aux concertations avec les compagnies d'assurance, elles seraient à ce stade prématurées. En effet, les secteurs n'ont pas encore fixé de plafonds relatifs aux suppléments d'honoraires, de sorte qu'il est à ce jour impossible de déterminer l'impact réel d'un plafonnement pour les compagnies d'assurance. Si toutefois il s'avère qu'un impact est constaté, le secteur des assurances sera consulté, comme cela a été le cas dans d'autres matières – par exemple dans le cadre du maximum à facturer.

La lettre de mission du gouvernement adressée au Conseil général et au Comité de l'assurance énonce plusieurs priorités politiques, parmi lesquelles une meilleure organisation du service de garde des médecins généralistes. L'introduction des téléconsultations dans les postes de garde de médecine générale est effectivement citée dans cette lettre.

La réintroduction de ces téléconsultations dans le service de garde devrait s'inscrire plus largement dans le cadre d'une optimisation plus poussée du service de garde, notamment par la mise en place d'un triage obligatoire et contraignant dans les postes de garde de médecine générale et dans les services d'urgence, une future priorité du gouvernement telle qu'indiquée dans la lettre de mission.

Jean-François Gatelier:

Merci pour votre réponse monsieur le ministre. Je sais que le sujet est complexe et sensible, et qu'on va en parler tous les mois. Si ce n'est pas ici, ce sera dans les médias ou dans les associations de soignants. Bien entendu, vous avez compris que leur crainte et la nôtre aussi, est que nous allions trop vite. En tout cas je suis heureux d'entendre que le terrain est concerté, parce que ni vous ni moi ne sommes spécialistes des situations financières particulières de chaque cabinet médical spécialisé ou de chaque clinique hospitalière, lesquels ont leur propre équilibre financier. C'est très délicat de toucher à ces suppléments. Néanmoins, je suis bien entendu, comme vous, en faveur de les limiter car certains sont exorbitants et injustifiés et ne peuvent pas condamner ainsi l'accès aux soins de certains patients. Je pense surtout qu'il faut tenir compte du fait que certains cabinets spécialisés de première ligne ont imposé des suppléments qu'on a laissé s'installer par défaut de nomenclature. Ils ne l'ont pas fait exprès. Dans la grande majorité des cas, les suppléments existent tout simplement parce que la nomenclature est insuffisante ou inexistante. Il faut donc être très prudent pour que cet accès aux soins, par un retour de manivelle trop important dans cette limitation, ne limite pas l'accès aux soins des patients. Je suis heureux de voir qu'on avance, je l'espère, dans la bonne direction, et que d'ici la fin de cette année, nous puissions déjà voir ce qui se passe dans cette matière. Concernant la responsabilité dans le cadre des assurances hospitalisation, le secteur dit forcément qu'il fera des efforts. On est tous d'accord que tant les patients que les soignants doivent faire des efforts, mais les assurances hospitalisation aussi. Elles ne peuvent rester sur le banc de touche et engranger des bénéfices supplémentaires. Je comprends très bien votre réponse dans laquelle vous dites qu'il n'est pas possible de les faire contribuer tant que nous n'avons pas décidé des modalités en matière de suppléments. Je suis également content de l'entendre, parce qu'il sera juste de les faire contribuer également.

De ziekte van Verneuil

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De maladie de Verneuil (hidrosadénite suppurée), een pijnlijke chronische huidaandoening zonder genezing, leidt tot hoge kosten (pansements, pijnstilling) en zware impact op kwaliteit van leven en werk. Minister Vandenbroucke bevestigt dat remboursement van actieve pansements (nu 20%) naar 40% zou stijgen (onder voorbehoud van budgettaire goedkeuring) en dat deze kosten meetellen voor het maximum te factureren (MAF). Pijnstilling (inclusief opioïden) wordt deels vergoed, maar voor chronische pijn bij Verneuil-patiënten onderzoekt de CRM mogelijke uitbreiding van vergoedingen. Gatelier dringt aan op snelle uitvoering en betere oplossingen dan enkel paracétamol.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, la maladie de Verneuil est quand même une maladie fréquente, puisqu’elle touche plus ou moins 1 % de la population. C’est une maladie très embêtante, qu’on appelle aussi hidrosadénite suppurée. C’est une maladie de la peau, liée à un dysfonctionnement au niveau de la racine des poils et des glandes de la sueur. Cette maladie nuit gravement à la qualité de vie des personnes qui en souffrent. Il n’y a pas de traitement. Les personnes touchées doivent vivre avec cela toute leur vie. Les douleurs sont très présentes, et la grande difficulté, voire l’impossibilité de continuer à travailler, freine les personnes atteintes dans leur vie quotidienne. Les coûts liés aux pansements peuvent également être très lourds.

En France, cette maladie est reconnue comme affection de longue durée. C’est-à-dire que les soins, qu’ils soient médicamenteux ou non médicamenteux, sont pris en charge par l'assurance maladie. En Belgique, le critère pour bénéficier du statut de patient chronique est celui des coûts élevés des soins médicaux – et non médicaux –auxquels le patient est confronté.

Les difficultés rencontrées par les patients en termes de prise en charge sont nombreuses. Le coût des pansements peut être très lourd pour ces patients. Or, ceux-ci ne sont que très partiellement pris en charge par l’INAMI. Le forfait "plaies chroniques" permet aux patients de bénéficier d’une intervention pour les pansements actifs. Seuls certains médicaments, comme l’Humira, sont remboursés, mais sous condition. Ce soutien ponctuel ne reflète toutefois pas la réalité quotidienne des malades, pour qui la gestion de la douleur, des lésions et des rechutes est constante, complexe et coûteuse.

Monsieur le ministre, quelles mesures concrètes envisagez-vous à court terme pour améliorer la prise en charge de ces patients, en particulier en matière de soins infirmiers et de matériel médical? Les coûts des différents pansements sont-ils intégrés dans le calcul du maximum à facturer? Comptez-vous améliorer le soutien de ces patients en matière de gestion de la douleur, notamment au niveau des coûts des antalgiques?

Je vous remercie.

Frank Vandenbroucke:

Merci. Comme vous le lirez dans les autres réponses à vos questions, plusieurs initiatives sont en cours ou en réflexion pour améliorer la prise en charge de ces patients.

En ce qui concerne les règles de remboursement des pansements actifs, il faut tenir compte de plusieurs facteurs. Non seulement le remboursement est seulement de 20 %, mais aussi les bases de remboursement appliquées n'ont pas évolué depuis plusieurs années et ne sont plus adéquates par rapport aux prix appliqués sur le marché. Ceci peut engendrer des retraits du marché de certains produits de la part des firmes. C'est pourquoi un projet est en cours afin d'améliorer l'intervention de l'assurance obligatoire dans le coût des pansements actifs et ce, pour les indications décrites dans la réglementation et non seulement la maladie de Verneuil.

La proposition de la Commission de remboursement des produits et prestations pharmaceutiques serait d'augmenter le remboursement de 20 % à 40 %. Tant l'inspecteur des finances que le ministre du Budget devront encore émettre un avis sur ce projet. Dans la liste des pansements actifs remboursables, on peut trouver des produits sous une forme semi-liquide selon la gamme à laquelle ils appartiennent. Ceux-ci se présentent alors sous forme de gel.

Concernant votre troisième question, pour l'application du maximum à facturer, on tient compte en effet de l'intervention personnelle fixée pour les prestations pour lesquelles l'assurance obligatoire soins de santé intervient. L'assurance obligatoire soins de santé intervient pour les pansements actifs servant à soigner les plaies chroniques, dans le cas où la personne souffre d'une pathologie spécifique. La maladie de Verneuil ou, comme vous l'avez dit, l'hidradénite suppurée, figure parmi les maladies qui permettent d'obtenir un remboursement des pansements actifs. Le ticket modérateur est donc bien pris en compte dans le compteur du MAF.

Concernant la quatrième question, l'INAMI prévoit le remboursement de plusieurs antalgiques, d'opioïdes et d'antidouleurs les plus puissants jusqu'au paracétamol qui est l'antalgique de première ligne. Pour ce dernier, le remboursement est limité à un certain nombre d'affections courantes. En 2024, l'INAMI y a consacré environ 8,4 millions d'euros au bénéfice de quelque 290 000 Belges.

Dans le cadre de la douleur chronique chez les patients atteints de la maladie de Verneuil, il me semble pertinent de soumettre une question à ce sujet au bureau de la CRM. Les patients souffrent en effet de différents types de douleurs. En plus des douleurs aiguës lors des poussées, ils ressentent aussi une douleur de fond continue. C'est à la CRM de me conseiller sur l'opportunité scientifique et budgétaire d'étendre le remboursement des antidouleurs les plus pertinents à ce groupe de patients.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je suis heureux d'entendre que ma question n'est pas inutile puisqu'elle est déjà en réflexion au sein de l'INAMI, avec une augmentation de la prise en charge des pansements et une augmentation des remboursements de 20 % à 40 %. C'est un sujet sur lequel je reviendrai plus tard, c'est-à-dire dans une année, pour voir si cela a évolué dans le bon sens, puisqu'il s'agit d'une maladie injuste et fréquente. Je vous remercie également pour votre réponse concernant le maximum à facturer. J'ai entendu que c'était pris en considération. C'est un beau point supplémentaire. Pour ce qui est des antalgiques, on connaît les limites du paracétamol. Dans une maladie inflammatoire, il n'aide que très partiellement. Or je sais que les personnes qui souffrent de cette maladie ont besoin d'un peu plus que de paracétamol. Or, si je ne me trompe, j'ai entendu qu'on intervenait pour 8,4 millions d'euros dans le cas du remboursement du paracétamol, ce qui est énorme.

De genderbias in de gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om structurele genderbias in de gezondheidszorg, waar vrouwen systematisch benadeeld worden door onderrepresentatie in klinische studies, late diagnoses (bv. endometriose) en bagatellisering van pijn als "psychisch". Minister Vandenbroucke benadrukt lopende acties zoals een interfederaal plan voor endometriose en menopauze, KCE-onderzoeken met genderfocus (bv. thematische oproep endometriose in 2024), en bestaande sensibiliseringscampagnes (bv. geweld, genitale verminking). Ramlot hamerde op urgente verbetering van inclusieve klinische studies als basis voor gelijke zorg, met de kritiek dat vrouwen nu nog "in mannelijke maten" worden behandeld. Concreet beleid blijft beperkt tot voorbereidende concertaties en deelplannen.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, la presse a relayé plusieurs analyses préoccupantes concernant l'impact persistant du biais de genre dans le domaine de la santé. Les articles soulignent notamment que les femmes sont encore trop souvent désavantagées en matière de prévention, de diagnostic mais aussi de traitement. Plusieurs constats ont été mis en évidence.

De nombreuses études cliniques et essais thérapeutiques continuent à se fonder principalement sur des cohortes masculines, ce qui engendre des lacunes dans l'évaluation des effets des traitements sur les femmes. Certaines pathologies féminines sont encore sous-reconnues ou diagnostiquées beaucoup trop tard, avec des conséquences directes sur la qualité des soins. Les femmes rapportent également une prise en charge différenciée de leurs douleurs, souvent minimisées ou attribuées à tort à des causes psychologiques.

Ces biais entraînent de fait une inégalité structurelle dans l'accès à une médecine de qualité et adaptée à chacune et chacun.

Cette question importante est une préoccupation du présent gouvernement. En effet, l'accord de gouvernement précise que "Ce gouvernement est attentif aux différences entre les hommes et les femmes en matière de symptômes, de prévention et de traitement des maladies. Lors d'études cliniques et de la commercialisation de médicaments, la recherche scientifique doit accorder davantage d'attention à cet aspect. Les maladies qui touchent exclusivement les femmes méritent également plus d'attention."

Monsieur le ministre, comment comptez-vous concrètement concrétiser l'accord de gouvernement à ce sujet? Quelles mesures sont-elles actuellement mises en œuvre au niveau fédéral pour garantir une meilleure prise en compte des spécificités de genre dans la recherche médicale, les essais cliniques et la pratique médicale courante?

Avez-vous déjà identifié d'autres mesures que vous voulez mettre en œuvre pour limiter voire supprimer les effets persistants du biais de genre dans les soins de santé? Si oui, lesquelles? Enfin, envisagez-vous de lancer des campagnes de sensibilisation et de formation à destination des professionnels de la santé, afin de réduire les stéréotypes de genre qui influencent encore trop souvent la prise en charge médicale?

Frank Vandenbroucke:

Madame Ramlot, l'accord de gouvernement souligne qu'une attention précise sera portée aux différences de symptômes, de prévention et de traitement entre les hommes et les femmes et que cette prise de conscience sera également intégrée dans la recherche scientifique, les essais cliniques et la commercialisation des médicaments.

Afin de mieux cerner les problèmes liés au thème de la santé des femmes, le gouvernement fédéral a organisé une concertation avec les différentes parties prenantes pour examiner ce qui a déjà été étudié et développé en la matière et pour identifier les points d'amélioration. Parallèlement, un plan d'action relatif à l'endométriose est en cours d'élaboration depuis le début de la législature. Un plan interfédéral pour une meilleure prise en charge de la ménopause est également à l'étude, cette mission ayant été donnée à la plateforme inter-administrative par la Conférence interministérielle (CIM) de la Santé.

Concernant votre deuxième question, cet aspect fait l'objet d'une attention particulière dans les essais cliniques non commerciaux financés par le programme KCE Trials, de la sélection et de l'évaluation des protocoles d'études jusqu'à la publication des résultats. En 2024, KCE Trials a également lancé un appel à projets thématiques sur l'endométriose. Dans son programme d'études générales, il arrive régulièrement que le KCE aborde des problématiques spécifiquement féminines, par exemple l'organisation de la prise en charge de l'endométriose dans un rapport de 2024. Les recommandations formulées dans le cadre de cette étude soulignent explicitement qu'il faut poursuivre et soutenir la recherche dans ce domaine.

Pour ce qui est de votre troisième question, la concertation organisée n'a pas encore abouti à des mesures concrètes, mais nous y travaillons.

S'agissant de votre quatrième question, nous devons en effet continuer à travailler pour réduire les stéréotypes de genre dans la prise en charge médicale, mais ce n'est pas nouveau. C'est une préoccupation majeure des administrations fédérales de santé depuis près de 15 ans. Cet engagement concret a commencé en 2010, lorsque la lutte contre les mutilations génitales féminines est devenue une priorité. Depuis, tous les deux ans, des rapports sont établis par le SPF Santé publique sur la prévalence de femmes vivant avec des mutilations génitales féminines en Belgique. Une campagne en 2016 sur le même thème visait à former les professionnels de santé à la prise en charge de femmes excisées.

Aujourd'hui, la SPF Santé Public mène des actions liées aux violences faites aux femmes. Ainsi, la campagne Opération Alerte sensibilise depuis l'année passée les prestataires de soins hospitaliers à la reconnaissance et prise en charge des violences intrafamiliales, sexuelles et des mutilations génitales. Parallèlement, le programme périnatal des soins intégrés, que nous mettons en place avec les entités fédérées, organise les soins et l'accompagnement de jeunes mères vulnérables. Ce programme met en lumière et prend en charge leurs éventuelles vulnérabilités psychosociales.

Carmen Ramlot:

Je compte en effet sur votre volonté d'agir en faveur d'une meilleure reconnaissance de la différence féminine. J'insiste sur un point qui est essentiel à mes yeux, parce que la reconnaissance passe d'abord par la connaissance. La priorité est de donner aux femmes la place qui leur revient et que jusqu'ici elles n'ont pas. Ça dure depuis un petit moment. La première étape déterminante est celle des études cliniques et des essais thérapeutiques. Ça me paraît essentiel, parce qu'il faut vraiment cesser d'habiller les femmes avec des costumes taillés sur des mannequins masculins. Je vous remercie.

Het in de handel brengen van het obesitasgeneesmiddel Wegovy

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met 16% obesitas bij volwassenen (kost: €2,7 miljard/jaar), waarvoor sinds juli 2025 Wegovy (obesitasmedicijn) op voorschrift verkrijgbaar is, maar nog niet vergoed—Novo Nordisk diende wel een verzoeksdossier in bij de CRM, maar procedure is opgeschort op verzoek van de firma. De kindertrajecten voor obesitas (via 24 multidisciplinaire centra) blijven behouden en worden geïntegreerd in een interfederaal stappenplan (*step care*), met focus op gezonde leefomgeving en persoonlijke begeleiding; de uitrol start na overleg met stakeholders. Voor volwassenen lopen enkel voorlopige verkennende gesprekken, zonder concrete plannen. Ozempic (diabetesmedicijn, misbruikt voor afvallen) werd al ingeperkt door Vandenbroucke, terwijl de kosten voor sémaglutide-gebaseerde medicijnen in 2024 explodeerden (+200% sinds 2021).

François De Smet:

Monsieur le ministre, notre pays est marqué par un taux important d'obésité. Selon Healthy Belgium.be, 16 % des adultes belges seraient obèses, et cela représente un coût en termes de soins de santé chiffré à 1 015 euros par an soit pas moins de 1,48 milliard d’euros au niveau national, montant auquel il faudrait ajouter 2 015 euros par an en termes d’incapacité de travail, soit 1,21 milliard d’euros supplémentaires.

Selon l'enquête de santé de Sciensano, 49,3 % des adultes belges sont en surpoids (IMC supérieur à 25) et 15,9 % sont obèses (IMC supérieur à 30).

Depuis le 1 er juillet 2025 , les pharmacies peuvent délivrer, sur prescription , le médicament contre l’obésité Wegovy; ce médicament, dont l’efficacité est avérée, est spécifiquement destiné au traitement contre l’obésité , contrairement à deux autres, l’Ozempic et le Mounjaro, destinés au traitement du diabète de type 2, le premier d’entre eux étant frappé à votre initiative depuis fin 2023 de restrictions de prescription en raison d’une forte demande de celui-ci pour traitement de régimes amaigrissants.

Il me revient que la société pharmaceutique danoise fabricante du Wegovy a déposé une demande de remboursement de ce médicament (qui coûte plus de 100 euros pour sa première dose) auprès de l’INAMI.

À cet égard, les deux autres médicaments précités (à base de sémaglutide, principe actif qui restreint l’appétit) , remboursés dans le cadre d’un traitement contre le diabète ont fait l’objet, selon la presse néerlandophone, de près de 76 millions d’euros en 2024 (trois fois plus qu’en 2021)

En conséquence, monsieur le ministre peut-il me faire savoir si il confirme l’information selon laquelle une demande de remboursement a bien été introduite pour le Wegovy? Dans l’attente, et conformément à l’accord Arizona qui entend développer des programmes pour les enfants atteints d’obésité, si les trajets de soins obésité infantile sont bel et bien maintenus? Si des programmes spécifiques pour les adultes sont envisagés, sans préjudice du remboursement ou non du Wegovy?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur De Smet, le 30 mai dernier, Novo Nordisk a introduit à la Commission de remboursement des médicaments (CRM) de l'INAMI une demande de remboursement pour Wegovy. Actuellement, cette procédure de demande est suspendue en clockstop à la demande de la firme après la présentation du rapport jour 60 à la CRM du 8 juillet dernier.

L'accord de gouvernement fédéral prévoit en effet la mise en œuvre intégrale des engagements du plan interfédéral et le protocole d'accord du 8 novembre 2023. C'est dans ce cadre que le programme destiné aux enfants obèses est actuellement élaboré. L'objectif est de mettre en place un modèle de soins step care pour le programme de soins et d'accompagnement. Le kick-off de la collaboration interfédérale sur ce sujet a eu lieu le 26 mai.

L'ambition est, d'une part, de créer un programme interfédéral offrant des soins et un accompagnement aux enfants et aux adolescents souffrant de surpoids et d'obésité et, d'autre part, un plan pour un milieu de vie sain pour les enfants et les jeunes. Les actions prioritaires sont actuellement en cours de recensement en vue de la concertation avec les parties prenantes. Il est prévu que le trajet de soins contre l'obésité actuellement mis en œuvre dans les 24 Centres pédiatriques multidisciplinaires de prise en charge de l'obésité (CPMO) et offrant des soins personnalisés aux enfants et aux jeunes souffrant d'obésité fassent partie du programme interfédéral.

Des discussions exploratoires sont actuellement en cours concernant la prise en charge de l'obésité chez les adultes, mais elles en sont encore à un stade préliminaire.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces éléments d'information.

De zorgsector als mikpunt van cyberaanvallen in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds de NIS2-meldingsplicht (okt. 2024) registreerden 15 cyberincidenten in de gezondheidssector (ziekenhuizen *en* ambulante praktijken), maar gedetailleerde analyses over aard, impact, herkomst, betalingen aan hackers en conformiteit aan NIS2 (bv. risicoanalyses, ISO-certificering) ontbreken nog—het CCB onderzoekt dit en bezorgt later cijfers. Gijbels benadrukt de urgentie van een robuuste beveiligingsstrategie tegen AI-gestuurde aanvallen en datadiefstal, die patiëntenveiligheid en zorgcontinuïteit bedreigen. Vandenbroucke bevestigt dat sectorale opvolging beperkt is tot algemene dreigingspatronen, niet tot individuele gevallen. Concrete actieplannen en trendanalyses blijven in afwachting van CCB-data.

Frieda Gijbels:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, recente cijfers tonen aan dat organisaties in de gezondheidszorg het meest geviseerd worden door cybercriminelen, met gemiddeld 2.620 aanvallen per week in België. Wereldwijd zien we een algemene toename met 21 % van cyberaanvallen, terwijl de toename in België 17 % bedraagt. Daarnaast is er ook een wijzigende trend in de aanvalstechnieken. Waar er vroeger vooral gebruik werd gemaakt van ransomware, zien we nu een toenemend gebruik van artificiële intelligentie en informatiediefstal.

U gaf eerder al aan dat de omzetting van de NIS2-richtlijn ertoe leidt dat ziekenhuizen een meldingsplicht hebben met betrekking tot dergelijke aanvallen – dat is in voege sinds 18 oktober 2024 – en dat er ondersteuning wordt voorzien voor risicoanalyses. Uit uw antwoord bleek ook dat enkele ziekenhuizen inmiddels melding hebben gedaan van incidenten en dat ISO-certificatie kan dienen om conformiteit aan te tonen.

Hoeveel meldingen van cyberincidenten zijn er sinds de inwerkingtreding van de meldingsplicht in oktober 2024 effectief gedaan? Betreft dit uitsluitend ziekenhuizen of ook ambulante praktijken? Kunt u aangeven of bepaalde ziekenhuizen of ambulante praktijken vaker het doelwit zijn geweest van aanvallen?

Worden er systematisch analyses gemaakt van de aard van deze incidenten? Kunt u dit verder specificeren en toelichten welke trends men kan vaststellen?

Wordt er ook nagegaan wat de concrete impact van deze cyberincidenten is op de werking van de betrokken ziekenhuizen of praktijken?

Hebt u zicht op de herkomst van deze aanvallen en de bedoeling ervan?

Zijn er gevallen bekend waarbij ziekenhuizen of praktijken betalingen hebben gedaan om opnieuw toegang te krijgen tot hun systemen?

In welke mate zijn ziekenhuizen momenteel effectief conform aan de NIS2-verplichtingen? Kunt u cijfers geven over het aantal instellingen dat al een risicoanalyse heeft uitgevoerd en gecertificeerd is?

Frank Vandenbroucke:

De vraag gaat over de toepassing van de wet van 26 april 2024 tot vaststelling van een kader voor de cyberbeveiliging van netwerk- en informatiesystemen van algemeen belang voor de openbare veiligheid, de NIS2-wet, die in ons land de NIS2-richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2022 vertaalt. Het doel van de NIS2-wet is het versterken van maatregelen op het gebied van cyberveiligheid, incidentbeheer en toezicht voor entiteiten die diensten leveren die essentieel zijn voor het in stand houden van kritieke maatschappelijke of economische activiteiten. De wet heeft ook als doel de coördinatie van het overheidsbeleid op het gebied van cyberveiligheid te verbeteren.

Artikel 34 van deze wet voorziet in een verplichting om incidenten te melden. De wet specificeert eveneens welke instanties zijn opgericht om die meldingen te ontvangen, cyberdreigingen, kwetsbaarheden en incidenten te monitoren en te analyseren, te reageren op incidenten en bijstand te verlenen aan de betrokken essentiële en belangrijke entiteiten. Die organen zijn het Centrum voor Cybersecurity België en het Nationaal Crisiscentrum.

De sectorale overheid voor de gezondheidszorg ontvangt de meldingen die door het CCB worden doorgestuurd. Ze bekijkt die meldingen in de sectorale context van bedreigingen en impact, maar niet met de bedoeling individuele incidenten op te volgen. Dat behoort immers tot het takenpakket van het CCB in de uitvoering van zijn verschillende opdrachten voor NIS2.

Tot op heden zijn er vijftien meldingen geregistreerd bij de sectorale overheid voor de gezondheidszorg. Organen die rechtstreeks betrokken zijn bij de behandeling van een incident zijn niet specifiek voor de ziekenhuis- of gezondheidssector, en hun rol bij cyberbeveiligingsincidenten heeft betrekking op alle sectoren die onder de NIS2-richtlijn vallen.

We hebben uw vragen aan het CCB gericht en we zullen u de informatie bezorgen zodra we die hebben ontvangen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat er nog antwoorden volgen. Worden die automatisch toegestuurd of moeten wij daar nog eens naar informeren?

Frank Vandenbroucke:

Nee, ik zal proberen mij zo te organiseren dat wij u de informatie toesturen.

Frieda Gijbels:

Dat is heel fijn. Ik ben een grote voorstander van nieuwe technologieën en digitalisering. Die kunnen de gezondheidszorg beter, efficiënter, goedkoper en slimmer maken. Ze maken ons echter ook kwetsbaar voor aanvallen, zowel door individuen als door mogendheden die ons niet gunstig gezind zijn. Het is daarom essentieel een strategie te ontwikkelen om die technologieën en uiteindelijk ook onze bevolking te beschermen. Het zijn immers de burgers die het doelwit vormen van dergelijke inbreuken. Ik ben benieuwd naar de cijfers die in voorbereiding zijn en hoop spoedig meer te vernemen over een strategie waarmee wij al onze zorginstellingen optimaal kunnen beveiligen. Dank u wel.

Zeldzame ziekten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische nieuwe nationale plannen voor zeldzame ziekten zijn in volle uitwerking, met als kerndoelen vroegdiagnostiek, betere zorgcoördinatie en administratieve vereenvoudiging. Een comité met SPF, INAMI en patiëntenvertegenwoordigers werkt maandelijks aan een ontwerp, met een geplande afronding in december 2025; parallel loopt een expertisecartografie (af te ronden zomer 2026) om zorgtoegang te optimaliseren. Patiëntenorganisaties (o.a. RaDiOrg) zijn actief betrokken, maar overleg met andere overheden volgt later. De minister benadrukt concrete vooruitgang binnen federale bevoegdheden.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, cette thématique me tient, tout comme vous, à cœur. Je vous avais déjà interrogé à ce sujet en novembre 2024. Vous m'aviez alors répondu que le nouveau plan était en cours d'élaboration par le SPF et que les recommandations de RaDiOrg sont prises en compte dans le travail pour l'élaboration d'un nouveau plan belge pour les maladies rares.

L'accord de gouvernement fait explicitement référence au développement d'un nouveau plan Maladies rares et prévoit d'agir pour les patients souffrant de maladies rares avec, notamment, un diagnostic plus précoce, une orientation plus rapide, une meilleure coordination des soins et la simplification des démarches administratives.

En mars dernier, vous avez également partagé différentes informations en commission, notamment votre volonté de confier aux hôpitaux universitaires un rôle central et de coordination dans la mesure où ils seraient chargés de cartographier les lieux d'expertise en matière de maladies rares et d'orienter les patients dans le paysage des soins de santé, et la nécessité d'améliorer et de mieux structurer l'enregistrement des données.

Monsieur le ministre, six mois se sont écoulés depuis ces dernières réponses. Où en est donc la rédaction de ce nouveau plan? Pourriez-vous nous faire part de l'état des lieux des mesures mises en œuvre ces derniers mois? Disposez-vous d'un calendrier pour les prochains mois des actions que vous comptez mener pour concrétiser l'accord de gouvernement? Pourriez-vous nous éclairer quant à la concertation déjà menée et celle éventuellement prévue dans les prochains mois avec les associations de patients? Qu'en est-il de la concertation avec les autres niveaux de pouvoir à ce sujet?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Gatelier, merci pour cette question et l'attention constante que vous portez à la thématique des maladies rares qui, en effet, mérite une mobilisation forte et continue et qui est pour moi une priorité.

Comme vous le soulignez, l'accord de gouvernement prévoit explicitement le développement d'un nouveau plan national pour les maladies rares avec des objectifs clairs: un diagnostic plus précoce, une orientation plus rapide, une meilleure coordination des soins et une simplification des démarches administratives. Je peux vous confirmer que le travail de rédaction de ce nouveau plan bat actuellement son plein.

Au printemps dernier, mes administrations ont mis en place deux structures essentielles. D'une part, un comité de rédaction composé du SPF Santé publique, de l'INAMI, et de la cellule stratégique de mon cabinet.

D'autre part, un groupe de travail élargi, réunissant des représentants de patients, des fonctions Maladies rares, Sciensano, la Fondation Roi Baudouin, ainsi que les membres du comité de rédaction. Ce groupe de travail se réunit une fois par mois et contribue activement à la rédaction du plan, tant par des échanges en réunion que par des contributions écrites via une plateforme collaborative. Le comité de rédaction est continuellement actif dans le travail de rédaction du plan. Des réunions régulières sont prévues d'ici la fin de l'année avec les stakeholders , avec pour objectif d'aboutir à un plan consolidé en décembre 2025.

Parallèlement à ce travail de rédaction, des actions concrètes sont déjà en cours. Un exercice de cartographie de l'expertise disponible en Belgique en matière de maladies rares est en développement, en collaboration avec les fonctions Maladies rares et les représentants des patients. Ce travail vise à rendre cette expertise plus visible et accessible, tant pour les patients que pour les prestataires de soins. Il servira également de base pour améliorer l'organisation des soins. Nous souhaitons finaliser cette cartographie d'ici l'été 2026.

Je tiens à souligner que les associations de patients sont pleinement impliquées dans le groupe de travail pour la rédaction du plan Maladies rares, ainsi que pour l'exercice de cartographie de l'expertise et contribuent activement à toutes les étapes du processus.

Quant à la concertation avec les autres niveaux de pouvoir, elle est prévue dans une phase ultérieure. Dans un premier temps, les efforts sont concentrés sur les actions qui relèvent des compétences fédérales.

En résumé, le processus est bien engagé, structuré et participatif. Nous avançons avec détermination pour concrétiser les engagements de l'accord de gouvernement et améliorer durablement la prise en charge des personnes atteintes de maladies rares.

Jean-François Gatelier:

Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je suis heureux d'entendre que nous ne sommes pas demeurés en reste et que le processus avance bien, grâce notamment aux associations dont RaDiOrg qui est très active et impliquée sur ce sujet.

De RIZIV-quota voor in het buitenland opgeleide artsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigde dat een adviesaanvraag voor toekomstige artsen- (2032) en tandartskwota (2031) bij de Planningscommissie is ingediend, met focus op de impact van buitenlands gediplomeerden. Voor tandartsen volgt het definitieve advies eind 2024, na verdere analyse door een werkgroep; voor artsen wordt het advies begin 2025 verwacht door nieuwe, nog te verwerken specialisatiedata. De werkgroepen hernemen hun werk na de zomer. De kern: kwota-aanpassingen komen pas vanaf 2025/2026, met vertraging door dataverwerking.

Jean-François Gatelier:

Il s'agit d'une question courte mais qui est importante pour les médecins et les quotas INAMI. Le 16 mai dernier, le Conseil des ministres approuvait les quotas de médecins pour l'année 2031 et les quotas de dentistes pour 2030. Ce jour-là, le Conseil des ministres a également décidé de mieux tenir compte de l'impact sur les quotas nationaux de l'afflux de prestataires de soins avec un diplôme étranger, comme cela était prévu dans l'accord de gouvernement. Vous vous êtes engagés à " soumettre une demande d'avis à la Commission de planification à cet effet. Il en sera tenu compte pour définir les quotas à partir de l'année prochaine. "

Monsieur le Ministre, avez-vous effectivement soumis une demande d'avis à la Commission de planification, et à quelle date? Dans quel délai la commission de planification soumettra-t-elle cet avis?

Frank Vandenbroucke:

Une demande d’avis relative à la détermination des prochains quotas a bien été adressée à la Commission de planification. Cette demande concerne les quotas de dentistes qui seront d’application en 2031 et les quotas de médecins qui seront d’application en 2032. Après la période estivale, les groupes de travail dentistes et médecins se réuniront afin de poursuivre leurs travaux respectifs.

Concernant les dentistes, le groupe de travail est chargé de finaliser l’exercice de planification d’ici la fin de l’année. En ce qui concerne les médecins, de nouvelles données viennent d’être réceptionnées. Celles-ci doivent encore être analysées pour l’ensemble des spécialités médicales. Par conséquent, l’avis relatif au quota de médecins est attendu pour le début de l’année prochaine.

Jean-François Gatelier:

Merci, monsieur le ministre.

Het sensibiliseren van de patiënten voor de gezondheidsuitgaven

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om transparantie van zorgkosten voor patiënten, waarbij minister Vandenbroucke concrete maatregelen belicht: verplichte kostenspecificatie (via documenten en affiches bij zorgverleners sinds 2021/2022) en rol van mutualiteiten in informatieverschaffing, met verdere digitalisering gepland voor 2026. Gatelier benadrukt dat patiënten zich vaak niet bewust zijn van de werkelijke kosten (ook collectief gefinancierd) en dat transparantie helpt om de waarde van zorg te erkennen, zonder het derdenbetalersysteem af te wijzen. De kern: zorg is niet gratis, en bewustmaking via duidelijke communicatie is essentieel.

Jean-François Gatelier:

Nous en avons parlé ce matin. Ce sujet me tient à cœur également.

Monsieur le ministre, au sein des Engagés, nous avons toujours plaidé pour une responsabilisation de l'ensemble des acteurs et pour une solidarité envers les personnes confrontées à des difficultés et problèmes de santé.

Dans le secteur de la santé, cette responsabilisation concerne non seulement les autorités mais aussi les acteurs économiques, les institutions de soins, les mutuelles, les prestataires de soins et les patients. Mais souvent, ces derniers ne sont pas suffisamment informés des coûts réels de leurs soins de santé.

Monsieur le ministre,

Quelles mesures concrètes comptez-vous mettre en œuvre en vue de sensibiliser les patients aux dépenses des soins de santé qui sont financés par la collectivité?

Avez-vous défini un calendrier?

Quel rôle les mutualités peuvent-elles jouer dans l'information des patients quant aux coûts des soins de santé?

Je vous remercie pour vos réponses.

Frank Vandenbroucke:

Je partage votre point de vue selon lequel les patients doivent avoir une idée des coûts réels de leurs soins de santé. Il est donc important qu'ils aient accès non seulement au montant des tickets modérateurs et des suppléments, mais aussi au montant qui est remboursé. Comme vous le dites, cette responsabilité est un combat de nombreux acteurs, dont les mutualités et les pouvoirs publics.

Plusieurs mesures ont déjà été prises à cet effet. Les dispensateurs de soins doivent remettre au patient, dans certaines situations, un document justificatif qui lui indique clairement le montant à payer, l'intervention de la mutualité, etc.

C'est obligatoire dans les cas suivants: si un dispensateur de soins atteste des prestations remboursables avec des prestations non remboursables, c'est-à-dire des prestations pour lesquelles l'assurance soins de santé n'intervient pas, depuis le 9 juin 2022; si un dispensateur de soins atteste des prestations exclusivement non remboursables, c'est-à-dire des prestations pour lesquelles l'assurance soins de santé n'intervient pas; si un dispensateur de soins atteste électroniquement, une transmission électronique de données par ce dernier à la mutualité de son patient remplace l'attestation de soins donnés (ASD) en version papier, dans ce cas, le dispensateur de soins ne remet pas d'ASD papier au patient et le document justificatif permet au patient d'être informé.

En conclusion, seule l'attestation (…) papier de prestations exclusivement remboursables n'entraîne pas d'obligation de remise d'un document justificatif. Dans ce cas, le montant qui doit être payé par le patient doit être mentionné sur la partie "reçu" de l'attestation de soins données.

La loi du 27 octobre 2021 impose aux dispensateurs de soins d'afficher les tarifs de leurs prestations de soins les plus courantes, déterminées au niveau de l'ensemble de la discipline. En effet, quand un patient reçoit les soins, il est important qu'il sache ce qu'il devra payer. De cette manière, il peut prendre une décision concernant son traitement en connaissance de cause. C'est pourquoi nous avons donc conçu des affiches grâce auxquelles vous pouvez facilement informer vos patients des tarifs des prestations de soins les plus courantes par discipline. Ces affiches ont été réalisées en collaboration avec la commission sectorielle.

Les affiches contiennent toutes les informations que le dispensateur devra communiquer clairement à ses patients avant de lui administrer des soins, et ce pour les prestations les plus courantes de sa discipline: informations générales, s'il est conventionné complètement, partiellement ou pas, les montants par prestation de l'intervention de l'assurance obligatoire, le ticket modérateur du patient, le cas échéant, le supplément maximal, ainsi que le total de ces montants.

Finalement, les mutualités fournissent également beaucoup d'efforts pour sensibiliser leurs membres, et nous continuons à travailler dans ce sens. Au cours de l'année 2026, nous continuerons à travailler à la transparence des informations de facturation et autres pour les assurés sociaux, via un environnement organisme assureur (…), comme indiqué dans le plan stratégique 2025-2030 du Service des soins de santé de l'INAMI. À cette fin, certaines données seront ajoutées par les organismes assureurs dans les comptes de leurs membres.

Jean-François Gatelier:

Merci pour votre réponse. C'est vraiment très important. Je ne sais pas si vous dites la même chose en néerlandais: nous disons "la santé n'a pas de prix". Mais si, justement, la santé a un prix, et c'est donc bien que le patient puisse connaître exactement les dépenses relatives à ses soins. Je me souviens qu'avant que le tiers payant existe, on payait entièrement sa consultation et on prenait conscience de la valeur de sa consultation. Je ne remets pas en question le tiers payant, je suis pour. Or c'était le côté néfaste du tiers payant: celui de croire que la santé n'avait plus de prix, était gratuite. Non, il y a toujours quelqu'un qui paye. Et ici, c'est bien sûr l'État.

De ziekenfondsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat een nieuw pact met mutualiteiten (opvolger van het akkoord uit 2016) nodig is om governance, transparantie en efficiëntie te versterken, maar stelt de onderhandelingen uit tot na lopende kortetermijnhervormingen (o.a. verantwoordelijkheidsmechanismen). Ramlot benadrukt dat mutualiteiten onmisbare partners zijn—kritiek moet leiden tot samenwerking, niet uitsluiting—en dringt aan op een evenwichtige hervorming die kostbeheersing combineert met systeemkwaliteit, zonder de sector te marginaliseren. Het pact moet digitale inclusie, preventie en patiëntenbegeleiding moderniseren, maar concrete voorstellen en timing ontbreken nog. Uitgangspunt: mutualiteiten als kernspeler, niet als zondebok, in een toekomstbestendig zorgsysteem.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, les mutuelles sont un acteur important de notre système de santé, notamment dans le cadre de la concertation avec les prestataires de soins, de l'information ainsi que de l'accompagnement des patients. Toutefois, des critiques se font régulièrement entendre concernant le rôle et la gouvernance des mutualités dans notre système de soins: des problèmes de transparence ainsi que des conflits d'intérêts sont notamment évoqués. Face à la nécessité de repenser le rôle des mutualités, les partenaires de l'Arizona ont prévu, dans l'accord de gouvernement, qu'"un nouveau pacte avec les mutualités sera élaboré".

Nous pensons en effet qu'une démarche constructive de réflexion et de co-construction d'un nouveau plan avec les mutuelles est le plus pertinent. Il convient de repenser le rôle des mutuelles dans la société d'aujourd'hui. À titre d'exemple, la numérisation doit être l'occasion de renforcer la collaboration entre les mutualités en matière de gestion des données et des technologies de l'information, en prêtant une attention particulière à l'accessibilité pour les personnes les plus vulnérables et à la réduction de la fracture numérique. De plus, leur rôle d'information, d'accompagnement, mais aussi de sensibilisation des membres, notamment au sujet de leurs droits et du coût des soins, doit également être repensé, tout comme leur rôle dans la prévention et la promotion de la santé.

Monsieur le ministre, la concertation avec les mutualités en vue de la rédaction d'un nouveau pacte a-t-elle déjà commencé? Quel est le calendrier de cette concertation? Quelles en sont les modalités? Les grandes lignes de ce nouveau plan ont-elles déjà été définies? Si oui, quelles sont-elles? Quand espérez-vous pouvoir présenter ce nouveau plan?

Frank Vandenbroucke:

Madame Ramlot, comme vous le relevez à juste titre, les mutuelles sont l'un des piliers de notre système de soins de santé. Leurs missions sont nombreuses, variées et essentielles.

Un premier pacte a été conclu en 2016 entre tous les organismes assureurs, l'INAMI, l'Office de contrôle des mutualités et la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique de l'époque, Mme Maggie De Block. Il a permis la définition concertée de plusieurs objectifs à court, moyen et long termes pour les organismes assureurs, en partenariat avec les administrations compétentes. Il a ainsi posé les balises de réformes importantes qui ont pu être accomplies, que ce soit en termes de gouvernance mutualiste, de transparence, de mise à disposition des données relatives aux soins de santé, de participation à l'élaboration et à la mise en œuvre des plans d'action en matière de contrôle des soins de santé, etc.

À la suite de cette expérience positive, il a semblé utile de prévoir la conclusion d’un nouveau pacte pour les années à venir, ce qui s’est traduit par l’extrait que vous citez, issu de la déclaration gouvernementale. Cela étant, vous n’ignorez pas que de très nombreuses réformes d’envergure, à l’échelle de l’ensemble de notre système de soins de santé, sont en cours. Par ailleurs, plusieurs points spécifiques de la déclaration gouvernementale prévoient la mise en place d’une série de mesures de responsabilisation accrue des organismes assureurs. Ces mécanismes sont actuellement élaborés et mis en œuvre. Il s’agit donc à ce stade de priorités à court terme auxquelles je souhaite que les organismes assureurs et les administrations compétentes se consacrent. Une fois que ces réformes seront suffisamment avancées – et soyez assurée que tout est mis en œuvre pour que ce soit le cas le plus rapidement possible – la concertation avec les organismes assureurs sera lancée, afin d’aboutir à un nouveau pacte.

Sans que les lignes de force n’aient déjà été arrêtées, puisque les discussions n’ont pas encore commencé, je peux d’ores et déjà vous dire que le pacte inclura, d’une part, les aspects de la déclaration gouvernementale qui n’auront pas encore été réalisés et, d’autre part, le renforcement de la gouvernance, de la transparence, de l’efficience et de la qualité des services rendus aux patients et à l’État.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, vous avez fait part de grandes ambitions de réforme pour cette législature. Vous poursuivez un double objectif, et nous vous soutenons dans le principe de cette démarche. Ici, il s’agit de faire des économies où c’est possible et légitime en vue de mieux affecter nos moyens limités. Mais il s’agit aussi d’améliorer le fonctionnement de notre système de santé au bénéfice de la santé de l’ensemble des Belges. Il s'agit de mener cette réforme sans sacrifier aucun de ses objectifs sur l'autel de l'autre: pas de réforme sans maîtrise des coûts, mais pas de coupe sombre dans les coûts sans assurer la viabilité du système. Pour tenir cette gageure, la coopération des mutuelles est indispensable. Elles sont au cœur du système, au milieu du jeu. Certains voient en elles des ogres à l’appétit insatiable et voudraient les mettre à l’écart. C’est une erreur fondamentale, la même erreur que ceux qui veulent, en Europe par exemple, réformer l’agriculture sans les agriculteurs ou contre eux. Les mutuelles ont sans doute des défauts qu’il faut corriger, des faiblesses qu’il faut combler. Le monde est vivant, et les structures doivent bouger et s’adapter. Mais cela, il faut le faire avec les mutuelles, pas sans elles ni contre elles. Elles sont – et seront – dans cette démarche non pas une victime expiatoire, mais un partenaire central et irremplaçable. L’accord Arizona annonce en ce sens un nouveau pacte avec elles. Ce pacte, nous l’attendons, car c’est cela le bon chemin de la réforme. Je vous remercie, monsieur le ministre.

De heropname in het ziekenhuis van pas bevallen vrouwen en hun baby

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Carmen Ramlot kaart aan dat jonge moeders en pasgeborenen bij postpartum-complicaties vaak gescheiden worden opgenomen in niet-gespecialiseerde diensten, terwijl heropname in de kraamafdeling – waar moeder *en* kind samen verzorgd kunnen worden – logischer en veiliger zou zijn. Minister Vandenbroucke benadrukt dat minder dan 3% van de moeders heropgenomen wordt, vaak via spoed en voor korte duur, en waarschuwt voor infectierisico’s en gebrek aan expertise in kraamafdelingen voor complexe gevallen, waarbij gespecialiseerde zorg voor de moeder soms voorrang moet krijgen—al kan tijdelijke scheiding dan begeleid worden. Hij bevestigt wel dat er lopende overleggen zijn binnen de CIM en met zorgactoren om de postpartumzorg te optimaliseren. Ramlot repliceert dat cijfers niet alles zeggen: de emotionele veiligheid en continuïteit voor moeder-kind in een vertrouwde omgeving (kraamafdeling) zou volgens *gezond verstand* prioriteit moeten krijgen.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, à l'heure actuelle, les jeunes mamans quittent souvent rapidement l'hôpital après leur accouchement. Cependant, lorsqu'elles ont un problème de santé, la mère et le nouveau-né doivent être réhospitalisés peu après la sortie de la maternité. Plusieurs difficultés apparaissent. Un service pédiatrique ne prend pas en charge la mère, tandis qu'un service adulte non spécialisé en obstétrique n'est pas toujours adapté pour la maman en postpartum et, surtout, ne prend pas en charge le nouveau-né. La réadmission de la mère et du nourrisson en maternité paraît logique parce qu'il s'agit du service qui, par essence, prend à la fois soin de la maman et de son bébé. Mais, dans les faits, les maternités sont organisées pour accueillir les accouchements et non les réhospitalisations ultérieures.

Monsieur le minsitre, ne pensez-vous pas qu'il serait opportun de permettre la réhospitalisation de la jeune maman et de son nourrisson au sein du service de maternité pour une prise en charge globale de ce duo plutôt que dans un service qui ne prendra en charge que l'un des deux? Une réflexion est-elle menée à ce sujet tant au sein de la Conférence interministérielle (CIM) de la Santé qu'avec les acteurs concernés?

Frank Vandenbroucke:

Madame Ramlot, il est exact qu'aujourd'hui, les jeunes mères quittent souvent rapidement l'hôpital après leur accouchement. Dans des cas exceptionnels, une complication médicale peut toutefois survenir et nécessiter une réadmission de la maman, du bébé ou des deux. Les chiffres disponibles montrent cependant qu'il s'agit d'un nombre très limité de situations.

En 2023, on a enregistré un total de 110 770 naissances. Cette même année, on a comptabilisé 1 356 réadmissions classiques et 1 663 hospitalisations de jour de mères en période postpartum. Cela représente moins de 3 % des mères et à peine 1 % en ne prenant pas en compte les hospitalisations de jour. Cette situation est donc très minoritaire.

La grande majorité de ces femmes entrent d'ailleurs via le service des urgences. Il ne s'agit donc pas toujours d'un séjour prolongé ou d'une nuit passée à l'hôpital. Le plus souvent, les mamans concernées peuvent être prises en charge en journée et puis rentrer à domicile.

Lorsque la réadmission est due à une complication postpartum, il peut être indiqué d'examiner la possibilité que la mère et l'enfant soient hospitalisés ensemble en maternité. Cela peut contribuer à assurer une continuité des soins et un suivi intégré de la mère et du nouveau-né, pour autant que cela soit sûr et réalisable dans l'organisation de l'hôpital.

Il est également important de souligner que la réadmission de la maman n'est pas toujours liée à des complications postnatales. Elle peut aussi concerner d'autres problèmes médicaux nécessitant un traitement spécialisé, indépendamment de l'accouchement. En cas de réadmission pour d'autres problèmes de santé, le principe reste que les besoins de soins de la mère priment. Dans ces situations, il est souvent préférable qu'elle soit admise dans un service spécialisé familier avec la problématique médicale.

C'est une garantie de recevoir les meilleurs soins possibles. Si, dans ce cadre, une séparation temporaire est nécessaire, l'hôpital peut prévoir un accompagnement afin d'aider les parents à organiser les aspects pratiques et de faire en sorte que la séparation soit la plus brève possible. Notons qu'une réadmission en maternité n'est pas toujours indiquée. En effet, cela comporte un risque d'introduire des germes pathogènes dangereux pour les nouveau-nés et les femmes en postpartum. Par ailleurs, une maternité n'a pas toujours l'expertise ou les moyens requis pour répondre aux besoins spécifiques de la mère lors d'une réadmission. Inversement, il peut également être risqué d'accueillir un bébé dans un autre service où la mère est hospitalisée. Il existe en effet un risque accru d'exposition à des germes dangereux pour un nouveau-né. En outre, la présence d'un bébé dans un tel service n'est envisageable que dans une chambre individuelle afin de garantir la sécurité de l'enfant et le confort des autres patients du service.

La problématique que vous soulevez s'inscrit dans une réflexion plus large sur l'organisation de la période postpartum et le suivi de la mère et de l'enfant au sein de la CIM Santé publique, mais aussi en concertation avec les acteurs concernés, les professionnels de la santé, les institutions et organisations de pension.

Des travaux sont menés en continu afin d'apporter des solutions qui garantissent à la fois la continuité et la qualité des soins pour les jeunes femmes.

Carmen Ramlot:

Merci, monsieur le ministre. Vous dites que moins de 3 % des mères sont réadmises. Mais avoir un enfant n'a pas lieu tous les jours et entraîne souvent une détresse psychologique, ce qui est tout à fait normal. Selon moi, il est beaucoup plus rassurant pour la maman et l'enfant de retourner là où elle était. C'est du bon sens et le bon sens, c'est un levier puissant, monsieur le ministre. Je pense que parfois, au-delà des chiffres, il faut se laisser guider par son bon sens. La présidente : La question n° 56007369C de M. Patrick Prévot ainsi que la question n° 56007390C de M. Vincent Van Quickenborne sont reportées.

De verdere stappen in de hervorming van de patiëntenrechten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De minister bevestigt dat de modernisering van patiëntenklachtprocedures (inclusief mediatorsstatuut) prioriteit heeft: een CIM-werkgroep kartografeert eerst bestaande klachtinstanties om patiënten beter te begeleiden, gevolgd door een brede hervorming met betrokken actoren. Het Gentse rapport over kwetsbare patiëntengroepen (minderjarigen, psychische gezondheid, slachtoffers seksueel geweld) biedt concrete sporen, maar verdere stappen worden nog uitgewerkt. Overleg met de orders startte informeel, met doelstellingen voor 2026 gericht op transparantie en plaignantpositie. Concertatie over kinderrechten in de zorg blijft vaag: timing en betrokken partijen zijn nog onduidelijk.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, il y a un an, je vous interrogeais sur ce sujet et je souhaite faire un état des lieux des avancées.

En effet, lors de la législature précédente, la législation relative aux droits du patient a été réformée. Lors de ces débats, Les Engagés, par la voix de Catherine Fonck, avaient insisté sur deux thématiques qui méritaient une attention particulière et devaient faire l'objet d'approfondissements: d'une part, l'importance de tenir compte des spécificités des enfants et des adolescents lorsqu'ils sont patients et, d'autre part, la nécessité de moderniser la fonction de médiateur "droits du patient".

L'accord de gouvernement reprend ces deux éléments: En effet, il prévoit explicitement qu'"il faut reconnaitre les spécificités des enfants et des adolescents lorsqu'ils sont patients et adopter des mesures qui leurs sont propres, après une concertation avec tous les acteurs concernés par l'accompagnement et la prise en charge des enfants malades" et que "Tant la formation et le statut des médiateurs que le paysage des organes de plainte doivent être reformes et renforces en concertation avec les entités fédérées compétentes".

Lors des débats au sujet de la NPG, vous avez évoqué certaines démarches que vous vouliez entreprendre: création d'un groupe de travail au sein de la CIM Santé sur les instances de traitement des plaintes, consultation des ordres des médecins et des pharmaciens.

Il y a un an, vous me répondiez que le marché d'étude sur l'application des droits du patient à des groupes vulnérables avait été confiée à l'université de Gand en mars 2024.

Monsieur le ministre, Quelles sont les modalités de la concertation avec les acteurs concernés par l'accompagnement et la prise en charge des enfants malades (calendrier, personnes concertées…)? Cette concertation a-t-elle déjà débuté? Le rapport final de l'étude de l'université de Gand a-t-il été rendu? Si oui, pourriez-vous nous le communiquer? Quelles suites comptez-vous y donner? Le GT au sein de la CIM a-t-il été mis en place au sujet des plaintes? Quelle est la composition de ce groupe? Les associations de patients et les associations de médiateurs sont-elles impliquées? Pourriez-vous nous éclairer quant à la consultation des ordres (calendrier, objectifs…)?

Je vous remercie pour vos réponses.

Frank Vandenbroucke:

Parmi les points que vous citez dans vos questions, la priorité est donnée à ce stade au lancement de la concertation avec les entités fédérées sur la modernisation du droit du patient de déposer plainte. Ainsi, lors de la réunion de la CIM de juin 2025, celle-ci a confié à la plateforme inter-administrative la mission de créer un groupe de travail sur le droit du patient de déposer plainte.

L'objectif est que l'organisation et l'encadrement des services de médiation de la loi Droits du patient y soient abordés. Une attention particulière sera d'abord apportée à l'élaboration d'une cartographie des instances de gestion de plaintes de patients existantes en Belgique afin de guider le patient vers la bonne instance en fonction de sa demande et du type de sa plainte. C'est donc la première priorité que s'est fixée la plateforme.

Dans une deuxième phase, cette dernière initiera, par la mise en place d'un groupe de travail, le chantier relatif à l'objectif repris plus haut. Dans ce cadre, une attention particulière sera apportée à la constitution équilibrée de ce groupe de travail en termes d'experts et d'acteurs du monde de la santé directement concernés par les problématiques en cause. Je ne manquerai pas de vous tenir au courant de l'évolution des travaux dès que les premiers résultats de ceux-ci – en première instance la cartographie actualisée des instances de gestion de plaintes – me parviendront.

Quant au rapport de la faculté de médecine et des sciences de santé de l'Université de Gand concernant l'application des droits aux groupes de patients vulnérables, ce rapport se concentre sur trois groupes de patients, à savoir les patients mineurs, les personnes ayant des problèmes de santé mentale et les victimes de violences sexuelles. Le rapport contient plusieurs pistes intéressantes pour renforcer l'application des droits du patient dans la pratique, mais je souhaite d'abord examiner, au cours des prochaines semaines, comment nous pouvons poursuivre nos travaux dans ce cadre.

En ce qui concerne la réforme des ordres, une première réunion informelle entre mes collaborateurs et le Conseil national des différents ordres a eu lieu. Je prévois de conclure des accords de travail dans le courant de 2026, en vue d'améliorer la situation, car, comme vous le savez, la priorité du gouvernement se concentre sur les points sensibles concernant la transparence et la position du plaignant.

Jean-François Gatelier:

Je n’ai pas de remarques à faire. Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre. La présidente : Le Hainaut commencera en force lors de la prochaine séance. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.26 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 26.

De regeringsplannen voor een intrusieve overheid inzake fiscaliteit, gezondheid en communicatie

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand bekritiseert de overheidsplannen voor massale digitale surveillance (centrale ziektebriefjes-databank, AI-bankcontroles via CAP, en WhatsApp-toezicht onder "Chat Control"), die ze als een Orwelliaanse inbreuk op privacy en systeem van algemene verdenking afschildert. Premier De Wever ontkent concrete regeringbeslissingen, benadrukt dat privacy een absolute voorwaarde is bij beleid en verwijst naar bevoegde commissies voor nuance, maar Bertrand wijst op recente besprekingen in Financiën en noemt de plannen wel degelijk actueel. De kern van het conflict: vertrouwen vs. controle, waarbij Bertrand de regering beschuldigt van een "schuldig tot het tegendeel bewezen"-cultuur tegenover burgers, artsen en ondernemers. De Wever houdt vol dat individuele rechten centraal staan, maar Bertrand ziet een structurele verschuiving naar overheidstoezicht.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de eerste minister, ik heet u eerst en vooral welkom terug hier in het halfrond. U ziet er goed en uitgerust uit. Ik zie dat. Daarvoor had ik geen AI-tool of databank nodig.

Collega’s, Arizona is watching you . Jullie hebben ongetwijfeld de klassieker 1984 van George Orwell gelezen. Dat boek wordt stilaan de nieuwe realiteit. Beste burgers, het gaat over uw gezondheid, het gaat over uw geld, het gaat over uw whatsappberichten. Arizona wil weten wat u doet, wanneer u het doet en met wie u communiceert. Het wantrouwen heerst.

Het heerst ook bij minister Vandenbroucke. Hij wil een databank oprichten met alle ziektebriefjes. De privacywaakhond is daar vernietigend over. Die databank betekent een massale centralisatie van ziekte- en gezondheidsgegevens door de overheid.

Bij minister Jambon horen wij hetzelfde verhaal met zijn CAP of Centraal Aanspreekpunt. De overheid kijkt proactief mee in al uw bankrekeningen met behulp van AI. Hoeveel staat er op uw bankrekening? Wat doet u met uw centen? Arizona ziet het.

Dan is er uiteraard ook nog mevrouw Verlinden. Zij wil meelezen in uw whatsappberichten, wat u stuurt en naar wie. Iedereen wordt verdacht. Dat is het nieuwe model.

Mijnheer de premier, ik heb slechts één vraag. Waar gaat het stoppen? Wanneer is het genoeg voor u?

Voorzitter:

Mijnheer de premier, wanneer is het genoeg voor u?

Bart De Wever:

Collega Bertrand, ironie is geen gemakkelijk genre. Ik zou er persoonlijk zuinig mee omgaan.

Dat gezegd zijnde, wij hebben u bevraagd over waar de ingediende, in zeer algemene termen opgestelde vraag eigenlijk precies over ging. Daar is geen antwoord op gekomen. U hebt hier een soort orwelliaans grotesk beeld geschetst van alles wat op ons afkomt. Ik had wel een idee waarover het zou kunnen gaan. U hebt allerlei thema’s aangekaart, zoals hoe we fiscale fraude bestrijden. Hoe we omgaan met excessief voorschrijfgedrag van artsen zat er niet tussen, al had het ook daarover kunnen gaan. Er zijn ook Europese dossiers, dat gaat dan over Chat Control. Dat zijn allemaal zaken die in de lucht hangen, maar waarover de regering nog helemaal niet vergaderd heeft, laat staan dat we die zaken behandeld of goedgekeurd hebben. Namens de regering kan ik u daar dus niets over meedelen. Wat u wel kunt doen, is die totaal verschillende dossiers aan de bevoegde ministers voorleggen in de commissies, zodat zij enige nuance kunnen aanbrengen. Dat zal niet moeilijk zijn bij het beeld dat u hebt geschetst.

Algemeen kan ik u geruststellen en op het hart drukken dat privacy mij zeer nauw aan het hart ligt. Een zeer forse privacytoets zal, wat mij persoonlijk betreft, altijd ingebouwd worden bij eender welk beleidsvoorstel dat wij doen. Bij het nemen van beslissingen in het algemeen belang, dat u enigszins uit het oog bent verloren, speelt dat ook mee. Als wij in functie daarvan beslissingen nemen, zullen wij er uiteraard altijd over waken dat de rechten van het individu maximaal worden gerespecteerd. Dat is voor mij een evidentie.

Alexia Bertrand:

Premier, het gaat uiteraard over privacy en deze plannen zijn veel concreter dan u vandaag laat uitschijnen. We hebben deze gisteren nog besproken in de commissie voor Financiën en Begroting met de heer Jambon, de minister van Financiën. Als liberaal zal ik mij altijd verzetten tegen een samenleving waar de overheid alles en iedereen controleert. U kiest voor wantrouwen: wantrouwen tegenover de artsen, die allemaal zouden frauderen; wantrouwen tegenover de ondernemers die zogezegd aan de rand van hun zwembad liggen; wantrouwen tegenover de burgers die een bankrekening hebben of die whatsappen. Schuldig tot het tegendeel is bewezen, dat is de visie van deze regering.

Een eerlijke bijdrage van de farma-industrie
De teloorgang van de farma-industrie
De begrotingsgesprekken en de volksgezondheid
Financiële verantwoordelijkheid, uitdagingen en budgettaire impact van de farmaceutische sector op volksgezondheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de eerlijke bijdrage van de farmaceutische industrie aan de betaalbaarheid van de gezondheidszorg, waarbij Vooruit (Bertels) pleit voor een verplichte winstafdracht (80 miljoen euro besparing) om explosieve geneesmiddelenkosten te beteugelen en solidariteit te waarborgen. Oppositie (De Knop, N-VA) waarschuwt dat lineaire bezuinigingen innovatie en patiëntentoegang bedreigen en de sector—een economische troef—ondermijnen, terwijl coalitiepartner Depoorter (Open Vld) dialoog en afgewogen maatregelen eist, met kritiek op het ontbreken van overleg bij de ministeriële aankondiging. Minister Vandenbroucke verdedigt de noodzaak van ingrijpen (prijsverlagingen, remgeldhervorming, voorschrijfbeleid) om verspilling tegen te gaan en prioriteiten zoals tandzorg en zorgpersoneel te financieren, met een ultieme heffing op de industrie bij budgetoverschrijding, maar benadrukt dat creatieve sectorvoorstellen nog steeds mogelijk zijn.

Jan Bertels:

Collega’s, iedereen weet dat we voor moeilijke budgettaire jaren staan. We moeten hervormen om de rekeningen van ons land op orde te brengen, om zo de koopkracht van onze bevolking te beschermen, onze sociale zekerheid veilig te stellen voor de toekomst en onze gezondheidszorg voor iedereen toegankelijk en betaalbaar te houden. Dat vraagt een inspanning van iedereen. Mensen begrijpen dat en zijn bereid hun steentje bij te dragen. Ik hoor op straat wel steeds dat zij dat willen doen op voorwaarde dat iedereen een inspanning levert. Die mensen hebben gelijk. Voor Vooruit is het de normaalste zaak van de wereld dat ook de sterkste schouders eerlijk bijdragen. Elk zijn deel is niks te veel.

Wij willen de facturen in onze gezondheidszorg voor iedereen betaalbaar houden. Daarom is het van groot belang dat ook de grote farmaceutische industrie haar duit in het zakje doet. Die industrie verricht goed werk, vaak letterlijk van levensbelang. Maar waar eindigen de macht en de winst van sommige farmaceutische bedrijven? Wat vinden wij nog aanvaardbaar? Verhalen zoals dat van baby Pia liggen nog vers in het geheugen. De stabiele hoge winstcijfers tonen aan dat de sector de voorbije jaren goed geboerd heeft. Van die industrie mogen we dan ook een eerlijke bijdrage verwachten om onze gezondheidszorg voor iedereen betaalbaar te houden. De industrie weet dat zelf ook.

Mijnheer de minister, hoe zult u ervoor zorgen dat die industrie een eerlijke bijdrage levert aan onze gezondheidszorg?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, welkom terug, een nieuw parlementair jaar en een nieuwe aanval van Vooruit. Ditmaal zijn het de farmaceutische bedrijven die het gelag moeten betalen. We zijn dat van Vooruit gewoon. Mensen die ondernemen, die het land zuurstof geven, die investeren in gezondheid en economie, het zijn jullie natuurlijke vijanden.

Mijnheer de minister, zoals we dat enigszins van u gewend zijn, u gaat eenzijdig en zonder overleg 80 miljoen euro aan inkomsten weghalen bij die sector. Ik heb goed geluisterd naar wat u zei over hervormen, maar dit is niet hervormen. Dit lijkt eerder op het uitroeien van een sector. Laat ons daarover eens nadenken, mijnheer de minister. Wat levert de strategie die u voert economisch gezien op? Wat levert de strategie die u voert ons op het vlak van de gezondheidsdoelstellingen op?

We zijn zeer ongerust en ik heb begrepen dat premier De Wever even ongerust is als wij. Dit betreft immers een sector waar ons land vandaag internationaal koploper is. Hier worden geneesmiddelen ontwikkeld. Hier worden klinische studies uitgevoerd. Dat alles leidt ertoe – of moet ik zeggen leidde ertoe - dat patiënten in België snel toegang kregen tot nieuwe geneesmiddelen. Door de acties die u onderneemt en door het pleidooi dat u voert, mijnheer Bertels, zorgt u er echter voor dat de sector echt op de helling komt te staan met het beleid dat de minister voert.

Weet u dat slechts in 50 % van de gevallen waarin innovatieve geneesmiddelen worden aangeboden, dit ook effectief leidt tot terugbetaling? Dat is slecht voor de innovatie, dat is slecht voor de bedrijven, maar vooral slecht voor de patiënten die daar nood aan hebben en geen toegang krijgen tot innovatieve geneesmiddelen. Wat is daarvoor uw remedie, mijnheer de minister?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, de farmaceutische industrie is hoogwetenschappelijk, levensreddend en zeer belangrijk voor de welvaart van ons land.

Deze ochtend las ik in de krant een brief waarin bezorgdheid wordt geuit over een door u aangekondigde besparingsmaatregel van 80 miljoen euro. Dat die besparing er zou komen, was bekend. De sector werd ook gevraagd om voorstellen in te dienen. Die voorstellen zijn ingediend en vervolgens geanalyseerd, onder meer door het RIZIV en het Verzekeringscomité. De voorstellen blijken niet toereikend te zijn.

Mijnheer de minister, de brief kwam dan toch als een verrassing, want het betrof een lineaire maatregel, een besparing zonder meer. Wij hebben samen al een lange weg afgelegd en zijn het niet altijd volledig eens met elkaar, maar wij maken wel deel uit van dezelfde coalitie. Het is dus onze taak om samen zowel de kwaliteit van de gezondheidszorg als het gezondheidsbudget te bewaken.

Ik stel mij de vraag, gelet op het feit dat de begrotingsconclaven en -gesprekken nog moeten beginnen, of u niet enigszins voorbarig bent geweest. Hoe is die brief tot stand gekomen en verstuurd? Ik had graag van u vernomen welke voorstellen niet weerhouden zijn door het RIZIV en door uw diensten. Hebt u deze voorstellen besproken met uw collega’s in het kernkabinet? Met andere woorden, gaat het hier om een aankondiging van een besparing die door de regering is beslist of niet? Ten slotte, mijnheer de minister, in het regeerakkoord is opgenomen dat wij alle maatregelen in dialoog met de farmaceutische sector zouden nemen. Is er opnieuw plaats voor dialoog om die maatregelen af te kloppen? Dank u wel.

Frank Vandenbroucke:

Geachte leden, we investeren zeer belangrijke sommen geld in de gezondheidszorg: volgend jaar 1,5 miljard euro extra. Het is belangrijk dat die investeringen goed terechtkomen, daar waar de noden echt zijn. Ze mogen zeker niet opgaan aan verspilling.

Als we het kraantje gewoon laten openstaan, loopt het water weg in de verkeerde richting. We moeten dus ingrijpen. Een zeer belangrijk probleem is dat we voor een echte explosie van de uitgaven voor geneesmiddelen staan. Dat mogen we niet laten gebeuren. Anders gaat een groot deel van het extra geld daarnaartoe en komt het niet terecht bij tandzorg of geestelijke gezondheidszorg. We zullen het dan ook niet kunnen aanwenden om te investeren in het zorgpersoneel.

We hebben in februari in de regering de afspraak gemaakt – die staat ook op papier – dat we een belangrijke inspanning zouden vragen aan de farmaceutische industrie. In de regering is afgesproken dat we onder meer aan de farmaceutische industrie zouden vragen om met voorstellen te komen om op een verstandige manier te besparen in dat budget, ten belope van 80 miljoen euro. Als er geen goede voorstellen komen, zullen we op een lineaire manier de prijzen die wij vanuit de sociale zekerheid aan de farmaceutische industrie betalen, verminderen. Dat is afgesproken in de regering.

Er is voortdurend uitvoerig overleg met de farmaceutische industrie. Die heeft voorstellen ingediend en de administratie van het RIZIV heeft het resultaat van het onderzoek daarvan meegedeeld aan het Verzekeringscomité. De voorstellen zijn echter ofwel absoluut niet wenselijk, omdat ze ertoe zullen leiden dat bepaalde geneesmiddelen van de markt zullen verdwijnen, ofwel niet uitvoerbaar op korte termijn. Daarom val ik terug op de afspraak die we samen gemaakt hebben. We kiezen daarmee voor een eenvoudige maatregel: de prijzen die we aan de farmaceutische industrie betalen, zullen overal een klein beetje verlaagd worden.

Dat is in verhouding tot een budget van 6,8 miljard euro volgend jaar. Dat is precies geen bijzonder grote inspanning.

Inderdaad, we moeten wel verder durven denken. We moeten af van een bepaald soort pillenverslaving. We zijn kampioenen in het gebruik van cholesterolremmers. Die worden veel te veel gebruikt. We zijn ook kampioenen in het gebruik van maagzuurremmers. Die worden ook veel te veel gebruikt. Al het geld dat wij betalen voor maagzuurremmers gaat niet naar de geestelijke gezondheidszorg, niet naar tandzorg en zal niet geïnvesteerd worden in het zorgpersoneel. Daar moet dus worden ingegrepen. Dat is de reden waarom we enerzijds tegen de artsen zeggen dat er meer moet worden gesproken over het voorschrijfgedrag. Anderzijds willen we ook een signaal geven aan de burger dat dat geld kost aan de samenleving. Om die reden herzien we ook categorieën van het remgeld. Ik heb daarbij geen taboes. Het is zoals de premier daarnet zei, ik kan dat letterlijk herhalen: ʺ Dit is een beleid zonder dogma’s en zonder taboes ʺ .

Bovendien is het belangrijk, vermits we inderdaad heel wat maatregelen moeten nemen en het gros van die maatregelen gericht zal zijn op het tegengaan van een explosie in het geneesmiddelenbudget, dat we de garantie hebben dat we daarin zullen slagen. Er is in de regering dus ook afgesproken dat de farmaceutische industrie in haar geheel een spijkerharde garantie moet geven. Als de maatregelen onvoldoende zijn en het afgesproken budget van 6,8 miljard euro overschreden wordt, dan zal de industrie dat tekort zelf helpen dekken met een heffing op haar omzet. Dat is inderdaad een inspanning, maar een inspanning die vermeden kan worden als de farmaceutische bedrijven zelf met creatieve en geloofwaardige voorstellen komen. Die hebben we tot nu toe nog niet gezien. Daarom zal ik het regeerakkoord en de afspraken in de regering stipt uitvoeren.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, overleg is nodig, maar overleg moet ook tot resultaten leiden.

Mevrouw De Knop, natuurlijk steunen wij onze farmaceutische industrie. In België krijgen patiënten goede zorgen, zelfs de beste zorgen, en daar draagt de farmaceutische sector toe bij. Het budget voor de terugbetaalde geneesmiddelen is de voorbije jaren met 2 miljard euro gestegen. Natuurlijk dragen wij daartoe bij. Om nader in te gaan op wat eerder is opgemerkt, wij geven ook innovatieondersteuning, heel veel zelfs, aan de farmaceutische industrie. Het gaat om honderden miljoenen euro voor innovatie.

Mevrouw De Knop, er is echter één groot verschil en ik ben blij dat dat hier duidelijk gemaakt is. Wij willen dat van de grote winsten een deel terugvloeit naar de bevolking om te investeren in de gezondheidszorg. Dat is solidariteit en de farmaceutische industrie weet dat ook. Zij is het daarmee eens. Daarover verschillen wij van mening. Wij zijn solidair, u bent dat niet.

Voorzitter:

Wellicht is het toeval, of niet, maar mevrouw De Knop heeft nu het woord.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

De conclusie is duidelijk en is iedere keer dezelfde. Deze week is de farmaceutische sector de boeman; de vorige weken waren het de artsen. Het is heel duidelijk, het model van uw partij is een model van afgunst.

U blijft de actoren in de gezondheidszorg beschouwen als vijanden in plaats van ze te zien als partners. Wij kunnen u dat evenwel niet kwalijk nemen, want dat is hoe u en uw partij naar de wereld kijken, namelijk de ondernemer aan zijn zwembad en de arts die fraudeert.

Eén zaak is duidelijk, namelijk dat de patiënt daar niet beter van wordt. In plaats van u te richten op politieke profilering, zou u beter een beleid voeren dat inzet op innovatie, dat ervoor zorgt dat de medicijnen beschikbaar blijven en dat België aan de top blijft op het vlak van klinische onderzoeken.

Dat komt de patiënt ten goede en daarom ben ík wel solidair.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, de uitdagingen zijn groot. Dat we de overconsumptie van medicijnen moeten aanpakken, daar zijn we het absoluut over eens. Dat we het budget in balans moeten proberen te houden, daarover zijn we het ook eens. Het is inderdaad de patiënt om wie het draait. Het gaat om die therapie, die toegang tot therapie, die toegang tot innovatie, maar ook die toegang tot generische geneesmiddelen die nu vaak ontbreken. We moeten ervoor zorgen dat de farmaceutische sector overeind blijft. Ook dat hebt u aangehaald. Als er dan voorstellen komen vanuit de sector, vind ik het essentieel dat we die gezamenlijk bekijken. Samen weten we altijd een beetje meer dan alleen. Als we daarover samen kunnen debatteren, kunnen we ook beslissingen nemen die er daadwerkelijk voor zorgen dat die toegankelijkheid behouden blijft en de betaalbaarheid voor de ganse maatschappij gegarandeerd is.

De pensioendiefstal
De pensioenhervorming
Het vervroegd pensioen en de gevolgen van perioden van langdurige ziekte en moederschapsrust
Financiële gevolgen van pensioenwijzigingen, -diefstal, vervroegd uittreden en loopbaanonderbrekingen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De pensioenhervorming met bonus-malussysteem stuit op felle kritiek omdat het kwetsbare groepen (langdurig zieken, laaggeschoolden, zorgverleners) onevenredig treft: zij riskeren tot 25% pensioenverlies door onvrijwillige loopbaanonderbrekingen (ziekte, mantelzorg), terwijl gelijkgestelde periodes (moederschapsverlof, palliatief verlof) pas onder druk werden meegerekend. Minister Jambon benadrukt dat de hervorming betaalbaarheid moet garanderen via een geleidelijke invoering (volledig effect pas over 15 jaar) en correcties voor ziekte, maar critici noemen de maatregelen onrechtvaardig (straffend voor wie vroeg startte in zware jobs) en intergenerationeel oneerlijk (jongeren betalen de rekening). De sociale onrust en desinformatie over de impact blijven groot, met een polarisatie tussen "noodzakelijke hervorming" (N-VA) en "elitaire strafmaatregel" (oppositie).

Kim De Witte:

"Moeten we bang zijn voor de pensioenmalus?" Dat is de cover van Knack van vandaag. Moeten we bang zijn voor de pensioenmalus, mijnheer de minister? Wat denkt u? U bent blijkbaar niet bang. Collega’s van de N-VA, moeten we bang zijn voor de pensioenmalus? U bent ook niet bang. Collega’s van Vooruit, moeten we bang zijn voor de pensioenmalus? U bent eveneens niet bang. Natuurlijk bent u niet bang, want hier blijven zitten tot 67 jaar is niet moeilijk. Ik begrijp dus dat u niet bang bent.

Veel mensen zijn echter terecht bang voor de pensioenmalus. Een op de twee vrouwen en een op de vier mannen zouden immers met die malus kunnen worden geconfronteerd. Ze zouden tot een vierde van hun pensioen kunnen verliezen. Dat is enorm. Ik begrijp dus dat veel mensen bang zijn.

Wij verzetten ons daarom vanaf dag één tegen die maatregel, omdat hij ingrijpend, onrechtvaardig en elitair is. Hij is onrechtvaardig en elitair omdat hij mensen die vroeg zijn begonnen te werken in een zwaar beroep straft, terwijl hij mensen die later begonnen te werken in een minder zwaar beroep beloont. Dat is niet aanvaardbaar.

Onder druk van de sociale beweging heeft uw regering al stappen achteruit gezet. Tijdelijke werkloosheid hebt u terecht uit de malus geschrapt. Dat is terecht, want mensen kunnen daarvoor niet kiezen. Ook kortstondige periodes van ziekte hebt u geschrapt. Het probleem blijft echter bestaan bij de ernstige periodes van ziekte. Het gaat dan over mensen met kanker, reuma of peesproblemen.

Mijnheer de minister, de ziektecorrectie die u wilt invoeren, is peanuts. Mensen die tot 67 jaar moeten werken, zouden dan slechts tot 66 jaar moeten werken. Zult u een echte ziektecorrectie invoeren en ziekte volledig gelijkstellen voor de berekening van de malus? Ik dank u.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, wij wachten met een visadempje op uw pensioenhervorming. U hervorming bevat een bonus-malussysteem dat pas binnen 15 jaar ten volle effect zal hebben. Dat betekent dat de huidige generatie gepensioneerden grotendeels wordt ontzien, terwijl de rekening wordt doorgeschoven naar de jongeren.

Daarnaast was er in uw eerste ontwerp de onaanvaardbare uitsluiting van moederschapsrust bij het vervroegd pensioen na een loopbaan van 42 jaar. Zo zouden vrouwen per kind bijna een volledig jaar langer moeten werken om recht te hebben op vervroegd pensioen. Pas na zware publieke druk lijkt u nu terug te krabbelen. U zou dit rechtzetten, en dat is meer dan terecht. Wat echter met gelijkgestelde periodes, zoals vaderschapsverlof, pleegverlof of mantelzorg?

Het rapport van het Rekenhof was bovendien ronduit vernietigend. De regering-De Wever zou de cijfers op orde zetten, maar niets is minder waar. Volgens het Rekenhof is uw hervorming zonder extra belastingen of uitzonderlijke maatregelen niet houdbaar, en dat terwijl de belastingdruk in België nu al tot de hoogste ter wereld behoort.

Mijnheer de minister, u noemt uw pensioenmalus een motiverende maatregel. Wat met langdurig zieken, mantelzorgers en ouders die zorgen voor hun gezin? Zult u in uw hervorming rekening houden met deze kwetsbare groepen?

Wanneer komt er duidelijkheid over het meetellen van alle gelijkgestelde periodes?

Hoe garandeert u dat deze hervorming echt intergenerationeel rechtvaardig is en geen lege doos, die de betaalbaarheid en de haalbaarheid van ons pensioensysteem ondermijnt?

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wat we vandaag doen, is ongezien; helaas geldt dat ook voor de pensioenuitgaven. We besteden jaarlijks 70 miljard euro aan pensioenen, waarvan 30 miljard euro telkens opnieuw moet worden bijgepast. Elk klein kind kan inzien dat dit op lange termijn onhoudbaar is. Als we willen dat wie elke dag hard werkt en veel belastingen betaalt, en wie na ons komt, later ook nog een pensioen heeft, moeten we nu hervormen.

Collega De Witte spreekt over angst. Ik heb dezelfde angst als we niet zouden hervormen. Indien we niet hervormen, weet ik niet of we later nog een pensioen zullen hebben. Wat we nu doen, is noodzakelijk en u doet dat op een redelijke manier. Ik hoor dat er veel vraagstukken zijn. Wat we vandaag doen, is zeer redelijk. We houden rekening met moederschapsrust. We houden ook rekening met palliatief verlof. Periodes van gewaarborgd loon worden gelijkgesteld met gewerkte dagen. Wie langdurig ziek is en pas op 66 jaar met pensioen gaat, zal geen euro verliezen ten opzichte van vandaag. Er is helaas dagelijks gigantisch veel desinformatie over een thema dat voor iedereen van groot belang is.

Mijnheer de minister, onze fractie heeft eigenlijk maar één vraag voor u: zet door met uw hervorming en doe dat op een redelijke manier, zoals u elke dag opnieuw doet. Er is immers een oorverdovende, stilzwijgende meerderheid die u elke dag opnieuw steunt.

Jan Jambon:

Beste collega's, mevrouw Samyn, u hebt gevraagd wanneer er eindelijk duidelijkheid zal worden geschapen. In het zomerakkoord hebben we de eerste lezing van de pensioenhervorming gedaan. De wettelijk verplichte sociale concertatie is momenteel bezig. Hierna gaat het dossier terug naar de regering voor een tweede lezing. Daarna moet het advies van de Raad van State worden ingewonnen. Vervolgens komt het dossier opnieuw naar de regering voor een derde lezing. Daarna zal het naar het Parlement worden gebracht. Dan zult u volledige inzage hebben, tot in alle details, en dan zullen we de pensioenhervorming in de commissie kunnen bespreken. We hebben al vaak over de pensioenhervorming gedebatteerd.

Mijnheer De Witte, ik stel vast dat N-VA-fractievoorzitter Ronse u op ManiFiesta niet heeft kunnen overtuigen, in tegenstelling tot collega De Wever, die bij de MR wel indruk heeft kunnen maken. Hij zal dus nog een tweede poging moeten ondernemen. Alle gekheid op een stokje, dit is een belangrijk onderwerp. Het gaat om de verhouding tussen langdurige ziekte en het bonus-malussysteem.

Het bonus-malussysteem heeft betrekking op mensen die minder lang werken dan de wettelijke pensioenleeftijd. Dat hoeft niet noodzakelijk 66 of straks 67 jaar te zijn. Mensen die 42 tot 44 jaar hebben gewerkt kunnen onder bepaalde voorwaarden vervroegd met pensioen blijven gaan. Wie nog vroeger met pensioen gaat, zal een deel van het pensioen moeten inleveren. Daarbij worden een heel aantal gelijkgestelde periodes in aanmerking genomen.

Wat de langdurig zieken betreft: omdat men minstens 35 jaar moet hebben gewerkt, is het bijvoorbeeld in het stelsel van 42 jaar mogelijk om op 60 jaar met pensioen te gaan, zelfs na een langdurige ziekte van zeven jaar. Dat vormt geen enkel probleem. Voor een langere ziekteperiode hebben we reeds een correctie ingevoerd: de periode die men langer moet werken, zal worden aangepast in functie van de duur van de ziekte. Dat is een van de basisprincipes van onze hervorming, de pensioenen in lijn brengen met de periode waarin men effectief heeft gewerkt. Daar gaat het over. We voeren dus die ziektecorrectie door.

Mevrouw Samyn, periodes van tijdelijke werkloosheid en alle zorgverloven, zoals moederschapsrust, ouderschapsverlof, palliatief verlof enzovoorts, worden in ons voorstel gelijkgesteld met gewerkte periodes, ook in het bonus-malussysteem. Dat betekent dat ook deeltijds werkende vrouwen of mannen die zorg hebben opgenomen voor hun kinderen of andere gezinsleden, zonder malus vervroegd met pensioen kunnen gaan. Dat geldt ook voor tijdelijke werkloosheid.

U sprak ook over het budgettaire plaatje. Ik heb dat eigenlijk niet zo goed begrepen, want de Vergrijzingscommissie heeft de pensioenhervorming die wij hebben voorgesteld, doorgerekend. Wat wij vooropgesteld hebben in het regeerakkoord, namelijk dat we met de pensioenhervorming nog tijdens deze legislatuur rond de 2,4 miljard euro zouden besparen, is bevestigd. Die delta loopt in de jaren na de legislatuur nog verder op. Met deze pensioenhervorming realiseren we dus twee zaken. We zorgen ervoor dat de pensioenen op de lange termijn betaalbaar blijven en we zorgen ervoor dat het budgettaire plaatje iets minder uitdagend is. Dat is werk voor de volgende weken.

Kim De Witte:

Mevrouw Demesmaeker, met één ding ben ik het eens: er is heel veel desinformatie over onze pensioenen.

Mijnheer de minister, u hebt nu net weer het voorbeeld gegeven. U zegt dat men 7 jaar ziek kan zijn.

Wel, ik geef een concreet voorbeeld van een poetsvrouw die 32 jaar voltijds en 10 jaar halftijds gewerkt heeft. In die 10 jaar was ze 8 keer 2 weken ziek. Wel, zij krijgt de malus. Ze is vier maanden ziek geweest: 8 keer 2 weken.

Jan Jambon:

Hoeveel langer moet ze werken om die malus te vermijden?

Kim De Witte:

Maar ze kan niet langer werken, dat is net het punt. Als men als poetsvrouw 32 jaar voltijds gewerkt heeft en daarna nog 10 jaar halftijds, dan is men opgewerkt. Dat is het punt. U zegt dat men dan nog 3 jaar verder moet werken om dat op te lossen, maar dat lukt niet.

Mensen kiezen er niet voor, mijnheer de minister, om ziek te zijn. Men kiest daar niet voor. Ik ben liever 5 jaar aan het werken dan 5 jaar aan het vechten tegen kanker. U bestraft mensen die ziek zijn. Onze sociale zekerheid moet hen beschermen.

Ellen Samyn:

In plaats van te motiveren, straft u af en raakt u bovendien aan het pensioen van de gewone Vlaming. Vlaanderen heeft met een werkzaamheidsgraad van 80 % nochtans geen pensioenprobleem. U weet waar het probleem ligt. Dat ligt al decennialang in Wallonië. De huidige asociale regering schuift niettemin de factuur door naar wie wel bijdraagt, namelijk naar de Vlaming.

Mijnheer de minister, dan is er nog de uitsluiting van moederschapsverlof in uw eerste ontwerp. Waar zat u met uw gedachten? Welke boodschap geeft u aan vrouwen die werk en gezin combineren? Krijgen zij de boodschap dat zij worden gestraft omdat zij kinderen krijgen? Moederschap is geen vakantie. Net als vaderschap, pleegzorg of mantelzorg betekent moederschap keiharde inzet met maatschappelijke waarde.

Het Vlaams Belang wil geen lege hervormingsdoos die jongeren en gezinnen treft, maar een rechtvaardig systeem dat inzet beloont en zorgzaamheid erkent. Stop met straffen en begin met waarderen.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Mijnheer De Witte, ik heb voor u nog een vraag, in verband met het voorbeeld dat u gaf. Ik stel me echter de volgende vraag. Stel dat mevrouw opnieuw kan gaan werken. Wat is er dan mis mee om haar opnieuw te laten gaan werken, als zij dat kan? Als zij dat niet kan, kan zij naar het RIZIV stappen en een uitkering krijgen. Dan blijft ze in ziekteverlof en zal na de leeftijd van 66 jaar met pensioen kunnen gaan en daarbij geen euro verliezen.

De aanpak van de schietpartijen en de geldstromen in het kader van de war on drugs
Het drugsgeweld in Brussel
Het drugsgeweld, de straffeloosheid en de draaideurcriminaliteit in Brussel
De inzet van gemengde patrouilles van militairen en politieagenten in Brussel
Het ‘Plan Grote Steden’
Maatschappelijke en veiligheidsmaatregelen tegen drugsgerelateerd geweld, straffeloosheid en criminaliteit in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De recordaantal schietincidenten en druggerelateerd geweld in Brussel en Antwerpen domineert de discussie, met kritiek op het falend federale beleid dat te eenzijdig inzet op zichtbare repressie (meer politie/militairen) zonder de financiële en logistieke kern van de drugscriminaliteit aan te pakken. Minister Quintin verdedigt zijn Plan Grote Steden (extra onderzoekers, camera’s, ANPR-koppeling, BELFI-acties) en belooft snelle inzet van militairen in hotspots, maar oppositie en magistratuur wijzen op gebrek aan concrete resultaten, coördinatiechaos (ontbrekende taskforce, trage justitiehervormingen) en structurele tekorten (vacatures, gebrek aan gespecialiseerde eenheden). De roep om een integrale aanpak—van witwassen en drugsgeld tot gevangenisnetwerken—blijft onbeantwoord, terwijl de symbolische inzet van militairen als zwaktebod wordt afgedaan.

François De Smet:

Monsieur le ministre, cet été fut sans doute le pire été de fusillades de notre histoire récente; avec des victimes, des quartiers dans la peur, des balles perdues qui, un jour ou l'autre, vont aussi toucher des innocents.

À tel point que Julien Moinil, notre procureur du Roi de Bruxelles, a convoqué en urgence une conférence de presse pour réveiller et fustiger le monde politique, tous niveaux confondus – soyons honnêtes – mais en pointant d'abord du doigt le fédéral, et en soulignant à quel point le fédéral ne lui donne pas assez de moyens pour agir.

Le message de ce gouvernement en la matière est connu. Il est exclusivement et surtout sécuritaire, karcher, binaire, un peu MR. Il consiste surtout à essayer de mettre du bleu ou du kaki dans les rues.

Faisons pourtant le constat ensemble, un constat que j'invite à faire: oui, on arrête de plus en plus de personnes. On a arrêté plus de 7 000 personnes dans les rues récemment. Pourtant, les fusillades continuent. Pourquoi? Parce que les petits dealers que nous arrêtons sont de la chair à canon. Parfois nous n'avons pas la place pour les contenir et nous devons les relâcher; parfois nous les gardons. Dans tous les cas, ils sont remplacés extrêmement rapidement, parce que la machine qui se trouve derrière eux a une puissance financière et corruptive extraordinaire et les remplace du jour au lendemain.

Tant que vous ne frapperez pas les têtes, tant qu'on ne frappera pas les portefeuilles, nous allons remplir simplement le tonneau des Danaïdes. Je n'ai aucun plaisir à le dire. Vous avez de l'ambition pour nettoyer les rues, mais je ne vois pas l'ambition dans votre gouvernement pour s'attaquer réellement à la criminalité financière et au blanchiment d'argent.

Nous avons proposé un parquet national financier. On nous a dit non, alors qu'en France cela marche et ça rapporte des milliards. Nous avons proposé un secrétariat d'État à la lutte contre la criminalité financière. Cela marche ailleurs, mais on nous a dit non également.

Je ne dis pas que vous ne faites rien, mais nous ne gagnerons pas cette guerre avec juste du bleu ou du kaki dans les rues. Nous la gagnerons quand les gains de la cocaïne seront anéantis, et là-dessus nous ne voyons rien. Je vous remercie.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, 63 schietpartijen, 7 doden en 28 gewonden. Brussel staat momenteel in de top drie van hoofdsteden met de meeste schietincidenten. Dan heb ik het nog niet over de granaten in Antwerpen.

Het gaat echter over wijken waar mensen wonen, pleinen waar zelfstandigen winkels uitbaten en parken waar kinderen spelen. Het gaat over straten waar mensen wonen, leven en werken. Het lijkt alsof we het geweld in onze hoofdstad en in Antwerpen allemaal normaal zijn beginnen te vinden.

Mijnheer de minister, ik stel vast dat u regelmatig op het terrein gaat en dat is uiteraard goed. Ik hoor en zie evenwel vooral veel aankondigingen van u, van uw collega's Francken en Verlinden en ook van de premier. Dagelijks lees ik nieuwe aankondigingen in de pers. Tezelfdertijd zegt de procureur van Brussel echter dat er naar hem geluisterd wordt, maar dat hij niets krijgt. Dat vind ik hemeltergend.

Daarom vraag ik u vandaag geen nieuwe aankondigingen. Ik vraag u vandaag alleen een engagement en een concrete timing. Wanneer zult u uitvoeren wat u hebt beloofd? Wanneer komen de extra handen en ogen er? Wanneer wordt het camerasysteem in Brussel op punt gesteld? Wanneer zult u samen met uw collega Verlinden actie ondernemen, zodat drugsnetwerken niet langer vanuit de gevangenis aangestuurd worden? Wanneer komen de drugsbehandelingskamers er? Er wordt ook veel gesproken over samenwerking, maar wanneer komt die taskforce er? De premier heeft met veel bombarie aangekondigd dat er een taskforce zou komen die alles zou oplossen, maar sindsdien heb ik niets meer van die taskforce gehoord. Kortom, wanneer krijgen de mensen hun straten, pleinen en parken terug? Dank u wel.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de uitlatingen van de korpschef van de zone Brussel HOOFDSTAD Elsene, Michel Goovaerts, die bij u goed bekend is en die aan de alarmbel heeft getrokken omwille van de situatie in Brussel: een toenemende drugsplaag, gepaard met drugsgeweld. Ik citeer hem, mijnheer de minister: "Een dosis coke vind je al voor vijf euro. Vijf euro, dan is het geen product meer voor de happy few. Dat is de Colruytmethode: massaal en goedkoop". Een volgend citaat: "Het is vandaag veel makkelijker om via sociale media een wapen te kopen. Vroeger moest je iemand kennen in het milieu. Nu volstaat een berichtje."

Het zijn citaten, mijnheer de minister, die wij niet zomaar naast ons neer kunnen leggen. We moeten vaststellen dat steeds meer jongeren, soms al van 12, 13 jaar oud, in de criminaliteit belanden. Ook de feiten van geweld spreken voor zich. Op 12 augustus stond de teller al op 57 schietincidenten in 2025, waarvan meer dan 60 % gelinkt is aan de criminaliteit. Illegalen die misdrijven plegen, komen steevast vrij. Die groep maakt een steeds groter deel uit van de gevangenispopulatie. Op die manier is het dweilen met de kraan open voor onze politiediensten.

Mijnheer de minister, hoe zit het met die taskforce van de premier? Waar zijn de resultaten? Waar zijn de oplossingen? Is deze regering eigenlijk nog geïnteresseerd in de binnenlandse veiligheid, in plaats van nu al maandenlang te palaveren over buitenlandse veiligheid?

Maaike De Vreese:

Minister, het is geen goed teken als men militairen moet inzetten op straat. Het doet mij terugdenken aan de periode na de verschrikkelijke aanslagen. Het wil zeggen dat de situatie ernstig is, dat ze niet onder controle is. Men doet dit immers niet voor zijn plezier, omdat men het leuk vindt, maar wel omdat de noodzaak er is in een zeer kritieke situatie.

De rampzalige veiligheidssituatie in Brussel is het gevolg van jarenlang malgoverno door de PS. Die burgemeesters steken nu nog altijd de kop in het zand. De sense of urgency om een Brusselse regering te vormen is er nog altijd niet. We need to take back control. Daarvoor zijn hervormingen zeer belangrijk, waaronder vooreerst de eenmaking van de Brusselse politiezones, extra cameranetwerken, de activering van het Kanaalplan en uw Plan Grote Steden en de inzet van specifieke politieteams. De federale politie moet hervormen. Blauw moet meer op straat.

Defensie staat klaar met een juridisch kader dat ervoor zorgt dat militairen op straat effectief kunnen optreden. Wat veel te vaak ontbreekt – ik wil dat nogmaals aanhalen – is de verantwoordelijkheid van de drugsgebruiker. Aan elk lijntje en aan elke pil kleeft bloed. Er zijn al veel te veel doden gevallen. Minister, ik hoop dat u blijft wijzen op die verantwoordelijkheid. U hebt onze volledige steun in de strijd tegen de drugscriminaliteit.

Hoever staat u met de uitwerking van uw grote plan?

Paul Van Tigchelt:

De problemen zijn u bekend, mijnheer de minister, want u gaat regelmatig op het terrein en dat siert u. U toont zo uw betrokkenheid. U weet ook dat het geen gemakkelijke strijd is. Een mirakeloplossing bestaat niet. Ik weet wel en u weet ook dat we een overheid nodig hebben die kort op de bal speelt. De drugsmaffia past zich aan, de overheid moet zich ook constant aanpassen. Op dat vlak is het inderdaad zo, mijnheer de minister, dat we wachten op concrete maatregelen. Daarvan is hier al melding gemaakt.

Ik kan u geruststellen, collega Vandemaele, de taskforce georganiseerde criminaliteit bestaat en komt samen, maar heeft nog geen resultaten, geen concrete maatregelen opgeleverd. Ik zeg dat niet, maar de procureur van Brussel en andere actoren op het terrein.

Een tweede voorbeeld. In het regeerakkoord is er sprake van een structurele versterking op korte termijn van de federale gerechtelijke politie van Brussel en Antwerpen. Ik heb daar de voorbije maanden regelmatig vragen over gesteld, maar daar is geen sprake meer van.

Een derde voorbeeld. De minister van Justitie – want u staat er niet alleen voor, mijnheer de minister – heeft deze zomer tweemaal verklaringen afgelegd in de pers. De eerste verklaring was dat zij een taskforce strafuitvoering heeft opgericht, die met aanbevelingen zal komen in 2028. Dat was de eerste aankondiging. De tweede aankondiging van de minister was dat zij 1 miljard euro extra nodig heeft.

Er zijn dus geen concrete hervormingen, geen concrete maatregelen. Daar wachten we nog op. Misschien moet u ook eens spreken met de premier. Hij was de burgemeester van Antwerpen. In Antwerpen zijn snelleresponsteams, quick response forces , opgericht. Dat zijn teams van hypergespecialiseerde politieagenten. Die agenten zijn zinvoller dan militairen, want die militairen zijn volgens mij een zwaktebod, een teken van onmacht, los van de discussie wanneer en met welk mandaat ze zouden worden ingezet.

Welke concrete maatregelen zult u nemen? Wat is er afgesproken binnen de Nationale Veiligheidsraad?

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, l'été à Bruxelles, mais pas seulement à Bruxelles, a été difficile. Plus de 20 fusillades ont été à déplorer, dont certaines en plein jour, ce qui est une évolution remarquable, au sens premier du terme. J'ai tenu à me rendre auprès des habitants des quartiers concernés, pour les écouter, d'abord; pour leur garantir le plein soutien et l'engagement de ce gouvernement aussi. Car oui, ce gouvernement agit – we werken – pour les Bruxellois, les Bruxelloises et pour l'ensemble des Belges.

C'est la raison pour laquelle j'ai, depuis sept mois, déployé un large arsenal de mesures destinées à lutter contre le narcotrafic dans notre pays. Je pense tout d'abord au renforcement constant de la police judiciaire fédérale (PJF), singulièrement à Bruxelles, qui se poursuit en deux temps. Au travers d'abord d'un renforcement temporaire direct de 31 enquêteurs pour parer à l'urgence de la situation et répondre directement aux demandes légitimes du procureur du Roi, auquel on fait dire beaucoup de choses, mais avec lequel je suis en contact permanent. Mais aussi via un renforcement structurel, puisqu'aux 720 membres du personnel actuel de la PJF Bruxelles s'ajouteront 40 nouveaux enquêteurs d'ici fin novembre.

Il y a actuellement encore 30 postes vacants. Le recrutement des forces de police n'est pas une difficulté qu'à Bruxelles. Celle-ci se pose dans tout le pays et, non, ça n'est pas une question de moyens financiers, c'est une question de choix politiques. Et je pense avoir démontré ces sept derniers mois que mes choix politiques en la matière sont clairs. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, j'aimerais bien avoir une imprimante 3D et, chaque fois qu'on me demande des policiers, appuyer pour en avoir 50 par-ci, 100 par-là, 60 par-là. Si quelqu'un a cette machine, de grâce, prêtez-la moi!

Mais, en attendant qu'elle soit créée, nous devons renforcer l'attractivité du métier. C'est la raison pour laquelle je tiendrai un conclave dédié à la question en novembre, qui débouchera sur des décisions à court, moyen et long termes pour pouvoir recruter plus rapidement.

Mijnheer Vandemaele, mijnheer Depoortere, ik maak ook 20 miljoen euro vrij voor de installatie van camera's. Hiermee zullen we de lokale en de gerechtelijke overheden ondersteunen om nieuwe camera's te plaatsen op alle plekken waar dat nodig is.

Zoals u weet, zijn we al gestart met de koppeling van alle ANPR-camera's in het hele land aan één enkel systeem, zelfs in West-Vlaanderen. We hebben ook de 8.000 camera's van de NMBS toegankelijk gemaakt voor alle ordediensten, federaal en lokaal.

Ik denk ook aan de grootschalige controleacties die door de federale overheid worden uitgevoerd in samenwerking met de lokale politie, de zogenaamde FIPA-acties, en tot slot aan de zogenaamde BELFI-acties in de strijd tegen louche handelszaken die dienen als dekmantel voor witwaspraktijken, le blanchissement .

Met deze maatregelen van mijn Plan Grote Steden willen we de strijd tegen drugscriminelen en georganiseerde criminaliteit in onze steden opvoeren. Het zijn geen ballonnetjes, zoals gezegd wordt, maar concrete maatregelen waar we met de verschillende niveaus samen aan zullen werken. Dat is de enige manier om de oorlog tegen de drugshandel te winnen, du producteur au consommateur .

Mevrouw De Vreese, mijnheer Van Tigchelt, jullie vragen me naar de inzet van militairen in onze straten. Samen met de minister van Defensie werken we aan de inzet van politie en militairen samen in bepaalde hotspotzones van Brussel en elders in het land indien dat nodig zou zijn. Mijn bedoeling is dat dit zo snel mogelijk kan gebeuren, want de situatie in onze hoofdstad laat geen uitstel toe.

Ik heb gisteren nog overlegd met collega Francken om de modaliteiten van deze gemengde patrouilles vast te leggen.

Enfin, monsieur De Smet, d'abord vous ne m’aurez jamais entendu prononcer le nom d'une quelconque marque de machine à eau sous pression, mais vous m'interrogez sur la lutte contre le blanchiment d'argent et la nécessité d'attaquer les trafiquants au niveau du portefeuille.

L'intention du gouvernement est claire. À travers l'approche Follow the Value , nous voulons réinvestir les produits financiers captés dans la lutte contre le trafic de drogue au service de la sécurité de nos concitoyens. Ce travail avance à un rythme soutenu, en étroite collaboration avec le Commissariat national "drogues". Nous aurons donc l'occasion d'évoquer cela à nouveau en commission dans les prochaines semaines.

Il existe deux éléments supplémentaires. Concernant le parquet financier, je voudrais quand même signaler qu'il n'y a pas d'unanimité au sein du pouvoir judiciaire, entre autres chez les procureurs généraux, pour penser que c'est une bonne idée. Je ne dis pas qu'il ne faut pas renforcer la lutte contre cela, mais il ne faut pas non plus faire dire aux magistrats ce qu'ils ne disent pas forcément.

Et le deuxième élément dont je voulais parler, je pense que je l'ai oublié, mais je profite des dix dernières secondes pour dire que chaque mesure se trouve dans un ensemble. Je dis souvent qu'on prend une mesure, on la sort du contexte et on l’analyse pour dire que ce n'est pas suffisant. Je peux faire la même chose, mais moi je travaille à l'ensemble des mesures pour lutter contre le crime organisé.

Voorzitter:

Wie witwast, wast wit. Het is inderdaad geen evidentie.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

Vous annoncez beaucoup de mesures, même si toutes ne dépendent pas de vous. Plusieurs collègues vous ont interrogé au sujet de la fameuse task force annoncée par le premier ministre. Vous n’avez rien dit à ce sujet. Pour éviter que des efforts ne soient gaspillés de part et d'autre, il serait judicieux que le gouvernement agisse en ce domaine.

Je me réjouis de l'annonce relative aux 31 enquêteurs, mais vous savez comme moi que cela ne suffira pas à remplir le cadre. C'est pourquoi M. Moinil s'en émeut. En tout cas, c'est un début. J'insiste pour que ces policiers soient spécialisés.

À défaut de parquet financier, j'insiste aussi sur la nécessité de renforcer des services qui se trouvent déjà à votre disposition. Je pense ainsi à l'Office central de lutte contre la délinquance économique et financière (OCDEFO), qui réclame notamment de l'aide dans son expertise numérique afin de suivre l'argent là où il se trouve.

Enfin, s'agissant de l'armée dans les rues, nous voyons bien que cela relève d'une communication en mode "football panique". Vous allez déployer du kaki, alors que ces gens vont être obligés d'appeler la police. Cette disposition vise à rassurer la population et à produire de la communication, mais ce n'est pas cela qui empêchera certains de se tirer dessus à coup de Kalachnikov.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U bent gaan luisteren, ook in de buurten. Dat wordt erg geapprecieerd. Dat was een belangrijk signaal van uw kant.

U merkt zelf op dat bij de maatregelen alles aan elkaar vasthangt. Wij mogen er niet één maatregel uithalen. Dat klopt.

Onze minister van Justitie zal echt wel een tandje moeten bijsteken om samen met u tot oplossingen te komen. Ik had gehoopt dat de taskforce dé plaats zou zijn waar de premier dergelijke zaken zou coördineren. Daarover heb ik in uw antwoord echter weinig gehoord.

Ik haal een aantal elementen uit uw antwoord, onder meer de inzet van militairen. Als de minister van Binnenlandse Zaken militairen op straat inzet, betekent dat het failliet van uw beleid. Er bestaat geen mooier signaal om duidelijk te maken dat u het opgeeft.

Binnenlandse veiligheid behoort altijd te worden verzekerd door politiemensen. Daarom moeten wij vermijden dat onopgeleide personen zonder kader op straat worden ingezet. Zij hebben daar trouwens ook niet voor gekozen. Dat is de foute weg.

Geef de straten en pleinen terug aan de Brusselaars en aan de Antwerpenaren.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, collega's, gelooft nog iemand de huidige regering?

Ik zal u een aantal maatregelen van het Vlaams Belang meegeven waardoor de regering wat geloofwaardigheid kan winnen. Ten eerste, richt gespecialiseerde eenheden op binnen de politie en richt een drugsagentschap op. Ten tweede, benut het crimineel drugsgeld en herinvesteer dat in handhaving. Richt daarvoor een drugsfonds op. Ten derde, voer de razzia's tegen drugsbendes op. Jaag die bendes op en maak hen het dealen onmogelijk. Ten vierde, zet de criminele illegalen uit ons land. De enige draaideur die zij zouden moeten kennen, is de draaideur op de luchthaven van Zaventem.

Mijnheer de minister, met andere woorden, het is tijd om recht en orde te herstellen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, dit zal inderdaad met een algemeen plan moeten gebeuren, met mensen die ter plaatse actief zijn om de drugsproblematiek aan te pakken. Ik bedoel voornamelijk meer blauw op straat en u weet dat u daarvoor ook heel wat capaciteit moet vrijmaken. Ik weet dat dit enorme inspanningen vergt van de federale politie, maar zij moeten daar zelf toe in staat zijn. Als we militairen inzetten op het terrein en als zij een meerwaarde moeten betekenen, moeten zij ook een juridisch kader hebben waarbinnen zij kunnen optreden. We zeggen van de politie dat zij geen sitting ducks mogen zijn, maar dat geldt zeker ook voor onze militairen.

Mijnheer de minister, u komt vaak op het terrein. U verwees even naar West-Vlaanderen alsof het de Far West was. Ook daar kampen we echter met drugscriminaliteit. Ik nodig u uit om op bezoek te komen. Ik ben er zeker van dat onze sheriff, gouverneur Decaluwé, u met veel plezier zal ontvangen.

Voorzitter: Eric Thiébaut.

Président: Eric Thiébaut.

Paul Van Tigchelt:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw concrete antwoorden. De vraag die hier vandaag rijst, is of we genoeg doen. Kan het beter, kan er meer? Ja, dat kan. We moeten een tandje bijsteken. We kunnen beter. Ik wil u alleen nog waarschuwen: wees voorzichtig met het uitbesteden van veiligheid. Veiligheid is immers een kerntaak van de overheid. Besteed die niet uit aan het leger en ook zeker niet aan de vrouwen zelf. Collega Beenders, ik heb uw voorstel gehoord om vrouwen uit te rusten met pepperspray. Het is echter de overheid die zorgt voor de veiligheid. Pas tot slot ook alstublieft op met uw wetsontwerp waarmee u het mogelijk wil maken dat de regering groeperingen buiten de wet stelt. Ik vraag u dat als liberalen onder elkaar. Gooi de Grondwet niet in de vuilbak. Artikel 27 van de Grondwet, de vrijheid van vereniging, is heilig. Het is niet aan de regering om zulke maatregelen te nemen. Alstublieft, stop daarmee en trek dat wetsontwerp in.

Het toekennen van de nodige middelen aan de OCMW's
De impact van de uitstroom van langdurig werklozen op de werking van de OCMW’s
Financiële en operationele uitdagingen voor OCMW's door middentoewijzing en werklozenuitstroom

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 18 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van werkloosheidsuitkeringen (met overstap naar leefloon vanaf 2026) dreigt OCMW’s te overbelasten door een toestroom aan aanvragen, gebrek aan personeel, infrastructuur en middelen, en risico’s op vertragingen (burgers zonder inkomen) en veiligheidsproblemen voor maatschappelijk werkers. Minister Van Bossuyt belooft 300+ miljoen euro compensatie (2026-2029), 26 miljoen extra in 2024, vereenvoudigde aanwerving en samenwerking met VVSG, maar critici (o.a. Samyn) wijzen op acute onvoorbereidheid en eisen tijdelijke oplossingen (voorschot leefloon) en veiligheidsmaatregelen. Kernpunt: Financiële steun is toegezegd, maar uitvoering en veiligheid blijven kritieke knelpunten.

Aurore Tourneur:

Madame la ministre, grâce à l'action de notre vice-premier ministre, Les Engagés ont obtenu que la réforme des allocations de chômage soit indissociablement liée à un soutien massif du fédéral aux CPAS. Pour nous, c'était une condition essentielle. La solidarité ne peut pas être décrétée sans être financée et il aurait été irresponsable de demander davantage aux CPAS sans leur donner les moyens d'y parvenir.

Car vous le savez, dès janvier 2026, une frange importante de nos concitoyens basculera du chômage vers le revenu d'intégration sociale. Derrière ces chiffres, il y a des parcours de vie, des familles monoparentales, des jeunes parfois sans diplôme, des personnes fragilisées qui devront être accompagnées dans la dignité et orientées vers l'insertion. Et ce défi, ce sont nos CPAS qui les porteront en première ligne au quotidien.

Or, dans le même temps, la Fédération des CPAS nous alerte sur un double risque. D'un côté, le manque d'attractivité et la surcharge de travail des assistants sociaux et de l'autre, le manque criant de moyens matériels et structurels pour mener à bien leur mission. Nous vous savons, madame la ministre, attentive à ces signaux et motivée à trouver des solutions, mais il y a urgence. Il n'appartient pas aux communes d'assumer seules, en infrastructure et en matériel, le poids de notre aide sociale.

Madame la ministre, dans le cadre du prochain Conseil des ministres consacré à cela, un soutien flexible et ouvert pourrait-il être mobilisé, non seulement pour du personnel mais aussi pour du matériel et de l'infrastructure? Quand allez-vous améliorer durablement l'attractivité du métier d'assistant social, pilier de notre état social actif?

Vandaag staat niet enkel het beheer van de OCMW’s op het spel. Een instabiel OCMW betekent immers dat de fundamenten van onze solidariteit zelf onder druk staan. Dank u bij voorbaat voor uw antwoorden.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, vanaf 1 januari verliezen duizenden langdurig werklozen hun recht op een werkloosheidsuitkering. Velen onder hen zullen zich vervolgens tot het OCMW wenden om een leefloon aan te vragen.

Sociale partners en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten waarschuwen voor de praktische gevolgen. In grote steden zoals Antwerpen en Gent gaat het om honderden bijkomende aanvragen tegelijk. Omdat een leefloon enkel na een sociaal onderzoek, inclusief huisbezoek, kan worden toegekend, dreigt de behandeling weken of zelfs maanden te duren. Dat betekent dat burgers in de praktijk tijdelijk zonder bestaansmiddelen zouden vallen.

De VVSG benadrukt dat het een erezaak is voor lokale besturen om beslissingen binnen de wettelijke termijn van 30 dagen te nemen, maar dat dit alleen lukt als ze tijdig worden versterkt met personeel en opleiding. Zonder bijkomende middelen dreigt het systeem vast te lopen, met nefaste gevolgen voor zowel de maatschappelijk werkers als de betrokken leefloonaanvragers.

Mevrouw de minister, welke maatregelen hebt u reeds genomen of gepland om OCMW’s voor te bereiden op deze toestroom? Zijn er afspraken over financiering en personeelsversterking, zodat besturen ook effectief voor 1 januari extra krachten kunnen aanwerven en opleiden? Overweegt u bijvoorbeeld een tijdelijke oplossing, zodat de voorlopige toekenning van een leefloon kan worden voorzien om te vermijden dat mensen tijdens de wachttijd zonder inkomen vallen? Zal er ook op korte termijn overleg plaatsvinden met de VVSG, de sociale partners en de betrokken steden en gemeenten om de uitvoeringsproblemen op te vangen?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Tourneur en mevrouw Samyn, onze OCMW-medewerkers zetten zich elke dag in voor het welzijn van anderen. Hun werk verdient absoluut onze steun.

Dans le cadre de la réforme visant à limiter la durée de l'allocation de chômage, le gouvernement fédéral a décidé de mettre en place un mécanisme de compensation pour les CPAS. Nous ne les laissons pas tomber. Au contraire, nous les renforçons afin qu'ils puissent continuer à remplir leur mission sociale de manière qualitative.

Un budget de compensation est prévu cette législature. Il s'élève à 300 millions d'euros en 2026 et 2027, 302,3 millions en 2028 et 342,6 millions en 2029. La compensation débutera en 2026 à 100 % et sera encore augmentée, notamment en multipliant par deux les frais de dossier.

Les CPAS bénéficieront également d'un soutien supplémentaire via le projet individualisé d’intégration sociale (PIIS), un contrat de coopération entre le bénéficiaire du revenu d'intégration et le CPAS, comprenant des engagements concrets permettant de se rapprocher d'un emploi et d'une intégration sociale pleine et entière.

Mevrouw Samyn, nog dit jaar zal er 26 miljoen euro supplementair naar de OCMW's gaan.

Les CPAS pourront utiliser ce budget pour renforcer leurs services.

Nous facilitons également l'entrée de nouveaux collaborateurs, puisque vous avez parlé de la lourdeur administrative, en offrant aux Régions la possibilité d'identifier elles-mêmes les diplômes qui donnent accès à un emploi au sein d'un CPAS. Aujourd'hui encore, les assistants sociaux traitent trop souvent des dossiers qui ne relèvent pas de leurs missions essentielles, comme l'avance sur les allocations de chômage et de maladie. Cet aspect est également en cours d'examen.

Mevrouw Samyn, mijn kabinet staat regelmatig in contact met het werkveld. U vernoemde de VVSG en de OCMW’s. Met hen staan wij regelmatig in contact. Dat kan ik u verzekeren.

Wie een brief krijgt van de RVA met de boodschap dat zijn of haar werkloosheidsuitkering wordt stopgezet, behoort zich in eerste instantie te wenden tot de VDAB, Forem of Actiris om te zoeken naar werk.

Laat me heel duidelijk zijn, het verlies van een werkloosheidsuitkering geeft natuurlijk niet automatisch recht op een leefloon. De voorwaarden voor een leefloon zijn veel strenger dan de voorwaarden voor een werkloosheidsuitkering. Wie kan werken, moet de stap naar werk ook effectief zetten. Werken is geen straf. Sommigen denken dat, maar werken is absoluut geen straf. Werken is een kans om zich te ontplooien en zelfredzaam te worden. Dat is het beleid waar deze regering voor staat.

Aurore Tourneur:

Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et vos éclaircissements mais si nous voulons réussir la réinsertion et l'activation des milliers de bénéficiaires sur notre marché de l'emploi, nos CPAS devront être pleinement soutenus.

Cela suppose non seulement du personnel – comme vous l'avez bien stipulé – mais également des moyens matériels, des infrastructures et des outils modernes pour accompagner dignement chaque parcours.

De uitdaging is eenvoudig: de OCMW's moeten de concrete middelen hebben om hun taken te kunnen vervullen.

Madame la ministre, Les Engagés seront à votre côté. Vous pourrez compter sur nous.

Ellen Samyn:

Medio september zijn we slechts enkele maanden verwijderd van de invoering en toch bestaat er nog steeds zeer grote onduidelijkheid. Hoe kan dat, mevrouw de minister? De VVSG en de OCMW's lieten gisteren nog weten niet klaar te zijn voor de extra instroom. Zonder bijkomende middelen en personeel dreigt de behandeling van leefloonaanvragen te vertragen, met het risico dat burgers tijdelijk zonder inkomen vallen. Dat is niet alleen zorgwekkend, maar ook vermijdbaar.

De extra werkdruk en lange wachtrijen zorgen er bovendien voor dat maatschappelijk werkers vrezen voor hun veiligheid. We hebben gezien wat er in Gent is gebeurd. Zult u voorzien in veiligheidspersoneel om onze hulpverleners te beschermen tegen agressieve cliënten? Werk zeker samen met steden en gemeenten, zorg voor tijdelijke versterking en voor duidelijkheid. Garandeer dat niemand zonder bestaansmiddelen komt te zitten en dat de veiligheid van onze OCMW-medewerkers verzekerd is.

Voorzitter:

Einde van de mondelinge vragen.

De vaststelling dat het regeringsbeleid de criminele drugsbendes in Brussel in de kaart speelt

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele (Ecolo-Groen) wijst op het groeiende probleem van illegale migranten in Brussel die als goedkope arbeidskrachten voor drugsbendes fungeren en vraagt minister Van Bossuyt (Asiel & Migratie) hoe ze dit reservoir aan illegale arbeid wil indammen en effectieve terugkeer kan afdwingen. Van Bossuyt antwoordt dat haar regering opvang weigert aan wie al elders in de EU bescherming kreeg of een afgewezen aanvraag heeft, meer inzet op gedwongen terugkeer via gesloten centra en escorteurs, en conditionaliteit in buitenlandse relaties hanteert, maar wijst ook naar Brusselse beleidsfouten en ngo’s die illegaal verblijf zou aanmoedigen. Vandemaele ontkent dat ngo’s dit doen en eist concrete oplossingen in plaats van schuldverdelende retoriek, met name voor de handhaving van vertrekbevelen en samenwerking met Brussel.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de voorzitter, de oorspronkelijke titel van mijn vraag was nog straffer. Ik had u die graag laten voorlezen, maar de diensten hebben de titel enigszins afgezwakt.

Ik vertrek vanuit de vaststelling van de procureur van Brussel, die erop wijst dat het feit dat er zoveel mensen zonder papieren in onze hoofdstad verblijven, ervoor zorgt dat criminele drugsbendes over goedkope arbeidskrachten kunnen beschikken. Dat is een vaststelling van de procureur.

Ik wil daarbij ook benadrukken, mevrouw de minister, dat dat niet uw verantwoordelijkheid is. U hebt er niet voor gezorgd dat die mensen hier verblijven. Ik kan u dat absoluut niet aanwrijven. De vraag is alleen hoe we dat probleem kunnen aanpakken.

In onze hoofdstad worden we geconfronteerd met mensen die voor een appel en een ei criminele activiteiten uitvoeren, als waren het goedkope arbeidskrachten, en die zo de veiligheid van onze burgers in ons land bedreigen. U hebt een sleutelpositie, aangezien u verantwoordelijk bent voor Asiel en Migratie.

Mijn vraag is dus niet bedoeld als vingerwijzing, ik wil vooral informeren hoe we dat probleem zullen oplossen. Wat zullen we doen om ervoor te zorgen dat het reservoir aan goedkope arbeidskrachten opdroogt en niet verder wordt aangevuld? Mijn aanvoelen is – en dat is wel een kritiek – dat we wellicht nog meer mensen de straat op zullen jagen. Dat hebben we daarnet al besproken. Op die manier raken we nog verder van huis.

Mijn vraag is dus heel eenvoudig, mevrouw de minister. Wat zult u doen vanuit uw rol om ervoor te zorgen dat er niet nog meer goedkope arbeidskrachten in Brussel beschikbaar zijn voor vuil drugsgeweld? Hoe zullen we ervoor zorgen dat mensen die het bevel krijgen om ons land te verlaten, dat ook daadwerkelijk doen? Het is volstaat immers niet om een briefje af te geven met de boodschap dat men het land moet verlaten. We moeten ervoor zorgen dat die personen ook effectief vertrekken.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vandemaele, u zei dat u niet aan vingerwijzing wilt doen, maar misschien moet ik u eraan herinneren welke partij er in de Brusselse regering zetelt en maar al te graag naar de federale regering wijst. Dat is inderdaad uw partij, Ecolo-Groen, en die doet dat maar al te graag. Het is bovendien zo dat de huidige federale regering de chaos moet oplossen van uw vorige regering. Zoals ik al zei tijdens het actuadebat, heeft Vivaldi nagelaten verstrengingen door te voeren, omdat elke poging daartoe door uw partij werd geblokkeerd. U kunt en u mag absoluut veel van onze ploeg verwachten, maar denk alstublieft niet dat wij een-twee-drie kunnen rechttrekken wat jarenlang is scheefgegroeid. Dat betekent uiteraard niet dat we bij de pakken blijven zitten, integendeel.

Op uw eerste vraag ben ik al ingegaan tijdens het actuadebat. Wie al bescherming of een afgewezen asielaanvraag heeft in een andere lidstaat en de bewuste keuze maakt om toch naar België door te reizen, zal geen opvang meer krijgen. Ook wie dat op illegale wijze doet, maakt bewust die keuze. We zijn daar zeer duidelijk in: die mensen moeten terugkeren. Het is in de eerste plaats aan de betrokkenen zelf om het land te verlaten.

Ik vraag me af, mijnheer Vandemaele, of die mensen die boodschap wel krijgen van de ngo’s waarnaar u verwijst. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Ik vind het onmenselijk dat ngo’s niet zelf durven te zeggen dat men eigenlijk moet terugkeren en hoe dat moet gebeuren. Ik hoor vaak dat ze de omgekeerde boodschap geven en de betrokkenen adviseren over wat ze kunnen proberen om hier langer te blijven, weliswaar op een illegale wijze, want er is geen legale manier om hier te blijven. Vaak kiezen de betrokkenen dus voor een illegaal verblijf omdat sommige organisaties hun influisteren dat ze nog even moeten blijven en kunnen procederen in de hoop op opvang.

Wij zorgen er van onze kant steeds voor dat mensen die geen recht meer hebben op opvang of verblijf, te allen tijde voldoende informatie krijgen, zowel over mogelijke hulp bij vrijwillige terugkeer als over de mogelijke gedwongen terugkeer wanneer de door de DVZ opgelegde maatregel niet wordt gerespecteerd.

Zoals u weet zal ik samen met collega Quintin meer investeren in gesloten centra en in escorteurs om personen ook gedwongen terug te brengen. U weet hoe moeilijk het is om bepaalde personen naar hun land van herkomst terug te sturen. We hebben het trouwens daarnet nog over een geval gehad. Daarom heeft deze regering conditionaliteit ingeschreven in de buitenlandse betrekkingen. We moeten veel korter op de bal spelen.

Daarnaast is ons regeerakkoord ambitieuzer dan ooit wat betreft de strijd tegen criminaliteit en drugs. We hebben zeker nog veel werven en alle collega’s zijn daar elke dag mee bezig. Ik stel voor dat u ondertussen uw vragen ook richt aan uw eigen Brusselse regering.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, het is grappig: u zegt dat u niet zult vingerwijzen om vervolgens een heel antwoord te vingerwijzen. Het is weer eens de schuld van Vivaldi. Dat zullen we binnen vijftig jaar nog altijd horen. Alle problemen in dit land zijn afkomstig van Vivaldi. So be it . U wordt echter betaald om oplossingen te zoeken, niet om hier in het Parlement telkens te zeggen dat het onze schuld is, dat we het zelf hebben georganiseerd, dat we het moeten bespreken met onze eigen vrienden. Het zou de schuld van Brussel zijn, of van de OCMW's. Het is steeds de schuld van iemand anders. Mijn vraag is echter oprecht. De minister van Binnenlandse Zaken zit met de handen in het haar als het gaat over Brussel. We moeten op een ernstige manier kunnen bespreken dat er effectief een probleem is van mensen zonder wettig verblijf in onze hoofdstad. Ik schuif al redelijk op in uw richting, mevrouw de minister. U kunt de uitgestoken hand afkappen, dat is uw goed recht, maar ik denk dat u vooral oplossingen op tafel moet leggen, eerder dan telkens te wijzen naar anderen. Misschien moet u de ngo's gewoon eens uitnodigen. Ik ken geen enkele ngo die illegaal verblijf actief promoot. Dat zijn niet de ngo's waarmee wij samenwerken. Absoluut niet. Het is niet ernstig om dat hier zo te zeggen.

Een nieuw asielcentrum in het voormalige IMTR-ziekenhuis te Loverval (Gerpinnes)

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt verdedigt de opening van een tijdelijk Fedasilcentrum in Loverval als noodzakelijke vervangcapaciteit (geen extra plaatsen) door wegvallende opvang elders, maar kan de kosten nog niet specificeren. Van Belleghem werpt tegen dat dit de facto nieuwe centra zijn (Schilde, Lodelinsart, Gerpinnes) die de belofte om het opvangnetwerk af te bouwen ondermijnen, en noemt het argument van vervanging "bullshit". De minister benadrukt dat lokale overlegmomenten pas komen bij definitieve goedkeuring en dat de locatie (afgelegen, 24/7-begeleiding) de overlast beperkt. Kernconflict: beleid vs. beloftes over krimp asielopvang.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, het is mij niet ontgaan dat er volgens mediaberichten tegen het einde van dit jaar een nieuw Fedasilcentrum in het voormalige IMTR-ziekenhuis in Loverval, in Wallonië, zal worden geopend, een centrum dat opvang zal bieden aan 390 asielzoekers. De burgemeester van Gerpinnes zou publiekelijk hebben verklaard dat de lokale besturen en de inwoners, net zoals in Schilde, voor een voldongen feit zijn geplaatst en dat de opening van het centrum tegen de wil van de inwoners ingaat.

Waarom kiest u voor een nieuw opvangcentrum voor asielzoekers?

Hoe verklaart u dat ook die burgemeester niet op de hoogte was? Of was hij wel op de hoogte en doet hij voor de eigen bevolking alsof hij niet op de hoogte was?

Hoeveel kost het nieuwe asielcentrum? Ik kreeg graag een gedetailleerd overzicht van alle kosten, inclusief de huurprijs die aan de eigenaar, Thomas & Piron, wordt betaald.

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, het opvangcentrum wordt geopend ter vervanging van capaciteit die binnenkort wegvalt. Door de huidige crisis, die ik heb geërfd, ben ik daartoe verplicht. Het gaat dus, zoals ik u voortdurend duidelijk moet maken, niet om nieuwe, extra opvangplaatsen, maar om vervangcapaciteit.

Ik heb enkele maanden geleden wel degelijk contact gehad met de burgemeester om dat aan te kondigen. Daarnaast heeft Fedasil op vraag van het gemeentebestuur van Gerpinnes een ontmoeting gehad om de mogelijke komst van het centrum te bespreken.

Ontmoetingen met de bevolking kunnen uiteraard worden georganiseerd, maar pas wanneer er daadwerkelijk groen licht is voor de opening. Het heeft weinig zin om grote informatiesessies te houden over een project dat nog niet gevalideerd is.

Ik besef heel goed dat zo'n beslissing een impact heeft op de lokale gemeenschap. Ik bel trouwens absoluut niet graag naar burgemeesters om dergelijke beslissingen mee te delen. Mijn administraties stellen alles in het werk om de impact zo beperkt mogelijk te houden. De komst van een centrum is voor velen geen goed nieuws, maar het is tegelijk noodzakelijk om een rationeel opvangbeleid te kunnen voeren.

Concreet, de opening van het centrum in Gerpinnes is nog niet officieel bevestigd door de bevoegde autoriteiten. De budgettaire impact kan ik dus nog niet meedelen, maar die zal worden berekend volgens de geldende tarieven.

Wat de locatie betreft, het gaat om een voormalig ziekenhuis, gelegen op enige afstand van woonwijken. Dat betekent dat de impact op het dagelijkse leven van de omwonenden beperkt zal zijn. Bovendien wordt in de opvangcentra altijd 24/7 begeleiding aangeboden. De kinderen die er verblijven, moeten inderdaad verplicht naar school en het lokale vervoersaanbod zal moeten worden aangepast.

Fedasil en het Rode Kruis staan in nauw contact met de gemeentelijke autoriteiten. Er is al een ontmoeting geweest en er volgen er nog meer. Nogmaals, de opening van het centrum is enkel bedoeld als compensatie voor andere plaatsen die verdwijnen. Het gaat dus niet om extra opvang. Het gaat bovendien om een tijdelijk centrum. Zodra de eigenaar met zijn vastgoedproject kan beginnen, met de nodige vergunningen en investeringen, zal het centrum sluiten.

U verweest naar het regeerakkoord. Er is daarin duidelijk gezegd dat eerst de instroom naar beneden moet en dat we dan plaatsen zullen sluiten, te beginnen in hotels, vervolgens de lokale opvanginitiatieven en daarna de collectieve centra. Net als u hoop ik dat we dat zo snel mogelijk kunnen doen.

Francesca Van Belleghem:

Ik blijf bij mijn standpunt over de vervangcapaciteit. Met Schilde, Lodelinsart en Gerpinnes zijn er maar liefst drie nieuwe opvangcentra voor asielzoekers. Het is niet omdat er een oud opvangcentrum moet sluiten dat het niet om een nieuw centrum gaat.

Een nieuw centrum openen kost wel degelijk veel geld. Het is iets anders dan bestaande capaciteit langer openhouden. Nee, er gaat een nieuw centrum open. Uw argument van vervangcapaciteit is dus bullshit, zeker omdat u beloofd hebt dat het opvangnetwerk gevoelig zou worden afgebouwd. Voor ons mag het zelfs nog strenger. U hebt beloofd de capaciteit gevoelig af te bouwen. Nu zien we dat u gewoon oude capaciteit telkens met nieuwe centra probeert te compenseren. Dat is niet wat u de kiezer beloofd hebt.

Voorzitter:

Mevrouw Van Belleghem heeft haar vraag nr. 56007309C omgezet in een schriftelijke vraag.

Illegaliteit en drugscriminaliteit in Brussel

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt bevestigt de kritiek van procureur Moinil op het vrijlaten van 91% illegale criminelen door de Dienst Vreemdelingenzaken en wijt dit aan *"laks voorgaand beleid"*, maar belooft strengere maatregelen: meer gesloten centra, dwangterugkeer, levenslange inreisverboden en betere samenwerking met herkomstlanden via *conditionaliteit* (visa, handel, ontwikkeling). Van Belleghem (VB) betwijfelt de uitvoering, verwijzend naar tekort aan middelen en onvervulde beloftes, en kondigt strenge opvolging aan. Cijfers blijven vaag; de minister verwijst naar schriftelijke vragen. Kern: retourbeleid falend door capaciteitstekort, concrete actie blijft uit.

Francesca Van Belleghem:

Mevrouw de minister, op 12 augustus 2025 haalde Brussels procureur Julien Moinil fors uit naar de politiek. Hoewel een groot deel van zijn opmerkingen betrekking hadden op het beleid van de minister van Binnenlandse Zaken, komt uw portefeuille hier ook bij kijken, want hij stelde dat 91 % van de criminelen die illegaal in ons land verblijven noodgedwongen wordt vrijgelaten door de Dienst Vreemdelingenzaken.

Kunt u deze cijfers van procureur Moinil nader toelichten? Hoeveel illegalen betreft het? Hoeveel worden er weer vrijgelaten en wat zult u doen om deze cijfers te verbeteren?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Van Belleghem, ik ben het volledig eens met de Brusselse procureur dat, mede door het laks beleid van de afgelopen jaren, het aantal mensen in illegaal verblijf veel te hoog is. Daarom zet deze regering in op een versterkt terugkeerbeleid, zodat de terugkeercijfers van illegale vreemdelingen stijgen.

Dit versterkte terugkeerbeleid omvat verschillende maatregelen: de verdubbeling van het aantal plaatsen in gesloten centra, het verhogen van het aantal escorteurs zodat illegalen die weigeren te vertrekken met dwang verwijderd kunnen worden, woonstbetreding, de invoering van een levenslang inreisverbod, een betere samenwerking met de landen van herkomst via het principe whole of government , dat conditionaliteit invoert tussen medewerking aan terugkeer en het visabeleid, ontwikkelingssamenwerking en handelsinvesteringen. Ook worden de terugkeerdiensten in gesloten centra versterkt met extra personeel.

Daarnaast heb ik begin dit jaar specifiek voor het Brusselse parket twee verbindingsambtenaren aangesteld om de identificaties te versnellen en de terugkeer te bevorderen. Tot slot is sinds enkele jaren een liaison aangesteld voor het hele Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die samen met de politie en alle betrokken diensten onderzoekt welke acties kunnen worden ondernomen voor specifieke problematieken.

Voor verdere specifieke cijfers nodig ik u uit om een schriftelijke vraag te stellen, aangezien het hier opsommen van allerlei cijfers weinig "educatief" zou zijn.

Francesca Van Belleghem:

U geeft aan dat u het eens bent met procureur Moinil. Hij zei ook dat er wel geluisterd wordt, maar dat er niets wordt gedaan en dat er geen middelen komen om te verwezenlijken wat beloofd werd. Ook bij Binnenlandse Zaken zijn er niet genoeg middelen om de gedane beloftes uit te voeren. Het Vlaams Belang blijft dit opvolgen, opdat de beloftes gerealiseerd kunnen worden. Daarvoor ontmoeten wij elkaar immers om de twee weken in de commissie.

De regeringsplannen inzake langdurig zieken
De aanpak van langdurig zieken
De controle van langdurig zieken
Langdurig zieken
De activering van langdurig zieken
Beleid en ondersteuning voor langdurig zieken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de herbeoordeling en re-integratie van 500.000 langdurig zieken in België, waarbij de regering 100.000 van hen wil hercontroleren om hun arbeidspotentieel te evalueren. Minister Vandenbroucke benadrukt dat het doel geen besparingen is, maar betere opvolging en re-integratie via systematisch contact met artsen, ziekenfondsen en arbeidsbemiddelaars, met nadruk op preventie en aangepast werk—een "gamechanger" via een vierde hervormingsgolf. Critici (o.a. Tonniau, Lanjri, Samyn) vrezen stigmatisering, administratieve overbelasting van huisartsen en gebrek aan concrete jobs, terwijl ze werkgeversverantwoordelijkheid, transparantie en ondersteuning eisen om duurzame re-integratie te garanderen in plaats van louter controles.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, na de aanval op de werkzoekenden zet de regering-De Wever-Rousseau nu de frontale aanval in op de langdurig zieken. Vorige week beweerde de heer Mahdi in Humo dat sommige werknemers wekenlang thuisblijven met een gebroken vingernagel. Alsof zieken profiteurs zijn. Kent u één iemand die wekenlang thuisblijft met een gebroken vingernagel? Kent u één dokter die iemand weken ziekteverlof geeft voor een gebroken vingernagel? Natuurlijk niet, zulke mensen bestaan niet. Dat zijn gewoon leugens.

In het echte leven werken mensen vaak te lang door, omdat ze hun loon nodig hebben, omdat ze geen vast contract hebben of omdat ze hun collega’s niet in de steek willen laten. Zelf heb ik ’s nachts bandwerk verricht bij Volvo Cars Gent. Mijn collega’s en ik slikten regelmatig een pijnstiller of een spierontspanner, gewoon om te kunnen blijven doorwerken. Bijna al mijn collega’s en ik kregen op een bepaald moment medische klachten, maar we gingen altijd door, tot het uiteindelijk echt niet meer kon. En dan durven ministers en partijvoorzitters, die zelf nog nooit dergelijke arbeid hebben verricht, met hun handen in hun diep gevulde zakken, ons weg te zetten als profiteurs! Dat is niet alleen respectloos, maar ook gevaarlijk.

Het echte probleem zijn niet de zogenaamde profiteurs; het echte probleem is de torenhoge werkdruk, het tekort aan preventie op de werkvloer, de verplichting om langer te werken en het feit dat dat landingsbanen en het recht op brugpensioen ons zijn afgepakt. U kiest keer op keer voor straffen in plaats van voor zorg en ik begrijp dat niet. Eerst werden de werkzoekenden geviseerd door de heren De Wever, Rousseau en Mahdi, vervolgens de gepensioneerden en nu de zieken. Wie volgt? De mensen met een beperking?

Mijnheer de minister, zieken stigmatiseren lost niets op. Wat wel helpt, is investeren in preventie, in werkbaar werk en in respect voor de werkende mensen.

U liet ondertussen weten dat er minstens 100.000 langdurig zieken zullen worden opgeroepen om na te gaan of ze toch niet aan de slag kunnen. Als ze niet opdagen voor een afspraak bij het ziekenfonds, verliezen ze mogelijk hun uitkering. Jan Jambon zei dan weer dat artsen die volgens hem te gemakkelijk voorschrijven, beter gecontroleerd moeten worden.

Mijnheer de minister, ik verwees naar de uitspraken van de heer Mahdi in Humo . Wat vindt u daarvan? Is dat geen fake news?

Hoe wilt u die 100.000 mensen begeleiden naar een job? Welke jobs zijn er eigenlijk voor hen? Wanneer ik op de website van de VDAB zoek naar jobs voor langdurig zieken, vind ik er geen enkele.

Zult u werkgevers sanctioneren indien ze niet in aangepast werk voorzien?

Zult u in het kader van de begroting 2025 extra geld zoeken bij de invaliditeitsuitkeringen?

Heeft minister Jambon het over de artsen die mensen thuis schrijven vanwege gebroken vingernagels, zoals Mahdi beweert? In uw beleidsnota sprak u zelf al over dat voorschrijfgedrag van de artsen. Op basis van welk onderzoek doen Jambon en Mahdi zulke uitspraken? Op basis van welke feiten? Zijn er echte aanleidingen om te denken dat het probleem bij de artsen ligt? Hoeveel van die overijverige artsen zijn er volgens u?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, ons land telt 500.000 langdurig zieken, van wie 300.000 tot aan hun pensioen. We maken ons daarover al langer zorgen en ik heb daarover in het Parlement al vaker vragen gesteld. Vergeleken met andere Europese landen scoort België op dat vlak het slechtst: ons land telt de meeste langdurig zieken in verhouding tot het aantal beroepsactieven. Men zou bijna denken dat België een ongezond land is; dat is natuurlijk niet het geval. Bovendien kost een half miljoen langdurig zieken niet alleen handenvol geld aan de sociale zekerheid, maar betekent het ook een verlies voor de samenleving, om nog maar te zwijgen van de betrokkenen zelf, want al die werknemers met talent worden niet ten volle ingezet.

Men kiest er niet voor om ziek te zijn. Men kan pech hebben in het leven en tijdelijk of heel lang ziek zijn. Wie ziek is, moet kunnen rekenen op een ziekte-uitkering. Sommigen kunnen misschien wel opnieuw aan de slag, eventueel deeltijds en of dankzij aangepast werk. Daar pleiten we al langer voor.

U stelde het voorbije weekend in de media uw plan voor om een honderdduizendtal personen die tot hun pensioen een ziekte-uitkering krijgen, opnieuw te laten controleren, waarbij ze hun uitkering kunnen verliezen als ze daarop niet ingaan.

Waarom moeten die personen zelf de aanvraag indienen? Waarom worden ze niet automatisch uitgenodigd voor het controleonderzoek? Vreest u niet dat sommigen door de mazen van het net zullen glippen, als ze niet zelf een aanvraag doen?

Hoe wilt u de controle laten uitvoeren? U verklaarde dat de huisartsen dat moeten doen, maar er is vandaag al een gebrek aan huisartsen. Welke rol is nog weggelegd voor de arbeidsartsen? Hebt u daarover overleg gepleegd met de huisartsenkoepels?

Hoe zullen de betrokkenen effectief weer aan de slag kunnen gaan? Het is niet omdat arts vaststelt dat men opnieuw aan de slag kan gaan, eventueel deeltijds, dat de werknemer onmiddellijk werk heeft. Terug-naar-werkcoördinatoren moeten die personen begeleiden. Maar als u de doelgroep fors uitbreidt, zal het huidige aantal coördinatoren zeker niet volstaan. Hoe ziet u dat?

Vanuit cd&v hebben wij steeds beklemtoond dat preventie belangrijk is. Voorkomen is beter dan genezen. Het is veel moeilijker om langdurig zieken te activeren en te re-integreren dan om uitval door ziekte te vermijden. Er ligt daar uiteraard ook een verantwoordelijkheid bij uw collega-minister Clarinval. Welke maatregelen wilt u samen met de minister van Werk, de heer Clarinval, nemen om sterker in te zetten op preventie?

Momenteel moeten werknemers die bijvoorbeeld door ziekte niet voltijds kunnen werken, eerst volledig uitvallen en recht krijgen op een ziekte-uitkering, vooraleer zij eventueel 80 % of 70 % kunnen werken. Waarom maken we het niet mogelijk dat werknemers die door bijvoorbeeld een progressieve aandoening niet langer voltijds kunnen werken, aan de slag blijven en ondertussen gedeeltelijk een ziekte-uitkering ontvangen? Op die manier hoeven zij niet eerst volledig thuis te blijven. Vaak kunnen zij immers nog deeltijds werken.

Laten we het principe omkeren. Vanuit cd&v hebben we in het verleden al een voorstel gedaan om een arbeidsparticipatietoeslag in te voeren. Bent u hiermee bezig en hoever staat u daarmee? Ik denk dat dat een belangrijk instrument kan zijn om te vermijden dat werknemers volledig uitvallen door langdurige ziekte.

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, selon les derniers chiffres publiés, ce sont plus ou moins 500 000 personnes, soit 10 % de la population active, qui sont considérées comme malades de longue durée. Bien sûr, toutes sont vraiment malades, gravement. Toutes ne jouent pas avec la législation ou les certificats de complaisance. Certainement pas. Mais ces 500 000 personnes ne sont pas toutes en totale incapacité de travail. Certaines doivent pouvoir retrouver le chemin de l'emploi, quitte à revoir leur temps de travail ou à se réorienter.

Les mécanismes de contrôle et de sanction appliqués actuellement semblent peu significatifs. Les résultats sont limités, tant sur le plan budgétaire que sur celui de la lutte contre les abus. Pour ce qui est des sanctions et de la fameuse réduction de 2,5 % appliquée à l'indemnité, les chiffres sont édifiants: cela a concerné 46 personnes sur une année complète, 17 pour les deux derniers trimestres de 2023 et 29 malades de longue durée pour les deux premiers trimestres de 2024.

Monsieur le ministre, disposez-vous de davantage d'informations concernant les raisons de l'efficacité limitée de ces mécanismes de contrôle? Vous avez annoncé un plan pour renforcer l'efficacité de ces contrôles afin de mieux soutenir la réintégration professionnelle. Pouvez-vous nous expliquer quelles seront les mesures contenues dans ce plan?

Actuellement, la démarche doit venir du salarié, qui doit remplir un questionnaire. Ne vaudrait-il pas mieux aller vers lui?

Quels contacts avez-vous eus avec les médecins? Ils ne vont évidemment pas vous parler des certificats de complaisance, mais peut-être pourraient-ils avoir une attention accrue envers les personnes qui pourraient reprendre le chemin de l'emploi.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, u hebt een plan om 100.000 langdurig zieken te laten hercontroleren. Ik heb gelezen dat u daarbij wilt focussen op mensen met schouderklachten, rugklachten, gewrichtspijnen en ook mentale klachten.

Die groep van 100.000 mensen is in realiteit veel groter, het gaat namelijk om bijna 500.000 mensen. Waarom kiest u er slechts 100.000 uit? Op basis waarvan kiest u enkel voor die kleinere groep? Is dat niet enigszins in tegenspraak met de wet die op 20 december 2023 is goedgekeurd, waarin bepaald werd dat de hercontrole bij heel wat meer mensen zou gebeuren?

Ik heb ook nog enkele vragen over de organisatie van die hercontrole. Hoe ziet u dat praktisch? Hoe zult u dat organiseren? Welke timing hebt u daarbij voor ogen?

Ik heb ook nog een vraag over het overleg. U hebt vrijdag blijkbaar een overleg met de huisartsenverenigingen. Welke boodschap wilt u daar brengen? Welke rol ziet u voor de huisartsen in die hercontrole? Welke plaats krijgen zij daarin?

Verder wil ik ook nog vragen hoe u de werkgevers mee zult krijgen in dit verhaal. Dat lijkt me eveneens belangrijk. Welke stimuli voorziet u om hen te overtuigen om het werk anders te organiseren, zodat langdurig zieken opnieuw aan boord kunnen komen? Welke rol ziet u weggelegd voor de ziekenfondsen in dit verhaal om zoveel mogelijk langdurig zieken opnieuw aan de slag te krijgen?

De voorzitster : Mevrouw De Knop, wenst u nu het woord te krijgen of tijdens de replieken?

Irina De Knop:

Tijdens de replieken is goed.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, u kondigde recent aan dat meer dan 100.000 langdurig zieken opnieuw zullen worden gecontroleerd op hun arbeidspotentieel. Het gaat om mensen die vandaag al minstens één jaar ziek zijn en een invaliditeitsuitkering ontvangen. Voor hen zou een nieuwe medische aanvraag nodig zijn met tussenkomst van de huisarts. Wie de aanvraag niet indient, riskeert zijn uitkering te verliezen.

Hoe zult u garanderen dat die herbeoordelingen niet louter een besparingsoperatie worden, maar effectief bijdragen tot een betere zorg en duurzame re-integratie? Welke impact of administratieve druk zal die maatregel met zich meebrengen voor de huisartsen? Voorziet u in concrete ondersteuning? Hoe zult u voorkomen u dat langdurig zieken die moeilijk toegang hebben tot een huisarts of die minder zelfredzaam zijn, benadeeld worden of zelfs hun uitkering verliezen? Op welke manier zult u evalueren of die maatregel daadwerkelijk leidt tot meer re-integratie in plaats van louter besparingen in de ziekteverzekering?

Frank Vandenbroucke:

Geachte Kamerleden, ik dank u voor de vragen.

Ik zou willen beginnen met een enigszins persoonlijke bedenking. Ik vind dat er de laatste tijd in het publieke debat over mensen die langdurig afwezig zijn wegens ziekte, nogal wat eenzijdige uitspraken worden gedaan, die ons absoluut niet vooruithelpen. Die eenzijdigheid gaat eerlijk gezegd alle richtingen uit.

Ik ben minister van Volksgezondheid; ik ben niet de minister van Economie, van Tewerkstelling of van Begroting. Zelfs los van mijn specifieke ministeriële bevoegdheid, ben ik er absoluut van overtuigd dat het perspectief dat mensen hebben op een terugkeer naar een of andere vorm van werk in de samenleving heel belangrijk is. Het kan een mogelijke positieve bijdrage leveren aan het herstel bij gezondheidsproblemen. Het kunnen terugkeren naar werk of het feit dat iemand daar samen met u over nadenkt en u daarbij helpt, is een essentieel onderdeel van een herstelproces. Dat is een gezondheidsprioriteit. Dat is niet gebaseerd op een buikgevoel, maar wordt onderbouwd door talrijke studies en het is de visie van veel experts. Dat is ook logisch, aangezien werk betekent dat men zich nuttig voelt en dat men nuttig is. Werk biedt bovendien financiële zekerheid, sociale contacten en een sociale structuur. Daarom moeten we er, louter vanuit gezondheids- en sociale overwegingen, alles aan doen om dat perspectief voor mensen hoog te houden.

Dat veronderstelt betere begeleiding en ondersteuning, waarbij niemand wordt achtergelaten, ook niet die groep mensen voor wie het bijzonder moeilijk is aangezien ze al zo lang aan hun lot zijn overgelaten. Ik denk daarbij met name aan de 300.000 mensen die erkend zijn als arbeidsongeschikt tot aan hun pensioen.

Uiteraard zijn sommige mensen zodanig ziek dat werken helemaal geen optie is. Dat moeten wij niet alleen respecteren en erkennen, wij moeten ook ophouden met het maken van karikaturen. Mensen die langdurig ziek zijn, kampen vaak met zware fysieke of psychische aandoeningen. Het herstel vraagt tijd, zorg en begeleiding. Hen bestempelen als profiteurs is niet alleen onaanvaardbaar, het helpt ons ook helemaal niet vooruit. Ik zou veeleer stellen dat zij juist het slachtoffer zijn van een systeem dat hun jarenlang heel weinig heeft opgevolgd en geholpen.

Ik denk bovendien dat de idee dat artsen massaal attesten uitschrijven voor futiliteiten niet juist is. Ik meen eerlijk gezegd dat die idee de focus van het debat verkeerd legt. Ik vind dat een belediging voor artsen en patiënten. De meeste artsen zijn professioneel en verantwoordelijk. Natuurlijk is er in elk sociaal systeem ook misbruik en daarvoor is controle nodig. Daar werken we aan. Die controle moet worden verfijnd, maar eerlijk gezegd is dat niet de essentie.

Omdat ik steeds meer de overtuiging heb dat we in het debat misschien een van de meest hardnekkige problemen in heel het vraagstuk tot nu toe buiten beeld hebben gelaten, heb ik in de kranten gezegd dat ik na drie golven van maatregelen een vierde golf voorbereid. Ik wil dat graag toelichten, als u mij daar de tijd voor geeft.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Het essentiële probleem van mensen die langdurig afwezig zijn, kan in één woord worden samengevat: contact. Er is contact nodig, ook rond de vraag of er nog kansen zijn om opnieuw aan het werk te gaan.

De eerste golf van maatregelen, die we vanaf 2021 zijn beginnen uit te rollen, ging louter over het creëren van een contactpunt binnen de ziekenfondsen, met name een terug-naar-werkcoördinator die zich bezighoudt met de vraag of mensen die instromen in arbeidsongeschiktheid kansen hebben op werk en die voor de betrokkenen een aanspreekpunt vormt achter de tot dan blinde muur van het ziekenfonds. Het ging dus om het herstellen van contact. We zijn begonnen met een klein korps terug-naar-werkcoördinatoren, in eerste instantie voor de nieuwe instroom.

De tweede golf, waarnaar mevrouw Demesmaeker verwees, bestond erin dat er is bepaald dat dat contact aan een bepaald ritme moet gebeuren. Er moet een cadans zijn. Dat was de hervorming die vanaf 2024 werd uitgerold. Daarbij werd vastgelegd dat er op de vierde, de zevende en de elfde maand van arbeidsongeschiktheid een persoonlijk face-to-facecontact plaatsvindt tussen de verantwoordelijken in het ziekenfonds en de patiënt. Dat contact wordt dus gesystematiseerd en krijgt een ritme dat wordt volgehouden. Dat was de tweede golf van hervormingen. Daarbij hebben we ook gesteld dat in de toekomst nog maar zeer uitzonderlijk iemand tot aan zijn pensioen als arbeidsongeschikt zal worden erkend. De regel zal zijn: één jaar, twee jaar of vijf jaar, maar slechts heel uitzonderlijk langer.

De derde golf van hervormingen komt nu tot stand op basis van het arizonaregeerakkoord. Een belangrijk wetsontwerp daaromtrent komt binnenkort in tweede lezing terug naar de ministerraad. Daarnaast ligt er ook werk voor van mijn collega-minister Clarinval, die onder meer in de codex Welzijn op het Werk een aantal dingen zal veranderen. De derde golf draait eveneens rond contact. Daarbij is de inzet om nog sneller te gaan in het contact, maar ook om de arbeidsarts mee in het verhaal te brengen, de bemiddelingsdiensten meer in het verhaal te brengen, en de samenwerking te verbeteren tussen iedereen die verantwoordelijk is voor het contact en voor de ondersteuning. Ik kom daar dadelijk op terug. Die derde golf moeten we eigenlijk nog uitrollen. Ze zou moeten starten vanaf volgend jaar.

U zult mij vragen waarom ik dan al over een vierde golf ben begonnen. De vierde golf staat niet in het regeerakkoord, maar is naar mijn mening wel nodig.

De reden waarom ik over de vierde golf ben begonnen, is omdat ik vind dat we ook in het publieke debat misschien wel naast het belangrijkste probleem kijken, namelijk: het probleem dat mensen zeer lang afwezig zijn – 24 maanden – en jaren in invaliditeit doorbrengen. Ik vind dat we daar te veel naast kijken. Het is geen verhaal van huisartsen die te veel attesten schrijven; daar heeft het niets mee te maken. Het is geen verhaal van sjoemelen of zo; daar heeft het ook weinig mee te maken. Het is een verhaal van mensen die langs de kant blijven staan en die niet systematisch opgevolgd worden, en dus ook niet systematisch geholpen worden. Dit is dus een zeer breed en omvangrijk verhaal. Ik denk dat het de essentie is van deze hervorming dat we ook dat aanpakken. Dat is de vierde golf van maatregelen die nodig zal zijn.

Ik heb die inderdaad nu al aangekondigd. De krant De Tijd heeft geschreven dat het een gamechanger is. Die bewoording heb ik niet uitgevonden, maar ik meen dat dat juist is. Wat ik nu op tafel leg, zou echt een gamechanger moeten zijn.

Laat me toe om dat uit te leggen.

Om te beginnen, het beeld dat we plots 100.000 mensen zullen oproepen om ze te controleren, is eigenlijk fout. We zullen niet plots een groep mensen identificeren en zeggen: kom eens af, we gaan u opnieuw controleren. Dat is eigenlijk een fout beeld. Het getal 100.000 is niet fout; dat komt van mij. De Standaard had me gevraagd over hoeveel mensen het zou gaan en ik heb geantwoord dat we dat vandaag niet kunnen zeggen, want we willen een procedure invoeren die misschien niet voor iedereen zal gelden. Bovendien zal dat morgen nog niet van start gaan. Ik hoop alvast dat we door de eerste drie golven van maatregelen de groep toch een beetje kunnen beginnen te beperken. Ik heb aan De Standaard gezegd dat het uiteindelijk wel over meer dan 100.000 mensen zal zijn. Dat precieze cijfer is echter niet de target, het is geen doelstelling om precies 100.000 mensen te behalen. Het is dus niet zo dat we plots een lijst opmaken met 100.000 mensen die worden opgeroepen; dat is het punt niet.

Wat we wél willen doen, is ervoor zorgen dat mensen die lang afwezig zijn de garantie hebben dat ze opgevolgd worden, ook medisch, vanuit de vraag wat hun arbeidspotentieel nog is. Natuurlijk zullen die mensen doorgaans wel contact hebben met artsen; dat is het punt niet. Ongetwijfeld zullen die mensen niet altijd, maar in veel gevallen reeds door een arts worden opgevolgd. De bedoeling is dat ook de behandelende artsen zich de vraag blijven stellen welk potentieel mensen nog hebben om aan het werk te gaan, en dat zij daarover nadenken samen met andere actoren, zoals arbeidsartsen, adviserend artsen en mensen van de bemiddelingsdiensten.

Het gaat er dus om de garantie te bieden dat die opvolging nog gebeurt. Daar moet men natuurlijk ook een eis tegenover zetten. Op dat vlak is het inderdaad een gamechanger. Vandaag moet men immers alleen in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid een attest, opgemaakt door de behandelende arts, naar het ziekenfonds sturen. Daarna is dat niet meer het geval. Dat gegeven beseft men te weinig. Het feit dat een behandelend arts een attest naar het ziekenfonds moet sturen om aan te geven dat voor een bepaalde persoon een aanvraag voor arbeidsongeschiktheid gebeurt, geldt alleen tijdens de eerste twaalf maanden. Daarna is dat niet meer het geval. Een adviserend arts kan weliswaar aan een behandelend arts vragen om de medische stand van zaken te bezorgen of documenten door te geven; dat kan. De procedure van de aanvraag met betrekking tot arbeidsongeschiktheid gebeurt echter niet meer na één jaar afwezigheid. Ik denk dat men dat niet goed beseft.

Dat betekent dat er geen garantie is dat er na die periode van twaalf maanden nog een medische beoordeling gebeurt van het potentieel om opnieuw aan het werk te gaan. Dat speelt uiteraard mee, samen met een aantal andere factoren die de laatste tien à vijftien jaar helaas steeds zwaarder zijn gaan doorwegen. Daardoor is de feitelijke opvolging van die groep stilgevallen, wat resulteert in een grote groep mensen die tot aan hun pensioen zijn erkend als arbeidsongeschikt.

Los daarvan beseft men niet dat er geen procedure bestaat om arbeidsongeschiktheid opnieuw aan te vragen wanneer iemand reeds in invaliditeit zit. Wij willen een dergelijke procedure invoeren. In dat opzicht is het een gamechanger.

Moet dat per se via een huisarts verlopen? Nee, het gaat om de behandelende arts. Dat kan en zal vaak een huisarts zijn, maar het kan ook een specialist zijn. Die vraag blijft belangrijk, omdat niet alleen de medische situatie van mensen evolueert, maar ook hun potentieel om opnieuw aan het werk te gaan. Dat potentieel en de nodige hulpmiddelen veranderen, evenals het perspectief dat kan worden geboden. Over de kansen om, ondanks gezondheidsproblemen, terug aan het werk te gaan moet dus worden gesproken. Dat is essentieel. Naar mijn mening is dat ook een essentiële verantwoordelijkheid van de behandelende artsen. Verschillende leden hebben terecht opgemerkt dat dat gemakkelijk gezegd, maar niet gemakkelijk uitgevoerd is. De agenda’s van onze huisartsen zitten vol. Ook de agenda’s van vele specialisten zitten vol. Wij zullen daarvoor dus ruimte moeten creëren in de agenda’s, wat intensief overleg zal vergen met de huisartsen en specialisten over hoe dat kan worden ingevuld, want dat is niet zo eenvoudig.

We zullen dus wetgeving moeten opstellen om die vierde fase van het beleid vorm te geven. Dat zal geleidelijk moeten gebeuren. Het is niet werkbaar om plotseling een groep van 100.000 mensen uit te nodigen. Wel zullen we bepalen dat mensen na een jaar invaliditeit opnieuw een aanvraag moeten indienen. Mevrouw Lanjri, uiteraard verlangen we van mensen niet dat zij dat zelf organiseren. Ze zullen verwittigd worden dat ze een jaar in invaliditeit zijn en dat ze volgens een nog vast te leggen opbouw in aanmerking komen en opnieuw een aanvraag moeten indienen. Ik verwijt de kranten niet dat zij dat ingewikkelde verhaal moeilijk kort konden samenvatten. Toch is dat een essentieel punt.

Er wordt gevraagd of dat een grote besparing zal betekenen. Als meer mensen aan het werk gaan, is dat vanzelfsprekend goed voor de sociale zekerheid. Voorspellingen zijn moeilijk, maar een besparing is niet mijn hoofddoel. Mijn hoofddoel is wat ik beschouw als misschien het belangrijkste gezondheidsprobleem van deze tijd, namelijk dat mensen zo lang thuis zitten door gezondheidsproblemen. D á t wil ik aanpakken; dat is mijn hoofddoel.

We zullen dat heel concreet moeten maken in overleg met alle betrokkenen – artsen, ziekenfondsen, bemiddelingsdiensten enzovoort. Ik besef dat dat op de agenda van onze artsen een bijkomende taak betekent. Daarom moeten we dat realiseren met minimaal papierwerk en gebruikmaken van bestaande instrumenten. Een voorbeeld daarvan is het systeem Mult-eMediatt, ingebouwd in de software van de artsen, dat nu al wordt gebruikt tijdens het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid. Het is een interessante template die ook voor dat doel gebruikt kan worden en die we zo eenvoudig mogelijk moeten maken.

Voor de communicatie en informatie-uitwisseling met andere betrokken actoren, zoals de adviserend artsen en de arbeidsartsen, lijkt TRIO mij het geschikte platform. De ziekenfondsen zullen duidelijke communicatie moeten verzorgen ten aanzien van de betrokken mensen. We moeten er ook voor zorgen dat wanneer iemand door omstandigheden niet in staat is om binnen het jaar de afspraak te hebben, daar clementie mogelijk is. Voor bepaalde mensen zal de procedure uiteraard niet gelden, zoals iemand die een zware behandeling ondergaat, iemand die bedlegerig is, laat staan iemand die in coma ligt. De idee is dat mensen in principe, behoudens uitzonderingen, na een jaar invaliditeit een nieuwe aanvraag moeten indienen via hun behandelend arts, zodat er opnieuw een grondige beoordeling kan plaatsvinden van hun situatie en van wat nog mogelijk is. Dat is voor mij ook een garantie dat mensen verder worden opgevolgd en geholpen.

We moeten de aanpak inbedden in bestaande samenwerkingen met de arbeidsbemiddelingsdiensten. Wanneer we dat doen, zullen we immers extra hulp moeten vragen aan de VDAB, Actiris en de Forem, om mensen opleidingen en perspectieven aan te bieden. Dat moet in dat systeem ingebouwd worden. Ik voer daarover gesprekken met mijn collega’s bevoegd voor Werk, mevrouw Demir in Vlaanderen en de heer Jeholet in Wallonië. Ik geef nu al aan dat dat thema ook op de agenda moet komen.

Daarnaast wil ik benadrukken dat we het ook gemakkelijker zullen maken dat mensen rechtstreeks naar een arbeidsbemiddelingsdienst stappen. Ze hoeven daarvoor niet per se een ingewikkelde weg te volgen. Wanneer ze daar aankloppen, moeten ze geholpen worden. Bovendien zullen vanaf 2026 adviserende artsen of leden van het multidisciplinaire team van het ziekenfonds, mensen rechtstreeks kunnen doorverwijzen naar een regionale arbeidsbemiddelingsdienst. We zullen er ook voor zorgen dat mensen vanaf 1 april zelf rechtstreeks terechtkunnen bij een arbeidsbemiddelingsdienst, vanaf het moment dat ze zes maanden arbeidsongeschikt zijn. Nu kan dat pas na één jaar. Ook de routing via de arbeidsarts naar de arbeidsbemiddelingsdienst zullen we wettelijk verankeren. Er mag geen verkeerde deur zijn op de weg naar werk.

Nu kom ik tot de rol van de werkgevers. Overeenkomstig de derde golf van maatregelen, die nu besproken wordt in de schoot van de regering, zal een preventieadviseur-arbeidsarts altijd verwittigd moeten worden wanneer er een attest van arbeidsongeschiktheid is en binnen de maand contact moeten leggen met de betrokken werknemer. Als er nog arbeidspotentieel is, zal de werkgever binnen de zes maanden een aangepast traject moeten voorstellen. De werkgever zal ook financieel geresponsabiliseerd worden. Voor de eerste twee maanden van de ziekte-uitkering zal hij zelf een deel moeten betalen. Die financiële responsabilisering gaat over een aanzienlijke som geld. Als iemand geen contract meer heeft bij een werkgever, maar wel nog arbeidspotentieel heeft, zal hij zeer snel zelf contact moeten leggen met de arbeidsbemiddelingsdiensten. Met andere woorden, de idee dat we de werkgever niet zouden aanspreken is onjuist. Minister Clarinval zal in onderlinge afspraak maatregelen voorleggen, maar ook de werkgevers worden dus geresponsabiliseerd.

Madame Reuter, vous avez posé une question concernant le questionnaire qui est envoyé après 10 semaines d'incapacité de travail.

Conformément à l'accord de gouvernement, nous allons voir s'il n'est pas préférable que ce questionnaire soit envoyé par le médecin du travail, en fonction des actions qu'il doit entreprendre. C’est un point que nous examinons actuellement avec mon collègue Clarinval.

Mevrouw Lanjri, u vond de arbeidsparticipatietoeslag een goed idee en ik eveneens. Helaas werd die afgevoerd, aangezien daarover geen akkoord werd gevonden bij de regeringsvorming. Dat is op dit ogenblik dus niet aan de orde.

Zie daar mijn antwoord, met mijn excuses dat het een beetje is uitgelopen.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, je vous demande de faire un effort à l’avenir. Vous avez parlé 20 minutes alors que votre temps de parole était de 10 minutes. Je suis obligé de faire respecter les temps de parole des parlementaires mais aussi des ministres. Je vous demande donc un petit peu d’attention, monsieur le ministre, à propos du temps de parole.

Robin Tonniau:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden.

U bent inderdaad minister van Volksgezondheid, maar u zit vast in een regering die gedomineerd wordt door rechts. Wat zijn de gevolgen? U moet een rechts beleid voeren en verhoogt de flexibiliteit. Zo promoot de regering nachtwerk, onder andere in e-commerce, en flexi-jobs en ze vermindert de vaste contracten. Met andere woorden, u creëert de toekomstige zieken van bij de start van een loopbaan.

Een regering die ideologisch rechts wordt gedomineerd, probeert ook een zo groot mogelijke arbeidsreserve te creëren. Hoe doet ze dat? Eerst dwingt ze mensen langer te werken door de pensioenleeftijd te verhogen, zodat ze actief blijven op de arbeidsmarkt. Ten tweede neemt ze werkzoekenden hun werkloosheidsuitkering af, zodat ze verplicht zijn zich te wenden tot de slechtst betaalde jobs, gewoon om te kunnen overleven. Ten derde controleert ze zieken en verplicht ze hen zich weer op de arbeidsmarkt te begeven, ook al zeggen die dat ze ziek zijn en niet meer arbeidsgeschikt. Dat alles verhoogt de arbeidsreserve, zodanig dat de werkgevers de lonen kunnen drukken. Die drie belangrijke maatregelen neemt u op vraag van de werkgevers.

Er komt een massa extra personeel op de arbeidsmarkt, maar waar zijn de jobs? Jobs voor langdurig zieken zijn er niet. Het ultieme jobaanbod voor werkzoekenden komt er niet. Jobs voor zestigplussers zijn er evenmin. Met andere woorden, u verergert de situatie.

Tot slot beweert u dat de werkgevers worden aangepakt, maar vandaag de dag krijgen heel veel werknemers die naar hun werkgever stappen met de vraag om aangepast werk, dat aangepast werk niet. Uiteindelijk worden die om medische redenen ontslagen en komen ze in het circuit terecht waartegen u nu wilt optreden.

Mijnheer de minister, pak alsjeblieft de problemen aan bij de bron, op de werkvloer.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, ik vind het schrijnend om vast te stellen dat in ons land voor elke tien werkenden er één persoon langdurig ziek is. Dat cijfer ligt veel hoger dan elders: we scoren het slechtst van heel Europa. Wat nog verontrustender is, is uw opmerking dat wie langer dan twee jaar ziek was, in feite opgegeven was. Er was nauwelijks nog contact met hen, er werden geen aanvragen meer ingediend en ze werden niet meer geëvalueerd.

Hoe is het zo ver kunnen komen? Voor een deel ligt de verantwoordelijkheid misschien bij de beleidsvoerders, maar wellicht ook bij degenen die konden werken en zich niet meer aanboden op de arbeidsmarkt. Het is goed dat we dat opnieuw aanpakken. Zo niet is het een verlies voor onze samenleving, want dat potentieel hebben we nodig. De arbeidsmarkt schreeuwt om arbeidskrachten, collega’s.

U vraagt zich af welke jobs we de langdurig zieken kunnen aanbieden. Vandaag raken 170.000 vacatures niet ingevuld. Er zijn dus wel degelijk jobs, maar ik ben ervan overtuigd, mijnheer de minister, dat de groep mensen die al jarenlang ziek thuis zit, niet zomaar een-op-een aansluit op die vacatures. Er zal echt moeten worden ingezet op begeleiding naar de arbeidsmarkt. Tegelijk moeten ook de werkgevers ervan bewust worden gemaakt dat ze misschien niet de witte raaf zullen vinden die vanaf dag 1 alles perfect kan of onmiddellijk 100 % meedraait. Er is dus waarschijnlijk ook een mentaliteitswijziging nodig bij werkgevers.

Ik hoop dat u niet alleen de arbeidsbemiddelingsdiensten aanspreekt, maar ook de werkgevers aanspoort om hun verantwoordelijkheid te nemen. Als we de vacatures ingevuld willen zien, zullen we ruimte moeten creëren voor wie al lang niet meer actief op de arbeidsmarkt was, onder andere de langdurig zieken. Alleen met de langdurig werklozen komen we er niet; die groep is veel te klein.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, u merkt op dat uw maatregelen ingegeven zijn door sociale overwegingen en gezondheidsoverwegingen. U wilt enkel mensen die jarenlang aan de kant zijn gezet, nieuw perspectief bieden en inzetten op wat ze nog kunnen. Dat is uiteraard een nobel uitgangspunt. U erkent tegelijk – daar zijn wij het mee eens – dat sommige langdurig zieken nooit meer aan het werk zullen kunnen. Precies daarom is zorgvuldigheid cruciaal.

Wanneer u echter zegt dat u 100.000 langdurig zieken opnieuw wilt laten controleren, schept u bij het brede publiek de indruk van een massale hercontrole. Dat brengt bij veel langdurig zieken ongerustheid en angst teweeg. Wij moeten vermijden dat zij worden gestigmatiseerd. Het lijkt alsof bijna ieder van hen een fraudeur zou zijn.

Wij zijn het er zeker over eens dat het in de eerste plaats gaat om mensen die vaak jarenlang worstelen met zware gezondheidsproblemen. U stelt dat behandelende artsen of specialisten zullen instaan voor de beoordeling via eenvoudige templates en dat er begeleiding komt via de ziekenfondsen. Dat betekent echter wel een bijkomende taak voor huisartsen of specialisten, terwijl de eerstelijnszorg al zwaar onder druk staat.

Transparante communicatie en voldoende ondersteuning zijn geen details en hoeven niet enkel van de ziekenfondsen te komen, ze zijn een absolute voorwaarde om het project geloofwaardig te maken. Het moet ook transparant en goed worden gecommuniceerd door de overheid zelf.

Hoe zult u garanderen dat het traject echt leidt tot duurzame re-integratie en niet tot een verschuiving van verantwoordelijkheid? Een werkgever financieel responsabiliseren is één zaak, maar dat werkt enkel als er ook effectief jobs, aangepast werk en re-integratietrajecten beschikbaar zijn. In het andere geval blijft het traject een papieren oefening.

Ik hoop dus dat u de violen stemt met minister Clarinval en dat u beiden met een volledig project komt dat, op basis van wat haalbaar is voor de betrokken langdurig zieke, hem of haar daadwerkelijk stimuleert om opnieuw aan de slag te gaan.

Florence Reuter:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses.

C'est vrai que c'était peut-être un peu long, mais c'est un sujet qui demande du temps, monsieur le président. C'est la rentrée parlementaire. Il est donc normal que nous prenions le temps de parler de sujets importants.

Monsieur le ministre, vous avez parlé de vision simpliste. Je vous rejoins là-dessus. Je pense qu’on a tendance à voir tous les malades de longue durée comme des personnes totalement inaptes à tout, et on oublie de dire que le travail est aussi une source d'épanouissement personnel, de bien-être. C'est aussi la satisfaction d'avoir un rôle dans la société. Mais il faut évidemment tenir compte des réalités et des problèmes médicaux de chacun, qu'ils soient physiques ou mentaux.

Sans doute, après une longue période d'inactivité, certains ont tout simplement peur de retourner au travail, parce qu'ils sont perdus, d'où l'importance de les accompagner de façon plus individuelle et de voir comment les réorienter, leur redonner le goût de l'effort, du travail accompli.

Je pense que si on leur facilite réellement cette réinsertion professionnelle, avec cet accompagnement-là, certains ne céderont plus à cette facilité de finalement rester à la maison, puisqu'après un an, ils sont en incapacité.

Je vous suis totalement sur les mesures à prendre, que vous prendrez avec le ministre Clarinval. Elles ne sont pas purement économiques, comme vous l'avez dit. Il s'agit vraiment d'une question de rôle dans la société. Pour ça, il faut changer les mentalités et cela demande des mesures fortes. Vous pourrez compter sur nous pour soutenir ces mesures.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, uw uitgebreide antwoord neemt inderdaad wat tijd in beslag, maar het bevat veel nieuwe informatie. Ik ben bijzonder blij dat u daar de tijd voor hebt genomen.

Uw uitleg heeft wel nog een aantal bijkomende vragen doen rijzen.

We moeten langdurig zieke werknemers bij ons houden. Het is absurd dat hen in al die jaren nooit een kans – u noemt het een controle –, een toekomst geboden werd. Klopt het dat de wet van 2024 vooral slaat op wie nieuw in het systeem belandt, terwijl de aangekondigde maatregel nu bedoeld is voor wie al jaren in het systeem van de langdurige zieken zit? Dat lijkt me louter positief.

U had het over de vierde golf. Aangezien ik daar voor het eerst over hoor, heb ik daar een aantal vragen bij. Is het mogelijk om ook de 200.000 andere langdurig zieken net als de groep van 100.000 langdurig zieken bij de maatregel te betrekken?

Het woord hercontroleren vind ik wat hard uitgedrukt, aangezien het toch de bedoeling is die mensen bij ons te houden en hen een toekomst te bieden. Na de oproeping door het ziekenfonds zal men bij de huisarts moeten langsgaan, die een attest zal moeten verstrekken. Een huisarts kan zeker een fit note opstellen, maar hij heeft ook een bepaalde vertrouwensband mijn zijn patiënten, waardoor de vraag zich opdringt of hij de juiste actor is om de arbeidsgeschiktheid te evalueren. Hoe ziet u de verhouding tussen de huisarts en het ziekenfonds? Wie zal de finale beoordeling maken?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden.

Mijnheer de minister, de weg naar de hel is geplaveid met goede bedoelingen. Jammer genoeg is uw palmares van de voorbije vijf jaar niet van dien aard dat we u nu op uw woord kunnen geloven dat uw maatregel de grote gamechanger wordt. De cijfers en de realiteit op het terrein zullen het uitwijzen. Hoe dan ook moeten we vandaag jammer genoeg vaststellen dat België de slechtste leerling van de klas is in de Europese Unie.

De fundamentele problematiek van de langdurige zieken is niet nieuw; het komt zeker niet onverwacht. In die zin vinden we uw aankondiging alsof uw maatregel een kleine revolutie betekent, enigszins bevreemdend, des te meer aangezien u al vijf jaar bevoegd bent. Het klinkt bovendien heel erg zuur dat de langdurig zieken slachtoffer van het systeem zijn, een systeem dat hen miskent. U bent immers samen met de voltallige regering verantwoordelijk voor het systeem. Als het systeem bijgestuurd moet worden, kondigt u dat best ook zo aan.

U hebt wel opgelijst welke hervormingen u al in het domein hebt gedaan en geeft aan dat er doorgepakt moet worden en dat er een vierde hervorming moet komen. Als u eerlijk bent, moet u toegeven dat, als er compleet naast een groep langdurig zieken wordt gekeken, met wie er geen contact meer is, het met de drie eerdere hervormingen fout is gelopen. Ik vind het dan ook heel erg schrijnend dat u nu de huisartsen, die al moegetergd zijn door maatregelen en aankondigingen, die al overbevraagd en ondergefinancierd zijn, een nieuwe taak wilt geven, een taak die niet matcht met hun deontologische code en met de vertrouwensband met hun patiënten, terwijl ze niet eens opgeleid zijn om te beoordelen of iemand wel of niet in een bepaalde job kan terugkeren. Wat ons betreft, is dat absoluut een foute aankondigingspolitiek.

Frank Vandenbroucke:

Monsieur le président, je voudrais corriger une erreur d'interprétation.

Ik zal niet reageren op een aantal polemische opmerkingen, maar ik wil voor de duidelijkheid wel nog het volgende zeggen, onder meer omdat mevrouw Demesmaeker en ook mevrouw De Knop dat hebben aangestipt. Ten eerste, het gaat niet alleen over huisartsen. Vaak zullen het huisartsen zijn, maar het gaat over artsen. Ten tweede, de arts, bijvoorbeeld de huisarts, evalueert in ons systeem niet zelf. Er komt een aanvraag waarin elementen worden aangereikt, maar de evaluatie, dus de beoordeling, gebeurt door de adviserend arts van het ziekenfonds. Dat is de geest waarin we zullen blijven werken. Dat is belangrijk.

Nahima Lanjri:

Mag ik voorstellen, mijnheer de voorzitter, omdat dit een interessant debat is en we zien dat de tijd te kort is, om daar eventueel een themacommissie over te organiseren? Dan hebben we een uurtje de tijd om met de minister van gedachten te wisselen. Ik weet dat we de timing moeten respecteren, daarom doen we dat nu niet. Het lijkt me echter goed dat we hierover een themacommissie houden. Is dat mogelijk, mijnheer de voorzitter?

Voorzitter:

Je fais respecter le Règlement.

Nahima Lanjri:

Ja, maar daarom ga ik net akkoord met u om dat ook te doen. We respecteren de tijd, maar mijn vraag is of we misschien een andere keer een themacommissie kunnen organiseren, niet vandaag, maar op een later moment. Dat is mijn vraag aan u.

Voorzitter:

Cela doit être discuté durant l'ordre des travaux, madame Lanjri. On ne règle pas cela de manière impromptue. Par ailleurs, je souhaite ajouter en guise d'explication que, lorsque le ministre remet une pièce, je suis tenu par le Règlement – qui établit que le dernier mot revient au Parlement – de vérifier si vous souhaitez prendre la parole. Si je ne le fais pas, je ne respecte pas le Règlement et vous savez combien j'aime l'appliquer scrupuleusement. Les questions n ° 56004977C, n° 56005900C et n° 56006231C de Mme Taton sont reportées, ainsi que la question n ° 56007608C de Mme Bury. La question n° 56007368C de Mme Désir, qui est absente, est sans objet.

De studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen over langdurig zieken
De stijging van het aantal langdurig zieken onder zelfstandigen
De resultaten van de studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen over langdurig zieken
Langdurig ziekteverzuim bij zelfstandigen en werknemers

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een alarmerende stijging van 73% langdurig zieken (vooral door burn-outs, depressie en fysieke overbelasting) treft met name jongeren, vrouwen en zelfstandigen (+50% in 6 jaar), vooral in de zorgsector door hoge werkdruk en precair statuut. Minister Vandenbroucke benadrukt preventie, vroege opsporing en maatwerkbegeleiding via een masterplan geestelijke gezondheid, betere eerstelijnszorg en het IPS-model (intensieve re-integratiebegeleiding), met focus op psychische en musculoskeletale aandoeningen. Zelfstandigen – vaak oudere werknemers die gedwongen ondernemen door gebrek aan vaste contracten – vragen specifieke aandacht, maar concrete maatregelen ontbreken nog. Kritische vragen blijven over systeemfouten in de zorg (overbelasting, financiële prikkels) en de coördinatie met deelstaten voor een gezamenlijk preventieplan.

Robin Tonniau:

Een nieuwe studie van de Onafhankelijke Ziekenfondsen toont aan dat het aantal langdurig zieken in een half jaar tijd met 73 % is gestegen. Dat is natuurlijk enorm veel. Jonge mensen hebben vaker last van burn-outs. Vrouwen zijn in die groep nog altijd oververtegenwoordigd. Het zijn nog steeds dezelfde sectoren waarin mensen vaker langdurig uitvallen.

De studie toont echter ook aan dat vooral zelfstandigen steeds vaker langdurig uitvallen. In zes jaar tijd is het aantal langdurig afwezige zelfstandigen met bijna 50% gestegen. Professor Lode Godderis, arbeidsgeneeskundige en CEO van de preventiedienst IDEWE, zegt dat die evolutie te maken heeft met veranderingen op de arbeidsmarkt. Veel oudere werknemers worden bijvoorbeeld zelfstandigen, niet omdat dat hun kinderdroom was, maar omdat ze gewoonweg geen vast contract meer krijgen. Vooral in sectoren zoals de zorg, waar de uitval al het hoogst is, starten oudere werknemers als zelfstandigen.

Volgens de Onafhankelijke Ziekenfondsen moet het beleid beter afgestemd worden op de individuele patiënten. De one-size-fits-allaanpak werkt niet. Bepaalde groepen, zoals zelfstandigen, hebben nu eenmaal nood aan begeleiding op maat.

Mijnheer de minister, zult u met dat onderzoek aan de slag gaan? Zult u nader onderzoeken wat de oorzaak is van de sterke stijging van uitval bij zelfstandigen? Zult u onderzoek voeren naar de werkdruk en naar de veranderingen op de arbeidsmarkt?

Eva Demesmaeker:

Ik wil het ook over diezelfde studie hebben, want 73 % op 11 jaar tijd, dat is gigantisch veel.

We merken dat een derde van de uitvallers door fysieke overbelasting tussen 50 en 59 jaar oud is. Bij jongeren merken we vooral dat die uitval het gevolg is van burn-outs, depressie en dergelijke. Algemeen is het aantal burn-outs ook verdubbeld, wat een opvallend cijfer is, naast de toename van het aantal langdurig zieken bij zelfstandigen.

Het hoeft geen betoog, zoals we al aanhaalden, dat de strijd tegen langdurige ziekte en de poging om mensen opnieuw te activeren absolute prioriteit moeten krijgen, niet alleen omwille van het sociale aspect, maar ook om mensen weer aan de slag te krijgen, zodat zij opnieuw perspectief krijgen.

Wat is uw reactie op de studie? Welke facetten hebben uw bijzondere aandacht gekregen?

Welke maatregelen mogen wij van de regering verwachten, specifiek om het aantal burn-outs te verlagen en vooral niet te laten exploderen, om de zelfstandigen weerbaarder te maken alsook om fysieke overbelasting bij de oudere werknemers tegen te gaan?

Zal er met het oog op het luik preventie overleg worden gepleegd met de deelstaatregeringen om tot een gezamenlijk actieplan te komen?

Ik weet dat de regering een ambitieus plan heeft opgenomen in het regeerakkoord, waarvan de krijtlijnen al in april werden toegelicht. Wanneer mogen wij dat plan in de Kamer verwachten?

François De Smet:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.

Selon une étude des Mutualités Libres sur les cause d'incapacité de travail, les troubles psychiques et musculosquelettiques dominent les causes d’incapacité, représentant près de 55% des nouvelles incapacités et près de 70% des maladies de longue durée. Le surmenage, y compris le burn-out, a connu une hausse de 94% depuis 2018, avec plus de 11 000 cas en 2024, tandis que la dépression suit de près avec plus de 6 000 dossiers.

Quelles sont les actions spécifiques que votre cabinet prévoit pour renforcer la prévention, le dépistage précoce et la prise en charge des affections psychiques et musculosquelettiques, en particulier pour les jeunes et les femmes, qui sont les plus touchés par ces affections?

Les Mutualités Libres appellent à une stratégie cohérente et transversale, incluant le renforcement de la médecine du travail et l’amélioration de la prise en charge des affections psychiques. Comment comptez-vous coordonner cette stratégie avec les autres départements ministériels et les acteurs de terrain, et quelles initiatives concrètes seront développées pour garantir une meilleure intégration de la prévention et du suivi dans le parcours de soin des personnes en incapacité de travail? ​

Frank Vandenbroucke:

L'étude des mutualités libres confirme une tendance que nous observons depuis un certain temps dans les chiffres de l'INAMI et des mutualités.

Les troubles psychiques et musculosquelettiques sont aujourd'hui les causes dominantes d'incapacité de travail. Cela vaut tant pour les nouvelles incapacités que pour les malades de longue durée que l'on connaît déjà dans les chiffres. Le constat que le burn-out et la dépression augmentent fortement, en particulier chez les jeunes et chez les femmes, est préoccupant. C'est en même temps une confirmation que notre politique doit avant tout se concentrer sur la prévention, le dépistage précoce et un accompagnement personnalisé.

L'accord de gouvernement s'inscrit pleinement dans cette vision, marquant ainsi sa volonté de mettre en place un plan global de prévention et de retour au travail, où la santé constitue un axe important, et ce, tant sur le plan des troubles musculosquelettiques que des troubles mentaux.

Concrètement, nous travaillons sur plusieurs axes.

Premièrement, j'ai approfondi mes actions dans un masterplan de santé mentale, comme un nouveau modèle de santé. Dans ce programme, je rends les soins psychologiques financièrement accessibles à ceux qui en ont besoin.

Deuxièmement, j'ai demandé à l'administration d'analyser dans quelle mesure l'emploi et l'incapacité de travail peuvent jouer un rôle plus explicite dans le cadre de la convention psychologie de première ligne. Pour les personnes souffrant de troubles psychiques légers et modérés – groupe cible de la convention –, il est très important de se concentrer sur la prévention de l'incapacité de travail. À cette fin, il faut accompagner les psychologues et les médecins généralistes avec des outils concrets. Nous y travaillons donc.

Troisièmement, pour les personnes confrontées à une maladie psychique modérée à sévère, dans certains cas un retour au travail n'est possible qu'avec un accompagnement intensif. Ceci est ouvert par le biais de la méthodologie du placement et de l'accompagnement individuel (IPS). Un des principes clés qui sous-tendent ce modèle consiste à accompagner ces personnes vers la recherche d'emploi le plus tôt possible et à continuer à leur offrir un accompagnement individualisé et soutenu après qu'elles aient trouvé un emploi. La valeur ajoutée de la méthodologie IPS a été démontrée à plusieurs reprises à l'étranger et les résultats au sein de l'assurance indemnité belge semblent aller dans le même sens. Les résultats finaux sont attendus en 2026.

Ik kom nu bij het vierde punt. We zijn daar in de vorige legislatuur al mee gestart en dat is daarnet al aan bod gekomen. We hebben golven van maatregelen en ik zal daar niet op terugkomen, maar ik vind het wel belangrijk dat werk deel uitmaakt van het gezondheidsherstelproces en dat de behandelend artsen daarin een centrale rol spelen. Dat is belangrijk in het begin van de arbeidsongeschiktheid, maar ook wanneer die verder doorloopt.

Tot daar mijn antwoord op de gestelde vragen.

De heer Tonniau had ook nog een vraag met de focus op de zelfstandigen. Ik heb daarop nu niet geantwoord, mijnheer Tonniau, maar inderdaad, ik vind dat een apart aandachtspunt dat we moeten ontwikkelen. Ik ben het daarmee eens.

Robin Tonniau:

Toen ik zelf de studie bekeek, was ik ook verrast door de resultaten over het aantal zelfstandigen dat uitvalt en het feit dat dat aantal stijgt. Toen ben ik gaan nadenken. Binnen de maatschappij leeft inderdaad het beeld van de hardwerkende zelfstandige die tot de dag voor zijn dood kan doorwerken. Daartegenover staat de karikatuur van de werknemer die met een gebroken vingernagel een week lang thuis op zijn gemak zit. Die studie toont aan dat dit niet het geval is, dat zowel de werkdruk bij de werknemers als bij de zelfstandigen op een bepaald moment zo hoog kan zijn dat een mens kraakt en ziek wordt, zeker nu we langer moeten werken.

Ik lees dat dit zich vooral voordoet bij zelfstandigen die actief zijn in de zorg. Mijn moeder heeft heel haar leven in de zorg gewerkt. Zij heeft de laatste 10 jaar van haar carrière vaak verteld over collega’s die stoppen en dan als zelfstandige aan de slag gaan in de zorg. Ze doen dat omdat ze meer geld kunnen verdienen en meer uren kunnen kloppen, maar ze moeten dan ook effectief meer uren kloppen. We zien die tendens in rusthuizen, ziekenhuizen en de thuisverpleging.

Ik stel voor dat we dat bekijken en dat u dat onderzoekt. Heeft het ene iets met het andere te maken? Is dat het zorgsysteem dat we willen, voor de werknemer enerzijds en voor de patiënt anderzijds? Het lijkt me van niet, maar misschien zullen die studies iets anders aantonen.

Eva Demesmaeker:

Bedankt voor uw antwoord, mijnheer de minister.

François De Smet:

Je remercie simplement le ministre.

Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
Drugs in de gevangenis van Haren en de bedreiging van het personeel
Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
De grootschalige gerechtelijke operatie in Haren
De personeelsformatie van de gevangenis van Haren en de veiligheid in die strafinrichting
Het onderzoek naar corruptie in de gevangenis van Haren
Corruptie, drugs en veiligheidsproblemen in de gevangenis van Haren

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De grootschalige corruptieoperatie in gevangenis Haren (12 arrestaties, waaronder cipiers en gedetineerden) onthult diepgewortelde drugs- en intimidatieproblemen, waarbij criminelen via druk op personeel en gedetineerden met uitgaansvergunning illegale netwerken binnen de gevangenis bestendigen. Minister Verlinden kondigt verstrengde maatregelen aan: verplichte drugstesten, dronedetectie, anonieme meldpunten, isolatieregimes voor zware criminelen, versterkte screening bij aanwerving en weerbaarheidstrainingen, maar parlementsleden benadrukken dat praktische uitvoering en bescherming van personeel (anonimiteit, psychologische ondersteuning) dringend moeten verbeteren om vertrouwen in het systeem te herstellen. Overbevolking, onderbezetting en externe dreigingen (brandstichting, agressie) verergeren de crisis, terwijl samenwerking met politie en justitie cruciaal is—met Nederland en Frankrijk als voorbeeld voor strengere controles. Critici vrezen dat corruptie en drugshandel zich naar andere gevangenissen verspreiden en dat reïntegratie en werving van personeel in gevaar komen zonder structurele, snelle oplossingen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, in de gevangenis van Haren heeft een grootschalige gerechtelijke operatie plaatsgevonden in het kader van een corruptieonderzoek. Volgens de media – u zult daarover meer toelichting geven – zijn er in totaal 12 mensen opgepakt. Volgens bepaalde bronnen gaat het om onder meer cipiers en andere personeelsleden, maar ook om gedetineerden die hun criminele activiteiten vanuit de gevangenis voortzetten.

Kunt u meer toelichting geven over die grootschalige gerechtelijke operatie? Kunt u de informatie uit de media bevestigen, met name dat het onderzoek zowel gericht zou zijn tegen cipiers en personeelsleden van de gevangenis als tegen gedetineerden? Heeft de gerechtelijke operatie een impact op de gevangenisorganisatie en hoe wordt dat desgevallend opgevangen? Tot slot, hebt u kennis, mevrouw de minister, van andere gevallen van corruptie in andere gevangenissen?

Stefaan Van Hecke:

Ik wil het iets ruimer bekijken. We hebben in de pers gelezen dat penitentiaire bewakingsassistenten, die zelf betrokken zouden zijn bij het binnenbrengen van drugs, het voorwerp zouden zijn van een onderzoek. Ik denk dat we ook naar de bredere aanpak moeten kijken.

Hoe pakken we dat aan? We weten namelijk ook dat er vanuit het criminele milieu soms zware druk wordt uitgeoefend op penitentiaire bewakingsassistenten. Er zijn voorbeelden van wagens die op de oprit in brand worden gestoken. De criminelen weten vaak waar de cipiers wonen. Ze zetten hem of haar, of de familie, onder druk om bepaalde zaken geregeld te krijgen. Hetzelfde geldt voor medegedetineerden die bijvoorbeeld een uitgaansvergunning hebben. Gedetineerden oefenen vaak heel zware druk uit op hun medegedetineerden die naar buiten kunnen. Zij worden onder druk gezet om drugs binnen te smokkelen. Men heeft schrik, want het gaat vaak om zeer zware criminelen. Die druk geldt voor de gedetineerden zelf en voor hun families.

Natuurlijk kunnen we zeggen – dat is een debat voor 1 oktober – dat er aan het einde van de rit een drugtest wordt uitgevoerd. Het probleem in se is echter de vraag hoe die drugs binnenkomen en welke criminele organisatie druk uitoefent op wie om wat te doen.

Beleidsmatig is dat volgens mij een belangrijk punt, waaraan we aandacht moeten besteden. Hoe beschermen we de penitentiair beambten? Kunnen we dat effectief doen? Er zijn er misschien die het gewoon voor het geld doen, maar er is ook het element van druk op personeel en op medegedetineerden.

Mijn vragen gaan daarover. Welke acties worden ondernomen en op welke manier kunnen we dat beter aanpakken? Hoe worden meldingen van bedreigingen of druk opgevolgd? Hebt u weet van druk op gedetineerden met een uitgaansvergunning? Zijn daar meldingen van en hoe wordt dat aangepakt? Met andere woorden, hoe pakt u dat breder aan, gelet op wat er in de actualiteit is verschenen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, de feiten zijn door collega Dillen al geschetst. Wat in Haren gebeurd is, de politieactie en de arrestaties, toont opnieuw aan hoe groot de uitdagingen zijn voor ons gevangeniswezen. Ik ben daar toch wel bezorgd over. Waarom? Omdat het nu net Haren betreft. Dat is een nieuwe, moderne instelling, die symbool zou moeten staan voor een veiligere en professionelere detentieomgeving. Zoals collega Van Hecke net zei, zullen penitentiair beambten misschien af en toe verleid worden, niet op een romantische, maar op een verkeerde manier. Ik denk dat ze ook vaak onder druk worden gezet door gedetineerden of door hun entourage. We weten allemaal uit eerdere feiten dat ook hun familieleden soms geviseerd worden.

Zoals collega Van Hecke zei, worden ook gedetineerden met een uitgaansvergunning soms onder druk gezet om nadien een en ander de gevangenis weer binnen te smokkelen. Al die feiten hebben we intussen al vaak gehoord. Ik denk dat dat, mevrouw de minister, het vertrouwen in het gevangeniswezen echt ondermijnt. Een grondige aanpak is volgens mij heel erg nodig. Veiligheid in en rond de gevangenissen is een noodzakelijke randvoorwaarde voor de veiligheid van onze samenleving in haar geheel. Ik heb in dat verband enkele vragen voor u.

Hoe worden de penitentiair beambten vandaag eigenlijk gescreend bij hun aanwerving? We weten dat het, zo heb ik destijds nog aangekaart, in Haren al eens te snel moest gaan. Heeft dat een impact?

Eens ze aan de slag zijn, mevrouw de minister, welke integriteits- en weerbaarheidsmodules zitten er in hun opleiding? Hoe kunnen ze gewapend worden tegen verleiding, druk en intimidatie?

Kunnen we in meldpunten en steunmechanismen voorzien voor personeel dat wordt geconfronteerd met bedreigingen? Wordt dat opgevolgd? Hebt u signalen dat er gedetineerden zijn waarop druk is uitgeoefend wanneer zij penitentiair verlof of uitgaansvergunningen kregen? Welke maatregelen zult u op korte termijn nemen om de instroom van drugs in de gevangenissen tegen te gaan en de problematiek in brede zin aan te pakken?

Tot slot, mevrouw de minister, in Nederland heeft men een verstrengd veiligheidsregime voor de zwaarste drugscriminelen. Zouden we dat ook kunnen overwegen? Is daar een wetgevend initiatief voor mogelijk? Moeten we dat dan niet grondig bekijken?

Alain Yzermans:

Mijn vragen liggen in dezelfde lijn, maar ik wil het nog even benaderen vanuit een algemene filosofie, zoals de heer Van Hecke daarnet deed. Aan de ene kant is het een slag in het gezicht van de goed werkende ambtenaren, de goed werkende cipiers die het beste van zichzelf geven en die zich schamen voor deze toestanden. Ze hebben dat zelf gezegd: dit gebeurt tegen de achtergrond van de overbevolking, ook in de gevangenis van Haren, waar we gedurende een jaar veel berichten hebben gekregen over geweld, binnen en buiten de gevangenis, met betrekking tot deze misdaadscene. Die situatie vraagt om meer aandacht voor beter opgeleid personeel.

Ineens ziet men een landschap ontstaan waarin het misdaadcircuit ook binnen de gevangenis aanwezig is, niet alleen in Haren. Zo komen we in een hybride situatie terecht. De vervaging tussen de misdaad buiten de gevangenis en die binnen de gevangenis vormt eigenlijk een geheel met de maatschappij. Om het met een boutade te zeggen: drugs en de drugshandel dreigen stilaan het gevangenisleven over te nemen. Er zijn contacten, er is een vervaging van waarden en normen, ook ten aanzien van cipiers en personeelsleden. Dat wordt een groot probleem. De drugshandel binnen de gevangenissen maakt steeds meer deel uit van het normale circuit. Ik vind dat alarmerend.

We moeten daar goed over nadenken. Het is inderdaad een opdracht van het beleid om te bekijken hoe we dit kunnen voorkomen. Hoe pakken we het drugsbeleid ten gronde aan? Niet alleen met de drugstesten – dat hebben we daarnet gezegd – die binnen een paar weken goedgekeurd zullen worden. Hoe raken die drugs daarbinnen? Hoe gaat men om met dat soort circuits? Worden die gemonitord? Wordt dat in kaart gebracht? Dat is volgens mij een apart vraagstuk, dat zeker onderzoek vraagt.

Ten eerste is mijn vraag hoe we omgaan met corrumperend gedrag bij dergelijke mensen. Ik denk dat daartegen heel strikt en duidelijk moet worden opgetreden.

Ten tweede, wordt de drugsproblematiek geïnventariseerd, in kaart gebracht en goed gemeten?

De overbevolking, die daarstraks ook tijdens de hoorzitting aan bod kwam, vraagt andere opleidingen en andere screenings, zoals daarnet ook door de collega werd gesteld.

Wat gebeurt er met de personeelsleden die hierbij betrokken zijn? Zijn er schorsingen? Worden zij op non-actief gezet? Hoe gaat men daarmee om?

Uiteraard moeten we ook aandacht hebben voor de bescherming van het bestaande personeel, dat onder druk van die circuits stilaan in een fase van permanente dreiging en intimidatie komt.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, avant toute chose, j'espère que vos équipes et vous-même avez pu profiter de vos vacances. Je suis sûr que nous vous avons manqué et que vous êtes ravie de passer à nouveau des après-midis avec nous à répondre aux questions orales.

Plus sérieusement, la prison de Haren incarnait effectivement la promesse d'une modernisation, d'une sécurisation, du désengorgement de notre système carcéral, de la fermeture de la prison de Saint-Gilles, de meilleures conditions de détention et de meilleures conditions de travail pour les agents.

Aujourd’hui, c’est en réalité tout l’inverse: la prison est surpeuplée, fonctionne en sous-effectif, et la sécurité des détenus comme celle des agents n’y est pas du tout assurée, sans parler de celle des riverains – certains étant même menacés – et des visiteurs, en raison de ce qui gravite autour de l’établissement.

Le point culminant de tout cela a été l’interpellation de 12 agents pénitentiaires pour corruption publique. Une enquête et une information judiciaire sont en cours. Sans être exhaustif, en novembre 2024, la voiture d'un agent a brûlé devant son domicile. Quelques jours plus tard, un cocktail Molotov s'est écrasé sur la façade d'un autre agent. En mars 2025, trois agents ont été agressés. En juin 2025, un ex-détenu a agressé un agent sur le parking de la prison. Le même mois, trois autres agents ont été agressés. Des vidéos circulent aujourd'hui sur les réseaux sociaux et attestent que des "livraisons" sont réalisées par-dessus les murailles de la prison.

Madame la ministre, il faut que cela cesse. Il faut sécuriser les infrastructures de la prison. Il faut assurer la protection des agents. Chaque travailleur – en ce compris les agents pénitentiaires – doit pouvoir travailler dans des conditions décentes, dignes et sûres. La peur n'est pas dans le cahier des charges ni dans le descriptif des fonctions des agents pénitentiaires.

Madame la ministre, que comptez-vous faire pour assurer la sécurité des infrastructures de la prison de Haren? Quelles mesures ont été prises pour assurer un cadre complet suite aux 12 arrestations, puisque cela représente quand même 12 agents? Comment comptez-vous lutter contre ces agressions, tant à l’intérieur qu’à l’extérieur de la prison? Je vous remercie.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, de voorvallen in de gevangenis van Haren, evenals een aantal feiten van de afgelopen maanden, tonen aan dat de georganiseerde criminaliteit niet stopt aan de gevangenismuren, maar verder reikt. Het is terecht dat u het tegengaan daarvan tot een prioriteit maakt. Daarvoor zijn heel wat extra middelen voorzien en de strijd wordt opgevoerd via tal van initiatieven, zoals het opsporen van telefoons, het jammen van signalen, de inzet van IT-speurhonden, het tegengaan van drugs en drones die worden gebruikt om bepaalde goederen te droppen. Dat zijn allemaal goede maatregelen.

Daarnaast zien we dat er, naast het overgrote deel van het personeel dat uitstekend werk levert, ook problemen zijn met een aantal personeelsleden die onder druk worden gezet.

Mevrouw de minister, hoe worden de cipiers momenteel opgeleid om te kunnen omgaan met intimidaties vanuit het criminele circuit, ook wat betreft deontologie en dergelijke?

Welke plannen bestaan er om de weerbaarheid van het gevangenispersoneel verder te versterken, meer bepaald met betrekking tot de verschillende maatregelen om die criminele circuits in de gevangenis tegen te gaan?

Wanneer zullen mobiele telefoons opgespoord kunnen worden en wat is de exacte timing?

Hoe verloopt de opleiding van de zogenaamde IT-speurhonden, om op die manier die zaken binnen de gevangenismuren aan te pakken?

Voorzitter:

Comme indiqué, d'autres membres qui ne se seraient pas inscrits ont la possibilité de le faire. J'ai une demande de M. De Smet.

François De Smet:

Bonjour, madame la ministre, je vous souhaite une année de travail la plus fructueuse possible. Je me permets de m'insérer dans le débat parce qu'en mars dernier, je vous avais interrogée sur la corruption dans les prisons et à Haren en particulier. Vous m'aviez répondu – je cite – "Les faits de corruption constatés ne connaissent pas de hausse importante" et vous aviez estimé qu'un organe de contrôle comme en France n'était pas à envisager.

Je me demandais si vous étiez toujours du même avis aujourd'hui, puisque les derniers événements nous prouvent – grâce à la forte activité du parquet de Bruxelles – que nous avons réellement affaire à une corruption à large échelle. On va rester prudent compte tenu de l'instruction judiciaire.

Mon collègue l'a dit, d'une part, il y a des faits potentiels de corruption et d'autre part, un climat d'intimidation. Je crains qu'il en soit des gardiens de prison comme des dockers, c'est à dire que ces narcotrafiquants disposent de moyens financiers tellement énormes qu'ils ont une grande puissance corruptive et peuvent se permettre simultanément d'acheter et de menacer. C'est ça qui rend l'appréhension de ce phénomène si difficile.

Allez-vous prendre de nouvelles mesures au-delà de celles qui sont – et je les salue – déjà envisagées par rapport au brouillage des téléphones et à l'isolation des narcotrafiquants? Allez-vous prendre des mesures en particulier par rapport à un organe de contrôle? S'agissant de la prévention de ces faits, allez-vous faire en sorte de ne plus envoyer à Haren des agents formés de manière aussi légère, de manière aussi fragile? Pour avoir visité les lieux, je pense que c'est une partie du problème. Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Collega's, corruptie verweven met drugshandel in onze gevangenissen is helaas geen verre dreiging meer. We zijn niet naïef: corruptie is reëel, sluipend en vormt een bedreiging, niet alleen voor onze gevangenissen, maar ook voor havens, bedrijven, overheidsdiensten en uiteindelijk voor de hele samenleving. Het is een probleem waarbij iedereen bijzonder alert en waakzaam moet zijn. Ondanks de versterking van de fysieke beveiliging in de gevangenissen stellen we vast dat medewerkers steeds vaker worden benaderd, vaak via ogenschijnlijk onschuldige verzoeken, die de deur kunnen openen naar grotere en zwaardere vormen van corruptie.

Ons doel is duidelijk en vastberaden: nultolerantie voor criminele activiteiten in de gevangenissen, medewerkers beschermen, de veiligheid in de gevangenissen garanderen en ervoor zorgen dat detentie geen kader biedt waar illegale handel en activiteiten kunnen gedijen. Dat doen we voor het gevangenispersoneel, maar evenzeer om gedetineerden het juiste kader te bieden en voor de samenleving die rekent op een rechtvaardig en veilig systeem. U zei het goed, mijnheer Yzermans, er wordt inderdaad bijzonder veel druk uitgeoefend, vaak op de meest kwetsbare gedetineerden, om mee te doen aan die illegale activiteiten.

Zoals u terecht aanhaalt, hebben we nood aan een helder beleid, duidelijke regels bij de aanwerving van personeel, opvolging van die regels tijdens de carrière en een stevige, veilige infrastructuur. Op basis van uw vragen wil ik graag de belangrijkste ontwikkelingen en plannen overlopen.

Vooreerst, wat betreft drugdetectie wordt het nieuwe detectiesysteem DrugDetect verder uitgerold. Daarnaast wordt dronedetectie ingezet om het overgooien van pakketten tegen te gaan. Versterkte camerabewaking beveiligt de perimeter. Deze week heb ik daarover nog overlegd met de burgemeester en de korpschef van Brussel, om te bekijken hoe de camerabewaking en de samenwerking met de politie verder kunnen worden versterkt.

We willen de drugsproblematiek bewust breed aanpakken, zowel aan de aanbodzijde en de drugsmarkt als ook het gebruik binnen detentie. Psychosociale behandelprogramma's en initiatieven van Volksgezondheid kunnen gedetineerden ondersteunen bij het afbouwen van gebruik. Bovendien rollen we in de gevangenissen steeds meer drugsvrije afdelingen uit.

Om het druggebruik binnen de gevangenissen beter te kunnen opsporen, hebben we daarnet nog het wetsontwerp besproken dat verplichte drugtesten mogelijk maakt. We zullen de verdere behandeling daarvan op 1 oktober voortzetten.

Dat wetsontwerp heeft twee doelen. Ten eerste, het afbouwen van druggebruik door een verhoogde pakkans en dankzij een combinatie van ontradende, disciplinaire en therapeutische maatregelen. Ten tweede heeft het wetsontwerp een preventieve werking omdat het gedetineerden met een uitgaansvergunning een extra argument geeft om weerstand te bieden tegen de druk om drugs binnen te brengen, zoals we daarnet beschreven. Gedetineerden die drugs gebruiken zijn vaak de eersten die worden geviseerd door criminele netwerken. Een wet die drugtesten kan verplichten, verkleint de kans dat deze gedetineerden onder druk worden gezet. Daarom zijn we ervan overtuigd dat die maatregel uit het wetsontwerp ook een preventieve impact zal hebben.

Voor de begeleiding en behandeling van druggebruikers in de gevangenissen is samenwerking met de deelstaten essentieel, enerzijds omdat zij het aanbod moeten voorzien en anderzijds omdat huisvesting en werk na detentie de sleutelvoorwaarden zijn om herval in druggebruik en criminaliteit te voorkomen. Wat de veiligheid in de detentie-infrastructuur betreft, kan ik meedelen dat we in Haren, maar ook in andere gevangenissen, gerichte maatregelen nemen om de veiligheid te versterken.

Er zijn al aparte cellen voor leden van de georganiseerde misdaad. Mevrouw De Wit, u vroeg nog of we geen speciale regimes hebben, maar we hebben dat al voor high-value targets of die zware criminelen, ook met isolatiecellen. Daarnaast wordt de gsm-sweeping uitgebreid en worden drug- en IT-honden ingezet. We hebben daarvoor een samenwerking met de politie, waarbij we ook de opleiding van de honden moeten organiseren, en we hebben middelen vrijgemaakt om extra drug- en IT-honden te kunnen inzetten. Bovendien zullen de detectiepoorten vaker en strikter worden gecontroleerd en er zullen periodieke audits worden uitgevoerd om de werking verder te verbeteren. Deze week heb ik daarover een overleg gehad met de directeur van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen (DG EPI) en opnieuw met de politie om de opvolging van de audits te verzekeren.

De strijd tegen de georganiseerde criminaliteit, ook in de gevangenissen, vraagt een geïntegreerde aanpak. Daarom werken we nauw samen met de politie, de Veiligheid van de Staat en het Crisiscentrum. De gecoördineerde actie van vorige week is daarvan een bewijs.

Naast deze maatregelen kunnen leden van de georganiseerde misdaad op grond van artikel 117, § 2, van de basiswet van 2005 onder een bijzonder individueel veiligheidsregime worden geplaatst. Uiteraard zijn er procedures, en we worden daarbij ook geconfronteerd met procedures van advocaten die in vraag stellen of dat veiligheidsregime wel gepast en verantwoord is. Dat vormt een bijkomend euvel op de weg naar uitvoering.

Verder blijft preventie van bedreigingen en incidenten een prioriteit. We onderzoeken daarbij ook hoe persoonlijke informatie van medewerkers binnen de gevangenissen beter kan worden afgeschermd en hoe de anonimiteit van het personeel beter kan worden gegarandeerd. We zien immers dat cipiers ook buiten, onder meer via hun wagens, onder druk worden gezet. Het aantal incidenten waarbij medewerkers in hun privésfeer worden geviseerd, neemt toe en vraagt om een gezamenlijke en gecoördineerde aanpak. Daarbij zoeken we voorbeelden en inspiratie bij internationale expertise, zoals in Nederland en Frankrijk, waarnaar u ook verwees, mevrouw De Wit.

Om onze personeelsleden beter te beschermen tegen dreigingen en incidenten werd een nieuwe ministeriële omzendbrief uitgevaardigd over de toegangscontrole bij hoogrisicosituaties. Er wordt ook werk gemaakt van een gerichte aanpak tegen agressie en bedreigingen.

Tot slot wordt, naar analogie van het bestaande systeem van PortWatch binnen de havencontext en bij het douanepersoneel, door het nationaal drugscommissariaat en het gevangeniswezen onderzocht hoe het penitentiair personeel nog beter kan worden beschermd tegen bedreigingen en tegen corruptie en beïnvloeding, onder meer via de ontwikkeling van een anoniem meldpunt voor gevangenissen. De analyse loopt, maar zal uiteraard worden opgevolgd.

Om de weerbaarheid van het personeel te verhogen, wordt tijdens de basisopleiding sterk ingezet op deontologie, communicatie, conflictbeheer, professioneel handelen en het herkennen van kwetsbare relaties. Ook dilemmaoefeningen en simulaties maken deel uit van het opleidingstraject. Deze basisopleiding wordt aangevuld met supervisie en intervisie, zodat medewerkers hun competenties blijvend kunnen versterken en ervaringen kunnen uitwisselen. In samenwerking met het drugscommissariaat ontwikkelen we bovendien een specifieke module voor penitentiair personeel, namelijk een weerbaarheids- en bewustwordingstraining. We investeren ook in het middenkader, onder meer door supervisie en uitwisseling van professionele praktijken te versterken, maar ook door meer personeel aan te werven. Dat is, zoals u weet, een uitdaging.

Om het personeel te ondersteunen zorgen we voor meer zichtbaarheid van psychologische hulp via POBOS en herhalen en verduidelijken we de meldkanalen regelmatig, zodat al het personeel zijn weg kan vinden naar de nodige ondersteuning.

Sinds september 2024 wordt het penitentiair personeel door de federale politie gescreend bij aanwerving. Dat betekent concreet dat elk personeelslid bij de start moet beschikken over een positief veiligheidsadvies, zoals ook voorzien in de wet van 11 december 1998. De screeningsdienst van de politie zal hiervoor een aantal databanken consulteren. Uit veiligheidsoverwegingen worden de specifieke parameters van die screening echter niet vrijgegeven.

Over het gerechtelijk onderzoek met betrekking tot de medewerkers in Haren kan ik geen bijkomende informatie verstrekken zolang het onderzoek loopt. In het belang van het goed functioneren van de organisatie werden wel maatregelen genomen, waaronder tijdelijke toegangsverboden voor de betrokken medewerkers. Die maatregelen hebben geen impact op de operationele werking van de gevangenis en het regime voor de gedetineerden gaat gewoon door.

Chers collègues, nous ne sommes absolument pas seuls à mener la lutte contre la corruption. Nous pouvons compter sur nos partenaires en matière de sécurité, tels que la Sûreté de l’État, le Centre de crise national, la magistrature et les différents services de police. Leur expertise et leurs enquêtes sont essentielles au bon fonctionnement de nos institutions. Je m’engage à poursuivre sans relâche mes efforts en faveur de la sécurité au sein de nos établissements pénitentiaires. Je vous remercie de votre attention.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw zeer uitvoerig antwoord en voor de opsomming van een aantal initiatieven die u al genomen hebt of nog zult nemen, een aantal goede initiatieven, die zeker onze steun krijgen. Ik meen echter dat er een tandje bijgestoken mag worden om die maatregelen in de praktijk om te zetten, zeker nu we opnieuw geconfronteerd worden met een geval van corruptie, gelinkt aan het drugmilieu.

Ik begrijp dat de druk op de cipiers zeer groot kan zijn wanneer zij bedreigd worden in hun privéleven. Daarom is het belangrijk om meer maatregelen te nemen dan vandaag gebeurt om de anonimiteit van de cipiers te waarborgen. Ik heb deze week nog gesproken met cipiers. Ze zeggen dat het allemaal wel mooie woorden zijn, maar dat er in de praktijk nog maar weinig van te merken valt. Dat is toch iets wat bij hoogdringendheid moet worden ingevoerd.

De gebeurtenis in Haren is heel belangrijk, zoals ook andere sprekers hebben gezegd, want die ondermijnt het vertrouwen in justitie, maar het zorgt vooral voor een negatief beeld van alle penitentiaire beambten, aangezien dat op hen allen afstraalt. De mensen veralgemenen nogal gemakkelijk door elke cipier corrupt te noemen. Ik overdrijf nu een klein beetje, maar ik merk in de praktijk dat de mensen daarover spreken, aangezien het spectaculaire dossiers zijn. We weten echter allemaal dat het over een zeer kleine minderheid gaat en dat de overgrote meerderheid van de cipiers wel op een integere en ernstige wijze werkt.

Sta me toe om nog op te merken dat u niet hebt geantwoord op mijn vierde vraag, of u kennis hebt van gevallen van corruptie in andere gevangenissen.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoorden. U staat inderdaad voor een zeer grote uitdaging. U hebt aangegeven wat er allemaal in de pijplijn zit en welke maatregelen gepland zijn, waaronder een geïntegreerde aanpak. De problematiek zal echt grondig en op korte termijn moeten worden aangepakt, anders loopt u een aantal risico’s.

Ik zie twee grote risico’s. Ten eerste, doordat gedetineerden met een uitgaansvergunning onder druk worden gezet, durven ze op termijn misschien geen uitgaansvergunning meer aanvragen uit schrik om nadien druk te voelen vanwege zware criminelen binnen de gevangenismuren. Dat zou heel jammer zijn voor de re-integratietrajecten en voor de overbevolking, want het sorteert een averechts effect.

Een tweede risico is dat, als de problematiek niet bij de wortel kan worden aangepakt, de druk op het personeel op den duur zeer hoog wordt. Het is al niet evident om voldoende medewerkers te vinden die aan de slag willen in onze gevangenissen. Als blijkt dat de druk op het personeel zo hoog wordt dat er onder meer chantage wordt gepleegd, wordt het nog moeilijker om kandidaten te vinden, zeker wanneer daar uitgebreid over wordt bericht in de media. Dat zijn twee gevolgen die op de lange termijn rampzalig kunnen zijn voor het penitentiaire beleid dat we willen voeren.

Los van de discussie ben ik het ermee eens dat we niet mogen stellen dat alle cipiers omkoopbaar of corrupt zijn, absoluut niet. Ik denk echter dat de druk, in combinatie met de aanwezigheid van zware criminelen die die druk uitoefenen, een zeer belangrijke factor is. Daarom denk ik ook dat het verschijnsel niet beperkt zal blijven tot Haren. We mogen niet naïef zijn: dat zal zich ook in andere gevangenissen voordoen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, er wacht ons inderdaad een gigantische uitdaging, niet alleen voor de gevangenis van Haren, maar ook voor de andere gevangenissen. Ik word een beetje teruggekatapulteerd in de tijd. Ik herinner mij nog dat voor de opening van de gevangenis van Haren alles snel moest gebeuren. Alle rekruteringen vonden plaats op één jobdag, de opleiding volgde pas later. Dat lijkt me toch een kwetsbaar punt. Ongetwijfeld werden daar goede, gemotiveerde mensen aangeworven, maar misschien ook anderen die niet weerbaar genoeg waren, de jobinhoud onderschatten of onvoldoende gescreend werden.

Het is tegenwoordig niet eenvoudig om gevangenispersoneel te vinden, zeker niet in de huidige werkomstandigheden en -context. Toch blijft het belangrijk om te waken over een goede screening van het gevangenispersoneel. Dat blijft essentieel, ook in het belang van de penitentiair beambten zelf. Het doel is niet enkel om mensen met verkeerde bedoelingen te vermijden, maar ook om na te gaan hoe weerbaar iemand is om in zo’n context te werken. Nog los van alle andere uitdagingen, staat er een grote opdracht te wachten. We zullen dat zeker mee opvolgen.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, u staat voor een gigantische operatie. Het vertrouwen van de burger hangt samen met de resultaten van het beleid. Dat vertrouwen is de laatste jaren afgenomen. Ik denk dat er voldoende inspanningen worden geleverd om nu een begin te maken en dat stemt zeer positief. We moeten het failliet van het gevangeniswezen vermijden. De gevangenissen staan enorm onder druk door de overbevolking en tegelijkertijd dreigt een sluimerende overname door een onderwereld, die via netwerken druk zet op wat zich in de bovenwereld afspeelt. Dat moet zeker worden vermeden.

De aanpak vind ik zeer goed: aanklampend, preventief, geïntegreerd en resultaatgericht. Het belang van preventie en vooral van ondersteuning en onderstutting van ons personeel mag niet onderschat worden. De sociale onderhandelingen die nu lopen, kunnen daarin een oplossing bieden. Het sneller invullen van de kaders en het herbekijken van de barema’s kunnen daarbij helpen.

Ik denk dat het personeel nu alle steun nodig heeft, ondanks de enkelingen die dreigen ten prooi te vallen aan aanlokkelijke voorstellen van mensen uit criminele netwerken. Er ligt dus veel werk op de plank.

Khalil Aouasti:

Merci, madame la ministre, pour vos réponses complètes. Je demeure toutefois inquiet, car j'ai entendu très peu d'informations quant à la manière opérationnelle dont vous allez assurer la sécurité des alentours de la prison de Haren et de sa muraille. Comment faire en sorte que des objets qui sont aujourd'hui envoyés parfois depuis des propriétés privées ou depuis la voirie, avec des inscriptions au sol pour indiquer le meilleur endroit et le meilleur angle d'envoi, puissent être mis en défaut? Je n'ai entendu d'interventions ni de la part du SPF Justice, ni de la Régie des Bâtiments afin de sécuriser cette prison, et cela m'inquiète.

Je suis aussi inquiet quant à l'intérieur. Vous avez dit que des mesures étaient prises pour assurer la continuité du service dans la prison de Haren: quelles sont-elles? Cette prison était déjà en sous-effectif, malgré une occupation quasiment complète. Nous connaissons en outre les difficultés pour recruter les agents pénitentiaires. Comment avez-vous suppléé à ces 12 agents pénitentiaires afin d'assurer un fonctionnement optimal?

Au-delà de la lutte contre le narcotrafic et les trafiquants, qui est essentielle, il y a la question de la sécurité de ces agents, dans la prison et en dehors de celle-ci. Des concertations sociales seront nécessaires. Je vous avoue que votre réponse manque de mesures concrètes.

Steven Matheï:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord en de opsomming van de vele initiatieven die worden uitgerold of op stapel staan. Die zijn natuurlijk noodzakelijk om de georganiseerde criminaliteit, ook in de gevangenissen zelf, tegen te gaan.

Het is goed om u te baseren op verschillende sporen: enerzijds door te kijken naar technologische en andere hulpmiddelen, anderzijds door zeer specifiek de drugsproblematiek in de gevangenissen aan te pakken. Daarnaast zijn initiatieven om het personeel te ondersteunen en weerbaar te maken belangrijk. Die maatregelen moeten ertoe leiden dat de gevangenis geen vrijplaats is, maar een plek waar de georganiseerde criminaliteit niet verder kan blijven functioneren.

Julien Ribaudo:

Merci, madame la ministre, pour votre réponse. La drogue est un fléau qu'il faut éradiquer car il a des conséquences graves sur notre société. On le voit dans nos rues et dans nos prisons. Dans le cas de Haren, nous devons laisser faire la justice, comme vous l'avez dit, mais ce cas risque de se reproduire.

Aujourd'hui, dans un article, des dockers du port d'Anvers se confient et parlent de la pression exercée sur eux et sur leurs familles, du harcèlement qu'ils subissent de la part de tous ces gros réseaux. Les agents pénitentiaires et l'ensemble des travailleurs dans nos prisons vivent la même chose. Ils ont peur car leur sécurité n'est pas garantie, dans la prison et en dehors de celle-ci. Il suffit parfois de rien, d'un écart conscient ou pas, d'une faiblesse dans leur situation personnelle, pour qu'ils deviennent des proies.

Lorsque nous parlons avec les agents, ils nous interpellent entre autres sur le manque de formation des agents. Des jeunes rentrent, sans aucune formation véritable, dans une prison qui vit un contexte de surpopulation et de sous-effectif. Ce sont deux ingrédients de la corruption. Je vous remercie pour vos réponses par rapport au développement de modules de formation. C'est une très bonne chose. Mais le souci premier qui apparaît lorsqu'on parle avec les représentants des travailleurs, c'est que ces agents n'ont pas l'opportunité d'aller suivre ces formations car les équipes sont en sous-effectif. C'est un problème urgent qu'il faudra traiter et nous continuerons à vous interpeller sur ce dossier. Je vous remercie.

Voorzitter:

Aan de orde is vraag nr. 56006135C van de heer Van Lommel. Hij is niet aanwezig.

Transparantie, communicatie en beleidsopvolging in het dossier Aalter
Transparantie, communicatie en beleidsopvolging in het dossier Aalter
De hervorming van de antidiscriminatiewetten en de racistische praktijken in Aalter
Transparantie, communicatie, beleidsopvolging en antidiscriminatie in Aalter

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele eist herhaaldelijk transparantie over het structurele dossier-Aalter (discriminatie bij inschrijvingen), inclusief tijdlijnen, verantwoordelijken en interne communicatie binnen de FOD Binnenlandse Zaken en haar kabinet, maar minister Verlinden ontwijkt concrete antwoorden en verwijst naar eerdere, onvolledige documenten. Khalil Aouasti dringt aan op aangescherpte antidiscriminatiewetgeving na schandalen zoals Aalter en Brusselmans, maar Verlinden schuift de verantwoordelijkheid door naar minister Beenders (Gelijke Kansen), zonder duidelijke juridische follow-up te beloven. Vandemaele beschuldigt Verlinden van opzettelijke vertraging en weigering om cruciale informatie vrij te geven, terwijl Aouasti kritiseert dat justitiële instrumenten (zoals omzendbrieven voor parketten) ontbreken in het beleid. De minister houdt vol dat alle beschikbare gegevens al zijn gedeeld, maar beide parlementsleden betwijfelen de volledigheid en oprechtheid daarvan.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik kom eigenlijk niet vaak in deze commissie. Ik ben echter op zoek naar antwoorden. Die antwoorden heb ik al verschillende keren en op verschillende manieren gevraagd, zowel in de plenaire vergadering als schriftelijk. Toch krijg ik nooit een concreet antwoord. U komt telkens met een emotioneel betoog, maar de concrete antwoorden op mijn vragen blijven uit. Daarom stel ik mijn vragen vandaag opnieuw.

Wanneer werd binnen de administratie, namelijk de FOD Binnenlandse Zaken, vastgesteld dat er sprake was van een structureel probleem in Aalter, dat het niveau van de individuele klachten overstijgt? Wie binnen de administratie heeft die vaststellingen gedaan? Wie werd daarvan op de hoogte gebracht? Kunt u mij een tijdlijn bezorgen met alle contacten tussen de FOD Binnenlandse Zaken en de gemeente Aalter met betrekking tot dit dossier, telkens met datum en aanwezigen? Graag ontvang ik die documenten ook schriftelijk.

Werd dat dossier besproken op vergaderingen of overlegmomenten binnen de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) of de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken? Zo ja, op welke overlegmomenten, met welke diensten, en wie was daarbij aanwezig? Kunnen wij een verslag krijgen van die vergaderingen?

Wie werd op welk moment geïnformeerd binnen de FOD Binnenlandse Zaken? Graag kreeg ik ook daar een tijdlijn van alle contacten tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken; tussen die directie en hun hiërarchie binnen de FOD Binnenlandse Zaken; tussen de DVZ, de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken en andere diensten van de FOD; en, heel specifiek, tussen al die diensten en uw kabinet. Welke interacties waren er precies tussen uw kabinet en de verschillende onderdelen van de FOD Binnenlandse Zaken over dit dossier?

Half februari 2024 zou er een ontwerpbrief aan uw kabinet zijn bezorgd. Kunt u een kopie bezorgen van die brief? Wie heeft die e-mail op uw kabinet ontvangen? Werden er reminders gestuurd? Zo ja, wanneer en aan wie? Met wie op het kabinet namen de medewerkers van de FOD Binnenlandse Zaken contact op over het dossier-Aalter?

Wanneer was u zelf op de hoogte? Welke contacten waren er – wie en wanneer? – tussen Aalter en uw kabinet; tussen het kabinet-de Moor en uw kabinet; tussen de gemeente Aalter en uw kabinet; tussen de – ondertussen toenmalige – burgemeester van Aalter en uw kabinet; of tussen andere leden van het college van burgemeester en schepenen, en de gemeenteraad en uw kabinet?

Klopt het dat er een wetgevend initiatief werd voorbereid om praktijken zoals in Aalter onmogelijk te maken? Zo ja, wat was de bedoeling van dat initiatief? Ging het om een automatische inschrijving bij het uitblijven van een lokale beslissing? Was het dat wat voorbereid werd?

Wie heeft dat initiatief genomen en wanneer? Welke contacten zijn er hieromtrent geweest tussen de FOD Binnenlandse Zaken, het kabinet-de Moor en uw kabinet? Is daar formeel overleg over georganiseerd? Wie was aanwezig en wat zijn de verslagen van die overlegmomenten? Wie binnen de FOD Binnenlandse Zaken werkte aan dat wetgevend voorstel en wie op uw kabinet was erbij betrokken?

Dat zijn mijn vragen. Ik heb ze allemaal voorgelezen. Het spijt me, mevrouw de minister. U zult wellicht zeggen dat u daarop al hebt geantwoord. Ik heb die vragen inderdaad al eerder gesteld. Wanneer we echter de geluidsfragmenten herbeluisteren en de verslagen erop nalezen, blijkt dat u altijd om de hete brij heen draait. Concrete antwoorden hebt u tot nu toe niet gegeven. Daarom vraag ik u, mevrouw de minister, wees transparant en geef ons die informatie.

Ondertussen is de audit van Audit Vlaanderen over het dossier-Aalter beschikbaar. De FOD Binnenlandse Zaken wordt daarin 89 keer vermeld, waaruit duidelijk blijkt dat de FOD geen decorstuk vormt in die audit. Integendeel, de FOD Binnenlandse Zaken staat daarin vrij centraal. Het gaat uiteraard over de gemeente Aalter, maar er zijn heel veel contacten geweest tussen de FOD en de gemeente Aalter.

Daarom vraag ik u nogmaals, mevrouw de minister, om in alle transparantie antwoord te geven op de gestelde vragen. Als u die vandaag niet kunt geven, mag u ze mij gerust achteraf schriftelijk bezorgen; de manier waarop doet er niet toe. Ik zal die vragen blijven stellen tot we er een antwoord op krijgen. Dank u wel.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, ma question est un peu différente. Je vous avais interrogée il y a plusieurs mois, dans le cadre de la lutte antiraciste et de la lutte anti-discrimination, sur les conséquences de l'affaire Brusselmans. J’avais pointé à l'époque, et vous aviez également souscrit à cela, la nécessité d'adapter les lois anti-discrimination pour les rendre plus opérantes et pour faire en sorte qu’elles ne puissent être détournées de leur objectif. Elles devraient donc être revues.

Les exemples d'incitation à la haine et de pratiques discriminatoires sont malheureusement légion. L'exemple qui a été cité par le collègue Vandemaele est la récente démission de M. De Crem, bourgmestre d'Aalter, ancien membre de votre parti. Les pratiques, aujourd'hui avérées suite à un audit de l'administration flamande, démontrent en réalité la nécessité de cette lutte antiraciste et de poursuivre de manière effective toute discrimination sur notre territoire.

Vous m'aviez alors indiqué que vous alliez travailler avec le collègue Beenders sur ces questions. Vous aviez même évoqué la possibilité de réfléchir à une modification des lois anti-discrimination à l'été 2025, donc l'été qui vient de passer.

Madame la ministre, mes questions sont simples. Où en êtes-vous? Quelles leçons tirez-vous de l'ensemble de ces faits – l'affaire Brusselmans, l'affaire Aalter? Quand pouvons-nous nous attendre à un projet de loi qui permette, de manière opérative, plus directe et plus efficace, de lutter contre tout acte de racisme et contre toute discrimination sur notre territoire?

Voorzitter:

Madame la ministre, pour votre réponse, vous disposez de six minutes.

Annelies Verlinden:

Collega's, op 18 juni hebben de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en ikzelf in een gezamenlijke brief alle door de Kamervoorzitter gevraagde beschikbare informatie bezorgd aan de Kamer door middel van een digitale drager. Hierdoor kon u kennisnemen van die informatie naar aanleiding van de vraag, in het schrijven van de Kamervoorzitter van 5 juni, gericht aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en ook aan mij. Verder heb ik in de Kamer op 28 mei, 19 juni en 17 juli uitgebreid geantwoord op alle vragen.

Als voormalig minister van Binnenlandse Zaken kan ik zeggen dat er intussen geen nieuwe gegevens noch nieuwe feiten zijn.

Audit Vlaanderen, het agentschap van de Vlaamse overheid dat instaat voor het uitvoeren van audits bij lokale besturen, heeft inmiddels het administratief onderzoek afgerond en de bevindingen bezorgd aan de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur. Wij hebben daarvan kunnen kennisnemen.

Monsieur Aouasti, mon collègue Beenders est responsable de l’évaluation des législations anti-discrimination ainsi que de l’agenda et de la méthode pour y parvenir. Je suis volontaire pour collaborer avec lui dans ce projet puisqu’il concerne mes domaines de compétence. Mon administration doit lui fournir des réponses relatives au suivi des recommandations présentes dans le précédent rapport d’évaluation pour le 30 septembre au plus tard.

En ce qui concerne la suite qu’il réservera à ces réponses et à l’agenda qu’il a prévu, je me permets de vous renvoyer vers lui.

Matti Vandemaele:

Ik ben natuurlijk ontgoocheld over het antwoord, maar ik ben uiteraard niet verwonderd, want dit is het antwoord dat we al maanden krijgen. De ambitie lijkt te zijn om het dossier zo snel mogelijk te begraven, in de verwachting dat het zal overgaan.

Mevrouw de minister, u hebt mij eens aangesproken op straat. De manier waarop laat ik terzijde; het leek op een gesprek, ik weet niet hoe ik die gebeurtenis moet omschrijven. Ik heb u daar gezegd dat transparantie de kortste weg is. Ik begrijp niet waarom u niet wilt antwoorden op die vragen, tenzij u iets te verbergen hebt. U blijft verwijzen naar uw antwoord in plenum. U hebt in plenum twee keer niets gezegd. Op alle vragen die we stelden, hebt u niet geantwoord. Hetzelfde geldt voor de brief. Met die brief hebben we wel wat documenten gekregen, maar als we in het kader van de openbaarheid van bestuur documenten opvragen bij de DVZ, krijgen we een pak meer documenten. Ik heb nu eenzelfde vraag gesteld aan de FOD Binnenlandse Zaken. Ik zal bekijken wat eruit komt.

Het blijft me verwonderen dat u ervoor kiest om geen klaarheid te scheppen en geen informatie te delen, die wel degelijk beschikbaar is. U doet er alles aan om dit te begraven. Ik heb deze zomer een goede spade gekocht, dus ik blijf spitten totdat de antwoorden op onze vragen er komen.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse mais je vous avouerai qu'elle m'étonne par sa brièveté. Je comprends que le SPF Justice a fait à ce moment-là un travail d'analyse, qu'il l'a communiqué – si j'entends bien – au cabinet Beenders et qu'il appartient à ce dernier de prendre la main. Mon interrogation réside dans le fait de savoir s'il s'agira d'un travail commun entre M. Beenders – qui est responsable de l' É galité des chances – et vous, qui êtes responsable de la Justice, parce que la lutte anti-discrimination et la lutte antiraciste sont avant tout un outil judiciaire. Donc, si M. Beenders n'a pas les outils que constituent les parquets, les procureurs et ainsi de suite pour assurer que tout cela soit traduit par des circulaires du Collège des procureurs généraux; par des directives concrètes à destination des agents de police et des tribunaux, quelle sera la valeur de cette nouvelle lutte anti-discrimination et antiraciste? Ce n'est pas une politique d' égalité des chances, c'est une politique de poursuite judiciaire d'un acte qui est qualifié de délit ou de crime en fonction des circonstances. D'autant plus lorsqu'entrera en vigueur le nouveau Code pénal en avril prochain, qui érige en facteur aggravant général le facteur discriminant pour toute infraction. Je suis donc un peu étonné, voire ébahi, que vous considériez que cela ne vous concerne pas.

De onhoudbare situatie in de gevangenis van Gent door de toenemende overbevolking
De staking in de gevangenis van Gent en de aanhoudende personeelstekorten
De staking in de Gentse gevangenis naar aanleiding van dubbele shiften en ziekenhuisbewaking
Gevangenisproblemen in Gent: overbevolking, personeelstekorten en stakingen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Gent kampt met acute overbevolking (470 gedetineerden op 299 plaatsen, +60%) en personeelstekorten (10 VTE tekort), wat leidt tot sancties voor weigerende gedetineerden (59 rapporten in 2024, waaronder isolatie) en stakingen door overbelaste cipiers. Minister Verlinden erkent dat de noodwet geen structurele oplossing biedt en wijst op een nieuwe commissie voor een langetermijnplan, maar benadrukt dat politietaken (zoals ziekenhuisbewaking) nog steeds ten laste van cipiers vallen door capaciteitsgebrek bij de federale politie. Kritiekpunten: klachtenprocedures zijn ondoorzichtig, taakverschuivingen verergeren het tekort, en tijdelijke maatregelen (zoals versnelde aanwervingen) bieden onvoldoende soelaas. De vakbonden dreigen met nieuwe stakingen als er geen concrete verbeteringen komen.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de overbevolking in Gent heeft intussen een kookpunt bereikt. De gevangenis heeft een capaciteit van 283 plaatsen, maar op het moment dat ik mijn vraag indiende, verbleven er meer dan 460 gedetineerden.

De gevangenisdirectie heeft blijkbaar ingegrepen. Zo zijn er stevige sancties aangekondigd voor gedetineerden die weigeren een extra matras in de cel toe te laten. Ook nieuwe gedetineerden die zelf weigeren in zo’n cel te verblijven, krijgen een straf. In een recent geval kreeg een gedetineerde vier dagen isolatie opgelegd. Andere sancties zijn het verlies van het recht op familiebezoek, een tijdelijk verbod op buitenwandelingen of de uitsluiting van buitenactiviteiten. Dat werd bevestigd door de woordvoerder van het gevangeniswezen.

Ik heb daarover een aantal vragen.

Kunt u meer toelichting geven bij de evolutie van de overbevolking sinds de ingrepen van de gevangenisdirectie? Hoeveel gedetineerden hebben sinds die ingrijpende maatregelen een sanctie gekregen? Er zijn gesanctioneerde gevangenen die beroep hebben aangetekend tegen de beslissingen van de gevangenisdirectie. Kunt u daar meer informatie over geven? Zijn er al definitieve uitspraken? Wat zijn de resultaten?

In een schriftelijke reactie verwees u naar de noodwet, naar bijkomende capaciteit op middellange termijn en naar de terugkeer van gedetineerden zonder geldige verblijfspapieren. Mevrouw de minister, we weten allebei dat dat geen oplossingen ten gronde zijn. De kritiek vanuit verschillende hoeken op de noodwet neemt bovendien aanzienlijk toe. Hoe kunt u verantwoorden dat die noodwet een oplossing zou bieden voor deze ernstige problematiek?

In Gent gaat het niet alleen om structurele overbevolking, er zijn ook problemen met het personeel. Er zijn meer bepaald ernstige personeelstekorten.

Volgens de vakbonden bedraagt het tekort ongeveer tien voltijdse krachten. Dat leidt bijvoorbeeld tot een zeer hoge werkdruk en tot veiligheidsrisico’s. Op 20 juli heeft de vakbond zijn ergernis kenbaar gemaakt aan de gevangenisdirectie en het gevangeniswezen. De boodschap werd blijkbaar niet goed begrepen, een deel van de cipiers werd nadien immers nog ingezet voor het bewaken van enkele verdachten van een schietpartij in Sint-Niklaas, wat in principe de taak is van de federale politie. Als gevolg daarvan hebben de cipiers tijdelijk het werk neergelegd uit onvrede en een stakingsaanzegging ingediend. Vervolgens vond een nieuw overleg plaats met de gevangenisdirectie. Er werden naar verluidt concrete afspraken gemaakt om het acute personeelstekort aan te pakken. Op papier werden die afspraken vastgelegd, althans volgens de vakbonden. Die afspraken bleken echter voor interpretatie vatbaar en werden in de praktijk niet meteen nageleefd. Het gevolg was dat op 17 augustus het werk gedurende 48 uur werd neergelegd, met het risico op nieuwe stakingsaanzeggingen indien er geen oplossing komt.

Daarom kreeg ik graag wat meer toelichting.

Welke concrete afspraken zijn er gemaakt met de directie en het gevangeniswezen? Waarom werden die afspraken niet nageleefd? Waarom worden er in de gevangenis van Gent cipiers ingezet voor het bewaken van verdachten van een schietpartij? Zoals ik al zei, dat is normaal gezien het werk van de federale politie. Tot slot, welke initiatieven zult u nemen om het personeelstekort in Gent – en in alle andere gevangenissen – structureel aan te pakken, zodat de werkdruk aanvaardbaar blijft en de veiligheidsrisico’s beperkt worden?

Alain Yzermans:

Ik heb ongeveer dezelfde vragen.

Wanneer we spreken over de gevangenis van Gent, waar die 48-urenstaking heeft plaatsgevonden, moeten we dat bekijken tegen de achtergrond van de overbevolking. Er zijn daar momenteel 470 gedetineerden gehuisvest terwijl er een capaciteit van 299 plaatsen is, wat neerkomt op een overbevolking van bijna 60 %. Ook het tekort van 10 personeelsleden – 178 voltijdse equivalenten op 188 voorziene functies – is nog berekend op de oude norm en niet vertaald naar de werkelijke norm.

Mijn vragen zijn grotendeels dezelfde. Hoe zult u het tekort aanpakken? Hoe verlaagt u de werkdruk? Wat wilt u doen om de veiligheid van het personeel in Gent te waarborgen?

Wat met de ziekenhuisbewaking door de politie, die afgesproken is? In de praktijk betekent dit dat er drie shiften van twee mensen nodig zijn. Dat betekent dat er 18 cipiers minder beschikbaar zijn voor de gevangenis. Wanneer zij andere taken moeten uitvoeren, creëert dat een probleem en vergroot het personeelstekort. Daarnaast kloppen sommige cipiers ook dubbele posten. Wat is het antwoord op deze acute situatie?

Annelies Verlinden:

Collega’s, het klopt dat de overbevolking in de gevangenis van Gent bijzonder zwaar weegt op zowel het personeel als de gedetineerden. Dat heeft een negatieve impact op de leef- en werkomstandigheden en op de cultuur binnen de inrichting. Bovendien zet het de samenwerking tussen alle betrokken diensten onder druk.

U verwijst specifiek naar de gevangenis van Gent, maar dezelfde uitdagingen doen zich voor in meerdere, om niet te zeggen vrijwel alle, gevangenissen in ons land. Mevrouw Dillen, wanneer een gedetineerde een celgenoot weigert, kan de directie daarop reageren met een voorlopige maatregel of een tuchtsanctie. Dat is geen nieuw fenomeen.

Ook in periodes zonder overbevolking werd een weigering beschouwd als een tuchtrechtelijke inbreuk, namelijk het niet opvolgen van instructies van het personeel, waardoor het moeilijk wordt de orde en veiligheid binnen de gevangenis te handhaven. Een gevangenisdirecteur kan bovendien geen inkomende gedetineerden weigeren. Hij is er dus toe gehouden een plaats in een cel te voorzien. De directeur tracht daarbij rekening te houden met diverse factoren, zoals taal, roker of niet-roker, nationaliteit en andere individuele bezorgdheden.

Gezien de overbevolking is het aantal beschikbare plaatsen beperkt. Indien de gevangenisdirectie niet zou reageren op dergelijke weigeringen, wordt de situatie in de gevangenis onbeheersbaar en kan de veiligheid niet langer gegarandeerd worden. Van januari tot eind augustus van dit jaar werden 59 rapporten aan de directeur opgesteld wegens het weigeren van een celgenoot of het weigeren om bij een andere persoon op cel te gaan.

Bij zo'n weigering wordt altijd eerst naar een oplossing gezocht, maar als de gedetineerde blijft weigeren, volgt conform de basiswet een tuchtsanctie. Die sanctie kan onder meer een afzondering in de toegewezen verblijfsruimte omvatten of zelfs het verblijf in een veiligheidscel. Conform de wettelijke bepalingen inzake tucht wordt vervolgens op de tuchtrechtelijke hoorzitting een individuele sanctie bepaald. De houding van de gedetineerde speelt daarbij een rol, evenals het al dan niet akkoord gaan met het plaatsen van een medegedetineerde op cel.

Ik verneem dat er doorgaans wordt gereageerd met een effectieve straf of een voorwaardelijke sanctie, onder meer in de vorm van een toegewezen verblijfsruimte. Sommige gedetineerden dienen tegen deze beslissing een klacht in bij de klachtencommissie. Het register inzake de klachtenregistratie is onvoldoende gedetailleerd om uit te maken hoeveel gedetineerden een klacht indienen tegen een tuchtsanctie wegens het weigeren van een mutatie of een medegedetineerde op cel.

Wat de klachtenrechtspraak betreft, verwijs ik naar de databank op de website van de Centrale Toezichtsraad, onder wiens bevoegdheid de klachtencommissies vallen. Daaruit blijkt dat sommige klachten gegrond en andere ongegrond worden verklaard, rekening houdend met meerdere factoren en omstandigheden die individueel worden beoordeeld en in beschouwing genomen.

De noodwet is op 4 augustus in werking getreden. De impact ervan wordt gemonitord, maar we moeten daarbij realistisch blijven. De noodwet zal de overbevolking niet automatisch oplossen. Dat is trouwens nooit de insteek geweest. Het doel was in de eerste plaats om straffeloosheid tegen te gaan. Bovendien is de gevangenis van Gent niet alleen een strafhuis, maar ook een arresthuis. De noodwet heeft als zodanig geen impact op de instroom en aanwezigheid van beklaagden, noch op het grote aantal geïnterneerden.

Voor een holistische en langetermijnaanpak van de overbevolking werd op 20 augustus een commissie opgericht om met de federale actoren van justitie een plan uit te werken voor een duurzame oplossing, waarbij de hele strafrechtketen tegen het licht moet worden gehouden. Het plan moet evidencebased zijn en voorstellen bevatten die de gehele keten van opsporing en vervolging tot straftoemeting en uitvoering in aanmerking nemen. De commissie is begin september gestart met haar werkzaamheden en dient zowel tussentijdse rapporten als een eindrapport af te leveren.

Het personeelstekort en de overbevolking zorgen voor een zware werkdruk bij het personeel. Ik ben me daar terdege van bewust. Collega Yzermans, u stelt terecht de vraag waarom de ziekenhuisbewaking door gevangenispersoneel moet worden uitgevoerd. De wet op het politieambt bepaalt immers dat de politiediensten in principe instaan voor de overbrenging en bewaking van gedetineerden buiten de gevangenis. De federale politie kan die taken pas volledig overnemen zodra ze over voldoende capaciteit beschikt.

Tot die tijd blijven die opdrachten onder de verantwoordelijkheid van het DG EPI. Intussen voert de politie wel al beperkte testfases uit, maar die zijn beperkt in tijd en ruimte. Ik blijf er bij mijn collega voor Binnenlandse Zaken op aandringen om werk te maken van de nodige versterking van de Directie beveiliging (DAB), zodat de politie de wettelijke opdrachten kan uitvoeren.

Om de doorlooptijden van de aanwervingsprocedures te verkorten, wordt de fastlaneprocedure toegepast voor de gevangenis van Gent. Daardoor worden vacatures permanent opengesteld. De schaarste op de arbeidsmarkt maakt de invulling echter moeilijk. We zetten wel extra middelen in om de rekruteringsdienst te versterken, meer selectieprocedures te organiseren en onze employer branding te verbeteren.

Bij een onvolledige personeelsbezetting wordt op dagbasis de werkorganisatie en dagplanning geëvalueerd. Zo nodig worden, met respect voor de basiswet en de veiligheid van het personeel, maatregelen genomen om de werking aan te passen. Het kan daarbij gaan om organisatorische maatregelen, aanpassingen in het dagschema of aanpassingen in het activiteitenschema voor de gedetineerden.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw uitvoerige antwoord, mevrouw de minister.

Ik heb nog twee opmerkingen. Ten eerste, wat het klachtenregister betreft, noteer ik dat de uitspraken onvoldoende gemotiveerd zijn om te kunnen vaststellen op welke basis klachten worden ingediend. Het zou echter niet moeilijk zijn om dat te verbeteren. Het zou nuttig zijn om ter zake een initiatief te nemen. Ik denk niet dat dit heel veel werk voor het betrokken personeel met zich meebrengt.

Ten tweede, ik durf aan te dringen op continu overleg met de minister van Binnenlandse Zaken om ervoor te zorgen dat het bewaken van gedetineerden in een ziekenhuis niet langer op de schouders van de cipiers terechtkomt. Zoals collega Yzermans heeft berekend, zijn er 3 shiften per 24 uur nodig, waardoor veel capaciteit van de cipiers verloren gaat. Dat moet dringend opgelost worden.

Alain Yzermans:

Mijn conclusie is dezelfde: schoenmaker blijf bij je leest. Die taken moeten goed worden bewaakt, anders ontstaat een pervers effect. Enerzijds groeit de overbevolking nog, ook in Gent, anderzijds worden taken toebedeeld waarvoor andere instanties bevoegd zijn. Dat zal de druk op de tewerkstelling en op de cipiers daar alleen maar vergroten. Ik hoorde wel de goede boodschap over de versterking van de DAB.

De werking van het hof van assisen te Brussel na de feiten van drugsgeweld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De escalatie van druggerelateerd geweld in Brussel (20+ schietincidenten sinds juli) overbelast de assisenhoven door een stijging van zware zaken (moord, geweld), met vertragingen (dossiers uit 2022 pas in 2025/2026 behandeld) en logistieke druk op juryprocessen. Minister Verlinden bevestigt overleg met het parkett en belooft extra budget en personeel tijdens de volgende begrotingsronde, maar benadrukt dat de rechtbanken zelf de planning beheerder—met momenteel 16 lopende/uitstaande assisenzittingen in Brussel en Waals-Brabant. De Smet dringt aan op structurele oplossingen, gekoppeld aan de bestrijding van drugscriminaliteit. Geen concrete actieplannen met Binnenlandse Zaken werden genoemd.

François De Smet:

Lors de la récente rentrée judiciaire à la Cour d’Appel de Bruxelles, le procureur général de Bruxelles a alerté sur la situation préoccupante de la cour d’assises à Bruxelles quant à la fixation des audiences et l’organisation générale, causée par l’accroissement de la violence dans notre capitale du fait du narcotrafic.

Depuis le 1er juillet dernier, plus de vingt fusillades ont été recensées dans différentes communes de la capitale, soit une fusillade tous les trois jours. ce qui constitue une escalade inquiétante de la violence à Bruxelles

Le procureur général de Bruxelles met en évidence le fait que cette recrudescence de la violence a des conséquences directes et en cascade sur la cour d’assises car les affaires les plus graves (meurtres, tentatives de meurtre, violences armées) sont jugées au sein de cette juridiction.

L’augmentation de la violence accroît le nombre de dossiers à traiter aux assises croît, des délais plus longs de traitement desdits dossiers, une surcharge de travail pour les magistrats et une logistique plus lourde pour organiser les audiences qui fonctionnent comme vous le savez avec un jury populaire.

Ainsi, les dossiers qui seront jugés en 2025 et 2026 concernent majoritairement des faits commis en 2022 et 2023, voire avant.

Le procureur général a cité les chiffres selon lesquels du 1er janvier 2024 au 31 août 2024, 17 affaires ont été inscrites dans le pool assises, et que pour la même période en 2025, ce sont déjà 21 affaires, tant francophones que néerlandophones, qui sont comptabilisées.

Je sais que la cause de ces difficultés dans l’organisation de procès et la gestion des dossiers en assises réside dans des évènements qui concernent votre homologue de la Sécurité et de l’Intérieur à savoir le renforcement de la violence liée au narcotrafic mais il n’en demeure pas moins que la cour d’assises de Bruxelles doit faire face à un défi significatif et inédit qui mérite une prise de conscience et une réaction

En conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:

si elle prendra contact avec le procureur général afin d’envisager les suites à réserver plus particulièrement au dossier de l’organisation de la cour d’assises?

dans l’affirmative, le plan que vous comptez mettre en oeuvre avec le Ministre de l’Intérieur pour répondre aux inquiétudes formulées par le procureur général de Bruxelles?

Annelies Verlinden:

Monsieur De Smet, je puis vous assurer qu’une concertation a bien eu lieu avec le procureur général du ressort de Bruxelles en ce qui concerne la situation dans la capitale. Pour le moment, nous ne disposons pas encore de chiffres précis relativement au nombre d’audiences en assises qui devront se tenir à la suite des différentes enquêtes en cours.

L’organisation des audiences est assurée par les cours et tribunaux eux-mêmes. La première présidente de la cour d’appel de Bruxelles me confirme que trois sessions de la cour d’assises sont en attente dans le Brabant wallon et qu’il reste encore neuf audiences en cours et sept en attente.

Je demanderai toutefois, lors des prochaines discussions budgétaires, un budget supplémentaire pour le renforcement du pouvoir judiciaire afin qu’il dispose d’effectifs suffisants pour accomplir ces tâches importantes.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie.

Il est en effet logique que si l’on investit plus dans la lutte contre le narcotrafic et ses conséquences – qui sont généralement graves –, il importe que les moyens suivent pour assurer la tenue des cours d’assises. Je vous remercie de votre vigilance.

Voorzitter:

La question n° 56007553C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite.

Het bijna verdubbelde aantal gevallen van agressie tegen OCMW-medewerkers in Antwerpen

Gesteld door

lijst: VB Sam Van Rooy

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden veroordeelt de verdubbeling van agressie (324 meldingen in 2024) tegen OCMW-medewerkers in Antwerpen en benadrukt dat het nieuwe Strafwetboek (reeds gedeeltelijk actief) strafverzwaring biedt voor geweld tegen hulpverleners als "personen met maatschappelijke functie". Van Rooy betwist de effectiviteit hiervan, wijst op culturele factoren (allochtone daders) als oorzaak en kritiseert tekortschietende strafvervolging bij verbale agressie en intimidatie, die volgens hem onvoldoende worden aangepakt.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, de agressie tegenover OCMW-medewerkers in Antwerpen is bijna verdubbeld. In 2024 waren er 324 meldingen, waarvan het gros komt van de afdeling maatschappelijke hulp, OCMW-gebouwen, sociale centra en schuldhulpverlening. In 2023 waren er 'maar' 217 meldingen en in 2022 bedroeg het aantal meldingen van agressie 191. In twee jaar tijd zijn de meldingen van agressie in Antwerpen dus bijna verdubbeld. Vandaag gaat het gemiddeld om bijna één melding van verbale of fysieke agressie per dag.

Wat is uw reactie hierop? Hoe wilt u dat torenhoge en stijgende aantal gevallen van agressie doen afnemen? Bent u bereid een initiatief te nemen, zodat intimidatie, belaging en geweldsdelicten tegen OCMW-medewerkers en hulpverleners worden beschouwd als misdrijven tegen personen met een maatschappelijke functie, waardoor in het nieuwe Strafwetboek de strafverzwaring van toepassing zal zijn? Bent u bereid op korte termijn, in afwachting van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, een gelijkaardige regeling uit te werken?

Annelies Verlinden:

Collega Van Rooy, ik veroordeel uiteraard ten strengste gewelddaden tegen personen die in de uitoefening van hun beroep hun kennis en inzet ten dienste stellen van anderen. Zij vervullen een essentiële opdracht voor de samenleving en het is onaanvaardbaar dat zij worden blootgesteld aan agressie of intimidatie louter wegens hun functie.

Het toekomstige Strafwetboek biedt specifieke bescherming aan de leden van het OCMW die tijdens hun werk het risico lopen op geweld. Het is belangrijk te onderstrepen dat de leden van het OCMW zijn opgenomen in de definitie van personen die een maatschappelijke functie uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 79, 4° van het nieuwe Strafwetboek. Die definitie omvat personen die een functionele openbare dienst vervullen of een opdracht van algemeen belang en die in het kader van hun functie in contact komen met het publiek dat van hun diensten gebruikmaakt.

Wegens de aard van hun functie zijn die personen bijzonder blootgesteld aan geweld, vaak gepleegd door de begunstigde aan wie zij hulp of dienstverlening verlenen. Daarom voorziet het nieuwe Strafwetboek in een strafverzwaring in geval van moord, foltering, onmenselijke behandeling of andere geweldsdelicten gepleegd tegen die personen. Het is echter belangrijk te beklemtonen dat die bescherming reeds is opgenomen in het huidige Strafwetboek. De wet van 18 januari 2024 heeft die bepaling al vervroegd in werking doen treden. De vorige regering achtte het eveneens noodzakelijk om die bescherming zonder uitstel in te voeren.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik betwijfel of uw goede intenties, die zich vertalen in dat soort wetgeving, daadwerkelijk zullen leiden tot minder gevallen van agressie en geweld. Ik heb daarvoor twee redenen. Ten eerste merk ik in een stad als Antwerpen dat het bij het merendeel van de meldingen en daders om allochtonen gaat. De regering importeert agressie en geweld, ook tegen hulpverleners. Het gaat om totaal andere culturen die veel minder scrupules hebben om agressief of gewelddadig te werk te gaan en die ook niet worden afgeschrikt door verzwarende straffen. Ten tweede blijven hulpverleners die geconfronteerd worden met verbale agressie, intimidatie of bedreiging, vaak in de kou staan. De straffen en vervolging voor dergelijke misdrijven, die een grote impact hebben, laten volgens mij absoluut te wensen over.

Telefoontaps die vervangen werden door tekenfilms
Het verdwijnen van telefoontaps in een groot drugsdossier
Digitale bewijsmethoden in omstreden strafzaken

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 17 september 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Lommelse drugszaak onthulde grove tekortkomingen in justitie: cruciale telefoontaps werden vervangen door tekenfilmpjes, wat wijst op mogelijke manipulatie of systeemfalen, terwijl de zaak tot 2025 is verdaagd. Minister Verlinden bevestigde dat digitaal bewijs vaker verloren gaat, pleit voor een moderne digitale griffie met back-ups en strikte *chain of custody*, maar vraagt extra budget voor uitvoering. Kritiek blijft hard: gebrek aan IT-middelen, verouderde systemen en vertragingen ondermijnen het vertrouwen in de rechtsstaat, met name bij complexe internationale dossiers.

Alain Yzermans:

Tijdens het proces rond de drugszaak van de Lommelse zeepfabriek, dat al enkele jaren loopt, werd niet alleen een goed georganiseerde en wijdvertakte criminele organisatie blootgelegd, maar rezen ook twijfels bij de wijze waarop bewijsstukken worden behandeld in de rechtbank. De verwarring rondom de telefoontaps was alom. Die werden vervangen door tekenfilms. Dat roept fundamentele vragen op over de geloofwaardigheid en het functioneren van het gerechtsapparaat. De rechtsstaat komt daarmee in het gedrang.

Hoe kan het dat bewijsstukken worden vervangen?

Er rijzen ook vragen omtrent het inkijken en beluisteren van digitale stukken. De griffies beschikken niet altijd over voldoende krachtige pc's. Men maakt in Tongeren momenteel gebruik van een krachtige computer in bruikleen van de politiezone LRH.

Zijn de problemen ook niet te wijten aan een gebrek aan IT-personeel, waardoor men een beroep moet doen op Brussel, met langere wachttijden tot gevolg?

Het zegt ook iets over de verwaarlozing van het gerechtsapparaat. Men krijgt de gegevens in dit dossier, dat 9 jaar oud is, niet overzichtelijk. Hoe wilt u dat aanpakken?

Sophie De Wit:

De problematiek werd al geschetst door mijn collega, dus ik verwijs naar de tekst van mijn vraag.

Geachte minister, in de correctionele rechtbank van Hasselt ontstond vorige week opschudding in een omvangrijk drugsdossier met 31 beklaagden, onder wie een beruchte Nederlandse crimineel. Het dossier betreft een internationale criminele organisatie, actief in België en Nederland, die zich bezighield met cannabisteelt, de productie van synthetische drugs zoals amfetamines en xtc en de dumping van chemisch drugsafval. De zaak kwam aan het licht in 2016 na een abnormale bestelling van chemicaliën via een zeepfabriek in Lommel.

Tot ieders verbazing is nu gebleken dat cruciale opnames van telefoontaps in de digitale versie van het dossier verdwenen zijn en zelfs vervangen werden door tekenfilmpjes, wat dus wijst op malafide manipulatie. Bijgevolg kon er ook geen conclusiekalender worden vastgelegd en is de zaak verdaagd naar 17 oktober 2025.

Dit alles roept ernstige vragen op over de betrouwbaarheid en beveiliging van digitaal bewijsmateriaal binnen justitie, zeker bij complexe en omvangrijke drugsdossiers met een internationale dimensie.

Ik heb hieromtrent de volgende vragen.

Is er al duidelijkheid over wat er precies met de verdwenen opnames is gebeurd en hoe dit is kunnen gebeuren?

Hoe is het bewaringstraject van het bewijsmateriaal in dit dossier verlopen? Wanneer en waar werden de tapes opgeslagen, en welke beveiligingsmaatregelen werden toegepast? Wie is verantwoordelijk hiervoor?

Zijn er eerdere incidenten bekend waarbij digitaal bewijsmateriaal verloren ging of beschadigd raakte, met name in dit arrondissement?

Kan u toelichten welke maatregelen er vandaag bestaan om de integriteit en de beveiliging van digitaal bewijsmateriaal, in het bijzonder bij zware drugsdossiers, te garanderen?

Ziet u nood aan bijkomende maatregelen, zoals strengere forensische controles, striktere standaardprotocollen, of een hervorming van de digitale archiveringssystemen, om gelijkaardige problemen in de toekomst te vermijden?

Annelies Verlinden:

Het probleem van de verdwijning van bewijselementen op een ter griffie neergelegde informaticadrager en het aantreffen van andere data wordt momenteel onderzocht. De betreffende informaticadrager wordt daarvoor forensisch geanalyseerd. Daarbij wordt nagegaan of de verdwenen digitale data kunnen worden gerecupereerd en de bewijselementen kunnen worden hersteld.

Er kan niet worden vooruitgelopen op de uitkomst van dat onderzoek. Indien de bewijselementen kunnen worden hersteld, zal het proces zonder meer verder kunnen verlopen. Mocht het bewijs op de informaticadrager definitief verloren zijn, dan zullen alle partijen een standpunt kunnen innemen over het effect hiervan op de bewijsvoering, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met de andere bewijselementen naast deze op de bewuste informaticadrager. Helaas is dit niet het eerste geval waarin digitaal bewijsmateriaal beschadigd werd of verloren ging. Ook in andere arrondissementen is dat al voorgekomen.

Het is intussen duidelijk geworden dat er problemen bestaan met de manier waarop elektronische gegevens worden bewaard. Mijn diensten zullen zoeken naar oplossingen om elektronische gegevens op een performante manier te bewaren, met voldoende back-ups en waarborgen voor de chain of custody . Een mogelijke oplossing hiervoor is de uitbouw van een state of the art digitale griffie, die digitale overtuigingsstukken op een veilige manier bewaart en ervoor zorgt dat de betrokken partijen die gegevens snel, betrouwbaar en efficiënt kunnen raadplegen. Het ontwerp van deze dienstverlening, inclusief bijbehorende investeringen, wordt momenteel onderzocht met de steun van de Europese Unie.

Voor de daadwerkelijke realisatie zijn middelen nodig. Daarom maakt de digitalisering van justitie een belangrijk onderdeel uit van mijn vraag naar extra middelen, die ik in het verleden reeds heb gesteld en zal herhalen in het kader van de komende begrotingsbesprekingen.

Alain Yzermans:

De nood aan professionele apparatuur is groot. We moeten onderzoeken of elke griffie en elke rechtbank over voldoende informaticamateriaal beschikken om te kunnen werken, zodat geen bruikleen noodzakelijk is. Indien het project wordt doorgevoerd, lijkt het mij interessant om te starten met een pilootproject in Tongeren.

Sophie De Wit:

Ik ben benieuwd naar de resultaten van het onderzoek. Het gaat immers over een drugsdossier en een grote criminele organisatie, waarbij belangrijke telefoontaps werden vervangen door tekenfilmpjes.

Justitie gaat door zwaar weer. Menselijke fouten kunnen altijd voorkomen, maar dit lijkt me toch iets anders te zijn. Het imago van justitie krijgt er weer een knauw door. Ik ben erg benieuwd naar de resultaten van het onderzoek, want het is heel belangrijk dat we kunnen vertrouwen op justitie en dat het digitale bewijsmateriaal goed beveiligd wordt, zeker in zulke grote drugsdossiers die een internationale dimensie hebben. Dat vergt een grondig onderzoek en een belangrijke opvolging.

Voorzitter:

La question n° 56007672C de M. Khalil Aouasti est transformée en question écrite. De samengevoegde vragen nr. 56007678C van mevrouw Dillen, nr. 56007698C van de heer Yzermans, nr. 56007704C van de heer Van Hecke en nr. 56007724C van mevrouw De Wit worden uitgesteld op verzoek van de vraagstellers.

De protestacties van de vapeshops

Gesteld door

lijst: N-VA Lotte Peeters

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt plannen voor een smaakverbod op vapes (geïnspireerd door Nederlands succes) en wacht op advies van de Hoge Gezondheidsraad (eind oktober), gevolgd door Europese afstemming, ondanks waarschuwingen over illegale uitwijk. Hij benadrukt versterkte handhaving (40.000 inbeslagname, 6.000 webpagina’s gesloten) maar pleit voor Europese samenwerking, omdat lokale actie onvoldoende is tegen grensoverschrijdende illegale verkoop. Peeters onderschrijft de noodzaak van strengere regels én handhaving, wijzend op milieu-overlast, jeugdverslaving en oneerlijke concurrentie voor legale winkels. De focus ligt op versneld optreden tegen zowel smaakjes als illegale stromen.

Lotte Peeters:

Mijnheer de voorzitter, "minister Vandenbroucke verwijst u door naar het illegale circuit". Die boodschap stond op affiches te lezen in meer dan honderd Belgische vapewinkels. Zij sloten eergisteren de deuren uit protest tegen het smaakverbod op elektronische sigaretten. Volgens hen zou zo’n verbod ertoe leiden dat nog meer mensen hun toevlucht nemen tot illegale vapes.

Dat vapen schadelijk is, werd hier al meermaals duidelijk gemaakt, zeker met betrekking tot minderjarigen. Dan spreken we nog niet eens over de illegale varianten, waarbij we niet weten wat erin zit. Ondertussen bestaat het verbod op wegwerpvapes een half jaar en heel wat ouders, jeugdwerkers, politiezones en lokale besturen zullen het beamen, ze zijn niet verdwenen. Ze duiken nog steeds overal op in het straatbeeld.

Jongeren schaffen zich massaal goedkope wegwerpvapes online aan of verkrijgen ze bij bepaalde fysieke handelszaken die zich niet aan de regels houden. Zes maanden na het verbod heerst er dan ook heel wat frustratie over het feit dat de bestaande regelgeving niet handhaafbaar lijkt te zijn. Met lede ogen moeten we toezien hoe minderjarigen blijven rondlopen met vapes en dan vooral met de illegale, oncontroleerbare wegwerpvarianten, die een nog groter veiligheidsrisico inhouden.

Naar aanleiding van de protestactie eergisteren, maar ook van de talrijke bezorgdheden een half jaar na het verbod op wegwerpvapes, heb ik dan ook volgende vragen voor u, mijnheer de minister.

Hoe ver staat u in het proces met betrekking tot een mogelijke smaakbeperking op vapes?

Hoe wilt u vermijden dat naar het illegale circuit wordt uitgeweken eens die regelgeving er effectief is?

Welke extra handhavingsmaatregelen zult u dan treffen om illegale varianten uit onze straten te weren?

Frank Vandenbroucke:

De vape-industrie heeft maar een doelstelling, namelijk een nieuwe generatie jongeren en zelfs kinderen verslaafd maken aan nicotine. Dat is hun enige criminele doelstelling.

We moeten er alles aan doen om dat onmogelijk te maken. We hebben de wegwerpvapes verboden, we hebben vapes met allerlei tierlantijntjes verboden en ik denk dat we het voorbeeld van andere landen moeten volgen door ook de smaakjes eruit te halen. Het Nederlandse voorbeeld is heel succesvol. 22 % van de mensen die werden geënquêteerd, zegt gestopt te zijn met vapen door het smaakjesverbod. We moeten dit dus doen. Ik heb de Hoge Gezondheidsraad om een advies gevraagd, zoals de wet mij dat voorschrijft. Ik heb gevraagd om tegen eind oktober een advies voor een definitieve regeling te krijgen, die ik dan ook nog Europees zal moeten voorleggen.

We moeten doorzetten. Het eeuwige argument, de eeuwige dooddoener van de tabaksindustrie en nu ook van de vape-industrie, is dat er dan illegale verkoop zou ontstaan. Dat is hun eeuwige dooddoener, hun laatste strohalm. Is er een probleem van illegale verkoop? Zeer zeker. Doen we daar iets aan? Zeer zeker. Weet u dat we sinds het begin van dit jaar al 40.000 illegale vapes in beslag hebben genomen en al 6.000 webpagina's hebben gesloten?

We moeten dit echter op Europees niveau aanpakken. Mijn inspectiediensten doen hun uiterste best, maar ik probeer met een aantal gelijkgestemde landen te komen tot een Europese aanpak. Voor een klein land als België, met buurlanden waar de online verkoop wettelijk is toegelaten, is dat immers een moeilijke strijd. We moeten doorzetten en ons niet laten afschrikken door de klassieke dooddoeners van deze industrie. We moeten doorzetten en de inspectie en de strijd tegen illegale verkoop ten top voeren.

Lotte Peeters:

Het is goed te horen dat er stappen worden gezet in de beperking van smaken of het smaakverbod voor vapes en dat er ook wordt gewerkt aan de handhaving van de regelgeving. Als burgemeester ontvang ik veel signalen over de overlast die illegale vapes met zich meebrengen. Wegwerpvarianten belanden in de natuur. Jonge kinderen worden ermee gespot op speelterreinen. Daarnaast is er ook de terechte frustratie van handelszaken die zich wel aan de bestaande wetgeving houden, maar die zien dat er toch nog massaal illegale producten circuleren. Wij blijven er daarom op hameren dat regelgeving belangrijk is, maar dat die altijd gepaard moet gaan met stevige, doortastende handhaving.

De geneesmiddelenprijzen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verhoogt medicijnprijzen (tot €14/doos) om de 25% stijging in farmabudget te beteugelen, wijzend op overconsumptie (bv. 2,5 miljoen Belgen nemen maagzuurremmers, dubbel zoveel als 15 jaar geleden) en gaspillage (slecht gebruik cholesteroremmers). Hij belooft bescherming voor kwetsbaren (remboursement bij hartproblemen) en wil zo zorg betaalbaar houden voor prioritaire domeinen zoals tandzorg en psychologische hulp. Dedonder noemt de maatregel schandalig: patiënten zoals Ida (AVC-patiënt) worden gestraft met €130/jaar extra, terwijl ze medisch noodzakelijke geneesmiddelen gebruiken, en riskeert zorgmijding door financiële drempels. Ze eist terugdraaiing en pleit voor hardere aanpak van farmaceutische winsten in plaats van patiënten te laten opdraaien voor bezuinigingen.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, jamais je n'aurais pensé que vous auriez osé augmenter le prix des médicaments, comme l'a fait à l'époque Maggie De Block. Je dois vous avouer que je suis très déçue.

Une augmentation de 1 à 2 euros par boîte de médicaments pour tous les patients, de plus de 11 euros pour une boîte de médicaments pour l'estomac et de 14 euros pour une boîte de médicaments contre le cholestérol! Le comble, c'est votre justification: vous dites que les gens consomment trop de médicaments et qu'il faut les responsabiliser. Pour ce faire, quelle méthode choisissez-vous? Une large campagne d'information et de prévention? Non, vous choisissez de les faire payer plus cher!

Ida a fait un AVC il y a quelques années et une œsophagite. Dans son pilulier, à côté d'autres médicaments pour la tension et le cœur, elle a du Pantomed ainsi qu'un médicament pour réguler son taux de cholestérol. Croyez-vous qu'elle prend ces médicaments par plaisir et sans avis du médecin? Bien évidemment que non!

Ida n'est certainement pas un cas isolé. Un citoyen sur deux prend un médicament contre le cholestérol et pour l'estomac. Un million de personnes, comme Ida, doivent prendre ces deux médicaments tous les jours. C'est une réalité. Pour eux, la réalité, sera de devoir débourser 130 euros supplémentaires par an.

En mettant cela en perspective avec les nombreuses mesures prises par ce gouvernement qui ne feront qu'appauvrir les travailleurs, les pensionnés et les malades, que va-t-il se passer, selon vous? Eh bien, de nombreuses personnes vont renoncer à aller à la pharmacie, à se soigner, mettant ainsi leur santé et leur vie en danger. En effet, un médecin a jugé qu'elles avaient besoin de ces médicaments.

Alors, je vous le demande, monsieur le ministre, revenez sur cette mesure!

Frank Vandenbroucke:

Chère collègue, si nous ne faisons rien, le budget des médicaments augmentera de 25 % pendant cette législature. De l'argent que nous ne pourrons pas investir dans un meilleur remboursement des soins dentaires, de l'argent que nous ne pourrons pas investir dans le personnel soignant, dans l'amélioration des soins psychologiques. La sécurité sociale ne sert pas seulement à financer l'industrie pharmaceutique. Il faut donc absolument mettre un frein à cette explosion de dépenses. Dès lors, nous proposons un effort conséquent.

Le secteur pharmaceutique fournira le plus gros effort. C'est extrêmement important. Mais les pharmaciens, les hôpitaux, les mutualités, les médecins et les citoyens doivent aussi faire leur part. Je crois qu'il n'y a pas de tabou. Aujourd'hui, 2,5 millions de Belges prennent des antiacides. Voici 15 ans, c'était la moitié. Comment peut-on justifier cela? C'est impossible. Un quart des Belges de plus de 40 ans prennent des médicaments contre le cholestérol, généralement sans antécédents cardiaques. La plupart les prennent mal, ce qui leur fait perdre leur efficacité. C'est un gaspillage qu'on ne peut pas ignorer.

Ceux qui ont vraiment besoin de médicaments resteront protégés. Les médicaments contre le cholestérol continueront à être remboursés en cas de problèmes cardiaques. Les antiacides resteront aussi remboursés sous certaines conditions. Il faut arrêter un vrai gaspillage. C'est la seule façon de garantir que nos soins de santé restent abordables et viables à long terme, et de pouvoir investir dans les soins prioritaires.

Ludivine Dedonder:

En fait, monsieur le ministre, vous dites aux gens: "Vous consommez trop de médicaments." C'est comme si vous leur disiez: "Vous consommez trop de bonbons ou trop de chips." Comme s'ils avaient choisi d'avoir un problème gastrique ou d'attraper une maladie cardio-vasculaire, comme si tous les médecins qui prescrivaient les médicaments étaient des incompétents ou des imbéciles! Vous parlez de "gaspillage", comme si un patient savait mieux que son médecin ce qui était bon pour lui!

Je vous reproche cette conception selon laquelle responsabiliser les patients consiste à ce qu'ils paient plus cher leurs médicaments, sous-entendu: pour qu'ils ne puissent plus les acheter et, surtout, pour réaliser plus de 100 millions d'euros d'économies. Vous le dites: "C'est pour réaliser des économies." Elle est là, la réalité! Alors, c'est vrai, vous n'avez pas été hypocrite, vous l'avez dit. Je sais que le budget n'est certainement pas simple à boucler, mais le faire sur le dos des malades et des patients est, pour moi, tout bonnement scandaleux. Si vous tenez à économiser, faites-le ailleurs; il existe des solutions plus justes. Vous parlez du secteur pharmaceutique. Eh bien, faites-le contribuer davantage. Il brasse des milliards de bénéfices (…) (Léger brouhaha)

Voorzitter:

La minute était déjà terminée. Je vous en prie, chers collègues.

De zorgwekkende onderzoeksresultaten over het rijden onder invloed in België

Gesteld door

lijst: Groen Staf Aerts

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België scoort slecht in Europa met 19% bestuurders die recent dronken reden (vs. 6% in Zweden/Finland), door tolerante cultuur, zwakke handhaving en gebrek aan stigma. Minister Crucke kondigt strengere maatregelen aan: langere tijdelijke rijverboden (12u), lagere drempel voor onmiddellijke intrekking rijbewijs (0,8‰), verplichte alcoholsloten voor recidivisten en onderzoekt herstelopleidingen en nultolerantie (gesteund door 60-75% van de Belgen). Aerts benadrukt dat BOB-campagnes onvoldoende werken en pleit voor daadwerkelijke nultolerantie (via hangend wetsvoorstel) en maatschappelijke normverschuiving, waarbij omstaanders dronken bestuurders actief aanspreken. Doel: van Europese hekkensluiter naar koploper met minder doden door strengere regels, meer controles en cultuurverandering.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, uit het recent gepubliceerde ESRA-onderzoek, dat werd gecombineerd met gegevens van het verkeersinstituut Vias, blijkt dat België onderaan het Europese klassement bengelt wat betreft rijden onder invloed. Dat wisten we eigenlijk al, maar die nieuwe cijfers zijn toch bijzonder scherp. Maar liefst 19 % van de bevraagde Belgische bestuurders geeft aan recent nog gereden te hebben met te veel alcohol in het bloed. Dat percentage ligt niet alleen ver boven het Europese gemiddelde, maar wanneer we kijken naar de kloof met de koplopers, Zweden en Finland, dan zien we dat het daar amper 6 % betreft. Dus 19% bij de Belgische bestuurders, tegenover 6% bij de Scandinavische koplopers.

Wat daarbij opvalt, is dat de aanpak in die landen verder gaat dan enkel handhaving. Daar heerst ook een sterk sociaal stigma op rijden onder invloed. ‘Wie rijdt, drinkt niet’ is er geen slogan, maar realiteit. Bij ons geldt eerder: ‘Wie rijdt, drinkt... maar een beetje’. Er heerst daar een sociaal stigma op rijden onder invloed. Ze hebben duidelijke straffen en een goed uitgebouwd hulpaanbod voor mensen met een alcoholprobleem, terwijl er in België toch een grote mate van tolerantie blijft bestaan ten aanzien van drinken en rijden.

Als meer dan 19 % van de bevraagden aangeeft dat ze in de afgelopen maand minstens één keer dronken achter het stuur hebben gezeten, dan is het duidelijk dat alleen inzetten op recidive niet volstaat. Bent u het eens met de analyse dat enkel focussen op recidivisten onvoldoende is om het probleem aan te pakken?

De genoemde studie lijkt mij een krachtige wake-upcall die een stevig antwoord vereist. Bent u het ermee eens dat de slogan van de BOB-campagne ‘Wie rijdt, drinkt niet’ een wettelijk kader zou moeten krijgen? Welke beleidsmaatregelen zult u op korte termijn nemen naar aanleiding van dat alarmerende rapport? Hoe zult u zorgen voor een groter maatschappelijk draagvlak om alcohol en autorijden te scheiden?

Voorziet u in bijkomende investeringen in bewustmakingscampagnes of in begeleidingstrajecten voor recidiverende of verslaafde chauffeurs, naar Scandinavisch model?

Wat zijn volgens u de mogelijkheden om de sociale norm rond rijden onder invloed in België structureel te verschuiven, zodat ingrijpen door omstaanders hier even vanzelfsprekend wordt als in Finland?

Jean-Luc Crucke:

Beste collega, ik ben het met u eens dat rijden onder invloed een groot probleem is in ons land, nog meer in het zuiden dan in het noorden. Het nieuwe SCRA-onderzoek bevestigt dat de sociale norm in België nog veel te zwak is. De strijd tegen alcohol achter het stuur is dan ook een van mijn prioriteiten. Ik richt mij daarbij op alle bestuurders die onder invloed rijden. Samen met politie en justitie streef ik naar meer alcoholcontroles en een beter gecentraliseerde registratie.

De BOB-campagne, waarin sensibilisering en handhaving hand in hand gaan, is een sterk merk en bestaat dit jaar dertig jaar. De laatste winter-BOB-campagne leverde de politie hard werk door een recordaantal alcoholtests af te nemen. Meer dan 600.000 bestuurders werden in een tijdspanne van negen weken aan een alcoholcontrole onderworpen.

Dat succes zouden we naar het hele jaar moeten kunnen doortrekken, want zowel de objectieve als de subjectieve pakkans moet hoog zijn, zodat mensen het gevoel hebben te allen tijde en overal gecontroleerd te kunnen worden. Alleen op die manier passen mensen hun gedrag duurzaam aan. Persoonlijk ben ik het idee van nultolerantie achter het stuur genegen, omdat het duidelijk bijdraagt aan de veiligheid.

De SCRA3-enquête wijst uit dat 60 % van de bevraagde Belgen voorstander is van een algemene nultolerantie en dat 75 % nultolerantie voor onervaren bestuurders steunt. Het maatschappelijk draagvlak is er dus. Zoals u weet is er een wetsvoorstel in de Kamer hangende. Dit zal dus worden besproken.

Op korte termijn plan ik onder meer de volgende beleidsmaatregelen. De politie zal na een positieve blaastest een langer tijdelijk rijverbod van twaalf uur opleggen. Nu varieert dat van twee tot twaalf uur, naargelang de graad van intoxicatie. Ook zal de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs gedurende veertien dagen steeds plaatsvinden vanaf een lagere drempel, namelijk al vanaf 0,8 promille. Momenteel is dat pas vanaf 1,2 promille. Beide maatregelen geven een krachtig signaal dat rijden onder invloed in onze samenleving niet langer wordt getolereerd.

Voor recidiverende bestuurders zal ik een verplicht alcoholslot veralgemenen vanaf 0,8 promille. Mijn administratie zal onderzoeken of een alcoholslot ook een geschikte beveiligingsmaatregel is voor personen met een verslavingsproblematiek, zoals in Finland, nu de nieuwe rijbewijsrichtlijn dat mogelijk maakt. Daarnaast wil ik herstelopleidingen introduceren, die onder meer focussen op rijden onder invloed, naast het bestaande herstelonderzoek, om gedragsverandering te stimuleren.

Ik ben het met u eens dat we, samen met collega’s van Volksgezondheid, Justitie en politie, moeten durven nadenken over een integrale aanpak voor personen met een verslaving. Ik ben ervan overtuigd dat elk van de hierboven opgesomde maatregelen inzake rijden onder invloed een stapje in de richting kan zijn van een breed gedragen, sterke sociale norm.

Staf Aerts:

Dank u wel, mijnheer de minister. We zijn het over veel punten eens. Nu komt het er uiteraard op aan om dit alles ook daadwerkelijk uit te voeren. De BOB-campagne is een sterk merk. Die loopt al twintig jaar, maar tegelijk stellen we vast dat ze niet volstaat. Ondanks die campagne zijn de cijfers inzake alcoholgebruik achter het stuur immers nog altijd heel hoog. Die cijfers liggen veel hoger dan in de rest van Europa. We moeten dus meer inspanningen leveren. Het opdrijven van het aantal controles is daarbij van belang, maar dat is en blijft slechts één aspect. Sensibilisering is dus belangrijk, net als meer controles en meer pakkans. Tegelijk moeten we ervoor zorgen dat mensen aangesproken worden wanneer ze naar hun wagen wandelen nadat ze hebben gedronken. Vandaag kan elke chauffeur zich nog altijd verschuilen achter het excuus dat hij maar een of twee glazen heeft gedronken en denken dat hij nog niet boven het toegelaten alcoholpercentage zit. Net dat vormt het probleem: die grijze zone maakt het moeilijk. In de Kamer is een wetsvoorstel rond nultolerantie hangende. Er zijn daarover al hoorzittingen georganiseerd, maar ik stel vast dat Vooruit, die het voorstel heeft geagendeerd, niet veel ambitie toont om het opnieuw ter stemming voor te leggen. Ik zal dat voorstel zeker steunen. We hebben het trouwens samen ingediend in de vorige legislatuur. Ik ben er echt van overtuigd dat alleen via nultolerantie mensen daadwerkelijk aangesproken zullen worden. Als je drinkt, rijd je niet. Zo wordt de BOB-slogan eindelijk in de praktijk gebracht. Alleen dan kunnen we ervoor zorgen dat we niet langer bij de 19 % achteraan het peloton bengelen, maar veeleer de koppositie innemen. Dat zal veel mensenlevens redden.

Het verslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing
Het rapport van de Vergrijzingscommissie
Het rapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing
Beleid en rapporten over vergrijzing

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Jambon verdedigt pensioenhervormingen die de budgettaire kost tegen 2070 met 60% moeten verlagen, ondanks 9-12% pensioenverlies voor werknemers en ambtenaren, door langer werken af te dwingen—wat volgens critici zoals De Witte en Schlitz onrealistisch is (80% kan niet tot 66 jaar werken) en ongelijkheid verergert (vrouwen, lagere inkomens). Zij wijzen op politieke keuzes: 24 miljard voor defensie (vs. pensioenbesparingen) en ontwijking van belastinghervormingen (fraude, vermogenswinsten), terwijl België nu al laagste pensioenen van W-Europa heeft (na Duitsland). De Witte noemt de maatregelen "schandalig" en "crimineel", Schlitz benadrukt dat de last eenzijdig op de middenklasse wordt afgewenteld—terwijl alternatieven zoals hogere belasting voor rijken onbenut blijven.

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, de Studiecommissie voor de Vergrijzing heeft de maatregelen die deze regering met betrekking tot de pensioenen wil nemen nagerekend. U hebt het verslag van 2025 gelezen. De studiecommissie toont aan dat u met een bulldozer door de pensioenen van de mensen gaat. Volgens deze analyse zullen werknemers immers gemiddeld 9 % en ambtenaren zelfs 12 % van hun pensioen verliezen. Een verlies van 9 % betekent dat werknemers met een gemiddeld pensioen van 1.500 euro 150 euro per maand verliezen.

De studiecommissie merkt bovendien op dat de impact van de maatregelen mogelijk nog wordt onderschat, aangezien de berekeningen vanuit een zuiver financiële benadering vertrekken. Ik citeer: "Onze methode is een zuiver financiële benadering. Het spreekt voor zich dat andere factoren individuen kunnen aanzetten tot het verlaten van de arbeidsmarkt, zoals gezondheidstoestand, familiale omstandigheden en vrije tijd. De ramingen in dit rapport dienen dus met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd."

Wat betekent dat? De studiecommissie gaat ervan uit dat mensen door deze maatregelen een pak langer zullen werken, maar acht op de tien mensen zeggen niet tot 66 jaar te kunnen werken. Die mensen zullen dus nog meer pensioen verliezen.

Mijnheer de minister, u zegt voortdurend dat u het pensioen wilt redden voor onze kinderen en kleinkinderen, maar onze kinderen en kleinkinderen zullen langer moeten werken en 10 tot 12 % van hun pensioen verliezen. Wie niet langer kan werken, verliest zelfs nog meer. Op welke manier is dat het pensioen redden voor onze kinderen en kleinkinderen? Dat begrijp ik met de beste wil van de wereld niet.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, le rapport annuel 2025 du Comité d'études sur le vieillissement (CEV) révèle des éléments particulièrement préoccupants quant aux conséquences à long terme de votre réforme des pensions. Selon ce rapport, le benefit ratio – c’est-à-dire le rapport entre la pension moyenne et le revenu professionnel moyen – va diminuer de manière significative d'ici 2070: de 12 % pour les pensionnés de la fonction publique, de 9 % pour ceux du régime salarié, et de 3 % pour les indépendants.

Le rapport pointe également l’élargissement du fossé entre les pensions des salariés et des indépendants, ainsi qu’un effet particulièrement défavorable pour les femmes salariées. Une femme sur deux subira une pénalité sur sa pension si elle part avant 67 ans. Monsieur le ministre, êtes-vous conscient que cette réforme, en l'état, aggrave les inégalités entre régimes, entre genres, et au détriment des futures générations de pensionnés?

Toujours selon cette étude, elle entraînera également un report significatif de l'âge effectif de départ à la retraite: 40 % des femmes et 30 % des hommes devront travailler plus longtemps, dont 80 % pour un an supplémentaire, et 20 % pour plus d’un an. Pouvez-vous préciser ces chiffres? Combien de personnes devront travailler deux, trois, quatre, voire cinq années de plus, à la suite de l’harmonisation des conditions de carrière pour accéder à la retraite anticipée?

Enfin, les pensions belges figurent déjà parmi les plus faibles d’Europe occidentale. L'Organisation de coopération et de développement économiques (OCDE) indique un taux de remplacement net de 61 % en Belgique, contre 72 % en France, 90 % au Luxembourg et 89 % aux Pays-Bas. Seule l’Allemagne fait moins bien, avec 55 %. Comment justifiez-vous une politique qui risque de faire glisser encore davantage la Belgique vers le bas du classement européen?

Au vu de ces éléments, ne pensez-vous pas qu’une révision de l’équilibre entre soutenabilité budgétaire et justice sociale s’impose?

Jan Jambon:

Beste collega’s, we leven blijkbaar niet in hetzelfde land. In elk geval ontkennen sommigen van u de moeilijke en nefaste budgettaire situatie waarin wij allen leven en de vergrijzingskost die almaar verder oploopt. Met deze regering gaan we de grote uitdagingen aan en nemen we de beslissing om de budgettaire situatie aan te pakken in het belang van iedereen. Ook dat is solidariteit, zorgen voor elkaar en voor de toekomst. De hervormingen die we met deze regering doorvoeren, zijn niet eenvoudig en ook niet gemakkelijk, maar wel uiterst noodzakelijk voor ons land.

Het rapport van de Vergrijzingscommissie toont duidelijk aan dat deze regering een fundamentele stap zet in de financiële beheersing van de pensioenkosten. Tegen 2070 dalen de algemene vergrijzingskosten immers met de helft en daalt de extra pensioenfactuur met bijna 60%, dus meer dan de helft, dankzij onze hervormingen. De sociale uitgaven, zoals pensioenen en gezondheidszorg, gaan door de steeds ouder wordende bevolking in stijgende lijn, namelijk van 25,8% van het bbp in 2024 naar 27,5% in 2070.

Ten opzichte van het rapport van 2024 is die stijging in deze periode kleiner, een vermindering met 1,9 procentpunt van het bbp door de maatregelen die de federale regering neemt ten behoeve van de sociale uitkeringen en in het bijzonder van de pensioenen. Dat is de realiteit die blijkt uit het rapport van de Vergrijzingscommissie. Wie enkel naar de pensioenen kijkt, zal zien dat er een vermindering optreedt van de budgettaire kost met 1,8 procentpunt van het bbp tussen 2024 en 2070 door de pensioenmaatregelen die we nemen.

De budgettaire kost van de pensioenen stijgt nog verder, maar als regering nemen we doortastende maatregelen die deze stijging meer dan halveren. Beste collega’s, dit rapport staat in schril contrast met het palmares van vorige regeringen, die de pensioenfacturen nog verder deden oplopen.

Natuurlijk heb ik ook oog voor de impact op vrouwen. Veel van onze hervormingen zijn er net op gericht om de historisch dalende trend van de genderkloof in de arbeidsdeelname en in de pensioenopbouw verder te dichten. Dat doen we door gewerkte periodes zwaarder te laten doorwegen in de pensioenopbouw en door langer werken aan te moedigen. Vandaag zijn het inderdaad meer vrouwen die zorgtaken opnemen of thuisblijven om voor hun gezin te zorgen. Daar is op zich niets mis mee, maar met onze pensioenhervorming moedigen we wel aan dat mannen en vrouwen de keuze maken om via een hogere arbeidsdeelname meer pensioenrechten op te bouwen en zo hun armoederisico structureel te verlagen. Vanuit dat perspectief is onze hervorming dan ook bij uitstek een emancipatorisch project.

Wat uw tweede vraag betreft, verwijs ik naar mijn antwoord op uw schriftelijke vraag nr. 47 van 28 februari 2025. Die gaat over de harmonisering van de loopbaanvoorwaarden voor vervroegd pensioen.

Wat uw derde vraag betreft, kan ik u duidelijk zeggen dat de regering een sterkere koppeling maakt tussen werk en pensioen, maar ook dat de regering werkt aan arbeidsmarkthervormingen die dat mogelijk maken.

Madame Schlitz, la Comité d'études de vieillissement créé en 2001 fait partie du Conseil supérieur des Finances. Le Bureau fédéral du Plan est chargé du secrétariat du comité. Le Bureau fédéral du Plan est un organisme d'intérêt public indépendant de fait et qui relève de la tutelle du premier ministre et du ministre de l'Économie. En effet, il analyse l'impact social sur les inégalités de revenus et sur le risque de pauvreté des futurs pensionnés. Actuellement, le Bureau fédéral du Plan est confronté au départ à la pension des experts concernés.

Il lui sera néanmoins demandé d'analyser l'impact social comme l'impact sur l'écart entre les genres et le risque de pauvreté. À mon sens, cet impact social est très important. Ces analyses permettront d'identifier s'il y a des adaptations à faire dans notre réforme structurelle des pensions. Si c'est le cas, ces adaptations seront examinées en préparation de la deuxième lecture de notre projet de loi.

Kim De Witte:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw eerlijkheid. Ten eerste bevestigt u in uw antwoord dat u zwaar gaat knippen in de pensioenen. Dat is wat u zegt. Onze kinderen en kleinkinderen zullen dus een pak langer moeten werken voor een lager pensioen.

U zegt dat u geen keuze hebt omdat er geen geld is. De regering heeft echter net beslist om 24 miljard euro extra te investeren in oorlogsmateriaal, in de oorlogsindustrie van Trump. Dat bedrag is twee keer zo hoog voor de komende 10 jaar als de stijging van de pensioenen in de komende 50 jaar. U gaat dus twee keer zoveel uitgeven aan militarisering en verklaart dan dat er geen geld is. Er is nochtans keiveel geld.

Ten tweede verklaart u dat we geconfronteerd worden met de vergrijzing en dat we maar eens moeten kijken naar wat andere landen doen. Frankrijk, Oostenrijk, Italië en Spanje betalen vandaag echter al meer aan pensioenen dan wat wij in 2070 zullen moeten betalen zonder alle maatregelen die de regering neemt. Hoe kan dat dan onbetaalbaar zijn? Dat is totaal niet onbetaalbaar. Dit zijn politieke keuzes. Deze regering maakt de keuze om de pensioenen van de mensen zwaar af te breken. Het betreft een vermindering met 10 % of meer voor wie niet langer kan werken, om geld uit te geven aan andere dingen. Dat is de kern van het verhaal. U kunt dat maar beter eerlijk zeggen.

Het gevolg, mijnheer de minister, zal zijn dat onze pensioenen nog verder zullen dalen. België heeft na Duitsland de laagste pensioenen van West-Europa, de allerlaagste. Mevrouw Schlitz heeft daarnet de vervangingsratio’s opgesomd. Welnu, door de maatregelen die u neemt, zullen we zelfs onder Duitsland zakken en zullen we mensen die hun hele leven hard gewerkt hebben in de armoede duwen als ze met pensioen gaan. Ik vind dat schandalig. Ik vind dat crimineel en schandalig van deze regering.

Sarah Schlitz:

Merci. J'entends votre réponse. Manifestement, vous n'allez pas changer votre réforme, malgré le fait qu'elle a un effet particulier sur les femmes. Les Belges, avec cette réforme, vont devoir travailler plus longtemps pour des pensions moindres. Nous le savions déjà, mais, ici, nous en avons la confirmation. Monsieur le ministre, arrêtez de nous dire que la situation budgétaire est grave, parce que, si c'était vraiment le cas, vous ne vous engageriez pas dans des dépenses militaires somptueuses. Vous ne savez même pas où vous allez trouver le premier euro de ces 34 milliards que vous avez été promettre à l'OTAN. D'autre part, vous avez décidé de ne pas faire contribuer certaines catégories de la population qui en ont pourtant les moyens. Et vous allez faire peser la charge de toutes vos réformes sur les épaules de la classe moyenne, de la grande majorité de la population, et ce n'est pas acceptable. Vous savez très bien qu'on peut aller chercher de l'argent dans la fraude fiscale, mais vous ne le faites pas. On peut aussi taxer véritablement les plus-values, et non en faire un gruyère comme c'est le cas actuellement. Assumez vos décisions et arrêtez de dire que c'est la situation budgétaire qui l'impose, parce que ce sont des choix politiques.

De kaderwet tot hervorming van de gezondheidszorg
Het overleg met de artsensyndicaten
De stand van zaken van het overleg met de artsenorganisaties
Hervorming gezondheidszorg en overleg met artsenorganisaties

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De onderhandelingen over de kaderwet voor zorgconventies blijven vastlopen op kernpunten als ereloonsupplementen (125%-plafond), de intrekking van RIZIV-nummers, en de koppeling van indexering aan akkoorden, ondanks belangrijke toegevingen van minister Vandenbroucke (o.a. behoud partiële conventie, rechtscollege voor RIZIV-intrekking, uitstel tot 2028, en flexibele limieten via sectoroverleg). Artsensyndicaten en oppositie wantrouwen de methode (te strakke timing, te veel macht via koninklijke besluiten, en gebrek aan garanties voor ziekenhuisfinanciering en nomenclatuurhervorming), terwijl de meerderheid voorzichtig positief is over de bijsturingen. De spanning blijft: het werkveld vreest een staatsgeneeskunde en eist meer overleg en rechtszekerheid, maar de minister houdt vast aan het kader en hoopt op een akkoord via verdere onderhandelingen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, op vrijdag 11 juli, onze nationale Vlaamse feestdag, werd opnieuw een poging ondernomen om tot een akkoord te komen met de artsensyndicaten over het voorontwerp van uw fameuze kaderwet. Voor de achtste keer, zult u zeggen, zat u met hen samen. Helaas is uit eerdere overlegmomenten weinig resultaat voortgekomen.

Het enige resultaat tot nu toe is dat de artsenspecialisten, na 25 jaar, nog eens het werk hebben neergelegd en gestaakt. Mijn vragen zijn dan ook eenvoudig. Wat is het resultaat van het overleg? Bent u bereid uiteindelijk toch enkele toegevingen te doen? En vooral, hebt u daadwerkelijk geluisterd?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, op vrijdag 11 juli, onze Vlaamse feestdag, vond er inderdaad opnieuw overleg plaats met de artsenvakbonden over uw ontwerp van kaderwet. Hoewel u intussen al een tweede versie toe bent, verneem ik dat er fundamentele bezwaren blijven bestaan bij de artsenorganisaties. Die bezorgdheden zijn ernstig te noemen. Ze gaan over kernpunten die rechtstreeks raken aan het vertrouwen in ons gezondheidsbeleid.

Zo blijft er grote ongerustheid over de geplande regeling rond de ereloonsupplementen, over de dwingende drievierdemeerderheid die u oplegt in het Verzekeringscomité en de medicomut, en over de koppeling van geïndexeerde middelen aan de goedkeuring van een overeenkomst. Ook de bepalingen rond het intrekken van het RIZIV-nummer zijn onvoldoende precies omschreven, wat voor blijvende rechtsonzekerheid kan zorgen.

U wijkt vooral geen millimeter af van de plafonnering op 125 %, noch van de 25 % voor ambulante praktijken. Kortom, mijnheer de minister, de afgelopen maanden maken één ding duidelijk: het is en blijft volgens ons absoluut uw methode. U pakt de zaken in de verkeerde volgorde aan. Er wordt met aandrang gevraagd om eerst werk te maken van andere hervormingen. In plaats daarvan wilt u toch doorzetten en vraagt u in feite een blanco cheque, om later heel wat zaken via een koninklijk besluit te regelen, buiten het Parlement om. Dat leidt uiteraard tot wantrouwen en achterdocht.

Mijn vragen zijn de volgende.

Wat is de concrete stand van zaken in de onderhandelingen met de artsenorganisaties op dit moment? Met andere woorden, wat is er vorige week na dat overleg nog gewijzigd? Op welke punten is uw ontwerp van kaderwet inmiddels aangepast Wanneer verwacht u een akkoord te kunnen sluiten met de betrokken artsenorganisaties? Ten slotte, staat uw kaderwet geagendeerd op de ministerraad van aanstaande vrijdag?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, dans la même lignée, c'était la méthode peut-être davantage encore que la réforme en elle-même qui a suscité beaucoup de critiques et d'émotion.

À l'instar de mes collègues, je vous poserai les questions suivantes. Qu'en est-il des concertations? La confiance a-t-elle pu être renouée? S'agissant du timing, quelles ont été les modifications apportées au regard de votre proposition initiale? Qu'en pensent vos partenaires de gouvernement?

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel, mevrouw de voorzitster, collega's, voor de gelegenheid om het nog eens over deze zeer belangrijke kwestie te hebben. Ik hoop, mevrouw de voorzitster, dat u mij wat tijd geeft om het Parlement voldoende te informeren over wat voorligt en hoe het proces loopt.

Waarom moeten we absoluut investeren en hervormen in de gezondheidszorg? We zijn een samenleving met steeds meer ouder wordende mensen. Die vragen meer zorg, vaak ook complexe zorg, en dat creëert een enorme druk op de huisartsgeneeskunde, maar ook op het ziekenhuissysteem. We weten bovendien dat ook al het zorgpersoneel onder grote druk werkt. We moeten dus investeren en hervormen.

Als we hervormen, dan gaat het erom dat we de mensen die werken, vaak met hart en ziel, in de zorg correct vergoeden. Dat geldt voor alle artsen, tandartsen, kinesitherapeuten, vroedvrouwen enzovoort. Correcte vergoedingen zijn een belangrijk onderdeel van de hervormingsagenda. Wat de artsen betreft, zijn we daar overigens al drie jaar intensief voor aan het werken en overleggen. Natuurlijk moeten we ook het andere zorgpersoneel correct kunnen vergoeden. Daarvoor zijn de nodige budgetten vereist.

Een tweede belangrijk punt is dat de ziekenhuizen waarin dat zorgpersoneel werkt adequaat en voldoende gefinancierd moeten worden. Ten derde moeten we de patiënten betaalbare zorg kunnen aanbieden en een beetje zekerheid over wat er uiteindelijk op de factuur zal verschijnen.

Het gaat dus om drie grote doelstellingen: het correct vergoeden van alle zorgverleners, met name artsen, maar ook tandartsen en anderen, het correct en volledig financieren van de ziekenhuizen, zodat ook het zorgpersoneel perspectief op verbetering krijgt, en betaalbare zorg voor alle patiënten, met voldoende zekerheid over de facturen die uiteindelijk zullen volgen.

Het regeerakkoord legt mij daarvoor ook een kalender op. Tegen het einde van dit jaar moet er namelijk een nieuw kader zijn. Het gaat om nieuwe wetgeving over de manier waarop in alle sectoren van de gezondheidszorg afspraken over officiële tarieven tot stand komen, de zogenaamde conventies.

Die wetgeving moet er liggen tegen het einde van dit jaar en in het regeerakkoord staat dat het de bedoeling is dat die ook onmiddellijk ingaat. Ik heb meteen gezegd dat men voor zulke hervormingen wat tijd moet nemen. We zullen de nieuwe wetgeving over het nieuwe conventiesysteem dus niet onmiddellijk laten ingaan. Voor mij kan dat wachten tot 2028, maar het is wel belangrijk dat het wetgevend kader er ligt, zoals het regeerakkoord ook vraagt.

Het regeerakkoord zegt ook heel duidelijk dat ik een kordater handhavingsbeleid moet organiseren in de hele gezondheidszorg, omdat men, zoals in andere maatschappelijke sectoren, jammer genoeg ook hier fenomenen ziet van grootschalige fraude en misbruik. Die zijn weliswaar marginaal, maar soms toch zeer kwetsend. Het regeerakkoord bepaalt dan ook dat ik een handhavingsplan nodig heb dat begin volgend jaar operationeel is. Dat vraagt ook meer wettelijke mogelijkheden voor mijn administratie om efficiënt op te treden tegen oplichters en fraudeurs.

U vroeg mij of de wetgeving die nodig is voor dat nieuwe conventiemodel en voor de strijd tegen fraude nog op de ministerraad van volgende vrijdag in eerste lezing behandeld zal worden. Eerlijk gezegd weet ik dat niet. We hebben namelijk ontzettend veel agendapunten tussen nu en vrijdag, dus wat er wel of niet in eerste lezing zal komen, weet ik niet. Wat mij betreft, zoveel mogelijk, maar een eerste lezing is, zeker bij zo'n onderwerp, nooit een definitieve lezing. Ik kom daar zo meteen nog op terug. Dat zal waarschijnlijk ook voor andere ontwerpen van de regering zo zijn. Als iets in eerste lezing voorligt, kan men afspreken dat er in tweede lezing nog veel ruimte is om zaken ten gronde te veranderen. Ik weet dus niet of dit ontwerp in eerste lezing zal voorliggen, net zoals ik dat niet met zekerheid weet voor de pensioenen en andere belangrijke werven van de regering.

Ik wil op voorhand ook nog dit zeggen: er bestaan zeer veel misverstanden over dit ontwerp. Ik lees tot op vandaag bijvoorbeeld nog altijd dat er goed menende artsen zeggen: “We zijn in actie gekomen, want het is schandalig dat de minister nu zelf onze erkenningen, onze RIZIV-nummers gaat intrekken, als hij vindt dat we niet goed werken.” Dat is volstrekte onzin. Het is misschien de vijfendertigste keer dat ik zeg wat voor volstrekte onzin dat is.

Ik las een arts in Humo die zei: “Ik heb het gelezen in het ontwerp.” Dat is onmogelijk, want dat staat daar niet. Het is volstrekte onzin.

Ik zou zelfs nog iets anders willen zeggen, mevrouw de voorzitster. Als het gaat over de RIZIV-nummers, maar ook over de indexmassa, die voor de artsen zo belangrijk is, – het is een zeer gevoelig punt in de discussie – creëren wij rechtszekerheid op punten waar er vandaag geen enkele rechtszekerheid is. De RIZIV-nummers, die bepalen dat een arts of tandarts mag factureren aan het RIZIV, hebben vandaag geen enkel wettelijk kader. De administratie doet daarmee wat ze denkt dat ze moet doen. Er is geen enkele wettelijke basis. Wij zullen daarrond rechtszekerheid creëren.

Wat de indexmassa betreft – die artsen terecht belangrijk vinden, want het gaat over centen, die niet onbelangrijk zijn –, er is vandaag geen enkele wettelijke basis die de minister ertoe verplicht om de indexmassa uit te keren aan de artsen als er geen akkoord is. Als een minister zou zeggen: “Jullie zijn er niet in geslaagd om een akkoord te sluiten in de medicomut, dus de indexmassa wordt niet uitgekeerd”, dan heeft niemand een poot om op te staan om die minister terug te fluiten. Er is geen enkele wettelijke basis voor de verdeling van de indexmassa over de sectoren.

We creëren dus rechtszekerheid en duidelijke procedures waar er vandaag een totale leegte is. Eerlijk gezegd, ik denk dat het goed zou zijn dat de mensen die over dit ontwerp discussiëren dat ook meenemen. Wat de RIZIV-nummers betreft, doet de administratie vandaag gewoon haar zin. Wat de indexmassa betreft, doet de minister zijn goesting. Wij creëren rechtszekerheid, met procedures die ook verantwoordelijkheid vragen.

Ik heb inderdaad zeer veel overlegd met de artsenorganisaties, met de tandartsen en ook met andere sectoren. Er is ook gesproken met de apothekers en met de klinisch therapeuten over dit ontwerp. Er is zeer veel overleg over geweest. Ik denk dat dat overleg ondertussen al heel wat heeft opgehelderd. Ook in de teksten die voorlagen, zijn al zeer veel en zeer belangrijke zaken gewijzigd. Ik wil dat vandaag, mevrouw de voorzitster, toch kunnen toelichten.

Om te beginnen – dat is al enkele weken duidelijk, denk ik – had ik voorgesteld om te stoppen met het systeem van de partiële conventionering, waarbij men een aantal uren werkt aan het officiële tarief en een aantal uren supplementen kan vragen. Ik had gezegd dat dat een ondoorzichtig systeem is, omdat patiënten niet weten op welk uur een arts of tandarts wat mag aanrekenen. Dat is ondoorzichtig en onduidelijk. Je bent geconventioneerd of je bent het niet.

Ik heb het idee om die tweedeling af te schaffen volledig teruggetrokken. Wat mij betreft blijft de partiële conventie gewoon bestaan. Dan kan men uiteraard nog een discussie voeren over de modaliteiten. Ook wat dat betreft, sta ik open voor mogelijke bijsturingen, maar de partiële conventie blijft dus bestaan.

Ten tweede zegt de regering in haar regeerakkoord dat zorgverleners meer dan in het verleden moeten worden aangemoedigd om zich bij de conventie aan te sluiten. Die aanmoediging moet dus sterker zijn dan in het verleden. Daarom had ik voorgesteld om allerlei premies die we vandaag toekennen afhankelijk te maken van de vraag of een zorgverlener geconventioneerd is of niet. Wie de officiële tarieven respecteert, krijgt zulke premies. Wie die tarieven niet respecteert en ervoor kiest om niet toe te treden tot de conventie – wat nog altijd een recht is – krijgt die premies niet.

Daarop kwam er kritiek en daaraan ben ik volledig tegemoetgekomen. Het gaat dan om premies die verband houden met de kwaliteit van het werk. Die moeten beschikbaar blijven voor alle zorgverleners, niet alleen voor de geconventioneerden. Dat element heb ik dus gewijzigd. Het was een belangrijk discussiepunt.

Ten derde hebben we in nieuwe teksten duidelijk gemaakt wat het doel is van het tijdelijk intrekken van het nummer waarmee men kan factureren aan de ziekteverzekering. We hebben ook verduidelijkt hoe die procedure verloopt. Die loopt via een rechtscollege en er is altijd een beroepsmogelijkheid. De minister heeft met die procedure niets te maken. Het is een administratieve procedure, die verloopt via een rechtscollege, dat wordt voorgezeten door een magistraat. In dat college zijn, bijvoorbeeld wat de artsen betreft, ook de artsenorganisaties vertegenwoordigd. Dat rechtscollege doet dan uitspraken en het gaat alleen over zware inbreuken.

Sommige mensen blijven vandaag facturen sturen, soms voor honderdduizenden of zelfs miljoenen euro’s. In zulke gevallen moet het mogelijk zijn dat men dat factureren kan stopzetten door het nummer in te trekken, maar dat zal worden beslist door een rechtscollege, met beroepsmogelijkheden.

Hetzelfde geldt voor iemand die onbekwaam is verklaard en die misschien gevaarlijk is om het beroep nog uit te oefenen. Door het nummer in te trekken, kan worden vermeden dat die persoon patiënten blijft wijsmaken dat hij nog kan werken, door te blijven factureren. Ook dat verloopt via een rechtscollege met mogelijkheid tot beroep.

Dat is dus uitgeklaard.

Ik kom tot een volgend punt. Hoe verloopt het overleg in de dentomut en medicomut en wat zijn de mogelijkheden om een gegeven woord of een akkoord op te zeggen? Ik heb de teksten ook op dat vlak grondig gewijzigd. Ik kan u iets zeggen, mevrouw De Knop, over de drievierderegel. Er was inderdaad één punt waar we die regel iets meer op de voorgrond brachten. Daarover ging het. Ik heb vorige week toegezegd aan de artsen en tandartsen dat, wat mij betreft, die regel er ook uitgaat. We zullen nergens, maar dan ook nergens, een drievierderegel installeren die vandaag niet bestaat. Dat is niet de bedoeling. U vermeldde dat als een belangrijk punt

Verder heb ik heel duidelijk gemaakt dat de wetgeving zo in elkaar zal zitten – ik heb daartoe ook wijzigingen doorgevoerd – dat het onmogelijk wordt om de voorziene limieten op supplementen al vóór 1 januari 2028 toepasbaar te maken. Dat is onmogelijk, men kan dat niet versnellen. Ik kom daar dadelijk nog op terug.

Vrijdag hebben we een grondig overleg gehad over zes thema’s. De agenda bestond dus uit zes thema’s. We hebben het nog eens gehad over de fraudebestrijding. Er is gesproken over een correcte procedure om facturatie onmogelijk te maken bij fraudeurs, oplichters en mensen die hun beroep niet langer mogen uitoefenen. Dat hebben we nog eens grondig besproken.

Het tweede thema dat we vrijdag hebben besproken, was de financiering van de beroepsorganisaties. Ik heb daarbij duidelijk gemaakt dat dit een bijkomend element is, wat artsen en tandartsen betreft, voor een beperkt deel van hun budget, zoals dat al in andere sectoren bestaat, als men zegt dat ook het aantal geconventioneerden meespeelt. Ik heb vooral duidelijk gemaakt dat we over de praktische modaliteiten ook overleg mogelijk willen maken in de sectoren.

Het derde thema betrof de begrotingsprocedure. Daarnaast hebben we het gehad over de procedure om tot akkoorden te komen. We hebben het gehad over de nieuwe flexibiliteit die ik wil invoeren om binnen het conventiesysteem meer flexibiliteit te krijgen en meer rekening te kunnen houden met lacunes in de vergoedingen die niet onmiddellijk ingevuld worden, over noodzakelijke innovatie en tijdelijke problemen die opgelost moeten worden, over de nieuwe flexibiliteit die ik voorstel, met richttarieven in alle sectoren. We hebben het ook gehad over de ereloonsupplementen.

Een aantal zaken zijn daarbij verder verduidelijkt, onder meer dat er over de modaliteiten voor de financiering van de beroepsorganisaties overlegd wordt. Ook is verduidelijkt dat het nooit de minister alleen zal zijn die een beslissing zal nemen over tarieven die opgelegd worden als het overleg in een sector volledig mislukt. Dat zal altijd een beslissing van de regering zijn.

Ook dat is dus verduidelijkt.

Daarnaast wil ik nog een aantal elementen toelichten die, denk ik, fundamenteel zijn en die ook fundamentele wijzigingen inhouden in het ontwerp dat voorligt. Het gaat om fundamentele wijzigingen, geen kleine aanpassingen.

Ten eerste, we spreken inderdaad over verschillende grote hervormingen in het conventiemodel en daarin de beperking van supplementen. We spreken daarnaast over de nieuwe financiering van de ziekenhuizen en over de herziening van de nomenclatuur. Het is heel duidelijk dat het nieuwe conventiemodel pas zal ingaan wanneer de ziekenhuisfinanciering en de nomenclatuur hervormd zijn. Ik heb toegezegd dat we in de wet zullen schrijven dat, als de hervorming van de nomenclatuur of de ziekenhuisfinanciering om een of andere reden niet rond is op 1 januari 2028, de invoering van het nieuwe conventiemodel, en met name de beperkingen op de ereloonsupplementen, dan ook met een jaar wordt uitgesteld.

Dat is bijkomend voorgesteld.

Ten tweede heb ik wat de ereloonsupplementen betreft een dubbel aanbod gedaan, een op korte termijn en een structureel voorstel dat het hele verhaal een heel andere wending geeft. Ik weet dat de ereloonsupplementen een zeer gevoelige kwestie zijn en misschien wel de belangrijkste kwestie. We hebben gezegd dat, als de betrokken beroepsgroepen en de ziekenhuissector tegen midden september met feiten en representatieve, concrete casussen kunnen aantonen dat het onmogelijk zal zijn om een nomenclatuur en een ziekenhuisfinanciering te organiseren die toelaten om limieten op te leggen aan supplementen in de grootteorde die we voostellen voor 2028, we in tweede lezing nog altijd een aanpassing kunnen doen, zelfs als het ontwerp in eerste lezing al gepasseerd zou zijn.

Ik heb ook aan de ziekenhuiskoepels gevraagd om daarover grondig te enquêteren bij hun ziekenhuizen.

Verder, en fundamenteler, heb ik voorgesteld om de discussie over de limieten op de ereloonsupplementen volledig in te kantelen in het overlegmodel. Men zegt namelijk dat de politiek te veel beslist en dat de overheid zich daarin te veel moeit. Daarom heb ik voorgesteld om een procedure uit te werken waarbij in elke commissie – de medicomut voor de artsen, de dentomut voor de tandartsen, de logomut voor de logopedisten, de kinemut voor de kinesisten enzovoort – de mogelijkheid gecreëerd wordt om in overleg tot een voorstel te komen om de plafonds op ereloonsupplementen te verhogen, eventueel voor bepaalde disciplines, prestaties, bepaalde subsectoren of in zijn geheel.

We stellen een procedure voor waarbij, als het overleg in zo’n commissie – waar de regering niet in zetelt – zou beslissen dat de plafonds verhoogd moeten worden, de regering die beslissing moet volgen. Wat ik voorstel, ten aanzien van de kritiek dat er te veel overheidsingrijpen zou zijn op de supplementen en dat het niet fijnmazig genoeg is, is een proces waarbij die plafonds in overleg bekeken worden. Er kunnen voorstellen komen om die te verhogen waar nodig, eventueel fijnmazig, gedifferentieerd, verschillend van sector tot sector, eventueel zelfs per subdiscipline.

Wat voorligt, is wetgeving die een kader schept. Die wetgeving gaat, wat de ereloonsupplementen betreft, ten vroegste in op 1 januari 2028. Als het nodig is, stellen we de invoering nog met een jaar uit. Kan men met cijfers in de hand aantonen dat het kader niet goed is, dat het werkelijk onleefbaar zou zijn, dan kunnen we het bij een tweede lezing nog herzien.

Men krijgt dus de tijd, van nu tot aan de invoering van dat nieuwe kader – begin 2028, of indien nodig een jaar later – om in het overleg in detail daarnaar te kijken. Men zal er in detail kunnen naar kijken en voorstellen doen om de limieten te verhogen. Het overleg krijgt dus een enorme opportuniteit. U zult het met mij eens zijn dat dat geen kleine aanpassing is aan de optiek die nu voorligt.

Ik ga ervan uit dat de artsen en ook de ziekenfondsen, die zeggen dat er meer overleg nodig is, niet alleen nu, maar ook in de toekomst, die opportuniteit met twee handen zullen grijpen.

Ik kom nu tot de index, ook een zeer gevoelig punt voor artsen en tandartsen.

Nog eens, als er vandaag geen overeenkomst tot stand komt, dan is er niets in de wetgeving dat zegt dat de indexmassa uitgekeerd moet worden. Niets. De minister kan die gerust inhouden. Men kan naar de rechtbank stappen, maar de minister zal gelijk krijgen, want er is niets voorzien. Daarom creëren we nu wetgeving waarin we stellen dat de indexmassa moet worden uitgekeerd als er een akkoord is. We zeggen wel dat, als er uiteindelijk geen akkoord tot stand komt, die indexmassa niet wordt uitgekeerd. Ik heb wel een belangrijke precisering toegevoegd, een toegeving als u wilt. Ook als er geen akkoord is in de sector tussen de artsen en de ziekenfondsen, of tussen de tandartsen en de ziekenfondsen, wordt de indexmassa niet uitgekeerd, maar ze blijft wel beschikbaar. Ze blijft het hele jaar ter beschikking totdat men alsnog een akkoord bereikt heeft.

Hierbij wil ik toch iets belangrijks benadrukken. De indexmassa is traditioneel niet gewoon een lineaire indexering van tarieven. Het gaat om een massa geld, die vaak selectief wordt gebruikt om beleid te voeren binnen de sectoren. Sommige honoraria stijgen meer, andere minder, allemaal op basis van diezelfde indexmassa. Het gaat dus gewoon om een budget. Het is dus heel logisch dat, als er een voorstel ligt voor een nieuwe tariefstructuur – een verwevenheid van groeinorm en indexmassa, waarbij allerlei tarieven selectief worden aangepast –, maar als daar geen akkoord over is, de indexmassa ook niet wordt uitgekeerd. Dat is gewoon de logica zelve.

We creëren wel rechtszekerheid: als er een akkoord is, moet de indexmassa worden uitgekeerd. Bovendien heb ik verduidelijkt dat, als er ondanks allerlei tussenstappen geen akkoord tot stand komt binnen een sector – en er dus geen tariefzekerheid of officiële tarieven zijn – de regering dan tarieven kan opleggen. In dat geval moet de indexmassa altijd mee uitgekeerd worden. Ook dat hebben we nu in het ontwerp opgenomen.

Ik denk dat dit belangrijk is voor de artsen en tandartsen, die het debat over de indexmassa terecht als essentieel beschouwen.

Ik heb ook verduidelijkt wat ik heb toegezegd aan de ziekenhuiskoepels, namelijk dat de nieuwe financiering van de ziekenhuizen – die hopelijk van start gaat in 2028, waar we naartoe werken – van dien aard moet zijn dat de uitrusting, het verbruik, de hele verpleegkundige en personeelsomkadering... Wat mij betreft zou ik daar ook de polykliniek in opnemen, die vandaag totaal niet gefinancierd is voor het ziekenhuis en vaak de reden is waarom men afdrachten vraagt.

De basisfinanciering van de ziekenhuizen moet bij de start zo zijn dat er geen enkele afdracht meer gevraagd moet worden aan de artsen. Dat is het startpunt. Dat is ook echt de bedoeling, en ik heb dat op papier toegezegd aan de ziekenhuizen.

Daarnaast hebben we ook over andere zaken gesproken, zoals de druk op de spoed en de huisartsenwachtposten. U weet dat dokter Roel Van Giel in zeer grondig overleg is met alle huisartsenorganisaties over de versterking van de huisartsenwachtposten. Dat gaat ook over de triage. We moeten de 1733 versterken en daarover zijn we in gesprek. De spoed en de druk op de spoed vormen een belangrijk zorgpunt.

Ik ben de hele ochtend in een ziekenhuis geweest, waar ik voornamelijk bezig geweest ben met de dienst pediatrie, maar ook met de spoed, de kinderpsychiatrie en spoedgevallen met psychiatrische problematiek. We moeten absoluut de crisis- en urgentiepsychiatrie versterken. Daar ligt ook geld voor op tafel, maar dat moet worden uitgerold. We moeten onze spoeddiensten helpen en ervoor zorgen dat mensen die eigenlijk gewoon een huisarts nodig hebben, niet op de spoeddienst staan. Dat is niet zo eenvoudig in het ziekenhuis waar ik was, namelijk het ziekenhuis van de VUB, gelet op de omgeving. Jammer genoeg zijn er veel mensen in Brussel die geen huisarts hebben, maar daaraan moet worden gewerkt. Dat is iets wat heel duidelijk uit het terrein naar voren komt en waar we aan zullen werken.

Er liggen dus zeer grondige wijzigingen voor die de optiek van het voorstel grondig bijsturen. Ik ga ervan uit dat ik daarmee aan heel wat van de kritieken en verzuchtingen tegemoetkom. Met die discussie, na alles wat ik heb geleerd en met alle toezeggingen die aan artsen zijn gedaan, ga ik naar de regering. U zult gemerkt hebben dat anderen, met name de ziekenfondsen, vinden dat ik veel te veel toegevingen doe aan de artsen. Dat is nu eenmaal het proces van luisteren, overleggen, stappen zetten en nieuwe compromissen zoeken.

Dominiek Sneppe:

Dank u wel voor uw uitvoerige uitleg, mijnheer de minister. Die verschilt toch wel van wat wij hoorden. Ik ben dus nog wat kritisch over wat u hier allemaal komt te zeggen.

Dat hervormingen nodig zijn, daar begint u uw uitleg altijd mee. Uiteraard. Ik meen dat dit het eerste is waar iedereen het over eens is, ook de artsen, ook de tandartsen. Ik meen dat men het er in alle sectoren over eens is dat hervormingen zeker nodig zijn.

U hebt geschetst dat er bepaalde openingen zijn. Dat is uiteraard positief, maar ik vrees dat als u blijft vasthouden aan de huidige tijdsdruk, die openingen weer snel kunnen dichtvallen. Mijn vraag is dan ook waarom u halsstarrig vasthoudt aan de door u voorgestelde timing. Volgens mij is die niet belangrijker dan de inhoud en de vooruitgang. Hervormen is zeker nodig. Efficiëntiewinsten moeten we zeker proberen te bekomen.

U had het ook over de index. Ik hoor op het werkveld dat men het daar nog niet overal eens is over wat u voorstelt, ook wat de intrekking van het RIZIV-nummer betreft. U verbloemt dat altijd wat, maar eigenlijk staat het er letterlijk. Ik zal proberen het voor te lezen.

Wat staat er in uw kaderwet? Tenzij het opeens helemaal veranderd is, natuurlijk. "Er wordt tevens aangegeven dat het vermelde RIZIV-nummer ook kan dienen voor andere doeleinden die worden vermeld in de regelgeving betreffende de verplichte ziekteverzekering. Er wordt een bevoegdheid gegeven aan de Koning" – lees uiteraard de minister – "om nadere regels te bepalen voor de toekenning, het gebruik, en de intrekking van een RIZIV-nummer om andere redenen dan handhaving." Dat staat hier.

Frank Vandenbroucke:

Mag ik u onderbreken? Dat is toch elementair. U zou dat ondertussen toch moeten weten, mevrouw Sneppe.

Ten eerste, dat staat er niet meer. Ik zeg al drie weken dat dit er niet meer staat, omdat het leidt tot het misverstand dat ik nu zal schetsen. Het is wel jammer dat u dat hier nu komt vertellen. Als in een wettekst staat dat de Koning bepaalde modaliteiten kan uitwerken, dan wil dit zeggen dat er een koninklijk besluit wordt genomen. Dat wil niet zeggen dat de minister zal beslissen. Nee, dat wil zeggen dat er een koninklijk besluit wordt genomen. In dat koninklijk besluit kan bijvoorbeeld staan dat de administratie van het RIZIV onder die voorwaarden dit of dat kan doen.

Als u nu echt meent dat als in een wettekst staat 'de Koning kan' dit betekent dat de minister zelf allerlei beslissingen zal nemen, dan hebt u blijkbaar nog nooit een wettekst goed gelezen. Het is de eerste keer dat ik u dit hoor zeggen, in alle eerlijkheid. Ere wie ere toekomt, maar dat is onzin.

Als er ergens staat 'de Koning kan', dan wil dat niet zeggen dat de minister allerlei beslissingen zal nemen. Dan zou daar staan 'de minister kan bij ministerieel besluit allerlei beslissingen nemen', wat iets totaal anders is. Dat men dat vertelt onder artsen en dat die dat geloven, kan ik nog begrijpen, maar ik vind het jammer dat de artsenorganisaties dat niet eerder hebben rechtgezet. Dit is onzin.

Bovendien, het staat er niet meer omdat er misschien hier en daar zijn die dat willen begrijpen zoals u het begrijpt en dat misbruiken. Wat was de inspiratie daarvoor? Dat waren de hoogbejaarde artsen, waarvan men zegt dat ze geen nummer meer moeten hebben. Voor mij moet dat niet. Het enige wat echt belangrijk is, is fraude en oplichterij aanpakken, net als gevaarlijke zorgverleners, die jammer genoeg bestaan. Sommige mensen derailleren immers een beetje na een aantal jaren en we moeten ervoor zorgen dat zij niet meer kunnen factureren.

Weet u wat de minister daarmee te maken heeft? Niets, nada , rien , nul. Dat gaat over een rechtscollege in de administratie waar de vertegenwoordigers van de artsenvakbonden deel van uitmaken.

Dominiek Sneppe:

Ik dank u voor deze precisering, maar ik hoor nog steeds dat het intrekken van het RIZIV-nummer nog niet voldoende gedefinieerd is. Het is misschien al veranderd, maar het is nog niet voldoende gedefinieerd. Dat is wel iets belangrijk. Als een RIZIV-nummer zomaar kan worden afgenomen, dan is dat in sommige gevallen broodroof. Het is inderdaad niet de minister die zelf beslist, maar een koninklijk besluit wordt natuurlijk niet door het Parlement goedgekeurd. Dat is wat hier wordt bedoeld. Een koninklijk besluit wordt goedgekeurd door de minister en de ministerraad, maar niet door het Parlement. Het democratisch karakter is dus ver te zoeken.

U hebt gezegd dat er een mogelijkheid bestaat voor een deelakkoord, voor een gedeeltelijke conventie, maar ik hoor ook dat dit nog niet in lijn is met wat men in de praktijk wil. Ik zeg niet dat u alles moet toegeven, maar het ene hangt samen met het andere.

Tegen het einde van dit jaar moet er wetgeving zijn voor het nieuwe conventiesysteem. Dat staat in het regeerakkoord, waarmee u altijd zwaait. Ik hoor nochtans van uw coalitiepartners dat er ook daarover nog wat wrevel bestaat. Het zal maar ingevoerd worden in 2027, maar eerst moet u een kader hebben. Daar zult u van alles insteken of uithalen en dat zal geregeld worden bij koninklijk besluit. Het Parlement staat dus opnieuw buitenspel. Dat lijkt mij de omgekeerde wereld.

U vraagt aan het werkveld om akkoord te gaan met het kader, waaraan echter nog van alles kan worden veranderd, toegevoegd of uitgehaald. Eigenlijk vraagt u het werkveld om een blanco cheque en zegt dat de minister zal beslissen.

Ja, de minister beslist. Neen, goed, via een koninklijk besluit. Daar staat inderdaad niet in dat de minister zal beslissen of dat de minister alleen kan beslissen. Dat zou uiteraard nogal doorzichtig zijn.

Wat het aftoppen van de ereloonsupplementen betreft is de vraag ook wat dat voor het RIZIV-budget oplevert. Ik weet niet of dat al berekend is. Dat is misschien een vraag voor de komende weken.

Het hangt allemaal samen. U bent ook zo eerlijk om dat toe te geven. De conventiehervorming, de hervorming van de ziekenhuisfinanciering, de hervorming van de nomenclatuur, dat hangt allemaal samen. Toch zegt u dat uw kaderwet pas in 2028 zal ingaan. Mogen wij dan veronderstellen dat die drie hervormingen, de drie poten van de hervorming, ook tegen 2028 of misschien een jaar later klaar zullen zijn? Waarom moet daar dan expliciet 2028 staan? Waarom zegt u niet gewoon dat dit pas in werking zal treden wanneer de conventiehervorming, de hervorming van de ziekenhuisfinanciering en de hervorming van de nomenclatuur volledig op punt staan? Dat zou veel miserie kunnen vermijden.

U zei hier zelf - dat is uiteraard al een verduidelijking - dat als het in 2028 niet klaar is, we het met één jaar kunnen uitstellen. Daarna kan men dat eventueel nog eens met een jaar uitstellen. Ik begrijp dus dat het werkveld daarover ongerust is, want als u geen koninklijk besluit uitschrijft dat dit met een jaar wordt uitgesteld, dan treedt het in werking in 2028.

Mijnheer de minister, ik ben wel blij dat er al wat openingen zijn. Ik hoop dat wat u hier hebt verteld ook strookt met wat wij op het werkveld horen en dat dit ook op het werkveld doorsijpelt, want anders maakt u ons hier wat wijs. Dat is uiteraard niet de bedoeling van deze vragensessie.

We volgen het alleszins met argusogen op. Ik hoop dat we tijdens het reces niet moeten samenkomen om dit in het Parlement uit te klaren.

Irina De Knop:

Ik wil eerst iets zeggen over de vorm. Normaliter hebben we twee minuten om onze vraag te stellen. De minister krijgt vervolgens vijf minuten spreektijd voor een toelichting, waarna wij weer één minuut krijgen voor een repliek. Het is heel moeilijk om diepgaand in te gaan op alle meegedeelde technische details over het overleg, punt voor punt, al zou ik dat wel willen doen. Ik had me daar dan wel graag op voorbereid.

La présidente : Permettez-moi de vous couper ici. M. le ministre avait annoncé d'emblée qu'il allait dépasser le temps imparti pour nous apporter des réponses complètes. S'agissant d'un débat d'actualité très important, j'ai répondu que je n'y voyais pas d'inconvénient. Vous voyez que nous n'avons pas enclenché le chrono. Donc, si vous voulez parler un peu plus longtemps, n'hésitez pas. De toute façon, je pense que nous reprendrons cette discussion à la rentrée.

Irina De Knop:

Het is natuurlijk altijd heel erg moeilijk om zonder een laatste versie van uw voorontwerp ten gronde te debatteren. Zoals collega Sneppe zei, hebben we feedback ontvangen van uw vergadering. We vernamen bijvoorbeeld dat bepaalde modaliteiten, onder andere rond de intrekking van het RIZIV, nog altijd niet duidelijk zijn.

Ik wil ook nog even ingaan op het pingpongspelletje dat hier gehouden wordt. Uiteraard kan en zal de minister dat doen via een koninklijk besluit. Precies daar is het echter onduidelijk hoe u daaraan invulling zult geven. Dat is net de essentie van het probleem, mijnheer de minister. Op het terrein heeft men geen vertrouwen meer in u en daarom werkt het als een rode lap op een stier om te lezen dat de regeling verder zal worden uitgewerkt via een koninklijk besluit.

Frank Vandenbroucke:

Mag ik even?

Irina De Knop:

Nu ben ik even aan het woord.

Frank Vandenbroucke:

De verwijzing naar een koninklijk besluit wordt volledig uit die tekst geschrapt. Heel die procedure zal in de wet worden uitgewerkt. Dus zelfs als het waar zou zijn dat men de regering wantrouwt, zal het Parlement die procedure in detail vastleggen. Dat is het voorstel.

Irina De Knop:

Dat is dan een heel fundamentele wijziging. Ik verneem daarbij dat er, ook al gebeurt het op die manier, toch nog altijd vragen zijn over het feit dat u die procedure volledig onder de RIZIV-structuur brengt. Er wordt met name geen toegeving gedaan op het vlak van een beperking in de tijdsduur, noch wat betreft de hiërarchisering van inbreuken, noch met betrekking tot de bepaling van proportionaliteit. U stelt hier dat alle mogelijke toegevingen zijn gedaan, maar we vernemen dat er nog altijd heel wat vragen zijn en dat er zeker nog geen consensus over bestaat.

Wat het tweede thema betreft, namelijk de financieringsorganisaties, verneem ik ook dat in het overleg zou zijn toegelicht dat wat er staat niet zo moet worden gelezen, dat dat nog kan worden aangepast en dat de minister eigenlijk iets anders bedoelt dan wat er nu staat. Dat moet echter nog intern worden teruggekoppeld. Dus de vraag is of het nu in het derde of vierde ontwerp staat. We don't know .

Wat het derde thema betreft, de procedures rond de akkoorden tussen zorgverleners en verzekeringsinstellingen, hoor en lees ik dat er met betrekking tot de partiële conventie duidelijk aan u wordt gevraagd om verdere wijzigingen aan te brengen om voldoende flexibiliteit te voorzien wat betreft de dagen. Dat zou immers wat werkzamer zijn in ziekenhuispraktijken. Ook daarover vernemen we echter dat u niet verder wilt wijzigen.

U laat het principe dus wel toe, maar de modaliteiten zijn dusdanig dat het zeer onzeker is of dat voor artsen werkzaam kan zijn.

Wat betreft de index, u hebt daar heel uitvoerig naar verwezen. Ik ben zelf geen grote kenner, maar ik begrijp dat daar nog vele vragen over bestaan. Het is altijd zo geweest dat u die index wilt koppelen aan het al dan niet sluiten van een akkoord. De enige toegeving die u doet, is dat de index wordt geparkeerd tot er wel een akkoord is. Ook dat wordt gezegd, maar we moeten het nog lezen in de finale teksten.

Wat betreft de drievierdemeerderheid, zou u op het overleg hebben gezegd dat u dit verder wilt bekijken. Het is nog afwachten hoe dat zich zal vertalen in een volgende versie.

Ik sla enkele zaken over, omdat ik binnen de tijd wil blijven. Dan komen we bij de supplementen. Daar vernemen wij, hoewel u het hier anders zegt, dat u geen millimeter afstapt van de 125 %-regeling noch van het 25 %-plafond voor ambulante praktijken. Blijkbaar worden er harde conclusies getrokken door de sector op dat vlak.

Ik luister echt naar wat u zegt. U wilt nu een kader vastleggen dat u later kunt inzetten. Dat is precies de kern van het probleem. U wilt nu een kader vastklikken, terwijl de vraag blijft of binnen de marges die u mogelijk maakt, daadwerkelijk de nodige aanpassingen zullen plaatsvinden voor de ziekenhuizen en de artsen, als later blijkt dat dat kader fundamenteel onevenwichtig is. Daarnaast rijst de vraag of er ondertussen al geen schade is aangericht en of het misschien niet al te laat is.

Ik kom bij mijn conclusie, mevrouw de voorzitster. Het was al vijf voor twaalf. Door het protest en door uw aanhoudende methode van de voorbije weken zijn we nu echt op twaalf uur aangekomen. We zijn misschien wel bij de grote finale, de ministerraad en de eerste lezing. Ondertussen houdt u halsstarrig vast aan de kaderwet en wilt u willens nillens doorgaan.

Ik meen te mogen stellen dat ik er samen met de andere leden van de oppositie en met de artsen en hun verenigingen alles aan heb gedaan om u te wijzen op de grote risico’s die verbonden zijn aan het doorgaan met de kaderwet. Wij hebben in totaal vijf vragen gesteld. Wij hebben een interpellatie gehouden. Vandaag voeren wij een actuadebat, maar dat alles mag niet baten. Het is erg duidelijk dat u wilt doorgaan en dat u wel degelijk de intentie hebt om de wet nu vrijdag in de kern te behandelen.

Er rest ons dus niets anders dan ons nu te richten tot uw collega’s uit de meerderheid. Ik kijk daarbij in de richting van de N-VA en de MR, een partij die vandaag volgens mij zelfs niet aanwezig is. Het is echt een vraag aan jullie of jullie akkoord gaan met het loslaten van de specificiteit van de vrije beroepen, met het loslaten van het overlegmodel en met het loslaten van de vrijheid van ondernemen. Net als de Hoge Raad voor de Zelfstandigen en de KMO’s en de artsenverenigingen vragen ook wij met aandrang dat erover wordt gewaakt dat die principes worden gerespecteerd. Die principes van vrije beroepen, overlegmodel en vrijheid van ondernemen zijn nodig voor een kwalitatieve zorgverstrekking. Zij zijn nodig om de vrije keuze van de patiënt voor zijn zorgverstrekker te kunnen garanderen in omstandigheden die respectvol zijn, zowel voor de zorgverstrekkers als voor de patiënten.

Collega’s, daarmee rond ik af. Bezint eer ge begint, want onze vrees is dat, eens wij die kaap nemen, wij richting een vorm van staatsgeneeskunde gaan. In dat geval komt het gezondheidszorgsysteem dat wij de voorbije decennia zorgvuldig hebben opgebouwd, mogelijks op de helling te staan.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je suis, pour ma part, un peu plus positive que mes collègues. J'estime qu'on avance par rapport aux différentes discussions qu'on a déjà pu avoir et au débat d'actualité. Dans les éléments qui viennent d'être communiqués, on retrouve les revendications des médecins généralistes ou spécialistes que j'ai pu rencontrer.

D'une manière générale, madame De Knop, vous parlez de la liberté des médecins, mais il faut aussi prendre en compte le fait que chaque citoyen a le droit d'être soigné dans les temps et de pouvoir se faire soigner, quels que soient ses moyens.

Vous avez dit d'emblée, monsieur le ministre, qu'il y avait eu des critiques de cette réforme, et que vous aviez donc apporté certaines corrections. C'est ce qui avait été demandé. En outre, vous dites que ce qui est important dans cette réforme de la santé, c'est qu'il y ait une correcte rémunération de tous les prestataires de soins, que les hôpitaux soient suffisamment financés et qu'il y ait une sécurité de la facturation pour les patients. Vous avez ajouté qu'il faut prendre le temps de faire correctement les choses.

Aujourd'hui, toute une série d'éléments ont été corrigés par rapport à votre première proposition. Je ne vais pas tous les redire, mais je pense que cela va dans le bon sens. Je ne pense pas que tout soit en place aujourd'hui , comme cela a été dit par ailleurs. Toute une série de remarques devront encore être faites et ajustées dans un équilibre global, à la fois pour le patient mais aussi pour permettre aux médecins d'exercer correctement leur profession et aux hôpitaux de pouvoir tenir aussi un équilibre.

Quand on choisit d'être médecin, l'objectif fondamental est de soigner les gens. Et les gens veulent être soignés. à un moment donné, il faut donc trouver cet équilibre qui permet aux prestataires de soins d'être rémunérés tout à fait correctement à la hauteur de leurs heures de travail, du travail qu'ils fournissent et du stress qu'ils vivent, mais qui permet aussi à tout un chacun de se soigner, sans attendre indéfiniment un rendez-vous ou sans devoir payer des suppléments. Je rappelle qu'une personne sur quatre refuse encore de se soigner faute de moyens. Que quelqu'un sacrifie sa santé, sa vie, parce qu'il n'en a pas les moyens, c'est inacceptable et cela me fait très mal.

En conclusion, je trouve que nous avançons dans la bonne direction, vers un équilibre global. Vous avez laissé des possibilités d’adaptation, et encore de la concertation. À chacun de prouver que le cadre n’est pas bon, le cas échéant.

Nous reviendrons, sans nul doute, sur ce débat, j’imagine avec un texte plus abouti, que vous pourrez nous présenter. Nous pourrons alors constater si les éléments que vous apportez ici se retrouveront bien dans ce texte. Entretemps, nous aurons pu faire notre travail de parlementaires, de mandataires, à savoir rencontrer le terrain pour entendre les critiques, mais peut-être aussi les choses positives de cette réforme.

Merci pour ces éclaircissements.

Frieda Gijbels:

Het is een goede zaak dat er intussen aanpassingen en verduidelijkingen zijn doorgevoerd.

De soms hoge supplementen die worden gevraagd, zijn vaak niet te wijten aan de betrokken artsen of tandartsen. De oorzaak ligt meestal bij de achterhaalde terugbetalingstarieven. Als we willen zorgen voor een goede toegang tot zorg – tandzorg, algemene zorg en gespecialiseerde zorg – dan moet de financiering gelijke tred houden met de nieuwe ontwikkelingen en de hedendaagse praktijk. Dat geldt zowel voor de ziekenhuisfinanciering als voor de financiering van behandelingen en onderzoeken buiten het ziekenhuis.

In het verleden heb ik al gewezen op een aantal sectoren waar problematische terugbetalingstarieven ertoe leiden dat er supplementen moeten worden aangerekend en waar de conventiegraad doorgaans zeer laag is. U kent die sectoren, mijnheer de minister: dermatologie, kinesitherapie, parodontologie en orthodontie.

Ik ben vandaag speciaal naar hier gekomen om het te hebben over de bijzondere tandheelkunde en de kindertandheelkunde. Ze vormen een groep die we absoluut niet mogen vergeten. Ze verrichten bijzonder belangrijk werk. Ze trekken veel tijd uit om heel moeilijk behandelbare patiënten goed te verzorgen. Ik was dan ook erg geraakt door een bericht van iemand die zich toelegt op die bijzondere tandheelkunde. Die groep is reeds zwaar getroffen door het supplementenverbod voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming, dat tijdens de vorige legislatuur in werking is getreden. Vandaag zijn ze werkelijk ten einde raad en bijzonder ongerust. Ze merken ook dat het vertrouwen bij hun patiënten is afgenomen. Dat is geen onschuldige ontwikkeling. We moeten er echt aan werken om dat vertrouwen te herstellen. Voorheen kon zij heel goede afspraken maken met haar patiënten over de supplementen die zij noodgedwongen moest aanrekenen. Vandaag lukt dat veel minder. Er moet dringend perspectief komen voor die groep zorgverleners.

Ik hoop dat u dit signaal luid en duidelijk zult overbrengen, met name voor de groepen die zich vandaag ernstig zorgen maken. Zij zien dat er heel wat beweegt binnen het zorglandschap, terwijl ze vaak grote investeringen hebben gedaan waarvan ze nu niet zeker zijn of die nog wel zullen worden terugbetaald. Mijnheer de minister, u weet dat wij het ermee eens zijn dat er een correcte nomenclatuur moet komen en dat de ziekenhuisfinanciering moet worden hervormd. Wij willen die hervormingen echter eerst zien, vooraleer wij maximale percentages vastleggen die daarbovenop zouden worden gevraagd.

U geeft aan dat de ziekenfondsen en de beroepsverenigingen in overleg kunnen bekijken waar eventueel hogere supplementen mogelijk zijn. Op zich is dat misschien een goede zaak, maar u mag niet onderschatten dat het vaak om kleine beroepsgroepen met specifieke problemen gaat, die niet vertegenwoordigd zijn in die vakbonden. We mogen hun niet de verantwoordelijkheid geven om dat op te lossen. Ik ben van mening dat dat een taak is voor de overheid. Wij moeten ervoor zorgen dat dat op een goede manier wordt geregeld. Ik kan er niet genoeg op aandringen: ik hoop dat u echt luistert naar die zorgverstrekkers en hun een oplossing biedt.

Jan Bertels:

Mevrouw Gijbels, ik ben getriggerd door wat u terecht opmerkt over de kindertandheelkunde. Ik weet heel goed over wie u het hebt, want de overleden persoon woont in mijn buurt. Niet alleen de overheid, mevrouw Gijbels, maar ook de beroepsgroep moet een rol spelen. De beroepsgroep beslist ook over een deel van de extra middelen die ze ontvangt en die ze kan aanwenden. Die beroepsgroep moet dan ook algemeen bekijken welke noden er zijn. De kindertandheelkunde is daar een voorbeeld van. De beroepsgroep hoeft dat niet alleen te doen, we zullen hen daarin moeten ondersteunen. De beroepsgroep mag zijn verantwoordelijkheid echter niet ontlopen. Men kan geen tournée générale voor iedereen willen en daarna weer voor extra middelen voor een specifiek onderdeel aankloppen bij de overheid. De inspanning moet van beide kanten komen. De beroepsgroep weet dat ook. Ik hoop dat we daarin zullen slagen in de begroting voor 2026. De Vooruitfractie zal daarop in elk geval blijven aandringen. Kindertandheelkunde, zeker voor personen die bijzondere begeleiding nodig hebben, moet beter gefinancierd worden. Daarover zijn we het hopelijk allemaal eens. We moeten er samen voor strijden dat daarvoor in de begroting voor 2026 extra middelen worden voorzien. La présidente : Je pense que nous pouvons conclure ici ce débat, sur lequel nous reviendrons évidemment. Les questions n° 56005709C de Mme Vandeberg et n° 56006356C de Mme Eggermont sont reportées.

De toename van het aantal gevallen van schurft in België en de eventuele gezondheidsmaatregelen

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende schurftcijfers in België (+15% jaarlijks sinds 2011, tot +41% in kwetsbare groepen zoals asielzoekers) bevestigt minister Vandenbroucke, wijtend aan diagnosefouten, complexe behandeling (crèmes, hygiëne), mogelijke resistentie en sociaaleconomische factoren—geen klassieke epidemie, maar wel een alarmerende toename met beperkte besmetting (lang huidcontact nodig). Preventie is regionaal: Wallonië werkt aan een actieplan (o.a. apothekerssensibilisering via *AVIQ* en *CBIP*-richtlijnen), ivermectine (oraal) is sinds kort terugbetaald als alternatief, maar structurele oplossingen (beter diagnosticeren, behandelopvolging) blijven cruciaal volgens Dufrane, die bezorgdheid uit over resistentie en afwacht verdere studieresultaten.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, selon une étude récente de Sciensano et de l'Institut de médecine tropicale, le nombre de cas de gale augmente de 15 % par an depuis 2011 en Belgique, tant dans les soins de première ligne que dans les populations précarisées. Certains spécialistes évoquent même les signes d'une épidémie, ce qui suscite une inquiétude croissante.

Cette progression est également observable dans les centres pour demandeurs d'asile et parmi les personnes vivant dans des conditions de logement précaires, avec une hausse annuelle de 41 % dans ces contextes. Cette recrudescence d'une maladie parasitaire qui était auparavant mieux contrôlée soulève des préoccupations importantes en matière de santé publique, d'accès aux soins et de gestion des populations vulnérables. Des interrogations subsistent quant aux causes exactes de cette augmentation, ainsi qu'à l'efficacité de la prise en charge et des protocoles de traitement actuels.

Par ailleurs, les erreurs diagnostiques sont fréquentes, la gale étant souvent confondue avec de l'eczéma et le traitement est parfois mal appliqué ou mal suivi, ce qui nuit à l'éradication.

Mes questions, monsieur le ministre, sont:

Confirmez-vous les données relayées par Sciensano et les constats de progression de la gale?

Comment expliquez-vous cette hausse constante depuis 2011?

La situation actuelle peut-elle être considérée comme une épidémie au sens sanitaire du terme?

Quelles mesures préventives et de sensibilisation sont actuellement mises en place, notamment auprès des médecins généralistes et des structures d'accueil précaires?

Des campagnes d'information, avec les pharmaciens, sont-elles envisagées pour améliorer l'application correcte des traitements et éviter les erreurs de diagnostic?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Dufrane, s'agissant des données relayées par Sciensano, l'étude qu'elle a menée en 2023 en collaboration avec l'Institut de Médecine Tropicale a en effet montré une augmentation des cas de gale en Belgique. Cette hausse est également observée dans d'autres pays européens. La cause n'en est pas unique. Il s'agit probablement d'une combinaison de facteurs tels que les difficultés de diagnostic, un traitement complexe nécessitant l'application minutieuse d'une crème, le respect des mesures d'hygiène et le besoin d'identifier et traiter les contacts. Il est également possible qu'une résistance aux traitements disponibles soit en train d'apparaître. La part respective de ces différents facteurs fait actuellement l'objet d'une étude plus approfondie menée par l'Institut de Médecine Tropicale.

On peut parler d'une épidémie dans le sens où l'on voit clairement plus de cas que les années précédentes. Néanmoins, il importe de nuancer. Il s'agit d'une maladie infectieuse qui nécessite un contact cutané de dix à quinze minutes pour contaminer d'autres personnes. Ce n'est donc pas comparable à la transmission du covid ou de la rougeole, par exemple. En outre, la maladie provoque beaucoup de désagréments en raison des démangeaisons intenses qu'elle entraîne, mais elle peut être parfaitement guérie sans séquelles si elle est traitée correctement.

Par ailleurs, la prévention relève de la compétence des Régions, mais mon administration m'a rassuré sur le fait que la Flandre et la Wallonie prennent des initiatives à cet égard.

En ce qui concerne le diagnostic, celui-ci est bien sûr réservé au médecin. Quant à l'application du traitement, les pharmaciens ont également accès aux outils mis à la disposition des professionnels par les Régions. En Wallonie, l'Agence pour une Vie de Qualité (AVIQ) prépare un plan d'action contre la gale. La sensibilisation des pharmaciens en fait partie. De plus, le Centre belge d'information pharmacothérapeutique (CBIP) a consacré le Folia pharmacotherapeutica du mois de juillet de cette année à la prise en charge médicamenteuse de la gale, à destination des professionnels de la santé. Ce document rappelle notamment les modalités d'application et de prise des traitements disponibles et peut servir de support aux pharmaciens dans leur rôle de conseil.

Une bonne nouvelle est que l'ivermectine, un traitement oral, est remboursé depuis peu. Pour certains patients ou dans certaines situations, cela peut être une meilleure solution que les crèmes.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, même si je ne suis pas totalement rassuré étant donné que certains évoquent une résistance au traitement actuel. J'ai hâte, néanmoins, de prendre connaissance des résultats de l'étude de l'Institut de Médecine Tropicale. Pour le reste, je me réjouis d'apprendre que le volet relatif à l'information et à la communication, notamment par l'intermédiaire des Régions ou de l'AVIQ se met en place. Je vous remercie encore d'avoir pris le temps de me répondre.

Het effect van nachtwerk op het risico op borstkanker
Het effect van nachtwerk op de gezondheid van vrouwen
Nachtwerk en gezondheidsrisico's bij vrouwen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz waarschuwt voor een 50% hoger astmarisico bij vrouwen door nachtarbeid (tot 89% bij menopauzale vrouwen zonder hormoontherapie), terwijl mannen geen verhoogd risico vertonen, en vraagt om preventiebeleid, werkgeversverantwoordelijkheid en bescherming van kwetsbare groepen (bv. menopauzale werklozen die nachtwerk kunnen weigeren zonder sancties). Minister Vandenbroucke verwijst door naar de minister van Werk voor concrete maatregelen, maar belooft monitoring via Fedris om nachtarbeid-gerelateerde aandoeningen mogelijk als beroepsziekte te laten erkennen, met behoud van strenge regels om normalisering tegen te gaan. Schlitz benadrukt dat uitbreiding van nachtarbeid naar alle sectoren onvoldoende wordt afgeschermd en dringt aan op gezondheidstoezicht door Volksgezondheid om dwang voor risicogroepen te voorkomen. De kernkwestie blijft: hoe verzoent de overheid economische flexibiliteit met gezondheidsrisico’s, vooral voor vrouwen, zonder nachtarbeid te banaliseren?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, une étude anglaise, publiée dans ERJ Open Research s'est penchée sur les conséquences du travail de nuit sur la santé des femmes.

Résultat: les femmes effectuant exclusivement des nuits ont un risque 50 % plus élevé d’asthme modéré à sévère que les femmes travaillant de jour. Ce sur-risque n’est pas observé chez les hommes, quel que soit leur horaire de travail. Chez les femmes ménopausées sans traitement hormonal de substitution, le risque est presque doublé, augmentant de 89 % parmi les travailleuses de nuit.

Monsieur le ministre, votre gouvernement a décidé d'intensifier le travail de nuit en l'étendant à tous les secteur. Quelles politiques de prévention va être mise en place? Les employeurs seront-ils responsabilisés? Une personne ménopausée au chômage sera-t-elle forcée d'accepter un travail de nuit au risque d'être sanctionnée si elle refuse? Les impacts de cette réforme sur la santé de la population seront-ils monitorés?

Frank Vandenbroucke:

Vous m'interrogez sur l'impact du travail de nuit sur la santé des femmes. Plus précisément, vous souhaitez savoir si, dans le cadre d'une éventuelle extension du travail de nuit, des politiques de prévention seront mises en place, si les employeurs seront responsabilisés et si une personne ménopausée au chômage pourrait être contrainte d'accepter un travail de nuit sous peine de sanction en cas de refus.

Pour ces trois questions, je vous invite à vous adresser à mon collègue David Clarinval, ministre de l'Emploi, car ces aspects relèvent de ses compétences.

Enfin, vous souhaitez savoir si les impacts de cette réforme sur la santé de la population feront l'objet d'un suivi. À ce sujet, le Conseil scientifique de Fedris effectue une veille active, notamment par le biais de ses différentes commissions médicales, afin d'identifier, le cas échéant, l'existence ou l'émergence de risques professionnels et ce, pour l'ensemble des travailleurs de nuit.

Si un tel risque devait être détecté, le Conseil scientifique de Fedris chercherait à établir des éléments de preuve justifiant les conditions d'un risque professionnel. Le cas échéant, cela pourrait conduire à proposer l'inscription d'une pathologie dans la liste officielle des maladies professionnelles reconnues.

De manière plus générale, le travail de nuit constitue un sujet sensible. Ce n'est pas un hasard s'il fait l'objet de procédures spécifiques, encadrées par une législation stricte. Un débat est actuellement en cours au sein du gouvernement fédéral en vue d'assouplir certains éléments de ces procédures et d'élargir, dans une certaine mesure, le cadre juridique.

Pour ma part, je suis convaincu qu'un minimum de procédures reste indispensable, car le travail de nuit ne peut, en aucun cas, devenir une norme banalisée.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je suis heureuse de vous entendre quand même traiter ce sujet avec sérieux et ne pas minimiser l'impact du travail de nuit sur la population. Ma question portait spécifiquement sur une étude qui a montré l'augmentation des risques de développer de l'asthme chez les femmes. Mais, on le sait, le travail de nuit a évidemment un impact sur l'ensemble de la population, y compris les hommes.

J'entends chez vos collègues une volonté d'étendre rapidement le travail de nuit à tous les secteurs, avec peu d'encadrement prévu, peu de monitoring. Je compte donc vraiment sur vous pour que, dans les équilibres, il y ait cette attention de la part du ministre de la Santé pour que l'impact du travail de nuit sur la santé soit pris en compte.

Il ne faudrait pas que certaines personnes présentant des facteurs de risque soient contraintes d'accepter un travail de nuit et qu'à défaut, elles soient sanctionnées. C'est en effet quelque chose qu'on ne peut pas normaliser et banaliser vu l'impact.

Voorzitter:

La question n° 56006642C de Mme Carmen Ramlot est reportée.

Het kadaster van de terugbetalingen van zorgverstrekking

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kaart aan dat transpersonen onterecht geen remboursement krijgen voor zorg (bv. mammografie, IVG, prostaatonderzoek) omdat dit nog steeds gekoppeld is aan hun administratief geslacht in plaats van hun biologische organen, met complexe INAMI-codes als extra obstakel. Minister Vandenbroucke bevestigt dat de regelgeving deels is aangepast (bv. contraceptie, IVG-via "begunstigde"-term), maar dat een algemene herziening moeizaam verloopt door technische en administratieve beperkingen, met ad-hoc-oplossingen als tijdelijke maatregel. Hij wijst op lopende inspanningen, waaronder integratie in de nomenclatuurrevorm, maar benadrukt dat systeemwijzigingen tijd vragen. Schlitz dringt aan op versnelde actie deze legislatuur, gezien de administratieve last die transpersonen extra belast in hun zorgtoegang.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, les droits des personnes transgenres et notamment l'accès aux soins de celles-ci est un sujet qui me tient particulièrement à coeur.

Bien que des avancées aient pu être constatées ces dernières années, les personnes recevant des soins liés aux organes sexuels se voient toujours refuser le remboursement parce qu'elles ont changé leur marqueur de genre. Par exemple, un homme transgenre n'a plus droit au remboursement d'une mammographie ou d'une IVG, tout comme une femme transgenre se verra refuser un soin lié à la prostate.

Les patients témoignent d'une opacité et d'une complexité pour ces remboursements, notamment à cause des codes INAMI utilisés et des incohérences entre les mutuelles.

Monsieur le ministre, pouvez-vous me confirmer que certains remboursements sont toujours conditionnés au genre administratif et non à la présence d'organes sexuels? Où en est le cadastre que vous aviez chargé votre administration de réaliser sous la précédente législature en collaboration avec mes équipes?

Frank Vandenbroucke:

Madame Schlitz, vu sa complexité et sa densité, la réglementation actuelle n'est pas encore pleinement adaptée sur ce plan. Plusieurs réglementations en matière de soins de santé ont déjà été adaptées afin de garantir un remboursement aux personnes dont les marqueurs biologiques ne correspondent pas au sexe administratif, comme par exemple le cas de la réglementation relative à l'intervention spécifique dans le coût des contraceptifs.

Pour le cas des mammographies que vous mentionnez, certains codes de nomenclature ne sont pas liés à une condition relative au sexe administratif. De même, pour l'IVG, la convention avec les centres d'accompagnement médico-psycho-social en cas de grossesse non désirée a par ailleurs été modifiée afin de permettre aux hommes transgenres de bénéficier de son application. Le terme "bénéficiaire" est en effet chaque fois utilisé.

Lors de la rédaction de nouvelles réglementations, il est tenu compte d'une formulation basée sur les réalités biologiques et non purement administratives. L'objectif demeure d'adapter l'ensemble des réglementations en matière de soins de santé, mais il convient de tenir compte des processus existants d'adoption de la réglementation.

La mise en place de solutions visant à permettre une identification globale des prestations concernées est en cours. En raison de la densité de la nomenclature des prestations et vu l'exercice en cours de réforme de la nomenclature, la réflexion va y être intégrée.

L'instauration d'une telle solution doit tenir compte des contraintes du système et des contraintes des différents partenaires, relatives notamment aux éléments techniques des méthodes de facturation. Dans l'intervalle, les nouvelles conditions de remboursement sont rédigées en tenant compte de l'objectif de neutralité poursuivi. La modification de certaines conditions de remboursement est mise en œuvre au cas par cas et des solutions ad hoc sont déployées le cas échéant.

Sarah Schlitz:

Merci pour la réponse. C'est une bonne nouvelle que cela avance. J'espère qu'il pourra y avoir des avancées significatives durant cette législature. Ce dossier empoisonne véritablement la vie des personnes transgenres, qui ont déjà énormément de difficultés et d'imbroglios administratifs. Si elles pouvaient être débarrassées de ce problème et avoir un meilleur accès aux soins de santé, ce serait une très bonne chose pour nos concitoyens.

De penibele werksituatie van de verpleegkundigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de diepe ontevredenheid en uitstroom onder verplegers, vooral jongeren, door zware werkdruk, gebrek aan erkenning (slechts 56% in Wallonië) en lage lonen, wat de huidige pénurie verergert. Minister Vandenbroucke wijst op structurele hervormingen zoals de introductie van assistenten in verpleging (eerste afgestudeerden in 2026), delegatie van taken, en nieuwe loopbaanpaden (bv. *verpleegkundige in gevorderde praktijk*), maar concrete acties hangen af van lopende studies (resultaten verwacht eind 2025). Schlitz benadrukt dat salarisverhoging en betere werkomstandigheden (tijd voor patiënten, minder onderbezetting) prioriteit moeten zijn, in plaats van symptoombestrijding zoals gepensioneerden langer laten werken of taken afschuiven, wat de waardering voor het beroep verder uitholt. Ze pleit voor directe, diepgaande hervormingen om het vak aantrekkelijk te houden voor gemotiveerde jongeren.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, une nouvelle étude du SPF Santé publique révèle un malaise croissant dans la profession d'infirmier et infirmière. Un quart des infirmiers veulent partir après moins de 10 ans d'ancienneté. Or c'était 7 % seulement pour ceux qui ont 30 ans d'ancienneté. C'est un phénomène qui se développe au sein des jeunes infirmiers et infirmières. Il y a 43 % des infirmiers et infirmières en Wallonie qui se sentent en mauvaise santé en raison de leur travail. La reconnaissance par la hiérarchie est de 70 % en Flandre, mais n'est que de 56 % en Wallonie. Il y a 60 % seulement des infirmiers et infirmières diplômés qui sont actifs dans leur secteur, ce qui constitue une des causes de la pénurie que nous connaissons actuellement. Or vous êtes en train d'envisager la possibilité de faire travailler les infirmiers et infirmières après l'âge de la pension. Mais le secteur a aujourd'hui besoin de solutions qui sont davantage pérennes. Ces travailleurs réclament du temps et des conditions de travail dignes.

Monsieur le ministre, quelles sont les solutions à long terme allez-vous adopter sous cette législature? Quel est le résultat du travail entamé en 2022? Quelle politique de prévention allez-vous développer pour faire en sorte que le bien-être au travail soit de retour dans cette profession centrale pour notre société?

Frank Vandenbroucke:

L'enquête sur la carrière des infirmiers à laquelle vous faites référence a été réalisée à la demande de la commission de planification afin d'intégrer ces perspectives lors de ses prochains travaux sur la profession. Dans l'attente de ces travaux, les professions d'infirmier et d'aide-soignant font l'objet d'un monitoring récurrent de leur force de travail par mon administration.

Afin d'avoir une vision globale des problèmes de bien-être au travail rencontrés par le secteur des professionnels des soins de santé, j'ai commandé l'étude Be.well.pro. J'attends pour fin 2025 les recommandations de cette étude, qui me permettront de mettre en œuvre des actions ciblées pour améliorer le bien-être au travail.

En juin 2024, la commission de planification a rendu un avis sur la force de travail des infirmiers et a formulé des recommandations suite au scénario d'évolution de la force de travail d'ici 2046. L'avis recommandait de poursuivre les réformes du cadre législatif des soins infirmiers entamées en 2022. C'est ce que j'ai fait. Ainsi, la fonction d'assistant en soins infirmiers a été créée. Les premiers diplômés seront sur le marché de l'emploi en Flandre en juin 2026. Ils offriront un support non négligeable aux infirmiers. En 2024, la possibilité de réalisation d'activités infirmières par des aidants qualifiés dans le cadre du secteur de l'aide pour les bénéficiaires en situation stable a été introduite dans la loi. La réalisation d'activités qui devaient auparavant être réalisées par les infirmiers peuvent maintenant légalement être réalisées par des tiers dans le cadre des activités de la vie quotidienne.

Ces législations permettront aux infirmiers de réduire leur charge de travail et d'utiliser leurs compétences spécifiques là où elles sont indispensables. Vers la fin de cette année, nous travaillerons activement aux arrêtés d'exécution afin de permettre à l'infirmier en soins généraux de déléguer des activités infirmières de la catégorie B2 à des assistants en soins infirmiers et des activités infirmières plus simples – la catégorie B1 – à d'autres professionnels de la santé dans le cadre d'une équipe de soins structurés.

Dans le futur, la nouvelle fonction d'infirmier de pratique avancée, mise en œuvre en 2024, offrira des perspectives de carrière horizontale aux infirmiers. Cette perspective devra se poursuivre avec l'introduction de la fonction d'infirmier chercheur clinicien.

Toutes ces réformes devraient avoir des effets concrets dans le futur, tant sur l'activité que sur la rétention des infirmiers. Je n'ai pas mentionné tous les détails des réformes qui ont été réalisées ou qui sont prévues, mais il est évidemment aussi crucial de revaloriser concrètement le contenu du profil et les possibilités d'action des infirmiers responsables pour les soins généraux.

Il est d'ailleurs précisé dans l'accord de gouvernement qu'il faut absolument revaloriser ce type de professionnel, qui sera chargé de la coordination des équipes de soins structurés.

Sarah Schlitz:

Merci pour cette réponse, monsieur le ministre. La fin de votre réponse me rassure, car j'entends votre volonté de renforcer et de revaloriser la fonction. Ce processus passe, selon moi, par au moins deux choses. La première est évidemment la revalorisation salariale parce que beaucoup d'infirmiers et infirmières se sentent en réalité lésés par rapport à leur investissement et à leur travail. Ils ont l'impression que, par rapport à d'autres professions, ils sont bien peu considérés au regard de leur salaire. L'autre aspect, c'est évidemment le temps de pouvoir faire son travail dans des bonnes conditions auprès des patients, qui sont des personnes malades et dont ils représentent parfois la seule visite de la journée. On ressent la détresse des soignants, qui ont peur de mal faire leur travail en raison de l'absence de collègues ou de pénuries de personnel. Il s'agit là d'un système qui fonctionne à flux tendu et qui est à deux doigts de craquer. Selon moi, c'est vraiment sur ce front qu'il faut avancer. On ne peut pas continuer à se dire qu'on va continuer à faire travailler des infirmiers et infirmières pensionnés au-delà de l'âge de la pension pour pallier les pénuries – ce qui, par ailleurs, creuse un nouveau trou dans la sécurité sociale – et déléguer toute une série d'actes à d'autres professions, ce qui a pour effet de dévaloriser la fonction d'infirmier ou d'infirmière. Il est temps d'entreprendre des réformes structurantes qui permettent aux infirmières et aux infirmiers de poursuivre leur métier et d'en avoir envie, alors que c'est souvent une passion pour laquelle des jeunes décident de suivre ces études. Donc, ne les décevons plus.

De tegemoetkoming voor artsen die euthanasie uitvoeren

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 16 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een koninklijk besluit regelt vanaf 1 november 2025 een vergoeding van €180,24 voor artsen die euthanasie uitvoeren, inclusief administratie en materiaalkosten (excl. medicatie), met verplichte derde-betalersregeling (geen remgeld voor patiënten). Het advies van de Raad van State (verwacht half augustus 2024) moet nog groen licht geven, waarna publicatie in september volgt. Jan Bertels benadrukt dat dit zowel patiënten als artsen ontzorgt, terwijl minister Vandenbroucke de timing en praktische uitvoering bevestigt.

Jan Bertels:

Ik begrijp ook niet, mevrouw de voorzitster, waarom die vragen gisteren niet samengevoegd zijn. Dit is toch iets waar meerderen onder ons bij betrokken zijn. Het is leuk, voor de minister en voor ons, dat we kunnen eindigen met een positieve noot, vlak voor het zomerreces van het Parlement.

Mijnheer de minister, zoals al aangegeven, zijn er besluiten in opmaak die regelen dat er een specifieke vergoeding komt voor de uitvoering van euthanasie. Er komt een toevoeging aan de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen zodat artsen daarvoor vergoed worden en er ook een regeling komt voor het remgeld van de patiënt.

Dat is goed voor zowel de patiënten als de artsen. In het werkveld bestond allang de vraag dat te regelen. Nu is er zo'n regeling op komst. Dat is goed voor de patiënten, voor de artsen en voor de erkenning van de zware en complexe taak die artsen opnemen bij een verzoek tot levensbeëindiging.

Mijn vragen zijn dan ook de volgende, mijnheer de minister. Eigenlijk hebt u er gisteren al deels op geantwoord.

Wat is de stand van zaken? Wat staat er precies in uw ontwerp van koninklijk besluit? Kunt u een timing kleven op dit ontwerp, na het advies van de Raad van State, dat nu in aantocht is?

Frank Vandenbroucke:

Inderdaad, dit is een positieve noot, een noodzakelijke noot ook om mee te eindigen.

De vraag aan de Raad van State om advies werd ingediend op 3 juli van dit jaar. Ten laatste op 19 augustus van dit jaar zou het RIZIV het advies van de Raad van State moeten ontvangen. Na gunstig advies kunnen de koninklijke besluiten voor ondertekening aan de Koning worden voorgelegd. Vervolgens worden de drukproeven van de diensten van het Belgisch Staatsblad aangevraagd. U kent dat zeer goed.

Volgens de inschatting van het RIZIV zullen de koninklijke besluiten dan mogelijk in de tweede helft van september gepubliceerd worden en zal de regelgeving vermoedelijk op 1 november 2025 in werking treden.

Heel praktisch, de verstrekking "uitvoeren van een euthanasie" wordt toegevoegd in hoofdstuk 3, artikel 3, paragraaf 1a,1: andere verstrekkingen dan de verstrekkingen inzake klinische biologie, diversen van de nomenclatuur. Deze verstrekking omvat vier elementen: de materiaalkosten, uitgezonderd medicatie; het uitvoeren van de euthanasie; het vaststellen van het overlijden en het invullen van de overlijdensakte en het invullen van het registratiedocument zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.

Er gelden de volgende toepassingsregels. Indien de uitvoerende arts niet de houder is van het globaal medisch dossier van de patiënt, moet deze nadien de GMD-houder informeren door hem een schriftelijk verslag te bezorgen.

Er wordt niet in een persoonlijk aandeel voor de patiënt voorzien. Gezien de aard van de verstrekking is de derde-betalingsregeling verplicht. De verstrekking kan worden gecumuleerd met een verstrekking uit artikel 2 en artikel 25, wat het mogelijk maakt een consultatie te factureren. Het honorarium bedraagt in prijzen van 2025 precies 180,24 euro.

Jan Bertels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dit is inderdaad een positieve noot. Ik zal u houden aan de datum van 1 november 2025 voor de inwerkingtreding. Dat zou moeten lukken als het advies van de Raad van State halfweg augustus wordt verstrekt. Er is dan nog tijd voor de publicatie. Het is een positieve noot dat er voor de artsen een degelijk honorarium is, wat betekent dat we wel degelijk investeren in de artsen. Het is ook nodig in die onvervulde behoeften dat er een koppeling is met de derde-betalingsregeling. Dat is goed voor de patiënten. Zo zijn de patiënten en de artsen in deze materie bondgenoten en goed geholpen, waarvoor ik u dank. Ik hoop dat de regeling daadwerkelijk in werking treedt op 1 november 2025. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.48 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 48.

De e-sigaret
De elektronische sigaret
E-sigaretten en elektronische rookapparaten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende gezondheidsrisico’s van e-sigaretten bij jongeren, met name longschade zoals "popcornlong" (bronchiolitis obliterans) door toxische stoffen als diacétyle, en de toename van incidenten (62% meer meldingen bij het Antigifcentrum in 2023, vaak bij minderjarigen). Minister Vandenbroucke bevestigt geen specifieke Belgische cijfers over "popcornlong" maar aankomend Sciensano-onderzoek naar verboden ingrediënten, striktere smaakbeperkingen (om jongeren te ontmoedigen) en versterkte controles op illegale producten (inclusief THC-houdende vapes). Preventie blijft regionaal, maar er wordt opgeroepen tot snelle, gecoördineerde actie tegen de "stille epidemie" via wetgeving, handhaving en bewustmakingscampagnes.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, l'interdiction récente des puffs jetables constitue un pas dans la bonne direction. Cependant, pour de nombreux professionnels de la santé, ce n'est qu'un début. Ils parlent aujourd'hui d'une alerte sanitaire silencieuse liée à la cigarette électronique, en particulier chez les jeunes.

On nous a longtemps présenté l'e-cigarette comme un outil de sevrage. Toutefois, la réalité est bien différente. Un quart des jeunes en Belgique vapotent, et les premières consultations pour des troubles respiratoires liés à cette pratique se multiplient: asthme, essoufflement, mais aussi atteintes pulmonaires graves.

Parmi elles, une maladie grave émerge lentement dans les discussions médicales: la bronchiolite oblitérante, appelée aussi "poumon pop-corn". Elle est provoquée par l'inhalation de certaines substances aromatiques, comme le diacétyle, utilisées dans les e-liquides. Si cette maladie reste rare, ses conséquences sont sévères: lésions irréversibles des bronchioles pouvant mener à une insuffisance respiratoire chronique voire à une greffe pulmonaire.

Des substances pourtant interdites en Europe circulent toujours via des canaux en ligne, parfois promues sur les réseaux sociaux, en dehors de tout contrôle. Cela pose une question de santé publique majeure, mais aussi de responsabilité.

Monsieur le ministre, votre administration dispose-t-elle de données récentes sur les effets du vapotage chez les jeunes, en particulier sur l'apparition de troubles respiratoires graves? Des cas de bronchiolite oblitérante ont-ils été signalés dans notre pays en lien avec le vapotage? Quelles actions comptez-vous entreprendre pour mieux encadrer les composants des e-liquides et lutter contre la vente de produits illégaux? Enfin, même si la prévention n'est pas une compétence fédérale, avez-vous débuté des concertations avec les entités fédérées pour sensibiliser nos jeunes aux dangers du vapotage?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, het gebruik van vapes door jongeren neemt toe. Dat wisten we al, maar de Pano -reportage heeft dat nog eens op scherp gesteld. Een gevaar, waar mevrouw Dedonder al naar verwees, is de zogenaamde popcornlong, ook wel bronchiolitis obliterans genoemd. Dat is een onomkeerbare ziekte die littekenweefsel en ontstekingen veroorzaakt in de longen. Ze wordt veroorzaakt door de inhalatie van bepaalde giftige chemicaliën, die ook in vapes aangetroffen worden.

Zoals u zeker weet, vraag ik al langer om het aantal smaakstoffen te beperken, zoals ook in het regeerakkoord voorzien is. Ook deze legislatuur werden daarover al adviezen gevraagd en die waren allemaal positief. We wachten echter nog altijd op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, dat verplicht is bij dit soort wijzigingen van wet of koninklijk besluit. Hopelijk mogen we dat spoedig verwachten. Mijn wetsvoorstel ligt inderdaad al lang voor in de commissie.

Mijnheer de minister, beschikt u over gegevens rond het vóórkomen van de zogenaamde popcornlong als gevolg van vapes in ons land?

Welke bijkomende maatregelen zult u nemen om de aanwezigheid van gevaarlijke substanties in vapes tegen te gaan?

Frank Vandenbroucke:

Les signalements de symptômes liés aux e-cigarettes et aux e-liquides figurent dans le rapport du Centre Antipoisons. Le rapport de toxicovigilance de l’année 2023 fait état de 124 signalements d'incidents impliquant des e-liquides, soit une augmentation de 62 % du nombre d'appels liés aux cigarettes électroniques par rapport à 2022. En 2023, dans 56 % des appels, la victime était un enfant, c’est-à-dire un mineur âgé de 14 ans maximum. Plus de la moitié des cas concernent une exposition orale, parfois suivie d’une inhalation. Dans 65 appels reçus par le Centre Antipoisons en 2023, aucun symptôme n’a été signalé au moment de l’appel. Les symptômes les plus fréquemment rapportés sont de nature gastro-intestinale.

La gravité des risques liés à l’exposition aux e-liquides a également été évaluée. Le groupe le plus important, soit 70 appels, concerne des symptômes légers. Des symptômes graves ont été constatés pour 14 appels. Pour deux de ces cas, les risques ont été classés comme très graves à potentiellement mortels; il s’agissait de tentatives de suicide.

Je ne peux pas vous fournir de chiffres précis sur le nombre de cas de bronchiolite oblitérante, car il n’existe pas d’enregistrement spécifique. La majorité des cas ont été signalés aux États-Unis. Le Centers for Disease Control and Prevention (CDC) américain a établi un lien entre le vaping-associated lung injury (VALI) et l’utilisation de produits contenant du tétrahydrocannabinol (THC).

Compte tenu de la détection récente de THC dans des cigarettes électroniques illégales, il est nécessaire d'être vigilant. Aux Pays-Bas, les médecins ont été invités à enregistrer les cas de VALI. Je veux étudier la possibilité de réaliser cela également dans notre pays à court terme.

Stoffen zoals diacetyl zijn niet verboden op Europees niveau. Ook legale e-sigaretten kunnen dus diacetyl bevatten. Ik ben het echter met u eens dat dergelijke stoffen niet thuishoren in producten die bedoeld zijn voor inhalatie. De samenstelling van e-sigaretten moet inderdaad strikter worden gereguleerd dan Europa momenteel doet.

Om die reden is dit jaar een onderzoek opgestart met Sciensano, dat een toxicologische evaluatie zal maken van de ingrediënten die geregistreerd zijn in e-sigaretten bestemd voor de Belgische markt. Sciensano zal advies geven over welke ingrediënten moeten worden verboden als bestanddeel van e-vloeistoffen.

U weet dat ik mij geëngageerd heb om ook het smaakaanbod van e-sigaretten in te perken. Ik doe dat om de aantrekkelijkheid voor jongeren te verminderen. Een e-sigaret is immers niet bestemd voor minderjarigen, noch voor wie niet rookt. Zolang we daar geen paal en perk aan stellen, zal de e-sigaret een negatieve impact blijven hebben op de volksgezondheid.

Met de inperking van deze smaken zullen ook een aantal smaakstoffen verdwijnen die mogelijk risico’s inhouden voor de gezondheid van de gebruiker, zoals diacetyl. Op die manier verminderen we dus niet enkel de aantrekkingskracht, maar ook de mogelijke toxische risico’s van deze producten.

De inspectie voert nu al controles uit op illegale producten, zowel in de winkels als op onlineverkoopkanalen. Ik wil daarop verder blijven inzetten en de effectiviteit en het aantal controles verder verhogen.

Le service Inspection effectue déjà des contrôles sur les produits illégaux, à la fois dans les magasins et dans les canaux de vente en ligne. Je souhaite continuer à me concentrer sur cette question et renforcer encore l’efficacité et le nombre de ces contrôles.

La prévention relève en effet de la compétence des Régions. Actuellement, aucune initiative n’est prise au niveau fédéral pour sensibiliser les jeunes au danger potentiel de la cigarette électronique. Une telle campagne devrait être bien pensée; après tout, nous voulons éviter d’éventuels effets indésirables, comme par exemple éveiller la curiosité de certains jeunes.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Les chiffres que vous donnez nous confortent dans l’idée d’être plus attentifs que jamais à cette consommation. Réaliser les contrôles comme vous l’indiquez me semble être une bonne chose, tout comme la recherche entreprise avec Sciensano.

Nous continuerons à suivre attentivement tout ce qui concerne l’utilisation de la cigarette électronique. S’agissant des campagnes de prévention, nous interpellerons certainement nos parlementaires régionaux, pour qu’ils puissent amener à ce que de telles campagnes soient réalisées le plus rapidement possible.

Els Van Hoof:

We moeten inderdaad inzetten op een panoplie aan preventiecampagnes, onderzoek en controle. U hebt hierover al een aantal elementen aangehaald in uw antwoord. Aangezien er toxische risico’s verbonden zijn aan het gebruik van e-sigaretten, is een striktere regelgeving vereist. Destijds heb ik opgezocht hoeveel stoffen verboden zijn. Dat resulteerde in een lijst van meer dan 300 pagina’s met ingrediënten. Ik heb toen aangegeven dat dat gecontroleerd moest worden, maar het is geen gemakkelijke opdracht voor de inspectiediensten. Eigenlijk zouden we ons beter beperken tot een strikte regulering van wat wel toegelaten is. Toen ik mijn wetsvoorstel opstelde in 2019, was er in de Verenigde Staten al sprake van een epidemie onder jongeren door het gebruik van de zogenaamde JUUL-sigaret, die uiteindelijk ook in Europa verboden werd. Men kon toen al vaststellen dat er zowel op korte als op lange termijn gezondheidsrisico’s zijn, ook al konden die op dat moment in België nog niet worden gemeten. We moeten van dat uitgangspunt vertrekken en de kwestie zo snel mogelijk strikt reguleren. Het gebruik van die sigaret, die ernstige gezondheidsrisico's inhoudt, is verslavend en onder andere door de nieuwsgierigheid van jongeren is er sprake van een epidemie.

De administratieve rompslomp in ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke erkent de grove administratieve last van het verplichte HD4DP-v2-systeem (voor remboursement dure medicijnen/protheses), dat door starre validatieregels en gebrek aan deelcorrecties ziekenhuizen dwingt dossiers volledig over te doen, met tijdsverlies en frustratie tot gevolg. Hij belooft kortetermijnoplossingen (makkelijker correctie/re-upload foute bestanden, ICT-sessies) en structurele verbeteringen via de nieuwe Agentschap Gezondheidsdata (centralisatie, flexibelere architectuur, *"Only Once"*-principe om dubbel werk te vermijden), maar benadrukt dat ziekenhuizen eigen ICT-infrastructuur moeten optimaliseren voor automatisering. Dedonder bevestigt de urgentie van het probleem (bevestigd door meerdere ziekenhuizen) en verwelkomt de plannen, maar blijft kritisch zolang de praktische verlichting uitblijft.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, suite à mes différentes visites de terrain, les hôpitaux m'ont fait part de difficultés croissantes avec le logiciel Health Data for Data Providers (HD4DP), outil obligatoire pour introduire les demandes de remboursement de médicaments onéreux, de prothèses ou d'autres dispositifs médicaux.

S'ils comprennent la nécessité d'un encadrement rigoureux, ils dénoncent la lourdeur administrative et surtout la rigidité extrême du système. Une simple erreur d'encodage ou une pièce manquante suffit à invalider l'ensemble de la procédure et il est actuellement impossible de modifier partiellement un document. Tout doit être supprimé et entièrement recommencé. Ce manque de souplesse engendre une perte de temps et d'énergie considérable pour les équipes hospitalières. Les directions hospitalières comme les agents concernés formulent une demande claire: un outil plus souple, plus ergonomique et au service de la santé. Dans un contexte budgétaire tendu et avec des équipes sous pression, il est urgent que les moyens humains et financiers soient utilisés prioritairement au bénéfice du patient et non accaparés par des tâches administratives répétitives et inefficaces.

Monsieur le ministre, avez-vous connaissance de ces difficultés concrètes rencontrées par les hôpitaux avec ce logiciel? Envisagez-vous des améliorations techniques permettant plus de flexibilité dans l'encodage, la correction et la gestion des dossiers? De manière plus large, quelles actions entendez-vous mener pour réduire la charge administrative dans les hôpitaux afin que les ressources disponibles puissent réellement servir la mission première de ces institutions, à savoir soigner?

Frank Vandenbroucke:

Je suis conscient des défis que représente HD4DP v2, un système utilisé depuis le 5 juillet 2022.

Dans la première version de l'architecture, HD4DP v1, il était possible d'introduire manuellement des corrections. Dans la deuxième version de l'architecture, HD4DP v2, l'approche adoptée était moins manuelle et davantage de système à système. Cette automatisation fournit des règles de validation qui doivent être respectées avant que les données puissent être soumises. Il n'est pas possible de soumettre des données sans soulever toutes les erreurs indiquées par les règles de validation automatique. Les erreurs sont en rouge. Si les erreurs sont détectées après l'envoi dans les champs qui ne sont pas couverts par les règles de validation, il existe effectivement un problème. Le problème est également soulevé sur les pages de documentation Health Data, qui explique la procédure à suivre. Health Data travaille sur une solution avec laquelle les enregistrements erronés peuvent être téléchargés et ensuite être corrigés et rechargés plus facilement.

Health Data propose aussi des sessions ICT le vendredi matin au cours desquelles ces obstacles peuvent être abordé. Il est également possible de soumettre un ticket.

La plateforme technique Health Data qui gère ce système sera bientôt hébergée par l'Agence des données de santé. Cette centralisation des services de données et des enregistrements s'accompagnera d'une toute nouvelle politique des registres, dont l'architecture sera plus souple et le processus d'enregistrement plus flexible. Ceci devrait alléger la charge administrative.

La vision sous-tendant l'architecture est la récupération plus automatisée des informations de sorte que les processus d'enregistrement semi-automatisés des données manuelles seront moins problématiques. En même temps, les hôpitaux doivent continuer à investir dans une infrastructure ICT adéquate permettant et facilitant les enregistrements structurés conformément aux normes d'improbabilité applicables, de sorte qu'aucune pression déraisonnable ne soit exercée sur le personnel et que les informations soient disponibles de manière optimale pour les échanges automatisés.

La charge administrative doit être considérée dans son ensemble avec une évaluation de tous les enregistrements existants de manière à ce que le principe Only Once soit effectivement appliqué.

S'agissant de votre troisième question, la nouvelle politique des registres s'accompagnera d'une architecture plus souple et de processus d'enregistrement plus flexibles et automatisés, ce qui devrait alléger la charge administrative. Le respect du principe du Only Once, y compris par les gouvernements, sera un élément essentiel de la nouvelle politique des registres et du fonctionnement plus large de l'Agence des données de santé.

Un responsable du principe Only Once a déjà été nommé et veillera à la réutilisation des données au maximum après l'enregistrement unique. Un livre blanc a été soumis par des cliniciens du Ziekenhuis aan de Stroom (ZAS) ainsi que par le directeur scientifique de Sciensano, avec des recommandations concrètes. En outre les enregistrements administratifs doivent être examinés dans leur ensemble: quels sont les enregistrements qui se chevauchent et ceux qui constituent une charge administrative inutile? Dans le cadre de l'espace européen des données de santé, nous sommes confrontés à un défi majeur: celui d'aborder ces réformes structurelles en profondeur.

Ludivine Dedonder:

Je suis satisfaite qu'il y ait une prise de conscience de la charge administrative et des difficultés au quotidien pour le personnel. J'entends que vous travaillez sur une solution, qu'il existe aussi des sessions avec des formations. Le problème relatif à la rigidité du système est attesté dans plusieurs hôpitaux. Vous venez ici d'évoquer une nouvelle politique des registres avec une architecture plus souple et plus flexible. J'espère que cela permettra d'alléger la charge administrative. Je vous remercie pour vos réponses.

Het risico op een ongeplande zwangerschap bij het gebruik van Ozempic, Mounjaro en Wegovy
De Ozempicbaby's
Onbedoelde zwangerschappen bij gebruik van GLP-1-agonisten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie gaat over waarschuwingen rond GLP-1-afslankmiddelen (Ozempic, Wegovy, Mounjaro) en ongewenste zwangerschappen door mogelijk verminderde werking van anticonceptie. België meldt geen expliciete gevallen, maar het FAGG volgt het EMA en waarschuwt via zijn website; bijsluiters ontkennen vooralsnog klinisch relevante interacties, hoewel het MHRA aanvullende anticonceptie adviseert. Experts benadrukken betere informatieverspreiding naar zorgverleners en patiënten, met aandacht voor nauwkeurig pilgebruik en farmacovigilantie, maar causaliteit is nog niet bewezen. Vragen blijven over Europees toezicht en verder onderzoek naar effecten op vruchtbaarheid en zwangerschap.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de Britse geneesmiddelenwaakhond MHRA waarschuwt vrouwen die populaire afslankmiddelen als Ozempic, Wegovy of Mounjaro gebruiken, extra voorzichtig te zijn met anticonceptie. Meer dan veertig vrouwen zouden onverwacht zwanger geraakt zijn terwijl ze deze medicijnen gebruikten. Deze middelen werken op de GLP-1-receptor in de darmen, wat het hongergevoel beïnvloedt en worden vooral gebruikt voor diabetes, maar ze worden nu ook als wonderafslankmiddel gebruikt.

Bij gebruik van Mounjaro is extra waakzaamheid nodig, omdat dit middel de werking van de anticonceptiepil kan verminderen, vooral bij mensen met overgewicht. In totaal zijn er in het Verenigd Koninkrijk 26 zwangerschapsmeldingen na het gebruik van Mounjaro, acht na het gebruik van Ozempic en Wegovy en negen na Saxenda. Experts denken dat gewichtsverlies de vruchtbaarheid kan verhogen, maar dat de medicatie ook de werking van de pil kan vertragen doordat de maaginhoud langzamer wordt opgenomen. De MHRA benadrukt dat deze afslankmiddelen alleen op medisch voorschrift gebruikt mogen worden, en niet voor cosmetisch gewichtsverlies.

Mijn vragen aan u zijn de volgende, mijnheer de minister.

Zijn er in België al gevallen gemeld van ongewenste zwangerschap door het gebruik van dergelijke medicijnen?

Welke richtlijnen zijn er voor het gebruik van dergelijke medicijnen voor diabetes?

Welke richtlijnen zijn er voor het gebruik van dergelijke medicijnen voor obesitas?

Wordt er ook aandacht besteed aan de eventuele bijwerking dat men dan ongewenst zwanger wordt?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, mijn vraag werd al een tijd geleden ingediend, waardoor bepaalde zaken intussen achterhaald of reeds gepubliceerd zijn.

Wat de GLP-1-agonisten betreft, stellen we inderdaad vast dat een aantal vrouwen melden dat zij zwanger zijn geworden, ondanks het gebruik van anticonceptie. Zoals de collega daarnet heeft gezegd, is het zo dat er hormonale veranderingen optreden wanneer obese patiënten gewicht verliezen, waardoor de fertiliteit toeneemt. We kunnen ons ook vragen stellen over de neveneffecten. Men krijgt soms last van braken of diarree, waardoor de contraceptie kan falen.

De causaliteit tussen een verminderde werking van contraconceptie en het gebruik van GLP-1-agonisten is zeker nog niet bevestigd of wetenschappelijk bewezen. Ik denk dus dat we daarmee voorzichtig moeten omgaan. Wat wel belangrijk is, is dat we de patiënten goed informeren. Ik heb ondertussen vastgesteld dat zowel op de website van de Vlaamse overheid als op de website van het FAGG een melding staat over wat men ondertussen de Ozempicbaby’s is gaan noemen, zodat patiënten en zorgprofessionals kunnen worden gewaarschuwd.

Mijnheer de minister, worden er nog bijkomende maatregelen genomen? Zult u bijvoorbeeld pleiten voor het versturen van een rondzendbrief naar de zorgverstrekker, naar de apothekers en de artsen, die het middel voorschrijven, zeker nu ook Wegovy op de markt is? Ik denk dat we nog meer jonge patiënten zullen bereiken met de indicaties van Wegovy dan met de indicaties van Ozempic of in het kader van diabetes. Zult u ook pleiten voor een causaal onderzoek naar het verband tussen GLP-1-agonisten en de werking of de opname van contraconceptie? Hebt u reeds contact gehad met het EMA of met uw Europese collega’s om informatie te stroomlijnen en patiënten op die manier te waarschuwen?

Frank Vandenbroucke:

Het FAGG is inderdaad op de hoogte van het advies van het Britse geneesmiddelenagentschap MHRA over het gebruik van GLP-agonisten. Daarbij wordt aanbevolen om aanvullende, dus niet alleen orale, contraceptiva te gebruiken. De Belgische bijsluiters van die geneesmiddelen, die in de hele EU dezelfde zijn, vermelden momenteel dat de interacties met orale contraceptiva als niet klinisch relevant worden beschouwd en dat geen dosisaanpassingen of andere maatregelen nodig zijn. De bijsluiter stelt ook dat die geneesmiddelen niet mogen worden gebruikt tijdens de zwangerschap, wanneer men zwanger wenst te worden of wanneer borstvoeding wordt gegeven.

Die geneesmiddelen zijn allemaal vergund volgens de centrale vergunningsprocedure. Het is dan ook het Europees Geneesmiddelenagentschap dat momenteel alle meldingen gerelateerd aan zwangerschappen evalueert en, wanneer nodig, actie zal ondernemen en daarover communiceren. Op dit moment kunnen echter nog geen nieuwe aanbevelingen worden gegeven rond de effectiviteit van orale contraceptiva bij het gebruik van die GLP-agonisten. Het FAGG zal daarover voorlopig communiceren op zijn website, waarnaar u al hebt verwezen, mevrouw Depoorter, en volgt uiteraard de verdere bevindingen van het EMA zeer goed op, want we moeten dat allemaal wel in EMA-verband bekijken.

Wat de meldingen betreft, het FAGG ontving geen expliciete meldingen van ongewenste zwangerschappen gekoppeld aan GLP-1-agonisten. Wel waren er negen meldingen van gebruik van Ozempic tijdens de zwangerschap, waarvan vier à vijf mogelijk betrekking hadden op ongeplande of onverwachte zwangerschappen. In geen van die meldingen is duidelijk of anticonceptie werd gebruikt.

Wat betreft de richtlijnen voor diabetes en obesitas, de meest adequate en erkende klinische richtlijnen voor GLP-1-agonisten zijn het consensusrapport van de European Association for the Study of Diabetes en de American Diabetes Association over de behandeling van hyperglycemie bij type 2-diabetes, de richtlijnen uit 2023 van de European Society of Cardiology voor de behandeling van cardiovasculaire aandoeningen bij patiënten met diabetes, de richtlijn voor de gefaseerde introductie van nieuwe medische behandelingen voor gewichtscontrole en het Joint Position Statement uit 2023 van de Society for Endocrinology en Obesity Management Collaborative UK. Dat zijn, met excuses omdat ik alleen de titels geef, de relevante richtlijnen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, patiënten moeten goed worden geïnformeerd. Dat kan alleen als ook de eerstelijnszorgverleners goed zijn geïnformeerd.

Dat de informatie op de website van het FAGG beschikbaar is, is positief, maar er mag toch nog iets meer mag gebeuren. Een rechtstreekse communicatie met specialisten, artsen en diëtisten is zeker aangewezen.

U vermeldt voorts dat het geneesmiddel niet mag worden gebruikt wanneer een vrouw zwanger is, wanneer ze borstvoeding geeft of wanneer ze zwanger wil worden. Maar in het aangehaalde geval wilden de betrokkenen expliciet niet zwanger worden en namen ze anticonceptie. Er is nog geen causaal verband bewezen tussen het gebruik van dergelijke medicijnen en ongewensten of ongeplande zwangerschap, maar het feit is dat sommige vrouwen die de middelen gebruiken, ongewenst of ongepland zwanger werden. Dat willen we vermijden, want ongewenste zwangerschappen leiden vaak ook tot abortussen. Laten wij dus zeker waakzaam zijn en zorgen voor een goede communicatie over de richtlijnen, zodat wij dergelijke situaties kunnen voorkomen.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het gaat om vrij nieuwe medicijnen. Farmacovigilantie is in dat geval essentieel. Het is daarom heel belangrijk dat mijn collega-apothekers en artsen heel goed rapporteren wat patiënten bij hen komen melden. Ook essentieel is de richtlijn aan de patiënten om anticonceptie heel nauwkeurig in te nemen en het gebruik bij de patiënten zelf nauwkeurig op te volgen. De informatie moet absoluut tot bij de patiënten die GLP-1-agnoist gebruiken, terechtkomen en er kan eventueel extra anticonceptie worden aangeraden. Het probleem kan inderdaad bij de informatiedoorstroming liggen, des te meer omdat bekend is dat het falen van de pil vaak te wijten is aan minder nauwkeurig gebruik of minder regelmatige inname. De melding van het FAGG is in dat verband essentieel. Het vermelden van de risico’s in de communicatie met de zorgverleners lijkt mij heel belangrijk. U hebt correct geargumenteerd dat er nog geen klinische relevantie is vastgesteld en geen causaliteit is aangetoond, maar er is ook weinig onderzoek gedaan naar de effecten van GLP-1-agonisten tijdens de zwangerschap, wat logisch is. Misschien kan er op Europees niveau meer toezicht komen, zodat het effect van het gebruik van de medicijnen nauwkeurig kan worden opgevolgd.

De studiedag van Zorgnet-Icuro

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Zorgnet-Icuro pleit voor versterkte samenwerking tussen ziekenhuizen, thuisverpleging en artsen via lokale netwerken en transmurale zorgpaden, om de verschuiving naar dag- en thuishospitalisatie te optimaliseren, wat efficiënter *en* kwalitatief hoogstaande zorg moet opleveren. Vandenbroucke bevestigt dat deze evolutie al beleidsmatig wordt gestimuleerd (o.a. via aangepaste financiering), maar benadrukt dat veilige substitutie van klassieke opnames, uniforme protocollen en brede sectorbetrokkenheid cruciaal zijn—met gelijkaardige initiatieven in Wallonië, waar het RIZIV een landelijke uniformisering voorbereidt. Sneppe waarschuwt dat verkorte opnames de zorgkwaliteit en toegankelijkheid niet mogen aantasten en vraagt meerdere artsenorganisaties te betrekken om draagvlak en stakingen te voorkomen. De focus ligt op praktijkgerichte samenwerking (bv. tussen verpleegkundigen, apothekers en oncologie) om thuishospitalisatie verder uit te bouwen.

Dominiek Sneppe:

Zorgnet-Icuro wil nauwer samenwerken met thuisverpleging en artsen buiten het ziekenhuis. Daarom organiseerde de koepel op vrijdag 6 juni een studiedag, samen met de organisaties Domus Medica, i-mens en het Wit-Gele Kruis. De studiedag werd ook bijgewoond door onder meer het RIZIV, het Departement Zorg en de FOD Volksgezondheid. Met die studiedag wil Zorgnet-Icuro inspelen op de trend waarbij de zorg voor de patiënt zich steeds meer buiten het ziekenhuis afspeelt. Volgens de koepel neemt het belang van dag- en thuishospitalisatie jaar na jaar toe. Daarom moet er een betere samenwerking komen tussen de verschillende zorgverleners. De koepel wil dat bereiken via lokale netwerken, gedeelde informatie en transmurale zorgpaden over instellingen heen.

Met welke opmerkingen, ideeën en inzichten uit die studiedag gaan het RIZIV en de FOD Volksgezondheid aan de slag? Bestaat een dergelijk initiatief ook aan de andere kant van de taalgrens? Zal de evolutie van klassiek ziekenhuisverblijf naar dag- en kortverblijf en ambulante zorg leiden tot efficiëntere, maar nog steeds kwaliteitsvolle zorg? Hoe worden die efficiëntiewinsten berekend?

Frank Vandenbroucke:

De studiedag was boeiend en leerzaam. Het belang van dag- en thuishospitalisatie werd natuurlijk benadrukt. De noodzaak van betere samenwerking tussen de verschillende zorgverleners werd duidelijk geschetst. De evolutie van klassiek ziekenhuisverblijf naar daghospitalisatie en ambulante zorg heeft het potentieel om efficiëntere zorg te bieden, zonder in te boeten aan kwaliteit. Die verschuiving kan leiden tot een betere benutting van middelen en een vermindering van verblijfsuren in ziekenhuizen, wat op zich de efficiëntie verhoogt.

De ontwikkeling en bevordering van het dagziekenhuis, met een zo groot mogelijke maar medisch verantwoorde substitutie van het beddenhuis, heeft, zoals u weet, al heel wat aandacht gekregen in mijn beleid, met een gewijzigde financiering en als gevolg daarvan toch een belangrijke verhoging van het chirurgisch dagziekenhuis. Natuurlijk moeten we de verkorting van de verblijfsduur en de verschuiving naar dag- en thuishospitalisatie zorgvuldig beheren. We moeten bekijken welke behandelingen veilig en kwalitatief in daghospitalisatie of thuis uitgevoerd kunnen worden.

Succes hangt sterk af van samenwerking tussen zorgverleners en de implementatie van effectieve zorgpaden en protocollen, zo ook in het kader van thuishospitalisatie, waar de nood aan verbeterde communicatie en uniformisering tussen de verschillende stakeholders duidelijk werd benadrukt. Tijdens de studiedag werd, bijvoorbeeld, de samenwerking voorgesteld tussen het Nederlandstalig Platform voor Thuisverpleegkundigen en de Vereniging voor Verpleegkundigen Radiotherapie en Oncologie enerzijds, en de Vlaamse Vereniging van Ziekenhuisapothekers anderzijds. Zo'n samenwerking kan ideeën bieden om thuishospitalisatie verder te evalueren.

Ik heb vernomen dat soortgelijke samenwerkingen bestaan in het Franstalige landsdeel. Het RIZIV zal alle samenwerkingen in kaart brengen om tot een gemeenschappelijke, uniforme werkwijze te komen voor heel België.

Ik zou de studiedag dan ook veeleer kaderen in het gevolg en het verlengde van de evoluties die op het terrein worden waargenomen dan die zien als een vertrekpunt. Het is schitterend om vast te stellen dat de sector zelf meegaat in het verhaal en eigen initiatieven ontwikkelt om de zorg beter en efficiënter te maken.

Dominiek Sneppe:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is inderdaad schitterend dat er vanuit de sector zelf initiatief wordt genomen. Mijn bezorgdheid gaat over het feit dat ziekenhuisopnames almaar korter worden. Ik ben het volledig met u eens dat dat tot efficiëntiewinsten kan leiden, maar we mogen zeker de kwaliteit van onze zorg niet uit het oog verliezen en uiteraard ook de toegankelijkheid voor onze patiënten niet. Samenwerking tussen zorgverleners juichen we zeker toe. Alleen klinkt op het werkveld ook de kritiek dat er maar één specifieke artsenorganisatie rond de tafel zit. Ook op dat vlak pleit ik ervoor om niet alleen het advies van één organisatie te volgen, maar de brede sector erbij te betrekken om meer stakingen of ongerustheid op het werkveld te vermijden.

Het toenemende gebruik van het Engels in de federale gezondheidsadviezen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Hoge Gezondheidsraad publiceert sinds eind vorig jaar cruciale gezondheidsadviezen uitsluitend in het Engels, wat in strijd is met de taalwetgeving (verplichte Nederlandstalige, Franstalige en Duitstalige communicatie voor federale diensten). Minister Vandenbroucke bevestigt het probleem—oorzaken zijn personeels- en budgettekorten, prioriteitsgebrek bij vertalingen en cybersecuritybezwaren tegen DeepL—en belooft dringende oplossingen om de wet na te leven, hoewel wetenschappelijke onderbouwing vaak wel in het Engels blijft. Frieda Gijbels benadrukt dat toegankelijke, begrijpelijke informatie in de landstalen essentieel is om misinformatie (bv. via sociale media) tegen te gaan en burgers gelijke toegang tot betrouwbare gezondheidsdata te garanderen. De Vaste Commissie voor Taaltoezicht oordeelde al dat Engels als enige taal illegaal is.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, sinds eind vorig jaar publiceert de Hoge Gezondheidsraad zijn adviezen blijkbaar uitsluitend in het Engels. Intussen zijn er zeven rapporten op de website verschenen, telkens met de expliciete vermelding dat de teksten alleen in het Engels beschikbaar zijn. Dat roept volgens mij toch vragen op over de toegankelijkheid van die adviezen en de wettelijkheid ervan. Volgens de wet van 18 juli 1966 betreffende het gebruik van talen in bestuurszaken moeten federale diensten hun externe communicatie immers in de officiële landstalen voeren, waarbij het Engels geen toegelaten bestuurstaal is.

Aangezien het hier gaat om algemene gezondheidsadviezen, die rechtstreeks het brede publiek aanbelangen, vallen die onder de gebodsbepaling dat ze beschikbaar moeten zijn in het Nederlands, Frans en Duits. Alleen op die manier kan elke burger toegang hebben tot essentiële gezondheidsinformatie in de eigen taal.

Mijnheer de minister, bent u ervan op de hoogte dat de betreffende adviezen alleen nog in het Engels beschikbaar zijn? Wat is daarvan de reden? Zijn er ook andere federale gezondheidsinstellingen die dat, wat mij betreft slechte, voorbeeld willen volgen? Acht u dat in overeenstemming met de taalwetgeving? Overweegt u maatregelen om te garanderen dat de adviezen in de landstalen beschikbaar zijn? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u dan?

Het grote probleem is dat wie het Engels niet machtig is, geen toegang tot de informatie heeft. Deelt u die bezorgdheid?

Frank Vandenbroucke:

Het klopt dat verschillende recente technische adviezen van de Hoge Gezondheidsraad alleen in het Engels op de website beschikbaar zijn. Het betreft echter niet alle recente adviezen. Het nieuwe advies over de voedingsaanbevelingen voor de Belgische bevolking werd bijvoorbeeld wel in het Nederlands en het Frans gepubliceerd.

Volgens de Hoge Gezondheidsraad is het op het moment niet mogelijk om steeds de juiste taal te hanteren. Dat is het gevolg van een personeelstekort, de steeds urgentere deadlines opgelegd door de aanvragers, een gebrek aan werkingsbudget voor vertalingen, het feit dat de interne dienst van de FOD vertalingen voor de Hoge Gezondheidsraad geen prioriteit geeft en die interne dienst ook overbelast is en de afschaffing van de DeepL Prolicenties in 2025 wegens problemen van vertrouwelijkheid en cybersecurity.

Dat is een suboptimale situatie, gezien het grote belang van de adviezen van de Hoge Gezondheidsraad voor de gezondheid van onze bevolking. Zoals de Vaste Commissie voor Taaltoezicht reeds heeft vastgesteld in advies nr. 54.065 van 13 mei 2022, is het exclusieve gebruik van het Engels niet in overeenstemming met de taalwetten. De Hoge Gezondheidsraad is een centrale dienst in de zin van de samengevoegde wetten op het taalgebruik. Luidens artikel 40 van de SWT moeten de berichten en mededelingen die de centrale diensten rechtstreeks aan het publiek richten, in het Nederlands en in het Frans worden opgesteld. Met de Duitstalige Gemeenschap werd overeengekomen dat, wanneer zij het belangrijk acht dat een advies in het Duits beschikbaar is, zij de Hoge Gezondheidsraad daarvan op de hoogte brengt. Die laatste zal dan zijn uiterste best doen om dat advies zo snel mogelijk in het Duits te vertalen.

Ik heb de Hoge Gezondheidsraad en de FOD met aandrang gevraagd om het probleem zo snel mogelijk op te lossen, zodat de taalwetten onverkort worden nageleefd. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg publiceert al zijn adviezen in het Nederlands en het Frans en is niet van plan dat te veranderen. Het wetenschappelijke rapport waarop de adviezen zijn gebaseerd en dat door buitenlandse wetenschappers wordt geconsulteerd en becommentarieerd, is doorgaans beschikbaar in het Engels.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik vind het zeer positief dat u de bezorgdheid deelt en dat u zult aandringen op het beschikbaar stellen van de adviezen, minstens in het Nederlands en het Frans en indien mogelijk ook in het Duits. Ik denk dat het bijzonder belangrijk is dat gezondheidsinformatie voor iedereen toegankelijk is. Uiteindelijk draagt iedereen daar immers financieel aan bij. Ik dring erop aan dat dat ook gebeurt in goed begrijpelijk Nederlands en Frans. Zo kan iedereen maximaal gebruikmaken van die informatie, correct geïnformeerd worden en toegang krijgen tot wetenschappelijk onderbouwde gegevens, wat beter is dan te moeten voortgaan op informatie op sociale media, die, om het zacht uit te drukken, veel minder onderbouwd is.

Het ziekenvervoer voor kankerpatiënten

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat terugbetaling van ziekenvervoer voor kankerpatiënten met te lage bloedwaarden (die zonder behandeling naar huis gestuurd worden) nog onderzocht wordt omwille van budgettaire haalbaarheid, zonder concrete toezegging. Thuisbloedafnames (o.a. proefproject *Onco@home* in Limburg) blijken succesvol en krijgen 1,447 miljoen euro in 2025 voor nationale uitrol, maar de nomenclatuurherziening voor vergoeding ontbreekt nog. Patiënten en zorgverleners ervaren positieve effecten (minder ziekenhuisbezoeken, betere zorgcoördinatie), terwijl de financiële en mentale last voor kwetsbare patiënten bij niet-vergoed vervoer onopgelost blijft. Farih dringt aan op snelle actie voor deze groep.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik ontvang via verschillende kanalen zorgwekkende signalen over het ziekenvervoer voor kankerpatiënten. Het gaat om kankerpatiënten die zich met ziekenvervoer naar het ziekenhuis begeven voor een chemobehandeling, daar aankomen en helaas het nieuws krijgen dat hun bloedwaarden te laag zijn, waardoor ze niet met de chemotherapie kunnen starten. Die patiënten worden dan naar huis teruggestuurd. Wij kennen de regels ter zake.

Nu blijkt echter dat in zulke situaties het patiëntenvervoer niet wordt terugbetaald. Dat betekent niet alleen een mentale maar vaak ook een financiële klap voor kwetsbare mensen, die zich op die situatie niet kunnen voorbereiden.

Tijdens de vorige legislatuur heb ik enkele vragen gesteld over chemocare at home . U hebt toen ook politiek aangekondigd dat daarvan werk zou worden gemaakt. In Limburg kennen wij een proefproject dat is opgestart met het Wit-Gele Kruis om bloedafnames effectief thuis te organiseren. Ik hoor daar heel wat positieve signalen over. De droom is natuurlijk om dat project op nationaal vlak uit te rollen. Ik had tijdens de vorige legislatuur van u begrepen dat u daar ook werk van zou willen maken.

Daarom heb ik enkele vragen ter opvolging voor u. Bent u bereid om de bestaande terugbetalingsregeling aan te passen voor mensen met negatieve bloedwaarden? Zij verplaatsen zich immers zonder vooraf die informatie te kennen. Het is dan een financiële domper om nadien te vernemen dat het gebruikte patiëntenvervoer in dat geval niet wordt vergoed.

Wat is de stand van zaken van het vandaag lopende proefproject rond thuisbloedafnames in Limburg? Ontvangt u daar positieve signalen over? Wordt het project geëvalueerd? Kunt u daar resultaten van meedelen?

Ik heb al verwezen naar de politieke beslissing die u in het najaar van 2023 had genomen en aangekondigd om bloedafnames thuis te realiseren. Op dit moment wachten wij echter nog steeds op de nomenclatuurherijking. De prestatiecodes voor bloedafnames thuis in het kader van een chemobehandeling bestaan nog niet, waardoor thuisverpleegkundigen daar nog geen gebruik van kunnen maken.

Er werd in 2023 ook een budget aangekondigd voor proefprojecten inzake thuisbloedafnames en antibioticatherapie.

Kunt u ons vertellen hoeveel van het budget daarvoor reeds is aangewend en hoeveel er nog rest van dat budget? Hoe wordt die post in de begroting voor de komende jaren opgenomen?

Frank Vandenbroucke:

Sinds 1 april worden de verstrekkingen die in aanmerking worden genomen voor de automatische tegemoetkoming in reiskosten voor patiënten die een oncologische behandeling volgen, vastgesteld in de bijlage bij het ministerieel besluit van 30 mei 2024 houdende vaststelling van de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de reiskosten van rechthebbenden die een oncologische behandeling volgen.

De opgenomen codes omvatten de oncologische behandeling zelf en bepaalde specifieke raadplegingen na de behandeling. Voor de automatisering van deze tegemoetkoming was de interpretatie altijd dat enkel rekening werd gehouden met de verplaatsingen voor de eigenlijke behandeling en niet met de technische verstrekkingen die daarmee verband zouden houden. Tijdens de analyses voor de automatisering hebben we overwogen om dergelijke verstrekkingen mee in aanmerking te nemen, vermits ze noodzakelijk zijn voor de oncologische behandeling. De budgettaire impact daarvan bleek echter te groot. Momenteel wordt onderzocht in hoeverre bepaalde andere codes dan die op de huidige lijst staan, kunnen worden opgenomen, voor zover men deze aan een behandeling kan koppelen, zodra dat ook budgettair en dus ook politiek, haalbaar is. De verplaatsingen voor bloedafnames die voorafgaan aan de behandeling maken deel uit van dit onderzoek.

Het proefproject in Limburg wordt niet gefinancierd door het RIZIV, waardoor ik niet beschik over precieze informatie in de vorm van resultaten of een evaluatie. Ik houd me uiteraard aanbevolen om die informatie te ontvangen. Het pilootproject Onco@home werd gerealiseerd dankzij een samenwerking tussen Kom Op Tegen Kanker en drie ziekenhuizen, namelijk het AZ Groeninge in Kortrijk, het O.L.V. van Lourdes Ziekenhuis in Waregem en de Sint-Jozefskliniek in Izegem, en drie thuiszorgorganisaties: i-mens, het Wit-Gele Kruis en ZorgConnect. Dit project is ontworpen om de oncologische zorg te optimaliseren door het mogelijk te maken dat patiënten hun bloedafname en symptoombevraging in hun vertrouwde thuisomgeving kunnen ondergaan. De bevindingen over Onco@home zijn echt positief wat betreft de tevredenheid bij zowel patiënten als zorgverleners, zowel in het ziekenhuis als in de thuiszorg, en ook wat betreft de efficiënte benutting van de capaciteit in het dagziekenhuis. Een goede opleiding en begeleiding zijn wel noodzakelijk om vertrouwen te creëren, zowel bij de patiënt en in het bijzonder ook bij de zorgverleners.

Er is uitmuntender samenwerking, waarbij open communicatie centraal staat tussen de eerste en de tweede lijn maar ook tussen de eerstelijnspartners onderling. Ziekenhuisbezoeken worden verder verminderd, wat meer comfort voor de patiënt betekent en een betere spreiding van de zorgtaken mogelijk maakt.

Dankzij de gezamenlijke inspanningen van de ziekenhuizen, de thuiszorgorganisaties en het RIZIV kan het zorgmodel A verder worden uitgerold, met als doel structurele en duurzame verbeteringen in de oncologische zorgverlening te realiseren.

In het ZIV-budget 2025 is een bedrag van 1,447 miljoen euro opgenomen om het project breder te implementeren en mogelijk structureel te verankeren. Het uiteindelijke doel is om oncologische behandelingen zo goed mogelijk te integreren in het normale sociale leven van de patiënt, zodat zijn welzijn wordt verhoogd en de zorgkwaliteit verbetert.

Het model biedt aanzienlijke voordelen voor zowel patiënten als zorgverleners en ziekenhuizen en kan de efficiëntie van de zorg verbeteren. Dankzij de gezamenlijke inspanningen van de ziekenhuizen, de thuiszorgorganisaties en het RIZIV kan dit model verder worden uitgerold, met als doel om de oncologische zorg op een duurzame en structurele manier te verbeteren.

Nawal Farih:

Dank u wel, minister. Dat was heel wat informatie, waarvoor dank. Ik heb een punt niet goed begrepen. Ik zou graag willen dat u dat nog even toelicht. U zegt dat er voor alle behandelingen die thuis plaatsvinden voor de chemobehandeling er effectief is niet voldoende draagvlak bestaat omwille van de budgettaire impact. Gaat dat over die behandelingen zelf of over het vervoer?

Frank Vandenbroucke:

Neen, de vraag gaat over het vervoer.

Nawal Farih:

Dus het gaat enkel over het vervoer waarvoor er om budgettaire redenen niet genoeg draagvlak bestaat?

Frank Vandenbroucke:

De vraag is of het budgettair haalbaar is. Als het budgettair haalbaar is, kan men het ook politiek beslissen. Het gaat hier over de verplaatsingen voor bloedafnames voorafgaand aan de behandeling en dergelijke. Die vallen hieronder.

Nawal Farih:

Ja, want het is inderdaad al aangekondigd dat Onco@home voor alle patiënten zou worden terugbetaald, maar we wachten nu nog op de herijking van de nomenclatuur.

Frank Vandenbroucke:

Dat gaat over de behandelingen.

Nawal Farih:

Over de bloedafname thuis.

Frank Vandenbroucke:

Precies, ja.

Nawal Farih:

Ik vraag mij echter nog steeds iets af. Voor het patiëntenvervoer van patiënten met een negatieve bloedwaarde is er nog steeds geen plan om een tegemoetkoming te voorzien. Daarop heb ik nog niet direct een antwoord gekregen. Er zijn nochtans veel vragen op het terrein die ik daarover zou willen kunnen beantwoorden. Hebt u daar al een antwoord op, mijnheer de minister?

Frank Vandenbroucke:

Ja, maar ik kan alleen maar herhalen wat ik al heb gezegd, namelijk dat we dat onderzoeken. We kunnen daarover geen beslissing nemen zolang we niet zeker zijn dat het budgettair haalbaar is. Dat hangt af van de begroting en van de begrotingsprioriteiten, maar het is iets wat we onderzoeken. Dat heb ik gezegd.

Nawal Farih:

Oké, voor de behandelingen die plaatsvinden in het kader van chemotherapie komt er dus hopelijk binnenkort een oplossing, maar het patiëntenvervoer bij negatieve bloedwaarden wordt nog bekeken.

Frank Vandenbroucke:

Ja.

Nawal Farih:

Dank u wel. Ik hoop dat daar dan ook werk van gemaakt kan worden. Ik hoef het u niet te vertellen, maar oncologische patiënten leggen een zwaar traject af. Vol goede moed gaan ze naar het ziekenhuis om daar verder geholpen te worden. Als men daar dan te horen krijgt dat men negatieve bloedwaarden heeft en wordt teruggestuurd – met daarbovenop nog een factuur – is dat natuurlijk niet bevorderlijk voor het mentale traject dat zo'n patiënt doormaakt. Voor kwetsbare patiënten is dat financieel bovendien vaak een erg moeilijke boodschap om nog bovenop alles te verwerken. Ik hoop dan ook oprecht dat we voor die groep de nodige inspanningen kunnen leveren. Ik reken daarvoor op uw daadkracht. Dank u wel.

De klimaat- en milieu-impact van behandelingen in de zorgsector

Gesteld door

Groen Petra De Sutter

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België engageerde zich om tegen 2050 een klimaatneutrale gezondheidszorg te realiseren, met concrete stappen zoals het recent gepubliceerde *Operation Zero*-rapport (februari 2024) dat emissiebronnen in kaart brengt en maatregelen voorstelt—waarvoor in september 2024 een interministerieel akkoord moet komen over prioriteiten, financiering (o.a. via EU-emissiehandel) en acties zoals elektrificatie van ambulances en vergroening van operatiekwartieren (afvalreductie tot 50%). Een pilootproject (2026, budget €600.000) richt zich op single-use plastics in ziekenhuizen, terwijl de EU-richtlijn voor medicatierestanten in water (omzetting tegen 2027) via vervuiler-betaalt-principe wordt gefinancierd, met een lopende werkgroep voor gecoördineerde uitvoering. Vandenbroucke benadrukt samenwerking tussen beleidsniveaus (federale routekaart voor duurzame aanbestedingen, *Critical Medicines Act* met milieucriteria) en kostenbesparende maatregelen zoals afvalsorting, maar De Sutter hamert op voldoende budgettaire garanties binnen het NEHAP ondanks besparingen.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, voor de Nederlandse regering viel, startte zij in mei een proefproject op waarin men met het oog op terugbetaling van zorg ook de inzet van schaarse personeelsmiddelen en de milieu-impact meeweegt. De zorgsector daar is hard bezig met duurzaamheid. Zo werden er specifieke rekenmethoden uitgewerkt om bijvoorbeeld de personeelsinzet en de milieu-impact van bepaalde behandelingen inzichtelijk te maken.

Dat gaat verder dan wat wij op het moment in ons land doen. In uw beleidsnota schrijft u dat u vooral wilt onderzoeken hoe dat kan gebeuren aan de hand van welke indicatoren van het KCE voor het meten van milieuduurzaamheid en welke prioriteiten we moeten stellen, bijvoorbeeld in verband met de uitstoot van broeikasgassen. Natuurlijk ben ik tevreden over die passage, maar moeten we niet wat meer ambitie en daadkracht aan de dag leggen? Kunnen we bijvoorbeeld de Nederlandse aanpak enigszins navolgen?

Zult u daaraan prioriteit geven en een beleid ter zake met spoed uitwerken? Wanneer kunnen we dat verwachten, bijvoorbeeld via een pilootproject?

Zult u ook specifiek iets doen rond medicatierestanten in ons oppervlakte- en grondwater? Dat is een probleem, onder andere vanwege hormoonverstorende effecten. In uw beleidsdocumenten staat daar momenteel niets over.

U stelt ook dat u de Belgische concurrentiepositie op het vlak van geneesmiddelen wilt versterken. Dat is goed – we zijn sterk in de farmasector –, maar vormt dat ook een opportuniteit om duurzaamheidsmaatregelen in die acties te integreren?

Tot slot, bij de investeringen – dit raakt aan de begroting – merken we dat er steeds minder budgetten worden vrijgemaakt voor duurzame roerende goederen en diensten. Ook in de gezondheidszorg kan vergroening gerealiseerd worden via onder andere investeringen en aanbestedingen. Wat zijn uw ideeën daarover?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Sutter, op de Klimaatconferentie in Glasgow van 2021 is België de verbintenis aangegaan om te streven naar een nuluitstoot van ons gezondheidszorgsysteem tegen 2050.

Na die verbintenis werd in het kader van het Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP) een werkgroep opgericht. In samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten hebben we een gespecialiseerd onderzoeksbureau ingeschakeld om te berekenen wat de uitstoot is van onze gezondheidszorg en waar de grootste emissiebronnen in ons zorgsysteem zitten. Het rapport Operation Zero werd eind februari gepubliceerd. Het werd 100 % gefinancierd door de FOD Volksgezondheid en bevatte ook suggesties voor mogelijke maatregelen.

Op basis van dat rapport bereiden de verschillende Belgische administraties van Volksgezondheid en Leefmilieu momenteel een nota met voorstellen van maatregelen voor, die in september zal worden voorgelegd aan hun ministers in de gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu en Gezondheid. Zo wordt de haalbaarheid van de elektrificatie van ambulances in België in kaart gebracht. Er zal dan bekeken worden welke middelen beschikbaar zijn voor welke acties en waar eventueel inkomsten uit de Europese emissiehandel kunnen worden gemobiliseerd.

De vergroening van de gezondheidszorg bevindt zich op het kruispunt van vele bevoegdheden en expertises. Het NEHAP biedt daarbij potentieel om een efficiënter middelengebruik over de administraties en beleidsdomeinen heen te realiseren. Intussen heeft de FOD Volksgezondheid met uitvoering van de federale klimaatwet een routekaart ingediend voor onder meer het vergroenen van het aankoopbeleid van de ziekenhuizen.

Een eerste stap is het maken van een analyse van het Belgisch aankoopbeleid. Inspanningen rond het aankoopbeleid moeten duurzaamheid introduceren, met aandacht voor de financiële situatie van de ziekenhuizen en de beschikbare alternatieven op de markt. We zullen ook actie ondernemen voor de vergroening van de operatiekwartieren in ziekenhuizen. De hoeveelheid afval bij een standaard chirurgische ingreep komt overeen met de hoeveelheid afval die door een gezin van vier leden gedurende één week wordt geproduceerd.

We zullen inzetten op de sensibilisering van het personeel en een beter geneesmiddelen- en materiaalmanagement, net als op een efficiënter energiegebruik. Het beter sorteren van afval kan de hoeveelheid afval in het operatiekwartier op jaarbasis met 50 % verminderen. Daarnaast zal een betere triage leiden tot een kostenbesparing, omdat de hoeveelheid afval die als gevaarlijk medisch afval wordt beschouwd, ook aanzienlijk kan verminderen.

In 2024 startte de FOD Volksgezondheid een pilootproject rond de vermindering van de plasticafvalberg in ziekenhuizen. Voor het project, met een federaal budget van 600.000 euro, wordt in het najaar een projectoproep gelanceerd gericht aan ziekenhuizen die concreet actie willen ondernemen om hun gebruik van single-use plastics te verminderen.

Het proefproject zou in 2026 in de ziekenhuizen van start gaan.

Wat specifieke acties met betrekking tot restanten van medicatie in oppervlakte- en grondwater betreft, de gewesten zijn bevoegd voor de omzetting tegen 31 juli 2027 van de nieuwe Europese richtlijn inzake stedelijk afvalwater in interne wetgeving. Nieuw daarin is de verplichting om micropolluenten uit huishoudelijk afvalwater te verwijderen, met name in farmaceutica en persoonlijke verzorgingsproducten. Dat gebeurt via zuivering met behulp van specifieke behandelingstechnieken. Om die extra zuivering te financieren, legt de Europese richtlijn een uitgebreide verantwoordelijkheid op aan de producenten, in overeenstemming met het principe van de vervuiler betaalt.

Tijdens de interministeriële conferentie Leefmilieu van 30 januari hebben we beslist om een werkgroep op te richten voor de gecoördineerde omzetting van de artikelen 9 en 10 van de richtlijn stedelijk afvalwater. Dat traject loopt.

Ik heb aan de kar getrokken voor een critical medicines act . Op mijn voorstel zijn in het voorstel van de Commissie nu ook bepalingen opgenomen die de aanbesteders opleggen om in hun openbare aanbestedingen rekening te houden met MEAT-criteria (monitoring, evaluation, assessment, treatment) , waarin onder meer milieucriteria geïntegreerd zijn. Op die manier helpen we de Europese producenten vooruit door milieuvriendelijke productie te belonen, aangezien ze vandaag al veel milieuvriendelijker produceren dan het geval is in China, India of zelfs de Verenigde Staten.

Ten slotte, minister Crucke stuurt binnenkort een uitnodiging naar onze collega-ministers van de gewesten en gemeenschappen voor de gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu-Gezondheid. Nu we dankzij het rapport Operation Zero een beter zicht hebben op de koolstofvoetafdruk van de zorg in België, is het de bedoeling om op die conferentie mogelijke acties en de daaraan verbonden kosten voor de vermindering van de broeikasuitstoot af te spreken, waarbij rekening wordt gehouden met de bevoegdheidsverdeling en met de initiatieven die de gewesten al hebben genomen. Voor projecten die een gemeenschappelijke aanpak vereisen, overleggen de ambtenaren van de verschillende beleidsniveaus nu al regelmatig.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw uitvoerig antwoord, dat aangeeft dat er veel acties lopen en veel maatregelen in de pijplijn zitten. Ik ben tevreden met die aandacht. Het is in ieder geval belangrijk dat er in het NEHAP, ondanks de besparingen, daar voldoende budgetten aan worden toebedeeld, opdat er op dat vlak inderdaad resultaten worden geboekt. We zullen het dossier uiteraard opvolgen.

De uitwerking van één geïntegreerd patiëntendossier

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat België werkt aan het geïntegreerd elektronisch patiëntendossier (BIHR), maar benadrukt dat eHealth geen centrale opslag is, wel een veilige uitwisselingshub tussen zorgactoren (artsen, apothekers, regionale platformen). Standaardisatie (FHIR/SNOMED CT) en een nieuw interbestuurlijk actieplan (goedgekeurd in de recente CIM) moeten interoperabiliteit en administratieve vereenvoudiging versnellen, met concrete stappen zoals e-prescriptie en een werkgroep voor minder bureaucratie. Dedonder kaart aan dat het ontbreken van een centraal, overzichtelijk dossier (met medicatiegeschiedenis en interdisciplinaire structuur) acute zorg en chronische patiënten bemoeilijkt, maar stelt zich tevreden met de belofte van korte-termijnoplossingen en evaluatiemomenten.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, la plateforme eHealth devait constituer un outil central pour améliorer la qualité des soins, favoriser la coordination entre prestataires et fluidifier l'accès aux données médicales du patient. Pourtant, sur le terrain, de nombreuses critiques persistent, tant du côté des professionnels de la santé que des institutions hospitalières. À l'heure actuelle, notre pays ne dispose toujours pas d'un dossier patient unique intégré à l'échelle nationale. En pratique, cela complique fortement l'accès aux données médicales essentielles, notamment en cas d'urgence. Lorsqu'un hôpital entame l'anamnèse d'un patient, il doit parfois reconstituer son historique en contactant directement son pharmacien de quartier pour accéder à des informations élémentaires relatives à sa médication. Le plan de médication du patient n'est pas toujours publié, notamment sur le Réseau Santé Wallon, ce qui génère des lacunes importantes dans le suivi thérapeutique.

Par ailleurs, la plateforme actuelle ne permet pas de travail réellement interdisciplinaire. Il n'y a pas d'arborescence structurée permettant de retrouver rapidement les informations pertinentes selon les spécialités ou les épisodes de soins. Dans le cas de patients souffrant de pathologies lourdes ou chroniques, ce sont dès lors parfois plusieurs milliers de pages qui s'accumulent, rendant l'exploitation des données fastidieuse et peu efficace. Cette situation illustre l'urgence de simplifier l'architecture numérique de notre système de santé, tant pour libérer du temps médical que pour renforcer la qualité des soins.

Monsieur le ministre, quelles réformes envisagez-vous pour accélérer la mise en place d'un véritable dossier patient intégré et interopérable en Belgique? Comment comptez-vous améliorer l'accessibilité et l'organisation des données sur la plateforme eHealth? Des solutions concrètes sont-elles prévues à court terme pour renforcer l'interdisciplinarité et réduire la lourdeur administrative liée à l'exploitation des données du patient?

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, de nombreuses actions sont en cours dans le domaine de l'e-santé, dans le but de parvenir à la mise à disposition d'un dossier patient intégré pour chaque citoyen belge. Nous parlons du Belgian Integrated Health Record (BIHR). Mme Gijbels ne m'en voudra sans doute pas. Je fais également référence à la séance d'information que la plateforme eSanté a donnée au Comité de santé publique au printemps 2024. Mais il ne s'agit pas de centraliser toute l'information, au niveau de la plateforme eHealth, de la réunion du printemps 2024. En effet, cette plateforme n'a pas vocation à stocker des informations de santé concernant les citoyens belges, mais bien de faciliter les échanges d'informations de façon sécurisée et authentifiée. À cette fin, la plateforme met à disposition des services de base utilisables dans les différents contextes de soins et soutient le processus d'enregistrement des logiciels qui doit permettre notamment d'évaluer la qualité de l'implémentation par les softwares proposés aux professionnels de santé des services de base.

Les travaux en cours ne dépendent donc pas de la seule plateforme eHealth, mais impliquent de nombreux acteurs dont la collaboration est nécessaire pour aboutir à un dossier patient intégré: différentes autorités (fédérales et fédérées), les fournisseurs de softwares, les professionnels de santé eux-mêmes, ainsi que les plateformes régionales de santé, que sont les hubs pour les institutions de soins de santé, et les coffres-forts sanitaires, ainsi que toute autre source authentique contenant des informations de santé. La standardisation des informations échangées, les CareSets basés sur le FHIR et SNOMED CT, est nécessaire pour assurer l'interopérabilité.

Il s'agit d'un travail de longue haleine, mais des avancées importantes ont déjà été réalisées qui facilitent le travail des professionnels. Citons, par exemple, les outils aujourd'hui disponibles dans le domaine de la prescription électronique et la gestion de l'information concernant la médication.

Pour soutenir le développement de notre système e-santé, au cours de la présente législature, nous avons rédigé un nouveau plan d'action a été conclu avec les entités fédérées et les stakeholders . Ce nouveau plan eHealth a été confirmé lors de la réunion de la Conférence interministérielle de la Santé de la semaine passée et constitue un jalon important. Il doit définir les priorités, mais aussi garantir une synchronisation des initiatives et une meilleure utilisation des moyens disponibles, d'une part, et la conclusion d'un accord de coopération destiné à donner une assise juridique solide aux collaborations et aux échanges d'informations entre le fédéral et les Régions, d'autre part.

En coopération avec les parties prenantes, un groupe de travail doit fournir des conseils sur la manière de parvenir à une véritable simplification administrative et de faciliter autant que possible l'obligation d'enregistrement standardisé, qui est aussi un souhait et une question qui vivent fortement chez le personnel soignant, au niveau des syndicats du personnel, et plus largement des partenaires sociaux dans le secteur des soins de santé. J'ai proposé ce groupe de travail, qui se consacre à la simplification administrative et à la facilitation de l'obligation d'enregistrement, en lien avec le développement d'un agenda pour le personnel soignant.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes ces réponses et pour la volonté d'aboutir. J'entends bien que cela prend du temps et que de nombreux acteurs entrent en ligne de compte. J'entends aussi que vous entreprenez des actions. Laissons alors encore un peu de temps pour que tout cela se mette en place. Nous reviendrons pour faire une évaluation.

Drugs op festivals
Het drugsgebruik op festivals
Drugsgebruik tijdens evenementen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende druggerelateerde incidenten op festivals (verdubbeling van inbeslagnames, dodelijke gevallen door gemengde/sterkere drugs zoals *pink powders*) en de toenemende risico’s (onbekende samenstelling, hogere doseringen) leiden tot kritiek op de trage, gefragmenteerde aanpak van preventie, handhaving en *harm reduction*. Minister Vandenbroucke benadrukt multidisciplinaire samenwerking (politie, medische diensten, Sciensano) en een toekomstig nationaal kader (werkgroep met aanbevelingen tegen maart 2026), maar concrete maatregelen zoals een drugsincidentennetwerk (wet 2019) blijven uit: de haalbaarheidsstudie (gestart september 2024) loopt tot eind 2025, zonder zicht op snelle implementatie. Parlementsleden Depoorter en Van Hoof eisen dringende actie (betere ondersteuning EHBO, drugstesten, waarschuwingsystemen) en wijzen op de onaanvaardbare vertraging, terwijl lokale besturen en kleine festivals nu al kampen met onvoldoende middelen en onvoorspelbare zorgdruk.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, volgens cijfers van de politiezone CARMA werden er 336 personen tijdens het festival Extrema Outdoor in Limburg betrapt op het bezit van illegale drugs. Dat is een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. Voorts vernemen we via een communicatie van het parket van Oost-Vlaanderen gisteren dat een vrouw uit Oost-Vlaanderen op een festival overleden zou zijn door het gebruik van een cocktail van drugs. Dat onderzoek loopt nog. Ook Sciensano bevestigt de zorgwekkende trend dat drugs steeds vaker worden gemengd, waardoor gebruikers niet weten welke stoffen ze binnenkrijgen, en dat de doseringen van synthetische drugs zoals MDMA hoger zijn dan vroeger. Ook het Europese Drugsagentschap (EUDA) bevestigt die trend en uit afvalwateranalyses blijkt dat Brussel en Antwerpen tot de Europese top behoren wat de aanwezigheid betreft van cocaïne, MDMA en ketamine, vooral tijdens de weekends en op festivals.

Hoe evalueert u de huidige aanpak van drugspreventie op festivals? Sluit die voldoende aan bij de realiteit van toenemend en riskant gebruik, zoals beschreven in het voorstel van resolutie die collega Gijbels en ikzelf hebben ingediend? De politie meldt dat er een efficiëntere backoffice-aanpak is, dat er meer procesmatig werd gewerkt en er daardoor ook meer processen-verbaal werden opgemaakt. Ziet u mogelijkheden om die methode uit te breiden naar andere festivals? De nationale drugscommissaris waarschuwt voor de dalende drempel bij eerste gebruikers. Dat is heel zorgwekkend. Welke initiatieven neemt u om dat tegen te gaan, bijvoorbeeld via bewustmakingscampagnes of samenwerking met festivals?

We hebben het in het verleden al gehad over initiatieven rond harm reduction op festivals. Dat werkt naar behoren op de festivals die eraan deelnemen, maar ik ben bezorgd over de kleinere festivals die in kleinere gemeenten worden georganiseerd en die niet op veel vrijwilligers kunnen rekenen. Hebt u daarvoor initiatieven? Hoe kijkt u naar de initiatieven rond het testen van drugs op festivals? Zijn er daar volgens u mogelijkheden, waardoor meer kwaad kan worden voorkomen?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, collega Depoorter haalde al de cijfers aan en gisteren berichtte VRT NWS journaal over een nieuwe drugsdode als gevolg van synthetische of zogenaamde designerdrugs. Dat Sciensano dankzij het testen van in beslag genomen drugs in een mobiel labo van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie een waarschuwing voor zogenaamde pink powders , een mengsel van verschillende stoffen waarvan de exacte samenstelling onbekend is, kon verspreiden, toont nogmaals het belang aan van snelle dataverzameling en van monitoring van drugs. In een wet van 2019, waarvan ik medeauteur ben, wordt bepaald dat er een drugsincidentennetwerk van pijlstations moet worden opgericht, pijlstations waarvoor onder andere EHBO-diensten op festivals en spoeddiensten kunnen worden ingezet. Tijdens de bespreking van de beleidsnota kondigde u aan dat Sciensano dit jaar daarvoor een haalbaarheidsstudie zou uitvoeren, na zes jaar.

Welke concrete maatregelen zult u nemen om het druggebruik op festivals terug te dringen?

Werd de haalbaarheidsstudie door Sciensano effectief opgestart of is er een startdatum? Wanneer verwacht u de resultaten ervan?

Frank Vandenbroucke:

Het maatschappelijk fenomeen van drugsgebruik baart ook mij grote zorgen, niet alleen vanuit het perspectief van veiligheid en handhaving, maar vooral vanuit een gezondheidsperspectief en sociaal perspectief. Het gaat daarbij natuurlijk niet alleen om drugsgebruik op festivals, maar ook om druggebruik in het dagelijks leven.

In samenwerking met festivalorganisatoren zetten de bevoegde instanties voor volksgezondheid en veiligheid reeds een breed scala aan maatregelen in. Elk festival heeft uiteraard zijn eigenheid en bovendien is het drugsfenomeen complex en snel evoluerend. Dat maakt het streven naar een geharmoniseerde aanpak en nationale richtlijnen rond het drugsbeleid op festivals niet eenvoudig.

Het aanpakken van druggebruik op festivals vereist een gecoördineerde, multidisciplinaire samenwerking tussen actoren van justitie, politie, security, preventie, schadebeperking en medische diensten. Dat wordt ook onderstreept door de interfederale drugsstrategie, die beklemtoont dat het vermijden van drugsgebruik slechts een van de doelstellingen is.

Op het festival Extrema Outdoor hebben politie en parket geprobeerd te vermijden dat drugs het terrein binnenkomen en gebruikt worden, met een sterke focus op personen die dealen. Tegelijkertijd is er een nauwe samenwerking en informatie-uitwisseling met medische hulp- en preventieorganisaties, die actief proberen te bewerkstelligen dat wie toch drugs gebruikt, dat op een zo veilig mogelijke manier kan doen, en met Sciensano, als drugsexperte, bekijkt op welke manier het best kan worden omgegaan met eventuele bevindingen. Dat alles wordt samengevat in het risicocommunicatieprotocol dat door Sciensano is uitgewerkt. De uiteindelijke focus op het terrein lag op de festivalervaring van alle bezoekers. Een te sterke focus op louter druggebruik kan het omgekeerde effect hebben en het idee wekken dat drugs bij een festivalbeleving horen, wat natuurlijk niet de bedoeling is.

In de thematische vergadering Drugs van de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid werd daarom de algemene cel Drugs de opdracht gegeven om een nieuwe werkgroep op te richten, met als doel aanbevelingen daarover te formuleren. De werkgroep zal zich baseren op desgevallend wetenschappelijk onderbouwde goede praktijken en analyseert internationale initiatieven. Het uiteindelijke doel is om steden en actoren die evenementen organiseren, een beleidslijn te bieden om het drugsfenomeen globaal en geïntegreerd aan te pakken, variërend van preventie tot repressie, inclusief maatregelen om risico’s en schade te beperken. Het voorstel van plan van aanpak zal tegen maart 2026 ter goedkeuring worden voorgelegd in de thematische vergadering Drugs.

De lopende studie onderzoekt de haalbaarheid en het potentieel van het opzetten van een Belgisch netwerk voor de monitoring en de informatiedeling over druggerelateerde incidenten. Er is in de huidige fase nog geen sprake van implementatie. De focus ligt op het verkennen van de mogelijkheden en de noodzakelijke voorwaarden voor het opzetten van een dergelijk systeem.

Met de studie wordt onder meer een overzicht van de wetenschappelijke literatuur opgesteld, gelijkaardige initiatieven in Europa en daarbuiten in kaart gebracht en een kwalitatieve analyse op basis van expertinterviews met sleutelactoren op het terrein met name spoeddiensten, ambulancediensten, artsen, eerstelijnshulpverleners en andere relevante betrokkenen gemaakt. Het doel is om de mogelijkheden voor gegevensverzameling in kaart te brengen, bestaande lacunes te identificeren en eerste aanbevelingen te formuleren voor een mogelijke pilootstudie. De haalbaarheidsstudie ging van start in september 2024 en wordt naar verwachting afgerond tegen eind 2025. Dat is een verkennende stap gericht op haalbaarheid. Indien succesvol, kan die fase leiden tot de rol van het netwerk, al is er op het moment nog geen concrete timing vastgelegd.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, uiteraard is het gezondheidsperspectief van de festivalgangers, jonge mensen, het belangrijkst. We weten allemaal dat er een correlatie is tussen druggebruik, geestelijke gezondheidszorg en de sociale problematiek die u aanhaalt en die ermee gepaard gaat. Het is niet eenvoudig, maar het druggebruik legt ook een grote druk op de niet-planbare zorg in de omgeving van festivals en dat is echt wel iets wat we moeten aanpakken.

We moeten de EHBO-teams, die op de festivalweides aan het werk zijn, ondersteunen. Het testen van inbeslaggenomen drugs kan dan ook echt een hulp zijn voor die EHBO-teams, omdat men via Sciensano – zoals u aangeeft – waarschuwingen kan uitsturen.

We weten immers dat de middelen die op de illegale markt beschikbaar zijn, steeds sterker worden. Mensen weten niet wat ze kopen en innemen. Die middelen zijn illegaal en uiteraard kan het niet de bedoeling zijn om ze in te nemen. Als de dosissen evenwel drie, vier of vijf keer hoger zijn dan normaal, dan is het risico op gezondheidsproblemen en overlijden gewoon veel groter.

Er is nu een eerste slachtoffer gevallen tijdens de huidige festivalzomer en ik stel vast dat de maatregelen op zich laten wachten. U spreekt over maart 2026; deze festivalzomer zullen we dus geen antwoord hebben. Mijn collega en ik hebben onze resolutie enkele jaren geleden al ingediend. Ik vraag u dan ook uitdrukkelijk om daar effectief verder aan te werken.

Festivals moeten leuk zijn voor onze jonge mensen. We zijn wereldkampioen in het organiseren van festivals, maar we moeten er als overheid ook over waken dat die op een veilige manier plaatsvinden. De lokale besturen – die toch een heel grote verantwoordelijkheid dragen – moeten voldoende ondersteund worden. De risicoanalyse moet op een correcte manier gebeuren en er mogen geen slachtoffers meer vallen.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, eigenlijk pleit mijn collega voor de uitvoering van de wet van 2019 en dus de organisatie van een soort drugsincidentnetwerk. Het fenomeen beperkt zich immers niet tot de festivals, maar we zien het ook in het uitgaansleven in grote steden. Jongeren worden een soort proefkonijnen van handige harry’s of scheikundigen die drugs op de markt brengen die steeds krachtiger en gevaarlijker worden en waarvan de symptomen moeilijk te vatten zijn. Wat we nodig hebben, is een lerend netwerk dat nieuwe evoluties op de voet volgt, waarschuwingen kan verspreiden en zo kan voorkomen dat er nieuwe doden vallen. Op die manier kunnen we ook zoveel mogelijk leed besparen. Het gaat om een preventieve maatregel. Ik vraag me af waarom het zo lang duurt, waarom er steeds weer werkgroepen, aanbevelingen, haalbaarheidsstudies en nieuwe studies nodig zijn. We hebben dat lerend netwerk dringend nodig. De wet biedt de basis om bepaalde drugs – want dat kan niet zomaar bij inbeslagnames – naar labo’s te transporteren, ze te analyseren en de informatie vervolgens zo snel mogelijk te verspreiden. Ik ben ontgoocheld over uw antwoord. Ik heb de vraag al tientallen keren gesteld en ik vraag me dan opnieuw af hoeveel slachtoffers er nog moeten vallen, vooraleer we eindelijk dergelijke lerende netwerken in het leven roepen.

Groene zorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat twee pilotprojecten (in Vlaams- en Waals-Brabant) onderzoeken of groene zorg (natuurgebaseerde activiteiten op boerderijen) kan worden geïntegreerd in eerstelijnspsychologische zorg, met focus op patiënten met burn-out of depressie en ondersteuning voor betrokken landbouwers. Hij wacht eerst de wetenschappelijke resultaten (o.a. van KU Leuven) alvorens een officiële erkenning of legislatieve integratie (bv. in reïntegratietrajecten) te overwegen. Désir benadrukt het innovatieve potentieel van groene zorg als complementaire behandeling voor de groeiende groep patiënten, maar concrete stappen blijven afhankelijk van de uitkomsten van de lopende studies.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le burn-out et la dépression représentent aujourd'hui des enjeux majeurs de santé publique, tant par leur impact humain que par leurs coûts croissants pour notre système de sécurité sociale.

Dans ce contexte, une initiative fédérale, portée par le collectif réuni La Fondation Terre de Vie, propose une piste innovante, complémentaire aux approches thérapeutiques classiques: les soins verts. Ce dispositif consiste à prescrire, via un médecin, une période d'activité encadrée au sein d'une structure agricole ou sylvicole pour des patients en incapacité de travail en raison de burn-out ou de dépression. Cette démarche vise à favoriser le rétablissement par un contact régulier avec la nature et une activité significative, tout en s'intégrant, le cas échéant, dans un trajet de réintégration vers l'emploi.

Un dispositif expérimental est actuellement en cours, avec plus de 12 structures accompagnantes sur l'ensemble du pays, touchant plus de 1 350 fermes partenaires, en collaboration avec la KU Leuven, pour évaluer scientifiquement l'impact de ces soins sur la santé mentale des patients. Des exemples inspirants à l'étranger, notamment aux Pays-Bas et au Royaume-Uni, montrent déjà l'efficacité de telles approches, avec un soutien des pouvoirs publics.

Monsieur le ministre, vous êtes bien sûr au courant de cette initiative et de l'étude menée par la KU Leuven, ainsi d'ailleurs que de projets pilotes envisagés avec deux coordinations du réseau 107 des psychologues de première ligne, l'une en Flandre et l'autre en Wallonie.

Quelle suite entendez-vous donner à cette initiative prometteuse, et en particulier à ces deux premiers projets pilotes dans le cadre de la convention des psychologues de première ligne? Envisagez-vous d'intégrer les soins verts dans le cadre législatif belge, notamment comme outil reconnu dans le trajet de réintégration prévu par la loi sur l'assurance maladie-invalidité?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, les deux projets pilotes dont vous parlez dans votre question ont pour objectif d'étudier si l'offre de soins psychologiques en première ligne peut s'intégrer dans un programme de soins verts en Brabant flamand et en Brabant wallon.

Ceci nécessite d'abord une réflexion sur le groupe cible dans le programme de soins vert, les personnes qui sont reconnues en incapacité de travail au moins trois mois après un burn-out ou une dépression liée au travail, d'une part, et le groupe cible de l'offre de soins psychologiques de première ligne, les personnes souffrant de problèmes en santé mentale et de troubles psychologiques légers à modérés, d'autre part.

Ensuite, les projets pilotes examinent comment l'agriculteur peut être soutenu. L'agriculteur n'est pas un professionnel de la santé, mais il entre en contact étroit avec des personnes souffrant de problèmes psychologiques. Grâce à des activités de soutien, l'agriculteur peut obtenir des outils pour trouver sa voie dans les soins de santé mentale et comment il peut soutenir le groupe cible.

À ma connaissance, les deux réseaux de santé mentale (Brabant flamand et Brabant wallon) n'ont pas encore conclu une convention PPL (soins psychologiques de première ligne) avec les soins verts. L'étude d'impact est en cours et nous attendons les résultats de l'étude scientifique. Aucun positionnement officiel ni reconnaissance n'ont jusqu'à maintenant été pris pour cette raison.

Caroline Désir:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour votre réponse. J'espère que l'on suivra cette initiative avec attention car elle nous semble en effet être une perspective innovante permettant de contribuer à la réintégration de ces malades souffrant d'un burn-out ou d'une dépression qui sont si nombreux et dont on devra s'occuper dans les prochaines années.

De erkende hiv-referentiecentra

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De provincie Luxemburg heeft geen erkend HIV-referentiecentrum door de verplichte drempel van 220 patiënten/jaar, wat onhaalbaar is voor de lokale patiëntenpopulatie, terwijl er wel behoefte is aan gespecialiseerde zorg. Minister Vandenbroucke bevestigt dat de regel geldt per centrum (niet per arts) en dat een antenne in Luxemburg mogelijk is via samenwerking met bestaande centra (bv. CHU Namur), maar een eerdere poging (2019) strandde door onopgeloste afspraken tussen ziekenhuizen. Een nieuwe aanvraag voor erkenning (door bv. Vivalia) kan ingediend worden, maar moet expertise en patiëntenaantallen aantonen—succes is niet gegarandeerd. Kortom: oplossing ligt in een antenne of herziening van de patiëntennorm, maar initiatief moet van lokale ziekenhuizen komen.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le Ministre,

Vous le savez, la Belgique dispose d'un réseau de centres spécialisés VIH agréés et conventionnés par l'INAMI, qui assurent la prise en charge médicale, psychologique et sociale des personnes vivant avec le VIH.

Ces centres sont notamment implantés dans les grands hôpitaux universitaires et régionaux du pays, et leur mission est d'offrir un accompagnement global et multidisciplinaire.

Toutefois, malgré la présence de plusieurs centres en Belgique, la province de Luxembourg ne dispose actuellement pas de centre de référence VIH agréé.

L'une des raisons invoquées sur le terrain réside dans le fait que la convention actuelle prévoit, je cite, que « le Centre de référence VIH et en particulier l'équipe multidisciplinaire doivent prendre en charge un minimum de 220 patients différents par année calendrier pour maintenir le bénéfice de la présente convention. ». Un chiffre qu'il est aujourd'hui compliqué à atteindre en province de Luxembourg.

Il y a peu, la centaine de patients présente dans notre province était prise en charge, en bonne collaboration avec le site de Mont-Godinne qui ne disposait pas non plus de l'agrément. Cependant, les choses ont changé depuis et au regard de leur nouvel agrément cette collaboration avec Mont-Godinne n'est plus aussi efficace. Trois médecins y reçoivent aujourd'hui un financement, leur permettant ainsi de prendre en charge moins de 100 patients alors qu'en province de Luxembourg, nous avons aujourd'hui un spécialiste, non financé via l'agrément, qui prend en charge plus de 100 patients.

Compte tenu de tout ceci Monsieur le Ministre, j'aimerais connaître le regard que vous portez sur cette absence de centres agréés en province de Luxembourg ? Comment garantir la prise en charge adéquate des personnes vivant avec le VIH dans notre province ?

Afin de garantir la proximité des soins que vous avez défendue lors de votre note de politique générale, pensez-vous utile de revoir ce critère de 220 patients ?

Je vous remercie de vos réponses.​

Frank Vandenbroucke:

L'INAMI a conclu une convention avec 12 centres de référence spécialisés dans l'accompagnement sur le plan médical, psychologique, familial et socioprofessionnel des personnes vivant avec le VIH et leur entourage. Il dispose pour ce faire d'équipes spécialisées composées de médecins spécialistes, de psychologues, de diététiciens, de sexologues, d'infirmiers et d'assistants sociaux ou d'infirmiers sociaux. Afin de pouvoir garantir le maintien de l'expertise nécessaire d'un tel centre spécialisé, un nombre minimum de 220 patients est à prendre en charge par année civile par chaque centre déjà conventionné – et donc, pas par médecin qui travaille dans le centre – afin de maintenir le bénéfice de la convention.

Un centre de référence VIH spécialisé accompagnant peu de patients à l'entrée a donc peu de chances – pour le peu qu'ils puissent effectivement conclure la convention, ce qui est loin d'être acquis – de maintenir le bénéfice de la convention vu cette masse critique de patients à maintenir sur base de la convention actuelle.

Les centres de référence sont tenus, conformément à leur convention, de prendre en charge toutes les personnes appartenant au groupe cible de la convention, quel que soit leur lieu de résidence. Il est toutefois vrai que l'accès à l'accompagnement dans un centre de référence VIH peut être plus difficile pour un patient résidant dans la province de Luxembourg, étant donné qu'il n'y a pas de centre de référence VIH situé dans cette province. Les centre de référence VIH les plus proches se trouvent en province de Namur – le centre du CHU UCL Namur et le site Godinne à Yvoir, qui disposent d'une convention depuis 2014 – et en province de Liège – le CHU de Liège dispose d'une convention depuis l'année 2000.

La convention prévoit toutefois, sous certaines conditions, la possibilité pour les centres de référence VIH conventionnés de demander la création d'une antenne dans une province où il n'existe pas de centre de référence VIH ou pas encore d'antenne, si cette dernière se trouve à au moins 70 kilomètres d'un centre conventionné ou d'une antenne d'un centre conventionné. De cette manière, un accompagnement de qualité des personnes vivant avec le VIH, basé sur l'expérience et l'expertise, peut être organisé dans une province non encore couverte.

Dans ce contexte, en 2019, le centre de référence VIH conventionné au CHU UCL Namur a effectivement introduit une demande en vue de créer une antenne sur le site des cliniques du Sud-Luxembourg, Vivalia, afin de couvrir la province de Luxembourg. La convention prévoit pour ce faire qu'un avenant soit rédigé afin de régler de manière détaillée toutes les obligations à respecter en cas d'application de la convention sur un site autre que le site principal du centre de référence VIH qui a effectivement signé la convention.

Lorsque la demande a été formulée par le CHU UCL Namur de créer une antenne en province de Luxembourg, un projet d'avenant réglant de manière détaillée toutes les obligations entre les deux hôpitaux a été soumis au CHU UCL Namur. Cette procédure n'a cependant pas abouti. Depuis lors, le dossier n'a pas connu d'autre suite.

En pratique, il n'est pas interdit pour un hôpital qui souhaite conclure une convention propre d'introduire une demande pour ce faire. Cette demande sera, quoi qu'il en soit, examinée en première instance par le Collège des médecins-directeurs institué auprès du service des soins de santé de l'INAMI. Il devra pouvoir être démontré que le centre dispose de l'expertise nécessaire – équipe spécialisée, prise en charge d'un nombre de patients suffisant, etc. Aucune garantie ne peut être donnée quant au fait que la demande aboutira dans les faits.

À ce jour, il est à signaler qu'aucune demande n'a été introduite en ce sens par un hôpital de la province de Luxembourg.

Benoît Piedboeuf:

Je vous remercie, monsieur le ministre. Cela signifie qu'il y a bien une piste et qu'une solution est possible.

De gezondheidsrisico's van 6-methylnicotine

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische overheid bevestigt de aanwezigheid van 6-méthyl-nicotine (6-MN)—een verslavender synthetisch nicotine-analogon—in verboden nicotinezakjes, maar (nog) niet in e-liquids voor e-sigaretten, hoewel verdere toxicologische studies lopen via Sciensano en het CSS. Minister Vandenbroucke benadrukt dat 6-MN onder de EU-nicotineregels valt (duszelfde waarschuwingen/verboden gelden) en pleit voor een strengere EU-richtlijn waarbij *alleen veilige stoffen* in e-sigaretten toegestaan zijn, in plaats van het huidige "tenzij verboden"-principe. Controles op import, detailhandel en online verkoop worden geïntensiveerd (cijfers volgen), terwijl misleidende marketing (bv. "nicotinevrij") actief bestreden wordt. Preventiecampagnes specifiek over 6-MN ontbreken nog, maar de bestaande nicotineregels dekken nu ook deze stof.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, à la suite de la Journée mondiale sans tabac, plusieurs spécialistes, dont le Comité national de lutte contre le tabagisme en France, ont tiré la sonnette d'alarme sur l'apparition d'une nouvelle molécule de synthèse. Elle est présente dans des produits de vapotage et des sachets oraux, interdits en Belgique en 2023. Elle est également désignée sous le nom de métatine ou commercialisée comme NoNic.

Cette molécule, plus addictive que la nicotine naturelle, agit sur les mêmes récepteurs neurologiques tout en provoquant une libération accrue de dopamine, ce qui la rend particulièrement attractive pour les jeunes consommateurs. Sa diffusion est facilitée par un marketing numérique très agressif, ciblant explicitement les jeunes, souvent sous des arguments trompeurs comme l'absence de nicotine ou d'effets nocifs.

Le SPF Santé publique a confirmé que des produits contenant cette substance circulent déjà en Belgique sous forme d’e-liquides pour cigarettes électroniques rechargeables, aujourd'hui encore commercialisables.

Monsieur le ministre, confirmez-vous la présence avérée de ces produits sur le marché belge? Comptez-vous réformer à terme les e-liquides vendus pour interdire cette molécule? Des analyses toxicologiques complémentaires ont-elles été entreprises ou commandées par vos services pour évaluer les effets réels de cette molécule sur la santé à court et long terme?

Des campagnes d'information ou de prévention à destination des jeunes sont-elles prévues? Comment les services d'inspection et de contrôle comptent-ils intensifier leurs efforts pour détecter et retirer du marché ces produits, notamment dans les commerces de détail et en ligne?

Travaillez-vous avec les douanes pour limiter l'importation de puffs, désormais interdits, contenant de la métatine?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Dufrane, la dernière partie de ma réponse préparée contient énormément de chiffres sur les contrôles. Puis-je vous donner l'essence de ma réponse oralement et vous envoyer, via le secrétariat, toute la réponse incluant la dernière partie avec tous les chiffres? Ce serait beaucoup plus facile.

Anthony Dufrane:

Avec grand plaisir, monsieur le ministre. Je pense que les membres de la commission ici présents en seront heureux également.

Frank Vandenbroucke:

Il faut tout d'abord clarifier les observations du SPF Santé publique concernant la présence de produits contenant de la 6-méthyl-nicotine (6-MN).

Des pochettes de nicotine contenant du 6-MN ont déjà été trouvées sur le marché et sont en cours de confiscation. Dans les données du service Inspection, aucune distinction ne peut être faite entre les pochettes de nicotine contenant de la nicotine et celles contenant du 6-MN. Pour les cigarettes électroniques, rien n'indique actuellement qu'elles seraient présentes sur le marché. Le 6-MN n'apparaît pas dans les enregistrements de cigarettes électroniques et d'e-liquides destinés au marché belge. En outre, le service d'inspection n'a pas encore trouvé de preuves que les produits sur le marché contiendraient du 6-MN.

En juin, un projet de recherche a été lancé en collaboration avec Sciensano pour évaluer et réglementer davantage la composition des cigarettes électroniques. Le Conseil Supérieur de la Santé (CSS) est également impliqué. Ils établiront a priori des paramètres pour interdire l'utilisation de certaines substances dans les cigarettes électroniques. L'objectif est de réduire les risques pour la santé de l'utilisateur.

Par ailleurs, je tiens à noter que ces produits, en raison de la présence de nicotine, ne seront bien sûr jamais sûrs ou sains. Sur la base des travaux du Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) aux Pays-Bas, il est clair qu'il existe trop peu de données sur la toxicité et le métabolisme du 6-MN chez l'homme. Cela signifie que nous ne pouvons pas tirer de conclusion sur le 6-MN à court terme. La définition de la nicotine donnée par la directive européenne, à savoir les alcaloïdes nicotiniques, peut être interprétée comme incluant les analogues de la nicotine, tels que le 6-methyl-nicotine. De plus, nous avons récemment été informés que c'est également l'interprétation appliquée par la Commission européenne elle-même. En d'autres termes, les produits contenant du 6-MN sont réglementés de la même manière que ceux contenant de la nicotine. Nous pouvons ainsi empêcher les produits avec du 6-MN de contourner la législation applicable aux cigarettes électroniques. L'avertissement le plus pertinent sera également obligatoire.

La nicotine contenue dans ce produit crée une forte dépendance. Son utilisation par les non-fumeurs n'est pas recommandée. Cela va également à l'encontre de l'information trompeuse des consommateurs selon laquelle ces produits seraient sans nicotine.

Comme vous le savez, je continue à faire pression en faveur de la révision de la directive sur les produits du tabac au niveau de l'Union européenne. La composition des cigarettes électroniques est une question qui doit être abordée au niveau de l'Union européenne. Dans ce réexamen, je plaiderai également en faveur d'un renversement du principe actuel selon lequel les substances, à moins qu'elles ne relèvent d'une catégorie spécifique d'additifs interdits, peuvent être librement utilisées dans les cigarettes électroniques.

Il faut inverser cette logique. Seules les substances dont la sécurité pour l'inhalation a été démontrée à l'échelle européenne devraient être autorisées.

Il n'existe actuellement aucune campagne d'information spécifique à ce sujet au niveau fédéral. Mais l'application du cadre réglementaire applicable à la nicotine aux produits contenant du 6-MN permettra de mettre fin aux informations trompeuses figurant sur les emballages. Le service Inspection continue à veiller à ce qu'aucune publicité ne soit faite pour le tabac et les produits similaires, y compris les cigarettes électroniques contenant du 6-MN.

L'interdiction de commercialisation des pochettes de nicotine est en vigueur depuis octobre 2023. Le contrôle de cette interdiction est effectué de manière systématique dans l'ensemble des points de vente et lieux de stockage visités par les inspecteurs. L'apparition d'analogues à la nicotine comme le 6-MN ne change rien aux procédures de contrôle puisque ces produits sont interdits sur la même base que les produits contenant de la nicotine classique.

Je pourrais vous fournir toute une série de chiffres, mais je propose plutôt de transmettre l'ensemble des données via le secrétariat, afin que vous puissiez constater que tous les niveaux de la chaîne – importation, distribution, grossistes, points de vente physiques et en ligne – sont visés. Tout est mis en œuvre pour réduire la disponibilité de ces produits non conformes.

Anthony Dufrane:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse et les chiffres que vous allez nous transmettre. Je les analyserai avec attention et je reviendrai éventuellement sur certains éléments. Je tiens surtout à saluer la fermeté de votre position: renforcer la pression sur la directive européenne anti-tabac est une décision importante. Je vous remercie aussi pour la vigilance que vous maintenez sur la surveillance des molécules nocives et addictives.

De erkenning van een vergoeding voor artsen die euthanasie uitvoeren

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België voert een vergoeding van €180,24 in voor artsen die euthanasie uitvoeren, inclusief materiaalkosten, administratie en nazorg, zonder eigen bijdrage voor patiënten en met verplicht derdenbetalersysteem. De maatregel, gebaseerd op de loonwijziging van 2022, moet de toegang verbeteren en de belasting voor artsen verlichten, met een begroting van €635.000 (2025) voor naar schatting 3.479 gevallen/jaar (5% groei inbegrepen). Cumulatie met consultatievergoedingen is mogelijk, en niet-behandelende artsen moeten de huisarts informeren via een rapport.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, le Conseil des ministres a récemment approuvé plusieurs projets d'arrêtés royaux visant à insérer une prestation relative à l'euthanasie dans la nomenclature des prestations de santé. Concrètement, cela se traduit par la reconnaissance d'une indemnité pour les médecins qui pratiquent une euthanasie, sans ticket modérateur et avec un régime de tiers payant rendu obligatoire.

Cette initiative met en œuvre les articles 13/1 et 13/2 introduits dans la loi de 2002 relative à l'euthanasie, et constitue donc une avancée importante pour garantir l'accès effectif à ce droit, tout en reconnaissant l'engagement des médecins dans un acte profondément humain, lourd de sens, et exigeant à la fois du temps, de la disponibilité et un accompagnement personnalisé.

Cette initiative répond également à une attente de longue date du terrain.

Monsieur le ministre, pouvez-vous préciser le montant de cette indemnité prévue pour le médecin pratiquant l'euthanasie, ainsi que les conditions concrètes de son octroi?

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, la réalisation d'une euthanasie est ajoutée dans la nomenclature chapitre 3, article 3, § 1 er , A., I.: prestations autres que les prestations de biologie clinique diverses avec les numéros 107251, 107262, réalisation d'une euthanasie K117. Voilà pour ce qui est du libellé technique.

La prestation couvre le coût du matériel hors médicaments, la réalisation de l'euthanasie, la constatation du décès et l'établissement de l'acte de décès, le remplissage du document d'enregistrement visé à l'article 5 de la loi du 28 mai 2022 relative à l'euthanasie.

Les règles d'application sont les suivantes. Si le médecin exécutant n'est pas le médecin qui gère le dossier médical global du patient, il doit en informer le gestionnaire du dossier médical global par la suite en lui adressant un rapport écrit. Il n'y a pas d'intervention personnelle à charge du patient. Compte tenu de la nature de la prestation, le régime du tiers payant est obligatoire. La prestation peut être cumulée avec une prestation de l'article 2 et de l'article 25 de la nomenclature qui permettent de facturer une consultation.

L'honoraire prévu est de 180,24 euros. Le budget prévu est de 635 000 euros en prix 2025. Le nombre de cas d'euthanasie en 2023 était de 3 423. C'est le nombre de documents d'enregistrement introduits moins 110 patients étrangers. Étant donné que le nombre augmente, un facteur de croissance de 5 % est pris en compte, ce qui porte le nombre, tenant compte de cette correction, à 3 479 patients par an.

Ma réponse comprend également un tableau. Je propose que mon conseiller vous l'envoie par mail.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour tous ces chiffres et je suis également intéressée par le tableau.

De impact van eenzaamheid op de gezondheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De OMS waarschuwt dat eenzaamheid wereldwijd jaarlijks 871.000 doden veroorzaakt en zowel jongeren (1 op 5) als ouderen treft, met verergerende fysieke en mentale gezondheidseffecten. Minister Vandenbroucke benadrukt dat België eenzaamheid als kernbepalende factor voor mentale gezondheid bestrijdt via versterkte eerstelijnszorg (INAMI-conventie), lokaal maatwerk (netwerken van hulpverleners, gemeenschapsinitiatieven) en data-monitoring (Sciensano: 56% voelt matige tot ernstige eenzaamheid in 2025). België draagt actief bij aan wereldwijde OMS-oplossingen, maar onderrapportage van verborgen gevallen blijft een uitdaging. De focus ligt op toegankelijkheid, vroege detectie en samenwerking met deelstaten, zonder specifieke extra middelen voor eenzaamheid alleen.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, l'Organisation mondiale de la Santé (OMS) tire aujourd'hui la sonnette d'alarme sur un phénomène dont les conséquences sur la santé publique sont désormais objectivées: la solitude. Selon le premier rapport de la commission de l'OMS sur les liens entre isolement social et santé, 871 000 décès dans le monde y sont associés chaque année, soit près de 100 décès par heure.

La solitude n'est plus seulement une souffrance intime ou un mal-être diffus, elle est un facteur aggravant ou déclencheur de pathologies physiques et mentales. Ce fléau ne touche pas seulement les personnes âgées, il concerne une personne sur six dans le monde, une sur cinq chez les jeunes, où l'usage excessif des écrans semble accentuer ce repli.

Monsieur le ministre, comment votre politique de santé publique intègre-t-elle aujourd'hui la question de la solitude, tant chez les jeunes que chez les personnes âgées? Disposez-vous de données épidémiologiques belges récentes permettant de mesurer l'ampleur du phénomène chez nous? Envisagez-vous de renforcer les actions de prévention en collaboration avec les entités fédérées, de soutien psychosocial ou encore d'adaptation des services de première ligne pour lutter contre l'isolement? Pouvez-vous m'indiquer si l'isolement est intégré dans nos plans de prévention en santé mentale? Si oui, envisagez-vous de renforcer les moyens des intervenants sociaux et médicaux de première ligne ou encore de soutenir ces actions spécifiques? Le gouvernement belge compte-t-il participer aux travaux engagés par l'OMS sur cette question afin de contribuer aux pistes de solutions globales à un mal qui aujourd'hui ne connaît plus de frontières?

Frank Vandenbroucke:

Ma politique de santé publique s'inscrit dans une approche intégrée et de proximité centrée sur les besoins psychiques, somatiques et sociaux. La lutte contre la solitude qui touche jeunes et aînés est pleinement intégrée comme déterminant majeur de santé mentale. Nous renforçons les soins psychologiques de première ligne via la convention INAMI, permettant un accompagnement accessible et sans stigmatisation, en collaboration avec les entités fédérées.

La mise en réseau des acteurs de terrain – médecins généralistes, psychologues, assistants sociaux – permet de détecter précocement l'isolement et d'y répondre de manière coordonnée. Des initiatives communautaires et des visites à domicile sont encouragées, tout en garantissant l'accessibilité financière, géographique et culturelle des services. Même si la convention se veut généraliste et ne cible pas exclusivement la solitude, elle offre un cadre suffisamment souple pour permettre le développement de projets spécifiques sur le terrain, en fonction des besoins identifiés localement.

Le sentiment de solitude est régulièrement évalué via la cohorte BELHEALTH de Sciensano, montrant qu'en mars 2025, 56,3 % des personnes avaient ressenti une solitude modérée à sévère. Ces résultats sont restés stables par rapport à ceux de novembre 2024 (56,1 %) et sont meilleurs qu'en mars (79 %) et décembre 2021 (68,3 %). Ce sont quand même des chiffres élevés.

Enfin, la Belgique soutient activement la résolution de l'OMS sur le lien social et participera aux actions visant à aborder la solitude comme un enjeu de santé global. Voilà ma réponse.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, ces chiffres tendent à renforcer notre conviction de l'importance de nous occuper de ce qui n'est plus un sentiment, mais bien une réalité. Malheureusement, beaucoup de personnes restent sous les radars. Vous faites donc bien d'insister sur la nécessité de consulter les services de première ligne et d'identifier les personnes qui sont peut-être encore un peu trop cachées et qui, dès lors, souffrent en silence avec les conséquences que l'on peut imaginer. Merci de continuer à y veiller.

Frank Vandenbroucke:

Madame la présidente, il faut peut-être prévenir les membres qui patientent en ce moment que je dois m'en aller à 17 h. La présidente : M. le ministre nous quitte donc à 17 h. La question n° 56006559C de Mme Katleen Bury est transformée en question écrite, tout comme les questions n° 56006576C et n° 56006580C de Mme Kathleen Depoorter. Comme il nous reste 25 minutes, chers collègues, si possible, renvoyez au texte de vos questions respectives afin que vous puissiez obtenir des réponses.

De verstrekkingen aan huis door verpleeg- en zorgkundigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het annuleren door de Raad van State (27/05/2025) van het KB van 29/09/2019—dat prestatieplafonds (22.000/40.000 W-waarden) voor thuisverplegers invoerde—had geen financiële gevolgen, omdat het SECM geen PV’s opstelde en geen terugbetalingen eiste. Het nieuwe KB (11/03/2024), met identieke plafonds, blijft geldig sinds 1/07/2024 en kan niet om dezelfde reden worden aangevochten, maar verplegers klagen over demotivatie door de beperkingen in een context van personeelstekort en groeiende zorgvraag. Vandenbroucke benadrukt dat aanpassingen mogelijk zijn op basis van data en overleg, maar behoudt voorlopig de bestaande normen.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, ma question porte sur les prestations des infirmiers et aides-soignants à domicile.

L'arrêté royal du 29 septembre 2019 avait modifié l'article 8 de l'annexe de l'arrêté royal du 14 septembre 1984, qui établit la nomenclature des prestations de santé dans le cadre de l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités. Ce texte introduisait des plafonds de prestations pour les infirmiers et aides-soignants actifs à domicile. Ainsi, un infirmier ou aide-soignant pouvait attester par année civile 22 000 valeurs W au maximum s’il était salarié et 40 000 valeurs W s’il était indépendant ou s’il avait un statut mixte (salarié et indépendant).

Le service d'évaluation et de contrôle médicaux (SECM) de l'INAMI avait pour mission d'analyser les dépassements de ces plafonds. Dans ces cas, le prestataire était invité à justifier le dépassement du seuil et le SECM pouvait dresser des procès-verbaux de constat et récupérer les montants qui étaient estimés comme indûment facturés.

Or plusieurs associations d'infirmiers ont introduit un recours en annulation de cet arrêté royal auprès du Conseil d'État en décembre 2019. Le 27 mai 2025, le Conseil d'État a rendu un arrêt annulant l'arrêté royal précité, considérant qu'il ne pouvait être adopté dans le cadre d'affaires courantes.

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous éclairer sur les conséquences de cette annulation pour les prestataires qui avaient dépassé les plafonds et remboursé les montants considérés comme indûment facturés par le SECM? Combien de prestataires sont concernés et comment seront-ils informés? Cette annulation a-t-elle un impact sur l'arrêté royal du 11 mars 2024 qui modifie également l'article 8 de la nomenclature? Envisagez-vous de prendre un nouvel arrêté fixant des plafonds? Si oui, lesquels? Une évaluation des plafonds fixés en 2019 a-t-elle été réalisée? Si oui, quelles en sont les conclusions? Une concertation avec les infirmiers est-elle prévue à ce sujet?

Frank Vandenbroucke:

Madame la députée, en raison du recours introduit devant le Conseil d'État, le SECM de l'INAMI n'avait pas dressé de procès-verbaux de constat par mesure de précaution. Il n'y a donc pas eu de remboursement volontaire dans ce cadre.

L'arrêt du Conseil d'État du 27 mai 2025 ne concerne que l'arrêté du 29 septembre 2019. Ses effets sont strictement limités à ce texte et ne s'étendent pas à d'autres. Le Conseil d'État a fondé son annulation uniquement sur le fait que l'arrêté avait été adopté dans le cadre d'affaires courantes. Cet argument ne peut donc pas être utilisé pour contester l'arrêté du 11 mars 2024, qui a réintroduit les seuils de valeurs W à ne pas dépasser dans le cadre de la facturation à l'assurance maladie.

Ce second arrêté a produit ses effets au 1 er juillet 2024 et est donc entré en vigueur.

La Commission de conventions infirmiers-organismes assureurs de l’INAMI a proposé en 2023 un nouvel arrêté royal, un arrêté que j’ai pris le 11 mars 2024, et qui conserve les mêmes seuils que le précédent. La Commission a déjà pu obtenir une série de chiffres du SECM de l’INAMI concernant l’évolution des profils de dispensateurs de soins qui dépassent le seuil. Les signaux du terrain et les données collectées permettent d’évaluer et d’adapter à nouveau la réglementation au besoin.

Isabelle Hansez:

Je comprends la volonté des autorités de veiller à la qualité des soins et d’éviter les fautes. C’est un objectif que nous partageons, bien entendu. Toutefois, un certain nombre d’infirmiers m’ont fait part de leur difficulté à anticiper leur travail et ont montré un certain découragement. En effet, ils souhaitent poursuivre leur activité et répondre à l’ensemble des besoins en soins auxquels ils sont confrontés dans un contexte de pénurie, mais ils sont toutefois limités dans le nombre de prestations qu’ils peuvent réaliser et risquent d’être sanctionnés s’ils dépassent ces plafonds. Il faut donc veiller à ne pas nuire à leur motivation à répondre aux demandes de tous les patients.

Prep
De stijging van het aantal hiv-besmettingen en de toegang tot prep
Preventie en trends van hiv-besmettingen en PrEP-toegang

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende hiv-besmettingen in België (+13% in 2024) vraagt om betere toegang tot PrEP, nu enkel voorschrijfbaar door artsen gekoppeld aan hiv-referentiecentra. Minister Vandenbroucke bevestigt gedeeltelijke uitbreiding (sinds mei 2023 kunnen ook huisartsen *binnen* die centra PrEP voorschrijven, met soepelere opvolgingsregels), plus toegang voor kwetsbare groepen (bv. sekswerkers via medisch-sociale centra). Volledige vrijgave voor alle huisartsen wordt onderzocht, maar experten vrezen gebrek aan kennis—een gerichte opleiding (geïntegreerd in basis- of bijscholing) wordt voorgesteld als oplossing om veilige, brede toegang te garanderen, terwijl het interfederaal actieplan (2020-2026) versneld moet worden uitgevoerd om de epidemie te keren.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le Ministre,

Le nombre de contaminations au VIH en Belgique a augmenté ces dernières années. Parmi les outils efficaces dont nous disposons dans le cadre de la lutte contre le VIH, il y a la PrEP.

A l'heure actuelle, le remboursement de la PrEP est basé sur une prescription qui doit être délivrée par un médecin d'un centre de référence VIH.

Or, Sciensano recommande d'élargir l'accès à la PrEP et de diversifier son modèle de délivrance afin d'atteindre efficacement un plus grand nombre de personnes à haut risque d'infection par le VIH.

En janvier dernier, vous nous répondiez que « la question est de savoir si nous devons autoriser tous les médecins généralistes à prescrire un traitement PrEP. Les avis des experts divergent car souvent les médecins généralistes ne possèdent pas les connaissances requises. Nous devons trancher cette question ».

Monsieur le Ministre,

Où est la réflexion sur la possibilité de permettre à tous les médecins généralistes de prescrire la PrEP ? Quelles concertations avez-vous menées ? Quelles en sont les conclusions ? Dans quel délai comptez-vous « trancher la question » ?

Qu'en est-il des infectiologues qui ne sont pas membres des centres de référence VIH ? Peuvent-ils actuellement rédiger la prescription initiale de la PrEP en vue de son remboursement ?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, les dernières données disponibles révèlent une hausse préoccupante de 13% des cas de VIH en 2024 par rapport à 2022. Il s’agit de la troisième année consécutive de progression et cette tendance concerne l’ensemble des groupes de population: les personnes hétérosexuelles représentent environ 49% des nouveaux diagnostics, tandis que les hommes ayant des rapports sexuels avec d’autres hommes en constituent 45%.

Dans ce contexte, il est crucial de renforcer les outils de prévention disponibles. Or, la prophylaxie pré-exposition (PrEP), pourtant reconnue comme très efficace, demeure difficilement accessible dans notre pays. Actuellement, seul un médecin rattaché à un Centre de Référence VIH peut prescrire la PrEP dans le cadre d’un remboursement, après une évaluation annuelle. En dehors de ce circuit, la PrEP peut uniquement être obtenue via l’aide médicale urgente ou certains centres Croix-Rouge/Fedasil pour les personnes sans droit au séjour ou en situation précaire.

Face à ces obstacles, certaines personnes tentent de se procurer la PrEP en ligne, malgré l’interdiction en Belgique, ou via des réseaux informels (« PrEP sauvage »), sans aucune garantie quant à la qualité, la conservation ou la date de péremption des médicaments. Ce recours expose à des risques sanitaires graves, notamment la prise de PrEP en présence d’une infection VIH non diagnostiquée, pouvant entraîner des résistances aux traitements antirétroviraux ultérieurs.

Monsieur le ministre,

En janvier, vous répondiez ceci à une de mes questions “Cet outil de prévention étant assez récent, il faut réfléchir à la diversification de la délivrance de la PrEP.” Quelle est la stratégie de diversification choisie? Envisagez-vous d’autoriser les médecins généralistes à prescrire la PrEP dans des conditions encadrées, afin d’en élargir l’accessibilité et de mieux prévenir les nouvelles infections ?

Quelles mesures concrètes entendez-vous prendre pour garantir un accès plus large, simple et sécurisé à la PrEP, y compris pour les publics vulnérables ? Plus largement, quelles actions prévoyez-vous pour freiner cette progression continue du VIH en Belgique ? Où en est la mise en œuvre du plan national VIH 2020-2026?

Frank Vandenbroucke:

Depuis le 1 er mai 2023, les spécialités concernées par la PrEP sont remboursées si elles ont été prescrites par un médecin lié à un centre de référence VIH, y compris lorsqu'il s'agit d'un médecin généraliste. La prescription ne doit donc plus émaner exclusivement d'un médecin spécialiste. Les médecins généralistes ou spécialistes doivent cependant être attachés à un centre de référence VIH et disposer d'une expérience suffisante dans le suivi des patients sous PrEP, comme défini dans la Convention de l'INAMI.

De plus, un assouplissement a également été apporté aux consultations de suivi requises dans les centres de référence pour le VIH. En effet, ces centres ont constaté un problème logistique important pour assurer les consultations de suivi trimestrielles, ce qui a entraîné la mise en place de listes d'attente et une prise en charge effective d'un nombre de patients sous PrEP inférieur à celui qui serait admissible sur base clinique. Concrètement, l'assouplissement a consisté en une adaptation concernant les visites de suivi qui peuvent depuis lors avoir lieu chez les médecins généralistes.

Ainsi, une implication partielle du médecin généraliste a été rendue possible pour les patients qui le souhaitent, toujours en concertation avec les centres de référence VIH à condition qu'une coordination efficace soit assurée entre ces centres et les médecins généralistes, afin que le contrôle et le suivi du patient restent bien encadrés par les centres de référence.

En ce qui concerne la question relative à l'accessibilité de la PrEP aux publics vulnérables, depuis le 1 er avril 2024, la PrEP est également accessible aux travailleurs du sexe non assurés via une convention conclue avec les centres médico-sociaux pour les travailleurs du sexe, qui ont des accords de coopération avec les centres de référence VIH.

La question suivante est de savoir si nous devons autoriser tous les médecins généralistes, et donc également ceux qui ne sont pas liés à un centre VIH, à prescrire un traitement PrEP. Les avis des experts divergent car il peut arriver qu'ils ne possèdent pas les connaissances requises. L'accord de gouvernement prévoit néanmoins que nous examinions cette possibilité ce qui est en cours. Plus généralement, l'accord de gouvernement stipule que, en collaboration avec les entités fédérées, nous devons étudier comment rendre la PrEP plus accessible aux groupes vulnérables et poursuivre la mise en œuvre du plan VIH.

C’est pourquoi, la semaine dernière, le groupe de travail interfédéral Prévention (GTI Prévention) s’est réuni pour aborder la question du VIH et d’autres infections sexuellement transmissibles, dans une approche interfédérale, en présence d’une représentante du comité de suivi du plan VIH.

La discussion portait sur les actions prioritaires à mettre en œuvre d’ici fin 2026. Dans une vision de proximité et d’accessibilité, les actions retenues visent à rapprocher la prévention et le dépistage des populations touchées par le VIH et à garantir une approche sans stigmatisation, non discriminatoire et sensible à la diversité. La faisabilité, la mise en œuvre potentielle et les modalités d’exécution les plus appropriées de ces actions doivent encore faire l’objet de discussions approfondies avec les autorités sanitaires nationales et régionales, qui ont toutes confirmé leur motivation en la matière, chacune dans son domaine de compétences.

Jean-François Gatelier:

Je vous remercie pour votre réponse, monsieur le ministre. Je constate que vous vous en souciez et que nous avons le même objectif: améliorer l’accès à la PrEP.

J’ai bien compris l’avis des experts. Je tiens simplement à rappeler que, très concrètement sur le terrain, des médecins généralistes prescrivent déjà la PrEP sans remboursement aux personnes qui en font la demande. C’est tout à fait légitime.

Il serait donc pertinent de réfléchir à une formation spécifique, qui n'est pas compliquée en soi, pour ces médecins généralistes. J’invite à intégrer cela, car prescrire ce médicament sans formation peut s’avérer dangereux et, au final, ne pas réellement aider les personnes qui en ont le plus besoin. Je tiens simplement à souligner qu’il serait intéressant de permettre cet accès aux médecins généralistes via une formation spécifique.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour les différentes informations. À travers la réponse que vous nous avez apportée, nous voyons une volonté d’avancer vers une meilleure accessibilité de la PrEP. Toutefois, les éléments restent encore peu précis. Je crois que vous pouvez me rejoindre sur ce constat. Pourtant, le temps presse. Depuis plusieurs mois, nous observons une augmentation des cas de VIH. Il faut donc prendre des mesures rapides pour faire en sorte que la PrEP, qui demeure l’un des meilleurs moyens de s'en prémunir, soit davantage accessible. Il me semble que des actions assez simples peuvent être mises en place pour y parvenir. Il s'agit soit d'intégrer la formation autour de ce dispositif dans la formation de base des médecins généralistes ou même des médecins tout court, ce qui serait une bonne chose, soit d'avoir la possibilité pour les médecins généralistes de se former à ce traitement. Je ne pense pas que cela demanderait non plus un investissement en temps et en argent démesuré pour pouvoir justement augmenter la démocratisation de ce traitement qui est vraiment fondamental pour faire face à l'augmentation de l'épidémie que nous connaissons aujourd'hui. La réunion publique de commission est levée à 16 h 56. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.56 uur.

De aanpak van discriminatie in de dienstenchequesector

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Tien jaar na de eerste signalen blijkt discriminatie in de dienstenschequesector nog altijd wijdverspreid (60% van de bedrijven gaat in op discriminerende klantenvragen), met directe gevolgen voor kansen, inkomen en sociale rechten van poetshulpen. Minister Beenders benadrukt dat federale inspectiediensten (TSW) enkel discriminatie binnen arbeidsrelaties kunnen onderzoeken—geen mystery calls als "klant"—maar wel samenwerken met regionale diensten en sectorpartners, terwijl slechts 21 praktijktesten (geen in deze sector) werden uitgevoerd sinds 2022. Lanjri dringt aan op concrete actie: gerichte telefonische controles bij klachten, verscherpte samenwerking met regio’s (via interministeriële conferenties), en snellere sancties, omdat sensibilisering alone onvoldoende is en discriminatie economisch *en* moreel onaanvaardbaar blijft.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, tien jaar geleden kwam de discriminatie in de dienstenschequesector voor het eerst aan het licht. Nu heeft Factcheckers aangetoond dat er nog altijd sprake is van wijdverspreide discriminatie in die sector. Zes op de tien dienstenchequebedrijven blijken in te gaan op discriminerende vragen van klanten. Dat is bijzonder zorgwekkend, niet alleen vanuit mensenrechtenperspectief, maar ook vanuit het oogpunt van het arbeidsrecht, de sociale bescherming en eerlijke concurrentie. Het ingaan op discriminerende verzoeken van klanten vormt immers niet enkel een inbreuk op de regionale erkenningsvoorwaarden, maar ook op de federale antidiscriminatiewetgeving.

Poetshulpen met een bepaald kenmerk, een bepaalde huidskleur, religie of afkomst, worden ten onrechte uitgesloten. Niemand mag worden gediscrimineerd. Toch gebeurt dat, waardoor zij minder opdrachten en dus ook minder kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Dat heeft directe gevolgen voor hun inkomen, hun sociale rechten en hun welzijn. Als er voldoende bewijs is van discriminatie, kunnen de deelstaten overgaan tot het intrekken van de erkenning van betrokken dienstenchequebedrijven.

Daarnaast blijven wij op federaal niveau via de federale arbeidsinspectie bevoegd voor de opvolging en evaluatie van de arbeidsrelatie tussen het dienstenscheckbedrijf en de werknemer. Dat betreft dus ook de rechtsbescherming van de betrokken poetshulpen. De vraag rijst dan ook hoe we deze discriminatie structureel kunnen aanpakken en eindelijk een halt kunnen toeroepen. Tien jaar geleden stond ik in het Parlement mee aan de wieg van de praktijktesten, die werden ingevoerd omdat het probleem toen al hardnekkig bleek. Helaas is dat vandaag nog steeds een wijdverspreid probleem.

Welke concrete maatregelen zult u nemen om die hardnekkige vorm van arbeidsgerelateerde discriminatie in de dienstensector aan te pakken? Zult u in die sector ook inzetten op een ruimer gebruik van praktijktesten, bijvoorbeeld via mystery calls door sociale inspecteurs die zich als klant voordoen? Hoe zult u de samenwerking tussen de federale en gewestelijke niveaus versterken om de testen gecoördineerd aan te pakken en waar nodig ook te sanctioneren?

Sensibiliseren blijft nodig. U kunt sensibiliseren, u kunt bemiddelen, maar als men toch hardnekkig blijft discrimineren, zult u op een bepaald moment moeten sanctioneren. Op welke manier wordt discriminatie bovendien meegenomen in de gezamenlijke aanpak en controles door de inspectiediensten, waarnaar wordt verwezen in actie 18 van het SIOD-actieplan 2025-2026?

Zal het aantal controles in de dienstensector worden opgedreven naar aanleiding van de reportage van Factcheckers ? Komt er eventueel een specifieke doelstelling voor controles op discriminatie in die sector?

Het lijkt mij echt belangrijk, minister, dat hier wordt ingegrepen en dat we niet opnieuw tien jaar moeten wachten om vast te stellen dat er weinig beweegt.

Rob Beenders:

Mevrouw Lanjri, mijn antwoord is redelijk uitgebreid, maar ik denk dat dat voor deze materie ook noodzakelijk is.

De inspectie Toezicht op de Sociale Wetten, TSW genaamd, van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO) is bevoegd voor de drie federale antidiscriminatiewetten. Dat zijn, ten eerste, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de zogenaamde antiracismewet; ten tweede, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de zogenaamde antidiscriminatiewet en ten derde, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, de zogenaamde genderwet. De drie wetten zijn ingevoerd vóór het Sociaal Strafwetboek.

De specifieke aanpak van discriminatie door de FOD WASO behoort tot de bevoegdheid van de minister van Werk, de heer Clarinval. Het is dus niet onbelangrijk om deze vragen ook aan hem te richten. Dat neemt niet weg dat ik wel degelijk kan antwoorden op uw vragen over de acties die we ondernemen in het kader van de strijd tegen sociale fraude.

Een inclusieve arbeidsmarkt, die toch ons doel is, die de veiligheid en de gezondheid op het werk garandeert voor alle werknemers, vormt een van de strategische doelstellingen van het actieplan sociale fraudebestrijding 2025-2026 van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). Ik vestig de aandacht erop dat daarnaast ook regionale antidiscriminatieregelgeving bestaat, waarvoor de betrokken regionale inspectiediensten bevoegd zijn. Wat de samenwerking en wisselwerking betreft tussen het federale en het regionale niveau, vallen sommige sectoren onder de exclusieve bevoegdheid van de regionale diensten, zoals het onderwijs, terwijl er voor andere sectoren sprake is van een overlappende bevoegdheid, bijvoorbeeld dienstenchequebedrijven.

Het bestaan van mogelijke arbeidsgerelateerde discriminatie wordt onderzocht door de arbeidsinspecteur van onze federale inspectiedienst. Daarbij moet er natuurlijk sprake zijn van een gezagsrelatie tussen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. De inspectie Toezicht op de Sociale Wetten is dus niet bevoegd voor discriminatie tussen collega’s of voor discriminatie van klanten van een dienstenchequebedrijf. Daarom kan de inspectie Toezicht op de Sociale Wetten geen praktijktest uitvoeren bij een dienstenchequebedrijf waarbij zij zich voordoet als klant, aangezien er dan geen sprake is van een arbeidsrelatie.

Toezicht op de Sociale Wetten kan wel nagaan of een dienstenschequebedrijf eventueel is ingegaan op een door een klant gevraagde discriminatie. Voor dergelijk onderzoek worden andere controlemethodieken gehanteerd en dus geen praktijktesten. De praktijktesten betreffen contacten via telefoon, e-mail of andere onlinekanalen. Fysieke contacten zijn niet opgenomen in de tekst.

Daardoor kunnen praktijktesten hoofdzakelijk zijn beperkt tot de fase van aanwerving en sollicitatie. Voor een praktijktest heeft de inspectie voorafgaande toestemming nodig van het arbeidsauditoraat. Nadien worden de vaststellingen van de praktijktest bezorgd aan de betrokken arbeidsauditeur of referentiemagistraat, die vervolgens beslist welke bijkomende stappen dienen te worden ondernomen.

Sinds de aanpassing van het Sociaal Strafwetboek in april 2022, die het uitvoeren van praktijktesten vergemakkelijkte, werden 21 praktijktesten inzake discriminatie uitgevoerd. Geen daarvan vond plaats in de dienstenschequesector. TSW deelt ook zijn terreinervaring met andere relevante actoren, zoals de regionale inspectiediensten, maatschappelijke organisaties en andere om op die manier bij te dragen aan de totstandkoming van aangepaste of nieuwe regelgeving en methodologieën. TSW verbindt zich er ook toe om aangepaste of nieuwe regelgeving in de praktijk toe te passen en nuttige feedback te geven om de antidiscriminatiewetgeving te helpen optimaliseren.

Er is regelmatig informeel en formeel overleg met de regionale inspectiediensten alsook een vruchtbare samenwerking bij gezamenlijke onderzoeken in de dienstenschequesector. Het samenwerkingsprotocol tussen de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk (TWW), de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en de sociale inspectiediensten van de gewesten en van de Duitstalige Gemeenschap en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst werd met dat doel afgesloten op 16 december 2020.

Wanneer uit een melding of klacht bij een regionale inspectiedienst of tijdens een lopend onderzoek van een regionale inspectiedienst blijkt dat er mogelijk sprake is van discriminatie waarvoor het Toezicht op de Sociale Wetten bevoegd is, wordt deze materie meegenomen in een gezamenlijk onderzoek.

Daarnaast heb ik aan de SIOD gevraagd om het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2011, afgesloten tussen de federale Staat, de gewesten en de gemeenschappen, betreffende de coördinatie van de controles inzake illegale arbeid en sociale fraude, te actualiseren. Dit akkoord uit 2011 is ruimer dan het samenwerkingsprotocol en omvat alle sociale inspectiediensten. Ik heb dan ook gevraagd dat deze problematiek hierin wordt opgenomen.

Binnen het huidige actieplan van de SIOD wordt via actie 18, de multidisciplinaire controles van de dienstenchequeondernemingen, de sociale inspecteur alert gemaakt op deze problematiek. Elk feit of gedrag dat door een sociaal inspecteur tijdens een controle in het kader van zijn kernactiviteiten als discriminerend wordt beschouwd, wordt onmiddellijk opgevolgd.

Daarnaast sta ik met mijn beleidscel in contact met de sector en met de sociale partners om ervaringen en problemen binnen de sector uit te wisselen. We nemen deze ter harte en bekijken hoe we oplossingen kunnen integreren in onze toekomstige plannen, onder andere binnen de SIOD.

Nahima Lanjri:

Bedankt, mijnheer de minister. Discriminatie is een hardnekkig probleem. Het zal helaas niet volstaan om enkel te sensibiliseren en via de sociale partners iedereen te wijzen op zijn verantwoordelijkheden en op het verbod op elke vorm van discriminatie. We zullen echt ook een stok achter de deur moeten blijven houden, die we hopelijk zo weinig mogelijk moeten gebruiken. U zegt dat het uiteraard slechts deels mogelijk is om praktijktests in te zetten in de strijd tegen discriminatie. U kunt wel – en dat is ook wat ik heb gevraagd – de TSW-inspecteurs inzetten, die zich als klant kunnen voordoen en telefonisch contact opnemen met een dienstenchequebedrijf om te bekijken of zij al dan niet ingaan op een discriminerende vraag. Bijvoorbeeld als men zegt dat men een poetshulp wil, maar dat die niet zwart mag zijn. Men kan dat doen naar aanleiding van klachten die zijn binnengekomen. Men moet dat niet lukraak doen, maar wel wanneer er klachten zijn binnengekomen. Mijnheer de minister, ik reken er dan ook op dat u zult doen wat u zelf kunt doen. U zegt ook de wetgeving te evalueren en te kijken waar er aanpassingen nodig zijn. Ik kan dat alleen maar toejuichen. Tot slot, het overleg met de regio's is bezig. Het is dringend tijd voor een grondige evaluatie en er moet ook op het vlak van samenwerking worden bekeken wie wat doet. Als wij vanuit het federale niveau slechts een beperkt aantal praktijktesten kunnen doen en de andere voor de regio's zijn, dan is dit ook een vraag aan hen om effectief op te treden. Het lijkt mij nuttig om dit punt te agenderen, eventueel op een volgende interministeriële conferentie waar u zelf agendapunten kunt agenderen, zoals de aanpak van discriminatie. We kunnen niet jarenlang blijven tolereren dat groepen mensen gediscrimineerd blijven op de arbeidsmarkt. Dat is niet alleen onethisch en onmenselijk, maar vanuit het mensenrechtenperspectief not done . Bovendien verliezen wij talenten op de arbeidsmarkt die we nodig hebben. We hebben elk talent op de arbeidsmarkt nodig en op deze manier geven wij mensen geen kansen, maar verspillen we talent op de arbeidsmarkt.

De ontwikkeling van datamining voor antidiscriminatie

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het dataminingproject voor gerichte discriminatiecontroles bij hoogrisicobedrijven ligt al twee jaar stil, ondanks een bestaand prototype en een lijst van 118 ondernemingen, zonder dat deze daadwerkelijk voor controles zijn gebruikt. Minister Beenders bevestigt dat het systeem nog in startfase verkeert, maar belooft verdere ontwikkeling door dataverrijking (o.a. met justitiële gegevens, diversiteitsdata en regionale input) en samenwerking met regio’s en andere overheidsdiensten, hoewel concrete stappen ontbreken. Lanjri benadrukt de noodzaak van urgente actie, wijst op bevoegdheidsversnippering (Werk vs. Gelijke Kansen) en eist gecoördineerde inzet van beide ministers om discriminatie effectief aan te pakken, met name door gerichtere controles wegens beperkte inspectiecapaciteit. De focus ligt op praktische implementatie in plaats van beleidsafschuiving.

Nahima Lanjri:

Mijnheer de minister, u kondigde fors meer controles op zwartwerk, domiciliefraude en sociale dumping aan. Daarnaast wordt ook geïnvesteerd in bijkomende data-uitwisseling tussen overheidsdiensten, waardoor gerichtere controles mogelijk worden en meer overtredingen kunnen worden opgespoord. Dezelfde werkwijze zou ook kunnen worden gebruikt om op basis van serieuze aanwijzingen gericht te screenen op discriminatie bij hoogrisicobedrijven. Ook het SIOD-actieplan 2025-2026 vermeldt datamining voor de aanpak van discriminatie door de bevoegde sociale inspectiediensten.

In opdracht van de FOD WASO ontwikkelden enkele dataminers van de RSZ in 2023 een eerste prototype van een machinelearningsystem, gebaseerd op dossiers van Unia en de Arbeidsinspectie. De lijst van 118 hoogrisico-ondernemingen werd aan AD Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) doorgegeven, zodat het zelflerende systeem aan de hand van feedback uit die controles kon worden verfijnd. Er zijn echter geen aanwijzingen dat die data nadien ook bij controles zijn gebruikt. Het project zou al bijna twee jaar stil liggen.

Mijnheer de minister, hoe ver staat het met het gebruik van datamining als hulpmiddel voor gerichte discriminatiecontroles? Worden de lijsten van ondernemingen die daaruit voortkomen, ook daadwerkelijk voor proactieve discriminatiecontroles door TSW ingezet? Of klopt het dat het project en de gegenereerde lijsten al twee jaar stilliggen?

Staat u ervoor open om juridische gegevens van ondernemingen waartegen een vordering of strafklacht wegens discriminatie, pesterijen of haatspraak werd ingediend, in het systeem van datamining te integreren?

Zult u ook de data over de diversiteit van het personeelsbestand betrekken als mogelijke indicatie van discriminatie, bijvoorbeeld wanneer die in negatieve zin afwijken van het sectorgemiddelde? Academische onderzoeksresultaten, bijvoorbeeld op basis van correspondentietesten, zouden eveneens kunnen worden geïntegreerd.

Zult u in overleg gaan met de deelstaten om ook regionale data in de dataminingprocessen te integreren? Het lijkt immers heel nuttig om bijvoorbeeld gegevens van de regionale inspectiediensten en van de publieke arbeidsbemiddelingsdiensten, zoals de VDAB, Forem of Actiris, mee op te nemen in het systeem.

Zult u ook gegevens van andere overheidsorganen integreren om discriminatierisico’s bij ondernemingen in kaart te brengen? Ik denk dan bijvoorbeeld aan het RIZIV, Fedris, DG Personen met een handicap, de RVA en de gelijkheidsorganen, aangezien ook zij over relevante gegevens beschikken. Alvast dank voor uw antwoorden.

Rob Beenders:

AD Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) van de FOD WASO is bevoegd voor de controle op de naleving van de federale antiracismewet, de antidiscriminatiewet en de genderwet. De specifieke aanpak van discriminatie via datamining door de FOD WASO behoort bovendien tot de bevoegdheid van de minister van Werk, de heer Clarinval. Het zou dus aangewezen zijn om de discussie ook met hem te voeren. De RSZ heeft het dataminingproject onder zijn controle, in samenwerking met de Arbeidsinspectie, TSW en andere relevante partners. Als minister van Gelijke Kansen én Sociale Fraudebestrijding strijd ik uiteraard tegen elke vorm van discriminatie. Elke vorm van geweld, discriminatie of intimidatie wegens iemands eigenheid blijft onaanvaardbaar.

Voor de NAR is de bestrijding van discriminatie een van de manieren om de toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen. Er bestaat een duidelijk verband tussen de bestrijding van discriminatie en van sociale fraude. In dat kader maken de bevoegde sociale inspectiediensten binnen de budgettaire en juridische mogelijkheden gebruik van datamining om discriminatie op te sporen en aan te pakken. Dat datamodel is echter nog relatief nieuw. Er is nog overleg nodig met alle betrokken partijen om het nader te ontwikkelen en vooral te verrijken met andere nuttige gegevens. Het systeem geeft momenteel enkel een aanduiding van de kans op discriminatie bij een onderneming. Het geeft geen informatie over welke vorm van discriminatie het zou gaan.

Wat de dataverzameling betreft, de Sociale Inspectie onderzoekt samen met de FOD Justitie hoe zij kan nagaan in welke bedrijven eerder al inbreuken inzake discriminatie werden vastgesteld.

Ook andere pistes zullen we verder onderzoeken, in samenwerking met de gespecialiseerde diensten en de academische wereld. Zoals voorzien in het regeerakkoord zal de samenwerking met de regio’s worden versterkt door een actualisering van het samenwerkingsakkoord. Alle suggesties zullen worden geanalyseerd om na te gaan hoe het systeem van datamining kan worden verrijkt en zo optimaal mogelijk ingezet. De ambities zijn groot.

We bevinden ons momenteel in de startfase. Ik denk dat dit onderwerp nog geregeld in deze commissie zal terugkeren, aangezien blijkt dat datamining bijzonder efficiënt kan werken. Door op eenvoudige wijze data uit te wisselen, kunnen we tot resultaten komen die misschien sneller tot beleidswijzigingen bij ondernemingen leiden dan met inspecteurs op het terrein. De combinatie van datamining met de bestaande werking zal de komende jaren ongetwijfeld veel winst opleveren.

Nahima Lanjri:

Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik ben blij dat u zegt dat u met de suggesties die ik heb gedaan aan de slag wilt gaan. Uit uw antwoord blijkt ook dat het hele proces van datamining – we weten dit – geen eenvoudig proces is. Dat verantwoordt mijns inziens echter niet dat het proces twee jaar stilgelegen heeft. Ik heb daar niet onmiddellijk een verklaring voor gekregen, maar ik hoop wel dat u, onder meer met mijn suggestie om de data te verrijken met gegevens van verschillende overheidsdiensten, effectief aan de slag gaat. Ook hoop ik dat u opnieuw zult samenwerken met de bevoegde regio’s om die gegevens – en dus het dataminingproces – te verrijken. Datamining is namelijk een hulpmiddel in de strijd tegen discriminatie. Op basis daarvan kan men veel gerichter controles uitvoeren in bedrijven of sectoren waar het risico groter is. Laten we dat dan ook vooral doen, want we weten dat het aantal sociale inspecteurs vandaag vrij beperkt is. We moeten dit dus onderbouwen met datamining. Zeker als we weten dat de inzet van derden – dus van testpersonen als aanvulling op de sociale inspecteurs – er vandaag nog niet is. Het is belangrijk dat we daar werk van maken. Ik zal u hierover in de toekomst verder ondervragen. U hebt gezegd dat u er werk wilt van maken. Tegelijk is dit de tweede keer dat ik een vraag stel over discriminatie, en de tweede keer dat u verwijst naar de bevoegdheid van een andere minister, namelijk minister Clarinval, die bevoegd is voor Werk. Dat weet ik en ik heb hem daar ook al vragen over gesteld, ook over de praktijktesten. Ik zal niet nalaten ook deze vragen, die ik nu aan u stel, aan hem te stellen. Laten we er echter van uitgaan dat het niet de bedoeling kan zijn dat men de hete aardappel naar elkaar doorschuift. Jullie maken als ministers deel uit van dezelfde regering. Het is essentieel dat jullie ook samen werk maken van de aanpak van discriminatie. Discriminatie mag niet en we verspelen er talent mee op de arbeidsmarkt.

De aanpak van discriminatie

Gesteld door

lijst: CD&V Nahima Lanjri

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale arbeidsinspectie kan geen administratieve boetes opleggen bij arbeidsdiscriminatie, ondanks dat dit voor 2010 wel mogelijk was, en moet nu vertrouwen op strafrechtelijke of burgerrechtelijke routes (via Unia/IGVM) of remediërende maatregelen zoals checklists en opleidingen. Minister Beenders bevestigt dat sancties alleen als laatste redmiddel komen, na preventie en overleg, en belooft een grondige opvolging van de bestaande 73 aanbevelingen uit de vorige evaluatie van de antidiscriminatiewet, met overleg tussen bevoegde ministers en extra opleidingen voor inspectiediensten. Lanjri dringt aan op snelle implementatie van de bestaande aanbevelingen in plaats van nieuwe evaluaties, en biedt politieke steun om concrete sancties (zoals boetes, beroepsverboden) af te stemmen op andere sociale fraude en de handhaving te versterken.

Nahima Lanjri:

In uw beleidsverklaring onderstreept u terecht dat een effectief sanctioneringsbeleid het noodzakelijke sluitstuk vormt van de handhavingsketen tegen sociale fraude. Ik wil verwijzen naar het feit dat discriminatie in arbeidszaken ook sociale fraude is (cf art 1§1 van het Sociaal Strafwetboek en het Samenwerkingsakkoord van 1 juni tussen de federale staat, gewesten en gemeenschappen betreffende de coördinatie van controles inzake illegale arbeid en sociale fraude). In het regeerakkoord (p. 25-27) lezen we bovendien dat:

“een effectief sanctioneringsbeleid essentieel is om valsspelers te ontmoedigen en de sociale bescherming van werknemers, zelfstandigen een eerlijke burgers te waarborgen."

“Om de strijd tegen sociale fraude en sociale dumping te versterken moeten we ook de bestraffing ervan verstrengen."

Desondanks kan de federale arbeidsinspectie nog altijd geen administratieve boetes opleggen, zelfs niet wanneer proactieve discriminatietesten duidelijke inbreuken aantonen.​

Mijn vragen:

1. Kan u bevestigen dat de inspectie momenteel geen administratieve geldboetes kan opleggen bij vaststellingen van arbeidsdiscriminatie (noch op eigen initiatief, noch nadat de arbeidsauditeur beslist om niet tot vervolging over te gaan)? Klopt het dat dit voor invoering van het Sociaal Strafwetboek in 2010 wel mogelijk was?

2. Welke sanctionerende en of remediërende mogelijkheden heeft de inspectie om op te treden bij niet-strafrechtelijke vaststellingen van discriminatie?

3. Zijn er al concrete stappen gezet richting een aanpassing van het Sociaal Strafwetboek of de antidiscriminatiewetten?

4. Wat zullen die sancties inhouden, hoe ziet u die sancties concreet ingevuld? Zal u deze sancties aligneren aan het bestaande sanctieniveau voor pesterijen (met een discriminerend motief) op het werk (art 119 SSW)?

5. Wil u bestaande sancties uit boek II van het Sociaal Strafwetboek ook mogelijk maken bij discriminatie, zoals administratieve boetes, een beroepsverbod, een exploitatieverbod, een schorsing van de vergunning of uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten?

6. Hoe zal u ervoor zorgen dat inspectiediensten, eenmaal het nieuwe sanctiekader er is, ook daadwerkelijk in staat zijn om dit toe te passen? Wordt er voorzien in opleiding, duidelijke instructies of aangepaste procedures om dit beleid effectief te operationaliseren?

Ik dank u voor uw antwoorden.

Rob Beenders:

Mevrouw Lanjri, de specifieke aanpak van discriminatie door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO) is opnieuw een gemeenschappelijke bevoegdheid, samen met minister Clarinval.

Ik moet dus herhalen wat ik bij mijn vorige antwoorden zei, maar ik heb uw boodschap goed begrepen en ben het eigenlijk met u eens. Ik vind het namelijk zelf ook altijd wat onwennig als we voortdurend naar elkaar moeten verwijzen. Het lijkt alsof we niet samenwerken, maar dat is echt niet het geval.

Ik wil daarnaast even aangeven dat we een zeer goed protocol hebben gesloten met minister Clarinval om duidelijke afspraken te maken in de dossiers die we opvolgen en waarin we het voortouw nemen. De samenwerking verloopt echt zeer goed. Ook op dit vlak mag u erop rekenen dat we dit samen aanpakken. Ik vermeld dit omdat het nu eenmaal wettelijk zo is geregeld qua bevoegdheidsverdeling, maar dat betekent niet dat ik de paraplu opentrek.

Ik verwijs naar de antiracismewet, de antidiscriminatiewet en de genderwet. Daarin zijn de strafrechtelijke bepalingen en sancties voor inbreuken opgenomen, zonder dat ze administratieve geldboetes bevatten. Deze administratieve geldboetes werden geheven door voormelde wetten van 10 mei 2007, omdat de voorkeur werd gegeven aan het burgerrechtelijke luik inzake de handhaving. De Directie van de Administratieve Geldboeten van de FOD WASO kan zo geen administratieve geldboeten opleggen bij vaststelling van arbeidsgerelateerde discriminatie.

Bij niet-strafrechtelijke vaststellingen van discriminatie kan de federale inspectiedienst zijn relevante bevindingen overmaken aan de bevoegde regionale inspectiediensten, aan Unia of aan het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) voor verdere juridische opvolging die zij dan behartigen. De inspectie heeft daartoe samenwerkingsakkoorden afgesloten met Unia sinds oktober 2010 en met het IGVM sinds juni 2014. De bevoegde inspectiedienst kan verder remediërend optreden door de overtreder door te wijzen naar Unia of het IGVM voor meer duiding, uitleg of hulp bij de implementatie van maatregelen. Zo kan verwezen worden naar een online opleiding discriminatie op de website van Unia. Er is ook een standaard checklist die aan de betrokken onderneming overgemaakt kan worden, zodat deze een beter beeld kan krijgen van welke discriminatieproblematiek er eventueel heerst.

Ik ben niet alleen bevoegd voor Sociale Fraudebestrijding maar ik ben ook minister van Gelijke Kansen en de strijd tegen discriminatie staat binnen deze bevoegdheid hoog op de agenda. Ik zal deze legislatuur werk maken van een grondige evaluatie van de antidiscriminatiewet, overeenkomstig artikel 52 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. De eerste evaluatiecommissie publiceerde haar eindrapport tijdens de vorige legislatuur en formuleerde 73 aanbevelingen. Terwijl sommige aanbevelingen al zijn uitgevoerd, moeten andere nog worden geconcretiseerd.

Alvorens eventueel over te gaan tot aanpassingen aan het Sociaal Strafwetboek of het sanctiekader, zal ik een stand van zaken opmaken van de toepassing van deze aanbevelingen binnen elk relevant federaal bevoegdheidsdomein. Ik zal erop toezien dat elke betrokken administratie de haalbaarheid van de nog uit te voeren aanbevelingen beoordeelt. Hiervoor plan ik uiteraard overleg met al mijn bevoegde collega-ministers.

In eerste instantie pleit ik voor preventie, overleg en remediëring en pas voor sancties als het echt moet. Indien nieuwe wet- en regelgeving wordt voorzien, zal een samenwerking met de SIOD worden uitgewerkt, evenals de nodige opleidingen voor de sociale inspectiediensten en mogelijk ook voor hun ketenpartners, zoals de politie en justitie.

Ik pleit zelf voor meer dan voldoende aandacht voor vorming en het op peil houden van de kennis van de sociale inspecteurs in het bijzonder en de expertise van de sociale inspectiediensten in hun geheel.

Nahima Lanjri:

Dank u wel, mijnheer de minister. Dank ook dat u ingaat op een aantal suggesties die ik heb gedaan, onder meer om opleidingen en instructies te voorzien. Dat is zeker nuttig en nodig. U haalde zelf al aan dat de antidiscriminatiewetten tijdens de vorige legislatuur geëvalueerd zijn. Die evaluatie leverde heel wat aanbevelingen op, maar nog niet alle aanbevelingen zijn in de praktijk omgezet. Misschien is dat bij sommige omwille van een bepaalde reden. Dat kan uiteraard, maar ik denk dat het nuttig is om dat werk eerst verder te zetten, vooraleer we opnieuw alles gaan evalueren. De evaluatie is gebeurd. U kunt die eventueel deels actualiseren, maar ik denk niet dat we opnieuw vijf jaar moeten wachten om dan weer met een rapport van 73 aanbevelingen te komen, waarvan er vervolgens weer een groot deel niet wordt uitgevoerd. Ik zou dan ook heel graag hebben dat u aan de slag gaat met wat al op tafel ligt en dat u bijstuurt waar nodig. U zult daarbij op onze steun kunnen rekenen.

De verontreiniging in organisch afval en de risico's voor de bodemkwaliteit en de volksgezondheid

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De bodemvervuiling door microplastics in compost (tot 2.000 deeltjes/kg) wordt veroorzaakt door niet-afbreekbare verpakkingen (theezakjes, plastic zakken) in GFT-afval, ondanks strenge EU-doelstellingen (max. 0,25% vervuiling in 2026). De minister bevestigt dat federale regels voor composteerbare materialen (KB 2008) zullen worden aangepast aan nieuwe EU-verordeningen (2024/825, 2025/40), die composteerbare verpakkingen beperken tot essentiële gevallen (bv. theezakjes) en eisen dat andere verpakkingen recycleerbaar zijn. Italiës model (verplichte composteerbare winkelzakken, hergebruik als GFT-zak) wordt onderzocht als mogelijke oplossing, maar afvalbeheer blijft een gewestelijke bevoegdheid. Van Riet pleit voor verplichte composteerbare afvalzakken om consumentenverwarring tegen te gaan.

Katrijn van Riet:

Met deze vraag, mijnheer de minister, wil ik aandacht vragen voor de link tussen bodemgezondheid, afvalverwerking en verpakkingen. De kwaliteit van onze landbouwbodems is immers slecht. Zuivere compost kan de bodem herstellen, maar dan moeten we het aantal microplastics minimaliseren en het koolstofgehalte in de bodem maximaliseren.

De compoststromen zijn echter zwaar vervuild. Gft-afval bevat tot 17 % vervuiling, vooral door plastic uit onder andere theezakjes, plastic zakken, koffiecapsules enzovoort. Het onderscheid tussen composteerbare en zogenaamd composteerbare verpakkingen, die in werkelijkheid niet composteerbaar zijn, is onduidelijk. Daardoor komen er niet-composteerbare stoffen zoals plastic in ons organisch afval terecht, wat ertoe leidt dat onze compost gemiddeld 2.000 microplastics per kilo landbouwgrond bevat. Dat zorgt voor problemen met de bodemvruchtbaarheid, de biodiversiteit en de voedselveiligheid, want die microplastics komen ook in ons voedsel terecht.

Over twee jaar moeten we een vervuilingsgraad van 0,25 % halen in compost, terwijl we nu nog op 0,5 % zitten met compost uit huis-aan-huis opgehaald gft-afval. Wallonië moet daarin nog stappen zetten. Vlaanderen scoort beter, maar ook daar bevat het gft-afval nog altijd veel fout materiaal, zelfs na 30 jaar sensibilisering.

Het is dus tijd om producten die het probleem veroorzaken verplicht composteerbaar te maken. Interessante initiatieven komen onder andere van de universiteit van Wageningen, die aan productanalyses werkt om de bron van de vervuiling te elimineren, en uit Italië. In Italië zijn composteerbare zakken verplicht in winkels en wordt de bevolking gestimuleerd om die zakken opnieuw te gebruiken als gft-zak. Zulke zakken zijn veel minder problematisch dan gewone plastic zakken, die vaak niet worden leeggemaakt en volop in de gft-bak worden gedumpt. In Italië is de vervuiling in compost daardoor gedaald tot onder de 0,25 %.

Mijn vragen aan u zijn de volgende.

Hoe zult u de vervuiling bij de bron concreet aanpakken, hoewel afvalophaling een gewestelijke bevoegdheid is? Komt er een afdwingbare certificering en een verbod op misleidende verpakkingen die compostering hinderen? Dat valt wel onder onze federale bevoegdheid. Zult u de federale wet van 2009, die composteerbare materialen beschrijft, en de verpakkingswetgeving herbekijken in het kader van deze problematiek?

Hoe garandeert u dat composteerbare verpakkingen apart worden ingezameld en verwerkt, zodat we de verpakkingsdoelstellingen voor 2030 halen? Zult u het Italiaanse model met verplichte composteerbare winkelzakken en gft-gebruik, of andere Europese initiatieven, bekijken voor België?

Jean-Luc Crucke:

Mijnheer de voorzitter, collega, wat uw eerste twee vragen betreft, er bestaat al een koninklijk besluit, namelijk het koninklijk besluit van 9 september 2008 tot vaststelling van productnormen voor de aanduidingen van composteerbare en biologisch afbreekbare materialen. Dat besluit heeft tot doel de voorwaarden voor markttoegang te specificeren waaraan vaste materialen die als biologisch afbreekbaar en composteerbaar worden beschouwd, moeten voldoen.

Daarnaast is er op Europees niveau de richtlijn 2024/825 inzake het versterken van de positie van consumenten in de groene transitie. Zoals u weet, wil men consumenten de middelen geven om te handelen ten gunste van de groene transitie, door hen beter te beschermen tegen oneerlijke praktijken en door betere informatie te verstrekken. Zo kunnen ze met kennis van zaken duurzame keuzes maken. De nieuwe Europese verordening 2025/40 betreffende verpakkingen en verpakkingsafval beperkt het gebruik van composteerbare en biologisch afbreekbare verpakkingen aanzienlijk.

Bepaalde soorten verpakkingen moeten composteerbaar zijn, zoals stickers op fruit en theezakjes. Alle andere verpakkingen moeten recycleerbaar zijn. Onder bepaalde voorwaarden inzake afvalinzameling kunnen lidstaten bepalen dat bepaalde soorten verpakkingen alleen toegestaan zijn als ze composteerbaar zijn, bijvoorbeeld lichte plastic zakken.

Die regels zijn ingegeven door het feit dat bio-afvalstromen vaak worden vervuild door conventionele kunststoffen, terwijl materiaalrecyclagestromen vaak worden verstoord door composteerbare kunststoffen. Het werd daarom noodzakelijk geacht om duidelijke regels vast te stellen voor composteerbare plastic verpakkingen, om verwarring bij consumenten te vermijden en om het gebruik ervan te beperken tot gevallen waarin ze een duidelijk voordeel bieden voor het milieu of de gezondheid, zoals bij theezakjes. Consumenten moeten op basis hiervan toegang hebben tot duidelijke en transparante informatie, zodat ze weloverwogen keuzes kunnen maken over producten, waaronder composteerbare verpakkingen.

Zullen de federale wet van 2009, die composteerbaar materiaal beschrijft, en de verpakkingswetgeving herbekeken worden in het licht van deze problematiek? Mijn administratie bestudeert momenteel in detail de impact van de Europese verordening inzake verpakkingen en verpakkingsafval, evenals van de richtlijn over het versterken van de positie van consumenten in de groene transitie, op de bestaande koninklijke besluiten. In dat kader is het zeer waarschijnlijk dat het KB van 9 september 2008 tot vaststelling van productnormen voor de aanduidingen van composteerbare en biologisch afbreekbare materialen en het KB van 25 maart 1999 tot vaststelling van productnormen voor verpakkingen gewijzigd zullen moeten worden, om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe Europese regelgeving.

Uw volgende vraag is hoe kan worden gegarandeerd dat composteerbare verpakkingen apart worden ingezameld en verwerkt, zodat we de verpakkingsdoelstellingen voor 2030 zo snel mogelijk hanteren en tijdig behalen. Afvalbeheer is een regionale bevoegdheid. Ik verwijs u dan ook graag door naar mijn collega's in de gewesten voor meer informatie daarover.

Naar aanleiding van uw vraag of we het Italiaans model rond verplicht composteerbare winkelzakken en het gebruik van gft-afval, of andere Europese initiatieven, zullen bekijken voor toepassing in België, heb ik mijn administratie de opdracht gegeven om het model dat in Italië wordt toegepast te evalueren en na te gaan welke nationale aanpassingen relevant zouden kunnen zijn voor België. Dat model was mij nog niet bekend, maar we zullen het nu onderzoeken.

Katrijn van Riet:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat we ook in dit dossier nog wat geduld moeten oefenen, omdat u het zult onderzoeken. De verwarring tussen de composteerbare en de niet-composteerbare verpakking toont aan dat de burgers dat onderscheid heel moeilijk vinden. Daarom is het misschien raadzaam om te overwegen om de afvalzakken zelf composteerbaar te maken.

De neerwaarts bijgestelde EU-doelstellingen voor de broeikasgasuitstootreductie

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België heeft nog geen eengemaakte positie over de EU-voorstellen om de CO₂-reductiedoelstelling voor 2040 te verlagen van 90% naar 87% (met 3% compensatie via internationale koolstofcredieten). Minister Crucke steunt wel het EU-cijfer omwille van investeringszekerheid, maar benadrukt voorzichtigheid met koolstofcredieten na eerdere schandalen. Milieuorganisaties zoals Greenpeace noemen de verlaging onvoldoende, wijzend op de klimaatcrisis (hittegolven, bosbranden). Een definitief Belgisch standpunt volgt na overleg tussen gewesten en de COREPER-bespreking op 16 juli.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, l’Union européenne a récemment proposé de revoir à la baisse ses objectifs de réductions de gaz à effet de serre d’ici 2040.Plutôt que de viser une diminution de 90 % comme il était initialement prévu, la Commission propose une réduction de 87 % des émissions et 3 % de flexibilité via des crédits carbone internationaux pour financer des projets en dehors de l'Europe. Pour Greenpeace, la proposition reste en deçà des recommandations du Conseil scientifique européen sur le climat, qui plaidait pour une réduction domestique de 90 à 95 %. Et elle intervient alors que l’Europe subit une canicule historique, symbole du décalage croissant entre les discours et l’action. Une discussion informelle des ministres de l’Environnement et du Climat est prévue dans les prochains jours concernant cette proposition de la Commission européenne et un possible vote aura lieu à la rentrée dans le but d’approuver l'objectif 2040 avant la conférence climat de l'ONU (COP30) en novembre. Monsieur le ministre, quelle position défendrez-vous dans les prochains jours au nom de la Belgique? Adhérez-vous à la proposition de la Commission européenne ou considérez-vous qu’il s’agit d’un recul comme l’indiquent les organisations environnementales? Soutenez-vous ce mécanisme de crédits carbones pour compenser la revue à la baisse de nos émissions de gaz à effets de serre?

Jean-Luc Crucke:

Monsieur Ribaudo, comme vous le savez, la question climatique est une compétence partagée entre l'État fédéral et les Régions. Vu qu'il n'y a pas encore d'unanimité entre les différentes entités, nous ne pouvons pas encore parler réellement d'une position belge. En coulisse, cependant, nous travaillons pour obtenir une position belge. Le 16 juillet, le Comité des représentants permanents (COREPER) aura lieu et les États membres exprimeront pour la première fois leur position formelle à ce sujet.

Je me suis personnellement toujours prononcé en faveur de l'objectif chiffré de la Commission européenne. Après tout, un chiffre clair fournit aussi un cadre clair. La clarté crée la stabilité et c'est précisément cette stabilité qui garantit que les investissements sont réalisés. Ces investissements profitent aussi, me semble-t-il, à notre compétitivité.

En ce qui concerne les crédits carbone, nous analysons bien évidemment encore la proposition. Nous devons cependant faire attention à ne pas commettre les mêmes erreurs que celles parfois commises par le passé. Nous n'avons pas oublié certains scandales.

Néanmoins, il est important d'examiner ces propositions avec un esprit ouvert et de les soumettre à une analyse approfondie. Ce n'est pas pour rien que la Commission les propose. J'espère donc revenir bientôt pour vous informer de l'état actuel de la prise de décision belge en la matière.

Julien Ribaudo:

Monsieur le ministre, c'est génial quand vous commencez par "en coulisse". On se dit: "Fantastique, ça y est! On aura les potins!" Comme vous aviez déjà répondu à la première question, j'avais lu entre les lignes que vous étiez effectivement en faveur de la position de la Commission européenne. Mais là, vous l'avez dit clairement et je l'ai bien compris. Quant à la position de 87,3 % pour le marché carbone, ce qui m'inquiète, c'est qu'elle est jugée négativement par l'ensemble du secteur associatif qui s'occupe du climat ou de l'environnement. Des associations comme Greenpeace disent que 90 %, c'était déjà le minimum. Or, en l'occurrence, on constate que cela sera revu à la baisse, ce qui est inquiétant, d'autant plus quand on voit le monde dans lequel on vit actuellement et les changements que le climat nous impose: les records de chaleur, les incendies dans le sud de la France, etc. Comme il n'y a pas encore d'unanimité, nous reviendrons vers vous pour connaître la position définitive du gouvernement. Je vous remercie, monsieur le ministre.

Het dumpen van drugsafval

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 15 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drugsdumping in Vlaanderen blijft een ernstig milieuprobleem en symptoom van groeiende drugsproductie, met toxische gevolgen en hoge opruimkosten, ondanks een lichte daling door betere opsporing ter plaatse. Minister Quintin benadrukt gecoördineerde aanpak via justitie (omzendbrief COL 01/2023), regionale samenwerking (milieuzorg, gezondheidsrisico’s) en sensibilisering (meldpunten, Smell-it-avonden), maar erkent dat bestuurlijke afstemming en technologie (drones, AI) nog onvoldoende effectief zijn. Internationale samenwerking (Nederland, EU-project *NarcoView*) en parketrichtlijnen in hotspots zoals Limburg moeten het verplaatsingseffect indijken. Evaluatie van de drugscommissaris en politiediensten toont vooruitgang, maar structurele oplossingen blijven uit.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Drugsdumping blijft een ernstig probleem in ons land, met name in Vlaanderen. Recent nog, in de eerste week van juni 2025, werden maar liefst 72 bidons met drugsafval aangetroffen in Diest. Dat verhaal zien we keer op keer opnieuw, vaak zonder gevolg.

Deze dumpingen veroorzaken niet alleen ernstige milieuschade, maar vormen ook een rechtstreekse bedreiging voor de volksgezondheid en zijn een symptoom van het toenemende narcoterrorisme in ons land. Ook lopen de opruimkosten op tot tienduizenden euro's per incident, terwijl de milieuschade op lange termijn onberekenbaar is. Het drugsafval bevat vaak sterk zure of basische stoffen die toxisch zijn voor bodem, water en fauna.

Bovendien is drugsdumping ook een duidelijk signaal dat de productie van drugs doorgaat en ook groeit.

Welke concrete maatregelen zal u deze legislatuur nemen om het groeiende probleem van drugsdumping in te dijken?

In hoeverre wordt er samengewerkt tussen de verschillende beleidsniveaus en -domeinen om tot een gecoördineerde aanpak van drugsdumping te komen?

Hoe evalueert u de effectiviteit van de nationale drugscommissaris en de betrokken diensten van de politie en Justitie alsook de Civiele Bescherming in deze problematiek?

In hoeverre worden nieuwe technologieën (drones met warmtecamera's, satellietbewaking van risicogebieden, mobiele sensornetwerken…) voorzien en ingezet bij de opsporing van drugsdumpingen en het identificeren van daders?

Wat is uw plan om drugsproductiehotspots, zoals in Limburg, te bestrijden en verschuiving naar andere locaties tegen te gaan?

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, er is eerder sprake van een dalende dan van een stijgende trend. Meer en meer afval van synthetische drugsproductie wordt ter plaatse aangetroffen op de productielocaties, terwijl dat afval in het verleden vaker werd gedumpt in landelijk gebied of achtergelaten in voertuigen.

De problematiek van de impact van de productie van synthetische drugs blijft de nodige aandacht krijgen van de bevoegde diensten. De productie van synthetische drugs is inderdaad een uiterst vervuilende activiteit. De gerechtelijke afhandeling bij de ontdekking van een lab of productieresten is goed geregeld via omzetbrief COL 01/2023 van het College van procureurs-generaal.

Het bestuurlijke vervolgtraject vergt echter nog verdere uitwerking en afstemming, waarvoor coördinatie met de deelstaten nodig is, aangezien milieuzaken in België geregionaliseerd zijn. Het Nationaal Drugscommissariaat volgt dit multidisciplinaire dossier op. In samenwerking met gewestelijke administraties, justitie, politie, brandweer, civiele bescherming en gemeentelijke overheden wordt een werkproces ontwikkeld dat ervoor zorgt dat bij de ontdekking van een lab niet alleen een gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd, maar ook de milieugevolgen en gezondheidsrisico's voor omwonenden op een gestructureerde manier worden aangepakt.

Verder zijn er in de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg anonieme meldpunten opgericht, en organiseren het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) en de federale politie Smell-it-avonden om burgers te sensibiliseren en verdachte situaties te leren herkennen. Momenteel wordt bekeken of een nationaal meldpunt kan worden opgericht om het waterbed- of verplaatsingseffect te vermijden. DJSOC Centrex Drugs en de DJSOC Clan Lab Response Unit verzorgen opleidingen voor de geïntegreerde politie.

Er zijn periodieke overlegmomenten met Nederlandse collega's om trends en inlichtingen uit te wisselen. Het betreft het netwerk Syndru Be Nl. Hierbij worden tevens de federale gerechtelijke politiediensten van de grensregio betrokken, evenals die van de zuidelijke regio’s in Nederland.

In de meest getroffen provincies werden specifieke parketrichtlijnen opgesteld met betrekking tot labs en drugsdumpingen, waarbij alle partners betrokken werden. Deze richtlijnen staan ter beschikking van andere arrondissementen als best practice.

De federale gerechtelijke politie nam eveneens deel aan het Europees project NarcoView met Nederland en Bulgarije, dat tot doel had om via drones, satellietbeelden en artificiële intelligentie productielocaties en dumpingen te lokaliseren. Het project toonde echter aan dat deze nieuwe technologieën op dit ogenblik nog onvoldoende bruikbaar zijn voor effectieve inzet.

Ik hoop u hiermee afdoende te hebben geïnformeerd en ik dank u.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer uitgebreide antwoord en heb daar geen verdere vragen over.

De onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleidingen en trainingen
De angstcultuur bij de Securailagenten
De persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel
De ontevredenheid binnen Securail
De arbeidsomstandigheden en de toekomst van de Securailagenten
Het slechte werkklimaat bij Securail
De toestand bij Securail
De welzijnsenquête bij de NMBS
De enquête over de werkomstandigheden van het spoorwegpersoneel
De zorgwekkende situatie bij Securail
Uitdagingen en werkomstandigheden binnen Securail en NMBS-spoorwegpersoneel

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgwekkende enquêteresultaten bij Securail en de NMBS tonen diepgewortelde problemen: onveilige werkomstandigheden (verouderde steekwerende vesten – volgens de minister *technisch nog veilig* tot 2027, maar door personeel betwist), toxisch management (angstcultuur, slechte communicatie, gebrek aan overleg), werkdruk (burn-outrisico’s, onvoorspelbare plannings) en structureel wantrouwen tussen leiding en vakbonden. De minister belooft kortetermijnacties (overleg voor de zomer, vierpijlersplan voor welzijn) en streng toezicht, maar parlementsleden benadrukken dat eerdere beloftes faliekant tekortschoten en eisen concrete, meetbare verbeteringen—niet enkel pr-middelen—met verantwoordelijkheid voor het management en betrokkenheid van syndicalisten bij hervormingen. Kernpunt: Het veiligheids- en welzijnsbeleid voor frontlijnpersoneel (Securail) is acut disfunctioneel, terwijl de NMBS als werkgever juridisch en moreel verantwoordelijk is—de minister moet dwingend ingrijpen om vertrouwen, transparantie en basisveiligheid (materieel, training, mentale ondersteuning) te herstellen. Dringendheid: Vertraging is geen optie—personeel en reizigersveiligheid staan op het spel.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, ik zal het kort houden, want ik heb u hierover vorige week al ondervraagd in de plenaire vergadering. U weet dus in grote lijnen waarover het gaat. De enquête van de spoorwegbonden bij het Securailpersoneel leverde namelijk verrassend slechte resultaten op, die ik toen kort heb samengevat.

Over de ontevredenheid bij het Securailpersoneel heb ik nog een korte vraag. Op welke wijze evalueert u de nieuwe organisatiestructuur, Securail 2.0 genoemd? Welke maatregelen zullen er genomen worden om de onvrede bij het Securailpersoneel daarover weg te nemen?

Over de angstcultuur bij het Securailpersoneel heb ik het vorige week al met u gehad. Daarvoor verwijs ik naar mijn ingediende vraag.

Een volgende belangrijke punt zijn de persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel. Het gaat over de steekwerende vesten die de Securailagenten ter bescherming dragen. Van veel vesten blijkt de houdbaarheidsdatum al lang overschreden. Dat betekent dat de kwaliteit van die vesten in twijfel kan worden getrokken, dus ook de bescherming van het personeel zelf. Bovendien heerst er ontevredenheid over het feit dat ze niet over een persoonlijke zaklamp beschikken, die ze nodig hebben voor de uitoefening van hun job.

Hebt u kennis van het feit dat de houdbaarheidsdatum van de steekwerende beschermingsvesten van de Securailagenten verstreken zou zijn? Erkent u dat het laten dragen van steekwerende vesten waarvan de houdbaarheidsdatum overschreden is, afbreuk doet aan de veiligheid van het Securailpersoneel? Om welke redenen is er niet tijdig voorzien in nieuwe steekwerende vesten? Hoe is dat mogelijk? Wat is de huidige stand van zaken van dit dossier? Is men aan de slag om ervoor te zorgen dat dat probleem snel wordt opgelost en er dus snel in degelijke, nieuwe vesten wordt voorzien?

Wie zal de verantwoordelijkheid dragen wanneer vandaag een Securailagent wordt neergestoken, die een steekwerend vest draagt waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden?

Een volgende aspect is de onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleiding en training. Ze vinden namelijk dat ze meer praktijkgerichte trainingen moeten volgen, omdat de theorie soms heel ver verwijderd is van de praktijk op de werkvloer. Hoe zult u gevolg geven aan hun vraag?

Ten slotte heb ik nog een extra vraag over een welzijnsenquête bij de NMBS. De NMBS zelf heeft IDW, de externe dienst voor preventie en welzijn op het werk, gevraagd een personeelsenquête te houden over tevredenheid, risico's op stress, burn-out, werkdruk en ongewenst gedrag. Ook daarvan waren de resultaten niet goed, zelfs zorgwekkend. Het is een goede zaak dat de NMBS zelf zo'n enquête organiseert. Ik verwijs daarvoor naar mijn ingediende vraag. Daarin vraag ik hoe u dat evalueert en welke acties daartegen zullen worden ondernomen.

Farah Jacquet:

Je vous ai déjà interpellé jeudi dernier sur une enquête précédente, mais je vais aujourd’hui concentrer ma question sur la plus récente, tout aussi interpellante, réalisée par IDEWE. Cette enquête, menée auprès de l’ensemble du personnel de la SNCB, révèle un profond malaise puisque 43 % des agents déclarent être épuisés par leur travail, et une large part d’entre eux est en risque de burn-out. La moitié pense que les conditions de travail vont encore se détériorer.

L’enquête pointe un management déconnecté, un manque d’écoute, d’empathie, et une pression constante exercée sur les travailleurs. J’ai aussi relevé un chiffre alarmant: 16 % des agents déclarent avoir subi du harcèlement sexuel dans certaines entités. Nous sommes en 2025, monsieur le ministre. Cela ne devrait plus exister. Nulle part.

Ces chiffres doivent vous interpeller. En effet, ils décrivent un système qui use les travailleurs jusqu’à l’épuisement, qui les rend malades. Vous ne pouvez pas rester sans réagir. La semaine dernière déjà, je vous ai parlé des propositions syndicales concrètes qui visent à améliorer ces conditions de travail.

Aujourd’hui, mes questions sont simples: Avez-vous pris connaissance personnellement des résultats de cette enquête? Qu’allez-vous faire pour que les recommandations syndicales soient appliquées à l’ensemble des cheminots? Avez-vous consulté les syndicats, et quels engagements concrets avez-vous pris?

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, les résultats d'une enquête récente menée par les deux principaux syndicats ferroviaires auprès de 376 agents de Securail révèlent une situation particulièrement préoccupante en matière de conditions de travail et de climat organisationnel. Les témoignages collectés font état d'un management toxique, d'une communication autoritaire et inefficace ainsi que d'une culture de la peur généralisée. Les agents ont utilisé des termes forts tels que régime de terreur, leadership toxique, chasse aux sorcières… Ils traduisent donc un profond mal-être au sein du service chargé pourtant d'assurer la sécurité du réseau ferroviaire. À cela s'ajoutent des dysfonctionnements dans la gestion des plannings, avec des horaires communiqués tardivement ou peu adaptés aux contraintes individuelles, et qui compromettent fortement l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée.

La SNCB dit s'engager à prendre des initiatives afin de remédier à cette situation. Pourriez-vous préciser la nature concrète de ces initiatives?

La SNCB prévoit-elle de mener une enquête interne au sein de Securail pour vérifier les faits signalés? Envisage-t-elle de confier cette enquête à un organe indépendant?

Enfin, un accompagnement psychologique ou des dispositifs de soutien spécifiques pour les agents concernés sont-ils mis en place à la SNCB ou chez Securail? Je vous remercie d'avance pour vos réponses, monsieur le ministre.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, que se passe-t-il chez Securail? Nous sommes en droit de nous poser la question à la lecture des résultats de l'enquête menée par la CGSP et par la CSC Transcom auprès des agents de sécurité. Ce sont tout de même 80 % des agents interrogés qui disent être insatisfaits de la communication avec le management. Visiblement, votre vision d’un "Securail 2.0" ressemble plutôt à un "Securail 0 point t" (zéro pointé).

Comment un management peut-il ne pas se rendre compte d'un tel malaise qui règne au sein de son entreprise? La gestion des ressources humaines est essentielle dans toute organisation, et singulièrement dans une entreprise publique, me semble-t-il. Encore plus lorsqu’il s’agit d’une entreprise publique dont les agents doivent œuvrer à la sécurité des voyageurs et du personnel de la SNCB.

Est-il normal, à vos yeux, qu’un management attende le résultat d’une enquête menée par les syndicats pour se rendre compte de la situation déplorable dénoncée par les travailleurs? Non, bien sûr! Il s’agit ici d’une mauvaise gestion, de plannings flous, d’un manque de clarté concernant les congés, de la suppression de primes et de bien d’autres dérives encore.

Monsieur le ministre, comptez-vous rencontrer la direction de Securail et les syndicats afin de faire la lumière sur les dysfonctionnements mis en évidence par cette enquête? En plus de l’enquête menée à Securail, nous disposons aussi de l’enquête IDEWE – indépendante – qui révèle un climat social déplorable et des tensions croissantes. Les agents dénoncent une ambiance de travail pesante et un dialogue quasi inexistant avec leur hiérarchie. Il est question de climat tendu, voire critique et de pression croissante.

Monsieur le ministre, comment allons-nous améliorer le rail belge avec des travailleurs qui n’en peuvent plus? Cela nous ramène aux deux débats d'actualité précédents, dans lesquels l’ensemble des groupes vous ont houspillé. Certes, la SNCB est une entreprise publique autonome, mais cela ne dispense pas le ministre de s’en préoccuper activement – de préférence avec les syndicats – et sans attendre des mois pour reporter à une date ultérieure, afin de revenir à un débat précédent.

Que comptez-vous faire, monsieur le ministre, pour améliorer la situation chez Securail? Je vous remercie.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, de resultaten van de welzijnsbevraging waren inderdaad zeer slecht en vergis u niet: een welzijnsbevraging is verplicht. Organisaties moeten dat doen. De NMBS feliciteren voor iets wat ze verplicht moet doen… Het is maar logisch dat de NMBS dat doet. Blijkbaar is het trouwens pas gebeurd na heel wat druk van de vakbonden.

Daardoor zijn de betreurenswaardige problemen bij Securail naar boven gekomen, waar mijn collega's al uitgebreid naar hebben verwezen. Ik denk dat dit eens te meer pijnlijk is, omdat het gaat over mensen die dagelijks instaan voor de veiligheid in onze stations, voor de reizigers en voor het personeel. Zij verdienen duidelijke communicatie, respect voor hun tijd en vertrouwen in hun professionaliteit. Wat ze vandaag echter krijgen, is juist het omgekeerde. Het feit dat ondertussen herstructureringen worden aangekondigd door teamleiders zonder enig sociaal overleg, is gewoonweg geen manier van werken. Integendeel, het zorgt er alleen voor dat het wantrouwen tussen het management van de organisatie en de werknemers alleen verder zal toenemen. Daarom heb ik enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

Hoe kijkt u naar de huidige situatie bij Securail? Acht u de afspraken die tot heden al zijn gemaakt voldoende om de huidige problematiek bij te sturen? Hoe ziet u zelf de rol van de NMBS en van uzelf in het opvolgen en bijsturen van die knelpunten? Op welke manier zult u erop toezien dat hervormingen binnen Securail niet langer zonder overleg worden doorgevoerd, maar dat het personeel daarbij wordt betrokken? Tot slot, heeft deze erbarmelijke situatie ook gevolgen voor de verantwoordelijken en het management van Securail? Hoe kijkt u daarnaar?

Ik ben ervan overtuigd dat de mensen van Securail duidelijkheid en respect verdienen. Vooruit rekent op u om daarvoor te zorgen. Dank u wel.

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Tas. Ik kijk rond in de zaal om te zien of er fracties zijn die niet deelnemen aan het actualiteitsdebat en wensen aan te sluiten.

Mevrouw De Knop, u hebt het woord.

Irina De Knop:

Uiteraard hebben wij ook kennisgenomen van de resultaten van de heel zorgwekkende enquête. Dat meer dan 70 % van de medewerkers aangeeft dat zij niet vrijuit kunnen spreken, moet zeker zorgen baren.

Mijnheer de minister, daarom hebben wij een aantal vragen die gelijklopend zijn met de vragen van de andere vraagstellers. Bent u op de hoogte van de resultaten van de enquête? Wat is uw reactie daarop?

Welke stappen zullen er worden ondernomen door de NMBS en specifiek door Securail om de geconstateerde problemen aan te pakken?

Hoe wordt de betrokkenheid van externe preventiediensten zoals IDW gewaarborgd in het vervolgtraject?

Ik dank u alvast voor de bijkomende antwoorden.

Voorzitter:

Wensen nog andere fracties aan te sluiten? (Neen)

Jean-Luc Crucke:

Comme je l'ai récemment dit en séance plénière, je souhaite à nouveau exprimer ma considération pour le travail essentiel accompli par les agents de Securail qui veillent à la sécurité des usagers du rail chaque jour et souvent dans des conditions exigeantes. Leur engagement mérite d'être reconnu et leurs préoccupations doivent être entendues avec sérieux et respect. J'ai encore eu l'occasion de le leur dire ce matin dans la gare de Liège-Guillemins.

Voici les mesures concernant la sécurité des agents Securail.

Securail beschikt over kogelwerende vesten die zowel steek- als snijwerend zijn. De houdbaarheidsdatum waarvan sprake, verwijst naar de garantieperiode van de fabrikant op de beschermingsplaten in de vesten. De garantie dekt een periode van 10 jaar voor het behoud van de kogelwerende eigenschappen van de platen. Het overschrijden van de garantietermijn betekent niet automatisch dat de bescherming onvoldoende wordt. Bovendien loopt de garantieperiode voor de betreffende Securailvesten tot 2027. Er is dus geen sprake van vervallen vesten, noch van afbreuk aan de veiligheid van het Securailpersoneel.

In de zomer van 2024 werd een controle uitgevoerd op de garantiedatum van elke kogelwerende vest. Alle agenten beschikken over vesten die nog onder garantie vallen, op enkele uitzonderlijke gevallen na. De uitzonderlijke gevallen werden onmiddellijk aangepakt. Na analyse bleek dat oude platen van de vorige leverancier werden gebruikt, die door de betrokken agent op eigen initiatief in een nieuwe vest waren geplaatst. Om dergelijke situaties te vermijden, werd de procedure met betrekking tot uniformen en beschermingsmiddelen aangepast, met een strengere controle op het teruggeven van het materiaal.

De huidige kogelwerende vesten hoeven momenteel niet vervangen te worden. Het huidige raamcontract en de garantieperiode voor de kogelwerende vesten lopen tot 2027 en bevatten een optie tot verlenging met twee jaar. In het najaar van 2025 zijn ballistische testen gepland om na te gaan of het gebruik van de huidige kogelwerende vesten ook na 2026 nog conform de standaard van de betrokken firma is. De Securailagenten beschikken vandaag over kogelwerende vesten waarvan de garantie niet is verlopen. De geplande ballistische testen zullen uitwijzen of de garantieperiode verlengd kan worden. Indien niet zullen de gebruikte platen worden vervangen.

Met betrekking tot de zaklampen, de Securailagenten beschikken vandaag over collectieve zaklampen, die zij aan het begin van hun shift kunnen plaatsen in hun individuele lampenhouder. Per werkzetel is het aantal zaklampen afgestemd op het aantal agenten per shift. De jongste inventaris werd opgemaakt begin 2025 en eventueel ontbrekende lampen werden aangevuld.

Begin dit jaar heeft NMBS in het kader van haar welzijnsbeleid het initiatief genomen om een nieuwe enquête te lanceren via idewe, een erkende en onafhankelijke preventiedienst, om de risico’s die het welzijn in de onderneming kunnen beïnvloeden, te identificeren.

Er wordt conform de wet regelmatig een extern onderzoek uitgevoerd.

À partir des résultats de cette enquête, tous les départements de la SNCB ont été mobilisés pour travailler sur un plan d'action concret, basé sur quatre piliers essentiels: une culture d'entreprise ouverte, des conditions et des lieux de travail inclusifs, une collaboration renforcée entre départements et davantage d'opportunités de formation et d'apprentissage pour que les compétences de chacun puissent être pleinement développées. Ce programme d'action sera suivi de près par le comité de direction en coordination avec les partenaires sociaux au sein des comités de bien-être concernés.

Suite à plusieurs problématiques soulevées auprès des organisations syndicales par des agents de Securail, les organisations syndicales ont mené également une enquête auprès de ce personnel afin d'obtenir une vision plus globale de la situation. Cette enquête portait sur cinq thématiques: la planification et l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée, Securail 2.0, la réorganisation de 2021-2022, la gestion des incidents et la communication, la culture managériale et les équipements de protection individuelle dont j'ai déjà parlé.

De resultaten van die enqu ê te werden op maandag 2 juni voorgesteld aan en besproken met het management van de NMBS.

Les constats qui en ressortent sont préoccupants. Je répète ce qui a été dit: climat de travail dégradé, difficultés de communication avec la hiérarchie, gestion des plannings affectant l’équilibre entre vie professionnelle et vie privée, et sentiment d’un manque de soutien et d’écoute.

Het management waardeert het initiatief en gaat aan de slag met de resultaten en conclusies die werden voorgesteld. Het management zal de resultaten ook nader analyseren en vergelijken met zijn eigen analyses van de resultaten van de uitgevoerde welzijnsenqu ête.

Er is afgesproken om net vóór de vakantie een eerste vervolgoverleg te organiseren waar mogelijke acties voor de belangrijkste thema’s gezamenlijk zullen worden besproken. Daarna zullen er zeker nog andere overlegmomenten met betrekking tot de verschillende thema’s tussen het management en de vakbonden volgen. De doelstelling van het management van Securail en van de vakbonden is tot verbeteringen in de verschillende domeinen te komen.

Un travail est en train d'être mené pour essayer de résoudre les problèmes auxquels se heurtent les agents de Securail. La direction va travailler sur la base des résultats et des conclusions présentés, enrichis de ses propres analyses. L'objectif, tant de la direction de Securail que des syndicats, est d'aboutir à des améliorations dans les différents domaines.

Comme je l'ai également indiqué en séance plénière, je suis en contact étroit avec la direction générale des ressources humaines de la SNCB. Celle-ci et les syndicats m'ont confirmé que des réunions se tenaient régulièrement et que les premiers échanges ont été constructifs. Je serai particulièrement attentif à ce que ces discussions débouchent sur des mesures concrètes, visibles et durables pour le personnel.

Het belang van de geestelijke gezondheid en het welzijn van de werknemers staat niet ter discussie. Het gaat om hun veiligheid en inzet, maar ook om de kwaliteit van de openbare dienstverlening, die we aan onze burgers verschuldigd zijn. Als de dialoog vastloopt, zal ik niet aarzelen om in te grijpen. De NMBS heeft een verantwoordelijkheid als werkgever en ik zal erop toezien dat ze die ten volle opneemt.

Frank Troosters:

Mijnheer de minister, men gaat dus aan de slag en de resultaten vergelijken met die uit eigen onderzoeken. Het zou er nog aan moeten mankeren! Alleszins ben ik tevreden dat er op korte termijn, nog voor de vakantie, al een eerste overleg plaatsvindt. Misschien kunnen daar al beslissingen met het oog op quick wins worden genomen. We zullen het verdere verloop van het proces uiteraard opvolgen.

Ik ben wel enigszins verbaasd over het verhaal rond de steekwerende vesten, vesten waarvan het Securailpersoneel klaagt dat er problemen mee zijn, terwijl u hier argumenteert dat er technisch gezien, dus wat de werking en de garantie- en houdbaarheidsdatum betreft, geen vuiltje aan de lucht is. We volgen het verder op.

Het feit is dat er in het verleden al kansen gemist zijn. Al sinds de vorige legislatuur is er sprake van een toename van criminele feiten op het spoor. We hebben herhaaldelijk aangedrongen op actie daaromtrent. Er zijn meerdere noodkreten geweest. Het Securailpersoneel heeft al vaker acties gevoerd, onder andere aan het station Brussel-Zuid; er is al herhaaldelijk overleg gepleegd. Kortom, er is al heel wat water door de zee gevloeid, maar uiteindelijk zijn er nog steeds geen concrete, doorgedreven acties op het getouw gezet of het beleid hervormd, althans niet op een manier die gedragen en gesteund wordt door het personeel. Ik mag dan ook hopen dat, hoe slecht de resultaten ook zijn, de enquête de aanzet mag zijn voor een degelijk en gedragen veiligheidsbeleid en beleid onder andere inzake welzijn, rust, stress en burn-voor het NMBS-personeel.

Farah Jacquet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

J'entends que plusieurs concertations auront lieu en interne à la SNCB. C'est bien, mais je pense qu’il serait vraiment très intéressant que vous y participiez aussi, ou, en tout cas, que vous ayez un œil là-dessus.

Les cheminots comptent encore sur vous, pour le moment. Beaucoup de promesses leur ayant été faites par le passé n'ont pas été tenues. Beaucoup de choses sont restées lettre morte. Les travailleurs ont un peu été négligés à ce niveau. Cela se ressent dans les différentes enquêtes réalisées, parmi lesquelles celle de Securail, mais aussi celle d’IDEWE, qui est une entreprise externe. Il n'est pas anodin de le souligner, parce qu'il y a une tendance à faire croire que les cheminots se plaignent facilement, alors que ce n'est pas le cas.

Ils attendent vraiment des résultats ainsi que des mesures dont vous pourriez être à la source. On sait que vous êtes partisan des concertations, etc. Je vous demande de rester particulièrement vigilant à ce que fera la SNCB à ce niveau-là, afin d'éviter qu'il s'agisse d'une opération de communication, avec la présentation de très beaux slides, qui finalement n'aboutira à rien du tout. Je vous remercie.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses qui font montre d'une prise en main de la problématique. Il est en effet important de prendre soin de ceux qui prennent soin des autres.

Dimitri Legasse:

Monsieur le ministre, comme vous venez de le dire, la SNCB va déployer un vaste plan d'action pour améliorer le bien-être du personnel autour de quatre piliers. On nous annonce dans ce cadre une attention particulière pour Securail. Parfait! J'espère sincèrement que vous vous assurerez que, cette fois, des mesures concrètes seront prises de manière globale. On ne parle pas que de vestes ou de lampes, même si c'est important.

J'espère que vous vous rendez réellement compte de la situation et de la dureté du travail assumé par les cheminots et des économies, par ailleurs, qu'on leur demande de faire. Il y a là un hiatus, vraiment.

Vous voulez assumer des réformes en termes d'économies, très bien, mais mettez en balance tout ce qu'on vient d'évoquer dans les questions précédentes et celle-ci par rapport au personnel et les économies. Comme déjà évoqué lors du premier débat d'actualité relatif au préaccord social, ce n'est pas au personnel de prendre en charge et de supporter les économies. La démonstration est encore faite ici.

Monsieur le ministre, vous fixerez sans doute une date limite et un calendrier. Nous comptons sur vous pour avoir un dialogue constant avec le personnel et ses représentants. Je vous remercie.

Niels Tas:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het siert u dat u de problematiek erkent, maar dat kan duidelijk ook niet anders, want de resultaten zijn zodanig onrustwekkend dat ze ook fundamenteel moeten worden aangepakt. Ik vind het wel vreemd dat het duurde tot de resultaten van een welzijnsbevraging bekend waren, vóór de NMBS en Securail inzagen dat er iets fundamenteel fout is. Mijns inziens draagt het management een grote verantwoordelijkheid dat het zover is kunnen komen. Het is dus belangrijk dat er twee zaken gebeuren. Ten eerste, er moet een bijsturing komen van het beleid en er moet structureel overleg komen tussen het management en de werknemersorganisaties over wat er vandaag is misgelopen. Ik begrijp uit uw antwoorden dat dat momenteel aan het gebeuren is. Ik hoop dat dat goed verloopt, omdat uit de bevraging immers duidelijk blijkt dat er een zeker spanningsveld bestaat. Dat is mijn eerste bezorgdheid, die ik wil delen. Ten tweede, ik hoop ook dat u als toezichtsminister het management hierover aanspreekt en vraagt op welke manier een en ander vanuit de organisatie in de toekomst kan worden voorkomen en of het beleid inzicht heeft in hoe de situatie tot stand is gekomen. Ik zal de evolutie van de situatie blijven opvolgen en hoop dat er daar snel beterschap komt, want die personeelsleden staan in voor de veiligheid in de stations. Ze staan vaak op de eerste lijn in moeilijke omstandigheden en verdienen dus onze steun.

De Brussels Pride en de strijd tegen discriminatie

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Défense bevestigt haar actieve steun aan LGBTQIA+-inclusie, met BELDEFRAC als officiële partner (budget, communicatiekanalen, personeelsinzet) en een specifieke beleidslijn sinds 2021, versterkt door een nieuwe diversiteitsexpert in 2025. Ze was aanwezig op Belgian Pride (Rainbow Village) en zal deelnemen aan Antwerp Pride, met ad-hocparticipatie aan andere evenementen afhankelijk van middelen, plus jaarlijks regenboogvlaggen op 17 mei. Lacroix prijst de continuïteit in het beleid (onder Dedonder) en moedigt Francken aan om zelf naar Antwerp Pride te gaan. Kernpunt: zichtbare inzet tegen discriminatie, zowel symbolisch (vlaggen) als structureel (beleid, associaties).

Christophe Lacroix:

Monsieur le président, je vais poser ma question oralement parce que M. le ministre n'avait pas répondu dans les délais à ma question écrite. Par conséquent, je vais prendre un peu la parole. La question date du 27 mars, et nous sommes au mois de juillet.

Monsieur le ministre, la lutte contre toutes les formes de discriminations au sein de la Défense est une priorité absolue. Elle s'impose afin que la Défense constitue un environnement de travail où chacune et chacun puissent s'épanouir, mais aussi pour répondre aux impératifs en termes de recrutement et de lutte contre l'attrition.

La Belgian Pride a eu lieu dans les rues de Bruxelles le 17 mai dernier. Cet événement a véhiculé, comme d'habitude, son message de tolérance et a rappelé, surtout, l'importance des droits des personnes LGBTQIA+ dans l'ensemble de notre société. De même, il a rappelé que leur accorder des droits n'en ôte aucun à personne.

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer si, comme en 2024, la Défense a été représentée au sein du Rainbow Village? Le cas échéant, sous quelle forme et avec quels moyens? Pouvez-vous m'indiquer les nouvelles initiatives éventuelles que vous avez prises au sein de la Défense afin de lutter contre les discriminations visant spécifiquement les personnes LGBTQIA+, mais aussi afin de soutenir les associations internes telles que la Belgian Defence Rainbow Community (BELDEFRAC), qui sont actives au sein de la communauté LGBTQIA+ de la Défense?

D'autres participations de la Défense à des évènements de lutte contre les discriminations visant les personnes LGBTQIA+ organisées par des autorités publiques, coupoles, réseaux ou associations dans les différentes Régions, Communautés et provinces de notre pays sont-elles envisagées?

Theo Francken:

Monsieur Lacroix, merci beaucoup pour votre question.

L'ASBL BELDEFRAC est reconnue comme le partenaire représentatif et l'interlocuteur privilégié de la Défense en ce qui concerne les personnes LGBTQIA+. La Défense met à sa disposition un budget de fonctionnement depuis 2024, plus des salles de réunions, et permet, si nécessaire, le déploiement du personnel pendant les heures de service. Par ailleurs, BELDEFRAC est autorisée à utiliser les canaux de communication de la Défense pour diffuser des informations relatives à ses activités.

Au-delà de sa politique de diversité au sens large, la Défense dispose également d'une politique spécifiquement consacrée aux personnes LGBTQIA+ et à l'orientation sexuelle, conformément à la politique de diversité mise à jour en 2021.

Elle comprend notamment les domaines d'action visés, les instruments et acteurs impliqués pour leur mise en œuvre, ainsi que la procédure de plainte. Début 2025, un expert de la thématique diversité et inclusion a également été recruté pour coordonner la plateforme inclusion, développer au sein de celle-ci une politique d'inclusion et soutenir les associations internes telles que l'ASBL.

La Défense a été représentée par l'ASBL à la Belgian Pride et le sera à nouveau à l'Antwerp Pride. Elle a également tenu un stand au Rainbow Village à Bruxelles. De façon générale, la Défense est ouverte à la participation à d'autres événements sur la base d'une analyse au cas par cas de ceux-ci et dans la mesure des moyens et des ressources disponibles.

Chaque année, autour du 17 mai – la Journée mondiale contre l'homophobie, la transphobie et la biphobie –, le drapeau arc-en-ciel est hissé devant le quartier général d'Evere en signe de soutien au personnel LGBTQIA+ de la Défense. Une note a été diffusée au sein de la Défense autorisant les unités à hisser le drapeau arc-en-ciel dans le quartier militaire entre le 12 et le 18 mai 2025.

Christophe Lacroix:

Merci monsieur le ministre pour ces informations. Merci pour votre soutien à la politique qui a été effectivement menée par vos prédécesseurs et qui a été accentuée par Mme Dedonder. Je vous remercie également pour l'information selon laquelle la Défense sera présente à l'Antwerp Pride, qui aura bien lieu le 9 août. Je ne pourrai pas y aller parce que je serai en vacances à l'étranger. Si vous êtes au pays, je vous invite à vous rendre à Anvers, qui est une ville que vous connaissez bien et dont le premier ministre a été le bourgmestre. Je suis sûr que des collègues ici présents pourront en être les ambassadeurs, vous introduire dans l'Antwerp Pride et vous servir effectivement de facilitateur dans les contacts avec les personnes LGBTQIA+.

De fysieke klachten bij F-35-piloten
De fysiekegezondheidsklachten bij F-35-piloten
Gezondheidsklachten bij F-35-piloten

Gesteld aan

Theo Francken (Minister van Defensie)

op 9 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België onderkent de hoge percentages nek- en rugklachten (46-51%) bij F-35-piloten (vergelijkbaar met andere moderne gevechtstoestellen) maar meldt nog geen klachten bij Belgische piloten in training. Preventieve maatregelen zoals het *Fit for Pilot*-programma (kracht- en stabilisatietraining, hydratatie, mentale begeleiding) zijn al operationeel voor F-16-piloten en worden uitgebreid naar F-35-piloten, met extra wetenschappelijk onderzoek gepland vanaf 2025. Nederlandse cijfers blijven alarmerend, maar België ziet kansen om met zijn aanpak een voortrekkersrol te spelen. Opvolging blijft cruciaal voor veiligheid, prestaties en inzetbaarheid.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, de Nederlandse luchtmacht heeft een studie uitgevoerd bij gevechtspiloten. Daaruit blijkt dat ongeveer de helft van de piloten kampt met rugklachten en ongeveer de helft met nekklachten. Die percentages liggen aanzienlijk hoger dan bij de F-16-piloten. Nochtans zijn F-35-piloten overwegend jonge militairen met minder vlieguren op de teller. De klachten worden vooral gelinkt aan de hoek van de zetel, het gewicht en de samenstelling van de uitrusting en bepaalde manoeuvres.

De gevolgen zijn niet min, want de gevechtspiloten geven aan dat hun prestaties dalen, dat de vliegveiligheid mogelijk in het gedrang komt en dat sommigen zelfs vluchten moeten annuleren of ziekteverlof moeten nemen. Er zijn zelfs aanwijzingen dat dit structureel kan wegen op de operationele inzetbaarheid van de Nederlandse luchtmacht. Intussen zijn de eerste F-35's al in ontvangst genomen en worden de eerste piloten opgeleid in de Verenigde Staten. Daarom heb ik de volgende vragen.

Bent u op de hoogte van die Nederlandse bevindingen? Hebt u hierover al klachten ontvangen van onze piloten die momenteel worden opgeleid in de Verenigde Staten? Wordt binnen Defensie momenteel onderzoek verricht of gepland naar de fysieke belasting en eventuele ergonomische risico's voor onze Belgische F-35-piloten? Zijn er nu al maatregelen voorzien of gepland om preventief in te grijpen, bijvoorbeeld via aangepaste trainingsschema’s, medische opvolging of ergonomische bijsturingen?

Axel Weydts:

Recente studies, waaronder een Nederlandse bevraging onder gevechtspiloten, tonen aan dat 46% van de F-35-piloten regelmatig kampt met rugklachten, en 51% met nekklachten. Deze percentages liggen aanzienlijk hoger dan bij F-16-piloten. De klachten worden toegeschreven aan factoren zoals de ergonomie van de cockpit, de zithoek van 18°, het gewicht van de uitrusting en het uitvoeren van specifieke manoeuvres zoals het ‘check six’-manoeuvre.

Daarnaast blijkt uit gegevens van de Nederlandse 'Onafhankelijke Defensiebond' dat deze fysieke klachten niet alleen het welzijn van de piloten aantasten, maar ook een negatieve impact hebben op hun vliegprestaties en zelfs de vliegveiligheid in gevaar kunnen brengen.

Mijn vragen aan u zijn als volgt:

Bent u op de hoogte van deze gezondheidsklachten bij F-35-piloten, en zijn er vergelijkbare klachten gemeld door onze piloten die momenteel trainen met de F-35 in de VS?

Welke maatregelen heeft Defensie genomen of plant zij te nemen om deze ergonomische problemen aan te pakken?

Is er binnen Defensie een systematisch monitoringsysteem opgezet om de fysieke gezondheid van piloten te volgen, en worden er preventieve acties ondernomen om dergelijke klachten te verminderen?

Theo Francken:

Collega’s, uit ervaring in onze buurlanden blijkt dat de instelhoek van de F-35-cockpitstoel vergelijkbaar is met die van legacysystemen zoals de Eurofighter, Rafale, Mirage, Gripen of Alpha Jet. De aard van rug- en nekklachten komt grotendeels overeen met wat men ook bij deze toestellen ziet. Tot op heden zijn er vanuit Luke Air Force Base in de Verenigde Staten nog geen specifieke nek- of rugproblemen gemeld in verband met het vliegen met de F-35-toestellen. Dit wordt evenwel blijvend en nauwgezet opgevolgd, zodat indien nodig kan worden ingegrepen.

Het is belangrijk op te merken dat dergelijke klachten ook voorkomen bij F-16-piloten, vooral tijdens lange vluchten met nachtzichtapparatuur, wat een extra belasting van de wervelkolom betekent. Om die reden worden piloten aangemoedigd wervelkolomversterkende oefeningen te doen onder begeleiding van een kinesitherapeut gespecialiseerd in deze problematiek. Deze aanbeveling blijven we ook voor de F-35 onverminderd ondersteunen.

België heeft reeds in 2016 het Aircrew Performance Enhancement Program (APEP) opgestart voor leerlingpiloten in Beauvechain. Een centraal onderdeel daarvan is het programma Fit for Pilot, dat mikt op preventie van nek- en rugproblemen, via gerichte kracht- en stabilisatietraining, het goed hydrateren van het lichaam met water en het werken aan mentale veerkracht en herstel. Sinds 2021 kunnen de F-16-piloten van Kleine-Brogel en Florennes vrijwillig instappen in dit APEP. Hetzelfde programma zal worden aangeboden aan de toekomstige F-35-piloten.

In 2025 werd bovendien een PhD-project ingediend om Fit for Pilot verder wetenschappelijk te optimaliseren, met daarbij ook aandacht voor de specifieke belasting die gepaard gaat met het vliegen van de F-35. We zijn er dus volop mee bezig. Voorlopig zijn er geen klachten gemeld, maar er bestaan programma’s om klachten te voorkomen en maximaal te ondervangen.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de minister, in bier zit ook zeer veel water, maar dat terzijde.

Het is goed dat er nog geen meldingen zijn bij onze piloten, maar de cijfers in Nederland liegen niet. We moeten dit goed opvolgen. Ik had nog niet gehoord van het programma Fit for Pilot, maar misschien kunnen wij zo Nederland iets leren, misschien hebben zij het nog niet. Op die manier kunnen we dan ook eens iets terugdoen, want we pikken vaak ideeën van de Nederlanders. Misschien kunnen zij dit idee voor hun piloten overnemen.

Axel Weydts:

Mijnheer de voorzitter, ik heb er zelf geen ervaring mee, maar het schijnt dat bij het verbruik van te veel alcohol en een kater de dag nadien 100 % zuurstof in de F-16 of de F-35 blijkbaar helpt tegen een kater, maar dat is een gerucht dat ik niet kan bevestigen. Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik denk dat het heel belangrijk is dat dit verder wordt opgevolgd, in de eerste plaats natuurlijk voor het welzijn van onze piloten zelf, maar uiteraard ook voor hun vliegprestaties en dus ook onze capaciteit op dat vlak. Het is goed dat dit wordt opgevolgd, dat men daarop toeziet en dat men preventieve maatregelen neemt.

De verplichte domiciliëring als voorwaarde voor het verkrijgen van sociale uitkeringen
De ondersteuning van motorrijders die op vrijwillige basis bloed en geneesmiddelen vervoeren
De moeilijke toegang tot schuldbemiddelingsdiensten op federaal niveau
Schuldhulpverlening
Toegang tot en voorwaarden van sociale en financiële ondersteuningsdiensten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie focuste op toegang tot sociale rechten voor kwetsbare groepen, met drie kernthema’s: domiciliatie-eis voor daklozen (waarvoor CPAS-adressen een oplossing bieden, maar informatieverspreiding tekortschiet), ondersteuning van vrijwillige motardtransporteurs (die enkel forfaitaire vergoedingen krijgen, met een oproep tot symbolische erkenning) en schuldbemiddeling (waar wachttijden, schaamte en ontoegankelijkheid leiden tot *verborgen armoede*, ondanks dalende hulpcijfers). Minister Vandenbroucke beloofde een interministeriële werkgroep (eind 2024) voor schuldenbeleid, betere sensibilisering (via SPF Economie) en samenwerking met steunpunten en vakbonden, maar concrete maatregelen (zoals schuldregistratie of strengere consumentenkredietregels) bleven vaag.

Voorzitter:

La question n° 56005030C de Mme Depoorter est sans objet.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, certaines prestations sociales nécessitent une domiciliation officielle, ce qui peut exclure les individus en situation précaire ou sans domicile fixe. L'exigence de domiciliation officielle pour l'accès à certains droits sociaux peut donc constituer une barrière pour les personnes sans domicile fixe ou en situation précaire. Dans certains cas, des adresses de référence peuvent être mises en place par les CPAS.

Étant donné les défis auxquels sont confrontées les personnes sans domicile, il serait judicieux de savoir quelles sont les prestations sociales actuellement conditionnées par une domiciliation officielle.

Monsieur le ministre, envisagez-vous des mesures pour assouplir cette exigence et inclure des populations vulnérables? Des alternatives telles que des adresses de référence, dont celles des CPAS, sont-elles proposées pour ces individus?

J'enchaîne avec ma deuxième question. Monsieur le ministre, des associations de motards bénévoles assurent le transport urgent de sang ou de médicaments en dehors des heures ouvrables, contribuant ainsi à sauver des vies.

Ces bénévoles reçoivent-ils un soutien adéquat de la part des autorités fédérales pour mener à bien leur mission vitale? Considérant ce rôle crucial joué par ces bénévoles dans un système de santé, quelles mesures avez-vous mises en place pour soutenir ces associations de motards? Existe-t-il des subventions ou des aides spécifiques pour couvrir les frais engagés par ces bénévoles? Envisagez-vous de renforcer ce soutien à l'avenir pour assurer la pérennité de ces services?

Je passe à ma troisième question. Monsieur le ministre, de nombreux citoyens en difficulté financière peinent à accéder aux services de médiation de dettes reconnus par l'État, souvent en raison de la saturation des services.

Le manque d'accès rapide aux services de médiation de dettes aggrave-t-il la situation financière des citoyens en difficulté? Considérant l'importance d'un accès rapide à la médiation de dettes, quel est le délai moyen d'attente pour accéder à un service de médiation de dettes reconnu? Envisagez-vous d'augmenter le nombre de médiateurs de dettes pour répondre à la demande croissante? Quelles initiatives sont-elles mises en place pour sensibiliser les citoyens aux services de médiation de dettes disponibles et ainsi faciliter leur accès?

Nahima Lanjri:

Mijnheer de eerste minister, nieuwe cijfers uit een onderzoek van het Steunpunt Mens en Samenleving tonen aan dat het aantal gezinnen dat gebruikmaakt van budget- en schuldhulpverlening jaar na jaar daalt. In vergelijking met 2019 zien we in 2024 een daling van 13,8 %, vooral uitgesproken bij de OCMW’s. Die dalende cijfers zouden kunnen doen vermoeden dat er minder nood is aan hulp of dat er minder armoede zou zijn. Dat klopt echter niet volgens het steunpunt. Het zou kunnen wijzen op een moeilijkere toegang tot financiële hulp, denk aan budgetbeheer, schuldbemiddeling en budgetbegeleiding.

Mensen schamen zich vaak om hulp te vragen. Dat blijkt uit verschillende getuigenissen van personen dat ze maanden gewacht hebben om naar het OCMW te stappen – in het geval waarvan sprake, was dat Kortrijk -, omdat de locatie van het OCMW bekend is en men niet wil dat het bekend wordt dat men daar een beroep op moet doen. Andere verklarende factoren zijn stress, de indruk dat het beleid te streng is en het feit dat mensen van het kastje naar de muur worden gestuurd, waardoor ze afhaken. Kortom, er is veel verdoken armoede. Er moet dan ook bijzondere aandacht gaan naar de toegankelijkheid van budget- en schuldhulpverlening.

Tegelijk is het belangrijk dat andere organisaties dan het OCMW zoals vakbonden, ziekenfondsen en juridische partners signalen opvangen en mensen gericht naar basisvoorzieningen kunnen doorverwijzen. Mensen haken immers vaak af, omdat ze hun brieven niet begrijpen of omdat ze de indruk hebben geen hulp te krijgen. Ze zien door de bomen het bos niet meer.

Hoe interpreteert u de onderzoeksresultaten van het Steunpunt Mens en Samenleving? Deelt u de analyse dat een daling van het aantal hulpaanvragen niet noodzakelijk op minder noden wijst? Welke maatregelen wilt u nemen, al dan niet samen met uw collega Van Bossuyt, om de schuldhulpverlening aan gezinnen toegankelijker te maken, niet alleen bij het OCMW, maar ook in de bredere samenleving? Wilt u ook werk maken van betere ondersteuning van organisaties zoals vakbonden, ziekenfondsen en juridische partners, conform uw beleidsverklaring in verband met e schuldindustrie? Zult u in gesprek gaan met hen om in te zetten op betere toegankelijkheid, zowel telefonisch als fysiek?

Er is in België nog geen registratie van achterstalligheid van huur en telecom- en energiefacturen. Overweegt u dat te implementeren? In uw beleidsnota staat dat u voor het einde van het jaar over de verschillende beleidsdomeinen heen een werkgroep wilt oprichten voor de verschillende aspecten van schuldenlast. Wat is daar de stand van zaken?

Frank Vandenbroucke:

Je vais commencer par la question de M. Dufrane concernant la domiciliation. En tant que ministre des Affaires sociales, chargé de la Lutte contre la pauvreté, je tiens à rappeler toute l'attention que je porte à la question de l'octroi des prestations sociales aux personnes sans domicile fixe. Il est en effet important de garantir un accès effectif aux droits sociaux pour les plus vulnérables de notre société.

L'obligation de disposer d'un domicile en Belgique se retrouve effectivement dans de nombreuses législations. Il est toutefois possible pour une personne sans domicile fixe de demander une adresse de référence auprès d'un particulier ou du CPAS de la commune dans laquelle elle se trouve habituellement, ce qui lui permet notamment de réceptionner ses documents administratifs et de pouvoir renouveler sa carte d'identité lorsque celle-ci vient à échéance. Lorsqu'une adresse de référence est octroyée, les organismes octroyant des prestations sociales prennent en compte cette adresse.

Pour citer un exemple rentrant dans le champ de mes compétences, le fait de disposer d'une adresse de référence permet à la personne sans domicile fixe de s'inscrire auprès d'une mutualité et de bénéficier ainsi de l'assurance obligatoire soins de santé. Pour ce qui concerne d'autres droits sociaux, mes collègues en charge de l'Emploi et des Pensions pourront sans nul doute vous donner les informations requises en matière de chômage et de pension.

Certaines prestations sociales, comme le droit à l'intégration sociale et l'aide sociale, n'exigent pas une domiciliation en Belgique. La résidence effective en Belgique suffit. Ce sont des régimes résiduaires pour lesquels les CPAS vont mener par exemple des enquêtes sociales. Ces matières relèvent de la compétence de ma collègue la ministre de l'Intégration sociale et je vous invite à vous tourner vers elle si vous souhaitez disposer de plus amples informations à ce sujet.

Des mesures existent donc pour permettre l'octroi de prestations sociales aux personnes sans domicile fixe. Le problème majeur qui subsiste reste sans doute l'accès à l'information, toutes les personnes sans domicile fixe n'étant sans doute pas au courant des solutions existantes.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour toutes vos précisions. Je ne manquerai pas de questionner vos collègues comme vous m'y avez invité. Il serait aussi utile de faire un point sur l'information qui pourrait peut-être être un peu plus travaillée au niveau des CPAS. Vous évoquiez l'information qui n'est peut-être pas toujours portée à toutes les personnes dans le besoin et aux SDF. Je souhaitais attirer votre attention à cet égard. Je vous remercie encore pour l'attention que vous avez prêtée à ma question.

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Dufrane, pour ce qui est de votre question concernant les motards bénévoles, le volontariat est régi dans notre pays par la loi du 3 juillet 2005 relative aux droits des volontaires. Cette loi fixe les droits et obligations des organisations, associations de fait ou personnes morales de droit public ou privé sans but lucratif qui font appel à des volontaires et des volontaires eux-mêmes.

Le volontariat étant par nature un acte gratuit, il n'est pas rémunéré. Toutefois, pour qu'il reste accessible à tous, le législateur a prévu la possibilité d'un défraiement par l'organisation des frais que le volontaire a supportés pour celles-ci. Il peut s'agir d'un remboursement des frais réels, auquel cas le volontaire est remboursé de ses frais contre remise de pièces justificatives (factures, tickets de caisse, billets de train ou autres) ou d'un remboursement forfaitaire. Dans ce dernier cas, il ne faut pas prouver la réalité des dépenses au moyen de pièces justificatives, mais il ne faut en aucun cas dépasser deux plafonds, à savoir 42,31 euros par jour et 1 692,51 euros par an.

Le volontariat touche de nombreux domaines et il existe effectivement du bénévolat dans le transport de médicaments, ce qui permet d'assurer, en complémentarité avec les dispositifs existants, la livraison rapide et sécurisée de traitements essentiels, notamment dans les zones isolées, au bénéfice des personnes à mobilité réduite ou encore durant les heures de garde des pharmacies.

Les volontaires qui assurent le transport de ces médicaments, à moto ou par tout autre moyen de transport d'ailleurs, peuvent obtenir un défraiement de l'organisation au sein de laquelle ils sont actifs, pour autant bien entendu que cette organisation ait prévu à un défraiement. Le défraiement n'est en effet pas obligatoire et varie d'une organisation à l'autre.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

J'évoquais les transports de sang, lesquels peuvent contribuer à sauver des vies. Derrière cette question, il faudrait prendre en compte la reconnaissance des motards qui travaillent bénévolement. Vous pourriez les rencontrer un jour afin de leur attribuer un titre, d'une manière ou d'une autre. On le fait déjà pour les donneurs de sang. En l'occurrence, il s'agit d'une autre mission qui est accomplie bénévolement. Outre le volet financier que vous avez abordé, il convient d'intégrer le volet "reconnaissance".

Frank Vandenbroucke:

C'est une très belle suggestion.

Voorzitter:

Vous allez donc faire un petit tour en moto, monsieur le ministre.

Nous saluons les jeunes qui sont venus assister aux travaux. J'espère que vous avez ainsi pu découvrir un volet du travail parlementaire. Je pense que vous êtes surtout venus pour M. Dufrane.

M. le ministre va à présent répondre à la dernière question de M. Dufrane, mais également à celle de Mme Lanjri.

Frank Vandenbroucke:

Merci, monsieur le président. Tout d'abord, je crois qu'il convient de mentionner que la reconnaissance des services de médiation en matière de dettes relève de la compétence des Régions. Elles disposent donc des informations les plus précises. Il importe également de garder à l'esprit que, conformément à l'article VII.115 du Code de droit économique, seuls les avocats, les fonctionnaires ministériels ou les mandataires judiciaires peuvent assumer cette fonction dans l'exercice de leur profession et fonction.

En outre, cette fonction peut également être exercée par les institutions publiques ou privées reconnues à cet effet par l'autorité compétente. Nonobstant cette précision, vous constaterez dans ma déclaration de politique générale et dans ma note de politique que j'accorde une attention particulière au surendettement. Les chiffres les plus récents sur la pauvreté nous apprennent que le nombre de personnes menacées de pauvreté et ayant des arriérés de payement pour des besoins fondamentaux a augmenté. Ce chiffre est un bon indicateur du surendettement au sein du groupe le plus précaire de notre population.

Dans le cadre de l'élaboration du Plan fédéral de lutte contre la pauvreté et de réduction des inégalités, nous examinerons les mesures que nous pouvons mettre en œuvre pour sensibiliser davantage à l'aide au désendettement. Afin de lutter contre le problème du surendettement, un groupe de travail sera constitué avant la fin de l'année avec les ministres compétents en matière d'intégration sociale, d'économie, de protection des consommateurs et de justice. Là aussi, nous espérons aboutir à des mesures visant à lutter contre le surendettement des personnes menacées par la pauvreté.

En collaboration avec le ministre de la Protection des consommateurs, nous souhaitons renforcer la connaissance et la sensibilisation aux différentes aides en matière d'endettement et de surendettement à travers des campagnes d'information ciblées, dont les modalités doivent encore être déterminées. Les compétences du SPF Économie seront mobilisées à cette fin.

Vervolgens de vraag van mevrouw Lanjri, waarin werd verwezen naar onderzoeksresultaten. De cijfers waarnaar u verwees, mevrouw Lanjri, passen enerzijds in een positieve tendens die we gelukkig vaststellen met betrekking tot het risico op monetaire armoede. Anderzijds tonen de meest recente EU-SILC-cijfers aan dat het aantal mensen met een risico op armoede, die minstens twee achterstallige betalingen hebben voor basisbehoeften, voor het eerst in tien jaar is toegenomen. Dat is een verontrustend signaal met betrekking tot mensen die in de schulden terechtkomen.

Vervolgens is het moeilijk, zelfs zeer moeilijk om de non-take-up van een recht of een dienst cijfermatig in kaart te brengen. Het is daarom belangrijk om mensen maximaal te blijven sensibiliseren met betrekking tot schuldhulpverlening. Ik zal dan ook samen met de betrokken ministers nagaan hoe we op die sensibilisering kunnen inzetten.

Daaromtrent haalt u terecht de werkgroep aan, waarnaar ik al verwees in mijn antwoord op de vraag van de heer Dufrane. Ik zal die v óó r het einde van het jaar samenroepen om de schuldenlast in al zijn facetten te bekijken. Het is onze bedoeling dat engagement niet louter formeel na te leven, maar om binnen die werkgroep te onderzoeken welke maatregelen we kunnen nemen in het kader van het aankomende Federaal Plan Armoedebestrijding. De bedoeling is dat de reikwijdte van die oefening niet te beperkt is.

Naast schuldhulpverlening moeten ook de aanpak van de schuldindustrie en de geplande hervormingen inzake DAVO worden besproken. Naast die politieke coördinatie zien we het steunpunt Mens en Samenleving als een partner binnen dat beleid. Deze week vindt overleg plaats tussen mijn beleidscel en het steunpunt Mens en Samenleving, evenals met drie andere organisaties die gespecialiseerd zijn in informatie en begeleiding van mensen in een situatie van overmatige schuldenlast.

Ik wijs er, tot slot, op dat het regeerakkoord voorziet dat de openbare diensten minstens één keer per week fysieke permanenties moeten organiseren. Elke minister heeft de verantwoordelijkheid om in dialoog met partners het belang van toegankelijke dienstverlening voorop te stellen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, merci pour toutes vos réponses. Je suis attristé d’entendre que le surendettement continue de croître. On le sait, mais c’est toujours désagréable à entendre.

Par rapport à cela, je suis aussi heureux que le gouvernement prenne en charge la problématique. J'entends qu'un groupe de travail sera convoqué avant la fin de l’année. Je ne manquerai pas de revenir vers vous pour connaître les avancées de ce groupe de travail.

Nahima Lanjri:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. We mogen inderdaad niet concluderen dat er minder mensen met schulden zijn. Dat zei ik zelf ook al. De cijfers die u aanhaalt, wijzen daar ook op. Het is ook belangrijk dat er nog een bijkomende maatregel wordt genomen, namelijk de registratie van schulden voor basisbehoeften zoals huur, energie en telecom. Die worden in ons land momenteel niet geregistreerd, maar het lijkt mij zinvol om daar ook mee te starten zodat men daar beter de vinger aan de pols kan houden. Het is eveneens goed dat er aan sensibilisering wordt gedaan, maar ik denk dat die breed moet worden opgevat. Zo kunnen mensen beter weten dat zij terechtkunnen bij verschillende instanties voor hulp; niet alleen bij private instanties, maar ook bij het OCMW. Daarover moet verder worden gesensibiliseerd. Ik hoop dat u dat ook opneemt in uw scope. U hebt ze niet genoemd, maar ook andere partners, zoals vakbonden, mutualiteiten en juridische organisaties, die begeleiding en toeleiding kunnen bieden op het vlak van schuldhulpverlening, moeten worden aangesproken. Ik herhaal dus mijn eerdere vraag, waarop u nog niet hebt geantwoord. Ik hoop ook dat u bereid bent hen aan te spreken. Ik heb ook gevraagd naar de stand van zaken rond de werkgroep, maar u hebt daar nog geen duidelijk antwoord op gegeven. In uw beleidsnota hebt u aangekondigd dat u die zou oprichten, maar ik weet nog altijd niet wat de actuele stand van zaken is. Ik moet dus afleiden dat de werkgroep nog niet werd opgericht, hoewel dat al enkele maanden geleden werd aangekondigd. Tot slot, mijnheer de minister, wil ik u wijzen op de beleidsaanbevelingen van het Steunpunt Mens en Samenleving. Het heeft onder meer gewezen op het belang van sensibilisering en preventiecampagnes, waarop u ook wilt inzetten. Het benadrukt ook het belang van een verhoogde toegankelijkheid tot andere partners, zoals vakbonden, mutualiteiten en juridische partners. Daarnaast pleiten zij voor een verstrenging van de wetgeving inzake reclame, consumentenkrediet en achterafbetaaldiensten zoals Klarna. Minister Beenders is daarvoor ook mee bevoegd. Het lijkt mij belangrijk dat ook daar initiatieven worden genomen om impulsaankopen, die vaak leiden tot schulden, aan te pakken. Dank u wel. Ik hoop dat u met deze aanbevelingen aan de slag wilt gaan.

De langdurig zieken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke en Eva Demesmaeker bespreken hoe langdurig zieken zoals Cindy (die na sepsis herintegreerde) beter kunnen terugkeren naar werk, met focus op werkgeversverantwoordelijkheid, ondersteuning en cultuurverandering. De minister benadrukt drie sporen: (1) responsabilisering (financiële sancties voor grote bedrijven met veel langdurige uitval, vanaf 2026 een solidariteitsbijdrage), (2) praktische hulp (loonsubsidies, jobcoaches, groeiende federale financiering tot 69 miljoen euro in 2024), en (3) mentaliteitswijziging (inzetten op succesverhalen en potenties in plaats van beperkingen). Demesmaeker onderstreept dat werk meerwaarde biedt dan louter economisch voordeel (eigenwaarde, structuur) en pleit voor meer zichtbaarheid van dergelijke voorbeelden.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, deze vraag gaat over een zeer persoonlijk verhaal dat u misschien ook gelezen heeft, het verhaal van Cindy, een West-Vlaamse vrouw die een heel lange tijd tegen sepsis heeft gestreden en die ondanks haar belemmeringen toch opnieuw aan het werk is gegaan.

Het is een heel mooi verhaal, over iemand die ondanks haar zware fysieke beperkingen en vooral dankzij de steun van haar werkgever opnieuw aan de slag kon gaan, iemand die de nadruk legt op het positieve verhaal erachter: hoe werk haar opnieuw meerwaarde bracht en vooral hoe ze zo opnieuw meerwaarde voor zichzelf creëerde.

Daar moeten we zeker op inzetten. Het regeerakkoord doet dat ook. Hoe langer iemand uitvalt, hoe moeilijker het is om opnieuw aan het werk te gaan. Het zal alleen niet eenvoudig zijn om de werkgevers daarin mee te krijgen.

Vandaar mijn vraag aan u. Hoe wilt u de werkgevers niet alleen meer responsabiliseren maar ook ondersteunen om langdurig zieken opnieuw een plek te geven op de werkvloer, met aandacht voor hun noden en mogelijkheden? Het verhaal van Cindy toont immers dat dit wel degelijk kan.

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel voor uw vraag en vooral voor het feit dat u het hoopgevende verhaal van mevrouw Verthé hier brengt. Ik meen dat het een heel mooi voorbeeld is van veerkracht en van hoe een geëngageerde werkgever het verschil kan maken.

U stelt terecht de vraag hoe we ervoor kunnen zorgen dat meer werkgevers die rol effectief opnemen. De drempels zijn reëel, praktisch en organisatorisch, soms ook cultureel. Daarom moeten we met al die verschillende sporen tegelijk werken.

Het eerste spoor is responsabilisering. We hebben het systeem van de re-integratietrajecten grondig hervormd. Met de nieuwe aanpak zetten we sterker in op wat mensen wel nog kunnen. We betrekken daarbij zowel de behandelende arts, de arbeidsarts, als de adviserend arts er vanaf het begin bij.

Werkgevers hebben daarbij niet alleen een verantwoordelijkheid, ze worden ook geacht er actief werk van maken. Vandaar dat we financiële sancties hebben ingevoerd voor werkgevers met meer dan 50 werknemers die opvallend meer werknemers hebben die instromen in langdurige arbeidsongeschiktheid dat gelijkaardige bedrijven uit dezelfde sector. Die responsabiliseringmaatregel zal vanaf 2026 vervangen worden door een algemene solidariteitsbijdrage.

We willen echter niet alleen bestraffen, we willen vooral helpen. Dat doen we in nauwe samenwerking met de regio's. De verantwoordelijkheid voor dat soort dienstverlening ligt immers bij de deelstaten. In elke regio vindt men vormen van ondersteuning, die gaan van financiering van materiële aanpassingen aan de werkpost over loonsubsidies tot gespecialiseerde begeleiding op de werkvloer door jobcoaches.

Vanuit het federale niveau dragen we bij met een financiering voor de terug-naar-werktrajecten voor personen die arbeidsongeschikt zijn, trajecten die georganiseerd zijn door de gewestelijke arbeidsbemiddelingsdiensten en hun partners. De financiering van die trajecten is de afgelopen drie jaar aanzienlijk geëvolueerd, van 24,5 miljoen euro in 2022 naar 32 miljoen in 2023 en 69 miljoen in 2024.

Ten derde is er een cultuurverandering nodig. Ik geloof dat we ook moeten inzetten op mentaliteit. Werkgevers moeten leren kijken met een andere bril, niet naar de beperkingen, maar naar de potenties van mensen. Dat vraagt tijd, maar ook goede voorbeelden. Daarom zetten we in op het verspreiden van inspirerende praktijken, zoals die van mevrouw Verthé en haar werkgever.

Collega, elke langdurig zieke is anders. Er zijn geen standaardoplossingen, maar onze boodschap moet duidelijk zijn: wie ziek is geweest, is nog niet afgeschreven. Integendeel, met de juiste ondersteuning kunnen velen opnieuw hun plaats vinden op de werkvloer. Daarvoor hebben we iedereen nodig: ziekenfondsen, artsen, arbeidsbemiddelaars en vooral geëngageerde werkgevers.

Eva Demesmaeker:

Het is inderdaad iets wat een zeer mooie toekomst kan opleveren, maar het zal niet gemakkelijk zijn. Wij moeten blijven werken aan die cultuurverandering.

Vandaar ook mijn vragen. Hoe meer zulke verhalen onder de aandacht komen, hoe beter we dat verhaal kunnen uitdragen. Het verhaal van Cindy toont echt aan dat werk meer is dan alleen economische waarde, het gaat ook om eigenwaarde, de structuur en het levensgeluk dat werk kan bieden. Werk moet ook iets zijn om naar uit te kijken, zeker voor iemand die al lang ziek is en graag terug aan de slag wil.

Voorzitter:

Les questions n os 56005900C et 56006231C de Mme Julie Taton sont reportées.

De financiering van de artsensyndicaten
De maatregelen in verband met de conventionering en het maximumplafond voor supplementen
Het voorontwerp van kaderwet
De staking van de zorgverstrekkers op 7 juli
De artsenstaking van maandag 7 juli en het alarmsignaal uit de zorgsector
De kaderwet
De artsenstaking op 7 juli
De artsenstaking
De artsenstaking
Financiering, regelgeving en stakingen in de zorgsector

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van de gezondheidszorg, met name de kaderwet rond ereloonsupplementen, conventies en ziekenhuisfinanciering, stuit op massaal verzet van artsen en zorgsectoren door gebrek aan vertrouwen, transparantie en concrete oplossingen. Minister Vandenbroucke benadrukt overleg (10 aanpassingspunten, uitstel tot 2028, behoud partiële conventionering) en ontkent haastwerk, maar oppositie en regeringspartners betwijfelen de effectiviteit, wijzen op oneerlijke regionale verschillen (Vlaamse vs. Waalse/Brusselse ziekenhuizen) en dreigende tweedeling in de zorg door premieafhankelijkheid en supplementplafonds. Financieringsbronnen (600-800 miljoen euro aan supplementen), indexatie van lonen en de rol van verzekeraars blijven onduidelijk, terwijl de sector eist dat hervormingen (nomenclatuur, ziekenhuisfinanciering) integraal en gelijktijdig worden aangepakt—niet gefragmenteerd. De diepe malaise (stakingen, administratieve overlast, onderfinanciering) onderstreept dat politiek wantrouwen en ideologische tegenstellingen elke vooruitgang blokkeren.

Dominiek Sneppe:

Mevrouw de voorzitster, ik zal mijn drie vragen over dit onderwerp bundelen.

Mijnheer de minister, vorige week stelden wij u nog vragen over de stand van zaken van de hervormingswet, de zogenaamde kaderwet waar zoveel om te doen is. U antwoordt daarop echter telkens met hetzelfde riedeltje, namelijk dat u nog steeds in overleg bent, wat overleg ook moge betekenen in uw ogen. Uiteraard stellen wij ons heel veel vragen bij wat u precies begrijpt onder overleg.

Ondertussen vernamen wij dat er in de ministerraad reeds een eerste lezing zou zijn geweest van de ongewijzigde wet. Hoewel bepaalde regeringsleden enkele aanpassingen gevraagd hebben, gaat u er met enkel loze beloften toch mee door.

Klopt het dat u een ongewijzigd document hebt voorgelegd voor de eerste lezing? Als dat klopt, werd het document ook goedgekeurd? Klopt het dat bepaalde regeringsleden aanpassingen gevraagd hebben, maar dat er slechts loze beloften zijn en u de wet dus niet concreet hebt aangepast? Wat zijn de door bepaalde regeringspartijen gevraagde aanpassingen?

Werd het communautaire aspect van de maatregelen in de wet besproken? Vlaamse ziekenhuizen en artsen doen het op het vlak van ereloonsupplementen immers nu al veel beter dan de Waalse. Volgens uw overgangsmaatregelen zouden zij dus worden benadeeld.

Werd het punt van de gedeeltelijke conventiestatus aangekaart? Door het verbod op gedeeltelijke conventionering zullen immers heel wat artsen-specialisten de ziekenhuizen verlaten en evolueren we verder naar een geneeskunde met twee snelheden.

Zult u de passage over het afnemen van het RIZIV-nummer om andere redenen dan handhaving schrappen of op zijn minst aanpassen? Zult u de gevallen waarin het eventueel wel zou kunnen heel concreet in de wet opnemen?

Wat is de stand van zaken van het overleg met de getroffen zorgsectoren?

Een andere vraag betreft de financiering van de artsensyndicaten. In deze wet kondigt u ook aan dat de financiering van de artsensyndicaten voortaan afhankelijk zal worden gemaakt van de conventiegraad. Dit betekent dat de werkingsmiddelen van deze syndicaten, die essentieel zijn voor de vertegenwoordiging van artsen, gekoppeld zullen worden aan het percentage artsen dat zich conformeert aan de conventietarieven. Deze maatregel roept natuurlijk vragen op over de onafhankelijkheid van de artsensyndicaten en de vrije keuze van artsen om al dan niet toe te treden tot de conventie.

Hoe waarborgt u in dit kader de onafhankelijkheid van de artsensyndicaten en de vrije keuze van artsen om al dan niet tot de conventie toe te treden? Bent u niet bezorgd dat deze maatregel het overlegmodel volledig zal ondermijnen en zal leiden tot een verminderde representatie van gedeconventioneerde artsen binnen dat overlegmodel?

Verder heb ik nog een vraag over de artsenstaking zelf. Gisteren, maandag 7 juli, legden honderden, zoniet duizenden artsen en zorgverleners het werk neer uit protest tegen uw huidige gezondheidsbeleid. Deze staking is geen geïsoleerde actie, maar veeleer een symptoom van een diepere malaise, met administratieve overlast, onderfinanciering, personeelstekorten en bovenal een groeiende frustratie over uw gebrek aan politieke visie en respect voor de medische beroepen. De artsen geven aan dat ze zich overbevraagd en ondergewaardeerd voelen en alsmaar vaker verhinderd worden hun werk degelijk uit te voeren. Bovendien maken ze zich zorgen over de toenemende politieke inmenging en ideologische dwang in de gezondheidszorg.

Hoe interpreteert u dit duidelijke signaal van de artsen? Welke concrete stappen bent u bereid te zetten om tegemoet te komen aan hun verzuchtingen en om een nieuwe – of nog grotere – crisis in de zorg te vermijden? Hoe zult u voorkomen dat patiënten de dupe worden van zwaardere acties uit het veld? Bent u bereid om opnieuw met de sector rond de tafel te gaan zitten – zonder vooraf opgelegde ideologische filters – en eindelijk écht te luisteren naar hun opmerkingen en aanbevelingen? U zegt wel dat u opkomt voor de patiënten, maar hoe zult u daadwerkelijk voorkomen dat zij daar de dupe van worden?

Irina De Knop:

De artsen hebben gisteren voor het eerst in meer dan 25 jaar gestaakt. Ik wil het eerder een actie noemen, want uiteindelijk hebben heel wat artsen wel degelijk gewerkt. Via allerlei acties hebben zij echter hun ongenoegen geuit. Zoals we in de pers konden vernemen, was er een grote bereidheid daartoe.

Ik zal niet alles herhalen wat collega Sneppe al zei, maar we merken inderdaad dat er een diepe malaise heerst in de gezondheidszorg. Zorgverleners geven duidelijk aan dat zij niet altijd met het nodige respect behandeld worden. Mijnheer de minister, u geeft aan dat u grondig in overleg wilt gaan met de sector, maar in de sector zelf wordt daar toch anders naar gekeken.

In de vraag die ik hierover enige tijd geleden heb voorbereid, ligt de focus op de conventionering en op de maximumtarieven die worden opgelegd met betrekking tot de supplementen.

Kunt u de sector inmiddels geruststellen dat de kaderwet er vandaag niet komt, dat u eerst op een correcte manier het overleg kansen zult geven en dat u daarbij ook werk zult maken van de nodige hervormingen, met name de hervorming van de nomenclatuur en de financiering van de ziekenhuizen? Kunt u de sector geruststellen dat er nu een aantal rustige maanden zullen volgen?

Ten tweede wil ik u vragen of u met ons even door de wijzigingen kunt gaan die u reeds hebt aangebracht aan de kaderwet? Wat is de finale versie die nu op tafel ligt? Wat is daarin bijgestuurd ten opzichte van de eerste versie?

Ten derde, staat u nog steeds achter het conventiemodel zoals we dat al decennia kennen? Of wil u dat afschaffen? Wilt u eenzijdig de zorg reguleren? Ik wil ook heel graag van u vernemen hoe uw vergaderkalender er uitziet voor deze zomer, teneinde het vertrouwen en de rust terug te brengen in de sector.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, heel wat zorgverstrekkers hebben gisteren hun ongenoegen, of hun ongerustheid geuit door te staken of door op een andere manier te doen blijken dat ze het niet eens zijn met de kaderwet. Deze beroepsgroep is het niet gewend het werk neer te leggen of om actie te voeren. Ik meen dat dit dus wel beschouwd moet worden als een belangrijk signaal.

U weet dat wij van N-VA absoluut bereid zijn mee te werken aan noodzakelijke hervormingen, maar we willen daarbij wel oproepen binnen de afspraken van het regeerakkoord te blijven. Daar is nu wel wat misverstand over.

Artsen, tandartsen, en andere zorgverstrekkers zijn meestal ‘vrijberoepers’. Dat is volgens ons een heel belangrijk principe in de zorg. Het bepaalt dat een zorgverstrekker vrij is op zoek te gaan naar de beste therapie, de beste onderzoeksmethode en daarover afspraken te maken met de patiënten. Natuurlijk moet dat allemaal binnen de regels van de deontologie gebeuren, maar volgens ons is het vrij beroep nog altijd de beste garantie voor een kwaliteitsvolle, innovatieve en toegankelijke gezondheidszorg. Wij hebben trouwens nog altijd beperkte wachttijden, vergeleken met die in het buitenland.

Nu vraag ik me af, mijnheer de minister, of dat principe van het vrij beroep belangrijk is voor u? Dan hebben we wel een probleem met het beperken van de supplementen voor ambulante verstrekkingen door niet-geconventioneerde zorgverstrekkers. Dat staat niet in het regeerakkoord. Het beperken van de supplementen moet in de context van de ziekenhuishervorming en de ziekenhuisfinanciering gelezen worden. Dat kan volgens ons zeker niet voor er zicht is op de hervorming van de nomenclatuur.

Mijnheer de minister, in het regeerakkoord staat inderdaad dat excessen in de tussentijd moeten worden aangepakt. Wij zijn het daarmee eens, excessen moeten worden aangepakt. Wat beschouwt u echter precies als excessen? Ik kan dat concreet maken. Is een exces bijvoorbeeld ook een supplement van 30 % voor een ambulante verstrekking waarvoor er geen toereikend honorarium bestaat? Zult u de verschillende dossiers met betrekking tot de hervorming van de ziekenhuisfinanciering, de nomenclatuurhervorming en de supplementenplafonds samen op tafel leggen, zoals ook de bedoeling was volgens het regeerakkoord?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, la grève des médecins d’hier traduit le malaise profond de nombreux professionnels de la santé. Les tensions se concentrent notamment sur un point particulièrement sensible de votre projet de réforme: la limitation des suppléments d’honoraires. Ces suppléments sont souvent perçus à tort comme un simple avantage financier pour les médecins. Or, dans la majorité des cas, ils sont le symptôme d’un sous-financement structurel des hôpitaux, de l’absence de remboursement pour certains actes pourtant reconnus ou encore d’honoraires insuffisants pour certaines spécialités. Ces suppléments participent aussi au financement indirect de l’hôpital, via les rétrocessions. Si ces rétrocessions d’honoraires sont réduites, ce sont les autres soignants, déjà sous pression, qui risquent d’en faire les frais: infirmiers, aides-soignants, kinésithérapeutes, sages-femmes, techniciens et personnel logistique. Cette réforme ne concerne donc pas uniquement les médecins; c’est l’ensemble des professionnels des soins de santé qui sont concernés. Il y a urgence à entendre tous les acteurs du terrain, qui réclament depuis plus de 10 ans une meilleure reconnaissance de leur rôle.

Monsieur le ministre, nous sommes particulièrement déterminés à renforcer l’accessibilité des soins, tout en garantissant le respect de tous les soignants. Comptez-vous associer à cette réforme, au-delà des syndicats médicaux, les représentants des autres professionnels de la santé, afin de construire un projet juste, concerté et durable?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, les suppléments d’honoraires constituent aujourd’hui un réel problème et mettent en péril l’accessibilité des soins pour les patients. Selon de nombreux témoignages, moyennant un supplément, il serait plus facile et plus rapide de voir un médecin, d’obtenir une opération ou une chambre individuelle. Cela concerne un grand nombre de patients et donc une importante somme d’argent pour ces derniers, car même si l’argent est versé par leur assurance hospitalisation, ce sont eux qui ont cotisé. Les suppléments d’honoraires représentent aujourd’hui 700 millions d’euros au total.

Vous souhaitez aujourd’hui mettre en œuvre des modifications à ces suppléments d’honoraires dans le contexte de la loi-cadre, ce qui a provoqué hier une grève de certains médecins. Or la grogne des médecins ne se limite pas aux suppléments d’honoraires mais va bien au-delà. Des médecins généralistes ont par exemple témoigné du fait que la suppression des consultations téléphoniques constitue un grave problème, car celles-ci permettaient de répondre aux besoins quotidiens des patients. Monsieur le ministre, que répondez-vous à la grogne des généralistes?

Nous nous inquiétons aussi des hypothèses que vous avez avancées pour cette loi, telles que l'augmentation du ticket modérateur pour les patients – le problème ici concerne la diminution de l'accessibilité des soins de santé – et l'augmentation du prix de certains médicaments pour les patients. Nous ne sommes pas du tout d'accord avec ces propositions, et j'aurais voulu que vous clarifiiez ces points.

Frank Vandenbroucke:

Chers collègues, je pourrais peut-être répéter ce qu'a dit M. Gatelier dans sa question, cela forme une introduction à laquelle je peux souscrire. Il y a beaucoup de soucis, beaucoup d'inquiétudes, de problèmes financiers. Lors d'une telle action, différentes dimensions de la pression actuelle sur le système des soins de santé sont mises en évidence.

Ik meen dat we inderdaad de bezorgdheden die er zijn, de druk die weegt op huisartsen en spoedartsen en de financiële complexiteit van het bestaande systeem zeer goed moeten proberen te begrijpen.

Het antwoord daarop is dat we moeten hervormen. We moeten daarover overleg plegen. Dat doen we ook. Ik durf te herhalen dat er al zeer veel overleg geweest is over deze tekst. Deze tekst is eigenlijk het begin van een voorontwerp van hervormingswet inzake gezondheidszorg.

Mevrouw Sneppe, daar is helemaal nog geen eerste lezing van geweest. Ik weet niet waar u dat haalt. Het is een tekst die informeel voorgelegd is aan alle betrokken actoren. Ik heb die tekst ondertussen ook geïntroduceerd in de interkabinettenwerkgroep van de regering, maar er is nog lang geen eerste lezing.

Een belangrijke datum was 26 juni, omdat we toen op basis van de geschreven bijdrage die ik van alle actoren had gevraagd een concreet overzicht hebben gemaakt van de thema's die in de tekst veranderd zouden worden. Ik heb dat dan op 3 juli ondersteund met een concrete aangepaste tekstversie, die ik bezorgd heb aan de syndicaten van de artsen en de tandartsen en aan de ziekenfondsen.

Ik heb dat ook besproken met de ziekenhuiskoepels, de vertegenwoordigers van de klinisch therapeuten, de logopedisten, de thuisverpleegkundigen, de apothekers en de vroedvrouwen.

Mevrouw De Knop, ik kan u effectief een overzicht bezorgen. Het gaat over tien punten die ik op 26 juni heb besproken met de vakbonden van artsen en tandartsen en de ziekenfondsen en die ik op 3 juli opnieuw heb voorgelegd, ditmaal aan de hand van concrete tekstvoorstellen.

Ten eerste maken we duidelijk dat het systeem van de partiële conventionering behouden blijft voor artsen en tandartsen. De doelstelling is dat het een transparant systeem moet zijn. De vraag is hoe we die doelstelling zo goed mogelijk bereiken, maar we behouden de idee van de partiële conventionering.

Ten tweede wordt de financiering van de beroepsorganisaties voor maximaal 20 % van de tegemoetkoming die ze ontvangen afhankelijk gemaakt van de conventiegraad.

Het voorstel is dat de akkoordencommissies zelf beslissen over de concrete uitvoeringsregels, op basis van een voorstel van het Verzekeringscomité. Dat moet zorgen voor een uniforme benadering over alle sectoren heen. Dat is alvast wat ik bepleit, want deze regeling bestaat al in allerlei andere sectoren, bijvoorbeeld bij logopedisten, kinesitherapeuten en vroedvrouwen.

We maken hen daarmee niet afhankelijk van ons beleid, laat staan dat we hen zouden willen verhinderen om kritisch te zijn. Het betreft sectoren die soms zeer kritisch zijn en acties organiseren. In die sectoren geldt de regel dat de mate waarin hun leden zich aansluiten bij een conventie een factor is die meeweegt in hun financiering. We willen dat principe doortrekken naar de organisaties van artsen en tandartsen.

Ten derde maken we een onderscheid – en dat is een verschil met het eerdere voorstel – tussen kwaliteitspremies, die voor alle zorgverleners bestemd zijn en dat ook moeten zijn, en premies ter ondersteuning van de praktijk, die we zouden willen voorbehouden aan de geconventioneerde zorgverleners. Dat was een belangrijke vraag van verschillende organisaties en daaraan zullen we tegemoetkomen.

Ten vierde, wij zorgen voor een betere omschrijving van de doelstelling en van de procedure bij het tijdelijk schorsen van RIZIV-nummers van zorgverleners. Wanneer ernstige fraude moet worden beteugeld of wanneer het visum verloren of ingetrokken is, achten wij het tijdelijk schorsen van RIZIV-nummers heel belangrijk om het factureren stop te kunnen zetten. Praktisch betekent dat dat fraudeurs of zorgverleners die hun visum verloren hebben geen facturen meer kunnen indienen. Dat is de doelstelling. Die doelstelling zullen wij preciseren. Ook de procedure zullen wij heel goed preciseren. Het gaat om een procedure voor een rechtscollege binnen de administratie, met een beroepsmogelijkheid enzovoort.

Ten vijfde, naast de wettelijk voorziene bepaling behouden de akkoordencommissies de bevoegdheid om onderling eventuele bijkomende opzeggingsmodaliteiten overeen te komen.

Ten zesde, de betrokken akkoordencommissie wordt betrokken bij het tot stand komen van een zogenaamd document in het Verzekeringscomité. Dat betekent eigenlijk een voorstel om tot een akkoord of overeenkomst te komen als dat niet uit de commissie zelf is gekomen. In dat geval wordt de akkoordencommissie in kwestie wel nog betrokken bij de totstandkoming van zo'n document in het Verzekeringscomité.

Ten zevende, de bepalingen over het conventiesysteem, met inbegrip van de hele problematiek rond de supplementen, treden pas in werking voor akkoorden die van toepassing zijn vanaf 1 januari 2028. Dit was ook het opzet, maar ik begreep dat daarover twijfel bestond vanwege de vermelding van mogelijke wijzigingen in de timing via koninklijke besluiten. Dat is nu heel duidelijk.

Ten achtste, in dezelfde geest worden eventuele mogelijkheden die aan de regering zouden worden gegeven om sneller in te grijpen in verband met supplementen dan vanaf 2028, gewoonweg uit de tekst geschrapt. Wat er voorzien was aan bevoegdheden van de regering is heel grondig herschreven.

Wat wel belangrijk is, is dat de regering bij een in minsterraad overlegd besluit voor geneeskundige verstrekkingen of voor een groep van geneeskundige verstrekkingen een hoger maximumsupplement zou kunnen bepalen dan het percentage dat in de wet is vastgelegd, maar geen lager. De bedoeling is om een soort opwaartse flexibiliteit te creëren, zodat op een gedifferentieerde manier plafonds kunnen worden vastgelegd naargelang de noden in de sectoren en binnen de verschillende disciplines.

Ten negende, de uitzonderingsmodaliteiten voor de verplichte toepassing van de digitalisering van de communicatie tussen zorgverleners en ziekenfondsen worden in de wet opgenomen. Er is ook een kleine aanpassing wat betreft de kalender voor de kinesitherapeuten, iets wat zij gevraagd hadden.

Ten tiende, de mogelijkheid tot stilzwijgende verlenging van akkoorden wordt voorzien.

Die tien punten werden allemaal toegelicht en besproken op 26 juni. Ik heb, op vraag van de artsenvakbonden en de tandartsen, deze ook omgezet in een zeer gedetailleerde tekst. Zij hebben die ontvangen net voor 3 juli. We hebben die besproken op 3 juli en zullen die nog verder bespreken.

Voor alle duidelijkheid, dit is een tussenstand. Deze tien aanpassingen vormen geen exhaustieve lijst. We kunnen over alle andere punten ook nog overleggen. Ik zie de organisaties van artsen en tandartsen en de ziekenfondsen terug op vrijdag 11 juli, voor de achtste keer.

Er wordt dus wel degelijk overlegd. Dat overleg vertrekt uiteraard vanuit het regeerakkoord. Het regeerakkoord heeft een kader vastgelegd voor het domein waarin deze hervorming speelt. Het regeerakkoord spreekt, wanneer het gaat over supplementen, over alle sectoren en de zorgverleners, in één hoofdstuk. Dat verwijst inderdaad naar de problematiek van de nomenclatuurhervorming en de ziekenhuisfinanciering. In een ander hoofdstuk gaat het over het conventiemodel in de brede zin, voor iedereen die te maken heeft met een conventie. Dat betreft alle zorgverleners in alle sectoren. Als het conventiemodel wordt herdacht - ik ga ervan uit dat iedereen het erover eens is dat dit nodig is - om het te versterken, dan moet men ook nadenken over de mogelijkheden voor niet-geconventioneerden om ereloonsupplementen aan te rekenen.

Het regeerakkoord legt een zeer duidelijk kader vast inzake de timing, de scope, de doelstelling van de herziening van het conventiemodel en de aanpak van de handhaving. Daarbij is mij gevraagd om tegen begin 2026 een operationeel actieplan klaar te hebben. Ook de hervorming van de nomenclatuur en van de ziekenhuisfinanciering moet in de loop van 2026 afgerond zijn.

Ik denk dat we ons aan die timing moeten houden, maar ik ben iets voorzichtiger, omdat ik weet dat dit moeilijke hervormingen zijn, waarbij alles met alles samenhangt. Daarom pak ik de excessen, zoals ze in het regeerakkoord worden genoemd, en het organiseren van een harmonisering niet meteen aan, hoewel het regeerakkoord dat eigenlijk voorstelt. Ik stel voor om de uitvoering tot het jaar 2028 uit te stellen. Ik denk ook dat ik dat heb verduidelijkt in de teksten die nu voorliggen. Daarover kon twijfel bestaan, omdat in de initiële teksten sprake was van koninklijke besluiten die sneller zouden kunnen worden genomen. Dat dit aanleiding gaf tot onzekerheid die niet nodig en niet nuttig is, geef ik graag toe. Het is nu duidelijk. Het is 1 januari 2028

Ik lees en hoor dat men beweert dat we het overlegmodel zouden uithollen. Ik denk dat dat echt niet klopt. Het voorontwerp brengt eenvormigheid in de regels die gelden bij het tot stand komen van akkoorden en overeenkomsten. Vandaag verschillen die regels sterk tussen enerzijds de artsen en tandartsen en anderzijds de kinesitherapeuten, de logopedisten, de vroedvrouwen enzovoort. Dat maakt de huidige wetgeving hopeloos ingewikkeld. Daar komt nu verandering in.

Er komt ook meer duidelijkheid over hoe die kalender wordt georganiseerd. In de fundamentele verhouding tussen de overheid en het overleg verandert er ten gronde niets. De overeenkomsten- en akkoordencommissies, waarin de beroepsorganisaties van zorgverleners en de ziekenfondsen zetelen, zijn aan zet voor het tot stand brengen van akkoorden. Voor de artsen zijn dat de artsensyndicaten en de ziekenfondsen die paritair de inhoud van een akkoord in de Medicomut kunnen en moeten onderhandelen. De minister zit daar niet aan tafel.

Alleen wanneer zij er niet in slagen, wat we uiteraard niet graag zien, treden er mechanismen in werking die als een vangnet voor de tariefzekerheid dienen. In eerste instantie is dat het Verzekeringscomité. Als dat niet slaagt, kunnen de minister van Sociale Zaken en de regering een voorstel voor tariefafspraken op tafel leggen. Ook dat is absoluut niet nieuw. Dat wordt gepreciseerd en er wordt een kalender vooropgesteld die een beetje preciezer is dan in het verleden. Dit wordt geüniformiseerd over de sectoren heen, maar het is volstrekt niet nieuw.

Er heerst het idee dat de regering ingrijpt, maar dat bestond al en wordt nu gewoon in een meer uniforme en preciezere kalender gegoten. Het principe dat de regering uiteindelijk een soort vetorecht heeft aan het einde van het traject, bij de opmaak van de begroting voor de ziekteverzekering, bestaat al sinds 1994. Daar verandert niets aan.

Ik begrijp dat daar veel bezorgdheid over bestaat, maar er verandert niets aan. Ik begrijp dus ook dat men telkens opnieuw vragen stelt over de onafhankelijkheid van de artsenvakbonden en de vrije keuze van artsen om al dan niet tot de conventie toe te treden. We willen die volledig vrijwaren. Het overleg heeft een belangrijke doelstelling, namelijk tariefakkoorden bereiken die billijk zijn en waar voldoende zorgverleners zich bij aansluiten. We moeten dat meer aanmoedigen, zoals ook in het regeerakkoord staat. Het is niet onlogisch dat de organisaties daarvoor ook financieel in beperkte mate mee geresponsabiliseerd worden. Laat ons dat ruimer bekijken dan alleen de logopedie, de kinesitherapie, de vroedvrouwen enzovoort. We mogen niet vergeten dat artsen een bijzonder grote verantwoordelijkheid dragen voor de gezondheid van de mensen, maar ook op budgettair vlak. Zij beheren immers 12 miljard euro.

Zij moeten akkoorden helpen tot stand brengen met een brede en zeer diverse achterban. Het is belangrijk dat we van hen verwachten dat ze die achterban ook overtuigen om toe te treden tot akkoorden. In een aantal sectoren is er al in een parameter, namelijk het aantal geconventioneerden, in de financiering van de beroepsorganisaties voorzien. Ik verwees al naar de vroedvrouwen, de kinesitherapeuten en de logopedisten, maar ook de apothekers en de orthopedische technologen moeten worden vermeld. We willen dat nu uitbreiden naar artsen en tandartsen. Het gaat om één parameter, naast andere. De totale financiering blijft uiteraard gebaseerd op een vaste basisbijdrage per organisatie. Daar komt nu een extra parameter bij.

We houden rekening met het aantal leden, het aantal stemmen bij de verkiezingen en een parameter die verband houdt met de conventionering. Om echter duidelijk te maken dat het slechts een beperkt deel van de subsidies betreft van de organisaties – dat dus slechts een beperkte modulering tot gevolg heeft – heb ik op 26 juni gezegd om dat te beperken tot 20 % van de tegemoetkoming. Daarmee geven we het conventiemodel een nieuwe toekomst, in plaats van het te verzwakken of af te schaffen.

Artsen kunnen vandaag inderdaad kiezen of ze al dan niet toetreden tot een akkoord. Het is evenzeer een vrij beroep. De individuele vrijheid wordt niet in vraag gesteld. De keuze om zich al dan niet te conventioneren wordt dus niet opgelegd. We willen dat wel sterker ondersteunen. Het voorontwerp voorziet dat bepaalde premies, zoals de telematicapremie of de geïntegreerde praktijkpremie, enkel kunnen worden toegekend aan geconventioneerde zorgverleners. Die vorm van ondersteuning vinden we belangrijk. We mogen immers niet vergeten dat zorgverleners hun beroep uitoefenen op basis van een zeer ruime, om niet te zeggen massieve, terugbetaling via de sociale zekerheid. De doelstelling van die terugbetalingen – en van de investering die de sociale zekerheid in hen doet – is uiteraard het waarborgen van voorspelbare en betaalbare tarieven. We kunnen daarover van mening verschillen, collega’s. Ik denk echter dat zorgverleners die die sociale doelstelling ter harte nemen en zich om die reden strikt houden aan een akkoord, ook extra steun mogen ontvangen.

Wat betreft de ereloonsupplementen – dat kwam ook ter sprake in de vragen – herhaal ik dat een beperking daarvan uiteraard geen op zichzelf staande maatregel is. Die moet worden bekeken in samenhang met een hele reeks andere maatregelen. Men kan dat niet los zien van de besprekingen over het bredere akkoordensysteem, de herziening van de nomenclatuur en de hervorming van de ziekenhuisfinanciering. Het is van groot belang – en ik heb dat engagement ook uitdrukkelijk aangegaan – dat de herziening van de officiële tarieven ertoe leidt dat artsen correct worden vergoed. Vandaag zijn er grote verschillen tussen disciplines, die moeilijk te verantwoorden zijn.

Daarnaast moet deze hervorming er ook voor zorgen dat ziekenhuizen correct en voldoende worden gefinancierd. Ik heb daarover een heel duidelijk engagement.

De basisfinanciering via het budget voor financiële middelen moet dan voldoende zijn om de ziekenhuisactiviteit volledig te financieren, zonder dat men van bij de start opnieuw een beroep moet doen op afdrachten, erelonen of ereloonsupplementen. Het startpunt van die nieuwe financiering moet er dus voor zorgen dat men kan vertrekken zonder dat meteen weer afdrachten moeten worden geheven op ereloonsupplementen of op erelonen. Dat is een zeer belangrijk engagement, dat ik ook duidelijk heb gegeven en op papier heb gezet. Het regeerakkoord stelt dat we eigenlijk niet hoeven te wachten daarop en dat we op korte termijn al excessen moeten bestrijden, op korte termijn of intussen. Ik wil dus wel even wachten.

Men vraagt mij wat excessen zijn. Sta mij toe daarover niet te improviseren. We zijn dat nu net aan het bespreken en we moeten het verder bespreken. Ik ga de voorbeelden niet herhalen, ik heb die al tot in den treure gegeven. Er zijn verschillen tussen ziekenhuizen die men niet kan verklaren. Ik heb daarvoor tot nu toe nog nooit een verklaring gekregen. Het gaat om verschillen die toch nopen tot het nodige ingrijpen. Dat kan men doen door met percentages een limiet te voorzien op de ereloonsupplementen die men kan vragen.

Iemand vroeg mij of ik de ereloonsupplementen helemaal wil afschaffen. Neen, absoluut niet. Het principe dat men ereloonsupplementen kan vragen en het principe dat men al dan niet kan toetreden tot een conventie blijven behouden. Daaraan verandert niets. Wel is er meer tariefzekerheid nodig, een zekere harmonisering, grotere helderheid en meer voorspelbaarheid voor de patiënten.

Het is vooral van belang dat het overleg, de onderhandelingen en de beslissingen over de nieuwe officiële tarievenstructuur, dus de nieuwe nomenclatuur en de officiële tarieven die daarbij horen, echt worden opgestart. We willen dat doen vanaf begin 2026, met de bedoeling om dit af te ronden in 2026. Men moet dan natuurlijk wel van elkaar weten wat die tarieven betekenen. Zijn die inderdaad de spil van het systeem of niet?

Mevrouw De Knop, u hoort het, dat verandert eigenlijk omzeggens niets ten gronde aan onze filosofie van de individuele autonomie, de keuzevrijheid van de arts, zeker wanneer het gaat over voorschrijven en professionele autonomie. Dat is niet iets wat we met dit ontwerp veranderen.

Mevrouw Merckx, u stelde een vraag over medicijnen, maar ik stel voor dat ik daarop straks terugkom. Er is straks een actuadebat daarover.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de rode draad door al uw antwoorden van de voorbije weken op de gestelde vragen is eigenlijk steeds dezelfde. U ontwijkt, u vertraagt, u minimaliseert, u verdrinkt de vis in allerhande details, terwijl de zorgsector - vooral de artsen - het werk neerlegt. De syndicaten vertrouwen u niet meer. U blijft vasthouden aan uw technisch, technocratisch verhaal dat volledig losstaat van wat er in de realiteit op het terrein gebeurt of van de gevoeligheden die daar leven.

Het was 25 jaar geleden dat artsen het werk neerlegden. Zij doen dat niet uit gemakzucht, mijnheer de minister, maar omdat ze worden verstikt door regeltjes, door misprijzen, door een gebrek aan respect. Uw enige reactie daarop zijn vage verwijzingen naar overleg. Mijnheer de minister, wat is overleg volgens u eigenlijk? Is dat zeven keer aan dezelfde tafel zitten? Dan heb ik met heel veel mensen overleg. Is overleg luisteren naar uw monoloog? Nee, mijnheer de minister, overleg is vooral luisteren, luisteren naar de bekommernissen van de mensen die het kunnen weten, van mensen die weten hoe het er op het werkveld echt aan toegaat, luisteren naar de ervaringsdeskundigen. U denkt dat u de waarheid in pacht hebt, maar luister toch eens naar de mensen die het kunnen weten.

Overleg is in onze ogen vooral luisteren, wat u waarschijnlijk niet doet, tenzij u zegt dat de artsen liegen. Dan moet u ook eerlijk zijn. Dan moet u zeggen dat de artsen liegen. Ik heb daar mijn twijfels over. Ik denk eerder dat het overlegmodel in uw ogen nogal benepen is.

Mijn vraag over de ereloonsupplementen hebt u eigenlijk niet echt beantwoord. U hebt het onderwerp heel even aangeraakt, maar niet in de zin zoals ik het bedoelde. We weten dat het vooral Brusselse en Waalse ziekenhuizen zijn waar de supplementen de pan uit swingen, tot 300% wordt daar gevraagd. Vooral de Waalse en Brusselse ziekenhuizen dreigen dus in de problemen te komen. In de regeringsverklaring zegt u: ʺ In afwachting van een hervorming zal ik een overgangsmaatregel voorzien. ʺ Ik stel mij dan toch de vraag of de Vlaamse ziekenhuizen, die echt hun best doen om het hoofd boven water te houden en de tering naar de nering zetten, niets zullen krijgen, omdat ze hun best doen en zogezegd niets nodig hebben.

De Waalse en Brusselse ziekenhuizen die tot 300 % ereloonsupplementen aanrekenen, zult u daarentegen – met een overgangsmaatregel – nog belonen voor hun inefficiënt werk. Dat gaat er bij mij niet in. Als dat zo is, dan is dat een discriminatie van de Vlaamse ziekenhuizen. Dat is totaal onaanvaardbaar en meteen ook weer de zoveelste transfer van Vlaanderen naar Franstalig België.

Ik hoor u niets zeggen over de indexatie van de lonen van de zorgverstrekkers. Daar zwijgt u in alle talen over. Dat zegt op zich ook al genoeg.

Mijnheer de minister, er is heel wat meer werk aan de winkel dan wat u nu voorstelt. Ik heb het al gezegd in de plenaire vergadering: u verandert slechts punten en komma’s en u verwijst naar overleg dat eigenlijk geen overleg is. U durft zelfs niet in debat te gaan met de artsen, bijvoorbeeld in programma’s als Terzake . U zit daar het liefst alleen, zodat er geen tegenspraak kan zijn en u niet hoeft toe te geven dat u eigenlijk fout zit.

U zegt zelf dat alles aan elkaar hangt. Dat is juist, mijnheer de minister. Alle hervormingen hangen samen: de hervorming van de ziekenhuisfinanciering, de hervorming van de nomenclatuur, de herziening van de conventies enzovoort. Toch komt u hier op de proppen met hier en daar een trofee die u wilt binnenhalen.

Ik heb daar zo mijn bedenkingen bij. Ik denk dat u inmiddels wel al doorhebt dat u tegen het einde van de legislatuur niet zult binnenhalen wat u zou willen binnenhalen. De ziekenhuisfinanciering stuit waarschijnlijk op heel wat moeilijkheden, de hervorming van de nomenclatuur zal ook niet van de poes zijn en de herziening van de conventies zal u geld kosten. Dat wilt u natuurlijk ook niet.

Ik denk dus dat u een paar socialistische trofeetjes wilt binnenhalen, op kap van de zorgverstrekkers en vooral ook op kap van onze patiënten. Mijnheer de minister, wij zullen alle democratische middelen gebruiken om dat niet toe te laten. Dank u.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. Het valt me op hoezeer u probeert het probleem te downsizen. Ik begrijp dat. In uw plaats zou ik wellicht hetzelfde doen. Maar de essentie is dat u niet zegt dat u misschien te snel bent geweest; dat u misschien te voortvarend bent geweest. U zou de kaderwet even aan de kant kunnen leggen tot u de twee hervormingen, die noodzakelijk zijn om een doorstart te kunnen maken in de gezondheidszorg, alle kansen hebt gegeven. Dat zegt u niet.

Ik hoor u zeggen op welke punten en komma's u de kaderwet wil bijschaven. Een positief ingestelde persoon kan dan zeggen dat dat heel goed is en het glas halfvol zien. Maar er zijn veel mensen die het glas halfleeg zien. Sta me toe te zeggen dat er in de sector heel wat pessimisme is over uw intenties. We zien dat u eigenlijk een kaderwet gemaakt hebt die een zeer bittere pil is voor heel veel zorgverleners, voor heel veel artsen, zowel geconventioneerde als niet-geconventioneerde. U bent nu die bittere pil een beetje kleiner aan het maken, maar het blijft een heel bittere pil die moeilijk doorgeslikt kan worden. Met andere woorden, het zou constructief zijn als u die kaderwet nu even aan de kant zou leggen.

Ik heb u ook gevraagd of u bereid bent de sector gerust te stellen en te zeggen dat u de kaderwet aan de kant legt. Maar u zegt dat u vrijdag, of de Dag van de Vlaamse Gemeenschap, er nog eens over samen zult zitten, om nog een beetje te vijlen aan diezelfde tekst. Dat is zeer verontrustend.

Ik heb heel goed geluisterd en ik heb geprobeerd te noteren welke punten bijgeschaafd worden. Op het vlak van de ereloonsupplementen zegt u echter heel weinig. Ik heb u vooral horen zeggen dat u ervoor wil zorgen dat het van kracht worden van de maatregel pas in 2028 zou starten. Ik heb u niet horen zeggen dat u bereid bent dat plafond weg te werken.

Ik heb u ook horen zeggen dat u de regering wil toelaten het maximumpercentage te verhogen, maar dat u dat niet in de wetgeving zult inschrijven. U zult dus een minimum minimorum vastleggen in de wetgeving.

We hebben hier niet uitgebreid de tijd om op alle details van uw antwoord in te gaan. Ik vind de actualiteitsdebatten in die zin een beetje vreemd. Uiteraard zou ik graag met u de tien punten overlopen die u hebt opgesomd en in detail proberen te begrijpen wat u precies bedoelt met "de partiële conventie blijft behouden", wat u bedoelt met het feit dat sectoren zelf kunnen beslissen over de modaliteiten van hun financiering enzovoort, maar ik vrees dat de tijd daarvoor nu te beperkt is.

Mevrouw de voorzitter, we zouden echt een manier moeten vinden om op een grondige manier te spreken over een voorontwerp van wet, waarvan u zegt dat het geen voorontwerp is, mijnheer de minister, terwijl het wel bij alle partners op tafel ligt en terwijl wel duidelijk blijkt dat u die tekst als basis voor uw overleg neemt. Het is jammer dat we in het Parlement niet op basis van die tekst kunnen argumenteren.

Ik dank u voorlopig, maar we komen zeker nog op die problematiek terug, vrees ik.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ‘in alle sectoren worden supplementen beperkt’. Dat zinnetje staat in een paragraaf over de ziekenhuizen. Ervoor en erna gaat het duidelijk over ziekenhuizen. Ik vind het intellectueel oneerlijk om dat naar de ambulante zorg door te trekken. Ik denk niet dat het de bedoeling is van het regeerakkoord om dat op die manier te lezen.

Het feit blijft dat supplementen vandaag noodzakelijk zijn om een ontoereikende financiering te compenseren. Het zijn privéverzekeringen. Het is de patiënt die moet bijpassen. U wilt dat nu beperken, zonder al te zeggen wat de toekomst zal brengen. U wilt dat niet nu maar in de toekomst beperken, maar we weten nog niet hoe de toekomst eruit zal zien.

Dat er hervormingen nodig zijn, is absoluut zo, maar u kunt toch niet vragen dat we blind gaan instemmen met iets waarvan we nog niet weten hoe het er zal uitzien? We moeten nu blind grenzen gaan vastleggen voor een nieuwe realiteit die we nog niet kennen. Dat is echt veel gevraagd, ook voor zorgverstrekkers, die daarover bezorgd zijn.

U zegt dat u die grenzen nu al moet bepalen, omdat u niet wilt dat er achteraf te veel vrijheidsgraden zijn, maar ik denk dat de realiteit dat tegenspreekt. Mijnheer de minister, in disciplines waar toereikende tarieven gelden, is de conventiegraad ook heel hoog. Daar houdt men zich aan de officiële tarieven. Ik denk echt niet dat u zich daar zorgen over hoeft te maken. Ik ben ervan overtuigd dat dit deel van de hervorming gerust samen kan gaan met de herziening van de tarieven en de hervorming van de ziekenhuisfinanciering.

Jean-François Gatelier:

Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses dont je prends acte.

Les Engagés attendent de l'État qu'il garantisse aux hôpitaux des compensations financières claires et substantielles afin d'éviter un effondrement silencieux de notre système hospitalier. Monsieur le ministre, vous venez de répondre que vous vous y êtes engagé.

Les Engagés défendent la liberté de conventionnement et la pratique mixte, car les cabinets privés sont essentiels à l'accès aux soins: ils complètent le travail hospitalier et jouent un rôle crucial d'accès aux soins, en particulier dans les zones rurales.

Vous avez récemment fait preuve d'ouverture sur les quotas INAMI, ce pourquoi je vous remercie. Vous venez de confirmer que vous allez maintenir le déconventionnement partiel pour les médecins et les dentistes. C'est déjà un pas dans la bonne direction.

Oui, une réforme est nécessaire pour éviter une médecine à deux vitesses, mais surtout pour maîtriser les coûts des soins de santé. Elle est inscrite dans l'accord de gouvernement. Elle doit être équitable, transversale et concertée. Elle ne peut ignorer les autres soignants, qui sont indispensables à la qualité de la prise en charge. Avec la réforme, n'oubliez pas le personnel soignant hospitalier non lié à la nomenclature; je pense notamment aux infirmières et aux aides-soignantes.

Il faut s'assurer que cette réforme bénéficie à tous. Il faut absolument trouver un équilibre. Il ne faut pas oublier que tous les soignants à l'hôpital n'ont pas un numéro INAMI et ne bénéficieront donc pas directement d'une réforme sur leur salaire liée à la nomenclature. C'est pourquoi nous vous demandons, monsieur le ministre, d'organiser au plus vite de véritables assises de la santé, réunissant tous les professionnels du soin, pour garantir une réforme non seulement techniquement réussie, mais surtout acceptée, portée par le terrain et qui répond à leurs besoins.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, ik ben redelijk ongerust na uw antwoord. U zegt eigenlijk dat u geen voorstander bent van het op termijn afschaffen van ereloonsupplementen, hoewel die ereloonsupplementen op zich de basis zijn van de geneeskunde met twee snelheden waarmee we vandaag te maken hebben. Waarom moet een heuoperatie bijvoorbeeld de ene keer zoveel euro kosten en een andere keer twee of drie keer zoveel? Dat is toch niet normaal? Dat is nu net het probleem.

U zegt nu echter dat er geen oplossing komt voor 2028 en dat er geen afschaffing van de ereloonsupplementen komt. Intussen heb ik nog steeds geen antwoord op de verontrustende berichten die de laatste tijd in de media verschenen zijn. Die berichten wijzen erop dat u openstaat voor een verhoging van de remgelden, enerzijds op medicatie en anderzijds zelfs op consultaties. Solidaris heeft daar zelfs een petitie tegen gestart, om ervoor te zorgen dat de patiënt in dit hele verhaal niet vergeten wordt. De vraag blijft immers wie dat zal betalen. Heel veel mensen staan open voor hervormingen, maar niet voor besparingen. Dat is nu net het probleem van de regering: dat u vasthoudt aan een besparingslogica.

Dat is ook de reden waarom er gisteren zoveel huisartsen hebben gestaakt. Dat ging niet alleen over de ereloonsupplementen, maar onder andere ook over de telefonische consultaties. Huisartsen staan onder enorme druk, maar wat is vandaag de investering die de regering in de huisartsen doet? Ze krijgen geen positief signaal. Ik denk dat dat duidelijk moet zijn: ja tegen hervormingen, nee tegen besparingen.

De komende jaren zullen opnieuw miljoenen en miljoenen euro's, zelfs honderden miljoenen euro's, gezocht moeten worden, en u zegt telkens opnieuw dat er besparingen op tafel moeten komen, want anders komt u er niet. Zo komen we er echt niet. Wat we moeten doen, is hervormen en investeren, zoals ook het personeel van het UZ Gent gisteren duidelijk heeft gemaakt.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, si votre dernière version de la loi-cadre rencontrait totalement les préoccupations des prestataires de soins, sans doute n'y aurait-il pas eu de grève hier. Si la grève a été maintenue, c'est que manifestement nous ne sommes pas encore arrivés à une entente suffisante sur un certain nombre de points. Quand on fait des réformes qui sont certes nécessaires, mais qui concernent l'autonomie professionnelle et la liberté du patient, la concertation doit devenir une véritable co-construction. Il reste donc encore un certain progrès à faire dans le sens que vous donnez au mot concertation.

Si la grève s'est déroulée hier, c'est notamment parce qu'on touche à quatre points que je citerai brièvement. Il y a tout d'abord le déconventionnement partiel. Vous dites maintenant que vous le maintenez. Très bien, félicitations! Mais de quel déconventionnement partiel s'agit-il? Si c'est un déconventionnement partiel qui fixe des jours, cela n'a pas de sens. Cela va entraîner la suppression d'un certain nombre de consultations en ambulatoire, engorger les hôpitaux, provoquer un désinvestissement du corps académique, ce qui est assez regrettable par rapport à la qualité des soins, et aggraver les délais de consultation. Un déconventionnement partiel doit garder un minimum de flexibilité, sinon il ne rencontre pas son objectif.

Un deuxième élément, ce sont les 20 % de financement liés au conventionnement. J'entendais le Pr Gillet, qui n'est pourtant pas suspect aujourd'hui, expliquer que c'est un peu comme si on finançait les partis politiques en fonction du fait que l'opposition vote au moins 20 % des projets de la majorité. Non! En fait, ce n'est pas une question de pourcentage. C'est une question de principes, de droit syndical tout simplement, comme je vous l'ai déjà indiqué antérieurement. Il me semble que cette façon de procéder n'est pas compatible avec le respect d'un certain nombre de principes fondamentaux.

Ensuite, pour ce qui concerne la suspension du numéro INAMI, je constate qu'on progresse, mais il faut que cela se fasse toujours dans le cadre d'une procédure contradictoire avec le respect du droit de la défense.

Enfin, je conclus sur les suppléments d'honoraires. On est vraiment là dans l'irrationalité! Fixer dans la loi des suppléments d'honoraires sur la base de la nomenclature actuelle et du financement des hôpitaux actuel, en disant qu'on les appliquera en 2028, à un moment où normalement le financement des hôpitaux et la nomenclature ne seront plus ce qu'ils sont aujourd'hui, est complètement irrationnel. Fixer d'ores et déjà des pourcentages sur une base qui n'existera plus quand elle sera appliquée, cela n'a aucun sens!

Je pense donc qu'il faut garder l'idée de lier la fixation des suppléments d'honoraires – dont je suis un partisan – à l'effectivité d'une nouvelle nomenclature et d'un nouveau type de financement des hôpitaux, sinon on s'engage aujourd'hui sur une base qui n'existera plus en 2028.

Par ailleurs, je rappelle que les suppléments d'hôpitaux sont payés par les compagnies d'assurance et par les mutuelles, et pas par le patient. Ce sont ainsi plus de 90 % des suppléments d'honoraires qui, aujourd'hui, ne sont pas payés par le patient. Cela signifie que toute restriction des suppléments est à chaque fois un énorme cadeau consenti aux compagnies d'assurance et aux mutuelles. Je me permets quand même d'émettre une certaine réserve par rapport à cette méthode.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, we zijn trots op de toegankelijke, kwalitatieve en betaalbare gezondheidszorg in België. We zijn het er ook allemaal over eens dat om die gezondheidszorg toegankelijk, kwalitatief en betaalbaar te kunnen houden, we hervormingen en investeringen nodig hebben. Dat staat in het regeerakkoord. We moeten investeren en hervormen, onder meer om de tariefzekerheid voor onze patiënten te bewaren, om te zorgen voor een zekere voorspelbaarheid van de gezondheidsfactuur voor wie zorg nodig heeft, zorg die we absoluut willen kunnen geven.

Daarvoor moeten we hervormen. Tot daar zijn we het allemaal eens. Die hervormingen moeten ook concreet gemaakt worden. Er zijn een aantal grote werven in de gezondheidszorgsector, net zoals in andere sectoren in onze samenleving. De oefening van de herijking van de nomenclatuur loopt al meer dan vijf jaar, samen met andere actoren, zoals onderzoekcentra, universitaire centra, beroepsorganisaties, artsen en specialisten. Laat ons die oefening afwerken.

Ook over de ziekenhuisfinanciering en de hervorming van het ziekenhuislandschap loopt de oefening. Elke keer is er discussie als het concreet gaat over zorg als het kan en gespecialiseerde zorg als het nodig is, maar laat ons die oefening maken. We moeten dat doen. Vandaag nog schrijft een CEO van een ziekenhuis dat we in België 20 ziekenhuizen te veel hebben. We moeten het daar zelfs niet mee eens zijn, maar het toont wel aan dat we een aantal zaken moeten hervormen in de ziekenhuissector. Op sommige afdelingen hebben we bedden te veel en op andere te weinig. Dat weten we. Laten we daar ingrijpen. Laten we ook naar andere zaken kijken, zoals de hervorming van de verpleegkundig beroep, de zorgladder zoals dat wordt genoemd. We zullen al die handen aan het bed nodig hebben, maar we moeten die hervormingen wel durven doorvoeren.

Mijnheer Bacquelaine, Vooruit wil inderdaad nu ook al een kader creëren voor de supplementen, want we kunnen niet gewoon beslissen om een herijking van de nomenclatuur te doen, wat betekent schuiven van het ene naar het andere, tenzij men beslist om dat naar boven te doen, wat de groeinorm niet toelaat. We moeten dus een kader creëren om te vermijden dat men twee keer langs de kassa passeert. Dat gaat niet, dus men heeft daar een kader voor nodig. Over de hoogte van dat kader kan men discussiëren, maar we hebben een kader nodig, ook voor de ambulante sector die onder meer actief is in de ziekenhuizen. We hebben dat nodig.

Moet dat in overleg afgesproken worden? Natuurlijk moet dat in overleg afgesproken worden. Wordt er overlegd met alle gezondheidszorgberoepen? Ja. Iedereen die in het Verzekeringscomité vertegenwoordigd is - en dat is ongeveer iedereen - is betrokken bij het overleg. Het Verzekeringscomité heeft zijn advies kunnen geven en zal dat ongetwijfeld opnieuw doen, op vraag van de minister en de regering of op eigen initiatief.

Overleggen moeten we doen. Laten we het overlegmodel echter ook eren en soigneren. Men mag overleggen, de akkoorden- en conventiecommissies kunnen hun taken blijven uitvoeren. Daar wordt niet aan geraakt. Laten we echter ook intellectueel eerlijk zijn. Ik hoor hier vragen of de conventie afgeschaft wordt. In welke tekst staat dat dan in godsnaam? Ik heb hier gelukkig niemand meer horen spreken over staatsgeneeskunde, die demagogie zijn we gelukkig al voorbij. Iedereen beseft dat het daar niet over gaat. Laten we effectief verder gaan er durven. We zullen hier en daar moeten hervormen.

Verandering roept weerstand op, dat geldt in elke sector. We moeten echter veranderen en hervormen, met het oog op het bewaren van ons goede systeem van gezondheidszorg. Dat is ons aller verantwoordelijkheid.

Kathleen Depoorter:

Collega's, in de zorg moet er inderdaad hervormd worden. Daar hebben we een afspraak over gemaakt. Die afspraak is het regeerakkoord. Ik bekijk het regeerakkoord echter niet met de ogen van Vooruit, maar met de ogen van Arizona. Dan kijk ik heel graag naar wat daar eigenlijk in staat en wat er niet in staat.

Mijnheer de minister, als u het hebt over de ereloonsupplementen en de excessen daarin, dan staat dat er inderdaad in. In de ziekenhuizen. Dat staat heel duidelijk op pagina 107 van het regeerakkoord. Als u het hebt over maximumtarieven, die staan er ook in, bij geconventioneerde artsen. Dat staat op pagina 110 van het regeerakkoord.

Als we het dus hebben over intellectueel eerlijk zijn, moeten we het hebben over de afspraken die we gemaakt hebben. Dan kunnen we niet beginnen te discussiëren over zaken waar we in de onderhandelingen over het regeerakkoord acht maanden lang over gediscussieerd hebben en die wel op tafel hebben gelegen, maar in het regeerakkoord niet weerhouden zijn. Daar moeten we toch intellectueel eerlijk over zijn, mijnheer de minister?

Een vraag waar ik ook heel weinig antwoord op krijg, betreft die 600 miljoen van de verzekeringen. Dat zijn privémiddelen, middelen van de mutualiteiten, middelen van de verzekeraars. Wie zal die betalen? Waar gaat u met die middelen naartoe? Zijn het de mutualiteiten die we hier het rijk aan maken zijn of hoe gaat u daarmee om? U geeft daar geen antwoord op.

U hebt het zelf gezegd, mijnheer de minister, de ziekenhuisfinanciering, de hervorming van de nomenclatuur en het aanpakken van de ereloonsupplementen zijn inderdaad zaken die met elkaar samenhangen. Als we intellectueel eerlijk willen zijn, moeten we die discussies ook samen voeren. Er zijn in deze kaderwet alvast stappen gezet, maar we zijn er nog niet. Er is nog overleg nodig.

Frank Vandenbroucke:

Ik wil nog kort tussenkomen over een feitelijk punt. Daarna heeft mevrouw Depoorter uiteraard nog haar wederwoord. Er bestaat een enorm misverstand over die 600 miljoen, of welk bedrag het ook precies is. Dat cijfer is het resultaat van een bevraging over ereloonsupplementen in ziekenhuizen. Het huidige gemiddelde ligt onder het plafond dat ik voorstel.

Men moet mij dan uitleggen waarom er per definitie minder dan 600 miljoen zou worden opgehaald als het gemiddelde onder het voorgestelde plafond ligt. Het kan zijn dat ik mij vergis en dat er iets bijzonders aan de hand is waardoor men, zelfs met een plafond boven het gemiddelde, plots veel minder opbrengst heeft. Het kan zijn dat ik mij vergis.

De idee dat er zomaar 600 miljoen verloren zou gaan, is dus vreemd. Ik heb de ziekenhuiskoepels gevraagd om dat uit te leggen, met cijfers en bewijzen op tafel. Als er een limiet wordt voorgesteld die hoger ligt dan het gemiddelde en dat gemiddelde komt overeen met 600 miljoen, waarom zou men dan minder ophalen? Nogmaals, het kan zijn dat ik mij vergis. Ik ben zeker bereid om dat te herbekijken, maar men moet dat dan wel uitleggen.

Stel nu – hypothetisch – dat die beperking er toch toe leidt dat men geen 600 miljoen meer kan ophalen, maar 550 miljoen of nog minder. Het is mogelijk dat ik me vergis om een of andere reden. Misschien klopt de eenvoudige algebra niet. Mijn engagement blijft echter hoe dan ook dat de ziekenhuizen hun financiering krijgen. Sterker nog, ik herhaal – en ik heb dat ook op papier gezet voor de ziekenhuiskoepels – dat wanneer de nieuwe financiering ingaat, zij voldoende basisfinanciering moeten hebben vanaf het begin, zodat er geen enkele afdracht gevraagd hoeft te worden, niet op het basishonorarium en ook niet op het supplement. Die twee zaken moeten toch wel in overweging worden genomen.

Omdat ik echt niet begrijp waarom men met 125 % plots die 600 miljoen zou verliezen, heb ik de ziekenhuiskoepels gevraagd om dat toe te lichten. Ik heb hen gevraagd om dat te documenteren. Er is wellicht een verklaring. Ik wil ook begrijpen waarom men in het ene ziekenhuis een maximum van 300% nodig acht, terwijl in een ander ziekenhuis helemaal niets nodig blijkt te zijn. Mogelijk ontgaan mij bepaalde zaken, maar dan moet men mij dat uitleggen.

Mevrouw Depoorter, tot slot wil ik zeggen – en dat zonder te willen polemiseren – dat het argument dat die 600 miljoen weg is volgens de eenvoudige algebra helemaal niet opgaat, wel integendeel. Ik kan me echter vergissen.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het gaat om cijfers die berekend zijn. Dat bewijst toch enigszins dat u hier nattevingerwerk hebt geleverd.

Frank Vandenbroucke:

Nee.

Kathleen Depoorter:

U hebt zelf de cijfers niet.

Frank Vandenbroucke:

Jawel, we hebben die cijfers wel. Ik heb ze alleen niet per ziekenhuis.

Kathleen Depoorter:

U komt hier met een voorstel, maar u beschikt niet over de nodige cijfers.

Ik heb nog een tweede punt, mijnheer de minister. De verzekeringen betalen ereloonsupplementen tot 200 % terug. Als we het dan hebben over 600 miljoen euro bij een limiet van 125 %, zoals u voorstelt, dan spreken we nog altijd over honderden miljoenen euro's.

Ten derde, u bent als socialist, zo zegt u toch, altijd zeer begaan met de factuur van de patiënt. Welnu, aan de factuur van de patiënt wordt hier eigenlijk niet geraakt. Het zijn de hospitalisatieverzekeringen die betalen. Zult u er dan ook voor zorgen dat de premies dalen? Zult u daarover met de mutualiteiten onderhandelen? U weet immers toch dat een hospitalisatieverzekering voor iemand op leeftijd heel duur wordt. Volgens u is dat niet meer nodig.

Ik vind dat u echt wel een loopje neemt met de verschillende facetten van deze discussie, mijnheer de minister. U weet zeer goed dat het gaat over 600 tot, volgens sommige berekeningen, zelfs 800 miljoen euro. U komt naar de Kamer met cijfers die u zelf niet hebt – cijfers die u nog moet opvragen bij de ziekenhuiskoepels – en dan beweert u dat alles correct is berekend.

Frank Vandenbroucke:

Ik wil dat even verduidelijken, als ik mag. Ik wil niet polemiseren, maar we weten perfect, op basis van enquêtes, wat de som is. Dat weten we. Die som kunnen we uitdrukken als een gemiddelde op de erelonen en dat gemiddelde is lager dan die 125 %. Dat weten we perfect.

Wat ik niet weet, is waarom men in sommige ziekenhuizen zegt dat men veel meer nodig heeft. Dat weet ik niet. Daarom heb ik de ziekenhuiskoepels gevraagd om dat uit te leggen. Misschien vergis ik mij, maar dat ze me dat dan uitleggen. Daarom heb ik expliciet aan de ziekenhuiskoepels gevraagd om per ziekenhuis toelichting te geven.

Hoeveel afdrachten hebt u op de supplementen? Wat betekent dat voor uw ziekenhuis? Hoeveel afdrachten hebt u op het basishonorarium? Ik kan mij immers voorstellen dat er ziekenhuizen zijn met veel afdrachten op veel supplementen en weinig op het basishonorarium. Daardoor wordt het natuurlijk veel interessanter om in zo’n ziekenhuis te werken dan in een ander. Is dat dan zo gezond? Dat weet ik niet. Die klaarheid ontbreekt dus volledig, vandaar de vraag die ik stel.

Die 600 miljoen euro is gemiddeld minder dan de limiet die ik voorstel. Ik kan mij vergissen, want ik beschik niet over de gegevens per ziekenhuis. Ik heb die opgevraagd. Men mag mij bewijzen dat dat onleefbaar is. Als dat zo is, dan is er geen enkel probleem.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, dat bewijst mijn stelling dat u nu aan nattevingerwerk doet. U moet eerst uitklaren hoeveel u precies nodig hebt voor de hervorming van de ziekenhuisfinanciering. Daarom kunnen die maximumpercentages vandaag nog niet vastgelegd worden. Dat begrijpt toch iedereen?

La présidente : Normalement, le débat est terminé.

Irina De Knop:

Mevrouw de voorzitter, als er een discussie ontstaat tussen twee regeringspartijen, voel ik mij als oppositielid toch geroepen om daar nog een woordje aan toe te voegen.

We raken hier inderdaad aan de kern van de zaak. De essentie van uw hele hervorming, uw focus op de ereloonsupplementen, houdt in dat er een voordeel voor de hospitalisatieverzekeringen en de mutualiteiten ontstaat. Dat moet uiteraard mee in rekening worden gebracht in het globale overleg en het globale debat. Dat aspect blijft vandaag volledig onderbelicht. Dat zorgt ervoor, mijnheer de minister, dat er nog meer bezorgdheid, ongerustheid en kwaadheid heerst bij die groep artsen die zich in uw hele budgettaire verhaal sterk geviseerd voelt. U bent op zoek naar middelen, maar u kijkt slechts naar één specifieke partij om die te vinden, zonder dat er sprake is van een compensatie.

Ik hoor hier verschillende partijen uit uw regering zeggen dat er absoluut geen sprake kan zijn van uw kaderwet, met de ereloonsupplementen daarin vervat. Het is vandaag bijzonder moeilijk om oppositie te voeren, want de oppositie zit in uw eigen regering. Gelukkig maar zou ik zeggen, want dat zal er hopelijk voor zorgen dat u die wetgeving niet nog voor 21 juli door het Parlement probeert te jagen. Zoals ik het begrijp, is dat inmiddels quasi onmogelijk geworden.

Dat neemt echter niet weg dat u blijkbaar absoluut uw strijd met de ziekenhuizen wilt aangaan. U wilt volledige transparantie. U wilt dat zij alle kaarten op tafel leggen. U gebruikt de kaderwet en de ereloonsupplementen als pasmunt. Dat is zeer duidelijk. U gebruikt daarvoor de beroepsgroep van de artsen. Eerlijk gezegd vind ik dat een minister onwaardig. Als minister van Volksgezondheid zou u toch een meer pragmatische aanpak kunnen voorstellen.

Tot slot herhaal ik mijn vraag om een uitgebreider debat over deze problematiek en de hervormingen te kunnen voeren. Ik zal met mijn collega’s overleg plegen over de manier waarop wij dat op de kortst mogelijke termijn kunnen doen. Het is duidelijk dat de debatten hier in het Parlement moeten worden gevoerd en niet alleen in de media.

La présidente : L'invitation à poursuivre la discussion ici tout prochainement est donc lancée, monsieur le ministre.

Frank Vandenbroucke:

(…) La présidente : Vous pouvez constater l'intérêt de tous ici. Je pense que la transparence ici est préférable aux échos glanés ç à et l à ou, pire, au fait que les gens manifestent leur mécontentement dans la rue. Oui, ils manifestaient leur mécontentement dans la rue. Il y a, je crois, un peu trop de col è re en ce moment.

De gevolgen voor de gezondheid van het roken van namaaksigaretten
Illegale sigaretten
Illegale sigaretten
De gezondheidsrisico's van illegale en namaaksigaretten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het KPMG-rapport (juni 2025) signaleert dat 1 op 3 sigaretten in België illegaal is (30% marktaandeel, +13% groei in 2024), wat €0,5 miljard belastingverlies en gezondheidsrisico’s (oncontroleerde, mogelijk schadelijkere producten) met zich meebrengt, terwijl legale verkoop daalt. Minister Vandenbroucke wijst het rapport af als industrie-gestuurd (in strijd met WHO-art. 5.3) en benadrukt dat volksgezondheidsdata (Sciensano) de échte maatstaf zijn, maar erkent dat illegale handel (inclusief e-sigaretten met verboden stoffen) en tabakstoerisme dringend moeten worden aangepakt via versterkte handhaving (samenwerking Douane, inspecties, Europese prijsharmonisatie). Hij zet in op structurele rookstopmaatregelen (neutrale verpakkingen, rookvrije zones, toegankelijke hulp zoals Champix) en Europese afstemming (herziening accijnsrichtlijn), maar ontkent dat Nederland/Frankrijk "slechte leerlingen" zijn—integendeel, hun hoge accijnzen noemt hij juist effectief. Kritische parlementsleden dringen aan op concrete actie: meer personeel voor controles, samenwerking met buurlanden/EU, en streng toezicht op samenstelling illegale producten om de "achterdeur" te sluiten zonder het uitdoofbeleid te ondermijnen.

Meyrem Almaci:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, in juni 2025 heeft KPMG een rapport gepubliceerd over de consumptie van illegale sigaretten. Ik kom net uit de commissie voor Financiën, waar er ook een vraag werd gesteld over dat thema. De minister van Financiën heeft verwezen naar de Douane en had het vanuit zijn bevoegdheid over de verschillende checks-and-balances.

Hier gaat het echter over de effectiviteit van ons gezondheidsbeleid. Terwijl de legale verkoop daalt, stijgt de consumptie van illegale sigaretten, die natuurlijk goedkoper worden verkocht en wellicht – ik wik mijn woorden – nog ongezonder zijn dan de sigaretten die legaal verkrijgbaar zijn. KPMG heeft een schatting gemaakt: een half miljard euro aan belastinginkomsten gaat verloren. Dat is echter niet de belangrijkste kwestie.

De vraag is welk gezondheidsverhaal daarachter schuilgaat. KPMG schat dat een op drie gerookte sigaretten vandaag ofwel illegaal ofwel via buitenlandse kanalen ons land binnenkomt. Kortom, als we de voordeur sluiten, is het niet de bedoeling dat de achterdeur open blijft staan en er nog ongezondere producten binnenkomen. Een goed gezondheidsbeleid moet ervoor zorgen dat we de tabaksvrije toekomst ook daadwerkelijk kunnen vormgeven.

Gezien de situatie met de opkomst van vapes en gezien de situatie in Nederland en Frankrijk, die tot de slechtste leerlingen behoren en onze directe buurlanden zijn, lijkt actie aangewezen.

Kent u het rapport? Dat rapport heeft natuurlijk ook een specifieke opdrachtgever; dat zal u ongetwijfeld bekend zijn. Welke conclusies trekt u echter uit het rapport? Komt het rapport overeen met de gegevens waarover u zelf beschikt?

Welke acties plant u om de handel in illegale sigaretten aan te pakken, parallel met het uitdoofbeleid via legale weg?

Is er overleg met de buurlanden?

Op welke manier wilt u met andere instanties, zoals de Douane, samenwerken om de achterdeur te sluiten en de verschuiving naar illegale sigaretten tegen te gaan, zodat wij de gezondheidsdoelstellingen die wij nastreven, ook daadwerkelijk kunnen bereiken?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, selon les résultats d'une étude KPMG, près d'un tiers des cigarettes consommées en Belgique en 2024 proviendraient de circuits non domestiques et illégaux: contrebande, contrefaçon ou achats transfrontaliers. Ces chiffres inquiétants soulignent une perte d'efficacité potentielle des politiques de santé publique en matière de lutte contre le tabagisme.

L'augmentation des taxes combinée aux restrictions sur les produits légaux vise à dissuader la consommation de tabac, mais elle semble aussi inciter certains consommateurs à se tourner vers des produits issus de l'étranger et/ou non contrôlés, échappant à toute régulation sanitaire. Il est aussi pertinent de se demander comment se porte le marché national des alternatives au tabac, comme les cigarettes électroniques, depuis la forte hausse des accises en 2024. Dès lors, le risque est alors double pour les consommateurs, car en plus de générer une perte de recettes fiscales pour l' É tat, ces derniers tendent vers des produits dont la qualité n'est pas contrôlée.

Monsieur le ministre, comment évaluez-vous aujourd'hui l'efficacité de la politique fédérale anti-tabac face à la montée de la contrebande des produits illégaux? Disposez-vous d'estimations concernant la proportion de cigarettes illégales consommées par des jeunes ou des publics à bas revenus et leur exposition accrue à des produits non réglementés? Travaillez-vous en coordination avec les ministres des Finances et de l'Intérieur pour garantir que la politique de lutte contre le tabagisme ne soit pas contournée par le marché noir? Enfin, quelles pistes envisagez-vous pour adapter la stratégie anti-tabac afin qu'elle reste efficace, crédible et socialement équitable face à ces nouvelles réalités? Des circuits de contrebande d'e-liquides existent-ils en Belgique? Avez-vous identifié des produits nocifs pour les e-liquides et les cigarettes contrefaites?

Els Van Hoof:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Het recent gepubliceerde KPMG-rapport stelt dat de illegale markt voor sigaretten in 2024 met 13 procent toegenomen is. Maar liefst 15.2% van alle sigaretten in België waren vorig jaar illegaal. De illegale handel in rookwaren breidt zich alsmaar uit, zowel in omvang als in aard, terwijl de legale handel net afneemt. Deze toename heeft nefaste effecten op de volksgezondheid en verzwakt het tabaksbeleid. Het is duidelijk dat de strijd tegen illegale sigaretten moeten worden opgevoerd. Tijdens de bespreking van uw beleidsnota gaf u alvast aan te willen inzetten op extra handhaving.

Daarom stel ik de volgende vragen aan u:

- Welke concrete maatregelen zal u nemen als reactie op dit rapport, onder meer in samenwerking met de minister van Financiën en Binnenlandse Zaken? Hoe zal u de handhaving concreet versterken?

- Kunt u verduidelijken of er toezicht gehouden wordt op de mogelijke veranderende samenstelling van illegale rookwaren? Op welke wijze wordt dit in kaart gebracht en welke concrete maatregelen worden genomen als ernstige risico’s voor de volksgezondheid worden vastgesteld?

- Zijn er duidelijke afspraken met buitenlandse toezichthouders of Europese instanties om relevante informatie over deze illegale rookwaren snel uit te kunnen wisselen?

Frank Vandenbroucke:

L'objectif des mesures anti-tabac est de conduire à une diminution du nombre de fumeurs et, par conséquent, à une diminution des maladies évitables et des décès prématurés dus au tabagisme. Comparativement à la taille du marché illicite, les tendances en matière d'utilisation des produits du tabac et la prévalence des maladies liées au tabac constituent donc un bien meilleur moyen de mesurer la politique menée. J'attends donc avec impatience les chiffres de la dernière enquête de santé de Sciensano.

Bien entendu, ces données ne pourront pas encore refléter l'impact des mesures récentes prises dans le cadre de la stratégie interfédérale 2022-2028 pour une génération sans tabac. En outre, il est déconseillé d'évaluer la politique sur la base des données de l'industrie, car c'est bien de cela qu'il s'agit. Ces discussions autour du commerce illicite reviennent chaque année avec la publication de ce rapport, avec notamment des messages d'alerte sur les taxes manquées, la proportion croissante de cigarettes illégales et l'échec de la politique.

Je sais très bien que l'industrie n'est que trop heureuse d'utiliser ces rapports, qu'elle sponsorise elle-même et pour lesquels elle fournit des données, pour jouer sur l'opinion publique politique et créer plus d'opposition aux mesures antitabac. Après tout, KPMG elle-même écrit en guise d'avertissement à propos de ces recherches, je cite: "This report is not suitable to be relied on by any party other than the beneficiary wishing to acquire rights or assert any claims against KPMG LLP for any purpose or in any context. As such, any person or entity other than the beneficiary who reads this report and chooses to rely on it or any part of it will do so at their own risk."

De twijfelachtige financiering en methodologie ondermijnen de geloofwaardigheid ervan, en bijgevolg zal ons beleid nooit op een dergelijk rapport worden gebaseerd. Dat is overigens in overeenstemming met artikel 5.3 van het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie, dat de onafhankelijkheid van het volksgezondheidsbeleid ten opzichte van de tabaksindustrie garandeert.

Tot zover mijn mening over het rapport.

Dat alles neemt niet weg dat illegale handel met prioriteit moet worden aangepakt. De inspectiediensten van de FOD Volksgezondheid en de Douane van de minister van Financiën voeren daartoe intensieve controles uit, zowel in fysieke winkels als online, op klassieke tabaksproducten en e-sigaretten. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat er illegale circuits van e-sigaretten bestaan, met producten die zelfs verboden psychoactieve stoffen bevatten. Sciensano werkt aan een snelle risicobeoordeling, onder meer op vraag van de algemene cel Drugsbeleid.

Ook het tabakstoerisme baart mij zorgen. Wanneer buurlanden verschillende accijnsniveaus hanteren, ondermijnt dat uiteraard het nationale beleid. Ik verschil van mening met u waar u stelt dat de situatie in Nederland en Frankrijk het slechtste zou zijn; ik beschouw die landen eerder als de goede leerlingen van de tabaksaccijnsklas. Ik juich dan ook toe dat mijn collega bevoegd voor Financiën samen met veertien andere lidstaten een brief heeft ondertekend, gericht aan de Europese Commissie, om aan te dringen op een herziening van de tabaksaccijnsrichtlijn. De vorige richtlijn is inmiddels al veertien jaar oud en in die tijd is het Europese accijnsbeleid een lappendeken geworden.

Harmonisatie van prijzen is essentieel om oneerlijke concurrentie te vermijden. Ondertussen blijven inspecties cruciaal, maar structurele gezondheidsdoelen bereikt men enkel via een breed gecoördineerd rookstopbeleid, met rookvrije omgevingen, neutrale verpakkingen, rookstopondersteuning en sterke regelgeving, zoals u die ook terugvindt in de interfederale strategie waarop wij ons baseren en in het regeerakkoord.

En outre, les collègues des Régions sont également impliqués pour veiller à ce qu'un plus grand nombre de fumeurs trouvent le chemin de l'aide au sevrage tabagique. Le retour du Champix en tant qu'aide au sevrage tabagique contribuera également à l'augmentation du nombre de fumeurs qui arrêtent de fumer.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, merci pour tous les éléments que vous avez apportés. Vous attendez les chiffres de Sciensano, et je suis rassuré de voir que vous vous basez sur des études scientifiques. Je vous serai reconnaissant de nous transmettre ces chiffres dès qu'ils seront en votre possession.

Je suis également ravi d'entendre que la lutte contre le commerce illégal est une priorité pour vous. Nul doute que vous vous coordonnerez sur ce point avec vos collègues du gouvernement et des Régions.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de minister, voor Nederland en Frankrijk ging het over de aanwezigheid van illegale sigaretten en niet over de legale beslissingen die die landen hebben genomen – waar ik overigens een voorstander van ben.

De harmonisatie van de prijzen en de Europees tabaksaccijnsrichtlijn lijken me een bijzonder belangrijk spoor. Ik ga ervan uit dat u dit ook op tafel zult leggen in de contacten met uw Europese collega's, zodat we er ten minste binnen de Europese Economische Ruimte voor zorgen dat die verschuivingen zo veel mogelijk worden beperkt. Via het vliegtuig – dat betreft natuurlijk gebieden buiten Europa – of via de trein naar Engeland wordt het immers al een stuk moeilijker om aan dat soort grensaankopen te doen. In die zin denk ik dat daar nog een grote winst te boeken valt. Op die manier kunnen we die achterdeur toch beter sluiten.

Tegelijkertijd ben ik ook dankbaar dat u verwezen hebt naar e-sigaretten en naar alles wat daar al dan niet in zit. Ik denk dat een strenge controle, met inzet van de Douane en met regelmatige inspecties en leeftijdscontroles in verschillende winkels, de eerste jaren echt noodzakelijk blijft. Zo kunnen we dit systeem van illegale verkoop – God mag weten wat er in al die sigaretten zit – hopelijk uitroeien. Dat vormt op zich nog een bijkomend gezondheidsrisico.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, het is een typisch argument wanneer men iets wil ondernemen tegen bepaalde machtige sectoren, of het nu gaat over gokken, tabak of zelfs spermadonatie: men waarschuwt altijd voor de illegale industrie en grensoverschrijdende aankopen, om op die manier te argumenteren dat het niet veel zin heeft om actie te ondernemen. Ik zou u vooral willen aanmoedigen uw beleid inzake tabak verder te zetten. Ik laat mij ook niet overtuigen door rapporten die door de sector zelf betaald worden. Die wijzen immers steevast naar die illegale markt. Dat consumenten de grens oversteken, moeten we met de nodige omzichtigheid bekijken. Handhaving vind ik wel erg belangrijk en dat staat gelukkig ook in uw beleidsnota. We kunnen zoveel maatregelen bedenken als we willen, zonder handhaving zullen deze overtreden worden. We moeten dus de wortel en de stok gebruiken. De stok moet zeker worden gehanteerd via inspecties. Daarvoor zijn bijkomende personeelsleden nodig. Ik weet dat dit ook werd opgenomen in de beleidsnota en de beleidsverklaring. Ik hoop dat daar binnen afzienbare tijd ook gevolg aan wordt gegeven.

Het farmaceutische meerjarenkader
Het remgeld voor geneesmiddelen
Het geneesmiddelenbeleid
Het geneesmiddelenbudget en de impact op de portemonnee van de patiënt
Financiering en toegankelijkheid van geneesmiddelenbeleid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke stelt een hervorming van het farmabudget voor om de jaarlijkse groei van 7-8% (te hoog vs. de gezondheidsgroeinorm) af te remmen door het aandeel te beperken tot 17,3% van het gezondheidsbudget (besparing: 466 miljoen euro in 2026). De farmaceutische industrie (57% inspanning), patiënten (via minimumprijzen remgeld, bv. statines en maagzuurremmers), artsen (goedkopere voorschriften), apothekers (antibiotica-verspilling) en mutualiteiten dragen bij, met herinvestering in de maximumfactuur en snellere toegang tot innovatieve geneesmiddelen via een apart budget. Kritiek richt zich op de verantwoordelijkheid bij patiënten (prijsverhogingen voor medicatie die artsen voorschrijven) en het risico op toegankelijkheidsproblemen, terwijl anderen pleiten voor meer focus op voorschrijfgedrag van artsen en herinvestering in innovatie. Het farmaceutisch meerjarenkader (nog in onderhandeling) moet structurele oplossingen bieden, inclusief tekortbestrijding en duurzaam beheer.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, een zeer grote uitdaging voor de begroting van de ziekteverzekering de komende jaren ligt bij de uitgaven voor farmaceutische verstrekkingen; dat is geen verrassing. Bij ongewijzigd beleid, wat niet onze wens is en volgens mij ook onhoudbaar, spreken we over ramingen die uitgaan van een jaarlijkse groei van meer dan 7 of 8 %. Dat ligt dus fors boven de reële groeinorm. Het farmabudget slorpt op die manier een steeds groter aandeel van het RIZIV-budget op, als we dat laten gebeuren. Dat betekent dat er een kleiner deel van de taart voor bijvoorbeeld andere zorgverstrekkers overblijft.

Daarnaast en tegelijk is de nood hoog bij patiënten met specifieke zorgbehoeften. Zij wachten ongeduldig op een snellere toegang tot innovatieve behandelingen. Andere patiënten vrezen dan weer dat het risico van onbeschikbaarheid voor sommige noodzakelijke geneesmiddelen groter wordt of zich daadwerkelijk zal voordoen.

Om die redenen hebben we in het regeerakkoord afgesproken dat er tijdens deze legislatuur een farmaceutisch meerjarenkader zou worden uitgewerkt. Het is een soort van kompas om ons geneesmiddelenbeleid financieel houdbaar te houden, dat tegelijk beantwoordt aan terechte maatschappelijke noden, bijvoorbeeld inzake de beschikbaarheid van geneesmiddelen.

Mijnheer de minister, hoever staat u met de uitwerking van dat meerjarenkader en het overleg met de farmaceutische sector?

Hoe is dat overleg verlopen of hoe verloopt het momenteel, niet alleen met de farmaceutische sector, maar ook met alle andere actoren die een invloed op het geneesmiddelenbudget hebben? Ik denk aan de industrie, artsen, voorschrijvers, verzekeringsinstellingen, apothekers, parallelimporteurs enzovoort.

Is er al overeenstemming bereikt om in een apart budget te voorzien voor nieuwe noodzakelijke maatregelen inzake fast and early access ?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het geneesmiddelenbeleid is zeer belangrijk. Innovatieve geneesmiddelen nemen ongeveer 17 % van het geneesmiddelenbudget in. We hebben afgesproken dat er een meerjarenplan gemaakt zou worden, een duidelijk plan, vastgelegd na dialoog en waarbij hervormingen horen.

U hebt al een aantal plannen in de pers toegelicht, waaronder een aanpassing van het remgeld en de terugbetalingsregeling voor bepaalde medicatie. Naar ik aanneem, was dat maar een heel klein deeltje van uw plannen. Die maatregelen worden uiteraard ingegeven door de noodzaak om het gezondheidsbudget toekomstbestendig te maken, maar ook om op lange termijn kwaliteitsvolle zorg en innovatie te kunnen blijven garanderen voor onze burgers.

Mijnheer de minister, kunt u duiding geven bij de precieze doelstellingen van de hervormingen, bijvoorbeeld de aanpassingen van het remgeld voor bepaalde geneesmiddelen?

In welke mate zal uw hervorming of uw hervormingsplan patiënten helpen om toegang te houden tot betaalbare zorg en innovatie? Zult u ervoor zorgen dat we een betere score halen voor de WAIT-indicator dan in de voorbije jaren?

Plant u evaluatiemomenten om het effect van die maatregelen op zowel de budgettaire doelstellingen als de toegankelijkheid van zorg op te volgen?

Eigenlijk zijn er momenteel twee discussies aan de gang, een discussie over het meerjarenplan en een discussie over de hervorming van de management entry agreements , de contracten. Worden die discussies op een of andere manier gekoppeld? Verlopen de gesprekken goed?

Ik heb ook nog een vraag over de wet houdende diverse bepalingen die op komst is, maar waarvan ik de tekst nog niet heb kunnen doornemen. Staan in die wet voorafnames inzake tijdelijke contracten? Wat is de planning ter zake?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je lis dans la presse que vous avez présenté une note au gouvernement le 3 juillet dernier pour limiter les dépenses liées aux médicaments, qui ne cessent en effet d'augmenter au fil des années. L'objectif est de plafonner la part de ce budget à 17 % du budget des soins de santé, soit une économie de 432 millions d'euros en 2026.

Parmi les mesures envisagées, je lis que vous pensez sérieusement à faire payer directement le patient en augmentant le coût d'un certain nombre de médicaments, d'abord en relevant le ticket modérateur pour tous les médicaments d'un euro par boîte pour les bénéficiaires de l'intervention majorée (BIM) et de deux euros pour les autres et, ensuite en diminuant le remboursement de certains médicaments spécifiques. Parmi ceux-ci, il y a les statines, comme le Zocor ou le Lipitor, qui traitent le cholestérol, mais qui visent aussi plus largement à prévenir les AVC. Sont également dans votre viseur les médicaments qui réduisent l'acidité gastrique, les inhibiteurs de la pompe à protons (IPP), comme le Pantomed ou le Nexiam. Avec votre réforme, le prix pour le patient pour une boîte de 56 comprimés de Pantomed 40 mg passerait donc de 4,70 euros à 15,20 euros.

Monsieur le ministre, vous le savez pertinemment, les médicaments que vous visez doivent être prescrits par un médecin. Ce n'est donc pas le patient qui décide de son plan de traitement. Mais où allons-nous, alors? Vous allez donc faire payer les patients, alors qu'il faudrait – si on suit votre logique de la surprescription – prendre des mesures pour modifier les comportements de prescription des médecins.

Monsieur le ministre, quelles sont les mesures contenues dans ce plan visant la réduction du budget des médicaments? À quelle hauteur les mesures qui impacteront directement le portefeuille des patients s'élèveront-elles? Quels types de médicaments seront-ils concernés par une hausse de prix pour les patients? Des mesures sont-elles envisagées pour favoriser concrètement une prescription appropriée des médicaments dans le chef des médecins? À quelle hauteur l'industrie pharmaceutique contribuera-t-elle dans ce cadre?

Frank Vandenbroucke:

We zullen op het vlak van geneesmiddelen inderdaad een zeer grote inspanning moeten leveren. Dat heeft te maken met het feit dat de uitgaven voor geneesmiddelen, als we niets ondernemen, jaarlijks met 7 tot 8 % stijgen. Dat is aanzienlijk meer dan de groeinorm van het algemeen gezondheidsbudget en de index die daarop wordt toegepast. Als we geen maatregelen nemen, zal het geneesmiddelenbudget volgend jaar meer dan de helft opslorpen van de marge die we door de groeinorm verkrijgen.

Die groeinorm is bedoeld voor gerichte investeringen in prioriteiten binnen de gezondheidszorg en om de vergrijzing op te vangen, niet om eender welke stijging in het uitgavenvolume, laat staan overconsumptie, te absorberen. Wat we uitgeven aan geneesmiddelen, kunnen we niet besteden aan andere zorg. Ik geef als voorbeeld enkele andere prioriteiten: de versterking van onze eerstelijns psychologische ondersteuning of de tand- en mondzorg.

Daarom zal de regering voorstellen om het nettogeneesmiddelenbudget vast te leggen op 17,3 % van het nettogezondheidszorgbudget. Zo zorgen we ervoor dat de uitgaven voor geneesmiddelen niet sneller stijgen dan de som van de groeinorm en de index. Het gaat dus om een vast percentage van het groeiend budget.

Die doelstelling vergt volgend jaar een inspanning van 466 miljoen euro binnen het geneesmiddelenbudget. Dat is een enorme opdracht. Aangezien het globaal budget voor geneesmiddelen volgend jaar 6,8 miljard euro bedraagt, gaat het dus om een inspanning van ongeveer 7 % van het vooropgesteld budget. Om een dergelijke correctie te realiseren, moet iedereen zijn deel doen.

Gezien de omvang van de inspanning heeft de regering besloten om niet te wachten tot het laatste moment om maatregelen uit te werken. We doen nu al proactief een voorstel aan het Verzekeringscomité. U weet dat de begroting van het RIZIV wordt beheerd via het overlegmodel. Daar dienen besparingsmaatregelen te worden beslist, dus het is mogelijk dat er nog wijzigingen komen aan wat ik nu uiteenzet, maar we vonden het toch belangrijk om een voorstel te formuleren.

Ik ben van mening dat ons voorstel evenwichtig is en een goede basis vormt voor de discussie binnen de overlegorganen. In ons voorstel staat de farmaceutische industrie garant voor 57 % van de totale inspanning. Dat is aanzienlijk. Dat komt doordat ze borg moet staan voor 80,3 miljoen euro aan maatregelen en daarbovenop nog een algemene budgettaire garantie moet bieden via wat wij de clawback noemen, een recuperatiemechanisme.

We denken dat dat fair is. De farmaceutische industrie heeft er belang bij dat het budget houdbaar blijft. Ze speelt uiteraard ook een rol in de promotie van geneesmiddelen en in de stijging van de uitgaven.

Het zou echter niet fair zijn te stellen dat enkel de farmaceutische industrie boter op het hoofd heeft, als ik mij die uitdrukking mag veroorloven. Dat is zeker niet helemaal juist. We weten dat we in het algemeen soms slordig omspringen met medicatie. Ik durf zeggen dat we er een beetje mee smossen. We hebben thuis allemaal uitpuilende kastjes vol medicatie die niet wordt gebruikt. Oudere mensen nemen vaak tien tot vijftien pillen per dag. Men kan zich afvragen of dat allemaal nodig is. We zien bovendien dat veel mensen de duurste en nieuwste geneesmiddelen voorgeschreven krijgen, terwijl goedkopere alternatieven voor de meeste mensen ook prima werken. Dat kost de ziekteverzekering heel veel geld. Het gaat om belastinggeld dat we eigenlijk beter aan iets anders kunnen besteden.

Daarom voeren we een maatregel in waarbij apothekers vanaf volgend jaar enkel nog de exact benodigde hoeveelheid antibiotica meegeven voor de behandeling. Vandaag krijgen mensen vaak grote verpakkingen mee naar huis, waardoor heel wat van die antibiotica blijven liggen. Die belanden dan in het medicijnkastje, in de vuilnisbak of zelfs in het toilet, wat zoals bekend schadelijk is voor het milieu en de volksgezondheid. We vragen dus een praktische inspanning van de apothekers om te helpen verspilling tegen te gaan.

Mais les patients ont également leur part de responsabilité. Je prends l'exemple des médicaments contre le cholestérol. Ils jouent un rôle très important dans la prévention des maladies cardiovasculaires. Mais, en même temps, il y a un problème que nous pouvons difficilement ignorer: un quart des Belges de plus de 40 ans prend des statines et environ 55 % d'entre eux ne les prennent pas correctement ou arrêtent prématurément le traitement, de sorte que les médicaments perdent leur efficacité. En effet, un médicament pour faire baisser le cholestérol n'a de sens que s'il est pris rigoureusement pendant des années, sinon il n'a aucun effet.

Les médicaments contre le cholestérol, comme ils sont utilisés aujourd'hui, représentent donc un gaspillage considérable. Actuellement, un patient, un citoyen, paie entre 0,4 et 1,90 euro pour un traitement d'un mois aux statines. Ces médicaments semblent donc très bon marché mais ils représentent une grosse dépense pour l'assurance maladie. Chaque année, plus de 250 millions d'euros sont consacrés aux hypocholestérolémiants, soit plus de 4 % du budget des médicaments.

Avec une augmentation du ticket modérateur, nous voulons sensibiliser davantage les patients, tout en maintenant l'accessibilité des statines. Dans la proposition que nous soumettons, un traitement d'un mois coûterait entre 3 et 6 euros à l'avenir. Ce montant n'est pas insurmontable, mais il montre aux citoyens que des médicaments bon marché ont quand même aussi un coût.

De plus, les statines restent couvertes par le maximum à facturer, qui sert de filet de protection pour les personnes qui ont déjà des frais de santé élevés. Je comprends qu'une telle mesure n'est pas évidente à prendre mais nous ne pouvons plus fermer les yeux sur le problème. Nos médicaments doivent être utilisés de manière correcte, même s'il s'agit de produits très bon marché.

Dat geldt ook voor maagzuurremmers. België is de vierde grootste verbruiker van maagzuurremmers in Europa. Dat is moeilijk uit te leggen, en het kost de sociale zekerheid jaarlijks 130 miljoen euro. Wat we betalen aan maagzuurremmers, kunnen we niet aan andere prioriteiten besteden. Een deel van de overconsumptie wordt gedreven doordat veel mensen de maagzuurremmers chronisch innemen, terwijl voor de meeste behandelingen een paar weken voldoende is. Als men echter stopt met een maagzuurremmer, krijgt men een reboundeffect, waardoor het zuur terugkeert. De mensen menen dan dat ze de maagzuurremmers voort moeten innemen. De patiënt zou die medicatie moeten afbouwen, maar door het reboundeffect blijven veel mensen de medicatie chronisch innemen, terwijl dat medisch gezien niet strikt noodzakelijk is. Ook daarom moeten we proberen de patiënten bewuster en verantwoordelijker te doen omgaan met medicatie. Maagzuurremmers zullen zeer toegankelijk blijven. Wie reeds geconfronteerd wordt met hoge kosten, blijft gedekt door de maximumfactuur.

Mevrouw Désir, ik wil even een misverstand uit de wereld helpen. We zullen het remgeld niet met één of twee euro per doosje verhogen. Dat is een misverstand. Wat we wel zullen doen, is een minimumprijs invoeren per doosje. Veel medicatie kost vandaag voor de patiënt maar 60 of 80 eurocent per verpakking. Die doosjes zullen in de toekomst minimaal 1 euro kosten voor mensen met een verhoogde tegemoetkoming, althans volgens het voorstel dat we hebben geformuleerd, en 2 euro voor mensen zonder verhoogde tegemoetkoming. Kortom, in dat voorstel zal een doosje dat vandaag al 2,5 euro kost voor de patiënt niet verhoogd worden in prijs. We beogen echt wel de laagst bestaande remgelden.

De opbrengst van die maatregel wordt rechtstreeks geïnvesteerd in zorg voor de patiënten. Het is geen besparing. Met dat geld zullen we namelijk de maximumfactuur uitbreiden, waardoor geneesmiddelen die vandaag niet binnen de MAF zitten, zoals anti-allergiemedicatie, bepaalde anticonceptiepillen en medicatie voor mensen met prikkelbaredarmsyndroom in de toekomst wel gedekt worden door de maximumfactuur.

Daarnaast zullen we een nieuwe procedure lanceren waardoor mensen met een erge ziekte die dringend wachten op een medicament dat nog niet is goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenagentschap of dat nog niet door het RIZIV wordt terugbetaald, het toch al kunnen krijgen.

We herorganiseren. We verbeteren. We versterken dus de solidariteit.

Naast de maatregelen bij de industrie en de apothekers, maar ook bij de burgers, vragen we inspanningen van de mutualiteiten, de artsen en de ziekenhuisapotheken.

Ik gaf daarnet al aan dat het steeds willen overschakelen naar het duurste medicament, terwijl het oude nog goed werkt, ook een vorm van verspilling is. De artsen staan in het voorstel garant voor 16 miljoen euro aan besparingen. Die afspraak werd vorig jaar al gemaakt, maar is nog niet ingevuld met concrete maatregelen. De regering zal aan de artsen vragen om die maatregelen te prioriteren, met de nadruk op goedkoop voorschrijven en het voorschrijven van biosimilars.

Daarnaast hebben we een concrete incentive uitgewerkt voor de ziekenhuizen om minder snel naar het duurste medicament over te schakelen door de nieuwste geneesmiddelen in het therapeutisch arsenaal bij de ziekenhuizen 10 % minder te vergoeden. Let wel, het is geen rechtstreekse besparing op de ziekenhuisapotheken, aangezien ze hun prijzen afzonderlijk met de industrie onderhandelen. Er moet echter beter worden nagedacht over de vraag wanneer een duur medicament echt nodig is of wanneer het origineel nog volstaat.

Ook de mutualiteiten zullen hun deel bijdragen. Ze moeten strenger toezien op de naleving van de vergoedingsvoorwaarden voor dure geneesmiddelen. Zij staan voor 10 miljoen euro borg.

Geachte Kamerleden, we kunnen het ons niet langer veroorloven om weg te kijken van de verspilling bij medicatie. Alles wat we uitgeven aan geneesmiddelen kunnen we niet meer besteden aan andere belangrijke zaken. Er ligt een gebalanceerd voorstel voor, waarin iedereen zijn deel moet doen om het geneesmiddelenbudget op het rechte en beoogde spoor te houden.

Als we de taart van 466 miljoen euro aan maatregelen op een slimme manier verdelen, dan ziet de verdeling er als volgt uit: drie vijfde aan inspanningen voor de industrie, een vijfde voor de patiënt en een vijfde voor artsen, mutualiteiten en apothekers. Voor elke euro die we vragen aan patiënten of andere sectoren, vragen we er drie aan de industrie. Dat is een eerlijke verdeling van de inspanning. Dat beleid is nog niet beslist, het is een voorstel van de regering. Het komt uiteindelijk toe aan het overlegmodel van het RIZIV, waarin de mutualiteiten, de werkgevers en de werknemers vertegenwoordigd zijn, om in oktober de knoop door te hakken over hoe de inspanning concreet wordt verdeeld.

Daarnaast willen we uiteraard ook al verder kijken dan 2026. Er blijven immers grote uitgaven die moeten worden aangepakt, bijvoorbeeld in de oncologie, waar het budget sinds 2018 is verdubbeld. Ook het geneesmiddelentekort moet worden aangepakt. In overleg met de ziekenfondsen, de industrie en andere stakeholders spreken we daarom een farmaceutisch meerjarig kader af. Dat moet niet alleen het budget voor de komende jaren vastleggen, maar ook de acties bepalen om dat budget opnieuw op het juiste spoor te krijgen. Ook die onderhandelingen zullen binnenkort op het niveau van de regering moeten landen.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, in het verdere proces van de opmaak van de begroting 2026 wordt dus een heel uitgebreid voorstel voorgelegd aan de overlegorganen.

Voor Vooruit is het belangrijk dat het voorstel aan de overlegorganen van het RIZIV evenwichtig is en dat het resultaat na de overlegrondes aldaar eveneens evenwichtig is. Daarom is het belangrijk dat alle actoren van het geneesmiddelenbeleid betrokken worden. Als ik het goed begrepen heb, plant u hervormingen voor de industrie, de parallelimporteurs, de artsen in het kader van het voorschrijfgedrag van goedkopere geneesmiddelen, de apothekers, met een incentive voor het afleveren van het juiste aantal antibiotica, de ziekenhuisapotheken, en ook de patiënten wat betreft de prijs per doosje.

Voor Vooruit is het daarbij van essentieel belang dat de gevraagde inspanningen effectief opnieuw worden geïnvesteerd. Ik heb begrepen dat er een uitbreiding komt van de maximumfactuur, zodat meer geneesmiddelen onder de MAF vallen. Dat is belangrijk, want voor sommige patiënten loopt de geneesmiddelenfactuur hoog op en we moeten ervoor zorgen dat ook zij toegang blijven hebben tot geneesmiddelen en niet afgeblokt worden vanwege financiële redenen.

Ik heb begrepen dat er een apart budget komt voor innovatieve geneesmiddelen die nog niet erkend zijn door het EMA en/of nog niet terugbetaald worden, zodat die geneesmiddelen sneller beschikbaar zijn voor patiënten die daaraan nood hebben.

Die evenwichtige lijnen moeten het proces ingaan en hopelijk ook eruit komen, want dat evenwicht tussen alle actoren is nodig. Iedereen moet inspanningen leveren en iedereen moet investeren. Al die hervormingen samen moeten zorgen voor een duurzaam geneesmiddelenbeleid.

Tevens heb ik goed begrepen dat het geneesmiddelenbudget op 17,3 % wordt vastgelegd, wat betekent dat voor de farmasector zowel de groeinorm als de index gegarandeerd wordt. Dat is in het verleden wel anders geweest.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het is effectief belangrijk dat we het geneesmiddelenbeleid evenwichtig en in dialoog hervormen en dat we het budget op een duurzame manier invullen. U hebt terecht opgemerkt dat het gaat over volume, over de voorschrijvers, over de ziekenfondsen en over de farmasector.

Ik heb het enigszins moeilijk met het feit dat het geneesmiddelenbudget zo strikt wordt afgelijnd. We hebben altijd gezegd, ook tijdens de vorige legislatuur, dat we buiten de schotten moeten denken en dus ook farmaco-economische beschouwingen in overweging moeten nemen. Wanneer een bepaalde therapie andere ingrepen kan voorkomen, is het uiteraard verantwoord om innovatie terug te betalen. Dat mogen we vooral niet uit het oog verliezen.

U vermeldt een inspanning van 466 miljoen euro en stelt dat een deel daarvan wordt teruggegeven aan de meest behoevende patiënten. U wilt de maximumfactuur verruimen. Ik zou er ook voor willen pleiten om de gerealiseerde inspanningen en besparingen opnieuw te investeren in innovatie, want daarin schieten we op dit moment tekort.

In het voorstel dat aan het Verzekeringscomité is voorgelegd, is naar mijn weten de clawback opgetrokken. Dat had ik graag nog van u bevestigd gehoord. Nochtans is het doel van de clawback altijd geweest om het geneesmiddelenbudget goed te beheren. Die 4 % leek mij dan ook een aanvaardbaar percentage. We hebben dat samen nog goedgekeurd voor de vivaldiregering van start ging. Daarom vraag ik me af waarom we nu meer zouden willen inschrijven, aangezien dat eigenlijk aan het doel voorbijgaat, namelijk een goed beheer van het geneesmiddelenbudget.

Ik neem aan dat het inzake de genoemde 57 % als totale inspanning van de farmaceutische industrie om de innovatieve farma-industrie gaat. Daarover wil ik toch nog één opmerking maken. U hebt zelf aangegeven dat de kostprijs van kankermedicatie is verdubbeld. Het aantal patiënten is ook sterk toegenomen. De levensverwachting en dus de chroniciteit van de medicatie is gestegen. Ik denk dat we ons daarop niet mogen verkijken. Het is immers de bedoeling dat onze kankerpatiënten goed worden behandeld en zolang mogelijk correct kunnen functioneren.

Inzake de aanpassing van het remgeld is er nog één mogelijkheid die ik nog niet heb gehoord, met name inzake een beweging die al is ingezet bij de anti-allergica, waarbij men van een C naar een D is gegaan. Zo kan bijvoorbeeld cetirizine op voorschrift met terugbetaling worden afgehaald bij de apotheek of vrij worden aangekocht zonder terugbetaling. In het algemeen kan misschien worden bekeken welke geneesmiddelen van terugbetaling kunnen worden uitgesloten wanneer de patiënt daar zelf voor kiest.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse détaillée.

Qu'il faille fournir des efforts pour contenir la croissance exponentielle de la part du budget consacrée aux médicaments est une chose, mais en faire peser la responsabilité individuellement sur les patients nous semble à la fois injuste et inefficace. Par exemple, pour le patient qui prend des statines parce qu'il souffre d'un excès de mauvais cholestérol, que les régimes n'y ont rien fait et que son médecin lui a prescrit ce médicament pour lui éviter des maladies cardiovasculaires graves, quelle est l'autre solution, hormis payer davantage demain pour continuer à se soigner et prévenir des maladies cardiovasculaires?

De manière générale, mon groupe dénonce depuis plusieurs mois l'insuffisance du budget des soins de santé pour répondre aux besoins réels de la population. Votre réponse relative au prix des médicaments nous fait à nouveau craindre que ce soit bien le patient qui paie in fine la facture des économies importantes que le gouvernement a décidé de réaliser dans le budget des soins de santé. Or nous savons bien que l'accès aux soins est déjà problématique pour une part non négligeable de nos concitoyens.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, j'ai un peu de mal à ne pas réagir, puisque c'est un secteur que je connais bien. Je vais donc vous donner mon avis.

Pour moi, la gratuité n'éduque personne. En effet, dans l'inconscient collectif, quelque chose de gratuit ne vaut rien. Comme vous le soulignez, même si l'on augmente légèrement le prix du médicament et que le patient doive alors puiser dans sa poche, il reste toujours le cliquet du maximum à facturer (MAF), qui est actionné de plus en plus tôt dans l'année. En mars-avril, nous savons que des gens se trouvent déjà en situation de MAF. C'est quand même un signe.

Je tiens à souligner un fait historique. Depuis de nombreuses années, le secteur pharmaceutique a toujours fourni énormément d'efforts pour jouer financièrement la carte de la solidarité afin que le système solidaire des soins de santé tienne encore la route et que tout le monde puisse y accéder. Cela me donne envie de faire un petit clin d'œil, afin de détendre quelque peu l'atmosphère, et sans chercher à établir de comparaison avec d'autres métiers des soins de santé. Malgré tous ces efforts budgétaires consentis quotidiennement par le secteur pharmaceutique et son attitude exemplaire, ce n'est pas pour autant qu'il vous menace ou se met en grève. J'espère que vous le retiendrez et je vous remercie de votre attention.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vais également dire un petit mot, puisque chacun parle de son expérience. Quelque chose m'a choquée dans ce que vous avez expliqué – par expérience personnelle certainement aussi. Vous dites que les gens abusent du médicament pour lutter contre le cholestérol, ou du Pantomed pour les douleurs d'estomac. Comme l'a très bien dit ma collègue, ces médicaments sont prescrits par un médecin.

On va donc augmenter le prix pour sensibiliser les patients. C'est cela qui me choque. Je prends du Pantomed depuis plus de 20 ans. C'est un exemple. On en avait déjà parlé lors d'un débat ici. Vous avez l'air de dire que ce n'est pas un bon médicament, mais qu'on est encore en train de chercher des alternatives. Aujourd'hui, vous dites que l'on va sensibiliser les patients pour qu'ils n'abusent pas de ces médicaments. On va donc les rendre plus cher. Tout de suite, ils vont aller mieux et ils vont moins en consommer. C'est cela que je n'aime pas dans l'approche qui est la vôtre. Les personnes qui prennent ces médicaments ne les prennent pas par plaisir. Tout le monde aimerait bien pouvoir vivre sans médicaments.

Vous preniez également l'exemple de personnes âgées qui ont 10 ou 12 médicaments. Ce sont très souvent les médecins qui les prescrivent.

Puisque tout le monde parle ici de son expérience, je pense que ce n'est pas nécessairement le patient qu'il faut sensibiliser, et certainement pas en augmentant le prix de médicaments comme ceux-là. Des alternatives doivent être recherchées par ailleurs. Voilà mon avis sur la question.

La présidente : Quelqu'un veut-il encore donner son avis?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik ben zeker nog geen expert in deze materie, maar ik begrijp zeer goed dat dit natuurlijk een belangrijke factor is in de totale budgettering. Tegelijk mag het geen dogma zijn om de door u beoogde en misschien ook noodzakelijke besparingen volledig af te leiden naar mogelijkheden om de maximumfactuur uit te breiden. Dat vergt toch een grondigere analyse. De vraag is ook of we daarmee de gewenste effecten bereiken en of iedereen dan wel degelijk een goed begrip heeft van wat die medicatie waard is.

U verklaart dat bepaalde geneesmiddelen duurder zouden kunnen worden, omdat ze vandaag erg goedkoop zijn en het product niet naar waarde wordt geschat.

Overigens hoed ik me ervoor om de link te leggen met remgelden voor prestaties bij onder anderen huisartsen. Als we de intellectuele eerlijkheid hebben om dit hier te benoemen, mogen we dat ook doen voor prestaties door huisartsen. Mijn punt is dat het niet alleen nodig is om te bekijken hoe we de prijs of de terugbetaling kunnen verlagen, maar ook, zoals mevrouw Depoorter opmerkte, of we een evaluatie kunnen maken van welke geneesmiddelen eventueel niet langer terugbetaald kunnen worden. Het is namelijk zo dat bepaalde geneesmiddelen toegankelijk en betaalbaar zijn en dat het niet altijd nodig is dat die op kosten van de overheid worden voorgeschreven.

Een andere bekommernis die aan bod kwam en die ik zeker deel, is dat een deel van de middelen die u zult besparen op geneesmiddelen, moet worden geherinvesteerd in de farmasector, bijvoorbeeld in innovatie en early access . Dat is een werf die u zeker niet over het hoofd mag zien.

Mijnheer de minister, we hebben de farmasector ook hard nodig in ons land. Die heeft er al voor gezorgd dat heel wat mensen vroegtijdig toegang kregen tot innovatieve geneesmiddelen. Het zou dan ook bijzonder jammer zijn als we dat voordeel in de toekomst zouden verliezen door te desinvesteren in deze sector.

Frank Vandenbroucke:

Je parle toujours trop longtemps, mais jamais assez. Pour être clair en ce qui concerne les médicaments contre l’acidité gastrique …

La présidente : Je vais venir vous consulter. Peut-être avez-vous la solution à mon problème pour lequel personne n’a trouvé de remède depuis 20 ans.

Frank Vandenbroucke:

Personnellement, j’ai arrêté les inhibiteurs de la pompe à protons (IPP), sans problème. Le Pantomed m'avait été prescrit en combinaison avec d’autres médicaments nécessaires. Un jour, je me suis demandé pourquoi je devais le prendre et j’ai arrêté, sans en subir de conséquences. S’agissant du remboursement des IPP et autres, tout dépend de l’indication médicale. Nous maintiendrons ces médicaments dans la catégorie A, avec un le remboursement presque complet, pour toute une série d’indications, et particulièrement pour les affections chroniques et les traitements de courte durée. Nous sommes toutefois presque les champions du monde de la prescription de médicaments que nous utilisons dans toute une série d’autres contextes que ceux où ils se révèlent être une nécessité médicale. Nous maintiendrons donc le remboursement maximal pour les nécessités médicales, mais si ce n’est pas le cas, le remboursement sera réduit. Le ticket modérateur augmentera en effet. Pas de façon dramatique, mais assez pour sensibiliser le patient afin qu’il en discute avec son médecin prescripteur. La présidente : S’agit-il de sensibiliser le patient ou le médecin? Ce n’est pas le patient qui décide de son traitement.

Het tekort aan huisartswachtposten in Limburg

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke ontkent structurele onderbedeling van Limburgs nachtelijke huisartswachtposten, wijzend op vergelijkbare ratios (inwoners/km²) met andere provincies, maar erkent dat geografische spreiding en huisartsentekort de kernproblemen zijn—extra posten vereisen meer artsen, wat de wachtbelasting verhoogt. Nawal Farih blijft hameren op toegankelijkheid (vergrijzing, mobiliteit) en eist concrete uitvoering van het regeerakkoord voor een hertekende spreiding, met dringend een plan van adviseur Van Giel. De minister belooft verbeterde triage en wachtdienstorganisatie, maar garandeert geen extra capaciteit tijdens deze legislatuur. Dossier blijft open.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, we hebben dit debat al vaker gevoerd. Limburg is een heel uitgestrekte provincie in Vlaanderen, maar telt slechts 7 huisartswachtposten die nachtelijke zorg aanbieden. Dat is niet evident voor elke Limburger, want dat betekent soms een reistijd van 45 minuten, waarbij men al eens een ziekenhuis passeert en men dus sneller de afslag durft te nemen en naar een spoeddienst gaat.

Ik wil graag een stand van zaken krijgen. In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat er een nieuwe tekening zou worden gemaakt voor de geografische spreiding van de huisartswachtposten.

Erkent u dat Limburg, in vergelijking met andere provincies, structureel onderbedeeld is op het vlak van nachtelijke huisartswachtposten? Welke objectieve criteria zult u hanteren om de geografische afstand voldoende mee in de weegschaal te leggen bij nieuwe beslissingen? Welke concrete beleidsmaatregelen voorziet u om de structurele scheeftrekking te corrigeren? Kunt u garanderen dat er tijdens deze legislatuur extra wachtpostcapaciteit voor nachtelijke zorg in Limburg zal worden voorzien?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Nawal, dit is een belangrijk thema. U weet dat dokter Roel Van Giel mij onder meer over dit thema adviseert. Hij bekijkt de versterking van de wachtposten, samen met een aantal andere problemen, zoals de verbetering van de 1733 en het verminderen van de druk op de spoeddiensten.

Wat Limburg betreft, denk ik niet dat men kan spreken van een onderbedeling. Als men naar het inwonersaantal kijkt, ziet men dat men in Limburg 1 wachtpost per 112.000 inwoners heeft, terwijl dat in Oost-Vlaanderen 1 per 132.600 inwoners is en in Antwerpen 1 per 146.000. U zult natuurlijk zeggen dat we ook naar de oppervlakte moeten kijken. Dat doen we ook, maar als men de oppervlakte als criterium neemt en Limburg vergelijkt met een ander landelijk gebied, zoals West-Vlaanderen, dan is het verschil ook niet zo belangrijk. In Limburg is er 1 wachtpost per 302 km², in West-Vlaanderen 1 per 286 km². Dat is dus redelijk evenwichtig.

Het probleem is dat als men zegt extra wachtposten, dan moeten ook extra huisartsen die wachtdienst doen. Per weekend zijn er 12 tot 15 artsen in een shift van minimum 12 uur voorzien om een wachtpost te bemannen.

Dat vormt een bijkomende belasting voor de huisartsen, die tijdens de week uiteraard ook al hard werken. Zij staan van 's morgens tot 's avonds klaar om patiënten te helpen in de reguliere zorg. De wachtbelasting moet dan ook haalbaar blijven. Huisartsen moeten zich in alle regio’s blijven vestigen, het is belangrijk te vermijden dat bepaalde regio’s worden gemeden. Een van de redenen daarvoor is dat de wachtbelasting er te zwaar is. Dat leidt uiteindelijk ook voor de burger tot een ongunstige situatie.

Wat betreft de objectieve criteria, uw tweede vraag, zijn het de huisartsenkringen die beslissen over het oprichten en installeren van een wachtpost. Zij dienen daarvoor een dossier tot financiering in bij het RIZIV, dat de criteria evalueert en in gesprek gaat met de initiatiefnemers. Een van de criteria is dat een wachtpost een gebied met minstens 100.000 inwoners moet bedienen. Er wordt ook rekening gehouden met de aanrijtijden tot de wachtpost.

Welke initiatieven nemen we? Zoals gezegd, is de heer Roel Van Giel daarmee aan de slag. Wij streven naar een betere wachtdienst met minder werklast voor de huisartsen en vooral ook naar een verbeterde triage.

Nawal Farih:

Dank u wel, minister, voor uw antwoord. U hebt inderdaad een vergelijking gemaakt met andere provincies, maar voor zover ik weet, wordt ook in West-Vlaanderen gewag gemaakt van een tekort binnen de provincie. Die vergelijking gaat dus volgens mij niet op. Ik wil nogmaals beklemtonen dat het hier gaat om de geografische spreiding en niet enkel om het aantal inwoners. Limburg is op dit moment de meest vergrijzende provincie. Bovendien zijn er helaas ook veel minder mogelijkheden op het vlak van mobiliteit. Ik denk dat het toch de verantwoordelijkheid is van de minister van Volksgezondheid om ervoor te zorgen dat de toegankelijkheid van zorg voor iedereen een basisrecht blijft. Ik zal het dossier blijven opvolgen en ik wacht op de nieuwe tekening voor de geografische spreiding, zoals genotuleerd in het regeerakkoord. Ik hoop dat de heer Van Giel spoedig met een nieuw plan komt. De voorzitster : Vraag nr. 56005162C van mevrouw Eggermont is omgezet in een schriftelijke vraag.

De daling van de sigarettenverkoop in België

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische tabakssmokkel groeide in 2024 tot 30% van de markt (waaronder +22% legale import uit lage-accijslanden en +13% namaak), wat een fiscale schade van €544 miljoen veroorzaakte door hoge accijnsverhogingen. Minister Jambon bevestigt dat de douane internationale criminelenetwerken blootlegt (o.a. via Antwerpen), controles versterkt en met 17 EU-lidstaten pleit voor snellere harmonisatie van accijnstarieven om fraude tegen te gaan, maar wijst op beperkingen door huidige wetgeving. Kernpunt: Huidig beleid drijft consumenten naar illegale kanalen, terwijl EU-brede afstemming en handhaving cruciaal zijn maar traag verlopen.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, les dernières estimations publiées dans l'étude de KPMG indiquent que près d'une cigarette sur trois consommées en Belgique en 2024 ne provenait pas du marché légal domestique. Les cigarettes achetées en Turquie, en Bulgarie et au Luxembourg ont augmenté de 22 %, contre 13 % pour les cigarettes contrefaites.

On peut dès lors constater que des circuits parallèles progressent de manière inquiétante et qu'un manque à gagner pour l'État se forme. En effet, la hausse des accises sur les cigarettes et les produits liés au tabac ont amené les consommateurs vers des alternatives moins chères. Ce phénomène aurait causé une perte fiscale estimée à 544 millions d'euros pour l'État belge en 2024, soit un manque à gagner considérable à un moment où la lutte contre la fraude fiscale et douanière est un enjeu majeur.

Monsieur le ministre, quelles mesures concrètes sont-elles actuellement mises en place pour lutter contre la contrebande de tabac? Les douanes ont-elles déjà identifié des réseaux internationaux? Envisagez-vous de renforcer les contrôles, notamment en lien avec certains flux identifiés? Des discussions sont-elles en cours au niveau européen pour harmoniser davantage les niveaux d'accises? Quel est l'impact de la politique fiscale actuelle en matière de tabac?

Jan Jambon:

Cher collègue, l'Administration générale des Douanes et Accises (AGD&A) détecte activement la fraude au tabac et mène des enquêtes dans les limites de ses compétences légales. Pour ce faire, elle utilise ses propres méthodes de recherche et d'analyse, ainsi que des méthodes de recherche nationales et internationales, par exemple la coopération et l'échange d'informations avec les autorités nationales et étrangères. Cela s'applique à la fraude et au commerce illégal en général, ainsi qu'à la production et à la contrebande illégale de cigarettes.

Les compétences de l'AGD&A reposent sur la loi générale sur les douanes et les accises, le Code de procédure pénale et le règlement sur le statut des officiers de police judiciaire. Au sein de l'Administration Recherche, des équipes spécialisées en accises se concentrent sur la lutte contre la fraude au tabac. Grâce à ces ressources, l'AGD&A a démontré ces dernières années son efficacité dans la détection de la contrebande et le démantèlement des sites de production illégaux.

Concernant votre deuxième question, plusieurs enquêtes ont effectivement révélé l'existence de réseaux criminels internationaux ayant des antennes dans d'autres États membres et des pays tiers. Ces groupes criminels sont hautement organisés et structurés, avec des plateformes logistiques, des fournisseurs et des responsables régionaux.

Concernant votre troisième question, ces dernières années, nous avons constaté une augmentation significative de la production illégale au sein de l'Union européenne d'une part, et de la contrebande, notamment via le port d'Anvers, d'autre part. Les cigarettes saisies en Belgique sont destinées aux pays voisins où des accises plus élevées s'appliquent. Ces dernières années, nous avons également constaté une augmentation de la vente des cigarettes illégales sur le marché belge.

En réponse à votre quatrième question, la douane surveille les flux de marchandises qui ont la Belgique comme destination finale ou qui transitent par notre pays. Concernant votre cinquième question, les douanes belges effectuent des contrôles pour vérifier les limites indicatives, les quantités recommandées de produits tabagiques que vous pouvez importer d'un autre pays en Belgique. En réponse à votre sixième question, des discussions sont en cours au sein du Conseil et de la Commission européenne sur une révision de la directive relative aux accises sur le tabac. L'harmonisation des taux, une plus grande convergence des taux d'accise au sein de l'Union européenne, ainsi que les possibilités de contrôle du tabac brut figurent parmi les propositions de modification. Très récemment, en mai, j'ai envoyé, avec 17 autres États membres, une demande à la Commission européenne afin d'accélérer la révision de la directive sur la taxation du tabac.

En réponse à votre septième question, l'Administration générale des Douanes et Accises ne réalise pas elle-même d'études statistiques sur l'ampleur du marché noir des produits tabagiques illégaux. À cet égard, on peut se référer au rapport de KPMG intitulé Illicit cigarette consumption in Europe. Results for the calendar year 2024 publié le 11 juin 2025.

Selon ce rapport, en 2024, 15,2 % – soit 1,3 milliard d'unités de la consommation totale des cigarettes en Belgique – étaient des contrefaçons et de la contrebande. Cela représenterait une augmentation de 13 % par rapport aux chiffres du rapport de KPMG pour les résultats de 2023.

En ce qui concerne votre dernière question, comme indiqué dans l'accord de gouvernement, nous menons une politique anti-tabac ambitieuse et renforçons la lutte contre la production et le commerce illégaux des cigarettes, en collaboration avec nos partenaires gouvernementaux.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je tiens à vous remercier d'avoir pris le temps de me répondre et pour la teneur rassurante de vos réponses. Je ne manquerai pas de suivre le dossier.

De belastingheffing voor Franse werknemers in de Belgische gezondheidszorgsector

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 8 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De fiscale behandeling van Franse grensarbeiders in België (publiek/privaat) staat centraal: België schort de omstreden wijziging van de belastingconventie op en keert terug naar de regels van 2009, waardoor hun inkomen in Frankrijk belast blijft—maar 280 werknemers van HELORA (Mons) vallen buiten het transitregime en zullen vanaf 2026 in België belast worden, zonder overgangsmaatregelen. Minister Jambon bevestigt dat officiële instructies sinds 2 juli online staan om onterechte inhoudingen te stoppen, maar terugbetalingen en concrete oplossingen voor HELORA blijven onduidelijk, ondanks dringende vragen om een billijke overgang. Daarnaast verdedigt Jambon de nieuwe meerwaardebelasting (10% tarief, vrijstelling tot €15.000/jaar), gericht op budgettaire sanering, met uitzonderingen voor langetermijnbeleggers en ondernemers (20%+ aandeel), maar kritiek blijft op complexiteit, 33%-risico bij "speculatie" en het ontbreken van een echte oplossing voor de €42 miljard begrotingstekort.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, en réponse aux questions que M. Piedboeuf et moi-même vous avions posées le 15 mai dernier, vous avez indiqué que l'accord modifiant l'application de la convention fiscale franco-belge pour les travailleurs français du secteur public belge ne s'appliquait pas directement. La France l'a d'ailleurs confirmé la semaine dernière en annulant cet accord. C'est une bonne nouvelle pour ces travailleurs qui sont soulagés et qui resteront actuellement imposés en France. Cependant, à défaut de communication officielle de votre administration, certains secrétariats sociaux continuent de prélever le précompte professionnel belge sur leurs salaires.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous indiquer quand des instructions officielles seront envoyées pour mettre fin à ces retenues injustifiées? Ces travailleurs seront-ils remboursés assez rapidement? Remboursés, j'espère qu'ils le seront. Je l'imagine bien.

Par ailleurs, vous avez également indiqué qu'un dialogue était en cours avec la France pour intégrer dans la nouvelle convention fiscale des mesures d'atténuation, notamment pour le secteur des soins de santé, qui est critique, vous le savez. Pouvez-vous nous préciser l'état d'avancement de ces discussions?

Peut-on espérer des mesures concrètes pour protéger les travailleurs frontaliers, du public et du privé, notamment dans les hôpitaux, les maisons de repos et les administrations, et plus particulièrement en province de Luxembourg, où ils sont essentiels?

Enfin, j'attire votre attention sur un cas préoccupant, qui concerne les travailleurs français du centre hospitalier HELORA à Mons. Suite à une fusion, ils passeront sous statut privé au 1 er janvier 2026 – c'est demain. Or, nous comprenons qu'ils ne pourront pas bénéficier du régime transitoire qui était applicable aux travailleurs frontaliers du secteur privé, qui permet une imposition en France jusqu'en 2033, car ce régime était réservé aux travailleurs déjà dans le privé avant 2012.

Actuellement, plus de 280 ménages subiraient ainsi une perte nette de revenus dès janvier 2026, sans avoir eu le temps de s’y préparer – vous en conviendrez. Pouvez-vous confirmer cette interprétation et confirmer que ces travailleurs ne seront pas éligibles au régime transitoire pour le secteur privé? Si c’est le cas, envisagez-vous des mesures pour éviter une perte nette des revenus et garantir une transition équitable pour ces familles?

Jan Jambon:

Madame Ramlot, vous êtes originaire de Rouvroy, la commune la plus au sud de Belgique, avez-vous dit. Je pensais que Sterpenich était la commune la plus au sud du pays.

Carmen Ramlot:

Sterpenich étant à la frontière, elle donne l’impression d’être le plus au sud. Mais c’est une entité de la ville d’Arlon, tandis que Rouvroy est encore plus au sud. J’ai même le projet de faire installer une borne au point le plus au sud de la Belgique, car cela me paraît une curiosité instagrammable.

Jan Jambon:

Revenons à votre question. Je sais que ce dossier revêt une grande importance pour vous ainsi que pour M. Piedboeuf.

Nous avons en effet immédiatement pris des mesures et décidé de suspendre le dispositif. En conséquence, certaines actions déjà entreprises par l’administration belge ont dû être annulées.

Les autorités belges et françaises compétentes se sont réunies le 23 mai de cette année. À cette occasion, la France a exprimé sa volonté de dénoncer l’accord, ce qui a été formellement confirmé par un courriel reçu par la Belgique le jour même. En réponse, la Belgique a annoncé que ses services fiscaux appliqueront à nouveau les règles de l’accord de 2009 (article 18), en tenant compte de l’arrêt de la Cour de cassation de 2020. Autrement dit, tant que la nouvelle convention n’est pas entrée en vigueur, les rémunérations des fonctionnaires binationaux concernés restent imposables dans leur État de résidence et non dans l'État de la source.

En ce qui concerne la situation particulière des résidents français travaillant auparavant pour le centre hospitalier public Ambroise-Paré, mais qui, à la suite de la fusion avec d'autres institutions hospitalières, travaillent à présent pour le nouveau centre hospitalier privé HELORA, leurs rémunérations sont imposables en Belgique par application de l'article 11 de la convention franco-belge. Je confirme que ces personnes ne sont malheureusement pas dans les conditions pour bénéficier du régime frontalier prévu dans cette convention.

J'ai demandé à mon administration de contacter les employeurs concernés et de diffuser une communication officielle. Depuis le 2 juillet, cette communication est publiée sur le site web du SPF Finances.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Lorsque mon collègue Benoît Piedboeuf et moi-même vous avions interrogé en séance plénière le 15 mai dernier, vous nous aviez apporté une réponse rassurante, comme aujourd'hui – mis à part pour Mons –, pour laquelle nous vous avions explicitement remercié. Vous avez tenu parole et nous continuerons de vous faire confiance.

L'accord franco-belge du 17 mars n'est pas et ne sera pas d'application. La Belgique l'a suspendu. La France vient de le retirer, vous l'avez confirmé. Mais, depuis le 15 mai, près de deux mois se sont écoulés. Le temps joue contre nous. Entre-temps, quelques dysfonctionnements, comme des prélèvements, ont été appliqués.

À ce sujet-là, vous ne m'avez pas vraiment rassurée. J'espère que votre administration tiendra cela à l'œil. Je compte sur vous pour rassurer ces personnes qui, dans certains cas, sont en état de panique, parce qu'on parle quand même de plusieurs milliers d'euros.

À côté de cette perspective générale, le centre hospitalier HELORA de Mons constitue un cas particulier important. Je pense qu'effectivement il faut les informer au plus vite, parce que le 1 er janvier 2026, c'est demain.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, u wilt nu eerst een toelichting geven met betrekking tot niet gestelde vragen over de meerwaardebelasting? Ik heb begrepen dat de vraagstellers hun vuurwerk wilden bewaren voor de plenaire vergadering, maar u hebt het woord.

Jan Jambon:

Mijnheer de voorzitter, ik zal alle vragen, waaronder ook die van de heer Van Quickenborne, beantwoorden. Ik had dat immers beloofd.

Ten eerste was er de bezorgdheid dat de 1 % rijksten zouden ontsnappen aan de meerwaardebelasting. De FOD Financiën heeft dat onderzocht. Volgens de FOD zal de bijdrage van de allerrijksten door de meerwaardetaks van doorslaggevend belang zijn.

Ten tweede klopt het dat niet alleen de superrijken de belasting zullen betalen. Iedereen die een meerwaarde realiseert boven de jaarlijkse vrijstelling van 10.000 euro, die kan oplopen tot 15.000 euro, wordt belast. We vragen bijvoorbeeld bij de verkoop van financiële activa een inspanning om de noodzakelijke budgettaire sanering mogelijk te maken. Ik heb al meermaals gezegd dat het een illusie is dat men een gat van 23 miljard euro kan opvullen zonder iemand te raken.

Ten derde zorgen we ervoor dat de gewone spaarder en de langetermijnbelegger maximaal buiten schot blijven, boven op het feit dat we de eerste 10.000 euro tot maximaal 15.000 euro vrijstellen van belasting. Voor een gehuwd koppel komt dat dus neer op 30.000 euro. Een overdracht tussen echtgenoten is evenwel niet mogelijk. Pensioensparen en groepsverzekeringen blijven buiten de toepassing van de meerwaardebelasting.

Ten vierde betalen bedrijven en vennootschappen vandaag al belastingen op gerealiseerde meerwaarden, vaak tegen tarieven van respectievelijk 20 % of 25 %. In de programmawet werden de regels hieromtrent net verstrengd. Bovendien gaat het om Europese wetgeving.

Wat de vragen over mogelijke achterpoortjes betreft, het wetsontwerp moet nog worden voorgelegd aan de Raad van State en kan daarna nog worden aangepast. Onder dat uitdrukkelijke voorbehoud wil ik wel al aangeven dat het voorontwerp bepaalt dat ook private stichtingen onderworpen zullen zijn aan de meerwaardebelasting, die eveneens van toepassing is in de rechtspersonenbelasting. Er worden tal van ontwijkingsroutes gesloten. Denk bijvoorbeeld aan de exittaks, die voorkomt dat belasting wordt ontweken door het land te verlaten om fiscale redenen, en het stelsel inzake interne meerwaarden. De algemene antimisbruikmaatregel, die vandaag al geldt binnen onze fiscaliteit, zal ook van toepassing zijn op de meerwaardebelasting.

Wat de vraag over kapitaalvlucht betreft, al onze buurlanden hebben een meerwaardebelasting en die is in veel gevallen zelfs hoger dan de Belgische. Vergeet ook niet dat de belasting kadert in een bredere fiscale hervorming, waarbij de lasten op arbeid moeten dalen.

Ik kom tot een aantal technische vragen. Nadat de tekst in de regering is goedgekeurd, zal die voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State. Ook dan kunnen nog wijzigingen volgen. Vervolgens zal het ontwerp besproken worden in het Parlement, dat uiteraard het laatste woord heeft. De teksten kunnen dus nog wijzigen, maar onder uitdrukkelijk voorbehoud wil ik u toch al zo veel mogelijk antwoorden verschaffen op de vele technische vragen.

Als u slechts 1.000 euro van uw 10.000 euro gebruikt, kunt u inderdaad slechts 1.000 euro overdragen. We voorzien in een indexering van de grenzen van 10.000 euro en 1.000 euro, zodat de inflatie niet wordt belast.

Enkel beleggingsgoud valt onder het materiële toepassingsgebied van de meerwaardebelasting. Voor aandelen die werden verkregen in het kader van de optiewet, zal de waarde van het aandeel op het moment van de uitoefening van de optie als aanschaffingswaarde gelden voor de latere berekening van de meerwaarde.

Cryptomunten vallen niet automatisch onder de meerwaardebelasting op speculatief beheer aan 33 %. Dat zal afhangen van de concrete omstandigheden eigen aan elk dossier en is afhankelijk van het aantal verrichtingen, het bedrag van de investering en de verhouding ten opzichte van de totale beleggingsformule. Er spelen dus heel wat factoren mee.

Minderwaarden zijn inderdaad aftrekbaar van de meerwaarde. Als men bijvoorbeeld 60.000 euro meerwaarde heeft gerealiseerd in een bepaald jaar, maar ook 20.000 euro minderwaarde, zal men slechts op het verschil, zijnde 40.000 euro, meerwaardebelasting moeten betalen. Die oefening moet in het jaar zelf gebeuren. Er is geen overdracht naar de volgende jaren.

Wat de tak 21 en de Reynderstaks betreft, er is geen sprake van een dubbele belasting op dezelfde basis. In het ontwerp van wettekst is een voorrangsregel voorzien. Indien er al belasting is als een roerend inkomen, wordt datzelfde inkomen niet belast onder de meerwaardebelasting. Het deel dat bij de Reynderstaks niet als een roerend inkomen wordt belast, zal onder de meerwaardebelasting vallen.

De interestcomponent en meerwaarde op obligaties zullen bij gemengde fondsen blijvend worden belast als een roerend inkomen aan 30 %. Daar verandert dus niets. Het deel dat betrekking heeft op de aandelen in het gemengd fonds, zal in de toekomst wel onderworpen zijn aan de meerwaardebelasting. Dat deel is onderworpen aan het tarief van 10 % en hierop is ook de vrijstelling van 10.000 euro van toepassing.

Wat het aanmerkelijk belang betreft, zodra men 20 % van de aandelen in een bedrijf bezit, heeft men gedurende 5 jaar recht op een vrijstelling van 1 miljoen euro. Volgens de regering bevindt iemand die belegt op de beurs zich in een andere situatie dan iemand die een belang van 20 % of meer aanhoudt in een bedrijf. In het tweede geval gaat het om ondernemers, niet om beleggers, die werkgelegenheid creëren en risico's hebben genomen. Voor hen is boven op de vrijstelling een verlaagd tarief van toepassing en die 20 % moet dus berekend worden per belastingplichtige.

Wat de waardering betreft, we voorzien in de wettekst in verschillende formules en methodieken. Indien de belastingplichtige niet akkoord gaat met de waardering zoals opgenomen in de wettekst, kan hij een beroep doen op een onafhankelijk accountant en revisor. De kosten inzake waardering door een revisor of accountant moeten de toets van artikel 49 WIB92 doorstaan om aftrekbaar te zijn bij vennootschappen.

Wat de taxatie aan 33 % betreft, het tarief van de meerwaardebelasting bedraagt 10 %. Dat is de algemene regel. Bij abnormaal beheer en speculatie, die de fiscus actief moet bewijzen, zal een taxatie tegen 33 % nog altijd mogelijk zijn. Dat zal, zoals vandaag het geval is, een feitenkwestie zijn. De langetermijnbelegger zal dus nooit onderworpen worden aan een taxatie van 33 %.

Wat de bezorgdheid van Febelfin betreft, ik besef heel goed dat de financiële sector belangrijke inspanningen moet leveren. We reiken de hand naar de sector. Zijn hulp is essentieel bij de implementatie van de taks. De beleidscel en de administratie zullen uiteraard ook met andere stakeholders samenwerken om de meerwaardebelasting correct en tijdig te implementeren.

Ten slotte, in verband met het fotomoment, om meer flexibiliteit te bieden, voorzien we met betrekking tot het ijkmoment op 31 december 2025 in de keuzemogelijkheid om gedurende vijf jaar de historische aanschaffingswaarde te gebruiken, wat alleen in het voordeel van de belastingplichtige kan zijn. De termijn van vijf jaar is duidelijk. Vanaf 1 januari 2031 kan men dus geen beroep meer doen op de historische aanschaffingswaarde.

Daarmee heb ik de openstaande vragen nog beantwoord, maar het debat zal ongetwijfeld niet gesloten zijn.

Voorzitter:

Wij komen nu bij de heer Van Quickenborne.

Vincent Van Quickenborne:

Kan ik daarop nog repliceren?

Voorzitter:

U had eigenlijk geen vraag vandaag over de meerwaardebelasting.

Vincent Van Quickenborne:

Dat had ik wel. Beleggingsgoud bijvoorbeeld is een vraag.

Voorzitter:

Ik zal u het woord geven over het beleggingsgoud.

Vincent Van Quickenborne:

Mag ik even iets aangeven over de procedure? Ik zal het kort houden.

De minister geeft heel interessante antwoorden. Ik wil daarop repliceren. Ik kan dat uiteindelijk niet doen.

Voorzitter:

U kunt dat wel. U hebt zo dadelijk nog minstens twintig minuten de tijd om hier vandaag te spreken. Ga echter uw gang. Ik sta dat toe, omdat wij enkel nog onder ons zijn.

Vincent Van Quickenborne:

Er is sowieso donderdag nog een interpellatie over het onderwerp. Dat weet u of dat weet u niet. Er zijn echter nog interpellaties over de meerwaardebelasting. Ik zal vandaag niet het hele debat voeren.

Mijnheer de minister, ik wil wel al het volgende meegeven. Ik weet niet of u de onrust voelt, maar ik kom zelf ook op het terrein. Ik spreek met veel mensen. Het is uw kabinetschef, de heer De Visscher, die ooit heeft verklaard dat er bij de regeringsformatie in de discussie over de meerwaardetaks sprake was van 5 % voor iedereen, zonder uitzonderingen. Vervolgens is dat 10 % geworden, dan 10.000 euro, 15.000 euro en 20 %.

Weet u wat uw kabinetschef zei tijdens die fameuze lezing in Brugge? Hij merkte op dat hij schrik had dat er een raspaard zou binnenkomen en een dromedaris zou buitenkomen. Hij wist niet goed meer van wie dat citaat afkomstig was. Dat was Gaston Eyskens.

Ik was gisteren te gast in de Ronde van Frankrijk met een aantal ondernemers. Ondertussen proberen wij werk en andere zaken te combineren. Er leeft echter veel bezorgdheid, vooral over de complexiteit. Dat beseft u ongetwijfeld ook.

Mijnheer de voorzitter, ik zat bijvoorbeeld op de trein met een ondernemer, een hotelier uit Roeselare. Hij bezit 51 % van de aandelen. Zijn vrouw en zijn twee zonen hebben samen 49 %, dus elk 16,6 %. Die drie personen halen elk de drempel van 20 % niet. Dus vraagt hij zich af wat hij moet doen. Moet hij zijn vrouw en zijn twee zonen elk 20 % geven? Dan komen zij samen aan 60 %. Bijgevolg komt hij, de hotelier, op 40 %.

Weet u wat hij mij toen zei? Hij zei dat uiteraard in het West-Vlaams, want hij komt uit Roeselare. Zijn hotel heet In den Bonten Os. Hij zei: ‘Straks wordt dat hier een bonte os in mijn hotel, want ze gaan mij eruit zetten.’ Stel dat het niet goed loopt met zijn vrouw en zijn twee kinderen, die samen 60 % van de aandelen bezitten. Dan kunnen zij hem gewoon uit zijn zaak zetten.

Er is dus heel wat ongerustheid bij ondernemers, met name over die 20%. Wat als men er niet aan geraakt? Dat is een element dat ik u wil meegeven.

Ten tweede, die 33%, mijnheer de minister. U had in uw oorspronkelijke voorstel die deur dichtgetrokken, waarvoor mijn felicitaties. Wat doen de socialisten echter? Ze zetten die deur gewoon opnieuw open.

Ik heb u een schriftelijke vraag gesteld over de codes en de aantallen. Weet u hoeveel mensen er in 2022 een aangifte hebben gedaan van abnormaal beheer? Dat is immers het laatste inkomstenjaar waarvoor u cijfers hebt. Weet u hoeveel dat er zijn? 18. 18 mensen hebben aangifte gedaan. En nu, doordat u zegt dat het 10 of 33 % is, zet u die deur gewoon wagenwijd open. Ik ken de fiscus en u kent die intussen waarschijnlijk ook wel. De fiscus zal een zodanig zicht krijgen op al die meerwaarde… Ze zullen zeggen: "Maar de secretaris van de commissie voor Financiën, dat is speculatief wat die man doet." En dan wordt het 33 %. Ik probeer af te ronden, maar het gaat wel degelijk om belangrijke zaken. Ik zie ook dat de minister luistert. Die 33 %, mijnheer de minister, doe dat niet.

U zegt dat het om een gigantische budgettaire uitdaging gaat. Dat is juist. U spreekt over 23 miljard. De budgettaire prognose met de begroting van Arizona bedraagt echter 42 miljard. Het is nog erger! U denkt dat u dat met 500 miljoen zult dichtrijden. Alstublieft, laten we eerlijk zijn. Als wij met u in de regering hadden gezeten, was dat nooit gepasseerd. U zou er zelfs voor gezorgd hebben dat het niet zou passeren. Dus zeggen dat dit een oplossing is voor die 42 miljard, you must be joking . Dat weet u toch ook?

U zegt ook dat de gewone spaarder buiten schot blijft met die 10.000, 15.000 euro, dan 20.000, 30.000 euro. Maar u hebt dat toch ook gelezen, mijnheer de voorzitter? Dat is echt hallucinant. Om die 10.000 euro vrijstelling te kunnen claimen, moet men dat in het betrokken jaar doen. Dus men moet telkens kopen, verkopen op het moment dat men 10.000 euro realiseert en dan opnieuw kopen en verkopen. Men moet dus een planner worden. Van een langetermijnspaarder wordt eigenlijk gevraagd om een speculant te worden. Ik zal de naam van die leraar niet opnieuw noemen. Zelfs De Tijd en al die beleggingsorganisaties zeggen het: kopen, verkopen, kopen, verkopen. Men moet zich dus gedragen als een speculant om dat allemaal te kunnen claimen. Wie zijn geld 20 jaar lang laat staan, kan die 10.000 euro slechts één keer gebruiken. Wie telkens koopt en verkoopt voor 10.000 euro, kan echter telkens opnieuw die 10.000 euro claimen. Dus men vraagt mensen om op korte termijn te beleggen. Men moet dus alles beginnen plannen.

Op de duur moet men dat allemaal beginnen inplannen. Ik weet dat u een verstandige mens bent, maar ik ken mensen die via een vermogensbeheerder sparen voor hun kinderen. Zij sparen op lange termijn. Dat kent u waarschijnlijk ook. Dat zijn mensen uit de betere kringen van onze samenleving waar u ook toe behoort, niet de socialisten, niet de communisten. Gelukkig bestaan die mensen ook. Zij zullen nu aan hun vermogensbeheerder moeten zeggen om die 10.000 euro te claimen, te verkopen en opnieuw te kopen.

Jan Jambon:

Men kan dat toch laten oplopen tot 15.000 euro?

Vincent Van Quickenborne:

Ja, dat weet ik. Dat klopt. Het kan 10.000 of 15.000 euro zijn. Voor mensen die op lange termijn beleggen, is dat echter te weinig. Als men twintig jaar lang belegt, dan heeft men die 15.000 euro in een handomdraai. Mensen die 50.000 euro moeten sparen en dat twintig jaar lang blijven beleggen, die gaan ruimschoots boven die 15.000 euro uit. 50.000 euro, dat is uiteraard geen klein bedrag, dat weet ik wel.

Voorzitter:

We gaan nu stilaan afronden wat dit thema betreft. U hebt nog drie vragen op de agenda staan, die ik nu graag ter behandeling zou willen voorleggen. U komt morgen of donderdag aan bod in de rij van tussenkomsten en interpellanten. Ik denk dus dat we hierbij afronden. De minister is tegemoetgekomen aan wat hij vorige week heeft beloofd. U hebt zojuist opnieuw tien minuten toegevoegd aan de acht minuten die u vorige week genomen hebt in plaats van de vier die u waren toegezegd. Ik zou dit debat nu willen afronden. We zitten buiten de agenda. Ik wil graag terugkeren naar de agenda en de laatste drie vragen behandelen.

Vincent Van Quickenborne:

Dat begrijp ik, voorzitter. Maar misschien nog één ding, dan rond ik af. Vorige week zei de minister dat hij deze week de resterende vragen zou beantwoorden. Dat heb ik gewaardeerd, want ik had veel vragen, 9 vragen, ingediend. Het is toch normaal dat het Parlement een repliek mag geven? Dat is toch altijd zo. Dat begrijpt u toch.

Voorzitter:

U hebt, als u alle spreektijden optelt, met de hele discussie over de toegekende tijd en de formules enzovoort, uw spreektijd al ruimschoots overschreden. Daarom, laat ons het debat nu afronden. Het debat is niet ten einde. De teksten zullen nog naar het Parlement moeten komen. De minister heeft alle transparantie geboden over wat in eerste lezing voorligt en wat nu naar de Raad van State is gestuurd. Ik denk dat het nu tijd is om uw volgende vragen te behandelen, want ook die willen we vandaag nog afhandelen.

Vincent Van Quickenborne:

Mag ik nog één vraag stellen over de waardering? Dan rond ik af. U hebt de waardering ingeschat en toegelicht. Stel dat ik die waardering laat uitvoeren door de minister of een revisor, zijn de kosten van die waardering dan aftrekbaar in de vennootschap of niet?

Jan Jambon:

Ik heb in mijn antwoord verwezen naar de regels van de vennootschapsbelasting. Daaraan moet het voldoen.

Vincent Van Quickenborne:

Dat wil dus zeggen dat, als het daaraan voldoet, het aftrekbaar is.

Jan Jambon:

Ja.

Vincent Van Quickenborne:

Ok, dat is heel goed. Dank u wel.

De staking van de zorgverstrekkers
De artsenstaking
De artsenstaking
De stakingsaanzegging van BVAS
Stakingen in de zorgsector

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 3 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgsector protesteert massaal (staking op 7 juli) tegen minister Vandenbrouckes plannen om supplementen te plafonneren en fraude harder aan te pakken, zonder duidelijke hervorming van de nomenclatuur (terugbetalingstarieven) of voldoende overleg. De minister benadrukt dat hij al 7x overlegde, een lijst met aanpassingen voorstelde (o.a. behoud conventiepartieel) en een half miljard extra in tandzorg investeerde, maar artsen voelen zich niet gehoord, vrezen tweedeling in zorg en eisen meer vertrouwen, transparantie en autonomie. De kern van het conflict: tariefzekerheid voor patiënten vs. vrijheid en financiële leefbaarheid voor zorgverleners, met als dieptepunt gebroken vertrouwen door geforceerde maatregelen zonder draagvlak. De staking is een radicale waarschuwing dat de sector geen eenzijdige oplossingen accepteert.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik ben ooit in de politiek gestapt omdat ik het wilde opnemen voor mijn patiënten. Ik wilde ijveren voor een betere terugbetaling van hun behandelingen. Ik ben parodontoloog, een van die medische disciplines waarvoor er bijzonder lage terugbetalingstarieven voorzien zijn. Ik heb het altijd heel oneerlijk gevonden dat mijn patiënten zoveel moesten betalen voor de behandeling van een tandvleesontsteking, om te voorkomen dat ze hun tanden zouden verliezen.

Een hervorming van de nomenclatuur of een herijking van die tarieven is dan ook dringend nodig. Zonder zo’n hervorming zijn sommige disciplines genoodzaakt supplementen te vragen om hun praktijk draaiende te houden. Over die nood aan hervorming zijn we het dan ook volledig eens.

We zijn het echter niet eens, mijnheer de minister, met het feit dat u die supplementen wettelijk wil plafonneren, terwijl er nog geen duidelijkheid is over hoe de hervorming van de nomenclatuur er in de toekomst zal uitzien en of de nieuwe tarieven dan wel toereikend zullen zijn. Dat er ongerustheid bestaat over die kaderwet, is voor de N-VA dan ook zeer begrijpelijk.

Dit was overigens niet wat wij voor ogen hadden toen we onze handtekening zetten onder het regeerakkoord. Het vrije beroep is niet iets wat we moeten bestrijden. Hervormingen zijn nodig om onze zorg kwaliteitsvol, betaalbaar en duurzaam te houden. Dat moeten we wel samen doen, samen met de zorgverstrekkers, want zij zijn het best geplaatst om in te schatten wat de gevolgen van die hervormingen op het terrein kunnen zijn.

Mijnheer de minister, zijn er gesprekken lopende met de zorgverstrekkers en wat is het verdere verloop daarvan? U hebt aangegeven dat u openstaat voor aanpassingen aan het ontwerp van kaderwet. Zijn er al aanpassingen gebeurd en kunt u daar nu al iets over meedelen?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, ce 7 juillet, les médecins et les dentistes, ainsi que d'autres soignants par solidarité, mèneront une grève générale, un fait rarissime, du jamais vu depuis 60 ans. En tant que médecin et député pour Les Engagés, je comprends pleinement les craintes et la colère qui montent dans le corps médical.

L'enquête menée par plusieurs journaux spécialisés est sans appel: huit médecins sur dix rejettent l'avant-projet de loi. Notre mouvement partage la volonté de moderniser notre système de santé, d'y apporter de la transparence et de l'efficacité. Nous avons tous connaissance de situations qui vont trop loin, qui ne sont pas soutenables et auxquelles il faut remédier. Il ne s'agit toutefois pas de faire à n'importe quel prix, ni contre ceux qui le font vivre au quotidien. Nous plaidons pour une réforme équilibrée, qui donne un cap politique sans dévoyer la démocratie sanitaire.

L'accord de gouvernement donne une orientation qui devra se matérialiser. Il s'agit cependant de placer le curseur au bon endroit pour les mesures qui y sont prévues. Votre réforme impose, sans concertation suffisante, un plafonnement des suppléments d'honoraires. Cette mesure, dite de justice sociale, frappera de manière inéquitable nos hôpitaux, et dans l'absence d'une réforme préalable du financement hospitalier, affaiblira les établissements, menacera la pérennité de l'offre de soins et désorganisera profondément les pratiques. Oui à des règles claires, non à la suppression de toute souplesse, comme le conventionnement partiel. Oui à la responsabilisation, non au retrait du numéro INAMI sans garantie procédurale solide.

Réformer, c'est dialoguer, écouter, construire avec les soignants. Si ce projet reste figé, il fracturera durablement la relation entre l' É tat et les médecins. Les Engagés défendront toujours une santé publique co-construite, humaine et respectueuse du terrain.

Monsieur le ministre, je n'ai qu'une question: que répondez-vous aux médecins qui exprimeront leurs craintes ce 7 juillet?

Julie Taton:

Monsieur le ministre, nous serons d'accord sur un point, à savoir que nous ne sommes pas prêts d'oublier cette date du 7 juillet 2025. Cela fait plus de 20 ans, comme l'a rappelé mon collègue qui a même parlé de plus de 60 ans, que le secteur médical ne s'était plus mobilisé pour manifester sa colère, mais aussi ses inquiétudes et son incompréhension.

Nous en connaissons les raisons, qui ont déjà été développées à plusieurs reprises dans cet hémicycle. Mes collègues viennent également de relever les points qui fâchent. Les réformes doivent être entreprises, mais le problème est qu'elles font peur, parce qu'elles menacent l'équilibre, l'avenir du secteur et la qualité des soins. Comment comptez-vous garantir l'autonomie des praticiens, la valorisation de leur métier, le financement sain de nos hôpitaux? Comment éviter cette médecine à deux vitesses, qui est déjà en train de s'installer petit à petit? Nous pouvons parler aussi du choix, de la liberté et de la vie des patients et des soignants.

Monsieur le ministre, vous avez aussi prévu quelque chose d'assez sympathique sur le papier en souhaitant un système beaucoup plus lisible, juste et transparent. Le problème est que la confiance a été rompue. Cette grève du 7 juillet en apporte la preuve éclatante.

Pouvez-vous nous expliquer concrètement comment vous allez vous y prendre pour rétablir un dialogue constructif et apaisé avec l'ensemble des représentants du monde médical? Quelles garanties pouvez-vous nous apporter pour que la réforme soit entreprise dans l'intérêt commun, en préservant la qualité, la liberté, mais aussi l'accès de tous aux soins?

Irina De Knop:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, maandag is het zover: voor het eerst in 25 jaar staken onze artsen, niet omdat ze dat willen, maar omdat ze moeten. Als er één beroepsgroep is voor wie staken niet in het DNA zit, dan zijn het wel onze artsen.

Zij kunnen niet anders. U mag dan wel verklaren dat u vier, vijf of zes keer met hen hebt gesproken en naar hen hebt geluisterd, maar uw methode werkt niet. Zo eenvoudig is het. U kunt tien keer overleggen, maar het probleem is niet dat u het niet hoort, maar dat u niet luistert.

Ondertussen zien wij dat de stakingsoproep alsmaar meer gehoor vindt. Iedere dag opnieuw sluiten nieuwe zorgverleners zich aan bij de stakerslijst: radiologen, orthopedisten, dermatologen, oncologen en noem maar op. Zelfs het universitair ziekenhuis van de UGent en heel wat huisartsen en tandartsen hebben zich intussen bij hen aangesloten.

Niettemin weigert u bij te sturen. Ik heb u hier vorige week via een motie gevraagd uw kaderwet zo diep mogelijk in een lade te leggen en van methode te veranderen. Wat zien wij echter? U gaat koppig door.

Ik heb voor u drie concrete vragen. Meent u dat alle zorgverstrekkers die komende maandag staken, dat ook zouden doen, mochten zij een alternatief zien?

Welke initiatieven hebt u de voorbije weken genomen om de gemoederen te bedaren en echt te luisteren? Wat heeft dat opgeleverd?

Ten slotte, zult u iets wijzigen aan uw methode en uw kaderwet bijsturen?

Frank Vandenbroucke:

Chers collègues, nous investissons dans les soins de santé pour assurer des soins de qualité, des soins abordables, pour une rémunération correcte de tous les prestataires, pour un financement adéquat et suffisant pour les hôpitaux, pour la sécurité tarifaire. En même temps, vous m'avez demandé de renforcer la lutte contre les fraudes, même si elles sont marginales dans le système. Un premier avant-projet de loi est en discussion.

Concernant la concertation, tout d'abord, ce soir je verrai pour la septième fois les syndicats des médecins, qui incluent les syndicats des dentistes. J'ai déposé hier une longue liste de changements dans le texte en question. Une longue liste d'amendements significatifs, comme je l'avais annoncé, entre autres concernant le conventionnement partiel. J'ai dit que s'il y avait une autre solution pour accroître la lisibilité et la transparence pour les patients en maintenant ce système de conventionnement partiel, ce serait bon pour moi. J'ai donc fait circuler une longue liste d'amendements, dont nous discuterons ce soir. La concertation est réelle, elle s'organise.

Je serais évidemment ravi si mes collègues organisaient la concertation de la même façon sur les pensions avec les syndicats des ouvriers et sur la flexibilité du marché du travail. J'imagine que ce sera le cas.

Donc, ce soir, pour la septième fois, une longue liste d'amendements, portant sur des questions assez importantes, sera discutée. Je comprends aussi tous les soucis.

Collega's, laat ik duidelijk zijn, de gezondheidszorg staat onder druk, in een vergrijzende samenleving. Huisartsen staan onder druk en hebben meer steun nodig. Kinderartsen en psychiaters zouden beter vergoed moeten worden. Spoeddiensten worden overspoeld. We hebben de voorbije jaren een half miljard meer geïnvesteerd in de tandzorg. Ik wil echter wel dat de verantwoordelijken in de sector dat geld ook gebruiken voor de grootste noden. Dat wil ik ook. En wij zullen nog investeren in tandzorg.

De sector staat dus onder grote druk. Hervormingen zijn absoluut nodig. Ik begrijp dat er vandaag onrust is. Eerlijk gezegd, er zijn ook heel veel misverstanden en sommige zaken begrijp ik ook niet, collega's. Ik begrijp niet dat een vakbond een staking organiseert en zegt dat patiënten zullen worden geweigerd, omdat het onaanvaardbaar is dat wij frauduleuze facturen willen tegenhouden van jammer genoeg soms ook fraudeurs en oplichters in het systeem. Omdat we die facturen niet meer willen betalen, organiseert men een staking tegen patiënten. Dat is toch moeilijk te begrijpen. Omdat wij binnen de drie jaar echte excessen en overdrijvingen in supplementen, die boven op facturen komen, willen beperken, een staking organiseren tegen patiënten, is moeilijk te begrijpen. Ik begrijp dat alvast niet.

Daarover gaat het dus. Het gaat over tariefzekerheid voor patiënten. Het gaat over een correcte vergoeding voor artsen en voor tandartsen. Absoluut.

Mevrouw Gijbels, vorige legislatuur - u zat toen in de oppositie - hebben wij de terugbetaling voor tandartsen verhoogd van 950 miljoen euro naar 1,5 miljard, een toename van een half miljard euro. Ik wil het mogelijk maken dat men niet alleen nog meer kan investeren, maar ook – dit is om uw probleem op te lossen – dat men flexibelere tarieven kan werken. Daarover zegt niemand iets. Dat wil ik mogelijk maken. Dat zijn oplossingen, voor u en voor uw patiënten. Laten we daarover het overleg organiseren.

Organiseer toch geen staking, omdat men frauduleuze facturen niet langer wil betalen. Ik heb gelezen dat dat een rode lijn is voor een vakbond. Dat kan toch niet. Organiseer geen staking, omdat men binnen de drie jaar een limiet wil stellen aan absolute excessen, waardoor een bevalling in het ene ziekenhuis drie keer duurder is dan in het andere. Daar bent u het toch mee eens? U hebt dat immers in het regeerakkoord laten opnemen. Meer zelfs, ik moet dat probleem onmiddellijk aanpakken; ik doe het met vertraging. Dus (…)

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, voor alle duidelijkheid, als wij ijveren voor betere terugbetalingen, dan gaat het niet over betere terugbetalingen voor de artsen of de tandartsen, maar wel voor de patiënten. Ik wil de puntjes op de i zetten. Wij zijn het er volledig mee eens dat er hervormingen nodig zijn en dat er moet worden gestreden tegen fraude.

Daarvoor hebben we echter iedereen nodig. Ik hoop dat er geluisterd wordt. Het is essentieel dat het wederzijds vertrouwen opnieuw wordt opgebouwd. Ik denk ook dat we daar nog niet zijn. Ik hoop dat er constructief voort wordt gewerkt en dat we binnen de contouren van het regeerakkoord blijven.

Wat het staken betreft, komende maandag zal er actie worden gevoerd. Staken is niet natuurlijk voor een zorgverstrekker. Het is gelukkig ook heel uitzonderlijk. Het wijst op een grote bezorgdheid. Ik hoop dat patiënten er niet te veel last van zullen hebben en dat mijn collega-zorgverstrekkers er alles aan zullen doen om de uitgestelde zorg zo snel mogelijk in te halen.

Jean-François Gatelier:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse.

Nous partageons au moins un point commun: je suis tout à fait d'accord avec vous sur le fait qu'il faut réformer nos soins de santé. Cela coûte de plus en plus cher. Je suis heureux de vous entendre dire que vous avez procédé à des concertations sept fois. Je vous en ai parlé de manière personnelle en vous disant quand même qu'un syndicat n'avait pas été informé avant le 3 juin. Dommage que la communication n'ait pas été suffisante, en tout cas pour tous. Enfin, passons sur cela. Nous allons essayer d'améliorer les choses.

Vous parlez de concertation. Je suis d'accord avec vous. Il faut de la concertation pour les pensions. Je renvoie aussi la balle: il faudrait également se concerter dans le secteur de l'emploi.

Continuons à réformer parce que, effectivement, il y a des abus, mais il ne faut pas faire payer à toute une profession les quelques abus qui restent finalement très rares. C'est comme les suppléments d'honoraires ultra excessifs; ils restent extrêmement rares, et la profession a vraiment le sentiment d'être stigmatisée.

En médecine, Hippocrate nous a légué un principe simple: primum non nocere . Premièrement, ne pas nuire. Et votre réforme, en l'état actuel, risque de nuire.

Julie Taton:

Merci beaucoup, monsieur le ministre, pour vos réponses.

J'ai envie de relever un point par rapport à tout ce qui vient d'être dit. Vous avez dit que la question était aussi d'avoir une rémunération correcte. Mais qu'entendez-vous par là? Cela reste quelque peu subjectif par rapport au travail de ces professionnels. Je pense que s'ils prennent le temps de faire un jour de grève, compte tenu de leurs responsabilités, c'est qu'il y a un vrai souci.

Nous sommes ravis d'entendre que vous allez encore prendre le temps, pour une septième fois, de communiquer et d'échanger avec eux. La concertation est clairement la clé. Nous avons vraiment besoin de ce secteur.

Irina De Knop:

"Wat nu op tafel ligt, laten wij niet passeren. Nonkel Frank is dingen aan het doen die niet afgesproken waren. Ik snap dat de artsen dit niet pikken." Vooraleer u boos wordt op mij, mijnheer de minister, dat zijn niet mijn uitspraken, maar die van uw coalitiepartner, de N-VA. Tussen haakjes, die had in plaats van zo te brullen in de media en te piepen in het Parlement, perfect mijn motie vorige week kunnen goedkeuren. Daarin staat – ik lees het nog eens voor -: "We vragen het ontwerp van kaderwet in te trekken."

Mijnheer de minister, ik verneem dat u punten en komma's in de kaderwet wijzigt en die telkens opnieuw blijft voorleggen. Dat is het beste bewijs dat u eigenlijk niet luistert.

Het is niet zomaar een staking, mijnheer de minister. Het is een waarschuwing.

Voorzitter:

Ik heb goed nieuws, collega’s. De mogelijkheid om deel te nemen aan de geheime stemmingen wordt met een half uur verlengd. Sommigen hebben niet de mogelijkheid gehad om te stemmen, dus die mogelijkheid wordt hen nu geboden. U zult daar ongetwijfeld gebruik van maken.

De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en het leefloon
Het door de GGC ingeroepen belangenconflict en het uitstel van de werkloosheidsbeperking in de tijd
Het door de GGC ingeroepen belangenconflict
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd en de financiële compensatie voor de OCMW’s
De impact van de hervorming van de werkloosheid op de OCMW's en de middelen van de federale overheid
De compensatieregeling voor OCMW's n.a.v. de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Beperking werkloosheidsuitkeringen, compensatieregelingen en impact op OCMW's en federale middelen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking tot 2 jaar) dreigt 180.000 mensen uit te sluiten, waarvan 30-50% naar de OCMW’s zal uitwijken, wat zware druk legt op hun budgetten, personeel en administratie. Minister Van Bossuyt belooft 234 miljoen euro compensatie (mogelijk verhoogd) via een driedelig systeem: verhoogde terugbetaling voor instroom, beloning van inspannings- *en* resultaatgerichte activering, maar concrete cijfers en verdeling ontbreken nog—OCMW’s klagen over gebrek aan duidelijkheid voor hun 2025-begroting. Critici (o.a. Schlitz, Merckx) waarschuwen voor verergerde armoede, huisuitzettingen en overbelaste sociale diensten, terwijl voorstanders (Raskin) de focus op activering verdedigen. De minister streeft naar een akkoord voor de zomer, maar OCMW’s en oppositie eisen snellere, transparantere plannen om chaos per 2026 te voorkomen.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, la réforme de l'assurance chômage du gouvernement Arizona prévoit l'exclusion de demandeurs d'emploi après un maximum de deux ans. Cela équivaudrait à plus de 180 000 personnes exclues des allocations de chômage.

Or on sait déjà que tout le monde ne retrouvera pas un emploi dans ce délai, tout simplement parce que l'offre d'emplois n'est pas suffisante et que l'accompagnement reste largement insuffisant pour les personnes les plus éloignées du marché du travail, qu'il s'agisse de mamans solos, de personnes âgées ou de personnes d'origine non belge, qui sont encore aujourd'hui largement exclues et discriminées sur le marché de l'emploi.

Votre collègue le ministre Clarinval nous répète régulièrement qu'au moins un tiers des personnes exclues vont se tourner vers les CPAS. Certains CPAS estiment même que ce pourcentage pourrait monter jusqu'à 50 %, au vu des caractéristiques socioéconomiques de leur population. Cette mesure aura donc un impact majeur sur leur fonctionnement, en particulier en termes de charge administrative, d'accompagnement des personnes et de pression budgétaire.

Madame la ministre, avez-vous à ce stade réalisé une estimation précise des conséquences financières pour les communes et les CPAS concernés? Comment votre gouvernement entend-il soutenir ces CPAS afin qu'ils puissent faire face à l'arrivée de bénéficiaires et relever un défi que, jusqu'ici, le Forem n'est pas parvenu à relever? Aujourd'hui, votre gouvernement demande aux CPAS de faire le travail que le Forem n'est pas parvenu à réaliser.

Comment voyez-vous les choses sur le terrain? Certaines missions vont-elles être en réalité allouées au Forem ou aux organismes comme Actiris pour soutenir les CPAS?

Par ailleurs, votre gouvernement a annoncé le déblocage de 234 millions d'euros pour accompagner cette réforme. Sur quelle base ce montant a-t-il été calculé? Quels indicateurs ou quelles projections ont guidé cette décision? Comment ces moyens seront-ils répartis entre les CPAS? Quelle sera la clé de répartition? En d'autres termes, à combien un CPAS comme celui d'Anvers ou celui de Huy peut-il concrètement s'attendre, en termes de montant?

Je vous remercie pour les réponses que vous pourrez apporter, parce qu'aujourd'hui, le terrain est très inquiet concernant ce qui en train de se produire et n'a à ce stade pas suffisamment d'informations pour pouvoir s'organiser correctement en vue de la mise en place de cette réforme.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, enkele weken geleden zette onze commissie vrijdagnacht na urenlang debat het licht op groen voor een hervorming van de werkloosheid, namelijk de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Op het gevaar af een beetje te klinken als de heer Ronse, het is een historische hervorming die in verschillende fases uitgevoerd zal worden om de OCMW's voldoende ademruimte te geven. Desondanks leeft bij heel wat OCMW's ongerustheid over de precieze impact van de hervorming. Ze vrezen dat de werkdruk, die ook vandaag al behoorlijk hoog is, nog zal toenemen door een grote instroom van werklozen die een aanvraag zullen doen. De federale regering is zich bewust van de mogelijke impact. Dat hebben we u hier al horen verklaren. Ze maakt werk van een compensatieregeling.

Wat is de stand van zaken? Zal de regeling tijdig goedgekeurd worden in de regering?

Kunt u iets meer vertellen over de regeling? Welke onderdelen omvat ze?

In welk bijkomend budget zal de regering voorzien om de lasten van de OCMW's te compenseren? Hoe zal dat geld verdeeld worden?

Voorts verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag over het belangenconflict dat de Gemeenschapscommissie van Brussel opgestart heeft vanuit dezelfde bezorgdheid.

Mevrouw de minister,

Gisterenavond maakt de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) in Brussel bekend dat ze een procedure van belangenconflict opstart tegen de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Naar eigen zeggen wil de GGC tijd kopen om garanties te krijgen dat de federale regering de Brusselse OCMW's voldoende ondersteuning zal bieden. De OCMW's dreigen immers – als gevolg van de maatregel van de federale regering - geconfronteerd te worden met een toename van het aantal leefloondossiers.

Mijn vragen aan u:

1. Hoe staat u tegenover dit belangenconflict? Is de bezorgdheid over de ondersteuning van de OCMW’s terecht?

2. Hoe zal deze federale regering de impact van beperking van de werkloosheid in de tijd op de OCMW’s trachten te milderen?

Met dank voor uw antwoord.

Sofie Merckx:

Mevrouw de minister, de afgelopen weken hebben we heel wat discussies gevoerd over de hervorming van de werkloosheid. Wat is er intussen gebeurd? Enerzijds hebben Les Engagés het standpunt geformuleerd dat 234 miljoen euro echt te weinig is en dat er 400 miljoen euro nodig is. Anderzijds zijn er misschien ook andere dossiers besproken tijdens de fameuze vergadering van het kernkabinet over de meerwaardebelasting.

Hoe dan ook, er is nog steeds ongerustheid bij alle burgemeesters en lokale besturen over wat hen nu te wachten staat, wanneer de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zullen worden beperkt, waardoor 180.000 werklozen op termijn hun werkloosheidsuitkering zullen verliezen. De vraag blijft hoeveel van die personen zich tot het OCMW zullen wenden. U bleef de voorbije weken vasthouden aan een verhouding van driemaal een derde. In zijn economische vooruitzichten raamt het Federaal Planbureau het percentage op 39 %. Dat is toch een aanzienlijk verschil. Blijft u vasthouden aan het verhaal van driemaal een derde, ook al toont de verhouding tussen samenwonenden, alleenstaanden en gezinshoofden aan dat het om een groot aantal personen gaat?

U argumenteerde ook dat u voortgaat op de redenering van Di Rupo, maar kunnen we die redenering wel helemaal overnemen? Degenen die een inschakelingsuitkering krijgen, vormen immers een heel ander publiek dan degenen die al lang een werkloosheidsuitkering ontvangen.

Blijft het steunbedrag 234 miljoen euro? Hebt u dat verhoogd? Hoe wordt dat bedrag berekend? Wat staat de lokale besturen te wachten? Vandaag wordt ongeveer 55 % door de federale overheid terugbetaald. In sommige gevallen is dat zelfs 70 %. Zult u voor 100 % compenseren, zoals de heer Ronse hier liet uitschijnen, of niet? Hoe zit dat concreet in elkaar?

We zouden hierover graag meer duidelijkheid krijgen, mevrouw de minister

Anneleen Van Bossuyt:

Collega's, dank u voor uw vragen.

Vooreerst begrijp ik dat er veel vragen en bezorgdheden zijn. Het gaat om een ingrijpende wijziging, die absoluut nodig is in ons land en die uiteraard heel wat gevolgen heeft.

Ik geef u een aantal elementen mee. Ten eerste, wat het budget voor de OCMW’s betreft, ik probeer zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over zowel de omvang als de compensatieregeling voor de OCMW’s. Ik hoop dat echt nog voor het zomerreces te kunnen doen, zodat de OCMW’s en de lokale besturen tijdig geïnformeerd zijn. In de zomer wordt immers vaak de begroting voor het volgende jaar opgesteld. Zo zullen ze weten waar ze voor staan, welke uitdagingen hen wachten en over welke budgetten ze zullen beschikken.

Ik vind het belangrijk dat de OCMW’s voor de bijkomende werklast gecompenseerd worden. Er was initieel gepland om vanaf 2027 een budget ter beschikking te stellen. Dat was zo overeengekomen in het regeerakkoord. In juni hebben we echter een akkoord bereikt om al vanaf 2026 middelen vrij te maken. Voorts bekijken we eveneens de mogelijkheid om ook al voor dit jaar een budget vrij te maken.

Nous nous trouvons maintenant dans la dernière ligne droite en ce qui concerne la manière dont ce montant sera réparti entre les CPAS. Comme je l'ai déjà dit à plusieurs reprises, il ne s'agit pas simplement de leur transférer cet argent, mais bien d'élaborer une politique responsable en collaboration avec eux. L'objectif est de soutenir les CPAS en trois phases.

Die drie pijlers heb ik al toegelicht tijdens een interpellatie in de plenaire vergadering. De eerste pijler is een compensatie voor de instroom vanuit de werkloosheid. OCMW's die extra leeflonen toekennen aan mensen die hun uitkering verliezen door de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd, zullen een verhoogd terugbetalingspercentage krijgen. De tweede pijler zijn de inspanningen van de OCMW's op het vlak van activering, dus het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). Wie actief inzet op begeleiding en activering via het GPMI, zal daarvoor beloond worden.

Ik vond het heel belangrijk om ook een inspanningsverbintenis te compenseren, dus niet enkel het resultaat te compenseren maar ook de inspanningen. We weten immers allemaal dat er soms OCMW-cliënten zijn waarin heel veel tijd en energie wordt gestoken, maar die nooit zullen doorstromen. Ik vond het dus heel belangrijk om ook die inspanningen te belonen.

De derde pijler is de resultaatgerichtheid, dus het resultaat. Daarmee bedoel ik natuurlijk de uitstroom naar werk, die daarbij in rekening wordt genomen. Dat zullen de drie criteria zijn op basis waarvan die compensatie voorzien zal worden voor de OCMW's.

Wat betreft de vragen over het overleg tussen het kabinet, de gewesten en de werkgelegenheidsdiensten, kan ik zeggen dat er echt veel overleg plaatsvindt. Ik vind dat trouwens ook belangrijk. Het is immers samen met die diensten dat de uitvoering zal moeten gebeuren. Mijn kabinet zit maandelijks samen met de OCMW-federaties en neemt ook deel aan de interministeriële conferentie Werk, die wordt georganiseerd door het kabinet van minister Clarinval, samen met de OCMW-federaties, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) en de bevoegde ministers van Werk van de deelstaten. Een eerste interministeriële conferentie vond plaats op 16 juni en er volgen nog enkele vergaderingen waarbij mijn kabinet telkens betrokken zal zijn.

Concreet inzake de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd en de compensatie van de OCMW's, werd er een taskforce opgericht met mijn kabinet, de POD Maatschappelijke Integratie, het kabinet van minister Clarinval, de RVA en de OCMW-federaties. Deze taskforce kwam een eerste keer samen op mijn kabinet op 24 juni en het spreekt voor zich dat er nog vergaderingen zullen plaatsvinden.

Ten slotte werd er gevraagd naar de procedure inzake het belangenconflict dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) heeft opgestart en de eventuele budgettaire impact daarvan. Dat heeft mijns inziens geen invloed op de parlementaire werkzaamheden in de Kamer. Het Verenigd College, dit is de Brusselse regering inzake de GGC-bevoegdheden, is niet bevoegd om een belangenconflict in te roepen tegen een wetsontwerp dat in de Kamer voorligt. Ik heb begrip voor de bezorgdheden van de GGC inzake de impact van de hervormingen op de Brusselse OCMW's, maar ik wil in constructief overleg met het veld een degelijke regelgeving uitwerken om de OCMW's te compenseren en samen met hen een verantwoord beleid uit te werken. Zoals ik heb gezegd, vindt daarover regelmatig overleg plaats.

Sarah Schlitz:

Merci pour les réponses apportées. Néanmoins, je constate que l'Arizona veut aller très vite dans la mise en place de la réforme parce que c'est une victoire au sein de l'Arizona. C'est une réforme historique. Il est donc très important pour vous, au niveau de votre communication, d'annoncer avant l'été que l'Arizona compte à son actif la limitation des allocations de chômage dans le temps, quand bien même nous constatons qu'on n'a pas le début d'une idée de la façon dont cela se traduira concrètement sur le terrain.

Vous nous parlez de la Conférence interministérielle et d'une task force. Les CPAS sont en panique car ils ne reçoivent aucune information sur la façon dont cela va se dérouler. Vous avez interrompu les subsides pour l'insertion et la participation, qui étaient utiles pour soutenir des personnes sur le terrain. En raison de ces limitations budgétaires, les CPAS sont aujourd'hui obligés de licencier. Vous leur demanderez de réembaucher en janvier, alors que les assistants sociaux vivent une détresse terrible, que cette filière souffre d'une désaffection, et que le métier en pénurie.

Aujourd'hui, il faudrait aux CPAS de la clarté quant au cap et aux objectifs ainsi que sur le moment auquel ils pourront embaucher. Il faudrait envoyer un signal clair aux assistants sociaux pour leur dire qu'il y aura du boulot à partir de janvier. Aujourd'hui, on navigue complètement à vue dans ce dossier. Vous ne savez pas où vous allez, vous agissez aujourd'hui et vous verrez après. Cela ne va pas! Vous êtes en train de créer une panique tant auprès des professionnels que des personnes concernées.

On sait que les personnes qui cherchent du travail, qui sont âgées, n'en retrouveront pas. Certaines redoutent de perdre le seul revenu auquel elles ont accès. Ma crainte profonde est que des personnes se retrouvent privées de ressources pendant une certaine période car leur dossier ne sera pas traité dans les temps parce que les CPAS seront dans l'incapacité de le faire. Ces personnes se retrouveront alors avec des arriérés de loyer, ce qui les amènera à perdre leur logement. Cela créera une spirale infernale vers la descente aux enfers.

Je suis extrêmement inquiète des conséquences tangibles sur l'aggravation de la pauvreté dans notre pays en raison de ce manque d'anticipation et de professionnalisme dans le suivi de ce dossier. Je demande donc que ce gouvernement se ressaisisse et ralentisse sa réforme tant qu'il ne sait pas exactement où il va. C'est en effet une bonne chose que nous ayons pu exiger un ralentissement du dossier lors de la séance plénière de la semaine dernière car tout ce que j'entends ici ne fait que me conforter dans la nécessité de mettre cette réforme sur pause parce que vous ne savez pas où vous allez.

Nous suivrons évidemment l'évolution de ce dossier de près.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, ik hoor opnieuw, voor de zoveelste keer, de bevestiging dat u zich zeer bewust bent van de uitdaging die op de OCMW’s afkomt. U bereidt zich ook zeer goed voor op wat komen zal. Ik ben het dan ook helemaal oneens met de vorige spreker. U hebt overleg met het brede middenveld, in de ruimste betekenis van het woord, en dat zelfs op zeer regelmatige basis, zoals u aangeeft.

U engageert zich ertoe de middelen vrij te maken. U gaat zelfs verder dan het regeerakkoord, door ook in middelen te voorzien voor 2026 in plaats van 2027, en mogelijk zelfs al voor later dit jaar, in 2025. Er is nog iets wat u nu niet gezegd hebt, maar wat ik toch altijd meeneem als het gaat over uw engagement tegenover de OCMW’s. U zei in het verleden meermaals dat u zich bewust bent van de werkdruk, ook als voorportaal van de sociale zekerheid. U zult op dat vlak aan de werkdruk werken. U zult tevens een aantal initiatieven nemen inzake de diplomavoorwaarden. Het is heel goed dat u daarnaast eerst grondig nadenkt over de verdeling van de middelen.

U hebt de criteria heel duidelijk opgesomd. De grootte van de instroom lijkt mij duidelijk en logisch. Door de inspanningsverbintenis toont u opnieuw empathie voor de OCMW’s. Wij zijn ons immers zeer goed bewust van het feit dat de opdracht om mensen die al langdurig inactief zijn, vaak met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, te activeren, geen wandeling door het park zal zijn. Door te werken met onder andere een inspanningsverbintenis toont u begrip voor die realiteit.

Daarnaast is er uiteraard ook sprake van een resultaatsverbintenis inzake activering. Het is dan ook superbelangrijk dat die afwegingen allemaal samen worden genomen, want de geest van het regeerakkoord is natuurlijk heel erg belangrijk. De meerderheid heeft ervoor gekozen om de switch te maken van een uitkeringsafhankelijkheidspolitiek naar een activeringsbeleid. Elke incentive tot activering wegnemen door ondoordacht te gaan financieren: dat mag niet gebeuren.

Mevrouw de voorzitster, ik wil de zaken positief bekijken. Ik stel mij vragen bij het mensbeeld dat sommigen hanteren over steuntrekkers. Ja, de uitdaging is zeer groot. De afstand tot de arbeidsmarkt is vaak zeer groot. Ik wil deze mensen echter niet zien als mensen die voor de rest van hun leven zijn veroordeeld als "hopeloze gevallen", die voor altijd in de "vergeetput" van het leefloon blijven hangen. Ik wil mensen positief bejegenen en benaderen. Ik ben ervan overtuigd dat we de ingeslagen weg moeten blijven volgen.

Sofie Merckx:

Madame la ministre, j'entends que vous avez constitué plusieurs task forces . Pourrions-nous prendre connaissance de certains de leurs rapports et comptes rendus? La question est très concrète. Or, aujourd'hui à nouveau, vous ne venez avec rien de tangible. J'en suis quand même étonnée. Cela fait des semaines que nous vous rappelons que les CPAS espèrent prévoir ce qui va leur arriver, puisque "gouverner, c'est prévoir". Vous n'apportez aucune nouvelle réponse. M. Raskin dit que c'est sciemment qu'on ne nous informe pas du pourcentage de compensation pour les RIS. Dans une ville telle que Charleroi, 1 000 personnes seront exclues au moment de la première vague, sans que les CPAS sachent le nombre d'isolés concernés par les allocations d'insertion ni celui des personnes qui se trouvent depuis très longtemps au chômage. Bref, ils ne peuvent pas travailler dans de telles conditions.

Les Engagés ont parlé d'un montant nécessaire de 400 millions, au regard de l'étude du Bureau fédéral du Plan, lequel estime que 39 % de gens concernés s'adresseront au CPAS. En tout cas, vous ne répondez pas, mais vous vous contentez de reprendre des mesures décidées sous le gouvernement Di Rupo à propos des allocations d'insertion. Pourtant, nous ne sommes pas dans le même cas de figure. En l'occurrence, ce sont des gens qui sont depuis beaucoup plus longtemps au chômage et qui s'adresseront au CPAS. À un certain moment, il faut que ces derniers puissent engager du personnel. Vous prétendez ne pas pouvoir nous informer aujourd'hui. Cela signifie que, peut-être au mois de septembre, nous saurons de quoi il retourne. Entre-temps, un ajustement budgétaire devra être voté. Ce n'est pas en novembre qu'on va engager une assistante sociale qui sera formée au 1 er janvier afin d'informer quelqu'un correctement. C'est aussi le problème, puisqu'il faut respecter le délai de 30 jours pour l'introduction de la demande à partir de la date fatidique. Énormément de problèmes pourront apparaître sur le terrain. Je pense ainsi à l'agressivité qui pourrait être dirigée contre le personnel des CPAS lorsqu'il devra traiter ce genre de cas et qu'il ne sera pas en mesure de répondre.

C'est donc absolument irresponsable. Vous devez venir rapidement nous présenter des chiffres précis et nous expliquer la manière dont vous avez prévu le financement permettant aux CPAS de prendre les mesures adéquates. Il ne s'agit pas de travailler à partir d'hypothèses sans que soient prévus les moyens devant accompagner ces décisions. Madame la ministre, vous avez dit que ce serait fait avant le 21 juillet. L'été a débuté le 21 juin. Vous aviez dit: "Avant l'été." En tout cas, il y a vraiment urgence. Vous devez, par conséquent, débloquer des moyens supplémentaires parce que vous êtes aussi responsable de ce qui va se passer à partir du 1 er janvier.

Fatima Lamarti:

Ik sluit mij aan bij de vragen van onder andere mevrouw Merckx en zal straks mijn vragen over de taskforce aankaarten. De voorzitster : De vragen nrs. 56004303C, 56004304C, 56004305C, 56004306C, 56004307C, 564308C, 56004309, C56004310C, 56004311C, 56004312C, 564313C en 56004473C van mevrouw Meunier en de vragen nrs. 56004335C, 56004336C en 56004337C van mevrouw Thémont worden omgezet in schriftelijke vragen.

Vervroegde middelen voor OCMW’s

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De vervroegde budgetverhoging (2026 ipv 2027) voor OCMW’s om ex-werklozen op te vangen wordt weliswaar verwelkomd, maar praktische onduidelijkheid en noodkreten uit het veld blijven: verdeelsleutels en concrete toewijzing volgen *voor het zomerreces*, gekoppeld aan drie pijlers (instroom, activering, resultaatgerichtheid). Diplomavereisten (KB) en profielinformatie van instromers moeten dringend verduidelijkt worden, terwijl de RVA betrokkenen informeert over stopzetting uitkeringen—niet automatisch recht op leefloon—maar communicatiemethode (aangetekend? meertalig? telefonisch?) blijft kritiek punt, ondergebracht in de lopende taskforce met OCMW-federaties.

Fatima Lamarti:

Mevrouw de minister, vorige week werd in de kern beslist dat de middelen die oorspronkelijk waren ingeschreven voor 2027, worden vervroegd naar 2026. Er wordt dus een extra budget vrijgemaakt voor de OCMW’s met de bedoeling de opvangcapaciteit te versterken voor mensen die uit de werkloosheid stromen. Dat is uiteraard een goede zaak en een belangrijke stap vooruit.

Ook minister Clarinval bevestigde op 17 juni 2025 tijdens de bespreking van de programmawet dat daarmee wordt ingegaan op de signalen uit het lokale werkveld. Tegelijk ontvangen wij echter andere signalen.

De OCMW’s, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de Federatie van Brusselse OCMW’s sturen al maandenlang noodkreten uit. Ze willen hun rol opnemen, maar hebben dringend nood aan duidelijkheid over de praktische uitwerking. Daarom heb ik een aantal vragen daarover.

Zijn de verdeelsleutels voor de middelen al bepaald? Hoe zal het beschikbare budget concreet worden verdeeld over de OCMW’s?

Kunnen OCMW’s al in 2025 een voorafname doen, bijvoorbeeld om personeel aan te werven en zich organisatorisch voor te bereiden?

Wat is de stand van zaken in het koninklijk besluit over de diplomavereisten, dat cruciaal is om meer diverse profielen aan te werven?

Er loopt ook een taskforce, waarnaar u daarnet verwees. Zal er daarover spoedig worden gecommuniceerd naar het werkveld?

Krijgen de OCMW’s ook inzicht in de profielen van de mensen die ze binnenkort zullen moeten opvangen, bijvoorbeeld qua leeftijd, gezinssituatie, gender of beschermingsstatuut?

Wie verwittigt de betrokken burgers van wie het recht op een werkloosheidsuitkering stopt dat zij zich eventueel tot het OCMW moeten wenden voor bijstand? Wie brengt hen daarvan op de hoogte? Is dat de RVA zelf of moet dat via het OCMW gebeuren?

Mevrouw de minister, dat waren mijn vragen.

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Lamarti, op uw eerste vraag heb ik daarnet al geantwoord in het kader van het actualiteitsdebat. We bevinden ons nu in de laatste rechte lijn met betrekking tot de manier waarop de compensatie voor de OCMW’s zal gebeuren. We willen daarover voor het zomerreces duidelijkheid geven, zoals ik eerder al zei. We willen niet zomaar geld naar de OCMW’s doorsluizen, maar samen met hen een verantwoord beleid uitwerken, gebaseerd op drie pijlers: de instroom vanuit de werkloosheid, de inspanningen tot activering en de resultaatgerichtheid. Daarover heb ik het daarnet uitgebreid gehad.

U vroeg ook naar de stand van zaken van het koninklijk besluit met betrekking tot de diplomavereisten. Het is nog steeds mijn ambitie om het KB voor het zomerreces bij de Raad van State in te dienen. Ik geef straks ook antwoord op een vraag van mevrouw Pirson, waarin ik daarop verder inga.

De eerste taskforce vond plaats op 24 juni. Er zullen nog verschillende vergaderingen volgen. De OCMW-federaties brengen praktische bezorgdheden en suggesties aan, die door de betrokken administraties worden opgenomen. Het gaat dan zowel over de POD Maatschappelijke Integratie als de RVA, mijn kabinet en het kabinet van de minister van Werk.

Krijgen de OCMW’s inzicht in de profielen van de mensen die ze binnenkort moeten opvangen? Ik vind het belangrijk dat de betrokken instellingen, dus de RVA en ook de tewerkstellingsdiensten, tijdig communiceren over de correcte cijfers van de te verwachten instroom en de profielen van die instroom, zodat de OCMW’s zich goed kunnen voorbereiden. Dat heeft mijn kabinet tijdens de eerste taskforce ook gezegd.

Zoals u weet, zijn de regels voor het recht op maatschappelijke integratie en sociale hulp strenger dan die voor de werkloosheidsuitkering, aangezien daarbij rekening wordt gehouden met het volledige vermogen van de persoon en zijn leefsituatie.

Ten slotte vroeg u wie de betrokken burgers zal verwittigen. De RVA zal de betrokken burgers informeren dat hun recht op een werkloosheidsuitkering stopt. Het is daarbij belangrijk dat in die brief niet vrijblijvend wordt vermeld dat ze zich tot het OCMW kunnen wenden voor hulp. De voorwaarden voor het recht op maatschappelijke integratie en hulp zijn namelijk strenger dan die voor een werkloosheidsuitkering, zoals ik daarnet vermeldde. Als men zijn werkloosheidsuitkering verliest, heeft men dus niet automatisch recht op een leefloon. De manier waarop hierover wordt gecommuniceerd, is dan ook cruciaal om mensen correct te informeren over hun rechten en om te vermijden dat de OCMW’s onnodig overbelast zouden geraken. Ik zal dat punt verder opnemen met de minister van Werk, de heer Clarinval.

Fatima Lamarti:

Mevrouw de minister, ik wil nog even terugkomen op de communicatie. Als de communicatie per brief gebeurt, zal dat dan een aangetekend schrijven zijn? Mensen die een brief ontvangen – zeker met een RVA-logo – raken soms in paniek en leggen die brief gewoon opzij. Dat kan dan verstrekkende gevolgen hebben. Gaat het dus om een aangetekend schrijven? Of worden mensen ook telefonisch gecontacteerd? Hoe wordt er omgegaan met mensen die de taal niet machtig zijn – ook in Vlaanderen – en de taal dus moeilijk beheersen? Die taskforce zal dat dus allemaal bekijken?

De herziening van de diplomavoorwaarden om bij een OCMW te kunnen werken

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 1 juli 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt wil de diplomavereisten voor sociaal werkers in OCMW’s volledig regionaliseren om flexibeler niet-gediplomeerde profielen in te zetten als ondersteuning, zonder de kernrol van gediplomeerde assistenten aan te tasten. Pirson (Les Engagés) vreest echter regionale verschillen die de professionele integriteit en uniformiteit van sociale dienstverlening—met name in grensgebieden—ondermijnen, en benadrukt dat enkel gediplomeerden deontologische taken mogen uitvoeren. De minister bevestigt dat structurele ontlasting (via administratieve vereenvoudiging en bijkomende profielen) prioriteit heeft, maar garandeert geen gemeenschappelijk kader om divergentie te voorkomen. Concertatie met andere bevoegde ministers (bv. Werk) blijft vaag, terwijl de druk op OCMW’s door hervormingen (zoals het nieuwe werkloosheidsstelsel) verder toeneemt.

Anne Pirson:

Madame la ministre, vous avez annoncé votre intention de modifier avant le 21 juillet l’arrêté royal fixant les conditions de diplôme pour les travailleurs sociaux dans les CPAS, notamment en envisageant un transfert de cette compétence aux Régions. L'objectif est d'améliorer les possibilités de recrutement pour faire face aux demandes qui seront croissantes dans les CPAS.

Si la volonté de renforcer les équipes de première ligne dans les CPAS est évidemment vitale, nous sommes inquiets quant à la préservation de l’intégrité d’une profession réglementée, en évitant toute confusion entre travailleur social diplômé et personnel administratif ou de soutien.

Les Engagés sont profondément attachés à la reconnaissance, à la qualification et à la valorisation des métiers de première ligne. On ne s’improvise pas assistant social, tant ce métier requiert des compétences spécifiques, un cadre éthique rigoureux et un lien de confiance très étroit avec les bénéficiaires.

Dans ce cadre, madame la ministre, nous voudrions vous entendre sur les garanties qui sont prises pour que seules les personnes disposant du diplôme requis puissent vraiment continuer à effectuer les missions, à exercer la profession d’assistant social au sens strict du code de déontologie et des différents actes qui leur sont réservés.

Comptez-vous encourager ou encadrer l’intégration de profils non diplômés dans le travail social dans certaines fonctions de support administratif, afin de soulager les assistants sociaux sans compromettre les exigences professionnelles qui entourent leur métier?

Pourriez-vous nous dire s'il s'agit d'une régionalisation totale ou partielle des conditions d'accès? Comment comptez-vous garantir une certaine cohérence entre les Régions en matière de reconnaissance, de qualité de l’accompagnement social et de continuité des services publics, notamment dans les zones frontalières ou bilingues? Avez-vous prévu un cadre commun ou des balises minimales pour éviter une trop grande disparité d’approche entre les différentes entités?

Enfin, pouvez-vous nous indiquer dans quelle mesure cette réforme a fait ou fera l’objet d’une concertation approfondie avec vos collègues de l’Emploi et des Affaires sociales, étant donné les impacts croisés que la réforme du chômage pourrait engendrer sur la charge de travail des CPAS?

Anneleen Van Bossuyt:

Madame Pirson, dans le but d’alléger la charge de travail des assistants sociaux, j’examine plusieurs propositions parmi lesquelles la modification de l’arrêté royal relatif aux conditions de diplôme pour les assistants sociaux. En outre, je souhaite m’attaquer à la problématique des avances en collaboration avec les ministres compétents et examiner de manière générale quelles propositions de simplification administrative peuvent être mises en œuvre.

Concernant la modification des conditions du diplôme, mon intention est de donner aux Régions une pleine compétence en la matière et de finaliser cela avant la pause estivale.

La modification de l'arrêté royal a été expliquée lors des groupes de travail interministériels sur les mesures de compensation pour les CPAS.

J'ai beaucoup de respect pour l'expertise et l'engagement des assistants sociaux. Leur rôle est inestimable, en particulier lorsqu'il s'agit de personnes nécessitant un accompagnement intensif, comme les anciens chômeurs devant s'orienter dans le nouveau système. En même temps, je suis consciente de la pression professionnelle à laquelle sont soumis les assistants sociaux. Elle est importante et doit être prise au sérieux. C'est pourquoi je souhaite œuvrer à des solutions structurelles. Modifier l'arrêté royal sur les conditions de diplôme des assistants sociaux ne signifie en aucun cas que le diplôme d'assistant social perd de son importance. Au contraire, la mission principale reste entre les mains des professionnels qualifiés.

Je souhaite donner aux Régions plus d'espace et de flexibilité pour faire appel à des profils complémentaires lorsque cela est nécessaire et justifié. Ainsi, nous pourrons alléger la pression sur les assistants sociaux actuels sans compromettre la qualité ni l'accompagnement.

Anne Pirson:

Merci madame la ministre pour vos réponses. J'ai bien entendu que la pleine compétence serait donnée aux Régions pour engager les profils complémentaires. Nous nous inquiétons de la possibilité que les règles soient très différentes d'une Région à l'autre et que cela complique la situation pour les personnes diplômées. Nous suivrons cela de près. Concernant les profils complémentaires qui pourraient être engagés, je suppose que certains d'entre eux seront plus administratifs et que d'autres professions pourraient aussi jouer le rôle d'assistants sociaux, si cette déontologie fait déjà partie de leur métier.

De pensioenmalus voor het zorgpersoneel

Gesteld door

lijst: PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 26 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sofie Merckx kaart de pensioenmalus aan: 44% van het zorgpersoneel dat vervroegd met pensioen gaat, zou ermee geconfronteerd worden, zoals een verpleegster met 44 dienstjaren die 200 euro boete riskeert, ondanks fysiek zware arbeid. Minister Jambon verdedigt het bonus-malussysteem als financiële prikkel om langer te werken, stelt dat de malus slechts uitzonderingen treft (minder dan 35 jaar halftijds/7.020 werkdagen) en wijst werkgevers op hun verantwoordelijkheid voor werkbaar werk. Merckx reageert furieus: het systeem dwingt mensen in onmenselijke omstandigheden (bv. nachtverpleging) tot 67 jaar door te werken, terwijl ze fysiek onmogelijk kunnen volhouden. De kern: zorgwerkers als slachtoffer van een systeem dat hun levenskwaliteit opoffert voor economische doelen.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, gisteren kwamen 35.000 mensen op straat in Brussel om te protesteren tegen de arizonaregering, vooral tegen de pensioenmaatregelen en meer specifiek tegen de pensioenmalus, de sanctie die u aan werknemers die vervroegd met pensioen gaan, wilt opleggen.

In de commissie suste men wel eens dat men niemand kent die met de pensioenmalus geconfronteerd zal worden. Mijnheer de minister, wij hebben u dus schriftelijk gevraagd om na te gaan wie van het zorgpersoneel een pensioenmalus riskeert. Wat blijkt? Van het zorgpersoneel dat in 2023 met vervroegd pensioen ging, zou, als het systeem vandaag bestond, 44 % een pensioenmalus aan zijn been hebben.

Een van die mensen liep gisteren mee op de betoging. Ann begon op haar 16 de te werken in de textielsector in West-Vlaanderen. Nadat zij een rugoperatie onderging, omdat haar rug kapot was, herschoolde ze zich tot verpleegster. Ze werkt nu al jaren 's nachts halftijds als verpleegkundige en doet haar job enorm graag, maar ze voelt het ook fysiek. Als zij na 44 jaar werken met pensioen wil gaan, krijgt ze van u een sanctie van 200 euro op haar pensioen.

Mijnheer de minister, meent u dat nu echt? Keiveel personen die onder andere in de zorgsector een zwaar beroep uitoefenen, of die ziek werden, zullen een pensioenmalus aan hun been hebben. Mijnheer Jambon, gaat u echt door met de onmenselijke pensioenmalus?

Jan Jambon:

Mevrouw Merckx, we stellen vandaag vast dat bijna iedereen die de vroegst mogelijke pensioenleeftijd bereikt, er meestal ook meteen voor kiest om onmiddellijk met pensioen te gaan. Er bestaat immers geen enkele financiële prikkel om toch wat langer aan de slag te blijven. Dat is meteen ook de reden waarom de gemiddelde effectieve uittredingsleeftijd in België, in vergelijking met andere landen, erg laag ligt, namelijk op 62,1 jaar. Het maakt bovendien nauwelijks iets uit of men langer werkt of niet, want het beïnvloedt amper het bedrag van het pensioen. Net daarom willen we de band versterken tussen effectief werken enerzijds en de opbouw van pensioenrechten anderzijds. Internationaal onderzoek - we hebben het systeem niet zelf uitgevonden - wijst uit dat een bonus-malussysteem personen er wel degelijk toe aanzet om langer te werken.

Mevrouw Merckx, het beeld dat u schetst van verpleegkundigen die straks tot hun 67 ste fysiek zwaar belastende taken zouden moeten blijven uitoefenen, strookt niet met de realiteit. Enkel iemand die geen 35 jaar halftijds heeft gewerkt en niet aan 7.020 effectieve gewerkte dagen over de gehele loopbaan komt, dreigt geconfronteerd te worden met een malus. Dat lijkt mij werkelijk de uitzondering van de uitzondering.

Bepaalde jobs kan men inderdaad niet boven een bepaalde leeftijd uitvoeren. In die gevallen is het aan de werkgever om te zorgen voor werkbaar werk. Dat is niet meer of minder dan humanresourcesbeleid.

Sofie Merckx:

Vous vous entendez parler? En fait, vous dites que les gens n’ont qu’à travailler plus longtemps parce que, selon vous, ils s’arrêtent trop tôt. Les travailleurs regardent en effet la date de leur pension. Ce n'est par exemple pas facile pour une infirmière qui travaille de nuit à l’hôpital, avec 20 patients qui sonnent et deux qui font un malaise. Vous devriez faire son boulot pour comprendre. Vous voulez faire travailler les gens dans ces conditions jusqu’à 67 ans? Il ne peuvent pas le faire car c’est profondément inhumain! Monsieur Bouchez, énormément de personnes sont dans la même situation qu'Anne, dont je vous ai parlé. Oui, Bouchez ou Jambon, c’est plus ou moins pareil! Énormément de femmes sont dans cette situation et elles ne peuvent pas continuer. Voulez-vous bien écouter ce que je dis, s'il vous plait? C'est un sujet important. Ces gens ont effectivement hâte d’arriver à l’âge de la pension. Et vous, vous voulez leur retirer les meilleures années de leur vie. C’est honteux!

Het ontoereikende kader voor de niet-heelkundige esthetische geneeskunde in België
Illegale praktijken in de esthetische geneeskunde
Injecties die toegediend worden door personen die geen cosmetisch arts zijn
De controle en de registratie van artsen die esthetische ingrepen invoeren
Regulering en risico's van niet-gereguleerde esthetische geneeskunde in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de illegale en onveilige praktijken in niet-chirurgische esthetische geneeskunde in België, waaronder injecties door onbevoegden (zoals niet-artsen of buitenlandse "dokters") in ongeschikte locaties, met risico’s op zware complicaties en fraude met producten. Minister Vandenbroucke bevestigt dat wettelijke kaders bestaan (o.a. wet 2013) en dat een nieuwe erkenning voor "arts esthetische geneeskunde" (niveau 3) in voorbereiding is, maar dat handhaving moeilijk ligt door gebrek aan middelen en gecoördineerde controles—ondanks samenwerking tussen AFMPS, FOD Volksgezondheid, Orde der Artsen en justitie. Er worden meer sancties (boetes), verplichte registratie (geïnspireerd op Denemarken) en publiekscampagnes overwogen om transparantie te vergroten, maar concrete stappen (zoals een centraal register) zijn nog in studie. Controles in 2024 toonden vooral illegale praktijken door niet-professionals, met 59 dossiers geopend (waarvan 18 doorgestuurd naar het parket), terwijl 29 incidenten met vulmiddelen (sinds 2000) werden gemeld—vaak zonder duidelijkheid over de dader.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, la Royal Belgian Society for Plastic Surgery (RBSPS) alerte la commission de la Santé sur une série de dérives préoccupantes dans la pratique de la médecine esthétique non chirurgicale dans notre pays. Pourtant, des lois existent en ce domaine. Je pense ainsi à la loi du 23 mai 2013 relative à la médecine esthétique et à la loi "qualité" du 22 avril 2019. La réalité sur le terrain démontre un manque criant de contrôle et d'application de ces textes. Ainsi, des actes médicaux comme les injections de toxine botulique, d'acide hyaluronique ou de PRP sont de plus en plus souvent accomplis par des personnes sans formation médicale adéquate, voire par des non-médecins, dans des lieux inappropriés (salons de beauté, hôtels), parfois même par des praticiens étrangers de passage qui ne rendent aucun compte par la suite.

Cette situation expose les patients à des complications graves (infections, nécroses, séquelles esthétiques ou fonctionnelles irréversibles) et génère un coût indirect pour la sécurité sociale, notamment en raison de la prise en charge des actes correctifs par les urgences ou les spécialistes. La prolifération de produits injectables illégaux, la banalisation de l'auto-injection via internet et la promotion de ces pratiques par des influenceurs sur les réseaux sociaux aggravent encore la situation.

Dès lors, monsieur le ministre, que comptez-vous entreprendre pour renforcer l'application des lois existantes en matière de médecine esthétique? Envisagez-vous de reconnaître officiellement un titre de médecin-esthétique, soumis à une formation certificatrice afin de protéger les patients et de professionnaliser ce secteur? Des campagnes d'information ou de sensibilisation sont-elles prévues? Enfin, des contrôles accrus des pratiques illégales sont-ils envisagés, y compris à l'encontre des prestataires étrangers exerçant sans autorisation sur notre territoire?

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, de plus en plus de jeunes ont recours à des soins de chirurgie esthétique, en particulier à des injections d'acide hyaluronique. Pour trouver un praticien, un grand nombre se tourne vers les réseaux sociaux où les followers servent de recommandations. Or, dans certains cas, des complications post-infection peuvent survenir et entrainer une infection sérieuse.

Certains de ces "médecins" sont en réalité repris à la Banque-Carrefour des Entreprises (BCE) comme perceurs-tatoueurs et traitant dans les soins esthétiques et autres activités de traitement esthétique, mais proposent malgré tout ces injections. La question de l'accès à la formation et des normes sanitaires est donc particulièrement pertinente.

Dans un cas relayé par les médias, le médecin en question était inscrit à l'Ordre national, mais de Roumanie. Ce dernier ne pouvait donc pas exercer en Belgique sous son appellation de médecin. De plus, d'autres faux praticiens ont déjà été identifiés, comme des infirmières ou des esthéticiennes qui pratiquaient ces injections alors que seul l'un des 300 médecins esthétiques reconnus peut le faire.

Monsieur le ministre, comment l'Ordre des médecins lutte-t-il contre les faux praticiens? Que mettez-vous en place pour les médecins diplômés/déclarés à l'étranger? L'Institut national d'assurance maladie-invalidité (INAMI) enquête-t-il sur ces pratiques? Relayez-vous l'information aux autorités lorsqu'une demande de remboursement faite par un médecin non reconnu vous parvient? Combien de complications causées par des injections réalisées chez des faux médecins ont-elles pu être identifiées?

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, illegale medische handelingen in de esthetische sector vormen een ernstig en groeiend probleem. Sociale media blijken zich steeds meer te lenen voor fora om bepaalde medisch-esthetische behandelingen te promoten. Het gaat dan vooral om Instagram, met allerlei voor- en nafoto's, waarmee aanbieders laten weten dat ze botox en fillers aanbieden. Wat meestal minder duidelijk is, is of ze daarvoor wel bevoegd zijn.

Deze praktijken vallen onder de illegale uitoefening van de geneeskunde en zijn wettelijk verboden, maar worden blijkbaar amper gecontroleerd, gezien het gemak waarmee ze op sociale media gevonden kunnen worden. Het is de behandelaars met het juiste diploma een doorn in het oog dat het FAGG wel streng toekijkt op hun websites en ze worden berispt als er daarop melding wordt gemaakt van bijvoorbeeld botox, zelfs als dat informatief of om niet-esthetische redenen is, terwijl de illegale praktijken buiten schot lijken te blijven.

Om dit in de toekomst beter aan te pakken, kan Denemarken misschien als gidsland dienen. Het toont aan dat het anders kan. In Denemarken is registratie verplicht voor elke arts die esthetische behandelingen uitvoert. Indien men zich niet registreert, riskeert men een boete. Voor patiënten biedt dit systeem meer transparantie, want men kan heel eenvoudig nagaan of een behandelaar officieel erkend en bevoegd is.

Mijnheer de minister, hoeveel controles zijn er in 2024 uitgevoerd bij illegale esthetische ingrepen door niet-artsen? Waarom treedt het FAGG nauwelijks op tegen deze illegale praktijken - zo lijkt het althans -, terwijl erkende artsen wel snel geviseerd worden bij het vermelden van bijvoorbeeld botox op hun website?

In juni 2024 gaf u nog aan dat de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen verder werkt aan de erkenningscriteria voor specialisten in de niet-chirurgische esthetische geneeskunde. Wat is de stand van zaken daarvan? Hoe evalueert u de Deense aanpak, waarbij artsen zich verplicht moeten registreren als ze esthetische behandelingen aanbieden? Overweegt u een gelijkaardig systeem in België?

Bent u bereid om de oprichting van een centraal en toegankelijk registratiesysteem te onderzoeken, waarbij artsen die esthetische handelingen uitvoeren zich moeten inschrijven? Denkt u dat er sancties moeten worden gekoppeld aan niet-registratie? Hoe wilt u in de toekomst zorgen voor een betere controle op illegale medische praktijken in de esthetische sector? Op welke manier zult u ervoor zorgen dat het FAGG een actievere en meer gerichte rol opneemt in het aanpakken van niet-erkende aanbieders?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Bacquelaine, monsieur Dufrane, je tiens tout d'abord à rappeler que le contrôle de ce secteur et la lutte contre les pratiques illégales ne dépendent pas uniquement du SPF Santé publique. Outre la Commission fédérale de contrôle, d'autres instances jouent également un rôle en matière de surveillance et de contrôle, notamment le Service de contrôle et d'évaluation médicaux (SECM) de l'INAMI, l'Inspection économique, le ministère public et l'Agence fédérale des médicaments et des produits de santé (AFMPS). Ces institutions collaborent aussi étroitement que possible.

En ce qui concerne les avis, le Conseil Supérieur de la Santé (CSS) et le Conseil supérieur des médecins spécialistes et des médecins généralistes ont également un rôle à jouer.

Permettez-moi, en premier lieu, d'aborder les conditions requises pour obtenir un visa en Belgique. Tout professionnel de santé ayant fait reconnaître son diplôme par l'une des Communautés de Belgique doit fournir à mon administration les documents suivants afin de pouvoir obtenir le visa l'autorisant à pratiquer sa profession: un certificat de bonne vie et mœurs qui consiste en un extrait de casier judiciaire; un certificat de bonne conduite professionnelle et une preuve de maîtrise suffisante de l'une des trois langues nationales. En outre, toute personne souhaitant exercer la médecine doit également être enregistrée auprès de l'Ordre des médecins.

La législation belge offre un cadre strict et restreint l'accès aux activités de médecine esthétique. Afin de garantir la qualité et la sécurité de la population, la loi du 23 mai 2013 prévoit la possibilité d'attribuer un titre professionnel particulier aux médecins se spécialisant dans la médecine esthétique non chirurgicale.

Le Conseil supérieur des médecins spécialistes et des médecins généralistes a déjà rendu un avis en 2015 concernant un parcours de formation et les compétences finales à acquérir. Dans cet avis, il a toutefois été recommandé de limiter l'accès à cette formation aux médecins déjà qualifiés en tant que spécialistes reconnus ou généralistes reconnus. L'importance d'une expérience clinique préalable et continue, à la fois large et approfondie, tout au long de la carrière professionnelle a été soulignée.

Le nouveau titre professionnel devrait donc idéalement être un titre de niveau 3. Cet avis supposait une modification de la loi du 23 mai 2013, qui a entre-temps été réalisée. Un groupe de travail est en train d'être constitué au sein du Conseil supérieur des médecins spécialistes et des médecins généralistes pour traiter la problématique des interventions esthétiques. L'un des points à traiter est la mise à jour de l'avis de 2015 afin de formuler un avis sur les critères de reconnaissance pour le titre de niveau 3.

Les critères d'agrément du nouveau titre de médecin spécialiste en médecine esthétique non chirurgicale ne peuvent pas être développés sans une analyse suffisamment détaillée. Le Conseil supérieur examinera d'ailleurs la problématique de la médecine esthétique d'une façon plus large, ce qui peut avoir des implications pour les compétences à acquérir et le trajet de formation nécessaire. L'avis de 2015 avait par exemple dessiné un parcours, sans toujours tenir compte des disponibilités de certaines places de stage. C'était notamment le cas pour l'expérience proposée en chirurgie vasculaire.

Je veux aussi souligner que les prestations liées aux soins esthétiques ne sont pas prises en charge par l'assurance maladie obligatoire. Les prestataires qui ne facturent pas leurs prestations à l'assurance obligatoire ne relèvent pas des compétences de l'INAMI.

En ce qui concerne le rôle de la Commission fédérale de contrôle dans la surveillance des praticiens de la chirurgie esthétique, la Commission surveille l'exercice illégal des soins de santé et collabore étroitement avec les services d'inspection de l'AFMPS, les parquets et les services d'inspection de l'INAMI. Ces différentes institutions procèdent à des échanges de données, à des inspections et à des procédures menées en commun, notamment dans le cadre de la médecine esthétique. Par ailleurs, ces institutions portent une attention accrue à la lutte contre les pratiques illégales en matière de médecine esthétique. Les inspecteurs de la Commission fédérale de contrôle dénoncent régulièrement au parquet ces pratiques illégales et assistent régulièrement les parquets et les services de police en qualité d'experts. Les services d'inspection de la Commission fédérale de contrôle gagneraient certainement à voir leurs compétences d'action élargies à d'autres volets de la santé publique et à voir leur capacité de constatation accrue. Je souhaite également renforcer les pouvoirs d'investigation et de constatation des inspecteurs.

Enfin, je voudrais permettre de sanctionner de manière plus efficace l'exercice illégal, en permettant à mon administration d'infliger des amendes administratives aux contrevenants. Ces éléments sont développés dans un volet de la loi de réforme.

D'après les chiffres de la Commission fédérale de contrôle, il apparaît qu'un faible pourcentage des dossiers concerne cette problématique. La Chambre francophone de la Commission fédérale de contrôle a ouvert 27 dossiers liés à la pratique de l'esthétique médicale, parmi lesquels 22 dossiers sont relatifs à un exercice illégal commis majoritairement par des non-professionnels de la santé, 13 ont été dénoncés au parquet, 9 sont en cours de traitement par les inspecteurs de la Commission fédérale de contrôle, en collaboration ou non avec la police. La Chambre néerlandophone de la même Commission a ouvert 37 dossiers liés à la pratique de l'esthétique médicale, dont 5 ont été dénoncés au parquet. Il faut ajouter que les inspecteurs de la Commission fédérale de contrôle collaborent régulièrement aux opérations des services de police pour inspecter les salons esthétiques, où les infractions sont immédiatement relevées par les policiers, avec le soutien des inspecteurs santé.

J'en viens aux actions de l'AFMPS concernant les produits utilisés. Parmi ceux qui sont mentionnés dans la question, les produits contenant de l'acide hyaluronique destinés au comblement du visage, de la peau ou des muqueuses, bien que dépourvus de destination médicale, relèvent du champ d'application du règlement européen 2017/745 relatif aux dispositifs médicaux. Les spécifications communes qui leur sont applicables imposent qu'il soit mentionné sur l'étiquette et dans la notice d'utilisation: " À administrer par des professionnels de la santé dûment formés et qualifiés ou accrédités conformément à la législation nationale." Il doit également être indiqué que ces produits ne doivent pas être appliqués à des personnes âgées de moins de 18 ans.

Le contrôle de l'importation de produits injectables de médicaments ou de dispositifs médicaux falsifiés est effectué en collaboration avec les douanes et fait partie des contrôles de routine de l'Unité spéciale d'enquête de l'AFMPS. Ils sont pratiqués par la douane sur la base d'une analyse de risque. Lorsque leur importation est constatée, les marchandises sont saisies par les inspecteurs ou les contrôleurs. Selon la gravité des infractions constatées, les dossiers sont suivis d'un avertissement, d'une proposition de règlement à l'amiable ou d'un procès-verbal à l'intention du parquet compétent. Depuis quelque temps, l'AFMPS effectue régulièrement des contrôles dans des cliniques esthétiques, au cours desquels des médicaments ou des dispositifs médicaux falsifiés sont saisis.

Quand un incident est constaté, l'AFMPS recourt à une évaluation et une analyse individuelles, tenant compte de l'impact sur la santé du patient, la causalité, la reproductibilité, le taux d'incidence et d'éventuelles actions correctrices déjà menées pour le produit incriminé. En fonction du résultat de cette analyse, l'AFMPS prend les mesures appropriées en collaboration avec le fabricant et, le cas échéant, en partenariat avec l'organisme notifié ou les autres autorités compétentes européennes voire internationales. Ces mesures peuvent être des actions correctrices, des analyses complémentaires ou le retrait du marché du produit incriminé.

À l'heure actuelle, l'AFMPS a reçu 29 notifications d'incident avec des produits à base d'acide hyaluronique dans le cadre esthétique depuis la création de la base de données, à savoir au début des années 2000. Néanmoins, avec les informations que nous recevons au moment de l'incident, l'AFMPS n'est souvent pas en mesure de distinguer si l'intervention a été effectuée par un médecin ou quelqu'un d'autre. Nous souhaitons aider les gens à reconnaître les produits conformes, tout en les sensibilisant aux risques et au rôle qu'ils peuvent jouer dans la surveillance du marché de ces produits. Les fillers à l'acide hyaluronique sont peut-être l'un des produits sur lesquels nous nous concentrerons pendant cette campagne.

En plus, de son côté, l'AFMPS investit dans l'information et la sensibilisation du grand public sur les médicaments et les produits de santé, notamment via son site PharmaInfo qui s'adresse aux patients. Les communiqués de presse et les campagnes d'information diffusées via cette plateforme visent à rappeler aux patients le bon usage des médicaments et des produits de santé, en particulier l'importance de toujours lire attentivement la notice ou le mode d'emploi et d'utiliser les médicaments et/ou les dispositifs comme indiqué dans la notice ou le mode d'emploi.

Ten slotte, mevrouw Gijbels, u stelde een vraag over de Deense aanpak, de invoering van een registratiesysteem. Eigenlijk komt het erop neer dat wij zouden vragen om in het register ook aan te geven welk type zorg men verstrekt. Dat is inderdaad een interessante piste. In het kader van risicovolle praktijken werd daarvoor eerder al gepleit. Mevrouw Farih heeft er al eerder op gealludeerd. Ik wil het meenemen als een suggestie en daarover verder nadenken. Ik kan dus nog geen erg precies antwoord geven, maar ik neem het zeer graag mee.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses détaillées. Je n’ai pas grand-chose à ajouter. Je pense que le problème est bien cerné.

À mes yeux, la médecine esthétique doit évidemment rester un domaine médical encadré par des professionnels compétents dans le but de protéger la santé et le bien-être des patients, ce qui doit rester notre objectif ultime.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, tout comme mon collègue M. Bacquelaine, je vous remercie pour cette réponse approfondie. Je prends note que vos services et vous-même suivez bien le dossier.

Je suis également ravi d’entendre que votre département travaille sur une certification des médecins pratiquant la médecine esthétique et envisage de multiplier les contrôles afin d’éviter des dérives comme celles évoquées précédemment.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Het is nu eenmaal een feit dat er in die sector heel wat cowboys aan het werk zijn. Het moeilijke of het gevaarlijke is dat zij heel snel een groot bereik hebben via de sociale media. Hun behandelingen worden daar heel eenvoudig en mooi voorgesteld, terwijl het voor burgers heel moeilijk is om te achterhalen of iemand wel bevoegd is om dergelijke behandelingen uit te voeren. Burgers zijn meestal ook niet goed geïnformeerd over de mogelijke complicaties die na zulke behandelingen kunnen optreden. Hoe duidelijker de informatie voor burgers beschikbaar is, hoe beter ze geïnformeerd zijn over de mogelijke risico’s en hoe beter ze een beslissing kunnen nemen. Ik vind het goed dat u naar de Deense piste wilt kijken. Hoe meer informatie we kunnen verstrekken, hoe beter dat is voor deze zaak.

Het stijgende aantal gedwongen opnames in psychiatrische ziekenhuizen
Collocaties
Toename van gedwongen psychiatrische opnames en collocaties

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijging van gedwongen psychiatrische opnames in Vlaanderen (+6% in 2024, 77/100.000 inwoners) wordt toegeschreven aan complexe problematiek (middelengebruik), wachtlijsten, en een gebrek aan vroege hulp, terwijl de nieuwe wet (mei 2024)—met alternatieven zoals vrijwillige opname onder voorwaarden en een 48-uurs evaluatieperiode—nog onvoldoende wordt toegepast door middelengebrek en onduidelijkheid. Minister Vandenbroucke benadrukt 24 miljoen euro investeringen in crisisteams en samenwerking met politie/justitie, met verwachte effecten vanaf 2026, maar erkent dat saturatie in de eerste lijn en late preventie het veiligheidsreflex versterken, terwijl De Knop en Désir pleiten voor meer ambulante zorg en betere implementatie van de wet, gezien de alarmerende cijfers (8.135 gedwongen opnames in BE in 2023, +3,6%).

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, vorig jaar werden volgens Zorgnet-Icuro 5.233 mensen in Vlaanderen gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Dat is een sterke stijging met 6 % ten opzichte van 2023, nagenoeg volledig toe te wijzen aan volwassen patiënten. Ter vergelijking, in 2010 waren er ongeveer 50 collocaties per 100.000 inwoners, vorig jaar waren dat er al 77.

De redenen voor die stijging zijn divers. Ten eerste is er een stijging van complexe problematieken, waarbij verschillende problematieken zich met elkaar vermengen. Daarbij is middelengebruik vaak een van de redenen. Daarnaast zijn er lange wachtlijsten voor psychologische hulp en andere drempels om op tijd hulp te vragen.

Het Netwerk Alternatieven voor Dwang en Afzondering pleit voor andere pistes. Het pleit voor een snellere implementatie van de alternatieven en waarschuwt voor een te juridisch-technische aanpak zonder zorggarantie. Ook roept het op tot meer mobiele crisisteams en vroegdetectie in de eerstelijnszorg.

De wet van 16 mei 2024 houdende diverse bepalingen betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke voorziet in een tussenstatuut, zijnde een vrijwillige opname onder voorwaarden, en de mogelijkheid van een evaluatieperiode van 48 uur vooraleer wordt beslist over een gedwongen opname in het kader van de spoedprocedure. We vernemen vanuit het veld echter enkele bezorgdheden omtrent de toepassing van die nieuwe wet.

Mijnheer de minister, is er in voldoende middelen voorzien om een vrijwillige opname onder voorwaarden te realiseren? Zo niet, zult u in die middelen voorzien, en tegen wanneer?

Is er voldoende tijd en ruimte in het kader van de spoedprocedure binnen ziekenhuizen om na te gaan of een gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk is? Zo niet, kunt u daarvoor de nodige middelen uittrekken?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, selon Zorgnet-Icuro, la coupole flamande des organisations de soins, 5 233 hospitalisations psychiatriques forcées ont été enregistrées en 2024 en Flandre, soit 14 par jour, en hausse de 6 % par rapport à l'année précédente. Cette augmentation, qui touche principalement les adultes, s'expliquerait par une saturation des soins ambulatoires, surtout en soirée et le week-end, une augmentation des troubles liés à la consommation de drogue et un soutien social affaibli, se traduisant par une tendance plus importante au réflexe sécuritaire. Les comportements perçus comme déviants seraient moins tolérés, incitant les parquets à ordonner plus vite des placements. Cela met par ailleurs sous pression les services de police, souvent les premiers intervenants, en cas de crise de personnes souffrant de troubles psychiatriques.

Monsieur le ministre, disposez-vous de chiffres précis concernant les hospitalisations psychiatriques contraintes pour les différentes Régions du pays? Parmi les causes invoquées de ce réflexe sécuritaire, au détriment d'une approche individualisée et bienveillante, il est mis en avant une première ligne trop souvent saturée, le manque d'alternatives disponibles en dehors des heures ouvrables ainsi que des soins préventifs trop tardifs. Qu'en est-il selon vous? Des mesures sont-elles envisagées pour pallier ces problèmes?

Enfin, toujours selon Zorgnet-Icuro, la loi votée en 2024 introduisant des alternatives intéressantes comme l'introduction de l'admission conditionnelle volontaire et la possibilité pour le procureur du Roi d'ordonner une observation clinique de 48 heures avant de statuer sur une hospitalisation forcée, serait encore relativement peu appliquée, faute de moyens et de clarté. En concertation avec vos collègues de l'Intérieur et de la Justice, envisagez-vous de prendre des initiatives dans ce cadre?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, mevrouw Désir, u verwijst naar de wet van 16 mei 2024, die de bestaande wet van 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke wijzigt en die pas vrij recent, namelijk begin dit jaar, in werking is getreden. De aangepaste wet biedt belangrijke nieuwe mogelijkheden aan de vrederechter en de procureur des Konings om bestaande praktijken te verbeteren. De doelstelling is helder, namelijk het aantal gedwongen opnames verminderen, de duur ervan verkorten en de kwaliteit van het medisch verslag verhogen.

Met betrekking tot uw vraag over de middelen voor vrijwillige opname onder voorwaarden, de wet voorziet erin dat de behandeling flexibel kan worden georganiseerd, ambulant, residentieel of mobiel. Het gaat om een flexibelere vorm van nazorg, die al in de wet van 1990 was opgenomen.

Nieuw is dat die niet alleen kan worden opgelegd na een gedwongen opname, maar ook als alternatief of reeds tijdens een beschermende observatiemaatregel. Dat sluit aan bij het zorgkader dat al bestond, en vraagt in essentie geen bijkomende middelen.

Met betrekking tot de evaluatieperiode van maximaal 48 uur, de aangepaste wet geeft de rechter de mogelijkheid, niet de verplichting, om meer tijd te verlenen dan voorheen voor een grondigere klinische evaluatie in geval van twijfel of aan de drie voorwaarden is voldaan. Er moet sprake zijn van een psychiatrische stoornis, er moet gevaar zijn voor de betrokkene zelf of voor de samenleving en er is geen vrijwillige behandeling mogelijk. Als de evaluatie plaatsvindt in een ziekenhuis, dan wordt die gefinancierd via de klassieke verpleegdagprijs, zoals ook voorheen het geval was.

Cela n'empêche toutefois pas que l'augmentation du nombre d'admissions forcées nous préoccupe.

En 2023, nous avons recensé 8 135 admissions forcées en Belgique, dont 4 579 en Flandre, 1 499 à Bruxelles et 2 057 en Wallonie. À titre de comparaison, ce chiffre s'élevait à 7 849 en 2022, soit une augmentation de 3,6%. Cette augmentation confirme la nécessité de disposer de soins de santé mentale accessibles et préventifs.

Comme vous le soulignez vous-même, cette évolution s'explique en partie par le fait que les services de première et de deuxième ligne sont souvent saturés, que les alternatives en dehors des heures de bureau sont limitées et que les soins préventifs sont mis en place trop tard. Cela conduit parfois à un réflexe qui privilégie la sécurité plutôt que les soins et à une pression élevée sur la police, les services d'urgence et les services psychiatriques.

Pour y remédier, nous investissons plus de 24 millions d'euros dans le développement de la psychiatrie de crise et d'urgence au sein des réseaux de soins de santé mentale. Ces moyens sont destinés à des équipes mobiles de crise et d'urgence, à des temps d'intervention plus rapides et à une collaboration renforcée avec les médecins généralistes, la police et la justice. Le déploiement est en cours. Nous en attendons les effets concrets dans la pratique à partir de 2026.

Ik heb gisteren nog in Leuven de netwerken Diletti en SaVHA?! – het netwerk van Halle-Vilvoorde – bezocht. Ik heb het er over die crisis- en urgentiepsychiatrie gehad en de wijze waarop dat uitgerold wordt. Dat vraagt veel werk en overleg, maar het is een belangrijk stuk van het verhaal.

Enfin, en ce qui concerne la mise en œuvre de la nouvelle loi, une campagne d'information générale a déjà été lancée, comprenant notamment un webinaire destiné aux réseaux de soins de santé mentale et des présentations lors des journées d'études et une publication commune sur les sites web du SPF Santé publique, du SPF Justice et de l'INAMI. Par ailleurs, une concertation interfédérale d'experts, à laquelle participent la justice, la police et le secteur des soins de santé, poursuit le travail sur la mise en œuvre pratique et le suivi.

Nous continuons à miser fortement sur la concertation et la coopération afin de parvenir à une approche humaine et efficace des situations de crise psychique qui mette l'accent sur les soins volontaires et la proximité.

Irina De Knop:

Dank u wel voor uw uitgebreide antwoord, mijnheer de minister. In de praktijk zijn er toch wel wat signalen dat de implementatie moeizaam verloopt door een gebrek aan infrastructuur op de spoeddiensten, artsentekorten, de werkdruk en een gebrek aan informatie en kennis over de nieuwe wetgeving. Daarom is het heel goed dat er een informatiecampagne komt. Zo'n campagne is absoluut noodzakelijk opdat de politiediensten en de parketten alle mogelijkheden van de wetgeving goed kunnen toepassen.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse et pour ces détails chiffrés qui concernent les trois Régions. Soyons de bon compte, vous vous êtes montré actif afin que l'on investisse dans la psychiatrie de crise et d'urgence, ce que le secteur, d'ailleurs, reconnaît. De la même manière, les modifications qui ont été apportées à la loi en 2024 produiront sans doute des effets dans le futur.

Cela dit, les données chiffrées, en augmentation, démontrent une tendance interpellante. Il faudrait donc peut-être aujourd'hui investir davantage dans l'ambulatoire, vu ces efforts déjà conséquents qui ont été faits dans la psychiatrie de crise et d'urgence. En tout cas, nous continuerons à tenir ces chiffres à l'œil car la situation et les indicateurs restent alarmants à tous points de vue, et cela malgré tout ce qui a déjà été fait politiquement en matière de santé mentale.

Voorzitter:

De vragen nrs. 56005162C en 56005164C van mevrouw Eggermont worden uitgesteld.

Hyperemesis (extreme misselijkheid tijdens de zwangerschap)

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir kaart aan dat hyperemesis gravidarum (ernstig zwangerschapsbraken bij 3% van de zwangeren) niet wordt vergoed in België, terwijl medicatie zoals *Navalit* (doxylamine/pyridoxine) €840 per behandeling kan kosten—een onhaalbare last—terwijl landen als Ierland deze wel vergoeden. Minister Vandenbroucke bevestigt dat geen enkel anti-emeticum voor zwangerschap wordt terugbetaald, tenzij farmaceuten zelf een vergoedingsdossier indienen bij de CRM, die de medische noodzaak (bv. via de *PUQE-score*) moet beoordelen. Désir benadrukt dat 3% geen verwaarloosbaar aandeel is en pleit voor snelle verbetering van de toegankelijkheid, maar de minister wijst op de procedurele afhankelijkheid van farmaceutische initiatieven. De discussie eindigt zonder concrete toezeggingen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, l'hyperémèse gravidique, une forme sévère de nausées et de vomissements gravidiques, touche chaque année environ 3 300 femmes en Belgique, soit 3 % des grossesses. Cette pathologie peut avoir des conséquences physiques et psychologiques graves, nécessitant souvent un traitement médicamenteux prolongé.

Or les médicaments de première intention, tels que la doxylamine et la pyridoxine, commercialisés sous les noms de Navalit ou Bonjesta, ne sont actuellement pas remboursés en Belgique malgré leur rôle crucial dans la prise en charge de l'hyperémèse gravidique.

Prenons un exemple concret: une femme enceinte prenant quatre comprimés de Navalit par jour devra débourser près de 120 euros par mois, soit environ 840 euros pour une durée moyenne de traitement de sept mois. Cette charge financière est d'autant plus lourde que ces patientes doivent parfois combiner plusieurs traitements pour soulager leurs symptômes.

À titre de comparaison, l'Irlande a intégré depuis août 2024 le médicament Cariban dans son système de remboursement. Cela montre que d'autres pays reconnaissent l'importance d'un soutien financier pour ces traitements qui ne relèvent pas du confort mais d'une nécessité médicale.

Monsieur le ministre, dans ce contexte, pourriez-vous nous indiquer si le gouvernement envisage de rendre remboursable ces traitements essentiels contre l'hyperémèse gravidique? Une piste envisageable serait d'associer ce remboursement à l'utilisation du score Pregnancy-Unique Quantification of Emesis and Nausea (PUQE), permettant ainsi de cibler les patientes les plus gravement atteintes tout en garantissant un accès équitable aux soins.

Frank Vandenbroucke:

L'hyperémèse gravidique est en effet une affection sévère. Vous décrivez ici la situation d'une femme enceinte qui n'est pas ou pas encore hospitalisée et qui doit actuellement payer elle-même ses antiémétiques.

En cas de grossesse, le Centre belge d'information pharmacothérapeutique recommande quatre médicaments antiémétiques: la dompéridone (Motilium et génériques), la doxylamine (sous les marques Bongesta et Navalit), la diménhydrinate (sous la marque R Calm Dimenhydrinate) et le métoclopramide (Primperan).

Les trois premiers ne sont pas remboursés. Le quatrième, Primperan, l'est uniquement pour certaines affections. C’est le règlement, chapitre 4, comme nous le disons dans notre jargon. Par exemple, en post-opératoire, en cas de chimiothérapie, en cas de soins palliatifs oncologiques, en cas de sida. Mais donc pas dans le cadre de la grossesse. Donc, il est vrai qu'aucune spécialité pharmaceutique n'est actuellement remboursée dans cette indication. En Belgique, la législation prévoit que ce sont les firmes qui mettent les spécialités pharmaceutiques sur le marché qui introduisent des dossiers de demande de remboursement en vue d'obtenir ce remboursement.

Les firmes concernées peuvent dès lors introduire un dossier auprès de la Commission de remboursement des médicaments (CRM). Le dossier fera l'objet d'une évaluation approfondie et la Commission sera amenée à formuler une proposition de remboursement sur laquelle je me baserai pour prendre une décision. Donc, ce sera à la CRM, lors de son évaluation, d'analyser si l'échelle PUQE est cliniquement pertinente afin de cibler les patientes présentant un besoin médical important.

L'initiative reste donc dans le chef des firmes en question.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, on connaît la procédure de demande de remboursement. Je pense qu'il est important de pouvoir attirer l'attention sur l'accessibilité des soins pour toutes les femmes, quelle que soit leur condition. On voit que 3 % n'est tout de même pas un chiffre négligeable sur l'ensemble des grossesses en Belgique. J'espère donc que des progrès pourront être réalisés pour le remboursement de ces médicaments pour ces femmes.

De voorzitster : Vraag nr. 56005344C van mevrouw Kathleen Depoorter wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Aan de orde zijn de vragen nrs. 56005349C, 56005350C, 56005351C en 56005352C van mevrouw Carmen Ramlot. Ze is niet aanwezig.

Frank Vandenbroucke:

Die vragen vervallen dus?

De voorzitster : Als ze niet uitgesteld werden, vervallen ze.

Frank Vandenbroucke:

Dat betekent veel werk van mijn administratie voor niets. De voorzitster : Het is inderdaad jammer van het geleverde werk.

De onderfinanciering van de zorgcentra na seksueel geweld
De zorgcentra na seksueel geweld
De zorgcentra
Financiering en werking van zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De onderhandelingen tussen RIZIV en zorgkoepels over de financiering van zorgcentra voor slachtoffers van seksueel geweld lopen, maar zorgen over ontoereikende middelen (personeel, lonen, werkingskosten) blijven bestaan, ondanks een granulair model (vaste + variabele financiering gebaseerd op slachtofferaantallen) en een budget van 27,1 miljoen euro vanaf 2026. Knelpunten zijn het ontbreken van flexibiliteit (geen aanpassing vte’s artsen bij meer slachtoffers, verouderde loonschalen verpleegkundigen, geen vormingsbudget) en onduidelijkheid over volledige kostendekking, wat de continuïteit en kwaliteit van de centra bedreigt, terwijl Justitie en deelstaten nog niet zijn betrokken. Depoorter dringt aan op verdere aanpassingen, Vandenbroucke benadrukt stapsgewijze evaluatie en overdracht van bestaande middelen (o.a. van IGVM).

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, er lopen momenteel onderhandelingen tussen het RIZIV en de zorgkoepels over de nakende inkanteling van zorgcentra in het RIZIV. Verschillende actoren maken zich grote zorgen over de ontoereikende financiering, die de continuïteit en de kwaliteit van de zorg in het gedrang zou kunnen brengen.

Kunt u een stand van zaken geven van die onderhandelingen? Hoe garandeert u dat de financiering voldoende zal zijn om de zorgverlening op peil te houden, zowel voor de werknemers als voor de patiënten?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, u kent het kader en de wetgeving uiteraard zeer goed. De in de overeenkomst voorziene financiering van de zorgcentra moet gelden als volledige kostendekking van de gezondheidszorg, die aan alle slachtoffers van seksueel geweld wordt verstrekt.

Op 9 mei werd een eerste werkgroepvergadering omtrent die overeenkomst georganiseerd, in aanwezigheid van de leden van de Overeenkomstencommissie verpleging, richtingen en verzekeringsinstellingen van het RIZIV. De leden konden experten uit het veld uitnodigen om hen bij te staan. Onder hen bevonden zich ook experten van de zorgcentra. Na die vergadering van de werkgroep werd beslist om een tweede vergadering te organiseren, die op 5 juni heeft plaatsgevonden, om verdere suggesties te formuleren en vragen te stellen. Ook daarvoor werden, naast de leden van de Overeenkomstencommissie, experten uitgenodigd, onder wie ook vertegenwoordigers van de Nederlandstalige zorgcentra.

Tijdens de werkgroepvergaderingen werd de inhoud van de financiering en het ontwerp van de overeenkomst en het koninklijk besluit besproken. Er werd tegemoetgekomen aan een aantal bezorgdheden met betrekking tot de verpleegkundige financiering en de werkingskosten.

Het investeringsbudget is alleen voorzien voor zorgcentra na seksueel geweld die nog geen slachtoffers kunnen ontvangen en zich dus nog in een opstartfase bevinden.

Aangaande de financiering voor de samenwerking met een hiv-referentiecentrum, wordt in het ontwerp een vast bedrag per zorgcentrum voorzien. Zo kan het zorgcentrum een beroep doen op de begeleiding en expertise van een hiv-referentiecentrum.

Met betrekking tot het forfait per slachtoffer, het slachtoffer krijgt de nodige zorgen. De wet verbiedt echter elke financiële aanrekening aan het slachtoffer. Met dat forfait per slachtoffer betalen de centra de kosten voor gezondheidszorg die hen ten laste vallen. Het tarief blijft ongewijzigd ten opzichte van de voorgaande overeenkomst met het RIZIV.

De continuïteit van de centra wordt gegarandeerd via een granulair financieringsmodel dat rekening houdt met het aantal slachtoffers in elk centrum. Door de combinatie van vaste en variabele componenten kan het budget beter worden gealloceerd en ingezet waar het nodig is. Ten opzichte van vroeger, toen er slechts kleine en grote zorgcentra bestonden, zal elk centrum in de toekomst een financiering krijgen die beter is afgestemd op het aantal slachtoffers dat zich meldt. De overeenkomst zal nader worden geëvalueerd door het RIZIV en indien nodig bijgestuurd.

Justitie is momenteel niet betrokken bij de interne besprekingen rond het koninklijk besluit, aangezien het louter de overdracht van de medische aspecten van de zorgcentra betreft.

Wat het budget betreft, wordt door de zorgcentra in een overdracht voorzien vanuit het Zorgpersoneelfonds. Bovendien is bepaald dat eventuele kosten die voortvloeien uit de oprichting van extra centra, exogeen zullen worden gedekt.

Er zal ten slotte ook een budget worden overgedragen aan het RIZIV door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Inzake de middelen die dat instituut momenteel gebruikt voor de zorgcentra, geef ik mee dat vanaf 2026, rekening houdend met de index, in totaal 27,1 miljoen euro is ingeschreven om dertien operationele zorgcentra te financieren via de RIZIV-overeenkomst.

Op uw laatste vraag, over de beleidsnota van mijn collega, de minister van Justitie, kan ik antwoorden dat daarover nog geen afstemming werd bereikt tussen het RIZIV en Justitie en evenmin met de deelstaten. Slachtoffers van niet-acuut seksueel geweld kunnen nu al terecht in een zorgcentrum voor een opvanggesprek en zullen door de medewerkers gericht worden doorverwezen naar andere zorg- en hulpverleningsorganisaties.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, er heeft inderdaad overleg plaatsgevonden, maar ik heb het vermoeden dat u nog niet bent waar de betrokken partijen uiteindelijk willen uitkomen. Er blijft immers heel wat bezorgdheid bestaan op het terrein, bijvoorbeeld over het feit dat er geen aanpassingen gebeuren van het aantal vte’s voor artsen wanneer er meer slachtoffers zijn of het feit dat voor verpleegkundigen nog steeds de oude loonschalen worden gehanteerd in plaats van IFIC 15. De vrees leeft, ten eerste, dat zich op die manier geen nieuwe centra zullen aandienen, en ten tweede, dat de volledige investering nog altijd niet is gedekt. Wij – u, ik, mijn partij, maar ook minister Beenders – zijn er absoluut van overtuigd dat die zorgcentra een heel belangrijke rol spelen. Ze maken het verschil voor slachtoffers en de zorgcomponent binnen de zorgcentra na seksueel geweld is daarbij essentieel. We moeten er dan ook over waken dat voldoende zorg kan worden geboden en tevens op een voldoende flexibele manier. Uit mijn gesprekken met de verschillende zorgcentra en met de diverse actoren uit die centra, wordt telkens heel duidelijk dat de noden binnen de verschillende zorgcentra divers zijn en dat dus een zekere flexibiliteit moet worden ingebouwd. Het is ook nog niet volledig duidelijk of bij de berekening van alle loonschalen rekening gehouden wordt met het aantal slachtoffers, zoals bij het forfait. De werkingskosten blijven 12 % van de totale personeelskosten. Er is in geen extra budget voorzien voor vorming. Ik meen echt dat er nog werk is en dat er verder overlegd kan worden. De voorzitster : Vraag nr. 56005580C van mevrouw Dedonder is uitgesteld. We hebben nog tijd voor één vraag.

De uitsluiting van internationale waarnemers van de zittingen van de militaire rechtbank in Bakoe
De politieke gevangenen in Artsakh
De beperking van mensenrechten en politieke vrijheid in de Zuid-Kaukasus

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Belgische parlementariërs De Maegd en Samyn uiten ernstige bezorgdheid over Azerbeidzjans weigering om diplomaten, NGOs en internationale waarnemers toe te laten bij gesloten militaire processen tegen gevangenen uit Nagorno-Karabach, wat schendingen van transparantie, eerlijk proces en mensenrechten signaleert. Minister Prévot bevestigt dat België de kwestie bilateraal en via de EU aankaart, maar ontkent concrete kennis van toegangsonthouding, benadrukkend dat het CICR wel toegang heeft en dat de EU haar economische invloed moet gebruiken voor druk. De Maegd en Samyn verwerpen dit standpunt als onvoldoende, eisen een hardere EU-lijn en stellen dat samenwerking met Azerbeidzjan alleen kan bij onvoorwaardelijk respect voor rechtsstaat en grondrechten, wat nu volledig ontbreekt.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je sais que vous êtes attentif à la situation des prisonniers du Haut-Karabakh détenus dans les geôles de Bakou. Nous en avons discuté à plusieurs reprises, en commission comme en séance plénière.

Selon des informations récentes, des experts internationaux et des diplomates se sont vu refuser l’accès aux audiences du tribunal militaire de Bakou, alors même que les autorités azerbaïdjanaises affirmaient que ces audiences seraient publiques. Cette situation soulève des préoccupations quant au respect des normes internationales en matière de transparence judiciaire et des droits de l'homme.

Par ailleurs, des défenseurs des droits humains et des représentants d’ONG ont vu leurs demandes d’assister aux audiences rejetées, et des allégations de harcèlement ciblant un chercheur international ont également été rapportées.

La Belgique a-t-elle exprimé ses préoccupations auprès des autorités azerbaïdjanaises concernant l’interdiction faite aux diplomates et observateurs internationaux d’assister aux audiences du tribunal militaire de Bakou? Quelle démarche diplomatique la Belgique envisage-t-elle afin de promouvoir le respect des normes internationales en matière de transparence judiciaire et de droits de l’homme en Azerbaïdjan? La Belgique envisage-t-elle de collaborer avec ses partenaires européens pour adopter une réponse coordonnée face à ces entraves aux droits fondamentaux?

Je vous remercie déjà pour vos réponses et pour le suivi que je sais que vous accorderez à ce dossier.

Ellen Samyn:

Mijnheer De Maegd heeft de situatie correct geschetst. Ik verwijs verder naar de ingediende tekst van mijn vraag.

Volgens recente informatie blijkt dat internationale experts en diplomaten geen toegang krijgen tot de zittingen van het militaire tribunaal in Bakoe, ondanks de bewering van de Azerbeidzjaanse autoriteiten dat deze openbaar zijn. Dit roept ernstige vragen op over de naleving van internationale standaarden voor gerechtelijke transparantie en mensenrechten.

Tijdens de bespreking van de beleidsnota meldde ik reeds dat verzoeken van mensenrechtenactivisten en ngo-vertegenwoordigers om de zittingen bij te wonen werden afgewezen, bijkomend zou er sprake zijn van intimidatie van een internationale onderzoeker.

Graag verneem ik van de minister:

Heeft België zijn bezorgdheid geuit bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten over het feit dat diplomaten en internationale waarnemers geen toegang krijgen tot de zittingen van het militaire tribunaal in Bakoe?

Welke diplomatieke initiatieven plant België om de naleving van internationale normen voor gerechtelijke transparantie en mensenrechten in Azerbeidzjan te bevorderen?

Bent u van plan om samen met Europese partners een gezamenlijke reactie te formuleren op deze schendingen van fundamentele rechten?

Maxime Prévot:

Je peux vous assurer à nouveau, comme je l'ai fait en réponse à vos questions précédentes, que la Belgique aborde effectivement les droits humains et le processus de paix avec l'Arménie et les autorités azerbaïdjanaises entre autres, et ce, encore fin mai au niveau de mon chef de cabinet.

De manière générale, et ensemble avec nos partenaires européens, la Belgique plaide pour une signature rapide du texte de l'accord de paix négocié entre Bakou et Erevan en mars dernier. Quant à la question spécifique des prisonniers arméniens en Azerbaïdjan, nous ne disposons pas d'informations concernant un éventuel refus d'accès pour les observateurs diplomatiques. Il nous a été rapporté que les prisonniers continueraient à bénéficier de l'accès du Comité international de la Croix-Rouge (CICR).

Zoals u weet, is de bevordering van de mensenrechten en het respect van de rechtsstaat een algemene prioriteit van het Belgisch buitenlands beleid. In dat opzicht zet ons land zich sterk in op bilateraal, Europees en multilateraal niveau. Mijn diensten en ik blijven dan ook waakzaam tegenover de moeilijke mensenrechtensituatie in Azerbeidzjan, met inbegrip van het recht op een eerlijk proces.

Onze ambassade in Bakoe volgt de ontwikkelingen op, onder meer in samenwerking met de EU-delegatie. Als belangrijkste handelspartner en investeerder in Azerbeidzjan dient de EU haar invloed aan te wenden om vooruitgang te boeken op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten. We pleiten er in Europese context voor om met die kwestie rekening te houden.

Michel De Maegd:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse et pour l'attention que vous continuez à porter à ce dossier.

Les informations divergent manifestement. L'accès au procès n'est pas à mes yeux un simple détail de procédure. C'est un indicateur fondamental de la santé démocratique d'un État, du respect qu'il accorde aux droits humains et de sa volonté réelle de se conformer aux engagements internationaux. L'interdiction faite aux observateurs indépendants, aux ONG et même aux diplomates d'assister à ces audiences n'est pas seulement préoccupante, elle est profondément choquante. Elle alimente le doute, renforce le soupçon d'injustice et nourrit l'impunité.

La Belgique ne peut agir seule mais elle peut et doit jouer un rôle moteur au sein de l'Union européenne pour promouvoir une position active, courageuse et déterminée dans ce dossier. Nous devons rester aux côtés des familles, des défenseurs des droits humains et de toutes celles et ceux qui, dans la région, attendent de la communauté internationale un signal clair, celui que les droits fondamentaux ne sont pas négociables, y compris à Bakou.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, Azerbeidzjan presenteert zich graag als een stabiele partner op het internationale toneel, maar dat beeld strookt niet met de interne realiteit. Er is ernstige bezorgdheid over de mensenrechtensituatie, met name wat de detentie van politieke tegenstanders, activisten en journalisten betreft. Ook de arrestatie en vervolging van voormalige leiders en burgers uit Nagorno-Karabach roept vragen op over het respect voor het internationaal humanitair recht en het recht op een eerlijk proces.

Mijnheer de minister, het is goed dat u waakzaam blijft en de ontwikkelingen volgt, maar het is onze taak om de situatie blijvend onder de aandacht te brengen. Wij, en bij uitbreiding de internationale gemeenschap, mogen absoluut niet wegkijken van de mogelijke ontwikkelingen. U kent mijn mening over Azerbeidzjan. Ik zou liever geen banden en overeenkomsten hebben met dat ondemocratisch land. Respect voor de grondrechten en de rechtsstaat moeten een voorwaarde blijven voor samenwerking, maar dat ontbreekt volgens mij volledig.

Voorzitter:

Chers collègues, vu que M. Vander Elst a dû nous quitter pour un certain temps pour se rendre dans une autre commission, nous abordons la question jointe suivante prévue à l'ordre du jour.

De terugbetaling van Kaftrio
De toegang tot het geneesmiddel Kaftrio voor patiënten met zeldzame mucomutaties
De perspectieven inzake het geneesmiddel Kaftrio
De verruiming van de terugbetaling van Kaftrio
De toegankelijkheid en terugbetaling van Kaftrio voor alle relevante patiënten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de niet-terugbetaalde toegang tot Kaftrio voor 70 Belgische mucopatiënten met zeldzame mutaties, terwijl het medicijn wel werkt en in Frankrijk al wel vergoed wordt. Minister Vandenbroucke bevestigt dat onderhandelingen met Vertex mislukten door onaanvaardbare prijs- en contractvoorwaarden, maar hoopt op hernieuwd overleg nu het EMA de indicatie uitbreidde—mits Vertex een nieuw dossier indient (procedure: 180 dagen, maar mogelijk langer). Alternatieven zoals een *medical need*-programma liggen bij de fabrikant, terwijl de kost-batenanalyse van Kaftrio vs. ziektekosten (antibiotica, transplantaties) nog ontbreekt. Het Plan voor Zeldzame Ziekten zal extra aandacht besteden aan mucoviscidose.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, we weten natuurlijk dat de levenskwaliteit en de levensverwachting van mucopatiënten de laatste jaren spectaculair is gestegen. We beschikken immers over betere neonatale screening en opvolging, maar ook over het bekende medicijn Kaftrio, dat daartoe bijdraagt.

Tot nu toe wordt Kaftrio enkel terugbetaald voor mucopatiënten met minstens één F508-mutatie. Dat is de meest voorkomende mutatie. In ons land gaat dat over 1.010 mensen. Anderzijds toont Frans onderzoek aan dat patiënten met een aantal andere zeldzame mucomutaties ook baat kunnen hebben bij een behandeling met Kaftrio. Dat zou in België ongeveer 70 patiënten betreffen. Die mensen blijven vandaag in ons land echter in de kou staan.

U hebt als reden opgegeven dat de producent van dit geneesmiddel, Vertex, niet bereid was een overeenkomst te sluiten tegen een redelijke prijs en met duidelijke voorwaarden. We hebben dus enkele vragen, aangezien die onderhandelingen over de terugbetaling geheim verlopen en we bijgevolg de verschillende standpunten niet kennen. Wat bedoelt u precies met een redelijke prijs en duidelijke voorwaarden?

U hebt gezegd dat het afspringen van de onderhandelingen een moeilijke uitkomst is. Dan rijst natuurlijk de vraag wat we daarmee doen. Wat betekent dit voor de patiënten om op korte termijn de zorg toegankelijk en betaalbaar te houden?

In Frankrijk heeft men beslist die patiënten mee te nemen in het aanbod van dat medicament. Kunnen we dat ook in ons land doen? Indien niet, waarom niet? De kostprijs van het niet te doen – eveneens een belangrijke overweging – loopt natuurlijk ook op. We kennen immers het verloop van de ziekte en de grote gezondheidskosten die ermee gepaard gaan. Denk aan antibioticabehandelingen, kine, ziekenhuisopnames tot en met longtransplantaties. Dus als we Kaftrio voor die 70 patiënten in België niet terugbetalen, wat is dan de totale gezondheidskost? Hoe verhoudt die kost zich tot de terugbetaling van Kaftrio?

U hebt de verantwoordelijkheid voor dit dossier bij de fabrikant gelegd en gezegd dat die een nieuw terugbetalingsdossier moet indienen. Kunt u op de een of andere manier de fabrikant daartoe aanmoedigen? U gaf aan dat als dat gebeurt, de afhandeling binnen 180 dagen kan plaatsvinden. Wij horen van patiëntenverenigingen echter dat zij minder optimistisch zijn. Kunt u garanderen dat het effectief bij 180 dagen blijft en niet langer zal duren?

Tot slot ontvangen wij graag een woordje uitleg over de plaats van muco in het Plan voor Zeldzame Ziekten, waarover we het ook al gehad hebben, waarin onder andere een vlottere toegang tot geneesmiddelen wordt gegarandeerd.

Jan Bertels:

Mevrouw De Sutter, dank u wel voor uw toelichting.

Mijnheer de minister, het klopt dat dankzij de inspanningen tijdens de vorige legislatuur het geneesmiddel Kaftrio terugbetaald is aan iets meer dan 1.000 van de circa 1.380 mucoviscidosepatiënten in België. Dat heeft een belangrijke positieve impact op hun leven. Het is duidelijk dat dat geneesmiddel hun baat. De uitbreiding van de terugbetaling toen – want er was een hele discussie met de geneesmiddelenfirma – getuigt van een engagement. Voor de Vooruitfractie is het natuurlijk belangrijk om toegankelijke zorg te bieden aan iedereen, zeker als die zorg batige gevolgen heeft.

We begrijpen dat, zoals u zelf al hebt verklaard, de onderhandelingen over geneesmiddelen complex zijn. Dat geldt ook voor het overleg met producent Vertex over de resterende groep van ongeveer 70 patiënten met een zeldzame mucomutatie, waarnaar mevrouw De Sutter heeft verwezen, dat daarom tot nu toe nog geen resultaat heeft opgeleverd. U hebt, net als mevrouw De Sutter, benadrukt hoe belangrijk een redelijke prijs en duidelijke voorwaarden zijn – essentieel voor de betaalbaarheid van onze gezondheidszorg en voor de terugbetaling van het geneesmiddel. We weten dat u die discussie steeds opnieuw aangaat en dat u zich onverminderd inzet om ook voor deze laatste groep patiënten een oplossing te vinden, in de wetenschap dat elke dag telt bij een progressieve ziekte als mucoviscidose.

Kunt u, zonder de vertrouwelijkheid van de onderhandelingen te schenden, inzicht geven in de algemene aard van de struikelblokken die een akkoord met Vertex tot dusver bemoeilijkten?

Ziet u perspectieven dat, indien er een nieuw dossier wordt ingediend, er constructieve gesprekken kunnen zijn met Vertex, mede gelet op de ontwikkelingen waarnaar al verwezen is, de positieve zaken die in Frankrijk worden vastgesteld en het positieve advies van het Europees Geneesmiddelenbureau?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, depuis septembre 2022, le médicament Kaftrio est remboursé pour les personnes atteintes de mucoviscidose porteuses de la mutation génétique la plus fréquente. Or, de nombreuses études scientifiques, dont une étude française récente, démontrent que ce médicament peut également bénéficier à un sous-groupe de patients porteurs de mutations dites rares. Et pourtant, nous avons appris que la procédure exceptionnelle de remboursement lancée fin 2023 pour ces patients, conformément à l'article 111, s'est soldée par un échec.

Par conséquent, environ 68 personnes, identifiées dans le Registre belge de la mucoviscidose, sont privées d'un traitement qui pourrait pourtant leur offrir une amélioration significative, voire salvatrice, de leur qualité de vie. Ces patients se sentent abandonnés, discriminés, incompris.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous donner les raisons précises de cet échec et nous dire quelles sont les suites possibles aujourd'hui? Comptez-vous prendre des mesures ou des initiatives afin de ne pas laisser ces patients sans solution, sachant les dommages pulmonaires irréversibles que cette situation pourrait entraîner?

Frank Vandenbroucke:

Collega’s, het is inderdaad bijzonder jammer dat de onderhandelingen met Vertex over de terugbetaling van Kaftrio voor patiënten met zeldzame CF-mutaties geen akkoord hebben opgeleverd, ondanks grote inspanningen van mijn administratie.

Naar aanleiding van het Franse initiatief waarbij er een vergoeding via een early access -programma is, heb ik uitzonderlijk het initiatief genomen tot een terugbetalingsprocedure, hoewel die verantwoordelijkheid normaal bij de fabrikant ligt. Dat de aanvraag destijds betrekking had op indicaties die nog niet door het EMA waren goedgekeurd, onderstreept het uitzonderlijke karakter van die stap. De onderhandelingen zijn uiteindelijk mislukt omdat de firma niet kon voldoen aan de vooropgestelde kostprijs die door de werkgroep was bepaald en omdat ze evenmin akkoord ging met de specifieke voorwaarden van het voorgestelde contract. Meer details kan ik niet geven zonder het confidentiële karakter van de onderhandelingen in het gedrang te brengen.

Een terugbetaling zonder akkoord is per definitie onmogelijk. U vraagt of wij ook op andere manieren kunnen terugbetalen, maar de enige optie die overblijft, is een medical need -programma. Dat vereist echter dat de firma de aanvraag doet en de kosten op zich neemt in afwachting van het resultaat van de terugbetalingsprocedure.

Er is nog veel onduidelijkheid over de werkzaamheid op lange termijn en over de precieze impact op de huidige behandelingen. Gezien de onzekerheden over de omvang van de respons bij de patiënten en de langetermijneffecten die tegenover de mogelijke besparingen in de zorgkosten staan, blijft het cruciaal om een kostprijs te onderhandelen die maatschappelijk te verantwoorden is. Geen enkel geneesmiddel kan tegen om het even welke prijs worden vergoed.

Intussen heeft het EMA onlangs een indicatie- uitbreiding goedgekeurd. Die nieuwe elementen bieden perspectieven op een heropstart van de gesprekken. Ik moedig Vertex dan ook aan om zo snel mogelijk een nieuwe aanvraag in te dienen.

De wettelijke termijn van 180 dagen voor de beoordeling blijft van kracht, al kunnen schorsingen vanwege de firma of schorsingen vereist voor het voeren van een contractonderhandeling de termijn in de praktijk wel verlengen.

In het nieuwe Plan voor Zeldzame Ziekten zal ik overigens bijzondere aandacht besteden aan mucoviscidose.

Mijnheer Bertels, voor alle duidelijkheid, er is dus geen medical need -programma lopende voor Kaftrio, zoals ik heb aangegeven. Dat moet door de firma worden aangevraagd. Voorlopig is dat dus helaas geen optie voor de betrokken patiënten.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden, die in de goede richting gaan voor die 70 patiënten in ons land die we nu nog niet kunnen helpen.

Ik begrijp dat u niet meteen kon antwoorden inzake de gezondheidseconomische analyse van de behandeling met Kaftrio waarnaar ik u vroeg en de gezondheidswinsten voor die patiënten, maar het is misschien een interessante oefening om toch eens te maken, om te weten wat een mucopatiënt eigenlijk kost en om die kosten af te wegen tegenover de prijs van het medicijn. Misschien zijn er nog andere aandoeningen en medicijnen waarvoor een dergelijke oefening kan gebeuren.

Ik dank u alvast voor de antwoorden die u gegeven hebt.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoorden, ook voor het duidelijke antwoord over het probleem in verband met het medical need -programma.

Ik meen dat uit uw antwoord duidelijk blijkt dat we wegens de goedgekeurde indicatiestelling door het Europees Geneesmiddelenbureau enkel de producent, in dit geval Vertex, kunnen oproepen een nieuw dossier in te dienen opdat die 70 patiënten met een zeldzame mucomutatie ook geholpen kunnen worden. Dat wensen we allemaal. Dat moet natuurlijk tegen een redelijke en verantwoorde prijs gebeuren, en aan redelijke voorwaarden. Laten we Vertex oproepen zijn verantwoordelijkheid op te nemen.

Ludivine Dedonder:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. J'espère que le producteur déposera ce nouveau dossier. J'entends que vous mettrez un accent particulier sur les malades de la mucoviscidose dans votre plan Maladies rares que j'attends avec impatience. Il importe que ces personnes se sentent soutenues, épaulées et comprises.

Het beroep tot nietigverklaring van het RIZIV-budget

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Twee beroepen bij de Raad van State richten zich uitsluitend tegen de *clawback* (compenserende heffing) op het overschreden geneesmiddelenbudget 2024, ingediend door één sectorfederatie met bedrijven en één individueel bedrijf—niet tegen het hele Riziv-budget. Minister Vandenbroucke benadrukt dat dit een wettelijk compensatiemechanisme is en wijst speculatie over gevolgen of noodplannen af. Sneppe kritiseert het beperkte, ontwijkende antwoord op concrete vragen over bedragen, sectoren, impact en risico’s voor zorguitvoering. De discussie blijft onbeantwoord over financiële consequenties en mogelijke vertragingen in de begroting.

Dominiek Sneppe:

In het Staatsblad van 1 april lezen we dat er twee beroepen tot nietigverklaring zijn ingediend bij de Raad van State over het Riziv-budget.

Het eerste beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de beslissing van de Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het Riziv van 2 december 2024, genomen overeenkomstig artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, van de ZIV-wet, die de overschrijding van het budget voor 2024 vaststelt en de percentages van het voorschot van de compenserende heffing (op het geneesmidddelenbudget) voor 2024 vastlegt.

Het tweede beroep tot nietigverklaring is gericht tegen de stilzwijgende beslissing tot niet-verlenging van de uitzondering op de compenserende heffing zoals vermeld in artikel 191, eerste lid, 15° quaterdecies, zevende lid, van de ZIV-wet, en dit minstens voor het jaar 2024, en tegen de beslissing om de percentages van de compenserende heffing vast te leggen.

Wie heeft die twee beroepen ingediend?

Kunt u toelichten welke specifieke aspecten van de begrotingsbeslissingen worden aangevochten? Over welke bedragen gaat het? Welke sectoren?

Welke financiële impact heeft een eventuele vernietigingsberoep op de begroting van de ziekteverzekering?

Ziet u een risico dat deze juridische procedures de uitvoering van de RIZIV-begroting vertragen of bemoeilijken? Wat zijn de mogelijke gevolgen voor de gezondheidszorgsector?

Welke stappen zal de regering ondernemen indien de Raad van State bepaalde beslissingen schorst of vernietigt? Is er in een noodscenario voorzien?

Frank Vandenbroucke:

Gelet op de titel van uw vraag, mevrouw Sneppe, zal ik eerst verduidelijken dat het niet om een verzoek tot vernietiging van het RIZIV-budget gaat. Het bereft een aanvechting van de compenserende heffing ten gevolge van de overschrijding van het geneesmiddelenbudget 2024 of de clawback, zoals we in ons eigen jargon zeggen.

Een eerste beroep is ingesteld door één sectorfederatie en enkele bedrijven. Een tweede beroep is ingesteld door een individueel bedrijf. De clawback is een wettelijk voorzien compensatiemechanisme binnen het gezondheidsbudget dat ook in het verleden is toegepast. Het heeft nu geen zin om te speculeren over de uitkomst van het vernietigingsverzoek en over eventueel noodzakelijke correcties.

Ik zal het daarbij laten. Dat kan gelden als een algemeen antwoord op alle vragen, meen ik.

Dominiek Sneppe:

Dank u wel voor de verduidelijking over de nietigverklaring. Het antwoord op de andere vragen vind ik zeer summier. Maar goed, we zullen het verder opvolgen en er misschien later nieuwe vragen over stellen. Ik vind het een zeer summier en eigenaardig antwoord op mijn vijf vragen.

De integrale aanpak van obesitas en het beleid inzake GLP-1-medicatie

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat GLP-1-medicatie (Ozempic/Mounjaro) enkel wordt aanbevolen als *aanvulling* op leefstijlverandering (dieet, beweging) bij obesitas (BMI ≥30) of overgewicht (BMI 27-30) met comorbiditeiten, maar er zijn nog geen terugbetalingsaanvragen ingediend voor obesitas. Voor kinderen bestaat sinds 2023 een multidisciplinair zorgtraject, maar volwassenen ontbreken nog, terwijl bijwerkingen wel worden gemonitord via het FAGG. Sneppe kritiseert het ontbreken van een volwassenenaanpak, het tekort aan medicatie en de institutionele versnippering, en pleit voor bevoegdheidsoverdracht naar deelstaten om preventie en cura te integreren.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, obesitas vormt een groeiend gezondheidsprobleem in ons land. Dat is een open deur intrappen. De maatschappelijke en economische impact is enorm, met meer ziekte, meer arbeidsongeschiktheid en hogere gezondheidskosten.

GLP-1-medicatie zoals Ozempic en Mounjaro wordt vandaag naar voren geschoven als een gamechanger in de strijd tegen obesitas, maar daar wringt het schoentje. Er is een chronisch tekort aan die medicatie. Patiënten die ze echt nodig hebben – mensen met diabetes type 2 of zware obesitas – grijpen vaak naast hun behandeling. Hoe kan dat? Bent u dan niet in staat om degelijke afspraken te maken met producenten over leveringszekerheid?

Ook het terugbetalingsbeleid is op zijn zachtst gezegd incoherent. Mounjaro bijvoorbeeld, waarvan klinisch bewezen is dat het effectief is tegen zowel diabetes als obesitas, wordt niet terugbetaald voor obesitas. Waarom niet? Heeft de overheid dan geen visie op obesitaspreventie via bewezen doeltreffende middelen?

Daarnaast is langdurig gebruik van GLP-1-agonisten nog niet volledig onderzocht. Wat weten we over bijwerkingen op lange termijn? Zijn er plannen om dat op te volgen in België? Zou het niet logisch zijn om bij het voorschrijven van deze medicatie een verplichte doorverwijzing naar een diëtist of leefstijlcoach op te nemen, zodat het past in een bredere aanpak?

Ziet u het gebruik van GLP-1-medicatie als een centraal element in het obesitasbeleid of blijft het bij symptoombestrijding zonder omkadering?

Vanaf welk BMI mag dergelijke medicatie voorgeschreven worden voor obesitas?

Overweegt u om het gebruik van deze medicatie te koppelen aan een multidisciplinaire opvolging, met verplichte begeleiding door een diëtist of een arts gespecialiseerd in leefstijlinterventie?

Tot slot, hoe volgt u de mogelijke langetermijneffecten van deze medicatie op? Worden er in België data verzameld of wordt er klinisch onderzoek gesteund in dit verband?

Frank Vandenbroucke:

Momenteel werden er nog geen dossiers ingediend bij de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) voor een aanvraag tot terugbetaling van semaglutide (Wegovy) of tirzepatide (Mounjaro) voor de indicatie obesitas.

GLP-1-medicatie heeft echter, naast onder andere een dieet, gezondere voeding, verandering van levensstijl en meer lichaamsbeweging, zeker een plaats in het obesitasbeleid. Het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) geeft aan dat semaglutide of tirzepatide mag worden gebruikt als aanvulling op een caloriearm dieet en verhoogde lichamelijke activiteit bij volwassenen met een aanvankelijke body mass index van minstens 30 kg/m 2 , de kwalificatie voor obesitas, of tussen 27 en 30 kg/m 2 , de kwalificatie van overgewicht, op voorwaarde dat er ten minste één gewichtsgerelateerde comorbiditeit aanwezig is. Het gaat dan bijvoorbeeld om dysglycemie ten gevolge van prediabetes of diabetes mellitus type 2, hypertensie, dyslipidemie, obstructieve slaapapneu of hart- en vaatziekten.

Ondersteunende zorg door een multidisciplinair professioneel team is zeker wenselijk bij de behandeling van obesitas. Sinds 1 december 2023 voorziet het RIZIV een gepersonaliseerd zorgtraject op het tweede zorgniveau voor kinderen en adolescenten van 2 tot en met 18 jaar met obesitas. Met deze ambulante multidisciplinaire aanpak in een pediatrisch multidisciplinair obesitascentrum beogen we voor elk kind en zijn of haar omgeving een individuele benadering en behandeling. Eventuele medicamenteuze strategieën kunnen daarbij ook aan bod komen.

Daarnaast werken de FOD Volksgezondheid en het RIZIV momenteel samen met de deelstaten aan de ontwikkeling van een geïntegreerd zorgmodel voor kinderen en adolescenten met overgewicht en obesitas op het eerste zorgniveau. Via het FAGG worden de ongewenste effecten en bijwerkingen van alle medicatie, dus ook van semaglutide en tirzepatide, opgevolgd.

Dominiek Sneppe:

Ik noteer dat er nog geen aanvraag werd ingediend. Daar moet u wellicht de producenten even op wijzen. Er is sinds 2023 inderdaad een interdisciplinaire aanpak voor kinderen. Dat is zeer goed en dat steunen wij uiteraard. We wachten echter nog op iets voor volwassenen. Volwassenen vallen hier uit de boot, terwijl zij vooral diegenen zijn die teruggrijpen naar dergelijke medicatie. Het is immers gemakkelijk. U zit samen met de deelstaten. Dat illustreert natuurlijk weer onze institutionele lasagne. Daarom nogmaals mijn oproep om werk te maken werk van de overheveling van bevoegdheden naar de deelstaten, zodat preventie en het curatieve op hetzelfde niveau komen en onze gezondheidszorg, onze patiënten en ons budget er wel bij varen.

De responsabilisering van de farma-industrie naar aanleiding van geneesmiddelentekorten
Onbeschikbare geneesmiddelen
Geneesmiddelentekorten en verantwoordelijkheid van de farma-industrie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om geneesmiddelentekorten en de noodzaak om transparantie, sancties en strategische autonomie in de farmaceutische keten te versterken. Minister Vandenbroucke kondigt strengere leveringsplichten, een Europees *Critical Medicines Act* en een uitbreiding van exportbeperkingen aan, maar benadrukt dat sancties en financiering nog moeten worden uitgewerkt. Dedonder en Bertels steunen deze plannen, met focus op gedwongen transparantie bij fabrikanten, solidariteitsbijdragen en Europese samenwerking om tekorten tegen te gaan. Concrete maatregelen volgen na de zomer, met nadruk op preventie en gedeelde verantwoordelijkheid in de hele keten.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, les pénuries de médicaments sont un problème de santé publique qui s’aggrave d’année en année. Le contexte international est certes tendu, mais je crains que les médicaments deviennent une véritable monnaie d’échange stratégique. C’est pourquoi il est impératif d’investir dès à présent dans notre autonomie pharmaceutique, en Belgique comme à l’échelle européenne.

Mais au-delà de ces monnaies d’échange dans un contexte géopolitique, je constate aussi que certaines pénuries sont en réalité créées artificiellement. En effet, si les grossistes-répartiteurs sont tenus, par arrêté royal, à une transparence stricte sur leurs stocks, cette même obligation ne pèse pas sur l’industrie pharmaceutique. Celle-ci peut ainsi organiser la rareté de certains médicaments, en limitant volontairement les livraisons pour des raisons purement économiques. On remarque d’ailleurs aussi que les médicaments les moins chers sont souvent indisponibles. Or, même si l’industrie a l’obligation légale de livrer les grossistes-répartiteurs dans un délai de trois jours, aucune sanction n’est prévue en cas de non-respect de cette obligation. Cette absence totale de mécanisme contraignant rend la législation inefficace. Ce sont alors les pharmacies, mais aussi les grossistes-répartiteurs, qui en paient le prix, entre démarches administratives, pertes de temps et coûts logistiques accrus.

Quelles mesures concrètes entendez-vous prendre pour assurer une réelle transparence de l’ensemble de la chaîne du médicament, en y incluant l’industrie pharmaceutique? Envisagez-vous d’introduire des sanctions en cas de non-respect de l’obligation de livraison sous trois jours par les fabricants? Plus globalement, comment le gouvernement entend-il renforcer l’autonomie stratégique de la Belgique en matière de production et d’approvisionnement en médicaments essentiels?

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, de problematiek van onbeschikbare geneesmiddelen baart zowel patiënten als zorgverleners grote zorgen. Patiënten worden soms geconfronteerd met vertragingen in hun behandeling of moeten overschakelen naar alternatieven. In het ergste geval blijven zij verstoken van de nodige medicatie. Dat heeft uiteraard gevolgen voor hun gezondheid. Het brengt hen soms in gevaar en veroorzaakt vooral veel stress en onzekerheid.

In het licht van die problematiek heb ik enkele vragen.

Ten eerste, hoe staat het met de concrete toepassing van het koninklijk besluit dat de farmaceutische firma's een bijdrage oplegt bij de niet-levering van geneesmiddelen? Hoe vaak is dat mechanisme al effectief ingezet en, zo ja, met welk resultaat?

Ten tweede zijn de groothandelaars-verdelers ook een speler in de geneesmiddelenvoorziening. Welke maatregelen worden genomen om hun verantwoordelijkheid in de bevoorradingsketen te verzekeren en praktijken die tekorten in de hand werken, tegen te gaan?

Ten derde, welke bijkomende stappen plant u om de algemene beschikbaarheid van geneesmiddelen voor de Belgische patiënten te verbeteren?

Frank Vandenbroucke:

L’arrêté royal transparence impose actuellement des obligations en matière de transparence aux grossistes répartiteurs en raison de leur rôle spécifique dans la chaîne du médicament. Ils doivent garantir le service public. Il est toutefois important de souligner que la transparence et la sécurité de la chaîne du médicament requièrent une responsabilité partagée entre les grossistes répartiteurs et l'industrie pharmaceutique. C'est pourquoi une approche intégrée sera élaborée après l'été afin de mettre en place un cadre plus strict pour l'obligation de livraison dans le cadre du service public.

Parallèlement, l'AFMPS développe un outil de suivi des stocks, le Stock Monitoring Tool, qui collecte des données sur les stocks auprès des firmes pharmaceutiques, des grossistes répartiteurs et des pharmaciens. Cet outil pourra offrir aux autorités une vision globale de la chaîne d'approvisionnement.

Le projet de gouvernement prévoit une obligation contraignante de service public pour l'ensemble des acteurs de la chaîne du médicament. Cela implique, selon moi, que le cadre de sanctions doit également être renforcé à l'égard des acteurs qui ne respectent pas leurs obligations de livraison.

La proposition récente de la Commission européenne pour un Critical Medicines Act est une avancée vers une autonomie stratégique accrue. Elle permet aux États membres de soutenir des projets stratégiques via des procédures accélérées, des achats conjoints et un cadre de marché public révisé, favorisant la résilience des chaînes d'approvisionnement.

La Belgique soutient pleinement cette initiative, mais regrette l'insuffisance des moyens financiers prévus. Dans une tribune commune, avec 11 ministres de la Santé, j'ai plaidé pour une mobilisation plus large des fonds européens, y compris ceux destinés à l'industrie et à la défense, car la santé publique doit être considérée comme un enjeu stratégique.

Enfin, une évaluation coordonnée des vulnérabilités des chaînes est en cours au sein du MSSG pour orienter les futurs investissements.

Mijnheer Bertels, in aanvulling op het antwoord aan mevrouw Dedonder kan ik meegeven dat het RIZIV sinds januari op regelmatige basis een aangepaste lijst publiceert met producten die vergoedbaar zijn na invoer door de apotheker, ziekenhuisapotheker of groothandelaar. De exacte cijfers over het aantal effectief ingevoerde specialiteiten wegens onbeschikbaarheid zijn nog niet gekend bij het RIZIV, vermits die steeds met vertraging worden aangeleverd door de tariferingsdiensten en de ziekenhuizen.

Zoals u weet, is het compensatiemechanisme gebaseerd op een solidariteitsbijdrage van alle bedrijven die producten op de markt brengen. De eerste inning is gepland eind 2025, na een vordering van het RIZIV op basis van de effectief gemaakte kosten.

Momenteel is het dus nog te vroeg om een stand van zaken te geven. De verschillende stakeholders op het terrein gaven in de recentste vergadering van de werkgroep aan tevreden te zijn met de opstart en de huidige werking, die nog steeds wordt bijgeschaafd om zo goed mogelijk aan de noden te voldoen.

Verder willen we het KB inzake export uitbreiden, zodat een exportbeperking ook kan worden opgelegd in het geval van dreigende onbeschikbaarheden. In de huidige situatie dient er daadwerkelijk een onbeschikbaarheid te zijn vooraleer een exportbeperking kan worden opgelegd. Dankzij de uitbreiding zou het FAGG beter kunnen anticiperen op dreigende onbeschikbaarheden.

Ludivine Dedonder:

Merci pour vos réponses. Je vois que nous sommes d’accord sur les principes. Il reste maintenant l’application, mais j’entends que de premières mesures seront prises après l’été et que l’on reconnaît déjà la responsabilité partagée. Deuxièmement, je note que vous avez dit que "personnellement", vous souhaitiez renforcer le cadre de sanctions. Je vous suis bien évidemment dans cette démarche.

Au niveau européen, je vous suis également sur le fait de renforcer les moyens pour notre autonomie stratégique au niveau pharmaceutique puisque, comme vous l’avez suggéré: investir dans la santé, c’est investir dans la sécurité. Aujourd’hui, il est beaucoup question des moyens renforcés au niveau de la sécurité. N’oublions pas que la santé et la sécurité sont étroitement liées. Je vous soutiens donc dans ces démarches.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, ik onthoud drie zaken uit uw antwoord. Ten eerste is het belangrijk dat we de Critical Medicines Act en de initiatieven die België neemt om die verordening te implementeren, samen met andere collega’s binnen de Europese Unie, verder ondersteunen. Ik denk dat we het daarover ruimschoots eens zijn in deze commissie. Dat moet onder meer bijdragen aan meer autonomie, maar vooral garanderen dat essentiële geneesmiddelen in Europa en in België beschikbaar blijven. Ten tweede is er de geïntegreerde aanpak, die zowel op Europees niveau als in België geldt. Elke speler in de geneesmiddelenketen moet zijn rol spelen en zijn verantwoordelijkheid nemen. Indien dat niet gebeurt, moet hij daarop gewezen worden. Dat is volgens mij de juiste weg. Ten derde ben ik blij te vernemen dat een werkgroep aan de slag gaat met de solidariteitsbijdragen in het kader van het koninklijk besluit dat daarvoor bestaat met betrekking tot de farmaceutische sector. Die bijdragen zullen effectief geïnd worden, waarbij het verdere proces wordt geoptimaliseerd. De bedoeling mag niet zozeer zijn om die bijdragen te innen, maar vooral om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te verzekeren. Dat is het doel van dat koninklijk besluit. Ik ben tevreden te horen dat de betrokken actoren daaraan meewerken en die filosofie onderschrijven. In dezelfde geest verwijs ik naar het transparantiebesluit betreffende de groothandelaars-verdelers, dat momenteel ook uitgerold wordt op het terrein. Dat is een goede zaak. Wat het koninklijk besluit inzake exportbeperkingen betreft, noteer ik dat u overweegt dat eventueel uit te breiden. Wat de Vooruitfractie betreft, kunt u rekenen op onze volledige steun voor een eventuele uitbreiding van die beperkingen, indien dat nodig is om de beschikbaarheid van geneesmiddelen voor Belgische patiënten te garanderen.

De kaderwet waarmee de deur opengezet wordt naar staatsgeneeskunde
De noodzaak van overleg in het kader van de hervorming van de gezondheidszorg
De ereloonsupplementen
Het risico voor de medische vrije beroepen in het kader van het voorontwerp van kaderwet
De ongerustheid bij de artsen
Het voorontwerp van kaderwet
Hervorming Gezondheidszorg en Medische Beroepen.

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke ontkent dat zijn hervorming van de gezondheidszorg leidt tot staatsgeneeskunde en benadrukt dat de therapeutische vrijheid en conventiekeuze behouden blijven, maar de oppositie en coalitiepartners beschuldigen hem van top-down beleid, gebrek aan overleg en een autoritaire aanpak die artsen demotiveert en patiënten in gevaar brengt. De kern van het conflict draait om ereloonsupplementen (symptoom) versus structurele hervormingen (nomenclatuur, ziekenhuisfinanciering, eerlijke vergoedingen), waarbij de minister belooft eerst de tarieven te herzien (2026-2028) alvorens supplementen aan te pakken—maar artsen voelen zich niet gehoord en vrezen voor wachtlijsten, bureaucratie en kwaliteitsverlies. De sfeer is grimmig, met dreigende stakingen en een diep wantrouwen tussen sector en overheid, terwijl alle partijen claimen dezelfde doelen (betaalbare, kwaliteitsvolle zorg) na te streven. De concertatiekloof en haastige communicatie verergeren de polarisatie, met als inzet wie de regie over de zorg behoudt: de politiek of de beroepsgroep.

Irina De Knop:

"Ik sta perplex van uw vraag. U ziet echt spoken," zo luidde uw antwoord tijdens een vragenuurtje, eind maart, mijnheer de minister. U deed er zelfs een beetje lacherig over. Maar voor mij en ook voor heel veel mensen in de sector was het toen al bittere ernst. Ook toen al was duidelijk dat het pad naar staatsgeneeskunde ingeslagen was. U was formeel: daar was niets van aan. Meer dan 25.000 artsen hadden het absoluut bij het verkeerde eind. Ze zagen spoken. Mijnheer de minister, u gaat met een hele sector in conflict om uw model, dat van socialistische staatsgeneeskunde, door te duwen.

Het is ook schandalig hoe u artsen aanvalt. U focust nu in al uw interventies op de ereloonsupplementen. Dat doet het goed bij uw achterban. Maar u weet zeer goed, mijnheer de minister – u bent intelligent - dat die slechts een symptoom zijn. De echte uitdaging is een hervorming van het ziekenhuislandschap, de financiering en de nomenclatuur. Maar daar begint u niet mee. Daar hebt u het bijna niet over. Volgens collega Bertels is het trouwens allemaal in kannen en kruiken.

Mijnheer de minister, u hebt vandaag een hele sector tegen u. Zou het kunnen dat er echt iets grondig fout is met uw beleid? Of zien we opnieuw spoken?

Kiest u nu echt voor ruzie met een beroepsgroep die niet ruziemaken, maar mensen helpen in zijn DNA heeft? Drijft u het zover dat het tot een staking komt, mijnheer de minister?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je m'exprime aujourd'hui en tant que médecin généraliste mais aussi au nom de nombreux soignants interpellés, comme moi, par votre avant-projet de loi-programme. Ce texte, qui touche au cœur de notre système de santé, suscite autant de questions sur le fond que sur la méthode employée.

Vous le savez, les soins de santé sont une priorité pour les Engagés. Nous avons défendu et obtenu le refinancement, même dans un contexte budgétaire extrêmement tendu, parce que nous croyons qu'une médecine de qualité, accessible à tous est un pilier essentiel de justice sociale.

Oui, nous soutenons le renforcement du conventionnement, la limitation des suppléments, le recours au tiers payant. Oui, nous partageons le besoin de simplification et de meilleure coordination, pour des médecins devant les patients, pas devant leurs écrans.

Mais toute réforme, aussi légitime soit-elle, ne peut être menée sans concertation. Et aujourd'hui, plusieurs organisations représentatives du secteur disent n'avoir pas été consultées avant la communication publique de votre projet. C'est là que le bât blesse.

Si la réforme est nécessaire, elle doit être coconstruite. La politique responsable, c'est écouter ceux qui vivent les réalités du terrain et non décider en huis clos, toutes écoutilles fermées. La politique, ce n'est pas faire la leçon, c'est tirer des leçons.

Monsieur le ministre, nos médecins, nos soignants sont déjà sous tension. Ils veulent être entendus, pas mis devant le fait accompli. Leur implication est une condition sine qua non à la réussite de toute réforme. Sans eux, rien ne tiendra.

Mes questions sont donc simples et essentielles. Allez-vous renforcer la concertation avec les acteurs de terrain afin de garantir une réforme qui réponde à la fois aux besoins des patients et aux réalités quotidiennes du monde médical?

Comment vous engagez-vous à éviter toute dérive vers une uniformisation rigide et une déconnexion des réalités du terrain, que les Engagés refuseront catégoriquement? Nous voulons une réforme juste, construite avec les soignants.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, de ereloonsupplementen waren de voorbije dagen een belangrijk thema. De afbouw ervan staat ook in het regeerakkoord. Er is echter een belangrijke maar. Het is belangrijk dat men, wanneer men een doelwit heeft, onderweg eerst de obstakels wegwerkt. Mijnheer de minister, u kent die obstakels. Het gaat om de manier waarop artsen vandaag worden vergoed, die vaak niet in overeenstemming is met de realiteit, en om de ziekenhuisfinanciering, die helaas niet duurzaam is en zelfs de kwaliteit in het gedrang kan brengen. Voor cd&v is het uiteraard belangrijk dat de betaalbaarheid voor elke patiënt wordt gegarandeerd. Het kan voor ons niet dat een patiënt die honderden euro’s extra kan betalen, voorrang voor een consultatie op een patiënt die dat niet kan, krijgt.

We moeten wel beginnen bij het begin. De dominoblokjes moeten in de juiste volgorde vallen. Er zijn nog heel wat hervormingen waarop de sector en de patiënten wachten. Het is dan ook niet aanvaardbaar dat vandaag een conflict escaleert ten koste van zeer kwetsbare patiënten. Het is niet aanvaardbaar dat patiënten de krant vandaag openslaan en lezen over een mogelijke staking, terwijl ze zich in een van de meest kwetsbare periodes van hun leven bevinden.

Daarom wil ik hier toch beklemtonen, mijnheer de minister, dat het belangrijk is om met respect voor de sector het overleg aan te gaan. Er moet respect zijn voor alle actoren aan tafel: de ziekenhuizen, de zorgverstrekkers en de patiënten, die niet het slachtoffer mogen worden. Ik roep u dan ook op tot overleg en hoop dat u snel tot een akkoord kunt komen. Mijn vraag is dan ook helder: wat heeft het overleg van vanochtend met de artsenorganisaties opgebracht?

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, nous avons souvent mis en avant la performance de notre système de soins. Il est fondé sur l'autonomie professionnelle, la liberté de choix et la responsabilisation de tous les acteurs.

Depuis la publication de votre avant-projet, nous percevons des inquiétudes très fortes quant au sens des réformes proposées et quant à leur compatibilité avec l'accord de gouvernement. Rarement les prestataires de soins ont ressenti un tel sentiment, un tel climat de déconsidération. Vous avez déjà réagi en affirmant que sans réforme, il ne sera pas possible de maintenir des soins de qualité accessibles à tous. Sans doute avez-vous raison, mais encore faut-il alors que ces réformes aillent dans le bon sens.

Ce n'est pas le cas de la suppression du conventionnement partiel, qui aboutirait à réduire le nombre de conventionnés et allongerait les délais pour obtenir un rendez-vous, suite à la suppression de nombreuses consultations. Ce n'est pas le cas non plus de la suppression et de la limitation des primes INAMI aux seuls conventionnés qui transforme ces incitants à la qualité et à l'innovation en vulgaires outils de pression. Ce n'est pas le cas non plus du plafonnement extrême du supplément d'honoraires, qui ne peut s'envisager sans la réforme de la nomenclature, sans la réforme du financement des hôpitaux, à moins de provoquer des difficultés financières majeures pour un très grand nombre d'entre eux. Ce n'est pas le cas non plus d'une mesure visant à lier le financement des organisations professionnelles au nombre de membres conventionnés, mesure qui bafoue l'indépendance des syndicats et qui pousse un libéral à rappeler l'importance du droit syndical à un ministre socialiste. Ce n'est pas non plus le cas lorsqu'on utilise l'indexation des prestations comme moyen de pression.

Les prestataires de soins ont le sentiment d'assister à une dérive autoritaire de la gestion du système de santé et à une difficulté d'établir une réelle concertation.

Monsieur le ministre, comment comptez-vous rétablir un climat de confiance avec les prestataires de soins? Quand allez-vous présenter les réformes indispensables reprises dans l'accord de gouvernement?

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, steeds meer mensen zijn ongerust omdat ze moeilijk een dokter vinden. We horen regelmatig dat men het gevoel heeft dat er hogere prijzen worden gevraagd of dat er minder wordt terugbetaald. Ook de dokters zijn vandaag ongerust, omdat ze vrezen dat de voorstellen die in het voorontwerp van kaderwet staan de leefbaarheid van hun beroep in gevaar zullen brengen en dus ook de zorg voor hun patiënten.

De uitdagingen zijn vandaag inderdaad niet min. We moeten de juiste recepten vinden om onze zorg betaalbaar te houden en daarover moeten we met alle belanghebbenden samen nadenken. Dit voorontwerp van kaderwet zorgt voor veel onrust, ook omdat een aantal maatregelen niet in het regeerakkoord staan. Ik denk bijvoorbeeld aan het beperken van de supplementen voor ambulante zorgen voor wie niet geconventioneerd is. Voor sommige disciplines kan dat grote problemen opleveren, omdat de officiële tarieven niet zijn aangepast aan de werkelijke kosten van de behandelingen. Ook dat is niet ten bate van de patiënten. Ook een aantal andere voorgestelde maatregelen kunnen voor ongewensten effecten zorgen, zoals het verdwijnen van de partiële conventie. We moeten erover waken dat er daardoor geen vlucht van artsen uit de ziekenhuizen ontstaat.

Mijnheer de minister, de ongerustheid bij de artsen is bijzonder groot. Er is zelfs sprake van stakingsbereidheid. Dat is iets wat ik in mijn carrière als zorgverstrekker nog nooit heb meegemaakt. Ik denk echter dat we dezelfde doelstellingen hebben. We willen namelijk een kwaliteitsvolle en duurzame gezondheidszorg. De patiënt is degene waarrond het moet draaien. Ook dokters en andere zorgverstrekkers hebben diezelfde doelstelling, daar ben ik voor 100 % van overtuigd.

Bent u bereid om te luisteren naar hun bezorgdheden? Zult u de constructieve voorstellen die worden geformuleerd door de zorgverleners meenemen?

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, uw zogenaamde hervormingswet zet de medische wereld in rep en roer. U belooft een modernisering van de gezondheidszorg, maar in de praktijk krijgen we iets totaal anders. Het gaat om een door en door centralistisch model waarin u, als hoofdrolspeler, de tarieven, de afspraken en het ritme van de zorgverlening bepaalt, zonder ruimte te laten voor een echte dialoog en zonder regionale autonomie.

Een golf van terechte onrust trekt momenteel door de zorgsector. Het regent open brieven en opiniestukken van bezorgde zorgverleners. Men voelt zich niet gehoord. Men verliest het vertrouwen. Uw hervorming staat voor een afbraak van onze kwaliteitsvolle zorg. Uw hervorming is een machtsgreep. In die zin gaat het inderdaad om een hervorming, maar ze houdt geen verbetering in.

Zorgverleners worden verplicht zich te conformeren aan centrale regels, met sancties als ze daarvan afwijken. Het overlegmodel wordt uitgehold. De vrijheid van conventie wordt gerelativeerd. U kunt bovendien binnenkort het RIZIV-nummer van tegendraadse zorgverleners afnemen. Dat zagen we reeds tijdens de coronacrisis. Wie het overheidsnarratief durfde te betwisten, werd kaltgestellt, gebroodroofd. Hallucinant en vooral dictatoriaal. U doet dat onder het mom van efficiëntie en toegankelijkheid.

We weten evenwel waar dat toe leidt: ellenlange wachtlijsten, burn-outs bij artsen, een bureaucratisch monster dat zorg op maat onmogelijk maakt. Dat zijn geen doembeelden, mijnheer de minister, dat is de realiteit in landen die die weg reeds zijn opgegaan, zoals het Verenigd Koninkrijk, zoals Nederland.

Twee vragen, mijnheer de minister. Wie wordt er beter van deze hervorming? De patiënt op de wachtlijst, de overwerkte zorgverlener of uzelf en uw kabinet, de technocraat in Brussel? Een tweede vraag, die misschien al half is beantwoord, is of dat alles eigenlijk wel doorgesproken is met alle coalitiepartners.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, deze regering moet belangrijke hervormingen doorvoeren op het vlak van werkloosheid, pensioenen, arbeidsmarkt en gezondheidszorg. Die laatste is een sector waarin we ook zeer sterk investeren. Het betreft hervormingen die van iedereen inspanningen vragen. Zoals steeds bij ingrijpende hervormingen ontstaat er veel onrust en zijn er veel vragen. Daarom is zeer goed overleg nodig. Dat zal deze regering moeten organiseren, zowel wat betreft de arbeidsmarkt en de pensioenen als zeker ook de gezondheidszorg.

Het doel is duidelijk, namelijk betaalbare gezondheidszorg en een eerlijke, correcte vergoeding voor zorgverleners, met name artsen. We zijn al bijna drie jaar bezig met de voorbereiding van een fundamentele hervorming en verbetering van de artsenvergoedingen. We gaan de erelonen volledig herbekijken en in evenwicht brengen. Het kan niet dat kinderartsen, jeugdpsychiaters of geriaters systematisch minder goed worden bedeeld dan bijvoorbeeld radiologen of nefrologen.

We treffen daarvoor al drie jaar lang voorbereidingen. We hebben focusgroepen opgericht met talloze artsen en specialisten die daarover aan tafel zitten. Dat proces is lopende. Ik zal ook heel 2026 besteden aan overleg en onderhandelingen over een beter en eerlijk systeem van erelonen.

Collega's, natuurlijk is er iets dat daarmee samenhangt. Als de erelonen, de officiële tarieven, echt het anker en de spil van het systeem moeten zijn, dan moet men het natuurlijk ook eens zijn over de mate waarin daarvan kan worden afgeweken en over de manier waarop daarover wordt onderhandeld. Dat brengt ons bij de vraag naar het conventiemodel en de visie op ereloonsupplementen.

Alles wat het regeerakkoord daarover voorstelt en wat ik hier probeer in uitvoering te brengen, moet volgens het regeerakkoord tegen eind 2025 als wetgeving klaar liggen. Dat proberen we te realiseren. Tegelijkertijd heb ik aan de betrokken artsen gezegd dat de hervorming van het conventiemodel en de ereloonsupplementen iets is dat pas vanaf 2028 van kracht zal worden.

We moeten inderdaad eerst heel veel tijd en energie steken in eerlijke en correcte erelonen, echter op voorwaarde dat we het er op voorhand over eens zijn dat dit het anker van het systeem is. Als men het daar op voorhand niet over eens is, dan weet men eigenlijk niet waarover men overlegt en onderhandelt.

Mevrouw De Knop, u ziet dus inderdaad spoken. Er verandert echt niets aan het zelfstandige karakter van de meeste artsen, niets aan de therapeutische vrijheid, niets aan het besluitvormingsmodel in de Medicomut. Wat daarover verteld wordt, is gewoon onjuist, want daar verandert niets aan. Integendeel, de vrije keuze voor de conventie blijft behouden. Integendeel, ik stel voor dat de geconventioneerde arts meer flexibiliteit en vrijheid krijgt in zijn tarieven en niemand vermeldt dat. Dat is nochtans wat ik voorstel. Daar verandert dus niets aan.

Van staatsgeneeskunde is geen sprake en ik ben daar alleszins hartgrondig tegen, net zoals mevrouw Sneppe. Ik zou meteen een petitie ondertekenen waarin werd vastgesteld dat een minister eigenhandig artsen van de rol kan schrappen. Dat is totaal van de pot gerukt, want dat staat nergens. Ik denk wel dat als een arts bijvoorbeeld ernstig verslaafd is – wat soms gebeurt, net zoals bij andere mensen in de samenleving – en een gevaar vormt voor zijn patiënten, men moet kunnen zeggen dat die arts niet langer mag factureren. Anders blijven patiënten denken dat die arts nog steeds actief is.

Collega's, de overdrijvingen of excessen inzake supplementen bij een kleine minderheid moeten eruit. Men krijgt het niet uitgelegd dat een bevalling in het ene ziekenhuis 700 euro aan ereloonsupplementen betekent en in een ander ziekenhuis 2.200 euro. Men kan evenmin uitleggen dat een appendicitis in het ene ziekenhuis 450 euro aan ereloonsupplementen kost en in een ander ziekenhuis 2.500 of 3.500 euro. Daar moeten we afspraken over maken, met de bedoeling goede en betaalbare zorg te garanderen.

Par ailleurs, la concertation est organisée. Je l’ai initiée de manière informelle en avril. L’architecture de cette proposition, certes sans les détails et les chiffres, a été présentée à tous les acteurs à ce moment-là.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. We hebben afgesproken dat we de spreektijden vandaag strikt respecteren.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, volgens u zie ik spoken. Welnu, ik meen dat u liegt. Als u verklaart dat de vrijheid van artsen niet aan banden wordt gelegd met uw nieuwe kaderwet, dan liegt u.

U hervormt niet; u zoekt ruzie. U bouwt geen bruggen; u blaast ze op. U luistert niet; u duwt uw visie gewoon door. En dan zouden wij, in de oppositie, spoken zien? Uw collega's van de arizonapartijen zien in dat geval ook spoken. Ik heb namelijk heel goed geluisterd naar wat zij u hier hebben gevraagd.

Het is inderdaad juist dat dringend werk moet worden gemaakt van een correcte vergoeding. Begin daar dan mee! Daar wachten we net op. We wachten op een hervorming van de lonen, niet op wat hier nu gebeurt.

Dat de N-VA meewerkt aan die staatsgeneeskunde die wij nu (…)

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos explications, même si elles ont été écourtées.

Je ne reviendrai pas sur le fond de votre avant-projet, parce qu'il me faudrait au moins 30 ou 40 minutes et que M. le président n'est pas prêt à me les accorder. Cela dit, je tiens absolument à insister sur la forme. Les acteurs de terrain demandent à être consultés. J'ai entendu que vous parliez du mois d'avril. En tout cas, il m'est revenu que certains syndicats n'avaient pas été informés avant le 3 juin. Cela met quelque peu le feu aux poudres. Il faut absolument consulter le secteur, car cette réforme l'inquiète véritablement.

Ce qui est en jeu, monsieur le ministre, ce n'est pas simplement une réforme budgétaire ou administrative, mais une nouvelle vision de la médecine – sur laquelle je suis prêt à travailler avec vous, parce qu'il est vrai qu'il faut voir les choses différemment. Oui, cette réforme est nécessaire, mais elle ne doit pas être pragmatique; elle doit être respectueuse et tenir compte des acteurs du terrain.

Monsieur le ministre, vous pouvez compter sur moi et Les Engagés, mais les médecins et les soignants le peuvent également pour que nous servions de relais déterminé s'ils sont mis de côté.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, afgaande op uw antwoord lijkt het enigszins op een gecreëerd conflict. Daarnet, tijdens mijn vraagstelling, heb ik gezegd dat het belangrijk is om de dominostenen op de juiste manier te laten vallen. In uw antwoord hoor ik nu dat dat inderdaad de wijze is waarop u te werk wilt gaan.

Het is dan wel zonde en jammer dat er in de pers werd geschreeuwd, geroepen en getierd dat de ereloonsupplementen zouden worden beperkt, zonder te spreken over de broodnodige hervormingen die daaraan moeten voorafgaan. Het is zonde dat de zorgsector vandaag in chaos verkeert. Het is zonde dat patiënten vandaag met heel wat angst zitten.

Mijnheer de minister, ik hoop oprecht dat u dat rechtzet en dat u het afgesproken tempo aanhoudt: eerst de duurzame hervormingen, daarna verdergaan.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, (…) pas contre tout ce qui est repris dans l'accord de l'Arizona. Mais ce n'est pas exactement ce qui se trouve dans votre projet. Et cela, pour nous, n'est pas acceptable. Démolir le conventionnement partiel serait une grave erreur pour l'organisation des soins. Limiter les suppléments à des taux que vous fixez dès maintenant, en dehors de la réforme de la nomenclature, en dehors de la réforme du financement des hôpitaux, ne repose sur aucun fondement! Voilà ce que nous regrettons.

Nous assistons aujourd'hui à un découragement et à un désengagement des professions de santé, à un moment où on doit augmenter l'attractivité de ces professions. Et c'est un grave problème. Il faut absolument que l'on rétablisse une collaboration correcte avec le corps médical et que l'on évite des dérives bureaucratiques et coercitives.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het is niet goed als er een tweespalt tussen burgers en zorgverstrekkers ontstaat. Er moet vertrouwen zijn, ook ten aanzien van de regering. We willen geen staking. U wilt geen staking, ik wil geen staking; patiënten willen geen staking en eigenlijk willen de zorgverstrekkers dat zelf ook niet. We kunnen er alleen samen uitkomen en dat is echt in het belang van onze patiënten.

Mijnheer de minister, natuurlijk moet misbruik eruit, moet verspilling eruit, maar we mogen het kind niet met het badwater weggooien. Ik ben ervan overtuigd dat u ook de zorg op een juiste manier op de rails wilt zetten, waarbij we behouden wat vandaag bewezen heeft goed te werken, zoals de vrijheid van het beroep van de zorgverstrekker.

Er zal nog heel wat overleg nodig zijn over de gevolgen van de hervorming op het terrein. Ik wil ook aandringen om dat in de juiste volgorde af te werken. Ik vraag u om intensief overleg met de zorgsector te voeren. De N-VA zal haar werk doen in het overleg tussen de kabinetten. We hopen van harte dat dit op een heel constructieve (…)

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ze liegen, geen staatsgeneeskunde, het zijn misverstanden, angsten, ingegeven door desinformatie. Wat roept u nog meer in? Met alle respect, het wantrouwen komt niet van een of andere obscure groep op sociale media, maar komt van het terrein zelf, van artsen, verpleegkundigen, specialisten, patiëntenverenigingen. Zij voelen wat u blijkbaar niet ziet of niet wilt zien: de patiënt wordt van die hervormingen de dupe. De patiënt verdient een zorgverlener die tijd mag nemen, die mag nadenken, die vrij mag handelen om zorg op maat te bieden. De zorgverlener verdient vertrouwen van de patiënt, maar zeker ook van u, van de overheid. Deze regering maakt van artsen bureaucraten en van patiënten nummers. Onze patiënten verliezen. Onze zorgverleners verliezen. Vlaanderen betaalt. Stop deze waanzin.

De toenemende drugscriminaliteit in Antwerpen
Het Europees drugsrapport 2025
Drugsproblematiek en criminaliteit in Europese steden

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Antwerpse magistratuur slaakt een noodkreet over de escalerende drugscriminaliteit en structurele onderbemanning bij Justitie, met recordaantallen drugszaken (1.700 in Antwerpen), geweld door georganiseerde netwerken en dramatische gevolgen voor kwetsbare groepen (kinderen, verslaafden). Minister Verlinden erkent de crisis en wijst op logistieke barrières (havens, luchthavens), technologische inzet (drones, AI) en multidisciplinaire veiligheidsplannen (bv. Stroomplan Antwerpen), maar benadrukt dat een holistische aanpak (samenwerking met gemeenschappen, precursorencontrole, follow-the-money) essentieel is—zonder concrete toezeggingen voor het gevraagde "Pact voor Justitie" (meer personeel, structurele middelen) of Staten-Generaal. Kritiek blijft dat praten en taskforces onvoldoende zijn zonder directe actie en financiële garanties, terwijl het EU-drugsrapport bevestigt dat België een knooppunt is voor synthetische drugs door zijn strategische ligging en zwakke handhaving.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de magistraten hebben vorige week opnieuw aan de alarmbel getrokken. In de Antwerpse haven luidden op donderdag 5 juni de hoven en rechtbanken van Antwerpen en Limburg symbolisch de noodklok, niet toevallig om vijf voor twaalf. Met deze actie vragen ze dringende aandacht voor de toenemende drugscriminaliteit en het nijpende tekort aan middelen binnen Justitie om die aan te pakken. De georganiseerde misdaad woekert als een schaduwnetwerk door de samenleving met toenemend geweld, overvolle dossiers en een structureel personeelstekort.

Justitie kan de strijd tegen drugs onder de huidige omstandigheden onmogelijk winnen. Er zijn dringend meer personeelsleden en middelen nodig om de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit verder te kunnen voeren. De magistraten klagen over de vele drugsdossiers die ze sinds enkele jaren te verwerken krijgen. Zo behandelde de Antwerpse correctionele rechtbank vorig jaar 1.700 drugszaken, veruit het hoogste aantal in het land. Het aantal beklaagden steeg tot 7.400.

De Antwerpse procureur was bijzonder duidelijk, op vijf maanden tijd werden bij de federale gerechtelijke politie meer dan 60 feiten van ernstig drugsgerelateerd geweld geregistreerd. Het gaat daarbij niet om conflicten tussen gebruikers en drugsbendes onderling, maar om internationale handel en grote, georganiseerde criminele netwerken. De uitwassen van deze problematiek zijn overal voelbaar, niet alleen op het niveau van de georganiseerde misdaad, maar ook op het niveau van de gebruikers. Daarvoor moet u toch ook aandacht hebben, mevrouw de minister.

Ook de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen was scherp in haar kritiek. De Antwerpse cijfers voor jongeren onder toezicht zijn dramatisch gestegen, van 400 naar 500 jongeren per jeugdrechter op korte tijd. De impact van de georganiseerde criminaliteit is duidelijk zichtbaar. We zien minderjarige feitenplegers, uithalers van dertien jaar bijvoorbeeld, maar nog veel meer verontrustende opvoedingssituaties: jonge baby’s die onmiddellijk van hun moeder worden weggehaald omdat ze heroïneverslaafd is, kinderen van zes jaar die de ambulance bellen omdat hun moeder niet meer wakker blijkt te worden. We zien peuters op de spoeddienst verschijnen met vergiftigingsverschijnselen omdat ze wiet, die op tafel lag, in hun mond hebben gestopt. Dat zijn slechts enkele voorbeelden die de voorzitter gaf.

De procureur-generaal was snoeihard in zijn kritiek en liet weten dat ze aan het einde van hun krachten zijn. Ze werken namelijk met middelen die voor een groot deel bepaald werden in 1953 en bijgevolg niet voorzien zijn op de complexiteit van de criminaliteit van vandaag.

Mevrouw de minister, ik zal u niet moeten overtuigen van het gegeven dat de georganiseerde misdaad onze maatschappij ontwricht. De drugscriminaliteit is in onze samenleving geïnfiltreerd en de magistratuur heeft veel te weinig middelen om die misdaad te bestrijden. Daarom is een globale aanpak nodig. De procureur-generaal is duidelijk: “De georganiseerd criminaliteit vereist een bredere maatschappelijke aanpak. Dit is geen strijd die Justitie alleen kan voeren. Bij deze oefening is de hele samenleving betrokken, zeker als we kijken naar problemen die uit drugsgebruik voorvloeien. Denk ook aan een samenwerking met private partners, om bijvoorbeeld de georganiseerde misdaad in de haven tegen te gaan.”

Wat is uw antwoord op die niet mis te verstane noodkreet van de rechtbanken en parketten van Antwerpen en Limburg? De war on drugs wint aan belang. Het is onaanvaardbaar dat georganiseerde misdaad de samenleving kan blijven ontwrichten. Wat zult u op zeer korte termijn doen om hierop een antwoord te bieden?

De magistraten pleiten voor een pact voor Justitie met onder andere meer personeel, benoemingen op basis van de objectieve werklast, een coherent hr-beleid en structurele investeringen. Wat zult u doen aan de terechte vraag naar dat pact voor Justitie? Welke initiatieven zult u nemen om een bredere maatschappelijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit tot stand te brengen. Hebt u ter zake overleg gehad met de gemeenschappen die hierin een zeer belangrijke verantwoordelijkheid hebben? Is het ook niet de hoogste tijd om een Staten-Generaal met alle betrokken actoren te organiseren om op korte termijn een concreet plan van aanpak uit te werken, uiteraard gekoppeld aan de nodige financiële middelen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, mijn vraag is gekoppeld aan de voorgaande, maar ze gaat meer specifiek over het Europese Drugsrapport, dat onlangs verschenen is. Ik zou normaal gezien verwijzen naar mijn schriftelijk ingediende vraag, maar mevrouw Dillen heeft dat onderwerp niet echt aangekaart, dus ik zal mijn vraag, voor de collega's, kort en mondeling stellen. Ik heb geen vijf minuten nodig.

Het is een open deur intrappen te zeggen dat drugs een echte plaag zijn, mevrouw de minister, maar als we kijken naar het Drugsrapport 2025 van het Drugsagentschap van de Europese Unie, zien we toch een heel zorgwekkend beeld van het probleem in Europa en heel concreet, van het drugsprobleem in ons land.

In steden als Antwerpen en Brussel zien we een toename van het gebruik van synthetische drugs als meta-amfetamine, MDMA en amfetaminespeed. Die zijn heel populair. Dat waren ze al, maar ze zijn nog populairder geworden in het uitgangsleven. Het ziet ernaar uit dat cocaïnegebruik ook helemaal niet afneemt.

Als we het Drugsagentschap moeten geloven, wordt de Europese markt vandaag vooral van synthetische drugs voorzien door illegale labo's in Nederland, maar ook in België. De logistiek speelt daarbij natuurlijk een grote rol, mevrouw de minister. België is centraal gelegen, heeft een fijn vertakt wegennetwerk en heeft goede toegang tot havens als die van Antwerpen en Rotterdam. Ik vertel u geen geheimen, meen ik.

Een ander gevolg daarvan en dat heeft mevrouw Dillen wel aangekaart, is dat de drugscriminaliteit meer en meer infiltreert in de samenleving. Het is niet voor niets dat de magistratuur op dat punt aan de alarmbel trekt en meer mensen en middelen vraagt. Vandaar mijn vragen, mevrouw de minister.

Graag verneem ik hoe u de cijfers evalueert die recentelijk gepubliceerd zijn door het Drugsagentschap van de Europese Unie, in het bijzonder in het licht van de situatie in België en meer bepaald in steden als Antwerpen en Brussel?

Welke concrete maatregelen zijn reeds genomen, of worden op korte termijn gepland, om de productie en het gebruik van synthetische drugs en de nieuwe psychoactieve stoffen in te dijken?

Ik weet dat u nog niet zolang bezig bent, maar het is belangrijk dat de strijd niet stilvalt. Hoever staat u met de nultolerantie ten aanzien van drugshandel en met de meer kordate aanpak van drugsgebruikers? De zomer komt eraan. De festivals zijn bezig. Het is belangrijk dat daar controles plaatsvinden.

Beschikt u al over cijfers van de parketten, mevrouw de minister?

Hoe vermijden we dat dit vergif in ons land geproduceerd wordt?

In welke mate worden drones en andere technologie ingezet om drugslabo’s, met name in het grensgebied met Nederland, op te sporen?

Ook niet onbelangrijk is de volgende vraag. Het regeerakkoord voorziet ter zake in een taak voor onze drugscommissaris. Werden door de drugscommissaris al multidisciplinaire vergaderingen georganiseerd om de samenwerking tussen de ondersteunende departementen en de diensten van het repressieve luik te faciliteren? Indien ja, wat was het resultaat?

Annelies Verlinden:

Collega’s, ik dank u voor uw vragen en voor de interpellatie over een heel belangrijk thema.

De cijfers en vaststellingen van het Drugsagentschap van de Europese Unie, EUDA, bevestigen de trend van een wereldwijde toename in het synthetiseren van drugs. Daarbij is het belangrijk vast te stellen dat de productie van cocaïne in Colombia de voorbije jaren is verdubbeld. Colombia blijft met voorsprong het belangrijkste productieland. De cijfers van het Drugsagentschap van de Europese Unie moeten echter in de juiste context worden gelezen en vereisen duiding om tot een correcte interpretatie te komen.

Ons land komt in het rapport na Nederland inderdaad in beeld als productieland van de meest gebruikte synthetische drugs. De onmiddellijke nabijheid van Nederland is daarbij een belangrijke factor. Er is immers sprake van een verplaatsingseffect. Het is dus niet onlogisch dat in dat geval eerst de buurlanden van Nederland in beeld komen.

Ook de afvalwateranalyse vraagt om toelichting voor een correcte interpretatie. Voor steden als Antwerpen en Brussel kan inderdaad met zekerheid worden vastgesteld dat bepaalde drugs aanwezig zijn in het afvalwater. Die bevinding zegt echter niets over het aantal gebruikers of over de eventuele evoluties ter zake. Dat geldt eveneens voor de frequentie van het drugsgebruik en de zuiverheid van de producten.

Het rapport van het EUDA voorziet bijvoorbeeld niet in een doorgedreven analyse van verschillen in zuiverheid tussen de verschillende landen. Daarom is het belangrijk de resultaten te combineren met andere onderzoeksresultaten. Dat kan gaan om bevragingen van gebruikers of gedragsmetingen, teneinde het beeld op die manier te kunnen vervolledigen.

Antwerpen en Brussel zijn bovendien grootsteden die jaarlijks ontelbare mensen aantrekken voor zaken en toerisme. Ook dat geeft een vertekend beeld. Een recente studie van het rioolwater in tal van Vlaamse steden over het gebruik van ketamine, geeft aan dat dit probleem zich niet alleen manifesteert in Antwerpen en Brussel, maar ook in andere steden in ons land. De vlotte beschikbaarheid van synthetische drugs is een belangrijke factor in de toename van het gebruik ervan. Momenteel is er zelfs sprake van een overaanbod van verdovende middelen op de Belgische markt, met historisch lage prijzen tot gevolg.

Daarom zetten we in op de barrières die moeten worden opgeworpen in de logistieke keten. Als we het criminele organisaties logistiek moeilijk maken om hun drugs aan de man en vrouw te brengen, hebben we meteen ook een positieve impact op het drugsgebruik. Dat doen we door in elke logistieke hub een multidisciplinair veiligheidsplan op maat uit te rollen. De middelen uit het zogenoemde drugsfonds worden hiervoor actief en zeer gericht ingezet. Het gaat om het Stroomplan in Antwerpen, het veiligheidsplan van North Sea Port in Oost-Vlaanderen, het luchthavenplan in Zaventem, het veiligheidsplan voor de haven- en cargoluchthaven van Luik en het veiligheidsplan van Port of Limburg, om er maar enkele te noemen. In de haven van Antwerpen werpt het barrièremodel van het Stroomplan vruchten af.

We zien dat criminele organisaties steeds vaker een beroep doen op zeer jonge, kwetsbare uithalers om het risicovolle werk te doen, gelet op de veel hogere pakkans in de haven. Ook stellen we vast dat er meer en meer chemische procedures worden toegepast om drugs in bijvoorbeeld jeansstof of bouwmaterialen te verwerken, met de bedoeling deze zo onopgemerkt op het Europese vasteland te krijgen. De drugscriminelen zijn en blijven vindingrijk en gaan steeds op zoek naar de weg van de minste weerstand. Die tendensen worden door de vele verschillende betrokken diensten nauwgezet opgevolgd.

Het rapport van EUDA vestigt ook de aandacht op de rol van China. Wanneer daar meer controles worden uitgevoerd op de export van bepaalde chemicaliën, zien we een impact op de productie van bepaalde synthetische drugs in Europa. België beschikt over een belangrijke petrochemische en farmaceutische industrie, met legale toepassingen van ingevoerde precursoren. Daarom zijn we ook hier alert voor de ongewenste negatieve effecten van verstrengde controles op chemische grondstoffen uit China. Om die reden blijven we het illegaal gebruik van ingevoerde precursoren op zowel de Europese als de mondiale agenda plaatsen.

Er wordt ook ingezet op het traceren van chemicaliën. Het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie tracht, met steun van het Drugsfonds, de oorsprong van inbeslaggenomen drugs in kaart te brengen om zo gezondheidsrisico’s in te dijken en belangrijke verbanden te leggen tussen inbeslagnames, productieplaatsen, laboratoria en het dumpen van afvalproducten.

Mevrouw Dillen, met betrekking tot uw vraag over de inzet van technologie kan ik u meegeven dat de federale politie in 2021 deelnam aan het project NarcoView. Dit is een Europees project, geïnitieerd door Nederland, met als doel een platform te ontwikkelen voor de grensoverschrijdende detectie en analyse van drugproductiesites en drugafvaldumpingen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van satellietdata, artificiële intelligentie, remote sensing en drones. Het project heeft nog niet het verhoopte resultaat opgeleverd. Er werd vastgesteld dat er nog heel wat technische euvels zijn en dat criminelen ook van antidetectietechnieken gebruikmaken.

Wat de acties vanuit de rechterlijke orde betreft, nam ik de voorbije weken kennis van de bezorgdheden van verschillende magistraten en leden van het gerechtspersoneel over de hoge werkdruk, de infrastructuur, de ondersteuning en de arbeidsvoorwaarden. Ik heb die signalen vanaf mijn aantreden gehoord en vanaf dag een ernstig genomen. Daarom zijn we met de vertegenwoordigers in overleg gegaan. We hebben de beslissing genomen om thematische taskforces op te richten, om zo tot gedragen en haalbare voorstellen te komen. De thema’s daarbij zijn gebouwen, veiligheid, mensen en middelen en de aantrekkelijkheid van het beroep. Dit wordt verder toegelicht in eerder door mij beantwoorde vragen en komt ook vandaag in het antwoord op een aantal vragen aan bod.

We hanteren dus wel degelijk een holistische benadering. Er is tevens opvolging van het Drugscommissariaat. Er wordt ook gewerkt aan plannen om de follow the value-aanpak te volgen, zodat we de verdienmodellen van de criminelen daadwerkelijk kunnen breken.

Marijke Dillen:

Dank u voor uw uitgebreide antwoord, mevrouw de minister. Het zou niet correct zijn om te beweren dat er in het verleden nog niets is gebeurd of dat er tijdens deze legislatuur nog geen initiatieven zijn genomen.

U kent mijn standpunt over de taskforce, ik heb dat vorige week uitvoerig toegelicht in de plenaire vergadering, maar ik blijf er vragen bij hebben. Veel van die problemen zijn immers al lang bekend. In de plaats van jaren te studeren, zou het beter zijn om kordaat op het terrein aan de slag te gaan.

Mevrouw de minister, ik heb geen antwoord gekregen op de uitdrukkelijke vraag van de magistraten naar een pact voor Justitie, dat zij zelf zeer belangrijk vinden. Evenmin kreeg ik een antwoord op mijn vraag in verband met de staten-generaal. In het kader van de volledige aanpak van de drugscriminaliteit rust er immers niet alleen op u en uw collega van Binnenlandse Zaken, maar ook op de gemeenschappen een zeer belangrijke verantwoordelijkheid. Ik verwijs nogmaals naar de uitspraken van mevrouw de voorzitster van de rechtbank van eerste aanleg, in het kader van vaststellingen die almaar vaker gebeuren in de jeugdrechtbank – vaststellingen die overigens bijzonder dramatisch zijn.

Mevrouw de minister, ik vernam niets over de aanpak van gebruikers. U stelt – en het is een feit dat we regelmatig in de media lezen – dat er een overaanbod is en dat de prijs keldert. Toch worden de drugsbendes steeds agressiever. Uit de alarmkreet van de magistraten afgelopen donderdag blijkt dat het aantal drugsbendes zo sterk is toegenomen, dat de georganiseerde criminaliteit niet langer onder controle te houden is. Daarin dragen de gebruikers een zeer grote verantwoordelijkheid, want zij houden de drugscriminaliteit mee in stand. Er is dus nog heel wat werk aan de winkel. Hopelijk bent u bereid om na te denken over het organiseren van die Staten-Generaal.

Mijnheer de voorzitter, tot slot heb ik een motie.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Het is een zeer belangrijke problematiek, die absoluut prioriteit verdient in het beleid dat u verder zult uitwerken.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende dat de drugscriminaliteit in Antwerpen maar blijft toenemen; - overwegende dat zowel de magistratuur als het Parket voor een zoveelste keer het tekort aan middelen om deze vorm van criminaliteit te kunnen bestrijden, hebben aangekaart; - overwegende dat er bovendien op wordt gewezen dat een deel van de beschikbare middelen niet voorzien is voor de complexiteit van de criminaliteit zoals die vandaag is; - overwegende dat er door de tijd heen vooral veel aankondigingen zijn gedaan teneinde aan deze situatie het hoofd te bieden; - overwegende dat het meer dan tijd wordt dat de aankondigen ook worden gekoppeld aan daden en er tegemoetgekomen wordt aan de terechte verzuchtingen van onder meer de magistratuur en het parket; vraagt de regering - op korte termijn concrete initiatieven te nemen teneinde ervoor te zorgen dat de georganiseerde misdaad de samenleving niet langer kan blijven ontwrichten; - werk te maken, zoals door de magistraten verzocht, van een 'pact voor Justitie', met onder andere meer personeel, benoemingen op basis van objectieve werklast, een coherent HR-beleid en structurele investeringen; - de nodige initiatieven te nemen om, in samenspraak met de gemeenschappen, een bredere maatschappelijke aanpak van de georganiseerde criminaliteit tot stand te brengen en hiervoor de nodige financiering te voorzien. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant que le phénomène de la criminalité liée à la drogue ne fait que croître à Anvers; - considérant que tant la magistrature que le parquet ont, pour la énième fois, indiqué qu'ils manquaient de moyens pour s'attaquer à cette forme de criminalité; - considérant, par ailleurs, qu'il est relevé qu'une partie des moyens disponibles n'ont pas été prévus pour faire face à la complexité de la criminalité actuelle; - considérant qu'au fil du temps, les initiatives visant à faire face à cette situation ont surtout consisté en un grand nombre d'annonces; - considérant qu'il est plus que temps que les annonces soient suivies d'actes et que des réponses soient apportées face aux attentes légitimes exprimées notamment par la magistrature et le parquet; demande au gouvernement - de prendre des initiatives concrètes, à court terme, pour éviter que le crime organisé puisse continuer à déstabiliser la société; - d'élaborer, comme le demandent les magistrats, un "pacte pour la Justice" prévoyant notamment davantage d'effectifs, des nominations fondées sur la charge de travail objective, une politique de RH cohérente et des investissements structurels; - de prendre les initiatives nécessaires, en concertation avec les communautés, pour mettre en place une stratégie sociétale plus globale face au crime organisé et de prévoir le financement nécessaire à cet effet. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Leentje Grillaert. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Leentje Grillaert . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De inbreuken op het dierenwelzijn naar aanleiding van het islamitische Offerfeest

Gesteld door

lijst: N-VA Sophie De Wit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sophie De Wit kaart illegale thuisslachtingen en dierenmishandeling tijdens het islamitisch Offerfeest in Brussel aan, met name levende schapen in autostoeten bestemd voor onverdoofde slachting, ondanks bestaande verboden en regelgeving. Ze vraagt minister Verlinden om concrete cijfers, betere handhaving en strengere prioritering van dierenwelzijn in het vervolgingsbeleid. Verlinden bevestigt dat dierenwelzijn strafrechtelijk prioriteit heeft via bestaande omzendbrieven (COL 4/2019 en COL 9/2023) en belooft verdere versterking via samenwerking met gewesten, actualisering van richtlijnen en opname in de Kadernota Integrale Veiligheid, maar concrete maatregelen moeten nog worden uitgewerkt. De minister wijst erop dat recente cijfers ontbreken en verwijst De Wit naar een schriftelijke aanvraag, terwijl ze benadrukt dat federale en regionale samenwerking cruciaal is voor effectievere handhaving. De Wit sluit af met de dringende oproep om vervolging van dierenmishandeling te verscherpen, erkent justitiële uitdagingen maar blijft aandringen op actie.

Sophie De Wit:

Mevrouw Schlitz, sta me toe om nog kort te reageren, zonder een persoonlijk feit in te roepen. Wat in Lantin gebeurd is, vinden wij natuurlijk heel erg; dat staat buiten kijf. Ik zou niet graag hebben dat er een ander idee ontstaat. Over het islamitisch Offerfeest, het onderwerp van mijn mondelinge vraag, zullen door Ecolo vermoedelijk geen vragen worden gesteld, maar met zulke opmerkingen blijven we de bal heen en weer spelen.

Mevrouw de minister, heel recent is het islamitisch Offerfeest gevierd en in onze hoofdstad zijn opnieuw verschillende gevallen van dierenmishandeling vastgesteld. Zo zijn er in een luidruchtige autostoet twee levende schapen in beslag genomen. Vermoedelijk waren die bestemd voor het vreselijk lot van een illegale thuisslachting via een meststeek in de nek. Dergelijke praktijken zijn in strijd met zowel de Europese als de regionale regelgeving, die vereisen dat religieuze slachtingen plaatsvinden in erkende slachthuizen en met de nodige verdoving.

In Brussel is onverdoofd slachten helaas nog steeds mogelijk in het slachthuis van Anderlecht, maar thuisslachting is er wel verboden. We kunnen slechts vermoeden waarnaar die schapen onderweg waren. Ondanks de duidelijke regelgeving vinden er jaarlijks, met name tijdens het Offerfeest, talrijke inbreuken op het dierenwelzijn plaats, wat ook blijkt uit eerdere incidenten waarbij tientallen schapen in beslag werden genomen.

Dierenwelzijn is voor veel burgers nochtans een prioriteit in onze samenleving. Barbaarse praktijken zoals onverdoofde thuisslachting kunnen we gewoonweg niet meer tolereren.

Mevrouw de minister, hoeveel inbreuken werden er tijdens het voorbije Offerfeest vastgesteld, welke inbreuken en in welke arrondissementen?

Hebt u in de aanloop naar het Offerfeest overlegd met de gewesten en de politiezones, met name om hen op te roepen om streng toe te zien op de naleving van het dierenwelzijn tijdens die gevoelige periode? Zo nee, waarom niet?

Hoe wilt u aan dierenmishandeling een hogere prioriteit geven in het vervolgingsbeleid en de gerechtelijke macht bewuster maken van de effectiviteit van gepaste sancties?

Annelies Verlinden:

Mevrouw De Wit, wat betreft de gedetailleerde statistische gegevens verzoek ik u om die schriftelijk op te vragen, zodat wij u die schriftelijk kunnen bezorgen. De meest recent beschikbare politiële criminaliteitsstatistieken reiken tot de eerste drie trimesters van 2024. De criminaliteitsstatistieken van de voorbije weken of maanden, in casu het meest recente Offerfeest, zijn momenteel nog niet beschikbaar.

Wat betreft handhaving en vervolging, worden al inspanningen geleverd om elke vorm van dierenmishandeling te vervolgen en te bestraffen. Zo kan worden verwezen naar de gemeenschappelijke omzendbrief COL 4/2019 van de minister van Justitie, het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de Vlaamse minister-president, bevoegd voor Justitie. In die omzendbrief werden de strafrechtelijke prioriteiten vastgesteld die op grond van de Vlaamse regelgeving gesanctioneerd kunnen worden. Dierenwelzijn is in die omzendbrief opgenomen als een van de feiten die op basis van de Vlaamse dierenwelzijnsregelgeving strafrechtelijk vervolgd en bestraft kunnen worden. Daarnaast wijs ik ook op de gemeenschappelijke omzendbrief COL 9/2023 van de minister van Justitie, het College van procureurs-generaal en de voor Justitie bevoegde Waalse minister-president, waarin de prioriteiten inzake het strafrechtelijk beleid betreffende leefmilieu en dierenwelzijn op grond van de Waalse regelgeving werden opgenomen.

Zoals bepaald in het regeerakkoord, zal de federale regering verdere inspanningen leveren om op het vlak van handhaving en vervolging van inbreuken tegen dierenwelzijn het regionaal beleid ter zake te versterken. Daarbij zal onder meer op vraag van de regionale overheden worden nagegaan hoe aan dierenmishandeling een hogere prioriteit in het vervolgingsbeleid kan worden toegekend. Dat kan bijvoorbeeld worden geconcretiseerd via de evaluatie en actualisering van voormelde omzendbrieven, maar die piste moet nog in detail worden bestudeerd voordat ik daar uitspraken over kan doen.

Daarnaast zal ook in overleg met de regionale overheden worden bekeken hoe het thema dierenwelzijn kan worden opgenomen in de nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid. Ook zullen vanuit de federale regering de nodige inspanningen worden geleverd om de samenwerking tussen de verschillende bevoegde federale en regionale diensten verder te bevorderen.

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik zal de cijfers opvragen. Het is inderdaad belangrijk om de vervolging van inbreuken tegen regionale regelgeving te versterken. Ik weet dat Justitie veel uitdagingen kent en dat is er een van.

De zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De wettelijke verankering van Zorgcentra na Seksueel Geweld (ZSG) is een stap vooruit, maar de financieringsoverdracht naar het RIZIV (via een nog op te maken KB) en de tijdige uitrol blijven kritieke knelpunten. Minister Verlinden (Justitie) bevestigt dat Justitie inhoudelijk betrokken blijft via overleg met het IGVM en andere departementen, maar wijst financiële en timingvragen door naar minister Vandenbroucke (Volksgezondheid). Van Tigchelt benadrukt dat de financiering (mogelijk pas in augustus 2025/januari 2026) gegarandeerd moet zijn om de landelijke werking van de ZSG’s te verzekeren. Justitie’s rol beperkt zich tot juridische facilitatie, niet tot budgettaire verantwoordelijkheid.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik verwijs voor de efficiëntie naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Met de wet betreffende de Zorgcentra na Seksueel Geweld werden de ZSG's wettelijk verankerd. Dat is een belangrijke stap in de structurele ondersteuning van slachtoffers van seksueel geweld. Maar de uitvoering laat op cruciale punten nog vragen open.

Artikel 47 van de wet bepaalt dat de financiering van de ZSG's voortaan zal verlopen via het RIZIV, en dat de verdere procedure en voorwaarden vastgelegd worden bij koninklijk besluit, na overleg in de Ministerraad.

Daarom mijn vragen aan u:

Vanaf wanneer is voorzien dat het RIZIV de financiering overneemt? Wanneer ten laatste moet dit KB er zijn?

Wordt het KB momenteel voorbereid, en zo ja, wat is de stand van zaken? Is Justitie actief betrokken bij de onderhandelingen over dit KB? Indien niet, waarom niet?

Zal de voorziene RIZIV-financiering voldoende zijn om de uitrol en werking van de ZSG's over het hele land effectief te garanderen? Over hoeveel middelen spreken we?

In uw beleidsnota stelt u dat ook slachtoffers van niet-acuut of online seksueel geweld de nodige zorg moeten krijgen, al dan niet in een koppeling met de ZSG's, en dat hiervoor overleg wordt gepleegd met de gefedereerde entiteiten.

Hoe garandeert u dat Justitie, ondanks de overdracht van de structurele financiering aan het RIZIV, ook inhoudelijk betrokken blijft bij deze verbreding van het zorgaanbod en de uitbouw van de ZSG's?

Annelies Verlinden:

Collega’s, ik beaam dat de wet van 26 april 2024 een belangrijke rol speelt in de verdere uitrol van de zorgcentra na seksueel geweld over het hele land. Als minister van Justitie kan ik enkel de cruciale rol van die zorgcentra en de multidisciplinaire samenwerking van alle betrokken actoren bevestigen en onderstrepen.

De parketten doen al het mogelijke om constructief samen te werken. Volgens artikel 8 van de wet bevordert en faciliteert de procureur des Konings onder de in de voornoemde wet omschreven voorwaarden de werking van het zorgcentrum. Dat betekent echter niet dat Justitie bevoegd is voor de financiering van de zorgcentra.

De eerste drie vragen legt u dus best voor aan mijn collega van Volksgezondheid, minister Vandenbroucke. Zijn departement stelt onder zijn bevoegdheid het koninklijk besluit over de financiering van de zorgcentra bij het RIZIV op en is verantwoordelijk voor de timing. Dat heeft geen effect op de werking van Justitie in het zorgcentrum.

Inzake de laatste vraag kan ik u wel geruststellen. Justitie werkt beleidsmatig samen met andere departementen en bevoegdheidsniveaus met als doel het zorgcentraproject verder uit te dragen, te verfijnen en uit te rollen. Wij zijn vertegenwoordigd in en nemen actief deel aan de verschillende overlegfora die specifiek voor de zorgcentra worden gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, dat onder de bevoegdheid valt van de minister van Gelijke Kansen, de heer Beenders.

Paul Van Tigchelt:

Mevrouw de minister, ik zal de vraag zeker stellen aan de minister van Volksgezondheid. Naar verluidt wordt als datum voor het KB over de financiering van de zorgcentra via het RIZIV 1 augustus 2025 of 1 januari 2026 vooropgesteld. Het belangrijkste is uiteraard dat de financiering gegarandeerd is.

De zorgwekkende staat van de gevangenissen in Waals-Brabant

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De kamerleden wijzen op alarmerende problemen in de gevangenissen van Ittre (drugs, onderbezetting, onveiligheid door celdeling) en Nivelles (overbevolking, afwezigheid bewakers, "vuilnisbakgevangenis"), gebaseerd op een onlangs rapport van de toezichtscommissie. Minister Verlinden erkent het rapport nog niet ontvangen te hebben en kan daardoor geen concrete maatregelen aankondigen, ondanks mediaberichten over de crisis. De Smet kritiseert haar passiviteit en stelt dat de problemen chronisch zijn, maar belooft terug te komen na ontvangst van het rapport. De discussie eindigt zonder oplossingen of verdere toezeggingen.

François De Smet:

Madame la ministre, la Commission de surveillance des établissements pénitentiaires a rendu son rapport qui relève une augmentation de la capacité de la prison d’Ittre sans accroissement corrélatif du personnel, une consommation de drogues en augmentation significative, et la multiplication des duos de détenus qui entraîne une insécurité croissante.

À Nivelles, le dépassement de la capacité idéale est acté, l’absentéisme des gardiens est croissant, et le rapport dénonce une prison poubelle.

Le sujet a déjà été évoqué à plusieurs reprises en Commission mais ce nouveau rapport sonne comme un signal d’alarme, un de plus.

En conséquence, Mme la ministre peut-elle me faire savoir si elle a pris connaissance du rapport et si des mesures particulières sont envisagées pour ces deux établissements pénitentiaires situés en Brabant wallon?

Annelies Verlinden:

Monsieur De Smet, ce rapport de la commission de surveillance ne nous a pas encore été envoyé. À ce stade, il n'est donc pas possible d'apporter une réponse aux questions et aux problématiques traitées dans ce document.

Dès que ce rapport nous aura été transmis, nous serons bien évidemment disposés à répondre aux questions qui y sont soulevées.

François De Smet:

Madame la ministre, votre réponse est un petit peu plus courte que ce que j'avais prévu. En effet, même sans avoir vu le rapport, vous n'avez pas pu échapper aux titres de presse qui, tant pour la prison de Ittre que pour la prison de Nivelles, sont extrêmement préoccupants, la seconde étant même qualifiée de prison poubelle. Pour la première, ce sont les trafics de drogue qui gangrènent visiblement l'établissement. Je pense dès lors qu'on pouvait espérer une réponse un peu plus développée de votre part.

Je vous reviendrai donc quand vous aurez reçu le rapport, sachant qu'on parle de difficultés qui sont de toute façon endémiques.

Voorzitter:

Les questions n° 56005556C de M. Patrick Prévot, n° 56005557C de Mme Désir et n° 56005600C de M. Cornillie sont considérées comme étant retirées en vertu de l'article 127.10 de notre Règlement. Les autres questions de Mme Marijke Dillen ont été reportées à sa demande. La réunion publique de commission est levée à 16 h 27. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.27 uur.

De inzet van bijzondere bijstandsteams tegen vreedzame betogers

Gesteld door

lijst: PVDA Greet Daems

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 11 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Gentse antiterreureenheid COPS werd ingezet bij geweldloze protesten (studentenbezetting UGent, bosactie Wondelgem), wat volgens kritiek disproportioneel en buiten hun mandaat valt, terwijl cijfers tonen dat ze massaal voor niet-terrorismegerelateerde zaken worden deployed. Minister Quintin verdedigt de inzet met een driedelig escalatiemodel gebaseerd op risicoanalyses (veiligheid, dreiging, locatie), benadrukt dat betogingsrecht niet werd beperkt, en wijst op autonome onderzoeken door Comité P bij klachten, maar ontkent structurele problemen. PVDA kaart aan dat de inzet juridisch twijfelachtig is en dat de-escalatietraining ontbreekt (volgens Algemene Inspectie), en dringt aan op federale garanties om protestrecht en proportioneel politieoptreden te waarborgen, binnen een duidelijk wettelijk kader.

Greet Daems:

Uit een recent onderzoek van het onafhankelijk nieuwsmedium Apache blijkt dat de Gentse politie haar eliteteam COPS heeft ingezet bij twee geweldloze acties: een studentenbezetting aan de UGent en de bosbezetting van de Wondelgemse Meersen. Volgens getuigen droegen de agenten zwarte maskers, gingen ze hardhandig te werk en gebruikten ze technieken die we eerder zouden verwachten bij een antiterreuroperatie dan bij een protestactie. COPS is bedoeld voor zware situaties: gewapende overvallen, gijzelingen, terrorisme. Toch werden zij in Gent ingezet tegen jonge activisten die zich aan bomen vastmaakten of in een auditorium protesteerden tegen de situatie in Palestina.

Wat nog straffer is, volgens cijfers van de Algemene Inspectie (AIG) worden deze eliteteams in steden als Gent en Antwerpen duizenden keren per jaar ingezet, terwijl maar een fractie daarvan echt iets te maken heeft met wat in de regels omschreven staat als bijzondere bijstand. Deze speciale eenheden die zijn opgeleid voor de zwaarste misdaad lijken vandaag te worden ingezet als een soort snelle en harde interventiedienst.

Hoe verklaart u dat eenheden zoals team COPS massaal worden ingezet in situaties waarvoor ze eigenlijk niet bedoeld zijn? Vindt u het verantwoord dat antiterreureenheden worden ingezet tegen geweldloze actievoerders?

Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het protestrecht gerespecteerd blijft en dat politieoptreden proportioneel blijft, ook bij burgerlijke ongehoorzaamheid? Bent u bereid het gebruik van deze teams tegen actievoerders te laten onderzoeken, bijvoorbeeld door het Comité P of de Algemene Inspectie van de politie?

Overweegt u maatregelen om te vermijden dat deze repressieve aanpak zich verder normaliseert in ons land?

Bernard Quintin:

Mevrouw Daems, naar aanleiding van het optreden van de politiedienst COPS tijdens de studentenprotesten, wil ik graag uw vragen beantwoorden en de functie van deze dienst toelichten. De politiedienst COPS heeft inderdaad opgetreden na de bezetting van een gebouw van de Universiteit Gent. Deze interventie bestond uit drie operationele niveaus, die tot doel hadden de veiligheid van burgers, demonstranten en politiemensen te waarborgen.

Het eerste niveau, georganiseerd door inspecteurs met een basiscompetentieprofiel in het kader van GPI 48, vormt de eerste fase van de interventie. Het tweede niveau doet een beroep op gespecialiseerde inspecteurs die voldoen aan het profiel van GPI 81. Deze inspecteurs beschikken dankzij hun specialisatie en opleiding over instrumenten en tactieken die beter zijn afgestemd op de situatie. Bovendien zijn deze teams opgeleid in de-escalatie tijdens interventies. Het derde niveau betreft ten slotte de ondersteuning door de federale politie voor een genegotieerd beheer van de openbare ruimte.

Deze operationele orde werd ingesteld na een risicoanalyse door de gold commander . Deze analyse is gebaseerd op de te bereiken doelstellingen, de potentiële dreiging, de plaats van het incident – in dit geval een gebouw – en het profiel van de deelnemers, rekening houdend met hun ingesteldheid, hun intentie en de OCAD-analyse. Ik wil benadrukken dat het recht op betogen in geen geval werd ingeperkt. Elke aanvraag voor de organisatie van een betoging moet echter worden ingediend bij de bevoegde administratieve overheid en elke vorm van geweld wordt niet getolereerd.

De onderzoeken van het Comité P worden na elke klacht autonoom uitgevoerd. De politiezone Gent verleent in dit kader haar volledige medewerking. Bovendien wordt elk geval van geweld, overeenkomstig GPI 62ter, systematisch door de politiezone gemeld.

Tot slot, om uw laatste vraag te beantwoorden, de politiezone zet haar inspecteurs in op basis van de risicoanalyses die voor elke opdracht worden opgesteld, rekening houdend met het profiel van de inspecteurs die voor de interventie nodig zijn. Ik dank u.

Greet Daems:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. Wij zijn met de PVDA natuurlijk niet tegen deze bijzondere bijstandsteams, maar stellen vast dat hun huidige inzet in Gent toch wel disproportioneel is, buiten hun mandaat valt en schadelijk kan zijn voor het democratische recht op betogen. U zegt dat de eenheden professioneel getraind zijn, ook voor de-escalatie. Uit het rapport van de Algemene Inspectie blijkt echter net dat er onvoldoende opleiding is voor vreedzame crowdcontrol en de-escalatie. We kijken dan uiteraard naar u als federaal minister, om erop toe te zien dat de inzet van deze bijzondere bijstandsteams gebeurt binnen een wettelijk en democratisch kader.

Het steeds grotere percentage artsen boven de 65

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met een groeiend tekort aan huisartsen, vooral in Wallonië, waar 145 ontbreken en 18% ouder dan 65 is—een verdubbeling in 10 jaar. Hoofdprobleem: oudere artsen kunnen geen elektronisch dossier medisch globaal (eDMG) aanmaken (sinds 2021 verplicht) en dreigen daardoor patiënten te discrimineren, terwijl hun uittreden de penurie verergert. Minister Vandenbroucke benadrukt dat eDMG en e-facturatie (verplicht vanaf 2025) wettelijk vastliggen, maar biedt uitzonderingen voor 67-plussers (papieren attest) en ziet geen ruimte voor aanpassingen. Bacquelaine pleit voor financiële steun (bv. IT-premies) om oudere artsen langer actief te houden, gezien hun korte afschrijvingstermijn voor digitale investeringen en het risico op massale pensioneringen.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, la Belgique fait face, dans certaines régions du pays, à une pénurie croissante de médecins. En Wallonie, il manque actuellement 145 médecins généralistes pour répondre aux besoins de la population. On compte un nombre de plus en plus élevé de médecins généralistes âgés de plus de 65 ans, selon les dernières statistiques de l'INAMI.

(Pas de son en début d'intervention)

Cette proportion a presque doublé en 10 ans, passant de 10 % en 2013 à 18 % actuellement, soit une augmentation de 83 %. Les médecins plus âgés éprouvent des difficultés, au vu des quelques années de pratique qu'il leur reste, à recourir à la facturation électronique via eAttest. Je sais que, sous certaines conditions, ils peuvent en être dispensés.

De plus, il leur est impossible d'inscrire leurs patients dans un dossier médical global (DMG) puisque celui-ci n'est actuellement accessible que par la voie informatique. C'est très clairement contraire à la loi et conduit à une discrimination inacceptable vis-à-vis d'un certain nombre de patients. En effet, ceux-ci n'ont pas à choisir leur médecin en fonction de l'enregistrement du dossier médical global.

Monsieur le ministre, dans quelle mesure cette préoccupation peut-elle être partagée? Peut-on autoriser ces médecins plus âgés à encore exercer, tout en faisant bénéficier leurs patients de la reconnaissance d'un dossier médical global? Est-il souhaitable de maintenir ces médecins en activité? C'est en effet bien de cela qu'il s'agit. On constate une pénurie de généralistes dans certaines régions du pays. Par conséquent, si l'on devait remplacer brusquement ces praticiens plus âgés par de jeunes médecins, il en faudrait des centaines. Je considère que les médecins plus âgés méritent notre attention. Voilà le sens de ma question.

Frank Vandenbroucke:

Cher collègue, la facturation électronique pour les médecins sera en effet obligatoire à partir du 1 er septembre 2025. Il s'agit de l'exécution d'une obligation légale. Je vous renvoie à cet égard à l'arrêté royal portant exécution de l'article 5, §1 er , alinéas 1 er , 3 et 4 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités de 1994. Dans cet arrêté, certaines exceptions ont été prévues, notamment en ce qui concerne les médecins âgés. Si le médecin a atteint l'âge de 67 ans à la date du 1 er janvier 2023, la transmission peut se faire exceptionnellement via un document papier. Par ailleurs, nous recommandons à tous les médecins de continuer à disposer d'attestations papier, même après le 1 er septembre 2025, pour des cas d'urgence.

Concernant le dossier médical global, il est à noter que l'un des objectifs du passage au DMG électronique (eDMG) est d'assurer aux patients une meilleure prise en charge médicale globale. Le eDMG permet notamment aux médecins généralistes de créer une résumé de santé. C'est une information médicale concise destinée à partager les informations essentielles sur la santé du patient – opérations, maladies chroniques, traitements en cours, etc. – entre les prestataires de soins de santé, ce qui peut être utile en cas d'urgence. L'utilisation de l'eDMG est obligatoire depuis le 1 er janvier 2021.

Des mesures transitoires et d’aide avaient été progressivement mises en place dans ce cadre jusqu'au 31 décembre 2024. Actuellement, mon intention n'est pas de revenir là-dessus.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, j'entends bien l'exception prévue dans l'arrêté concernant les médecins de plus de 67 ans en 2023. Par contre, pour l’eDMG, je pense qu'il y a une nette discrimination par rapport aux patients. Je me pose vraiment la question de cette discrimination et je m'étonne d'ailleurs que des actions n’aient pas déjà été entreprises à cet égard. Peut-être serait-il nécessaire de prévoir l'équipement des médecins plus âgés en matière informatique par une prime particulière, étant donné le peu d'années permettant l'amortissement de cet investissement. Les médecins plus âgés n'investissent pas dans cet équipement aujourd'hui, pensant qu'ils vont peut-être arrêter dans un, deux ou trois ans. Nous n’avons pas intérêt à précipiter cette décision de retraite compte tenu d'une certaine pénurie. Il serait peut-être nécessaire de prévoir une aide spécifique pour l'équipement informatique de ces médecins qui continuent à travailler à un âge dépassant celui de la pension.

Het overtal versus de wachttijden bij artsen-specialisten

Gesteld door

Groen Petra De Sutter

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Petra De Sutter kaart de mismatch in artsenopleidingen aan: tekort aan huisartsen/dermatologen vs. overschot in specialismen zoals heelkunde, met afgestudeerden die vastzitten in onzekere fellowships zonder statuut. Minister Vandenbroucke bevestigt dat absolute garanties onmogelijk zijn, benadrukt flexibiliteit en heroriëntatie door technologische veranderingen (bv. cardiologie vs. cardiochirurgie), en wijst op gebrekkige data over niet-actieve artsen (19% specialisten, 13% huisartsen inactief, vaak in buitenland). Hij belooft analyse via het praktijkregister en herziening van fellowship-statuten, maar schuift het toegangsexamen door naar Onderwijs. De Sutter dringt aan op betere opvolging van artsenmobiliteit en bredere discussie over middelenverspilling.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, de voorbije weken kwam naar aanleiding van een reportage in TerZake al herhaaldelijk het tekort aan huisartsen en specialisten, wat gepaard gaat met een vermindering van de zorgkwaliteit, aan bod en onlangs leerden we uit de pers dat dermatologen zelfs een patiëntenstop moesten invoeren. Anderzijds zijn er te veel kandidaten voor specialismen als heelkunde, urologie en gynaecologie en zou men kunnen spreken van een mismatch. Die specialisten in opleiding worden soms gedurende een aantal jaar voor de fameuze fellowships in de ziekenhuizen ingezet als een soort veredelde assistenten, zonder ernstig statuut. Eigenlijk komen zij terecht in een soort van wachtkamer, waar ze moeten wachten tot er toch een plaats vrijkomt en helaas is dat, volgens de reportage, voor een aantal van hen niet het geval. U stelde in het verleden al dat alle studenten die afstuderen, een opleiding tot een of andere beroepstitel en een RIZIV-nummer moeten kunnen krijgen. Dat blijkt voor die specialismen niet het geval te zijn. Wat kunt u doen om dat engagement hard te maken?

Kunt u wat meer cijfers geven over het aantal artsen-specialisten dat een jaar na afronding van de opleiding in de specialismen die ik heb opgesomd, niet volwaardig aan de slag is? Hoeveel komen uit het buitenland en gaan terug? Hoeveel van hen blijven hier?

Zult u bij de hervorming van de financiering van de ziekenhuizen inzonderheid de universitaire ziekenhuizen ook rekening houden met de fellowships? Daar is er immers een link met de subquota, waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn en wat een discussiepunt blijft tussen het federale en het deelstatelijke niveau.

Wat kunt u nog verder doen om de mismatch waarbij er te veel van sommige specialismen en te weinig van andere specialismen zijn, te voorkomen?

Is het ingangsexamen niet al te zeer een soort voorselectie voor technisch-wetenschappelijke specialismen, waarvoor er op het einde van de rit dan te veel kandidaten zijn, terwijl meer intermenselijke en sociale vaardigheden, die nodig zijn voor bijvoorbeeld het huisartsenberoep te weinig worden getest? Kortom, kan de mismatch al bij het ingangsexamen worden voorkomen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Sutter, voor studenten Geneeskunde, die zes jaar opleiding volgen, is het, meen ik, een normale verwachting dat ze toegang kunnen krijgen tot een professionele vorming, die dan tot een specifieke beroepskwalificatie of een beroepstitel leidt. Kan men daar een absolute garantie voor geven? Nee, ik meen niet dat men dat kan. Dat kan in geen enkele sector, dus ook niet in de gezondheidszorg.

Ontwikkelingen in de techniek en in de wetenschap hebben natuurlijk gevolgen. Er zijn bijvoorbeeld alsmaar meer alternatieven voor bepaalde cardiochirurgische ingrepen. Ingrepen op hartslagaders of op hartkleppen worden in hoofdzaak gedaan door cardiologen. Cardiochirurgie blijft nodig en nuttig, maar mogelijk voor beperkte domeinen. Flexibiliteit in de carrière is dus wel belangrijk. De nieuwe erkenningscriteria voor viscerale, thoracale, vasculaire en cardiale heelkunde, die midden 2026 van kracht worden, houden daarmee al rekening.

Voor de keuzes van specialisaties zijn alle analyses van de Planningscommissie natuurlijk heel relevant. Maar de vorming van een arts-specialist vraagt vele jaren en het kan dus wel zijn dat een nieuwe technologische evolutie, bijvoorbeeld nieuwe medicatie voor nefrologie, een impact heeft op de korte termijn. Flexibiliteit en heroriëntatie zouden in de toekomst dus wel belangrijker kunnen worden.

U vroeg hoe groot het aantal kandidaten is dat niet voltijds, of helemaal niet, aan de slag kan. Dat is geen eenvoudige vraag. Gelet op de aard van de activiteit en het sociaal statuut van de gevormde arts-specialist, die meestal zelfstandig is, is het met name niet eenvoudig een lage activiteit te meten. Ik meen wel dat dat soort analyse mogelijk moet zijn, zodra het praktijkregister volledig operationeel is en de administratie over meerdere jaren beschikt om berekeningen en ook vergelijkingen op basis van een longitudinale benadering te maken.

U vroeg hoeveel artsen vertrekken naar het buitenland na het afstuderen. De enige informatie waarover de Planningscommissie beschikt, zijn de data van artsen die niet in België beroepsactief zijn. We weten echter niet of ze in het buitenland een professionele activiteit uitoefenen.

Voor de jaren 2017-2021 rapporteerde de Federale Planningscommissie over niet-actieve artsen jonger dan 65 jaar het volgende: 1.837 niet-actieve huisartsen of 13 %, waarvan 1.239 of twee derde van die groep buiten België wonen; 4.963 niet-actieve artsen-specialisten of 19 %, waarvan meer dan driekwart buiten België woont, namelijk 3.835 om precies te zijn. De administratie zal voor de zomer nieuwe gegevens ontvangen om de publicatie van de Planningscommissie te actualiseren.

Uw vraag over het idee van het fellowship is interessant en belangrijk. Een debat en een beetje kritische zelfreflectie zijn inderdaad nodig: waarom lukken sommige jonge specialisten er niet in om toegang te krijgen tot groepen die nochtans een heel drukke agenda hebben. Dat is een interessante vraag. Moeten we inderdaad in de statuten waarmee ze wel binnen kunnen, zoals die fellowships, niet wat orde brengen? Dat moet worden onderzocht, zoals ik al antwoordde aan mevrouw De Knop. Ik heb ook al een advies gevraagd daarover.

Over de subquota kan ik u meegeven dat u de opvolging van de contingentering elk jaar terugvindt in het jaarverslag van de Planningscommissie. We discussiëren daar ook over in de IKW Gezondheidszorgberoepen.

Voor de vraag over het toegangsexamen zou ik willen verwijzen naar de ministers van Onderwijs, die daarvoor bevoegd zijn.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, het is inderdaad een probleem dat meerdere dimensies kent. Dat betekent dat er voor de oplossing ook meerdere wegen zullen moeten worden bewandeld. Opnieuw hoor ik dat daarover wordt nagedacht en dat een aantal pistes op tafel liggen om die mismatch aan te pakken, mismatch waarvan u stelt dat hij nooit honderd procent kan worden vermeden. Ik ben het daar ook mee eens, want men moet echt al ver in de toekomst kijken. Dat neemt niet weg dat we toch heel wat gegevens ontbreken. Wat doen de artsen bijvoorbeeld die naar het buitenland trekken? Oefenen die artsen inderdaad in het buitenland hun beroep uit of ontplooien ze daar een compleet andere activiteit? Ik vind die percentages toch vrij hoog. Van de specialisten zijn 19 % en van de huisartsen 13 % door ons opgeleid. Zij behalen hun beroepstitel met onze gemeenschapsmiddelen en vertrekken dan naar het buitenland, maar misschien is dat een onderwerp voor een bredere discussie. Ik dank u voor uw antwoord.

De IMC Volksgezondheid over de hervorming van het ziekenhuislandschap

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke benadrukt dat de ziekenhuishervorming draait om een gecoördineerde langetermijnstrategie tussen federale overheid en deelstaten, met focus op structurering, digitalisering en kwaliteitsnormen, maar wijst erop dat concrete meningsverschillen tussen regio’s niet zijn in kaart gebracht en niet aan hem zijn om te delen. Hij belooft de opdracht van de expertengroep (niet de informele synthesenota) te bezorgen, maar stelt voorwaarden aan het gebruik ervan, omdat het geen officieel federaal document is. De Knop kritiseert het gebrek aan transparantie en parlementaire betrokkenheid, waarna de minister herhaalt dat hij de synthesenota onder voorbehoud zal delen, maar geen verantwoording draagt voor de inhoud ervan. Kernpunt: samenwerking is noodzakelijk, maar politieke verantwoordelijkheid blijft vaag.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de interministeriële conferentie Volksgezondheid van 19 maart 2025 belastte een groep onafhankelijke experts met het uitwerken van een hervormingsproject voor het ziekenhuislandschap, met als doel kwaliteitszorg te garanderen en het zorgpersoneel en de beschikbare financiële middelen op de beste manier in te zetten.

Ter voorbereiding van die interministeriële conferentie werd door de federale overheid en de deelstaten een synthesenota opgesteld met een aantal consensuspunten, de meningsverschillen en de uitdagingen en aandachtspunten voor elke deelstaat. Blijkbaar zou het federale kabinet de hoofdlijnen van de hervorming voorgesteld hebben.

Graag vernemen we van u, mijnheer de minister, wat de hoofdlijnen van de ziekenhuishervorming zijn, zoals het federale kabinet voor volksgezondheid ze voorstelde. Het is namelijk nuttig dat de leden van de commissie kennis nemen van de wijze waarop u die zaken ziet. Kunt u ons inlichten over de meningsverschillen tussen de deelstaten en de federale overheid, opgesplitst per deelstaat, alsook over de aandachtspunten voor elke deelstaat?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, in alle eerlijkheid vind ik dit een moeilijke vraag, omdat het voor mij, als federale minister, vreemd zou zijn een exposé te geven over de meningsverschillen tussen de deelstaten. Om te beginnen zou ik die meningsverschillen grondig in kaart moeten brengen, wat ik niet deed. Verder heb ik niet zo’n grote meningsverschillen gehoord. Zelfs indien er meningsverschillen zouden zijn, lijkt het me evenwel ongepast dat een federale minister daarover verslag zou uitbrengen. Dat kan niet de bedoeling zijn van mijn rol als federale minister.

We hebben effectief die expertengroep opgericht. Indien u dat nodig acht, vraag ik aan mijn medewerker, de heer Impens, om de opdracht van de expertengroep aan het commissiesecretariaat te bezorgen, als dat al niet is gebeurd. Zo kunt u volledig zien hoe het in elkaar zit. Dat lijkt me het belangrijkste.

Voorafgaand aan de beslissing hebben we inderdaad een presentatie van aandachtspunten gekregen. Er zijn specifieke aandachtspunten. Wat daarbij het meest is opgevallen, is dat er toch wel veel gezamenlijke, overkoepelende uitdagingen zijn, over de deelstaten en de federale overheid heen.

De conclusie was dan ook eigenlijk: "Een gecoördineerde strategie tussen de federale overheid en de deelgebieden is essentieel om de uitdagingen van het ziekenhuislandschap aan te pakken. De federale overheid speelt een sleutelrol in de structurering en de modernisering van het ziekenhuisaanbod in België door basisnormen vast te stellen, de programmering te bepalen en de kwaliteit en de digitalisering op te volgen. De uitdagingen op het gebied van structurering van het zorgaanbod in Wallonië, Oost-België, Brussel, Vlaanderen en op federaal niveau zijn talrijk, maar er bestaan oplossingen. Een gezamenlijke langetermijnstrategie tussen de regio's en de federale overheid is essentieel om een doeltreffend en toegankelijk zorgaanbod in de toekomst te garanderen."

Dat is eigenlijk de misschien wat hol klinkende, maar toch belangrijke conclusie van de IMC. Daarmee hebben we inderdaad nog geen praktische conclusie, maar we hebben de expertenwerkgroep gevraagd om daarmee aan de slag te gaan. Ik stel voor dat ik u de volledige opdracht laat bezorgen via het secretariaat.

Irina De Knop:

Ik meen dat de opdrachtenbrief niet hetzelfde is als de synthesenota, mijnheer de minister. Is het mogelijk ons de synthesenota te bezorgen zodat we in het Parlement beschikken over de start van de discussie en we de kwestie mee kunnen opvolgen?

La présidente : Pensez-vous que nous pourrions avoir cette note?

Frank Vandenbroucke:

Dat zal ik bekijken. Dat is geen officieel document en ik zou niet graag hebben dat u mij daarover de komende weken allerlei vragen gaat stellen alsof het een document is dat ik zou hebben goedgekeurd. Ik ken dat spelletje, dus als u kunt leven met iets wat geen officieel document is en ook geen voorwerp van discussie vormt voor mij, dan wil ik het u bezorgen, maar als u het gaat gebruiken om allerlei zaken te bedenken die ik zou beslist hebben, dan niet.

La présidente : Vous nous enverrez, en tout cas, un document.

Frank Vandenbroucke:

Ik zal erover nadenken.

Irina De Knop:

We mogen de synthesenota niet hebben…

Frank Vandenbroucke:

U mag die hebben, maar …

Irina De Knop:

…en u weigert te antwoorden op vragen die we hier daarover stellen. Eigenlijk moeten we dus wachten tot u een uitgewerkt plan hebt en dan kunnen we daarvan kennis nemen, een beetje zoals wat er nu circuleert inzake de kaderwet. Misschien moet het dan op die manier, maar ik weet niet of dat de meest constructieve manier is om met het Parlement samen te werken.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ik zal het iets duidelijker zeggen. Ik zal u dat bezorgen, maar dat gaat over presentaties van administraties van de deelstaten. Als u hier binnen een week een vraag stelt alsof ik dit of dat beslist of gezegd heb, dan zal ik vaststellen dat u daar niet correct mee bent omgegaan. Ik ben niet verantwoordelijk voor een presentatie van een administratie van een deelstaat. Dat begrijpt u toch? Dat is geen officieel document van mij, maar ik kan u dat bezorgen.

Irina De Knop:

Dank u wel.

Ooginjecties in de praktijk van de oogarts

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat ooginjecties bij oogartsen (extramuraal) behouden blijven ondanks het RIZIV-voorstel om ze uitsluitend in ziekenhuizen te laten plaatsvinden, omwille van de toegankelijkheid voor ouderen en mindermobielen, ondanks bezorgdheden over infectierisico’s en medicijnwerkzaamheid. Hij wijkt hiermee af van het advies van de CTG (genormaliseerde post-covidsituatie), maar benadrukt dat kwaliteit en sociale redenen voorop staan. Ziekenhuizen zouden door de extramurale verschuiving inkomsten mislopen, maar exacte cijfers ontbreken. De beslissing is definitief, zonder uitbreiding naar andere geneesmiddelen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, 47.000 Belgen hebben meerdere keren per jaar een ooginjectie nodig, sommigen zelfs elke maand. Vroeger werden die injecties steeds in het ziekenhuis uitgevoerd. Nu is de regeling versoepeld en kunnen de injecties ook gebeuren in de praktijk van de oogarts, mits die over de nodige faciliteiten beschikt. Het merendeel van de injecties vindt nog altijd plaats in ziekenhuizen, ongeveer 180.000, tegenover een minderheid in de praktijk van een oogarts, circa 48.000. Het hoeft geen betoog dat die laatste optie voor veel oudere mensen veel toegankelijker is.

We hebben begrepen dat het RIZIV opnieuw voorstelt om alle injecties in ziekenhuizen te laten plaatsvinden. Oogartsen gaan ervan uit dat dat voorstel is ingegeven door economische overwegingen bij de ziekenhuizen. Waarom stelt het RIZIV voor dat de ooginjecties opnieuw uitsluitend in ziekenhuizen gebeuren? Volgens oogartsen gaat het om een puur financiële aangelegenheid, omdat ziekenhuizen veel geld verdienen aan die injecties. Sinds de injecties ook in de praktijk van oogartsen kunnen worden toegediend, zouden de ziekenhuizen daardoor aanzienlijke inkomsten mislopen. Hoeveel lopen ziekenhuizen mis door de verschuiving van dergelijke prestaties.

Van de media vernemen we dat u in de loop van mei de knoop zou doorhakken. Welke overwegingen zullen voor u de doorslag geven?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ik heb al eens op een mondelinge vraag in plenum geantwoord met betrekking tot de conclusie die ik verbind aan het advies van de CTG. Ik zal uw vragen, die nog een beetje breder gaan, echter allemaal beantwoorden.

U vroeg of ik de opgestarte procedure conform het regeerakkoord acht. Ja, toegang tot kwaliteitsvolle zorg staat in het regeerakkoord.

U vroeg of ik weet heb van een toename van endoftalmitis of oogontstekingen als gevolg van de extramurale toediening. Ik heb geen weet van individuele gevallen van endoftalmitis of oogontstekingen.

U vroeg of de oogartsen en de Belgian Retina Society werden geconsulteerd bij de beslissing. Ja, een brief van de Belgian Retina Society werd door de CTG geëvalueerd.

U vroeg in hoeverre ik de maximale toegankelijkheid voor de patiënt gegarandeerd acht, indien men één keer per maand naar het ziekenhuis moet gaan in plaats van naar de oogarts, extramuraal dus. Zoals ik al publiek zei, ook in het Parlement, ik zal om sociale redenen afwijken van het CTG-voorstel en de vergoedbaarheid behouden bij gebruik buiten het ziekenhuis, omdat de schrapping van die mogelijkheid inderdaad vaak oudere en mindermobiele mensen treft.

U vroeg of er plannen zijn om de procedure nog toe te passen voor andere geneesmiddelen. Ik ben niet helemaal zeker wat u bedoelt. Het gebeurt zelden dat ik afwijk van een advies, maar soms gebeurt het, in dit geval dus wel.

Ten slotte, de bezorgdheid van de CTG is niet alleen gelinkt aan het risico op infecties in het oog, maar ook en vooral aan het risico op een verminderde werkzaamheid van het te injecteren medicijn. De afleverende ziekenhuisapotheker dient zoals steeds duidelijk instructies te geven voor transport en bewaring van het medicijn. De maatregel voor gebruik buiten het ziekenhuis werd in urgentie genomen tijdens de covidpandemie. Gezien de uitzonderlijke situatie was het opvolgen en rapporteren van de werkzaamheid van geneesmiddelen in het algemeen en intravitreale injecties in het bijzonder tijdens de covidpandemie niet evident.

Vandaag is de situatie weer genormaliseerd. Daarom is de opvolging van de patiënten nu beter te organiseren.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

De wet betreffende de patiëntenrechten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de uitvoering van de aangepaste patiëntenrechtenwet (2024), met focus op voorafgaande wilsverklaringen en de rollen van vertrouwenspersoon vs. vertegenwoordiger. Minister Vandenbroucke bevestigt dat er geen uitvoeringsbesluiten nodig zijn voor de verduidelijking van rollen, maar wel betere informatieverspreiding (via *patientrights.be* en toekomstige e-gezondheidsintegratie), terwijl De Knop blijft aandringen op concrete timing en elektronische registratie. Onduidelijkheid blijft over de nodige stappen voor een uniform, registreerbaar model voor wilsverklaringen, ondanks bestaande voorstellen (o.a. proefschrift Lemmens). De Knop kondigt een opvolgingsvraag aan na tegenstrijdige interpretaties over regelgevende vereisten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, jaar na jaar neemt het belang van een voorafgaande zorgplanning toe. Bij de aanpassingen van de wet betreffende de rechten van de patiënt van 2002 is hier wel degelijk in grote mate rekening mee gehouden. Zo wordt in artikel 8.2 het recht van een patiënt bepaald die niet meer in staat is om zelf zijn wil te uiten, omdat hij wilsonbekwaam is geworden. Het gaat specifiek over de voorafgaande wilsverklaring, ook wel de negatieve wilsverklaring genoemd.

In tegenstelling tot de wilsverklaring euthanasie kan de negatieve wilsverklaring niet worden geregistreerd, wat het voor zorgverleners moeilijk maakt om op te zoeken of er wel of niet een verklaring is opgesteld. Een bijkomend probleem is dat er vele documenten de ronde doen, het ene al beter dan het andere. Er bestaat dus geen duidelijk, goed uitgewerkt en bruikbaar document dat geregistreerd kan worden. Artikel 8, paragraaf 2 komt grotendeels tegemoet aan deze bekommernis, maar niet volledig.

Een andere onduidelijkheid die door de aangepaste wet opgelost zou moeten worden, betreft de verwarring tussen de rol van de vertrouwenspersoon en die van de vertegenwoordiger. Hiertoe zijn de definities in artikel 2, paragrafen 7 en 8 aangepast. Ook de artikelen 1, 11 en 14 verduidelijken de rol van de vertrouwenspersoon of vertegenwoordiger.

Ik heb hierover enkele vragen, mijnheer de minister. Tot op heden zijn er geen uitvoeringsbesluiten verschenen over de voorafgaande wilsverklaring zoals bepaald in de wet op de patiëntenrechten van februari 2024, vandaar onze vraag of er al gewerkt wordt aan een bruikbaar model voor de voorafgaande wilsverklaring.

Hebt u kennisgenomen van het proefschrift ‘Voorafgaande wilsverklaringen met betrekking tot het levenseinde’ van de heer Christophe Lemmens, waarin wel degelijk een model wordt voorgesteld? Wordt er daarbij al gewerkt aan de mogelijkheid om de voorafgaande wilsverklaring op elektronische wijze op te stellen en aan de manier waarop ze ter kennis wordt gesteld van de zorgbeoefenaar?

Wanneer zullen de uitvoeringsbesluiten worden gepubliceerd die de rol van vertrouwenspersoon versus de rol van vertegenwoordiger verduidelijken? Op welke manier zult u de informatie over de voorafgaande wilsverklaring en de rol hierin van een vertegenwoordiger ter kennis brengen van de bevolking en de zorgverleners?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, zoals u zegt, zijn wettelijke aanpassingen van de patiëntenrechtenwet vorig jaar in werking getreden. U hebt gelijkt, dat is inderdaad geen eindpunt. Er moeten nog stappen worden gezet om een aantal aspecten te concretiseren.

Dat staat ook in het federaal regeerakkoord. De federale ombudsdienst Rechten van de patiënt heeft intussen een aantal initiatieven genomen. Zo zijn er nieuwe modellen beschikbaar op de website www.patientrights.be voor de aanduiding van een vertrouwenspersoon of vertegenwoordiger. Er wordt bij deze modellen meer uitleg gegeven over de respectieve rollen van de vertrouwenspersoon en de vertegenwoordiger. Op dezelfde website is er ook een nieuwe brochure beschikbaar die een overzicht geeft van de verschillende patiëntenrechten en de nieuwe elementen die vorig jaar in de wet ‘rechten van de patiënt’ zijn geïntroduceerd.

De brochure bevat een vergelijkende tabel die een goed visueel overzicht geeft van de rol van de vertrouwenspersoon en de vertegenwoordiger. In het regeerakkoord is bovendien voorzien dat de aanduiding van deze rol in de toekomst elektronisch kan gebeuren, zodat deze informatie kan worden ontsloten voor bepaalde toepassingen, waarbij het cruciaal is te weten wie de vertrouwenspersoon en/of de vertegenwoordiger van de patiënt is. Dat zal verder worden opgenomen in het e-gezondheidsplan.

Irina De Knop:

Dank u wel. Het was een heel kort antwoord. Ik heb een aantal vragen gesteld over de timing, maar die hebt u me niet meegegeven. Tenzij ik niet goed geluisterd heb? Ik heb u niet horen zeggen wanneer de uitvoeringsbesluiten zullen verschijnen en ook niet wanneer verdere zaken geïmplementeerd zullen worden.

Frank Vandenbroucke:

Ik vraag me af of er geen misverstand is, mevrouw De Knop. Ik kan me vergissen, maar ik meen dat we hiervoor geen uitvoeringsbesluiten nodig hebben. In de wet op de patiëntenrechten wordt wel, onder meer ingevolge een debat in deze commissie, een aantal dingen mogelijk gemaakt inzake verdere uitwerking via uitvoeringsbesluiten en er was een vraag dingen te preciseren inzake de toepasbaarheid op studenten, op kinderen en jongeren. Ook daar is sprake geweest van uitvoeringsbesluiten, maar inzake wat u nu hebt aangeduid, meen ik niet – en ik kan me vergissen – dat we uitvoeringsbesluiten nodig hebben. Toch niet voor wat u hebt aangeduid, het verduidelijken van wie de vertrouwenspersoon is en wie de vertegenwoordiger. We moeten goede informatie geven. En de mensen moeten de formulieren kunnen vinden.

Irina De Knop:

Zo had ik het inderdaad niet begrepen. Ik had begrepen dat ook daarvoor uitvoeringsbesluiten nodig waren. Ik koppel terug, en we zullen bekijken of…

Frank Vandenbroucke:

Ik zal het zelf ook nog eens bekijken. Ik kan me vergissen, maar ik meen niet dat we daar uitvoeringsbesluiten voor nodig hebben. Ik zal mijn medewerker vragen het nog eens op te nemen met onze experts.

Irina De Knop:

Dan veronderstel ik dat ik een opvolgingsvraag zal moeten stellen. Met mijn excuses bij voorbaat.

De terugbetaling van logopedie voor kinderen met autisme

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de weigering om monodisciplinaire logopedie voor autistische kinderen (TSA) te vergoeden, ondanks hun dringende behoefte en bestaande diagnoses. Minister Vandenbroucke belooft een tijdelijk hersteld systeem (via nieuw KB) met soepelere toegang tot evaluaties en een hervorming van de nomenclatuur, maar houdt vast aan multidisciplinaire begeleiding als voorwaarde, met ruimte voor monodisciplinaire logopedie *mits* voorafgaande multidisciplinaire evaluatie. De Smet kritiseert deze rigide benadering: CRA’s zijn overbelast en ontoereikend, terwijl duizenden gezinnen zonder alternatief vallen, vooral in Wallonië en Brussel waar scholen geen logopedisten hebben. Hij pleit voor praktische flexibiliteit om ongelijkheid te voorkomen, gebaseerd op het KCE-rapport dat monodisciplinaire zorg niet principieel uitsluit.

François De Smet:

Monsieur le ministre, le Conseil d'État vient d'annuler l'arrêté royal qui organisait le remboursement temporaire des soins de logopédie monodisciplinaire pour certains enfants. En commission de la Santé, un consensus semble se dessiner pour garantir la continuité des soins. C'est très bien.

Je voudrais souligner le cas particulier des enfants souffrant d'un trouble du spectre autistique (TSA). Ils sont pour l'instant exclus du remboursement des soins de logopédie monodisciplinaire, tant dans le dispositif transitoire du gouvernement précédent que – je le crains – dans les intentions de l'Arizona.

Votre justification est bien connue: ces enfants devraient être pris en charge par les centres de revalidation ambulatoire (CRA). Monsieur le ministre, ces centres sont peu nombreux et débordés. D'ailleurs, l'annulation de l'arrêté le confirme, puisqu'il est le fruit d'une initiative de l'Agence wallonne pour une vie de qualité (AVIQ), qui anticipe une charge de travail impossible à gérer.

Refuser le remboursement des soins monodisciplinaires constitue avant tout une erreur en matière de santé publique. Les petits patients autistes, s'ils sont diagnostiqués comme tels, sont par définition passés par un centre d'expertise multidisciplinaire qui a confirmé leur trouble autistique. Ce diagnostic d'autisme s'accompagne habituellement d'une demande aux parents de scolariser leur enfant en enseignement ordinaire et de lui fournir de manière impérieuse des séances de logopédie.

Quel sens cela a-t-il de demander à ces milliers de familles de repasser par un dispositif multidisciplinaire si un diagnostic existe et si des soins de logopédie monodisciplinaire sont disponibles? Pourquoi se priver d'opportunités pour aider le plus grand nombre d'enfants?

Pour le dire simplement, monsieur le ministre, oui, l'approche multidisciplinaire est nécessaire pour les enfants atteints de troubles autistiques. Mais non, elle ne doit pas forcément passer par un centre ambulatoire. L'Institut national d'assurance maladie-invalidité (INAMI) et vous-même devez enfin accepter que des parents qui ont un enfant diagnostiqué TSA et qui lui offrent une pluralité de soins, même hors d'un centre, doivent aussi être aidés par la collectivité dès lors qu'ils offrent à leur enfant des séances de logopédie.

Frank Vandenbroucke:

(…) avons demandé indique qu'une approche multidisciplinaire est préférable, mais aussi que la logopédie monodisciplinaire est possible, à condition que cela se fasse sur indication d'une évaluation multidisciplinaire. Le Centre Fédéral d’Expertise des Soins de Santé (KCE) estime également qu'en attendant la création d'une capacité multidisciplinaire supplémentaire, il peut être envisagé de prolonger temporairement le régime prévu dans l'arrêté royal actuel. Je regrette donc vivement que cet arrêté royal ait été annulé à la suite d'un recours, car je crois que tout le monde s'accorde à dire qu'un manque d'aide spécialisée dans les Communautés ne peut impliquer que ces enfants ne puissent recevoir d'aide.

Voici ce que nous allons faire concrètement dans les prochains jours, semaines et mois. Premièrement, je prendrai immédiatement un arrêté royal qui remplace l'arrêté actuel. Je ne souhaite aucune rupture, aucune période de transition durant laquelle l'accès serait rendu impossible. Que cela soit bien clair. Nous allons également modifier l'arrêt sur deux points. Nous élargissons quels sont les centres qui peuvent établir un bilan; et nous donnerons le temps nécessaire aux centres concernés pour s'organiser. L'exigence du bilan n'entrera pas immédiatement en vigueur.

Deuxièmement, j'ai demandé à la commission de convention avec les logopèdes (LOGOMUT) de réaliser une réforme plus approfondie de la nomenclature, afin que les éléments obsolètes comme les chiffres du quotient intellectuel (QI), qui y figurent actuellement, puissent être supprimés et que l'aide accordée à ces enfants puisse faire l'objet d'un suivi spécifique.

Troisièmement, un groupe de travail se penchera au sein de la Conférence interministérielle Santé publique sur la totalité du rapport du KCE.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse, bien qu'elle ne me rassure pas complètement. Bien entendu, vous allez continuer à assurer le service pour les enfants déjà protégés. C'est très bien. J'ai également lu l'étude du KCE. Comme vous le dites, elle préconise évidemment une approche multidisciplinaire pour les enfants TSA. Cependant, elle n'exclut pas par principe qu'on puisse les aider via une logopédie monodisciplinaire. Vous savez, on parle de "spectre du trouble autistique" parce qu'il n'existe pas deux cas semblables. Je redoute donc de voir une pluralité de cas avec certains parents qui disposent de moyens et de logopèdes, tandis que d'autres n'en disposent pas. En Wallonie et à Bruxelles, la plupart des écoles ordinaires n'ont pas de logopèdes. C'est pourquoi l'aide de logopèdes externes est essentielle. D'un autre côté, comme nous y avons déjà assisté sous la Vivaldi, je crains de voir une forme de rigidité politique, la vôtre en l'occurrence, qui consiste à imposer une seule voie à tous ces enfants autistes, celle des CRA. Selon moi, cela ne résiste pas à l'examen. Je vous en conjure, vous et vos partenaires de gouvernement: assouplissez le processus, sinon vous allez jeter des milliers de familles sur le carreau.

De basisverpleegkundige
De basisverpleegkundige
De basisverpleegkunde
De basisverpleegkundigen
Basisverpleegkunde en verpleegkundigen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De basisverpleegkundige werd ingevoerd om HBO5-verpleegkundigen een toekomst te bieden en zorgteams flexibeler te maken, maar hun bevoegdheden zijn beperkter dan die van algemene verpleegkundigen. Minister Vandenbroucke benadrukt dat hun rol (autonoom in *minder complexe* situaties, onder supervisie in *complexe* gevallen) is vastgelegd in een KB (2023/2024), maar de afbakening van complexiteit blijft onduidelijk—de Federale Raad voor Verpleegkunde werkt hier nog aan. Impactanalyse en definitieve inschaling (IFIC) volgen pas na de eerste afstudeergolf (2026), terwijl communicatie (via een campagne in 2025) en samenwerking met gemeenschappen over opleidingen lopen, maar studenten en scholen blijven met onduidelijkheden zitten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, tijdens de vorige legislatuur werd het eigenstandig statuut van basisverpleegkundige ingevoerd. Waar de HBO5-verpleegkundige vroeger dezelfde handelingen mocht stellen als de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, mag de basisverpleegkundige vandaag een aantal van die handelingen niet meer uitvoeren.

Daarnaast is de figuur van het gestructureerde zorgteam ingeschreven in de wet. Die laat toe dat de algemene verpleegkundige bepaalde handelingen kan delegeren naar andere zorgverleners – dus ook naar de basisverpleegkundige – mits daarvoor een geattesteerde opleiding werd gevolgd. In dat kader heb ik een aantal vragen voor u, mijnheer de minister.

Wordt er voldoende gecommuniceerd naar basisverpleegkundigen in opleiding over de plaats die u voor hen voorziet in de zorg? Wordt er gecommuniceerd met de zorgvoorzieningen over de rol van de basisverpleegkundige binnen de zorg? Hoe ziet u hun plaats in het zorgsysteem? Zijn daarover al beslissingen genomen? Overlegt u met de gemeenschappen over de opleidingen die basisverpleegkundigen kunnen volgen, zodat ze binnen een gestructureerde zorgequipe bepaalde handelingen mogen stellen en over de attestering die daarbij hoort? Hebt u ten slotte al een impactanalyse laten uitvoeren over de introductie van de basisverpleegkundige in de federale gezondheidszorgvoorzieningen?

Frank Vandenbroucke:

De invoering van de basisverpleegkundige was absoluut noodzakelijk om een toekomstperspectief te bieden aan tienduizenden mensen die vandaag in de zorg werken en in het verleden een hogere beroepsopleiding hebben gevolgd. Daarnaast biedt dit een antwoord op een vraag van de toekomst: hoe laten we mensen met verschillende kwalificatieniveaus samenwerken om een antwoord te bieden op zorgnoden?

Laat me eerst toelichten waar we vandaag staan in de uitwerking van de rol die de basisverpleegkundige zal opnemen. Zowel de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg als de basisverpleegkundige behoren tot de beroepsgroep van de beoefenaars van verpleegkundige zorg.

De verpleegkundig-technische verstrekkingen die een basisverpleegkundige mag uitvoeren, evenals de voorwaarden waaronder dat kan gebeuren, zijn vastgelegd in een koninklijk besluit dat werd gepubliceerd in september 2023 en nadien gewijzigd op 14 april 2024.

Wie een opleiding organiseert, vindt daar al meteen een aanduiding van de verpleegkundig-technische verstrekkingen die een basisverpleegkundige kan stellen. We maken daarbij een onderscheid tussen complexe en minder complexe situaties. In minder complexe situaties kan de basisverpleegkundige, binnen de grenzen van haar of zijn bevoegdheid, autonoom de verpleegkunde uitoefenen. In meer complexe situaties moet de basisverpleegkundige samenwerken met een gestructureerd zorgteam en de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg, of met de arts als die verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg geen deel uitmaakt van dat team.

Over het onderscheid tussen complexiteit en niet-complexiteit heb ik een advies gevraagd aan de Federale Raad voor Verpleegkunde. Op 12 november 2024 heb ik dat advies ontvangen. Daarin zegt de Federale Raad dat hij op dit moment niet over wetenschappelijk gevalideerde meetinstrumenten beschikt waarmee hij heel objectief kan zeggen wat complexe en niet-complexe verpleegkundige zorg is. In zijn advies geeft de Raad wel een aantal elementen die de inschatting van de complexiteit kunnen ondersteunen. Op dit moment wordt geanalyseerd op welke manier en in welke mate die patiëntgebonden en organisatorische elementen kunnen bijdragen aan de beoordeling van de complexiteit. Die analyse loopt nog.

Wie een opleiding voor basisverpleegkundige organiseert, weet al welke technisch-verpleegkundige verstrekkingen de basisverpleegkundige kan stellen en weet dat we aan het werken zijn aan de cruciale vraag wat complex en wat minder complex is voor het autonoom optreden. Dat is een eerste punt dat ik wilde meegeven.

Wat de inschaling in IFIC betreft, de functieladder is voorgesteld aan IFIC. IFIC moet nu analyseren tot welke categorie de functie van basisverpleegkundige zal behoren, op basis van objectieve criteria inzake het niveau van kennis, verantwoordelijkheid, complexiteit, communicatie en contextuele zwaarte van elke functie. Die technische resultaten worden besproken en gevalideerd met de sociale partners, die verantwoordelijk zijn voor de sectorale paritaire akkoorden voor de gezondheidssector. Binnen IFIC is een werkgroep opgestart die zich hierover zal buigen.

De eerste lichting basisverpleegkundigen studeert pas af in juni 2026. De mensen die momenteel op het terrein staan met een HBO5-opleiding worden eigenlijk gelijkgeschakeld met de bestaande verpleegkundigen. Ook degenen die reeds aan de opleiding begonnen waren, worden gelijkgeschakeld. De nieuwe groep basisverpleegkundigen zal dus pas in juni 2026 afstuderen. We kunnen nu uiteraard nog geen impactanalyse maken van wat dit in de praktijk betekent.

Ik vind het echter belangrijk dat we kunnen stellen dat we die opleidingen hiermee een toekomst hebben gegeven. De Europese Commissie, die België er al jarenlang op wees dat het fout bezig was, dreigde immers met een stopzetting, die als een zwaard van Damocles boven ons hoofd hing. Het risico bestond inderdaad dat die opleidingen zouden moeten sluiten. We hebben daar een oplossing voor gevonden. Wat dit concreet betekent voor de opleidingen en hoe ze hiermee moeten omgaan, daar is echter nog werk aan. Dat valt grotendeels onder de bevoegdheid van de gemeenschappen, maar wij overleggen ook met hen.

In januari 2025 werd een online informatiecampagne gelanceerd via sociale media en de website van de FOD Volksgezondheid over wat de hervorming betekent. Dat materiaal is vrij beschikbaar voor de opleidingen, studenten en zorginstellingen. Waar nodig zullen we dat nog aanvullen met antwoorden op veelgestelde vragen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dat neemt niet weg dat er bij studenten en bij de scholen die deze opleiding aanbieden nog steeds veel vragen leven. Het zou daarom goed zijn als de onduidelijkheden ten aanzien van die instellingen en de studenten worden weggenomen. Wij kunnen daar uiteraard een handje bij helpen. La présidente : M. Bacquelaine n'est pas présent pour poser sa question n° 56003621C.

Tandzorg voor personen met een handicap

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Frieda Gijbels vraagt om gegevens over tandzorgtoegang voor personen met een DG HAN-erkenning om *non-take-up* te analyseren, maar minister Vandenbroucke bevestigt dat het RIZIV deze data niet heeft, hoewel ziekenfondsen ze wel individueel bezitten. Hij benadrukt dat DG HAN-erkenning onvoldoende is om zorgbehoeften te meten, gezien de diversiteit binnen de groep, en wijst op bestaande supplementen voor bijzondere noden (facultatief en beperkt). Gijbels blijft pleiten voor kruising van DG HAN-data met tandzorggebruik als eerste stap om beleidslacunes bloot te leggen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, naar aanleiding van een rapport van het Intermutualistisch Agentschap (IMA) over het gebruik van tandzorg door de algemene bevolking, stelde ik een schriftelijke vraag met betrekking tot personen met een handicap en hun toegang tot tandzorg. Ik doelde daarbij op de personen die door de DG HAN zijn erkend.

In uw antwoord gaf u aan dat het RIZIV niet over specifieke gegevens met betrekking tot mensen die als gehandicapt erkend zijn beschikt. Nochtans gaat het volgens mij om cruciale informatie over de toegang van kwetsbare personen, in dit geval personen met een handicap, tot de gezondheidszorg. Het is dan ook van groot belang dat de overheid over dergelijke gegevens beschikt om de non-take- up van nodige zorg in kaart te brengen en gericht aan te pakken. U zet als minister van Armoedebestrijding sterk in op het terugdringen van non-take-up . Het spreekt voor zich dat dat ook geldt voor personen met een handicap.

Ik heb dus nog een aantal bijkomende vragen, mijnheer de minister.

Beschikken de verzekeringsinstellingen wel over deze gegevens? Zij kennen de verhoogde tegemoetkomingen toe op basis van het feit of iemand een IVT of een IT krijgt. Zo ja, waarom worden die gegevens dan niet aan het RIZIV doorgegeven?

Is het volgens u mogelijk om deze gegevens te kruisen? Zo ja, welke databanken moeten dan met elkaar in contact worden gebracht? Bent u van plan om daarvan werk te maken?

Frank Vandenbroucke:

Dat is een interessante vraag, die me ook een beetje aan het denken zet. Ik zal zeggen wat ik daarover op dit moment kan zeggen.

De ziekenfondsen beheren de toekenning van het statuut voor de tegemoetkoming waarvoor personen die een IVT of IT ontvangen, erkend door de DG HAN, automatisch in aanmerking kunnen komen. Die gegevens zijn op individueel niveau per verzekeringsinstelling beschikbaar. Hoewel ze op dat niveau beschikbaar zijn, worden ze echter niet automatisch gecentraliseerd of doorgestuurd naar het IMA of het RIZIV. Het RIZIV beschikt dus niet over de gegevens.

Personen met een handicap vormen bovendien geen homogene groep. Hun zorgnoden, ook op het vlak van mondzorg, verschillen sterk. Daarom volstaat een administratief criterium, zoals een erkenning door de DG HAN, niet om de zorgbehoeften correct in kaart te brengen. In de nomenclatuur bestaat daarom een aparte regeling voor personen met bijzondere noden. Tandartsen kunnen voor deze patiënten een supplement aanrekenen, gezien de extra tijd en inspanning die vaak nodig is.

Niet alle personen met een handicap worden echter als persoon met een bijzondere nood behandeld en niet alle personen met bijzondere noden zijn administratief als gehandicapt erkend. Het supplement is ook facultatief voor tandartsen.

De enige prestatie in de nomenclatuur met een expliciete verwijzing naar een handicap is de profylactische reiniging, maar ook dat dekt slechts een beperkt segment.

Kortom, wij zijn van mening dat de erkenning via de DG HAN geen geschikte of voldoende indicator is voor diepgaande analyses over de toegang tot tandzorg. Beleidsmatig werken we daarom eerder met zorginhoudelijke criteria, zoals het (…)-supplementen en maximumtarieven, om de toegankelijkheid voor kwetsbare groepen effectief te verbeteren.

Frieda Gijbels:

Het klopt dat niet elke persoon met een handicap erkend is door de DG HAN. Bovendien verschilt de mate waarin personen met een handicap moeilijkheden ondervinden bij de toegang tot tandzorg. Toch is het mijn ervaring dat er op dat vlak nog veel werk aan de winkel is en dat het aanbod tandzorg voor veel personen met een handicap ontoereikend is. Ik denk dat het in kaart brengen van de personen die erkend zijn door de DG HAN en het kruisen daarvan met het gebruik van tandzorg alvast een eerste indicatie kan vormen. Daarmee doel ik niet alleen op de specifieke nomenclatuur voor personen met een handicap, maar ook op het algemene gebruik van tandzorg. Op basis daarvan kan worden bekeken of er bijkomende beleidsmaatregelen nodig zijn. De voorzitster : Vragen met nrs. 56004979C, 56004980C, en 56004980C van mevrouw De Sutter zijn uitgesteld.

Een statuut voor het fellowship van artsen-specialisten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Planningscommissie beoordeelt het evenwicht tussen vraag en aanbod van arts-specialisten via prognoses en gemeenschapspecifieke subquota, maar concrete gegevens over overschotten of werkloosheid ontbreken, ondanks signalen hierover. Een fellowship-statuut wordt overwogen, maar eerst verzamelt de Nationale Paritaire Commissie via enquêtes (zomer 2025) data over omvang, voorwaarden en regionale verschillen van subspecialisaties. De spanning tussen federale quota en gemeenschapsplanning blijft onopgelost, terwijl tekorten en mismatches in het zorglandschap urgenter worden. Actie of diepgaand onderzoek naar overschotten is tot nu toe uitgebleven, ondanks politiek bewustzijn van het probleem.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, graag vernam ik van u of de federale Planningscommissie – medisch aanbod op de hoogte is van het bestaande overschot aan artsen-specialisten. Heeft de Planningscommissie ooit onderzoek gedaan naar een eventueel overschot aan artsen-specialisten? Zo niet, is het dan niet wenselijk dat ze dat alsnog doet, om de federale quota voor artsen beter gefundeerd vast te stellen? Hoe staat u tegenover de vraag naar een statuut voor het fellowship en een beperking in de tijd van dat fellowship?

Ik heb mijn vragen beknopt geformuleerd, ook gezien het tijdstip, maar dit is uiteraard een zeer belangrijke problematiek binnen ons zorglandschap.

Frank Vandenbroucke:

Dank u wel. U stelt inderdaad pertinente vragen.

Wat uw eerste en tweede vraag betreft, het federale quotum, dat wordt bepaald door de federale Planningscommissie – medisch aanbod, houdt rekening met de arbeidsmarktsituatie van elk specialisme in elke gemeenschap. De verschillende opdrachten van de Planningscommissie maken het mogelijk om het onevenwicht tussen vraag en aanbod aan het licht te brengen. De Planningscommissie stelt daarvoor een stand van zaken op van de beroepsbevolking per gemeenschap, maakt prognoses over de ontwikkeling ervan en houdt ook rekening met de noden van de bevolking.

De verdeling van het federale quotum per gemeenschap – het zogenaamde subquotum, waarbij men bijvoorbeeld bepaalt hoeveel artsen-specialisten en hoeveel huisartsen er nodig zijn – is een bevoegdheid van de gemeenschappen. Die voeren daarvoor hun eigen planning uit, waarop ik verder geen commentaar geef, maar uiteraard trachten ook zij te evalueren of er een goed evenwicht bestaat tussen vraag en aanbod en hoe daarmee om te gaan.

Inzake de vraag over het fellowship kan ik meegeven dat wij op dit moment eigenlijk niet weten hoeveel artsen en specialisten na hun erkenning een bijkomende subspecialisatie volgen als fellow, onder welke voorwaarden ze werken alsook of dat verschilt in bepaalde regio’s. Daarover hebben wij geen gegevens. De Nationale Paritaire Commissie artsen-ziekenhuizen buigt zich op dit moment echter over dat dossier.

Het is de bedoeling om eerst via enquêtes een zicht te krijgen op de situatie. Die enquêtes worden momenteel ontwikkeld in een werkgroep. Ze zullen tegen de zomer van 2025 worden uitgestuurd naar zowel de zeven universitaire ziekenhuizen als naar de algemene ziekenhuizen en de artsen-specialisten die de voorbije drie jaar een erkenning kregen als arts-specialist. Wij zullen ons daarover dus bevragen.

De ziekenhuiskoepels, waaronder de Raad van Universitaire Ziekenhuizen, zetelen ook in de werkgroep van de Nationale Paritaire Commissie, die de enquête ondersteunt en ontwikkelt. De enquête peilt naar arbeidsvoorwaarden, werkovereenkomsten, statuut, vergoedingen en naar de vraag in welk ziekenhuis zij de bijkomende opleidingstrajecten subspecialisaties volgen, zodat een echt omvattende analyse kan worden gemaakt.

Mevrouw De Knop, ik kijk uit naar de resultaten. Wij moeten immers nadenken over de vraag of er een specifieke regeling en een specifiek statuut moet komen voor het fellowship. Ik wacht echter eerst op de gegevens.

Irina De Knop:

Ik dank u voor uw antwoord.

We weten dat er een spanning is tussen het federale quotum en de subquota bij de gemeenschappen. U hebt mij uitgelegd hoe een en ander precies werkt, maar dat is natuurlijk geen oplossing voor het bestaande probleem. De mismatch zal dus blijven bestaan, tenzij er door u in samenwerking met uw collega in Vlaanderen alvast al actie wordt ondernomen.

Ik kan het gemist hebben, maar indien ik mij niet vergis, is er een onderzoek gevoerd naar het eventuele overschot aan artsen-specialisten. Klopt dat?

Frank Vandenbroucke:

Neen, naar het punt dat in het nieuws is geweest, waarbij artsen-specialisten verklaarden dat zij zover waren maar nu werkloos waren, is er vandaag geen onderzoek en daarover heb ik dus geen gegevens.

Irina De Knop:

Ik zal het verder opvolgen. Hopelijk wordt hier prioriteit aan gegeven, opdat er op elk niveau voldoende artsen zullen zijn. Er zijn nu immers al grote tekorten.

De zorgwekkende toestand inzake de gezondheidszorg in de gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 4 juni 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De catastrofale gezondheidszorg en veiligheidsomstandigheden in Belgische gevangenissen staan centraal, met scherpe kritiek op chronisch tekort aan personeel, ontoereikende medische zorg (inclusief misbruik van isoleercellen) en dodelijke gevolgen (zoals de brand in Lantin waar een brandweerman omkwam door sleutelchaos). Minister Verlinden bevestigt de geleidelijke overdracht van gevangeniszorg naar Volksgezondheid (eerste fase afgerond, tweede in voorbereiding) en belooft strengere controles, maar Schlitz eist radicale transparantie en snellere actie, wijzend op systeemfalen waarbinnen gedetineerden sterven door verzaking en detentie onnodig kwetsbaren treft. De structurele misstanden—internationaal veroordeeld—worden gelinkt aan gebrek aan onafhankelijk toezicht en een cultuur van verwaarlozing.

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, il y a quelques semaines, l'Observatoire international des prisons a relaté le témoignage du docteur Verbrugghe, médecin exerçant actuellement à la prison de Haren. Il décrit une situation sanitaire carcérale alarmante, corroborée par des associations telles qu'I.Care, le Réseau Hépatite C Bruxelles ou encore Transit ASBL.

Une carte blanche, parue le 13 mai, appelle à des réponses claires du gouvernement. Comme l'explique ce témoignage, les besoins en matière de soins pour les détenus sont complexes: psychologiques, toxicomaniaques, somatiques, sociaux et culturels. Pourtant, l'expertise et le personnel nécessaires restent insuffisants en l'absence d'un quota minimum, ce qui entraîne fréquemment une externalisation des soins.

Madame la ministre, ces problèmes ne datent pas de hier. Le personnel concerné dénonce régulièrement ces situations. Ceci ne fait que rappeler l’état catastrophique dans nos prisons. Je ne peux d'ailleurs pas poser cette question aujourd'hui sans évoquer l’incendie survenu à Lantin, où un pompier, Maxime Coessens, a perdu la vie. Je tiens d'ailleurs à exprimer mes condoléances à sa famille et à ses proches. La complexité de l’accès aux clés d’urgence et l’absence de personnel capable de les localiser rapidement inscrivent ce drame dans un contexte plus large de délitement de ce qui se passe dans nos prisons. Des interrogations persistent en effet quant à la sécurité de l’établissement, aussi bien pour les services externes et internes que pour les détenus. Ces préoccupations sont soulevées depuis des années par les acteurs de terrain.

Nous ne savons pas assez ce qui se passe dans nos prisons. Nos agents pénitentiaires sont peu formés et à bout. Les droits humains des détenus sont mal respectés en raison d’un manque criant de personnel et de moyens. Nous savons tout cela, notamment en raison des nombreuses condamnations de la Belgique au niveau international sur le plan de la situation dans nos prisons.

Madame la ministre, pourquoi le Conseil national de santé pénitentiaire n'est-il plus actif? Pourquoi n'existe-t-il pas de contrôle indépendant de la qualité des soins? Pourquoi les retours des visites annuelles du Comité international de la Croix-Rouge (CICR) ne sont-ils pas partagés avec les médecins?

Comment justifier les pressions visant à limiter les déplacements vers l’hôpital alors que les soins internes à la prison sont sous-dotés? Selon quelle base légale les médecins peuvent-ils utiliser l'isolement disciplinaire à des fins punitives? Nous avons que cet isolement a des conséquences graves et rapides sur la santé mentale, notamment le risque de suicide.

Pourquoi la gestion des soins reste-t-elle sous l’autorité de la Direction générale des Établissements pénitentiaires (DG EPI) Justice, et non sous celle de la Santé publique, comme le réclament le secteur et les acteurs de terrain depuis des années? Ce transfert est-il prévu? D’ici là, quelles mesures comptez-vous prendre pour remédier aux défaillances actuelles?

Annelies Verlinden:

Madame Schlitz, le Conseil pénitentiaire de la santé n'a pas été formellement dissous. Les activités de cette instance se sont toutefois progressivement éteintes à la suite de la réforme des soins de santé en prison et du fonctionnement ultérieur mis en place dans le cadre de cette réforme. Le conseil est donc libre d'organiser à nouveau des réunions.

Il existe bien un contrôle indépendant via la collaboration avec le Comité international de la Croix-Rouge (CICR) et le Comité européen pour la prévention de la torture (CPT). L'inspection des soins est toutefois organisée au niveau régional. Elle n'est pas compétente dans les prisons et ne dispose pas non plus d'un cadre de référence spécifique pour exercer ce contrôle.

Les résultats des visites du CICR sont partagés avec les personnes responsables au niveau de la direction locale et l'administration centrale. Le renforcement de ce contrôle sera également un thème important dans le cadre du transfert des soins de santé pénitentiaires vers le département de la Santé publique.

En ce qui concerne les visites à l'hôpital, il appartient aux médecins d'évaluer si un examen à l'hôpital est nécessaire. Il n'est pas illogique qu'il y ait une demande de limitation des examens médicaux si la situation de la santé du détenu le permet dans le contexte des impératifs de sécurité. Je tiens avant tout à préciser qu'un médecin n'intervient dans une procédure disciplinaire ou dans des mesures imposées pour des raisons d'ordre et de sécurité que pour se prononcer sur la compatibilité de l'état de santé de la personne concernée avec la mesure en question. En revanche, le médecin est libre de formuler des propositions visant à limiter l'impact de la mesure sur la santé. À aucun moment, le médecin n'intervient dans la procédure elle-même ou ne se prononce sur la légalité ou la proportionnalité de celle-ci. Seul un directeur peut prendre des mesures punitives.

Comme vous l'avez certainement lu dans ma note de politique générale, je suis favorable au transfert des soins de santé pénitentiaires vers le département de la Santé publique. Cela doit toutefois se faire en plusieurs phases. Une première phase a concerné l'intégration dans l'assurance maladie et invalidité de toutes les prestations fournies en dehors des murs de la prison pendant la détention ou encore l'introduction des projets liés à la drogue et à la détention.

La phase 2 est en préparation. Elle concerne l'élargissement de cette action à la drogue et l'examen de l'intégration dans cette assurance de toutes les prestations réalisées à l'intérieur des murs.

De plus, je me suis récemment entretenue avec mon collègue chargé de la Santé publique au sujet d'autres initiatives concernant ce transfert de compétences. Nous étudions actuellement les prochaines étapes à entreprendre et les conditions à mettre en place pour y parvenir. Je vous remercie.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse, madame la ministre. Je suis heureuse d'entendre que cette carte blanche, ce cri d'alerte lancé par ce médecin aura tout de même comme effet le transfert de la Justice vers la Santé publique. Cela fait très longtemps que les acteurs du terrain le réclament. Merci pour cette réaction.

Je pense par ailleurs qu'il faut aller plus loin. Il faut en effet des vraies mesures pour faire toute la lumière sur ce qui se passe dans les prisons aujourd'hui. C'est une véritable boîte noire. Cela fait des années que les associations m'alertent.

Déjà quand j'étais membre du gouvernement, des projets financés par mon administration, qui consistaient à étudier la santé mentale des détenus en prison, ne pouvaient pas être menés à bien, alors que c'était du financement fédéral, en raison de l'interdiction d'accès de ces mêmes acteurs à l'intérieur des prisons. C’est quand même un comble. Il doit y avoir beaucoup plus de transparence sur les conditions de détention. Une personne détenue est une personne vulnérable, qui est à la merci de ses conditions de détention. Elle n'a pas d'autre choix.

Vous savez ce que je pense de la détention à tout va, telle qu'elle se déroule dans notre pays. Il y a en effet des personnes qui n'ont rien à faire en prison, parce que leur santé mentale est complètement dégradée et qu’elles devraient plutôt se trouver à l'hôpital ou dans un centre de soins plutôt qu'en prison. On sait aussi à quel point la prison pousse à la récidive et à reproduire des faits illicites.

Aujourd'hui, ce que dit le médecin, c'est que des personnes, en raison du manque de soins, meurent en prison. Est-ce cela la double peine que les détenus doivent subir? C'est un véritable scandale, dans un pays comme la Belgique. Cela ne doit plus jamais se produire.

J’entends qu’il y a un impératif de sécurité, mais il ne peut pas primer sur la vie ou la mort d'une personne, sur la possibilité de sauver la vie d'une personne, ou, ce qui est encore plus grave dans le cas qui nous occupe cette semaine, il ne peut entraîner le décès d'un pompier en raison des conditions de sécurité, des standards de sécurité de la prison.

Je pense que nous reviendrons encore sur cette question, vu l'incendie qui s'est produit, et les différentes failles que cet incendie a révélées, notamment le fait que les pompiers ont été véritablement pris au piège et que personne ne savait mettre la main sur la clé qui aurait permis de les sauver. C'est complètement délirant et j'espère donc que ce sera la dernière fois qu'un tel incident se produira. Je vous remercie pour les différentes initiatives que vous pourrez encore prendre dans le futur, madame la ministre.

Voorzitter:

Merci, madame Schlitz; ceci nous amène à la fin des questions orales pour cet après-midi. En application de l'article 127, 10 e du Règlement, je considère les questions n° 56004890C de M. Ducarme, n° 56005106C de M. Thiébaut, n° 56005236C de M. Metsu, n° 56005280C de Mme Maouane et n° 56005339C de M. Bacquelaine comme retirées. Notre séance est terminée. Je lève la séance. La réunion publique de commission est levée à 16 h 55. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.55 uur.

De moeilijke arbeidsomstandigheden van stagiairs-verpleegkundigen

Gesteld door

lijst: MR Julie Taton

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Julie Taton kaart aan dat het dalend aantal inschrijvingen (-20%) en hoge uitval in de verpleegopleidingen voornamelijk veroorzaakt worden door zware stageomstandigheden (overbelaste teams, administratieve taken, gebrek aan begeleiding) en slechte arbeidsvoorwaarden (stress, burn-out, deeltijdswerk), wat afstudeerders doet wegstromen uit de sector. Minister Vandenbroucke bevestigt dat stageorganisatie een gemeenschapsbevoegdheid is, maar pleit voor intercabinetsoverleg en een federaal akkoord om werkdruk te verlagen via meer personeel, essentieel voor betere stagekwaliteit; een statutaire herziening voor stagiairs (zoals in het regeerakkoord) wordt onderzocht. Taton benadrukt dat snelle, structurele oplossingen (niet enkel financieel) cruciaal zijn om het beroep aantrekkelijk te houden, met betere kadervoorwaarden voor zowel stagiairs als begeleiders. Kernpunt: de toekomst van de verpleging staat op het spel door systeemfalen in opleiding *en* arbeidsmarkt.

Julie Taton:

Merci, monsieur le président. Le nombre d'inscriptions en moins que l'on constate chaque année dans les écoles d'infirmiers s'élève à 20 %, et à celui-ci s'ajoute le nombre assez important d'étudiants qui arrêtent en plein milieu de leur cursus parce que les stages se passent très mal.

Certes, les stages sont difficiles, prenants et fatigants, et parfois, on peut avoir également un peu du mal à trouver sa place, ce qui complique le fait d'être bien intégré dans les équipes. On demande aussi souvent à des stagiaires de faire des tâches qui sont assez ingrates et administratives. Ces dernières sont très importantes et doivent être faites, mais sont-elles nécessaires à ce stade de la formation des étudiants? Le métier d'infirmier, on le sait, est en crise, et pourtant, en Belgique, le nombre de diplômés est suffisant.

Cependant, lorsque l'on creuse un peu, on se rend compte que beaucoup ne travaillent pas dans ce secteur. Cela montre bien que le problème provient surtout des conditions de travail: temps partiel, fatigue, stress, pression, perte d'envie, burn-out. Le manque de personnel est aussi flagrant, et les équipes sont débordées. Comment dès lors demander à ces équipes de bien réussir à former un, deux, trois, voire quatre stagiaires en même temps, si en fait ils n'en ont pas le temps, alors que cela demande aussi beaucoup de patience et d'énergie, comme je le disais.

Je souhaitais donc, monsieur le ministre, vous entendre sur ces questions. Pour l'encadrement des stagiaires, que proposez-vous pour rendre la situation plus humaine à la fois pour les étudiants et pour les soignants? Est-il envisageable d'augmenter le financement des accompagnements des nouveaux arrivants? Ce serait un levier qui pourrait être intéressant quand on sait qu'aujourd'hui, un seul ETP est financé par hôpital. L'accord de gouvernement prévoit que vous allez étudier avec les entités fédérées la question de créer un statut pour les infirmiers en formation. Où en êtes-vous?

Frank Vandenbroucke:

Chère madame Taton, le recours à des étudiants dans nos établissements de soins est d'une valeur inestimable, non seulement pour leur propre apprentissage, mais aussi pour l'avenir de nos soins de santé.

Comme vous le savez, l'organisation des stages dans le cadre de la formation à l'art infirmier dépend de l'enseignement et relève donc de la compétence des Communautés. Je ne dispose d'aucune compétence réglementaire quant à l'organisation concrète des programmes de stage des étudiants, tel leur horaire de travail. Dans le cadre de leur programme de formation, les étudiants concluent une convention de stage. Ce n'est pas un contrat de travail, mais un contrat entre l'établissement d'enseignement, le lieu de stage et l'étudiant. Bien que tout cela relève de la compétence des Communautés, je crois qu'il faut quand même dialoguer avec mes collègues au sein du groupe intercabinets "Professions de soins". C'est en effet un sujet qui mérite que nous en discutions.

Je suis en train d'étudier ce qui figure dans l'accord de gouvernement au sujet de ce statut que vous avez mentionné. Le gouvernement s'est engagé à examiner cette question. Entre-temps, il me semble important, à l'échelle fédérale, de reconnaître que le contexte général de stress dans les établissements de soins entraîne évidemment un impact sur la qualité des stages. Il me paraît donc essentiel de conclure un accord social dans les années à venir, de sorte que davantage de collègues soient disponibles sur les lieux de travail afin de garantir le contexte moins stressant dont ont besoin ces jeunes stagiaires.

Julie Taton:

Merci beaucoup, monsieur le ministre. Comme vous l'avez dit, c'est de l'interfédéral. Nous avons donc aussi besoin de votre puissance pour faire passer ces messages. Je voulais aussi dire que le but de ma prise de parole aujourd'hui n'était pas de pointer du doigt un stagiaire ou la problématique même de la position de l'infirmier, mais plutôt de mettre en lumière une problématique existante et récurrente depuis de nombreuses années. Je pense qu’il est important d’essayer de trouver une solution le plus rapidement possible pour rassurer ces nouveaux élèves, dans un cadre, aussi. Naturellement, il faudra une structure, des moyens – et pas que financiers – pour le milieu hospitalier, pour qu'il puisse accueillir des étudiants dans de bonnes conditions, pour que cela se passe bien tant pour les étudiants que pour le personnel soignant, que cela se passe bien pour tout le monde. Ce qui est en jeu, c'est l'avenir du métier infirmier, et nous avons bien besoin d'eux. Merci beaucoup.

De indexsprong inzake de pensioenen en de welvaartsenveloppe

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dedonder valt de regering aan voor bezuinigingen op pensioenen (4 miljard besparing, indexatie bevroren voor hogere pensioenen) en verwaarlozing van militairen (4 miljard extra voor defensie, maar geen loonsverhogingen), terwijl banken, energiemaatschappijen en multinationals ontzien worden. Jambon ontkent een algemene indexstop, benadrukt gerichte steun (25–100 mln) voor kwetsbare gepensioneerden en noemt kritiek *"fake news"*, maar Dedonder blijft hameren op oneerlijke lastenverdeling (pensionados vs. winstmakers/fraudeurs).

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, c'est une nouvelle attaque que vous portez aux pensionnés aujourd'hui. Plus d'un million et demi de pensionnés auraient dû voir leur pension adaptée au coût de la vie. Mais ça, ça ne vous plaît pas.

Que ceux qui ont travaillé des années aient le droit maintenant de profiter d'une retraite bien méritée, vous n'aimez pas. Votre soi-disant récompense du travail, ça commence à se voir que c'est du pipeau. Et que dire des militaires? Vous avez réussi à faire dire à l'ensemble des syndicats militaires que vous faisiez montre d'un mépris flagrant envers le métier de militaire, un tel mépris qu'ils ont claqué la porte avant même que votre collègue ait fini sa présentation.

Investir quatre milliards supplémentaires dans la défense et se mettre les militaires à dos, il faut le faire! Ces quatre milliards, ce sera pour du matériel, pour des avions de chasse américains. Rien pour l'humain, rien pour les travailleurs.

C'est une véritable honte. Vous rendez-vous compte qu'ils se demandent si vos mesures sont un plan social ou une déclaration de guerre? Votre parti revient à peine aux manettes et c'est déjà le branle-bas de combat. Les cheminots, eux aussi, ont rejeté leur préaccord à cause de vos mesures sur leur pension.

Vous m'avez dit hier que vous dormez mal. Je comprends. Comme on dit souvent que la nuit porte conseil, je vous propose d'utiliser ces nuits pour penser à toutes celles et ceux que vous allez punir. Sans nuance, sans prise en compte de leur régime de travail, sans prise en compte de la pénibilité du risque que comporte leur métier. Ce réveil, je l'attends et eux l'attendent surtout. Merci.

Jan Jambon:

Madame Dedonder, les trois quarts de votre discours concernaient la Défense.

Ludivine Dedonder:

(…)

Jan Jambon:

Votre cœur est là. Je connais un autre ministre dont le cœur bat aussi pour la Défense. Il travaille des jours et des nuits à cette fin.

S'agissant de l'enveloppe bien-être, qui est l'objet de votre question, je tiens tout d'abord à préciser qu'il n'est nullement question de saut d'index. Nous parlons ici de l'adaptation au bien-être, en plus de l'index. L'indexation automatique des pensions, qui permet leur adaptation automatique à l'augmentation du coût de la vie, est donc maintenue, sauf temporairement pour les pensions supérieures à 5 250 euros par mois. Il faudrait donc arrêter de relayer des fake news à ce sujet. Vous effrayez inutilement les retraités les plus vulnérables.

Cette enveloppe bien-être est mise à zéro sous cette législature. La suspension de l'arrêté royal qui prévoyait une augmentation automatique de 2 % de toutes les pensions de plus de 5 ou de 15 ans est donc une conséquence logique, et qui lui est inhérente, de la suspension déjà décidée de l'enveloppe bien-être sous cette législature. En remplacement de ce système, l'accord de gouvernement prévoit une enveloppe spécifique destinée aux groupes les plus vulnérables: 25 millions d'euros en 2026, montant qui augmentera jusqu'à 100 millions d'euros en 2029. À cet égard, un avis a également été demandé aux partenaires sociaux. Au lieu d'une hausse générale, cette enveloppe spécifique permettra de prendre les mesures ciblées qui sont nécessaires à la préservation du pouvoir d'achat des groupes les plus vulnérables.

Ludivine Dedonder:

Ce n'est quand même pas une fake news que de dire que les pensionnés vont prendre cher. Tous les calculs le démontrent. Le prétexte est de réduire le déficit budgétaire. C’est donc un choix, le choix de faire payer les pensionnés. 4 milliards d'économies sont faites sur leur dos.

Il y a d'autres choix possibles. On voit qu'il y a de la marge, quand on se rend compte que les banques ont fait 8 milliards de bénéfices sur le dos de leurs clients. Et là, qu’avez-vous demandé? Absolument rien. Quand les producteurs d'énergie reversent 6 milliards à leurs actionnaires, que demandez-vous? Absolument rien. 30 milliards de fraude fiscale. 30 milliards de dépenses fiscales au profit des multinationales. Le choix de ce gouvernement est de ne rien leur demander.

Le choix de ce gouvernement est de faire porter la charge sur les pensionnés, notamment. Cela n'est pas du courage, monsieur le ministre. Le courage, c'est de s'attaquer aux plus larges épaules. Vous faites preuve de lâcheté et de facilité.

Voorzitter:

Ik heb goed nieuws over minister Francken. Hij komt namelijk vragen beantwoorden. Het slechte nieuws is dat hij er nog niet is. Minister Crucke is er gelukkig wel en we zullen eerst die reeks vragen behandelen. Het gaat, beter gezegd, om een reeks vraagstellers, want het thema is hetzelfde.

De federale taskforce drugscriminaliteit
De federale taskforce tegen drugscriminaliteit
De oprichting van een federale taskforce ter bestrijding van de drugshandel
Federale taskforce tegen drugscriminaliteit en -handel

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 28 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale taskforce tegen drugscriminaliteit, geleid door de eerste minister, coördineert sinds mei 2025 de uitvoering van het regeerakkoord via tweewekelijkse overleggen (kabinetten Binnenlandse Zaken, Justitie, Financiën) en driemaandelijkse evaluaties met een stuurgroep, gericht op structurele bestrijding van georganiseerde misdaad (niet enkel incidenten) via samenwerking tussen federale, lokale en justitiële actoren. Kritiekpunten zijn gebrek aan zichtbare voortgang op straatniveau (o.a. onderfinanciering federale politie, onvoldoende bescherming havens) en de dringende nood aan budgettaire versterking voor opsporing, handhaving en financiële ontmanteling van drugskartels (bv. via *stop, take and use the money*-strategie). Europa wordt betrokken als prioriteit, maar lokale besturen eisen meer operationele steun (bv. bestuurlijke handhavingswet, versterkte FGP-antennes in Brussel/Antwerpen). De taskforce mikt op diepgaande ontwrichting van criminele netwerken, maar concrete resultaten en middelen moeten nog vorm krijgen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, de federale taskforce om drugscriminaliteit aan te pakken zal door u geleid worden. Deze taskforce is geen overbodige luxe, want elke week worden hier in de commissie voor Binnenlandse Zaken vragen gesteld over de strijd tegen de drugscriminaliteit. Tot voor kort waren er wekelijks schietpartijen in Brussel, gerelateerd aan drugscriminelen die hun strijd gewoon in het openbaar uitvechten. Het is dus zeer belangrijk om het overzicht te bewaren en de coördinatie in goede handen te houden met betrekking tot alle maatregelen opgenomen in het regeerakkoord. Dat zijn er heel wat.

Het zal voornamelijk ook van belang zijn dat alle verschillende niveaus, de deelstaten en de lokale niveaus, en alle verschillende instanties met elkaar samenwerken om de strijd tegen die criminelen te winnen. Het betreft dus niet alleen de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Zij hebben al verslag uitgebracht aan u, mijnheer de eerste minister. Ook de ministers van Financiën en Defensie zullen daarin een belangrijke rol spelen. Ik zal niet alle maatregelen uit het regeerakkoord opsommen, maar zowel nationaal en Europees als internationaal moeten er belangrijke stappen gezet worden.

Kunt u verslag geven van wat de twee ministers tijdens de ministerraad over die strijd tegen het drugsgeweld in Anderlecht hebben toegelicht? Zit daar ook evolutie in?

Wat is de taak van die taskforce? Hoe zal die concreet werken? Is die al samengekomen? Wat is de regelmaat van samenkomst? Op welke manier zal deze verslag uitbrengen?

Op welke manier zult u deze strijd tot een Europese prioriteit maken? Welke maatregelen mogen we daar nog verwachten? Op welke manier kunt u daar nog meer de aandacht op vestigen?

Welke maatregelen uit het regeerakkoord zullen op korte, middellange en lange termijn worden uitgevoerd? Kunt u tevens meedelen welke middelen voor welke maatregelen zijn voorbehouden?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de eerste minister, enkele maanden geleden heb ik u naar aanleiding van de afrekeningen en schietpartijen in Brussel ondervraagd tijdens de plenaire vergadering. Toen hebt u inderdaad de oprichting van een taskforce openbaar gemaakt. We zijn intussen enkele weken en maanden verder, maar het blijft stil rond die taskforce. Ik heb daar sindsdien niets meer over vernomen. Ook de heer Quintin, die ik hierover bevraagd heb tijdens de bespreking van zijn beleidsnota, heeft er niet veel meer over gezegd.

Dat kan twee dingen betekenen: ofwel werkt men in alle stilte verder met die taskforce en gebeurt het achter de schermen, ofwel is er nog niets mee gebeurd. Ik hoop dat de eerste optie klopt. Als dat zo is, dan zijn er toch wel een aantal vragen die dringend moeten worden beantwoord opdat er opheldering zou komen.

Ik herhaal de vragen van mevrouw De Vreese. De situatie is bijzonder ernstig, niet alleen in Brussel. Ik verwijs ook naar de noodkreet uit uw stad, Antwerpen, waar enkele dagen geleden op klaarlichte dag een moord is gepleegd. Buurtbewoners getuigen daarover dat ook daar een grote drugsproblematiek heerst. Drugsbendes zijn er actief. Het zijn allemaal tikkende tijdbommen.

Dat stemt niet alleen ongerust, het noopt ook tot concrete maatregelen. Dat is dan ook wat ik van deze regering verwacht. Ik wil een verschil zien met de vivaldiregering. Ik wil dat de woorden van de N-VA van tijdens de vorige regeerperiode nu eindelijk in daden worden omgezet. Daarom heb ik enkele concrete vragen.

Wat is de concrete meerwaarde van deze taskforce? Werden er al maatregelen genomen? Zijn er budgettaire inspanningen voorzien om die drugsproblematiek – of eigenlijk de georganiseerde criminaliteit – op ons grondgebied definitief uit te schakelen?

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, le fait que le gouvernement fasse de la lutte contre le narcotrafic une priorité est positif et essentiel. Nous vous soutiendrons dans cette lutte. Le narcotrafic est sans doute l'une des plus grandes menaces qui pèse aujourd'hui sur nos démocraties, et je pèse mes mots. Cette criminalité ronge nos villes, concerne tous les milieux, a des conséquences en chaîne en santé, en justice, en sécurité. Les exemples à l'étranger nous le montrent: une fois que le narcotrafic a pris possession d'un territoire, il est très difficile de l'en extirper.

L'accord de gouvernement mentionne en effet cette task force, avec un certain nombre de composantes et de priorités. Après trois mois, il me semble intéressant de savoir où nous en sommes et si les travaux ont débuté. Cette task force a-t-elle bien été mise en place? Sinon, le sera-t-elle bientôt? Va-t-elle, comme prévu, associer des acteurs du monde judiciaire, essentiels à bien des égards? Je pense à l'activisme bienvenu du nouveau procureur du Roi. Dans quels délais votre gouvernement s'engage-t-il à obtenir des résultats?

Enfin, deux points me paraissent nécessaires pour bien mener cette lutte: l'augmentation des mesures de contrôle humain et technique dans les zones portuaires et aéroportuaires en vue de la détection de stupéfiants, et puis les mesures de protection à proposer aux dockers et au personnel administratif du port d'Anvers, qui sont approchés et menacés par les membres d'organisations criminelles.

Bart De Wever:

Cela fait maintenant plusieurs mois que cette task force a été mise en place. Son objectif principal est de coordonner la mise en œuvre des mesures prévues dans l'accord de gouvernement. Il s'agit entre autres de mesures que vous avez mentionnées, monsieur De Smet, pour protéger les gens qui travaillent dans le port et qui sont approchés par la criminalité organisée.

L'accord de gouvernement contenait en effet de nombreux éléments visant à lutter contre cette problématique et à protéger notre sécurité intérieure en général. Citons par exemple l'approche intégrée en matière de criminalité organisée, le renforcement des départements de sécurité, la relance du Plan Canal, l'élaboration du Stroomplan 2.0, etc. La task force veillera en outre à une collaboration plus intense et à une approche approfondie entre les différentes compétences.

Wij zijn er net als u allen van overtuigd dat dit echt wel nodig is. Wij zullen de krachten moeten bundelen en in verenigde slagorde gecoördineerd moeten optreden. Het regeerakkoord zit op het vlak van de geplande hervormingen goed in elkaar en is ambitieus. Alles moet echter nog doorgevoerd kunnen worden.

Het belang dat wij daaraan hechten, mag ook blijken uit het feit dat ik als eerste minister heb gevraagd om de taskforce zelf te mogen voorzitten. Dat is toch een signaal van het belang dat de huidige regering en zeker ikzelf aan de drugscriminaliteit hechten.

Hoe werken wij? De taskforce bestaat uit vertegenwoordigers van de verschillende kabinetten. Dat is in de kern BiZa of Binnenlandse Zaken, Justitie en de eerste minister. Die vertegenwoordigers zitten elke twee weken samen om op te volgen hoe het regeerakkoord in actie moet worden omgezet. Vrijdag 23 mei 2025 zijn zij voor de derde keer bijeengekomen. Ad hoc kunnen ook nog andere kabinetten aansluiten of uitgenodigd worden. Vorige vrijdag zat het kabinet Financiën mee aan tafel. Wellicht zal dat kabinet nog een heel tijdje of zelfs permanent aan tafel blijven. Wij hebben het immers voor heel veel zaken nodig. Dat is evident.

De taskforce volgt elke hervorming op die in het regeerakkoord is beschreven. De bedoeling is uiteraard om tot een uitrol te komen en op tijd te detecteren indien en waarom dat niet lukt, daaraan te remediëren en het indien nodig te escaleren naar de stuurgroep. Wie is de stuurgroep? Dat ben ikzelf samen met de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken. Wij zien elkaar elke drie maand. Dat hebben wij op die manier afgesproken. Mocht het nodig zijn, dan kan de groep uiteraard altijd samenkomen. Volgende keer zullen wij elkaar op 16 juli 2025 in principe voor het eerst na drie maanden werken zien, teneinde op te lijsten waar wij staan met de uitvoering van het regeerakkoord, na te gaan op welke punten het vlot of niet vlot loopt en te bekijken hoe dat komt. Dat zal op die manier worden gerapporteerd.

Over het gecoördineerde aspect van de hervormingen heb ik het al gehad. Uiteraard kan de stuurgroep ook rapporteren over de vooruitgang, de knelpunten en de moeilijkheden.

Naar mijn smaak verloopt de samenwerking vooralsnog constructief. Het is van uitermate groot belang dat wij op korte termijn de timing voor het uitrollen van de maatregelen uit het regeerakkoord kunnen bepalen en dat wij er bij de opmaak van de begroting over waken dat de nodige budgetten altijd zijn voorzien. Ik reken op de medewerking van mijn collega-ministers, die dankzij de interdepartementale provisie ook middelen zullen helpen vrijmaken.

Tot zover het antwoord. Ik wil daar nog iets aan toevoegen, omdat u dit altijd zo concreet aan het straatgeweld koppelt, wat ik begrijp. Dit is immers bijzonder verontrustend en ontwrichtend in steden zoals Brussel, waar men vaak terreinoorlogen ziet, en Antwerpen, waar het vaak gaat om geweld tussen criminelen onderling op het niveau van de groothandelaars in de plaats van de straatdealers. Dat is natuurlijk slechts de laatste schakel in het geheel van de georganiseerde criminaliteit waarop de taskforce zich richt. Ik denk dat het belangrijk is dat die taskforce in de diepte doorwerkt op de structuren van de criminele organisaties die, wanneer men hen ongemoeid laat, zich jaren later vertalen in gewelddelicten die op straat worden gepleegd.

Het voorbeeld van Nederland spreekt boekdelen. Het feuilleton dat men daar heeft gezien, speelt zich met enige vertraging ook bij ons af. Ik vind het wel belangrijk om niet de misvatting te laten ontstaat dat de taskforce alleen bijeenkomt wanneer er zich een incident voordoet. Zo werkt het uiteraard niet. De taskforce moet vooral in de diepte aan de georganiseerde criminaliteit werken. Dat staat ondertussen niet in de weg dat de minister van Binnenlandse Zaken en zeker ook de lokale verantwoordelijken, zoals de burgemeesters, alles moeten en kunnen doen om de openbare orde te waarborgen. Zij verdienen daarbij uiteraard ook alle steun.

Ik wil niet de misvatting laten groeien dat er voor elk incident op straat onmiddellijk een vergadering van de taskforce of een stuurgroep zou worden bijeengeroepen om zich daar specifiek mee bezig te houden. Het is slechts een onderdeel van een veel groter geheel.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor het antwoord.

Ik ben blij dat u dat ook op Europees niveau op de kaart zet. Dat dit van de eerste minister komt, is een fors signaal. Ik vermoed dat heel wat landen van de Europese Unie met dezelfde problemen te kampen hebben.

Het is belangrijk dat we die structuren vanop het federale niveau diepgaand aanpakken, maar ook het bestuurlijke en het gerechtelijke niveau moeten deze problematiek samen aanpakken. Ik vind de wet betreffende de bestuurlijke handhaving in dat kader heel belangrijk. Geef de lokale besturen de nodige handvaten. Zij zitten immers vaak met de handen in het haar als zij initiatieven willen nemen in bepaalde zaken waarvan ze weten dat die niet in orde zijn, terwijl ze niet weten hoe ze die moeten gaan aanpakken. Het is dus wenselijk om daarop te focussen. Het Parlement kan dan via die stuurgroep extra informatie krijgen wanneer het dat noodzakelijk acht.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de verduidelijking.

Die taskforce gaat wellicht veel breder, dieper en coördinerend, veel verder dan de steekvlampolitiek die wij gewoon zijn. Daarover zal ik u dus niet bekritiseren. Iets waar ik wel wat problemen mee heb, is dat er op het terrein zelf te weinig wordt gedaan. Dat is wat de burger aanvoelt en te zien krijgt in zijn wijk, in zijn straat. Daar laat men steken vallen.

U verwijst terecht naar het feit dat de lokale burgemeesters ook een verantwoordelijkheid hebben. Dat is zeker waar, maar u weet evengoed dat de aanpak van de georganiseerde criminaliteit ook een federale component heeft. Ik verwijs naar de federale gerechtelijke politie die deze taak op zich zou moeten nemen, maar die, zoals u weet, onderbemand en ondergefinancierd is. Daarom heb ik u deze vraag gesteld. Neem daarvoor de noodzakelijke budgetten op in uw begroting. Versterk de FGP. Schaf de antennes van de FGP niet af, maar versterk ze, zowel in Antwerpen als in Brussel, waar de nood het hoogst is.

Deze commissie heeft de commissaris-generaal van de federale politie uitgenodigd voor een hoorzitting. Ik hoop dat de heer Snoeck grote kuis zal houden binnen zijn diensten en eindelijk eens de puntjes op de i zal zetten. De situatie is ernstig en moet op een ernstige manier worden aangepakt.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il est exact que les échanges de tirs entre bandes armées ne constituent que l'écume des choses. D'une certaine façon, c'est le bout de la chaîne. De plus, il est vrai que l'on ne résoudra pas ce problème uniquement avec du bleu dans les rues, mais également – comme je le dis souvent – avec du bleu derrière les écrans. Je pense à une proposition en particulier, qui figure dans votre accord, et je vous invite à aller beaucoup plus loin et plus rapidement en ce domaine, à savoir tout ce qui touche le portefeuille de ces trafiquants. Comme nous le savons, vu les profits vertigineux engendrés par ces trafics et le pouvoir financier et de corruption extraordinaire qui est ainsi conféré à leurs bénéficiaires, il n'y a que cette méthode qui fonctionne. Par conséquent, parmi toutes les mesures que vous êtes en train de prendre, toutes celles qui concernent stop, take and use the money sont, à mon avis, les plus efficaces. Nous vous soutiendrons en ce sens.

De stijgende onrust bij de artsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke (Volksgezondheid) botst met artsensyndicaten die hem monoloog, wantrouwen en salamitechniek verwijten, met klachten over gedwongen beleidsvolging, afhankelijke financiering en demonisering (bv. meldpunt ziektebriefjes). Hij benadrukt noodzakelijke hervormingen en dialoog, maar de sector ziet geen structurele oplossingen (bv. uitgestelde nomenclatuurhervorming) en vreest een duurzaam tekort van €500 miljoen in 2026. De kern: conflict tussen topdown-beleid en sectorweerstand, met risico op verder vertrouwenverlies en zorgondermijning.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u bent 100 dagen ver in uw tweede termijn als minister van Volksgezondheid. U hebt dus al vijf jaar de tijd gehad om aan een vertrouwensband met onze zorgverstrekkers te bouwen. Althans, ik zou denken dat zij ondertussen uw natuurlijke partners zijn.

Jammer genoeg moeten we vaststellen dat dat niet zo is, mijnheer de minister. De artsen voelen zich niet gehoord. Dat lazen we gisteren nog eens in een persbericht van de artsensyndicaten. Het was niet het eerste persbericht; het zal wellicht ook niet het laatste zijn. Het klinkt ondertussen echt wel als een noodkreet.

Ik citeer uit hun bericht: "Waar een dialoog zou moeten plaatsvinden, wordt gebotst op een monoloog." Ik denk dat het over u gaat, mijnheer de minister.

Voor ons is het heel duidelijk. Het fundamentele probleem waar de artsen tegen aanbotsen, is uw model van conflict en wantrouwen. Ik begrijp niet dat u niet kiest voor een model van samenwerking. U had al ruzie met de huisartsen. U holt hun functie uit. U zorgt ervoor dat de teleconsultaties worden afgeschaft.

Nu verplaatst het zich naar de artsensyndicaten. Niet voor niets hebben zij hun krachten gebundeld en hebben zij een persbericht uitgestuurd waarin ze vijf rode lijnen trekken ten opzichte van het beleid dat u voert. Als u het mij vraagt, is dat redelijk harde taal voor een doorgaans zachte sector.

Mijnheer de minister, mijn vraag is duidelijk. Zult u het conflict blijven opzoeken, vanuit uw eigen grote gelijk? Of zult u eindelijk stoppen met preken en spreken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, we moeten investeren in onze gezondheidszorg, maar we moeten ook hervormen, en grondig hervormen. Als we de dingen op hun beloop laten, zal het geld niet terechtkomen waar de grootste noden zich bevinden. Als we ruimte willen creëren om aan nieuwe noden tegemoet te komen, is hervorming echt noodzakelijk. Daarover spreek ik.

Sinds het aantreden van de nieuwe regering heb ik al verschillende keren op het hoogste niveau samengezeten met vertegenwoordigers van alle artsenorganisaties. Ik heb hun overigens al maanden geleden gevraagd om met voorstellen te komen en ik heb geluisterd naar die voorstellen. Voor zover er voorstellen zijn, zal ik daarop voortbouwen. Ik zal die dialoog ook voortzetten, want die is absoluut noodzakelijk.

Ik denk overigens dat ook de achterban van de artsenorganisaties die mening deelt. We moeten samen investeren in de gezondheidszorg en samen hervormen. Niemand kan zich daaraan onttrekken, de politiek niet, maar ook de artsenorganisaties niet. De uitnodiging om met voorstellen te komen, om daar samen werk van te maken en erover te overleggen, blijft dus gelden. We zullen op dat pad verdergaan.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de sector zegt nee tegen uw salamitechniek. U wilt duidelijk een voorafname doen door het conventiemodel gewoon door te duwen, zonder de nomenclatuur en de ziekenhuissector te hervormen. De artsensyndicaten verwijten u trumpiaans gedrag, omdat u hun financiering afhankelijk wilt maken van de mate waarin ze uw beleid volgen. Niet ik zeg dat, zij zeggen dat, mijnheer de minister. U wilt een meldpunt voor foutieve ziektebriefjes, u demoniseert de artsen, u holt een functie uit die nochtans cruciaal is in onze gezondheidszorg. Inderdaad, het tekort voor 2026 loopt inmiddels op tot een half miljard euro; dat lazen we vandaag nog in de kranten. Op die manier zal het gezondheidsbeleid niet op een duurzame manier hervormd kunnen worden. Of wilt u misschien een gezondheidszorg zonder artsen, mijnheer de minister?

Het zorgpersoneel
De betoging van de zorg- en de non-profitsector
Protesten in zorg en non-profit

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de noodkreten van het zorgpersoneel en de politieke reacties op personeelstekorten, werkdruk en pensioenhervormingen. Vooruit (Bertels/Vandenbroucke) benadrukt 3,9 miljard extra investeringen, loonindexering, administratieve verlichting en een sociaal akkoord om het beroep aantrekkelijker te maken, terwijl Merckx (ptb) de onhaalbare pensioenleeftijd (67 jaar), gebrek aan concrete verbeteringen op de werkvloer en hypocrisie van de regering aanklaagt, die volgens haar mee de sociale afbraak bestuurt. De minister belooft wettelijke garanties voor lonen en opleidingen, maar Merckx blijft sceptisch over de praktische uitvoerbaarheid en impact op langdurige zorgverleners.

Jan Bertels:

Met je ziek kind naar de huisarts, met je zwangere echtgenote op controle of met je ouders of grootouders naar de spoed omdat ze gevallen zijn, Vooruit weet maar al te goed hoe belangrijk onze zorgverleners zijn. Zij staan dag en nacht klaar om anderen te helpen. Hun werk is essentieel. We kunnen niet zonder. Zonder zorgpersoneel geen zorg, zonder artsen geen zorg.

Het valt niet te ontkennen dat zij in uitdagende tijden werken. Er zijn personeelstekorten en onze bevolking wordt steeds ouder. Dat is het mooiste bewijs dat onze welvaartsstaat werkt, maar het zet ons systeem wel onder druk. Net daarom moeten we de bezorgdheden van ons zorgpersoneel ernstig nemen door te blijven investeren en te hervormen, niet door alles bij het oude te laten.

Met Vooruit zullen we dat blijven doen, ook nu, want dat is nodig. We investeren meer dan 3,9 miljard extra in de zorg en hervormen voor betere werkomstandigheden. We maken het beroep aantrekkelijker en zorgen voor een doorgedreven samenwerking, zoals de zorgsector dat vraagt. Samenwerking, mevrouw De Knop. We maken komaf met tijdrovende administratie en paperassen, zodat ons zorgpersoneel de tijd heeft om te doen wat het het liefst doet, namelijk zorg dragen voor anderen.

Mijnheer de minister, de zorgsector kwam vandaag op straat. Wij begrijpen hun bezorgdheden. Zij rekenen op Vooruit en op u om hen te beschermen en te ondersteunen. Wat zult u doen voor ons zorgpersoneel?

Sofie Merckx:

Ce matin, j'étais dans les rues de Bruxelles avec énormément de soignants. Des gens venus du Nord, du Sud, des maisons de repos, des hôpitaux, du secteur de la petite enfance et des entreprises de travail adapté. Franchement, cela m'a vraiment donné la pêche! Je me suis dit: "Ensemble, on va faire reculer ce gouvernement".

Ce matin, j'ai rencontré Julienne, une personne vraiment fantastique, solaire. Elle m'a dit: "Sophie, moi le matin, je vais à la maison de repos. Je suis contente de mon travail. J'adore mon travail. Les résidents sont contents de me voir et je suis contente de les voir."

Mais elle est inquiète. Elle me dit: "Sophie, on doit toujours en faire plus avec moins. J'ai 47 ans, comment vais-je faire pour encore travailler 20 ans de plus, jusqu'à mes 67 ans?" Elle me dit: "Les ministres, ils ne se rendent pas compte. Qu'ils viennent travailler, ne serait-ce qu'une semaine, pour voir à quel point la charge de travail est lourde. Laver les résidents, leur donner à manger, les changer, c'est un travail extrêmement lourd."

Selon Les Engagés, la santé est la priorité, mais je vous le demande: où est l'argent pour les soins de santé? En quelques semaines, vous avez trouvé des milliards pour la guerre! Où est l'argent pour les soins de santé? On ne le voit pas sur le terrain. C'est ce que les gens disent.

Monsieur le ministre, ne pensez-vous pas qu'avec vos mesures concernant les pensions, vous allez aggraver la pénurie? Un accord social est-il prévu pour (...)

Frank Vandenbroucke:

Collega's, één conclusie kan getrokken worden uit de grote betoging in Brussel: we moeten zorg dragen voor ons zorgpersoneel. In ziekenhuizen, woon-zorgcentra en de thuisverpleging staan er mensen dag en nacht klaar voor ons. Wij moeten dan ook dag en nacht klaarstaan voor hen.

Wij moeten inderdaad hun koopkracht beschermen. Mevrouw Merckx, niet voor niets heeft het kernkabinet vannacht beslist dat we zeer duidelijk zullen maken in de wetgeving dat aan de indexering van de lonen van het personeel in de ziekenhuizen niets zal veranderen. Daarover moet men zich geen zorgen maken. Overigens, met betrekking tot alle cao's van toepassing op werknemers die werken in de non-profitsector, er zal niets veranderen aan het indexeringsmechanisme. U hoeft die vraag dus zelfs niet meer te stellen. Dat zal heel duidelijk worden in de wetgeving, zo hebben we vannacht beslist.

We moeten er inderdaad voor zorgen dat voldoende mensen kiezen voor de zorg. Het is dus ook niet voor niets dat vannacht in het kernkabinet bevestigd werd dat mensen ook in een situatie van werkloosheid, studies zullen kunnen voleindigen die leiden naar kritieke functies in de zorg. Het is heel belangrijk om dat duidelijk te hebben voor de toekomst. Net alleen in woorden, maar ook in praktische daden moeten we zorgen voor het zorgpersoneel.

We moeten inderdaad verder gaan. U hebt gelijk, mijnheer Bertels. Eerlijke en goede verloning is essentieel. De werkdruk moet verminderd worden, niet alleen door te zorgen voor instroom dankzij opleidingen waartoe mensen aangetrokken worden, maar ook door te investeren in een nieuw sociaal akkoord. Daarin zal ongetwijfeld de vraag om nog meer zorgpersoneel aan de orde zijn.

We moeten deze beroepen inderdaad hervormen om ze interessanter te maken, om ze te bevrijden van allerlei paperasserij en lasten, om toe te laten dat mensen op een vlotte manier samenwerken, iedereen met betrekking tot waarvoor die opgeleid is, met betrekking tot haar of zijn roeping. Daarvoor moeten we zorgen.

Collega's, we zullen inderdaad investeren in een sociaal akkoord en we zullen dat doen in overleg met de werkgevers en de werknemers uit de betrokken sectoren. De voorbereidingen zijn al gestart en er zijn reeds contacten gelegd. Tijdens de vorige legislatuur hebben we achter de schermen samen met de werkgevers en werknemers uit de hele federale gezondheidszorg talrijke vergaderingen georganiseerd om een duidelijke agenda uit te werken. Wat zijn de prioriteiten? Wat zijn de grootste bezorgdheden van het zorgpersoneel? Het gaat om een eerlijke verloning, om de werkdruk, om voldoende handen aan het bed, om meer ondersteuning en minder administratieve rompslomp, om interessante opleidingsmogelijkheden en, inderdaad, om respect voor bestaande cao’s en voor de geldende indexeringsprincipes. Daar strijden we voor, dag na dag, in deze regering, net zoals in de vorige.

Jan Bertels:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw concrete antwoorden. Ze tonen duidelijk aan waar we het verschil maken.

Wij, de Vooruitfractie, en u als minister begrijpen als geen ander de bezorgdheden van ons zorgpersoneel, gisteren, vandaag en morgen. Andere partijen roepen vanaf de zijlijn en zaaien angst en paniek. Dat is gemakkelijk. Vooruit neemt wel zijn verantwoordelijkheid en blijft in de regering onvermoeibaar strijden voor ons zorgpersoneel. U hebt zonet de concrete voorbeelden gehoord: extra middelen voor het zorgpersoneel en investeringen in een sociaal akkoord.

Om de eerste minister even te parafraseren: we vertellen geen sprookjes, we maken niet alleen filmpjes voor sociale media, maar we besturen en we maken het verschil op het terrein.

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, u hebt een van de vragen die ik heb gesteld handig ontweken. Ik heb u gevraagd hoe een verpleegkundige van 47 jaar die al twintig jaar werkt het zal moeten volhouden om tot de leeftijd van 67 jaar te blijven werken. U weet immers ook dat dat niet haalbaar is. Iedereen weet dat dat niet haalbaar is. Hoeveel vrouwen werken er niet halftijds in de zorg, waardoor zij de pensioenmalus zullen moeten ondergaan? U verplicht iedereen om tot 67 jaar te werken, maar dat is onhaalbaar. U hebt het over verantwoordelijkheid nemen en aan de zijlijn staan. Ik sta tussen de mensen en tussen het zorgpersoneel om te vechten tegen de maatregelen van Vooruit. U beweert op de rem van de sociale afbraak te staan, maar u zit mee aan het stuur. Zonder de stemmen van uw partij heeft de huidige regering immers geen meerderheid om onze pensioenen af te breken en aan de index te morrelen. Die meerderheid is er dan niet. Daarom zullen wij blijven strijden. Wij vragen ons oprecht af waarom dat (…)

De nieuwe besparingsronde in de gezondheidszorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir hekelt de bezuinigingen van 2 miljard euro in de gezondheidszorg tegen 2029, met wachttijden van acht maanden bij gynécologen, overbelaste verplegers en onderfinancierde ziekenhuizen als directe gevolgen, terwijl minister Vandenbroucke reformeert om "prioritaire noden" te financieren via strengere voorschriften (bv. medicatie-overconsumptie) en efficiënter middelgebruik in een vergrijzende samenleving. Désir noemt dit "austere kortzichtigheid" die patiënten, personeel en ziekenhuizen verder verzwakt, terwijl Vandenbroucke extra investeringen koppelt aan structurele hervormingen om de zorg betaalbaar en kwalitatief te houden. De kern: budgettaire druk vs. systeemverandering om instorting te voorkomen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, récemment, comme le font toutes les femmes, j'ai appelé l'hôpital pour avoir un rendez-vous avec mon gynécologue. Savez-vous quel était le premier rendez-vous disponible, monsieur le ministre? Précisément huit mois plus tard. C'est la même chose chez bon nombre de médecins, avec toutes les conséquences dramatiques que de tels délais peuvent avoir en termes de diagnostic ou de traitement pour les patients.

Il y a quelques mois, monsieur le ministre, un jeune infirmier de 26 ans m'a confié qu'il envisageait déjà de changer de métier parce que dans l'hôpital où il travaille, il a tellement peu de temps à consacrer à ses patients qu'il considère qu'il doit être maltraitant. Ce sont ses mots. Ce n'est évidemment pas pour cela qu'il s'était engagé dans cette profession. Des témoignages comme celui-là ont été nombreux lors de la manifestation de ce matin.

Ces deux exemples nous montrent qu'il ne faut pas être expert pour comprendre que les besoins en matière de santé sont immenses. Depuis des mois, vous nous répétez: "Non, non, non, il n'y aura pas d'économies dans la santé". Je vous le dis encore: bien sûr que si. Les documents budgétaires que nous avons analysés sont incontestables. Deux milliards d'euros d'économies auront un impact sur la santé d'ici 2029.

Depuis des mois, nous vous mettons ces chiffres-là sous les yeux, encore et encore. Je sais que je vous épuise lors de nos échanges, à vous ressasser que le budget sera insuffisant, que vous n'allez pas pouvoir faire face aux dépenses et que vous ne pourrez pas répondre à l'ensemble des besoins qui sont pourtant criants. Et qu'apprenons-nous aujourd'hui? Qu'avec le carcan budgétaire que vous imposez, vous devrez faire 500 millions d'euros d'économies dans les soins de santé en 2026.

Monsieur le ministre, vous nous avez redit la semaine dernière que les robinets ne pouvaient pas rester ouverts. Nous constatons en effet que vous les fermez complètement, avec des conséquence dramatiques pour les patients, les soignants et les hôpitaux.

Monsieur le ministre, sur le dos de qui allez-vous réaliser ces centaines de millions d'euros d'économies?

Frank Vandenbroucke:

Chère collègue, garantir les meilleurs soins et des soins abordables pour toutes et tous est un combat quotidien.

Des moyens supplémentaires sont nécessaires. Il faut investir dans les soins! Ces moyens supplémentaires seront accordés avec une norme de croissance parfaitement comparable à celle de la législature précédente.

Cependant, il faut aussi réformer. En effet, les nouvelles estimations techniques de l'INAMI nous montrent ce qu'il se passera si nous laissons les choses suivre leurs cours – à politique inchangée, comme on le dit dans notre jargon. Dans ce cas, le résultat sera: ouvrir les vannes plutôt que d’orienter les moyens dont nous disposerons vers les besoins prioritaires.

Investissements et réformes vont donc de pair. Ces réformes sont aussi difficiles qu'urgentes, car le défi est de taille dans une société vieillissante. Voilà le défi réel!

Je proposerai donc un programme de réformes conséquent. Il devra être concrétisé dans les semaines et les mois à venir. Il est essentiel de changer le comportement prescripteur de médicaments partout où il y a un déficit d'efficacité. Nous devons appliquer la législation de façon rigoureuse et changer des pratiques de surconsommation qui existent dans nos soins de santé, en concertation avec les secteurs, qui ont la responsabilité de s'y atteler.

En bref, il est temps de lancer un vaste programme de réformes. Il faut davantage de moyens pour notre santé mais aussi plus de santé pour nos moyens.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, votre gouvernement va faire payer le prix fort au secteur de la santé. Pourtant, on sait que désinvestir dans les soins se paie cher et avec intérêts.

Nous pensons que vos choix sont mauvais. Il faut permettre aux patients de trouver un médecin dans des délais raisonnables. Il faut mieux rembourser certains médicaments ou certains soins. Il faut revaloriser les métiers du soin et améliorer les conditions de travail des soignants – à cet égard, le budget n'est pas prévu. Il faut mieux financer les hôpitaux. Pour tout cela pourtant, ce sera Niet !

Quand nous étions à vos côtés sous la précédente législature, nous avons massivement investi dans la santé. Ce gouvernement y met un coup d'arrêt. Cela va être l'austérité et des économies dans ces secteurs ô combien essentiels. Il nous semble que c'est une erreur majeure.

Nous avons traversé des crises, et nous allons en traverser encore, c'est indéniable. Mais sans un système de soins de santé robuste et résilient, nous ne pourrons tout simplement pas y faire face.

Voorzitter:

De volgende vraag van de heer Dedecker was blijkbaar even in het systeem blijven hangen waardoor ze niet op de agenda stond, maar ze was wel degelijk op tijd ingediend.

De oproep van de OCMW’s tot meer duidelijkheid over de beloofde extra steun
De impact op de OCMW's van de beperking van de werkloosheid in de tijd
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Impact van beleid op OCMW's en werkloosheidsuitkeringen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 22 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De OCMW’s waarschuwen voor een overbelasting door de gefaseerde beperking van werkloosheidsuitkeringen (vanaf 2026), die naar schatting 113.000 werklozen (waaronder 35.000+ bij OCMW’s) zonder inkomen dreigt achter te laten, terwijl ze al kampen met te veel administratie, voorschotten op uitgestelde federale uitkeringen en een tekort aan personeel. Minister Van Bossuyt belooft extra middelen vanaf 2026 (geen 2027), gekoppeld aan instroomcompensatie en activeringsresultaten, en wil quick wins zoals versoepelde diplomavereisten voor maatschappelijk werkers en oplossingen voor voorschotproblemen met Vandenbroucke, maar concrete verdeelsleutels en timing ontbreken nog, wat onrust zaait. Kritiekpunt: OCMW’s vrezen onhaalbare begeleidingsdoelen voor een moeilijke doelgroep (die VDAB/Actiris niet activeerde) en eisen meer tijd, geld en mankracht om verdrinking te voorkomen, terwijl oppositie en meerderheid vertrouwen in de hervorming benadrukken maar praktische uitvoering onzeker blijft.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, de noodkreet van maatschappelijk werkers klinkt steeds luider. Dat kunnen we vaststellen na zestig uren hoorzittingen over de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht, maar ik concludeer dat ook uit mijn gesprekken met maatschappelijk werkers, want ze zeggen mij allemaal dat ze echt aan hun limiet zitten. Ze krijgen steeds meer aanvragen te verwerken. Er is heel veel administratief werk. Ze moeten voorschotten uitbetalen op uitkeringen terwijl er onduidelijkheid blijft bestaan over federale steun. Het water komt hen niet tot aan de lippen, maar ver erboven, zo zeggen ze.

Die situatie raakt de maatschappelijk werkers in het diepste van hun zijn. Zij hebben bewust voor hun job gekozen en ze willen niets liever dan hulp en perspectief bieden aan mensen in armoede. Maar wie zelf aan het verdrinken is, kan anderen niet redden.

In alle steden en gemeenten botsen de OCMW's op hun limieten, op dezelfde structurele problemen. Onze Vooruitschepenen in Gent, Brugge en Turnhout trokken al aan de alarmbel. Zij staan klaar om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Ze willen niets liever dan mensen in armoede te begeleiden naar werk. Dat kan echter alleen maar als ze daarvoor extra tijd, middelen en personeel hebben. Alleen op die manier kunnen we er ook voor zorgen dat mensen in armoede de begeleiding krijgen waar ze recht op hebben.

De regering heeft afgelopen nacht beslissingen genomen over de gefaseerde uitrol van de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ik vind het heel verstandig om dat gefaseerd in te voeren. Mevrouw de minister, de vraag die overblijft is of u vandaag duidelijkheid kunt geven over de middelen en de timing die aan de OCMW's beloofd zijn, zodat zij zich tijdig en deftig kunnen voorbereiden op die (…)

Nahima Lanjri:

Collega's, er is een akkoord, de werkloosheidsuitkeringen zullen vanaf 1 januari 2026 beperkt worden in de tijd. Dat is een goede zaak, want werken moet lonen voor cd&v. Deze maatregel wordt ook breed gedragen, in deze regering, maar ook bij de publieke opinie.

Mevrouw de minister, ik vraag me wel af of dit werkbaar zal zijn voor onze OCMW's. Zij zetten zich dag in dag uit in voor de kwetsbaarsten in onze samenleving, en zo hoort het ook. Binnenkort zullen zij echter overspoeld worden met extra werk. We mogen hen en al die maatschappelijk werkers niet laten verdrinken. We weten vandaag al dat er ongeveer 113.000 werklozen zullen uitstromen en dat ongeveer een derde van hen zal aankloppen bij het OCMW. En waarschijnlijk is dat zelfs nog een onderschatting en zullen het er meer zijn in de praktijk.

De OCMW's zeggen dat het onmogelijk is om dan alle sociale onderzoeken binnen de maand te doen. En dus trekken zij aan de alarmbel. Het is dan ook heel goed dat de regering vannacht heeft beslist om die maatregel gefaseerd in te voeren, zodat ze niet allemaal op 1 januari aan de deur van het OCMW staan.

Extra leefloners betekent uiteraard ook extra begeleiding, extra mankracht, extra geld voor al die leeflonen. In het regeerakkoord staat dat er vanaf 2027 ook extra geld zal gaan naar de OCMW's. Al vanaf januari 2026 is er echter nood aan extra geld, want dan zal de eerste groep langdurig werklozen die geen bestaansmiddelen hebben, aankloppen bij het OCMW.

Vanaf dan zullen er meer handen nodig zijn aan het loket om al die mensen te begeleiden. Zullen die extra middelen er zijn vanaf begin 2026 en niet pas vanaf 2027? Ik hoop dat dat zo zal zijn en wij steunen u daarin.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, de beperking van de werkloosheid in de tijd zal een impact hebben op de OCMW's. We moeten daar heel veel begrip voor hebben. Laat dat heel duidelijk zijn.

Het is een maatregel die niet op zichzelf staat, maar die samenhangt met een aantal andere zaken waarin het regeerakkoord van Arizona voorziet, zoals de responsabilisering van de OCMW's. Zij die zullen doen wat ze horen te doen, namelijk inzetten op maatschappelijke integratie en activering, zullen royaler ondersteund worden. Ik lees in het regeerakkoord ook dat het sanctioneren en het schorsen wordt vergemakkelijkt indien niet voldaan wordt aan de belangrijke voorwaarde van werkbereidheid.

We moeten het grote plaatje bekijken en ik durf hier de suggestie te doen om te kijken naar een aantal oorzaken van de toegenomen werkdruk die losstaan van de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ik zie vandaag dat heel veel OCMW's een soort voorportaal van de sociale zekerheid zijn geworden, waardoor heel wat mensen die wachten op een invaliditeits- of werkloosheidsuitkering noodgedwongen tijdelijk bij het OCMW terechtkomen. De uitbetalingsinstellingen van de sociale zekerheid hebben ten tijde van corona immers hun dienstverlening moeten downsizen, maar die is vandaag nog altijd niet tot hetzelfde niveau teruggebracht. Volgens mij bestaan er nog quick wins die losstaan van de beperking van de werkloosheid in de tijd.

Mevrouw de minister, hebt u begrip voor de terechte bezorgdheden van de OCMW's? Komt er een concreet antwoord? Bent u het met me eens dat er nog andere quick wins zijn die mee de werkdruk kunnen verlagen?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Lanjri, mijnheer Raskin, ik heb absoluut begrip voor de bezorgdheden in de sector. Net als bij alle andere noodzakelijke grote hervormingen leidt verandering nu tot ongerustheid. Met de gefaseerde invoering, waarover vannacht een akkoord bereikt is, komen we voor een stuk tegemoet aan die bezorgdheden. Bovendien, mevrouw Lanjri, hebben we ervoor gezorgd dat de hervorming van de werkloosheidsuitkering door de beperking in de tijd gelijke tred houdt met de compensatie van de OCMW's voor de instroom aan nieuwe klanten vanaf januari 2026.

Mijn kabinet en ik zijn dagelijks in gesprek met de sector en met de lokale besturen om de impact van de maatregel in kaart te brengen, en ook om te zorgen voor een tijdige communicatie aan de OCMW's wanneer er een akkoord wordt bereikt over de verdeling van de middelen.

De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd blijft inderdaad – u hebt er allemaal naar verwezen – een van de belangrijkste maatregelen van de regering voor de arbeidsmarkt. Er moeten zoveel mogelijk mensen aan het werk om ons systeem betaalbaar te houden.

Dat betekent dat ook zoveel mogelijk leefloners worden geactiveerd. Dat is in hun belang, maar ook in het belang van de samenleving.

Kan ik al een tip van de sluier oplichten over de verdeling van de middelen? We zullen het terugbetalingspercentage voor leeflonen die toegekend zijn aan personen die als gevolg van de hervorming uitgesloten worden van werkloosheidsuitkeringen, verhogen. Met andere woorden, de compensatie zal deels gebaseerd zijn op de instroom uit de werkloosheid.

Daarnaast voorzien we in een compensatie op basis van de inspanningen die de OCMW's via het GPMI leveren, dat is het contract tussen het OCMW en de cliënt, en op basis van de resultaten van de zoektocht naar een duurzame tewerkstelling. We vragen van de OCMW's dus een maximale inzet om die doelgroep te begeleiden en te activeren.

Ik besef dat het om een kwetsbare groep gaat. Precies daarom is de inspannings- en resultaatsverbintenis zo belangrijk. We laten niemand los. Dat is de boodschap die ik aan de OCMW's wil geven.

Verschillende vraagstellers hebben verwezen naar de hoge werkdruk bij de OCMW-medewerkers, onder wie de maatschappelijk werkers. Een van de oorzaken is, zoals de heer Raskin aangaf, het groeiende aantal dossiers waarbij het OCMW een voorschot moet geven op onder andere werkloosheids- of ziekte-uitkeringen, uitkeringen waarvoor OCMW's eigenlijk niet bevoegd zijn.

OCMW’s mogen inderdaad niet, zoals u het terecht noemt, het voorportaal worden, omdat allerlei uitkeringen niet tijdig worden uitbetaald. Dat kost de maatschappelijk werkers heel veel tijd. Die tijd kunnen ze niet besteden aan begeleiding en activering. Samen met bevoegd minister Vandenbroucke bekijk ik in de regering momenteel op welke manier we dat probleem structureel kunnen verlichten.

Voorts wil ik werk maken van een zogenaamde quick win, zoals de heer Raskin het noemt. Ik wil namelijk nog voor de zomer het koninklijk besluit over de diplomavoorwaarden voor maatschappelijk werkers wijzigen. Daardoor zullen de regio’s daarvoor de volle bevoegdheid krijgen. Op die manier wordt een verruiming van de diplomavoorwaarden mogelijk, wat het eenvoudiger moet maken om goede maatschappelijk werkers aan te trekken.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, het staat vast dat er vanaf 2026 een rechtstreekse compensatie komt en dat er nog een aantal andere maatregelen op til zijn. Daarmee zijn de OCMW’s echter nog niet volledig geholpen. Zij wachten echt op de verdeelsleutel.

Vorige week kondigde u aan dat u 35 miljoen euro aan broodnodige middelen voor de REMI-tool om mensen aan een menswaardig inkomen te helpen, zou bevriezen.

Mevrouw de minister, de cijfers zijn bekend: er zullen duizenden mensen instromen bij het OCMW. Daarom doe ik een warme oproep: pak het dossier vast en leg de verdeelsleutel vast, zodat de OCMW’s weten waar ze aan toe zijn. Dat is ook belangrijk voor alle maatschappelijk werkers, die elke dag keihard hun best doen. Als zij hun werk goed kunnen doen, kunnen ze de broodnodige ondersteuning bieden aan mensen in armoede. Dus pak het dossier vast en maak werk van de verdeelsleutel.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, ik ben blij dat u zegt dat u zult ingaan op de vraag en al vanaf begin 2026 in extra middelen zult voorzien zodat de OCMW's hun werk kunnen doen. Het is wel belangrijk te weten dat het hier over de moeilijkste doelgroep van werklozen gaat, waarbij de VDAB, Actiris en Forem er niet in zijn geslaagd om hen te activeren. We vragen dat nu aan de OCMW's. Ik hoop dat men enige clementie heeft en dat men hen ook de nodige middelen geeft om die mensen te activeren. Ik hoop dat ze later op de resultaten worden afgerekend en dat dat niet onmiddellijk gebeurt. De VDAB is hier na 20 jaar niet in geslaagd. Het kan niet zo zijn dat men de OCMW's daar dan onmiddellijk op afrekent.

Ik ben blij dat u ook initiatieven neemt om de werkdruk te verlichten. Ik heb al eerder gevraagd om de voorschotregeling op te lossen en om iets aan de diplomavereiste te doen. Mevrouw de minister, hou de vinger aan de pols en overleg met de OCMW's. Zo komen we er wel.

Wouter Raskin:

Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. U beseft de impact, u hebt begrip voor de ongerustheid en er is contact. Ik blijf ervoor pleiten om het ruimere plaatje te bekijken. Het gaat hier om een combinatie van verschillende arizonamaatregelen, waardoor er een beleid zal worden gevoerd dat, in tegenstelling tot het verleden, activeert in plaats van mensen uitkeringsafhankelijk te maken. Ik heb al vaak moeten terugdenken aan de discussie van destijds over de inschakelingsuitkering voor jongeren. Ongerustheid alom, want al die jongeren gingen bij het OCMW terechtkomen. Wat hebben we gezien, collega's? Veel minder mensen dan toen gevreesd zijn bij het OCMW terechtgekomen. Veel meer jongeren dan we hadden gedacht zijn geactiveerd en zijn aan het werk gegaan. Houd koers, mevrouw de minister. Wij hebben er alle vertrouwen in.

De vrijgave van het mailverkeer over corona

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 mei 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Dominiek Sneppe eist volledige transparantie over Vandenbrouckes sms’en, e-mails en chatberichten tijdens de coronacrisis, verwijzend naar het Europees Hof dat Von der Leyen veroordeelt voor gebrek aan openheid over vaccindeals, en stelt dat burgers recht hebben op inzage in besluitvorming die hun vrijheden beperkte. Vandenbroucke wijst dit af, beroepend op Belgische wetgeving (beraadslagingsgeheim, privacy, bedrijfsgeheimen) en benadrukt dat alle officiële adviezen wel publiek zijn, maar dat onvolledige of vertrouwelijke communicatie niet vrijgegeven kan worden. Sneppe kaart dit aan als “beschamende arrogantie” en doofpotpolitiek, eisend dat beleidscommunicatie—geen privézaken—openbaar moet zijn om vertrouwen en verantwoording te waarborgen. De kernconflict blijft: openbaar belang vs. juridische beperkingen, met Sneppe die dwingende transparantie opeist en Vandenbroucke zich verschuilt achter procedures en uitzonderingen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de voorzitter, de Europese instellingen kregen deze week een duidelijk signaal van het Europees Hof: transparantie is geen optie, het is een verplichting. Mevrouw von der Leyen wordt door het Hof op de vingers getikt omdat ze halsstarrig weigert haar communicatie – haar e-mails, haar sms'en – over de vaccindeals vrij te geven. De burgers hebben recht op duidelijkheid over hoe beslissingen tot stand kwamen die hun levens beïnvloedden en hun vrijheden beknotten.

Dat roept onvermijdelijk de vraag op hoe het nu zit in België. Er werd een procedure ingediend bij de Raad van State door HLN om ook uw communicatie tijdens de coronacrisis, zoals e-mails, sms’en en whatsapps, op tafel te krijgen. Die zaak zou ondertussen afgesloten zijn, zonder volledige transparantie. Blijkbaar beschouwt u daarmee het hoofdstuk als afgesloten. U hebt zelfs hemel en aarde bewogen om hier vandaag niet op mijn vraag te moeten antwoorden.

Mijnheer de minister, voor ons is de kous niet af. U hebt in volle crisis verregaande beslissingen genomen: avondklokken, sluitingen, vaccinbeleid, op basis van adviezen en overlegmomenten die niet transparant waren. De bevolking heeft offers gebracht, vrijheid ingeleverd en vertrouwen gesteld in een overheid die haar zou beschermen. Wie regeert met bevelen, moet verantwoorden met bewijzen. Het minste dat u kunt doen, is openheid geven over hoe en met wie die beslissingen tot stand kwamen. Aangezien er in het verleden door uw grootste coalitiepartner veel vragen over werden gesteld, zal dat nu waarschijnlijk geen probleem zijn.

Mijnheer de minister, zult u, in het licht van de Europese rechtspraak en uit respect voor het democratisch recht op transparantie, uw sms’en, e-mails, whatsapps en dergelijke alsnog vrijwillig en integraal publiek maken? Of wacht u verdere gerechtelijke stappen af?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Sneppe, ik licht even toe waarom de Europese Commissie in het ongelijk wordt gesteld door het Europees Hof van Justitie. Het Hof zegt dat de Commissie gewoon niet kan uitleggen waarom zij niet in het bezit zou zijn van de gevraagde documenten. Daarover gaat het. Dat is iets heel anders dan de principiële discussie over de openbaarheid van documenten waarvan men zegt dat men ze in zijn bezit heeft.

We leven in een rechtsstaat en we moeten ons in dit land dus absoluut en scrupuleus houden aan onze wetgeving inzake openbaarheid van bestuur. Die legt verplichtingen op die duidelijk gekaderd zijn, bijvoorbeeld voor e-mails. Men moet rekening houden met het geheim van beraadslaging van de federale regering. Dat verhindert om bepaalde documenten en mails publiek te maken. Men moet de persoonlijke levenssfeer beschermen van personen betrokken bij of vermeld in e-mails. Men moet het beroepsgeheim van advocaten die deelnemen aan e-mailverkeer respecteren. Men mag de federale internationale betrekkingen van België niet in gevaar brengen. Men moet het vertrouwelijk karakter van bedrijfsgeheimen en intellectuele eigendom respecteren. Men moet rekening houden met het onvolledige karakter van heel wat werkdocumenten.

Dat alles zegt de Belgische wetgeving inzake openbaarheid van bestuur. Dat zijn de principes en ik vind dat ik en eender welke minister ze moet respecteren. Ik doe dat ook in procedures die lopen zoals procedures in een rechtsstaat moeten lopen. Daarover gaat het. Als u hier nu, bij wijze van voetnoot, komt beweren dat de adviezen uit de covidperiode niet publiek zijn, dan is dat totaal onjuist. Alle adviezen die door officiële instanties werden verstrekt, zijn publiek.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, als een minister in crisistijd beslissingen neemt die miljoenen mensen raken en die honderden miljoenen euro belastinggeld kosten, dan hoort daar transparantie bij en geen doofpot. Als het Europees Hof zelfs de voorzitter van de Europese Commissie op de vingers tikt, is het ronduit beschamend dat u hier blijft zwijgen over uw eigen communicatie. Sms'jes, mails, appjes, overleg met farmabedrijven, het gebeurde allemaal achter gesloten deuren. U vraagt vertrouwen van de burger maar weigert zelf open kaart te spelen. Dit is pure arrogantie. Wij vragen niet om privézaken, wij vragen inzage in het beleid en de besluitvorming die onze grondrechten hebben beperkt. Als u echt niets te verbergen hebt, gooi die sms'jes, appjes en e-mails dan op tafel. De waarheid is dat het hoofdstuk pas is afgesloten als het volledig gelezen is. Dat kan pas als alle informatie op tafel ligt.

Logopedie
De studie van het KCE over logopedie
Spraak- en taaltherapie; KCE-studie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 30 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onrechtvaardige beperking van logopedie-vergoeding voor kinderen met een IQ ≤ 70 (bij TDI/TSA), ondanks hun dringende behoefte. Het KCE beveelt multidisciplinaire zorg aan maar erkent capaciteitstekorten, waarna minister Vandenbroucke een tijdelijke verlenging van monodisciplinaire vergoeding (nu: IQ < 86) belooft tot juli 2025, met interfederale afstemming om structurele oplossingen te versnellen. Parlementariërs Gatelier en Taton eisen opheffing van de IQ-drempel (als discriminerend) en snelle uitvoering, wijzend op jarenlange vertraging en financiële nood bij gezinnen. De focus ligt op gelijke toegang tot zorg en het verwijderen van bureaucratische barrières.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je ne vous apprends rien: s'exprimer et échanger avec les autres participe au développement de chacun, et il est de notre responsabilité d'offrir à nos enfants confrontés à des troubles de la parole et du langage un accompagnement adapté à leurs besoins.

Le Centre Fédéral d'Expertise des Soins de Santé (KCE) a émis son avis sur la logopédie chez les enfants avec un trouble du neurodéveloppement. Il recommande notamment au niveau fédéral de rembourser la logopédie monodisciplinaire dans les troubles du développement intellectuel (TDI) et dans les troubles du spectre autistique (TSA) moyennant certaines conditions, de constituer un groupe de travail pour l'harmonisation des critères diagnostiques, d'adapter l'arrêté royal du 17 juillet 2024 pour permettre la réalisation de l'évaluation multidisciplinaire d'enfants avec un quotient intellectuel (QI) égal ou inférieur à 70 et de veiller à ce qu'une offre de traitement individualisé et coordonné entre les différents secteurs impliqués soit proposée à l'enfant et ses parents et que les transitions entre les différents systèmes soient organisées de façon souple et, enfin, d'envisager la poursuite temporaire des dispositions actuelles de remboursement de la logopédie monodisciplinaire chez les enfants dont le QI est égal ou inférieur à 70 dans l'attente du renforcement de la capacité des équipes multidisciplinaires pour les groupes cibles atteints de TDI et de TSA.

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance de cet avis? Pouvons-nous compter sur vous pour collaborer, à la fois avec nous parlementaires mais aussi avec les entités fédérées, afin de travailler à l'amélioration de l'accessibilité de la logopédie monodisciplinaire pour nos enfants qui ne peuvent bénéficier actuellement de son remboursement?

Julie Taton:

Bonjour tout le monde, bonjour monsieur le président, bonjour monsieur le ministre.

Vivre avec un enfant extraordinaire, c'est espérer que, chaque jour de sa vie, il progressera et emmagasinera un maximum de petites choses, qu'il pourra sortir de sa bulle et que ces petites choses lui permettront de pouvoir s'exprimer et d'être autonome. C'est pour son bien-être, bien sûr, parce que c'est le plus important, mais c'est aussi pour celui des parents, parce qu'une hantise les poursuit: quand on est parent d'un enfant extraordinaire, on a simplement envie de pouvoir se dire qu'il va pouvoir s'exprimer et se faire comprendre quand on ne sera plus là pour le protéger. C'est aussi à cela que sert la logopédie.

Cette question, vous l'aurez compris, me tient particulièrement à cœur. Je me suis engagée en politique pour défendre, entre autres, toutes ces personnes qui se retrouvent victimes de cette injustice. Quand on parle du remboursement de la logopédie, c'est vraiment et clairement une injustice. Pourquoi nous, les parents d'un enfant qui a un QI inférieur à 70– c'est mon cas avec mon petit Côme –, n'avons-nous pas droit au même suivi que celui dont bénéficient les autres enfants? Avez-vous mesuré deux secondes la violence de ces propos? Quand on donne un chiffre et un seuil, cela signifie qu'en-dessous de ce seuil, nos enfants sont tellement bêtes qu'ils n'ont pas le droit à être considérés et aidés comme les autres enfants. Voilà le message qui nous est renvoyé, à nous les parents.

Le rapport du KCE indique qu'à partir du 1 er juillet prochain, un Centre de Réadaptation Ambulatoire (CRA) devra confirmer l'opportunité. On parle de "l'opportunité du traitement" pour les enfants qui ont donc un QI inférieur ou égal à 70, alors que ce sont eux qui en ont le plus besoin.

J'ai eu de nombreux échanges avec les parents et avec l'Union Professionnelle des Logopèdes Francophones (UPLF), que je ne vais pas développer parce qu'il ne me reste que dix secondes, même si j'ai encore plein de choses à dire à propos du CRA. J'en viens donc directement à mes questions, monsieur le ministre. Quelle réaction cette étude vous inspire-t-elle? Comptez-vous entreprendre prochainement un dialogue interfédéral? Qu'allez-vous dire à toutes ces familles qui ont un enfant au QI inférieur à 70?

Frank Vandenbroucke:

Chère madame Taton, cher monsieur Gatelier, chaque enfant a droit aux meilleurs soins possibles, et en particulier les enfants qui ont des besoins spécifiques.

Et, à ces enfants-là, il faut en effet garantir un accès à des soins qui prennent pleinement en compte la complexité de leur situation. Évidemment, c'est l'analyse scientifique qui doit nous guider dans la recherche de solutions spécifiques à chaque situation, et c'est pourquoi nous avons demandé un avis au KCE. Ce dernier a publié un rapport hier qui contient des recommandations sur la forme optimale de la logopédie pour les enfants confrontés à des troubles du neurodéveloppement. L'étude du KCE conclut qu'une approche multidisciplinaire est clairement préférable pour des catégories spécifiques des enfants vivant avec un trouble du développement intellectuel ou avec un trouble du spectre de l'autisme.

L'approche multidisciplinaire signifie que l'enfant est accompagné par une équipe composée notamment de médecins, de psychologues et de kinésithérapeutes qui assurent un diagnostic précis et mettent en place un traitement adapté pour l'enfant. Le problème est que l'accès à des centres multidisciplinaires est très difficile aujourd'hui. Ils sont trop peu nombreux, répartis de manière inégale sur le territoire.

Et, même si cela relève de la compétence des entités fédérées, nous savons que celles-ci ne peuvent pallier cette situation en un jour. Des familles font face à des délais d'attente considérables, avec un quotidien extrêmement difficile. Je crois qu'il en va de notre responsabilité collective de trouver des solutions temporaires avec les entités fédérées.

C'est pourquoi, depuis le 1 er septembre 2024, le gouvernement fédéral a élargi le remboursement de la logopédie monodisciplinaire aux enfants avec un QI inférieur à 86. Cette mesure temporaire est prévue jusqu'au 1 er juillet 2025, mais, au vu de la situation actuelle compliquée pour les familles, le KCE nous demande de maintenir temporairement ce remboursement élargi, à condition que cela ne retarde pas l'organisation de l'offre multidisciplinaire qui est essentielle. Je vais donc étudier immédiatement les ajustements nécessaires pour mettre cette recommandation du KCE en place.

Même s'il y a, sur base de l'analyse scientifique, des raisons pour souligner que pour une catégorie d'enfants, il faut une approche multidisciplinaire, on ne peut pas abandonner les enfants qui ont besoin d'aide aujourd'hui.

Comme vous le demandez à juste titre, madame Taton, monsieur Gatelier, j'inscrirai donc aussi ce dossier à l'ordre du jour de la prochaine Conférence interministérielle Santé publique.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Comme vous le savez, on parle de logopédie dans ce Parlement depuis un petit temps. Pour Les Engagés, l'accès aux soins de logopédie pour tous est une priorité. Mme Fonck l'avait déjà défendu avec énergie sous la précédente législature, et nous continuons à le faire. C'est ainsi que nous avons déposé un projet de loi prioritaire en commission de la Santé, et nous en discuterons avec les collègues.

L'échéance du 1 er juillet approche. Il serait de bon ton, pour tenir compte des recommandations du KCE, comme vous venez de le dire, de reporter cette échéance par arrêté royal, de prolonger d’une ou deux années, afin que nous puissions réfléchir aux solutions adéquates à trouver pour les situations spécifiques qui n'ont pas encore obtenu de réponse.

Par ailleurs, il faudra un certain temps pour, avec les entités fédérées, mettre en place et renforcer les autres formes d'accompagnement spécifique.

Je vous propose de travailler tous ensemble. J'espère que nous obtiendrons l’unanimité pour faire en sorte que tous les enfants qui souffrent de troubles (...)

Julie Taton:

Notre but, monsieur le ministre, ne l'oublions pas, c'est de penser à toutes ces familles qui ont des difficultés financières et qui ne peuvent pas offrir ces rendez-vous ô combien importants pour leurs enfants. Ce n'est pas un choix, ce n'est pas un caprice, ce n'est pas une envie, mais bien un besoin et même un véritable droit. N'oublions pas que ce critère de QI est totalement scandaleux et complètement discriminatoire. Quand j'échange avec les parents, ce qui est lourd, c'est que nous avons l'impression qu'on ne se rend pas compte de l'importance de ces rendez-vous. Nous comptons donc sur vous, monsieur le ministre, pour trouver une solution avec les entités fédérées afin que cela avance enfin, parce que, comme l'a dit M. Gatelier, cela fait plus de dix ans que ce dossier est sur la table. En 2015 déjà, David Clarinval avait fait une proposition de loi, reprise aussi par Caroline Taquin en 2019. Monsieur le ministre, nous avons vraiment besoin de vous. S'il vous plaît, supprimez ce QI pour que tous les enfants aient le droit d'être stimulés et traités de la même manière et qu'ils aient tous les mêmes chances!

Een nieuwe schietpartij in Anderlecht en de taskforce tegen drugsgeweld

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds 1 januari 2025 telde Brussel 23 schietpartijen (20 in Brussel-Zuid), met onverminderd drugsgerelateerd geweld als voorbeeld. De federale taskforce onder leiding van de premier coördineert acties tussen Binnenlandse Zaken, Justitie en Financiën, maar concrete resultaten blijven vaag, terwijl de minister verlengde federale politiesteun en 30 extra onderzoekers voor Brussel aankondigde. Een gezamenlijk onderzoeksteam (lokaal + federaal) moet de bestrijding van georganiseerde misdaad versterken, maar de impact op het terrein is nog onduidelijk. Structurele oplossingen ontbreken, ondanks verhoogde zichtbaarheid en samenwerking.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Donderdagochtend 17 april 2025, rond 2.30 uur 's nachts vond opnieuw een schietpartij plaats nabij de metrohalte Clemenceau in de Brusselse gemeente Anderlecht. Twee personen liepen verwondingen op, waarvan een met levensgevaarlijke verwondingen werd afgevoerd. De avond van de vorige dag, woensdag, werd in Anderlecht ook een man neergestoken met een mes.

De burgemeester, de heer Cumps, gaf aan u om een verlenging van de federale politiebijstand te vragen.

De federale regering kondigde eerder dit jaar ook andere maatregelen aan. Namelijk de oprichting van een taskforce tegen drugsgeweld, onder leiding van de premier. Sinds de oprichting hebben we de premier hierover niet meer gehoord. Ook sinds de eerste golf van schietpartijen begin dit jaar is er weinig veranderd op het terrein. Deze zoveelste schietpartij is daarvan het voorbeeld.

Hoeveel schietpartijen vonden er ondertussen plaats sinds 1 januari 2025?

Kunt u een stand van zaken geven over de federale taskforce van de premier?

Wat voerde dit taskforce al uit? Waar is de premier in deze?

Welke maatregelen op het terrein werden genomen om onze burgers te beschermen?

Wat is ondernomen om georganiseerde drugsmisdaad en deze drugsoorlog een halt toe te roepen?

Bernard Quintin:

Mijnheer Depoortere, sinds 1 januari 2025 werden er 23 schietpartijen geregistreerd in de hoofdstad, waarvan 20 in de zone Brussel-Zuid. De oprichting van een federale taskforce onder leiding van de eerste minister is inderdaad een van de belangrijkste initiatieven om de situatie globaal aan te pakken. De taskforce coördineert de inspanningen van verschillende ministeries waaronder Binnenlandse Zaken, Justitie, en Financiën, om concrete en snelle maatregelen te nemen.

Tegelijkertijd heb ik bij mijn aantreden maatregelen genomen om de politiezone te ondersteunen, gelet op de gebeurtenissen en de algemene situatie. De ondersteuning van de federale politie voor de politiezone wordt regelmatig geëvalueerd op basis van de evolutie van de criminaliteit. In dat verband kan ik u meedelen dat ik de ondersteuning aan de politiezone verlengd heb.

Naast de zichtbare aanwezigheid op het terrein door beveiligingspatrouilles zijn er nog andere vormen van ondersteuning. Zo werd er een gezamenlijk onderzoeksteam, een joint investigation team , van de verschillende politiezones en de federale gerechtelijke politie van Brussel, onder leiding van de procureur des konings opgezet. Dat initiatief heeft tot doel de samenwerking te versterken om de criminaliteit op een meer gestructureerde manier te bestrijden.

In die geest heb ik ook de capaciteit van de FGP van Brussel met een dertigtal mensen versterkt om de onderzoeken te versnellen. We hebben allemaal hetzelfde doel voor ogen: de criminaliteit op een efficiënte en duurzame manier bestrijden.

Ortwin Depoortere:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.

Het drugsgeweld in Antwerpen

Gesteld door

lijst: PS Ridouane Chahid

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een woning in Antwerpen-Wilrijk werd opgebazen, waarschijnlijk gekoppeld aan druggerelateerd geweld, waarbij burgers een verdachte moesten aanhouden omdat de politie te laat ter plaatse was. Minister Quintin bevestigt intensieve samenwerking tussen federale en lokale politie via het *Stroomplan* (onder leiding van het Anvers parket) en internationale projecten om drugnetwerken te ontmantelen, met speciale focus op de haven als knooppunt. Hij benadrukt regelmatig overleg met het Anverse stadsbestuur en gouverneure, maar gaat niet in op concrete uitbreiding van het Brusselplan naar Antwerpen. De zaak blijft onder judicieel onderzoek.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, une habitation, située dans le quartier Valaardreef dans le district anversois de Wilrijk, a été la cible d'une attaque à l'explosif dans la nuit. La porte d'entrée a été fortement endommagée mais, heureusement, aucun blessé n'est à déplorer. Il s'agit d'un nouveau fait grave qui vient s'ajouter aux nombreuses violences liées vraisemblablement au trafic de drogue qui touche les grandes villes de notre pays, principalement Anvers.

La police s'est lancée à la recherche d'éventuels auteurs, mais en vain. Un fait interpellant, c'est que ce sont des habitants du quartier qui ont poursuivi et appréhendé un jeune homme. La police a alors interpellé la personne en question.

Sans vouloir déborder sur l'enquête en cours, monsieur le ministre, quelles informations pouvez-vous nous communiquer concernant ces faits graves et les suites à donner? Comment expliquez-vous que ce soient des citoyens qui aient dû appréhender un des auteurs présumés au lieu de la police locale? Quels sont les contacts entre la police fédérale et la zone d'Anvers et les moyens mis en œuvre dans la lutte transversale contre la violence liée à la drogue? Quelles sont les actions de la police de proximité afin de préserver les habitants de ce genre de violences graves? Avez-vous eu un contact avec la bourgmestre ou la gouverneure d'Anvers à ce sujet? Avez-vous l'intention d'élargir le plan d'action déjà mis en place pour Bruxelles pour assurer et ramener la sécurité dans les quartiers d'Anvers?

Bernard Quintin:

Monsieur Chahid, en introduction à ma réponse, je rappelle, pour autant que de besoin, que les questions de sécurité sont évidemment au cœur de mon agenda où que ce soit au sein de notre royaume, en ce compris à Anvers qui, on le constate tous les jours, fait face à des expressions de criminalité assez particulières par rapport à d'autres endroits du royaume. Comme vous l'avez dit vous-même, une enquête est en cours. Je ne vais donc pas me prononcer ou donner des éléments par rapport à l'enquête qui se poursuit. Le dossier est entre les mains de la justice et nous espérons évidemment tous que les auteurs pourront être appréhendés. En revanche, concernant vos autres questions, je peux vous confirmer qu'il existe une étroite coopération entre la police judiciaire fédérale d'Anvers et la police locale d'Anvers, notamment dans l'approche de la violence liée au trafic de drogue, une coopération qui s'inscrit pleinement dans le Stroomplan qui est lui-même sous la direction du procureur du Roi d'Anvers. Je suis également en contact avec les autorités anversoises, que ce soit au niveau de la ville d'Anvers ou du gouvernorat. Pour ce qui concerne votre dernière question, je vous confirme que les services de police travaillent en synergie afin de lutter efficacement contre les phénomènes de trafic de drogue, tant au sein du port d'Anvers que dans la région anversoise, avec les spécificités liées au port d'Anvers et au trafic de drogue qui est lui-même lié au port d'Anvers et qui déteint sur toute la région anversoise. De plus, plusieurs projets internationaux sont actuellement menés au sein de la police intégrée dans le but de mieux comprendre les réseaux à l'origine de la violence liée au trafic de drogue à Anvers et ailleurs.

Vapes en de douane

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de massale instroom van illegale wegwerpvapes en drugs via pakjes uit het buitenland, die ongehinderd onder jongeren circuleren, ondanks dat ze in België verboden zijn. Minister Jambon benadrukt dat de douane risicoprofielen en internationale samenwerking gebruikt om fraude te bestrijden, maar erkent dat slechts een fractie (170.000 vapes in 2024) wordt onderschept, zonder zicht op de totale omvang. Vandemaele kaart aan dat de huidige aanpak ontoereikend is door overbelaste douanecapaciteit en pleit voor structurele versterking (meer middelen, personeel, scanners) om de stroom illegale producten effectief te stuiten. De kern: de douane loopt achter de feiten aan, terwijl de smokkelroute alleen rendabel blijft zolang het onderscheppingspercentage te laag is.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, onlangs toonde alweer een vrij schokkende Panoreportage aan dat wegwerpvapes, al dan niet met drugs in, massaal onder onze jongeren circuleren. Het gaat voor de goede orde daarbij wel om producten die verboden zijn in ons land en die men dus niet legaal kan kopen. Ze komen bijgevolg van over de grens in pakjes. Gelet op de noodkreten van de douane van de afgelopen maanden over de enorme toevloed aan pakjes – tot 600.000 pakjes per dag op piekdagen –, rijst de vraag hoe we pakjes met inhoud waarvan we geen fan zijn, zoals illegaal vuurwerk, illegale vapes, drugs en ongezonde producten kunnen tegenhouden.

Cijfers tonen aan dat slechts een fractie van de goederen die ons land binnenkomen, gecontroleerd wordt. Hoe kunnen we gerichter pakjes met illegale en of ongezonde producten weren? Wordt er specifiek ingezet op bijvoorbeeld vapes of illegale drugs?

Welke acties stelt u in het vooruitzicht om de douane te versterken, zoals meer mensen, meer financiële middelen en of andere methodes, opdat er minder van dat soort rommel ons land binnenkomt?

Jan Jambon:

Mijnheer Vandemaele, ten eerste, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen spoort actief fraude op en voert onderzoeken binnen de grenzen van haar wettelijke bevoegdheden. Daarbij maakt ze gebruik van eigen onderzoeks- en analysemethodes evenals nationale en internationale onderzoeksmethodes, bijvoorbeeld samenwerking en informatie-uitwisseling met binnen- en buitenlandse autoriteiten. Dat geldt zowel voor fraude en illegale handel in het algemeen als voor smokkel van vapes meer in het bijzonder.

Voor controles bij de invoer hanteert de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen risicoprofielen die zich enerzijds richten op de verstuivers van e-sigaretten en anderzijds op de vulling ervan. Die risicoprofielen kaderen in de handhaving van de reglementering inzake de productveiligheid van e-sigaretten. De douane voert daarbij echter enkel een stopfunctie uit. De daaropvolgend uit te voeren controles en/of beslissingen behoren tot de bevoegdheid van de FOD Volksgezondheid.

Daarnaast kunnen e-sigaretten met druggerelateerde producten eveneens worden aangetroffen tijdens controles inzake verdovende middelen, waarvoor eveneens specifieke risicoprofielen van toepassing zijn. Die controles worden zowel uitgevoerd door douaneteams in de eerste lijn als door douaneteams die zich richten op de opsporing van georganiseerde criminaliteit.

De Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen voert, waar nodig in samenwerking met de FOD Volksgezondheid, ook controles uit op de interne markt wat accijnzen op die producten betreft.

Ten tweede, in 2024 heeft de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen 169.618 stuks wegwerpvapes en 95.617 milliliter e-liquids in beslag genomen. In het eerste trimester 2025, dus tot 31 maart heeft zij reeds 25.479 milliliter e-liquids in beslag genomen. Wat men met die cijfers natuurlijk nooit weet, is welke hoeveelheid effectief werd ingevoerd, want de cijfers geven enkel aan wat er in beslag werd genomen.

Ten derde, er wordt sterk ingezet op uitwisseling van informatie en deelname aan acties met douaneorganisaties, internationale handhavingsdiensten en andere nationale diensten, zoals de FOD Volksgezondheid. Die grensoverschrijdende en interdepartementale samenwerking heeft als doel de douane te versterken in haar strijd tegen illegale vapes.

Op Europees niveau wordt intensief samengewerkt via het Europees samenwerkingsprotocol EMPACT binnen Europol. In dat programma is er een aparte werkgroep voor fraude met e-liquids en vapes, die tot doel heeft kennis over fraudetechnieken te delen en te analyseren en internationale frauduleuze netwerken en distributiekanalen te identificeren en te bestrijden.

Ten slotte, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen plant geen operationele of organisatorische veranderingen, specifiek voor de strijd tegen vapes. De risicoprofielen en bijgevolg ook de controles worden continu geëvalueerd en bijgestuurd waar nodig om tot nog meer efficiëntie te komen.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, 170.000 onderschepte vapes en 100.00 onderschepte e-liquids het afgelopen jaar, het zijn aantallen, die doen duizelen. De combinatie van de aantallen en de vlotheid waarmee de producten circuleren onder jongeren, noopt mij ertoe vast te stellen dat er een probleem is. Ik heb u en uw ambtsvoorganger al een aantal keer schriftelijke vragen gesteld over douanegerelateerde zaken. Telkens weer krijg ik het antwoord dat men op dezelfde manier zal verder werken. Nochtans signaleert men op de werkvloer dat de te verwerken volumes te groot en niet meer behapbaar zijn. We zullen toch op een of andere manier acties moeten uitrollen om de douane te versterken. Of dat met middelen, mensen of scanners gebeurt, is mij eender, maar het zal wel nodig zijn. Zo niet lopen we steeds achter de feiten aan. U hebt zelf gezegd dat u niet kunt inschatten welk percentage die 170.000 vapes uitmaken. Daarvoor zou immers ieder pakje geopend moeten worden. Als dat soort producten in die hoeveelheden door de douane blijven geraken, dan kan men zich wel een beeld vormen van de hoeveelheden die niet worden tegengehouden. Een handel waarbij het product gegarandeerd door de douane wordt onderschept, is immers geen lang leven beschoren. Als het percentage producten dat door de douane wordt tegengehouden, klein genoeg is, dan blijft men die weg gebruiken. Ik hoop daarom dat men bij de douane begint na te denken over hoe men het astronomisch volume aan goederen kan controleren om de brol, waaronder drugs, vuurwerk en andere onveilige producten, eruit te halen.

De belastingvermindering voor de rechtsbijstandsverzekering
De mogelijke daling van de premies voor rechtsbijstandverzekeringen
Fiscale voordelen en premieontwikkelingen van rechtsbijstandverzekeringen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 29 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De belastingvermindering voor rechtsbijstandverzekeringen wordt per 1 januari 2026 afgeschaft, zonder definitieve beslissing over overgangsmaatregelen, maar met lopend overleg met de sector om premiedalingen af te dwingen—na eerdere stijgingen na de introductie van de aftrek in 2019. Van Quickenborne kritiseert de inconsistentie in transparantie tussen dit dossier en andere fiscale maatregelen (bv. DBI). Jambon bevestigt dat de tekst nog kan wijzigen na advies van de Raad van State. De toegankelijkheid van justitie blijft onbesproken als direct gevolg van de maatregel.

Steven Matheï:

Het regeerakkoord stelt een vermindering van de personenbelastingen en een vereenvoudiging van de fiscaliteit in het verschiet en kondigt een hervorming van het fiscaal stelsel aan. Zo zal de belastingvermindering voor de rechtsbijstandverzekering worden afgeschaft. Nu is er een beetje verwarring, in de zin dat er her en der werd geopperd dat de belastingvermindering vanaf 1 juli dan wel 1 januari wordt afgeschaft. Wanneer wordt die belastingvermindering nu eigenlijk afgeschaft? Over welke dossiers gaat het dan? Is er voorzien in overgangsmaatregelen voor lopende dossiers?

Wat is het effect van de maatregel op de toegankelijkheid van Justitie?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, toen toenmalige minister van Justitie Koen Geens in de Zweedse regering de belastingvermindering voor de rechtsbijstandverzekering had ingevoerd, gingen de premies voor de rechtsbijstandverzekering omhoog. Zo verhoogde volgens een bericht dat ik op de VRT-website terugvond, op 1 augustus 2019; mijn verjaardag, rechtsbijstandsverzekeraar DAS de premie met 120 euro en Arces, een merk binnen P&V Verzekering, met 75 euro. De regering geeft dus een voordeel aan de klant en het eerste wat de verzekeraars doen, is dat voordeel aan de klant in de zakken van hun maatschappij steken. Dat is toch ongelooflijk.

Nu zijn we zovele jaren later, en wat gebeurt er? Minister Jambon zegt het als minister van Financiën anders te zullen aanpakken. Hij heeft daarin groot gelijk. De fameuze belastingaftrek wordt afgeschaft. Het gebeurt pas 7 jaar later, of 6 jaar later, maar goed. Dan rijst wel de vraag of de premies nu opnieuw zullen dalen. We mogen toch hopen dat de mensen geen twee keren moeten betalen, de eerste keer onder Geens en de tweede keer onder Jambon?

Mijnheer de minister, zult u samenzitten met de sector, zodat de consument ook effectief een voordeel haalt uit de fiscale hervorming en dus niet twee keer het nadeel draagt?

Jan Jambon:

Collega's, afschaffing van de belastingvermindering voor de rechtsbijstandverzekering maakt inderdaad deel uit van het voorontwerp van wet houdende diverse fiscale bepalingen, dat onlangs door de ministerraad is goedgekeurd en dat ter advies zal worden voorgelegd aan de Raad van State. Daarin is inderdaad 1 januari als datum van inwerkingtreding opgenomen, net zoals trouwens voor de schrapping van alle andere aftrekposten.

Mijn beleidscel heeft overleg gehad met de sector en mijn administratie analyseert eventuele overgangsmaatregelen in het Wetboek diverse rechten en taksen om aan sommige bezorgdheden tegemoet te komen.

Ik wil alvast beklemtonen dat de tekst nog niet definitief is en nog kan worden aangepast naar aanleiding van eventuele opmerkingen van de Raad van State. We zullen daarover nog een discussie ten gronde voeren. Samenvattend, het overleg wordt vervolgd en de maatregel gaat in op 1 januari 2026.

Steven Matheï:

Bedankt voor uw antwoord.

Vincent Van Quickenborne:

Ik had ook een vraag gesteld, mijnheer de minister, maar u hebt enkel geantwoord op de vragen van de heer Matheï.

Jan Jambon:

Nee, u hebt gevraagd of er overleg geweest is met de sector en ik heb gezegd dat er overleg was met de sector.

Vincent Van Quickenborne:

Dat was toch met het oog op de vermindering van de premies?

Jan Jambon:

Dat was met het oog op de vermindering van de premies en we zullen het nog verder opvolgen.

Vincent Van Quickenborne:

Dat apprecieer ik.

Ten tweede apprecieer ik ook dat u naar aanleiding van de vraag met betrekking tot de rechtsbijstandverzekering wel al een en ander uit de tekst in eerste lezing deelt. Misschien is dat omdat de collega van cd&v de vraag stelt. U hebt het namelijk over 1 januari en overgangsmaatregelen. Als ik echter een gelijkaardige vraag over de DBI stel, luidt uw antwoord dat u nog niets kunt vertellen, aangezien het gaat om een tekst in eerste lezing. Dat zijn toch twee maten en twee gewichten? Of vindt u dat ik overdrijf?

Voorzitter:

De minister hoeft daarop niet te antwoorden.

Vincent Van Quickenborne:

Nee, maar hij zegt wel iets en het zijn interessante dingen.

Hoe dan ook, mijnheer de minister, ik vind het top en apprecieer het dat u wat openheid toont, maar ik had dat graag ook gezien als het over de andere maatregelen gaat. Ik vraag dat niet om mijn collega van de PVDA een plezier te doen, want dat is het laatste wat ik zou doen, maar om een debat te hebben.

Voorzitter:

Het lijkt wel één strijd, mijnheer Van Quickenborne.

Vincent Van Quickenborne:

We zijn verenigd in de methode, maar niet in de inhoud.

De studie van Solidaris over de langdurig zieken

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kritiseert minister Clarinval omdat zijn beleid zich richt op sancties en activatie van langdurig zieken en werklozen, terwijl de kern van het probleem—slechte arbeidsomstandigheden die mensen ziek maken—genegeerd wordt: burn-outs, onmogelijke werkschema’s en gebrek aan preventie. Clarinval benadrukt dat welzijn op het werk prioriteit is, wijst op het abnormaal hoge ziekteverzuim in België (8x meer dan Duitsland) en kondigt preventiemaatregelen aan op basis van een aanstaand advies over bedrijfsgezondheidszorg, maar blijft vasthouden aan verantwoordelijkheidsverdeling (werkgevers, werknemers, artsen). Schlitz kaart aan dat zijn concrete maatregelen (flexibilisering, nacht-/zondagswerk, loondruk) de slechte werkgevers belonen en goede praktijken niet stimuleren, terwijl beloftes (zoals 500 euro premie) verdwijnen—wat het probleem alleen maar verergert.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, vous n'aurez sans doute pas manqué la nouvelle enquête de Solidaris qui révèle une évidence qui normalement devrait vous faire plaisir: les Belges veulent travailler.

Elle révèle que plus de 70 % des personnes qui sont aujourd'hui en incapacité de travail ou au chômage sont frustrées de ne pas avoir d'activité professionnelle. Par contre, elle révèle aussi que deux tiers des travailleurs estiment que leur travail a un impact sur leur santé. On pourrait conclure que les travailleurs aiment travailler quand le travail a du sens, qu'il permet de se projeter dans l'avenir, qu'il permet de se construire un réseau, qu'il apporte finalement du plaisir et une stabilité.

En revanche, les Belges n'aiment pas travailler quand leur travail ne leur permet pas de voir leur famille ou les rend malades. Miguel, que j'ai vu avant-hier à la soirée Ecolo de refondation, m'expliquait qu'il doit pallier à l'hôpital l'absence de plusieurs de ses collègues qui sont à bout et que lui-même est épuisé. Mais on ne vous entend jamais parler de ce genre de travailleurs. Vous pointez du doigt les uns et les autres, vous estimez que tout ce qui leur arrive est de leur faute, vous considérez que ce sont des personnes sans volonté alors qu'il s'agit en réalité de personnes en détresse, de personnes usées et qui ont été jetées.

Au lieu de voir cette réalité, monsieur le ministre, je vous vois agir pour activer, sanctionner, contrôler, responsabiliser les médecins et les mutuelles. Mais quand allez-vous vraiment vous tracasser des conditions de travail? C'est là que se situe tout le nœud du problème.

Oui, il faut permettre aux malades de longue durée de retrouver du travail, c'est ce qu'ils souhaitent. Mais avant tout, ne faudrait-il pas prévenir ces maladies en agissant sur les secteurs? Ce qui m'inquiète vraiment, c'est que vos mesures auront pour effet d'aggraver ces difficultés.

Par conséquent, monsieur le ministre, quelles mesures concrètes allez-vous enfin prendre pour lutter contre les maladies socioprofessionnelles et protéger la santé des travailleurs et travailleuses?

David Clarinval:

Madame la députée, le bien-être au travail est une priorité et ne doit en aucun cas être ignoré; c'est le message que je retiens de l'étude de Solidaris. Cette étude nous rappelle que certaines situations professionnelles peuvent être source de problèmes de santé.

Cependant, en ce qui me concerne, ce que je trouve très difficile à comprendre, c'est qu'aujourd'hui, en Belgique, on compte environ 525 000 malades de longue durée. En Allemagne, il y a environ 600 000 malades de longue durée, alors que la population est huit fois supérieure. Ainsi, si on fait une extrapolation, un Belge est huit fois plus souvent malade qu'un Allemand.

Pour lutter contre cette problématique interpellante, le gouvernement a décidé de responsabiliser l'ensemble des acteurs (employeurs, travailleurs, salariés, médecins, mutualités et services régionaux de l'emploi). Le gouvernement recherche un équilibre entre les différentes mesures de responsabilisation mais aussi entre la solidarité et la responsabilité. Les malades doivent pouvoir prendre soin d'eux et se soigner le temps nécessaire, évidemment. Mais ceux qui sont en mesure de travailler doivent pouvoir être encouragés et bénéficier d'un accompagnement renforcé et personnalisé.

Nous devons aussi agir en matière de prévention. À ce sujet, j'attends pour fin juin un avis du Conseil supérieur pour la Prévention et la Protection au Travail (CSPPT) concernant l'avenir de la médecine du travail, plus particulièrement la politique de bien-être en entreprise, l'aspect santé et les tâches des différents acteurs en la matière. Sur base de cet avis, des mesures pourront être prises pour renforcer la politique de bien-être et ainsi répondre aux constats réalisés par Solidaris.

Madame la députée, selon cette étude, l'absence de travail a elle aussi un impact négatif sur la santé. Nous, ce que nous voulons, c'est que les travailleurs conservent un lien fort avec le travail, en ce compris lorsqu'ils sont en incapacité. Le travail reste et doit rester un pilier fondamental de la vie sociale et de l'autonomie personnelle.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses. J'entends vos propos, mais il apparaît que les différents accords et les mesures que vous avez annoncées depuis le début de votre mandat tendent à flexibiliser le marché du travail, à faciliter le travail de nuit, à étendre le travail dominical à plus de travailleurs pour un salaire moindre. En revanche, nous n'entendons plus parler des 500 euros que vous aviez promis durant la campagne électorale. Franchement, nous ne savons pas où ils sont passés! Monsieur le ministre, c'est cela qui est profondément injuste. Plusieurs employeurs font le job et agissent en sorte que leurs travailleurs soient bien dans leur peau et bénéficient de conditions de travail dignes. En revanche, d'autres rendent leurs travailleurs malades. C'est là que vous devez agir. Or vous ne le faites pas. Que du contraire! Vos réformes vont inciter les mauvais élèves à poursuivre sur leur voie et ne vont pas récompenser les employeurs qui prennent soin de leurs travailleurs. C'est dramatique et cela va être une véritable bombe à retardement.

De aantrekkelijkheid van de farmasector in België

Gesteld door

lijst: MR Julie Taton

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Julie Taton waarschuwt voor de zware economische dreiging van Trump’s geplande invoerrechten op farmacie, die 150.000 Belgische banen en €16,5 mjd Europese investeringen riskeert, met directe koersdalingen (UCB -8%, Argenx -6%) en dreigende delocalisaties door 32 farmabedrijven. David Clarinval benadrukt het belang van de sector (22% industriële toegevoegde waarde, €15 mjd export naar VS) en kondigt “Make 2025-2030” aan: een interfederaal competitiviteitsplan met fiscale stimulansen, R&D-steun en kortetermijnmaatregelen, naast een gecoördineerde EU-reactie op de Amerikaanse dreiging. Taton hamert op structurele knelpunten (energiekosten, administratieve lasten, trage medicijnvalidatie vs. VS) en strategische afhankelijkheid (bv. Covid-les), terwijl ze snelle actie eist volgens de Draghi-lijn. Clarinval belooft dialoog met de sector en behoud van Belgisch vakmanschap, maar concrete maatregelen blijven vaag.

Julie Taton:

Monsieur le président, monsieur le vice-premier ministre, je souhaite revenir sur la problématique du secteur pharmaceutique en Belgique, suite au changement d'idée, d'humeur et d'envie de M. Donald Trump concernant les droits de douane sur ce secteur qui est très important pour l'économie de notre pays. On parle de presque 150 000 emplois, directs et indirects. Ces travailleurs sont très inquiets concernant les conséquences de ces mesures. Les chaînes de production des médicaments sont dispatchées dans différents pays. Si on commence à les imposer toutes, cela va vraiment devenir très lourd.

Les récents propos du président américain quant à sa volonté de relocaliser la production aux États-Unis ont de quoi nous préoccuper, quand on sait que le jour même de cette annonce, UCB a perdu en valeur boursière presque 8 % et Argenx est descendu de 6 %.

Même si la Belgique reste un leader mondial, il s'agit aussi d'une problématique européenne. Dans une lettre adressée à Ursula von der Leyen, la présidente de la Commission européenne, les patrons de 32 groupes pharmaceutiques l'ont encouragée à prendre rapidement des mesures en faveur de l'attractivité du secteur, faute de quoi ils menaçaient carrément de se délocaliser. On parle d'un gap de presque 16,5 milliards d'investissements qui seraient donc perdus pour l'Europe.

Face à ce constat qui est plus qu'alarmant, monsieur le vice-premier ministre, comptez-vous rencontrer les représentants du secteur pharmaceutique pour les rassurer, pour avoir un dialogue assez structuré avec eux? Quelles mesures allez-vous prendre assez rapidement pour rassurer ce secteur ainsi que le personnel de ces entreprises et les filiales belges? Une concertation au niveau européen s'impose certainement. Comment assurez-vous une cohérence entre les législations environnementales et industrielles et la défense des droits et des propriétés intellectuelles, ainsi que de la recherche?

David Clarinval:

Madame la députée, le secteur pharmaceutique est en effet un des piliers de notre économie. Selon les derniers chiffres publiés par la Banque nationale, le secteur pharmaceutique est le premier contributeur de valeur ajoutée industrielle dans notre pays. Il représente près de 22 % de celle-ci. Il emploie plus de 31 000 personnes en Belgique.

En 2024, les exportations du secteur pharmaceutique ont atteint près de 15 milliards d'euros, dont plus de la moitié vers les États-Unis. Dans ce contexte, vous avez raison, les menaces de Donald Trump suscitent de vives inquiétudes en Europe et dans le secteur. L'éventualité de nouveaux droits de douane pourrait porter un coup dur à notre industrie.

Comme nous avons eu l'occasion de le dire ici lors d'autres séances, nous préparons avec la Commission européenne une réponse graduelle et proportionnée. Pour répondre à votre question, je rencontre des représentants de nombreux secteurs dans le cadre de la préparation de cette réponse.

Face à ces défis, notre priorité est claire: défendre les intérêts de ce secteur et préserver le savoir-faire belge sur notre territoire. C'est aussi la raison pour laquelle, avec le premier ministre, nous lancerons dans les prochaines semaines Make 2025-2030 , un plan interfédéral ambitieux qui contiendra des mesures, tant de court terme que de long terme, pour renforcer la compétitivité de nos industries.

La Belgique dispose d'atouts solides: un cadre fiscal incitatif, des soutiens à l'embauche de chercheurs qualifiés et une position de leader européen en investissement et en recherche et développement. Nous continuerons donc à créer les conditions favorables à l'innovation, à la compétitivité et à l'ancrage durable de ce secteur d'excellence dans notre pays.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, je vous remercie beaucoup pour votre réponse. Le secteur pharmaceutique en Belgique est aussi l'un des meilleurs élèves européens en matière d'innovation, d'études cliniques et d'investissement en recherche et développement. Comme vous l'avez dit, plus de la moitié des exportations belges vers les États-Unis concernent des produits pharmaceutiques. Il ne faut pas oublier non plus son importance du point de vue de la sécurité de l'approvisionnement, comme on l'a vu en période de Covid. Ils doivent donc être fortement rassurés. Pour ce faire, nous comptons sur vous! Les défis qui se posent au secteur pharmaceutique sont assez similaires à ceux des autres secteurs de notre économie: formation professionnelle continue, coût de l'énergie, mobilité, défiscalisation des investissements des entreprises, lourdeur administrative. Je citerai par exemple la validation des nouveaux médicaments dont la démarche très lourde. Elle est beaucoup plus simple aux États-Unis. Dans la ligne du rapport Draghi, le secteur compte sur vous, sur votre courage, votre vision et votre dynamisme pour réussir à faire tout cela.

De Pano-uitzending over vapes
De Pano-uitzending 'Generatie vape'
De Pano-uitzending over vapes
De Pano-uitzending over vapes
De Pano-uitzending over vapes

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de urgente bestrijding van vapes bij jongeren, die via zoete smaakjes, illegale drugs (zoals *spice*) en misleidende marketing massaal verslaafd raken, met zware gezondheidsrisico’s (nicotine, zware metalen). Minister Vandenbroucke kondigt strengere maatregelen aan: een totaalverbod op smaakjes (behalve tabak/munt), versterkte handhaving (40.000 illegale vapes in beslag genomen), Europese lobby voor grensoverschrijdend verbod, en samenwerking met politie en Binnenlandse Zaken—maar critici (o.a. Van Hoof, Peeters, Bury) wijzen op trage uitvoering (smaakjes waren al in 2021 voorgesteld), gaten in wetgeving (herbruikbare vapes, niet-geüpdatete KB-lijst verboden stoffen) en ideologische tegenstrijdigheden (eis tot druglegalisering ondermijnt anti-vapebeleid). Kernpunt: onmiddellijke actie is nodig om een generatie te redden, maar Europese afstemming en strikt handhaven blijven knelpunten.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, 52 % van de vapende jongeren rookt sigaretten. Het schadebeperkingsnarratief van de industrie – die is ook crimineel – is een rookgordijn geworden. Een rookopstapje in plaats van een rookstopmiddel. De Pano -reportage van gisteren liegt niet. Naast met nicotine worden vapes nu gevuld met naar snoep smakende drugs. Een hele generatie wordt onder onze ogen langzaam verslaafd en vergiftigd.

Ik vraag het namens cd&v al vijf jaar. Ik heb in 2021 een wetsvoorstel op tafel gelegd om de smaakjes te beperken tot maximaal drie, zonder die aantrekkelijke zoetigheid. De Stichting tegen Kanker, Kom op tegen Kanker, de Belgian Respiratory Society, allemaal zijn ze voorstander.

Mijnheer de minister, soms zijn gezond verstand, pragmatisme, en ook het voorzorgsprincipe beter dan een voorzichtig wetenschappelijk advies dat we in 2022 mochten ontvangen van de Hoge Gezondheidsraad. Hoelang wachten we nog? We moeten weer wachten op een advies. Ik heb adviezen over mijn wetsvoorstel gevraagd.

U wou vorig jaar de inspecties versterken en de sancties opvoeren, maar wat zien we? Cannabisvapes, spicevapes, wegwerpvapes. Eraan geraken is letterlijk kinderspel.

Ik hoop dat het u vandaag echt menens is. Mijnheer de minister, wat zult u nu doen, wat zult u vandaag doen, om onze jongeren te beschermen tegen vapen?

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, we hebben gisteren de Pano -reportage gezien. U gaf daar vanochtend al een reactie op in de pers. Ik ben blij te horen dat u even verontwaardigd bent als de talrijke ouders en leerkrachten die met deze problematiek geconfronteerd worden.

Onze jongeren worden steeds meer blootgesteld aan rommel in vapes. Dat moet echt stoppen. Er is al een verbod op het verkopen van wegwerpvapes, maar dat wordt dus duidelijk niet nageleefd. Het gaat over illegale rookmiddelen, waardoor we geen zekerheid meer hebben over de samenstelling van het product. Zo ligt het nicotinegehalte vijf keer hoger dan in een klassieke tabaksigaret en zitten er zware metalen in de dampen, zoals nikkel, lood en zink. Dan hebben we het nog niet over de e-sigaretten die cannabis of synthetische drugs bevatten. Wanneer drugs gecombineerd worden met een aangename fruit- of snoepsmaak weten we gewoon dat er op termijn ongelukken gaan gebeuren, waarschijnlijk ook met heel jonge kinderen.

We hebben de wet al verstrengd, maar we stellen vast dat de situatie er echt niet beter op wordt. Integendeel, het blijft een aantrekkelijk product voor jongeren door de verschillende smaakjes en het is voor jongeren nog te gemakkelijk om aan wegwerp e-sigaretten te geraken, zowel online als via dealers, maar ook gewoonweg in de winkel.

Mijnheer de minister, de regering wil overduidelijk de strijd aangaan met de vapes. U sprak deze ochtend over oplossingen, waaronder samenzitten met de politie, Binnenlandse Zaken en Europa om tot een integrale aanpak te kunnen overgaan. Ik steun die daadkracht, maar vraag mij wel af welke bijkomende maatregelen er op heel korte termijn kunnen worden genomen. De harde realiteit van een nieuwe zogenaamde 'generatie vape' haalt ons immers razendsnel in.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, men kan er tegenwoordig niet meer naast kijken en heel wat ouders worden er dagelijks mee geconfronteerd: jonge kinderen die aan de schoolpoort staan te vapen, verleid door fruitsmaakjes, felle kleuren en niet alleen verleid, maar vooral ook verslaafd.

Dat is het werk en de walgelijke tactiek van de tabakslobby. Alle waarden en normen gaan overboord om onze jonge kinderen en jongeren verslaafd te maken. Ze zetten alles op alles om onze toekomstige generaties, onze toekomst, onze jeugd te verleiden, te verzieken en verslaafd te maken. De Pano -documentaire van gisteren was wederom shockerend. Ik wil via deze weg ook de makers expliciet bedanken omdat ze gevaarlijke trends bij jongeren keer op keer onder de loep nemen, want nu blijkt dat die vapes gevaarlijke metalen en spice bevatten, een drug die even verslavend is als heroïne.

Dat zou ons allemaal moeten verontrusten, want we weten ondertussen allemaal wel hoe schadelijk vapes zijn voor jonge mensen, maar dit is gewoon hallucinant en onaanvaardbaar. Bovendien trappen steeds meer jonge kinderen in die val.

Mijnheer de minister, u hebt de voorbije jaren heel wat inspanningen gedaan en ook komaf gemaakt met de vele valstrikken van de tabakslobby, maar toch blijven zij ook innoveren en manieren zoeken om onze kinderen en jongeren te verleiden en verslaafd te maken. U hebt als eerste in Europa wegwerpvapes, lampjes en smartvapes verboden en ook een einde gemaakt aan de online verkoop van vapes, maar toch.

Voor Vooruit is de gezondheid van onze kinderen en jongeren essentieel. Ik heb dus maar één vraag voor u, mijnheer de minister. U hebt al heel wat belangrijke stappen gezet, maar wat zult u nog doen om onze kinderen en jongeren te beschermen tegen de gevaren van vapen en roken? Dank u wel.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, de Panoreportage legde een schokkende realiteit bloot. Minderjarigen dampen synthetische drugs, verpakt als fruitige vapes en verhandeld via sociale media. Het gaat niet enkel over klassieke cannabis of nicotine, maar ook over 'spice', een chemisch gemanipuleerde stof die tot vijftig keer krachtiger is dan THC en even verslavend is als heroïne.

Deze producten circuleren zonder etiket, zonder controle en waarschuwing. Artsen herkennen ze niet, ouders weten van niets en kinderen storten in. Dit alles gebeurt onder uw bevoegdheid. U bent als minister immers bevoegd voor het koninklijk besluit van 1997 dat de lijst van verboden stoffen vastlegt.

U verbiedt graag van alles en nog wat, maar sinds de Europese waarschuwingen van 2022 hebt u geen enkele aanpassing gedaan. Het Europees waarschuwingssysteem meldde in 2022 alleen al 24 nieuwe synthetische cannabinoïden. Ondertussen inhaleren jongeren deze stoffen zonder dat u enige actie ondernam. Waarom hebt u daar de voorbije jaren niets aan gedaan? Zult u dat KB nog actualiseren? U bestempelt cannabis in vapes terecht als gevaarlijk, maar waarom verbiedt u dan niet consequent softdrugs in plaats van ze te legaliseren?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, collega's, de documentaire van gisteren heeft nogmaals duidelijk gemaakt dat vapes ongezonde en gevaarlijke producten zijn, die eigenlijk gewoon de wereld uit moeten. Daar zijn we ook mee bezig. Het gaat immers om een criminele industrie die een nieuwe generatie van kinderen en jongeren aan nicotine verslaafd wil maken. We moeten alles uit de kast halen om dat te stoppen.

Wij zijn daarmee al begonnen. Wat de producten betreft, hebben we allerlei tierlantijntjes, lichtjes en versieringen verboden. We waren ook de eerste in Europa om wegwerpvapes te verbieden. We hebben ook maatregelen genomen om vapes uit het zicht te halen, want zien roken doet roken. Eind december hebben we een rookverbod ingevoerd, ook voor vapes, op allerlei plekken waar kinderen en jongeren komen, van speelpleinen tot attractieparken en dierentuinen. Sinds 1 april van dit jaar is er ook een uitstalban voor vapes van toepassing. Vapes mogen gewoonweg niet meer in winkels uitgestald worden; ook dat is belangrijk.

Ik denk dat we verder moeten gaan en ik hoop op uw enthousiaste steun wanneer wij het vapen en het roken van klassieke tabaksproducten op terrassen zullen verbieden. Naar mijn opinie is dat echt nodig, want we moeten dat uit het zicht halen van kinderen en jongeren en van mensen in het algemeen.

Iedereen is er vandaag van overtuigd dat we ook de smaakjes moeten aanpakken. Die smaakjes zijn nergens goed voor. Kinderen en jongeren inhaleren nicotine en drugs met de smaak van aardbeien, appels en wat weet ik nog allemaal. Andere ingrediënten zijn pesticiden, nikkel, lood, allerlei zeer ongezonde en gevaarlijke producten. We moeten eerlijk toegeven dat de meningen daarover geëvolueerd zijn. De Hoge Gezondheidsraad adviseerde destijds dat de smaken behouden konden blijven. Ook bij de organisatie Kom Op Tegen Kanker denk ik dat de meningen geëvolueerd zijn. Filip Lardon bijvoorbeeld was vroeger voorstander van het behoud van de smaakjes, maar zegt nu uitdrukkelijk dat ze verboden moeten worden. Ook mijn mening is in die zin geëvolueerd. Ik denk dat we de smaakjes werkelijk volledig moeten verbieden.

Dat verbod zijn we nu aan het uitwerken. Daarbij kunnen we kiezen voor het Deens model, waarbij naast tabaksmaak nog muntsmaak bestaat met het oog op rookstop, ofwel voor het Nederlands model met alleen maar tabaksmaak. Dat zijn we aan het bekijken. Het is technisch niet zo eenvoudig. Ik wil zo snel mogelijk een dossier klaar hebben met een efficiënte en gemakkelijk hanteerbare oplossing en dat dan voorleggen aan Europa.

Ondertussen moeten we inderdaad inzetten op handhaving. We doen dat ook. Mijn inspectie is elke dag op stap. Terwijl we hier debatteren, zijn mijn inspecteurs op stap. We hebben in het eerste trimester van dit jaar 40.000 illegale vapes in beslag genomen. We hebben vorig jaar 6.000 webpagina's gesloten. We doen aan mysteryshoppen waarbij mijn inspecteurs zich als kopers van aanbiedingen op Snapchat voordoen en dealers betrappen. We voeren dus actie en mijn inspectie verricht uiterst goed werk.

De grote moeilijkheid is echter dat men de kwestie Europees niet geregeld kan krijgen, indien men niet in alle landen hetzelfde doet. Helaas zijn er nog heel wat landen waar onlineverkoop is toegelaten, ook rondom ons. De strijd moet, met andere woorden, ook Europees worden gevoerd. Ik heb een tijdje geleden een hele zak vapes meegenomen naar een Europese vergadering waar ik aan al mijn collega’s bevoegd voor volksgezondheid en aan de Europese Commissaris heb getoond wat vapen is: verleidelijk maar levensgevaarlijk. We hebben met elf landen een brief gericht aan de Europese Commissaris waarin we vragen eindelijk werk te maken van de beloofde wetgeving die grensoverschrijdend verkeer en onlineverkoop van die producten in heel Europa verbiedt. De strijd moet dus op Europees niveau worden gevoerd. Wat mij betreft, is die strijd zeer belangrijk.

Ondertussen moeten we inderdaad ook de samenwerking met de politie versterken. Er vindt overleg plaats met de Vaste Commissie van de Lokale Politie. Ook met mijn collega van Binnenlandse Zaken moet ik nagaan wat we bijkomend kunnen doen om al die illegale producten aan te pakken. Inderdaad, alle producten waarover het gaat – ik verbaas mij over uw betoog, mevrouw Bury –, zijn illegaal van het begin tot het einde; ze zijn allemaal verboden. Daarover bestaat geen enkele twijfel. De vraag is hoe we dat verbod zullen handhaven. Ik zal de strijd daartegen voeren, tot die producten uit de wereld zijn. Dat zijn we verplicht aan onze kinderen en jongeren.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, de acties en de maatregelen die u voorstelt zijn goed, maar hopelijk zijn ze niet too little too late . Wij hadden inderdaad geen Panoreportage nodig om het vast te stellen. We hadden al iets kunnen ondernemen in 2021. Ik heb vandaag de lijst nog eens bekeken. Die bestaat uit 300 pagina's met producten die we aanvaarden in België. Stuur de inspectie maar eens op pad om dat allemaal te controleren. We hebben het te ver laten komen. Als u het Parlement zijn werk had laten doen, waren de smaakjes nu al beperkt. Dat is de realiteit, die wil ik ook even hier onder ogen brengen. Kom Op Tegen Kanker, Stichting Tegen Kanker en alle andere organisaties hebben het gevraagd.

Ondertussen wordt de sector slapend rijk. In 2025 winnen dergelijke bedrijven 10 miljard euro in Europa op de kap van de gezondheid van onze jongeren. Het is tijd voor actie. Het is tijd voor een lik-op-stukbeleid. Onze jongeren en onze ouders zullen er wel bij varen.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, u sprak onder andere over Europese samenwerking. Die is noodzakelijk om die onlinehandel in wegwerpvapes aan banden te kunnen leggen. Het gaat echter natuurlijk niet over die digitale handel alleen. Uit de reportage bleek bijvoorbeeld dat winkels hier in Brussel begin deze maand, na drie inspecties van de FOD Volksgezondheid, nog steeds wegwerpvapes aanboden. Dat gebeurt recht onder onze neus. Dan is dat onlineverkoopverbod alleen niet voldoende. Er dienen nog meer controles in winkels te komen. Wij verwachten ook effectieve sluitingen van hardleerse handelaars die zich niet aan die regels houden.

Verder moet er in een versneld tempo werk worden gemaakt van dat verbod op smaken of aroma's in vapes. Hoe minder aantrekkelijk het product is, hoe minder interessant het is voor onze jeugd. Dat is correct. De situatie is zo urgent dat hieraan echt prioriteit moet worden gegeven.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, dank u voor uw duidelijk antwoord en de duidelijke inspanning om deze producten uit de wereld te helpen. Collega's, Vooruit zal altijd de kant van onze jongeren en hun gezondheid kiezen. Daarom laten we dit vandaag zeker niet los. We moeten de strijd tegen de tabakslobby samen blijven voeren.

Het is goed dat u gaat overleggen met Binnenlandse Zaken en politie om dit probleem aan te pakken. Het is ook goed dat u dit op de Europese agenda blijft zetten. Dat is nodig in het belang van al onze kinderen en jongeren, voor het beschermen van hun gezondheid. Ik reken erop, en samen met mij veel andere bezorgde ouders, dat u deze strijd blijft opvoeren, mijnheer de minister.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, het gaat wel degelijk ook over opvulbare, herbruikbare vapes waarin een flesje spice kan worden gedruppeld. De herbruikbare vapes zijn niet verboden. Wat u zegt, klopt dus niet. Ik heb u ook niets horen zeggen over het KB. Dat is een belangrijke vraag, maar u zegt daar niets over. Ondanks Europese waarschuwingen tegen de nieuwe gevaarlijke synthetische stoffen sinds 2022, hebt u jarenlang niet ingegrepen. Nu voert u campagne voor een totaalverbod op vapes, maar tegelijk pleit uw partij voor de legalisering van drugs. Dat is geen consequente gezondheidsstrategie. Dat is ideologische schizofrenie. Het is niet meer dan dat. U moet niet verbaasd zijn, wanneer u het gevaar van cannabis relativeert, over de opmars van synthetische rotzooi. Uw partij zaait verwarring.

De langdurig zieke werknemers
De toepassing van datamining op doktersattesten van langdurig zieken
Langdurig zieke werknemers, datamining doktersattesten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verdedigt zijn beleid voor langdurig zieken (529.000 in België) met stimulansen voor re-integratie (aangepast werk, snellere begeleiding) en sancties bij fraude (meldpunt voor misbruik ziekteattesten, steun van artsenorden), terwijl werkgevers strenger worden aangesproken (verplichte trajecten, hogere sociale bijdragen). Tonniau (PVDA) bekritiseert de criminalisering van zieken en artsen en wijst op gebrek aan werkgeversverantwoordelijkheid, terwijl Demesmaeker (N-VA) benadrukt dat begeleiding naar werk (indien mogelijk) solidariteit en welzijn versterkt—niet sancties voor echte patiënten. De kernspanning draait om vertrouwen vs. controle: re-integratie met respect versus strafmaatregelen als hefboom.

Robin Tonniau:

Mijnheer Vandenbroucke, u bent minister van Volksgezondheid. Dan kan men zich al eens de vraag stellen wat een minister van Volksgezondheid moet doen. Dat zijn twee dingen, namelijk ten eerste mensen die ziek zijn helpen genezen en ten tweede mensen die gezond zijn zo lang mogelijk in goede gezondheid houden.

Vandaag zijn er in ons land 526.000 langdurig zieke werknemers. Wat doet u? Werknemers die langdurig ziek zijn sancties opleggen. Wie niet in orde is met zijn papieren, patat, 10 % van zijn uitkering kwijt. Wie twee doktersafspraken mist, patat, zijn hele uitkering kwijt.

Ook de ziekenfondsen neemt u in het vizier. Ze krijgen minder geld, minder financiering, als ze te weinig zieke mensen opnieuw aan het werk zetten.

En de dokters, mijnheer de minister? U voert een kliklijn in voor artsen. Werkgevers kunnen artsen aangeven van wie ze vinden dat ze te veel ziektebriefjes uitschrijven voor hun werkgevers. Artsen, mijnheer de minister! Die moeten er precies op toezien dat hun patiënten genezen. Ze moeten instaan voor de zorg voor hun patiënten, maar u maakt van artsen controleurs en van hun patiënten verdachten.

Daar gaat het om. Dat is het sfeertje dat u creëert. Mensen die hun hele leven lang hun botten hebben afgedraaid, met versleten rug, met pijnlijke polsen, die mensen worden weggezet als profiteurs, als verdachten. Altijd het vingertje naar de mensen!

Mijnheer Vandenbroucke, wanneer gaat u met datzelfde vingertje eens naar de werkgevers wijzen? Waar zijn de plichten van de werkgevers om aangepast werk te voorzien? Waar blijven de sancties voor die werkgevers (…)

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, we kennen allemaal de cijfers. Ons land kent een recordaantal langdurig zieken, veel meer dan andere landen, zoals Duitsland. Dat aantal blijft jammer genoeg ook elke dag stijgen.

Uiteraard moeten we de mensen die echt niet kunnen werken beschermen. Dat staat buiten kijf, maar vandaag laten we ook heel wat mensen los die wel nog perspectief hebben op werk, mits de juiste begeleiding. De afstand tot de arbeidsmarkt wordt voor hen elke dag groter. Als we daar niets aan doen, dreigen we die mensen ook definitief te verliezen. Daarom is het cruciaal dat we werk maken van de juiste begeleiding, met respect voor wie echt ziek is. Dat moet ook onze ambitie zijn: wie nog kan werken, moeten we begeleiden naar werk.

Ik hoor mijn collega van de PVDA zeggen dat we een aantal zaken moeten doen. We moeten de mensen helpen genezen en de mensen die gezond zijn zo lang mogelijk gezond houden, maar u vergeet iets, collega. U vergeet dat men mensen die ziek zijn ook perspectief op werk, toekomst en sociale contacten moet bieden. Dat vergeet u. Werken is meer dan enkel een loonbriefje. Dat vergeet u.

Mijnheer de minister, ik weet dat u werk wil maken van werk. Binnen welke termijn kunnen we die maatregelen verwachten? Waar gaat u het verschil maken?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Tonniau, ik heb twee weken geleden een lang gesprek gehad met iemand die postbode is geweest, veel problemen heeft gekend, met een ernstige psychiatrische problematiek en die desondanks weer een aangepaste job heeft gevonden bij een andere werkgever. Die man is niet helemaal genezen, maar die is voor een stuk aan het werk. Dat is een prachtig verhaal. Daarover gaat het. Ik sprak met een man die een geschiedenis had van twee jaar ernstige depressie, volledig uitgevallen was en opnieuw een halftijdse job in een klein bedrijf heeft. Dat is prachtig, dat is solidariteit, dat is zorgen voor de gezondheid van mensen. Daar zijn we mee bezig. U bent hier bezig met de ene leugen na de andere, de ene leugen na de andere. (Applaus van de meerderheid)

Zouden wij mensen van wie de papieren niet in orde zijn, hun uitkering afpakken? Wat is dat voor onzin? Als iemand natuurlijk hardnekkig weigert, ondanks aangeboden hulp, ondanks herhaalde vragen, om een formulier in te vullen, dan heeft men wel een probleem om de solidariteit te organiseren. Inderdaad.

Ik zal u nog een ander voorbeeld geven, want u hebt ernaar verwezen. Bent u tegen sociale fraude? Ja, toch? We moeten toch optreden tegen mensen die onderbetaald zijn? Tegen dumping moeten we optreden? Tegen zwartwerk moeten we optreden? Ja, toch? Sinds tien jaar bestaat daar een meldpunt voor, waar vakbonden en werkgevers melding kunnen maken van sociale fraude. Als er nu manifest gefraudeerd wordt met ziekteattesten, zou dat niet gemeld mogen worden door een werkgever? Zou dat niet gemeld mogen worden? Dat is een eigenaardige logica.

Solidariteit en sociale zekerheid, meneer Tonniau, zijn voor ons een kostbaar goed. Wie daarmee fraudeert – of het nu gaat over zwartwerk, onderbetaling, fiscale fraude, sociale fraude, fraude met ziektebriefjes – moet worden aangepakt, omdat we die solidariteit zo belangrijk vinden. (Applaus van de meerderheid)

Als een meldpunt dat al tien jaar bestaat en waar vakbonden ook zeer tevreden over zijn, ook voor die fraude wordt opengesteld, dan is de PVDA plotseling niet meer akkoord. Ik kan u zeggen dat ook de Orde der artsen dat een zeer goed initiatief vindt en dat wij daarover overleggen. Dat kan ik u wel zeggen.

U sprak over de werkgevers, maar u zult op uw wenken worden bediend. In de programmawet die voorligt staat immers een verplichting voor werkgevers om mensen die zes maanden uitgevallen zijn, maar nog mogelijkheden hebben een integratietraject aan te bieden. Dat staat daarin.

Er staat ook een verplichting in die programmawet, die stelt dat men mensen niet langer dan acht weken mag laten wachten voor een gesprek met de arbeidsarts om te kijken wat nog mogelijk is. Werkgevers zullen eveneens verplicht worden om meer te betalen dan vandaag aan de sociale zekerheid als mensen uitgevallen zijn. U zult daar op uw wenken bediend worden. Maar ja, echte solidariteit is niet aan u niet besteed.

Onze opdracht, mijnheer Tonniau, bestaat erin om mensen die uitgevallen zijn wegens ziekte te helpen door te zoeken naar mogelijkheden voor werk. Zoeken naar aangepast werk, desnoods een kleine job, is mensen ook helpen in hun welzijn en gezondheid. Dat is de inzet en daar zullen we voor gaan! (Applaus van de meerderheid)

Robin Tonniau:

Mijnheer Vandenbroucke, het is duidelijk dat het pijn doet wanneer we vertellen hoelang u al op die post zit en hoe ontelbaar veel langdurig zieken erbij zijn gekomen. Vandaag zijn het er 529.000! Dat is niet op het conto te schrijven van de PVDA.

U moet mij hier geen blaasjes wijs maken. Ik heb zelfs 17 jaar in de industrie gewerkt. Mijn werkgever heeft mij vroeger in zo'n traject proberen forceren. Ik vroeg aan mijn werkgever om mij alstublieft aangepast werk te geven zoals mijn arts vroeg. Hij wilde dat echter niet doen en zei dat dat bedrijf met amper 6.000 werkplaatsen geen aangepast werk had. Dat is de realiteit. Het wordt tijd dat u een keer uit uw bubbel stapt.

U maakt van de dokters controleurs. Ik vind het ook schandalig dat er een groot applaus komt van de N-VA wanneer u 529.000 zieke werknemers fraudeurs noemt (…)

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer Tonniau. Uw tijd is om.

Eva Demesmaeker:

Collega Tonniau, u zegt dat het pijn doet, maar niets is minder waar. U hebt niet goed geluisterd. Wij zijn enorm trots dat wij met deze ploeg de meest sociale maatregelen nemen die we kunnen nemen. Wie langdurig ziek is en echt niet kan werken, zullen we beschermen. Wie wel nog een toekomstperspectief heeft, omarmen we en begeleiden we; we zullen hun een toekomst geven. Daar zijn wij bijzonder trots op.

Mijnheer de minister, u vindt in ons een bondgenoot. Wij laten langdurig zieken niet vallen; het is aan ons om hen te ondersteunen met trajecten op maat. Dat is eerlijk, dat is menselijk en daar ligt volgens ons de sleutel.

Voorzitter:

Ik had begrepen dat de PVDA een collectivistische partij is, niet de N-VA. Het is niet omdat de N-VA genoemd wordt, dat dat een persoonlijk feit is voor u, natuurlijk. Het noemen van een naam volstaat niet om er een persoonlijk feit van te maken, mijnheer Ronse. Uw naam moet dan in een denigrerende betekenis worden gebruikt. Collega's, er werd vastgesteld dat er nog een reeks afwezigen waren voor de geheime stemming waarvoor ik u heb opgeroepen. U hebt nog de tijd om dat goed te maken. U wordt uitgenodigd om dat nu te doen.

De indexering van de lonen van het zorgpersoneel
Het opnieuw ter discussie stellen van de indexering
Herindexering van lonen zorgpersoneel

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Hedebouw (PVDA) valt Vooruit-minister Vandenbroucke aan omdat diens regering de indexering van pensioenen, uitkeringen en ambtenarensalarissen drie maanden uitstelt, wat gepensioneerden 68 euro en zorgpersoneel tot 150 euro koopkracht kost—ondanks campagnebeloftes om de index te "beschermen". Vandenbroucke ontkent dat zorgpersoneel wordt geraakt en wijst op mogelijke cao-aanpassingen, maar N-VA’er Ronse bevestigt dat het uitstel *wel* voor iedereen geldt, tenzij cao’s worden gewijzigd. Prévot (PS) hamert op het antisociale beleid (prepensionering, nachtarbeid, indexaanvallen) en kondigt stakingen aan, terwijl de meerderheidspartijen (inclusief Vooruit) de koopkrachtdaling verantwoorden als "noodzakelijk voor toekomstige welvaart".

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de socialistische minister Frank Vandenbroucke, jullie voeren met Vooruit campagne, zowat overal, en zeggen aan iedereen die het wil horen, ook op sociale media: Vooruit beschermt de index. Ik toon u de affiche. Maar, mijnheer de minister, vorige week hebt u gewoonweg besloten om de indexering van de pensioenen met drie maanden uit te stellen. Dat geldt ook voor de uitkeringen voor gehandicapten, langdurig zieken en werklozen. Waarom doet u dat, die drie maanden uitstel? Dat kost een gepensioneerde 68 euro, volgens berekeningen van OKRA. Men leeft al van zulke kleine pensioentjes, maar de Vooruitminister komt aan de index.

Daarmee is het nog niet gedaan. Ook voor de indexering van de lonen van ambtenaren, de werkende klasse in ons land, komt er drie maanden uitstel. Waarom wordt er weer eens koopkrachtverlies doorgevoerd voor de werkende klasse door een socialistische minister?

Et ce n'est pas fini , het is nog niet gedaan. Ook voor het zorgpersoneel voert u volle bak campagne: "Vooruit zorgt voor het zorgpersoneel, wij beschermen uw index." Met alle wetgeving die u gaat veranderen via de programmawet blijkt dat al de cao's in de zorgsector worden aangepast, met drie maanden vertraging voor de lonen tot gevolg. Dat betekent 150 euro koopkrachtverlies. Maar deze morgen hoor ik u als Vooruitminister zeggen dat dat allemaal niet waar is.

Welnu, ik heb de nieuwsbrief bij van Wouter Verschelden, waarin hij Axel Ronse citeert.

Axel Ronse:

Dat is een persoonlijk feit!

Raoul Hedebouw:

Natuurlijk, een heel persoonlijk feit.

Mijnheer de minister, u zegt dat dat niet zal gebeuren voor het zorgpersoneel, maar Wouter Verschelden schrijft dat N-VA'er Axel Ronse – persoonlijk feit – zegt dat dit geldt voor iedereen: iedereen zal koopkracht verliezen, ook het personeel in de zorgsector. (…)

Voorzitter:

Mijnheer Hedebouw, bedankt voor dat persoonlijk feit.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je peux comprendre votre incompréhension puisque ma question était destinée au ministre Clarinval, qui malheureusement n'a pas eu le courage de venir me répondre ici en séance plénière. Visiblement, le courage est une denrée qui se fait rare au MR peut-être, monsieur le ministre de la Sécurité, sauf quand on est protégé derrière une dizaine de policiers.

Monsieur le ministre, récompenser le travail, c'est un principe que nous partageons. Mais je ne vous cache pas que j'ai franchement tiqué en découvrant le slogan du 1 er mai du MR: "Le travail enfin en fête!" Je me suis demandé s'ils étaient sérieux.

Ils ne sont pas nombreux dans la salle pour l'instant mais, monsieur le ministre, je vais vous donner un scoop: le MR est le seul parti au pouvoir sans discontinuer depuis 1999. Vous pouvez vérifier; c'est le seul parti au pouvoir sans discontinuer depuis 1999. On a envie de dire: qu'ont-ils fait depuis 26 ans?

Et c'est la fête pour qui exactement? Ces derniers mois, on a vu défiler les reculs sociaux: suppression des prépensions, retour de la période d'essai, élargissement du travail de nuit et, maintenant, avec les fameux accords de Pâques, ce sont de nouvelles attaques contre l'indexation automatique des pensions, des salaires des fonctionnaires, des allocations des demandeurs d'emploi, des malades, des personnes en situation de handicap. Et, si vous voulez du concret, un report d'indexation, c'est 60 euros en moins pour un salarié qui a 3 000 euros par mois, jusqu'à 175 euros pour une infirmière, selon la presse et, sur les pensions, les recteurs parlent de perte allant jusqu'à 40 % pour les enseignants et les chercheurs.

Monsieur le ministre, quand on en vient à affaiblir les universités, les hôpitaux, les services publics, ce n'est évidemment pas récompenser le travail, c'est organiser son appauvrissement.

Je n'ai qu'une question, monsieur le ministre, que je vous pose les yeux dans les yeux: jusqu'où comptez-vous aller dans l'appauvrissement des travailleuses et des travailleurs?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Hedebouw, wie geen politieke verantwoordelijkheid neemt, kan hier inderdaad elke dag een show komen opvoeren. De vraag is dan wie u helpt. Ik zeg dat trouwens ook ten aanzien van de collega's van de PS. Wij sluiten compromissen in de regering, in zeer moeilijke omstandigheden. Wij willen investeren in de zorg en in veiligheid en wij willen ervoor zorgen dat ook de toekomst van onze welvaartstaat gegarandeerd wordt. Wij willen namelijk mensen helpen en vooruit helpen. Dus nemen wij onze verantwoordelijkheid Als wij dat niet deden, konden wij hier elke dag een show komen opvoeren.

Mijnheer Hedebouw, heel concreet, de indexering voor het zorgpersoneel zal onveranderd blijven. Er is geen beslissing die in de andere richting gaat. Bij een wijziging in het indexeringsmoment voor ambtenaren, doen men in bepaalde cao's wel copy-paste van het systeem van de ambtenaren. Het is absoluut niet moeilijk voor de sociale partners om die cao's aan te passen. Meer dan dat, mevrouw Margot Cloet van Zorgnet-Icuro deed vandaag al de oproep aan de vakbonden en de andere werkgevers in de zorgsector om samen aan de slag te gaan en om de nodige aanpassingen te doen, zodat de indexering van al het zorgpersoneel ongewijzigd blijft zoals vandaag.

Wat mij betreft, mag u die affiche nog eens tonen voor de camera's. Vooruit beschermt het zorgpersoneel. Absoluut.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer Vandenbroucke, de index is een heel belangrijk strijdpunt van de linkse partijen. Op een week van 1 mei sjoemelt u met de index van de gepensioneerden, van de werkende klasse en van de ambtenaren. In de zorgsector werken ook veel ambtenaren. Daar mag kennelijk wel aan de index worden geprutst.

Wat de indexering in de zorgsector betreft, u weet heel goed dat de cao’s daar niet zomaar zullen veranderen. Axel Ronse van de N-VA zegt duidelijk dat het zorgpersoneel wel zal worden getroffen. Kortom, de weten van 1971 en 1977 worden wel degelijk gewijzigd.

Pour ce qui est des Engagés, qu'on n'entend pas beaucoup dans ce dossier, vous touchez de plein fouet le personnel soignant en postposant de trois mois l'indexation de leur salaire. Vous visez l'indexation des pensionnés. Pour un parti qui se disait social, comment osez-vous? Vos promesses de campagne d'aider les pensionnés et le secteur des soins? Rien du tout! Vous touchez clairement au salaire des travailleurs!

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, j'entends la petite réponse à ma question qui était vachement plus vaste.

Je comprends surtout que rien n'est acquis. Le gouvernement prend des décisions, puis fait supporter le poids de la charge sur les représentants des travailleurs qui vont se battre avec le patronat. Donc, vous installez une nouvelle fois celui-ci dans un fauteuil.

Votre slogan, c'est "le travail, le travail, le travail". Comme je l'ai déjà dit, nous pouvons le partager, mais depuis que vous êtes au pouvoir, c'est surtout la galère pour les gens qui travaillent. Les salariés, les ouvriers, les fonctionnaires, les chercheurs d'emploi, les pensionnés, tous sont dans votre ligne de mire. Ils trinquent tous. Malheureusement, vous déroulez avec vos partenaires votre agenda antisocial. Vos promesses sont une farce, dont les travailleurs sont les dindons. Ils sont fatigués et en colère. Je peux vous dire une chose, monsieur le ministre: le 29 avril, ils se feront entendre et se mettront en grève. Nous, Parti Socialiste, nous serons avec eux pour défendre leurs droits et stopper le recul!

Voorzitter:

Was het citaat fout, mijnheer Ronse? Citeren mag, maar als u zegt dat het citaat fout was, dan krijgt u het woord.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Axel Ronse:

Collega Hedebouw, ik dank u om mij het grote voorrecht te verlenen om in dit halfrond een grote persoonlijkheid te citeren, namelijk mezelf. Ik heb in de nieuwsbrief van Wouter Verschelden gezegd dat het geldt voor iedereen, ook voor het zorgpersoneel, maar het klopt wel dat minister Vandenbroucke het wil laten aanpassen.

Dat betekent dat het uitstel van de index voor iedereen geldt, maar dat betekent ook, zoals minister Vandenbroucke hier heeft aangegeven en ook heeft verwezen naar Zorgnet-Icuro, dat als men cao's aanpast, men kan doen wat hij hier voorstelt. Ik heb eigenlijk niet meer en niet minder gezegd dan dat.

Dat biedt mij ook de gelegenheid om hier aan te geven dat Vooruit gesteund wordt door cd&v, Les Engagés, de MR en de N-VA om het zorgpersoneel, maar eigenlijk al het personeel in dit land, vooruit te helpen, om ervoor te zorgen dat men netto meer overhoudt, dat men erop vooruitgaat, dat mensen die werken beloond worden en dat hun sociale zekerheid in de toekomst wordt beschermd. We hebben daarvoor nu een ongelooflijke hervormingstrein opgestart, die soms moeilijke maatregelen neemt, maatregelen die u niet durft te nemen en die u op een heel populistische manier benoemt (…)

Voorzitter:

Mijnheer Ronse, u gaat voorbij aan uw persoonlijk feit. Ik ontneem u dus het woord en geef het aan de heer Hedebouw. Mijnheer Hedebouw, ik zal ook u het woord ontnemen wanneer u verder gaat dan het persoonlijk feit. U hebt de heer Ronse geciteerd, hij heeft dat rechtgezet en het is aan u om daarop te reageren. Ik vraag u om bij het persoonlijk feit te blijven.

Raoul Hedebouw:

Dat zal ik zeker doen. In de nieuwsbrief van Wouter Verschelden staat duidelijk dat het geldt voor iedereen, ook voor het zorgpersoneel. U zegt eigenlijk dat er geen verandering zal komen in het akkoord op het vlak van de programmawet. Er waren vanochtend twee pistes: als er geen overeenkomst wordt bereikt, dan een aanpassing van de cao's. Ik denk niet dat iedereen in juni al meteen cao's …

Mijnheer Ronse, u zegt hier duidelijk – maar ik heb dat ook begrepen van de minister – dat er geen verandering zal komen van de programmawet. Er is een akkoord gesloten binnen de meerderheid. Daar hebben wij een probleem. Dat de N-VA de lonen aanvalt (…)

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Hedebouw. Ik heb u de micro ontnomen. Wij hebben het citaat gekregen zoals u het hebt voorgelezen, het werd aangevuld door de heer Ronse en u hebt daar een interpretatie aan gegeven. Daarmee is het persoonlijk feit afgesloten.

De terugbetaling van Eylea

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke handhaaft de ambulante ooginjecties (Eylea) voor patiënten met maculadegeneratie, ondanks een RIZIV-voorstel om deze enkel in ziekenhuizen toe te dienen, omdat nabije zorg en mobiliteit van kwetsbare ouderen (zoals de 78-jarige Griet) voorop staan. Hij verwierp de veiligheidsargumenten van de onafhankelijke commissie en behoudt de lokaal toegankelijke behandeling, in lijn met het regeerakkoord dat zorgnabijheid en keuzevrijheid benadrukt. Depoorter prijst de beslissing als essentieel voor 47.000 patiënten, wijzend op de gegarandeerde veiligheid (24 uur houdbaarheid na koeling) en het belang van zelfstandigheid en minder afhankelijkheid van familie voor transport.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik las gisteren in Het Laatste Nieuws het verhaal van Griet, een oudere dame van 78 jaar die lijdt aan leeftijdsgebonden maculadegeneratie. Dat wil zeggen dat haar netvlies aangetast is door een ouderdomsziekte heeft, waardoor ze zwarte vlekjes ziet en dus minder scherp zicht heeft. Dat wil ook zeggen dat ze minder zelfstandig is. Soms is een bus nemen al heel moeilijk. Ze heeft een groter risico op vallen. Het gaat dus om een ernstige ziekte.

Griet is niet alleen. Zo'n 47.000 mensen in ons land lijden aan maculadegeneratie. Gelukkig voor hen bestaat er een terugbetaald medicijn, met name Eylea, dat elke maand in het oog geïnjecteerd moet worden. De patiënten die in de coronaperiode die behandeling moesten krijgen, konden hun spuit halen bij hun huisapotheker. Met die spuit konden ze bij de lokale ambulante oogarts terecht voor de injectie. Dat was heel comfortabel. Sinds het einde van de coronaperiode moeten zij hun spuit bij de ziekenhuisapotheek halen en kunnen ze kiezen om voor de injectie naar het ziekenhuis te gaan dan wel bij hun lokale oftalmoloog in het dorp, dicht bij huis.

Nu zou er bij het RIZIV een voorstel op tafel liggen waardoor Griet naar de ziekenhuisapotheek moet gaan en zich daar ook moet laten injecteren. Maar het is voor haar niet meer mogelijk om zelfstandig daarheen te gaan voor haar behandeling. Daarvoor moet zij een beroep doen op haar familie, die haar een keer per maand naar het ziekenhuis moet brengen.

Mijnheer de minister, we hebben samen het regeerakkoord geschreven en daarin is de toegankelijkheid van de zorg zeer belangrijk. U onderschrijft dat principe. Hoe kijkt u aan tegen het voorstel van het RIZIV en hoe zult u de kwestie als minister van Volksgezondheid aanpakken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, u hebt het probleem goed geschetst. Ik denk dat patiënten niet bepaald naar een ooginjectie uitkijken. Voor wie wat ouder is en minder mobiel, is het inderdaad belangrijk dat zij nabije zorg kunnen genieten.

Tijdens de coronapandemie was er de nieuwigheid dat patiënten ooginjecties met het betreffende medicijn ook ambulant konden krijgen. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen heeft nu voorgesteld om die mogelijkheid stop te zetten en de behandeling te laten gebeuren in de ziekenhuiscontext. De commissie heeft argumenten van onder andere veiligheid en bewaring ingeroepen. Ik heb die argumenten bestudeerd, want ik wilde niet over één nacht ijs gaan. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen, die natuurlijk een onafhankelijke commissie, heeft me echter niet overtuigd en ik heb beslist dat ik haar advies niet zal volgen. Ik wens dus dat de ambulante behandeling mogelijk blijft en ik heb vertrouwen in de ernst waarmee de ambulante oogartsen die behandeling uitvoeren. Ik wens dus dat het mogelijk blijft dat mensen het geneesmiddel ook ambulant geïnjecteerd kunnen krijgen.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, u neemt de enige juiste beslissing. Nabijheid van zorg, geneesmiddelen halen bij de huisapotheker waar het kan, in de ziekenhuisapotheek waar het moet en ambulante praktijk naast de ziekenhuispraktijk zijn drie pijlers die wij in het arizonaregeerakkoord hebben afgesproken. U bewijst nu ook dat wij erop kunnen vertrouwen dat dat regeerakkoord wordt uitgevoerd. Ik vind het ontzettend belangrijk dat patiënten zoals Griet, patiënten die gemiddeld 79 jaar oud zijn en die een inspuiting van Eylea krijgen, geholpen kunnen worden door hun zorgverstrekkers, heel nabij, op een toegankelijke wijze, en dat die zorg in alle veiligheid kan worden verstrekt. De veiligheid is gegarandeerd, zoals u zelf al aangaf. De spuit Eylea blijft 24 uur goed, zodra die uit het koelkastmilieu is gehaald. Ik ben het absoluut met u eens. U hebt een heel goede beslissing genomen.

De verhoging van het defensiebudget
Het defensiebudget
Het percentage van het bbp dat aan Defensie besteed wordt
De begroting en het defensie-akkoord
Het paasakkoord en de hervorming van de werkloosheidsregeling
De vervanging van de DAB-agenten door militairen voor de bewaking van de kerncentrales
Het paasakkoord
Het paasakkoord en de beslissingen inzake asiel en migratie
Het paasakkoord, de hervorming van de werkloosheidsregeling en de uitgaven voor herbewapening
Het uitstellen van de indexering van de sociale uitkeringen
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen en de impact ervan op de OCMW's
De toepassing van het recht op een loopbaandoorstart
De plannen voor de hervorming van de pensioenen van de magistraten
De hervormingen in het gevangeniswezen en de middelen voor Justitie
De hervorming van het DBI-stelsel en de verduidelijking van het begrip 'financiële vaste activa'
Het gebruik van het systeem van de flexi-jobs per sector
Het opvangbeleid van de regering
De data-analyse inzake doktersattesten voor langdurig zieken
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Defensiebegroting, paasakkoord, sociale hervormingen en justitiehervormingen

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draaide rond het paasakkoord van de regering, met als kernpunten: hervormingen in sociale zekerheid (werkloosheid, pensioenen, langdurige ziekte), defensie-investeringen (NAVO-norm van 2% BBP), migratiebeleid en fiscaliteit. De regering (Arizona-coalitie) verdedigde het akkoord als noodzakelijk voor economische groei, concurrentievermogen en begrotingsdiscipline, met maatregelen zoals tijdsbeperking werkloosheidsuitkeringen, verhoogde defensie-uitgaven (gefiancieerd via Russische tegoeden en Belfius-dividend), en strengere asielregels. Oppositiepartijen (PTB, Groen, PS, Vlaams Belang) bekritiseerden het als sociaal onrechtvaardig (lasten op middenklasse, pensioenen, zieken) en budgettair onverantwoord (onvoldoende structurele financiering, schuldenopbouw). MR en Les Engagés steunden selectieve maatregelen (bv. "droit au rebond"), maar stelden vragen bij uitvoering en financiering. Kernconflicten: sociale rechtvaardigheid vs. economische hervormingen en korte-termijnmaatregelen vs. structurele oplossingen.

Voorzitter:

Goedemorgen, collega's. Ik dank de eerste minister voor zijn aanwezigheid.

De beslissing om een commissievergadering over het paasakkoord te organiseren, kwam er naar aanleiding van het verzoek van Open Vld en de PS op 12 april. Ik heb de beschikbaarheid van de eerste minister door het commissiesecretariaat doen nagaan en vandaag kunnen wij er dus van gedachten over wisselen.

Wij hebben voor de gedachtewisseling tijd tot 12 uur, de tijd die de agenda van de eerste minister hem toelaat. Er komt een integraal verslag en er kan dus dus achteraf daar geen discussie over zijn.

Ik stel voor dat de eerste minister zelf eerst een korte inleiding geeft en dat daarna de fracties binnen een tijdsspanne van 10 minuten, te verdelen onder de fractieleden, de eerste minister in een eerste ronde ondervragen.

We zullen zien of de tijd het toelaat alsnog een tweede ronde in te lassen, maar ik vrees, gelet op het grote aantal fracties, dat we onze best zullen moeten doen alles op 3 uur klaar te krijgen.

Ik wil de fractieleden die mondelinge vragen hebben ingediend, vragen ze te incorporeren in hun interventie. De toegevoegde vragen zullen na de vergadering als behandeld worden beschouwd.

Bart De Wever:

Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, we zullen het vandaag hebben over het paasakkoord dat dateert van de vergadering van de regering van 11 april. De teksten van het akkoord zijn momenteel bij de Raad van State en zullen nog voor een tweede lezing terugkomen. Uiteraard zullen ze daarna in het Parlement worden ingediend en zal er dus nog ampel gelegenheid zijn om ten gronde over de definitieve teksten te discussiëren. Uiteraard ben ik erover verheugd dat u niet zo lang wilt wachten en dat u stond te popelen om uw licht hierover al te laten schijnen. Ik stel mij dan ook graag te uwer beschikking om dat te doen.

De bedoeling is dat het akkoord uiteindelijk uitmondt in een programmawet met een aantal sociaal-economische hervormingen. De defensie-uitgaven zullen ook worden verhoogd om dit jaar reeds de NAVO-norm van 2 % te halen, wat ondertussen ongeveer alle Europese landen gezegd hebben te trachten te doen, voor zover ze die norm nog niet haalden. Het akkoord omvat ook maatregelen ter versterking van de interne veiligheid en maatregelen op het vlak van asiel en migratie.

U hebt mij uitgenodigd – en ik heb uw woorden goed begrepen, mijnheer de voorzitter – om daarover zeer kort iets te zeggen. Dat is natuurlijk wel een uitdaging. We hebben immers 300 bladzijden wetgeving voorbereid met 500 artikelen. Probeer daarover maar eens zeer kort iets te zeggen. Ik heb daartoe gisteren een poging gewaagd, maar ik vrees dat die zeer lang is uitgevallen. Ik zal er dus stevig in wieden en schrappen en proberen enkel bij de essentie stil te staan.

Hoofdstuk 1 omvat de programmawet zelf met de sociaal-economische hervormingen in het kader van de begroting van 2025. Het gaat daarin over een eerste golf maatregelen. Er zullen er uiteraard nog volgen, want niet alles van het regeerakkoord is omgezet. Het was bijvoorbeeld niet gepland dat sommige zaken al in 2025 effect zouden hebben en die zijn dus uiteraard nog niet opgenomen in de komende programmawet. Dat is ook logisch.

Er zit wel nu al meer dan voldoende in om een serieuze kluif aan het Parlement te kunnen geven. Het gaat over maatregelen om de concurrentiehandicaps weg te werken, de arbeidsmarkt te hervormen en de fiscaliteit te verduurzamen en hopelijk ook rechtvaardig te maken. Dat is dus een eerste vertaalslag van het regeerakkoord en de ambities daarin. We plannen ook een aantal hervormingen te doen, waar dit land al heel lang op zit te wachten.

Over de hervorming van de werkloosheid is veel gesproken. Ik heb die het koninginnenstuk genoemd. Ik denk dat ik dat ook wel mag zeggen, omdat we nu eindelijk in een situatie zullen komen die de rest van de westerse wereld altijd heeft gekend of minstens al zeer lang kent en die dus mag gelden als de situatie van het gezond verstand.

Dat gezond verstand geeft het signaal dat werken loont en dat het een antwoord biedt op de vraag van de ondernemingen, waarvoor ondanks de moeilijke economische toestand nog altijd tienduizenden vacatures openstaan. Het is een verhaal waarin wordt ingezet op economische groei. Daarvoor is die maatregel noodzakelijk maar uiteraard zijn er nog vele andere maatregelen, zoals het aanpakken van de loonkostenhandicap, het uitbreiden van de flexibiliteit en het stimuleren van investeringen.

Ik overloop de belangrijkste punten. Het eerste luik gaat over het concurrentievermogen. Het concurrentievermogen van onze bedrijven moet een absolute prioriteit zijn. Ondernemers zijn de spil van onze economie. Zij scheppen de banen en de welvaart. Dat doet niet de politiek; dat doen zij. Zoals bepaald in het regeerakkoord, versterken wij het concurrentievermogen door de loonkosten te verlagen met de focus op de lage en de middelhoge lonen. Voor de hogere lonen herstellen wij een plafond om de patronale bijdragen, de kosten van de hoge lonen voor werkgevers, te verlagen. Die maatregelen zullen hopelijk helpen om de loonhandicap van onze bedrijven ten opzichte van onze buurlanden te verminderen en internationaal concurrerende sectoren te ondersteunen, teneinde opnieuw en gemakkelijker talent naar België te halen. Zeker met alles wat nu in de wereld gebeurt, is het pertinent dat wij daarop inzetten.

Behalve de loonkosten zijn er ook de hoge energieprijzen, die zeker voor de energie-intensieve bedrijven, met name onze industrie, een strop rond de nek zijn. Voor hen zal werk worden gemaakt van een korting op de transmissienettarieven. De bedoeling is die nog dit jaar, dus in 2025, in te voeren, zoals dat is vastgelegd in het regeerakkoord, teneinde hen zuurstof te geven en het concurrentienadeel in te perken waaronder zij vandaag lijden.

De regering wil ook investeringen stimuleren en aanmoedigen. Daarom wordt de aftrekbeperking van de overgedragen investeringsaftrek geschrapt. Dat zal investeren aantrekkelijker maken. Ook worden de tarieven van 30 % voor de grote ondernemingen en 40 % voor de kleine ondernemingen voor duurzame investeringen geharmoniseerd naar 40 % voor iedereen. Op die manier worden die tarieven eenduidiger.

Wij steunen niet alleen de grote en middelgrote bedrijven. Er is ook aandacht voor de zelfstandigen, die uiteraard een cruciale rol spelen in de economie en zeker ook in de lokale werkgelegenheid. Daarom zullen wij hen extra ondersteunen door een verdubbeling van de bestaande incentive voor eigen middelen, zijnde het belastingkrediet dat ondernemers met een eenmanszaak kunnen krijgen bij de verhoging van de eigen middelen. Dat belastingkrediet wordt verrekend met de verschuldigde personenbelasting, waarbij een eventueel positief saldo terugbetaalbaar is.

Tot slot, wat de mobiliteit betreft, is een overstap naar 100 % elektrische wagens nog niet voor iedereen mogelijk. De daarvoor opgestelde timetable was iets te optimistisch. Er stellen zich nog heel wat problemen met het opladen van die wagens. Vaak zijn ze niet handig voor werknemers, ondernemers en zelfstandigen die lange afstanden moeten afleggen.

Volledig elektrische auto's zijn fiscaal aantrekkelijk, wat ook zo zal blijven, maar zijn helaas niet voor iedereen nu al een oplossing. Om de vernieuwing van het wagenpark te stimuleren, zullen daarom de meest milieuvriendelijke hybride auto's tot eind 2027 voor 75 % fiscaal aftrekbaar blijven. Daarna wordt die aftrekbaarheid geleidelijk afgebouwd om in 2030 pas te verdwijnen.

Voilà pour le volet compétitivité. J'en viens au marché du travail. Nous prenons une série de mesures pour activer le plus grand nombre possible de personnes en bonne santé qui sont en capacité de travailler. La limitation des allocations de chômage à deux ans est probablement la réforme la plus marquante de l'ensemble de ces mesures. Elle vise à faire des allocations de chômage un véritable système assurantiel et un instrument de remise rapide à l'emploi. Elle entrera en vigueur le 1 er juillet 2025 pour livrer ses effets à partir du 1 er janvier 2026. Une exception est prévue pour les personnes âgées de plus de 55 ans ayant déjà une carrière de plus de 30 ans derrière elles. Afin de lutter contre la pénurie dans les soins de santé, une exception sera également prévue pour certaines formations.

Nous avons également concrétisé le droit au rebond. Un travailleur qui souhaite se réorienter sur le marché du travail pourra, une fois dans sa carrière et après un minimum de 10 ans de carrière, démissionner sans être financièrement sanctionné.

Concernant la dispense existante d'un certificat médical pour le premier jour d'incapacité de travail, nous limitons cette possibilité à deux fois par année civile, au lieu de trois. Par ailleurs, la question des malades de longue durée constitue aujourd'hui le plus grand défi de notre marché du travail: plus de 500 000 personnes sont concernées, et le coût pour la collectivité devient insoutenable. C'est pourquoi nous mettons en œuvre le plan le plus ambitieux jamais élaboré en la matière. L'objectif est clair: accompagner ces personnes de la manière la plus rapide et la plus efficace vers un retour à l'emploi. Ce plan repose sur la responsabilisation de tous les acteurs concernés: employeurs, employés, médecins et mutualités, chacun devant prendre pleinement sa part. La responsabilité constitue le fil rouge de cette nouvelle approche renforcée.

Enfin, nous rendons le marché du travail plus flexible et accessible, notamment via l'extension des flexi-jobs. Le plafond non indexé de 12 000 euros par an passe ainsi à 18 000 euros – montant qui, lui, sera indexé.

Le troisième volet est le coût du vieillissement de la population. Pour en maîtriser l'explosion, nous plafonnons l'indexation des pensions les plus élevées, permettant de la sorte une économie d'environ 200 millions d'euros d'ici 2029. À partir de l'année prochaine, nous remplacerons le bonus pension par un bonus-malus pension.

En ce qui concerne les soins de santé, la norme de croissance est fixée à 2,5 % au-dessus de l'index en 2025 pour atteindre 3 % en 2029, afin de pouvoir continuer à répondre à la demande croissante de soins de qualité.

Dans tous les domaines de la sécurité sociale, des réformes sont nécessaires, y compris dans les soins de santé. Le vieillissement de la population nous impose une sérieuse dose de réalisme. Malgré une situation budgétaire extrêmement difficile, des investissements supplémentaires seront indispensables dans les années à venir.

Ce gouvernement fait toutefois le choix délibéré de ne pas couper dans les dépenses qui protègent les plus vulnérables de notre société. Cela ne signifie pas pour autant un laisser-aller. La facture du vieillissement est immense et l'absence de réformes durant des décennies nous oblige aujourd'hui à agir. Le secteur des soins de santé n'échappera donc pas non plus à une réforme en profondeur.

Le quatrième volet concerne la fiscalité. Ce gouvernement accorde également une grande importance à la justice fiscale. Nous partons du principe de la bonne foi. Lorsqu'une irrégularité est constatée lors d'un contrôle, le contribuable ne sera plus automatiquement sanctionné par une majoration d'impôts. Nous intensifions la lutte contre la fraude fiscale. Grâce au datamining , les inspecteurs pourront mieux détecter et analyser les irrégularités flagrantes.

Par ailleurs, nous réduisons la TVA de 21 % à 6 % à partir du 1 er juillet 2025 pour la livraison d'une habitation propre et unique d'une superficie maximale de 175 m² dans le cadre de la démolition et de la reconstruction. Cela permet notamment de répondre à la crise du logement, à la crise du secteur de la construction et d'accélérer la transition vers un parc immobilier plus durable.

Enfin, acquérir la nationalité belge deviendra plus coûteux. La taxe pour l'obtention de la nationalité passera de 150 euros à 1 000 euros.

Hoofdstuk 1 was de programmawet.

Nu kom ik tot hoofdstuk 2, het defensieplan. Ook dat is een belangrijk onderdeel geworden van het paasakkoord. U weet dat wij ambitie hadden om de 2 % te bereiken in 2029, maar dat de geopolitieke realiteit ons dwingt om dat dit jaar al te doen. Daarmee zullen wij de belofte om de NAVO-norm te halen, meer dan tien jaar nadat die in Wales door toenmalig premier Di Rupo werd uitgesproken, eindelijk realiseren. Vooral ook geven we een signaal aan de internationale gemeenschap, en met name aan onze Europese bondgenoten, dat men op ons kan rekenen en dat wij naast onze bondgenoten staan. We laten zien dat wij ook pro-Oekraïne blijven en in staat willen zijn om aan alle initiatieven deel te nemen om dat land te ondersteunen en alle initiatieven om onze westerse wereld en onze Europese hemisfeer veilig te houden.

Het vergt wel een serieuze extra inspanning. Voor dit jaar gaat het over 3,9 miljard euro. Dat zullen we bereiken via bijkomende financiering, gebaseerd op de vennootschapsbelasting op de bevroren Russische tegoeden. Dat schatten we op ongeveer 1,2 miljard euro aan inkomsten, die we uiteraard zullen omzetten in bilaterale militaire hulp voor Oekraïne. Het lijkt me ook maar logisch dat dat geld naar Oekraïne gaat. Daarnaast is er een dividend van Belfius van 500 miljoen euro dat zal worden gevraagd en waarvan de bank ons garandeert dat dit geen probleem betekent. Tot slot zal een deel buiten de begrotingsdoelstelling worden gehouden, binnen de marges die ons door Europa in het kader van de ReArm Europe-beslissingen zijn toegestaan. Het is natuurlijk de bedoeling dat dit aandeel, dat eigenlijk niet in de begroting is voorzien, in loop van de legislatuur wordt afgebouwd en omgezet in structurele financiering om zo naar een nulpunt te dalen tegen 2029. Een gezonde begroting blijft immers een absolute prioriteit voor deze regering.

De extra defensie-uitgaven zijn noodzakelijk, maar uiteraard beschouwen we dat niet alsof ons cadeaus worden gegeven. We zullen dus de financiering zoeken om die tijdelijke hogere tekorten op te lossen via optimalisering van onze overheidsactiva, maar altijd met het oog op goed huisvaderschap. Er is ruim en uiteraard ook terecht op gewezen dat het weinig zin heeft om activa te verkopen die ons op lange termijn meer kosten dan we er op korte termijn opbrengsten uit kunnen halen; dat is uiteraard niet de bedoeling.

De minister van Financiën krijgt de opdracht om voor 1 juli een Defensiefonds op te starten dat op termijn gefinancierd kan worden met publieke activa, maar ook met private middelen. Dat moet een instrument worden dat toelaat om strategisch te investeren in hightech, innovatie en industrie. Ik denk dat hier ook echt wel opportuniteiten voor ons land liggen die we op korte termijn kunnen grijpen.

De regering is zich ervan bewust dat de kans reëel is dat de norm van 2 % binnen de NAVO op korte termijn zal worden verhoogd. Daarom zullen we na de NAVO-top in Den Haag in juni bekijken wat het nieuwe traject zal zijn, welke termijnen er aan gebonden zijn en welke gevolgen we daaraan moeten geven.

Ondertussen zal de minister van Defensie voor 1 juli ook met een strategisch plan komen over hoe de bijkomende uitgaven in 2025 precies zullen worden besteed. In grote lijnen zullen de extra investeringen worden gebruikt om vorm te geven aan de Europese defensiepilaar en de capaciteitsdoelstellingen te bereiken die ons door de NAVO worden opgelegd. Het is blijkbaar nog de illusie in veel fracties dat men een soort vrije beschikking heeft. Dat is uiteraard niet waar. Er zijn capabilities die de NAVO ons oplegt en die we zullen moeten realiseren.

Tegelijk met deze internationale inspanningen en verplichtingen zal Defensie ook een rol opnemen in de binnenlandse veiligheid. Dat was ook altijd zo voorzien in het regeerakkoord. Op korte termijn zal zich dat vertalen in de beveiliging van gevoelige nucleaire sites. Gezien dreigingsniveau 3 is dat conform het regeerakkoord ook perfect mogelijk en kunnen we daarmee de politiediensten ontlasten, wat uiteraard ook een bonus is voor onze binnenlandse veiligheid. De bedoeling is dat Defensie daarover tegen 1 mei – dat is dus zeer binnenkort – een protocol met Binnenlandse Zaken zal sluiten om dat praktisch op te nemen.

Le troisième chapitre concerne la sécurité intérieure. Pour garantir les investissements nécessaires en matière de sécurité intérieure, le budget prévu dans l'accord de gouvernement pour le renforcement des services de sécurité et de la politique de retour sera utilisé de manière flexible. Cela signifie que les crédits d'engagement et de liquidation disponibles pourront être transférés entre les exercices budgétaires 2025, 2026, 2027, 2028 et 2029 en fonction des besoins budgétaires concrets par exercice budgétaire sans dépasser l'enveloppe totale cumulée à la fois par service de sécurité et au total. Concrètement, cela permettra de dégager plus de 150 millions d'euros supplémentaires cette année pour renforcer nos services de sécurité et notre politique de retour, notamment aussi pour accélérer les investissements dans la cybersécurité.

Les task forces chargées de lutter contre la surpopulation carcérale poursuivront leurs travaux et élaboreront conformément à l'accord de gouvernement un plan d'action qui sera soumis à l'appropriation du Conseil des ministres d'ici la mi-mai 2025.

L'une des principales priorités sera de renvoyer dans leur pays d'origine les détenus qui n'ont pas le droit de rester sur notre territoire. Le gouvernement a également l'intention de prendre des mesures concrètes à court terme pour utiliser la capacité des prisons à l'étranger.

Pour mettre en œuvre ce plan d'action global, une enveloppe unique, avec un minimum de 55 millions d'euros en 2025, sera libérée en crédits d'engagement et de liquidation. La ministre de la Justice, en concertation avec les ministres responsables des différents groupes de travail, joindra une proposition de répartition de cette enveloppe au plan d'action. La mise en œuvre de ce plan fera l'objet d'un suivi semestriel et d'un rapport au Conseil des ministres.

Het vierde en laatste hoofdstuk gaat over asiel en migratie. Er is een maatregelenpakket inzake asiel en migratie goedgekeurd. Het gaat om ingrepen die de instroom naar ons land zou moeten laten dalen. Asielzoekers die in een ander Europees land bescherming hebben gekregen, zullen geen recht op opvang in dit land meer hebben. Het misbruik van de asielprocedure via minderjarigen wordt aangepakt. Wie na een eerdere afwijzing via zijn kind een nieuwe aanvraag zonder nieuwe elementen indient, zal geen opvang meer krijgen.

De inkomensgrens waaraan een gezinshereniger moet voldoen, zal worden omhooggetrokken en verder stijgen naargelang het aantal betrokken personen. Wie zijn gezin wil laten overkomen, moet dus bewijzen dat hij of zij daarvoor zelf financieel kan instaan. Ook zullen er wachttijden van 1 tot 2 jaar gelden voor gezinshereniging of gezinsvorming, afhankelijk van het verblijfstatuut. Tot slot zorgen we ervoor dat een asielaanvraag geen toegangsticket tot de sociale bijstand is. Wie geen opvang krijgt, zal geen aanspraak op leefloon kunnen maken.

Deze maatregelen zijn getoetst aan de Europese rechtspraak. Volgens ons voldoen ze daaraan. Hopelijk zullen ze de druk op het asielsysteem verlagen, zodat wij kunnen voldoen aan de plichten jegens asielaanvragers die wel voldoen aan de voorwaarden om hier te mogen verblijven en van opvang te kunnen genieten.

Tot zover de belangrijkste punten van het akkoord van 11 april. Het was maar een grabbel uit het geheel. Ik luister graag naar uw opmerkingen. Ik zal alvast zeggen dat precieze, gedetailleerde, concrete vragen een beetje vroeg komen. U moet die ook stellen aan de bevoegde ministers in de commissies. Ik luister uiteraard wel graag naar uw algemene bedenkingen. Ik zal in de mate van het mogelijke repliceren. Ik ben uiteraard zeer benieuwd of u zich iets zal aantrekken van deze laatste woorden. Ik maak mij daarover geen enkele illusie, maar ik dank u voor uw aandacht.

Voorzitter:

Dank u wel voor uw bondige uitleg over het paasakkoord, mijnheer de eerste minister.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn spreektijd delen met collega De Vreese.

Ik vergelijk de situatie van het land bij de start van de arizonaregering met die van het bijbelse Egypte dat te maken kreeg met tien plagen: hoge schulden, heel veel uitkeringen, korte loopbanen, de kortste van Europa, veel langdurig zieken en dus ongelooflijk veel ziekteverzuim, evenveel als in Duitsland, hoge loonkosten, hoge energiekosten, sterke vergrijzing, die een bom legt onder onze pensioenen, een spilzucht van jewelste, migratie die druk legt, heel veel ondernemers en werknemers die tevergeefs op zoek zijn naar collega's, ongeacht een relatief lage werkzaamheidsgraad, waardoor economische groei gefnuikt wordt, zeker in het zuiden van het land. Dan hebben we nog de ontzettend grote geopolitieke uitdagingen, die forse investeringen vragen in ons veiligheidsapparaat en defensie. Het is dus bijna onmogelijk – we hebben het hierover al een tijdje geleden gehad – om dit land in vijf jaar tijd op orde te krijgen.

We bevinden ons in een immense crisissituatie. Als we het politiek landschap van vandaag bekijken, dan kan men nog moeilijk over rechts en links spreken. Als wij hier de keuze zouden mogen maken tussen een Amerikaans systeem van sociale zekerheid, waarbij alles verzekerd, peperduur en moeilijk toegankelijk is, en ons systeem, dat gebaseerd is op herverdeling, dan denk ik dat iedereen voor ons systeem zou kiezen.

De vraag die vandaag moet worden beantwoord, is hoe we de sociale zekerheid kunnen redden, wat meteen ook een politieke keuze inhoudt. Er zijn dan drie politieke stromingen. Volgens de eerste politieke stroming, vertegenwoordigd door de PS, de PTB, Groen en Ecolo, die van de sociale strijd, moeten we maar de ogen sluiten voor de tien plagen, vooral op zoek gaan naar een Vlaamse liberaal die dat bootje, de Titanic wil leiden en laten doorvaren, en zullen we wel zien – après nous le déluge –, de volgende generaties zullen de schuld wel aflossen.

Ten tweede is er het team kookwekkertje, dat zegt om vooral te applaudisseren voor dat team, en te zien hoe de boel verder verziekt wordt en hoe welvaart en ondernemerschap nog eens vijf jaar lang verder vernietigd wordt, zeker in Vlaanderen.

En dan is er, ten derde, het arizonateam. Dat behoort tot de politieke generatie die wil verbinden en verenigen om de sociale zekerheid te redden, om dit land en wie hier geboren wordt, nog een deftige toekomst te geven, hopelijk een toekomst die beter is dan de onze.

Het regeerakkoord overtrof al mijn verwachtingen, maar het paasakkoord is werkelijk fenomenaal. Het paasakkoord betekent de verrijzenis van onze welvaart. Na 25 jaar nauwelijks deftige hervormingen hebben we nu eindelijk een regering, die doorpakt. Eerlijk gezegd, ik was bang. Toen ik het regeerakkoord verdedigde, vroeg ik mij af hoe we dat allemaal konden waarmaken en of we wel voor de zomer al die maatregelen en hervormingen konden rondkrijgen. Kijk eens aan, hier is een paasakkoord dat onze verwachtingen overtreft.

Het is het arizonateam op zijn best. Met betrekking tot de loonkosten gaan we naar een ongeziene lastenverlaging op de patronale RSZ. Met betrekking tot de uitkeringen, we beperken de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. We flexibiliseren onze arbeidsmarkt. Het plafond voor flexijobs wordt opgetrokken. We breiden ook het toepassingsgebied uit. Met betrekking tot energie, om de energiekosten te verlagen, komen er transmissienettarieven. Met betrekking tot korte loopbanen en vergrijzing wordt een pensioenmalus ingevoerd. We hervormen onze pensioenen grondig. We zorgen ervoor dat mensen in de toekomst ook nog een deftig pensioen krijgen. Met betrekking tot zieken is het pakket maatregelen ongezien. Er komt responsabilisering voor huisartsen, werkgevers en werknemers. Eindelijk wordt er echt werk gemaakt van de re-integratie van langdurig zieken op onze arbeidsmarkt. Eindelijk sluiten we onze ogen daar niet meer voor. Tegelijk is de coalitie in zeer moeilijke tijden, budgettair vreselijke tijden, erin geslaagd om via moeilijke maatregelen toch middelen te vinden om minstens op vlak van defensie ons al te verzekeren van vrede en om op de veiligheidsdepartementen het nodige te doen.

Mijnheer de eerste minister, kortom, onze fractie is ongelooflijk trots op het vele werk dat u en uw regering hebben verricht. Wij zullen met veel aandacht de programmawetten en alle andere wetgevende initiatieven doornemen, bespreken en natuurlijk ook goedkeuren, zodat de sociale zekerheid en de toekomst van dit land verzekerd blijven.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, het is niet voor niets dat een aantal toppers binnen onze partij het boek Puinhopen van Vivaldi hebben geschreven. Op die puinhopen moet Arizona nu het moeilijke werk doen.

Als we kijken naar de geopolitieke toestand en naar de interne veiligheid, dan zien we dat we daar voor enorme uitdagingen staan, eerst en vooral inzake Defensie. Wat een prestatie, eindelijk zullen we na zoveel jaar de NAVO-norm van 2 % halen. Bovendien, gelet op de belofte die we net hoorden, zullen we die norm waarschijnlijk ook moeten herzien. Er komt dus een nieuwe, moeilijke oefening aan, collega's, maar één ding is zeker: we staan naast onze bondgenoten en we houden onze broek zelf op.

Dat is ook waar wij als partij en als regering voor staan: investeren in de veiligheidsdepartementen. Net zoals in de Zweedse regering gaan we eindelijk weer van veiligheid en van een strikt asiel- en migratiebeleid een topprioriteit maken. Iedere week spreken we in de commissie voor Binnenlandse Zaken over de grote uitdaging waar we voor staan. Denk maar aan de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit. Ik kan eigenlijk al niet meer benoemen hoeveel feiten er zich de voorbije dagen in Brussel hebben voorgedaan. We zullen de budgetten dus flexibel, gericht en efficiënt moeten inzetten op het moment en op de plaats waar ze nodig zijn.

Kijken we dan naar de erfenis die we inzake Justitie hebben gekregen met de overbevolking in de gevangenissen. Ik zie de collega's Van Tigchelt en Van Quickenborne zitten, maar ik zou eigenlijk stilletjes vol schaamte thuisblijven, want de erfenis die we daar krijgen, is dramatisch. Dat horen we ook van de mensen die daar werken. Ook in Brugge is er een overbevolkte gevangenis. De werkomstandigheden daar voor het personeel zijn niet houdbaar. Dat is de erfenis van onze twee collega's.

Nu zullen we terecht maatregelen nemen tegen de overbevolking van de gevangenissen, bijvoorbeeld door in te zetten op de repatriëring van mensen in illegaal verblijf, van criminelen die in onze gevangenis zitten. Dat is ook wat ik hoor van de mensen op de straat. Zij vragen om dat prioritair aan te pakken.

Bovendien, mijnheer de eerste minister, moet u ook eens bekijken waar er nog marges zijn, want we focussen in dit paasakkoord voornamelijk op de mensen die hun straf uitgezeten hebben, maar er is ook een mogelijkheid om de straf uit te zitten in het land van herkomst. Daarom zou ik u willen vragen om te bekijken welke marges er daar nog zijn, bijvoorbeeld voor onderdanen van de Europese Unie en onderdanen van visumvrije landen, waarmee we toch hele goede terugnameakkoorden hebben. Misschien kunnen we daarmee nog goede overeenkomsten sluiten.

U spreekt ook over de gevangeniscapaciteit in het buitenland. Dat is een piste die we in het verleden ook hebben bekeken. Zijn die pistes al onderzocht? Kunt u daar al een tipje van de sluier oplichten?

Interne veiligheid heeft niet alleen betrekking op politionele veiligheid, maar ook op strategische autonomie, weerbaarheid, energie, mobiliteit. Zijn er ook op dat vlak plannen?

Dan kom ik bij asiel en migratie. Het is ongelooflijk. Twee maanden na de eedaflegging komen we al met crisismaatregelen om de instroom werkelijk in te perken. De prognose is dat we dit jaar naar 50.000 asielzoekers gaan. Dat betekent dat we daadwerkelijk zullen moeten optreden. Communicatie is daarbij zeer belangrijk, mijnheer de premier. Dit nieuws gaat in de diaspora als een lopend vuurtje rond. Het is belangrijk dat we maatregelen nemen die we werkelijk kunnen uitvoeren en die ook de rechterlijke toets doorstaan. Ook dat zou in de diaspora als een lopend vuurtje rondgaan. Dit zijn dus geen losse flodders. Daarop zetten we met Arizona in: een realistisch, streng, zeer streng migratiebeleid.

Ik wil ook een dikke pluim geven aan de cabinetards achter de schermen, die hier heel hard voor gewerkt hebben, en natuurlijk aan de hele arizonaregering.

Barbara Pas:

Mijnheer de eerste minister, voor een regering die er haar prioriteit van maakt om de cijfers op orde te hebben, vind ik het wel bijzonder opmerkelijk dat we nog geen enkel budgettair kader hebben gezien, op dat ene A4'tje bij uw regeringsverklaring na, die ene begrotingstabel, waar het Vlaams Belang trouwens nog fouten uit heeft gehaald.

We hebben nadien de beleidsverklaringen per minister gehad. Zij waren reglementair verplicht om daar een budgettair kader bij te geven. Geen van hen heeft dat gedaan. Toen kregen we te horen: u zult de beleidsnota's bij de begroting krijgen. Uiteraard is dat niet hetzelfde. Beleidsnota's bij de begroting gaan over één jaar. Bij de beleidsverklaringen zou dat budgettair kader de hele legislatuur moeten omvatten. Maar goed, wij keken dus reikhalzend uit naar die beleidsnota's.

Ik weet niet of u het weet, maar de deadline voor al die beleidsnota's is reeds verstreken, want die verviel op 11 april. Ik weet dat u niet graag detailvragen krijgt, maar ik zal u meteen het antwoord geven op de vraag hoeveel beleidsnota's vandaag al ter beschikking zijn voor de Kamerleden. Het zijn er welgeteld drie: Administratieve Vereenvoudiging, Begroting en Mobiliteit. Voor een premier die orde op zaken ging stellen, ook budgettair, maar bij wie het budgettair kader al maanden uit blijft, kunnen we niet anders dan vaststellen dat het een financieel rookgordijn is. Collega Ronse mag dan wel bijzonder lyrisch zijn over wat hij een fenomenaal paasakkoord noemt, maar het is niet gefinancierd, want de financiering is een rookgordijn.

Inzake de defensie-uitgaven zegt u dat eindelijk de 2 %-norm van het bbp behaald zal worden. Daar pleiten wij al heel lang voor. Het is wel heel kort door de bocht om de terechtwijzing voor die puinhoop alleen naar de vivaldiregering te richten, zoals collega De Vreese doet, want er wordt al veel langer bespaard op Defensie. Het historisch dieptepunt was 0,9 % van het bbp onder de Zweedse regering, onder toenmalig N-VA-minister Steven Vandeput. Het is dus goed dat die uitgaven eindelijk naar die 2%-norm gaan, maar op welke manier haalt u dat? Niet door een structurele financiering, want u houdt 2 miljard buiten de begroting, met andere woorden: schulden maken, doorschuiven naar de volgende Vlaamse generatie. Dat is exact waarvan uw minister van Begroting enkele weken geleden nog zei dat hij uitgerekend dat niet wilde doen.

Ik permitteer het me om nog een detailvraag te stellen, al is het misschien geen vraag naar een detail. Ik wil namelijk graag weten of het klopt dat u camouflagetechnieken toepast, mijnheer de eerste minister. In de pers lees ik namelijk dat heel wat normale uitgaven nu plots in een militair jasje worden gestoken om toch maar aan die 2 % te geraken. Voorbeelden zijn uitgaven voor de Veiligheid van de Staat, voor het Europees Ruimtevaartagentschap, voor onze beveiligde datanetwerken en voor normale infrastructuurwerken aan bruggen. Dat zouden nu plots allemaal defensie-uitgaven zijn. De pers lees ik altijd met voorbehoud, vandaar dat ik u vraag of dat überhaupt klopt.

Mijnheer de eerste minister, uw paasakkoord is alleszins geen verrijzenis van politieke moed. U hebt niet de politieke moed gehad om voor een structurele financiering en structurele hervormingen te kiezen, maar dat wisten we al. Daarvoor hebt u institutionele hervormingen nodig, maar die weigert u door te voeren.

Over de eigenlijke pensioenhervorming hebt u niet gesproken. Blijkbaar is die pas voor het najaar. Omtrent de maatregelen inzake de pensioenhervorming die al voor de zomer goedgekeurd zouden moeten worden, konden we vandaag plots lezen dat uw coalitiepartner Vooruit nu eerst nog bijkomende eisen stelt vooraleer die te steunen.

Los van het feit dat wij van de pensioenmaatregelen ook nog geen budgettair kader kennen, dat het Federaal Planbureau alle plannen nog helemaal moet doorrekenen en dat u zich volledig stoelt op hypotheses, had ik graag – dit is geen detailvraag – uw reactie gekregen op het feit dat coalitiepartners tachtig dagen na het sluiten van het regeerakkoord plots nog bijkomende eisen vaststellen.

U hebt het kort over asiel gehad. Daarover kan ik ook heel kort zijn. U hebt enkele maatregelen genoemd om de instroom te beperken. U had er veel meer moeten noemen indien u werkelijk de instroom deftig zou willen tegenhouden. U hebt bovendien vooral geen enkele maatregel genoemd die de uitstroom zal opkrikken, mijnheer de eerste minister. Geen woonstbetredingen, geen heropening van terugkeercentra voor gezinnen en geen druk op derdelanden om hun illegale en criminele onderdanen terug te nemen. Dat is nochtans exact wat wij nodig hebben voor Justitie en de overbevolkte gevangenissen. Dat ontbreekt echter volledig.

Het enige dat met het paasakkoord lijkt te zijn verrezen, is Vivaldi, Verhofstadt en De Croo. U gebruikt extra leningen, lucky shots en eenmalige inkomsten als begrotingstrucs. U schuift de problemen door. Ondertussen stijgt de staatsschuld nog en beweert u dat de regering dat zal oplossen tegen 2029. Tegen dat jaar zou er een structurele financiering komen. Ik weet niet wie u daarmee in het ootje meent te nemen. Door alle daadkrachtige maatregelen uit te stellen, alsof het vijgen na Pasen zijn, maakt u zich allerminst geloofwaardig.

Voorzitter:

Neemt nog iemand het woord namens het Vlaams Belang?

Annick Ponthier:

Mijnheer de premier, ik zal mij beperken tot het segment Defensie. Zoals reeds gezegd, is deze regering aangetreden met de doelstelling om orde op zaken te stellen. Als parlementsleden beschikken wij op dit moment over geen enkel budgettair kader, ook niet voor het segment Defensie.

U weet dat het Vlaams Belang al jaren pleit voor het optrekken van het Defensiebudget tot de 2 %-norm. We zijn uiteraard blij dat die norm in dit paasakkoord vervat zit. Wat echter de financiering daarvan betreft, hebt u een aantal cijfers opgesomd, maar die gaan voornamelijk over de financiering voor dit jaar. Wat betreft de structurele inspanningen voor Defensie, daar blijft u luchtkastelen bouwen en blijven wij op onze honger met betrekking tot een deftige financiering.

Mevrouw De Vreese vindt die 2 % een ongelooflijke prestatie. Ik wil haar vragen hoe lang die euforie zal aanhouden. Ik denk dat dat maar tot juni zal zijn, tot de NAVO-top in Den Haag. Dan zullen wij onze broek al niet meer zelf kunnen ophouden, dan zal die 2 %-norm meteen achterhaald zijn en zullen onze capaciteitsdoelstellingen door de NAVO hoger worden gelegd.

Mijnheer de premier, ik wil u dus vragen hoe u die structurele inspanningen op het vlak van Defensie in de toekomst zult behalen en onderbouwen. U rekent ook op de deelstaatregeringen. Uw coalitiepartner, de MR, heeft zich altijd sterk gemaakt dat deze regering geen nieuwe belastingen zou heffen. Nochtans zien we dat u zou rekenen op de inspanningen van de deelstaten, meer bepaald van de Vlaamse regering, inzake de kilometerheffing. Als dat klopt, dan moet u het met mij eens zijn dat opnieuw de Vlaming het gelag zal moeten betalen. Ook op dat vlak vraag ik u dus om duidelijkheid te verschaffen.

Ik zal het hierbij houden en het woord laten aan mijn collega, mevrouw Van Belleghem.

Francesca Van Belleghem:

Mijnheer de premier, vorig jaar telden we 50.000 gezinsmigranten, 40.000 asielmigranten en regularisatie van bijna 5.000 illegalen. 80 % van de Vlamingen is het ermee eens dat u de toestroom van die mensen moet stoppen.

Hoe doe u dat? Eerst neemt u een pakket van snelle maatregelen, nu dus. Ondertussen werkt u verder aan een langetermijnoplossing. Voor de snelle crisismaatregelen hebt u twee opties. Optie een is een bazooka van makkelijke maatregelen. Ik heb er een boek over geschreven met 106 mogelijke voorstellen, gebaseerd op wat Zweden al twee jaar doet en wat werkt. Voor het eerst zullen er in Zweden immers meer mensen vertrekken uit Zweden dan er immigreren naar Zweden.

Uw tweede optie, een nieuwe mogelijkheid en mijn favoriet, is aankloppen bij de EU, bij uw vriendin Ursula von der Leyen. U kunt haar zeggen, verwijzend naar artikel 72 van het Werkingsverdrag van de EU dat stelt dat als de openbare orde en de nationale veiligheid in gevaar zijn, men EU-regels buitenspel kan zetten, dat we nu een asiel- en gezinsherenigingsstop nodig hebben, aangezien onze openbare orde en de nationale veiligheid door de massa-immigratie in gevaar zijn. Dan bent u in de EU de voortrekker om massa-immigratie te stoppen. We zien nu echter dat het paasakkoord helemaal geen maatregelen in die zin bevat.

Premier, zult u dus tot bezinning komen en nog zo'n maatregel invoeren?

Voorzitter:

U bleef mooi binnen de tijd.

Le groupe MR dispose de 10 minutes.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, le groupe MR se réjouit de cet accord historique que l'Arizona a conclu très récemment. Nous aurons évidemment aussi quelques questions. Nous sommes conscients que certains de vos ministres devront répondre, mais nous voudrions avoir votre position sur toute une série d'aspects que nous allons relever ici.

Nous nous félicitons de l'accord capital qui fait aboutir, sous notre impulsion, une mesure phare et essentielle pour ce gouvernement. Il s'agit de la limitation du chômage dans le temps. Cette mesure clé permettra de porter l'économie belge, ses travailleurs, ses entreprises et son modèle social.

Cette décision n'a pas été prise à la légère. Elle marque un tournant décisif dans notre politique sociale et économique. Elle est le fruit d'une volonté commune de renforcer notre économie tout en protégeant notre modèle social. Cette réforme vise à encourager le retour à l'emploi et à responsabiliser les acteurs impliqués dans la réintégration des chômeurs de longue durée.

Le gouvernement a adopté des mesures concrètes pour soutenir nos entreprises, avec un investissement de près de 1 milliard d'euros à l'horizon 2029. L'objectif, que le MR partage résolument, est de stimuler l'embauche et de renforcer la compétitivité de nos entreprises.

Sur le plan fiscal, le gouvernement prend des mesures ciblées pour soutenir l'investissement, encourager le travail et accompagner la transition écologique. Les indépendants, moteurs de notre économie, bénéficieront d'un crédit d'impôt renforcé lorsqu'ils investissent dans leurs fonds propres. Il s'agit d'une mesure concrète pour renforcer leur résilience.

En matière de logement, le taux de la TVA est ramené à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction destinés à devenir des habitations principales, ce qui favorise l'accès à un logement durable et performant sur le plan énergétique.

Le gouvernement oriente aussi sa fiscalité vers une mobilité plus propre. La déductibilité fiscale des voitures hybrides les plus écologiques est prolongée jusqu'en 2027. Cela permettra un renouvellement progressif du parc automobile.

En outre, le plafond de revenus dans le cadre des flexi-jobs est augmenté et désormais fixé à 18 000 euros par an. Enfin, le relèvement du plafond des revenus autorisés pour rester fiscalement à charge permettra aux étudiants de travailler davantage sans que leurs parents perdent leurs avantages fiscaux.

Ce changement s'inscrit dans la volonté de favoriser le travail étudiant tout en tenant compte des réalités économiques.

La sécurité est une priorité absolue de l'Arizona comme elle l'est pour le MR. Là encore, l'accord de Pâques prévoit des mesures importantes comme la sécurisation des sites nucléaires par des militaires, ce qui libère de la capacité opérationnelle, à savoir 350 policiers qui pourront se recentrer sur leurs tâches essentielles.

L'enveloppe supplémentaire de 1,2 milliard pour l'ensemble des départements de sécurité prévue en marge de l'accord prévoit une enveloppe d'un milliard supplémentaire. Elle est maintenant annoncée sur l'ensemble de la législature. Ce serait évidemment intéressant de déterminer les postes qui seront visés à court et moyen terme par ces budgets conséquents.

Je veux également souligner l'engagement de concrétiser prioritairement certaines mesures primordiales pour le MR en termes de lutte contre l'impunité et le renforcement de la sécurité, notamment l'élargissement de la sanction de déchéance de nationalité ou l'alourdissement des peines liées au trafic de drogue et d'armes, au blanchiment d'argent et à la criminalité organisée, en particulier lorsqu'elle implique des mineurs.

S'agissant du dossier de la surpopulation carcérale, la ministre Verlinden a obtenu un budget de 150 millions d'euros, qui seront notamment investis dans des unités modulaires.

En matière migratoire, la politique sera renforcée afin de sortir la Belgique du rôle de maillon faible de l'Europe. En effet, l'accord de Pâques prévoit un durcissement des conditions de regroupement familial et un recentrage de l'aide sur l'essentiel, dans le but de réduire la pression constante de l'accueil.

Personne ne l'ignore, les dépenses de la défense atteindront les 2 % du PIB. Ce renforcement structurel est fondamental pour assurer notre souveraineté et contribuer à la sécurité collective au sein de l'OTAN. Nous devons confirmer la fiabilité de la Belgique comme partenaire de sécurité sur la scène internationale.

En ce qui concerne les finances, monsieur le premier, nous saluons pleinement l'ambition de cette loi-programme, des mesures fortes qu'elle porte, notamment en matière fiscale. Nous relevons plusieurs avancées en faveur de la transition. La baisse du taux de la TVA à 6 % est un point majeur. Nous souhaiterions savoir si des mesures transitoires sont prévues, tant pour la hausse de la TVA sur les chaudières que pour la baisse à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction, afin de sécuriser les contrats et les devis déjà établis avant le 1 er juillet 2025. Pouvons-nous nous attendre à une circulaire ou à un arrêté d'exécution qui précise la date déterminante pour l'application du taux?

Par ailleurs, nous souhaiterions connaître la clé de répartition du 1,2 milliard alloué aux services de sécurité. Quel pourcentage ira-t-il à la Justice et surtout à quels postes? Mme Verlinden annonce notamment l'achat de modules cellulaires. Pouvez-vous nous en dire plus quant à la concrétisation de ces mesures? Comment les montants seront-ils répartis ?

Ces derniers jours, nous avons entendu le mécontentement de la magistrature debout, qui exprime des revendications par rapport à la pénurie de personnel et à ce que les magistrats considèrent comme des atteintes à leur carrière et à leurs pensions. Des dispositions sont-elles envisagées à court terme pour redorer cette fonction qui est essentielle dans un État de droit et éviter que le magistrat devienne le prochain métier en pénurie?

Concernant le retour au travail des personnes malades de longue durée, nous aurions souhaité connaître le regard que vous portez sur les contrôles des certificats médicaux. Sont-ils suffisants à vos yeux? Dès le 1 er juillet, il est prévu de passer aux certificats électroniques. Des moyens supplémentaires seront-ils prévus pour renforcer ces contrôles?

Concernant l'emploi, il y aura une limitation du chômage à deux ans avec une progressivité. On passe dans un système assurantiel. Si nous pouvons vraiment applaudir cette mesure, une question subsiste sur l'exception pour les travailleurs des arts. Le statut des artistes est particulier. Votre gouvernement a choisi de le maintenir en l'état pour l'instant tout en luttant contre les abus. Pouvez-vous dire comment vous comptez lutter contre ces abus?

En ce qui concerne la fiscalité, une augmentation du plafond des flexi-jobs aura lieu. Celui-ci passera à 18 000 euros. Nous applaudissons encore une fois cette mesure, mais allez-vous étendre les flexi-jobs à l'ensemble des secteurs dès maintenant ou dans un second temps?

Enfin, votre accord de Pâques comprend une avancée majeure pour la pension des indépendants, que mon parti soutient résolument. A partir du 1 e juillet 2025, les indépendants qui poursuivent leurs activités après l'âge légal de la pension auront la possibilité de se constituer des droits supplémentaires à la pension.

Ceux qui préfèrent rester soumis au régime actuel à cotisation réduite conserveront cette option sans ouverture de nouveaux droits. Dès lors, les indépendants qui souhaitent continuer à travailler plus tard continueront à se constituer des droits. Avez-vous déjà une idée du nombre d'indépendants qui pourraient bénéficier de ce système?

Voorzitter:

Je donne la parole aux membres du groupe PS qui dispose de 10 minutes.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le président, je partagerai mon temps de parole avec M. Courard, Mme Désir et Mme Meunier, de sorte que j'essaierai d'être bref.

Monsieur le premier ministre, chers collègues, vous ne serez pas étonnés que je ne partage pas l'euphorie qui est celle de votre premier apôtre. Un accord historique, comme cela a été souligné à maintes reprises. Alors oui, il est historique. Je pense effectivement que cet accord de Pâques, qui n'est jamais que la transposition d'une partie de votre accord de gouvernement, est historique, puisque jamais dans l'histoire de notre pays, un effort n'a été consenti par une si grande partie de la population. En effet, 95 % de l'effort vont être supportés par la classe moyenne. C'était déjà ce qu'on pouvait déduire de votre accord de gouvernement, et c'est confirmé aujourd'hui avec ce prétendu accord de Pâques.

Vous allez précariser la classe moyenne avec – même si vous n'osez pas le dire – une augmentation des impôts, avec une augmentation de la fiscalité pour cette classe moyenne, notamment par la suppression de toute une série d'avantages. Je pense à la réduction de la déductibilité pour les dons aux associations, je pense à la réduction de la déductibilité pour les pensions alimentaires, la hausse de la TVA sur les chaudières à mazout ou au gaz, et je pourrais en citer toute une série d'autres.

Un affaiblissement de la classe moyenne, qui va devoir payer les efforts que vous lui imposez alors que les 5 % les plus riches de la population sont, quant à eux, majoritairement épargnés. Un affaiblissement de la classe moyenne, un affaiblissement des travailleurs et des travailleuses, un affaiblissement des pensionnés, ainsi qu'un affaiblissement des malades de longue durée, alors que vous immunisez à nouveau les plus grosses fortunes de ce pays, les multinationales ou encore le secteur bancaire, dont on sait qu'il se porte particulièrement bien chez nous après des années de bénéfices records.

Vous donnez les premiers coups de griffe au mécanisme d'indexation automatique des salaires et des allocations. Vous définancez le secteur des soins de santé, alors que des partis de votre majorité avaient sanctuarisé ce secteur en assurant le respect de cette norme de croissance des soins de santé et en prenant même l'engagement d'aller au-delà. Vous irez en-deçà, et vous économiserez donc sur le dos des soignants et des patients.

Vous supprimez les prépensions, malgré la situation économique actuelle et le choc vécu par toute une série de travailleuses et de travailleurs comme ceux de Cora ou d'Audi Forest. Vous augmentez la TVA sur l'installation des chaudières à gaz et à mazout. Et vous allez aussi, par toute une série de mesures, renforcer les inégalités qui frappent encore aujourd'hui de manière scandaleuse les femmes dans notre société, notamment avec la suppression de la pension de survie.

C'est un accord historique, aussi, car il y a quelque chose qu'on ne trouve pas dans cet accord de Pâques. Je pensais pourtant très sincèrement que nos camarades de Vooruit allaient exiger que cela figure dans cet accord. Il s'agit de la taxation des plus-values. Elle a déjà fait couler beaucoup d'encre et on a perçu que les approches étaient très différentes selon les partis de votre majorité. Elle ne figure pas dans cet accord de Pâques. Pour nous, ce n'est pas totalement une surprise, puisque vous faites peser 95 % de l'effort sur la classe moyenne et vous épargnez les épaules les plus larges.

On nous avait promis un gouvernement d'ingénieurs et plus de poètes. Constatons ici que nous sommes dans un flou artistique total. Un flou artistique sur la trajectoire budgétaire. Nous ne savons toujours pas quelle est la trajectoire budgétaire de ce gouvernement. Nous avions compris, avec M. Ronse, que la fin de la législature ne constituerait pas le bout du chemin s'agissant de l'effort que vous allez imposer à 95 % de la population, mais bien la deuxième ou la troisième législature.

Vous utilisez le contexte géopolitique international pour repousser systématiquement l'engagement et la crédibilité budgétaire de votre gouvernement. Du flou artistique pour un gouvernement impressionniste! Du flou au niveau du financement de la Défense, de la pérennisation de ces éléments et sur toute une série de mesures. Un gouvernement à côté de la plaque, dont les mesures en matière d'économie et de compétitivité tirent à côté et dont la réduction linéaire des cotisations sociales laisse les fédérations patronales relativement circonspectes.

Ces mesures ont en outre prouvé leur inutilité par le passé. Je vous renvoie vers l'analyse de la Cour des comptes sur la mesure "zéro cotisation" ou sur les études universitaires.

Au final, l'accord jette à nouveau à la poubelle les engagements de campagne et les promesses des partis de l'Arizona. Il n'y a toujours rien sur l'augmentation de 500 euros nets pour les travailleurs, qu'ils soient salariés, indépendants ou fonctionnaires. Il n'y a pas de trace de cette norme de croissance XXL dans les soins de santé. Que du contraire, des économies à fournir dans le secteur!

Monsieur le premier ministre, cet accord est historique dans les déséquilibres qu'il porte et qui ne sont que la transcription de votre accord de gouvernement. Cet accord laisse toute une série de personnes et d'acteurs dans le flou artistique.

Monsieur le premier ministre, je vous donne rendez-vous dans quelques semaines lorsque nous aurons les tableaux budgétaires et les notes de politiques générales de l'ensemble des membres du gouvernement.

Philippe Courard:

Monsieur le premier ministre, j'aborderai rapidement la Défense. Vous avez-vous-même indiqué "qu'il faut aller chercher le financement". C'est fort inquiétant. On peut vous rejoindre sur cette norme de 2 % mais pour quoi faire, avec quel argent? Au sein de votre majorité, il subsiste un désaccord total quant aux secteurs où trouver l'argent pour mener à bien ces 2 %. Où comptez-vous trouver cet argent?

Pourquoi ne pas vous inspirer du ministre espagnol S á nchez qui a dit qu'il ne toucherait pas aux impôts ni aux dépenses sociales et qu'il n'augmenterait pas le déficit public. Quand j'entends M. Francken dire qu'il veut acheter de F-35, je pense que ce sont plutôt des mirages dont il parle!

Caroline Désir:

Monsieur le premier ministre, j'interviens sur un point spécifique de votre accord de Pâques, le report d'un ou deux mois de l'indexation des prestations sociales et des traitements des fonctionnaires. Au total, vous annonciez dans le budget présenté au Parlement en février dernier 956 millions d'efforts sur l'ensemble de la législature. Pourriez-vous nous dire de quelles prestations sociales il s'agit précisément?

Contrairement à ce qui avait été soutenu par plusieurs partis de la majorité, vous vous attaquez bien au principe même de l'indexation automatique. On le voit par exemple au travers de la limitation de l'indexation des plus hautes pensions publiques. Vous vous attaquez directement à différents secteurs, en menaçant leur attractivité et la spécificité de certaines professions, notamment les magistrats, professeurs d'université et chercheurs.

Pour ce qui est des allocations, cela ne vous suffit pas de les limiter dans le temps, vous allez en plus faire perdre des revenus aux plus fragiles en reportant l'indexation.

Monsieur le premier ministre, avez-vous calculé l'impact de cette mesure sur les allocations et traitements des fonctionnaires? Avez-vous estimé la perte de recettes que le report de l'index pourrait engendrer en matière de cotisations sociales et de précompte professionnel?

Marie Meunier:

Monsieur le premier ministre, je ne reviendrai pas sur le ton de vainqueur de votre gouvernement pour annoncer l'exclusion de 100 000 personnes du chômage en janvier mais plutôt sur votre silence quant à la manière dont vous allez réellement accompagner ces personnes à trouver un emploi. Comment allez-vous aider les CPAS à accueillir ces personnes dans huit mois? Concrètement, comment pourront-ils matériellement recevoir et aider ces personnes? Où est la compensation que vous promettiez? Savez-vous qu'il n'y a aujourd'hui déjà pas assez d'assistants sociaux pour faire face au travail et savez-vous qu'il s'agit d'un métier en pénurie? Quelles mesures concrètes prendrez-vous pour aider ces institutions qui sont fondamentales?

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de premier, u hebt jarenlang in alle politieke debatten verklaard dat er geen alternatief was, dat er geen geld meer was en dat de begroting in orde moest zijn. Besparingen waren geen politieke keuze, maar het was gewoon een objectief gegeven dat budgettaire maatregelen van de Europese Commissie op alle sociale uitgaven in ons land moeten worden toegepast. U hebt uw hele verkiezingscampagne gevoerd met de verklaring: "There is no alternative." Nu vindt u in vijf minuten 4 miljard euro voor defensie. Het was dus toch wel een politieke keuze. U verklaarde dat er geen geld was voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten, maar eigenlijk was er wel geld. De arizonaregering heeft vier miljard euro in vijf minuten gevonden. Het was dus wel politiek, mijnheer de premier.

Ik ga er op politiek vlak natuurlijk niet mee akkoord dat u geld haalt bij de gepensioneerden om miljarden te investeren in defensie. Dat is de keuze van de arizonaregering. Vandaag moeten gepensioneerden in België al rondkomen met een klein pensioentje. Ze kunnen nu al hun rusthuis niet betalen. In vergelijking met Duitsland, Nederland en Frankrijk zijn de Belgische pensioenen al heel laag.

De arizonaregering beslist nu om de indexering van de pensioenen drie maanden uit te stellen. HOGent en het ACV berekenden dat de gepensioneerden 68 euro minder pensioen krijgen. Het is logisch dat de N-VA met dat plan komt, want het is een koude, asociale partij, maar hoe durven de collega's van Vooruit de gepensioneerden zo aanvallen! Het is gemakkelijk om op de sociale media de boodschap te verspreiden dat Vooruit de index redt. Voor de gepensioneerden wordt de indexering echter drie maanden uitgesteld. Voor de ambtenaren geldt hetzelfde, de indexering wordt drie maanden uitgesteld. Is dat linkse politiek? Kom aan!

Collega's van Vooruit, hoe kunt u meegaan met zo'n verhaal in dat paasakkoord? Hoe durft u! In dat akkoord gaat het over de pensioenen, beste collega's. Hoe zit het nu met de maluspensioenen? Er zal een malus worden ingevoerd die oploopt tot 5 % minder pensioen per jaar dat men vroeger stopt met werken. Wat is er nu beslist, mijnheer de eerste minister? U legt tegenstrijdige verklaringen af in interviews. Worden ziekteperiodes nu meegerekend? Wordt technische werkloosheid meegerekend voor de malus? Geef daarop eens een duidelijk antwoord, mijnheer de eerste minister.

Er is eindelijk een blokkering in de regering. Een van uw regeringspartners, Vooruit, blokkeert de pensioenhervorming als men niet aan de privileges van de politici raakt. Dat gebeurt nu eindelijk, het was tijd. Dat klaagt de PVDA al maanden aan. Vindt u het logisch, collega’s, dat het pensioen van parlementsleden berekend wordt op hun laatste jaarloon? Voor de ambtenaren is het 45 jaar, geen probleem, maar voor de politici – open bar – op het laatste jaar. De afscheidspremie wordt gewoon meegerekend in de pensioenberekening: geen probleem, politici, open bar . Bepaalde collega's kunnen hier nog op hun 62e vertrekken: geen probleem, open bar .

Eindelijk, eindelijk worden die privileges een probleem. Nu wil ik dus weten, mijnheer de minister, hebt u nog een akkoord rond de pensioenmalus of niet? Hebt u nog een akkoord rond de pensioenen? Vanmiddag vergadert het Bureau, en ik hoop dat Vooruit woord houdt.

Blokkering van de matiging op pensioenen, dat gaan we van heel dichtbij volgen, mijnheer de premier, van heel dichtbij. De PVDA vindt het namelijk niet juist dat er vandaag miljarden voor de wapenindustrie gezocht worden bij de pensioenen, bij de langdurig zieken, bij de werklozen, bij al die mensen in onze samenleving die het nodig hebben. Daar gaat het over in dit paasakkoord.

Parce que la question, monsieur le premier ministre, c'est cela! C'est cela, la question! Qu'allez-vous faire avec ces milliards? J'entends ici, aujourd'hui, que dans les plans, c'est décidé: nous allons acheter du F-35 américain.

Pendant des semaines, nous avons entendu que l'Europe devait être autonome. L’Europe devait tracer son propre chemin indépendant des intérêts américains. Et puis, que décide-t-on aujourd'hui? On va prendre des milliards pour investir dans le F-35. Un avion dont les Américains peuvent décider du jour au lendemain qu'il ne décollera plus. Il suffit que l’update informatique ne soit plus transmis à la Défense belge pour que tous ces avions restent sur le tarmac. Mais nous voulons notre indépendance.

C'est cela, chers collègues, la vision stratégique de l'Union européenne! C'est cela, aujourd'hui, ce qu'on nous avait promis. Allez, arrêtez un petit peu de rigoler, s'il vous plaît!

Au niveau du chômage, monsieur le premier ministre, ah, on est fiers! On va exclure 100 000 travailleurs sans emploi. Quelle fierté! Que vont-ils devenir, ces gens-là? Un tiers dans la nature, un tiers au CPAS. Qu'aura-t-on résolu ainsi? Rien!

Les CPAS, vous le savez très bien, ne sont pas mieux outillés que le Forem et l’ONEM aujourd'hui pour remettre les gens au travail. Que du contraire! Ce n'est pas leur job, normalement. Donc, on ne va pas réactiver les gens. La seule volonté ici, monsieur le premier ministre, c'est d'exclure des gens, pour des raisons budgétaires. C'est pousser les gens dans la misère. Cela ne va rien résoudre.

Vous le savez en plus: les gens qui sont dans la misère pensent à une seule chose: survivre, pas à chercher un boulot. Les études internationales le montrent. Quand on survit, on n'a plus d'énergie pour encore aller chercher un boulot en dehors.

Ma dernière question porte sur le niveau budgétaire. Je ne comprends pas, monsieur le premier ministre.

U zegt, mijnheer de eerste minister, dat er geen geld is voor de pensioenen. Dat ze niet meer betaalbaar zijn. Onze sociale zekerheid zou het niet meer zien zitten… En wat beslist u een week geleden? Om 1 miljard euro minder in de pensioenkas te storten, 1 miljard minder sociale bijdragen… Waar hebben jullie het besef gehad dat 1 miljard euro minder in de sociale zekerheid de pensioenproblematiek zal oplossen?

Ça ne tient pas la route, mathématiquement.

Jarenlang gaat u 16 miljard euro uit de sociale zekerheid halen, met heel veel kortingen enzovoort, en dan zegt u dat er geen geld meer is om de pensioenen te betalen. Als er niet genoeg geld is, zou ik behouden wat er nu naar de sociale zekerheid gaat.

Monsieur le premier ministre, vous l'aurez compris: en ce qui concerne votre accord de gouvernement de Pâques, je ne rejoins pas du tout l'enthousiasme de votre groupe. La chasse contre la fraude fiscale est une cinquième DLU. Pour les auditeurs qui nous écoutent aujourd'hui, une DLU est une déclaration libératoire unique. Cela permet aux fraudeurs de dire après quelques années: "J'ai fraudé, mais je vais trouver le fisc pour voir s'il y a moyen d'un peu régulariser le bazar". Et Didier Reynders, un homme doté d'une grande éthique en politique, qui aime jouer au Lotto, – mais chacun ses hobbies, on ne va pas juger ici les hobbies de chacun –, avait dit, il y a quelques années: "On va faire une déclaration libératoire unique". Unique, cela signifiait qu'elle aurait lieu une seule fois. Chers collègues, cette déclaration libératoire unique a déjà eu lieu cinq fois.

En fait, elle est permanente! En Belgique, c'est open bar! Quand vous êtes un petit indépendant, vous avez droit à un contrôle fiscal et à un contrôle TVA. Clac, on vous coince. Mais quand vous êtes un grand fraudeur et que vous avez des milliards, pas de problème! Installez-vous, prenez un petit café au SPF Finances, on va discuter tranquillement de la manière dont on peut régulariser cela. Il n'y a pas de problème, détendez-vous, monsieur, la Belgique est un pays qui va régulariser tout cela sans problème! C'est cela, le deux poids, deux mesures, d'un point de vue fiscal, dans ce pays. Les gros poissons sont tranquilles, les déclarations sont libératoires à répétition, mais on va contrôler le petit indépendant sur sa TVA. Et quoi, chers collègues, qu'est-ce que cela signifie au MR? Le MR aide-t-il les petits avec de telle mesures?

Voici mon dernier point sur cet accord de Pâques. Le MR, pendant toute la campagne électorale, a promis 500 euros de différence de pouvoir d'achat. Il n'y a rien dans cet accord, monsieur Georges-Louis Bouchez! Vous avez menti. Vous êtes un minteu comme on dit chez nous. Vous avez menti. Qu'avez-vous dit? Que vous alliez diminuer les allocations de chômage. Cela, oui, vous l'avez dit! Il y aura 500 euros de différence. On va pousser les chômeurs dans la misère. Mais les travailleurs qui ont un emploi? Niks ! C'est cela, la politique belge, c'est cela le mensonge! Tout cela, chers collègues, avec des ministres dont le salaire de 11 000 euros par mois leur permet de vivre tranquilles. La vie, elle est peinarde! Mais chez les malades de longue durée, clac, on prend!

En dan mijn laatste punt, beste collega’s, over de langdurig zieken. Hoe durven jullie? Hoe durven jullie afkomen met die kliklijn voor dokters door werkgevers? Cd&v, hoe hebben jullie daar mee kunnen instemmen? Vooruit, hoe hebben jullie daarmee kunnen instemmen? Dokters die vinden dat hun patiënten om medische redenen niet terug aan het werk mogen, kunnen via een kliklijn aangeduid worden door werkgevers als ze vinden dat bepaalde dokters hun job niet goed doen. U gaat druk leggen op dokters en mutualiteiten om mensen gedwongen terug aan het werk te zetten. Is dat een linkse, sociale politiek? Ik had van mijnheer Vandenbroucke toch iets anders verwacht.

Mijnheer de eerste minister, ik heb heel concrete vragen gesteld rond uw akkoord. Ik stel voor dat jullie op dat paasakkoord terugkomen. Het heeft niks, helemaal niks met sociale politiek te maken, maar alleen met koude, budgettaire maatregelen om de militaire uitgaven te kunnen opkrikken in de volgende maanden. Die gaan helemaal geen vrede brengen, maar oorlog. Wie oorlog voorbereidt, krijgt ook oorlog. En wie vrede voorbereidt, krijgt vrede.

Voorzitter:

Le groupe Les Engagés dispose de 10 minutes.

Aurore Tourneur:

Monsieur le premier ministre, le gouvernement est en place depuis trois mois. C'est le premier accord, et nous avons déjà le sentiment qu'on fait le bilan de toute l'année. Laissons les ministres travailler! Et en effet, dans ce nouveau gouvernement, on travaille, on n'est pas d'accord, ça frotte et puis on trouve des solutions. Selon moi, c'est bien cette mission qui nous a été confiée par le citoyen. Soyons donc à la hauteur des enjeux!

Au rayon des bonnes nouvelles tant attendues, nous avons un réinvestissement dans la santé avec une norme de croissance de 2,5 % en 2025 et assurée d'atteindre 3 % en 2029 avec 4 milliards supplémentaires au-delà de l'inflation. Nous avons aussi une valorisation du travail et une pérennisation de la sécurité sociale et de nos pensions avec une limitation des allocations de chômage à deux ans mais aussi avec une augmentation des montants perçus les six premiers mois; avec un statut des artistes qui est intégralement préservé; avec un renforcement du budget de notre Justice et de notre Défense; avec une politique de transition énergétique et climatique avec une baisse de la TVA sur la démolition-reconstruction et une feuille de route pour réduire l'impact environnemental et carbone de nos bâtiments.

Parmi ces avancées que je viens de citer, une nous tient particulièrement à cœur car elle constitue un des marqueurs forts des Engagés; il s'agit du droit au rebond qui incarne une mesure socialement utile, économiquement responsable et humainement moderne. Permettre à un travailleur de quitter son emploi de manière encadrée tout en bénéficiant temporairement des allocations de chômage, c'est reconnaître la réalité de parcours professionnels qui peuvent à certains moments s'essouffler, sans pour autant sombrer. Ce mécanisme vise à éviter les situations de rupture brutale, comme les arrêts maladie de longue durée ou les licenciements conflictuels, tout en encourageant la mobilité professionnelle dans un cadre clair et limité.

C'est une solution que les Engagés ont toujours défendue et portée haut et fort. C'est une mesure de santé mentale au travail, de fluidité sur les marchés de l'emploi et de respect mutuel entre travailleur et employeur. Loin d'être une brèche dans notre sécurité sociale, c'est une véritable soupape intelligente pour la renforcer. Alors, nous soutenons cette orientation, mais des clarifications s'imposent pour s'assurer que cette mesure tienne ses promesses sans créer de déséquilibre ou d'effet pervers.

Monsieur le premier ministre, j'ai plusieurs questions relatives à ce beau projet. Au niveau de l'encadrement du dispositif, quelles balises concrètes seront-elles mises en place pour éviter les détournements ou les démissions de convenance? Un accompagnement systématique des bénéficiaires est-il prévu, notamment en matière de formation, d'orientation ou de reconversion?

Au niveau de l'impact sectoriel et des métiers en tension, ce droit est-il modulé ou adaptable en fonction de la situation dans les secteurs en pénurie? Quels dispositifs d'anticipation ou de concertation sont-ils prévus pour éviter que des secteurs déjà sous pression ne voient partir leurs talents sans aucune relève?

Monsieur le premier ministre, depuis la semaine dernière, une fronde profonde agite le pouvoir judiciaire. La réforme des pensions a agi comme un détonateur. Et il ne s'agit pas d'un simple sursaut corporatiste, mais bien d'un signal d'alarme qui est lancé par un pouvoir constitué de notre État de droit démocratique. Il est de notre responsabilité collective de ne pas l'ignorer.

Les Engagés reconnaissent pleinement, comme je l'ai déjà souligné, la nécessité d'une réforme des pensions dans un souci d'équilibre budgétaire et de solidarité pour les générations futures. Nous rappelons que toute réforme doit être menée avec nuance et proportionnalité. Une justice sous contraintes économiques ne peut être ni sereine ni solide.

Par ailleurs, face à une criminalité de plus en plus organisée et décomplexée, il est essentiel que cette dernière perçoive que le monde politique se soucie de bâtir une magistrature forte. L'autorité de la Justice se construit aussi à travers des signaux envoyés par le pouvoir politique. Indépendance et qualité ne peuvent rester de simples déclarations de principes. Elles doivent s'incarner dans des actes concrets et visibles.

En outre, un magistrat sur quatre va partir à la retraite dans les dix prochaines années. Or, comme le souligne le Conseil supérieur de la Justice, le processus de nomination est long et le recrutement déjà difficile, malgré les campagnes ambitieuses telles que la semaine de la magistrature. Il convient aussi de rappeler que, contrairement à d'autres fonctions, les magistrats sont soumis à une interdiction stricte d'exercer toute activité professionnelle parallèle. La perspective d'une pension stable reste donc l'un des rares leviers d'attractivité pour une fonction essentielle mais peu concurrentielle face au secteur privé.

Nous saluons les engagements pris dans l'accord de gouvernement visant à renforcer l'attractivité de la magistrature, notamment par la création d'un deuxième pilier. Mais force est de constater que la réforme en projet risque de potentiellement contrarier ces objectifs en tarissant les vocations, en asséchant les recrutements et en fragilisant dès lors nos piliers démocratiques.

Monsieur le premier ministre, mes questions sont peut-être trop précises et seront ultérieurement posées aux ministres compétents s'il échoit. Pouvez-vous confirmer que les magistrats retraités et futurs retraités pourraient perdre jusqu'à 40 % de leur pouvoir d'achat? La réforme des pensions s'appliquera-t-elle également aux juges de la Cour constitutionnelle ainsi qu'aux magistrats du Conseil d' É tat? Une étude d'impact a-t-elle été menée concernant les effets pervers de ces mesures sur l'indépendance du pouvoir judiciaire et sur l'attrait de la magistrature, notamment en tenant compte des effets cumulatifs des différentes dispositions? À la suite de la concertation sociale du 22 avril avec les représentants du pouvoir judiciaire, pouvez-vous faire état à la Chambre des conclusions et du suivi qui est prévu? Entendez-vous poursuivre un dialogue structuré et approfondi avec les instances représentatives telles que le Conseil consultatif de la magistrature, l'entité de cassation, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public? Enfin, pouvez-vous confirmer que les ministres des Pensions et de la Justice travaillent en étroite coordination afin d'appréhender la magistrature non comme une simple variable d'ajustement budgétaire, mais bien comme un pilier fondamental de notre É tat de droit qu'il convient de préserver, de valoriser et de renforcer dans un esprit de dialogue et de concertation véritable? Je vous remercie déjà, monsieur le premier ministre.

Brent Meuleman:

Mijnheer de premier, bedankt voor uw toelichting bij het paasakkoord. Deze regering neemt een volgende noodzakelijke etappe met een akkoord dat verre van evident, maar wel noodzakelijk was.

Vooruit stapte in deze regering met een heel duidelijke opdracht: verantwoordelijkheid nemen. Niet aan de zijlijn staan roepen, maar mee beslissen. Niet weglopen van de uitdagingen, zoals sommigen doen, maar er recht op afgaan, omdat de toekomst van onze welvaart op het spel staat, omdat de wereld in brand staat. Als het brandt, dan moet er geblust worden. Ik stel vast dat aan de linkerzijde enkel de socialisten hun laarzen aantrekken en de mouwen opstropen.

Collega's, dit paasakkoord is een compromis in moeilijke omstandigheden. Het zijn moeilijke tijden. Mensen zijn bezorgd om hun job, om hun pensioen, om betaalbare zorg en om hun energiefactuur. Meer dan ooit heeft ons land nood aan daadkracht en aan politici die verantwoordelijkheid nemen. Meer dan ooit is het nodig om het verschil te maken voor gewone mensen die elke dag hun stinkende best doen.

Ik licht graag vier concrete zaken uit het paasakkoord toe die voor Vooruit heel belangrijk zijn.

Ten eerste, meer mensen in de zorg. De zorgsector kreunt onder de druk. Iedereen ziet het. Meer dan ooit hebben we mensen nodig die willen en kunnen zorgen. Daarom zorgen we ervoor dat wie een opleiding tot zorgkundige of verpleegkundige volgt, zijn of haar werkloosheidsuitkering behoudt. Zo zorgen we niet alleen voor het zorgpersoneel van vandaag, maar ook voor dat van morgen.

Ten tweede, alle pensioenen krijgen een index. In plaats van helemaal geen index komt er dan toch een indexering voor de sterkere pensioenen. Het is niet meer dan fair om ook de koopkracht van die mensen te beschermen. Pensioenen worden geïndexeerd. Punt. Zo investeren we in de koopkracht van onze gepensioneerden.

Ten derde, de fiscale fraude strenger aanpakken. Wie fraudeert, die raakt aan onze samenleving. Daarom komt er een turbo op de strijd tegen fraude van grote vermogens. Door datamining op het vermogenskadaster van financiële vermogens mogelijk te maken, zullen inspecteurs fiscale fraude sneller kunnen opsporen en aanpakken.

Ten vierde is het heel belangrijk voor Vooruit dat het kunstenaarsstatuut gered is, of dat het kunstwerkattest, zoals het vandaag heet, behouden blijft. Daar hebben we met Vooruit keihard voor gestreden. Met het kunstwerkattest bieden we kunstenaars een volwaardige sociale bescherming. Onze cultuursector heeft al zeer zware klappen gekregen en toch bleef die overeind en bleef die verbinden. Vandaag zorgen we voor sociale bescherming, voor waardering en voor zekerheid voor mensen die onze samenleving verrijken met creativiteit en schoonheid. Dat is geen detail, collega's, dat is beschaving.

Collega's, de keuze die wij maken, is een keuze voor vooruitgang. We maken het verschil, niet met grote woorden, maar met concrete maatregelen, niet door slogans, maar met inhoud. In deze onzekere tijden hebben mensen veel vragen.

Omdat er helaas ook veel fake news wordt verspreid, maak ik nog eens heel duidelijk dat we investeren in zorg en opleidingen, dat we mensen hun pensioenen beschermen, dat we fiscale fraude aanpakken en dat we cultuur niet laten vallen.

Collega's, de volgende jaren beloven moeilijk te worden – niemand ontkent dat – maar wij kiezen ervoor om niet te verzinken in cynisme of in stilstand. Wij geloven dat we samen vooruit kunnen. Laat dat ook het kompas blijven voor iedereen hier, niet de waan van de dag volgen, maar op een duurzame manier het verschil maken in het leven van de gewone mensen.

Franky Demon:

Mijnheer de eerste minister, de regering is van start gegaan met de belofte een hervormingsregering te zullen worden. Het regeerakkoord bevat daartoe ons inziens absoluut de nodige krachtlijnen.

Met het zogenaamde paasakkoord dat u en uw regering vlak voor het reces konden bereiken, worden nu ook enorm belangrijke stappen gezet om die ambities uit het regeerakkoord te vertalen in effectief beleid. Als we onze welvaart en sociale zekerheid voor de lange termijn willen beschermen, moeten we actie ondernemen.

De regering wil daarom zoveel mogelijk mensen aan de slag krijgen. Dat doen we door de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd. Daarbij was het voor cd&v wel belangrijk dat oudere werknemers beschermd zouden worden. Daarom voorziet het akkoord dat 55-plussers hun uitkering niet in de tijd beperkt zien, op voorwaarde natuurlijk dat ze 30 jaar beroepsverleden hebben kunnen aantonen.

Wie wil werken en bijdragen aan de maatschappij en een opleiding volgt voor een knelpuntberoep, mag wat onze fractie betreft evenmin worden afgestraft. Daarom hebben we ervoor gestreden dat die mensen hun opleiding kunnen afmaken.

Met het paasakkoord werken we ook een aantal ongelijkheden weg. Pleegouders verdienen ons allergrootste respect. Hun inzet en toewijding zijn exemplarisch.

Cd&v heeft er dan ook voor gestreden dat ook zij voortaan aanspraak kunnen maken op ouderschapsverlof. Het eerste wetsvoorstel ter zake van mevrouw Lanjri ligt hier al een tijdje voor, namelijk sinds het jaar 2000.

Ook inzake pensioenen nemen wij onze verantwoordelijkheid. Cd&v kwam reeds tijdens de vorige legislatuur met een pensioenplan dat langer werken aanmoedigde zonder de pensioenleeftijd te verhogen. Dat is exact wat deze regering ook doet, onder meer door zelfstandigen die na hun pensioen doorwerken de mogelijkheid te geven om verder pensioen op te bouwen.

Als partij van de lokale besturen zijn wij voorts tevreden dat alle besturen ondersteuning zullen blijven krijgen voor het betalen van de responsabiliteitsbijdragen indien zij in aanvullend pensioen voorzien voor hun contractuele ambtenaren.

Het paasakkoord voorziet tevens in een investering in nabije zorg. In totaal voorzien wij daarvoor tijdens deze legislatuur 5 miljard euro extra. Collega’s, ik herhaal het, 5 miljard euro extra.

De regering focust ook op een betere work-life balance . Daarom worden grotere bedrijven ertoe aangezet om in te zetten op werkbaar werk, zodat het aantal langdurig zieken daalt. Onze fractie is daarom tevreden met de maatregel dat werkgevers, uitgezonderd kmo’s, een bijdrage van 30 % moeten betalen op de ZIV-uitkering in de tweede en derde maand ziekte van de werknemers, uitgezonderd voor de oudere werknemers.

Mijnheer de eerste minister, een eerlijke fiscaliteit is voor cd&v steeds een topprioriteit geweest. Wij zorgen er met het paasakkoord voor dat grotere vermogens een extra bijdrage betalen. Er wordt een antimisbruikbepaling ingevoerd om de ontwijkingsmogelijkheden voor de effectentaks in te perken. De belastingaangifte wordt vereenvoudigd. Er komen minder codes, minder absurde aftrekposten en er komt meer duidelijkheid voor de burger.

De keuze tussen slopen of renoveren moet afhangen van de staat en het potentieel van de woning en niet van het fiscale regime. Daarom wordt het verlaagde btw-tarief op sloop en heropbouw uitgebreid naar sleutel-op-de-deurwoningen.

In een internationaal gespannen context en met een oorlog op het Europese continent neemt ons land zijn verantwoordelijkheid en versterkt het zijn inspanningen voor het waarborgen van de Europese veiligheid.

We honoreren onze verplichtingen ten aanzien van de NAVO en gaan versneld richting de 2 %, maar we doen dat op een realistische manier die zowel op het vlak van investeringen als schuldimpact op maat van ons land is.

Voor onze partij was het enorm belangrijk om naast buitenlandse veiligheid ook in binnenlandse veiligheid te investeren. Minister van Justitie Annelies Verlinden streed daarom succesvol voor bijkomende middelen voor haar departement om de overbevolking in de gevangenissen te kunnen aanpakken en om de georganiseerde criminaliteit een halt te kunnen toeroepen. Deze regering maakt werk van effectieve strafuitvoering en een correcte reclassering van gedetineerden en zet in op een beperking van recidive. Minister Verlinden wil investeren in jammers, zodat drugscriminelen hun activiteiten niet meer kunnen verderzetten vanuit de gevangenis.

Het plaatstekort in onze gevangenissen is geen nieuw probleem. Voorgaande ministers van Justitie wisten dat er onvoldoende ruimte was om straffen korter dan drie jaar volledig uit te voeren, maar toch lieten ze toe om die extra capaciteit te creëren, waardoor ons inziens in het verleden straffeloosheid toenam. Met haar extra middelen kan minister Verlinden voorzien in containercellen, oude gevangenissen langer openhouden en versneld werk maken van een ketenaanpak om gedetineerden in onwettig verblijf sneller het land uit te zetten. Het siert gewezen minister Van Tigchelt dan ook dat hij in een krant gisteren nog zei: we hebben ons voor een stukje mispakt aan de strafuitvoeringsrechters. Dat siert hem.

Last but not least wil ik ook stilstaan bij de afspraken die gemaakt werden aangaande het beleidsdomein Asiel en Migratie. We zijn tevreden dat er snel werk gemaakt zal worden van het wetgevend werk, dat gunstig moet bijdragen aan de instroom en waardoor ook het steeds hoger aantal verzoekers om internationale bescherming verder kan worden ingeperkt.

Dit kan onder meer door de toegang tot het opvangnet te beperken voor asielzoekers die reeds in een andere EU-lidstaat bescherming genieten en door de verzoeken van aanvragers die in een andere lidstaat reeds een definitieve beslissing kregen als een volgend verzoek te beschouwen. Ook inzake gezinshereniging worden er nieuwe maatregelen genomen. Denk bijvoorbeeld aan de inperking van de grace period voor erkende vluchtelingen, waarvoor ik zelf nog een wetsvoorstel had ingediend.

Hervormingen op korte termijn volstaan voor ons echter niet. We moeten nog een stap verder gaan. We waren heel verbaasd dat we in de eerste documenten van de minister van Asiel en Migratie niets zagen staan over het Migratiewetboek. We hebben in deze commissie meerdere keren aan minister Van Bossuyt gevraagd om dat daarin op te nemen en het siert u en uw regering dan ook dat u daarrond nu duidelijke afspraken hebt gemaakt. Voor cd&v is het duidelijk. Wij vragen u om erover te waken dat het nieuwe Migratiewetboek zeker tegen begin 2027 naar dit Parlement komt. Dit is een instrument waarmee we verder kunnen werken. We zullen erop toezien dat het engagement dat werd aangegaan in het paasakkoord ook geremunereerd wordt.

Mijnheer de premier, er ligt een ambitieus akkoord voor dat werk maakt van de hervormingen waaraan ons land grote nood heeft. U zult in cd&v een constructieve partner vinden om deze hervormingen de komende weken en maanden te vertalen in concrete wetteksten. We kijken alvast uit naar de verdere behandeling van de programmawet, de begrotingswet en de diverse beleidsnota's.

Voorzitter:

Ik geef nu tien minuten spreektijd aan de Ecolo-Groenfractie. Mijnheer Van Hecke, u hebt het woord.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de premier, bedankt voor de toelichting en uw komst naar de commissie. Ik zie en ik hoor dat sommigen superenthousiast zijn, zoals van nature uit de heer Ronse, die het een fenomenaal akkoord vindt. En natuurlijk was ook de heer Francken superenthousiast, want de minister van Defensie en Oorlog kreeg 21,3 miljard euro extra investeringen, waarvan 16,8 miljard via dit paasakkoord.

De heer Francken schuwde de grote woorden niet. Het ging om de “grootste investering in Defensie in veertig jaar”. Maar dit budget lijkt eerder de slechtst gefinancierde begroting in veertig jaar, als we naar de cijfers kijken, die eigenlijk luchtkastelen zijn.

Collega's, die 4 miljard euro, die 2 % die we normaal over verschillende jaren zouden bereiken, moet dit jaar al gehaald worden. Om dat even in perspectief te brengen: dat is acht keer het werkbudget van Buitenlandse Zaken, dat is vier keer het federaal budget voor Ontwikkelingssamenwerking. En dat bedrag komt er elk jaar bij.

Wat gaan jullie doen met die 4 miljard euro dit jaar? Dat zouden jullie pas weten tegen 1 juli. Maar de markten, collega's, zijn oververhit geraakt. De prijzen van het militair materieel zijn zeer hoog. Gaan jullie dus vlug enkele aankopen doen? Vlug enkele bestellingen plaatsen? Ik denk niet dat dat echt heel slim zou zijn.

De grote vraag blijft hoe de regering dit gaat betalen? Hoe gaat dit gefinancierd worden? Volgens de cijfers en de tabellen rekent u in de eerste plaats op Euroclear en Belfius. Op Euroclear rekent u tot in 2029. In 2025, in 2026, in 2027, in 2028, in 2029: elk jaar 1,2 à 1,3 miljard euro. Rekent u er dan op dat de oorlog in Oekraïne gaat duren tot 2029? Als er een vredesakkoord zou zijn in 2025 of in 2026, en een aantal maatregelen wordt opgeheven, wat gaat u dan doen met die voorgenomen inkomsten uit Euroclear? Via Belfius rekent u tweemaal op 500 miljoen euro.

Dan moet u nog op zoek gaan naar welke uitgaven eventueel onder die NAVO-norm kunnen vallen. En dat loopt op: in 2028 tot 500 miljoen en in 2029 tot 750 miljoen. Dat is echt nattevingerwerk. Hoe komt u daarbij? Hoe hebt u dat berekend? Er is geen enkele garantie dat de uitgaven van bijvoorbeeld gewesten of andere departementen door de NAVO zullen worden erkend.

Er is ook nog de post 'structurele financiering'. Daar bent u nog niet uitgeraakt, maar die loopt op tot 1 miljard euro in 2029. Waar zal de regering die structurele financiering vinden? Zelfs met die structurele financiering van 1 miljard euro komt u nog altijd 5 miljard euro tekort. Dat is nog een zeer optimistische schatting. Dat zijn budgettaire luchtkastelen die u aan dit Parlement voorstelt, maar volgens de heer Ronse van de N-VA is het 'fenomenaal'. Waar zal de regering die 5 miljard euro vinden? Het zal trouwens veel meer zijn.

Zal de regering dan opnieuw besparen op ontwikkelingssamenwerking, de sociale zekerheid – zoals bepaalde coalitiepartners wensen –, de pensioenen, de gezondheidszorg? Het zou heel dom zijn om overheidsparticipaties te verkopen, omdat ze ons soms flink wat geld opbrengen. De premier klinkt toch wel voorzichtig. Het heeft inderdaad geen zin om die participaties te verkopen die geld opbrengen. Of gaat de regering toch nog extra schulden aan? In dat financieringsverhaal horen we niets over de bijdrage van de grootste vermogens. De regering kijkt daar niet naar, maar wel naar de sociale zekerheid.

Het gaat niet alleen over dat bedrag van 16,8 miljard euro. De regering zal in totaal 21,3 miljard euro moeten vinden. In juni kan de NAVO beslissen om de norm van 2 % van het bnp te wijzigen in 3 % of 3,5 %. Hoe zullen we dat dan kunnen klaren? Dat is nog eens 6 à 7 miljard euro per jaar extra die zal moeten worden gevonden.

Het spijt me dat ik altijd naar dezelfde persoon verwijs, maar minister Francken communiceert heel veel. Het lijkt wel of hij de uitgaven voor defensie gebruikt als een hefboom om zaken die hem niet bevallen, weg te besparen. Hogere defensie-uitgaven worden gebruikt als een soort breekijzer om zaken af te breken, die sommigen om ideologische redenen willen afschaffen: deftige pensioenen, ontwikkelingssamenwerking, zelfs betaalbare tandzorg. Hij vond het nodig om een vergelijking te maken met de Verenigde Staten, waar men jarenlang fors heeft geïnvesteerd in de defensie-uitgaven, maar de mensen wel 1.000 euro voor tandzorg betalen. Is dat het beeld van onze sociale zekerheid dat bij sommige mensen van de N-VA leeft? Willen ze dat verwezenlijken? Men wil meer geld voor defensie. Als tandzorg 1.000 euro kost, dan is dat zo, in de Verenigde Staten doet men dat ook. Dat is niet het beeld dat wij willen. Het is duidelijk waar sommigen naartoe willen gaan. De budgettaire ruimte, collega's, is beperkt. Volgens de laatste cijfers bedroeg die in 2023 op federaal niveau ruim 14 miljard euro. Hoe zult u dan nog 6 miljard extra vinden als we naar 3 % moeten gaan? Waar zult u dat geld dan vinden? Dit zal een sociaal bloedbad worden, collega's.

Ik zal proberen af te ronden, want mijn collega zal ook nog een aantal zaken zeggen. Ook voor andere zaken is het akkoord immers heel ontgoochelend, bijvoorbeeld wat de klimaatambities van deze regering betreft. Er is geen klimaatstrategie, geen groene taxshift. De vliegtaks bedraagt ocharme 5 of 10 euro per vlucht. In andere landen is dat een pak meer. Er is ook een inconsistent btw-beleid op het vlak van verwarming. Over Justitie zullen we nog wel een apart debat hebben met de minister van Justitie, want het extra geld dat ze gekregen heeft, heeft ze ondertussen al vijf keer uitgegeven.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le président. Monsieur le premier ministre, je vais intervenir en complément de ce que vient de dire mon collègue. Je vous ai entendu parler de la compétitivité des entreprises et dire à quel point ce sont les entreprises qui font la prospérité de notre pays. En fait, monsieur le premier ministre, vous n'êtes pas un CEO. Vous êtes justement le premier ministre. Ce qu'on attend de vous, c'est d'être le garant de cet équilibre entre les droits des travailleurs et cette fameuse compétitivité, pas de faire des cadeaux aux entreprises et d'accéder à toutes leurs demandes sans respecter le bien-être de votre population.

Par ailleurs, qui travaille dans les entreprises? Des chats? Sont-ce des chats qui travaillent dans les entreprises? Monsieur le premier ministre, ce sont des travailleurs et des travailleuses qui font la prospérité de ces entreprises. Donc, aujourd'hui, ce qui est important d'après vous, c'est d'atteindre un taux d'emploi de 80 %. Mais pourtant, ici, on ne voit pas le début d'une mesure qui va permettre d'atteindre ce taux d'emploi. En effet, quand on crée des flexi-jobs, quand on continue à étendre le travail étudiant, on crée des emplois qui ne rentrent pas dans le cadre des 80 % et vous le savez très bien, étant donné qu'il s'agit d'emplois qui ne financent pas la sécurité sociale. Ce sont des travailleurs qui ne cotisent pas pour leur sécurité et leur pension. C'est donc un vrai problème à long terme.

Monsieur le premier ministre, j'ai quelques questions précises. Je commencerai par le droit à la démission. C'est évidemment une bonne idée. Nous portons d'ailleurs une proposition en la matière depuis des années. Mais des balises importantes sont à mettre en place, notamment pour éviter que des travailleurs soient poussés à la démission pour éviter à l'employeur de payer un préavis. Allez-vous mettre en place des balises par rapport à cela?

Dans le cadre de la réforme qui limite l'accès aux allocations de chômage à deux ans, qu'en est-il des personnes qui sont actuellement en formation pour un métier en pénurie, avec une allocation de l'ONEM? Pourront-elles terminer leur cursus sans perte de revenu, même si la formation dépasse deux ans? Par ailleurs, selon quels critères les formations autorisées seront-elles sélectionnées? Comment garantissez-vous que l'accès à ces dispenses reste effectif et équitable à travers les Régions? Allez-vous, de manière explicite, vous baser sur les listes établies par les services régionaux de l'Emploi?

Toujours par rapport à l'exclusion des chômeurs, quelles compensations sont-elles prévues pour les CPAS et, surtout, à partir de quelle date? J'ai lu comme nous tous, que l'exclusion des chômeurs aurait lieu dès le 1 er janvier 2026, mais par contre, ce qui m'inquiète fortement est que le financement compensatoire pour les CPAS ne viendrait qu'à partir du 1 er janvier 2027. Confirmez-vous cette information?

Par ailleurs, le président d'un parti de votre majorité a déclaré que les personnes qui possèdent une seconde résidence et qui bénéficient d'allocations de chômage seront sanctionnées et contrôlées. Pouvez-vous être un peu plus explicite sur cette mesure, monsieur le premier ministre? Seules les personnes qui possèdent une maison au Maroc seront-elles passées au screening? Ou bien celles qui possèdent une maison dans les Ardennes le seront-elles aussi? On aimerait bien avoir un peu plus d'informations par rapport à cela.

Pour ce qui concerne le statut des travailleurs des arts, on a aussi entendu votre ministre de l'Emploi nous dire à quel point il y avait des abus et qu'il fallait lutter contre ces abus. Pouvez-vous nous en dire un peu plus sur les abus auxquels vous pensez? Quels montants souhaitez-vous récupérer de cette manière-là?

Quant aux périodes de maladie, confirmez-vous qu'elles ne seront plus assimilées dans le calcul de la pension? Par exemple, les personnes qui ont été atteintes du covid ou du covid long ne pourront-elles pas assimiler ces périodes-là dans le calcul de leur pension?

Qu'en est-il des dates "P"? Elles ne sont toujours pas disponibles sur le site. Or les écoles doivent s'organiser, notamment par rapport à la DPPR, savoir quels profs seront disponibles ou pas. Cela devient extrêmement urgent d'avoir une réponse pour toutes ces personnes qui sont dans l'expectative.

Enfin, on n'a toujours pas de fumée blanche concernant la taxation des plus-values. On ne comprend donc vraiment plus où se trouve, chers collègues des groupes Les Engagés et Vooruit, l'équilibre dans cet accord de Pâques. Je vous remercie.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn tijd delen met mijn collega, Paul Van Tigchelt.

Mijnheer de premier, dank u voor uw aanwezigheid vandaag, op onze aanvraag. Het was tijd dat u uw paasakkoord kwam toelichten. Ik ben blij dat u de primeur van uw persconferentie voor het Parlement hebt voorbehouden. Jammer genoeg moet ik vaststellen dat het een bisnummer is of misschien zelfs wel een ternummer, want eigenlijk zijn al de delen die u hebt toegelicht, puur de uitvoering van uw regeerakkoord met onder andere de beperking van de werkloosheid in de tijd, de aanpassing van de pensioenen, de fiscaliteit. U hebt die maatregelen al een paar keer verkocht.

Wat wel nieuw is, is uw defensieplan om de 2 %-norm te halen. Wij staan achter de 2 %-norm, zoals wij altijd hebben gezegd. U zwijgt echter over de financiering ervan, mijnheer de premier, en dat is natuurlijk de kern van het verhaal, jammer genoeg.

U vindt zogezegd 4 miljard euro extra voor defensie, maar eigenlijk is een deel daarvan, 2 miljard euro, gewoon niet gefinancierd. U zult die lenen. U zult extra schulden opbouwen. U zult de kosten dus doorschuiven naar de volgende generatie. Dat zijn geen structurele maatregelen. Uw defensieplan is dus niet gefinancierd. Dat zegt de heer Bouchez ook. Het is niet structureel.

Het is uw eerste daad op het vlak van de begroting, mijnheer de premier. Het is 100 % uw beleid. Het beste bewijs is dat er een zomerakkoord moet komen. Dat lezen wij al in de pers. Uw lenteakkoord is net achter de rug en we zien al dat er nood is aan een zomerakkoord. Dat is het beste bewijs dat het plan niet gefinancierd is.

Wat is uw balans na tien weken arizonaregering? Ik ben het ermee eens dat het paasakkoord historisch is, zoals sommigen proclameren. Het is inderdaad historisch op sommige vlakken en zeker op het vlak van de begroting. U hebt namelijk op tien weken tijd een extra begrotingstekort van meer dan 7 miljard euro gecreëerd, mijnheer de premier. Ik licht dat even toe. U hebt geen enkele structurele maatregel ter financiering gevonden.

U hebt opnieuw het beeld gecreëerd dat de overheid de meest onbetrouwbare aandeelhouder ooit is. Er is geen enkel overleg met Belfius en tot nu toe geen steun van haar raad van bestuur. U hebt totale onzekerheid bij de burgers gecreëerd. Zij weten niet hoe uw plan gefinancierd zal worden. Misschien doet u dat via extra belastingen, zoals uw coalitiepartners dat nu al aangeven. Onder andere de heren Mahdi en Seuntjens zeggen dat het plan door extra belastingen moet worden gefinancierd.

Waar komt de 7,5 miljard extra tekort vandaan? Ik licht dat toe op basis van een aantal documenten. Bij de aanvang van uw regering overhandigde u uw begrotingstabellen. U gaf zelf toe dat u begon met een gat van 2,2 miljard euro in 2025. U verslechtert dus uw basis met 2,2 miljard. In maart kregen wij het rapport van het Monitoringcomité. Dat zegt dat de situatie verslechterd is en dat het tekort verder oploopt met 2,4 miljard euro, maar dat hebt u niet rechtgezet met extra maatregelen.

Ik ga verder met uw tabellen voor Defensie. Hoe financiert u dat? U financiert dat met een defensiefonds van een kleine 800 miljoen euro. Dat staat in het paars, omdat het buiten begroting is, wat dus extra schulden betekent. Dat defensiefonds bestaat echter nog niet. Er zijn nog geen overheidsparticipaties verkocht en zelfs als dat gebeurt tegen het einde van het jaar – we zullen nog wel zien -, dan nog is dat niet structureel. Dat zijn oneshotmaatregelen.

En dan, the cherry on the cake , uw paasakkoord is een ongedekte cheque voor Defensie van 2 miljard euro, terwijl uw minister van Begroting een paar weken geleden er nog op hamerde dat alles gecompenseerd moest zijn. U wil het dividend van Belfius ten belope van tweemaal 500 miljoen euro, maar dat is zeker geen structurele maatregel. Dat moet bovendien nog goedgekeurd worden door de ECB en de raad van bestuur van Belfius. Het blijft een tijdelijke maatregel.

Ik ben eigenlijk nog terughoudend wanneer ik zeg dat u een bijkomend tekort van 7,5 miljard hebt gecreëerd, want waarschijnlijk is het nog meer.

U houdt rekening met de Russische tegoeden, maar in het verslag van het Monitoringcomité lezen we op pagina 27 dat die opbrengsten al meegenomen waren in de basisberekening van het Monitoringcomité. U bent het geld dus gewoon twee keer aan het uitgeven, mijnheer de premier. Het Monitoringcomité heeft daar wel rekening mee gehouden, in tegenstelling tot de FOD Financiën. Dat geld moest dienen voor andere uitgaven.

U hebt dus absoluut geen 1,2 miljard euro gevonden, u hebt een niet-gefinancierd defensieplan. Onze grote bezorgdheid – en die werd al gedeeld door uw coalitiepartners en is ook mijn enige vraag – is wie ervoor zal betalen. Bevestigt u wat uw coalitiepartners, cd&v, Vooruit, Les Engagés, in de pers vertellen, namelijk dat de factuur door de belastingbetaler, de hardwerkende en ondernemende mensen, de spaarders zal worden betaald?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de premier, ik zal de komende minuten proberen voorbij de slogans te kijken. We hebben het namelijk allebei goed voor met Justitie.

Ik heb mij de afgelopen maanden koest gehouden. Dat hoort ook zo voor een voormalige minister van Justitie. Dat is intussen meer dan een jaar geleden – time flies when you’re having fun –, toen de vorige regering volheid van bevoegdheden had. Nu neem ik echter het woord, omdat ik mij zorgen begin te maken. Ik maak mij zorgen over het justitiebeleid, want ik zie stilaan een kloof tussen de woorden van de arizonaregering – het moest strenger, het moest kordater en wel meteen – en de daden.

Laten we eerlijk zijn: de sense of urgency , waar veel arizonapartijen het over hadden, was niet terug te vinden in het regeerakkoord. Er komen amper extra middelen voor Justitie in 2025. Er komen geen dringende investeringen in meer gevangeniscapaciteit. Nochtans werd daarover heel luid geroepen. Dat de nieuwe minister van Justitie na enkele weken naar extra middelen kwam vragen, is het bewijs van het gebrek aan een sense of urgency bij de arizonapartijen.

Men zal nu investeren in unitbouw, in modulaire units, een dossier dat werd voorbereid door de vorige regering. Dat is goed, want dat is realistischer dan een gevangenis bouwen in het buitenland. Een gevangenis bouwen in het buitenland of capaciteit huren in het buitenland klinkt stoer, maar, geloof me, zal aankondigingspolitiek blijven.

Voor het dossier van de unitbouw worden nu via frontloading extra middelen vrijgemaakt. Wat ik daarbij mis, is een concreet plan binnen welke termijn de extra capaciteit ter beschikking zal zijn. Daarentegen zie ik wel een concreet plan om de uitstroom te verhogen via de zogenaamde noodwet.

We hebben ons de moeite getroost om die noodwet en de beslissingen van het paasakkoord uit te vlooien. Overigens was dat niet gemakkelijk, want de communicatie daarover was nogal warrig, wazig en fragmentarisch, maar dat is nu eenmaal de taak van de oppositie en die hebben we ter harte genomen. Wat stellen wij daarin vast? We zien dat het de bedoeling is dat gedetineerden die tot drie jaar gevangenisstraf krijgen, na een derde automatisch vervroegd in vrijheid worden gesteld en dat ze zes maanden daarvoor nog elektronisch toezicht kunnen krijgen.

Premier, ik heb begrip voor die noodmaatregelen. Ik moest immers soortgelijke noodmaatregelen nemen. Een schoonheidsprijs verdienen die maatregelen niet, maar een mirakeloplossing bestaat ook niet. Wat wij echter niet hebben gedaan, maar wat u wel zult doen, is dezelfde maatregel van vervroegde invrijheidstelling toepassen op illegale criminelen. Dat is prima als ze kunnen worden uitgewezen, naar Marokko bijvoorbeeld, dankzij het akkoord dat wij in 2023 met dat land sloten. De voorlopige in vrijheidstelling – ik heb het goed gelezen – zal echter ook plaatsvinden, als de gedwongen uitwijzing niet mogelijk is. Die illegalen komen met andere woorden vrij met een bevel om het grondgebied te verlaten en we weten dat dat papier geen garantie is dat ze het land zullen verlaten. Dat, premier, vinden wij een gevaarlijke maatregel. Ze komen vrij na één derde, verdwijnen in de natuur en we verliezen elke controle. Dat staat bovendien haaks op al wat uw partij de voorbije jaren en maanden heeft gezegd en aangekondigd. U hebt het gezegd in uw uiteenzetting: u bent streng voor asielzoekers, maar blijkbaar niet voor illegale criminelen. Nogmaals, dat hebben wij niet gedaan.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, votre accord de Pâques est la parfaite transcription de votre accord de gouvernement, et donc nous ne pouvons vous prendre en délit d'incohérence. On a compris l'idée: remettre tout le monde au travail, y compris les chômeurs, les vieux, les malades, tout le monde, même ceux qui ne veulent pas travailler – pourquoi pas – et ceux qui ne peuvent pas travailler – ça c'est plus problématique, avec une seule injonction, la responsabilisation, comme si tout était question de bonne volonté, comme si tous nos problèmes venaient de la paresse et que les conditions macroéconomiques qui gouvernent notre monde n'existaient pas.

On connaît votre logique arithmétique, 100 000 personnes exclues prochainement du système, comme l'exprimait avec une fierté quand même un peu étrange votre ministre de l'Emploi, et 175 000 emplois dans les métiers en pénurie. On connaît votre recette: on va couper le robinet, et ces personnes sans emploi vont, par magie, se transformer en enseignants, en infirmières, en chauffeurs de bus, etc.

Dans le vrai monde, ce n'est pas comme ça que ça va marcher. Bien sûr, il y a des fraudeurs et des profiteurs, mais il y a aussi, dans ces 100 000 personnes que vous allez exclure, des gens qui cherchent du travail et n'en trouvent pas ou n'ont pas les bonnes qualifications. Sans doute, allez-vous pousser quelques fraudeurs à se prendre en main, très bien, mais avec cette même arme aussi peu nuancée, vous allez aussi envoyer des personnes vers la précarité, sans leur donner les outils pour rebondir.

Vous allez faire exploser le taux de pauvreté avant de faire grimper le taux d'emploi. Pour une seule raison, vous renoncez quasi structurellement à toute politique ambitieuse en termes de formation, d'orientation et d'innovation, parce que l'angle mort de votre politique de l'emploi, c'est la formation. Vos partenaires pourtant, le cd&v ou Vooruit, avaient proposé qu'on fasse exception à votre limitation pour les personnes qui choisissent un métier en pénurie.

Vous limitez cette possibilité au 1 er janvier 2026, sauf pour les métiers du secteur de la santé. Mais on ne manque pas que de gens dans les métiers de la santé, on manque aussi d'enseignants et de gens dans des tas d'autres fonctions. Et donc – la question reste pendante –, comment allez-vous transformer des dizaines de milliers de personnes, par exemple, en chauffeurs de bus?

Vous préservez le statut d'artiste – Vooruit vient de confirmer qu'il a fallu se battre et que nombreux étaient ceux qui voulaient purement et simplement le supprimer autour de la table –, mais vous annoncez vouloir lutter contre les abus. Mais quels abus, grands dieux? Le système est déjà conçu comme un système anti-abus. Votre ministre de l'Emploi a pris l'exemple d'un emploi de barman dans un théâtre, ce qui ne ressortit pas du tout au statut d'artiste. Et donc, outre la question de la maîtrise du dossier par le gouvernement, j'ai une question toute simple: pourriez-vous me citer un exemple d'abus de statut d'artiste contre lequel le gouvernement entend lutter?

Une inquiétude a été soulevée par une autre collègue quant aux compensations pour les pouvoirs locaux. Le président du CPAS de Liège, par exemple, affirme que, d'après ses tableaux budgétaires, le soutien aux CPAS en compensation de ces mesures n'interviendrait qu'en 2027, ce qui voudrait dire que, durant un an, les CPAS de ce pays devraient accueillir un public nouveau sans recevoir de moyens. Le confirmez-vous?

Alors, à propos des 526 000 personnes en arrêt maladie, on ne peut que vous rejoindre dans l'idée d'une responsabilisation générale, même si la manière dont vous comptez contrôler les médecins laisse perplexe. Il est d'ailleurs frappant de voir que vous pariez sur la bonne foi et le droit à l'erreur pour le contribuable, à raison, mais pas pour le malade ni pour le médecin.

Voilà qui m'amène au point commun entre vos mesures sur les demandeurs d'emploi et sur les malades. C'est qu'il s'agit d'un contrat de méfiance entre le gouvernement et le citoyen. À part la bonne foi du contribuable, vous ne pariez sur la bonne foi de personne, ni des demandeurs d'emploi, ni des médecins, ni des malades.

Vous ne pariez pas non plus sur l'énergie des citoyens. Sur les allocations de chômage, la presse a pu trouver facilement l'exemple d'une série de citoyens que vos mesures vont toucher de plein fouet et qui, pourtant, n'ont rien à se reprocher. Des accidentés de la vie, des mères célibataires, parfois des personnes qui se forment à un métier en pénurie. Et c'est là que le bât blesse. Une économie qui tourne, une société qui fonctionne, ça réclame de la confiance de la part des entreprises, des travailleurs et du gouvernement. Et vous avez décidé d'être un gouvernement de la défiance.

Si nous avons autant de personnes sans emploi, si nous avons un demi-million de personnes en arrêt maladie, c'est pas parce que nous serions un pays de fainéants, c'est parce qu'il y a une crise sur le sens du travail, c'est parce que de nombreux citoyens ne sont pas heureux de ce qu'ils font. À tout ceux-là, parce que vous ne misez ni sur la formation, ni sur l'orientation, ni sur l'innovation, vous ne dites rien. Vous dites en gros "bougez-vous et allez faire quelque chose que vous détestez, vous réfléchirez au sens de la vie quand vous serez morts".

Avant de conclure, j'aimerais revenir sur deux éléments. Tout d'abord, vous avez mis en avant avec une certaine fierté la taxe de 1 000 euros sur l'accès à la nationalité. Moi, je regrette que l'Arizona ait inventé la nationalité censitaire. On pourrait se réjouir de voir l'accès à la nationalité belge acquérir subitement une si grande valeur pour la N-VA, vous qui avez un jour déclaré que, si vous pouviez mourir en tant que Néerlandais du Sud, vous mourriez plus heureux qu'en tant que Belge.

Or, nous savons qu'en fait, il s'agit d'un argument purement dissuasif. Pourquoi faire payer 1 000 euros l'accès à la nationalité? C'est là une vraie question, que j'ai d'ailleurs déjà posée à Mme Van Bossuyt et je n'ai jamais obtenu de réponse. Qu'on demande la réussite d'un parcours d'intégration ou la maîtrise d'une ou plusieurs langues nationales, pourquoi pas, je le comprends et je trouve même cela très bien. Mais je ne comprends pas bien la philosophie qui consiste à demander des sommes exorbitantes à quelqu'un qui remplit toutes les conditions pour rejoindre notre communauté nationale. C'est purement dissuasif et, là encore, c'est tout l'inverse d'un contrat de confiance.

Enfin, sur la Défense, c'est le grand flou. Vous allez chercher 2 milliards d'euros sur un emprunt hors budget à rembourser ensuite par la vente d'actifs. Je crois que nous avons tous compris que c'est un tour de passe-passe que vous êtes obligé de faire parce que vous ne pourrez vendre des actifs que pour diminuer un endettement. Dès lors, vous êtes obligé de commencer par l'endettement. Nous sommes en droit de comprendre ce que va nous coûter réellement cet endettement.

Par ailleurs, vous placez dans l'équation un dividende exceptionnel de Belfius qui, par définition, ne peut pourtant pas être structurel. Cela manque de transparence.

En ce qui concerne la manière de dépenser cet argent, je ne peux que vous encourager, une fois encore, à ne pas investir dans de nouveaux F-35. Si vous n'êtes pas convaincu par les arguments de dépendance technologique vis-à-vis des USA, qui sont pourtant évidents, tenez compte de la fragilité logistique. Vous êtes allé à Kiev et vous êtes donc bien placé pour savoir que, si nous sommes incapables de livrer nos vieux F-16, c'est parce que nous courons après des pièces détachées qu'il est impossible de trouver. Ces difficultés logistiques vont être multipliées si vous vous engagez encore sur des F-35. S'il vous plaît, ne continuez pas dans cette folie financière et stratégique.

J'en ai fini, monsieur le président.

Voorzitter:

Merci, monsieur De Smet, d'avoir été aussi bref.

Mijnheer de eerste minister, het is gebruikelijk dat het Parlement het laatste woord krijgt, dus ik zou u willen vragen om bondig te antwoorden, zodat er nog tijd rest om te repliceren.

Bart De Wever:

Monsieur le président, j'essayerai d'être bref, mais ce ne sera pas facile, étant donné qu'on m'a posé des centaines de questions.

Ik zal proberen zo snel mogelijk door die vragen te lopen.

Met betrekking tot het budgettair kader kan ik u zeggen dat ten laatste in de week van 28 april de begroting zal worden ingediend. Ik heb uiteraard alle begrip voor uw ongeduld, maar we werken zo snel als we kunnen. De regering is helaas pas na acht maanden tot stand gekomen, in een lopend budgetjaar. Het is niet dat wij per se cijfers willen achterhouden, we werken zo snel we kunnen. Het komt eraan.

Er werden veel vragen gesteld over de NAVO-normering. Voor alle duidelijkheid, er is geen camouflage van uitgaven. Het gaat over de regels die de NAVO zelf hanteert met betrekking tot wat militaire uitgaven zijn, wat binnen die normering valt. Het betreft ook vragen die de NAVO stelt. De NAVO is geen organisatie van amateurs. Het is niet zo dat men allerlei kosten kan labelen en dan kan zeggen dat die kosten nu militair zijn.

Er zijn echter wel mogelijkheden om in die NAVO-normering bijvoorbeeld enablement te schuiven. Daarover werden ook heel concrete vragen gesteld. In die zin moet men natuurlijk ook de betrokkenheid van de deelstaten lezen. Mevrouw Ponthier, u sprak over die kilometerheffing. Dat is totaal nieuw voor mij, ik weet niet waarover het gaat. Als een deelstaat bijvoorbeeld in infrastructuur investeert, die ook op het vlak van enablement , dus de mobiliteit van de NAVO-troepen, aangerekend kan worden, zou het eigenlijk dwaas zijn om het niet in het defensiebudget te stoppen. Dat staat nog los van het feit of men daarmee naar 2 % of zelfs voorbij 2 % zou gaan.

Het is zelfs een opportuniteit om de 3RX, de IJzeren Rijn, voor wie hier al wat langer zit, te realiseren, aangezien de NAVO die ook als kritieke infrastructuur voor de west-oostbeweging, de snelle beweging van troepen, heeft aangemerkt. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de investering in haveninfrastructuur. Dat zit op het niveau van de deelstaten en dat zou dan NAVO-aanrekenbaar zijn. Andere inspanningen van de deelstaten, laat staan fiscale inspanningen, hebben wij niet gevraagd en zijn niet bekend.

Ook medische weerbaarheid zou dan NAVO-aanrekenbaar kunnen zijn. Er zitten daarin twee elementen. Men kan de begroting navlooien. Collega's hebben opgemerkt dat het een stijgende lijn is. Men kan ze navlooien op welke dingen die we doen, NAVO-aanrekenbaar zijn. Let op, het betreft geen nieuw geld. Het is gewoon een uitgave die al gepland en gebudgetteerd is, die dan NAVO-aanrekenbaar wordt. Er zit echter ook een tweede element in. Onder het stijgende budget van Defensie worden uitgaven mogelijk die niet gebudgetteerd zijn, waarvoor geen centen waren, maar die met defensiegeld kunnen worden gefinancierd.

Dat is natuurlijk heel interessant, zeker als zaken daarvan ook voor civiel gebruik nuttig kunnen zijn. Daarbij denk ik aan bijvoorbeeld een stock inzake medisch materiaal of medische capaciteit, die in geval van militaire conflicten militair aangewend kan worden, maar die nu niet voorzien is in de begroting. In mijn ogen zou het nogal dwaas zijn om dat nu, in een stijgend defensiebudget, niet te voorzien. Ook denk ik aan zaken waarbij defensie voor binnenlandse veiligheid kan worden ingezet. In veel Europese landen bestaat die traditie, maar wij kennen die minder, al hebben we dat incidenteel gedaan. Het is onze intentie, zoals in het regeerakkoord is voorzien, om defensie daarvoor structureel in te zetten, in een welbepaald in het regeerakkoord omschreven kader, en het zou desgevallend raar zijn om de NAVO-norm, die voorzien is, daarvoor niet te gebruiken.

Misschien weet u het niet, maar een van de grootste achteruitgangen in de Belgische defensie, puur budgettair bekeken, qua comptabiliteit, was de afschaffing van de rijkswacht, aangezien dat een militaire uitgave was. Met de afschaffing van de rijkswacht zijn we tienden gezakt in de NAVO-ranking. Ik pleit niet voor de militarisering van de politie, don't worry , dat is niet voorzien, ik zeg alleen dat het over zulke dingen gaat inzake de NAVO-norm. Ik vrees dus dat u daar dingen in leest waardoor uw fantasie een beetje op hol is geslagen.

Ik spring enigszins van de hak op de tak, waarvoor mijn excuses, maar nu kom ik tot de pensioenhervorming voor de parlementsleden. Het is een traditie en ook onvermijdelijk dat de wetgever de pensioenen van de samenleving reguleert en dat het Parlement zich daaraan vervolgens confirmeert. In de periode dat ik parlementslid was, is dat nooit anders geweest, en ik heb al wel wat pensioenhervormingen in het statuut meegemaakt. Toen ik begon, was het stelsel echt nog zeer gunstig, want met de tantièmes had men na twintig jaar als parlementslid een volledig pensioen. Ik heb op die manier met mijn eerste tien jaar als parlementslid al de helft van mijn pensioen. Dat dit niet echt meer evident is in onze samenleving, aangezien wij helaas door de stijging van de sociale uitgaven maatregelen moeten nemen, is een logica die niemand zal ontkennen. Ook de nu op handen zijnde pensioenhervorming zal doorgetrokken moeten worden en een vertaalslag moeten krijgen in de parlementaire pensioenen. Dat kan een grote ontdekking genoemd worden of men kan er grote controverse rond maken, maar ik zie dat niet. Wel dient het Parlement zichzelf te reguleren, niet de regering of een regeerakkoord. Het komt u als parlementsleden toe.

Maak dus alstublieft geen grote populistische controverse – dat is niet nodig – van de sequens waarbij het Parlement de samenleving volgt en zich schikt naar de inspanningen die we van de samenleving vragen, met de nodige moeilijkheden, want het statuut is een statuut sui generis. Dat is dus altijd een beetje schipperen. Het lijkt me de logica zelve, maar het is aan u om dat te doen. Ik denk dat de nodige werkzaamheden daarvoor ook al lang gepland zijn. Het is eigen aan eenieder om zich te profileren in dat soort zaken – dat begrijp ik – maar laat ons toch een beetje sereen blijven in dat soort dingen. Ik heb hier niemand, tenzij u me nu gaat tegenspreken, horen zeggen dat parlementsleden geen inspanningen moeten doen, dat ze niet gaan volgen en dat ze alles wat ze hebben, linea recta willen behouden. Het andere uiterste is de race to the bottom . Die vind ik ook verwerpelijk en daar heb ik ook wel echo's van gehoord in deze commissie.

Wat asiel en migratie betreft – sorry voor de hak op de tak –, maatregelen inzake de uitstroom ontbreken inderdaad. Dit is uiteraard de eerste uitvoering van het regeerakkoord. De maatregelen op korte termijn die ik kan nemen, zijn uiteraard bij uitstek op de instroom gericht. Er staat in het regeerakkoord heel wat over de uitstroom en dat zal heus nog wel worden gerealiseerd, maar dat zijn, als men realistisch is, maatregelen die niet evident zijn, die tijd vergen en die geen toverstokje zijn. Sommigen zeggen om gewoon naar de Europese Commissie of naar Ursula, zoals sommigen het nogal kinderlijk voorstellen, te gaan met de boodschap dat het een noodgeval is en alles dan opgelost is. Als men dat wil geloven, doe dat dan gerust, maar dat is niet de realiteit. Als het zo eenvoudig was, dan zouden heus wel wat Europese landen dat hebben gedaan.

Wij zijn ondertussen als België op basis van ons regeerakkoord uitgenodigd bij de club van de eerder kritische landen over het Europese migratiemodel, die bij elkaar komen en die met name inzake de uitstroom ideeën uitwerken en die trachten om van die ideeën Europese beslissingen te maken. Zeggen dat dat een proces is dat met een vingerknip verloopt, is helaas echter niet waar. Ik wou dat het waar was.

Madame Delcourt, vos questions sur le contrôle des certificats médicaux sont précises et je vous invite à les poser aux ministres responsables. M. Vandenbrouke a annoncé qu'il créerait une banque de données et qu'il organiserait un datamining sur la politique de prescription. Mais il doit encore travailler sur ce sujet et devra présenter son projet avant le 1 er juillet de cette année, si je ne m'abuse. L'affaire est donc à suivre.

De nombreuses questions ont été posées sur le statut d'artiste, notamment par les collègues francophones. Nous avons parlé des abus et de la façon de lutter contre ceux-ci. M. De Smet a même prétendu qu'il n'y en avait pas. C'est possible! La lutte contre les abus est une compétence régionale. Ce débat doit être mené au sein des parlements régionaux. Dire qu'il n'y a pas d'abus, c'est possible, mais je suis étonné par les chiffres. Il y a de grosses différences entre les Régions, notamment en Région de Bruxelles-Capitale où, si je ne me trompe, 50 % d'entre eux résident. La ville est peut-être très artistique, je ne l'exclus pas, mais nous avons peut-être aussi découvert des brèches dans le système qui pourraient correspondre à ce que l'on nomme des abus. Je n'en sais rien et c'est aux Régions de travailler sur ce thème.

Madame Delcourt, vous avez demandé quand nous comptions élargir le systèmes des flexi-jobs à d'autres secteurs? Ce n'est pas prévu dans l'accord de Pâques, mais bien dans l'accord de gouvernement.

En ce qui concerne les indépendants, nous estimons que 356 indépendants sont intéressés chaque année par le paiement de cotisations plus élevées afin d'obtenir des droits à la pension plus élevés.

Monsieur Dermagne, vous avez beaucoup mentionné la classe moyenne et cela m'étonne un peu.

Si nous regardons le bilan du gouvernement Vivaldi, je pense qu'il est difficile de dire que c'était un gouvernement qui a défendu la classe moyenne.

Pierre-Yves Dermagne:

(…)

Bart De Wever:

Je ne vous ai pas interrompu! Je pense que cela relève même du non-sens.

Vous avez évoqué les impôts qui pèsent sur les épaules de la classe moyenne. Das Wahre ist das Ganze , comme on le dit en allemand. L'accord de gouvernement est très clair. Il y a du positif et du négatif mais au final, la pression fiscale sur la classe moyenne va fortement diminuer à l'horizon 2029.

Vous avez parlé d'économies dans les soins de santé, ce qui m'étonne, car nous avons encore prévu une norme de croissance au-dessus de l'index. Cela ne semble pas être de véritables économies. Si nous parvenons à maintenir une norme de croissance supérieure à l'index, il ne faut pas, selon moi, parler d'économies.

Vous avez affirmé que nous épargnions les épaules les plus larges alors que plus de deux milliards de revenus proviendront de leur part. C'est tout de même considérable. Il faut examiner ces chiffres au prorata. Il n'y a pas tant d'épaules larges dans notre pays. Je dirais donc que deux milliards de revenus supportés par leurs épaules ne sont pas négligeables.

Vous avez évoqué la crédibilité budgétaire. J'espère que vous ne m'en voudrez pas, mais c'est un peu l'hôpital qui se moque de la charité. Le PS parle de crédibilité budgétaire alors qu'il a dominé le gouvernement Vivaldi et a toujours géré la Région bruxelloise. À votre place, j'éviterais de parler de crédibilité budgétaire.

Monsieur Courard, vous avez demandé d'où proviendront les 2 % pour la défense. M. Di Rupo aurait peut-être dû se poser cette question lorsqu'il a fait cette promesse au Pays de Galles en 2014. Dans l'intervalle, nous n'avons jamais eu de réponse du PS.

Mme Désir a demandé si le report de l'index était une mesure nécessaire. C'est en effet le cas. Il est inévitable de prendre des mesures comme celle-ci, notamment sur les pensions les plus élevées. Nous prévoyons également une mesure qui pèse sur l'indexation des pensions les plus élevées, donc sur les épaules les plus larges. Il est injuste de me reprocher de ne rien faire à l'égard des épaules les plus larges pour ensuite nous critiquer lorsque nous mettons en place une mesure qui affecte les plus hautes pensions. Il s'agit de pensions atteignant 7 000 ou 8 000 euros par mois.

C’est l’un ou l’autre!

Mijnheer Hedebouw, u hebt Frans en Nederlands door elkaar gesproken. Ik noteer alleen in het Nederlands, ik ben een slechte tweetalige.

Je ne me souviens plus de ce que vous avez dit en néerlandais ou en français.

Dus zal ik antwoorden in de taal die in mij opkomt.

Raoul Hedebouw:

Un vrai Belge.

Bart De Wever:

Ik kan daar veel op zeggen, maar ik zal zwijgen. (Hilariteit)

Op vijf minuten tijd hebben we 4 miljard euro voor defensie gevonden, zegt u. Ik wou dat het waar was. Ik weet niet of u de collega's hebt gehoord die ons net hebben verweten dat we dat niet hebben gedaan en dat het allemaal een groot mysterie is waar dit vandaan moet komen. De waarheid heeft haar rechten. Er is in een pad voorzien, met een opdrachtentabel, begroting per begroting. Het zal niet gemakkelijk zijn om die middelen te vinden.

Uiteraard zijn er collega's die zullen zeggen om dat niet uit de sociale zekerheid te halen. Er zijn collega's die zullen zeggen om dat niet uit de belastingen te halen. Er zijn collega's van de N-VA die zullen zeggen om geen extra schulden te maken. Iedereen heeft daar zijn waarheid. De optelsom van dat alles is uiteraard onmogelijk. A l'impossible nul n'est tenu . Dat wordt dus niet gemakkelijk. Dat zal ik niet ontkennen, maar zeg niet: u hebt dat zo gevonden, dus u gaat dat voor de sociale zekerheid ook zo kunnen vinden.

Ik vind die vergelijking trouwens nogal grotesk. De sociale uitgaven in dit land evolueren naar 200 miljard euro bij een ongewijzigd beleid in 2030. U weegt dat af tegen de defensie-uitgaven. Dat is bijna een cijfer achter de komma, zoals wij onze defensie hebben verwaarloosd. Zeggen dat als defensie kan groeien, dat dan de sociale zekerheid op hetzelfde ritme kan groeien, is populisme. Dat is onzin.

Wat telt mee in de pensioenmalus? Het regeerakkoord is duidelijk over wat erin zit en wat er niet in zit. Op de vraag over de privileges voor parlementaire pensioenen heb ik geantwoord.

Zullen we nieuwe F-35's kopen?

Je vous ai expliqué que les capacités imposées par l’OTAN ne nous laissent pas le choix. Je suis sûr que nous devrons encore élargir notre flotte d’avions de chasse. Puisque nous avons déjà acheté les F-35, nous devrons acheter des avions de ce type. Ce seront des avions construits en Italie. Ce n’est pas parce que M. Trump pense qu’il peut mener une guerre de droits de douane contre tout le monde qu’il peut d’un coup faire disparaître la globalisation de l’économie. Le F-35 est devenu un projet multilatéral.

U zegt dan dat men voor die technologie militair afhankelijk is van wie men ze koopt. Dat is echter voor elke militaire technologie zo. Dat is evenzeer het geval voor wapensystemen die we in Europa kopen of elders in de wereld. Men is altijd deels afhankelijk van de producent. Dat is een reden te meer om in Europa de juiste beslissingen te nemen over de consolidatie van een Europese defensie-industrie. Wij hebben dat verwaarloosd, maar daar bent u ook altijd tegen. Dat is ook van twee zaken een. U wilt dat niet, want we moeten in vrede investeren. Volgens u moeten we bloemenperken aanleggen aan de grenzen met Rusland. We hebben bloemenperken, regenbogen en eenhorens nodig, die de Russen zullen overtuigen van onze goede intenties. Dan zullen ze zeker hun agressie stoppen.

Ik ben het daarmee helemaal eens. Als men in een fantasiewereld leeft, kan dat allemaal wel lukken. Als men echter in wapensystemen moet investeren, heeft men ook een militair industrieel complex nodig. Maar daar bent u ook tegen. U zegt dat we dan nu de F-35 moeten kopen. Misschien hebben we die echter moeten kopen omdat we in het verleden net dat niet gedaan hebben in Europa. Dat zijn dure lessen die we nu moeten trekken, maar dat zijn geen lessen die we op vijf minuten opgelost krijgen.

En ce qui concerne les chômeurs de longue durée et les CPAS, un montant a été prévu dans le budget pour compenser les CPAS. En effet, on sait qu'ils auront plus de travail en raison de la limitation dans le temps des allocations de chômage.

M. Hedebouw, je pense, a dit que les CPAS n'ont pas comme tâche d'activer les chômeurs. Je ne suis pas d'accord. J'ai un autre avis. Dans ma ville, le CPAS fait beaucoup d'efforts pour activer les gens. Je pense que c'est leur tâche de le faire, qu'ils sont même mieux placés que les services régionaux d'accompagnement pour activer les gens qui sont à une certaine distance du marché du travail.

Si des gens disparaissent dans la nature, c'est peut-être qu'ils n'ont pas besoin d'allocations de chômage, qu'ils ont assez de revenus pour vivre et n'ont pas besoin de la sécurité sociale.

Dat is dus een maatregel die ik altijd zal blijven verdedigen. Dat is trouwens in de hele wereld de normaalste zaak. Waarom zou dat dan bij ons onmogelijk en een sociaal drama zijn? Overal in de wereld, in Frankrijk en overal, wordt dat op die manier toegepast.

Wij zullen 1 miljard euro minder in de pensioenkas storten. Dat is een heel rare manier om competitiviteitsmaatregelen voor te stellen. Dat is natuurlijk een ideologisch verschil. Ik ga ervan uit dat, wanneer onze ondernemingen qua competitiviteit niet worden versterkt, de effecten op de pensioenkas veel erger zullen zijn. Dat is een kwestie van wakker worden en koffie ruiken, zoals dat in het Engels wordt genoemd, over onze economische situatie en over de situatie van onze industrie, die in heel Europa maar zeker in ons land krimpt terwijl wij ernaar kijken. Mensen zonder job betalen geen bijdragen. Dat zou voor de sociale zekerheid de catastrofe zijn die wij nu moeten vermijden.

Het paasakkoord bevat inderdaad honderden miljoenen euro aan competitiviteitsmaatregelen. U stelt dat voor als minderopbrengsten voor de sociale zekerheid. Dat is een ideologisch verschil. Daarover zullen wij het nooit eens worden. Dat is misschien maar goed ook. De fiscale regularisatie stelt u voor als straffeloosheid. Ik ben het daar niet mee eens. Dat is geen straffeloosheid. Ik moet echter wat opschieten.

"Les 500 euros de différence, net ou brut, pour ceux qui bossent est un mensonge." Ce n'est pas vrai. Il faut consulter le calendrier des mesures tel qu'il a toujours été prévu dans l'accord de gouvernement, avec la baisse des impôts en faveur de ceux qui travaillent, et dont la vitesse de croisière sera atteinte en 2029.

Volgens mij zullen we dan die 500 euro zeker halen en misschien zelfs overschrijden.

“Een kliklijn voor langdurig zieken, hoe durft u?”, zegt u. U noemt dat een kliklijn, wij noemen dat responsabilisering.

Nous avons autant de malades de longue durée que l'Allemagne. Or celle-ci est un tout petit peu plus grande que la Belgique. Donc, je pense que la question de la responsabilisation est à l'ordre du jour.

Alle actoren, ook de werkgevers, zullen geresponsabiliseerd worden. Dat zijn dan extra inkomsten voor de sociale zekerheid, mijnheer Hedebouw. Het lijkt mij evenwel evident dat ook de dokters, ook de ziekenfondsen en dus ook de langdurig zieken zelf aangesproken kunnen worden.

Madame Tourneur, vous m'avez posé une question concernant le droit au rebond et le risque d'abus. Ce risque est relativement limité en raison de la nature de la mesure. Il s'agit d'un droit unique. Cette allocation de chômage dure six mois et s'adresse à des salariés ayant travaillé au moins dix ans. Le droit au rebond s'inscrit dans un ensemble cohérent de mesures mises en place par le gouvernement pour soutenir les individus dans leur recherche d'emploi. Le risque d'abus est donc très faible, voire quasiment inexistant.

Votre deuxième question porte sur les pensions des magistrats. D'autres collègues ont également posé des questions à ce sujet. Je vais être clair: il n'est absolument pas question d'une perte de 40 % du pouvoir d'achat des magistrats retraités en conséquence de la réforme des retraites menée par ce gouvernement. Les calculs publiés par la magistrature la semaine passée reposent sur l'hypothèse de prolongation indéfinie de l'indexation limitée des pensions les plus élevées alors que cette mesure est explicitement définie comme temporaire, tant dans l'accord de gouvernement que dans l'avant-projet de loi-programme. Elle est prévue uniquement pour cette législature, c'est-à-dire jusqu'en 2029. La Cour constitutionnelle et le Conseil d'État, étant indépendants des pouvoirs exécutif, législatif et judiciaire, sont également concernés par cette réforme, leur régime de retraite étant également réglementé par la loi.

Troisièmement, la réforme des retraites n’a aucun impact sur l’indépendance du pouvoir judiciaire. Monsieur Dermagne, cela a été confirmé par la Cour constitutionnelle dans un arrêt de 2013, suite à un recours déposé par les magistrats contre une précédente réforme des retraites, menée notamment sous le gouvernement Di Rupo.

Quatrièmement, une réunion constructive s’est tenue hier entre les représentants des magistrats et les ministres des Pensions. Cette rencontre a permis d’éclaircir plusieurs points, notamment en ce qui concerne les calculs d’impact des différentes réformes des retraites et la nature temporaire de l’indexation limitée des pensions les plus élevées. Il a été établi que les estimations d’une perte de pension de 30 à 40 % reposaient sur des hypothèses d’indexations limitées pour une durée indéterminée.

Mijnheer Van Hecke, u vroeg naar de gelden van de Russische tegoeden. U wilt weten wat er gebeurt als er vrede komt in Oekraïne en de Euroclearmiddelen wegvallen. Ook daarmee is rekening gehouden in het paasakkoord en dat zal dan inderdaad een extra inspanning vergen.

Ik denk wel dat als er morgen vrede wordt gesloten in Oekraïne, dat nog niet betekent dat morgen ook die Russische tegoeden vrijgemaakt worden. Dat is een bijzonder, bijzonder complexe aangelegenheid. Er zijn wel andere hypotheses die internationaal besproken worden over wat er met die sovereign assets moet gebeuren. Er zijn namelijk de sovereign assets en de andere assets, die bevroren zijn. De sovereign assets zijn in feite geïmmobiliseerd. Het gaat in deze context vooral over die gelden van de Russische Centrale Bank.

Mogelijk worden er multilateraal andere beslissingen genomen en dat zou dan op iets kortere termijn op ons af kunnen komen, maar dat valt nog af te wachten. In alle contacten die ik hierover heb en dat zijn vooral internationale contacten met de buurlanden en met Oekraïne zelf, gaat het in elk geval steeds weer over een buitengewoon riskante en juridisch ingewikkelde zaak met enorm grote repercussies, zelfs op de euro als munteenheid. Mijn persoonlijke inschatting – maar ik kan mij vergissen – is dat we daar op korte termijn niet heel veel beweging in zullen zien. Het lijkt mij heel ingewikkeld.

Uiteraard zullen we dat monitoren en we zullen ons ook niet verzetten tegen andere multilaterale oplossingen, ook al stelt zich dan voor onze bilaterale militaire hulp aan Oekraïne wel een bijkomend budgettair probleem. Aangezien dit ook in de NAVO-norm ingecalculeerd is, zal dat dan sowieso gecompenseerd moeten worden.

Over de oplopende NAVO-norm en over de structurele financiering heb ik geantwoord.

Madame Schlitz, vous avez dit: "Les efforts pour la compétitivité sont des cadeaux aux entreprises." À mon humble avis, cela témoigne d'un certain manque de connaissance de la réalité économique, mais c'est peut-être une différence idéologique que nous n'allons pas résoudre aujourd'hui ni même jamais.

J'en viens aux formations pour les emplois en pénurie. Tous ceux qui commenceront une formation avant le 1 er janvier 2026 seront exemptés de la mesure. S'agissant des soins de santé, il incombe au ministre de présenter une liste de formations qu'il veut exclure. Donc, je vous propose de développer cette discussion en commission de la Santé.

Quant au contrôle des ressources, je pense que vous confondez celui qui vise le chômage avec celui qui s'intéresse au revenu d'intégration.

Sarah Schlitz:

(…)

Bart De Wever:

Je pense que oui. Je ne vous ai pas interrompue. Vous pourrez encore répliquer.

Vous avez cité un président de parti – je suppose qu'il s'agit de M. Bouchez – qui avait parlé d'un contrôle des ressources, mais il évoquait un contrôle visant ceux qui ont des biens à l'étranger et qui touchent un revenu d'intégration, pas une allocation de chômage. Pour les allocations de chômage, aucun contrôle des ressources n'est ni ne sera prévu dans cet accord de gouvernement.

Pour la taxation sur les plus-values, vous avez dit: "Nous n'en savons rien." C'est normal, puisque l'impact de cette mesure a toujours été prévu en 2026. Notre intention n'a jamais été de l'intégrer dans la loi-programme relative au budget 2025.

Mevrouw Bertrand, u zegt dat er geen overleg met Belfius is geweest. Er is wel degelijk informeel geverifieerd of de zaken die wij plannen realistisch zijn, dus ik maak mij daar niet te veel zorgen over. U zegt dat er paniek ontstaat bij de burgers die zich afvragen hoe we dit allemaal zullen betalen. Ik moet toegeven dat post-Vivaldi paniek budgettair gewettigd is. Toen ik de realiteit van de cijfers zag die ú hebt achtergelaten, was paniek ook de eerste emotie die ik voelde.

Ik vind het sterk dat u zegt dat het Monitoringcomité stelt dat het tekort oploopt tot 2,4 miljard. Dat is uw beleid, dat is het gevolg van het ongewijzigd beleid van Vivaldi, waarbij de put alsmaar dieper werd, tot hallucinante bedragen. U kent die bedragen, want u was er verantwoordelijk voor. Nu zeggen dat we u in vrije val hebben achtergelaten en dat u uw vleugels niet op tijd kunt uitslaan, u bent toch de slechtst denkbare persoon om die kritiek te uiten, zelfs binnen uw eigen partij. Ik zou iemand anders zoeken om die kritiek te uiten. Dat de cheque voor Defensie ongedekt is…

Alexia Bertrand:

Dat is gemakkelijk.

Bart De Wever:

Gemakkelijk, zegt u. Wat u hebt nagelaten, is alleszins niet gemakkelijk, ook niet op het vlak van Defensie. U doet nu alsof die 2 % uit de lucht komt vallen. Het Russisch geld dat dubbel besteed wordt, dat is een foute lezing. Die zit in de basishypothese, maar die was niet bestemd. Wij hebben die gelden nu bestemd, dus er is geen sprake van een dubbeltelling.

Wat het betoog van de heer Van Tigchelt betreft, geen slogans over Justitie, dat ondersteun ik ten volle. Wat dat betreft, hebben wij bijna eenheid van inzicht en beseffen we allebei dat die situatie altijd heel moeilijk is geweest en vandaag nog steeds heel moeilijk is. Roepen wat er allemaal met één vingerknip moet gebeuren, heeft weinig zin. Als u zegt dat u zich als oud-minister koest moet houden, dan vraag ik mij af of dat dan ook niet geldt voor de oud-staatssecretaris bevoegd voor Begroting. U moet het binnen uw fractie misschien eens hebben over wie zich koest moet houden en wie niet.

Het gebrek aan urgentie van Arizona, dat mag u zeggen, maar ik ben het daar niet mee eens. Er is bij alle besparingen die aan de departementen worden opgelegd altijd voorzien in een uitzondering voor de veiligheidsdepartementen en zelfs een groeipad. Is dat groeipad niet groot genoeg? Ik ben zelfs geneigd om het daarmee eens te zijn, gezien de grote noden, maar men kan niet enerzijds zeggen dat we budgettair in vrije val zijn en anderzijds dat we nog een berg aan nieuwe middelen moeten voorzien.

We hebben ons uiterste best gedaan en nog een extra inspanning geleverd, gezien de acute situaties die er bestaan. Het volgende moet mij echter van het hart wat betreft het gebrek aan urgentie dat ons vandaag wordt verweten. Iedereen moet in de spiegel kijken wat dat betreft, ook zij die in vorige legislaturen de zaken hebben waargenomen.

Zo veel nieuw opgestarte bouwdossiers onder Vivaldi heb ik ook niet echt gevonden. Wat er nog van dossiers is, is van de regering daarvoor. De detentiecentra die Vivaldi voor de kortgestraften heeft uitgebouwd, hebben niet bepaald een verschroeiend tempo aangenomen. Dat is geen verwijt. Ik weet hoe moeilijk dat is en hoeveel tijd dat vergt, maar vandaag komen zeggen dat ik de urgentie niet zie, vind ik iets te gemakkelijk.

Ik apprecieer wel dat u zegt dat u begrip hebt voor de noodmaatregelen die op korte termijn moeten worden genomen omdat er geen oplossingen zijn, tenzij oplossingen die binnen de gevangenis aanleiding geven tot toestanden die ons in een structurele overtreding brengen van de mensenrechten die vandaag al bestaan. U kent de situatie. Ik ken ze ook. Wie dat ooit met eigen ogen heeft gezien, kan dat heel moeilijk vergeten en is hopelijk bevrijd van alle populistische neigingen ter zake. Dit gaat niet over u, voor alle duidelijkheid.

J'ai déjà répondu à la question concernant le statut d'artiste, monsieur De Smet. Le fait de dire que nous sommes un gouvernement de méfiance m'étonne, d'autant plus que c'est dit de la part d'un Bruxellois! Quand on connait la situation budgétaire à Bruxelles et celle du CPAS d'Anderlecht, il me semble que ce n'est pas la vérité.

Notre gouvernement n'est pas un gouvernement de méfiance mais se veut être un gouvernement de responsabilisation, et celle-ci est nécessaire si l'on tient compte de la réalité budgétaire à laquelle nous sommes confrontés.

Le prix pour obtenir la nationalité belge est de 1 000 euros et vous dites que ce prix est exorbitant. Je pense que l'inverse est vrai! Les 150 euros demandés par le passé étaient exorbitants quand on sait qu'au Royaume-Uni, le montant est quasiment de 2 000 euros tandis qu'aux Pays-Bas, il est de 1 091 euros. Si vous voulez mourir en tant qu'Hollandais, c'est encore plus cher! Nous sommes restés en dessous du niveau hollandais! C'est un minimum. Si pour devenir Hollandais, il faut payer 1 100 euros, on peut bien devenir Belge pour 1 000 euros! Cela me semble raisonnable.

Voorzitter:

Er resten ons nog een goede 20 minuten voor de replieken. Ik vraag dus om het bij korte replieken te houden, want de debatten zullen in de toekomst ongetwijfeld nog worden gevoerd met de vakministers wanneer de uiteindelijke teksten in het Parlement verschijnen. Ik stel dus twee minuten per fractie voor de replieken voor.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, ik voel mij ongelooflijk dankbaar. Ik kwam hier met een open blik. Ik vond het paasakkoord fenomenaal en na zeer aandachtig luisteren, vooral naar alle oppositiepartijen, vind ik het nog fenomenaler. Na de repliek van de eerste minister, met uitzondering van het verhaal over de Hollandais , vind ik het nog fenomenaler. Onze fractie is dus alleszins enorm overtuigd.

Wat heb ik gehoord van de oppositie? PTB, Groen, Ecolo en de PS hebben heel veel kritiek op het feit dat het paasakkoord de tien plagen de wereld uit tracht te helpen, want het is allemaal onmenselijk, maar ik hoor geen enkel alternatief. Het betreft allemaal maatregelen om onze sociale zekerheid en ons systeem van herverdeling stand te doen houden. We zijn ook ontzettend fier dat we dat met de arizonacoalitie kunnen verwezenlijken. We zijn heel dicht bij de concretisering en de stemming ervan. Als u systemen die alleen hier nog bestaan, zoals de onbeperkte werkloosheidsuitkering in de tijd, nog voor de generatie van vandaag wilt behouden, dan maakt u de sociale zekerheid kapot en blaast u ze op voor de toekomstige generaties. Uw kritiek daarover overtuigt dus allerminst.

Andere partijen hadden het vooral over de effecten van hun beleid van de voorbije vijf jaar, met de verwoestende budgettaire koers, die gevaren werd – dank ook aan collega Bertrand om dat nog een keer op slides te tonen – en die wij nu aan het omkeren zijn. Ze hebben bovendien dan ook nog eens kritiek op het feit dat we 4 miljard euro op een bbp van 600 miljard euro investeren in defensie, in vrede. Mocht ik aan mijn overleden grootmoeder vertellen dat daar kritiek op komt, zou ze het niet geloven. Ze heeft de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog meegemaakt en zou zeggen dat dat budget om de vrede te bewaren, een badje is.

Francesca Van Belleghem:

Premier, tijdens de verkiezingen was het uw prioriteit om budgettair alles op orde te zetten, maar we hebben nog altijd geen budgettair kader gezien. Door eenmalige begrotingstrucs toe te passen, bevestigen jullie alleen maar dat jullie Vivaldi 2.0 zijn. Deze regering zorgt niet voor een structurele financiering van onder meer Defensie. Het enige structurele zijn nieuwe belastingen, zoals de vliegtaks en de meerwaardebelasting.

De zes kleine migratiemaatregelen in het paasakkoord zijn echte tjevenmaatregelen, echte vivaldimaatregelen. U zegt dat het kinderlijk is om naar de Europese Commissie te gaan en een asielstop en een gezinsherenigingsstop te onderhandelen. Vindt u Oostenrijk dan kinderlijk? Zij stoppen gezinshereniging met erkende asielzoekers tegen alle Europese richtlijnen in. Ze dwingen het af bij de EU. Vindt u Polen kinderlijk? Zij hebben een asielstop afgedwongen en de toestroom van asielzoekers in Polen is zelfs niet de helft zo hoog als hier. Als dat allemaal kinderlijk is, dan ben ik graag kinderlijk.

U zegt dat u deel uitmaakt van het clubje migratiekritische landen, maar u hinkt zwaar achterop, want Polen en Oostenrijk steken u vlot langs rechts voorbij. Uw crisismaatregelen hebben als doelstelling de categorie van asielzoekers die recht hebben op opvang te beperken. Maar asielzoekers zijn hier niet voor de asielopvang, ze zijn hier omdat illegalen niet teruggestuurd worden, ze zijn hier voor onze sociale woningen, ze zijn hier voor onze leeflonen zodra ze die verblijfstitel binnen hebben.

Uw vijgen-na-Pasen-akkoord bevat geen deftige maatregelen om die asielinstroom te doen dalen en om de terugkeer van illegalen te verhogen. Integendeel, u laat criminele illegalen na een derde van hun gevangenisstraf vrij, zonder dat u de druk verhoogt op derde landen om hun illegalen terug te nemen. Heel jammer.

Catherine Delcourt:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne manquerai évidemment pas d'interroger les ministres compétents.

Cet accord de Pâques, à travers la loi-programme, comprend des éléments forts que le MR a soutenus: des moyens en plus pour la sécurité, pour la Défense, la Justice, pour lutter contre la surpopulation carcérale; des militaires sur les sites sensibles, libérant 300 policiers. C'est aussi le chômage limité à deux ans, un milliard pour la compétitivité de nos entreprises, des éléments fiscaux intéressants, notamment pour les indépendants, et un durcissement des règles de migration.

Nous le soutenons pleinement et nous vous remercions pour votre intervention.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le premier ministre, merci pour les quelques éléments d'information que vous avez daigné nous donner.

Vous aviez annoncé la couleur. Vous aviez d'ores et déjà renvoyé vers les ministres compétents en commission, vers le budget qui devrait arriver un jour ou l'autre. On espère toujours. Cela recule de semaine en semaine. Je pense que ce sera effectivement le juge de paix.

Vous avez balayé d'un revers de la main les questions sur la crédibilité budgétaire de cet exercice, sur la trajectoire budgétaire, sur l'endroit où vous irez effectivement chercher l'argent. Comme on l'a dit, ce sera en toute grande majorité auprès de la classe moyenne, dans les poches de la classe moyenne, sur les comptes en banque de la classe moyenne, que vous irez chercher cet argent, qui s'inscrit dans un exercice qui ne tient pas la route d'un point de vue budgétaire.

Vous pouvez utiliser un argument d'autorité renversée en disant: "Mais comment le PS peut-il parler de crédibilité budgétaire?" Nous attendions mieux de vous, monsieur le premier ministre. Vous, non pas l'historien, mais l'ingénieur, l'homme de chiffres, l'homme de précision, de détails. Nous avons uniquement des éléments, des effets de manche. Vous êtes assez disert sur les éléments idéologiques qui vous tiennent à cœur, mais sur tout le reste, sur tous les détails, pas une seule réponse concrète.

Peut-être un point quand même. Sur le statut d'artiste, vous n'avez pas pu vous empêcher d'avoir une lecture communautaire. Chassez le nationaliste, il revient au galop! Et c'est le cas ici. Vous avez une lecture communautaire sur ce dossier, notamment sur la répartition du nombre de bénéficiaires du statut d'artiste. Il n'est pas anormal que dans un pays, la capitale, qui compte toute une série d'institutions culturelles importantes, voie le nombre de bénéficiaires de ce statut plus important que dans d'autres Régions. Cela n'a rien d'insupportable! Cela n'a rien de surprenant, monsieur le premier ministre du Royaume de Belgique! C'est effectivement une ville capitale qui vit, qui choie sa scène culturelle, ses secteurs culturels. Il n'est donc pas anormal qu'il y ait plus de bénéficiaires de ce statut.

Bart De Wever:

Il n'y a pas d'artiste à Anvers?

Pierre-Yves Dermagne:

Je n'ai pas dit cela.

Ayez une vision plus large. Vous n'êtes plus le bourgmestre de la belle Ville d'Anvers, monsieur le premier ministre. Vous êtes le premier ministre du Royaume de Belgique. Et, à ce titre, vous devez traiter les Flamands, les Bruxellois et les Wallons sur un même pied d'égalité.

Bart De Wever:

(…)

Pierre-Yves Dermagne:

Je ne vous ai pas interrompu tout à l'heure, monsieur le premier ministre. S'il vous plaît, laissez-moi terminer!

En ce qui concerne le statut d'artiste, votre ministre de l'Emploi a évoqué des abus. Cela transparaissait d'ailleurs très clairement à travers l'exposé des motifs et sa première mouture de la loi-programme qui a fuité dans la presse, avec effectivement uniquement un regard budgétaire qui partait du principe de mauvaise foi de la part de celles et ceux qui bénéficient de ce statut réformé.

Vous avez dit qu'il s'agissait d'une responsabilité des Régions, monsieur le premier ministre. Mais non, la réforme du statut d'artiste de 2022 a précisé que la disponibilité active, passive et adaptée était spécifique pour les travailleurs et les travailleuses du secteur des arts. Et, justement parce qu'on les considèrent comme travailleurs à part entière, quand ils bénéficient du statut, le Forem, le VDAB et Actiris ne doivent pas les considérer comme des chercheurs ou des demandeurs d'emploi. C'était un des éléments fondamentaux et centraux de la réforme.

Par vos propos, monsieur le premier ministre, qui confirment la crainte que nous avons et que les artistes ont par rapport au maintien du statut, vous évoquez effectivement une réforme de ce statut, un durcissement des règles et des conditions, faisant en sorte que celles et ceux qui bénéficient aujourd'hui de ce statut dont on doit être fiers seront demain menacés. Nous y reviendrons, monsieur le premier ministre.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de eerste minister, ik vind het wel interessant. U probeert gewoon om het hele debat weg te wuiven. Ideologisch bestond uw hele denkwijze op budgettair vlak in begrotingsdiscipline, begrotingsdiscipline en nog eens begrotingsdiscipline. Dat wordt nu volledig aan de kant geschoven in vijf minuten. Dat toont aan dat het ging om begrotingsdiscipline voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten. Als het echter om andere uitgaven, militaire uitgaven gaat, dan geldt er geen begrotingsdiscipline. Dat is gewoon waar. Dat is in vijf minuten politiek beslist. Het moet binnen de N-VA moeilijk zijn, omdat uw denkwijze de laatste jaren alleen maar focuste op het Duitse model en begrotingsdiscipline. Dat wordt volledig aan de kant geschoven, mijnheer Ronse. Op de vragen daarover wordt gewoon niet geantwoord.

Ten tweede, antwoordt u niet op de vragen over de pensioenmalus, mijnheer de eerste minister. In het regeerakkoord staat dat ziektedagen niet meetellen. Er zijn sancties. De minister van Pensioenen antwoordt het tegenovergestelde in de plenaire vergadering. Wat is het nu juist?

Troisièmement, monsieur le premier ministre, vous n'avez pas répondu à ma question sur les pensionnés. En Belgique, nous vivons déjà avec des pensions relativement faibles par rapport à la France, l'Allemagne et les Pays-Bas. Les pensionnés ont du mal à payer leur maison de repos. Et vous décidez – vous n'avez pas répondu à cette question – de postposer l'indexation des pensions de trois mois. Cela va coûter 68 euros à un pensionné qui reçoit 1 700 euros bruts, 68 euros que vous retirez des pensions!

Je m'y attendais de la part de la N-VA. Mais Les Engagés? Vous qui deviez être un parti qui allait faire du social, vous trouvez cela logique de viser une nouvelle fois les pensionnés? De postposer l'indexation des pensions? Cela vous amuse d'aller chercher l'argent chez les pensionnés? Pourquoi n'allez-vous pas le chercher chez les super riches? Pourquoi n'allez-vous pas chercher l'argent vers le haut pourquoi sont-ce une nouvelle fois les pensionnés qui doivent payer? Dans votre programme électoral, vous promettiez d'aider les pensionnés. Mensonge! Mensonge!

Le MR allait sauver les travailleurs, allait sauver le pouvoir d'achat. On ne retrouve rien de tout ça! J'ai demandé au premier ministre combien cette mesure allait rapporter et il n'a pas répondu, parce que vous êtes tous mal à l'aise à cet égard. Répondez! Combien cela va-t-il rapporter, monsieur le premier ministre? Eh bien voilà, cela ne répond pas! Je le dis, c'est parce que vous avez honte de toucher une nouvelle fois les pensionnés. C'est facile d'aller chercher l'argent chez ces gens-là, mais vous n'osez pas aller le chercher chez les gens qui ont des grands patrimoines, parce que vous n'avez aucun courage politique.

Aurore Tourneur:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour les précisions apportées à nos questions et votre calme face aux propos populistes.

Le droit au rebond représente une nouvelle philosophie de chômage, qui n'est plus seulement un filet de sécurité passif, mais aussi un outil actif de reconversion au service de l'épanouissement professionnel et du maintien en emplois. Nous continuerons de suivre la mise en œuvre de ce droit au rebond avec une attention particulière, car nous croyons profondément en son potentiel – j'ai entendu que d'autres collègues de l'opposition y croyaient aussi, et cela me fait très plaisir – pour renforcer le bien-être au travail, encourager les transitions professionnelles choisies et soutenir une sécurité sociale durable et moderne.

Quant au suivi des demandes légitimes des magistrats, nous serons aussi présents pour veiller à ce qu'une véritable concertation sociale soit menée et que la réforme, certes nécessaire, ne se fasse jamais au prix d'un affaiblissement de notre É tat de droit.

Comme toujours, nous serons au rendez-vous pour faire vivre les ambitions de l'accord de gouvernement dans l'esprit constructif de dialogue, de vigilance, de cohérence et de responsabilité qui nous anime.

Brent Meuleman:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw toelichting. Ik zal het korter houden. De collega’s van de PS hebben hun spreektijd verdubbeld. Ik zal de mijne halveren.

Voor Vooruit is het heel belangrijk dat wij met het paasakkoord investeren in zorg en opleiding, dat wij de pensioenen van de mensen beschermen, dat wij de fiscale fraude aanpakken en dat wij zorgen voor een volwaardige sociale bescherming voor de kunstenaars.

Mijnheer de voorzitter, voor het overige verwijs ik naar mijn eerdere uiteenzetting.

Voorzitter:

Ik dank u. De heer Demon is ook al vertrokken. Dat bespaart ons ook al twee minuten.

Wij komen nu bij de replieken van Ecolo-Groen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, vous le dites vous-même: un milliard pour les entreprises afin de stimuler leur compétitivité. Si ce n'est pas un cadeau, alors je ne sais pas ce qu'il faut aux entreprises pour qu'on puisse parler de cadeau!

Par ailleurs, j'ai très bien compris où vous vouliez en venir. Votre projet est d'acculer les gens pour qu'ils acceptent n'importe quel boulot à n'importe quel prix. C'est le projet de l'Arizona. En revanche, ce qui est vrai c'est que les matières sociales sont extrêmement techniques. Vous faites de l'enfumage et jouez sur l'incapacité des gens à comprendre à quelle sauce ils vont être mangés pour avancer à un rythme effréné dans vos réformes. Laissez-moi vous dire que nous ne vous laisserons pas faire et que nous continuerons à mettre en exergue les mesures antisociales que vous êtes en train de prendre au détriment des plus fragiles et en faisant des cadeaux aux plus riches.

Vous nous dites que vous voulez responsabiliser tous les acteurs, mais il en est un que vous oubliez: ce sont justement les employeurs. Vous prétendez que toute la chaîne va s'activer pour contrôler. Mais à quel moment vous tracassez-vous du bien-être au travail et du travail qui rend malade? Vos mesures vont amplifier les maladies, avec la flexibilisation, l'appauvrissement, l'insécurité de l'emploi, le travail de nuit et le travail dominical. Monsieur le premier ministre, ce sont des conditions de travail qui rendent malade et qui constituent une véritable bombe à retardement pour notre système.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de premier, u was absoluut niet duidelijk over de budgetten, maar u was wel heel duidelijk over de pensioenen van de parlementsleden. U hebt verklaard dat als die wetgeving voor iedereen wordt gewijzigd, het logisch is dat die wijzigingen ook worden doorgevoerd voor de parlementsleden. Dat is helder. Is dat uw persoonlijk standpunt of het standpunt van de meerderheid? Dat is niet duidelijk.

Bart De Wever:

Mijnheer Van Hecke, het Parlement is autonoom.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de eerste minister, dat is juist, maar ik sprak over de meerderheidspartijen.

Ten slotte was u over Euroclear ook helder. U geeft toe dat uw budget niet sluitend is, want als er een vredesakkoord zou komen in 2026, 2027 of 2028, kampt u met een budgettair probleem. U geeft ook aan dat u dan nieuwe budgettaire maatregelen zult moeten nemen. Zelfs als u de inkomsten vijf jaar lang op 1,2 à 1,3 miljard euro zou kunnen houden – meer dan 6 miljard euro – zult u dat niveau van inkomsten niet kunnen aanhouden, want de intresten zijn aan het dalen. De conclusie is nog altijd dat uw regering een paasakkoord aflevert met een 'fenomenaal' gat in de begroting, mijnheer Ronse. Dat zal binnen enkele maanden en jaren blijken.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, ik vrees dat president Trump ook al een invloed heeft op ons land en ons beleid, want feiten zijn blijkbaar minder van belang. Ik zal u drie feiten geven. Het gaat niet over mij, maar over de feiten. Ten eerste, ik heb één begroting opgesteld als staatssecretaris voor Begroting. Dat was de begroting voor 2024. Ik ben op zoek gegaan naar een extra budget van 3 miljard euro. Ik heb een extra structurele inspanning gedaan. Ik had meer willen doen en we zaten op dezelfde golflengte op dat vlak, maar de coalitie liet dat niet toe. Het resultaat was dat we in 2024 op 2,7 % zijn geland voor entiteit 1. Dat is een feit. Uw ambitie is om tegen het einde van de legislatuur minder dan 3 % voor entiteit 1 te halen. Als dat uw ambitie is, dan moet u of uw minister van Begroting zich vragen stellen.

Ik geef u een tweede feit. Met voormalig minister van Defensie Vandeput zaten we op 0,9 % voor defensie-uitgaven, het laagste niveau ooit. U bent vergeten dat u zelf een minister van Defensie hebt geleverd.

Dan kom ik aan het derde feit. U hebt niet geantwoord op de vragen die u lastig vindt. Het gaat dan over de 2,2 miljard, die put in uw eigen tabel, over de 770 miljoen euro, over de 2 miljard van uw paasakkoord. U kunt achteruit blijven kijken en u zult dat nog een tijdje doen, maar dit zijn uw eigen gaten. U bent uw eigen gaten aan het creëren in de begroting, mijnheer De Wever. Dat is een feit.

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw eerlijke antwoorden maar u bent één zaak uit de weg gegaan, namelijk het feit van de illegale criminelen die vervroegd vrijkomen op beslissing van de administratie na een derde van hun straf. Dat doet de leuze "het strengste migratiebeleid ooit" wel een beetje als een holle slogan klinken, als ik mij dat mag permitteren.

Ik vraag mij dan af of u dat niet gezien hebt. Heeft uw kabinet dat niet gezien? Kwatongen beweren dat u de minister van Justitie hebt laten staan op de binnenkoer van de Wetstraat. Misschien moet u haar nog eens in de ogen kijken en daarover een gesprek voeren met haar. Die maatregel is namelijk gevaarlijk. Ik herhaal dat.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, s'agissant du statut d'artiste, je n'ai pas dit qu'il n'y avait aucun abus. J'ai dit que le système protégeait déjà énormément contre les abus et la preuve en est que le seul exemple d'abus sorti de la bouche de votre ministre de l'Emploi était au minimum fantaisiste – l'histoire du barman dans le théâtre. Pour le reste, une information pour vous: l'activation est certes régionale mais sauf erreur, la politique de sanction revient toujours à l'ONEM. À moins que l'Arizona ait régionalisé l'ONEM sans nous le dire, ce que je ne pense pas, le fédéral reste compétent pour ce qui concerne les abus. Il n'est pas anormal de trouver 50 % des artistes vivant à Bruxelles vu l'importance de la vie culturelle. Même si vous l'avez dit sous l'angle de l'humour, il est douteux de vouloir installer un rapport permanent entre Bruxelles et la fraude. Cette musique ne sonne pas. En ce qui concerne les F-35, il y a des pays qui combinent l'achat de F-35 avec d'autres appareils tels que des Rafale. La Grèce le fait! Je ne vois pas pourquoi vous êtes condamnés à réinvestir dans des F-35. Enfin, s'agissant de la taxe à 1 000 euros, je suis ravi d'entendre que vous voulez rester belge puisque cela coûtera 91 euros de moins que de mourir en Hollandais. Parfait, c'est une information. Mais l'argument de dire qu'on le fait parce que d'autres le font ne tient pas. La vraie réponse est que vous souhaitez décourager le plus d'étrangers possible de rejoindre notre communauté nationale. Autant l'accès à la nationalité doit être rationalisé par des arguments de parcours d'intégration et de maîtrise de langue, autant le fait de diviser l'accès entre les plus riches et les plus pauvres est vraiment dommage. C'est un message réducteur. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 59.

De financiering van de Palestijnse Autoriteit
De jongste ontwikkelingen in het conflict tussen Hamas en Israël
De situatie in Gaza
De update van het pay-for-slayprogramma en duurzame vrede
De demarche van België bij het ICJ over de genocide in Gaza
De situatie in Gaza
De luchtaanvallen van Israël op Libanon
De sancties tegen Israël
De opheldering van het regeringsstandpunt over Israël en Palestina
De Israëlische aanvallen op ziekenhuizen en ambulances in Libanon
De situatie in Gaza
De aanvoer van humanitaire hulp naar Gaza
Het systematisch inkrimpen van het grondgebied van de Gazastrook voor de Palestijnse bevolking
Het verder escalerende geweld van Israël tegen de inwoners van Gaza
De oorlog in Gaza
Het Israëlisch-Palestijns conflict, Gaza, humanitaire crisis en internationale reacties

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende crisis in Israël-Palestina, met focus op Gaza, de Westbank en Libanon, en de rol van België en de EU. België wordt bekritiseerd voor dode woorden zonder daden: ondanks herhaalde oproepen tot staakt-het-vuren, humanitaire hulp (geblokkeerd sinds 2 maart), sancties tegen Israël (o.a. opschorting associatieakkoord EU-Israël) en erkenning van een Palestijnse staat, blijft concrete actie uit. Minister Prévot bevestigt wel diplomatieke druk (VN, EU) en financiële steun (27M€ in 2024, 70M€ via Enabel), maar sancties (bv. wapenembargo) en erkenning Palestina (symbolisch vs. strategisch moment) blijven onderwerp van intern en Europees dispuut. Pay-for-slay (beloningen voor terroristen) zou hervormd zijn, maar wantrouwen blijft over de Palestijnse Autoriteit. Libanon dreigt als nieuw front, met vragen om VN-onderzoek naar oorlogsmisdaden en steun aan FINUL.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, door de focus op de oorlog met de jihadisten van Hamas in Gaza zou men bijna vergeten hoe verderfelijk ook Mahmoud Abbas van de Palestijnse Autoriteit is. Mahmoud Abbas, ook wel bekend als Abu Mazen, is de antisemitische president van de Palestijnse Autoriteit op de zogenaamde Westbank, die eigenlijk Judea en Samaria heet. Deze Arabische tiran en kleptocraat is al 20 jaar aan de macht en weigert verkiezingen te organiseren.

Abbas is in wezen een jihadist in maatpak. Pas nog verklaarde hij financiële beloningen te zullen blijven uitbetalen aan moslimterroristen die onschuldige mensen in Israël afslachten. "Al is het onze laatste cent", voegde Abbas eraan toe. Concreet gaat het om het uitbetalen van maandelijkse salarissen aan Palestijnse moslimterroristen en hun families om hen te belonen voor een jihadistische moordpartij of terreuraanslag.

Dat is het zogenaamde pay-for-slay-systeem. Daarmee worden Palestijnse moslims door de Palestijnse Autoriteit van Abbas gestimuleerd om zoveel mogelijk onschuldige joden te vermoorden en een zogenaamde martelaar te worden. Adolf Hitler zou er trots op zijn.

Israël heeft dan ook elke dag de handen vol met het verijdelen van jihadistische aanslagen die worden gepland en georganiseerd vanuit de zogenaamde Westbank. Israël moet dan ook constant proberen om moorddadige moslimterroristen tegen te houden die vanuit de zogenaamde Westbank Israël proberen te infiltreren.

Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop?

Hoeveel geld vloeit er jaarlijks rechtstreeks en onrechtstreeks vanuit België naar de Palestijnse Autoriteit en naar projecten van de Palestijnse Autoriteit op die zogenaamde Westbank?

Last but not least, zal de regering eindelijk de geldstroom naar die Palestijnse terrorismesponsor stopzetten?

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vais synthétiser les deux questions que je vous avais adressées.

Depuis notre dernier échange, la situation à Gaza reste extrêmement grave. Après la rupture du cessez-le-feu par Israël, les bombardements ont repris de plus belle et s'intensifient de jour en jour, et le nombre de victimes ne cesse d'augmenter.

La position de mon groupe à cet égard n'a pas changé. Depuis le début de ce conflit, nous continuons à plaider plus que tout pour la fin des hostilités, pour l'accès immédiat de l'aide humanitaire et pour la libération inconditionnelle de tous les otages encore détenus à Gaza. Telles sont les trois priorités absolues. Le décompte quotidien des victimes civiles est une tragédie sans nom et nous déplorons l'ensemble de celles-ci. Nous continuons à plaider pour une solution à deux É tats, seule voie, selon nous, pour une paix durable et juste. Dans ce contexte, la reconnaissance de l' É tat palestinien sera indispensable.

C'est le sens de l'histoire, mais cette reconnaissance ne doit pas être purement symbolique. Cette reconnaissance doit être en lien avec d'autres pays européens et avoir lieu au moment le plus opportun pour produire des effets réels, pour contribuer à la paix et à la reconnaissance mutuelle de l'ensemble des peuples. Nous suivrons donc de près les discussions européennes d'ici le mois de juillet et de juin.

Je rejoins donc vos propos à ce sujet, il y a deux semaines, en séance plénière. Dans ce vaste contexte, pouvez-vous faire le point sur la situation actuelle? Pouvez-vous nous dire quelle a été votre action récente au sein des différents cénacles internationaux en faveur de la paix, de la diplomatie et du respect du droit international par tous au Proche-Orient?

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, la semaine dernière, le ministre israélien de la Défense a affirmé clairement que "bloquer l'aide humanitaire est l'un des principaux leviers de pression". Par ailleurs, il y a quelques jours, le ministre des Finances d'Israël a déclaré, quant à lui, que "le retour des otages n'est pas la chose la plus importante pour Israël".

Hier encore, le général de l'Office de secours et de travaux des Nations unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA), Philippe Lazzarini, a interpellé la communauté internationale en lui posant la question suivante: "Combien de temps encore faudra-t-il pour que des paroles creuses de condamnation se transforment en actes concrets pour lever le siège, rétablir un cessez-le-feu et sauver ce qu'il reste de l'humanité? Cela fait 50 jours que le siège de Gaza, imposé par les autorités israéliennes, se poursuit."

M. Lazzarini ajoute: "La faim se propage et s'aggrave de manière délibérée et causée par l'homme. Gaza est devenue une terre de désespoir. Deux millions de personnes, en majorité des femmes et des enfants, subissent une punition collective. Des blessés, les malades et des personnes âgées sont privés de soins médicaux et de médicaments.

Pendant ce temps, des organisations humanitaires ont de l'aide prête à entrer à Gaza, notamment près de 3 000 camions de l'UNWRA contenant une aide vitale. Les produits de première nécessité destinés aux personnes dans le besoin expirent. L'aide humanitaire est utilisée comme monnaie d'échange et comme arme de guerre. Le siège doit être levé. L'aide doit pouvoir entrer. Les otages doivent être libérés et le cessez-le-feu doit reprendre."

Monsieur le ministre, je ne vais pas commenter ces citations. Je vais juste vous poser des questions très claires et très directes, en espérant des réponses tout aussi claires. Je reprends ici la phrase de M. Lazzarini. "Combien de temps encore faudra-t-il pour que les paroles creuses de condamnation se transforment en actes concrets?" Combien de temps encore la Belgique va-t-elle se contenter de mots? Quand plaiderez-vous, au niveau européen, pour la suspension des accords entre l'Union européenne et Israël, pour l'imposition des sanctions et d'un embargo militaire? Alors, monsieur le ministre, combien de temps encore?

Darya Safai:

De Palestijnse Autoriteit heeft sinds de jaren 90 een systeem waarbij veroordeelde terroristen en hun families maandelijks uitkeringen ontvangen. Dat systeem staat bekend als het pay-for-slayprogramma en houdt in dat hoe zwaarder de door de betrokkene gepleegde terreurdaad is – lees 'hoe meer doden en gewonden' – hoe hoger de financiële beloning is.

Vanuit moreel perspectief is dat systeem en de opzet erachter verwerpelijk, maar het vormt ook een directe stimulans voor terrorisme. Door terroristen en hun families te compenseren, geeft de Palestijnse Autoriteit immers het signaal dat geweld, vernielingen en moorden worden beloond. Dat druist in tegen alle principes van internationale rechtvaardigheid en vredesopbouw.

De Palestijnse autoriteiten hebben beloofd om het systeem te hervormen. Recente berichten doen echter serieuze vragen rijzen bij die aankondiging van president Mahmoud Abbas. Het ziet er immers naar uit dat de hervorming slechts schijn is. President Abbas vertelde op 21 februari dat de betalingen aan terroristen zullen doorgaan, zelfs als er nog maar één cent over is. We vermoeden dus dat de Palestijnse Autoriteit Amerikaanse sancties wil ontlopen, maar in plaats daarvan middelen van de Europese Unie zal inzetten.

Ik heb daarom enkele vragen voor u, mijnheer de minister.

Wat zijn uw plannen voor het uitwerken van een duurzame vrede in het gebied als dat allemaal gewoon wordt tegengewerkt?

Hebt u een update over het pay-for-slayprogramma, dat door de Palestijnse Autoriteit wordt gehanteerd binnen het martelarenfonds?

Welke belangen hecht u aan de verklaringen van de heer Abbas nadat hij zei dat hij het programma wil blijven doorzetten?

Kunt u bevestigen of ontkennen dat Belgische steun bij dat programma terechtkomt?

Wat zijn volgens u de gevolgen van de stopzetting van de Amerikaanse steun USAID aan de Palestijnse gebieden?

Christophe Lacroix:

Monsieur le vice-premier ministre, le 11 mars 2024, votre prédécesseuse, Hadja Lahbib, annonçait l'intention de la Belgique d'intervenir devant la Cour internationale de Justice (CIJ), celle-ci alertant sur un risque de génocide à Gaza, dans l'affaire opposant l'Afrique du Sud à Israël. Cette intervention était pleinement légitime et fondée sur l'article 63 du statut de la Cour, qui permet à tout État signataire de la convention sur le génocide de se joindre à la procédure en tant qu'intervenant.

Depuis, un an s'est écoulé. Entre-temps, la situation a connu de nombreuses mutations et plusieurs États ont déjà transformé leurs déclarations en actes. Effectivement, plus d'une dizaine de pays ont officiellement exprimé leur volonté d'intervenir devant la Cour internationale de Justice dans l'affaire Afrique du Sud contre Israël. Douze États ont déjà déposé une demande formelle auprès de la CIJ. Parmi eux, l'Espagne, pays européen, qui a soumis sa demande officielle le 28 juin 2024, démontrant ainsi une prise de position claire et concrète.

Pourtant, malgré son annonce précoce, la Belgique demeure au stade des intentions. Aucune information publique n'a été communiquée sur les démarches entreprises pour officialiser cette intervention, ni sur les raisons de cette inertie. Alors que d'autres États européens ont déjà franchi le cap, notre absence d'action soulève des interrogations. J'ai, d'ailleurs, interrogé le premier ministre à ce propos, il y a une quinzaine de jours, mais il ne m'a même pas répondu quant à l'intention du gouvernement.

Je reviens donc vers vous, avec les questions suivantes.

Quelles démarches concrètes la Belgique a-t-elle entreprises depuis l'annonce de son intention d'intervenir devant la Cour internationale de Justice?

Quels obstacles expliquent-ils l'absence de demande officielle d'intervention, alors que d'autres États, y compris européens comme l'Espagne, ont franchi cette étape?

La Belgique entend-elle toujours aller au bout de cette démarche et, si oui, selon quel calendrier?

Je poursuis avec ma deuxième question.

La présidente : Votre temps de parole est limité à deux minutes, car nous avons calqué les règles de ce débat sur celles de la séance plénière. Mais nous avons déjà procédé autrement par le passé.

Christophe Lacroix:

Je n'avais pas compris. Veuillez m'excuser. Je me suis référé aux commissions précédentes, lors desquelles on fusionnait le temps et nous en disposions, dès lors, davantage pour développer notre question. Sinon, cela n'a aucun sens de faire un débat d'actualité! Franchement! Dès lors j'aurais géré mon temps différemment évidemment.

La présidente : Bien entendu! Vous pourrez résumer votre question. Normalement, vous disposez de deux minutes. J'ai vu le papier ici.

Christophe Lacroix:

Et le papier, c'est le Règlement?

La présidente : Oui, c'est cela! J'ai vérifié, mais nous sommes maîtres du déroulement de nos travaux. Je croyais que vous aviez déjà posé la question, mais ce n'est pas le cas. Je résumerai donc ma deuxième question, si vous me le permettez.

Christophe Lacroix:

Sur le sujet de l'accès de l'aide humanitaire à Gaza, on s'aperçoit du blocage en raison de l'attitude de l'État d'Israël.

Monsieur le ministre, quelle(s) mesure(s) forte(s) la Belgique mettra-t-elle en place pour rétablir l'accès de l'aide humanitaire et cela tant au sein de l'Union européenne, ou autres instances internationales, que seule? J'insiste sur ce point car nous pouvons déjà mettre en place une série de mesures en tant qu'État. Quelle(s) sanction(s) envisagez-vous face à l'État d'Israël face aux perturbations et crimes commis en Palestine et son attitude envers la Cisjordanie?

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, de gruwelijke beelden en rapporten uit Libanon laten geen ruimte voor twijfel: Israël voerde in september-oktober 2024 en tot heden systematisch aanvallen uit op ziekenhuizen, ambulances en hulpverleners. Dat gebeurde niet per ongeluk, niet als collateral damage, maar doelgericht. Artsen werden vermoord terwijl ze levens probeerden te redden, ziekenhuizen werden gebombardeerd terwijl ze patiënten hielpen en ambulances die gewonden vervoerden werden door luchtaanvallen getroffen.

Volgens de WHO zijn er in Libanon verhoudingsgewijs zelfs meer gezondheidswerkers en patiënten omgekomen dan in Oekraïne en Gaza. Oorlogsmisdaden gepleegd in alle openheid, zonder enig gevolg voor de daders. Hoelang blijft de internationale gemeenschap nog wegkijken? Hoelang blijft België alleen maar bezorgdheid uiten zonder echt in actie te komen? De federale regering zegt dat ze het internationale recht verdedigt, maar woorden volstaan niet. Er moet ook actie komen.

Wat zal België concreet doen om de straffeloosheid te doorbreken?

Bent u bereid om binnen de VN-Mensenrechtenraad te pleiten voor een VN-onderzoekscommissie voor Libanon? Bent u van plan om de Libanese regering aan te moedigen om het Internationaal Strafhof jurisdictie te geven?

Bent u bereid om op Europees niveau te ijveren voor individuele sancties tegen de verantwoordelijken voor deze aanvallen en een herziening van het associatieakkoord tussen de EU en Israël te eisen?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, de oorlog in Gaza woedt in alle hevigheid verder. Ik las vandaag in de krant dat er officieel geen enkele plek meer veilig is, ook niet de zone van Al-Mawasi. Sinds 2 maart komt er ook geen humanitaire hulp meer toe. De situatie is dus heel onveilig, het internationaal humanitair recht wordt geschonden. Dat moet ons nopen tot concrete acties op Europees vlak met het oog op een permanent staakt-het-vuren en een structurele tweestatenoplossing.

De erkenning van de Palestijnse staat geraakt intussen hoger op de agenda, nu ook president Macron heeft aangekondigd om daar een onderwerp van te maken tijdens de VN-conferentie in New York over het Israëlisch-Palestijns conflict. Er is ook de Global Alliance for the Implementation of the Two-State Solution in Rabat. Ons land heeft aangegeven om in mei aan die vergadering deel te nemen.

Wat is er gezegd tijdens de jongste bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 14 april? Is de opschorting van het associatieakkoord ter sprake gekomen? Hoe zit het met de evaluatie door de Commissie ter zake?

De EU heeft steun van 1,6 miljard euro aangekondigd. Waarvoor zal dat geld dienen? Hoe zit het met de voorbereiding van België inzake de schriftelijke tussenkomst voor het Internationaal Gerechtshof? Op welke manier zullen wij onze positie bepalen inzake de tweestatenoplossing en de erkenning van de Palestijnse staat?

Staf Aerts:

Mevrouw de voorzitter, ik bedank u voor uw soepelheid. Er is ondertussen ook een vergadering van de commissie voor Landsverdediging en ik probeer in beide zo goed mogelijk aanwezig te zijn.

Mijnheer de minister, het Israëlisch geweld in de Gazastrook blijft aanhouden. Ondertussen wordt de humanitaire hulp al vijftig dagen geblokkeerd. Eerder deze maand werd een ziekenhuis aangevallen. Bij het bombardement vielen geen slachtoffers, maar bij de verplichte evacuatie vielen wel drie doden, waaronder een twaalfjarig kind. Dat toont aan hoe erg de situatie is en wat het probleem is als men humanitaire installaties zoals ziekenhuizen bombardeert.

Vergeten we evenmin de hele saga over de neergeschoten hulpverleners. In het begin was het verhaal niet waar, dan waren de hulpverleners in de borst geschoten, daarna in het hoofd. Daarop is een schuldige aangewezen. Maar mijns inziens is de enige grote schuldige het Israëlische beleid tegenover de mensen in de Gazastrook, dat alle verbeelding tart. Het humanitair notificatiesysteem is geschrapt. De humanitaire hulp wordt tegengehouden. Mensen verkeren in hongersnood, een man-made starvation . Dat is echt verschrikkelijk. Ik vraag me af hoelang de wereldgemeenschap zal blijven toekijken. Ik hoop dat België misschien opnieuw de voortrekkersrol opneemt in acties tegen Israël.

Mevrouw Van Hoof heeft verwezen naar het investeringsplan van de Europese Unie. Zal België zich daarbij aansluiten? Zal ons land ook extra inspanningen leveren?

Hoe kijkt u naar artikel 79 van de associatieovereenkomst? Zult u dat aangrijpen om binnenkort actie te ondernemen of te bepleiten vanuit de Europese Unie? Het is hoog tijd daarvoor.

Bent u ook bereid om vanuit België zelf stappen te zetten en acties te ondernemen en niet te blijven afwachten tot er in de Europese Unie unanimiteit is? We kunnen onze ogen toch niet blijven sluiten voor al dat geweld?

Rajae Maouane:

Madame la présidente, je renvoie à la version écrite de mes questions.

​ Monsieur le Ministre,

Dans un silence assourdissant : la famine menace Gaza, et l’ONU vient d’annoncer que ses réserves d’aide alimentaire seront épuisées d’ici deux semaines.

Deux semaines. Deux semaines avant que des milliers d’enfants, de femmes, de personnes âgées ne soient plus en mesure de survivre. Deux semaines avant que la catastrophe humanitaire ne devienne un crime par inaction.

Et pendant ce temps, les convois humanitaires sont bloqués, les bombardements se poursuivent, et les infrastructures vitales – hôpitaux, points d’eau, écoles – sont détruites ou inaccessibles.

Face à cela, la Belgique ne peut pas se contenter de déclarations prudentes. Elle a un devoir d’action, un devoir de cohérence, un devoir d’humanité.

Je vous pose donc les questions suivantes, Monsieur le Ministre :

Quelles initiatives diplomatiques urgentes la Belgique prend-elle – seule ou avec ses partenaires européens – pour exiger un accès humanitaire immédiat, sûr et sans conditions à Gaza ? Allez-vous soutenir au Conseil européen ou à l’ONU l’ouverture de corridors humanitaires permanents, y compris par voie maritime si nécessaire ?

La Belgique est-elle prête à augmenter immédiatement sa contribution humanitaire aux agences onusiennes et ONG actives à Gaza, notamment au PAM, à l’UNRWA et à l’OCHA ? Si oui, de quel montant parle-t-on ? Et selon quel calendrier ?

Allez-vous appeler publiquement à un cessez-le-feu immédiat, comme le demandent les agences de l’ONU et la société civile ? Et allez-vous exiger que le droit international humanitaire soit respecté par toutes les parties, y compris l’armée israélienne, dont les restrictions actuelles aggravent la crise ?

Enfin, quelles garanties exigez-vous de vos interlocuteurs diplomatiques quant à la fin des blocages délibérés de l’aide ? Et quelles conséquences diplomatiques envisagez-vous vis-à-vis de ceux qui, de fait, empêchent aujourd’hui l’acheminement de nourriture dans une zone où l’on meurt de faim ?​

Merci pour vos réponses

Monsieur le Ministre,

Alors que la catastrophe humanitaire se poursuit à Gaza, avec des milliers de morts civils, des hôpitaux à l’arrêt, des enfants affamés, voilà qu’un nouveau front de guerre s’active : le Liban.

L’armée israélienne a bombardé le Liban malgré la trève. Ces affrontements viennent s’ajouter à des mois de tension croissante à la frontière sud du Liban, avec le risque bien réel d’un embrasement régional.

Et pendant ce temps-là, ce sont toujours les civils qui paient le prix. Des familles libanaises et israéliennes qui vivent dans la peur, des déplacés, des blessés, des zones entières en insécurité.

Et pourtant, la communauté internationale, y compris l’Union européenne, semble paralysée.

Monsieur le Ministre,

La Belgique doit parler avec une voix claire : celle du droit international, celle de la diplomatie active, et celle de la solidarité avec les populations civiles, qu’elles soient palestiniennes, israéliennes ou libanaises. Car le silence n’est pas une neutralité : c’est un abandon.

Je vous pose donc les questions suivantes :

Quelle position la Belgique défend-elle aujourd’hui au sein de l’Union européenne et du Conseil de sécurité des Nations Unies face au risque d’escalade entre Israël et le Liban ? Y a-t-il des démarches diplomatiques en cours pour obtenir une trêve immédiate, et quels sont les partenaires privilégiés pour y parvenir ? Soutenez-vous la relance du rôle de la FINUL dans cette médiation ?

Quelles mesures concrètes la Belgique compte-t-elle soutenir ou proposer pour garantir la protection des civils des deux côtés de la frontière, et exiger un strict respect du droit humanitaire, notamment de la part de l’armée israélienne, dont les frappes sont aujourd’hui sans discernement ?

Sur le plan humanitaire, quelle aide la Belgique est-elle prête à mobiliser, en particulier au Liban, où les infrastructures médicales sont déjà affaiblies et où une crise sociale profonde rend les populations encore plus vulnérables ?

Une aide d’urgence est-elle prévue via Enabel, le SPF Affaires étrangères, ou nos partenaires multilatéraux ?

Et de quelle marge de manœuvre budgétaire disposons-nous pour répondre à une crise humanitaire élargie au Liban ?​

Merci de vos réponses

Monsieur le Ministre,

La situation en Palestine, et plus particulièrement dans la bande de Gaza, atteint un seuil de gravité extrême. L’offensive israélienne en cours a considérablement réduit la taille de ce territoire déjà exigu, l’appauvrissant et le dévastant jusqu’à le transformer en une zone de plus en plus invivable. Les bombardements incessants ont non seulement détruit des infrastructures essentielles mais ont aussi conduit à l’éviction forcée de millions de Palestiniens qui se retrouvent désormais confinés dans un espace toujours plus restreint. Cette réduction progressive du territoire disponible pour la population palestinienne soulève des questions fondamentales sur les conditions de vie et la protection de leurs droits humains.

La bande de Gaza, autrefois une région déjà sous pression, devient aujourd’hui un espace où la liberté de circulation, les droits à la santé, à l’éducation et même à l’existence sont de plus en plus remis en question. L’ONU évoque un "écrasement" progressif du territoire, où des milliers de Palestiniens sont privés d’accès aux services de base, à l’eau, à la nourriture et aux soins médicaux. De plus, les impacts de cette réduction territoriale, non seulement en termes de géographie, mais aussi sur le plan psychologique et social, sont dramatiques pour la population locale.

Dans ce contexte, la Belgique et l’Union européenne doivent prendre une position ferme et active face à ce processus de réduction systématique du territoire de Gaza, qui semble viser à rendre la vie insoutenable pour les habitants, voire à effacer la présence palestinienne de ce territoire.

Mes questions sont les suivantes :

Quel est le point de vue du gouvernement belge sur la politique israélienne de réduction de la bande de Gaza et ses conséquences humanitaires dramatiques pour la population palestinienne ?

Concrètement, quelles actions la Belgique compte-t-elle entreprendre pour dénoncer et stopper cette réduction du territoire de Gaza, qui prive de plus en plus de Palestiniens de leurs droits fondamentaux et d’un espace de vie viable ?

La Belgique, au sein de l’Union européenne, soutiendra-t-elle des sanctions ou des mesures diplomatiques visant à contraindre Israël à respecter les principes du droit international, en particulier concernant les droits humains des Palestiniens et le maintien de leur territoire ?

Quelle position la Belgique adoptera-t-elle sur les plans de réinstallation et de déplacement forcé des populations palestiniennes dans cette zone, et quelles démarches compte-t-elle entreprendre pour faciliter la protection de ces populations ?

Maxime Prévot:

Mesdames et messieurs les députés, merci pour vos nombreuses questions par rapport à la situation au Proche-Orient. Ne tournons pas autour du pot, oui, la situation est dramatique et elle ne cesse d'empirer, surtout à Gaza.

Nous comptons à ce jour plus de 51 000 morts. L'aide humanitaire est bloquée depuis le 2 mars et 69 % de ce territoire, à peu près grand comme la côte belge, est déclaré no go zone par l'armée israélienne. Plus de deux millions de Gazaouis sont donc coincés dans un espace réduit, sans accès à la nourriture ni à l'eau.

Le dernier hôpital fonctionnel à Gaza, un hôpital chrétien, a également été bombardé le dimanche des Rameaux. Comme l'aide humanitaire n'entre plus, les gens meurent également par manque de médicaments et de traitements. La grande majorité des agences humanitaires ont dû arrêter leurs opérations à cause de l'insécurité et du manque de matériel à distribuer.

Les Nations Unies estiment qu'environ 350 000 personnes sont entrées dans la phase 5 de famine, le niveau le plus élevé. J'ai personnellement appelé déjà plusieurs fois à un accès humanitaire sûr et sans entrave, et je continue à le faire dans toutes les instances possibles. J'en ai parlé directement à l'ambassadrice d'Israël que j'avais demandé à voir, lui rappelant expressément – comme je l'ai fait publiquement à la Chambre – que ces entraves inacceptables à l'aide humanitaire constituaient des violations manifestes du droit international humanitaire voire même des crimes de guerre.

Mais à l'heure actuelle, aucun pays n'est parvenu à convaincre le gouvernement d'Israël de permettre à l'aide humanitaire de rentrer. Pire même, des ministres du gouvernement israélien ont encore affirmé récemment qu'aucune aide humanitaire n'entrerait à Gaza, car ils veulent augmenter la pression sur le Hamas pour qu'il libère les otages. Ces déclarations reviennent à appeler à la punition collective d'une population civile, ce que le droit international humanitaire interdit formellement.

Vous pouvez être rassurés sur le fait que la diplomatie belge réalise de nombreuses interventions au niveau de l'Union européenne, des Nations Unies et ailleurs, dans lesquelles nous appelons au cessez-le-feu, au respect du droit international humanitaire, à la libération des otages et à l'accès humanitaire immédiat et sans condition.

De executie van 15 humanitaire hulpverleners, van wie 1 medewerker van de Verenigde Naties en 8 medewerkers van de Palestijnse Rode Halve Maan op 23 maart in Gaza, verdient bijzondere aandacht.

De Israëlische regering geeft intussen toe dat er ernstige fouten zijn gemaakt. Initieel werd beweerd dat de voertuigen en de medewerkers onvoldoende gemarkeerd waren en dat de medewerkers gewapende Hamasstrijders waren. De vrijgegeven videobeelden spreken dat echter duidelijk tegen. Een intern onderzoek werd ingesteld en de Deputy Commander werd ontslagen.

Deze respons is weliswaar ruimschoots onvoldoende. Het is essentieel dat de verantwoordelijken voor dit soort ernstige en onaanvaardbare incidenten bestraft worden. Een onafhankelijk onderzoek van de Verenigde Naties – waartoe de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Volker Türk, opriep in de VN-Veiligheidsraad – zou zeker op Belgische steun kunnen rekenen. Het valt echter nog af te wachten of Israël de Verenigde Naties zal toelaten tot Gaza om een onderzoek te voeren.

J'ai condamné les propos tenus par le président Trump à propos de possibles déplacements forcés et je condamne tout autant la rhétorique incendiaire de hauts responsables israéliens concernant la saisie ou l'annexion de territoires ainsi que le déplacement de Palestiniens hors de Gaza. Cela va à l'encontre de principes fondamentaux du droit international, qui interdit l'acquisition de territoires par la force et le déplacement forcé de populations civiles.

Le Conseil de sécurité des Nations Unies a rejeté en juin dernier – résolution 2735 – toute tentative de changement démographique ou territorial dans la bande de Gaza, y compris toute action visant à réduire le territoire de Gaza. La situation en Cisjordanie, y compris à Jérusalem-Est, est de même extrêmement alarmante. Les opérations israéliennes dans le Nord de la Cisjordanie ont causé des centaines de morts, détruit des camps de réfugiés entiers ainsi que des centres médicaux de fortune et déplacé plus de 40 000 Palestiniens.

L'annonce de l'interdiction du retour des habitants pendant un an suscite de vives inquiétudes quant à des déplacements massifs à long terme. L'expansion illégale des colonies se poursuit, tandis que certains ministres israéliens plaident pour la souveraineté israélienne dans le territoire occupé.

Nous regrettons par ailleurs la répression et le manque d'accès aux lieux saints pour les chrétiens pendant la période de Pâques. En Israël, la répression sévère de l'espace civique, notamment contre les organisations de défense des droits humains, est également alarmante. Il y a de nombreuses manifestations dans les rues de Tel-Aviv et ailleurs. Il faut reconnaître et saluer à ce sujet le soutien de l'Union européenne aux organisations qui travaillent en faveur des droits humains et de la médiation en Israël.

La Belgique continue de soutenir la réponse humanitaire à Gaza et en Cisjordanie, incluant Jérusalem-Est. En 2024, le financement direct alloué à des acteurs humanitaires actifs en territoire palestinien occupé représentait 14 % du budget total dédié à l'aide humanitaire, soit 27 millions d'euros.

En 2025, notre contribution flexible à l'UNRWA a déjà été payée et d'autres financements sont en cours de préparation. Plusieurs de nos financements en 2024 sont toujours en cours, notamment ceux du Comité international de la Croix-Rouge, d'UNRWA, du West Bank Protection Consortium, d'Oxfam et de Humanity & Inclusion.

Lors de ma récente rencontre avec le premier ministre palestinien, celui-ci exhortait l'Union européenne à rapidement libérer ces fonds pour pouvoir payer le personnel palestinien encore actif à Gaza. J'ai joint ma parole à la leur en demandant à deux reprises à la Commission européenne la libération de ces fonds, ce qu'elle tarde à faire de manière incompréhensible.

En sus, Israël refuse de verser à l'Autorité palestinienne les taxes dues en vertu du protocole de Paris, ce qui représente des sommes cumulées considérables, affaiblissant l'Autorité palestinienne, alors même que chaque fois que celle-ci est affaiblie, c'est le Hamas qui s'en trouve renforcé.

Mes services et moi-même sommes attentifs aux mesures qu'Israël entend appliquer à l'aide humanitaire à Gaza, qui pourraient être en contradiction avec les principes humanitaires, notamment le principe d'impartialité. La nouvelle loi israélienne sur l'enregistrement des ONG internationales pose également question en ce qui concerne l'accès humanitaire des ONG internationales aux territoires palestiniens occupés, en raison des critères d'appréciation établis par cette loi.

Les acteurs humanitaires tirent la sonnette d'alarme sur ces deux aspects que nous suivons avec attention, que ce soit à Tel-Aviv, à Jérusalem ou à Bruxelles.

In het kader van de bilaterale samenwerking met Palestina voert België via Enabel een programma van 70 miljoen euro uit, dat gericht is op de ondersteuning en empowerment van jongeren, via onderwijs en toegang tot werkgelegenheid in een duurzame omgeving.

Na het verergeren van de crisis en de enorme bijkomende behoeften die zijn ontstaan in Gaza, maar ook op de Westelijke Jordaanoever, met inbegrip van Oost-Jerusalem, heeft België besloten de Palestijnse Autoriteit verder te steunen in haar plannen om het land opnieuw op te bouwen. Meer specifiek werd 5 miljoen euro toegevoegd aan het bilaterale programma, via een gezamenlijke financieringsovereenkomst, om de uitvoering van het Palestijnse plan voor de onderwijssector te ondersteunen en zo bij te dragen tot het bredere proces van stadsopbouw. In Gaza werden de activiteiten van Enabel weliswaar on hold gezet kort na het uitbreken van de gevechten, maar het agentschap houdt zich klaar om zijn activiteiten aldaar te hernemen zodra de veiligheidssituatie dat toelaat.

De Palestijnse wetgeving voor de betalingen aan Palestijnen die werden gevangen of gedood door Israël, bestaat nog, maar de implementatie van de uitkering van voordelen aan gevangenen is wel effectief ingetrokken. In de plaats ervan komt een systeem dat op basis van armoede-indicatoren zal bepalen wie recht heeft op sociale ondersteuning, net zoals andere gezinnen die onder de armoedegrens te leven of bijvoorbeeld te maken hebben met een gehandicapt kind of alleenstaande moeder. PLO's Prisoners' Commission zal niet zetelen in de nieuwe structuur van sociale zekerheid die wordt opgericht.

Het hele proces werd gecoördineerd en verwelkomd door de Verenigde Staten. Israël werd geïnformeerd over de hervormingen. Hierop heeft de Palestijnse Autoriteit alvast aan de Verenigde Staten gevraagd om de (…) Taylor Force Act te bekomen. Die Act voorziet als voorwaarde het stopzetten van betalingen aan martelaren.

Ik geef nog mee dat België en de EU nooit hebben bijgedragen aan het martelaarsfonds.

De afschaffing ervan is, samen met de hervorming van de schoolboeken, een voorwaarde van de Europese Unie om een hulppakket aan de Palestijnse Autoriteit vrij te geven. Dat is intussen gebeurd. De Europese fondsen werden steeds nauwgezet opgevolgd en dat zal ook in de toekomst zo zijn. Er bestaat al een rigoureus analysesysteem met bijhorende vetting. Het wegvallen van de Amerikaanse financiering via USAID heeft daarop geen invloed.

Pour ce qui concerne la Cour internationale de Justice, le Conseil des ministres a décidé en mai 2024 que la Belgique interviendrait dans deux affaires pendantes relatives à la convention pour la prévention et la répression du crime de génocide. Cette décision a donc été prise sous le précédent gouvernement. Les deux affaires en question – Gambie versus Myanmar et Afrique du Sud versus Israël – soulèvent des questions similaires concernant l'interprétation de la Convention et plus particulièrement en ce qui concerne le concept d'intention propre au crime de génocide.

Ainsi, la Belgique examinera la question de savoir si le fait pour une partie à un conflit armé d'invoquer des considérations militaires pour justifier son action constitue nécessairement ou pas un obstacle à l'existence d'une intention génocidaire. Dans l'affaire Gambie versus Myanmar, la Belgique a adressé à la Cour internationale de Justice une demande d'intervention en décembre 2024. La Cour doit encore se prononcer sur la recevabilité de cette demande et, partant, sur la participation de la Belgique à la suite de la procédure.

Le dépôt d'une demande d'intervention analogue dans l'affaire Afrique du Sud versus Israël est actuellement en préparation. Ce dépôt interviendra avant la date fixée par la Cour pour la clôture de la procédure écrite, initialement fixée au 28 juillet 2025 mais reportée au 12 janvier 2026 conformément au règlement de la Cour. Il s'agit ici pour la Belgique, fidèle et reconnue pour son attachement au droit international, d'intervenir sur des éléments qui ressortissent de ce droit, et non pas d'instrumentaliser politiquement ces affaires, ni pour nier un éventuel génocide s'il était avéré, ni pour en déclarer un précipitamment ou de manière juridiquement infondée s'il n'y avait pas lieu.

Le droit, tout le droit et rien que le droit! Les 18 derniers mois de violence ont clairement démontré qu'il n'existait pas de solution militaire à cette crise. La seule voie à suivre est un règlement politique fondé sur deux États vivant côte à côte avec une égalité de dignité et de droit, conformément au droit international, notamment les résolutions adaptées au niveau de l'ONU.

La Belgique est donc impliquée dans l'alliance globale pour la mise en œuvre de la solution à deux États. Vous savez que nous en avons accueilli la deuxième réunion à Bruxelles en novembre dernier. La prochaine réunion se tiendra au Maroc au mois de mai et mes services y participeront.

L'initiative de la France et de l'Arabie saoudite d'organiser une conférence en faveur de la solution à deux États dans le cadre des Nations unies est encore en train de prendre forme. Elle est pour l'instant planifiée du 17 au 20 juin à New York, mais tant les objectifs concrets que le format précis sont encore à définir.

Les expressions publiques ont été plurielles et parfois contradictoires: tantôt nous évoquons une volonté d'un grand mouvement de reconnaissance de l'État palestinien en contrepartie de plusieurs reconnaissances arabes en faveur de l'État d'Israël, tantôt nous entendons que cette approche relève du fantasme et tantôt que la reconnaissance de l'État palestinien ne pourrait s'envisager que dans le cadre d'une reconnaissance mutuelle avec Israël. Bref, l'agenda des objectifs poursuivis lors de cette conférence n'est pas encore clair.

À ce stade, le gouvernement n'a donc a fortiori pas encore eu à connaître du contenu des enjeux ni à se pencher sur la position à adopter. Nous en saurons plus à l'issue d'une réunion préparatoire qui devrait être convoquée par les deux co-organisateurs dans le courant du mois de mai. En même temps, nous sommes en contact aussi via l'Union européenne avec nos partenaires arabes par rapport au plan arabe pour Gaza.

Néanmoins, la sécurité, un cessez-le-feu stable et un horizon politique durable sont primordiaux avant que nous ne puissions parler d'une reconstruction.

En marge de la dernière réunion du Conseil des Affaires étrangères, l'ensemble des ministres des Affaires étrangères de l'Union européenne ont tenu un dialogue de haut niveau avec la Palestine. C'était, entre autres, l'occasion de parler du programme pluriannuel d'aide 2025-2027 et de l'état d'avancement des réformes menées par l'Autorité palestinienne.

In grote lijnen bestaat het hulppakket aan de Palestijnse Autoriteit uit drie blokken ten bedrage van 1,5 miljard euro. Zo is er budgetsteun voor een bedrag van 620 miljoen euro, gelinkt aan een hervormingsmatrix; 560 miljoen euro voor infrastructuur en economische ondersteuning, inclusief de steun aan het UN Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA), en tot slot 400 miljoen euro voor leningen aan de privésector, banken en bedrijven. Ik heb van de gelegenheid gebruikgemaakt om een bilateraal onderhoud te hebben met de Palestijnse premier Mustafa.

Le cessez-le-feu demeure notre priorité. Le premier ministre Mustafa m'a répété que l'Autorité palestinienne mettait en oeuvre les réformes demandées par l'Union européenne et était prête à se réengager dans la gouvernance à Gaza. De mon côté, je l'ai assuré du fait que la Belgique continuerait à aider le peuple palestinien, notamment via notre agence de développement Enabel.

Op het vlak van sancties wordt er op Europees niveau verder onderhandeld over hoe we de lijst van individuen kunnen uitbreiden, zowel wat Hamas betreft als wat gewelddadige kolonisten betreft.

Si d'autres sanctions n'ont pas encore été décidées, je reste clairement ouvert à d'éventuelles discussions sur le sujet. Lors de la réunion du Conseil d'association Union européenne-Israël du 24 février dernier, j'ai d'ailleurs fait savoir que nos relations riches et fructueuses étaient malheureusement menacées par les nombreuses allégations de violations graves par Israël de l'article 2 de l'accord d'association. Tant les crimes de guerre présumés résultant d'un usage disproportionné de la force à Gaza que les obstacles à l'action humanitaire, essentielle, de l'UNRWA nous amènent à clairement nous interroger sur le respect de cet article par Israël.

La perspective subsiste donc de sanctions destinées à manifester notre totale désapprobation quant aux excès de la réaction israélienne et, a fortiori , tant que nous serons confrontés à une volonté manifeste d'empêcher l'octroi de l'aide humanitaire la plus essentielle. Nous nous situons là dans l'indignité totale.

À propos de la reconnaissance de la Palestine, elle est acquise a priori . La question est de savoir quand. L'accord de gouvernement indique que nous soutenons les pays dans leur quête d'institutions démocratiques et d'une bonne gouvernance, en respectant le droit à l'autodétermination, la souveraineté du peuple et l'intégrité territoriale et que nous cherchons, toujours dans cet accord de gouvernement, à parvenir à une solution à deux É tats qui garantisse à la fois la sécurité d'Israël et qui permette la reconnaissance de la Palestine. Par cette phrase, le gouvernement considère donc inéluctable que cette reconnaissance advienne. L'enjeu est bien le momentum . Quand cette reconnaissance se révélera-t-elle appropriée aux fins de faciliter la paix, et non d'aggraver les conflits? Et quand la sécurité d'Israël sera-t-elle également garantie? Je l'ai dit lors de la dernière séance plénière: je crois que cette démarche peut contribuer à un effet d'emballement international favorable à la Palestine et susceptible d'aider ce peuple. Toutefois, nous ne devons pas simplement le postuler en considérant qu'une reconnaissance, bien qu'elle satisfera probablement la majorité de notre Assemblée, sera de nature à apaiser les choses.

Les enjeux de contexte de la conférence à venir à New York ne sont donc pas à négliger. Nous devrions faire profiter l'Autorité palestinienne de cette reconnaissance face au Hamas. Il est néanmoins légitime de s'interroger en conscience sur cet acte symbolique fort à poser au moment où le gouvernement Netanyahu, sous l'influence de l'extrême droite notamment, ne semble plus guère connaître de limites dans l'escalade de l'horreur, parfois pour honteusement détourner le regard de politiques intérieures turpides allant jusqu'à menacer même l'existence de la Palestine. Et si des Palestiniens défilent désormais dans la rue pour dénoncer le Hamas, ne perdons pas de vue que nombre d'Israéliens ne se reconnaissent pas non plus dans l'attitude de leur gouvernement.

S'agissant du Liban, la Belgique plaide également pour le respect du droit international. La Belgique soutient et appelle à la pleine mise en œuvre du cessez-le-feu. En outre, nous prêtons une grande attention aux développements au sein du Conseil de sécurité, bien que notre pays n'en soit pas membre à l'heure actuelle.

Il est évident que le cessez-le-feu doit être respecté par toutes les parties. Il s'agit là du chemin vers la stabilité et la paix. À cet égard, les forces armées libanaises et la Force intérimaire des Nations Unies au Liban (FINUL) sont, bien sûr, des partenaires clés. La Belgique a déjà soutenu les forces armées libanaises par le passé et encore récemment au niveau européen au travers de la Facilité européenne pour la paix, à hauteur de 60 millions d'euros. Nous, Belgique, continuerons de plaider pour un soutien européen aux forces armées libanaises. La Belgique continuera également de soutenir le mandat de la FINUL.

De internationale gemeenschap moet aandacht blijven besteden aan de situatie ten zuiden van de Litani. Het staakt-het-vuren moet worden gerespecteerd, net als de territoriale integriteit van Libanon en resolutie 1701 van de Veiligheidsraad. Dat staat duidelijk in het regeringsakkoord. Dat betekent dat de aanvallen moeten stoppen en dat de wederopbouw moet beginnen.

Tegelijkertijd moeten politieke en economische hervormingen worden aangemoedigd om de rechtsstaat te consolideren en ervoor te zorgen dat de Libanese staat volledig controle heeft over zijn grondgebied. Wat de aanvallen op ziekenhuizen en ambulances in Libanon betreft, zou België een onafhankelijk onderzoek van de Verenigde Naties kunnen steunen.

We zijn ons bewust van de humanitaire situatie en onderzoeken de mogelijkheden voor steun dit jaar. Zoals u weet, bevinden we ons in een moeilijke budgettaire context en dus bekijken we onze bestaande verbintenissen en hoe we die basis kunnen versterken. Dit jaar heeft België op verschillende manieren bijgedragen aan de humanitaire hulp in Libanon door middel van flexibele financiering. Dat is een algemene financiering voor een aantal humanitaire actoren die snel konden reageren en hun activiteiten in Libanon konden opschalen. De totale financiering voor die humanitaire actoren bedraagt 39,8 miljoen euro voor dit jaar. Het belang en de relevantie van flexibele financiering is in deze crisis opnieuw aangetoond. Het stelt humanitaire actoren in staat om snel en effectief te reageren wanneer situaties snel veranderen en verergeren.

Het Belgisch ontwikkelingsagentschap Enabel richt zich uitsluitend op het uitvoeren van ontwikkelingsprogramma's en niet op het verstrekken van humanitaire hulp.

Madame la présidente, voilà les éléments de réponse aux diverses et nombreuses questions posées par nos collègues.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, net zoals elke Arabisch-islamitische tiran en kleptocraat is ook Mahmoud Abbas fundamenteel onbetrouwbaar. Hij is een jihadist in maatpak. Van 2019 tot 2024 heeft Abbas 1 miljard dollar uitbetaald aan moslimterroristen om hen te belonen voor het vermoorden van onschuldige mensen in Israël. Hoe meer dode joden, hoe groter de financiële beloning. Laat die mindset, dat typisch islamitische martelaarsdenken, nu toch eindelijk eens goed tot u doordringen. Welke naïeveling gelooft dat het zal stoppen? U gelooft dat blijkbaar.

Beseffen de traditionele partijen in dit land eigenlijk wel dat zij al decennialang direct of indirect financieel bijdragen aan dodelijk antisemitisme en aan dodelijke islamitische terreuraanslagen? Vandaag wordt nogmaals duidelijk dat hier in het Parlement vrijwel niemand beseft met welke vijand wij en Israël te maken hebben. Ongeacht of dat nu via Palestijnse media, Palestijns onderwijs of via financiële beloningen gebeurt, al van kindsbeen worden Palestijnse moslims, ook op de zogenaamde Westbank, aangezet en gestimuleerd om zoveel mogelijk onschuldige joden dood te steken, op te blazen, dood te rijden of de keel over te snijden.

Mijnheer de minister, Adolf Hitler zou daar trots op zijn. Met vele miljoenen euro belastinggeld zal ook de huidige regering daaraan blijven bijdragen. Dat is werkelijk te ziek voor woorden.

Ten slotte, over de ambulances wil ik opmerken dat Israël van een fout spreekt en actie onderneemt. U spreekt van een executie. Vervolgens stelt u dat er nog een onderzoek moet gebeuren. Het is dus duidelijk welke kant de huidige Belgische regering kiest, namelijk de kant van de islamitische jihad.

Michel De Maegd:

Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse et votre engagement personnel dans ce dossier aussi douloureux qu'essentiel.

Je voudrais, dans ce débat d'actualité, humblement rappeler que derrière chaque chiffre, chaque bilan, chaque terme diplomatique que nous utilisons, il y a tout d'abord des vies, des enfants, des familles et des espoirs anéantis. C'est à eux que nous pensons avant tout, quelle que soit leur nationalité ou leur confession. Chaque mort de civil est insupportable.

Cela dit, et sans aucunement disculper les différente parties au conflit, en ce compris le gouvernement Nethanyahu, de leurs responsabilités pour des crimes de guerre, voire des crimes contre l'humanité que devra objectiver la justice internationale, et des faits qui devront bien sûr être condamnés, parce que les mots ont un sens, je voudrais saluer votre mesure par rapport à l'usage du terme "génocide", monsieur le ministre, et rappeler ici l'analyse pointue que nous a procurée le professeur de droit international Pierre d'Argent, il y a à peine deux mois, dans notre commission. Pierre d'Argent fut, je le rappelle, membre de la Cour internationale de Justice comme premier secrétaire. Il nous disait mot pour mot: "la Cour internationale de Justice n'a pas dit qu'il y avait un risque de génocide. Elle a dit qu'il y avait un risque de préjudice irréparable, plausible, et un droit du peuple palestinien à Gaza de ne pas être exposé à des actes prohibés par la Convention. Dire qu'il y a un risque de génocide est un raccourci de ce que la Cour internationale de Justice a dit. La différence est très fine, mais il faut être précis sur ce que la Cour a dit."

Voilà pour cette précision! Dans cette tragédie sans fin, ce que nous devons viser, ce n'est pas une trêve temporaire ou une accalmie précaire, mais une paix juste, durable, fondée sur le respect du droit international, de la justice et de la dignité humaine. La reconnaissance de l'État palestinien dans un cadre européen à un moment opportun, comme vous l'avez mentionné, monsieur le ministre, sera un pas vers cette justice. Je vous encourage donc à continuer à œuvrer dans tous les espaces où notre pays peut peser, à faire entendre une voix claire et humaine. Car au fond, ce que nous devons à toutes les victimes, en ce compris les otages du Hamas, c'est de ne pas détourner le regard, ni aujourd'hui, ni demain.

Nabil Boukili:

Monsieur le ministre, vous avez commencé en disant que vous n'alliez pas tourner autour du pot. Vous ne l'avez pas fait quand vous avez parlé des crimes de guerre et des crimes contre l'humanité commis par l'armée israélienne contre les Palestiniens. Vous avez reconnu qu'il y avait une politique de punition collective. Et vous avez décrit de manière assez exhaustive la barbarie de l'armée israélienne et de la politique de l'État colonial contre le peuple palestinien.

Et puis, vous êtes arrivé au chapitre des sanctions. Et là, vous n'avez pas juste tourné autour du pot. Vous l'avez fait en faisant des galipettes. Vos mots étaient en effet significatifs. Vous avez dit: "Les crimes de guerre nous poussent à nous interroger sur notre relation avec Israël et sur le respect de l'article 2." Et: "Nos relations riches et fructueuses sont menacées."

Monsieur le ministre, par rapport à ce que vous avez dit précédemment, comment pouvez-vous tirer ces conclusions-là, sans avoir de condamnations claires et surtout sans appeler à des sanctions claires? Vous êtes encore au stade de vous interroger sur le respect de l'article 2. Ce sont vos paroles. Vous vous interrogez sur le respect de cet article par l'État d'Israël. Vous n'avez pas appelé à suspendre l'accord d'association du fait que l'article 2 n'est pas respecté. Il n'est pas respecté! Vous avez dit vous-même que le droit international n'est pas respecté, qu'il y a des crimes de guerre et une punition collective. Quelle conclusion en tirez-vous? Pourquoi n'appelez-vous pas à des sanctions directement?

Quant à la reconnaissance de l'État de la Palestine, vous parlez de l'équilibre sur la sécurité de l'État d'Israël. Mais aujourd'hui, c'est la sécurité de l'existence même du peuple palestinien qui est menacée. Le problème est là aujourd'hui et vous ne prenez aucune sanction!

Ma question était claire et visait à savoir si vous alliez passer des paroles aux actes? Vous êtes toujours dans la parole. Il n'y a toujours aucun acte concret prenant des sanctions claires, un embargo militaire clair contre l'État génocidaire d'Israël à l'égard du peuple palestinien.

Et, pour ce qui est de remettre en question le génocide, je n'y répondrai même pas. L'histoire jugera, monsieur le ministre!

Christophe Lacroix:

Monsieur le vice-premier ministre, il n'est pas facile d'être dans votre rôle quand vous avez affaire à des points de vue parfois tellement divergents.

Je vais essayer de rester dans la mesure, tout en gardant mes convictions et mes valeurs. Tout d'abord, nous sommes effectivement face à une volonté manifeste du gouvernement israélien, que je distingue bien de l'État d'Israël et de son peuple, de liquider la cause palestinienne une fois pour toutes. Ils veulent éradiquer les Palestiniens de la terre, en ce compris en assassinant leurs dirigeants pour ne plus avoir d'interlocuteurs.

Le fait d'avoir sorti l'Office de secours et de travaux des Nations unies pour les réfugiés de Palestine dans le Proche-Orient (UNRWA) d'Israël consiste à empêcher toute possibilité de retour des Palestiniens un jour sur leur terre natale, en ce compris également ce qui est la terre d'Israël pour les Israéliens. Il y a des violations du droit international humanitaire, du droit international, des crimes de guerre, un risque d'intention de génocide. Il y a des violations avérées de l'article 2 de l'Accord d'association.

Pour une fois, nous avons un ministre qui condamne assez clairement ces événements; plus que clairement et plus que ses prédécesseurs, il faut le reconnaître. Deuxièmement, nous avons un ministre qui nous annonce un calendrier sur certains points, notamment sur l'intention de la Belgique de se joindre à l'affaire devant la Cour internationale de Justice. Vous avez annoncé 2025, et puis début 2026.

Manifestement, face aux "turpitudes" – je vous cite – du gouvernement Netanyahou, qui a tout intérêt à ce que la guerre se poursuive pour des motifs sombres de politique, mais également pour des motifs sombres d'intérêts personnels liés à des problèmes de corruption intense dans ce gouvernement et liés à la présence de l'extrême droite – car, s'il y a des islamistes en costume, il y a aussi des petits nazis en costume, en ce compris dans cette enceinte, vous l'aurez bien compris aujourd'hui monsieur le ministre –, il faudra aller plus loin et je compte sur vous pour faire bouger l'ensemble du gouvernement, parce que je crois que vous n'avez pas encore fini.

Nous reviendrons vous interroger sur davantage que les intentions et les autres aspects, dont les sanctions, et sur le calendrier, que vous nous avez déjà donné concernant l'intention de la Belgique de se joindre à l'État d'Afrique du Sud contre Israël devant la Cour internationale de Justice.

Rajae Maouane:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Merci d'avoir également dit quelques mots sur le Liban; je pense qu'il est aussi important d'évoquer ce pays et le drame qui se joue là-bas.

Vos prises de parole sur la situation à Gaza sont fortes et, dans le contexte actuel, elles sont presque courageuses, surtout quand on entend les déclarations de certains de vos collègues de coalition, comme le premier ministre ou encore un certain président de parti. Aujourd'hui, les mots sont importants et ils ont un sens, mais ils ne suffisent plus. Les populations civiles sur place ont besoin d'actes concrets et forts, qui soient à la hauteur de l'urgence. Parmi les actes concrets, il y a des sanctions. À ce sujet, je vous ai trouvé moins engageant ou moins engagé que sur le reste de vos réponses. Nous voulons des sanctions économiques et diplomatiques, mais un autre geste fort est le boycott économique, diplomatique, culturel, sportif, comme il a été pratiqué pour la Russie.

En effet, cela fait des mois qu'un génocide – oui, je le redis, un génocide – se déroule sous nos yeux avec, depuis la rupture du cessez-le-feu, le déchaînement des enfers, pour reprendre certains termes. Des centaines d'enfants ont été assassinés. Le collègue Lacroix évoquait l'assassinat des dirigeants pour ne plus avoir d'interlocuteurs. Mais on assassine aussi les enfants, comme cela il n'y a plus de descendance. Pour pouvoir éradiquer de la surface de la terre tout un peuple, des enfants sont assassinés, des femmes et des civils sont massacrés. On interdit de faire rentrer l'eau, les médicaments, la nourriture, l'électricité, on parle de famine, on parle d'épuration. Malheureusement, le monde regarde, et vous l'avez déploré également. On n'a pas trouvé de gouvernement suffisamment fort pour arrêter l'État d'Israël. Il faudra m'expliquer comment un seul pays peut mettre à genoux comme cela l'ensemble des pays et le droit international.

Concernant la solution à deux États, celle-ci est effectivement fondamentale, mais elle ne sera jamais crédible tant que la Belgique ne reconnaîtra pas pleinement l'État de Palestine. Pour une solution à deux États, il faut reconnaître la Palestine. Vous parlez de la sécurité d'Israël. Effectivement, les Israéliens et les Israéliennes ont droit à la sécurité, mais les Palestiniens et les Palestiniennes également ont droit à la sécurité, le droit d'avoir un État, et celui de circuler librement.

En ce qui concerne le timing, je pense qu'il faut avancer le plus rapidement possible. On sait que le président Macron n'est pas le plus grand défenseur de la cause palestinienne, mais récemment il s'est prononcé en faveur d'une reconnaissance rapide, d'ici le mois de juin. D'autres pays européens l'ont fait ou s'y préparent. Je pense qu'on arrive à un momentum pour pouvoir avancer.

Enfin, un autre élément est important. On parle beaucoup de paix, mais on ne pourra pas avoir de paix sans justice. Il n'y aura pas de paix sans comptes à rendre, sans mettre fin à l'impunité.

Pour qu'il y ait de la paix, il faut de la justice, et pour cela, il faut que l'on puisse se joindre aux actions, que la Justice puisse faire son travail et punir les criminels de guerre. C'est maintenant qu'il faut du courage politique, parce que les personnes là-bas n'en peuvent plus.

Annick Lambrecht:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord over Libanon.

U zegt terecht dat België een staakt-het-vuren blijft vragen en dat de territoriale grenzen moeten worden gerespecteerd. U zei ook dat u in de VN-Mensenrechtenraad blijft pleiten voor een onderzoekscommissie, opdat de mensen die de daden pleegden, kunnen berecht worden voor het Internationaal Strafhof. We kunnen immers niet langer toelaten – en ik denk dat u zeker op dezelfde lijn zit als Vooruit – dat artsen, patiënten, maar ook hulpverleners afgeslacht worden zonder dat er gevolgen zijn voor de wandaadplegers zelf. Net als u kiest Vooruit resoluut de kant van de burgerslachtoffers en het internationaal recht.

We moeten wel opletten dat het niet bij woorden blijft, maar dat er ook acties komen. Daarom pleit ik nog eens, mijnheer de minister, om op Europees niveau veel harder op tafel te kloppen met betrekking tot die individuele sancties tegen de verantwoordelijken van die wandaden en met betrekking tot de herziening van het associatieakkoord tussen de EU en Israël.

Mijnheer de minister, ik breng hulde aan u, omdat u in plenum al explicieter bent geweest dan de eerste minister. Ik steun u in uw strijd om de hele regeringsploeg mee te krijgen in uw visie. We moeten er echter voor zorgen dat het niet bij moedeloosheid en woorden blijft en dat België ook wel effectief overgaat tot meer actie dan nu het geval is.

Staf Aerts:

Mijnheer de minister, ik wil u danken om duidelijk te benoemen wat er gebeurt in Israël. Dat is zeer belangrijk. U zei het heel expliciet. U hebt het geweld veroordeeld. U hebt over de hongersnood gesproken. U hebt in woorden veroordeeld, ook richting de Israëlische ambassadeur, en gezegd dat het zo niet verder kan. Dat is goed.

Bij de rest van het verhaal blijf ik echter op mijn honger. Temeer, dit zijn uw woorden, maar ondertussen lees ik verklaringen van meerderheidsparlementsleden, vanuit N-VA bijvoorbeeld, die stellen dat Israël een rechtvaardige oorlog voert. U kunt dan zeggen dat dat slechts de mening van een parlementslid is. U zei echter ook dat België gekend staat voor het respecteren van het internationaal recht. Sinds onze eerste minister het aanhoudingsbevel van het Internationaal Strafhof naar de prullenband heeft verwezen, mag u in de verleden tijd spreken: België stond gekend als voorvechter van het internationaal recht. Die uitspraak is de wereld rondgegaan, dat imago zijn we kwijt.

Blijft het alleen maar bij woorden? Neen, want minister Francken, onze minister van Defensie, vindt Israël vandaag nog steeds een voorkeurspartner en wil ook samenwerken met de Israëlische defensie-industrie. Ondanks alle woorden die u hebt uitgesproken met betrekking tot Israël, wil hij dat vandaag nog steeds.

U en uw coalitiepartners zitten wat dat betreft in een totale spreidstand. Dat maakt dat het voor een groot stuk bij woorden blijft, want ook al is er nog altijd financiële steun voor de heropbouw, we moeten die heropbouw stopzetten, zo zegt u zelf, wegens het Israëlische geweld.

Echte sancties heb ik hier vandaag niet gehoord. We hebben een voorstel van resolutie met een heel aantal maatregelen ingediend, die we ook vanuit België kunnen nemen. Ik hoop echt dat daarvoor steun komt en dat het niet alleen bij woorden blijft. Ik hoop dat de parlementssteden zich expliciet uitspreken om echt sancties op te leggen. We kunnen niet blijven doen alsof er niks aan de hand is. Er zijn al meer dan 50.000 doden, rechtstreeks door het geweld. Volgens Amerikaanse schattingen zijn het er zelfs nog veel meer dan dat.

Nu waarschuwt u dat de goede relaties met Israël in het gedrang komen, maar voor mij zijn ze al heel lang in het gedrang. Het is zeer belangrijk dat de Belgische regering meer doet. Er is meer nodig dan alleen maar de woorden van een minister van Buitenlandse Zaken, die ik zeer steun op dat vlak. We hebben nood aan meer actie, meer daden. Het is hoog tijd.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik denk dat de doelstellingen van de Israëlische regering sinds 7 oktober duidelijk waren, namelijk de liquidatie van Hamas. Daarvoor kunnen we begrip opbrengen. Het is een terroristische organisatie. We kunnen echter geen begrip opbrengen voor het verdrijven van het Palestijnse volk, waarvoor ze geen enkel middel schuwt. Als ze zelf niet vertrekken, worden ze uitgemoord. Ze kunnen ook niet vertrekken. Er worden oorlogsmisdaden gepleegd. Ze worden uitgehongerd tot op de dag van vandaag. Wij veroordelen dat streng.

Ik hoor dat uw engagement heel sterk is, op internationaal en op bilateraal vlak tegenover Israël. Ik denk dat België een belangrijk statement maakt. We blijven ook de humanitaire hulp steunen. Er is ook een duidelijk engagement van de Europese Unie en van België. Enabel en UNRWA laveren en doen daar wat nog mogelijk is.

De strijd tegen de straffeloosheid aldaar is een work in progress. Alles gebeurt daar inderdaad redelijk straffeloos. Er wordt wel opnieuw over individuele sancties onderhandeld. U hebt de opschorting van het associatieakkoord op 14 april op tafel gelegd, maar u erkent dat men dat niet alleen kan doen. Daarvoor is een Europese consensus nodig. Als men in Europese middens verblijft, begrijp ik heel goed hoe moeilijk dat is. Hoeveel doden er ook vallen, men blijkt daarvoor blind voor te zijn. Wij mogen daar in België niet blind voor zijn. We hebben een grote Palestijnse gemeenschap in België. Wij voelen dat ook aan de mensen, aan de niet-Palestijnen. De mensen kunnen niet meer kijken naar de gruwel waarvan op tv en in de kranten wordt getuigd. Ze vragen aan de parlementsleden: doe iets!

De erkenning van Palestina staat in het regeerakkoord. Het klopt dat daarvoor het juiste moment moet worden gekozen en dat de veiligheid van Israël ook belangrijk is. Mijns inziens is het momentum juni. Ik hoop dat we ons dan inderdaad, ook al is het symbolisch, kunnen aansluiten bij verschillende andere lidstaten.

Actie is heel erg belangrijk, want er sterven elke dag honderden kinderen, bij bosjes, en dat kunnen we niet aanvaarden.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het conflict in Gaza is verschrikkelijk. De menselijke tol is zeer groot. Het is inderdaad het moment bij uitstek om te blijven pleiten voor de vrijlating van alle gijzelaars en ontwapening enerzijds – de weg van de vrede die wij met het regeerakkoord zijn ingeslagen, is absoluut de te volgen weg – en anderzijds de tweestatenoplossing, oplossing waar wij als N-VA absoluut achterstaan.

Mijnheer de minister, u had het over de erkenning van Palestina in combinatie met de garantie van de veiligheid van Israël. Het is absoluut noodzakelijk dat de koppeling tussen die twee zaken aangehouden blijft. Een symbolische erkenning van Palestina zonder dat de veiligheid van Israël kan worden gegarandeerd, is voor ons als N-VA echt wel moeilijk. We moeten de totaliteit bekijken. Beide volkeren zijn in nood en zien af. We moeten daarvoor dan ook pleiten.

U hebt terecht de protestacties aangehaald die niet alleen in Israël maar ook in Palestina plaatsvinden. Het maakt mij inderdaad ten zeerste bezorgd dat een jongeman gefolterd werd, omdat hij geprotesteerd heeft tegen Hamas en dat mensen levend in brand gestoken worden, zo vertellen beelden van CNN ons. Dat is natuurlijk casuïstiek, maar dat neemt niet weg dat we ook daarvoor oog moeten hebben.

U hebt aangegeven dat er geen betaling voor de fondsen van de martelaren is gebeurd door ons land, noch door de Europese Unie. Dat stemt mij tevreden. Hebt u echter ook onderzocht of er via UNWRA geen middelen naar zijn gegaan? We zijn in het regeerakkoord overeengekomen dat we de werking van UNWRA zullen blijven ondersteunen, zolang de mensenrechten worden gegarandeerd en het internationaal recht wordt gegarandeerd. We moeten immers 100 % zeker zijn dat er geen middelen foutief worden besteed.

Wat de aanval op de zorgverstrekkers betreft, ga ik helemaal akkoord om in de Europese Unie te pleiten voor een onafhankelijk onderzoek via de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. Misschien is het ook een idee om in de Europese Unie als Europese lidstaten een onderzoek te bepleiten naar wat er gebeurd is met de zorgverstrekkers. Israël heeft inderdaad acties ondernomen, maar onafhankelijke bronnen zouden onze visie nog meer kunnen versterken.

Pierre Kompany:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. La boussole de notre gouvernement est le droit international, c'est ce qui doit déterminer nos positions. C'est la seule façon de soutenir toutes les populations palestiniennes et israéliennes. C'est pourquoi il est essentiel notamment que, premièrement, les otages soient libérés. Deuxièmement, toute opération militaire doit respecter le droit international humanitaire. Troisièmement, l'accès à l'aide humanitaire doit être garanti. Le Hamas, en maintenant son activité, permet à Israël de se conforter dans l'injustifiable au niveau des opérations militaires, ne respectant pas le droit international humanitaire. C'est pourquoi votre action, celle de l'Union européenne et celle de vos partenaires doivent se concentrer sur la reprise du cessez-le-feu, quitte à tordre le bras au protagoniste. C'est une nécessité essentielle pour les populations qui souffrent sous les bombardements et qui attendent leurs proches retenus ou qui attendent leurs proches retenus en otage. Vous devez faire comprendre à nos partenaires européens que des sanctions contre ceux qui incitent à la violence, d'un côté comme de l'autre, doivent s'étendre. Monsieur le ministre, il s'avère que depuis le lancement de l'actuel gouvernement, la voix de la Belgique porte haut dans les enceintes internationales et c'est une fierté grandement ressentie. Ne vous lassez pas de voir s'imposer la cohabitation des deux É tats libres, Israël et la Palestine.

De gezondheidstoestand van Ahmadreza Djalali
De gezondheidstoestand en de situatie van professor Djalali
De gezondheid en situatie van Ahmadreza Djalali

Gesteld aan

Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België dringt bij Iran aan op vrijlating, medische zorg en opheffing van het doodvonnis voor de zwaar zieke Zweeds-Iraanse professor Ahmadreza Djalali, na negen jaar gevangenschap onder erbarmelijke omstandigheden, maar sluit een gezamenlijke rechtszaak bij het Internationaal Gerechtshof uit. Het land werkt samen met EU-partners (o.a. Zweden) via diplomatieke druk, sancties (o.a. tegen Iraanse rechters) en collectieve EU-verklaringen, yetkritiek blijft dat Iran gijzeldiplomatie als drukmiddel blijft inzetten. Djalali’s echtgenote wordt ontvangen door de minister en het parlement, waar ze versterkte actie vraagt, terwijl België benadrukt alle middelen in te zetten—zonder concreet nieuwe stappen te beloven. De zaak illustreert de machteloosheid van westerse landen tegen Iraanse chantage, ondanks sancties en morele steun.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, ik bevroeg u in de commissie voor Buitenlandse Betrekkingen eerder al over het lot van de Zweeds-Iraanse gastprofessor aan de VUB, Ahmadreza Djalali. Komende vrijdag zit professor Djalali exact negen jaar vast in een Iraanse cel in erbarmelijke omstandigheden in afwachting van zijn executie.

Begin maart ontving ik een schrijven van zijn echtgenote waarin ze zijn gezondheidstoestand uiteenzette. Professor Djalali lijdt aan verschillende ernstige medische aandoeningen. Hij is meer dan twintig kilo gewicht verloren en wegens fysieke en psychische terreur gaat hij er mentaal onderdoor. Het zou dus best kunnen dat hij overlijdt door de gevolgen van zijn gevangenschap, als hij niet snel de gepaste medische zorgen krijgt en niet vrijkomt uit de gevangenis.

Mijnheer de minister, wat kan België doen om ervoor te zorgen dat professor Djalali de gepaste medische zorgen krijgt? Welke bijkomende diplomatieke initiatieven zult u hiertoe nemen?

Wordt er samengewerkt met andere landen om Iran te overtuigen om professor Djalali minstens de minimale gezondheidszorg toe te kennen?

Kan België niet aan de kar trekken,samen met Zweden en andere westerse partners, om een gezamenlijke rechtszaak aan te spannen tegen de gijzeldiplomatie van Iran bij het Internationaal Gerechtshof?

Ik dank u alvast voor uw antwoorden.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, ce week-end, cela fera 9 ans que le Professeur Djalali est détenu dans les geôles iraniennes. Nos questions, nos interpellations, nos textes, ont été nombreux. Ici, au sein de ce Parlement, mais également dans l'ensemble de la société. Les conséquences physiques et mentales sont inimaginables. Son état de santé est des plus alarmants. Il y a donc, plus que jamais, urgence.

Monsieur le ministre, demain, nous recevrons ici-même Mme Vida Merhannia, l'épouse du Professeur Djalali. Nous entendrons à nouveau sa détresse immense. Ses craintes horribles. Et nos mots seront bien vains. Nous devons agir. Nous le répétons depuis des années. Ce dossier me hante depuis 6 ans que je siège à la Chambre.

Pouvez-vous faire un point complet sur la situation du Professeur Djalali, selon les dernières informations dont vous disposez?

Pouvez-vous nous dire ce qu'a fait la Belgique ces derniers mois, partout où elle le peut, pour aider à obtenir sa libération?

Que peut-elle faire de plus? Que peuvent faire vos services? Que compte faire notre pays?

Enfin, quel message voudriez-vous faire passer à Madame Merhannia?

Je vous remercie.

Maxime Prévot:

Merci, monsieur De Maegd, de vous être référé au texte de votre question.

Mevrouw Samyn, in antwoord op uw vragen in verband met dokter Djalali wens ik de volgende elementen te onderstrepen.

De situatie van dokter Djalali blijft zeer zorgwekkend na negen jaar in de gevangenis. België blijft zijn aanhoudende detentie van nabij opvolgen. De Belgische positie is duidelijk. We verzoeken de Iraanse autoriteiten om dokter Djalali vrij te laten, zijn doodstraf nietig te verklaren en zijn detentieomstandigheden dringend te verbeteren. We blijven eisen dat het doodvonnis, waartoe hij is veroordeeld, niet wordt uitgevoerd.

Het lot van dokter Djalali wordt regelmatig met de Zweedse collega's besproken. Het idee om samen met Zweden en andere westerse partners een rechtszaak aan te spannen bij het Internationaal Gerechtshof tegen de gijzelingsdiplomatie van Iran is niettemin niet aan de orde. Ik kan ook bevestigen dat mijn diensten de situatie van dokter Djalali de afgelopen maanden verschillende keren opnieuw aan de orde hebben gesteld, zowel in Brussel als in Teheran. Hoewel het niet aan mij is om commentaar te geven op de bilaterale relatie tussen Zweden en Iran en hun consulaire zaken, blijft het een feit dat de kwestie van Europese onderdanen die willekeurig in Iran worden vastgehouden een punt van zorg en actie blijft voor ons land, zoals duidelijk bevestigd in het regeerakkoord van de federale regering.

Zoals u weet, zet de Belgische regering zich in voor andere EU-onderdanen, zoals dat het geval was met de drie Oostenrijkse en Deense staatsburgers die in 2023 samen met onze landgenoot Olivier Vandecasteele werden vrijgelaten. België maakt ook deel uit van de collectieve Europese aanpak ten aanzien van de chantagepolitiek van de Iraanse autoriteiten. Dit vertaalde zich in verschillende verklaringen over Iran van de Hoge Vertegenwoordigster namens de Europese Unie die willekeurige detentie als onaanvaardbaar en onwettig beschouwt.

België stond en staat volledig achter deze verklaringen.

Je note par ailleurs qu'au-delà des mots, des actions concrètes sont prises, notamment en matière de sanctions.

Très récemment, le 14 avril dernier, le Conseil de l'Union européenne a adopté, avec le plein soutien de notre pays, un nouveau paquet de mesures restrictives à l'encontre de sept personnes et de deux entités supplémentaires, responsables de graves violations des droits de l'homme en Iran, notamment l'utilisation du pouvoir judiciaire comme outil de détention arbitraire.

Des membres du pouvoir judiciaire, dont Hedayatollah Farzadi, directeur de la prison d'Evin, sont notamment visés par ces mesures restrictives. J'espère qu'on me pardonnera ma prononciation.

De Iran-aanpak heeft ook duidelijke gevolgen voor ons reisadvies en de evolutie van onze bilaterale betrekkingen. Naast dokter Djalali blijven er vandaag verschillende onschuldige Europeanen opgesloten in Iran. We blijven ijveren voor de vrijlating van hen allen. België blijft samenwerken met zijn Europese partners om die praktijk te bestrijden. Mijn diensten en ikzelf blijven de algemene situatie van de Europese gedetineerden in Iran aandachtig volgen, evenals de specifieke situatie van dokter Djalali. Mevrouw Mehrannia zal bovendien worden verwelkomd op mijn kabinet deze week.

Ellen Samyn:

Mijnheer de minister, het doet me deugd te vernemen dat u de echtgenote van professor Djalali ontvangt op uw kabinet. Mevrouw Van Hoof zal zich herinneren hoe diep ik onder de indruk was toen ik haar verhaal hoorde en hoe erg ik het vond dat enkel u, ikzelf en mevrouw Ponthier toen aanwezig waren. Maar drie leden van deze hele Kamer hebben haar toen gehoord. Dus ik hoop dat er veel meer collega's morgen aanwezig zullen zijn voor haar getuigenis.

U verwijst naar het regeerakkoord. Het is goed dat de huidige regering hopelijk een andere weg zal inslaan dan die van de vivaldiregering. U verklaart dat België zich aansluit bij de collectieve Europese aanpak, maar ik denk niet dat Iran daarvan onder de indruk is. We weten allemaal dat professor Djalali maar een pasmunt is in het cynische geopolitieke machtsspel van Iran, dat altijd onschuldige mensen, onschuldige westerse gijzelaars zal blijven gebruiken om veroordeelde Iraanse terroristen op Europese bodem vrij te krijgen.

Michel De Maegd:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je n'ignore ni les limites de l'action diplomatique, ni la complexité d'un dossier aussi sensible. Et je note aussi le nouveau paquet de sanctions visant des dignitaires iraniens. C'est un signal en effet important car, au fond, ce n'est pas seulement une affaire d'État, c'est l'histoire d'un homme qu'on prive de liberté, de dignité, de soins, de droits les plus élémentaires depuis maintenant neuf années. Et c'est aussi l'histoire d'une femme que vous avez mentionnée et que vous recevrez, Mme Mehrania, et dont la vie a été suspendue dans l'attente, l'angoisse, le silence. Demain, lorsqu'elle sera dans cette enceinte, elle ne demandera pas l'impossible. Elle demandera qu'on continue, qu'on intensifie, qu'on ne l'abandonne pas. Monsieur le ministre, je vous le dis avec gravité bien sûr mais aussi avec confiance, chaque appel, chaque intervention, chaque pression compte. C'est peut-être une goutte d'eau mais c'est une goutte d'humanité dans un désert d'injustice. Nous comptons sur vous pour que la voix de la Belgique encore et toujours continue de porter celle du professeur Djalali comme celle de tous les otages – vous les avez mentionnés – surtout pour que ces voix ne s'éteignent pas. De voorzitster : Morgen tussen 12.00 uur en 14.00 uur ontvangen wij inderdaad mevrouw Djalali. Iedereen is uiteraard welkom.

De vergoeding van de advocaten die juridische bijstand verlenen
De tijdige uitbetaling van de vergoedingen voor tweedelijnsbijstand
De uitbetaling van de vergoedingen voor juridische tweedelijnsbijstand
De laattijdige uitbetaling van pro-Deogelden
De betalingsachterstand voor de juridische tweedelijnsbijstand van 3.700 advocaten
Financiële vergoedingen en betalingsachterstanden in juridische bijstand

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de chronische vertraging en onvolledige uitbetaling van pro-Deo-vergoedingen aan advocaten in tweedelijnsbijstand, die soms jaren moeten wachten op betaling voor hun werk. Minister Verlinden bevestigt dat slechts 60% van de verschuldigde bedragen (tegen een verlaagd puntentarief van 66€) eind mei 2025 zal worden uitbetaald, door budgettaire beperkingen en administratieve vertragingen, ondanks structurele afspraken en eerdere uitbetalingsdata. Advocaten, vaak afhankelijk van deze inkomsten, dreigen in financiële nood te komen, terwijl de toegang tot rechtvaardigheid voor kwetsbare groepen in gevaar komt door hun mogelijke afhaken. De oppositie eist een snelle, volledige uitbetaling en structurele hervormingen, maar de minister wijst op afhankelijkheid van begrotingsgoedkeuring en de Inspectie van Financiën, zonder concrete oplossing op korte termijn.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, ma question était peut-être un peu prémonitoire même si elle ne concerne pas exactement le même objet que celles des autres collègues dont les questions sont jointes dans le débat d'actualité. Elle avait pour objectif de revenir sur la manière dont sont rémunérés les avocats dans le cadre de l'aide juridique de deuxième ligne.

En effet, des évolutions notables ont eu lieu ces dernières années en ce qui concerne l'augmentation des seuils de revenus, l'indexation du point, la fin de l'enveloppe fermée, le soutien à des projets pilotes de cabinets d'avocats dédiés, etc. Mais il reste malheureusement encore beaucoup à faire pour améliorer l'accès à la justice mais aussi pour assurer aux avocats que l'on appelle vulgairement ou communément "BAJistes" des conditions de rémunération qui soient dignes.

À ce sujet, encore actuellement, le système de contrôle mutuel de l'aide juridique par les deux ordres impose de différer le paiement des rémunérations des avocats. Ceux-ci obtiennent le paiement de leurs indemnités au minimum un an après la clôture de leur prestation, prestation qui elle-même dure parfois plus années. Ceci signifie que dans certains dossiers, le paiement est seulement effectif plusieurs années après la réalisation du premier devoir. Cette situation, vous l'admettrez madame la ministre, n'est pas acceptable. Personne n'accepterait d'être payé au minimum deux ans après avoir commencé à travailler sur un dossier. Cela s'aggrave si on ajoute encore les lourdeurs administratives qui découragent bon nombre d'avocats.

Dans son mémorandum 2024, avocats.be demandait "la mise en place d'un mécanisme d'avances sur indemnités dès la clôture du dossier, ou même annuellement, sur la base des prestations déjà effectuées – pour ne pas avoir à attendre la clôture du dossier –, si celui-ci devait durer au moins un an". Aujourd'hui, et c'est l'actualité, on nous annonce que les avocats qui ont clôturé leurs dossiers l'an dernier ne seraient pas totalement rémunérés fin mai ou début juin comme ce devrait être le cas et que seule une rémunération à tout le moins partielle serait au mieux accordée.

Madame la ministre, comment travaillez-vous sur la réforme des modalités de paiement de la rémunération des avocats pour qu'ils n'aient pas à attendre un an au minimum après la clôture pour pouvoir être rémunérés? Comment améliorer ces conditions de rémunération? Pouvez-vous assurer aux avocats qui ont commencé à travailler il y a au moins deux ans sur des dossiers qu'ils seront effectivement rémunérés au mois de juin, et ce intégralement?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, kwalitatieve tweedelijnsbijstand verdient respect. Als advocaten hun engagement opnemen, mag worden verwacht dat ook de minister van Justitie de afspraken correct naleeft. Dit betekent concreet het tijdig en volledig uitbetalen van alle vergoedingen op het afgesproken tijdstip. Op een vergadering met de FOD Justitie, meer bepaald met de Cel Subsidies, op 9 april, hebben de Orde van Vlaamse Balies en de OBFG vernomen dat er geen mogelijkheid zou zijn om eind mei 2025 over te gaan tot betaling van de vergoedingen voor tweedelijnsbijstand conform de puntenlijst van 1 februari.

Mevrouw de minister, dit is onaanvaardbaar. Advocaten in tweedelijnsbijstand zijn zeer loyaal ten opzichte van Justitie. Maandenlang, soms jarenlang, worden er prestaties geleverd waarvoor de betaling pas in het vooruitzicht wordt gesteld ongeveer één jaar na de datum van afsluiting van het dossier.

"De genoemde loyauteit is groot maar wordt ook beperkt door de noodzakelijke leefbaarheid en de economische wetmatigheden waaraan elke onderneming onderhevig is. Uitstel in betaling leidt dan ook ontegensprekelijk tot grote problemen voor vele advocaten die bijkomende kredieten zullen moeten afsluiten indien de overheid in gebreke blijft." Zo lezen we terecht in het schrijven van de Orde van Vlaamse Balies dat aan u gericht werd.

U weet, mevrouw de minister, dat advocaten hoge kantoorkosten hebben. Ze moeten hun rekeningen betalen, sociale zekerheid, belastingen enzovoort. Ik meen niet dat uw collega, de minister van Financiën, bereid zal zijn om hen uitstel van betaling te geven voor de btw enzovoort tot Justitie de nodige initiatieven neemt om de tweedelijnsvergoeding te betalen.

Daarenboven wordt u er door de OVB op gewezen dat in uitvoering van het koninklijk besluit van 21 februari 2024 de OVB samen met alle lokale BJB's bijzondere inspanningen heeft geleverd op het gebied van ontwikkeling en implementatie van werkingsprocessen en managementsystemen. Er is een intens proces van professionalisering en objectiveerbare kwaliteitsmeting aangevat.

Mevrouw de minister, u bent verplicht om respect aan de dag te leggen voor het grote engagement dat advocaten leveren om te zorgen voor die kwalitatieve tweedelijnsbijstand. Nogmaals, uitstel van betaling is onaanvaardbaar.

Welke initiatieven zult u nemen om ervoor te zorgen dat er voldoende fondsen aanwezig zijn zodat de pro-Deogelden volledig en tijdig zullen worden uitbetaald, dus ten laatste op 31 mei van dit jaar? Wat gaat u doen om een concrete uitbetalingsdatum te garanderen?

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, heel veel advocaten werken pro Deo. Zij ontvangen daarvoor erelonen, normaliter een jaar na datum. Het systeem van betaling is intussen al een beetje gewijzigd, in die zin dat het nu verschillende keren per jaar gebeurt. Voor heel veel advocaten is dit echter de enige bron van inkomsten.

Op 9 april vond een vergadering plaats waar de Orde van Vlaamse Balies en Avocats.be aanwezig waren, evenals de dienst van de subsidies van de FOD Justitie en een vertegenwoordiger van uw kabinet. Daar bleek dat de uitbetaling dit jaar niet zou plaatsvinden in de maand mei, vanwege onvoldoende beschikbare fondsen. Blijkbaar zou er slechts 100 miljoen ter beschikking zijn, terwijl er eigenlijk 150 miljoen nodig zou zijn om tot uitbetaling van alle vergoedingen te kunnen overgaan.

U hebt hieromtrent een schrijven ontvangen van de OVB en de acht voorzitters van de verschillende bureaus voor juridische bijstand. Zij dringen aan op een tijdige betaling. Eveneens vragen zij of het mogelijk is om het koninklijk besluit aan te vullen met nog duidelijker engagementen over de timing van de betaling.

Mevrouw de minister, op welke manier zult u ervoor zorgen dat een tijdige betaling van die pro-Deogelden wordt gegarandeerd? Welke initiatieven zult u nemen? Zult u overgaan tot de aanpassing van dat koninklijk besluit, zodat er toch meer zekerheid kan worden geboden aan de advocaten die in de tweedelijnsbijstand werken?

Welke fiscale gevolgen zal dit hebben voor de gelden die eventueel later dan gepland door de advocaten in ontvangst zullen worden genomen?

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, vanuit de advocatuur klinken verontrustende signalen over de laattijdige uitbetaling van de pro-Deogelden. Die onzekerheid zorgt voor financiële kopzorgen bij honderden advocaten, die met hun sociaal engagement tweedelijnsbijstand aan kwetsbare burgers verlenen.

Zij dreigen hierdoor niet alleen financieel in de problemen te komen, zij hebben ook leningen die moeten worden afbetaald. Zij zitten ook met hoge kantoorkosten. Dit zijn heel vaak ook niet de grootverdieners onder de advocaten. Dat is misschien het beeld dat leeft bij de publieke opinie, maar deze mensen moeten echt keihard werken om elke maand een leefbaar of deftig loon te hebben.

Sommigen overwegen zelfs om te stoppen met hun deelname aan het pro-Deosysteem, wat te betreuren zou zijn, want dat betekent dat de toegang tot het recht voor kwetsbaren kan worden ondermijnd en dat er te veel werk voor te weinig pro-Deo-advocaten zal zijn.

Er is nood aan een betrouwbare overheid. Justitie kan niet functioneren met uitgestelde en onvoorspelbare betalingen. We zien dit ook bij de tolken, de deskundigen en andere dienstverleners bij justitie.

Mevrouw de minister, klopt het dat de uitbetaling van de pro-Deogelden in mei onzeker is? Wat is de concrete stand van zaken? Welke stappen onderneemt u om te garanderen dat deze betaling alsnog tijdig gebeurt? Wanneer zal die uitbetaling kunnen gebeuren? Hoeveel budget is er dit jaar daadwerkelijk voorzien voor de uitbetaling van de pro-Deogelden? Hoe groot is de achterstand die moet worden weggewerkt?

Julien Ribaudo:

Madame la Ministre, nous avons appris que près de 3 700 avocats ayant assuré l'aide juridique de deuxième ligne (pro Deo) doivent attendre encore plus longtemps leur rémunération par l'État. Cette situation, dénoncée par l'Ordre des Barreaux flamands, est d'une gravité extrême. Non seulement elle met en péril les conditions de travail de ces avocats – souvent jeunes, précaires ou engagés dans les matières les plus sensibles comme le droit familial, le droit du logement ou la protection de la jeunesse, le droit des étrangers –, mais elle menace surtout l'accès à la justice pour les publics les plus vulnérables: femmes victimes de violences conjugales, chômeurs, petits locataires, réfugiés, mineurs, détenus... d’avoir un accès à la justice.

Les avocats qui acceptent de travailler dans le "système pro deo", qui permettent à ces personnes d'exercer leurs droits fondamentaux, sont aujourd'hui maintenus dans l'incertitude: ils sont informés de possibles retards supplémentaires, sans aucune garantie concrète de paiement ni de calendrier précis. Pourtant, certains ont dû contracter des emprunts personnels pour survivre en attendant ces paiements.

Vous avez évoqué des moyens supplémentaires issus des négociations budgétaires, mais sans préciser ni les montants exacts, ni la répartition prévue. Ce flou est inacceptable. En agissant ainsi, votre gouvernement déstabilise volontairement un pilier de l'État de droit: l'accès effectif à la justice pour tous, sans condition de fortune.

Dès lors, voici nos questions:

Avez-vous envisagé d'autres solutions pour éviter ces retards de paiement et garantir la continuité du système d'aide juridique? Par exemple, le déblocage d'une enveloppe provisoire, une avance sur paiements, ou une procédure d'urgence?

Pouvez-vous indiquer avec précision à quelle date les avocats pro Deo seront effectivement payés pour les dossiers clôturés en 2024?

Quelle garantie pouvez-vous offrir pour que l'ensemble des montants dus soient versés en intégralité, et non partiellement, comme certains le craignent?

Si une limitation des paiements devait survenir, comment sera-t-elle organisée? Est-il envisagé de réduire proportionnellement les montants pour tous les avocats, ou de différer entièrement le paiement de certains dossiers ou de certains avocats?​

Annelies Verlinden:

Merci, chers collègues. Tout d'abord, je suis ravie que ces réformes positives soient reconnues, monsieur Aouasti. Elles ont effectivement nécessité beaucoup de travail et sont l'aboutissement d'un bel effort de coordination entre les ordres des avocats et le SPF Justice. Je souhaite poursuivre ces efforts pour améliorer le système de contrôle et de paiement des avocats. L'ensemble des acteurs souhaite aboutir à un système qui permette d'atteindre l'objectif du paiement des avocats dans un délai raisonnable, tout en présentant des garanties de contrôle suffisantes et de respect des contraintes budgétaires.

Nous devons prochainement entamer le travail de réflexion autour d'une réforme, car, premièrement, le récent système de deuxième paiement annuel des indemnités des avocats requiert des précisions techniques et, deuxièmement, la Cour des comptes exige davantage de garanties sur le contrôle des indemnités à payer. Nous en profiterons pour essayer d'améliorer plus largement le système. Ce travail doit être réalisé en coordination avec les ordres. À ce stade, il n'est pas encore possible de déterminer les modalités auxquelles ce travail de réflexion aboutira.

Wat de uitbetaling van de pro-Deogelden betreft, het is uiteraard mijn streven om de voorwaarden van de geldende regelgeving na te leven. De advocaten worden voor hun prestaties vergoed tegen het in het koninklijk besluit van 20 december 1999 vastgelegde tarief. Overigens is de waarde van een punt nog nooit zo hoog geweest, momenteel 97,37 euro, wat er mede voor zorgt dat de diensten van de advocaten en bureaus voor juridische bijstand billijk worden vergoed.

De regelgeving maakt evenwel geen gewag van enige specifieke betalingstermijn. Om die reden heeft de inspecteur van Financiën geweigerd om af te wijken van het huidige systeem van budgettaire behoedzaamheid, waarbij de kredieten onderverdeeld zijn in vier gelijke schijven, en een groter deel van het budget beschikbaar te stellen om zo over te gaan tot de volledige betaling in mei van dit jaar. Onze inspanning om de kredieten in mei van dit jaar volledig beschikbaar te stellen, hebben op die manier dus niet tot het verhoopte resultaat kunnen leiden.

Daarom hebben we de ordes tijdens de vergadering van 9 april voorgesteld om de reeds beschikbare enveloppes zo snel mogelijk te vereffenen, waardoor de advocaten tegen eind mei een betaling van ongeveer 60 % zouden ontvangen, met een punt dat voorlopig op 66 euro wordt vastgelegd.

Omdat de liquidatieprocedure uit meerdere fases bestaat en dus gepaard gaat met veel onzekerheden, is het moeilijk om een precieze uitbetalingsdatum te bepalen. Er moet bijvoorbeeld advies worden gevraagd aan de inspecteur van Financiën. Indien het advies van de inspecteur negatief is, dient beroep te worden aangetekend of moeten verdere stappen worden ondernomen overeenkomstig het advies van de inspecteur. Zo werkt het federaal liquidatiesysteem nu eenmaal.

Zodra de wet houdende algemene uitgavenbegroting voor het jaar 2025 goedgekeurd is in de Kamer en de budgetten beschikbaar zijn gesteld, kunnen de advocaten en bureaus voor juridische bijstand volledig worden uitbetaald.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.

J'organiserai ma réplique en deux temps. Tout d'abord, vos intentions sont positives. Vous voulez modifier et améliorer le système global de paiement. Vous avez la volonté de collaborer avec les ordres et de réformer positivement ce système de paiement en permettant à chaque avocat qui se dévoue et se dédie dans le cadre de l'aide juridique de deuxième ligne d'être payé en fonction de son travail, et ce, le plus rapidement possible. Je pense que c'est sain et qu'il est possible d'y arriver puisque nous sommes un des rares pays européens où le paiement est si différé. Si parmi nos voisins, certains ont des systèmes plus perfectionnés que le nôtre, il est alors possible de faire mieux nous-mêmes. Nos regards sont souvent dirigés vers les Pays-Bas ou la France. Or, leurs modèles sont bien meilleurs que les nôtres.

Ensuite, s'agissant des paiements, il y a quelque chose d'inadmissible. L'avis de l'Inspection des finances peut être dépassé par celui du ministre du Budget. Ce dernier est de votre formation politique. Il ne s'agit pas d'éléments nouveaux. Les dépenses liées à l'aide juridique sont des dépenses structurelles prévisibles annoncées année après année. Il ne faut pas se cacher derrière l'avis de l'Inspection des finances pour refuser d'offrir un paiement dans un cadre légal et qui est convenu depuis des années avec la profession d'avocats.

Le ministre du Budget a la possibilité de dépasser et d'outrepasser l'avis de l'Inspection des finances. S'il n'entend pas le faire, il n'est pas impossible, dès lors qu'il s'agit d'une prévisibilité budgétaire structurelle, de fonctionner à travers un système d'avances automatiquement régularisées via les trimestres ultérieurs de douzièmes provisoires ou à travers le budget qui devrait être voté avant l'été.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, iedereen in commissie heeft zich altijd positief uitgesproken over de hervormingen op het vlak van de tweedelijnsbijstand, die tijdens de vorige legislatuur dankzij de heer Van Hecke werden goedgekeurd. Het gaat nu eenmaal om bijstand voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Zij moeten kunnen rekenen op een juridische bijstand.

Wie die juridische bijstand levert, moet echter ook op een degelijke betaling kunnen rekenen. Mevrouw de minister, uw antwoord ontgoochelt mij bijzonder. Ik sta daarin ongetwijfeld niet alleen. Het zal ook de meer dan 4.000 advocaten die, naar ik heb begrepen, in het systeem pro Deo optreden en dat met een heel groot engagement doen, teleurstellen.

U geeft aan dat u op een redelijke termijn voor een oplossing zult zorgen. U streeft ernaar te betalen onder de geldende voorwaarden, maar u voegt er in een adem aan toe dat er geen specifieke betalingstermijn is bepaald in de vigerende regels. Dat klopt niet. Het is in het verleden en tijdens de vorige legislatuur de gewoonte geweest de uitbetaling altijd eind mei te doen.

U en ik krijgen op het einde van iedere maand onze uitbetaling op onze rekening. Voor ons zijn er geen zorgen om onze rekeningen te betalen. Echter, een hoop pro-Deoadvocaten leeft van pro-Deovergoedingen. Zij moeten nu al een of twee jaar na de verrichte prestaties wachten op hun centen.

U stelt wel dat de vergoedingen zijn gestegen. Er wordt nu 98 euro per punt toegekend. Het leven is echter ook duurder geworden, om nog maar te zwijgen van de indexering die iedereen in de samenleving krijgt. Het is dus niet meer dan normaal dat de waarde van een punt ook aanzienlijk stijgt.

In uw antwoord wijst u erop dat het de bedoeling is om 60 % aan een waarde van 66 euro per punt uit te betalen, indien ik u goed heb begrepen, anders verbetert u mij maar.

Uit uw antwoord heb ik evenwel begrepen dat die uitbetaling niet zal plaatsvinden voor 31 mei, aangezien u op de goedkeuring van de begroting dient te wachten. Het is geen geheim dat de Kamer de begroting niet voor het einde van de maand juni zal goedkeuren. Samen met meer dan 4.000 pro-Deoadvocaten ben ik zeer ontgoocheld dat u geen precieze uitbetalingsdatum bepaalt. Dat is Justitie onwaardig. Het is absoluut onaanvaardbaar dat de betrokkenen, die hun prestaties soms reeds één, twee tot drie jaar geleden hebben verricht en afgesloten, zo lang op hun geld moeten wachten.

Mijnheer de voorzitter, tot besluit van mijn interpellatie dien ik dan ook een motie in.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, het is uiteraard een goede zaak dat er verder wordt gewerkt aan een verbetering van het pro-Deosysteem. Ik ben ook tevreden dat advocaten in normale omstandigheden vandaag ook een billijke vergoeding krijgen voor hun geleverde de prestaties.

Gelukkig is de situatie iets minder problematisch dan initieel was aangekondigd. Er wordt 60 % uitbetaald weliswaar tegen een tarief van 66 euro per punt. Dat neemt niet weg dat advocaten die prestaties leveren, op een correcte manier vergoed moeten worden. Het is zoals bij vele beroepsgroepen die werken voor justitie. De betaling blijft vaak achterwege, ook voor de pro-Deoadvocaten.

Voor sommige advocaten is die vergoeding de enige bron van inkomsten. Zij leven nu eenmaal van het systeem van de tweedelijnsbijstand, omdat zij vanuit hun sociale ingesteldheid daar specifiek voor hebben gekozen. Ik hoop dat er bij goedkeuring van de begroting snel zal kunnen worden overgegaan tot de uitbetaling aan de betrokken advocaten.

Stefaan Van Hecke:

Mevrouw de minister, uw antwoord ontgoochelt mij: 60 % van het bedrag wordt als voorschot uitbetaald. Dat is al iets, maar het blijft betreurenswaardig dat de betalingen in de soep lopen. Men weet immers dat elk jaar die betalingen eraan komen; men kan zich daar goed op voorbereiden.

Pro-Deoadvocaten verrichten heel belangrijk werk en moeten sowieso al heel lang wachten op hun geld: als een dossier afgesloten is, is nog een jaar wachten, maar die dossiers kunnen wel drie jaar of langer aanslepen! Het is dus al een hele opgave voor pro-Deoadvocaten om goed betaald te worden.

Hoeveel u precies tekortkomt, is niet heel duidelijk. Er wordt gesproken over 50 miljoen euro. U hebt extra middelen gekregen in het paasakkoord, maar het is maar de vraag of die zullen volstaan. Het lijkt er namelijk op dat dat geld al vier of vijf keer is uitgegeven. U hebt extra middelen nodig voor de modulaire units in die gevangenissen; u hebt extra middelen nodig om de achterstand weg te werken in de facturen van de takeldiensten, voor de achterstallige facturen van tolken en vertalers, van gerechtsexperten en pro-Deoadvocaten.

Zal uiteindelijk de rekening kloppen? Zullen alle achterstallen voldaan kunnen worden met de extra middelen die u kreeg in het paasakkoord? Dat is in feite de vraag van 1 miljoen.

Julien Ribaudo:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Comme l’ont dit mes collègues, elle ne nous rassure pas. Et je ne pense pas qu’elle va rassurer les avocats, parce que l’incertitude reste le maître-mot de votre réponse.

Dans votre exposé de politique générale, vous parliez d'"une justice équitable qui resserre les liens". C'est joli sur papier, mais dans ce dossier, on voit qu'on est loin du compte.

Retarder les paiements des avocats pro deo, ce n'est pas juste un bug de procédure ou un bug administratif, c'est mettre en péril l'accès à la justice pour celles et ceux qui en ont le plus besoin. La plupart des 3 700 avocats qui bossent comme avocats pro deo le font par conviction. Mais même les plus engagés finissent par fatiguer quand on leur demande d'attendre, quand on leur impose de l'incertitude, sans leur dire quand ils seront payés.

L'an dernier, ils ont accepté un paiement en juin, alors qu'auparavant ce paiement avait toujours lieu en mai. L'année passée, ils ont accepté un paiement en juin en précisant que cela ne devait pas devenir la norme. Et un an plus tard, rebelote: paiement à 60 % en juin! L’enveloppe est déjà trop juste. On parle d'un trou de 50 millions. Et pour la suite, mystère, on ne sait pas! Mais qui peut se contenter d'un salaire à 60 % aujourd'hui? En tout cas, pas eux.

Bref, on est loin d'une justice qui resserre les liens. Cette politique que vous menez déstabilise un pilier essentiel de notre démocratie, qui est celui d'une justice accessible pour tous, et pas seulement pour ceux qui peuvent se payer un avocat.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, overwegende dat: - kwalitatieve tweedelijnsbijstand alle respect verdient; - advocaten in tweedelijnsbijstand zeer loyaal zijn t.o.v. Justitie: maandenlang, soms jarenlang, worden er prestaties geleverd waarbij betaling pas in het vooruitzicht wordt gesteld ongeveer één jaar na datum van afsluiting van het dossier; - uitstel in betaling ontegensprekelijk leidt tot grote problemen voor vele advocaten die bijkomende kredieten zullen moeten afsluiten indien de overheid in gebreke blijft; - als advocaten dit groot engagement opnemen, er mag worden verwacht dat ook de minister van Justitie de afspraken correct naleeft; - dit betekent dat alle vergoedingen op het afgesproken tijdstip, zijnde einde mei 2025 volledig zullen worden uitbetaald; - op een vergadering van 9 april jongstleden met de FOD Justitie, Cel Subsidies, de Orde van Vlaamse Balies en OBFG hebben vernomen dat er geen mogelijkheid zou zijn om einde mei 2025 over te gaan tot betaling van de vergoedingen in tweedelijnsbijstand conform de puntenlijst van 1 februari; - dit echter onaanvaardbaar is; vraagt de regering onmiddellijk de nodige initiatieven te nemen om ervoor te zorgen dat alle vergoedingen in tweedelijnsbijstand (de pro Deo-gelden) volledig zullen worden uitbetaald op het afgesproken tijdstip, zijnde uiterlijk einde mei 2025, en hiervoor voldoende budgetten vrij te maken. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, considérant que: - l'aide juridique de deuxième ligne qualitative mérite tout le respect; - les avocats de l'aide juridique de deuxième ligne sont très loyaux vis-à-vis de la Justice: durant des mois voire des années, des prestations sont fournies alors que la perspective de paiement n'apparaît qu'environ un an après la date de clôture du dossier; - les reports de paiement entraînent indéniablement des problèmes majeurs pour de nombreux avocats qui devront contracter des crédits supplémentaires si l'État reste en défaut; - si les avocats prennent cet engagement majeur, on peut s'attendre à ce que la ministre de la Justice respecte également correctement les accords; - cela signifie que toutes les indemnités devront être payées intégralement au moment convenu, c'est-à-dire fin mai 2025; - lors d'une réunion organisée le 9 avril dernier avec le SPF Justice, cellule Subsides, l'Orde van Vlaamse Balies et l'OBFG ont été informés qu'il n'existerait aucune possibilité de procéder d'ici fin mai 2025 au paiement des indemnités pour l'aide juridique de deuxième ligne conformément à la liste de points du 1 er février; - cette situation est toutefois inacceptable; demande au gouvernement de prendre sans délai les initiatives nécessaires pour faire en sorte que toutes les indemnités pour l'aide juridique de deuxième ligne (les montants pro Deo) soient intégralement versées au moment convenu, c'est-à-dire fin mai 2025 au plus tard, et de débloquer les budgets nécessaires à cet effet. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.

De samenwerking tussen arbeidsauditoraten en OCMW's

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigde een fout in de gerapporteerde cijfers over samenwerkingsprotocollen tussen OCMW’s en arbeidsauditoraten (Leuven had wél een protocol), veroorzaakt door een administratieve vergissing bij het bundelen van gegevens. Zij moedigt intensievere samenwerking en sensibilisering aan om sociale fraude beter te bestrijden, maar ontweek de vraag of OCMW’s verplicht zijn mee te werken met auditoraten en hoe het beroepsgeheim van maatschappelijk werkers dit bemoeilijkt. Raskin drong aan op een antwoord hierover, maar kreeg dit niet en kondigde een terugkommoment aan.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, u bezorgde mij onlangs cijfers over het aantal samenwerkingsprotocollen tussen OCMW's en de arbeidsauditoraten. Daaruit blijkt dat vooral in de provincies Limburg en Antwerpen dergelijke protocollen gangbare praktijk zijn. Zij zijn de goede leerlingen uit de klas.

Helaas lijken de cijfers niet helemaal correct te zijn. Zo zou volgens uw antwoord het arbeidsauditoraat van Leuven geen protocollen hebben gesloten, maar ik deed wat opzoekwerk en botste op een website die het tegendeel lijkt te beweren. Ik stel dat wel voorwaardelijk.

Wat is de reden waarom de door u bezorgde informatie niet lijkt te kloppen? Kunt u mij alsnog volledige en actuele informatie bezorgen? Lijkt het u een goed idee om in te zetten op meer sensibilisering en zowel OCMW’s als arbeidsauditoraten aan te moedigen om werk te maken van een intensievere samenwerking? Zijn OCMW’s vandaag verplicht om mee te werken met het arbeidsauditoraat wanneer dat een onderzoek voert naar sociale fraude? In welke mate verzet het beroepsgeheim van de maatschappelijk assistenten zich hiertegen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Raskin, de informatie die werd gevraagd in uw schriftelijke vraag nr. 14 van 20 februari 2025 werd niet statistisch geregistreerd. De arbeidsauditoraten werden individueel bevraagd en gaven ook een antwoord. Bij het samenvoegen van de verschillende antwoorden werd een vergissing begaan in het antwoord met betrekking tot het Leuvense arbeidsauditoraat, dat had geantwoord dat er slechts één protocol was afgesloten met het OCMW Leuven. De antwoorden van de arbeidsauditoraten werden nogmaals gecontroleerd en komen overeen met het gegeven antwoord.

Bewustmaking en samenwerking vormen altijd positieve elementen wanneer overheidsinstellingen met elkaar interageren en hetzelfde doel nastreven, namelijk, zoals ook in dit geval, het algemeen welzijn. Ik kan het intensiever samenwerken tussen OCMW's en arbeidsauditoraten dan ook alleen aanmoedigen.

Wouter Raskin:

Ik dank u voor de rechtzetting, mevrouw de minister. Het kan gebeuren dat er hier en daar eens een vergissing in bepaalde cijfers sluipt. Dat is geen enkel probleem. Ik hoor u graag zeggen dat u het idee genegen bent om daarover te sensibiliseren. Ik heb helaas geen antwoord op mijn derde vraag gekregen. In welke mate zijn OCMW's vandaag verplicht om met het arbeidsauditoraat mee te werken als het effectief een onderzoek naar sociale fraude voert? We zitten daar met het beroepsgeheim van de maatschappelijk assistenten. In welke mate vormt dat een probleem? Ik heb daarop helaas geen antwoord gekregen. Ik weet niet of u mij dat zo kunt zeggen? Anders zal ik daarop moeten terugkomen.

De bijstand van deskundigen voor magistraten

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 23 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat deskundigenadvies bij straftoemeting al deels is verankerd in het huidige en toekomstige Strafwetboek (o.a. verplichte rapporten bij seksuele/terroristische misdrijven, psychologische risicotaxaties en probatie-adviezen), maar benadrukt dat de eindbeslissing bij de rechter blijft. Ze onderschrijft het belang van individuele, onderbouwde straftoemeting met input van psychologen/forensische experts, zonder de rechterlijke autonomie aan te tasten. Nieuw is de veralgemening van voorlichtingsrapporten (art. 31-32 nieuw SW) en vroegtijdige psychologische screening (sinds jan. 2024). Onderzoek naar meerwaarde bestaat, maar concrete resultaten worden niet genoemd.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, volgens het nieuw Strafwetboek, dat in april 2026 in werking treedt, zal een rechter meer toelichting moeten geven bij de strafmaat en de motivering beter moeten beargumenteren. Een straf moet niet alleen anticiperen op de publieke verontwaardiging, maar moet ook nog drie andere doelen hebben: herstel van de onrust in de samenleving, wat een verhaal van de slachtoffers is, de bescherming van de maatschappij en de re-integratie van de dader.

In een toch wel merkwaardig interview afgelopen weekend, waarvan ik aanneem dat u het ook gelezen hebt, van mevrouw Evelien de Kezel, raadsheer bij het hof van beroep te Brussel, lezen we: "Justitie is niet populair en kan ook niet populair zijn. We moeten uitleggen waarom we de beslissingen nemen die we nemen en waarom we aan bepaalde verwachtingen niet tegemoetkomen, waarom een verkrachter nog vrij op straat kan lopen, waarom een veroordeelde met elektronisch toezicht er niet gemakkelijk van afkomt, waarom iemand al dan niet schuldig is." De raadsheer pleit daarbij om meer bijstand van deskundigen in te roepen, bijvoorbeeld psychologen of forensische artsen, die de magistraten adviseren over de straftoemeting.

Ik citeer verder: "Wat zijn straffen die werken in een concreet geval? Justitie is veel te belangrijk om alleen aan magistraten over te laten." Ook lezen we: "We moeten niet naar een situatie evolueren waarin een vonnis of arrest kan weggezet worden als 'ook maar de mening van iemand'."

Mevrouw de minister, wat is uw standpunt betreffende dat toch wel opmerkelijk pleidooi voor bijstand van deskundigen? Bent u bereid om ter zake een initiatief te nemen? Dat zal weliswaar opnieuw erg veel kosten, daarvan hoef ik u niet te overtuigen.

Heeft er ooit reeds onderzoek plaatsgevonden naar de meerwaarde van de bijstand van deskundigen voor magistraten? Zo ja, wat waren de resultaten daarvan?

Annelies Verlinden:

Collega Dillen, dergelijke insteek is niet nieuw. In het huidige Strafwetboek is nu al voorzien dat magistraten zich kunnen laten informeren over de opportuniteit van de straf die zij overwegen op te leggen. Zij kunnen zich hiertoe richten tot de bevoegde diensten van de gemeenschappen, met de vraag om een beknopt voorlichtingsrapport of een maatschappelijke enquête op te stellen. Ik verwijs daarvoor naar de wettelijke kaders inzake de straf onder elektronisch toezicht, de werkstraf, de probatieopschorting en het probatie-uitstel. In het kader van de probatiewetgeving is tevens voorzien in de verplichting om het met reden omkleed advies in te winnen van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten, alvorens een probatiemaatregel op te leggen. In het nieuwe Strafwetboek is deze mogelijkheid veralgemeend tot het in artikel 31 voorziene voorlichtingsrapport. Artikel 32 voorziet eveneens in de verplichting van een advies van een deskundige of dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele of terroristische delinquenten indien de beklaagde of de beschuldigde wordt vervolgd voor een terroristisch misdrijf of een misdrijf tegen de seksuele integriteit of het seksuele zelfbeschikkingsrecht. Het nieuwe Strafwetboek voorziet ook in de verstrekking van een gespecialiseerd deskundigenadvies in het kader van behandeling onder vrijheidsberoving en de verlengde opvolging. Met de wet van 18 januari 2024 werd de mogelijkheid voor de procureur des Konings ingeschreven in artikel 43 van het Wetboek van strafvordering om een psychologisch onderzoek te bevelen door een deskundige, houder van de beroepstitel klinisch psycholoog, waarbij minstens een risicotaxatie wordt verricht, teneinde zich te vergewissen van het psychisch functioneren van een verdachte. Hierbij werd gesteld dat psychologisch onderzoek in een vroeg stadium inzicht kan geven in de verdachte, in zijn handelen, het gevaar, hoe dat te ondervangen en de nood aan behandeling. Het geeft de rechter adequate handvaten. Ik kan dus het pleidooi bijtreden dat het van groot belang is dat het OM in zijn vordering en de rechter in zijn beslissing kan worden bijgestaan door deskundigen en deskundige diensten die pertinente informatie verstrekken, waardoor tot een individuele straftoemeting kan worden gekomen. Vanzelfsprekend moet dit beperkt blijven tot handvaten en adviezen en is het aan de rechter om een gepaste straf op te leggen, rekening houdend met alle elementen en in het kader van het toekomstig Strafwetboek, met de strafdoelen zoals omschreven in artikel 27.

De noodzaak van een betere diagnose en behandeling van endometriose
Het beleid rond endometriose
Endometriose
Het actieplan voor een betere zorg voor endometriosepatiënten
Endometriose
Verbetering van endometriosezorg en beleid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale regering werkt aan een gestructureerd actieplan voor endometriose, gebaseerd op het KCE-rapport (2024) en een parlementaire resolutie (2023), met als kernpunten: gespecialiseerde endometrioseklinieken in elk ziekenhuisnetwerk (multidisciplinaire teams) en supraregionale expertisecentra voor complexe zorg, gekoppeld aan aangepaste nomenclatuurnummers voor betere financiering. Samenwerking met patiëntenverenigingen (o.a. *Toi Mon Endo*) en experten loopt sinds april 2024, met focus op snellere diagnose, taboedoorbreking, en opleiding van zorgverleners, maar concrete timing (doel: 2025) blijft onduidelijk, wat kritiek uitlokt op trage uitvoering. Versnipperde zorg en late diagnoses (7-10 jaar gemiddeld) moeten dringend worden aangepakt, met aandacht voor gelijke toegang—ook in Limburg—en sensibilisering op alle beleidsniveaus. Parlementariërs dringen aan op versnelde stappen, inclusief onderzoek naar vrouw-specifieke gezondheidskloven en betere afstemming met deelstaten.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, endometriose is een aandoening die duizenden vrouwen in ons land treft. Concreet lijdt dus één vrouw op tien in ons land eraan. De gemiddelde wachttijd tot een correcte diagnose bedraagt vandaag 7 à 10 tien jaar. De impact op levenskwaliteit, werk en mentaal welzijn is enorm. Endometriose gaat niet alleen gepaard met lichamelijk en psychisch lijden, maar leidt soms ook tot langdurige werkuitval en verminderde levenskwaliteit. Toch blijft de aandoening onderbelicht, ondanks het feit dat ze zoveel vrouwen treft.

In veel andere landen worden gespecialiseerde multidisciplinaire centra opgericht om de zorg te verbeteren. Verder is er ook te weinig sensibilisering en samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus om deze problematiek daadkrachtig aan te pakken. In Limburg, mijn provincie, is de toegang tot gespecialiseerde zorg beperkt, waardoor heel veel vrouwen noodgedwongen elders hulp moeten zoeken.

Welke initiatieven plant de federale regering om de diagnose en behandeling van endometriose te verbeteren? Zijn er plannen om gespecialiseerde referentiecentra op te richten in ons land, zoals in andere Europese landen? Hoe verloopt de samenwerking met de deelstaten, bijvoorbeeld op het vlak van sensibilisering en preventie? Zijn er specifieke inspanningen voorzien om de zorg en expertise rond endometriose uit te breiden in de provincie Limburg?

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, de collega heeft de situatie heel goed geschetst. Ik ga niet herhalen wat zij zei maar zal er wel een stukje op verder bouwen. We hebben in deze commissie en in plenum al een aantal keer over endometriose kunnen spreken. Deze commissie heeft trouwens aan het einde van de vorige legislatuur ook unaniem een resolutie goedgekeurd, met heel wat aanbevelingen over onder andere dataverzameling, de uitbouw van een goed zorgpad en expertisecentra. De vraag rees of die al dan niet aanwezig moeten zijn in elk ziekenhuisnetwerk. Heel veel vragen lagen hier op tafel.

Er kwam vorig jaar ook een KCE-rapport uit, met aanbevelingen. U zei toen dat u er snel mee aan de slag wilde gaan. Tijdens een debat in de verkiezingsperiode stelde u te willen komen met een plan van aanpak met concrete maatregelen, zodat de nieuwe regering snel aan de slag kon gaan. Ik weet wel dat de voorbije maanden daarvoor geen evidente periode waren.

Ongeveer twee weken geleden was er opnieuw een Werelddag Endometriose. De problematiek bestaat nog steeds.

Elke week hoor ik wel verhalen van vaak jonge mensen die jarenlang zoekende waren en medische ingrepen ondergingen, maar niet de juiste diagnose kregen.

Men kan zeggen dat endometriose de jongste twee jaren veel meer aandacht heeft gekregen, maar toch zien we op het terrein dat er nog heel veel onwetendheid is.

Ik verneem dus graag van u waar u staat met concrete actieplannen. Ik vermoed dat er weinig dingen zullen zijn die via het Parlement moeten passeren, maar het zou goed zijn om te weten hoever u concreet staat. Ik heb uit uw beleidsverklaring begrepen dat u overleg met de patiëntenorganisaties plant. Graag krijg ik een stand van zaken van de concrete plannen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik meen dat ik niet hoef te herhalen wat de beide collega's reeds gezegd hebben. Om de vergadering wat sneller te laten verlopen, zal ik verwijzen naar de ingediende vraag. Ik wil vooral de nadruk leggen op de vraag naar de stand van zaken in dit dossier.

Maart wordt gezien als de Endometriose Awareness maand met als kers op de taart 28 maart de dag tegen endometriose. Endometriose is een complexe en pijnlijke aandoening die ongeveer 1 op de 10 vrouwen in reproductieve leeftijd treft. De symptomen kunnen soms vaag zijn en verschillen van vrouw tot vrouw, waardoor patiënten niet beseffen dat het endometriose zou kunnen zijn. Maar ook voor artsen is het niet eenvoudig de aandoening te herkennen, net omdat de symptomen soms vaag zijn of gelinkt kunnen worden aan andere oorzaken. Het duurt daardoor vandaag gemiddeld 7-10 jaar vooraleer een diagnose wordt gesteld. Nochtans heeft endometriose een enorme impact op de levenskwaliteit van voornamelijk vrouwen.

Het KCE heeft er een rapport over afgeleverd en maatregelen aanbevolen en ook in de beleidsverklaring is er aandacht voor endometriose.

Bent u reeds aan de slag gegaan met de aanbevelingen uit het KCE-rapport?

Heeft u er over samengezeten met patiëntenverenigingen?

Welke aanbevelingen vinden zij prioritair?

Welke stappen zal u zetten om Endometriose aan te pakken?

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, le 28 mars a eu lieu la Journée mondiale pour la lutte contre l'endométriose. Sous la présidence législature, comme l'a rappelé ma collègue Nathalie Muylle, nous avons voté à l'unanimité une résolution pour une meilleure prise en charge de l'endométriose, qui pendant des décennies a été oubliée, négligée et qui touche pourtant une à deux femmes sur dix en Europe, soit près de 180 millions de personnes dans le monde.

Rappelons que la moyenne pour un diagnostic est de sept ans et que les conséquences physiques, mais aussi mentales et psychologiques sur la vie de ces jeunes femmes sont lourdes.

La résolution était un premier pas. Aujourd'hui, une demande est reprise dans l'accord de gouvernement: "Ce gouvernement élabore plus particulièrement un plan d'action pour l'endométriose qui pourra être mis en œuvre dans le courant de l'année 2025." Cette année est déjà bien avancée, mais c'est une nouvelle étape qui donne beaucoup d'espoir aux jeunes femmes.

Monsieur le ministre, pouvez-vous déjà nous donner les grandes lignes de ce plan d'action?

Avez-vous eu l'occasion, depuis la formation de ce gouvernement, de rencontrer à nouveau les associations qui sensibilisent à la maladie et à ses symptômes, comme l'ASBL Toi Mon Endo? Cette ASBL a d'ailleurs réalisé et projeté récemment un court métrage sur la maladie, qui est très éclairant.

Ces mêmes associations demandent la reconnaissance d'un statut propre à l'endométriose et une nomenclature spécifique pour la prise en charge. Cela fera-t-il partie du plan d'action? C'est également une recommandation du rapport du Centre Fédéral d’Expertise des Soins de Santé (KCE), dont nous aurons certainement encore l'occasion de discuter.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik sluit me aan bij een belangrijk debat dat nu weer in de kijker staat. Naar schatting treft endometriose een op de tien vrouwen. Toch blijft de ziekte nog altijd onbekend en onbegrepen bij het grote publiek en in de medische wereld. In onze maatschappij groeien veel vrouwen op met het idee dat pijn tijdens de menstruatie er gewoon bij hoort. Pijnstillers slikken en doorbijten is de boodschap die zij meekrijgen. De pijn veroorzaakt door endometriose, is echter allesbehalve normaal.

Tegelijkertijd ontbreekt het binnen de medische wereld vaak aan kennis en bewustzijn. Dat leidt tot laattijdige diagnoses en moeizame toegang tot de juiste zorg. We horen veel verhalen van vrouwen die van het kastje naar de muur worden gestuurd. Ze komen verschillende keren bij een gynaecoloog terecht, krijgen eerst foute diagnoses of verkeerde behandelingen. Gemiddeld duurt het zeven tot tien jaar vooraleer een vrouw de juiste diagnose van endometriose krijgt. Dat is zeven tot tien jaar van onnodige pijn en onbegrip.

Mijn vragen sluiten aan bij de vragen die andere sprekers al hebben gesteld. Ik verwijs ook naar het regeerakkoord, waarin staat dat er werk zal worden gemaakt van een actieplan, dat kan worden uitgerold in 2025. Hoe staat het daarmee? Wat zijn de concrete prioriteiten? Worden patiëntenorganisaties en experten betrokken bij de opmaak van dat plan?

Daarnaast is de zorg voor endometriose in België momenteel heel versnipperd. Er bestaan enkele bottom-upinitiatieven waarbij ziekenhuizen zelf endometrioseklinieken hebben opgericht. Er is dus een groot verschil tussen de ziekenhuizen in aanpak en expertise. Wilt u werk maken van erkende endometrioseklinieken en gespecialiseerde referentiecentra, zoals die ook in het buitenland al bestaan?

La présidente : Quelqu'un souhaite-t-il encore intervenir dans ce débat? (Non)

Vous avez la parole, monsieur le ministre.

Frank Vandenbroucke:

Geachte leden, endometriose is inderdaad een ziekte die duizenden vrouwen in ons land pijnlijk treft en die lange tijd onderbelicht is gebleven. Ik denk dat wij het erover eens zijn dat dat, jammer genoeg, geen toeval is, maar dankzij de resolutie van het federaal Parlement van april 2023 en het rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) van 2024 zijn we nu wel in staat om belangrijke stappen vooruit te zetten om de zorg voor mensen die lijden aan endometriose te verbeteren.

Het rapport van het KCE bevestigt dat de zorg versnipperd is en dat ziekenhuizen sterk verschillen in hun aanpak en expertise, zoals daarnet nog werd gezegd. We werken om die reden aan een zorgmodel met twee niveaus: endometrioseklinieken binnen elk ziekenhuisnetwerk en supraregionale expertisecentra voor complexe ingrepen en gespecialiseerde zorg.

Om patiënten beter en sneller te diagnosticeren en te begeleiden, stelt het KCE voor om in elk ziekenhuisnetwerk een kliniek voor endometriose en chronische bekkenpijn op te richten. In die klinieken zal een multidisciplinair team samenwerken, bestaande uit gynaecologen, vroedvrouwen, gespecialiseerde verpleegkundigen, psychologen, fertiliteitsartsen, radiologen en kinesitherapeuten. Dat garandeert een efficiënte en vooral een geïntegreerde zorgaanpak. Daarnaast is het doorbreken van het taboe rond endometriose essentieel, net als de opleiding van de zorgverleners. Sensibilisering en educatie van eerstelijnszorgverleners, zoals de huisartsen, zijn van groot belang.

Om zowel de expertise als de kwaliteitszorg te garanderen en een Belgische aanpak van endometriose echt concreet te maken, werken we sinds april 2024 samen met experten en patiëntenverenigingen in een werkgroep, die onder andere bestudeert welke voorwaarden voor de erkenning van endometrioseklinieken en referentiecentra op punt moeten worden gesteld. De werkgroep buigt zich ook over aangepaste nomenclatuurnummers die recht doen aan de complexiteit van endometriose-ingrepen. We zijn dus aan de slag met de aanbevelingen van het KCE-rapport.

Misschien zal ik nog eens, ten overvloede, samenvatten wat dat rapport zei. De aanbevelingen benadrukken vooral de noodzaak van een snellere diagnose, een betere multidisciplinaire aanpak en een gelijke toegang tot gespecialiseerde zorg. Ook vragen de aanbevelingen aandacht voor de terugbetaling van noodzakelijke behandelingen en onderzoeken.

Mijn kabinet werkt verder aan de oprichting van endometrioseklinieken, de versterking van opleidingen en het ontwikkelen van aangepaste nomenclatuurnummers.

We zijn dus inderdaad belangrijke stappen aan het zetten om de zorg voor vrouwen met endometriose te verbeteren en de versnippering tegen te gaan.

Mon cabinet travaille depuis avril 2024 en collaboration avec les associations de patientes, entre autres l'association Toi Mon Endo , et les experts sur les recommandations du rapport du KCE paru l'an dernier. Ce rapport insiste notamment sur la nécessité d'un diagnostic plus rapide pour limiter l'errance médicale actuelle.

Le rapport pointe aussi le besoin d'une meilleure approche multidisciplinaire et d'un accès égal aux soins spécialisés. Il attire également l'attention sur le remboursement des traitements et examens nécessaires. Mon cabinet poursuit donc ses travaux sur la mise en place de cliniques de l'endométriose spécialisées, sur le renforcement des formations et sur la question d'une nomenclature adaptée pour le traitement de l'endométriose.

Ce sont des travaux importants et vraiment nécessaires pour améliorer notre prise en charge de l'endométriose, une maladie encore trop peu connue qui inflige de grandes souffrances aux femmes qui en sont atteintes.

Funda Oru:

Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoord en de inspanningen die u zult leveren.

Ik probeer heel vaak te communiceren met mijn volgers over wat wij hier in deze commissie doen. Ik krijg dan heel vaak vragen van jonge vrouwen over de behandeling van endometriose. Ik ben dan ook blij dat ik hen nu duidelijk zal kunnen antwoorden dat we met onze minister en ons beleid duidelijke stappen zullen zetten om de behandeling te verbeteren en het beter te erkennen in de toekomst.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord en uw goede aanpak. De bouwstenen van het KCE-rapport en de resolutie zitten er echt wel in: de gelaagdheid door te werken met endometrioseklinieken dichtbij de patiënten en de expertise die we zullen opbouwen door de concentratie van de zorg.

We willen ook het taboe doorbreken, want dat heerst nog sterk. Opleiding en educatie zijn dus echt wel cruciaal, net als de nomenclatuur. We hebben immers vroeger moeten vaststellen dat er een heel beperkte nomenclatuur was, waardoor lange chirurgische ingrepen vaak niet werden uitgevoerd. Er stond namelijk veel te weinig of zelfs geen financiering tegenover. Het feit denk ik dat u dat nu allemaal opneemt en dat u dat ook doet met de juiste stakeholders in het debat is goed.

U kent mij natuurlijk wel een beetje. Ik durf ook wel te vragen naar een timing. We hebben daarover in het regeerakkoord immers een ambitie uitgesproken, namelijk 2025. Het gaat echter niet over het regeerakkoord, noch over ons. Het gaat over die duizenden vrouwen. Zelfs met de erkenning zal de af te leggen weg nog steeds heel lang zijn. Men zal namelijk nog moeten worden toegeleid naar die centra en de juiste diagnoses krijgen.

Mijn vraag is dan ook om eraan verder te werken. Ik geloof ook dat u dat zult doen om snel tot die erkenning over te gaan, zodat we, zoals u zei, een vliegende start kunnen nemen voor die duizenden vrouwen.

Dominiek Sneppe:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Ik treed mevrouw Muylle bij dat er weinig over timing is gezegd. U hebt nog eens naar het KCE-rapport verwezen, een zeer mooi rapport met heel wat aanbevelingen. Het siert u dat u die aanbevelingen ernstig neemt, maar ik heb de indruk dat we nog altijd in de fase van samenzitten en spreken zitten en dat er nog weinig concreets gebeurt.

We volgen dit verder op. We hopen dat het niet bij loze beloften blijft, maar dat nog in 2025 echt concrete stappen naar meer sensibilisering over dit thema, naar het oprichten van expertisecentra en dergelijke meer worden gezet, zeker voor de vele vrouwen met endometriose. Mijnheer de minister, zorg dus voor een timing die ervoor zorgt dat er dit jaar nog, in 2025, we zijn al bijna halfweg, iets concreets uit de bus komt.

Florence Reuter:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses encourageantes et rassurantes. Je suis ravie d'entendre que vous avez pris cette résolution très au sérieux, car elle a véritablement été le déclencheur de la prise en charge du rapport du KCE.

La mise en place du groupe de travail, la reconnaissance de cliniques de l'endométriose ainsi que l'amélioration du délai de diagnostic sont des avancées essentielles pour ces jeunes femmes.

Même si la prévention relève des compétences des Régions, avez-vous des contacts avec les autres niveaux de pouvoir pour intensifier cette sensibilisation étant donné que cette maladie est encore fort méconnue, notamment chez les jeunes?

Deux axes sont particulièrement importants: d’une part, il faut briser les tabous qui entourent cette maladie et d’autre part, il y a l'aspect de la prise en charge sur lequel vous travaillez actuellement.

Nous suivrons évidemment ce dossier. Nous espérons qu'à l’occasion de la prochaine journée mondiale de lutte contre l’endométriose, des mesures fortes pourront être annoncées afin de soulager et aider toutes ces jeunes femmes.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor een aantal positieve punten inzake de expertisecentra en de taboedoorbrekende sensibilisering. Dat zijn een aantal pijnpunten die u wilt aanpakken.

Ik sluit me aan bij de andere vraagstellers. Qua timing is het belangrijk dat we meer in detail treden, zeker aangezien in het regeerakkoord staat dat het actieplan een plan voor 2025 is. Dat moet dus concreet worden uitgewerkt.

Ten slotte, u bent uw antwoord zelf begonnen met aan te geven dat het thema al jaren onderbelicht is. U voegde eraan toe dat die onderbelichting geen toeval is. Het is effectief nuttig om ons daarover nader te buigen. Endometriose staat daarin immers niet alleen. Er is algemeen meer onderzoek gedaan naar kaalheid bij mannen dan naar de werking van het vrouwelijk lichaam. Onlangs hebben wij de discussies gehad over pijn bij de plaatsing van het spiraal of bij vulvodynie, die ondergediagnosticeerd en te weinig onderzocht is. Het is dus belangrijk dat we op dat vlak de taboes doorbreken en blijven zoeken naar de reden van de gezondheidskloof tussen mannen en vrouwen en naar de manier waarop wij op dat vlak verdere stappen kunnen zetten, niet enkel voor endometriose maar ook voor veel andere zaken die specifiek vrouwen treffen.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik heb goed naar uw antwoord geluisterd. Wat u niet hebt aangehaald, zijn de interministeriële afspraken die werden gemaakt tussen de Vlaamse en de federale overheid, waarbij sensibilisering een belangrijk gegeven is. Ik blijf me ongerust maken over de lange zoektocht van de patiënten. We moeten echt naar een snellere diagnose. Dit is en blijft een enorme uitdaging waaraan moet worden gewerkt. Hoe zult u in dat globale antwoord dat u hebt gegeven, naast de expertisecentra en de endometriosecentra dichtbij, het onderzoek naar therapieën, medicatie en behandeling faciliteren en stimuleren? We hebben in de voorbije legislatuur gewerkt aan onderzoek naar kwalen die nu eenmaal meer voorkomen bij vrouwen dan bij mannen, en we moeten daarop een antwoord formuleren en dat onderzoek stimuleren. U hebt het nomenclatuurnummer aangehaald. Ook daar wil ik de collega's bijtreden wat betreft de timing. Het lijkt me heel ambitieus om al tegen eind 2025 een nomenclatuurnummer te hebben. Ik hoop dan ook dat u daar voluit voor gaat, zodat we al die patiënten een antwoord kunnen bieden in die multidisciplinaire context.

De toekomst van de farmaceutische industrie in ons land

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België’s farmasector – cruciaal voor economie (24 mjd export naar VS) en innovatie – staat onder druk door Trumps plannen voor invoertarieven (25%) en productieverplaatsing naar de VS, wat waardeketens verstoort, patiënten in gevaar brengt en investeringen bedreigt. Minister Vandenbroucke waarschuwt voor economische schade en pleit voor een Europese strategie (samen met EFPIA en Commissie) om tarievenoorlogen te vermijden, maar benadrukt dat België’s eigen budgetmaatregelen (80 mln afroming + ethisch toezicht klinische proeven) noodzakelijk en overlegd zijn om gezondheidszorg betaalbaar te houden. De Knop hamert op kwetsbaarheid van de sector en vreest dat extra belastingen de "pharma valley" in een "woestijn" doen omslaan, terwijl Vandenbroucke de economische minister en EU als sleutelactoren ziet voor een oplossing. Kern: balans zoeken tussen budgettaire beheersing en behoud van farmainvesteringen te midden van Amerikaanse en interne druk.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, een aantal weken geleden werden we opgeschrikt door een aantal wilde plannen van de nieuwe Amerikaanse president Donald Trump. In een van die communicaties hebben we ook vernomen dat het zijn intentie was om de productie van de Amerikaanse farmabedrijven terug te halen naar de Verenigde Staten, om op die manier ook invoertarieven te vermijden.

Nu is het zo dat wij heel wat Amerikaanse farmabedrijven in ons land hebben, die duizenden mensen te werk stellen en die met hun klinische proeven ook patiënten vroegtijdig tot innovatieve geneesmiddelen toegang kunnen verlenen. Een kwart van onze export van farmaceutische producten gaat bovendien ook naar de Verenigde Staten. Met de export is de VS goed voor 24 miljard euro of bijna een vierde van de totale uitvoer. Het is dus een zeer essentiële sector voor ons land.

Omdat België een groot farmaland is, is ons land ook bijzonder kwetsbaar. De farmaceutische sector stond al onder druk, omdat Europa en dus ook België op het vlak van innovatie steeds vaker door Aziatische landen en door de Verenigde Staten worden voorbijgestoken. Er wordt gevreesd dat door het Amerikaanse beleid toekomstige investeringsbeslissingen ook onder druk zullen komen te staan. Dat heeft dan weer een impact op de mate waarin wij als land een rol kunnen spelen op het vlak van innovatieve geneesmiddelen, zoals cel- en gentherapie, waardoor onze achterstand groter dreigt te worden.

Om de farma-industrie in ons land te wapenen tegen de maatregelen van de Verenigde Staten, is het dus essentieel dat we een strategie uitstippelen. Pharma.be heeft daarom aan u gevraagd om samen te zitten met alle regeringen in ons land om die strategie vorm te geven, mijnheer de minister.

Ondertussen hebben we ook kennisgenomen van het paasakkoord van de regering-De Wever. We vernemen dat de federale regering extra bijdragen aan de farmasector vraagt om het gezondheidsbudget op koers te houden. De omzet wordt met 80 miljoen euro afgeroomd. Farmabedrijven moeten voortaan ook het ethisch toezicht op de klinische proeven bekostigen.

Kortom, mijnheer de minister, de farmasector in ons land staat meer dan ooit onder druk door de onzekerheden die het beleid van Donald Trump met zich brengt. Ook door het eigen beleid van de federale regering is het echter belangrijk uiterst waakzaam te blijven voor de gevolgen daarvan. Daarom heb ik de hiernavolgende vragen aan u.

Ten eerste, hoe schat u de impact in van het beleid van Donald Trump met betrekking tot de mogelijke invoertarieven en de mogelijke terugkeer van Amerikaanse bedrijven naar de Verenigde Staten op onze farmaceutische sector, zowel op het vlak van het geneesmiddelentekort als het aantal klinische proeven en de financiële bijdragen die de farmasector levert aan onze ziekteverzekering via de verschillende heffingen, alsook op de gehele economie?

Ten tweede, bent u bereid in te gaan op de vraag van pharma.be om met alle regeringen in ons land een strategie uit te werken om de Amerikaanse farmaceutische bedrijven maximaal in ons land te kunnen houden?

Ik kijk erg uit naar uw antwoord.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ten eerste, ik deel uw grote bezorgdheid. Tarieven heffen op farmaproducten is een uitermate dwaas idee. Er wordt een belasting geheven – er wordt van 25 % gesproken – op producten die mensen nodig hebben als patiënt. Dat is bijzonder schadelijk, mogelijks voor de Belgische economie en vooral ook voor de Amerikaanse patiënten zelf. Zeker op korte termijn kan die heffing aanzienlijke schade aanbrengen aan de Amerikanen, want ofwel gaan de prijzen van hun medicijnen drastisch omhoog ofwel trekken producenten zich terug uit de Amerikaanse markt. Geen enkele producent zal die 25 % gewoon van zijn eigen winstmarge aftrekken.

Ik ben echter terecht bezorgd. In die heffing schuilt ook een groot gevaar voor ons en voor onze patiënten. De trans-Atlantische waardeketens van de medicijnen zijn heel geïntegreerd. Tijdens COVID-19 was al merkbaar dat de mRNA-vaccins en de vaccins van Johnson & Johnson meerdere keren de oceaan overstaken vooraleer het finale product er was. Uit anekdotiek weten wij ook dat dat voor nog meer producten het geval is. Denk bijvoorbeeld aan iets wat veel in de pers is geweest, namelijk de CAR-T-behandelingen. Bij een tarievenoorlog in de farmasector worden de waardeketens dus totaal verstoord, met dramatische gevolgen voor de patiënten aan beide zijden van de oceaan.

Het invoeren van tarieven betekent overigens niet dat producenten zomaar vanuit de EU naar de VS zullen verhuizen, waar het economisch beleid nu werkelijk onvoorspelbaar is geworden. Ik denk dat het resultaat eerder kan zijn dat producten voor de VS-markt in de VS geproduceerd zullen worden en de rest in Europa.

Men zou kunnen denken dat we dan nog meer investeringen zouden aantrekken uit de VS. Dat is ook al beperkt gebeurd tijdens de covidpandemie. Doordat de VS exportrestricties had opgelegd, werd Europa, en meer bepaald België, uiteindelijk de fabriek van de wereld voor covidvaccins. Is dat nu een reden om daarnaar uit te kijken? Neen, absoluut niet, maar wat ik zeg, is dat het feit dat Europa een open en een betrouwbare handelspartner is, ons aantrekkelijk maakt als regio om in te investeren.

U hebt gelijk, we moeten strategisch goed nadenken, maar ik voeg er meteen aan toe dat het niet zozeer de minister van Volksgezondheid is, maar wel de minister van Economie die hier op de eerste plaats aan zet is. De schade die onmiddellijk dreigt aangericht te worden, is immers economische schade voor onze bedrijven, schade voor patiënten in de VS en in tweede orde schade voor patiënten bij ons.

Overigens hebben we dan niet alleen een Belgische economische en industriële strategie nodig, maar ook een Europese. We staan in heel nauw contact met Pharma.be en met EFPIA, de Europese koepelorganisatie, om goed te kunnen inschatten welke risico's een tarievenoorlog met zich zou meebrengen. We hebben ook al aan de Europese Commissie, de FOD Buitenlandse Zaken en de FOD Economie gesignaleerd dat we te allen prijze moeten vermijden in een tarievenoorlog terecht te komen. Onze diplomaten staan daarover in contact met het hoogste niveau binnen de Europese Commissie.

Indien de Europese Commissie op een zeker moment tegenmaatregelen zou nemen als reactie op beslissingen van president Trump - als dat nodig is, dan moet dat gebeuren - dan moet ze dat wel doen op andere producten dan geneesmiddelen. Dat is al eens eerder gebeurd, toen de vorige Trumpadministratie tarieven had ingevoerd op bepaalde Europese producten. De Europese Commissie heeft toen tegenmaatregelen genomen met dezelfde waarde, maar niet noodzakelijk op dezelfde producten. Er werden toen producten geviseerd die belangrijk waren voor de Amerikaanse economie, vooral voor Republikeinse staten, waarvoor Europa een belangrijke afzetmarkt is. Indien president Trump onze farmasector zou viseren, dan moeten wij niet noodzakelijkerwijs dezelfde sector viseren.

Het debat over de nauwe opvolging van kritieke tekorten van kritieke geneesmiddelen leunt hierbij aan. Daarop zal ik nu niet uitvoerig ingaan, omdat het al aan bod is gekomen bij andere gelegenheden. We ontwikkelen daarrond een uitgebreid Europees beleid. Ook dat debat gaat over onze kwetsbaarheid door een overdreven afhankelijkheid voor belangrijke geneesmiddelen.

Ik wil nog een element toevoegen over ons eigen beleid, omdat u dat ook aanstipte. Het is niet gemakkelijk, maar wel nodig om de farmaceutische sector te vragen inspanningen te leveren om de overschrijding van ons budget voor gezondheidszorg met 80 miljoen euro in te dijken.

Ten eerste hebben we dat beslist na overleg met de farmaceutische sector, die daarvoor niet applaudisseert, maar toch enig begrip heeft.

Ten tweede is dit beleid om een overschrijding, die niet gewenst en niet gepland was, teniet te doen. Met andere woorden, wat voorspelbaar moest zijn, namelijk een gegeven budget en een gegeven stijging van een budget, dat blijft zo. Het is de afwijking van wat voorspeld was en voorspelbaar moest zijn, waarvan we vragen ze deels te compenseren. U mag dus niet stellen dat we een beleid van onvoorspelbaarheid voeren. We voeren een beleid van beheersing van budgetten binnen afgesproken paden. Dat wil niet zeggen dat dat gemakkelijk is, maar het is niet hetzelfde als onvoorspelbaarheid organiseren.

We hebben inderdaad beslist om voor een zeer beperkt bedrag naar de situatie van enkele jaren geleden terug te keren, maar dat is toch enigszins een andere kwestie. Daarbij staat de farmaceutische industrie zelf in voor de bekostiging van wat nodig is om clinical trials ethisch correct te laten verlopen. Die clinical trials zijn rechtstreeks in het belang van de industrie en natuurlijk ook in het belang van iedereen. We vragen dus een heel kleine bijdrage om de ethische comités te financieren, zoals dat vroeger ook het geval is geweest.

Ik denk ook niet dat dat ons beleid nu onvoorspelbaar of onevenredig zou maken.

Irina De Knop:

Ik leid af uit uw antwoord dat u ook zeer bezorgd bent over de mogelijke gevolgen van het beleid dat in de VS momenteel wordt gevoerd voor de farmasector in ons land. We kunnen dan ook niet onder stoelen of banken steken dat die farmasector voor ons een cruciale sector is, zowel voor onze economie als voor onze werkgelegenheid. Ik blijf bij mijn standpunt dat we bijzonder voorzichtig moeten zijn met het nemen van bijkomende maatregelen die deze sector financieel bezwaren, zoals u gedaan hebt met de 80 miljoen euro, die zij nu eenmalig - zo zegt u - zullen moeten bijpassen en met betrekking tot de eigen financiering van de clinical trials . Dat is een zeer broos evenwicht. Wij zijn nu een pharma valley en we moeten er alles aan doen opdat we geen farmawoestijn worden. Bedankt voor uw antwoorden.

Specifieke gezondheidszorg voor vrouwen

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke benadrukt dat vrouwspecifieke gezondheidszorg (o.a. menopauze, endometriose, anticonceptie) prioriteit krijgt via een werkgroep menopauzebeleid, KCE-onderzoek (o.a. endometriose-studies) en betere dataverzameling, maar concrete maatregelen blijven beperkt tot afwachting van rapporten. Sneppe kritiseert het gebrek aan actie en concrete plannen buiten bestaande dossiers (endometriose, menopauze), noemt het antwoord "mager" en dringt aan op snellere stappen, inclusief intersectionele dataverzameling en opleidingsintegratie via interministerieel overleg. De minister wijst opleidingen af als deelstatelijke verantwoordelijkheid, terwijl Sneppe coördinatie via de IMC eist. Kernpunt: systematische gendergerichte gezondheidszorg ontbreekt nog grotendeels.

Dominiek Sneppe:

Meer en meer wordt benadrukt dat het vrouwenlichaam anders reageert op geneesmiddelen, dat vrouwen gevoeliger zijn voor bepaalde aandoeningen dan mannen en dat symptomen bij vrouwen zich anders uiten dan bij mannen. Op Internationale Vrouwendag, 8 maart, was het de gelegenheid om daarvoor extra aandacht te hebben. Nog te vaak worden gezondheidsproblemen bij vrouwen immers niet of te laat gediagnosticeerd, met alle gevolgen van dien.

Hoewel dit probleem tegenwoordig gelukkig vanuit verschillende hoeken op de agenda wordt gezet, dient naar onze mening een serieus tandje bijgestoken te worden. Ik heb dan ook de volgende vragen, mijnheer de minister.

Welke maatregelen worden nu reeds genomen om meer aandacht te hebben voor vrouwspecifieke gezondheidsproblemen? Welke vrouwspecifieke gezondheidsproblemen krijgen prioriteit en hoe worden deze prioriteiten bepaald? Hoe zult u wetenschappelijk onderzoek naar dergelijke problemen stimuleren?

Welke stappen zult u nemen om meer data te verzamelen over de impact van hormonale veranderingen op ziekten, zodat behandelingen hieraan kunnen worden aangepast? Zult u, ten slotte, in samenspraak met de deelstaten of tijdens de interministeriële conferentie geslachtsspecifieke geneeskunde een plaats geven in opleidingen en richtlijnen? Zult u het daarover hebben?

Frank Vandenbroucke:

Sciensano heeft in april 2024 een rapport gepubliceerd over de gezondheid van vrouwen, waarin u een stand van zaken vindt over wat al dan niet beschikbaar is aan gegevens over gezondheidsproblemen die specifiek zijn voor vrouwen, maar ook over gezondheidsproblemen die op een andere manier bij vrouwen optreden. Dat rapport bevestigt het belang van de verbetering van de gezondheid van vrouwen om de vooruitgang in de volksgezondheid te ondersteunen.

Het rapport legt ook de nadruk op een aantal punten. Om te beginnen zijn vrouwen in België over het algemeen wel gezond, maar er blijft een leemte bestaan, onder meer door invaliderende chronische problemen die een impact hebben op de levenskwaliteit. Wat sommige aspecten van de gezondheid van vrouwen betreft, ontbreken gegevens, omdat ze soms moeilijk toegankelijk, analyseerbaar en bruikbaar zijn. Dat heeft dan natuurlijk een impact op het beleid dat we kunnen voeren om vrouwen te ondersteunen. Sommige gegevens bestaan volgens dat rapport van Sciensano wel, maar zijn moeilijk te gebruiken of hergebruiken. Ten slotte meent het rapport dat er dus die genderdimensie is, maar dat men ook moet kijken naar de levenscyclus in een intersectionele benadering.

Met dat op de achtergrond besliste de IMC op 4 december 2024, op mijn voorstel, om een werkgroep te creëren om over een beter menopauzebeleid na te denken. Het is een werkgroep die in de schoot van de IMC door onze ambtenaren wordt gecoördineerd, die verenigd zijn in het zogenaamde interadministratieve platform. We wachten eigenlijk op de conclusies van die werkgroep om concrete maatregelen te nemen om een beter menopauzebeleid te voeren. In het begin van de namiddag hadden we het ook al over endometriose. Dat is ook een zeer relevant voorbeeld, denk ik.

In uw volgende vraag had u het over prioriteiten. Ik heb er al twee gegeven: menopauze en endometriose. Ik zou ook willen verwijzen naar een betere terugbetaling van anticonceptie. Dat gaat niet over ziekte, maar wel over aandacht voor de positie van vrouwen in de ziekteverzekering. Dat vindt u ook terug in het regeerakkoord.

Ik denk dat het belangrijk is om goed te luisteren naar vrouwelijke patiënten, naar vrouwelijke burgers. We zouden dat moeten doen in heel wat domeinen van de gezondheidszorg, ook in de meer algemene plannen zoals het kankerplan en het te ontwikkelen cardiovasculair plan. Ik denk dat het belangrijk is om goed te beseffen dat er belangrijke verschillen tussen vrouwen en mannen zijn.

U had ook een vraag over het wetenschappelijk onderzoek. Bij niet-commerciële studies die door het KCE Trials-programma worden gefinancierd, wordt bijzondere aandacht aan deze dimensie besteed, eigenlijk vanaf de selectie en de beoordeling van alle studieprotocollen tot en met de publicatie van de resultaten. Specifiek in 2024 lanceerde men met KCE Trials ook een thematische oproep voor projecten inzake endometriose. In het algemene studieprogramma besteedt het KCE ook regelmatig aandacht aan vrouwspecifieke onderwerpen. Endometriose is daar een voorbeeld van. Ik heb net al uitgelegd dat we dat ook echt in beleid willen omzetten.

Eind van dit jaar plant het KCE ook de publicatie van de Health Technology Assessment, een evaluatie van de uitbreiding van screening naar borstkanker. Die studie heeft als doel om de voordelen van de eventuele uitbreiding of de huidige borstkankerscreening af te wegen tegen de nadelen met betrekking tot de klinische doeltreffendheid en kosteneffectiviteit, als men de borstkankerscreening verder zou uitbreiden.

Ook dat is belangrijk om de vrouwen in onze samenleving zo goed mogelijk te bedienen.

Welke stappen zult u ondernemen op het vlak van dataverzameling? Ik heb al verwezen naar de werkgroep Menopauze die ter zake een duidelijk mandaat heeft gekregen.

U had, ten slotte, een vraag over opleiding en onderwijs. Die vraag is heel specifiek een bevoegdheid van de deelstaten. Ik stel voor dat u de vraag laat stellen in het Vlaams Parlement aan de bevoegde collega-minister.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is echter een mager antwoord. Uiteraard is endometriose heel belangrijk. Wij hebben het debat daarover daarnet gehad. Het menopauzebeleid is ook heel belangrijk. Wij hebben daarover zelfs een resolutie hangende hier in de commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen. Op dat vlak zult u dus zeker op onze steun kunnen rekenen, maar dat is het dan ook. Alle begin is natuurlijk moeilijk, maar het gaat om twee onderwerpjes die hier worden belicht. Voor het overige is er nog maar weinig tot niets gebeurd. Het wetenschappelijk onderzoek lijkt mij ook maar een mager beestje te zijn. Ook over dataverzameling brabbelt u iets, maar eigenlijk horen wij daarover ook heel weinig, zoals over heel wat cijfermateriaal. Dat is hier inderdaad vaak een moeilijk thema. Ik ben niet erg tevreden over uw antwoord. U praat wat rond de hete brij heen en vertelt niets concreet, behalve over endometriose, een dossier dat al van de vorige legislatuur dateert, en over het menopauzebeleid. Wij moeten nog afwachten wat dat met zich zal brengen. Ook op dat punt was u immers niet heel concreet. Het klopt dat opleiding een deelstatelijke bevoegdheid is. Daarom verwijs ik ook naar de interministeriële conferentie, waarop u dat misschien wel op de agenda kunt plaatsen en daarover met uw collega-ministers kunt spreken. U kunt het daar misschien bovenaan de agenda laten prijken in plaats van rond de hete brij heen te dansen en wat wollige praat te verkopen.

Een uniforme crisiskaart binnen de geestelijke gezondheidszorg

Gesteld door

lijst: CD&V Els Van Hoof

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Els Van Hoof pleit voor een uniforme crisiskaart in de geestelijke gezondheidszorg, een compact document dat zorgverleners en omstaanders helpt accurate interventies te bieden tijdens psychotische crises, inclusief medicatie- en zorgafspraken. Minister Vandenbroucke bevestigt het nut ervan, maar België heeft nog geen nationaal model—wel lopen er lokale initiatieven (bv. via *psychosenet.be*) en zal hij werkgroepen (107/GGKJ) bevragen over standaardisatie. Van Hoof benadrukt dat zo’n kaart ook de omgeving begeleidt om crises niet te verergeren en hoopt op een concreet voorstel uit de overlegorganen.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, wanneer men in een crisissituatie terechtkomt en psychische problemen heeft, is het van belang dat omstaanders of zorgverleners op een accurate manier kunnen ingrijpen. In de geestelijke gezondheidszorg, en vooral bij psychoses, wordt er dan ook steeds meer gewerkt met een zogenaamde crisiskaart. Dat is een klein document, te vergelijken met een bankkaart, dat in de portefeuille zit en waarop onder andere staat welke afspraken men heeft gemaakt met bijvoorbeeld de zorgverlener over de manier waarop men dient op te treden, wat de noden zijn en welke medicijnen er misschien noodzakelijk zijn.

Het Vlaams Patiëntenplatform vraagt daarom ook werk te maken van een uniforme crisiskaart in de geestelijke gezondheidszorg. Het feit dat mensen het herkennen, draagt immers ook bij tot de effectiviteit van het instrument.

Persoonlijk vind ik dat een sterk idee. Hebt u die vraag ook al gekregen? Wordt er werk gemaakt van zo'n uniforme crisiskaart en welke stappen werden eventueel al ondernomen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Van Hoof, we zijn het er erg over eens dat crisisinterventie in de geestelijke gezondheidszorg nog een belangrijke werf is waar verbetering en investeringen nodig zijn. Het is daarbij onder meer van vitaal belang dat professionals snel toegang krijgen tot de informatie die ze nodig hebben om effectief in te grijpen bij een patiënt in een crisissituatie, met respect voor diens behoeften en eigenheid. Ik ben het met u eens dat de crisiskaart een waardevol instrument is in zo'n context, omdat men mensen op die manier beter kan helpen, rekening houdend met hun eigen kenmerken en voorkeuren.

België heeft nog geen uniform model dat vergelijkbaar zou zijn met wat in Nederland bestaat, maar er zijn al innovatieve praktijken en gelijkaardige initiatieven in sommige netwerken voor geestelijke gezondheidszorg. In België werken ook steeds meer ziekenhuizen met een crisiskaart. Ik verwijs daarvoor ook naar de website psychosenet.be, waar u informatie vindt over de crisiskaart.

Ik ben me dus goed bewust van de voordelen die een crisiskaart zou kunnen bieden voor alle diensten die actief zijn in de projecten van crisis- en urgentiezorg, maar het vraagt toch wel enige reflectie om echt een uniform model op nationaal niveau te kunnen realiseren. Ik zal de werkgroepen die daarover actief zijn in het overlegorgaan 107 en de commissie GGKJ bevragen over de nood om een meer uniforme crisiskaart op te stellen en de manier waarop we het gebruik daarvan als een praktijkstandaard kunnen introduceren en ook opvolgen.

Els Van Hoof:

Dank u wel, mijnheer de minister. U verwijst terecht naar psychosenet.be, waar men de crisiskaart op de website vindt. Ik denk dat dat terecht is voor dergelijke pathologieën, omdat weinig mensen daarmee bekend zijn. Het gaat niet alleen om hoe professionals moeten reageren, maar ook om hoe de omgeving die ermee wordt geconfronteerd accuraat kan optreden om de situatie niet te verergeren. Ik denk dat het een nuttig model zou kunnen zijn. Het wordt ook gevraagd door het Vlaams Patiëntenplatform. Het is goed dat u het ter sprake brengt in de daartoe voorziene werkgroepen. Hopelijk komt men met een sterk voorstel waarmee men aan de slag kan.

De erkenning van en de zorg voor longcovidpatiënten
De 'ligbetoging' van longcovidpatiënten
Langdurige gevolgen van COVID-19 en patiëntenbelangen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België heeft sinds 2022 een INAMI-conventie voor long covid met 2.446 behandelplannen (vooral kinesitherapie), maar patiënten voelen zich niet erkend en kampen met onvoldoende toegang tot multidisciplinaire zorg door tekorten aan gespecialiseerde zorgverleners en gebrek aan diagnosevergoedingen. Minister Vandenbroucke benadrukt aanpassingen in 2024 (o.a. vereenvoudigde diagnose door huisartsen) en lopend wetenschappelijk onderzoek (KCE-studies), maar erkent dat praktische uitvoering (bv. bekendmaking bij artsen) nog tekortschiet. Patiëntenorganisaties en parlementariërs eisen versnelde actie: betere erkenning, financiële steun, en concrete oplossingen voor de kloof tussen beleid en dagelijkse realiteit, ondanks positieve stappen zoals werkgroepen met stakeholders.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, cinq ans après le premier confinement, des milliers de Belges continuent de souffrir d'une infection post-covid qui les prive de leurs capacités à travailler, à étudier ou même à mener une vie normale. Fatigue intense, essoufflement, troubles cognitifs sévères, ces symptômes persistants les plongent dans une détresse physique, psychologique et sociale. Et pourtant, ces patients peinent à être reconnus par notre système de santé et à bénéficier d'un accompagnement adéquat.

L'Organisation mondiale de la Santé (OMS) estime que 6 % des personnes contaminées par le covid-19 développent un covid long. Pour ce qui est de la Belgique, au moment du dépôt de ma question, Sciensano ne disposait pas d'estimation, mais entre-temps, il semble que des chiffres aient été communiqués. Vous pourrez certainement nous en dire un peu plus.

Ces malades demandent aujourd'hui des avancées concrètes: plus de recherche, une reconnaissance officielle de leur pathologie, des soins spécialisés et un accompagnement social et financier adapté.

Monsieur le ministre, comment peut-on aujourd'hui justifier le manque de données par rapport au nombre de personnes qui souffrent de ce covid long, alors que la reconnaissance et la prise en charge des patients en dépendent? Que mettez-vous en place pour répondre aux revendications légitimes des associations qui représentent les personnes souffrant de covid long? Quelles initiatives prenez-vous pour améliorer la reconnaissance du covid long en Belgique et garantir ainsi une prise en charge multidisciplinaire adéquate?

Julie Taton:

Monsieur le ministre, une manifestation de personnes atteintes du covid long a eu lieu le 15 mars dernier. Cette manifestation coïncidait avec le cinquième anniversaire du premier confinement ayant été mis en place afin de lutter contre la pandémie du covid-19.

Si, en 2021, il n'était pas possible d'avoir une vision précise de la prévalence en Belgique, le covid long serait néanmoins sous-diagnostiqué. On parle d'une personne sur 30 en Belgique.

Par ailleurs, toujours en 2021, le Centre Fédéral d’Expertise des Soins de Santé (KCE) a réalisé une vaste enquête en ligne auprès de 1 320 personnes atteintes du covid long. Cette étude confirme que les symptômes associés à cette pathologie sont multiples et peuvent persister plusieurs mois, voire même plusieurs années après la première infection, impactant malheureusement la vie quotidienne de ces personnes malades de manière non négligeable. Ce même KCE mentionne également que six mois après une infection par le coronavirus, au moins une personne sur sept en garde encore l'un ou l'autre symptôme.

Nous savons qu'une résolution relative à la reconnaissance et à un soutien des patients souffrant de covid longue durée a été votée au Parlement en 2021, qu'un trajet de soins a été mis en place au niveau de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité (INAMI) et que d'autres conventions existent.

Deux associations de patients atteints de ce covid chronique, dont l’une d'ailleurs est présente aujourd'hui – je les salue; il s'agit de Long Covid Belgium – mentionnent que les malades se sentent vraiment à l'abandon, ne se sentent pas reconnus et ne reçoivent pas suffisamment d'aide.

Les parcours de soins prévoient que le patient puisse consulter un neuropsychologue, un kinésithérapeute, un logopède, un diététicien et un ergothérapeute. Toutefois, ces professions sont soit en pénurie, soit non accréditées par l'INAMI. De plus, l'évaluation et le diagnostic d'une personne atteinte du covid long prendraient plusieurs heures et aucun honoraire spécifique n'a été prévu à cet effet par l'INAMI.

Monsieur le ministre, combien de personnes malades du covid long ont-elles entamé un trajet de soins depuis son instauration? Ce trajet de soins est-il assez connu des médecins généralistes? Des mesures complémentaires pourraient-elles être prises à l'avenir concernant la prise en charge de cette maladie? Avez-vous prévu de rencontrer les associations de patients atteints de ce covid chronique?

Frank Vandenbroucke:

Mesdames les députées, depuis le 1 er juillet 2022, la convention "covid-19 long" permet aux patients présentant des symptômes persistants du covid-19 de bénéficier du remboursement de soins supplémentaires auprès de différents dispensateurs de soins via un plan de traitement personnalisé. Cette convention vise à améliorer l'accessibilité des soins pour les patients souffrant d'un covid long, en répondant à leurs besoins de soins de troubles somatiques et cognitifs spécifiques qui sont associés à la maladie, en complément des remboursements permis par la nomenclature ordinaire et de la convention de soins psychologiques de première ligne. Depuis le 1 er juillet 2022, 2 446 plans de traitement ont démarré dans le cadre de cette convention, parmi lesquels 465 patients inclus dans la nouvelle convention du 1 er juillet 2024. Les séances de kinésithérapie individuelle représentent 85 % des prestations délivrées. C'est ce que nous disent les données actualisées du 31 décembre 2024.

Malgré une adhésion relativement limitée aux soins de la convention, celle-ci répond à une certaine demande des patients. Elle facilite la mise en œuvre de la directive "covid long" de l' ebpracticenet dans la pratique quotidienne, offre des solutions spécifiques à certains troubles persistants et rend le processus de traitement optimal et transparent pour le patient. Elle permet également d'identifier et de suivre les patients présentant des symptômes persistants.

Les changements entre les différentes conventions ont eu pour objectif d'adapter les remboursements à l'évolution des connaissances ainsi qu'aux besoins des patients et des dispensateurs de soins. Toutes les parties intéressées (organisations de soins de santé, organismes scientifiques et associations de patients) ont été représentées dans le groupe de travail. Les médecins généralistes y sont représentés par les associations scientifiques des médecins généralistes Domus Medica et SSMG et par les syndicats de médecins GBO-CMG. L'association de patients Long Covid Belgium a aussi participé au groupe de travail.

Dans le cadre de la nouvelle convention du 1 er juillet 2024, un patient présentant des symptômes persistants pendant au moins quatre semaines après l'infection aiguë du covid-19 peut être diagnostiqué par un médecin généraliste ou un médecin spécialiste. Ces médecins élaborent le plan de traitement en fonction des objectifs personnalisés du patient et prescrivent les soins de support appropriés en kinésithérapie, diététique, ergothérapie et/ou neuropsychologie.

Pour chaque prestation, le nombre maximal de séances par année de traitement est prévu. Pour les prestations de la convention, le patient ne paie pas de ticket modérateur. Aucun supplément ne peut être porté en compte. Le médecin-conseil, le coordinateur de retour au travail et le médecin du travail peuvent également être consultés dans le cadre d'un trajet de réintégration au travail.

Toutes les informations sur la convention "covid-19 long" sont reprises sur le site web de l'INAMI et sont publiques. Les associations scientifiques Domus Medica et SSMG ont organisé un webinaire. Leurs membres sont aussi informés via leur site web.

La convention actuelle arrivera à échéance le 31 décembre 2025. Les traitements initiés avant le 31 décembre seront pris en charge conformément aux dispositions de la présente convention jusqu'au 31 décembre 2026. Nous examinons actuellement si un nouveau trajet de soins peut être développé pour un groupe cible plus large, dans la recherche d'un traitement médical optimal fondé autant que possible sur des preuves scientifiques ainsi que sur la promotion de la qualité de vie du patient et de son intégration sociale et professionnelle.

Ensuite, toutes les parties prenantes, y compris les associations de patients, participeront à un groupe de travail élargi pour discuter du projet de convention élaboré.

Enfin, il importe d'approfondir les connaissances scientifiques sur le covid long. Les conséquences physiques, mentales et sociales de la maladie ont été étudiées dans le cadre de l'étude COVIMPACT de Sciensano. Le Centre Fédéral d'Expertise des Soins de Santé (KCE) finance trois études cliniques en Belgique portant sur la rééducation locomotrice, la nutrition ainsi que la récupération neurocognitive et émotionnelle.

Voici, mesdames, quelques éléments de réponse à vos questions.

Ludivine Dedonder:

Merci pour votre réponse que je qualifierais globalement de positive. Il y a des conventions mais demeure la réalité des patients qui peinent à être reconnus par notre système de santé et donc à pouvoir bénéficier de cet accompagnement. L'enjeu ne réside-t-il pas dans le fait de pouvoir mieux informer les différents intervenants dans les soins afin de pouvoir reconnaître au plus vite ce covid long? Il me semble qu'un décalage persiste encore entre ce qui est dit, ce qui est mis en place et la réalité de terrain.

Il est très positif que des groupes de travail soient organisés. Il faut juste que cela soit suivi d'actes parce que ces personnes souffrent et continuent à souffrir. En résumé, les initiatives qui sont prises sont positives mais il faut qu'elles puissent s'appliquer dans les faits.

Julie Taton:

Merci beaucoup monsieur le ministre. Je vous avoue rester quelque peu sur ma faim par rapport à vos réponses. Globalement, de nombreuses initiatives ont été prises et il y en a encore de nombreuses qui doivent l'être. Merci de votre écoute. Je pense qu'il est également très important pour ces ASBL de savoir que vous êtes là et que c'est quelque chose qui vous tient à cœur.

De verdere uitbouw van de zorgcentra na seksueel geweld
De oprichting van een ZSG in Picardisch Wallonië
Het hr-beleid en de arbeidsomstandigheden bij de ZSG's
De financiering van de ZSG's
De infrastructuur van de ZSG's
De zichtbaarheid van de ZSG's
Ontwikkeling, beleid en financiering van zorgcentra na seksueel geweld (ZSG's)

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Zorgcentra na Seksueel Geweld (ZSG/CPVS) worden structureel verankerd via de wet van april 2024, met 13 centra (1 per gerechtelijk arrondissement) die vanaf 1 januari 2026 onder RIZIV-beheer vallen, gefinancierd met 26,4 miljoen euro (waarvan 11,7 miljoen uit het *Fonds Blouses Blanches*). De selectieprocedure voor nieuwe centra (o.a. Bergen, Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde) start in 2025, met locaties afhankelijk van ziekenhuiskandidaturen—geen garantie voor Tournai (CHwapi) zonder openbare oproep. Evaluaties van de bewustmakingscampagne (2023) en impact op aanmeldingen worden doorverwezen naar minister Beenders (Gelijke Kansen), evenals verdere communicatieplannen. Vertragingen in uitrol wijt men aan administratieve voorbereiding (conventies, Koninklijke Besluiten) en personeelsoptimalisatie op basis van slachtofferaantallen.

Irina De Knop:

De strijd tegen seksueel geweld blijft een prioriteit. Daarom werd besloten om centra op te richten waarin multidisciplinaire zorg aan slachtoffers van seksueel geweld en advies aan hun steunfiguren wordt geboden onder één dak door een speciaal daartoe opgeleid team. In 2017 werden de eerste drie Zorgcentra na Seksueel Geweld (ZSG) geopend. Sindsdien werden er nog zeven andere ingehuldigd, het voorlopig laatste in Aarlen op 8 november 2023.

Om deze ZSG bekend te maken bij zowel het brede publiek als de slachtoffers werd in november 2023 een brede informatiecampagne op gang getrokken.

Het werk is nog niet af. Want in de federale begroting 2024 werden er drie nieuwe centra in Bergen, Waals-Brabant en Halle-Vilvoorde opgenomen. Het was immers de bedoeling ervoor te zorgen dat elk slachtoffer een ZSG kan vinden op minder dan een uur rijden van de woning.

In antwoord op eerdere samengevoegde vragen (nrs. 56000976C, 560000982C), in de commissie van 18 december jl. wees de voormalige staatssecretaris erop dat op 1 januari 2025 de ZSG-wet in werking zou treden. Deze wet maakt het RIZIV bevoegd voor de selectie van de ziekenhuizen, zowel voor de arrondissementen waar reeds een ZSG is, als voor de drie arrondissementen waar nog een ZSG moet worden geopend. Het RIZIV en het instituut werken nauw samen om een inwerkingtreding in 2026 voor te bereiden.

Mijn vragen aan de minister:

1) Wat is de impact geweest van de informatiecampagne om de ZSG bekend te maken bij het brede publiek en de slachtoffers?

Werd deze campagne geëvalueerd? Welke waren de conclusies?

2) Heeft deze campagne aantoonbaar effect gehad op het aantal aanmeldingen in 2024?

3) Worden er nog nieuwe initiatieven genomen om de ZSG bekend te maken?

4) Kan de minister een stand van zaken, een timing en een uitleg over de oorzaken van de vertraging geven van de verdere uitbouw van de geplande ZSG in Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde en Bergen?

5) Waar in Waals-Brabant en Halle-Vilvoorde zal het geplande ZSG worden geopend?

Op basis van welke criteria werden of worden die vestigingsplaatsen bepaald?

6) De begroting 2025 zoals vastgelegd door de ministerraad op 28 februari jl., voorziet in 17,5 miljoen euro voor zorgcentra na seksueel geweld.

Zit in dat bedrag ook de financiering voor de nog op te richten centra of zal dat bedrag maar worden voorzien in de ZIV-begroting 2026?

Zo neen, welk bedrag zal worden voorzien in 2026?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), désormais consacrés par la loi du 18 avril 2024, constituent un dispositif essentiel dans l'accompagnement des victimes. Ils assurent une prise en charge pluridisciplinaire, humaine et rapide.

Aujourd'hui, une victime de violences sexuelles dans la région de Tournai doit encore être accompagnée jusqu'au CPVS de Charleroi. Cette situation allonge considérablement les délais de prise en charge et mobilise les services de police locale pour des trajets parfois longs, et ce, dans un moment de détresse – ne l'oublions pas – pour la victime.

Il m'a été rapporté que le Centre Hospitalier de Wallonie Picarde (CHwapi) aurait remis une candidature dans le cadre de l'extension du réseau CPVS.

Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer que le CHwapi a bien remis un dossier de candidature pour l'ouverture d'un CPVS à Tournai?

Quel est le calendrier prévu pour la sélection des hôpitaux candidats à l'ouverture des trois nouveaux CPVS annoncés pour 2026?

Quels critères objectifs seront-ils retenus par l'INAMI pour sélectionner les établissements hospitaliers? Une attention particulière sera-t-elle portée à la couverture géographique actuelle du réseau afin d'éviter des zones blanches, comme c'est le cas aujourd'hui à Tournai?

Enfin, pouvez-vous nous assurer que les CPVS existants ne devront pas réintroduire une candidature complète, mais qu'une transition souple vers la nouvelle gouvernance INAMI sera assurée, afin de préserver leur stabilité et la continuité de l'accueil des victimes?

La présidente : Monsieur le ministre, Mme Meunier étant absente, je vous cède la parole.

Frank Vandenbroucke:

(…) ont été intégrés structurellement dans notre politique via la loi du 26 avril 2024 relative aux CPVS. Cette loi énonce que le Comité de l'assurance de l'INAMI doit conclure une convention avec l'hôpital qui souhaite devenir partenaire du CPVS. Cette loi est entrée en vigueur le 1 er janvier de cette année, mais, étant donné le temps limité dont disposait l'INAMI pour effectuer le transfert de connaissances, ainsi que la rédaction de la convention et des arrêtés royaux associés, la conclusion de la convention avec l'INAMI a été reportée au 1 er janvier 2026 via un arrêté royal du 16 janvier 2025.

Au cours de cette année, 13 conventions INAMI seront conclues dans ce cadre avec une date de début fixée au 1 er janvier 2026. Le contenu des arrêtés royaux et de la convention est en cours d'élaboration.

Concernant les ressources humaines, par l'intermédiaire de l'Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) nous avons appris que plusieurs CPVS ont demandé une évaluation de la gestion du personnel. L'INAMI a pris en compte ces demandes dans les travaux préparatoires et s'efforcera d'y répondre. Il sera tenté d'optimiser le financement du personnel en tenant davantage compte du nombre de victimes que chaque CPVS recevra. En outre, des sessions d'intervision et de supervision, ainsi que des formations continueront d'être proposées pour améliorer la résilience et le bien-être du personnel. L'INAMI est actuellement en train de structurer le financement, dont une grande partie sera consacrée aux coûts de personnel.

Nous devons veiller à ce que les victimes de violences sexuelles puissent à tout moment se rendre dans les CPVS et recevoir un soutien et des soins de santé de qualité. Ce n'est possible que si le personnel est motivé et se sent suffisamment fort pour accueillir les victimes. La formation du personnel des CPVS est assurée par l'IEFH. Si vous avez des questions supplémentaires concernant le contenu et le développement de ces formations, je vous recommande de contacter le membre du gouvernement chargé de l'Égalité des chances, M. Rob Beenders.

J'en viens aux questions sur le financement. En effet, chaque victime mérite une prise en charge complète, rapide et de qualité. Comme déjà mentionné dans le cadre du futur financement par l'INAMI, le financement sera davantage lié au nombre de victimes que chaque CPVS recevra. De cette manière, nous espérons que le financement pourra suivre suffisamment l'évolution du nombre de patients par CPVS. Un financement structurel a été prévu, par la loi, via un transfert de 11,7 millions d'euros provenant du Fonds blouses blanches. En outre, un budget d'environ 8,9 millions d'euros sera transféré à l'INAMI par l'IEFH. Il s'agit d'une dotation de fonds que l'Institut utilise actuellement pour financer la structure CPVS dans les hôpitaux. Cela n'a pas encore été prévu dans le budget, car le transfert de fonds n'aura lieu qu'à partir de 2026. Enfin, il est également prévu que les coûts éventuels découlant de la création de centres supplémentaires soient couverts de manière exogène. à cet effet, un financement supplémentaire de 5,8 millions d'euros est prévu. Au total, 26,4 millions d'euros sont actuellement prévus pour financer 13 sections opérationnelles de CPVS dans les hôpitaux via cette convention avec l'INAMI.

Er zullen dus 13 overeenkomsten worden gesloten met startdatum 1 januari. Ze zullen worden geselecteerd in de parketten van de volgende procureurs des Konings: Antwerpen, Waals-Brabant, Brussel, Charleroi, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Halle-Vilvoorde, Luik, Limburg, Leuven, Luxemburg, Bergen en Namen. Er zal dus 1 zorgcentrum per parket worden gekozen. Het RIZIV heeft de selectieprocedure nog niet vastgesteld. Ze zal in de loop van 2025 worden aangekondigd.

Het is onmogelijk om nu aan te geven waar de zorgcentra in Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde of Bergen zich zullen bevinden, vermits de oproep tot kandidaatstelling open is voor alle ziekenhuizen die aan de voorwaarden voldoen. De selectiecriteria zijn dus nog niet vastgesteld, maar we zullen die in de loop van de volgende maanden, samen met de procedure, aankondigen.

Madame Dedonder, en ce qui concerne votre question concernant un CPVS à Tournai, étant donné que l’appel à candidatures n’a pas encore été publié, l'INAMI n'a pas encore reçu le dossier du CHwapi pour sa candidature à un CPVS à Tournai. L'appel sera lancé dans chacun des parquets mentionnés ci-dessus. Il est donc impossible de prédire où le CPVS ouvrira dans le parquet de Mons. Cela dépend entièrement des candidatures des hôpitaux de parquet.

Étant donné que la gestion des CPVS est transférée de l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes à l'INAMI, un appel à candidatures sera également lancé dans les parquets où un CPVS est déjà établi. Les hôpitaux qui exploitent actuellement un CPVS sont bien entendu libres de soumettre à nouveau leur candidature à l'INAMI. De cette manière, 13 accords seront conclus entre 13 hôpitaux et l'INAMI, avec une date de début au 1 er janvier.

En ce qui concerne la question des études et évaluations déjà réalisées à ce sujet, je vous recommande de poser cette question au membre du gouvernement chargé de l'Égalité des chances, M. Beenders.

S'agissant des infrastructures, l'INAMI collabore étroitement avec l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes (IEFH) pour façonner le futur financement de l'INAMI. L'IEFH partage les expériences des CPVS actuels et a déjà soumis à l'INAMI des propositions d'amélioration du financement basées sur les expériences.

L'IEFH a attiré l'attention de l'INAMI sur le fait que certains CPVS ont effectivement signalé que le financement des infrastructures pouvait être amélioré. L'INAMI examine actuellement comment cela peut être ajusté en tenant compte de l'expérience acquise jusqu'à présent.

Les modalités et le contenu du financement des infrastructures n'ont pas encore été établis dans le cadre de la convention.

Sur la visibilité des CPVS, il est important et essentiel que les victimes trouvent leur chemin vers les CPVS. Cela peut se faire d'une part en faisant connaître au grand public la fonction des CPVS et d'autre part en sensibilisant suffisamment les acteurs locaux et les partenaires du réseau de collaboration. L'IEFH a déjà lancé des campagnes à cet effet. Elle gère la convention pour le réseau de collaboration et continuera à le faire à l'avenir.

Wat betreft de vragen van mevrouw De Knop over de campagne en de nieuwe initiatieven om de zorgcentra bekend te maken, die zijn inderdaad belangrijk, maar ik verwijs u ook daarvoor graag naar mijn collega Beenders.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je n'ai pas entendu de réponse précise quant à l'appel. Vous me confirmez qu'il va être lancé tout prochainement. Je reviendrai donc vous interroger à ce sujet. La présidente : La question n° 56003506C de Mme Petra De Sutter est reportée à sa demande.

Nierziekten
Chronische nierschade
Nierschade en nierziekten
De behandeling van chronische nierziekten
Chronische nierziekten en behandeling

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke kondigt uitbreiding van nierscreening aan: vanaf 45 jaar éénmalig per vijf jaar (via huisarts) en voor hoogrisicogroepen (hypertensie, lage eGFR, familiale voorgeschiedenis) maximaal driemaal per jaar, met terugbetaling via de ziekteverzekering (kost: ~€2,923 miljoen). Xénogreffe blijft experimenteel in België, met enkel preklinisch onderzoek, terwijl innovatieve behandelingen (zoals SGLT2-remmers) sneller toegankelijk moeten worden via geplande hervorming van medicijnterugbetaling. Preventie en bewustmaking (o.a. ketamine-risico’s) vereisen interfederale afstemming, met een cruciale rol voor huisartsen en nefrologen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, mijn vraag betreft de nierscreening. Op 13 maart was het Wereldnierdag. Heel wat Vlaamse niercentra deden een gratis nierscreening bij de Vlamingen. De cijfers geven aan dat al 1 op de 10 Belgen leidt aan nierschade, vaak zonder het te weten. Dit aantal zou heel sterk kunnen oplopen tegen 2027. Tegen 2040 zou het de vijfde doodsoorzaak en tegen 2050 zelfs de tweede doodsoorzaak worden.

Een eenvoudige urinetest volstaat om vroegtijdige schade op te sporen en ernstige complicaties te voorkomen. Toch wordt de terugbetaling ervan tot op heden beperkt tot diabetespatiënten, ook al zijn er andere risicogroepen, zoals mensen met hypertensie, hartproblemen of familiale voorgeschiedenis van nierziekte.

Ik wil u de volgende vragen stellen. Wat met de terugbetaling die beperkt blijft tot de diabetespatiënten? Zult u die uitbreiden of herzien? Welke concrete stappen zult u ondernemen om de trend van de vijfde doodsoorzaak tegen 2040 en de tweede doodsoorzaak tegen 2050 te keren?

Wat is de verhouding met de andere Europese landen? Hoever staan die wat betreft preventie- en behandelbeleid? We zien dat de brede toegang tot nierscreening beperkt is. Wat zijn de voornaamste struikelblokken? Ziet u een rol weggelegd voor de farmaceutische industrie en de private verzekeraars in de financiering van de screeningsprogramma's? Zijn er eventuele initiatieven om ziekenhuizen en niercentra meer middelen te geven? Ten slotte, hoe zullen we het brede publiek beter informeren?

La présidente : Mmes De Knop et Depoorter n'étant plus là, j'en arrive à ma question sur le même thème.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, les maladies rénales chroniques constituent un enjeu majeur de santé publique en Belgique, touchant plus d'un million de personnes. Sans prise en charge précoce, elles évoluent vers une insuffisance rénale terminale, nécessitant une dialyse ou une greffe. Pourtant, le dépistage est simple et pourrait être généralisé, notamment en surveillant la tension artérielle et en encourageant des tests précoces comme l'analyse d'urine et le dosage de la créatinine.

Outre le dépistage, des avancées thérapeutiques prometteuses, telles que les inhibiteurs du SGLT2 et les agonistes des récepteurs du GLP-1, permettent aujourd'hui de ralentir la progression de la maladie. Cependant, pour de nombreux patients en insuffisance rénale terminale, la transplantation reste la meilleure option.

Dans ce cadre, les progrès récents en matière de greffe rénale, notamment l'utilisation de la robotique pour réduire les complications opératoires et l'essor des dons de reins vivants, ouvrent des perspectives encourageantes. La pénurie d'organes demeure toutefois un obstacle majeur.

Face à cette problématique, la xénogreffe pourrait représenter une solution d'avenir. Des essais cliniques récents aux États-Unis ont montré des résultats prometteurs, bien que la fiabilité de cette technique soit encore en cours d'évaluation.

Monsieur le ministre, quelles actions concrètes envisagez-vous pour améliorer le dépistage précoce de l'insuffisance rénale et sensibiliser la population à cette problématique? Des mesures sont-elles envisagées pour faciliter l'accès aux traitements innovants? Où en est la recherche en Belgique concernant la xénogreffe? Des projets spécifiques sont-ils financés? À quel horizon estime-t-on que cette technologie pourrait devenir une option thérapeutique fiable et accessible pour les patients?

La présidente : Je cède la parole à Mme Depoorter qui nous a rejoints.

Kathleen Depoorter:

Eén op de tien Belgen kampt met nierschade, vaak zonder het zelf te weten. Zonder ingrijpen zou dit cijfer tegen 2027 zelfs oplopen tot één op de zeven. Nochtans kan een eenvoudige urinetest nierproblemen tijdig detecteren en ernstige complicaties zoals hartfalen en beroertes voorkomen. Toch wordt de terugbetaling van deze test uitsluitend voorzien voor diabetespatiënten, terwijl andere risicogroepen, zoals mensen met hoge bloeddruk of een familiale voorgeschiedenis van nierziekten, geen recht hebben op gratis screening.

Graag verneem ik het volgende van u:

- Overweegt u de terugbetaling van preventieve niertests uit te breiden naar andere risicogroepen, zoals mensen met hypertensie of een familiale voorgeschiedenis van nierziekten?

- Is er een kosten-batenanalyse uitgevoerd over de uitbreiding van nierscreening? Zo ja, wat waren de resultaten?

- Hoe beoordeelt u de impact van de verwachte stijging van nierschade op het zorgsysteem, en welke beleidsmaatregelen plant u om deze trend te keren?

Frank Vandenbroucke:

Geachte leden, om te beginnen, u weet wellicht dat het doseren van albumine momenteel terugbetaald wordt voor mensen met diabetes, via een specifieke nomenclatuurcode. In de toekomst zal de groep begunstigden worden uitgebreid tot de andere risicogroepen die worden aanbevolen volgens internationale richtlijnen, met name hoogrisicopatiënten met een estimated glomerulaire filtratieratio, een eGFR, lager dan 60 milliliter per minuut, hoogrisicopatiënten met hypertensie of die bloeddrukverlagende medicijnen gebruiken, eerstegraadsfamilieleden met niervervangingstherapie en hoogrisicopatiënten bij wie een albuminecreatinineratio van hoger of gelijk aan 30 milligram per gram werd vastgesteld. In die gevallen zal de verstrekking maximaal drie keer per jaar kunnen worden geattesteerd. Er wordt nog een andere verstrekking voorzien voor patiënten ouder dan 45 jaar, die gebruikt kan worden als een gerichte screening bij de huisarts. Die zal één keer per vijf jaar terugbetaald worden.

La prestation actuelle sera étendue à de nouveaux groupes cibles et la nouvelle prestation relative au dépistage des patients de plus de 45 ans sera incluse dans la nomenclature. Les médecins généralistes auront un rôle crucial dans la sensibilisation au dépistage ciblé chez les patients à risque.

Les organisations professionnelles de néphrologues ont déjà été invitées à contribuer à l'information des prescripteurs.

De aanpassingen zijn al goedgekeurd door het Verzekeringscomité. Ze zijn onderweg naar de publicatie in het Belgisch Staatsblad . Ik durf echter niet te zeggen wanneer ze van kracht zullen worden.

Mevrouw Bury, u wees op de cijfers. Het klopt dat de impact van een chronische nierziekte op de gezondheid erg omvangrijk is. Het beleid moet daarop inspelen. Wij hebben de nomenclatuuraanpassingen waarnaar ik verwees samen met de beroepsorganisaties van de nefrologen op punt gesteld. De bedoeling is om zoveel mogelijk patiënten met nierziekten tijdig op te sporen, zodat de behandeling tijdig kan worden opgestart, zoals de KDIGO-richtlijnen aanbevelen.

Het gaat hier dus over een gerichte screening van mensen vanaf de leeftijd van 45 jaar, ook bij de huisartsen. Ook de patiënten met risicofactoren zullen regelmatig kunnen worden opgevolgd bij de huisarts of bij de specialist. Wij zullen de secundaire screening dus vergoeden via de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en niet via privéverzekeraars of de farmaceutische industrie, waarnaar de vraagstellers hebben verwezen.

Wij zullen, zodra de verstrekkingen opgenomen zijn in de nomenclatuur, de voorschrijvende artsen informeren over de manier waarop zij die verstrekkingen moeten voorschrijven. Ik herhaal dat huisartsen ter zake een cruciale rol te spelen hebben. De beroepsorganisatie van de nefrologen is gevraagd om bij te dragen aan de informatiecampagne die wij willen opzetten.

Natuurlijk moeten wij ook nader nadenken over preventie gericht op bredere bevolkingsgroepen. Dat is een thema dat wij gegeven de bevoegdheidsverdeling in ons land binnen de interfederale IKW Preventie nader kunnen bespreken.

De vraag werd ook gesteld of er een kosten-batenanalyse werd gemaakt. Bij de uitbreiding van de doelgroepen in de nomenclatuur werd inderdaad een analyse van de budgettaire betekenis uitgevoerd. De totale uitgaven voor het voorstel dat ik heb beschreven, werden geraamd op 2,923 miljoen euro. Wij moeten wel een beetje voorzichtig zijn. Er is immers een belangrijke overlapping bij de nieuwe doelgroepen. Wij weten nog niet hoeveel mensen effectief door de testen zullen worden opgespoord als patiënt. Er is echter wel een analyse gemaakt.

Ik denk inderdaad dat preventie en tijdige opsporing ook nuttige onderwerpen voor een interfederale bespreking zouden zijn. Misschien kan dit aan de orde komen als we het rapport van de nieuwe commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen bespreken. Daarop wil ik niet vooruitlopen, maar deze onderwerpen horen daarbij. Gaan we specifiek iets tegen nierinsufficiëntie ondernemen? Gaan we een specifieke aanpak ontwikkelen, niet alleen curatief maar ook preventief, voor deze patiënten en voor deze bevolkingsgroep? Ik wil daar even naar verwijzen.

Madame Dedonder, vous avez posé une question très vaste. Il s'agit, en l'occurrence, de simplifier l'accès au remboursement de traitements innovants. Vous savez qu'en dehors des décisions ponctuelles que j'ai décrites, notre agenda prévoit une réforme assez importante du système de remboursement des médicaments, au moyen d'un accès précoce et accéléré à ces médicaments et d'une amélioration des programmes d'usage compassionnel. Mais je passe sur cet aspect, car c'est un chantier plus vaste.

Concernant la recherche sur la xénogreffe rénale, c'est-à-dire la transplantation de reins provenant d'animaux, elle est encore à un stade préclinique en Belgique. Il n'existe pas pour le moment de projet spécifiquement financé en ce domaine. Certaines initiatives européennes telles que le projet NeoGraft dirigé par la KU Leuven explorent des thérapies cellulaires innovantes pour les maladies rénales, bien que cela ne concerne pas directement la xénogreffe.

Par conséquent, la xénogreffe rénale ne constitue pas encore une option thérapeutique disponible en Belgique. Des avancées significatives ont été accomplies aux États-Unis , où des essais cliniques ont débuté, notamment avec des reins de porc génétiquement modifié transplantés chez des patients humains. Cependant, chez nous, cette technologie en reste encore au stade de la recherche fondamentale. Il est difficile de prévoir quand elle pourrait devenir une option thérapeutique fiable et accessible aux patients.

En parallèle, la Belgique participe à des projets européens visant à développer des alternatives à la transplantation traditionnelle, tel le rein bioartificiel. Par exemple, le centre de recherche Imec est impliqué dans un projet financé par l'Union européen en vue de créer un rein bioartificiel implantable, combinant des technologies de pointe en microélectronique et en biologie.

En résumé, bien que la xénogreffe rénale suscite un intérêt croissant, elle n'est pas encore une réalité clinique en Belgique. Les recherches en cours, tant à l'échelle nationale qu'internationale, laissent entrevoir des perspectives prometteuses, mais des étapes importantes doivent encore être franchies avant une application thérapeutique généralisée.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik ben heel blij met uw antwoord. U zei met betrekking tot de uitbreiding van de doelgroepen en de uitbreiding van de nomenclatuur dat men dat naar de interfederale werkgroepen zou kunnen trekken. Doe dat zeker en vast. Ik kan dat alleen maar aanbevelen, ook wat preventie en het meer informeren van de bevolking betreft. Ik zou daar zeker de link leggen met heel de problematiek van ketamine waarover we het vorige keer in de commissie hebben gehad. Heel veel jongeren lopen door het gebruik ervan nu al enorme nierschade op. De gevallen die laat bij de arts komen, moet men beter begeleiden. Men moet ervoor zorgen dat die ook onder de doelgroep kunnen vallen.

U moet dat verder opvolgen, maar u bent goed bezig. Dank u wel.

Kathleen Depoorter:

Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U hebt het wel degelijk over de albuminebepalingen, eenmaal om de vijf jaar bij de huisarts?

( Minister Vandenbroucke komt tussen zonder micro )

Dan heb ik toch een vraagje. Er stelt zich bij de klinisch biologen nog altijd het probleem dat een test die maar eenmalig wordt terugbetaald, niet kan worden getarifeerd door de klinisch bioloog-apotheker. Er zal dan bij de klinisch-biologische labo’s steeds een arts moeten zijn die op CoZo nagaat of er de voorbije vijf jaar voor een bepaalde patiënt al een test is terugbetaald. We hebben het daar in de voorbije legislatuur al eens over gehad. Ik vind het een zeer goede ingreep, dus geen probleem. Er is echter een hiaat in dezen, zeker wanneer we die doelgroepen uitbreiden en toch meer aan preventieve behandelingen of preventieve detectie zullen doen. We zullen dat in de gaten moeten houden.

Daarnaast ga ik absoluut akkoord met een doelgerichte screening voor risicopatiënten. U zei dat u met de nefrologen hebt overlegd. De creatininebepaling wordt daar dan niet meer of niet aan gekoppeld. Is daar geen richtlijn uitgekomen? Misschien moet ik u die vraag in een volgende vragensessie nog eens stellen. Ik vind het immers interessant dat via overleg met de experts, de artsen en nefrologen die daarin experts zijn, tot stand is gekomen dat men meer mensen zal detecteren, maar we moeten er wel voor zorgen dat men het echt wetenschappelijk correct zal benaderen.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous allons poursuivre nos investigations sur ce sujet important.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, u had twee specifieke opmerkingen of vragen. Ik durf daar zo niet op te antwoorden. U mag me daarover opnieuw ondervragen. Eventueel kunt u me ook een e-mail sturen via mevrouw Schellens met de omschrijving van het eerste probleem voor de apothekers-biologen, om duidelijk te maken hoe ik dat precies moet begrijpen. Ook uw tweede vraag kunt u eventueel ook al via e-mail versturen. Ik kan ze eventueel via e-mail beantwoorden. Ik wil u natuurlijk niet beletten om een parlementaire vraag te stellen, maar het is misschien efficiënter om meteen een e-mail te sturen om me duidelijk te maken waarover het gaat, dan kan ik dat al onderzoeken.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, dat is prima, dank u wel, ik zal een e-mail sturen.

De innovatieve geneesmiddelen in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat nemolizumab (Nemluvio) nog niet is aangevraagd voor terugbetaling of een *medical need*-programma in België, ondanks EMA-goedkeuring, en wacht op initiatief van de fabrikant. Depoorter kritiseert de passieve houding, wijst op de beperkte toegang voor patiënten die niet reageren op bestaande middelen zoals Dupixent, en pleit voor proactiever beleid om innovatie te versnellen, in lijn met het regeerakkoord. De minister benadrukt wel de Europese samenwerking (BeNeLuxA, HTA-kader) en ambitie voor *early reimbursement*, maar concreet blijft nemolizumab in afwachting. Kernpunt: systeemfaal door trage procedures en gebrek aan fabrikantsactie, terwijl patiënten met onvervulde behoeften vastzitten.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, nemolizumab werd onlangs goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelenbureau EMA voor de behandeling van atopische dermatitis en prurigo nodularis. Het is een belangrijke ontwikkeling voor patiënten die aan deze aandoening lijden, omdat de potentie van het middel hun levenskwaliteit ontzettend kan verbeteren en beïnvloeden.

Kunt u een stand van zaken in het terugbetalingsdossier van nemolizumab in België geven? Wanneer verwacht u hierover een beslissing?

Ziet u mogelijkheden om de toegang tot innovatieve geneesmiddelen in België verder te versnellen en meer met andere Europese lidstaten samen te werken? Zo ja, op welke manier?

Frank Vandenbroucke:

Nemluvio, de farmaceutische specialiteit op basis van nemolizumab, heeft pas recent, op 12 februari, een vergunning bij het Europees Geneesmiddelenbureau bekomen. U weet natuurlijk hoe de procedure vervolgens verloopt om de opname van dergelijke geneesmiddelen op de lijst van vergoedbare farmaceutische specialiteiten te krijgen. Ik ga u dat niet opnieuw uitleggen, want u weet dat, maar ik kan u wel zeggen dat voor Nemluvio het verantwoordelijke bedrijf tot op heden nog geen aanvraag tot vergoeding bij de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen heeft ingediend.

U weet ook dat voor geneesmiddelen die een marktvergunning hebben, maar die nog niet beschikbaar zijn in ons land, het verantwoordelijke bedrijf een zogenaamd medical need program bij het FAGG kan aanvragen. Navraag bij het FAGG leert me dat het bedrijf tot op het moment waarop ik de vraag heb laten beantwoorden nog geen dergelijk MNP heeft aangevraagd. We zijn in afwachting van initiatieven van het bedrijf.

Dan hebt u een bredere vraag over de versnelde toegang tot innovatieve geneesmiddelen en de Europese samenwerking. Dat is inderdaad een speerpunt van het beleid dat we willen voeren. Ik ga niet het hele schema opnieuw uiteenzetten, maar u weet dat wij een early and fast reimbursement tot stand willen brengen. U weet ook dat samenwerking met andere Europese lidstaten uitermate belangrijk voor ons is. Ik kan verwijzen naar BeNeLuxA, maar ook naar het nieuwe Europese wettelijke kader voor de gezamenlijke aanpak van Health Technology Assessment. Dat vinden wij niet alleen belangrijk, we spelen daarin ook een leidende rol, met het RIZIV aan het roer van een consortium van Europese landen, verantwoordelijk voor de effectieve en efficiënte implementatie van deze nieuwe Europese processen van samenwerking rond Health Technology Assessment.

Dus ja, dat staat in onze agenda als algemeen beleid. We werken eraan.

Met betrekking tot het concrete dossier waar u het over hebt, kan ik u op dit ogenblik geen initiatieven aankondigen, in afwachting van initiatieven van het bedrijf in kwestie.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, voor wat het brede antwoord betreft, u weet dat ik ervoor pleit om die snelle en vroege toegang te versnellen. We scoren echt niet voldoende op de WAIT-indicator. Wat het concrete dossier betreft, verwijst u naar medical need , maar het was een eerste registratie van nemolizumab, dacht ik toch, dus ik veronderstel dat u het eerder over compassionate use hebt dan over medical need . Er is echter een probleem, namelijk het feit dat Dupixent al geregistreerd is. Er is dus een concurrent, een gelijkaardig geneesmiddel dat kan worden gebruikt voor atopische dermatitis en prurigo nodularis. Patiënten die niet geholpen zijn met Dupixent, komen dus ook niet in aanmerking voor de compassionate use -programma's. U hebt het helemaal juist als u zegt dat u op de firma wacht, want de firma kan of moet stappen ondernemen. Als minister van Volksgezondheid kunt u echter ook stappen ondernemen als u dat wenselijk acht, wanneer een bepaald geneesmiddel terugbetaald zou kunnen worden of wanneer die aanvraag gelanceerd kan worden. Het gaat er mij vooral om dat het een nieuw medicijn is, een nieuwe molecule die geregistreerd is en die nu een marktautorisatie heeft van het EMA, maar dat wij als land eigenlijk opnieuw een beetje zitten te wachten. Ik zou heel graag pleiten voor een proactiever beleid wanneer het gaat om innovatie. Ik ben er zeker van dat dat ook de weg is die we met het regeerakkoord hebben ingeslagen, want daar zeggen we toch heel duidelijk dat we de snelle en vroege toegang van medicatie willen bevorderen en faciliteren en dat we willen controleren hoe de mechanismen vandaag verlopen om ze te optimaliseren. De voorzitster : De samengevoegde vragen nr. 56003590C van mevrouw De Knop en nr. 56004477C van mevrouw Eggermont worden uitgesteld.

De zorgen rond het gebruik van antidepressiva door minderjarigen

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijgende voorschriften van antidepressiva aan Belgische minderjarigen (van 8.660 in 2020 naar 11.643 in 2023) baart zorgen, vooral omdat deze middelen niet zijn geregistreerd voor jongeren en risico’s zoals zelfmoordgedachten kunnen verergeren. Minister Vandenbroucke benadrukt dat psychotherapie de eerste keuze moet zijn—met 174.186 jongeren die sinds 2020 volledig vergoede eerstelijnszorg kregen—en pleit voor strengere richtlijnen, betere deskundigheid bij artsen en monitoring via trends (BelPEP), maar ontbreken individuele controles. Voeding en leefstijl worden erkend als onderbelichte factoren, terwijl verdere opvolging van medicatiegebruik en niet-medicamenteuze alternatieven wordt beloofd.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, ik stel deze en de volgende vraag vooral als bezorgde ouder. Ik maak me immers ernstige zorgen over het toenemende aantal mentale welzijnsproblemen bij kinderen en jongeren in ons land. De cijfers liegen er niet om: depressies, angststoornissen en psychische klachten nemen toe en de oplossing lijkt steeds vaker te liggen in het voorschrijven van medicatie. Ik stel me echter de vraag of dat wel altijd de juiste aanpak is.

In België zijn antidepressiva immers niet officieel geregistreerd voor de behandeling van depressie bij kinderen en jongeren, maar toch worden ze vandaag frequent voorgeschreven. Dat is heel zorgwekkend, aangezien ook wetenschappelijk onderzoek aantoont dat antidepressiva bij jongeren een verhoogd risico op angst, slapeloosheid, agressief gedrag en zelfs zelfmoordgedachten met zich mee kan brengen, vooral in de beginfase van de behandeling. Dat kan paradoxaal genoeg de depressie verergeren in plaats van verbeteren. Bovendien lijkt er ook een gebrek aan transparantie over hoe vaak en op welke basis deze medicatie wordt voorgeschreven. Daarom heb ik een aantal vragen.

Hoeveel minderjarigen in België gebruiken momenteel antidepressiva en hoe is het cijfer geëvolueerd sinds 2020? Welke antidepressiva worden het vaakst voorgeschreven aan minderjarigen en op basis van welke criteria gebeurt dat?

Wordt er voldoende ingezet op niet-medicamenteuze behandelingen zoals psychotherapie, leefcelinterventies en voedingsaanpassingen als eerste keuze?

Welke richtlijnen en controlemechanismen zijn er om het voorschrijven van antidepressiva bij jongeren te monitoren en te reguleren?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Oru, ik zal u dadelijk wat cijfers geven, maar achter elk cijfer zit een concrete jongere. Wanneer men de cijfers hoort, bent u inderdaad terecht bezorgd.

In het recentst gekende volledige afleveringsjaar 2023 is aan 11.643 unieke minderjarigen minstens een vergoed antidepressivum afgeleverd via de Belgische openbare apotheken. De evolutie van het aantal unieke patiënten sinds afleveringsjaar 2020 vertoont een duidelijk stijgende trend: 8.660 jongeren in 2020, 10.929 in 2021 en 11.708 in 2022. In 2023 was er dus een lichte daling met 11.643 jongeren.

We moeten dit dus echt aanpakken. De vijf meest voorgeschreven werkzame bestanddelen voor minderjarigen op basis van afleveringsdata van 2023 en gerangschikt volgens aflopend aantal minderjarigen, zijn sertraline, trazodone, escitalopram, fluoxitine en amitriptyline.

Als we bekommerd zijn om het mentaal welzijn, dan moeten we dus ook echt bekommerd zijn om een goed gebruik van psychofarmaca. Dat is een belangrijke uitdaging en heeft onder meer te maken met deskundigheid, die hier en daar toch wel bevorderd moet worden bij voorschrijvers, bij de huisartsen, maar ook deskundigheid bij klinisch psychologen, die met jongeren met problemen in contact komen, en deskundigheid bij apothekers, die goede raad kunnen geven. We werken daaraan.

De boodschap die werd verspreid in het kader van onze campagne 'Psychofarmaca: welke risico's lopen uw patiënten?', is nog altijd brandend actueel en zullen we ook verder communiceren. De boodschap is dat psychofarmaca noodzakelijk kunnen zijn in sommige gevallen, maar dan wel in de juiste dosis en voor de juiste duur. De opstart van antidepressiva moet altijd weloverwogen zijn. De ernst van de depressie bepaalt of het nodig is om een antidepressivum in te zetten, naast een niet-medicamenteuze aanpak, zoals psychologische ondersteuning, die bijvoorbeeld vanuit de eerstelijnsbehandeling kan worden opgestart. Dus voor wat kinderen en jongeren betreft, is de boodschap helder: psychologische ondersteuning is de voorkeursbehandeling om mee te starten, niet het medicament.

Wij willen in het kader van een rationeel gebruik van psychofarmaca die niet-medicamenteuze aanpak verder blijven aanmoedigen en ook vlot toegankelijk houden. De afgelopen jaren hebben we heel belangrijke investeringen gedaan op dat vlak. Ik kan u de cijfers verstrekken. Sinds de start van onze nieuwe conventie ‘psychologische zorg in de eerste lijn’ hebben 3.458 klinisch psychologen en klinisch orthopedagogen een aanbod georganiseerd voor 174.186 kinderen en jongeren, die al zijn ingestapt en een volledige terugbetaling krijgen tot en met de leeftijd van 23 jaar.

We hebben daarnaast ook een budget van 25 miljoen euro vrijgemaakt voor de huisartsen, om hen te helpen om hun patiënten beter psychologisch te begeleiden door het feit dat de huisartsen een beroep kunnen doen op de expertise van een klinisch psycholoog in hun huisartsenpraktijk, door de bespreking van gevallen, de bespreking van de beste aanpak of eventueel een gezamenlijke consultatie met huisarts en klinisch psycholoog in de huisartsenpraktijk. Ook dat moet toch wel bijdragen tot het beter omgaan met een medicamenteuze aanpak.

We hebben ook onze eerstelijns actoren aangemoedigd, en we zullen dat blijven doen, om hun praktijk te baseren op evidencebased richtlijnen, waarvoor we een beroep doen op het Evikeynetwerk. Eigenlijk is er een ruim aanbod van praktijkrichtlijnen met betrekking tot psychofarmaca, een kritische bespreking van wetenschappelijk artikelen, ter beschikking staande meetinstrumenten enzovoort.

Er zijn geen controlemechanismen in voege om inzake antidepressiva bij kinderen en jongeren de individuele voorschrijvers te monitoren. Wel kunnen we algemene trends opvolgen via Farmanet en FarmaFlux. Het opvolgen van die algemene trends is een belangrijke opdracht voor het Belgische expertiseplatform psychofarmaca BelPEP.

Tot slot worden psychiatrische ziekenhuizen gestimuleerd om de kwaliteit van zorg en patiëntveiligheid te verbeteren met een federaal programma specifiek gericht op het rationeel gebruik van psychofarmaca. We moedigen ziekenhuizen daarbij aan om de volgende drie dingen te doen. Ten eerste, best practice en evidencebased richtlijnen toepassen om de effectiviteit en ook de veiligheid van het gebruik van psychofarmaca te waarborgen. Ten tweede, medicatiefouten vermijden en ook bijwerkingen verminderen door het nauwkeurig opvolgen en nauwkeurig evalueren van het medicatiegebruik. Ten derde, de bevordering van een verantwoord en doelgericht gebruik van psychofarmaca in het algemeen om overmatig en ook gewoon onnodig gebruik te voorkomen.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord en ook voor de vele inspanningen die u in de voorbije jaren hebt gedaan en nog altijd doet om mentaal welzijn uit de taboesfeer te halen en bespreekbaar te maken. U zorgt voor jongeren voor de volledige terugbetaling van de eerstelijns psychologen en voor de ondersteuning van huisartsen met het oog op de begeleiding van jongeren. Onze jongeren verdienen onze aandacht, want ze zijn vandaag enorm kwetsbaar. Dank u wel om die kwestie verder op te volgen en niet alleen oog te hebben voor het onderdeel praten, maar indien nodig, ook voor medicatie om te voorzien in verdere monitoring en opvolging in de toekomst. Het is goed te kijken naar de evoluties ter zake. Zo kan onze voeding een impact hebben op ons mentaal welbevinden. Bedankt om hier alert voor te zijn en voor de opvolging de komende jaren.

De abortuswet
Het recht op abortus
De toegang tot vrijwillige zwangerschapsafbreking
De uitbreiding van de huidige wet betreffende de zwangerschapsafbreking
De aanbevelingen uit het jaarverslag inzake de evaluatie van de abortuswet in België
De abortuswet
Wettelijke kaders en toegankelijkheid van zwangerschapsafbreking

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 22 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de nodige modernisering van de Belgische abortuswet, gebaseerd op wetenschappelijke rapporten die pleiten voor uitbreiding van de termijn naar 18 weken, afschaffing van de verplichte wachttijd van 6 dagen en betere toegang tot zorg. Minister Vandenbroucke bevestigt de urgentie van aanpassingen en benadrukt samenwerking met gemeenschappen om het tekort aan artsen en gespecialiseerde zorg aan te pakken, maar concrete stappen ontbreken nog. Désir en Schlitz kritiseren het politieke uitstel, wijzen op de praktische belemmeringen (zoals langere wachttijden door artsentekort) en dringen aan op parlementair debat en constitutionele verankering om terugval te voorkomen, geïnspireerd door internationale terugdraaiingen (VS, Polen). De ideologische blokkade binnen de regering en onterechte "ethische debatten" die vrouwenrechten negeren, worden scherp veroordeeld.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, il y a 35 ans, la loi dépénalisant partiellement l'interruption volontaire de grossesse (IVG) était adoptée. Et même si la dépénalisation était en réalité partielle, même si on imposait encore un délai dit "de réflexion" aux femmes pour qu'elles soient certaines de leur choix, la loi Lallemand-Michielsen représentait une grande avancée pour le droit des femmes à disposer de leur corps, pour la liberté des femmes de choisir de recourir à l'avortement. Depuis lors, la loi a très peu évolué, malgré les nombreuses propositions pour renforcer le droit à l'IVG et pour améliorer son accessibilité.

Ces questions ont malheureusement toujours fait l'objet de marchandages politiques. Et c'est à nouveau le cas avec le gouvernement Arizona, qui a décidé de mettre le dossier au frigo, alors que nous disposons depuis 2023 d'un rapport scientifique d'envergure, qui dit notamment que nous devons étendre le délai à 18 semaines, qu'il faut supprimer toutes les sanctions pour les femmes, qu'il faut supprimer ces six jours d'attente entre la première visite et l'IVG, et que l'IVG doit être inscrite dans les législations relatives aux soins de santé.

Ce nouveau blocage est pour nous dramatique et inacceptable, parce que les femmes devront continuer à se rendre aux Pays-Bas et continueront à être considérées comme des criminelles dans notre pays. Et cela sans compter les difficultés bien réelles pour pouvoir recourir dans les délais actuels à une IVG dans notre pays, les médecins la pratiquant étant de moins en moins nombreux. On a pu encore le voir très récemment dans un reportage diffusé par la RTBF.

Monsieur le ministre, quelles mesures comptez-vous prendre pour remédier à la pénurie de médecins pratiquant l'IVG, et garantir ainsi le droit à l'IVG dans notre pays? Des concertations sont-elles menées avec les entités fédérées dans ce cadre?

Quand on voit les coups de boutoir portés au droit à l'IVG à l'étranger ces dernières années, que ce soit aux États-Unis, en Pologne ou encore récemment en Italie, il est temps d'en finir selon nous avec les demi-mesures. L'accès à l'IVG dans notre pays doit être protégé, garanti et amélioré. Alors que vous prévoyez d'associer le Parlement sur d'autres sujets éthiques, comptez-vous réellement empêcher les discussions sur la modernisation du droit à l'IVG au sein de notre Assemblée?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, vous n'êtes pas sans savoir que la commission d'évaluation de la législation relative à l'avortement en Belgique a rendu son rapport 2022-2023. Il est très clair et rejoint le rapport du comité d'experts, qui recommande notamment l'extension du délai à minimum 18 semaines et la suppression pure et simple du délai de réflexion qui est encore imposé aujourd'hui en Belgique. Il émet par ailleurs 38 recommandations qui visent à répondre à certaines difficultés spécifiques ou à des manquements en termes d'accès à l'IVG, d'accès à la contraception, de formation, de sensibilisation, de protection des données ou encore de respect des droits des femmes et des droits des patientes.

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance de ce rapport? Comment allez-vous mettre en œuvre ces recommandations avec vos collègues du gouvernement?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Désir, mevrouw Schlitz, uw vragen betreffen een belangrijk thema. Het Wetenschappelijk Comité beveelt duidelijk aan om de wettelijke termijn voor zwangerschapsafbreking op verzoek te verlengen van twaalf naar minstens achttien weken post conceptie, met als doel om vrouwen die nu noodgedwongen uitwijken naar het buitenland, ook in België toegang te geven tot veilige en kwaliteitsvolle zorg. Een mogelijke verklaring voor de constante vraag naar tweedetrimesterabortussen ligt in het kwetsbare profiel van patiëntes op het vlak van contraceptie, gezondheid of relationele status, waardoor de zwangerschap later wordt erkend of afgebroken.

Daarnaast stelt het Wetenschappelijk Comité in zijn rapport voor om bij voorkeur de verplichte wachttijd van zes dagen af te schaffen, zo niet een verplichting in te voeren om de zwangerschapsafbreking niet uit te voeren op de kalenderdag van de eerste raadpleging. In de twee scenario's worden de beroepsbeoefenaars aangemoedigd om bij wijze van goede zorg een op de zwangere vrouw afgestemde beslissings- en voorbereidingstermijn te waarborgen.

Dus er ligt inderdaad een wetenschappelijke basis voor wetgevende acties. Het betreft aanbevelingen die in dat comité met brede consensus zijn geformuleerd op basis van wetenschappelijke en ethische argumenten. Wanneer we dit onderwerp binnen de regering en in het Parlement zullen bespreken, zijn dat ook belangrijke uitgangspunten. Zoals we in het regeerakkoord zijn overeengekomen, zullen we het maatschappelijke debat over vrijwillige zwangerschapsafbreking voortzetten op basis van een dergelijk rapport. We willen na consensus de huidige abortuswetgeving aanpassen.

Het rapport bevestigt ook dat het tekort aan zorgverleners, vooral voor abortus in het tweede trimester, een structurele uitdaging is. Er is nood aan specifieke opleiding en rekrutering van artsen en andere zorgverleners die bereid zijn abortussen uit te voeren, en aan gespecialiseerde structuren voor tweedetrimesterabortus. Samenwerking met de gemeenschappen is daarbij essentieel voor de opleiding, erkenning en organisatie van deze zorg.

Mijn excuses dat mijn antwoord uitsluitend in het Nederlands is.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre, même si votre réponse me laisse un peu sur ma faim.

Tout d'abord, j'entends que vous vous référez au rapport consensuel des experts, et je m'en réjouis puisque vous renvoyez souvent aux preuves scientifiques. Ce rapport a été élaboré par des experts ayant différents profils, qui viennent de différentes universités, qui sont de différentes confessions également. Je pense que c'est très important qu'on ne refasse pas le débat scientifique et que le débat sociétal, que vous appelez de vos vœux, soit bien basé sur ce rapport scientifique qui existe et qui est encore très récent.

J'entends également que vous nous parlez de collaboration avec les Communautés, notamment pour pouvoir former les prestataires de soins à l'avortement. Je pense que c'est important, évidemment, dans le cas où on élargit la durée légale de l'avortement, parce qu'on devra recourir à d'autres techniques. Mais c'est déjà problématique aujourd'hui.

C'est pour cette raison que je me référais dans ma question au reportage d' Investigation diffusé récemment par la RTBF, parce qu'on constate aujourd'hui déjà que, dans toute une série de centres de planning familial, il n'y a pas suffisamment de médecins qui pratiquent des avortements pour pouvoir respecter le délai légal de 12 semaines. Certaines femmes se retrouvent donc tout à fait démunies parce qu'il n'y a pas assez de médecins formés à la pratique de l'IVG, même avec le délai légal actuel.

J'espère évidemment que nous aurons l'occasion de rediscuter de ce sujet. Je rappelle que, pour nous, ce débat doit se mener au Parlement, comme ça a pu être le cas à l'époque de la loi Lallemand-Michielsen.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le ministre pour vos propos. J'apprécie le fait que vous vous basiez sur la science, que vous rappeliez en effet le défi de l'accès à l'IVG – et pas uniquement du cadre légal dans lequel on peut avoir recours à l'IVG – mais également la praticabilité et la mise en œuvre concrète sur le terrain.

En effet, en raison notamment du manque de places disponibles, aujourd'hui, le délai de réflexion imposé de six jours est en réalité de 10 jours. Subir une grossesse non désirée représente évidemment une violence énorme pour une personne qui a pris sa décision et qui souhaite avorter, qui ne souhaite pas avoir d'enfant.

Je vous avoue mon inquiétude eu égard au contexte international. Dès la révocation de l'arrêt Roe vs. Wade aux États-Unis en 2022, nous avons déposé un texte pour faire inscrire le droit à l'avortement dans la Constitution, afin de s'assurer que ce type de recul – qu'on pense impossible dans un pays comme le nôtre – ne se produise pas chez nous. Car c'est exactement ce que les femmes aux É tats-Unis pensaient avant 2022. Voyez la situation dramatique dans laquelle elles se trouvent aujourd'hui. Certaines femmes meurent par défaut d'accès à un avortement.

Je m'inquiète de voir la transformation du contexte se produire également dans notre pays. Le premier ministre et la ministre de la Justice ont estimé en plénière voici quelques jours qu'il s'agissait d'un débat éthique, d'un débat dans lequel il fallait composer entre des dimensions idéologiques et des aspects plus personnels du parcours de vie des uns et des autres. À aucun moment ils n'ont mentionné les droits des femmes, l'opinion et la vie des femmes concernées. Les femmes ne sont-elles pas des êtres humains pour vos collègues? Monsieur le ministre, je trouve que cette approche est extrêmement préoccupante et qu'il est moins une pour agir, pour bétonner et élargir le droit à l'avortement dans notre pays.

Tout cela sans parler des sondages immondes qui ont été lancés par des parlementaires de votre majorité au sujet du droit à l'avortement alors que nous disposons de rapports d'experts, de données scientifiques et qu'il y a la réalité de personnes qui sont obligées de se rendre à l'étranger pour avorter en raison d'un cadre légal trop strict. Et eux, que font-ils? Ils lancent sur leur Facebook et sur leur Instagram des sondages pour savoir ce que les gens voudraient que l'on fasse du droit à l'avortement. C'est totalement indécent et j'espère que cela ne se reproduira plus dans vos rangs.

La présidente : Nous allons clôturer cette séance car il était convenu que M. le ministre reste jusque 17 heures.

Frank Vandenbroucke:

Als de heer Bertels naar zijn ingediende tekst wil verwijzen, kan ik misschien nog net het antwoord geven op zijn vraag, maar daarna moet ik ervandoor.

Jan Bertels:

Mevrouw de voorzitster, ik zal mijn vraag omzetten in een schriftelijke vraag, dan kan de minister het antwoord voor mij achterlaten. La réunion publique de commission est levée à 17 h 06. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.06 uur.

De Panoreportage over schadelijke stoffen in fitnessvoedingssupplementen

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Funda Oru kaart het urgente probleem aan van gevaarlijke, online verkrijgbare fitnesssupplementen (waaronder doping en kankerverwekkende SARMs) die jongeren via sociale media en e-commerce gebruiken onder druk van schadelijke schoonheidsidealen, met verstrekkende gevolgen voor hun lichamelijke *en* mentale gezondheid. Minister Clarinval bevestigt dat 3 van de 10 geteste supplementen verboden stoffen bevatten, benadrukt dat ze in België niet legaal verkocht mogen worden, en wijst op lopende samenwerking tussen FAVV, FAGG en RASFF om Europese distributeurs aan te pakken, inclusief proactieve e-commercecontroles sinds 2018. Oru dringt aan op daadkrachtiger optreden, omdat ouders machteloos staan tegen de schadelijke trend die zowel fysieke gezondheid als zelfbeeld ondermijnt. De kern: systeemfalendheid in handhaving en nood aan verscherpte maatregelen tegen online verkoop en sociale-mediabeïnvloeding.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, collega's, beeldt u zich in dat uw zoon of dochter wekelijks naar de fitness gaat. Dat is gezond, denkt u dan, tot die wekelijkse uitstap naar de fitness een obsessie wordt en het groter, beter en sneller moet, niet voor hun gezondheid, maar om grotere en sterkere spieren en een sneller resultaat te verkrijgen. Op TikTok en Instagram ziet men video's van influencers die inderdaad heel snel resultaat boeken, niet door meer te bewegen of te sporten, maar door het gebruik van supplementen. Die supplementen kunnen onze kinderen en jongeren met één muisklik online bestellen en thuisgeleverd krijgen.

Daarin schuilt het gevaar. Gisteren onthulde Pano dat die supplementen heel gevaarlijk zijn. Van de 10 bestelde supplementen vormden 3 ervan een gevaar voor de gezondheid van onze kinderen en jongeren. Zonder het goed te beseffen, slikken onze kinderen kankerverwekkende stoffen en doping. Daarom vind ik die nieuwe trend een heel belangrijk en urgent thema, want het gaat over doping van kinderen en jongeren.

Voor Vooruit staat de gezondheid van onze kinderen voorop. Daarvoor rekenen we ook op een sterke overheid. De gevaarlijke producten zijn niet verkrijgbaar in ons land, maar toch lukt het onze kinderen om ze met één muisklik te bestellen. Onze jongeren staan vandaag onder enorme sociale druk om er sterker en gespierder uit te zien. Dat verontrust mij en met mij heel veel andere ouders. Mijnheer de minister, welke stappen zult u ondernemen om de verspreiding van de gevaarlijke supplementen tegen te gaan en de gezondheid van onze jongeren te beschermen?

David Clarinval:

Mevrouw Oru, in de betreffende Panoreportage werden tien populaire voedingssupplementen uit de fitnesswereld getest. Het laboratorium trof in twee van de tien producten amfetamineachtige stoffen en in een derde product een carcinogene substantie aan. Conform de meldingsplicht bracht het laboratorium dat de proeven uitvoerde, het FAVV van de niet-conforme resultaten op de hoogte. De teruggevonden stoffen waren SARMs of selective androgen septor modulators, en doping. SARM's vallen onder de bevoegdheid van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen. Het FAVV werkt nu samen met het FAGG voor de opvolging. Doping daarentegen valt onder de bevoegdheid van de drie regionale antidopingagentschappen. Het FAVV staat in voor de opvolging van het dossier.

Na onderzoek konden we de oorsprong van niet-conforme producten achterhalen. Er werden verschillende eigenaren en distributeurs in Europa geïdentificeerd. Via het RASFF (rapid alert system for food and feed) kregen alle EU-landen en het VK een melding van de niet-conformiteiten.

De geanalyseerde voedingssupplementen zijn niet genotificeerd in België. In België zijn ze dus niet toegelaten voor verkoop. De producten waarvan sprake, zijn dus vermoedelijk gekocht via e-commerce. Sinds 2018 beschikt het FAVV over een cel e-commerce. De aanpak van die cel is zowel reactief als proactief. Enerzijds volgt het FAVV alle klachten en informatie op die gaan over onlineverkoop. Anderzijds worden er jaarlijks enkele gerichte controleacties op het internet uitgevoerd. Hiervoor worden telkens andere thematieken of producten uitgekozen. Voedingssupplementen maken ook deel uit van de jaarlijkse acties.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, wij hadden het gisteren al in commissie uitgebreid over de vele schadelijke evoluties op het vlak van eten en drinken. Nu komt die trend daar helaas bovenop. Wie gisteren de Panoreportage heeft gezien, kan eigenlijk alleen maar concluderen dat die supplementen, die prullen, enorm schadelijk zijn voor de gezondheid en de veiligheid van onze kinderen. Dat raakt ook ouders, omdat zij machteloos moeten toekijken. De producten zijn niet alleen schadelijk voor de gezondheid en de veiligheid, maar hebben ook een enorme impact op het zelfbeeld en het mentaal welzijn van onze kinderen en jongeren. Het is een alarmsignaal voor ons allemaal. Mijnheer de minister, samen met vele ouders reken ik erop dat u daadkrachtig zult optreden tegen die nieuwe schadelijke trend om de gezondheid en de veiligheid van onze kinderen te beschermen.

De voorgestelde besparingen op de sociale zekerheid voor de financiering van de defensieuitgaven

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kritiseert het plan om 4 miljard uit sociale zekerheid en gezondheidszorg te halen voor herbewapening, terwijl de sector al onder druk staat en pensioenen/kwaliteit zorg erop achteruitgaan. Minister Vandenbroucke benadrukt dat verdediging nodig is, maar bevestigt dat de sociale zekerheid (kern van de democratie) *niet* mag worden uitgekleed voor wapenaankopen, en pleit voor *parallelle investeringen* in beide domeinen. Schlitz stelt voor om eerst efficiënter te besteden (Europese samenwerking, geen F-35’s) en belastingen op vermogen/kapitaal in te voeren (tot 6 miljard opbrengst) in plaats van "altijd dezelfde" te laten opdraaien. Kernpunt: conflict tussen defensie-urgentie en behoud welvaartsstaat, met tegenstrijdige financiële prioriteiten.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, on nage en plein délire. Hier soir, nous avons entendu Theo Francken expliquer tranquillement qu'il suffirait d'aller chercher l'argent dans les caisses de la sécurité sociale et des soins de santé pour financer le réarmement de la Belgique. Eh bien, c'est vraiment une super idée! Alors que votre gouvernement va déjà chercher deux milliards dans les soins de santé, il en puiserait à présent quatre milliards. Allons-y! Pendant ce temps, les pensionnés tirent le diable par la queue; il n'y a pas moins d'obtenir un rendez-vous médical parfois avant un an; on ne parvient pas à recruter des infirmières parce que les salaires de misère proposés ne le permettent pas. Tandis qu'on n'arrête pas de dire à tout bout de champ qu'il n'y a pas d'argent, que les économies sont nécessaires, que ce sera difficile pour tout le monde, que nous allons nous mettre au régime tous ensemble, tout à coup on va chercher l'argent dans les soins de santé et la sécurité sociale.

Professeur Vandenbroucke, vous savez comme moi que la sécurité sociale n'est pas un Bancontact. Il faudrait peut-être expliquer à votre collègue Theo Francken qu'en réalité, c'est une caisse à laquelle les Belges contribuent pour pallier les risques de la vie. Par exemple, les travailleurs et travailleuses de Cora qui vont perdre leur boulot vont pouvoir percevoir un revenu de remplacement grâce à la sécurité sociale et donc pouvoir continuer à rembourser leur emprunt, à payer leur loyer et ne pas se retrouver sans logement. C'est à cela que sert la sécurité sociale, et non à acheter des F-35 américains pour Theo Francken.

Monsieur le ministre, demain, vous en discuterez en kern. Me confirmez-vous que l'argent de la sécurité sociale et des soins de santé va servir de variable d'ajustement pour financer le réarmement de la Belgique ou bien allez-vous défendre une autre position?

Frank Vandenbroucke:

Madame Schlitz, pour assurer notre sécurité, notre liberté, il faut renforcer notre défense et donc augmenter les dépenses. C'est une évidence, hélas.

Vous me connaissez, on en discute en kern, mais je n'anticipe jamais les discussions du gouvernement fédéral. Permettez-moi quand même une question. Que défendons-nous contre Poutine? Nous défendons notre démocratie, qui est politique et sociale, qui est basée intrinsèquement sur la sécurité sociale, sur des soins accessibles à tout le monde, sur des valeurs de justice. C'est ce que nous défendons. Je crois donc que la réponse est évidente. Nous n'allons tout de même pas renoncer à ce que nous défendons en démantelant notre État-providence.

Michael De Cock l'a dit dans De Standaard , avec des mots absolument justes: "Nous ne pouvons pas arrêter la course à l'armement en Europe, mais nous pouvons éviter qu'elle se fasse au détriment de ce qui nous distingue en tant qu'êtres humains". Voilà la réponse. En même temps, nous investissons et nous réformons dans le domaine de la protection sociale, pour la préserver, pour la renforcer. Pas pour l'armement.

Voilà le défi de taille de ce gouvernement dans lequel je me suis engagé.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. Le contexte international nous oblige aujourd'hui à agir pour travailler à notre autonomie. C'est une évidence. Mais ce que nous devons faire en priorité, c'est mieux dépenser l'argent. On doit travailler à des économies d'échelle. Nous devons mutualiser avec les autres États européens notre matériel en vue de la défense. Aujourd'hui, il y a à travers tous les pays européens 15 modèles différents de chars. C'est complètement absurde. Et par ailleurs, nous devons aussi acheter européen. Acheter des F-35 américains n'a aucun sens. Monsieur le ministre, j'entends votre réponse et j'espère que vous arriverez à protéger notre sécurité sociale. Mais ce que je n'entends pas, c'est que vous irez chercher l'argent là où il est. Parce qu'aujourd'hui, vous allez à nouveau mettre les mêmes au régime, plutôt que d'aller chercher l'argent en mettant en place une vraie taxation des plus-values, qui peut rapporter jusqu'à deux milliards, en taxant les plus gros patrimoines, qui peuvent rapporter jusqu'à quatre milliards, ou encore en taxant un euro des revenus du capital comme un euro (...)

De impact van het federale beleid op het tekort aan verpleegkundigen
Het tekort aan verpleegkundigen
Federale beleidsimpact op verpleegkundigentaltekort

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 10 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Petra De Sutter en Nawal Farih kritiseren de beperking van werkloosheidsuitkeringen tot 2 jaar in het regeerakkoord, die zij-instromers in zorgberoepen (vooral vrouwen) en kunstenaars hard raakt, terwijl het tekort aan verpleegkundigen (10.000 vacatures, 40% minder afgestudeerden) juist om oplossingen vraagt. Minister Vandenbroucke belooft het "bekwaam is bevoegd"-principe te versnellen, de opleidingsroute via werkloosheid te behouden en alternatieven te zoeken, maar erkent dat de huidige maatregelen contraproductief zijn voor de zorgsector. Beide oppositieleiders dringen aan op concrete uitzonderingen en financiële steun (zoals de €1.000-stagiairsvergoeding) om instroom te garanderen, met Farih die samenwerking belooft als Vandenbroucke zijn toezeggingen nakomt. De vrouwonvriendelijke impact van de maatregelen en de dreigende verzorgingscrisis staan centraal in het debat.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, in uw regeerakkoord staan nogal wat kleine lettertjes die niet altijd even duidelijk waren, ook niet op toetredingscongressen of in regeerverklaringen, maar ze zijn wel relevant, want ze raken mensen. Ik geef een paar voorbeelden. De pensioenmalus, waarvan deeltijds werkenden het slachtoffer zijn. Het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd, die veel groepen raakt. We hoorden daarnet nog over de 55-plussers die omwille van hun leeftijd moeilijk een nieuwe job vinden en aan strenge criteria moeten voldoen om in de werkloosheid te kunnen blijven. Ook het kunstenaarsstatuut, we hebben er recent over gesproken, is cruciaal voor de sector om te overleven.

De volgende groep die het slachtoffer wordt van de kleine lettertjes in uw regeerakkoord zijn de mensen die zich in een knelpuntberoep herscholen, zij- instromers, mensen die verpleegkunde willen studeren. We kampen al heel lang met een tekort aan verpleegkundigen, zoals u weet. We kampen ook met vergrijzing en toenemende zorgnoden. Mensen krijgen niet meer de nodige zorg. De werkdruk voor verpleegkundigen neemt toe, met nog meer uitval en uitstroom tot gevolg. Het is een vicieuze cirkel. De cijfers kennen we ook. De laatste zes jaar is het aantal afgestudeerde bachelors verpleegkunde met 40 % gedaald. De voorstellen van uw regering zullen het tekort aan zorgpersoneel nog verergeren, want de geplande beperking van de werkloosheidsuitkering tot twee jaar zal ertoe leiden dat zij-instromers afhaken.

Mijnheer de minister, ik wil dit toch nog eens benoemen, alweer zijn vooral vrouwen hiervan de dupe. Eind 2022 was 83,5 % van de nieuwe zij-instromers in de zorgsector een vrouw. We hebben vandaag ook gehoord dat de echtscheidingspensioenen zullen worden geschrapt. Met al deze maatregelen vragen wij ons af hoe vrouwonvriendelijk een regering kan zijn. Mijnheer de minister, welke impact verwacht u van de beperkingen in de werkloosheidsuitkeringen op het tekort aan verpleegkundigen? Kunnen die definitief (...)

Voorzitter:

Ik herhaal nog even dat de spreektijd voor het stellen van een vraag twee minuten bedraagt.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, voor verpleegkundig personeel komen er per dag 27 vacatures bij. In totaal zoeken we op dit moment maar liefst 10.000 extra verpleegkundigen. U weet dat we met cd&v heel duidelijk stellen dat zorg een basisrecht is, zeker geen luxe. Mensen die oud worden, ziek zijn of bijstand nodig hebben, moeten in elk geval altijd kunnen rekenen op kwaliteitsvolle zorgverlening. Met cd&v hebben we al heel vaak gepleit om het principe 'bekwaam is bevoegd' te hanteren. Dat is niet enkel een taakverschuiving, het betekent dat we moeten investeren in ons zorgpersoneel, investeren in opleiding, maar ook dat we de verpleegkundigen zuurstof geven op de werkvloer om zichzelf verder te kunnen ontwikkelen. Met dat principe willen we tevens jonge talenten aantrekken naar een zorgberoep.

Al eerder is gezegd dat minstens 40 % minder studenten afstudeert in een zorgberoep. Nochtans zullen we die werkkrachten nodig hebben. In de vorige legislatuur hebben we daartoe met cd&v verantwoordelijkheid genomen door ervoor te zorgen dat studenten verpleegkunde in hun laatste jaar een onkostenvergoeding van 1.000 euro verkrijgen. Mijnheer de minister, in dat verband heb ik twee heel belangrijke vragen voor u.

Hoe snel zult u klaar zijn met het plan om het bekwaam-is-bevoegdprincipe effectief te laten hanteren op de werkvloer? Zult u uw Vlaamse collega-minister Gennez aanspreken op het feit dat ook studenten aangetrokken moeten worden tot het zorgberoep en dat zij die 1.000 euro, die we met cd&v hebben geïnvesteerd per verpleegkundig stagiair, ook implementeert?

Frank Vandenbroucke:

Collega’s, tienduizenden mensen staan dag en nacht klaar om voor ons te zorgen. Wij moeten inderdaad investeren in die mensen. Wij doen dat en zullen dat ook blijven doen. De huidige regering heeft dan ook niet zomaar afgesproken dat er geld zal zijn voor een sociaal akkoord waarin de werkvoorwaarden voor het personeel moeten worden verbeterd. Wij moeten ook inzetten op het perspectief dat mensen hebben die in de zorg aan het werk gaan. Daarom gaan wij door met een heel grondige hervorming van het verpleegkundig beroep, effectief vertrekkende van de idee dat mensen moeten worden ingezet op basis van hun talenten, op basis van wat ze kunnen. Dat is de filosofie van ‘bekwaam is bevoegd’.

Mevrouw Nawal Farih, ik zal bijvoorbeeld inderdaad de hervorming die wij op gang hebben gebracht zo snel mogelijk doorzetten, namelijk toelaten dat mensen in teams taken verdelen op een soepele manier, waarbij niet te veel rekening wordt gehouden met allerlei strenge regeltjes die het werk moeilijk maken. Ik zal dat doen naast andere hervormingen die het mogelijk maken dat mensen zich concentreren op datgene waarvoor zij echt zijn opgeleid, dat mensen worden ondersteund door ondersteuners, dat mensen gemakkelijk afspraken kunnen maken met elkaar om taken te verdelen en ook dat mensen kunnen doorgroeien in hun werk. Wij moeten het mogelijk maken dat een zorgkundige kan doorgroeien naar een basisverpleegkundige, naar een verpleegkundige die verantwoordelijk is voor de algemene zorg, naar een verpleegkundig specialist of naar een klinisch verpleegkundig onderzoeker. Op die manier kunnen echt perspectieven worden geboden aan mensen met talent en ambitie om het waar te maken in de zorg. Dat willen wij.

Tegelijkertijd moeten wij er ook voor zorgen dat mensen kiezen voor die beroepen en opleidingen en ervoor zorgen dat daarvoor vele wegen open zijn. Mevrouw De Sutter, mevrouw Farih, ik wil heel duidelijk zijn. Het belangrijkste probleem waarvoor wij vandaag staan, is een ongewenst neveneffect van het beperken van de werkloosheid in de tijd voor mensen die dankzij werkloosheidsuitkeringen opleidingen volgen die tot het beroep van zorgkundige of verpleegkundige leiden. Mevrouw Farih, ik zie dat u het met mij eens bent. Dat is uitstekend. Ik beken eerlijk dat dat nu het belangrijkste probleem is dat voorligt in de federale Kamer en in de federale regering.

Collega’s, ik wil er duidelijk over zijn dat ik niet wens dat de beperking van de werkloosheid in de tijd tot gevolg heeft dat een heel mooi kanaal voor opleidingen die tot verpleegkundigen en zorgkundigen leiden, opdroogt, stilvalt en helemaal wordt geblokkeerd.

Dat moeten we absoluut vermijden. Daarom zal ik morgen in het kernkabinet ook zeggen dat we dat kanaal laten werken zoals het goed werkt om ervoor te zorgen dat mensen inderdaad die diploma's kunnen verwerven, ook vanuit een situatie van werkloosheid, of dat we een alternatieve oplossing moeten zoeken.

Mevrouw Farih, ik hoop van u dadelijk te horen dat cd&v mij morgen enthousiast zal ondersteunen in het kernkabinet, wanneer ik die vraag stel en daar ook het nodige geld voor op tafel zal helpen leggen.

Petra De Sutter:

U zult begrijpen dat, en ik verwijs naar wat mijn collega net heeft gezegd, de publieke uitspraken van Theo Francken gisteren ons heel erg verontrusten. Ik hoor van u dat u voor de uitzondering op de werkloosheid voor mensen die verpleegkunde willen studeren, zult blijven ijveren. Ik hoop dat u dat ook zult doen voor de kunstenaars. Dat debat hebben we al gevoerd. Ik hoop ook dat u morgen inderdaad in de kern op tafel zult kloppen als Vooruit om de sociale rechten van mensen te vrijwaren. Het gaat om uitzonderingen op wat jullie in het regeerakkoord hebben beslist, maar zij doen die mensen echt wel pijn. Het gaat vaak om kwetsbaren en als het over zorgberoepen gaat het heel vaak om vrouwen. Dus alstublieft, doe morgen uw werk.

Ik heb ook in het regeerakkoord gelezen dat u een statuut, dat nog verder gaat dan wat mevrouw Farih heeft aangegeven, voor verpleegkundigen in opleiding met garanties op… (…)

Nawal Farih:

Minister, wij zullen nog vrienden worden. Als u er morgen voor zorgt dat het cd&v-standpunt dat stelt dat verpleegkundigen in opleiding nooit uitkeringsverlies kunnen hebben in orde komt, vraag ik u om mevrouw Gennez te bellen om de onkostenvergoeding van 1.000 euro voor de studenten, de jonge werkkrachten die in opleiding zijn, die cd&v steeds heeft voorzien, in orde te maken. Als u dat regelt, kunnen wij zeer goede vrienden worden.

Voorzitter:

Bedankt, mevrouw Farih. Mag ik trouwens, wellicht namens vele collega's, de heer Mahdi en mevrouw Farih gelukwensen met hun huwelijk dat ze deze week hebben gesloten. (Applaus) (Applaudissements)

Een nieuwe mysterieuze ziekte in Congo

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval bevestigt dat de mysterieuze, dodelijke ziekte in Noordwest-Congo (419 gevallen, 50+ doden, mogelijk gelinkt aan vleermuisconsumptie) onder de WHO en Volksgezondheid valt, niet onder het FAVV, en dat er geen specifieke nieuwe maatregelen zijn genomen—alleen bestaande douanecontroles op bushmeat blijven gelden. De Knop uit ongerustheid over het ontbreken van gerichte actie en het risico op verspreiding naar België via reizigers of illegale invoer. De minister benadrukt dat standaardprocedures (bagagecontroles, inbeslagnames) volstaan, zonder extra screening. Geen reisadviezen of grensmaatregelen werden aangepast ondanks de onbekende, sneldodende aard van de ziekte.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, in het noordwesten van Congo zijn er 419 gevallen van een mysterieuze ziekte vastgesteld, waaraan al meer dan 50 personen zijn overleden. Op 21 januari was er een eerste uitbraak in het dorp Boloko, nadat drie kinderen blijkbaar een vleermuis hadden gegeten. Ze overleden kort daarna. Een tweede uitbraak werd in een ander dorp vastgesteld. Blijkbaar volgt de dood meestal vrij kort daarna, 48 uur nadat de eerste symptomen zich hebben voorgedaan. Onderzoek heeft al uitgewezen dat het niet gaat over de dodelijke virussen die we reeds kennen, zoals ebola, dengue, gele koorts en andere. Gezondheidsteams onderzoeken ter plaatse ook andere oorzaken.

Hoe groot acht u de kans dat de ziekte overkomt naar België, gelet op de nauwe banden met ons land? Worden de reisadviezen aangepast? Aangezien mijn vraag al een tijdje geleden werd ingediend, veronderstel ik dat er sowieso negatieve reisadviezen zijn als gevolg van de situatie in Congo. Zult u maatregelen nemen om mensen die naar ons land komen op deze ziekte te controleren?

David Clarinval:

De problematiek rond de ontwikkeling van de nieuwe mysterieuze ziekte in Congo is een volksgezondheidskwestie en wordt niet opgevolgd door het FAVV. De opvolging wordt verzekerd door internationale organisaties zoals de WHO. Als aanwezigen zouden suggereren dat verdere opvolging nodig is, zal dat in de eerste plaats gebeuren door de RAG en de RAG-V-EZ.

De opsporing van illegale invoer van bushmeat steunt in essentie op de individuele controle van de bagage van passagiers die het grondgebied binnenkomen. Die controles vallen onder de bevoegdheid van de douanediensten. De douane en het FAVV organiseren regelmatig gezamenlijke acties om de bagage van passagiers op de luchthavens te controleren en alle illegaal ingevoerde dieren, vlees en voedsel in beslag te nemen.

De overheden werken ook samen inzake de controles op kleine persoonlijke pakketten die de EU via de luchthaven binnenkomen. Als het FAVV tijdens de controle bij operatoren bushmeat ontdekt, treft het natuurlijk de nodige maatregelen. Er werd geen specifieke maatregel ingesteld nadat deze nieuwe ziekte opdook.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u zei dat dit een bevoegdheid is van Volksgezondheid, dacht ik. Het zit dus een beetje op het snijpunt. Ik ben niet helemaal gerustgesteld door uw antwoord. U verwijst naar wat standaard voorzien is op het vlak van procedures, maar er is dus geen specifieke focus op deze ziekte. Ik hoop samen met u dat ze niet overwaait, maar erg gerustgesteld ben ik niet door uw antwoord.

Voedingssupplementen die een gevaar voor de gezondheid inhouden

Gesteld door

lijst: MR Anthony Dufrane

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België controleert complementen via de AFSCA (analyses, inspecties, e-commerce-cel) en verplicht notificatienummers voor verkoop, met extra aandacht voor online verkoop en Europese waarschuwingen (RASFF). Sancties worden opgelegd bij illegale stoffen, terwijl Nutrivigilance (2024) bijwerkingen monitort en een sensibiliseringscampagne eraan komt. Consumenten krijgen koopwaarschuwingen (bv. Black Friday) en meldingen over terugtrekkingen via web/sociale media. Het SPF Volksgezondheid biedt richtlijnen voor veilig gebruik.

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, certains compléments alimentaires vendus en ligne ou en magasin prétendent offrir des bienfaits, notamment par rapport au renforcement immunitaire, à l'amélioration des performances physiques, au bien-être digestif et j'en passe. Mais ils peuvent également contenir des substances non déclarées ou interdites mettant en danger la santé de nos consommateurs. Des cas de contamination par substances pharmacologiques ou excès de certains minéraux ou vitamines ont déjà été signalés.

Monsieur le ministre, voici quelques questions visant à assurer la sécurité des consommateurs.

Quelles mesures sont actuellement mises en place pour renforcer le contrôle des compléments alimentaires commercialisés en Belgique, en particulier ceux vendus en ligne? Existe-t-il un projet visant à renforcer les sanctions contre les fabricants ou distributeurs qui commercialisent des produits contenant des substances interdites ou dangereuses? Des campagnes de sensibilisation sont-elles prévues pour informer les consommateurs sur les risques liés à certains compléments alimentaires et sur la manière de vérifier leur conformité avant l'achat?

David Clarinval:

Monsieur le député, l'AFSCA joue un rôle clé dans la protection des consommateurs contre les produits non conformes et frauduleux. Elle réalise divers contrôles sur les compléments alimentaires, notamment par le biais d'analyses approfondies et d'inspections. Ces vérifications portent autant sur les produits importés de pays tiers que sur ceux commercialisés en Belgique.

L'Agence vérifie également si les compléments alimentaires disposent d'un numéro de notification nécessaire à la commercialisation en Belgique, numéro qui doit faire l'objet d'une demande de notification auprès du SPF Santé publique.

L'Agence prend également en compte les signalements issus du système d'alerte européen RASFF ainsi que les plaintes des consommateurs.

Depuis 2018, l'Agence dispose d'une cellule dédiée au e-commerce, qui adopte une approche à la fois réactive et proactive. D'une part, elle assure le suivi des plaintes et des informations relatives à la vente en ligne. D'autre part, elle mène des contrôles ciblés sur internet en sélectionnant chaque année des thèmes et produits spécifiques.

Les compléments alimentaires figurent régulièrement parmi ces contrôles. Plusieurs dossiers sont en cours concernant des compléments alimentaires non conformes, qui contiennent des substances dissimulées et interdites. L'Agence prend les mesures nécessaires concernant ces produits et verbalise les infractions sur base de la législation en vigueur.

Par ailleurs, le SPF Santé publique met à disposition des consommateurs une page d'information dédiée aux compléments alimentaires. Elle propose des recommandations sur leur utilisation, leur utilité et les mesures de prudence à suivre lors d'un achat sur internet notamment.

Le système de Nutrivigilance, lancé en 2024, permet de signaler les effets indésirables liés à la consommation de denrées alimentaires, y compris les compléments alimentaires. Une campagne de communication sera menée afin de mieux faire connaître ce dispositif et de sensibiliser les consommateurs aux bonnes pratiques d'achat et de consommation.

De son côté, l'Agence organise régulièrement des campagnes de sensibilisation spécifiques aux compléments alimentaires. La dernière en date a eu lieu à l'occasion du Black Friday, avec un communiqué de presse alertant sur les risques liés aux achats en ligne.

Enfin, l'Agence informe systématiquement le public lorsqu'un produit est retiré du marché, via différents canaux (site web, réseaux sociaux, etc.).

Anthony Dufrane:

Monsieur le ministre, je suis satisfait de vos réponses.

De open brief van de dierenartsen

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Walloonse plattelandsdierenartsen waarschuwen voor een acute crisis: 8% verlies in 5 jaar, 50% ouder dan 50, geen opvolging door overmatige administratieve druk, controles op details en dalende rendabiliteit, ondanks hun cruciale rol in voedselveiligheid en epidemiebeheersing. Minister Clarinval bevestigt verbeteringen via *Pax Veterinaria* (hogere tarieven, betere vergoedingen, minder kilometerfranchise) en aankomende structurele hervormingen (nieuwe Koninklijk Besluit, stimulans voor starters), maar erkent dat fundamentele uitdagingen (mentale belasting, wetgevend kader) een maatschappelijk debat in 2025 vereisen. Prévot dringt aan op onmiddellijke extra maatregelen onder het huidige bewind ("Arizona") om attractiviteit te herstellen en administratieve last te verlichten, want de sector dreigt ineen te storten zonder concrete actie bovenop de bestaande plannen.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, nous allons aborder ici un sujet qui me tient fort à cœur, puisque la médecine vétérinaire rurale est un pilier essentiel de notre agriculture et de la santé animale. Pourtant, aujourd'hui, les vétérinaires ruraux tirent une nouvelle fois la sonnette d'alarme. Ils sont à bout, excédés et le font savoir dans une lettre ouverte.

Dans cette lettre, ces professionnels décrivent une situation alarmante: une pression administrative qui s'intensifie, des contrôles tatillons sur des points à faible enjeu sanitaire en pleine crise épidémiologique et un épuisement généralisé d'une profession pourtant indispensable à notre souveraineté alimentaire. Ils rappellent qu'en seulement cinq ans, la Wallonie a perdu 8 % de ses vétérinaires ruraux, que 50 % de ceux qui restent ont plus de 50 ans et que la relève peine malheureusement à s'installer, découragée par la complexité du métier et l'accumulation de contraintes.

Pire encore, ces vétérinaires, qui ont parfois dû s'endetter lourdement pour répondre aux exigences de l'État, se voient aujourd'hui contrôlés comme s'ils étaient des fraudeurs en puissance, alors même qu'ils travaillent d'arrache-pied pour endiguer les épizooties et maintenir la sécurité sanitaire de notre élevage. Cette situation, vous l'aurez compris monsieur le ministre, n'est plus tenable.

Pourrions-nous avoir votre retour sur cette lettre ouverte, qui vous était aussi adressée?

Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir un avenir durable à la profession vétérinaire rurale et éviter qu'elle ne disparaisse à petit feu?

Pourriez-vous nous communiquer vos intentions visant à alléger la pression actuelle des contrôles administratifs?

David Clarinval:

Monsieur le député, je partage entièrement votre point de vue. Les vétérinaires occupent une place cruciale dans le secteur agricole ainsi que dans la mise en œuvre et le suivi des politiques de santé.

Je suis également conscient des difficultés croissantes que connaît la profession: pressions accrues, départs anticipés, baisse de la rentabilité ou encore diminution du nombre de nouveaux arrivants.

Lors de la législature précédente, j'ai déjà pris plusieurs mesures visant à améliorer la situation des vétérinaires, notamment au travers de la mise en œuvre de la Pax Veterinaria . Il s'agit d'une convention conclue entre les fédérations de la viande, les organisations vétérinaires et l’AFSCA. Elle a pour but d'optimaliser l'organisation des contrôles officiels effectués par les vétérinaires indépendants mandatés par l’AFSCA.

Cette convention apporte des améliorations importantes, tant en matière de reconnaissance de l'expertise que de rémunération équitable, tout en veillant à préserver un équilibre financier pour les secteurs concernés. Parmi les principales avancées, il y a une revalorisation des honoraires et des indemnisations. Une augmentation progressive des tarifs est prévue, avec une hausse de 9 euros par heure dès 2025 – nous avons prévu l’indexation – puis de 5 euros en 2026 et enfin de 2 euros en 2027.

Les déplacements seront désormais indemnisés dès le premier kilomètre, alors qu'avant, il y avait une franchise de 20 kilomètres. Une rémunération minimale est garantie pour chaque mission confiée par l’AFSCA.

Nous avons également décidé une révision et une optimalisation du système d'expertise. Un nouvel arrêté royal est en cours de finalisation pour encadrer cette réforme.

Enfin, nous avons mis en place un encouragement à l'entrée de nouveaux vétérinaires indépendants dans le métier. Un plan d'action global sera mis en place afin de stimuler l'engagement de nouveaux vétérinaires chargés de mission, renforçant ainsi le vivier d'experts disponibles.

La Pax Veterinaria offre une base solide pour une meilleure collaboration entre l'ensemble des parties prenantes. Le succès rencontré lors de l'appel aux candidats, l'absence de tensions sociales ainsi que la réaction positive des chargés de missions témoignent du bon déroulement des premières étapes de la mise en œuvre.

De plus, nous avons constaté qu'en 2024, les vacations des vétérinaires ont augmenté de 30 %.

Cependant, la profession vétérinaire reste soumise à une forte pression. Elle est confrontée à de nombreux départs anticipés, à une charge mentale importante, à une rentabilité en baisse, à l'émergence de nouvelles structures, à une lourde charge administrative ainsi qu'à un cadre législatif parfois inadapté aux évolutions sociales.

Il devient donc indispensable d'ouvrir un véritable débat de société. Une large consultation sera donc organisée en 2025, réunissant les représentants de la profession vétérinaire, mais aussi ceux des secteurs et des administrations concernés. Une attention particulière sera portée au statut des aides vétérinaires et des infirmiers vétérinaires, à la diversité des formes d'exercice, à l'environnement juridique, ainsi qu'à une meilleure compréhension de la réalité économique du métier. Je tiens à vous assurer que je reste en contact régulier avec les associations vétérinaires et que je continuerai à accorder une attention particulière à leurs conditions de travail, notamment en ce qui concerne l'impact des contrôles administratifs.

Patrick Prévot:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Effectivement, vous avez bien fait de rappeler les mesures importantes qui avaient été prises sous la Vivaldi. Ils en sont conscients, mais force est de constater que la lettre ouverte date d'il y a quelques jours, quelques semaines, et qu'ils souhaiteraient, évidemment, pouvoir avoir des mesures complémentaires. On peut donc constater que la Vivaldi, même si c'était un attelage particulier, avait quand même ses qualités, puisque nous faisions partie de cet attelage, et il y avait des mesures qui allaient dans le bon sens qui avaient pu être prises. Cependant, ma question était vraiment de voir s'il y avait des mesures complémentaires qui allaient être prises sous cet Arizona, parce qu'aujourd'hui, ils crient leur ras-le-bol, et il faudrait, évidemment, pouvoir mettre en place des mesures. Ils attendent donc énormément de votre part, visant justement à renforcer l'attractivité d'une profession qui ne suscite plus de vocations – ou en tout cas de moins en moins –, mais aussi à alléger très certainement la lourdeur administrative, et c'est évidemment par rapport à ces défis précis que vous êtes aujourd'hui attendu. Par ailleurs, j'entends bien qu'il y a une consultation large qui sera prévue en 2025. Je serai évidemment attentif à cette consultation, mais surtout au suivi de celle-ci, et j'espère en tout cas que l'Arizona prendra pleinement la mesure des difficultés de nos vétérinaires ruraux, et que ce gouvernement pourra prendre des vraies mesures structurelles pour pouvoir les aider, auquel cas, je crains malheureusement qu'on ne puisse plus avoir suffisamment de vétérinaires ruraux dans les mois et dans les années à venir.

De situatie inzake de verschillende infectieziekten die op het Europese continent rondwaren

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie ging over de actuele dreiging van dierziekten in Europa, met focus op grippe aviaire (33 gevallen in België, dalende trend maar blijvend risico), bluetongue (verplichte vaccinatie, recent geval in Noord-Frankrijk dicht bij België) en mond-en-klauwzeer (uitbraken in Hongarije/Slovakije, geen directe bedreiging voor België). Nieuwe/vergeten ziektes zoals schap- en geitenpokken (52 haarden in Griekenland) en peste des petits ruminants (Roemenië/Hongarije) worden bestreden via strikte importcontroles, abattage en zonesperren, maar illegale import blijft een risico. Biosurveillance en Europese samenwerking zijn cruciaal om verspreiding te voorkomen.

Patrick Prévot:

Je m’en réfère à ma question telle que déposée.

Monsieur le ministre, grippe aviaire, fièvre catarrhale, fièvre aphteuse: depuis le début de cette législature, nous avons discuté de plusieurs maladies infectieuses qui circulent sur le continent européen. Chacune de ces maladies, rappelons-le, est dommageable pour nos agriculteurs et nos agriculteurs déjà durement touchés par le modèle économique en vigueur et contre lequel ils ont protestés, mais également pour le nombre considérable d'animaux abattus par mesure de précaution, dans et autour de chaque foyer d'infection.

Le 31 mars dernier, l'AFSCA a tenu à rappeler dans un communiqué l'interdiction d'importer des (b)ovins sans certification médicale. L'agence écrit qu'au-delà des trois maladies que j'ai citées au début de ma prise de parole, je cite, "la variole du mouton et la variole de la chèvre sont présentes en Bulgarie et en Grèce (et) la peste a été détectée chez des petits ruminants en Hongrie, en Roumanie, en Bulgarie et en Grèce."

Par ma question, je tenais à faire avec vous le point sur les diverses maladies qui touchent l'Europe, à la fois les trois qui nous touchent le plus mais aussi le retour de ces « maladies oubliées » (ce sont les termes employés par l'AFSCA) et la gestion du risque menée dans une collaboration indispensable entre les autorités sanitaires de tous les pays.

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous communiquer les dernières informations que vous disposez sur la situation de la grippe aviaire, de la fièvre catarrhale et de la fièvre aphteuse sur le continent européen, la dernière actualité en ce qui concerne la Belgique et le risque encouru par notre pays?

Pourriez-vous nous communiquer les dernières informations à votre disposition sur ces foyers d'infection de la variole du mouton, de la variole de la chèvre et de la peste? Comment est gérée la gestion du risque de contamination de ces maladies?

Enfin, comment les autorités sanitaires expliquent-elles le retour de ces maladies que nous pensions ne plus devoir citer dans les médias et au sein des commissions compétentes?

Je vous remercie pour vos réponses.

David Clarinval:

Monsieur le député, depuis quelques mois, plusieurs cas de grippe aviaire hautement pathogènes ont été confirmés chez les oiseaux sauvages à travers l'Union européenne. Des foyers ont également été détectés chez des volailles et autres oiseaux d'élevage, principalement en Pologne et en Hongrie. En Belgique, 33 cas ont été enregistrés cette année chez des oiseaux sauvages. Par ailleurs, 5 foyers ont été identifiés chez des éleveurs amateurs ayant participé avec leurs animaux à une exposition à la Foire agricole de Battice. En Flandre orientale, 3 foyers ont été recensés chez des volailles: 2 dans des élevages de poules pondeuses appartenant au même propriétaire et 1 dans un élevage de poulets de chair. Dans ce dernier, le virus a également été détecté chez deux chats présentant des symptômes nerveux sévères – nous en avons parlé tout à l'heure avec Mme De Knop.

Au cours des deux dernières semaines, la détection d'oiseaux sauvages contaminés a diminué. Cela indique que le pic hivernal de la grippe aviaire a probablement été dépassé. La circulation virale s'est donc atténuée par rapport aux mois précédents. Toutefois, le risque de contamination subsiste et rend donc indispensable le maintien de pratiques rigoureuses et d'une biosécurité stricte.

Par ailleurs, le virus de la langue bleue, transmis par des vecteurs inactifs en hiver, reste une source de préoccupation. L'an dernier, la Belgique a été touchée par le sérotype 3, avec des conséquences particulièrement graves que vous connaissez. Il s'est propagé à une vitesse sans précédent, touchant une large zone allant de la Norvège à la Corse et de l'Angleterre à la Pologne. En parallèle, le sérotype 8 s'est étendu vers le nord de la France, tandis que quelques cas de sérotype 12 ont été signalés aux Pays-Bas. La France a également connu une propagation du virus de la maladie hémorragique épizootique. Face à cette situation, j'ai décidé d'instaurer une vaccination obligatoire, comme vous le savez. Un screening mené cet hiver par l'Agence a confirmé l'absence de sérotype 8 et 12 de la langue bleue en Belgique l'an dernier. C'est une bonne nouvelle!

En janvier, un cas inattendu de fièvre aphteuse a été détecté en Allemagne dans une petite exploitation de 14 buffles d'eau. L'abattage sanitaire a été effectué immédiatement. Aucun autre foyer n'a été identifié. Les animaux ayant quitté l'État de Brandebourg durant la période à risque ont été localisés et contrôlés par l'Agence sans détection de cas suspects.

En mars, la Hongrie a signalé un foyer de fièvre aphteuse dans une grande exploitation laitière située à proximité du Danube, près de la frontière slovaque. Il s'agit d'une souche différente de celle détectée en Allemagne, ce qui constitue une mauvaise nouvelle. Malheureusement, dans ce cas, le virus s'est propagé. À ce jour, 4 foyers ont été confirmés en Hongrie et 6 en Slovaquie. Des zones de restriction étendues ont été mises en place en Hongrie, en Slovaquie et en Autriche, où deux foyers ont été identifiés près de la frontière.

Aucun animal n'a été importé en Belgique depuis ces zones pendant la période à risque. Il n'y a donc pas de menace immédiate pour notre pays, mais une grande vigilance reste de mise.

Cette année, 52 foyers de variole ovine et caprine ont été signalés en Grèce, ainsi que 3 en Bulgarie. Des cas de peste des petits ruminants ont également été recensés: 3 foyers en Hongrie et 1 en Roumanie. Dans chacun de ces cas, les animaux ont été abattus et des zones de restrictions ont été définies conformément à la législation européenne.

En conséquence, tous les transports d'ovins et de caprins depuis la Grèce et la Roumanie vers le reste de l'Union européenne sont temporairement suspendus. Aucun animal en provenance des zones touchées n'a été importé en Belgique pendant la période à risque. L'importation illégale de moutons et de chèvres représente néanmoins un risque potentiel.

C'est pourquoi l'AFSCA a mené une campagne de communication approfondie pour éviter toute introduction non contrôlée. Toute suspicion de ces maladies doit obligatoirement être notifiée à l'Agence, et Sciensano dispose des capacités nécessaires pour analyser les cas suspects.

Enfin, il convient de rappeler que la variole ovine et caprine, la peste des petits ruminants et la fièvre aphteuse sont endémiques en Turquie, au Moyen-Orient et en Afrique du Nord. Il existe donc un risque constant d'introduction dans l'Union européenne. Plusieurs foyers ont été détectés en peu de temps sans que l'on sache précisément comment les virus sont rentrés sur le territoire. Dans ce contexte de circulation intense de personnes, d'animaux et de marchandises, le renforcement des mesures de biosécurité constitue, plus que jamais, un outil préventif essentiel.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, vous savez que j'aime faire régulièrement le point avec vous sur la situation épidémiologique et donc, pour cette raison, je vous remercie d'avoir fait l'instantané de la situation.

David Clarinval:

Je me permets, si Mme la présidente me l'autorise, de vous dire qu'on a détecté récemment un cas de Bluetongue 8 dans le Pas-de-Calais, ce qui est beaucoup plus emmerdant, si vous me passez l'expression. On pense que c'est un animal qui est issu du Sud de la France et qui a été acheté par un agriculteur du Pas-de-Calais. C'est considérablement plus proche de chez nous que les pays dont on a parlé avant. (Je ne cherche pas à faire peur.)

Patrick Prévot:

C'est effectivement une affaire à suivre en raison de sa proximité avec nos frontières, avec évidemment un vrai risque sanitaire, et merci en tout cas de cette transparence, monsieur le ministre. La présidente : Ceci clôture notre séance. Bon retour. La réunion publique de commission est levée à 16 h 05. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.05 uur.

De federale taskforce tegen drugscriminaliteit

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 9 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt de oprichting van een federale taskforce (onder leiding van de premier) om georganiseerde criminaliteit (niet enkel drugs) aan te pakken via betere coördinatie van bestaande plannen zoals het Stroomplan en Nationale Veiligheidsplan, met inbreng van actoren zoals de drugscommissaris. Ze pleit voor extra middelen voor Justitie en veiligheidsdiensten, maar kan nog geen concrete toezeggingen doen, aangezien budgettaire beslissingen in de regering lopen. Dillen (oppositie) benadrukt dat structurele middelenverhogingen (geen "peanuts") cruciaal zijn voor impact en belooft de taskforce en budgetvragen scherp te blijven volgen, met parlementssteun voor Justitie’s vraag.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, we hebben vernomen in de media dat er een federale taskforce wordt opgericht in de strijd tegen drugscriminaliteit onder leiding van de eerste minister. Jarenlang hebben opeenvolgende regeringen de drugsproblematiek doen ontsporen door een te lakse aanpak, open grenzen en een gebrek aan een kordaat justitiebeleid. De misdaad heeft intussen haar tentakels diep in onze samenleving verankerd, in het bijzonder in steden als Antwerpen en Brussel.

In het regeerakkoord en in uw beleidsverklaring, staan heel veel aankondigingen, voornemens en plannen. Over een concrete budgettaire en planmatige uitwerking is echter weinig bekend. Vandaar dat ik u enkele vragen wil stellen.

Wat zal de inbreng zijn vanuit Justitie in deze federale taskforce? Wat is de concrete meerwaarde naast alle andere initiatieven? Zal er gehoor worden gegeven aan de oproep om meer middelen te geven aan de federale veiligheidsdiensten en Justitie? Zo ja, in welke mate? Kunt u mij een gedetailleerd overzicht geven van alle betrokken partijen bij deze federale taskforce? Wat zal hun concrete inbreng zijn?

Annelies Verlinden:

Het is inderdaad zo, collega Dillen, dat de premier, nadat wij naar aanleiding van de schietpartijen in Anderlecht aan de alarmbel hadden getrokken voor een gecoördineerde aanpak, de oprichting van een federale taskforce heeft aangekondigd die gericht is op de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Het doel van die taskforce is om te waken over de verschillende plannen met betrekking tot de georganiseerde criminaliteit, zoals het Stroomplan, het Kanaalplan en het Nationale Veiligheidsplan. De taskforce moet ervoor zorgen dat alle partijen die daarbij betrokken zijn, worden samengebracht en dat de maatregelen die we moeten nemen ook snel en adequaat kunnen worden uitgevoerd. Het gaat onder meer over maatregelen die zijn opgenomen in het regeerakkoord voor de strijd tegen georganiseerde criminaliteit. Het gaat dus niet alleen over drugscriminaliteit.

De politieke stuurgroep van de taskforce, onder leiding van de premier en met deelname van mijn collega van Binnenlandse Zaken, is vorige week een eerste keer samengekomen. Voor de taskforce zelf zullen de deelnemers uitgenodigd worden naargelang de thematiek. Voor alles wat de strijd tegen de drugscriminaliteit betreft, lijkt het mij bijvoorbeeld evident dat de nationale drugscommissaris nauw wordt betrokken, zodat ook haar gecoördineerde ideeën en beleidsadviezen kunnen worden meegenomen.

Ik heb inderdaad een meervraag voor Justitie op tafel gelegd. U vroeg immers ook naar de middelen. Ik vind namelijk dat binnenlandse veiligheid even belangrijk is als buitenlandse veiligheid.

Het is, bijvoorbeeld, logisch en terecht dat de eerste minister samen met de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie tijdens hun bezoek aan Kiev gisteren blijvende steun aan Oekraïne hebben toegezegd. Ik begrijp ook dat die vraag naar bijkomende middelen voor defensie voorligt, maar evenzeer hoor ik elke dag in alle vergaderingen die ik bijwoon en in alle bezoeken die ik breng, dat er bijkomende middelen nodig zijn voor binnenlandse veiligheid in het algemeen en justitie in bijzonder.

U weet, en dat heb ik hier de voorbije commissie ook al gezegd, dat de vraag op tafel ligt. U weet echter ook dat ik niet kan vooruitlopen op die besprekingen in de regering. Ik kan alleen maar alles doen wat in mijn macht ligt om mijn collega's in de regering te overtuigen en ik ga ervan uit dat de collega's van de meerderheidspartijen die hier zitten, ook die boodschap zullen doorgeven aan hun collega's in de regering.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik zal me niet uitspreken. Ik heb een licht vermoeden dat er morgen een debat in de plenaire zal plaatsvinden over de grote steun die gisteren door de eerste minister aan Oekraïne is toegezegd. Dat heeft natuurlijk met deze vraag absoluut niets te maken en ik spreek mij daar dan ook niet over uit. Ik blijf echt, en u zal daarvoor wel op onze steun kunnen rekenen, samen met u vechten voor meer middelen voor justitie en voor politie. Enkel wanneer er meer middelen, heel veel meer middelen komen, geen peanuts, zoals volgens de media voorlopig aan u zouden zijn beloofd, zult u een steen in de rivier kunnen verleggen. Het moet gaan over een fundamenteel debat over een verhoging van middelen, want anders, mevrouw de minister, zal er weinig aan bod kunnen komen. Die taskforce, waarover mijn vraag ging, zal ik blijven opvolgen. We zullen daarover in de commissie ook op regelmatige tijdstippen meer informatieve vragen stellen.

De sluiting van Bepco Parts in Hermalle-sous-Huy

Gesteld door

lijst: PS Sophie Thémont

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval bevestigt de sluiting van Bepco Parts in Hermalle-sous-Huy (79 directe + 7 banen verloren) en benadrukt dat een sociaal akkoord is bereikt, maar erkent dat er geen direct contact met zijn kabinet is geweest—wel belooft hij samenwerking met Waalse werkgelegenheidsminister voor herplaatsing. Thémont kritiseert zijn passieve houding, wijst op dagelijkse ontslaggolven die de 80%-werkgelegenheidsdoelstelling ondermijnen, en eist concrete actie in plaats van louter overleg, met vrees voor verslechterde arbeidsvoorwaarden door zijn hervormingsplannen.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, je souhaiterais attirer votre attention sur la situation tragique qui touche 86 travailleurs à Hermalle-sous-Huy, dans la commune d'Engis, à la suite de la fermeture définitive du site de Bepco Parts. Cette fermeture, qui entraîne aujourd'hui – les jours se suivent et se ressemblent, faut-il le dire – la perte de 79 emplois directs et 7 emplois au sein du groupe TVH, est un coup dur pour les travailleurs et leurs familles mais aussi pour l'économie locale.

Après plusieurs mois de négociations difficiles, un accord social a été trouvé mais cette fermeture a tout de même des conséquences dramatiques pour l'emploi dans la région. La direction a justifié cette décision par une volonté de rationaliser et d'améliorer son réseau de distribution, mais les travailleurs et la communauté locale se retrouvent désemparés face à cette nouvelle.

Monsieur le ministre, avez-vous rencontré la direction et les représentants des travailleurs? Avez-vous eu également des contacts avec votre homologue à la Région pour savoir quelles mesures sont prises pour accompagner les travailleurs dans leur reconversion professionnelle et éviter une détérioration de la situation économique dans la région?

David Clarinval:

Madame Thémont, je tiens tout d'abord à exprimer ma solidarité avec les travailleurs et les travailleuses de Bepco Parts à Hermalle-sous-Huy ainsi qu'avec leurs familles, comme j'ai d'ailleurs eu l'occasion de le faire à l'égard des travailleurs et travailleuses de l'entreprise Arcelor et, aujourd'hui, de l'entreprise Cora, qui ont également annoncé récemment de très mauvaises nouvelles dans leurs entreprises respectives.

Bepco Parts à Hermalle-sous-Huy traverse une période difficile marquée par une grande incertitude, et je partage donc tout à fait leurs inquiétudes.

Quatre mois après le lancement de la procédure Renault, un accord social a été conclu au sein de Bepco Parts, le 24 mars 2025. La deuxième phase de cette procédure a été clôturée par un accord sur un plan social concernant les 79 travailleurs directs et les 7 employés sous contrat avec la société mère. La commission paritaire 149.04 pour le commerce des métaux a été bien informée de cette fermeture.

La stabilité de l'emploi et la préservation du pouvoir d'achat sont des priorités pour ce gouvernement. Nous suivons donc cette situation avec attention. Pour répondre à votre question, mon cabinet n'a pas été contacté à ce jour. Mais nous nous tenons évidemment à la disposition des autorités régionales ainsi que des représentants des travailleurs s'ils souhaitaient me voir dans les plus brefs délais.

Sachez que j'entretiens, par ailleurs, des contacts réguliers avec le ministre wallon de l'Emploi, mais aussi avec ceux des autres Régions. Nous collaborons de manière constructive afin de renforcer notre marché du travail. Dans le cas qui nous préoccupe ici, je suis convaincu que le gouvernement régional mettra tout en œuvre pour accompagner ces travailleurs vers un nouvel emploi dans les plus brefs délais.

Sophie Thémont:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Les jours se suivent et se ressemblent. C'est catastrophique. Nous entendons parler de fermetures chaque jour. Je me demande quelle est finalement votre vision. En tout cas, j'ai cru la comprendre pour ce qui concerne le marché du travail. Par ailleurs, ce n'est pas grâce à cela que vous allez atteindre vos taux d'emploi à 80 %, puisque chaque jour des fermetures sont annoncées. Je me joins donc aux pensées adressées aux travailleurs et travailleuses de chez Cora, ainsi qu'à leurs familles. Je me demande comment ces gens vont pouvoir retrouver du boulot et selon quelles conditions. Vu la politique que vous menez en vue de la réforme du travail, j'espère qu'ils ne seront pas encore plus pénalisés. De même, j'espère que votre vision du travail sera différente. Peut-être parviendrons-nous à vous faire changer d'avis. Je vous ai déjà interrogé plusieurs fois. Dans le fond, je ne sais pas ce qu'il ressort de ces concertations – que vous qualifiez de systématiques – avec vos homologues régionaux, car je n'ai pas obtenu de réponse. Il ne faut pas se contenter de suivre les licenciements; il faut agir et provoquer les réunions avec vos homologues.

De controlecampagne van de welzijnsinspectie bij dienstenchequebedrijven

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De controlecampagne 2024 bij dienstenchequebedrijven toont opnieuw massale overtredingen: 80-85% faalt in risicoanalyses (chemische stoffen, MSK-aandoeningen, moederschapsbescherming), 60% mist voorafgaand en 40% periodiek gezondheidstoezicht, met enkel lichte verbetering in thuiscontroles (40% → dalend). Minister Clarinval belooft het rapport spoedig te publiceren, externe preventiediensten aan te pakken en de sociale partners te betrekken, maar wacht hun reactie af voor verdere maatregelen. Vanrobaeys hekelt het gebrek aan vooruitgang en benadrukt de cruciale rol van poetshulpen, eist structurele verbeteringen en kondigt vervolgvragen aan. Blokkade bij sociale partners (loon, arbeidsomstandigheden) blijft een knelpunt.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik heb u een schriftelijke vraag gesteld naar de resultaten van de controlecampagne 2024 van de Welzijnsinspectie bij de dienstenchequebedrijven. Uw voorganger heeft die campagne opgestart in 2022 en in 2023 herhaald omdat de resultaten echt bar slecht waren. Er bleek namelijk dat 9 op 10 bedrijven in de dienstenchequesector de welzijnswetgeving gewoon niet naleefden. U antwoordde dat de campagne pas in het najaar van 2024 werd opgestart, omdat er andere prioriteiten waren - daar heb ik alle begrip voor – en dat uiterlijk op 31 maart de resultaten op de website van de FOD WASO zouden worden gepubliceerd.

Op de website van de FOD WASO heb ik alleen een algemeen rapport van de Welzijnsinspectie gevonden. De Welzijnsinspectie doet zowat overal controles, wat weliswaar ook belangrijk is, maar mijn vraag ging specifiek over de dienstenchequebedrijven. Daarom herhaal ik mijn vragen.

Wanneer werden de controles van de dienstenchequesector in 2024 voortgezet? Wanneer wordt het rapport gepubliceerd?

Wat zijn de resultaten van de controlecampagne? Wat zijn de meest voorkomende overtredingen? Is er een verbetering zichtbaar ten opzichte van 2022 en 2023?

Zult u de campagne voortzetten in 2025?

Overweegt u bijkomende maatregelen voor een veilige werkvloer voor de poetshulpen?

Dan heb ik ook nog een aantal vragen over het gezondheidstoezicht. In vele bedrijven is er geen periodiek gezondheidstoezicht, terwijl dat toch superbelangrijk is. Blijkt uit de campagne dat er daar nog steeds een probleem is? Als het nog een probleem is, hoe zult u het aanpakken?

De sociale partners blijken nog steeds geen akkoord bereikt te hebben over de arbeidsomstandigheden en over de loonsverhoging, die door de Vlaamse overheid toegezegd werd. Ik meen dat dat nochtans cruciaal is om de werkomstandigheden van poetshulpen te verbeteren. Als die blokkering blijft aanslepen, zult u aan de kar trekken om de arbeidsomstandigheden van de poetshulpen en een gezonde werkvloer te garanderen?

David Clarinval:

De Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Arbeidsinspectie legt momenteel de laatste hand aan de eindredactie van het rapport over de nationale inspectiecampagne 2024 in de sector van de dienstencheques. Dat rapport zal, met enige vertraging, op de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg worden gepubliceerd.

Voor die inspectiecampagne werden 40 dienstenchequesondernemingen steekproefgewijs geselecteerd. Net zoals bij de vorige twee campagnes, die in 2022 en 2023 werden gevoerd, blijft de top 3 van vastgestelde inbreuken ongewijzigd. Het percentage tussen haakjes geeft het aantal dienstenchequesondernemingen weer dat in overtreding was.

Punt A betreft het ontbreken van een risicoanalyse met betrekking tot moederschapsbescherming in samenwerking met de preventieadviseur en arbeidsarts, het ontbreken van een risicoanalyse met betrekking tot chemische agentia (80 %) en het ontbreken van een risicoanalyse met betrekking tot musculoskeletale aandoeningen (85 %).

Punt B betreft het ontbreken van voorafgaand gezondheidstoezicht (60 %) en het ontbreken van periodiek gezondheidstoezicht (40 %).

Punt C betreft onvoldoende toezicht door de hiërarchische lijnen bij de gebruiker thuis, teneinde na te gaan of het ter beschikking gestelde materiaal voldoende aangepast is aan het uit te voeren werk, zodat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik ervan kan worden gewaarborgd (40 %). Alleen bij dat laatste punt is verbetering vast te stellen ten opzichte van de resultaten van de eerdere campagnes.

Dan kom ik aan uw tweede vraag. Tijdens de campagne 2024 werd wederom vastgesteld dat sommige dienstenchequesondernemingen hun verplichtingen inzake het gezondheidstoezicht niet kunnen naleven, omdat de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bij wie ze zijn aangesloten, geen gezondheidstoezicht wil organiseren voor die specifieke categorie van werknemers, gebruikmakend van een correcte methode voor de risico-evaluatie.

Ik zal dat nader laten onderzoeken door de Arbeidsinspectie en de externe diensten responsabiliseren.

Ten derde, zodra het eindrapport van de inspectiecampagne 2024 in de dienstenchequesector gevalideerd is, zal ik het bezorgen aan de voorzitter van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, alsook aan de voorzitter van het paritair subcomité voor de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, met de vraag de bespreking ervan op de agenda te plaatsen. Ik zal dan eerst de reactie van de sociale partners afwachten alvorens eventueel bijkomende maatregelen te nemen.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik dank u voor dat eerste overzicht van de resultaten. Ik vind het echt schrijnend dat er alleen maar een verbetering wordt vastgesteld in verband met het toezicht van de hiërarchische lijn bij klanten thuis hoe de veiligheid van poetshulpen op de werkvloer kan worden verbeterd. Voor mij zijn poetshulpen een onmisbare schakel. Zij zorgen ervoor dat andere gezinnen kunnen gaan werken en dat senioren thuis kunnen blijven wonen. Ik vind het ongelooflijk dat er na inspectiecampagnes in 2022, 2023 en 2024 nog steeds wordt gespeeld met de gezondheid en de veiligheid van poetshulpen op de werkvloer. Ik kijk uit naar het volledige rapport en zal daarover zeker vervolgvragen stellen, want ik vind dat poetshulpen veel meer respect en waardering verdienen. Ik hoop dat u daarmee verder aan de slag zult gaan na het advies van de hoge raad.

De hervorming van de werkloosheidsregeling en de gegevensuitwisseling met de OCMW's

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking tot 2 jaar) dreigt langdurig werklozen massaal naar het OCMW (CPAS) te duwen, wat onvoorziene druk op hun budget en capaciteit veroorzaakt. Minister Clarinval bevestigt dat gefaseerde informatie-uitwisseling (geaggregeerde data) en extra federale financiën voor OCMW’s gepland zijn om de overgang op te vangen, maar concrete data, afspraken met entiteiten en uitvoeringsdetails ontbreken nog—onderhandelingen lopen nog en vallen deels onder collega Van Bossuyt (bevoegd voor OCMW-steun). Meunier dringt aan op urgente planning om een "tsunami" aan nieuwe hulpvragen te voorkomen, wijzend op bestaande studies die precieze profielen en aantallen (320.000 werklozen vs. 176.000 vacatures) al blootleggen, maar krijgt geen duidelijke tijdlijn—alleen de belofte van overleg *na* definitieve regelgeving.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, votre réforme du dispositif d'indemnisation des chômeurs de longue durée aura, comme vous le savez, des conséquences directes pour un grand nombre de personnes en fin de droits, qui se tourneront très probablement vers les CPAS pour solliciter une aide sociale. Cependant, les CPAS, ne disposent aujourd'hui d'aucun mécanisme systématique d'information en amont au sujet des bénéficiaires potentiels qui perdront leur droit aux allocations de chômage. Dans ce contexte, j'ai trois questions.

Premièrement, le gouvernement prévoit-il de mettre en place un mécanisme permettant aux CPAS d'être informés en amont des exclusions liées à la réforme, afin d'anticiper l'afflux massif de nouvelles demandes d'aides sociales? Comme vous le savez, cet afflux sera massif.

Deuxièmement, auront-ils accès à des données concernant les profils socioéconomiques des personnes concernées, sous une forme agrégée ou individualisée, afin d'adapter leur accompagnement?

Enfin, plus largement, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour éviter un transfert de charges non anticipé et non compensé vers les CPAS, qui sont déjà fortement sollicités sur le terrain?

David Clarinval:

Madame la députée, je vous remercie pour votre question qui touche avec justesse une préoccupation réelle, celle de l'accompagnement des personnes en fin de droits et du rôle que joueront les CPAS à l'avenir.

Je tiens à vous répondre avec toute l'empathie qu'exige ce sujet, en tenant compte à la fois de notre responsabilité sociale et des principes de bonne gouvernance.

Nos réformes sont guidées par un objectif clair: encourager l'emploi tout en protégeant les plus vulnérables. La réforme de l'assurance chômage décidée par le gouvernement a pour objectif de transformer le système en un régime assurantiel, garantissant une protection temporaire tout en dynamisant le retour à l'emploi.

Le gouvernement poursuivra une politique d'activation ambitieuse. Les personnes en bonne santé et capables de travailler ne pourront plus bénéficier de systèmes trop avantageux et prolongés dans le temps, qui les découragent d'entrer sur le marché du travail. Dans ce cadre, le gouvernement a décidé de limiter dans le temps le droit aux allocations de chômage, avec une durée maximale de deux ans.

Votre inquiétude est légitime. Ce type de réforme peut entraîner une pression accrue sur les CPAS si rien n'est fait en amont. C'est précisément pourquoi les mesures d'anticipation et de coordination interfédérale sont intégrées dans notre approche.

En ce sens, le gouvernement prévoit de travailler en coordination avec les entités fédérées pour permettre aux CPAS d'être informés en amont, via une mise à disposition systématique de données agrégées sur les sorties prévues du système de l'assurance chômage, dans le respect des règles de protection de la vie privée. Cela permettra aux CPAS de préparer leur dispositif d'accompagnement et d'adapter leurs ressources.

Notre objectif est clair. Nous voulons anticiper et éviter un effet domino sur les CPAS.

Conformément au principe du fédéralisme de réforme mis en avant par l’accord Arizona, le gouvernement fédéral a prévu une enveloppe de refinancement ciblé des CPAS, notamment pour absorber l'impact des réformes du marché du travail, un refinancement des pouvoirs locaux pour absorber l'impact des réformes du marché du travail et rendre la facture des pensions plus supportable dans les années à venir.

Cette mesure répond à une volonté d'éviter un transfert de charges non compensé. Selon les dernières données du SPF Emploi et du Bureau fédéral du Plan, la Belgique compte encore près de 320 000 demandeurs d'emploi inoccupés au troisième trimestre 2024, alors que plus de 176 000 postes restent vacants. Dans un tel contexte, l'inadéquation entre l'offre et la demande exige une politique qui encourage l'insertion sans négliger ceux qui se heurtent à de vraies difficultés.

Je vous informe par ailleurs que la question portant sur la mesure relative à l'aide au CPAS est à poser à ma collègue Van Bossuyt, qui est compétente en la matière.

Notre ligne directrice est claire: la dignité passe par l'emploi, et nous devons éviter à tout prix la désinformation prolongée. Toutefois, cela ne signifie pas l'abandon. Les orientations et les textes étant encore au stade de projets ne faisant pas l'objet d'un arbitrage politique, il est prématuré à ce stade d'apporter des réponses relatives à un dossier qui n'est pas encore stabilisé politiquement et qui se trouve, de surcroît, dans les mains de ma collègue Van Bossuyt. Néanmoins, l'information suivante peut être transmise: le SPF ETCS et le SPP Intégration sociale ont pris contact afin d'organiser, une fois que le texte réglementaire de la réforme sera définitif, une réunion entre eux pour examiner les conséquences de celle-ci sur l'organisation des CPAS. Voilà, madame la députée, ma réponse – qui fut très rapide, je vous le concède.

Voorzitter:

Oui, nous l'avions constaté, monsieur le ministre!

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, c'était effectivement rapide. J'irai revoir la vidéo pour récupérer quelques éléments que je n'ai pas forcément compris dans un premier temps. Par contre, je tiens à vous signaler que je dépose la question également chez votre collègue. Il est quand même ici question de chômeurs de longue durée. Comme cela relève de vos compétences, je vous ai posé la question. J'entends que vous comptez mener une concertation pour faciliter justement l'arrivée de ces chômeurs de longue durée au niveau des CPAS. J'aurais dès lors une sous-question. Avez une date à nous communiquer? En effet, depuis le temps que vous annoncez ce transfert des chômeurs de longue durée vers les CPAS, j'imagine que vous avez quand même pu anticiper et discuter avec les différentes institutions pour que cette arrivée se fasse de manière un petit peu plus souple que le tsunami qui est prévu. Des chiffres nous sont donnés via différentes études. On sait donc quels citoyens se cachent derrière ces chiffres. En ayant ces différents profils, les CPAS peuvent déjà entamer en amont différentes démarches pour que cette insertion se passe de manière plus souple. Monsieur le ministre, je reviendrai potentiellement avec des questions complémentaires à ce sujet.

De verdediging van het diversiteitsbeleid tegen Amerikaanse druk
De verdediging van het diversiteits- en inclusiebeleid tegen de druk vanuit de regering-Trump
De brief van de Amerikaanse overheid aan bedrijven inzake het stopzetten van positieve discriminatie
Het afkalvende diversiteitsbeleid en de aanmaning van de Trump-administratie aan onze bedrijven
Verzet tegen Amerikaanse druk op diversiteits- en inclusiebeleid in bedrijven

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Amerikaanse druk op Europese bedrijven (o.a. GSK) om DEI-beleid (diversiteit, gelijkheid, inclusie) te schrappen, gebaseerd op een decreet van Trump dat dergelijke programma’s als "discriminatie" bestempelt. Minister Beenders (Gelijke Kansen) verdedigt DEI als economische en sociale troef, gesteund door wetenschappelijk bewijs, en belooft juridische stappen, Europese coördinatie en versterking van Belgische antidiscriminatiewetten, terwijl kritiek komt van regeringspartijen die DEI als "woke-dogma" afwijzen (Van Rooy, N-VA) en oppositieleden (Dedonder, Schlitz) vrezen voor een terugval in gelijkheid door economische chantage en ideologische invloed. Kernconflict: soevereiniteit en waarden (gelijkheid vs. "meritocratie") tegenover economische afhankelijkheid, met een oproep tot verzet tegen buitenlandse inmenging en versterking van Europese samenwerking.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, ces derniers jours, plusieurs entreprises européennes ont reçu un courrier officiel de l'administration américaine leur demandant de renoncer à leurs programmes de diversité, d'égalité et d'inclusion. Ce courrier fait référence au décret, signé par Donald Trump, qui interdit ce type de programme dans l'administration fédérale américaine et impose cette interdiction à tous les prestataires et fournisseurs du gouvernement américain. Autrement dit, des entreprises présentes sur notre sol sont aujourd'hui sommées par Donald Trump de renoncer à des engagements en faveur de l'égalité des chances pour ne pas compromettre leurs relations commerciales avec les États-Unis. J'ai envie de vous dire: "Dans quel monde vit-on?" Certaines entreprises semblent avoir plié. GSK, par exemple, a modifié sa communication et a suspendu des initiatives liées à la diversité, à l'équité et à l'inclusion. D'autres font preuve de discrétion mais l'effet dissuasif est bien réel.

Ce qui se joue ici est grave. Il s'agit d'une tentative d'ingérence idéologique dans nos politiques d'égalité via des pressions économiques. Nos entreprises ne devraient jamais être contraintes de choisir entre le respect de nos valeurs fondamentales et leurs activités commerciales.

Voici mes questions. Quelle analyse faites-vous de cette pression exercée sur les entreprises belges? Avez-vous pris contact avec les entreprises concernées pour connaître l'ampleur des retraits ou modification de leurs programmes d'égalité et de diversité? Quelles mesures comptez-vous prendre, en concertation avec vos collègues du gouvernement pour faire respecter nos principes fondamentaux sur notre territoire, y compris par des entreprises soumises à des pressions étrangères. Il est clair que notre pays ne peut pas tolérer qu'un décret étranger vienne effacer les progrès concrets que nous avons accompli. Il en va de notre souveraineté démocratique autant que de nos valeurs.

Sam Van Rooy:

Mijnheer de minister, verschillende Europese bedrijven hebben van de Amerikaanse overheid een brief gekregen met de vraag of ze binnen het bedrijf aan positieve discriminatie doen. Bedrijven worden gevraagd te erkennen dat ze geen programma's uitvoeren die DEI – diversity, equality, inclusion (diversiteit, gelijkheid en inclusie) – stimuleren, die in strijd zijn met de toepasselijke antidiscriminatiewetten.

Die bedrijven moeten met andere woorden aantonen dat ze niet aan zogeheten positieve discriminatie doen. De Amerikaanse president Trump stelt terecht dat zogenaamde positieve discriminatie ook discriminatie is. Hij noemt het een onwettelijk en verderfelijk identiteitsgericht systeem en wil dat het bedrijfsleven voortaan weer hard werken, excelleren en goed presteren vooropstelt.

Niet minder dan drie regeringsleden, ministers Jambon, Prévot en uzelf, reageerden afwijzend met een typisch politiek correct pleidooi voor gelijkheid, non-discriminatie, inclusie en uiteraard diversiteit. Deze regering stelt: "Diversiteit is geen bedreiging, maar een essentiële troef voor economische groei, concurrentiekracht en sociale cohesie." Deze politiek correcte prietpraat lijkt wel van de vorige vivaldiregering te komen.

Mijnheer de minister, ik krijg van u graag een toelichting over de brief van de Amerikaanse overheid en over de reactie van deze regering aan de Verenigde Staten. Waarom is deze regering het niet gewoon eens met de Verenigde Staten dat de zogenaamde positieve discriminatie ook discriminatie is en dat niet diversiteit en inclusie, maar wel talent, hard werken en excelleren de boventoon moeten voeren?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, c'est avec effroi que nous avons découvert que le gouvernement de Trump avait osé interpeller nos entreprises en Belgique sur leur politique d'inclusion et de diversité.

Ce qu'il se passe outre-Atlantique est terrible, mais que cela puisse avoir des répercussions sur notre territoire et saper les progrès réalisés depuis des années, et qui ne sont pas encore suffisants au vu de l'état des discriminations qui existent encore en Belgique, est simplement inacceptable.

Votre gouvernement a réagi et c'était la moindre des choses. Ces entreprises vont être privées de talents et on sait que leur compétitivité sera impactée aussi, au regard d'une série d’études en management et en psychologie sociale qui montrent que les entreprises qui adoptent des politiques de diversité sont plus créatives et plus productives.

Pire, des citoyennes et citoyens vont subir des discriminations et passer à côté d'opportunités auxquelles ils et elles ont droit. C'est inacceptable.

Monsieur le ministre, quelles actions, y compris législatives, avez-vous prises ou allez-vous prendre pour contrer ces attaques? Une rencontre avec les fédération patronales est-elle prévue afin d'annihiler l'effet domino que peut entraîner cette action du gouvernement américain? Allez-vous mandater Unia pour monitorer la situation des discriminations au regard de ce phénomène de backlash sur les questions d'égalité?

Rob Beenders:

Collega's, wat betreft uw vragen over de brief van de Amerikaanse ambassade gericht aan de bedrijven in de Europese Unie kan ik u het volgende meedelen.

Le signal envoyé par cette lettre est clair et absolument inquiétant: l’égalité des chances ne compte plus pour les États-Unis. Les pressions utilisées sont inacceptables.

En tant que ministre de l’Égalité des chances, je ferai tout ce qui est en mon pouvoir pour défendre ces valeurs en Belgique, mais aussi au niveau européen et international.

Mijnheer Van Rooy, u kan daarover een andere mening hebben. Ik zou het standpunt dat wij hebben gecommuniceerd echt niet als prietpraat wegzetten. Dat standpunt is gebaseerd op feiten en wetenschappelijk onderzoek. Ondernemingen die divers zijn samengesteld, zijn gewoon gezondere ondernemingen. U kan dat prietpraat noemen. Dat zijn echter gewoon feiten. Dat is gewoon zo. U kan dat politiek correct of incorrect vinden. Dat is echter gewoon zo. U vindt massa’s studies die aangeven dat een diverse samenstelling van bijvoorbeeld een raad van bestuur betere beslissingen neemt en economisch gezondere resultaten boekt.

Op dat vlak zeggen wij dus niks verkeerd. Integendeel, het standpunt van de regering is duidelijk. Diversiteit is geen bedreiging, maar is een essentiële troef voor economische groei, concurrentiekracht en sociale cohesie. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat talent en hard werken daarmee in tegenstrijd zijn. Integendeel, wij beweren niet dat niet de beste persoon op de beste plaats moet staan. Dat moet echter wel gebeuren binnen een visie en strategie van diversiteit.

Daarom onderzoeken wij op dit moment de juridische gevolgen van de brief aan de bedrijven. Mijn collega-minister van Buitenlandse Zaken kan u daarover nadere antwoorden geven, aangezien zijn departement daarvoor verantwoordelijk is.

Je suis d'avis qu'une coordination européenne est nécessaire en la matière. Je soutiens toute initiative qui permettrait d'aboutir à une position commune.

Je participerai le 16 avril prochain au Conseil informel des ministres de l'Égalité organisé par la présidence polonaise, où j'aurai l'occasion de rappeler l'engagement de la Belgique en faveur de l'égalité, mais aussi l'importance de veiller à contrer tout recul dans ce domaine.

Je rappellerai que la Belgique poursuivra la défense des droits à l'égalité et à la non-discrimination. Ceux-ci font partie intégrante des droits de la personne humaine, dont tous et toutes, dans toute leur diversité, doivent pouvoir jouir.

Comme vous le savez, la Commission européenne a récemment adopté la Feuille de route pour les droits des femmes . Au travers de celle-ci, elle réaffirme et renforce son engagement en faveur de l'autonomisation des femmes et des filles et de la pleine réalisation d'une société garantissant l'égalité des genres en Europe et dans le monde. Un des axes porte d'ailleurs spécifiquement sur l'égalité des chances en matière d'emploi.

La Belgique souscrit aux principes et valeurs de celle-ci. Il est important de soutenir la Commission européenne dans les mesures qu'elle prendra en faveur de l'égalité et dans les stratégies qu'elle sera amenée à développer dans les mois à venir, notamment la stratégie européenne en faveur de l'égalité entre les hommes et les femmes, la stratégie européenne LGBTIQ+, et la stratégie de lutte contre le racisme.

En ce qui concerne la législation belge, je veillerai à finaliser le suivi et la mise en œuvre des recommandations de la Commission d'évaluation des trois lois antidiscrimination, dont le rapport est sorti sous la précédente législature, en collaboration avec les différents collègues compétents.

Dans un second temps, je lancerai une nouvelle évaluation de ces législations. Je veillerai bien sûr à la mise en œuvre effective de ces législations qui protègent largement les victimes de discriminations.

Je transposerai aussi les directives de l'Union européenne dans le domaine de l'égalité. Celles-ci constituent aussi un cadre législatif important qui garantit une protection des politiques d'égalité.

La Belgique soutient les entreprises dans le développement des politiques de diversité. Ce gouvernement souhaite prendre des mesures pour rendre le marché du travail plus accessible et accroître la diversité. Les entreprises qui embrassent la diversité bénéficient d'une plus grande créativité, d'une innovation accrue et d'une meilleure relation avec leurs clients.

Nous continuerons à investir dans une société inclusive, où chacun bénéficie de l'égalité des chances, indépendamment de son origine, de son sexe, de sa religion ou de ses croyances. La liberté d'entreprendre signifie également celle d'attirer des talents, de les cultiver et de leur permettre de se développer.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.

Vous confirmez que la diversité est un atout. Merci. Vous confirmez également que les pressions sont inacceptables. Merci. Vous dites que vous ferez tout ce qui est en votre pouvoir pour trouver une solution et faire respecter nos valeurs démocratiques. Je m'en réjouis.

Le mot a été prononcé ici. Quand nous avons pris connaissance de cette déclaration et que nous avons vu les différentes entreprises qui se pliaient aux desideratas de Donald Trump, nous avons eu froid dans le dos. Devoir choisir entre ses valeurs et des retours économiques, c'est totalement inadmissible. J'ai l'impression que ce monde régresse de jour en jour. C'est pourquoi je vous dis que cela fait froid dans le dos.

J'ai aussi parfois l'impression que, dans ce gouvernement, on maltraite jour après jour nos valeurs et nos droits. J'espère que vous serez le garant de notre politique de diversité au sein de ce gouvernement. Quand nous voyons le premier ministre qui s'aligne sur la politique d'Orban, quand nous le voyons s'afficher avec des leaders d'extrême droite européens, quand nous voyons les libéraux s'opposer aux quotas de genre dans les entreprises et que nous les voyons s'afficher avec des groupements anti-EVRAS et anti-genre, nous avons évidemment les pires craintes. Il nous faut un garant. Je compte sur vous pour réaffirmer notre position au sein du Conseil des ministres européens. J'interrogerai évidemment aussi le ministre des Affaires étrangères sur les aspects juridiques, pour savoir s'il n'y a pas lieu d'aller plus loin et ainsi ne pas se laisser dicter sa conduite par Donald Trump. Merci.

Sam Van Rooy:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, het gaat om een orwelliaans debat. Ook zogenaamd positieve discriminatie is immers discriminatie. Helaas is dat al jaren een politiek correcte vorm van discriminatie. Wat de Verenigde Staten gewoon willen, is dat ook die discriminatie wordt gestopt en dat er een einde komt aan de diversiteitsfetisj, die de keuzevrijheid ondergraaft.

Wat de Amerikaanse president Donald Trump wil, is dat wij opnieuw naar een samenleving gaan waarin niet geslacht, geaardheid of huidskleur een rol moeten spelen, maar waarin alleen talent, presteren en excelleren tellen. België zou dat eindelijk eens moeten leren. Alleen op die manier kan een maatschappij immers vrij en dus welvarend worden en blijven.

Dat de huidige regering diversiteit niet alleen toejuicht, maar zelfs een essentiële troef noemt voor economische groei, concurrentiekracht en zelfs voor sociale cohesie, is gewoonweg potsierlijk. Dat standpunt laat zien dat de regering-De Wever in hetzelfde wokebedje ziek is als de vorige vivaldiregering.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous avoue que j'ai du mal à faire confiance à un pyromane pour éteindre un feu. Quand je vois certains membres de votre gouvernement ou certains présidents des partis de votre gouvernement s'opposer timidement aux injonctions de Donald Trump au sujet des politiques de diversité de nos entreprises, j'ai un peu du mal à croire à leur sincérité quand, la même semaine, ils s'affichent avec des groupements d'extrême droite anti-EVRAS ou quand ils ont eux-mêmes rédigés des pamphlets remplis d'énormités et de préjugés sur certains groupes de la population. Ils ont jeté l'opprobre sur les personnes LGBT. Ils ont tourné en dérision les militants antiracistes et pour les droits humains. J'ai donc du mal à faire confiance à ces mêmes individus pour défendre nos politiques de diversité et nos concitoyens et concitoyennes qui pourraient être victimes de la disparition de ces politiques.

Je m'inquiète également de l'effet domino, au-delà d'une application stricte d'une fin des politiques de diversité au sein des entreprises, qui aurait pour conséquence qu'il n'y ait plus vraiment d'efforts qui soit fait, qu'une sorte de paresse prenne le pas sur la volonté de mettre en place des politiques de diversité dans les entreprises. Et, au-delà des politiques strictes de recrutement et de gestion des ressources humaines, c'est aussi la façon dont ces entreprises vont s'impliquer sociétalement.

On parlait tout à l'heure de GSK, qui a déjà accepté de changer son langage dans la façon dont ils présentent l'inclusion en entreprise. Qu'en sera-t-il lorsqu'ils devront mener des recherches pour certains médicaments? Les mèneront-ils en incluant les femmes? Nous savons que la santé des femmes est menacée par le fait que les tests cliniques ne sont pas réalisés sur des femmes, mais sur des hommes, considérés comme individus neutres. Mais la santé des femmes en pâtit, et cet exemple peut se décliner dans beaucoup d'autres domaines. Cela fait froid dans le dos.

Je vous remercie pour votre détermination, et je vous souhaite beaucoup de courage avec vos partenaires de majorité.

Funda Oru:

Ik heb aandachtig geluisterd naar de tussenkomsten van de collega's en naar het antwoord van de minister. Het is duidelijk dat dit debat geen theoretisch debat is, want diversiteit op de werkvloer is geen modetrend en is ook geen ideologische keuze. Het is gewoon de realiteit en vooral een noodzaak. Iemand uitsluiten op basis van huidskleur, gender, leeftijd, fysieke beperking, geaardheid is eigenlijk hetzelfde als zeggen dat men er niet bij hoort. Dat kunnen we als samenleving niet aanvaarden. Voor Vooruit is het duidelijk dat diversiteit een versterking is. De minister heeft het ook al gezegd: diverse teams presteren beter. Dat is geen slogan, dat is wetenschap. Ondernemingen die mensen van verschillende achtergronden aanwerven, nemen betere beslissingen, begrijpen hun klanten beter en zijn innovatiever. Dat geldt niet alleen voor onze bedrijven, maar ook voor onze overheid. Bovenal zegt diversiteit op de werkvloer zoveel over wie we willen zijn als samenleving. We hebben elk talent nodig en dat betekent dat we iedereen moeten meenemen. Ik ben zelf een vrouw met migratieroots en het was geen toeval dat mij vooruit heeft geholpen in het leven, maar het waren kansen die anderen mij wel durfden geven. Daar gaat het vandaag in dit debat over diversiteit en gelijke kansen immers over. Het gaat over de eenvoudige menselijke overtuiging dat iedereen recht heeft op gelijke kansen om te groeien, om te werken en om bij te dragen aan onze samenleving. Laat het duidelijk zijn dat wat er vandaag gebeurt onder Amerikaanse druk bij bedrijven zoals GSK niet alleen fout, maar ook gevaarlijk is. We kunnen als land alleen vooruit als we elk talent benutten en als we iedereen meenemen. Het vraagt moed om tegen de stroom in te gaan wanneer andere landen, zoals de VS onder Trump vandaag, diversiteit plots opnieuw framen als een bedreiging. Het is zeker gevaarlijk als we dat frame hier in Europa, in België, ook zouden overnemen. Voor Vooruit is het ook zeer duidelijk dat gelijke kansen erg belangrijk zijn, maar het is ook een discussie over gezond verstand en verbondenheid. We willen geen samenleving waar mensen tegen elkaar uitgespeeld worden. We zijn allemaal Belgen met gedeelde rechten, gedeelde plichten en gedeelde verantwoordelijkheden. Precies daarom moeten we pal achter diversiteit blijven staan, niet als ideologisch project, maar als realistisch en rechtvaardig beleid. Daarom wil ik de minister ook danken voor zijn duidelijk standpunt en engagement, omdat hij ook duidelijk gelooft in het talent dat vandaag nog te vaak onopgemerkt blijft - er zijn jongeren met dromen, maar zonder kansen – en ook omdat hij gelooft in werkgevers die wel het verschil maken.

De verdere uitbouw van de zorgcentra na seksueel geweld
De verdere uitbouw van de zorgcentra na seksueel geweld
De opening van drie nieuwe ZSG's
Uitbreiding zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De zorgcentra na seksueel geweld (CPVS) groeiden van 3 naar 10 locaties, met plannen voor 3 extra centra (Bergen, Waals-Brabant, Halle-Vilvoorde) om dekkingsgraad te optimaliseren—realisatie hangt af van INAMI/RIZIV-selectie (2025) en vertraagt door procedurele stappen. Campagnes verhoogden naamsbekendheid (3x meer websitebezoeken, +15% bereidheid tot bezoek), maar de stijging in meldingen (95% in 2022, 28% in 2023) komt ook door betere samenwerking met politie en doorverwijzingen. Toekomstige acties richten zich op kwetsbare groepen (meertalige folders, gebarentaalvideo’s) en lokale zichtbaarheid (festivals, opleidingen), terwijl financiering (€17,5 mln in 2025) nog onduidelijk is voor de nieuwe centra. Bevoegdheidsverdeling tussen Gelijke Kansen en Volksgezondheid bemoeilijkt concrete antwoorden over locaties en timing.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de strijd tegen seksueel geweld blijft een prioriteit. Nog vorige week hebben wij gemerkt hoe sterk het thema leeft in onze samenleving. In 2017, dus al een tijd geleden, werden de eerste drie zorgcentra na seksueel geweld, waar een speciaal opgeleid multidisciplinair team aan slachtoffers van seksueel geweld en hun steunfiguren zorg biedt, geopend. Sindsdien werden nog zeven andere centra ingehuldigd. Ondertussen kunnen wij beamen dat de zorgcentra iedere dag absoluut hun nut hebben bewezen.

Het werk is zeker niet af. Wij waren dan ook blij te zien dat in de federale begroting van 2024 de oprichting van drie nieuwe centra werden opgenomen, namelijk eentje in Bergen, eentje in Waals-Brabant en eentje in Halle-Vilvoorde. Daarmee komt men tegemoet aan het streefdoel elk slachtoffer een zorgcentrum na seksueel geweld op minder dan een uur rijden van de woning kan vinden.

Het beleid blijkt ook zijn vruchten af te werpen. Ik las vorige week immers in de pers dat in Antwerpen ondertussen per week vijf vrouwen aangifte doen van verkrachting. Dat is een enorme groei. Wellicht stijgt niet zozeer het aantal feiten dan wel de aangiftebereidheid of verbetert de toegang tot de aangifte. Wij zijn ervan overtuigd dat de zorgcentra na seksueel geweld daartoe bijdragen.

Om die reden moeten we nu eindelijk werk maken van de drie laatste nieuwe centra en blijven inzetten op informatie rond de zorgcentra na seksueel geweld, zodat die bekend zijn slachtoffers en het brede publiek. Het is belangrijk voor slachtoffers dat zij gehoor vinden, dat de verkrachting of het misbruik erkend wordt en dat dat opgevolgd wordt.

Mijnheer de minister, wat was de impact van de informatiecampagne over de zorgcentra bij het brede publiek en slachtoffers? Werd die campagne reeds geëvalueerd en wat waren daarvan de conclusies? Heeft de campagne volgens u ook aantoonbaar een effect gehad op het aantal meldingen in 2024?

Welke initiatieven worden er nog genomen om de zorgcentra bekend te maken?

Hoe ver staat het met de bouw van de drie extra zorgcentra? Wat is de timing? Wat zijn de oorzaken voor de vertragingen in de drie regio's?

Waar precies in Waals-Brabant en Halle-Vilvoorde komt het nieuwe zorgcentrum? Op basis van welke criteria worden vestigingsplaatsen bepaald?

De begroting voor 2025, zoals vastgelegd door de ministerraad op 28 februari, voorziet in 17,5 miljoen euro voor de zorgcentra na seksueel geweld. Moeten die middelen ook dienen voor de financiering van de nog op te richten centra opgenomen? Zo neen, welk bedrag zal daarvoor dan worden uitgetrokken in de komende begroting?

Sarah Schlitz:

Je renvoie à la version écrite de ma question.

Monsieur le ministre,

Votre Gouvernement s'est engagé à poursuivre l'action du précédent Gouvernement en ouvrant 3 CPVS supplémentaires.

Pourriez-vous nous indiquer où cela en est? Quelles étapes ont été franchies depuis votre entrée en fonction? Quelles sont les prochaines étapes dans les différents dossiers?

Rob Beenders:

Mevrouw De Knop, mevrouw Schlitz, het dossier van de zorgcentra na seksueel geweld is belangrijk, getuige de expliciete vermelding van de centra in het regeerakkoord.

Il existe actuellement dix CPVS et l'objectif est d'en ouvrir trois de plus, afin de disposer d'un CPVS dans chaque arrondissement judiciaire. Concrètement, un CPVS sera ouvert dans les arrondissements de Hal-Vilvorde, de Mons et du Brabant wallon, comme le confirme l'accord du gouvernement.

Vu l'entrée en vigueur de la loi relative aux CPVS le 1 er janvier 2025, l'INAMI est compétente pour la sélection des hôpitaux. Elle détermine les critères de sélection et le calendrier ainsi que leur financement en ce qui concerne l'aspect médical. Pour les questions à ce sujet, il convient de s'adresser à mon collègue en charge de la Santé publique, qui est compétent pour l'INAMI.

Mevrouw De Knop, de meest recente campagne liep tot 28 februari. Op dit moment zijn we die campagne nog aan het evalueren, maar we weten wel al dat de website van de zorgcentra drie keer zoveel werd bezocht tijdens die campagne, tot gemiddeld 4.500 bezoekers per week. Daarnaast lag het aantal personen dat overwoog om in geval van nood een zorgcentrum te bezoeken, 15 % hoger dan bij een controlegroep die de campagne niet had gezien. Het doel van de campagne was de naambekendheid te vergroten, niet zozeer het aantal meldingen te doen stijgen. De zorgcentra richten zich immers op opvang en zorg in acute situaties van seksueel geweld.

Sinds de opstart van de zorgcentra is het aantal meldingen sterk gestegen, zoals u al aangaf in uw vraag. In 2022 was er een stijging met 95 %, in 2023 een stijging met 28 % ten opzichte van 2022. Die stijging is niet alleen maar toe te schrijven aan campagnes. De samenwerking met bijvoorbeeld de politie werd namelijk versterkt, wat ook geleid heeft tot meer doorverwijzingen van slachtoffers naar de zorgcentra.

Op dit moment is er geen algemene campagne concreet gepland, maar werken we wel aan specifiek materiaal voor personen die zich in een kwetsbare positie bevinden. Het gaat bijvoorbeeld over folders in verschillende talen met aangepast beelden voor sociale media of zelfs video's met gebarentaal. Die materialen worden nu in overleg met de organisaties en de verschillende doelgroepen uitgewerkt. In de volgende maanden zullen we die communicatiemiddelen verspreiden, onder andere via tal van maatschappelijke organisaties, maar ook via medische centra, apotheken, ziekenhuizen en lokale overheden.

Daarnaast werken we ook permanent aan de bekendmaking van de zorgcentra. De zorgcentra nemen lokaal een belangrijke rol op. Zij organiseren zelf informatiesessies bij verschillende organisaties. Ze nemen ook een actieve rol op bij festivals, door daar aanwezig te zijn. Er wordt bijvoorbeeld ook gevraagd om opleidingen te geven.

Voor de vragen over de timing en de selectie van de zorgcentra in het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde en Waals-Brabant, moet ik u doorverwijzen naar mijn collega Frank Vandenbroucke, omdat het RIZIV de selectie doet en ook de financiering van de ziekenhuizen verder opvolgt. Ik verwijs naar de wet van 1 januari 2025.

Irina De Knop:

Mevrouw de voorzitster, Ik wil mij graag even tot u richten. Mijn twee vragen werden samengevoegd, precies omdat we wisten dat die bevoegdheden verdeeld waren tussen de minister bevoegd voor Gezondheid en de minister bevoegd voor Gelijke Kansen. Als dat mogelijk is, zou ik toch graag mijn vraag aan minister Vandenbroucke stellen, zonder dat ik die opnieuw moet indienen. Ik zal mij richten tot het secretariaat om dat even praktisch te regelen, maar ik merk dat ze hier samengevoegd werden om dan toch geen antwoord op mijn vraag te krijgen.

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden over de campagne. We zullen dit zeker verder opvolgen.

La présidente : Monsieur le ministre a un complément de réponse.

Rob Beenders:

Het RIZIV is op dit moment bezig met de selectie van die criteria en met de oproep, zodat de dossiers kunnen binnenkomen daar waar het kan worden georganiseerd. We kunnen nog niet concreet zeggen waar dat doorgaat en wanneer, omdat die oproep momenteel bij het RIZIV in opmaak is.

La présidente : Mme Meunier pourra en témoigner: elle a déjà posé des questions sur le sujet à plusieurs personnes et tout le monde se renvoie la balle.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Le projet des CPVS a été un énorme chantier de déploiement sous la précédente législature: nous sommes passés de trois projets pilotes à un véritable réseau de dix centres, qui permet à une victime d'y avoir accès en moins d'une heure de chez elle. Je suis heureuse que vous ayez pérennisé la volonté du gouvernement précédent d'ouvrir trois centres supplémentaires pour garantir un maillage le plus optimal possible. Pour la suite, je ne doute pas que les administrations – très compétentes – sont en train de suivre le dossier et que l'attribution se fera en toute objectivité. C'est le plus important, pour que les victimes soient reçues dans les meilleures conditions à chaque endroit où elles se rendront. Je vous remercie.

De discriminatie van vaders op grond van de afkomst van hun ex

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz kritiseert het Arizona-akkoord dat alimentatiekortingen voor vaders beperkt tot 50% (binnen EER) of afschaft (daarbuiten), wat zij ziet als discriminatie op basis van herkomst en een racistisch bijsmaakje geeft, vooral omdat moeders de alimentatie wel als inkomen moeten aangeven. Minister Beenders benadrukt dat de maatregel gebaseerd is op woonplaats (niet afkomst), conform aanbevelingen van het CSF om fiscale druk te verlagen, en wijst door naar Financiën. Schlitz blijft bij haar standpunt dat de regel oneerlijk en structureel discriminerend is, met name voor vrouwen en kinderen wier situatie ze niet zelf kozen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, l'accord de majorité Arizona prévoit de créer une distinction de traitement entre les pères qui doivent verser une créance alimentaire pour leurs enfants, selon que leur ex-compagne vit en dehors de l'Union européenne ou en Europe. Je cite: "La déduction des pensions alimentaires passera graduellement de 80 % à 50 %. Les paiements vers des pays hors de l’Espace économique européen ne seront plus déductibles."

Cela constitue, à mon sens, une discrimination fondée sur l'origine, qui contrevient au principe supérieur de l'intérêt de l'enfant. Quelle est votre analyse de la situation, monsieur le ministre?

Rob Beenders:

Madame Schlitz, il n'est aucunement question de distinction fondée sur l'origine dans le passage que vous évoquez. C'est la résidence effective du bénéficiaire qui est déterminante.

Pour les bénéficiaires qui résident dans l'Espace économique européen, il n'y a pas grand-chose qui change. Les pensions alimentaires versées resteront déductibles, mais le pourcentage de déductibilité passera à terme de 80 % à 50 %. Le versement de pensions alimentaires à des bénéficiaires qui résident en dehors de l'Espace économique européen restera possible, mais ces pensions ne seront plus déductibles fiscalement.

Cette question sort quelque peu du cadre de mes compétences en matière d'égalité des chances, mais il ressort des informations que j'ai recueillies que cette mesure de l'accord de gouvernement est parfaitement conforme aux recommandations du Conseil supérieur des Finances (CSF). En effet, dans son rapport de mai 2020, le CSF recommandait la fiscalisation des pensions alimentaires dans le cadre de la réduction de la charge sur le travail et de ses possibilités de financement. Cette mesure a un effet supplémentaire, à savoir que le bénéficiaire n'est plus imposé sur la pension alimentaire perçue.

Pour obtenir plus d'informations sur cette mesure fiscale, je vous renvoie au ministre des Finances.

Sarah Schlitz:

Merci, monsieur le ministre. Je pense qu'il subsiste un véritable problème de traitement différencié entre deux publics en raison de l'origine de leur ex-compagne ou du choix de localisation de leur ex-compagne. Le fait que les créances alimentaires versées par les p è res pour subvenir aux besoins de leurs enfants soient déductibles a toujours agacé les mouvements féministes et les femmes concernées. En effet, les montants qu'elles perçoivent comme créances alimentaires sont globalisés dans leurs revenus; ces femmes sont donc imposées sur ces pensions alimentaires perçues comme s'il s'agissait d'argent qu'elles ont gagné, tandis que les pères, eux, peuvent les déduire. En l'occurrence, le but n'était pas de réduire cette déductibilité sans permettre la déductibilité du côté des femmes. Cette différence de traitement entre deux situations que la personne n'a pas choisie me semble parfaitement discriminatoire. Ce n'est pas de la faute d'un ex-partenaire si sa compagne a décidé de s'établir hors-Union européenne. Par ailleurs, cette mesure a un relent raciste, je suis désolée. Le fait qu'une femme aille s'installer dans un pays hors-Union européenne s'explique sans doute par le fait qu'elle en est originaire. D è s lors, décider de traiter différemment un père qui a épousé une femme originaire d'un pays hors-Union européenne plutôt qu'une femme habitant dans l'Union européenne me semble véritablement problématique. Je ne manquerai pas de revenir sur ce dossier avec des questions de suivi.

De mogelijke discriminatie van patiënten met verhoogde tegemoetkoming door (tand)artsen

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: De discussie belicht discriminatie door (tand)artsen die patiënten met een verhoogde tegemoetkoming (VT) weigeren, wat directe discriminatie op basis van socio-economische status vormt en strijdig is met antidiscriminatiewetgeving. Minister Beenders bevestigt de ernst, meldt de praktijken bij Unia en de Federale Toezichtcommissie, en roept slachtoffers op klacht in te dienen, terwijl Unia juridische stappen of bemiddeling kan ondernemen. Samenwerking met Volksgezondheid en Unia wordt benadrukt om het wettelijk kader strikt te handhaven, met nadruk op de ethische plicht van artsen om gelijke zorg te garanderen. Oru onderstreept dat financiële uitsluiting onaanvaardbaar is en dringt aan op structurele aanpak.

Funda Oru:

Ik verwijs naar de ingediende vraag.

Recente berichtgeving, onder meer in Het Belang van Limburg, alsook een communicatie van de Christelijke Mutualiteit (CM), signaleren een zorgwekkende problematiek waarbij artsen en voornamelijk tandartsen patiënten weigeren louter op basis van hun recht op een verhoogde tegemoetkoming (VT).

CM meldt reeds 45 klachten te hebben ontvangen van patiënten die geweigerd worden of van wie de behandeling werd stopgezet, en geeft aan dat dit wellicht slechts het topje van de ijsberg is. Deze weigeringen lijken direct gelinkt aan de socio-financiële status van de patiënt.

CM heeft aangekondigd klacht te zullen neerleggen bij de Federale Toezichtcommissie en overweegt stappen te ondernemen bij Unia wegens discriminatie. Het weigeren van een patiënt op basis van zijn of haar financiële toestand of sociale situatie raakt immers direct aan het principe van gelijke kansen en non-discriminatie.

1. Hoe evalueert u de omvang en de ernst van de signalen dat patiënten met een verhoogde tegemoetkoming geweigerd worden door (tand)artsen, specifiek in het licht van het recht op gelijke toegang tot maatschappelijke diensten zoals gezondheidszorg?

2. Bevestigt u dat het weigeren van zorg aan patiënten louter omwille van hun VT-statuut, en dus hun socio-financiële situatie, een vorm van discriminatie op grond van sociale afkomst of vermogen vormt, wat verboden is door de antidiscriminatiewetgeving?

3. Welke concrete stappen onderneemt u, vanuit uw bevoegdheid voor Gelijke Kansen, om deze discriminerende praktijken in de toegang tot de zorg tegen te gaan? Hoe werkt u hierbij samen met de Minister van Volksgezondheid om ervoor te zorgen dat de antidiscriminatiewetgeving gerespecteerd wordt binnen de gezondheidszorgsector?

4. Gezien CM expliciet overweegt om Unia te betrekken wegens discriminatie, wat is uw standpunt hierover? Acht u een proactieve betrokkenheid van of samenwerking met Unia wenselijk of noodzakelijk in de aanpak van dit probleem, en zijn er hierover reeds contacten geweest tussen uw diensten en Unia?

5. Hoe zal u er, in samenwerking met de bevoegde ministers, op toezien dat het bestaande wettelijke en reglementaire kader effectief wordt ingezet om discriminatie van patiënten met verhoogde tegemoetkoming te voorkomen en hun gelijke toegang tot zorg te waarborgen?

Rob Beenders:

Ik heb het artikel ook gelezen in de krant en ik was uiteraard even verontwaardigd als u over de praktijken waarbij mensen die recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming worden uitgesloten van zorg. Het gaat om een groep mensen die toch wel de meest kwetsbaren zijn in onze samenleving en die als gevolg van hun financiële situatie, hun financiële draagkracht, geen toegang krijgen tot medische zorg, in dit geval tandzorg.

Samen met mijn collega bevoegd voor Volksgezondheid Vandenbroucke hebben we dit dossier onder handen genomen en hebben we een aantal acties genomen. Zo hebben we onder andere de praktijken die vastgesteld werden bij de Federale Toezichtcommissie maar ook bij Unia gemeld. Ondertussen heeft Unia ons laten weten dat ze zelf nog geen recente klachten hebben ontvangen. Het is daarom ook goed dat de CM overweegt klacht in te dienen bij Unia. We roepen ook iedereen op om hetzelfde te doen wanneer ze getroffen zijn in deze situatie: dien klacht in bij Unia over dit verhaal.

Uiteraard is het finaal aan de rechter om te beoordelen of deze praktijken de antidiscriminatiewetgeving schenden. Unia meent echter nu al dat een weigering van zorg voor de betreffende doelgroep als een mogelijke directe discriminatie op grond van sociale afkomst kan worden beschouwd.

Wanneer patiënten die met een dergelijke weigering worden geconfronteerd melding maken bij Unia, zal Unia de feiten analyseren in het licht van de antidiscriminatiewet en desgevallend ook bijstand bieden aan vermeende slachtoffers. Als melders daarmee instemmen, kan Unia elke bemiddeling of verzoeningsopdracht uitvoeren die het nodig acht. Indien het nodig zou blijken, kan Unia bovendien in rechte optreden en het bevoegde rechtscollege verzoeken om een vermeende discriminatie vast te stellen en/of deze te laten staken.

Helaas is dit niet het enige verhaal over discriminatie in onze samenleving. We zien de laatste weken andere verhalen in de pers over discriminatie, onder andere bij de inschrijvingen in de gemeente Aalter, bij poetsbedrijven die op basis van afkomst discrimineren of op basis van leeftijd en ga zo maar door. Al deze verhalen tonen aan dat de strijd tegen discriminatie elke dag moet worden gestreden. Als minister van Gelijke Kansen kunt u hiervoor op mij rekenen. Ik ben ook tevreden dat we op de blijvende expertise van partners als een gelijkheidsorgaan als Unia of het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen kunnen rekenen.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoord en voor het sterk veroordelen van deze vorm van discriminatie. Wij hebben het vandaag over heel veel vormen van discriminatie gehad en gesteld dat het onaanvaardbaar is dat mensen worden uitgesloten op basis van hun afkomst, gender, geaardheid, leeftijd of fysieke beperking. Zij mogen zeker ook niet worden uitgesloten op basis van hun financiële mogelijkheden. Wat de zaak extra pijnlijk maakt, is dat het in het dossier over artsen gaat. Arts is immers niet zomaar een beroep, het is een ethische roeping. Ik ben dus blij dat u die vorm van discriminatie sterk veroordeelt en de aanpak ervan de komende jaren ter harte neemt. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.34 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 34.

Energiearmoede
Het jaarrapport 2024 van het Sociaal Verwarmingsfonds
De energiearmoede van gezinnen die hun woning verwarmen met stookolie
Energiearmoede en steunmaatregelen voor huishoudens

Gesteld aan

Mathieu Bihet (Minister van Energie)

op 8 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de nijpende energiewarmtearmoede in België, met name bij 70.000 huishoudens op stookolie, waarvan de kosten sinds 2021 met 64% stegen—drie keer sneller dan de lonen—terwijl steunmaatregelen (Sociaal Verwarmingsfonds, tarif social) ontoereikend zijn en men consumptie vermindert uit financiële noodzaak, ten koste van gezondheid. Minister Bihet belooft harmonisatie van criteria, automatisering van steun (zoals bij gas/elektriciteit), betere gewestelijke samenwerking voor woningisolatie en versterkte CPAS-begeleiding, maar concrete, directe maatregelen ontbreken, evenals een antwoord op de dreigende ETS2-kostenstijging in 2027. Kritiek blijft dat de politieke prioritering ontbreekt: de TVA-verhoging op fossiele ketels (federale bevoegdheid) en gebrek aan structurele oplossingen verdiepen de crisis, terwijl dringend compenserende actie wordt geëist voor kwetsbare gezinnen.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, lors de votre exposé d'orientation politique, vous n'avez annoncé aucune mesure visant à lutter efficacement contre la précarité énergétique, et n'aviez aucune intention d'étendre le tarif social comme cela avait été fait durant la crise du covid. Pourtant, l'efficacité et surtout l'utilité de celui-ci est prouvée. Les chiffres récents de l'Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique (IWEPS) sont sans appel: en 2023, 11,6 % des ménages wallons déclaraient avoir des difficultés à chauffer correctement leur logement.

Contrairement à ce qu'on peut parfois entendre, ce ne sont pas uniquement les ménages vivant dans des logements mal isolés qui sont en difficulté. L'impact du coût de l'énergie sur le budget des ménages dépend également des choix financiers que doivent faire les ménages les plus précaires, qui réduisent souvent leur consommation au prix de leur confort et de leur santé.

En sachant cela, l'absence d'initiatives pour lutter contre cette précarité énergétique dans votre note d'intention était frappante et inquiétante. Je vous avais interpellé à ce sujet, et suis dans l'obligation de vous reposer la question puisque vos réponses ne m'avaient pas rassurée.

Monsieur le ministre, comptez-vous enfin reconnaître l'urgence de la situation pour de nombreux ménages et mettre en place des mesures concrètes pour lutter contre la précarité énergétique?

Kurt Ravyts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat over het Sociaal Verwarmingsfonds. Het federaal regeerakkoord stelt dat men de tussenkomsten van het sociaal energietarief en het Sociaal Verwarmingsfonds gaat bekijken en dat men ter zake wil evolueren naar een inkomensgebaseerde, vermogensgebaseerde en technologieneutrale forfaitaire tussenkomst.

Het Sociaal Verwarmingsfonds trekt nu echter aan de alarmbel met betrekking tot de kostprijs voor de gezinnen in energiearmoede die zich verwarmen met stookolie. Vandaag is misschien een beetje een ongelukkige dag, omdat de olieprijzen gedaald zijn, de stookolieprijs is vandaag stevig gedaald, maar het gaat natuurlijk over de voorbije jaren. Vandaag is slechts een momentopname. Vorig jaar was er een prijsstijging van maar liefst 64 %, terwijl in dezelfde periode de gezondheidsindex gestegen is met 21 %. De kosten om een woning te verwarmen met stookolie, en als Vlaming kijk ik dan ook naar Wallonië, waar vaker met stookolie verwarmd wordt, zijn drie maal sterker gestegen dan de salarissen in België. Het gaat hier toch over 70.000 gezinnen.

Het jaarrapport 2024 doet de directeur van het Sociaal Verwarmingsfonds aan de alarmbel trekken. Gezinnen kopen zelfs minder brandstof aan, omdat ze die gewoonweg niet meer kunnen betalen. ETS 2 komt eraan in 2027, maar de situatie met betrekking tot dat Sociaal Verwarmingsfonds is nu al ernstig. De directeur pleitte trouwens vorig jaar al, voor de verkiezingen, voor een stevige aanpak en een verandering van het berekeningssysteem, want met de geëvolueerde stookolieprijs blijft het deel dat gezinnen in financiële moeilijkheden zelf moeten betalen, te groot. Volgens de directeur zou de toelage idealiter een kwart van de aankoopprijs moeten zijn.

Hoe reageert u op de door het Sociaal Verwarmingsfonds geformuleerde bezorgdheden?

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, le dernier rapport annuel du Fonds Social Chauffage dresse un constat inquiétant sur la précarité énergétique des ménages belges, et en particulier pour ceux qui se chauffent au mazout. Entre 2021 et 2024, leur coût de chauffage a doublé, même avec les primes mazout ou les allocations du Fonds Social Chauffage. La hausse des prix entre 2021 et 2024 a atteint 64 %, alors que l'indice santé n'a augmenté que de 21 %. Le coût du chauffage a donc augmenté trois fois plus que les salaires en Belgique.

Face à cette explosion des coûts, les ménages les plus modestes sont obligés de réduire leur consommation, non pas pour l'efficacité énergétique, mais tout simplement parce qu'ils n'ont plus les moyens de se chauffer correctement. Cette situation est d'autant plus inquiétante qu'une nouvelle augmentation des prix est attendue en 2027 avec l'entrée en vigueur du système ETS2, sans aucune mesure compensatoire prévue à ce stade.

Je ne reviens pas sur votre note d'orientation politique où on a pu constater que la précarité énergétique était à peine abordée. Aucun dispositif structurel ne semble envisagé pour protéger ces citoyens qui sont déjà en difficulté. Par contre, on retrouve la volonté, confirmée par votre gouvernement, d'augmenter la TVA sur les chaudières à gaz et à mazout. C'est une donnée que nous n'avions pas durant la présentation de votre note d'orientation politique. Nous en avons évidemment pris bonne note depuis.

Ne pas réagir à la précarité énergétique, c'est pousser des milliers de familles vers des conditions de vie moins dignes, avec de nombreuses conséquences sur leur santé et sur leur bien-être.

Monsieur le ministre, êtes-vous vraiment conscient de l'ampleur du problème de précarité énergétique? Quelles mesures concrètes envisagez-vous pour les années à venir afin de protéger les ménages vulnérables face à ces hausses des coûts? Pourquoi votre note d'orientation prend-elle si peu en compte cette problématique?

Mathieu Bihet:

Chers collègues, la précarité énergétique est une problématique, malheureusement croissante en Belgique. L'analyse réalisée par le Fonds Social Chauffage montre qu'entre le 1 er janvier 2021 et le 31 décembre 2024, le coût pour un ménage qui vit dans la précarité énergétique et se chauffe au mazout a doublé, même après l'octroi d'une allocation sous forme de prime mazout ou d'allocation du Fonds Social Chauffage.

Cette situation est évidemment préoccupante. La hausse est liée à l'augmentation de l'énergie pour tous les ménages. Cependant, l'étude du Fonds Social met en évidence que la part consacrée à l'énergie pour les ménages en situation de précarité énergétique s'accroît. Les fonds sociaux sont utiles mais nécessitent des améliorations pour une lutte plus efficace et plus équitable contre la précarité énergétique.

Madame Meunier, pour ce qui est notamment de la question de la fiscalité, il n'est pas anormal que vous ne l'ayez pas retrouvée dans ma note, étant entendu que cela ne fait pas partie des compétences qui sont les miennes. Dès lors, en ce qui concerne la fiscalité des chaudières et l'augmentation de la TVA, il faudra vous adresser à mes collègues, comme certains parlementaires l'ont fait.

Comme recommandé par le Service public fédéral de programmation (SPP) Intégration sociale dans son étude d'évaluation des fonds sociaux en matière d'énergie, j'examinerai les points suivants avec mon administration. Il y a, tout d'abord, l'harmonisation des critères d'octroi et de subventionnement entre les différents fonds. Une harmonisation des critères serait une modification parfaitement logique du fait que les deux aides visent le même objectif: lutter contre la précarité énergétique, en ciblant le même groupe en général et, de la même manière, en accordant un droit objectif à une aide financière. Il est dès lors important de noter que ceci ne doit pas impliquer un nivellement vers le bas des critères.

Ten tweede, deze harmonisering van de toekenningscriteria van het Sociaal Verwarmingsfonds en van het sociale tarief zou trouwens gepaard kunnen gaan met een automatisering van de toekenning van de hulp, net zoals het sociale tarief voor gas en elektriciteit werkt. Dat kan met name leiden tot een grote administratieve vereenvoudiging en heel wat meer efficiëntie en tijdswinst voor de OCMW's.

Ten derde is er de samenwerking met de gewesten om de woningen aan te passen en een betere energie-efficiëntie te halen wanneer dat mogelijk is. De belangrijkste boodschap is dat de steun van de fondsen meer inherent deel zou moeten zijn van het globale beleid.

Quatrièmement enfin, le renforcement de l'encadrement par les CPAS, en collaboration, évidemment, avec le SPP Intégration Sociale (Service public fédéral de programmation Intégration Sociale).

Marie Meunier:

Merci monsieur le ministre. Je ne suis pas complètement inattentive! Je parlais tout à l'heure évidemment de la note de votre collègue, le ministre Jambon. Si on avait toutefois eu l'information dans le cadre de sa présentation à lui, cela aurait bien évidemment eu des répercussions sur les questions que j'aurais pu vous poser à vous par la suite. Merci donc d'avoir été précis à ce sujet-là, mais j'étais bien consciente que ça ne devait pas être présent dans la note. Dans la sienne, ça ne l'était pas, et ça aurait effectivement eu un impact chez vous.

Pour le reste, vous ne nous parlez que d'harmonisation. Je l'entends. Comme pas mal de choses, on a des lignes qui sont tirées et on n'a pas vraiment de fond derrière. J'attendrai de voir la suite mais je tiens tout de même à souligner, encore une fois, que des milliers de familles sont dans des conditions compliquées, des situations de précarité énergétique importante. Or nous n'avons aujourd'hui aucune réponse à nos questions, aucune ligne claire de votre part pour des aides potentielles à mettre en place et ça, c'est réellement problématique.

Kurt Ravyts:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Harmonisering van de toekenningscriteria, samenwerking met de gewesten, meer integratie, daarmee zijn wij het allemaal eens, maar desalniettemin maakt ook onze fractie zich zeer ernstig zorgen over een aantal fiscale maatregelen – dat is inderdaad niet uw bevoegdheid, maar ik zeg het hier toch maar – die het gebruik van fossiele brandstoffen nog duurder zal maken voor mensen die nu al in moeilijke energieomstandigheden leven. De stookolie is een voorbeeld. ETS2 komt eraan. Ik denk dat u in juni bij de Europese Commissie een plan zult moeten indienen om de compensatie in België te organiseren. Het zal meer dan ooit nodig zijn. Wij zullen daarop aandachtig toekijken.

De vrijwillige zwangerschapsafbreking
Het 35-jarige bestaan van de wet Lallemand-Michielsen
De 35ste verjaardag van de abortuswet
De abortuswet
Het recht op abortus
De toegang tot vrijwillige zwangerschapsafbreking
Recht op zwangerschapsafbreking

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 3 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dringende modernisering van de Belgische abortuswet, 35 jaar na de originele depenalisering, waar wetenschappers unaniem pleiten voor 18 weken termijn (ipv 12 of 14), afschaffing van de vernederende wachttijd van 6 dagen en volledige decriminalisering—maar de regering-Arizona blokkeert dit door politieke koehandel (cd&v eist 14 weken als "maximale concessie") en weigert een vrij parlementair debat. Critici hekelen de hypocrisie van het uitbesteden van late abortussen aan Nederland (400 vrouwen/jaar) en het negeren van wetenschappelijk en maatschappelijk consensus, terwijl premier De Croo en minister Verlinden consensus en "serene dialoog" als voorwaarde stellen—wat tegenstanders zien als gijzeling door conservatieven en een achteruitgang ten opzichte van 1990, toen het parlement nog vrij kon stemmen. De kernvraag: zal de regering het wetenschappelijk onderbouwde voorstel (18 weken, geen wachttijd) doorvoeren, of blijft het bij een minimaal compromis (14 weken) dat slechts 20% van de vrouwen in Nederland helpt? Oppositie eist vrij stemrecht in het parlement; de meerderheid houdt vast aan partijdiscipline en "maatschappelijke rust", ondanks de urgentie en ethische plicht om vrouwenautonomie te waarborgen.

Irina De Knop:

Mijnheer de premier, dag op dag 35 jaar geleden keurde dit Huis eindelijk de abortuswet goed. Dat was een verdienste van een liberale senator, mevrouw Lucienne Herman-Michielsens, die voor dat dossier keihard heeft gevochten. De Koning zette er zelfs een stap voor opzij. Historisch.

Het werk is jammer genoeg niet af. Dat zeggen ook de experts in hun wetenschappelijk rapport unaniem: schaf de wachttijd van zes dagen af en verleng de abortustermijn tot 18 weken. Maar niets van dat alles. Arizona schuift het duidelijk op de lange baan. Dat is heel erg opmerkelijk, want nog voor de regeringsvorming heeft Vooruit zelfs een voorstel van de PS weggestemd om de regeringsvorming alle kans op slagen te geven. Wij gingen er dus ook van uit dat dit verankerd zou worden in jullie regeerakkoord. Maar nee, niets van dat.

Erger nog, wat krijgen we nu in de plaats? Een tapijtenmarkt, alles wat Vooruit niet wilde. Cd&v sprak onmiddellijk een ultimatum uit: 14 weken en geen dag langer. Nietwaar, mevrouw Farih? Vooruit heeft zo stilaan haar bocht ingezet, door te stellen dat elke vooruitgang een vooruitgang is. Laten we ernstig blijven, mijnheer de premier, mevrouw de minister, die 14 weken, dat is geen oplossing, dat is geen vooruitgang. Hoogstens is het een tjevenoplossing. Tegenwoordig moeten namelijk ruim 400 vrouwen naar Nederland en met die oplossing kunnen we slechts 20 % van hen helpen.

Mijnheer de premier, hoe zult u ervoor zorgen dat die angel eruit geraakt? Hoe zorgen we voor een oplossing (…)

Caroline Désir:

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, il y a 35 ans jour pour jour, le 3 avril 1990, était promulguée la loi dépénalisant partiellement l'avortement en Belgique. Même si des sanctions pénales demeuraient encore pour les femmes et les médecins, même si les femmes devaient encore attester d'un état de détresse, même si on leur imposait encore un délai de réflexion bien trop long, la loi Lallemand-Michielsen a été une grande avancée dans l'histoire de notre pays pour le droit des femmes à disposer de leur corps. C'était une grande avancée aussi dans ce Parlement, qui avait pu travailler librement sur ce sujet.

Votre parti, madame la ministre, avait combattu cette proposition de loi, mais à la loyale. Car, souvenez-vous, monsieur le premier ministre, votre prédécesseur Wilfried Martens avait laissé ce Parlement travailler.

Sous la précédente législature, le cd&v a voulu que des scientifiques se penchent sur la question. Très bien! Et pourtant, quand ce rapport académique adopté à l'unanimité a été présenté au Parlement en 2023, vous l'avez simplement balayé d'un revers de la main, alors qu'il était le fruit d'un travail mené par 35 expertes et experts, francophones et néerlandophones, médecins, juristes, psychologues, spécialistes de la philosophie et des sciences sociales, issus de toutes les universités du pays.

Ce rapport recommande notamment l'allongement du délai à 18 semaines – pas 14 semaines, 18 semaines! –, la suppression du délai de réflexion, l'inscription de l'IVG dans les législations relatives à la santé, l'amélioration de l'accès à la contraception également. Et ce rapport est la réponse à toutes les femmes qui doivent aujourd'hui se rendre aux Pays-Bas pour avorter, parce qu'elles sont encore considérées comme des criminelles dans notre pays.

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, mon groupe vient de redéposer une proposition de loi pour transposer l'intégralité des recommandations formulées par les experts, parce que nous ne pouvons pas aller en dessous de ce compromis scientifique. Ma question est donc simple. Allez-vous enfin laisser ce Parlement travailler à la modernisation de la loi relative à l'IVG, comme cela a été possible il y a 35 ans?

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, il y a 35 ans, ce Parlement accomplissait un geste historique en considérant une fois pour toutes que le droit des femmes à disposer de leur corps pouvait l'emporter sur d'autres valeurs de conception de la vie, aussi respectables soient-elles. Pourtant – on le voit aux États-Unis –, le droit à l'avortement peut très facilement et très rapidement être remis en cause.

Il existe une demande forte ici en Belgique depuis des années pour clôturer le travail de dépénalisation. Une demande forte pour faire en sorte que l'IVG soit sortie du Code pénal, pour ôter cette épée de Damoclès qui plane toujours sur les femmes et sur les soignants. Une demande forte pour porter le délai légal de 12 à 18 semaines – 18 semaines, cela ne vient pas de nulle part mais d'un consensus scientifique établi par des universités, non seulement au-delà des disciplines mais aussi des obédiences connues dans ce pays. Une demande forte pour supprimer ce délai de six jours de réflexion obligatoire et infantilisant pour les femmes. En fait, une demande forte pour aider les centaines de femmes qui, chaque année, sont contraintes de franchir une frontière, d'aller aux Pays-Bas et de subir un avortement tardif.

Voilà des années que ce dossier est bloqué. On a d'abord eu, en 2019-2020, la saga des renvois au Conseil d'État et de la flibuste par certains partis – N-VA, cd&v, Les Engagés. On a ensuite eu le gel de la Vivaldi parce que le cd&v en faisait une condition de participation. On a maintenant cet accord Arizona où on trouve deux lignes: une ligne qui indique qu'il faudra poursuivre le débat sociétal – débat qui me semble déjà terminé depuis longtemps – et une ligne qui explique qu'il faudra un consensus au sein des partenaires de la majorité.

Quel sera ce débat sociétal? Quel est le délai dans lequel vous comptez avancer? Est-il vrai que vous avez l'intention de faire un compromis à la petite semaine sur le nombre de semaines autorisé pour avorter? Ce serait à mon avis un recul bien difficile à accepter.

Sofie Merckx:

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, elle avait 40 ans et était enceinte de 16 semaines. Elle se trouvait dans mon cabinet de consultation en face de moi, m'a regardée dans les yeux et m'a dit: "Sophie, j'ai une fille de 18 ans. Je l'ai élevée toute seule. Je ne peux pas, je ne veux pas." J'ai dû lui répondre qu'il était interdit en Belgique de pratiquer une IVG. Nous avons contacté le planning familial. Elle a rassemblé 1 000 euros et, comme 400 femmes chaque année en Belgique, elle est partie aux Pays-Bas pour faire une IVG. Voilà la réalité.

Aujourd'hui, cela fait exactement 35 ans que la Chambre votait la loi qui autorisait l'IVG. C'aurait dû être normalement un jour de fête. Après des années de combat, après des années d'IVG clandestines, après que des médecins avaient été emprisonnés, le droit des femmes et le mouvement féministe récoltaient enfin une victoire! Cependant, ce n'est pas un jour de fête pour moi, parce que 400 femmes se rendent encore aux Pays-Bas et qu'on impose encore aujourd'hui six jours de délai d'attente aux femmes avant de pouvoir recourir à une IVG. Et des sanctions pénales sont toujours prévues dans la loi.

Pourtant, il existe un rapport d'experts de plus de 152 pages – ce n'est donc pas un petit avis! – émanant de huit universités différentes qu'ont signé des gynécologues et des philosophes de toute obédience. Ils disent clairement qu'il faut allonger le délai à 18 semaines et supprimer le délai d'attente. Puis, l'accord du gouvernement Arizona a été conclu. Malgré les promesses faites pendant les élections, comme celles de Vooruit qui en avait fait un thème de campagne, celles du MR qui avait indiqué que le vote serait libre et celles des Engagés qui en ont aussi parlé, on refuse de laisser le Parlement s'exprimer. De nouveau, on a créé dans l'accord de gouvernement un blocage qui empêche toute avancée.

Ma question est: de quoi avez-vous peur et pourquoi (…)

Petra De Sutter:

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, vrouwen die voor een vrijwillige zwangerschapsafbreking kiezen, komen uit alle lagen van de samenleving. Ze zijn jaarlijks met bijna 20.000 in ons land. Een vrouw op vijf laat ooit in haar leven een abortus uitvoeren.

Vandaag is de Belgische abortuswet exact 35 jaar oud. De pijnpunten van die wet zijn reeds lang bekend. Elk jaar moeten meer dan 400 vrouwen naar Nederland om de abortuszorg te krijgen die ons land hen weigert omdat ze meer dan 12 weken zwanger zijn. Ze doen dat op eigen kosten, vaak met een hoge emotionele belasting en veel stress. Die wettelijke termijn moet naar omhoog.

Daarnaast is er de bedenktijd van zes dagen die door zowat iedereen als betuttelend en vernederend wordt ervaren. Een studie van Anna Wallays van de UA toont aan dat dit in de praktijk vaak langer is om praktische redenen. De meeste vrouwen zijn overtuigd als ze zich aanbieden en hebben die paternalistische bedenktijd niet nodig.

Ondanks de sterke argumenten voor de wetswijziging blijft er significante politieke tegenstand bestaan, met name van uw beide partijen. Cd&v heeft de wetswijziging om ideologische redenen in de vorige regeerperiode tegengehouden. Het compromis dat uw regering naar verluidt voorbereidt komt niet tegemoet aan de aanbevelingen van de expertencommissie, met name de termijn optrekken tot 18 weken, de bedenktijd schrappen, de verplichte informatie over adoptie en strafrechtelijke sancties, de toegankelijkheid verbeteren voor vrouwen zonder toegang tot de reguliere gezondheidszorg.

Mijnheer de eerste minister, mevrouw de minister, daarom vind ik dat dit een belangrijk ethisch thema is dat het Parlement toebehoort, waar parlementsleden zich in eer en geweten over dit onderwerp, dat alle vrouwen aanbelangt, kunnen uitspreken.

Mijn vraag is heel eenvoudig. Zal de arizonaregering, waarvan het kernkabinet en alle voorzitters van de partijen mannen zijn, doen wat nodig is voor deze bijzondere vorm van zorg voor vrouwen?

Bart De Wever:

Chers collègues, je vous remercie pour vos questions.

Le principe de l'interruption volontaire de grossesse est un principe que personne au sein du gouvernement ne remet en cause. Il s'agit cependant d'une question délicate sur laquelle nombre d'entre vous au sein de cette Assemblée se sont sans doute forgé leur propre opinion, chacun selon son cadre éthique et/ou son expérience de vie personnelle.

Historiquement, l'introduction ou la modification de la législation sur l'avortement n'a jamais été une tâche facile. De nombreux collègues ont d'ailleurs évoqué l'année 1990, lorsque cette question a profondément secoué le pays. Il me semble que ce n'est pas un chemin que nous souhaitons emprunter à nouveau. Il serait plus sain pour notre société d'adopter une législation sur ce type de questions éthiques relatives à la vie et à la mort avec le consensus le plus large possible.

Respect voor elkaars visie lijkt mij in dat opzicht cruciaal. Het zal ons immers nergens brengen als beide zijden van dit debat elkaar voortdurend culpabiliseren met opzwepende en morele termen. Hier is geen juist of fout. De wettelijke omkadering van een ethisch dilemma voorstellen als een zwart-witdiscussie is niet ernstig. Dat gezegd zijnde ben ik ervan overtuigd dat in dit dossier een opening kan worden gevonden voor een wetswijziging, die hopelijk een brede consensus rond zich zal verzamelen. Om resultaten te boeken, is het aan ons allemaal om dit debat vooral zo sereen mogelijk te voeren.

Tijdens de formatie voelde ik als toenmalig formateur alvast de bereidheid daartoe met de meerderheidspartijen. Ik heb sindsdien geen enkele aanwijzing gekregen dat die bereidheid er niet meer zou zijn. Mijn verwachting is dus dat de meerderheidspartijen binnen afzienbare tijd met een voorstel naar de Kamer zullen komen en dat er ook op andere ethische thema's concrete vooruitgang zal worden geboekt, zoals voorzien in het regeerakkoord.

Het komt me echter voor dat niet dit vragenuurtje op donderdag, maar wel de bevoegde commissie het geschikte platform is om al die voorstellen ten gronde te bespreken, op zoek te gaan naar de grootst mogelijke consensus en stappen vooruit te zetten die bijdragen tot maatschappelijke rust, in plaats van politieke exploitatie en maatschappelijke onrust. Ik dank u.

Annelies Verlinden:

Collega's, abortus is zonder twijfel een van de thema's die de diepste emoties oproept. Het raakt immers aan de meest fundamentele persoonlijke overtuigingen over leven, zelfbeschikking, gezondheid en ethiek. Precies daarom is het belangrijk dat we dit debat over leven in de meest kwetsbare vorm onderbouwd voeren met respect voor eenieder en voor elkaars inzichten en met de gepaste omzichtigheid en sereniteit.

Je tiens à être claire quant à la vision de ce gouvernement. Comme l'a déjà dit le premier ministre, l'accord de gouvernement ne laisse planer aucun doute. Le gouvernement poursuivra le débat de société sur l'IVG, et ce, sur la base du rapport du comité d'experts indépendants désigné à cet effet. Cela signifie que dans la période à venir, avec les partis de la majorité et dans le respect des sensibilités et des convictions de chacun, nous prendrons le temps d'écouter, de réfléchir et, si possible, d'aboutir à des conceptions soutenues. La sensibilité de ce sujet ne permet pas qu'il fasse l'objet d'une simple discussion pour savoir qui a raison et qui a tort.

Je ne peux donc pas anticiper aujourd'hui l'issue de ces débats. Mais il est essentiel pour moi que nous continuions à rechercher l'équilibre délicat entre le droit à l'autodétermination et la protection de l'enfant à naître, dans toute sa vulnérabilité. Il s'agit avant tout d'une question politique et idéologique à laquelle doivent répondre les partis de cet hémicycle et qui ne peut être résolue simplement en soumettant automatiquement un rapport d'experts – et je le dis avec le plus grand respect pour tous les experts. J'attends donc avec impatience un débat réfléchi à ce sujet au Parlement.

Een maatschappelijk debat over abortus dringt zich op. Daartoe roepen ook verschillende onderzoekers van de KU Leuven op in hun positiepaper, een oproep die ik samen met mijn collega's in de federale regering ter harte neem en ten volle ondersteun.

In het verlengde van het debat rijst ook de vraag over de rol van bepaalde anti-abortusgroeperingen. Hieromtrent wil ik opnieuw aangeven dat abortus een recht is. We hebben in ons land al afspraken en regels gemaakt, die overigens in lijn zijn met deze van vele andere Europese landen. Vrouwen die van het recht op abortus willen gebruikmaken, moeten dat kunnen doen binnen het bestaand kader, zonder angst of stigmatisering. Elke vorm van intimidatie of poging om dat recht in de praktijk te verhinderen, is zowel in feiten als in rechte onaanvaardbaar.

Tegelijk leven we in een rechtsstaat waarin vrijheid van meningsuiting een fundamenteel en te vrijwaren beginsel is. Ook wie tegenstander is van abortus of mogelijke wijzigingen aan het geldende afsprakenkader heeft het recht om zijn of haar mening te uiten, zelfs wanneer dat op plastische wijze gebeurt. Zolang iemand bij het uiten van een mening binnen de grenzen van de wet blijft, ben ik als minister van Justitie de laatste om het recht op vrije meningsuiting te bestrijden, ook al ben ik het fundamenteel oneens met de inhoud van de mening.

Cette liberté d'expression s'accompagne aussi d'une responsabilité. Lorsque des opinions fortes sont exprimées, il est important que tous les citoyens aient accès à des informations fiables de la part des pouvoirs publics afin de pouvoir faire des choix éclairés.

En ce qui concerne la diffusion d'informations, je voudrais ajouter que des informations pertinentes portant sur la réglementation sont disponibles sur le site du SPF Santé publique.

U vroeg ook naar de verlenging van de duur van de bedenktijd, een onderdeel van de huidige wetgeving dat ook aanleiding geeft tot debat. Wetenschappelijke inzichten kunnen daarbij mijns inziens een rol spelen. We zullen dan ook het nodige doen om wetenschappers te bevragen, zodat hun bevindingen ter zake hier in aanmerking genomen kunnen worden.

Ik wil tot slot onderstrepen dat ik hier spreek als minister van Justitie en als vertegenwoordiger van de voltallige regering. De gesprekken over dit ethische thema zullen worden gevoerd zoals afgesproken, met respect voor de rol van het Parlement en met het nodige en gepaste evenwicht tussen de overtuigingen van eenieder. Rechtszekerheid, wetenschappelijke expertise en maatschappelijke dialoog.

Irina De Knop:

Mevrouw Verlinden, ik heb die studie van de KUL ook gelezen. Voor u me van iets verdenkt, ik heb daar gestudeerd. Maar die studie had evengoed in 1965 geschreven kunnen zijn.

Mijnheer De Wever, u zei dat we niet moeten polariseren in dit dossier. U hebt dat natuurlijk nooit gedaan in uw politieke carrière… Maar u hebt gelijk, dit dossier heeft dat niet nodig. Ik ga volledig mee in uw voorstel. Laten we dit in de commissie ernstig aanpakken.

Er moeten wel een paar dingen van mijn hart. Het maatschappelijk debat is al gevoerd. De conclusies zijn al duidelijk. Ons wetsvoorstel ligt klaar in de Kamercommissie om daar goedgekeurd te worden. Laten we de politieke moed hebben opnieuw geschiedenis te schrijven. Laten we dat voorstel goedkeuren!

Caroline Désir:

Madame la ministre, j'entends dans votre réponse un immense mépris envers tous ces experts qui ont mené un travail scientifique remarquable, étayé et consensuel ainsi qu'envers toutes ces femmes que vous continuez à culpabiliser.

Pour le PS, le corps des femmes ne peut pas continuer à faire l'objet de marchandages politiques cyniques. C'est une véritable honte! Assumez vos choix et continuez à vous opposer, comme vous l'avez toujours fait dans ce débat, mais laissez le Parlement travailler!

Monsieur le premier ministre, vous disiez que chacun de nous s'était sans doute forgé sa propre conviction. Certainement! Dès lors, arrêtez de prendre vos collègues en otage! Je pense évidemment à vos collègues de Vooruit, mais aussi à vos collègues du MR et des Engagés. Ces derniers avaient, pendant la campagne, annoncé une liberté de vote totale sur l'IVG, mais nous ne les entendons pas aujourd'hui.

Laissez-les au moins voter l'urgence sur notre texte tout à l'heure!

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, madame la ministre, il y a un an, j'ai participé à un débat avec le président du MR. Il disait: "Ne vous en faites pas, nous profiterons des affaires courantes car, à ce moment-là, le Parlement sera libre et cette législation sera votée en octobre 2024". Tout le monde sait ce qu'il en est advenu.

Vous voulez le consensus le plus large possible. J'ai une super idée pour vous: laissez ce Parlement décider et voter librement! Vous obtiendrez ainsi le consensus le plus large possible!

C'est tout de même incroyable de constater que ce Parlement est aujourd'hui moins libre qu'il ne l'était en 1990, sous Wilfried Martens. À cette époque-là, les partis pouvaient voter en toute liberté.

Ce n'est pas l'accord de gouvernement qui nous sépare de la résolution de ce dossier, mais bien la particratie que vous avez réinstallée et ressuscitée. C'est très triste!

Sofie Merckx:

Mijnheer de premier, u zegt dat u niet gepolariseerd hebt rond dat thema. Nee, u hebt geblokkeerd. Nog voordat er een regering was gevormd, hebt u iedereen gezegd dat ze dat niet mochten goedkeuren. Mijnheer de premier, u hebt het graag over de waarheid, wel, de waarheid is dat het wetenschappelijk rapport er is. Het maatschappelijk debat is afgerond. Het is niet zomaar een adviesje, het is een wetenschappelijk rapport waarover consensus bestaat.

De waarheid is dat vrouwen abortus plegen, ondanks de wet. De hypocrisie bestaat erin die vrouwen naar Nederland te laten gaan en de ogen daarvoor te sluiten. Respect betekent niet in de plaats van vrouwen beslissen wanneer zij al dan niet abortus mogen plegen. Respect is de vrouwen zelf laten beslissen. Respect is in plaats van over aantal weken een koehandel te beginnen, het Parlement en iedereen hier in eer en geweten vrij te laten stemmen.

Petra De Sutter:

Ik hoor voortdurend dat er enerzijds wetenschappers zullen geraadpleegd worden en anderzijds dat het om een ethisch debat zou gaan. Men moet toch eens beslissen waarover het gaat. Ik wil u echt wel laten nadenken en ook advies laten vragen aan wetenschappers over wat nu exact de verschillen zijn op ethisch en op medisch-technisch vlak tussen 14 en 18 weken, waarbij 14 uw compromisvoorstel is. Er circuleert daarover zoveel foute informatie dat die vraag echt gesteld moet worden. Wat we nu doen, is uw ethische ongemak exporteren naar Nederland, dat is wat wij doen, niet onze verantwoordelijkheid nemen, niet vrouwen hun eigen beslissingen laten nemen. De gijzeling in dit dossier die we binnen Vivaldi hebben gekend, wordt gewoon voortgezet. Dat is bijzonder jammer. Wij creëren geen onrust. Wij vragen in dit dossier gewoon om de meerderheid in dit Parlement te laten beslissen en om niet gegijzeld te worden door een minderheid die in de regering zit.

Patiënten met verhoogde tegemoetkoming die steeds vaker geweigerd worden door artsen en tandartsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 3 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Jan Bertels (Vooruit) kaart aan dat kwetsbare patiënten door artsen en tandartsen worden geweerd omdat ze geen extra betalingen (supplementen) mogen aanrekenen, wat leidt tot illegale cashbetalingen en zorguitsluiting. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de zorg voldoende gefinancierd is (500 miljoen extra, 50% budgetstijging), het aanrekenen van supplementen voor basiszorg onwettelijk en onaanvaardbaar is, en overtreders streng zullen worden aangepakt via de Toezichtscommissie. Hij noemt claims over onderfinanciering leugens en belooft verdere investeringen en uitbreiding van het supplementenverbod. Bertels bevestigt de gezamenlijke inzet voor toegankelijke zorg voor iedereen, met strenge handhaving van de regels.

Jan Bertels:

Collega's, hetgeen we vanochtend lazen, is tenenkrommend. Kinderen met een beperking, ouderen met een klein pensioen, kortom mensen met een verhoogde tegemoetkoming, krijgen simpelweg de boodschap dat ze niet langer welkom zijn bij hun arts of tandarts. Ze krijgen dus niet langer toegang tot de zorg die ze nodig hebben. Waarom is dat? Dat is omdat ze geen dikke portefeuille hebben, omdat artsen en tandartsen geen supplementen, geen extra's mogen aanrekenen aan die zorgbehoevenden. En het kan helaas nog erger. Sommige artsen en tandartsen vragen dan maar om cash onder de tafel te betalen.

Mijnheer de minister, voor Vooruit is dat onaanvaardbaar. Iedereen heeft recht op betaalbare, kwaliteitsvolle en toegankelijke zorg. Als partij van de zorg voeren wij de strijd daartoe al jaren en zullen we dat blijven doen. Daarom investeert de regering, met Vooruit, miljarden in de zorg, terecht.

Het is ook terecht dat de praktijken van extra's wettelijk verboden zijn. Wij hebben ervoor gezorgd dat patiënten alleen nog het remgeld moeten betalen, geen extra's voor basiszorg. De wet ter zake kreeg ook vorm in een akkoord tussen artsen en ziekenfondsen.

Mijnheer de minister, vandaag sluiten sommige zorgverleners sommige mensen uit van de zorg die zij nodig hebben, zorgen zij voor een breuk in de continuïteit van de zorg en lappen zij de deontologie van een mooi beroep aan hun laars. Wat zult u daaraan doen?

Frank Vandenbroucke:

Collega's, iedereen heeft recht op goede tand- en mondzorg. Dat is ook de reden waarom we nu een enorme investering doen in tand- en mondzorg. In de voorbije regeringsperiode hebben we daarvoor 500 miljoen euro aan extra middelen uitgetrokken. Dat is een stijging van bijna 50 % van het budget voor tand- en mondzorg. Sinds het begin van dit jaar is er een verbod op ereloonsupplementen voor een welbepaald aantal prestaties van tandartsen. Geen enkele van die prestaties is ondergefinancierd.

Wanneer een tandarts in Hasselt beweert dat die prestaties ondergefinancierd zijn en dat hij, omdat hij geen supplementen mag vragen, bepaalde mensen niet meer kan helpen, dan is dat onjuist, onwaar, met andere woorden een leugen. Het is een leugen. Het is ook onaanvaardbaar om mensen uit te sluiten en bepaalde prestaties niet te doen, omdat men daar net niet genoeg winst op maakt. Het is niet alleen onjuist en onaanvaardbaar, maar het is ook volstrekt onwettelijk.

De wetgeving, die een aantal jaren geleden werd aangenomen, stelt dat men patiënten moet blijven verzorgen. De Federale Toezichtscommissie zal zich daarmee bezighouden, en terecht. Ziekenfondsen en ikzelf hebben dat ook al aangekaart bij de Federale Toezichtscommissie. We zullen onwettelijkheid dus niet tolereren, net omdat mensen die zwak staan, daarvan het slachtoffer zijn, terwijl ook zij recht hebben op goede zorg, goede tand- en mondzorg. Het gevecht gaat verder. Als het van mij afhangt, zullen we nog extra investeren in tand- en mondzorg. We zullen het verbod op ereloonsupplementen in de toekomst verder uitrollen.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijk antwoord en voor uw inzet voor onze strijd. Iedereen heeft recht op de beste en betaalbare zorg. Dat waarmaken is voor ons prioritair. Wij zullen die strijd samen blijven voeren. In het regeerakkoord staat, dankzij Vooruit, heel duidelijk dat we de ereloonsupplementen in de zorg verder moeten afbouwen. Dat zullen we doen. Een sterke overheid moet er samen met de ziekenfondsen op toezien dat de gemaakte afspraken gerespecteerd worden. Wetten moeten nageleefd worden, ook door artsen en tandartsen die onterecht beweren dat ze onderbetaald worden. Samen met u blijven wij gaan voor zorg voor iedereen.

De begrotingstabel en de 'onderbenutting primair en sociale zekerheid'

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De budgettaire onderbenutting (50 miljoen in 2025, 250 miljoen in 2029) wordt doelbewust verhoogd door de regering, met 77% bij federale diensten (SPF/SPP), 14% bij sociale zekerheid en 9% bij openbare instellingen, aldus Van Peteghem, die monitoring en blokkades aankondigt bij tekortschieten. Daerden betwist de haalbaarheid van deze "optimistische" doelen en belooft verdere discussie met de Rekenhof tijdens toekomstige budgetbesprekingen.

Frédéric Daerden:

Monsieur le ministre, le tableau budgétaire transmis à la Chambre des représentants reprend une ligne comportant l'augmentation de la sous-utilisation primaire et en sécurité sociale: 50 millions en 2025 et 250 millions en 2029.

Comment l'augmentation de cette sous-utilisation a-t-elle été estimée?

Quelles dépenses supplémentaires seront selon vous davantage sous-utilisées par rapport aux précédents exercices budgétaires?

Quelles sont les moyennes des sous-utilisations des dernières années qui permettraient d'envisager une hausse de la sous-utilisation tant au niveau primaire que de la sécurité sociale?

Comment comptez-vous réaliser cette économie en 2025, vu le timing dans lequel nous sommes?

Vincent Van Peteghem:

Le gouvernement a convenu d'augmenter chaque année l'objectif de sous-utilisation.

D'ici 2025, cette sous-utilisation devrait conduire à une réduction des dépenses de l'ordre de 50 millions d'euros.

La sous-utilisation se répartit comme suit: 77 % pour le Collège des services publics fédéraux (SPF) et services publics de programmation (SPP); 14 % pour Collège des institutions publiques de sécurité sociale (IPSS); 9 % pour le Collège des organismes d'intérêt public (OIP).

En tant que ministre du Budget, le gouvernement m'a également chargé du monitoring régulier des dépenses et de la communication de ces informations au Conseil des ministres. Si le monitoring montre que l'objectif de sous-utilisation ne sera pas atteint, des blocages seront imposés après reporting préalable au Conseil des ministres.

Frédéric Daerden:

Je vous remercie pour ces réponses que j'aurais tendance à qualifier d'optimistes. J'ai l'impression que ces objectifs seront difficilement atteignables. Nous aurons l'occasion évidemment d'en reparler lors des discussions budgétaires à venir, notamment avec la Cour des comptes.

De rechtspraak met betrekking tot het aanzetten tot haat, discriminatie en geweld

Gesteld door

lijst: PS Khalil Aouasti

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Khalil Aouasti kritiseert de vrijspraak van Herman Brusselmans—die via "humoristische satire" opriep tot geweld tegen Joden—als een gevaarlijk precedent dat haatzaaien tegen beschermde groepen normaliseert, ondanks bestaande antidiscriminatiewetten. Minister Verlinden benadrukt dat ze de rechterlijke onafhankelijkheid respecteert, maar wijst op verstrengingen in het nieuwe Wetboek van Strafrecht (2026), waar discriminatoire motieven strakker bestraft zullen worden, en verwijst naar een lopende evaluatie van antidiscriminatieregels door collega-Beenders. Aouasti stelt dat de kernkwestie—de grens tussen satire en haatzaaien—onbeantwoord blijft, omdat de huidige wetgeving (ook met aangescherpte straffen) geen soelaas biedt als humor als dekmantel voor geweldsopruiing dient. De discussie draait om de noodzaak om juridische kaders te herzien om satirescherm misbruik voor haatdiscours tegen te gaan, zonder de expressievrijheid aan te tasten.

Khalil Aouasti:

Madame la ministre, dans une chronique publiée dans le magazine flamand Humo, l'écrivain Herman Brusselmans a écrit que la vue d'un enfant palestinien hurlant devant sa mère ensevelie sous des décombres le mettait tellement en colère qu'il souhaitait "enfoncer un couteau pointu dans la gorge de chaque Juif qu'il rencontre". M. Brusselmans, au terme d'une procédure judiciaire, a été acquitté au motif que son écrit serait qualifié de critique humoristique. S'il convient de respecter cette décision de justice, il convient également, à mon sens, de l'analyser et d'en effectuer la critique.

En effet, le jugement rendu renvoie un signal préoccupant. La satire, qui doit pouvoir être défendue en démocratie, pourrait admettre un appel explicite à la violence contre un groupe protégé par la loi. Une extrapolation de cette jurisprudence pourrait nous amener à considérer que malgré les textes qui protègent contre le racisme, le sexisme et les autres formes de discrimination, de tels propos couverts par la satire pourraient être tenus, et nous pourrions remplacer le mot "Juif" par "des femmes", "des homosexuels" ou d'autres porteurs de convictions confessionnelles ou philosophiques.

Madame la ministre, si un jugement doit être respecté et exécuté, il doit aussi nous permettre de nous interroger sur le cadre législatif protecteur que nous avons souhaité mettre en œuvre démocratiquement, dès lors que celui-ci ne semble plus assuré. Nous ne pouvons donc pas rester silencieux face à ce précédent, face à cette décision de justice. Il y va de la protection de toutes les composantes de notre société, qu'il s'agisse de Juifs ou non.

Madame la ministre, quelle analyse faites-vous de cette décision de justice et quelle suite – éventuellement législative – entendez-vous y donner afin de garantir qu'il n'y aura aucune impunité face à l'incitation à la haine et à la violence ici en Belgique? Je vous remercie.

Annelies Verlinden:

Cher collègue, le principe de la séparation des pouvoirs, un principe fondamental de l'État de droit, m'empêche de commenter les décisions de fond du pouvoir judiciaire. En tant que ministre de la Justice, je ne peux interférer avec l'ordre judiciaire et je m'abstiens, de ce fait, de toute opinion sur le jugement en question.

Cependant, je tiens à souligner que le droit à la liberté d'expression, garanti par la Convention européenne des droits de l'homme, n'est pas absolu et peut être soumis à certaines restrictions moyennant le respect de conditions. Il existe en Belgique un cadre juridique solide visant à protéger les citoyens contre toute forme de discours de haine ou d'incitation à la discrimination, à la haine ou la violence, qui est appliqué de manière indépendante par les tribunaux. Je vous informe également que le nouveau Code pénal, qui entrera en vigueur le 8 avril 2026, prévoit, pour certaines infractions, que le mobile discriminatoire sera considéré comme un élément aggravant. De ce fait, l'infraction est sanctionnée d'une peine plus élevée. Cette peine passe donc à un niveau supérieur de peine. Pour toutes les autres infractions, un mobile discriminatoire pourra être considéré comme un facteur aggravant que le juge devra prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure, et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l'infraction.

Le nouveau Code pénal prévoit une section spécifique concernant les infractions relatives à la répression de la discrimination, c'est-à-dire aux incitations à la haine et au négationnisme. Conformément à l'article 250 du nouveau Code pénal, l'incitation à la discrimination et à la haine raciale sera sanctionnée par une peine de niveau 2.

Enfin, je précise que mon collègue, le ministre de l'Égalité des chances, prévoit de lancer, au cours de la présente législature, une évaluation des législations fédérales anti-discrimination. Je vous renvoie vers lui pour davantage d'informations à cet égard.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie pour votre réponse, madame la ministre. L'objectif, comme je le disais, n'était pas de critiquer une décision de justice. Celle-ci est prise et doit être respectée pour ce qu'elle est. L'objectif était une analyse critique du cadre de la décision de justice, comme cela se fait tous les jours et toutes les semaines dans une série de revues de doctrine où des décisions de justice sont commentées et critiquées. Une décision de justice n'est en effet pas sacrée ni intouchable. Or, ici, nous devons constater, et vous prenez appui sur le Code pénal, que les incriminations du Code pénal ne sont pas mises en cause. Je pense que la réponse passe à côté de la question. En effet, ces incriminations n'auraient pas pu mener à la condamnation de M. Brusselmans puisqu'elles sont les mêmes que celles qui existent aujourd'hui. Si le mobile discriminant constitue effectivement un facteur aggravant pour toute une série d'infractions, et c'est une avancée dont on peut se réjouir, cela n'aurait pas amené ici à une décision distincte.

Ici, l'angle qui a été pris est de considérer que le droit à l'humour et à la satire, qui sont des dérivés du droit à la liberté d'expression et qui doivent pouvoir être protégés en démocratie, permettent dans un cas tout à fait problématique et singulier de propager des discours de haine et des appels à la violence. C'est là où, à mon sens, il peut être nécessaire d'évaluer ces législations. J'entends que vous renvoyez vers votre collègue Beenders à ce sujet. Je l'interrogerai donc sur le sens de cette évaluation et sur la manière dont il entend analyser l'affaire Brusselmans et, en tout cas je l'espère, lui donner des effets concrets. Je vous remercie.

Voorzitter:

Comme je vois que les trois orateurs suivants ne sont pas encore présents, je déplace leurs questions à la fin de notre ordre du jour.

De inzet van militairen voor politionele opdrachten
De oprichting van een begrotingsfonds CrimOrg
Het Kanaalplan
Het budget voor de geïntegreerde politie
Het budget voor de hulpverleningszones en de Civiele Bescherming
De schietincidenten in Brussel en de bekogelde treinen
De aanhoudende schietincidenten in Brussel
De fusie van de Brusselse politiezones
De restcapaciteit van de Brusselse politiezones bij een fusie
De oprichting van een federale taskforce in de strijd tegen de drugscriminaliteit
De door de arizonaregering voorgenomen fusie van de Brusselse politiezones
Het budget voor de FOD Binnenlandse Zaken en de Civiele Veiligheid
Drugs(sporen) in het rioolwater van Vlaamse steden en gemeenten
De war on drugs
De coördinatie van het veiligheidsbeleid in Brussel
De oprichting van een drugsfonds en een fiscale en financiële opsporingsdienst
Veiligheidsbeleid, politiehervormingen en bestrijding van drugscriminaliteit in België

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken), Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het actualiteitsdebat over de drugscriminaliteit draait om drie kernthema’s: de bestrijding van drugsgeweld en -handel (via het versterkte *Kanaalplan 2.0*, een *taskforce*, en de inzet van *militairen* voor statische bewaking om politiecapaciteit vrij te maken), de fusie van de 19 Brusselse politiezones (omstreden door gebrek aan lokale steun en vrees voor verlies van *proximiteitspolitie*, maar door de minister verdedigd als noodzakelijke hervorming met behoud van lokale bevoegdheden), en financiële middelen (o.a. een *drugsfonds* voor herinvestering van crimineel geld, *follow-the-value*-aanpak, en budgettaire immunisering van veiligheidsdiensten, hoewel concrete cijfers nog ontbreken). Critici benadrukken tekorten aan middelen, coördinatie en urgentie, terwijl de minister stapsgewijze plannen aankondigt (o.a. 200-250 extra politiemensen via defensie-inzet, uitrol Kanaalplan *eerst in Brussel*, en overleg met burgemeesters), maar concrete timing en budgetten blijven vaag tot de *beleidsnota (29/4)*. De ketenaanpak (van productie tot gebruiker) en samenwerking met justitie worden als cruciaal bevestigd, maar actie op het terrein blijft uit.

Voorzitter:

Collega's, het eerste punt op de agenda is een actualiteitsdebat met vragen, die het kabinet samengevoegd heeft, over de strijd tegen drugs. Er zijn verschillende invalshoeken. Alle vragen werden samengevoegd.

Éric Thiébaut (PS): Monsieur le président, vous indiquez que le débat a pour thématique la problématique du trafic de drogue mais sa portée est beaucoup plus large, puisque j'ai notamment des questions sur la Protection civile.

Voorzitter:

Je fais le même constat que vous mais cela relève du choix du cabinet.

Maaike De Vreese:

Minister, door de beleidsverklaring is het een tijdje geleden dat we gewone vragen hebben kunnen stellen in de commissie. Daarom zijn er enkele gebundeld. Mijn eerste vraag gaat over drugsgerelateerd geweld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Samen met de regering heeft de eerste minister beslist om een federale taskforce op te richten om de strijd tegen de drugscriminaliteit nog te versterken. Ook in het regeerakkoord staat een hele resem maatregelen met hetzelfde doel. Ik ga ze niet allemaal opnoemen. Wie meer details wil lezen, verwijs ik naar mijn ingediende vragen.

De vragen gaan over verschillende zaken: de schietincidenten, het Kanaalplan, de fusie van de Brusselse politiezones en de oprichting van het drugsfonds.

Kunt u iets meer zeggen over de taskforce? Welke maatregelen worden er genomen op korte, middellange en lange termijn? Op welke manier wordt er afgestemd met de Brusselse Veiligheidsraad, de Veiligheidscel en de initiatieven van de lokale besturen? Hoe worden in de strijd tegen de drugscriminaliteit de FGP’s van Antwerpen en Brussel versterkt op het vlak van middelen en mensen? Wat is de huidige federale steun in het algemeen en aan het lokale politiekorps in Brussel-Zuid? Zult u die steun aanhouden?

De vraag is ook hoe witwaspraktijken effectiever en efficiënter aangepakt kunnen worden. Hoe gebeurt de handhaving op bestuurlijk en gerechtelijk niveau? Zult u daar ook nieuwe technologie voor inzetten? Hoe kunnen de inbeslagnames verbeterd worden? We kunnen daarvoor de mosterd halen in bijvoorbeeld Frankrijk en andere Europese landen? Zult u dat bekijken of doet u dat nu al?

Kunt u toelichten hoe het Belgische systeem voor de ontneming en confiscatie van vermogensbestanddelen eruit zal zien? Hoe wordt de aanpak follow the value versterkt en geoptimaliseerd?

Voor statische bewakingsopdrachten zouden militairen ingezet worden, zodat er politionele capaciteit vrijkomt en er dus meer blauw op straat komt. Het regeerakkoord is daar zeer duidelijk over.

Er zijn een aantal cumulatieve voorwaarden waaraan voldaan moet worden om de mensen van defensie in te zetten, namelijk bij een OCAD-dreiging niveau 4, na een risicoanalyse, na een regeringsbeslissing en binnen een duidelijk gedefinieerd juridisch en operationeel kader. Dat kader is er op dit moment nog niet. De territoriale verdedigingsreserve moet eveneens nog gevormd worden.

Als de territoriale verdedigingsreserve gevormd is en de nodige kaders uitgewerkt zijn, hoeveel militairen zouden dan volgens u de statische beveiligingsopdracht uitvoeren? Ik wil met die vraag gewoon nagaan hoeveel politiemensen er op die manier zouden vrijkomen om meer veiligheid in onze straten te garanderen. Voor welke taken zou u de vrijgekomen politiecapaciteit gebruiken? In welke specifieke buurten wil u extra mensen inzetten? Is er nog overleg geweest met de minister van Defensie? Wat is het resultaat van dat overleg? Plant u een dergelijk overleg nog in de komende weken?

Naar het Kanaalplan zijn wij heel erg benieuwd, zeker en vast naar het Brusselse gedeelte. Ik weet niet of mijn collega, de heer Bergers, daarover ook nog iets zal vragen. Voor welke steden zal dit Kanaalplan uitgerold worden? Welke ondersteuning zal er voorzien worden? Binnen welke termijn zal het versterkte federale Kanaalplan uitgerold worden? Met welke middelen zal dat gebeuren?

Ik kom dan bij de fusie van de politiezones. U weet dat wij zeker en vast grote voorstander van die fusie zijn. Mijn vraag is opgesteld op het moment waarop uw collega Annelies Verlinden gecommuniceerd had dat de fusie er op middellange termijn moet komen. Wat is die middellange termijn? Voor ons is de fusie geen project dat op heel korte termijn kan worden uitgevoerd. Voor ons moet van de huidige regering er wel absoluut prioriteit aan geven. U hebt zelf ook aangegeven dat u daar werk van zult maken. Wat is de stand van zaken ter zake? Hoe ziet u bijvoorbeeld het verruimde politiecollege en de politieraad? Hebt u daarop al meer zicht?

U hebt ook overleg met de negentien burgemeesters. Hebt u ze ondertussen al alle negentien gesproken? Kan u meer toelichting geven bij de algemene lijnen die op dat overleg zijn besproken? Wat maakt u op uit het overleg? Hebt u ook overleg gehad met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Kunt u hen ook van het belang overtuigen?

Welke concrete stappen zult u zetten en wat is het tijdschema, want u kunt wel starten met het wetsontwerp, maar hoe zit het met de rest?

De nationale drugscommissaris zou de opdracht hebben gekregen om een drugsfonds uit te werken teneinde misdaadgeld via dat fonds te laten terugvloeien naar bijvoorbeeld hulpverlening, politie en justitie. De regering wil ook een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst oprichten. Die dienst moet zich focussen op het opsporen, analyseren en lamleggen van criminele circuits en op de strijd tegen fraude. Kunt u bevestigen dat de nationale drugscommissaris die opdracht heeft gekregen? Wat is de precieze opdracht? Hoe staat het drugsfonds ten opzichte van de op te richten fiscale en financiële opsporingsdienst?

Wat zijn de ambities om bij de jaarlijkse begrotingsopmaak de meeropbrengsten in te zetten om de budgettaire noden en investeringen bij de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen? Hoe zullen die middelen worden verdeeld?

Het betreft heel wat vragen, maar we moeten hieraan de nodige aandacht besteden gezien de problematiek en de bezorgdheid bij veel burgers, niet alleen in Brussel maar ook in andere steden en gemeenten, over drugs en drugscriminaliteit.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre de l'Intérieur, cette question revient effectivement régulièrement, car depuis de très nombreuses années, nous constatons malheureusement une forte augmentation des faits de violences liés au trafic de drogue et aux réseaux nationaux et internationaux.

Parallèlement, comme en témoignent les discussions des deux dernières semaines sur les notes d’orientation, la justice et la police fédérale souffrent d'un manque de moyens. Les services de la police judiciaire fédérale et les parquets ont demandé à maintes reprises d'être refinancés et d'avoir davantage de moyens, notamment pour la mise en œuvre du plan DGJ 3.0.

Lors de la législature précédente, mon groupe avait déjà déposé une proposition de loi visant à mettre en place un fonds "Crime org", qui est effectivement une exception budgétaire à la manière dont sont allouées les recettes de l'État, avec la volonté de pouvoir, grâce à ce fonds "Crime org", avoir une destination précise et refinancer ces départements spécifiques nécessaires notamment à la lutte contre ces narcotrafiquants.

Ce fonds avait reçu un accueil assez positif, bien que certains aient suggéré de l’étendre à d'autres services, tels que l’OCAM, qui œuvrent également dans cette chaine complexe de la lutte contre la criminalité organisée. Il avait bénéficié du soutien d’un ministre à l’époque.

Monsieur le ministre de l’Intérieur, pourriez-vous nous indiquer votre position quant à cette proposition de créer un fonds "Crime org" notamment mais pas exclusivement au bénéfice de la PJF? Pouvez-vous nous faire le point sur les moyens additionnels qui seront dégagés dans le cadre de la lutte contre le crime organisé pour réaliser et mettre en place ce plan DGJ 3.0? Je vous remercie.

Éric Thiébaut:

Merci, monsieur le président. J'ai quelques questions à poser, ayant essentiellement trait au budget de votre département. Je ferai tout d'abord une petite précision. Lors des débats parlementaires sur la déclaration du gouvernement, votre collègue Vanessa Matz a précisé que les départements liés à la sécurité seraient immunisés contre les économies prévues par l'ensemble du gouvernement. Me le confirmez-vous? En effet, visiblement, ce qui me revient des discussions dans d'autres commissions est que l'immunisation ne concernerait que le budget police, et pas l'ensemble des départements Justice et Intérieur. C'est d'autant plus important qu'hier, nous avons entendu le premier ministre, qui était assis physiquement à votre place. Il était interrogé par rapport à la Chancellerie et il nous a précisé à nouveau que l'objectif était des augmentations structurelles de 1,8 % dans tous les départements. J'aimerais donc savoir si ce 1,8 % va être appliqué aussi à tout ce qui concerne le SPF Intérieur et à la Sécurité civile.

Par rapport à la Sécurité civile, j'aimerais savoir si vous progressez dans votre projet, dont vous avez parlé lors de votre précédente présentation, sur l'indexation automatique des dotations fédérales. Vous savez qu'il y a une grosse attente au niveau des zones de secours par rapport à cette disposition qui avait déjà été envisagée lors de la précédente législature. Planifiez-vous également une augmentation des dotations aux zones de secours? L'attente est grande parce que dans la déclaration du gouvernement, il est indiqué que l'on tendra vers le 50/50, ce qui était prévu dans la loi de 2007 qui a créé les de secours, comme vous le savez. Toutes les zones de secours du pays sont donc dans l'attente d'un refinancement.

Vous savez que la Protection civile est un domaine qui m'inquiète beaucoup depuis des années. Comptez-vous réinvestir dans ce département-là, qui est en souffrance depuis la réforme du ministre Jambon avec la suppression de quatre casernes sur six?

Et puis, pour parler de la police, puisque visiblement on est certain que le département sera immunisé des économies qui seront imposées par l'Arizona, avez-vous déjà une idée des budgets qui y seront consacrés? Mon collègue, Khalil Aouasti, a évoqué une partie de la question.

On est dans une police structurée à deux niveaux. Il y a donc le refinancement de notre police fédérale avec de gros besoins qui ont été exprimés par différents PJF. Ensuite, il y a évidemment l'attente des zones de police. Dans votre exposé de politique, vous avez parlé de revoir la norme KUL. On en parle depuis longtemps et c'est une très bonne idée. Mais vous avez dit aussi, et je m'en suis réjoui, que cette révision de norme KUL irait de pair avec une augmentation de l'enveloppe.

Il est clair que, si on redéfinit la façon de calculer la répartition de cette enveloppe dans les zones du pays, certaines zones auront plus qu'avant mais d'autres auront moins qu'avant. Et cela va clairement vous poser un problème politique.

Bernard Quintin:

Encore un de plus!

Éric Thiébaut:

Si j'ai bien compris, votre idée est d'augmenter l'enveloppe. Mais envisagez-vous un système de cliquet, de telle sorte que finalement l'augmentation de l'enveloppe avec le nouveau mode de calcul fera que certaines zones auront plus et que d'autres, peut-être, vont rester au même niveau qu'avant mais ne vont pas perdre, si vous voyez ce que je veux dire. Voilà, en synthèse, monsieur le ministre, l'ensemble de mes questions.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat vooral over het Kanaalplan, naar aanleiding van alle schietincidenten in Brussel. Tussen Vilvoorde en Schaarbeek werd ook een trein bekogeld. Het blijft jammer genoeg actueel, want vandaag was er weer een aanslag, deze keer in Antwerpen. Het blijft dus een heel actueel feit.

Ik heb hierover al gesproken tijdens het debat over de beleidsverklaring al gezegd in de plenaire vergadering. U wil de problematiek aanpakken, waarvoor ik u zeer dankbaar ben. De N-VA zal u daarin steunen. Het is echter tijd om ook maatregelen te treffen en we mogen niet te veel tijd verliezen met discussies.

Hebt u een tijdlijn klaar? Kunt u al wat meer zeggen over de timing voor de uitrol van dat versterkt Kanaalplan? Welke politiezones zullen op extra steun voor ondersteuning van dit Kanaalplan kunnen rekenen? Welke middelen voorziet u daarvoor? Op welke manier wil u dit Kanaalplan precies inzetten tegen de drugscriminaliteit?

Hebt u al contact gehad met de zones die vroeger onder het Kanaalplan vielen, namelijk de Brusselse politiezones, de luchtvaartpolitie en de politiezone VIMA, over de uitwerking van dit plan. Ik heb gisteren de korpschef van VIMA nog gesproken. Hij wil er ook invliegen, want hij vindt het verschrikkelijk dat hij de problematiek nu moet aanpakken met een tekort van 30 vte's. In de politiezone VIMA zijn momenteel 30 vte's van het kader niet ingevuld en slechts twee mensen in de politiezone kunnen ingezet worden tegen drugscriminaliteit. Zult u ook contact opnemen met de politiezone Zennevallei en/of andere politiezones die ik nog niet vermeld heb?

François De Smet:

Monsieur le ministre, ma question ne porte pas sur le trafic de drogue, même si ce sujet m'intéresse beaucoup, mais sur la fusion des zones. Ceci dit, cela ne m'étonne pas que vous ayez regroupé ces deux thèmes, parce que je sais bien que tout le wording du gouvernement consiste à tenter absolument d'établir un lien entre les deux et de suggérer que si on se tire dessus dans les rues de Bruxelles, c'est parce qu'il y aurait six zones de police. Non, si on se tire dessus, c'est parce qu'il y a du trafic de drogue, que la drogue arrive par l'aéroport de Bierset, ou surtout par le port d'Anvers, et que les polices judiciaires d'Anvers et de Bruxelles manquent de moyens. Au contraire, on peut légitimement se dire que, noyés dans une structure massive et bureaucratique, l'efficacité de terrain des zones de police locale sera compromise.

Mais ma question porte davantage sur les modalités de l'accord. L'accord de gouvernement, que nous connaissons par cœur désormais, est assez sobre. Il explique: "Nous fusionnons les zones." Punt aan de lijn . Heureusement, certains de vos collègues sont plus bavards. Jan Jambon a dit, dans la presse, que l'accord de gouvernement prévoyait que chacune des zones de police actuelles pourrait garder 75 % de ses capacités pour les tâches locales, les autres étant mutualisées.

Il y a d'autres déclarations, par exemple celle des Engagés – ceux qui veulent défendre la fusion –, qui insiste sur le fait que les 19 bourgmestres garderont leur pouvoir dans la future zone unique. Ce qui m'intrigue un peu, c'est que sauf erreur, je ne trouve nulle part dans un document officiel les deux éléments que je viens de citer. Je ne les trouve ni dans l'accord de gouvernement ni dans votre note d'orientation.

Il faut donc se rendre à l'évidence: il semble exister un accord, un document qui traduit de manière plus opérationnelle cette fusion que la seule ligne qui explique dans l'accord de gouvernement le fait de fusionner les zones.

Monsieur le ministre, mes questions sont simples. Existe-t-il un tel accord décrivant les modalités de cette future zone unique? Si oui, il me paraît évident que le Parlement pourrait en avoir connaissance. Par ailleurs, puisque vous êtes un homme ouvert et que vous rencontrez en ce moment les différents acteurs pour les convaincre, êtes-vous aussi ouvert à la possibilité que ce soit eux qui vous convainquent que cette fusion n'est finalement pas une bonne idée?

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik heb zelf ook twee vragen ingediend die eerder drugsgerealateerd zijn.

De eerste gaat over de taskforce die is opgericht in de schoot van de regering naar aanleiding van de toch zeer zware incidenten, de aanslagen, in Brussel.

Deze taskforce valt onder de auspiciën van de eerste minister, maar intussen is de oprichting al geleden van 21 februari, en nu is het begin april. Ik moet eerlijk zeggen, mijnheer de minister, dat ik daar niet veel meer over gehoord heb.

Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel is er weinig gebeurd, en is er weinig te zeggen, o. Ofwel werkt die taskforce in alle stilte aan de strijd tegen drugs.

Wellicht zult u mij overtuigen van het tweede, maar ik wil toch de vraag stellen hoe die taskforce in elkaar zit, wat die taskforce van plan is te doen, en vooral welke maatregelen er zullen worden genomen. U weet dat de nood zeer hoog is, zowel bij de politiediensten als bij jJustitie. Ik was eerder voorstander van een Nationale Veiligheidsraad, maar ik hoop dat die taskforce, waarbij andere ministers zich kunnen aansluiten wanneer het nodig is, resultaten zal behalen.

Ik hoor de noodkreet van de minister van Justitie. Ook zij heeft een tekort aan middelen om jJustitie op het juiste spoor te zetten.

Wordt dit ook besproken binnen de taskforce? Het gaat inderdaad om een ketenaanpak. Het kan niet dat enkel de politie de strijd tegen drugs aangaat, en dat jJustitie niet volgt. Omgekeerd geldt uiteraard hetzelfde.

Zijn de budgettaire inspanningen op dit moment dus voldoende? Zal er in bijkomende middelen worden voorzien? Zo ja, op welke termijn?

Mijn tweede vraag die ik aan u wil stellen, mijnheer de minister, is een vraag die intussen al een tijdjeenigszins gedateerd is.

U hebt wellicht gelezen dat het Europees Drugsagentschap (EDA) onderzoek doet naar drugsresidu's in het drinkwater. Men moet spijtig genoeg vaststellen dat Antwerpen de slechtste leerling van de klas is in Europa. Ik ken er zelf wetenschappelijk niet zoveel van, maar ik lees wat ik lees, en ik zie dat daar bijna 200.000 microgram cocaïne per 1.000 inwoners per dag werd aangetroffen.

U zult mij wellicht kunnen uitleggen of dat zeer dramatisch of gewoon dramatisch is. Dramatisch is het alleszins als men de slechtste leerling van Europa is. Brussel staat ook in de top tien van Europese steden. Voorts blijkt uit dat onderzoek ook dat er meer wordt aangetroffen in de weekends, van vrijdag tot en met zondag, wat er eigenlijk op wijst dat het recreatief gebruik stijgt.

Mijnheer de minister, heeft de overheid hier een zicht op? Hebt u deze cijfers volledig tot uw beschikking? Welke maatregelen kunt u daar tegenover zetten?

Er wordt hier en daar luidop geroepen dat men het drugsgebruik strenger moet aanpakken. Het is nu eenmaal een feit dat als er vraag is, dat er ook aanbod is. Als men de vraag kan tegengaan en beteugelen, dan zal het aanbod ook verminderen. Mijnheer de minister, zult u het drugsgebruik aanpakken? Op welke manier zult u dat doen? Zult u strenger bestraffen?

Ik vind - dat is de stelling van mij en mijn partij - dat wij als ambtenaren en politici een voorbeeldfunctie hebben, maar misschien hebben ook de publieke instellingen dat. Als er verplichte drugstests van publieke functionarissen zouden worden afgenomen, dan zou ik dat een goede zaak vinden.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, je reviens sur la question de la fusion des zones de police. Vous le savez, que ce soit au cours d'auditions à la Chambre ou lors de différentes prises de parole dans la presse, l'ensemble du monde policier et judiciaire bruxellois s'oppose à la fusion de ces zones de police.

Une étude de l'Université de Gand – sur laquelle je ne m'étendrai pas – indique clairement qu'il n'y a aucune plus-value en la matière. Comme je l'ai déjà dit, cette fusion répond surtout à des objectifs idéologiques, voire communautaires, et non opérationnels et mettra à mal la police de proximité et le service aux citoyens.

Cette fusion qui est annoncée dans votre accord de gouvernement sans concertation est imposée à l'ensemble des acteurs bruxellois et aux bourgmestres. Vous avez fait le tour des 19 bourgmestres de la capitale. Il me revient que vous les avez beaucoup écoutés mais que vous n'avez pas entendu leurs préoccupations, notamment quant aux conséquences négatives de cette fusion. Parmi ces préoccupations, demeure entière la question de l'impact de la fusion sur les politiques de proximité, sur le manque de policiers pour assurer une réelle sécurité au sein des 19 communes bruxelloises ou encore sur les priorités qui diffèrent d'une commune à une autre.

Vous n'avez pas évoqué avec eux la question qui fâche, à savoir le budget, l'argent, la quote-part de chaque commune dans le cadre de cette fusion et l'apport financier de votre gouvernement. Vous n'avez pas abordé non plus une question qui revient assez souvent par rapport aux petites communes bruxelloises, à savoir: comment garantirez-vous à ces petites communes qu'elles puissent disposer d'un vrai poids de négociation dans l'élaboration des stratégies RH, d'investissement ou encore sur les orientations politiques au niveau budgétaire? Je rappelle qu'un Collège ou un Conseil de police gère le fonctionnement de la zone, il ne gère pas le maintien de l'ordre public. Comment donc garantirez-vous aux bourgmestres, qui ont, eux, cette prérogative dans la loi, de pouvoir continuer à maintenir et garantir l'ordre public sur leur territoire en disposant des policiers nécessaires pour ce faire?

Monsieur le ministre, quel est le calendrier précis de la réforme? Qu'en est-il exactement des concertations que vous avez eues avec les différents acteurs concernés? Quel modèle de gouvernance post-fusion sera-t-il mis en place?

Concernant le financement apporté actuellement par les communes, celles-ci continueront-elles à financer la zone de police? Quid de l'apport du fédéral en la matière?

Voorzitter:

M. Xavier Dubois étant absent, nous passons à la réponse du ministre.

Bernard Quintin:

Mesdames et messieurs les députés, merci pour vos questions, et d'avoir accepté le regroupement de celles-ci selon une certaine logique. Aux questions liées à la drogue et à la fusion, j'ai ajouté celles concernant le budget, car je ne vais pas pouvoir vous dire grand-chose sur ce troisième sujet. En effet, les négociations budgétaires sont en cours, et je vais très bientôt présenter la note de politique générale dans laquelle il y aura davantage d'informations concernant les échéances, le calendrier et les budgets. En rhétorique, il est bon de commencer par les points faibles pour après continuer avec les plus forts.

Ik kom dan bij het Kanaalplan, de vragen van mevrouw De Vreese en de heer Bergers. In overeenstemming met het regeerakkoord zal er een nieuw Kanaalplan, een Kanaalplan 2.0, met een nieuwe naam die nog niet bekend is, worden ingevoerd teneinde een concreet operationeel plan op te stellen met het oog op de bestrijding van de verschillende vormen van criminaliteit in en rond Brussel. Het eerste Kanaalplan had voornamelijk terrorisme en extremisme als insteek. We moeten er evenwel voor zorgen dat we wendbaar zijn en dat we kunnen inspelen op andere en opkomende fenomenen.

CrimOrg is ons startpunt voor dat nieuwe Kanaalplan. Brussel is ook ons startpunt, maar het plan zal voor heel België moeten gelden, wat een andere aanpak dan in het Kanaalplan 2015-2016.

Tijdens de presentatie van de beleidsverklaring die binnenkort, zal plaatsvinden, als ik me niet vergis op 29 april, zal ik de verschillende aspecten die we in het kader van dat nieuwe Kanaalplan willen aanpakken gedetailleerd uiteenzetten. Ik deel zeker uw bekommernissen en ik zal uw vragen zo snel mogelijk proberen te beantwoorden.

Om een goed nieuw plan te kunnen opstellen, hebben wij evenwel een goed beeld van de situatie nodig.

J'avais demandé cette image à la police fédérale, qui me l'a fournie vendredi dernier. Je vais donc relire le document. Nous allons organiser un séminaire, un workshop , avec tous les acteurs concernés pour voir comment nous pouvons utiliser cette image qui reflète la situation.

Dat was ook nodig om een nuttig, nodig en goed plan te kunnen opbouwen.

Dan kom ik bij de vragen van mevrouw De Vreese en de heer Aouasti. Geld is inderdaad de drijvende kracht achter een criminele organisatie. De effectieve bestrijding van de activiteiten van een organisatie vereist daarom een follow-the-money-aanpak, al is dat nu meer een follow-the-value -aanpak geworden.

Daarvoor zijn vier zaken nodig. Ten eerste, de identificatie van het criminele vermogen. Ten tweede, een inbeslagname en verbeurdverklaring van het vermogen. Ten derde, een efficiënt beheer van de inbeslaggenomen en/of verbeurdverklaarde goederen om hun waarde te behouden. Ten vierde, ervoor zorgen dat de criminelen betalen voor de schadeloosstelling van de slachtoffers, voor de versterking van de diensten die deze criminele verschijnselen bestrijden en voor het opbouwen van de veerkracht van de samenleving.

Het nationaal drugscommissariaat heeft als doelstelling om voorstellen aan de regering voor te leggen om de follow-the-value- keten in haar geheel te versterken en een systeem te ontwikkelen voor het correct gebruik van het geld en de criminele activa die via deze versterkte follow-the-value -aanpak worden teruggevorderd.

Het regeerakkoord maakt eveneens, zoals mevrouw De Vreese aanhaalt, gewag van de oprichting van een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. De oprichting hiervan valt evenwel onder de gedeelde bevoegdheid van de minister van Financiën en de minister van Justitie.

Les moyens supplémentaires octroyés dans le cadre de la lutte contre la drogue par décision du Conseil des ministres d’octobre 2023 ont déjà permis de financer 22 projets couvrant les différents aspects de la lutte contre ce phénomène: résilience des principaux hubs logistiques, renforcement et professionnalisation du processus de saisie de drogue, outils de détection et d’analyse de données, renforcement des outils pour l’approche "follow-the-value", prise en charge de l’accompagnement des consommateurs, etc.

Les crédits octroyés sont en cours d’utilisation par les différents bénéficiaires et un suivi est assuré par le Commissariat national aux drogues qui est également chargé d’analyser l’impact des différents projets financés. Pour conclure et pour répondre à votre dernière question, Monsieur Aouasti, comme vous l’avez dit, la police judiciaire a connu une réorganisation majeure en 2014. C’était la DGJ 2.0 avec la réduction des arrondissements judiciaires et la décentralisation de certaines ressources et fonctions.

Aujourd’hui, pour accomplir sa mission, elle évolue vers un nouveau cadre: la DGJ 3.0. Elle sera structurée autour de cinq piliers: 1.enquête spécialisée; 2.renseignements; 3.techniques et technologies; 4.coordination, 5. stratégie. Ce gouvernement s’est engagé à renforcer la police fédérale judiciaire pour soutenir la mise à œuvre de cette stratégie.

Je pourrais y revenir aussi dans des discussions sur la note de politique générale et aussi sur la question du fonds "Crime org" et son organisation. C’est en effet une possibilité. Cela existe dans différents ministères d’avoir des articles particuliers permettant de déroger au principe de l’unicité du budget de l’ État. La commissaire nationale aux drogues doit nous faire une proposition en ce sens.

Vervolgens is er de inzet van militairen. Ik wil graag mijn intentie bevestigen om de bepalingen in het regeerakkoord uit te voeren, namelijk het overdragen van bepaalde opdrachten aan Defensie, die momenteel door de politie, de DAB, worden uitgevoerd. Mijn doel is om op dit vlak concrete stappen te zetten door middel van een protocolakkoord met de minister van Defensie. Dit protocol zal ons in staat stellen om snel vooruitgang te boeken bij het hervatten van bewakingsopdrachten op gevoelige sites. Hierbij krijgen kerncentrales de hoogste prioriteit.

Er moet worden opgemerkt dat dit protocol voor de overdracht van bevoegdheden geen wetswijzigingen vereist. Het maakt deel uit van hetzelfde kader dat Defensie in staat heeft gesteld om de bewakingsopdrachten tot 1 mei 2024 over te nemen. Deze operatie zal mij in staat stellen om meer dan 200 politiemensen elders in te zetten. Ze zullen onder meer worden ingezet bij de diensten van de hoven en rechtbanken en voor de overbrenging van gevangenen.

Ik had het over de DAB. Door het domino-effect zal dit mij in staat stellen om een vergelijkbaar aantal inspecteurs op het terrein aan te stellen. Wij zullen dit stap voor stap doen. Ik wil graag met de kerncentrales beginnen. Ik kan een 250-tal mensen van de DAB inzetten. Dit zal al een eerste stap in de goede richting zijn.

We hebben een voorstel van protocolakkoord aan het kabinet van Defensie bezorgd. Het overleg met de diensten is bezig. We hopen dat naarmate dit dossier evolueert, we in staat zullen zijn om onze politiemensen te reoriënteren naar meer essentiële missies.

Monsieur Thiébaut, en ce qui concerne les questions relatives au budget de la police intégrée, ainsi que les autres questions que vous avez posées à ce sujet, sachez que pour le moment nous sommes en train d’analyser tous les éléments pour voir comment opérationnaliser les objectifs de l’accord de gouvernement au sein des services de police.

Des discussions budgétaires sont en cours ainsi que la préparation de ma note de politique générale. Ces études me permettent de voir comment on peut réaliser l’indexation et augmenter les dotations des zones de secours dans un contexte plus large de restructurations et de réformes. Je vous garantis que mon intention est bien de réinvestir dans la sécurité civile plus largement et en particulier dans la protection civile.

Pour ce qui concerne les 1,8 % d’économies linéaires, des discussions sont également en cours au sein du gouvernement. La police fédérale est en soi immunisée de ces économies et le SPF est lui aussi en grande partie immunisé mais pas dans toutes ses parties.

Ces discussions sont encore en cours au sein du gouvernement autour de la confection du budget. Le concept est d’immuniser autant que possible les départements de sécurité tout en considérant (ce qui est la volonté du gouvernement) qu’il faut mettre de l’ordre dans les finances publiques. Des économies doivent aussi y être faites. Vous connaissez mieux que moi ce genre de discussions: ce n’est pas facile mais nous le faisons de bonne volonté.

Wat de taskforce betreft, is het niet zo dat wij niets doen. Wij zijn bezig en we hebben vanmorgen onze eerste vergadering met de eerste minister, de minister van Justitie, mijzelf en onze ploegen gehad. Dat betekent niet dat we voor deze vergadering niets gedaan hebben. We hebben die vergadering voorbereid, om zeker te zijn dat we een goed kader hebben.

Je rappelle que l'objectif de cette task force n'est pas de créer une nouvelle couche ou un nouveau système, mais bien de nous assurer que la lutte contre le crime organisé, qui figure au cœur de l'accord de gouvernement et qui constitue l'une de mes tâches principales en tant que ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, soit – et vous avez parlé de ketenaanpak – partagé évidemment par tout le monde, chacun à son niveau de responsabilité dans cette approche de la lutte contre le crime organisé. Donc, de ce point de vue, le travail avance.

Monsieur le président, je vais parler un peu plus que les douze minutes qui me sont assignées, mais c'est pour aborder la fusion des zones de police à Bruxelles, qui se fera de manière en effet non volontaire – contrairement au reste du pays. Pour sortir de mes notes, je puis vous annoncer avoir rencontré 18 des 19 bourgmestres. Celle de Molenbeek étant malade, je n'ai pu la voir. Malgré deux demandes, on ne m'a pas indiqué une autre personne que je pourrais rencontrer. Cela dit, je reste à la disposition et je réintroduira ma demande. Mon objectif était bien de faire le tour, comme je l'ai dit, pour exposer les éléments à ma disposition relativement à la fusion de ces zones de police, mais aussi, monsieur Chahid, pour écouter. J'ai ainsi écouté très attentivement les 18 bourgmestres. Nos rendez-vous ont chaque fois duré entre une petite heure et une bonne heure pour écouter leurs préoccupations que j'ai bien entendues et que vous avez, du reste, relayées. Ils ont évoqué, et M. De Smet vient d'en parler également, l'importance de la proximité et les questions budgétaires. Pour être très clair, nous travaillons sur ces dernières, comme sur le reste.

S'agissant de la police de proximité, monsieur De Smet, il n'y a pas, à ma connaissance, d'accord secret ou d'Atoma. Pour être très honnête, en tout cas, je n'en dispose pas. Par conséquent, je me sens parfaitement libre de conduire cette réforme. J'ai bien entendu également ce que mes collègues du gouvernement ont pu en dire, mais – jusqu'à preuve du contraire – c'est un projet qui est piloté par le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, pas par le ministre des Finances ni par un autre ministre fédéral. C'est moi qui vais m'en charger. Dans les deux semaines à venir, je présenterai mon plan au premier ministre pour voir si nous sommes sur la même longueur d'onde. J'avance relativement vite. Une fois que j'aurai pu fine-tuner , pour parler en bon français, ce plan avec le premier ministre, je reprendrai langue avec les bourgmestres, probablement avec la Conférence des bourgmestres pour le faire en une fois. Je vous avoue que je ne vais pas recommencer le pèlerinage alors que j'ai déjà établi mon top 3 des plus beaux bureaux de bourgmestre bruxellois.

Mais j'ai donc bien l'intention de continuer cette concertation. Ce que je voulais quand même dire, c'est que la zone de police Bruxelles-Ville/Région – je ne sais pas quel nom elle prendra – reste une zone de police locale, au même titre que les autres zones de police locales du Royaume. Cela signifie également que je ferai des propositions en termes d'organisation mais le rôle du ministre de la Sécurité et de l'Intérieur s'arrête à un certain moment dans ce qui est de l'organisation et du fonctionnement des zones de police locales.

Je ne suis pas bégueule: c'est une zone de police locale avec 19 communes, ce sera donc clairement la zone de police locale pluri-communale la plus grande du Royaume. Elle devra toutefois continuer à assumer les 7 fonctionnalités de la police locale au même titre que toutes les autres zones de police locale du Royaume tout en faisant face à un certain nombre de spécificités de la ville de Bruxelles.

Mes deux mois de fonction comme ministre de la Sécurité et de l'Intérieur me font dire qu'il y a des spécificités tant géographiques, politiques que de sécurité qui doivent être prises en compte pour déterminer ce que cette future zone de Bruxelles-Ville/Région – de nouveau, ce n'est pas à moi à déterminer le nom qu'elle prendra – devra faire. Mais je sais que nous y reviendrons certainement très prochainement.

In verband met het cocaïnegebruik is ook een ketenaanpak nodig, du producteur au consommateur . De drugsgebruikers moeten hun verantwoordelijkheid nemen en krijgen. Dat is dus een belangrijk deel van onze aanpak.

Maaike De Vreese:

Minister, dat laatste is inderdaad belangrijk. Ook de drugsgebruiker heeft een enorme verantwoordelijkheid. Als er geen gebruikers zijn, zijn er ook geen dealers en zonder dealers is er geen overlast. Daar moet je dus zeker op inzetten maar er is nog een lange weg te gaan.

Coördinatie van de taskforce en overleg zijn natuurlijk belangrijk, maar nog liever zien wij de stappen, de veranderingen die op het terrein gezet en waargemaakt worden. Er is sprake van om 200 tot 250 inspecteurs vrij te maken via het domino-effect, door militairen in te zetten. Dat zal inderdaad een belangrijke stap zijn. Ik ben benieuwd wanneer die mensen effectief op straat hun werk zullen kunnen doen.

Ik hoor u graag zeggen dat u volop bezig bent met de fusie en dat u daaraan voortwerkt. Natuurlijk blijft er dan een lokale politiezone, met alle bijbehorende verantwoordelijkheden die daarbij te pas komen.

We willen graag meedenken over een nieuwe naam voor het Kanaalplan, want u bent daar al een tijdje op aan het sjieken. We willen daar dus gerust mee over brainstormen.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre brève réponse, et pour l'ouverture que j'ai pu entendre sur la question du fonds "Crim org". J'entends que les débats budgétaires ne sont pas clos; en effet, on ne sait pas quel périmètre sera concerné, quel périmètre sera ou ne sera pas impacté par les 1,8 %.

En tout cas, la proposition de notre groupe est là. Elle est discutable. Elle permet d'offrir une solution concrète de financement à des services essentiels. Je sais et j'entends que Mme la commissaire nationale aux drogues fera également une proposition, vraisemblablement dans les semaines à venir. Je pense qu'il est urgent, dès lors qu'il y a un accord pour financer ces services-là, de se mettre autour de la table avec des textes, qu'il s'agisse du nôtre ou d'autres. Je suis totalement ouvert. Pour moi, le principe est important. La nécessité d'affecter des moyens à ces politiques et à la lutte contre ces criminels est vraiment capitale.

Je salue l'ouverture et je vous donne rendez-vous dans au maximum quelques semaines, juste après votre note de politique générale et les budgets qui y correspondent, pour revenir avec notre texte.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Het is heel goed dat u met nagenoeg elke burgemeester in Brussel al hebt gesproken over het Kanaalplan en dat u contact hebt opgenomen met de federale politie om u een stand van zaken te geven.

Ik wil een warme oproep doen om ook met de politiezones in de Vlaamse Rand die ik al heb aangehaald samen te zitten, alsook met de luchtvaartpolitie. Voor een plan dat de lokale opvolging van de criminaliteit moet verbeteren is het belangrijk dat niet alleen de federale politie gehoord wordt maar ook de lokale zones. Daartoe wil ik een warme oproep aan u doen.

Ik kan altijd helpen om dat ten minste in mijn eigen zone te faciliteren. U moet echter zeker niet alleen met de politiezone VIMA spreken. Ik sprak al over de zone Zennevallei maar ook over andere zones die heel relevant zijn. U kan die zones ook horen. Ik ben minder goed geplaatst om dat daar te faciliteren.

Ten slotte, ik heb het misschien niet goed begrepen, omdat alles op een hoopje wordt gegooid, maar u zei dat u wou beginnen met de uitrol van het Kanaalplan in Brussel en in de omgeving van Brussel en dus de Vlaamse Rand, maar dat het de bedoeling was om via dat plan in het hele land tot een aanpak te komen. Dat lijkt mij zeker nuttig om de drugscriminaliteit in het hele land strenger aan te pakken. Ik was echter enigszins bezorgd over de manier waarop u dat verwoordde. Het Kanaalplan heeft immers de vorige keer extra vte's op het veld gebracht. Ik ben uiteraard voorstander van meer rekruteringen en van het voornemen om in het hele land meer politiemensen te hebben. Wij moeten dat echter ook koppelen aan de realiteit. Wij zullen dit de komende maanden wel nog bekijken, maar ik vroeg mij in dat verband af hoe u dat voornemen concreet zag. Ik wil ook oproepen om echt te focussen op de plaatsen waar de noden het hoogst zijn.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse assez claire.

Il n'y a pas de carnet Atoma. Donc lorsque un ministre affirme que chacune des six zones pourra conserver 75 % de ses capacités, il se peut qu'il ait inventé cette information. En tout cas, ce n'est pas confirmé. Dont acte.

Bernard Quintin:

Je n'ai pas vu de carnet Atoma.

François De Smet:

Vous n'en avez pas vu? Sans doute faut-il être croyant et non pratiquant.

Et quand Les Engagés nous disent que 19 bourgmestres pourront garder leurs prérogatives, ce n'est pas non plus confirmé!

Vous dites que vous allez présenter votre plan au premier ministre puis à la Conférence des bourgmestres. Nous pourrions nous demander s'ils auront une marge de manœuvre et s'il y aura une vraie discussion. Tant mieux si vous êtes prêt à faire des amendements.

Vous dites que "la zone de Bruxelles-Ville/Région reste une zone de police locale". Je trouve cela très intéressant. J'adore cette phrase, mais ne vous prouve-t-elle pas l'absurdité de ce qui s'annonce? Bruxelles est en effet une Région composée 19 communes et de beaucoup de quartiers extrêmement différents. Vous dites que des spécificités géographiques doivent être prises en compte. Nous en sommes bien conscients. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle il y six zones de police, et non une seule.

Nous marchons donc sur la tête. Je continue à dire que nous nous retrouvons avec une concession irrationnelle, simplement parce qu'une série de partis flamands et le MR voulaient absolument cette fusion. Les Bruxellois ne la demandent pas.

Vous êtes en train, avec beaucoup de consultations et de sympathie, de chercher des arguments pour justifier cette fusion. Vous allez tenter de la réaliser contre l'avis, mais surtout contre l'intérêt des Bruxellois. Je ne désespère pas de vous convaincre avant qu'il ne soit trop tard.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik blijf wat op mijn honger. Op 21 februari is er een taskforce opgericht en de eerste vergadering gaat door op 2 april. Men heeft dus een maand de tijd nodig gehad om een vergadering voor te bereiden en dat noemt u vooruitgang. Ik hoor echter vooral geen enkele concrete maatregel. Ik hoor niets over wat er op het terrein zal gebeuren. Ik zie of hoor ook niet welke budgetten daarvoor uitgetrokken worden. Het blijft wachten op uw beleidsnota en op de budgetten die daarin hopelijk zullen worden voorgesteld.

Uiteraard moeten we die ketenaanpak in acht nemen en de vraagzijde verminderen om het aanbod te doen dalen. Ik heb echter uw visie op ons voorstel niet gehoord, namelijk om verplichte drugstests op te leggen aan ambtenaren en ook politici – waarom niet? We hebben een voorbeeldfunctie en het Vlaams Belang is daar zeer duidelijk over. We zullen dit voorstel nog voorleggen in het Parlement. Als de regering het niet zelf doet, moeten we het heft in eigen handen nemen en een verplichte drugstest opleggen aan politici, maar ook aan andere beroepscategorieën zoals de magistraten.

Ridouane Chahid:

Monsieur le ministre, vous nous dites que vous avez rencontré 18 des 19 bourgmestres et que vous les avez écoutés. Nous verrons dans la proposition de fusion que vous allez transmettre au Parlement si vous les avez entendus, car là réside notre principale demande: avez-vous entendu les bourgmestres? Je rappelle, comme j'ai déjà eu l'occasion de vous le dire, qu'un bourgmestre a des prérogatives légales avec des conséquences pénales s'il ne les remplit pas. Si vous ne donnez pas les conditions qui lui permettent de remplir ses missions de bourgmestre, la question est de savoir à qui revient la faute, notamment en termes de sécurité. Je rappelle aussi, et vous l'avez dit d'ailleurs dans votre réponse, qu'il y a 19 réalités différentes. Lorsque, demain, une seule zone de police concentrera l'ensemble de ses moyens sur des quartiers plus difficiles que d'autres, comment ferez-vous en sorte que la sécurité soit assurée dans des quartiers où la sécurité se traduit par des réalités hétérogènes, où on parle plus de sécurité routière que de cambriolage ou de trafic de drogue? Par exemple dans une commune comme la mienne, la présence de véhicules garés en double-file dans une rue est plus préoccupant que dans d'autres communes puisque nous n'avons pas les mêmes problèmes de sécurité. Je sais que vous avez reçu de la part de bourgmestres un certain nombre de motions, de documents, d'études. J'espère que vous pourrez en tenir compte et revenir sur un certain nombre de choses que j'ai pu lire dans la presse. Je sais aussi que votre préoccupation est que la sécurité soit assurée partout. Nous sommes évidemment d'accord. Sur ce point, nous vous suivrons et serons toujours derrière vous. Il reste à voir les modalités de ce projet de loi. Je vous remercie, en tout cas, des réponses que vous avez apportées.

De vraag om bijstand van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
De inzet van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
Optreden van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 2 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Brugse burgemeester kritiseerde de scheepvaartpolitie Zeebrugge omdat zij weigert in te grijpen bij lokale overlast (bv. jongeren) ondanks hun 24/7-beschikbaarheid, terwijl de lokale politie te traag ter plaatse is. Minister Quintin bevestigde dat de scheepvaartpolitie enkel bevoegd is voor havenzaken, maar dat er sinds 2002 een samenwerkingsprotocol met Brugge geldt—laatst geëvalueerd op 8 oktober 2024 zonder aanpassingen—waarin dringende hulp wel verplicht is. De Vreese vindt de burgemeesterskritiek onterecht als het protocol ongewijzigd blijft en benadrukt de toekomstige uitdagingen (bv. Russische schepen) voor de scheepvaartpolitie. Conclusie: de taakverdeling staat, maar de communicatie tussen partijen faalt.

Voorzitter:

De heer Demon is afwezig.

Maaike De Vreese:

Minister, in de Brugse gemeenteraad werd op 16 december 2024 het fenomeen van overlast door jongeren in de Zeebrugse woonkern aangekaart. De lokale politie is bereid om de wijkwerking uit te breiden, maar heeft 's nachts geen permanentie in Zeebrugge. De rijtijd van het Brugse politiehuis naar Zeebrugge voor een interventie bedraagt 20 minuten.

De Brugse burgemeester was tijdens die gemeenteraadszitting opvallend kritisch over de werking van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge: “Er staat daar een zeer uitgebreide en mooie kazerne in Zeebrugge van de scheepvaartpolitie, die dag en nacht beschikbaar is met perfecte voertuigen en manschappen. Maar als de mensen zelf - de buurtbewoners - binnenlopen om te zeggen dat er iets gebeurt, is het antwoord van de scheepvaartpolitie 'Dat is niet onze taak. Wij dienen voor de haven en voor niets anders dan de haven'. Ze hebben een tijdlang rond transmigranten hun deel gedaan, maar er zijn quasi geen transmigranten meer in Zeebrugge, dus dat probleem is van de baan. En in andere zaken komen zij gewoon niet tussen… Die scheepvaartpolitie heeft uiteraard een aantal taken die met de haven te maken hebben, maar die hebben ook wel wat tijd, zeker 's nachts."

Ik citeer hem letterlijk omdat ik aangedaan was door de manier waarop de burgemeester van de op twee na grootste stad in Vlaanderen, die op een constructieve manier zou moeten samenwerken met de federale politie, met een zekere minachting over die dienst spreekt. Nochtans is hij vragende partij voor bijstand van de scheepvaartpolitie bij incidenten, in afwachting van de komst ter plaatse van de lokale politie.

Ik vind dat de belangrijkste taak van een burgemeester is om ervoor te zorgen dat de veiligheid op zijn grondgebied gegarandeerd is en dat zijn politiediensten op tijd ter plaatse kunnen zijn, waar zij zich ook bevinden. Het grondgebied is misschien iets groter, maar hij moet ervoor zorgen dat de politiemensen op tijd bij de inwoners van Brugge geraken. Dat is zijn eerste prioriteit als burgemeester.

Mijnheer de minister, hoe is de verstandhouding tussen de verschillende diensten en niveaus met betrekking tot de situatie in Zeebrugge? Wanneer ging er overleg door met de verschillende actoren? Wat was de conclusie van dit overleg?

Bent u bereid om te bekijken hoe de samenwerking tussen de scheepvaartpolitie en de lokale politie beter kan, zodat er in moeilijke situaties bijstand kan worden verleend? Wat is de huidige personeelscapaciteit van de Zeebrugse afdeling van de scheepvaartpolitie? In welke mate kan die 24/7 ingrijpen? Zitten zij daar 's nachts inderdaad met hun vingers te draaien of hebben ze iets te doen? Ik vind de toon van de burgemeester namelijk echt niet kunnen.

Bernard Quintin:

Mevrouw De Vreese, ik was daar niet, maar ik ben het met u eens. De toon is belangrijk, net als de dienstverlening.

Het voorzien in een gelijkwaardige en kwaliteitsvolle politiezorg over het volledige grondgebied is een van de kernwaarden van de geïntegreerde politie en dit al sinds de oprichting, meer dan 20 jaar geleden. Het concept van onze geïntegreerde politie voorziet twee niveaus. De lokale politie is verantwoordelijkheid voor de basispolitiezorg op het grondgebied van de politiezone, terwijl de federale politie met toepassing van de beginselen van subsidiariteit en specialiteit de gespecialiseerde politiezorg en -steun waarborgt.

De scheepvaartpolitie is in principe inderdaad alleen actief op de waterwegen en in de havens. De politiezone Brugge is verantwoordelijk voor de politionele dienstverlening op haar territorium. Omwille van de specifieke plaatsgesteldheid in Zeebrugge, waar de woonkern met het havengebied verweven is, heeft de scheepvaartpolitie echter sinds 1 januari 2002 een samenwerkingsprotocol met de politiezone Brugge, waarin onder meer de territoriale verdeling is opgenomen. Dit protocol werd op 1 januari 2023 nog vernieuwd en wordt regelmatig geëvalueerd. De laatste evaluatie dateert van 8 oktober jongsleden, waarbij werd geconcludeerd dat er geen aanpassingen of bijsturingen nodig waren. De volgende evaluatie van deze structurele samenwerking is voor 20 mei 2025 gepland.

Los van dit protocol moet natuurlijk elke politiedienst en elke politieman of -vrouw optreden voor dringende noodhulp, tot en met het moment waarop de relevante diensten ter plaatse kunnen komen. Ook voor het onthaal van hulpzoekende burgers volgt het protocol het geldende juridische kader. Personen die zich met een dringende vraag om hulp bij hun politiepost aanbieden, worden onmiddellijk geholpen. Indien de hulpvraag niet dringend is, wordt de persoon naar de meest adequate dienst doorgestuurd. Bij de volgende evaluatie van het protocol zal deze taakverdeling opnieuw kunnen worden besproken indien ze niet naar wens van een of meerdere stakeholders is.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, ik vind het dan nog frappanter dat als er op 8 oktober 2024 nog overleg geweest is over het protocol en de conclusie van beide partijen daar luidde dat er niets hoeft te worden veranderd, er op 16 december op die manier zo'n sneer wordt uitgedeeld. Als men rond de tafel zit, moeten de problemen op dat moment besproken worden en niet in de gemeenteraad van Brugge. De scheepvaartpolitie staat nog voor grote, nieuwe uitdagingen om controle uit te oefenen op de kritieke infrastructuur en de Russische schepen die in de buurt daarvan varen. Ik hoop dat u die politiemensen volop ondersteunt.

De Jambontaks: belasting voor de federale overheid of bijdrage aan de sociale zekerheid
De meerwaardebelasting en het belang van de A- en B-aandelen bij een 'aanmerkelijk belang'
Belastingen, aandelen en bijdragen aan overheid en sociale zekerheid

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting), Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Lode Vereeck vraagt of bij de meerwaardebelasting op aanmerkelijke belangen (10% voor kleine, progressief tot 10% voor grote beleggers) rekening wordt gehouden met verschillen in stemrecht en winstaandeel tussen A- en B-aandelen onder het nieuwe vennootschapsrecht. Minister Jambon wijst elke gedetailleerde discussie af, verwijzend naar nog lopende regeringsonderhandelingen en toekomstige parlementaire behandeling. Vereeck benadrukt dat de complexiteit van de regeling (met name rond aandelenrechten) onvoldoende is doordacht, gegeven eerdere strubbelingen in het regeerakkoord. De concrete invulling blijft onduidelijk, met uitstel van verdere vragen.

Voorzitter:

De heer Vermeersch is verontschuldigd.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, we kennen ongeveer het grote schema van de meerwaardebelasting: kleine beleggers zullen 10 % taks betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf 10.000 euro en grote beleggers met een aanmerkelijk belang van 20 % in een vennootschap worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0 % en 10 %.

In principe is ieder aandeel evenveel waard, met een gelijk winstaandeel en stemrecht. Sinds het nieuwe vennootschapsrecht kunnen aandeelhouders hiervan echter afwijken en kiezen welke rechten ze aan welke aandelen koppelen. Er zijn nu zogenaamde A- en B-aandelen met minder of meer winstdeelname respectievelijk minder beslissingsbevoegdheden.

Wordt bij de waardering van het aanmerkelijk belang in een vennootschap rekening gehouden met het belang van de rechten verbonden aan de verschillende soorten aandelen? Zo ja, welke parameters worden in rekening gebracht bij de waardering van een aanmerkelijk belang in een vennootschap? Is dat het aantal stemmen of het winstaandeel van de verschillende soorten aandelen?

Jan Jambon:

Mijnheer Vereeck, u kunt iedere week proberen om op alle mogelijke details in te gaan. Ik zeg niet dat uw vragen onbelangrijk zijn, maar ik zal er niet op antwoorden. De grote lijnen staan in het regeerakkoord en de rest zullen we eerst in de regering bespreken. Daarna zullen we de teksten hier in het Parlement indienen. Dan zullen we zoveel tijd als u wenst spenderen om op elke lijn van de nieuwe wet in te gaan.

Vandaag zal ik dus niet op uw vragen kunnen antwoorden. Eerst moet de regering de teksten goedkeuren en dan komen die ter bespreking in het Parlement. Dan zullen we heel uitgebreid over alle modaliteiten van gedachten wisselen hier in commissie. Ik kijk daar absoluut naar uit.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, oorspronkelijk was ik heel verbaasd dat de regeling van de algemene solidariteitsbijdrage niet beter was uitgewerkt, terwijl andere onderdelen van het regeerakkoord dat wel zijn, bijvoorbeeld de pensioenbijdrage.

Die bijdrage is nu eenmaal een gevoelige aangelegenheid. Aangezien uw regering zich al bijna twee keer de nek heeft gebroken bij de onderhandelingen over haar totstandkoming, zou ik denken dat daarover toch heldere, gedetailleerde afspraken bestaan.

Intussen kennen wij uw antwoord. Als u niet kunt antwoorden, dan wil ik met mijn vraag alvast u en uw kabinet meegeven dat het niet eenvoudig zal zijn om een wetsontwerp ter zake op te stellen en u verzoeken bij de opmaak rekening te houden met het onderscheid tussen A- en B-aandelen.

Voorzitter:

Les questions jointes n° s 56003059C, 56003060C et 56003063C de M. Hugues Bayet et n° 56003062C de M. Dimitri Legasse sont reportées à la demande des auteurs.

De bescherming van de gezondheid van sekswerkers

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De federale overheid financiert via het INAMI gezondheidszorg voor sekswerkers, waaronder Espace P (actief in Henegouwen, Luik, Namen, Luxemburg en Brussel), met €846.000 voor basiswerking, €219.081 voor verslavingszorg (sinds 2023) en €296.162 voor PrEP-behandelingen (sinds 2024). Vandenbroucke bevestigt dat vier centra sinds 2022 gestructureerd worden ondersteund, met focus op medische consulten, vaccins en sociale begeleiding. Meunier informeert naar de concrete situatie in Bergen en de federale middelen, maar krijgt een landelijk financieel overzicht zonder regionale verdieping. Ze belooft opvolgvragen na analyse van de cijfers.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, la récente loi encadrant le travail du sexe souligne l'importance d'une approche globale incluant la protection de la santé des travailleuses et des travailleurs concernés. À Mons, Espace P joue un rôle clé dans l'accompagnement et le soutien des travailleuses et travailleurs du sexe avec, entre autres, des financements issus de l'INAMI.

Monsieur le ministre, mes questions sont très simples. Pouvez-vous nous dresser un état des lieux de la situation en matière de protection de la santé des travailleurs du sexe, en particulier dans la région de Mons? Quels sont les moyens financiers actuellement mobilisés par le fédéral, notamment via l'INAMI, pour soutenir les initiatives comme Espace P et garantir l'accès aux soins et à la prévention pour ces travailleuses et travailleurs?

Frank Vandenbroucke:

Madame Meunier, l'INAMI finance le fonctionnement de plusieurs centres depuis 2012. Ce financement couvre les frais médicaux nécessaires, qui comprennent plusieurs vaccins, des consultations médicales et un soutien social. Espace P est l'un de ces centres. Il opère dans les provinces du Hainaut, du Luxembourg, de Namur et de Liège. En outre, Espace P est également actif dans la Région de Bruxelles-Capitale.

Actuellement, l'INAMI intervient dans plusieurs centres médico-sociaux pour les travailleurs du sexe. Un budget total de 846 000 euros est prévu par l'article 56 § 2 pour le financement de base du fonctionnement d'un centre médico-social. En 2022, l'INAMI a lancé un appel. Quatre candidatures ont été introduites et retenues. De plus, depuis 2023, les quatre centres disposent d'un financement complémentaire au titre des assuétudes pour les personnes vulnérables. Leur budget total s'élève à 219 081,10 euros. Depuis 2024, une intervention est également prévue pour le traitement PrEP des personnes non assurées, en particulier les travailleurs du sexe. Le montant total de cette intervention pour les quatre centres est de 296 162, 67 euros. J'espère vous avoir transmis les informations que vous cherchiez.

Marie Meunier:

Merci beaucoup monsieur le ministre pour vos différentes réponses. Je n'hésiterai pas à revenir avec des questions complémentaires après analyse de ces différents chiffres.

Sociale fraude in tandartspraktijken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat 1,8% van de actieve Belgische tandartsen (185) een visum heeft maar geen RIZIV-nummer, waardoor ze geen vergoede zorg kunnen declareren, wat frauderisico’s met zich meebrengt. Hij kondigt wetswijzigingen aan om RIZIV-nummers in te kunnen trekken bij fraude en versterkt handhaving via het Actieplan 2024-2026, met extra inspectiecapaciteit in de zorgsector, maar concrete verdeling van de 300 nieuwe fraude-inspecteurs staat nog niet vast. De recente Brusselse fraudezaak (sociale fraude, witwassen, uitbuiting) toont aan dat controles plaatsvinden, maar systematische risicoanalyses en meldingen blijven cruciaal. Gijbels benadrukt de nood aan strengere sancties en transparantie om het vertrouwen in de sector te herstellen en pleit voor scherper toezicht op tandartsen *zonder* RIZIV-vergoedingsrecht.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, op dinsdag 13 februari werden in Brussel drie tandartspraktijken en twee privéwoningen doorzocht in het kader van een gerechtelijk onderzoek naar sociale fraude, witwaspraktijken, zwartwerk en mensenhandel. Naast de geschatte schade aan de sociale zekerheid, die meer dan 600.000 euro zou bedragen, is er sprake van uitbuiting van personeel, waarbij werknemers zonder arbeidscontract zouden zijn ingezet.

Deze zaak roept vragen op over het toezicht op tandartspraktijken in België en toont de noodzaak aan van een strenge handhaving binnen de zorgsector en meer bepaald binnen de tandheelkunde. Om een beter inzicht te krijgen in de controlemechanismen en de beleidsmaatregelen die hierop volgen, stel ik u graag enkele vragen.

Hoeveel tandartsen zijn er momenteel actief in België met een visum, maar zonder RIZIV-nummer? Kan deze fraudezaak onder deze problematiek worden gesitueerd? Hoeveel RIZIV-nummers werden in 2024 ingetrokken wegens sociale fraude? Zou u hierbij ook een overzicht kunnen geven van de geografische spreiding? Overweegt u om een strenger regelgevend kader in te voeren voor tandartsen die een visum hebben, maar geen RIZIV-nummer?

Op welke manier wordt er momenteel gecontroleerd of tandartsen zich bezighouden met frauduleuze praktijken? Worden deze controles aangescherpt naar aanleiding van deze recente zaak?

De federale regering heeft de ambitie om de strijd tegen sociale fraude en witwaspraktijken op te voeren. Hoe vertaalt zich dit concreet naar de gezondheidszorg en meer specifiek naar de tandheelkundige sector? Wordt er binnen de voorziene aanwerving van 300 extra inspecteurs voor de strijd tegen sociale fraude specifiek voorzien in extra capaciteit voor de opsporing van fraude binnen de zorgsector?

Frank Vandenbroucke:

Eind maart 2025 telde het register van gezondheidswerkers 14.794 werkgerechtigde tandartsen, waarvan er 1.463 geen RIZIV-nummer hebben, wat neerkomt op 9,9 %. Dit cijfer omvat alle in België afgestudeerde tandartsen. Indien we dit beperken tot de in België gedomicilieerde beroepsbeoefenaars onder de 70 jaar, dan zijn er 10.012 werkende tandartsen, waarvan er 185 geen RIZIV-nummer hebben, wat neerkomt op 1,8 %.

U verwijst in uw vraag naar een dossier in Brussel. Dat specifieke dossier betreft een lopend onderzoek, in samenwerking met het arbeidsauditoraat. Gelet op het geheim van het onderzoek kan daarover niet gecommuniceerd worden.

Dan kom ik bij uw tweede vraag. Momenteel bestaat er geen wettelijk kader om een RIZIV-nummer in te trekken. Het intrekken van een visum is alleen mogelijk als de tandarts fysiek of psychisch niet geschikt is om de tandheelkunde uit te oefenen, als de tandarts niet aan de kwaliteitscriteria voldoet of als zijn praktijken een gevaar vormen voor de patiënten. Naast het beroepsverbod, dat door een rechter wordt uitgesproken, bestaat er momenteel geen wettelijk kader om het RIZIV-nummer van een tandarts in te trekken. In het Actieplan handhaving in de gezondheidszorg 2024-2026 van de antifraudecommissie van het RIZIV willen we wel werk maken van de mogelijkheid tot intrekken van het RIZIV-nummer. Daarvoor is wetgeving nodig en ik zal met een wetsontwerp komen. Het regeerakkoord legt immers heel sterk de nadruk op handhaving.

Dan kom ik bij uw derde vraag. Tandartsen met een visum mogen wel de tandheelkunde uitoefenen. Als de tandarts geen RIZIV-nummer heeft, kan er niet aangerekend worden aan de verplichte ziekteverzekering. Dat is op zich zeer duidelijk in de regelgeving. Er zijn veel fraudeplegers die hun gedrag na een controleonderzoek niet aanpassen of de opgelegde sancties niet naleven. Deze mensen moet structureel verhinderd worden om verder te frauderen. Ik zal daartoe ook de wettelijke aanpassingen die nodig zijn om het handhavingsbeleid te versterken introduceren.

De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle zal samen met de Federale Toezichtcommissie bekijken hoe dit het best wordt aangepakt zonder dat de patiënten er nadeel van ondervinden. Daarom is het bijkomend belangrijk dat de verzekerden en de algemene bevolking geïnformeerd worden over de zorgverleners die geschorst of geschrapt zijn of desgevallend niet langer mogen aanrekenen.

Dan kom ik bij uw vierde vraag. De DGEC start onderzoeken na externe meldingen of op eigen initiatief, via een systematische risicoanalyse. Uiteraard moet men hier prioriteiten bepalen. Alle middelen alleen op tandzorg richten kan uiteraard niet, maar de recente berichtgeving waarnaar u verwijst, toont net aan dat er actief gecontroleerd wordt, door zowel de parketten en de DGEC als de Toezichtcommissie.

Dan kom ik aan bij vijfde vraag. In het Actieplan handhaving in de gezondheidszorg 2024-2026 bundelen de verschillende directies van het RIZIV en de FOD Volksgezondheid, met name de Federale Toezichtcommissie, samen met de verzekeringsinstellingen, het Nationaal Intermutualistisch College en het IMA hun middelen om de naleving van de regelgeving te versterken via preventie, via analyse en detectie en via gerichte actie.

Ik herhaal dat wij bij de vorming van de regering overeengekomen zijn om daar een absolute prioriteit van te maken. In de komende maanden zullen we dan ook werken aan een omvattende strategie rond fraude en doelmatigheid. Dat is natuurlijk een breed continuüm, maar ik denk dat we dat continuüm zo moeten bekijken. De uitvoering van dat Actieplan 2024-2026, dat al deze instanties samen op punt hebben gesteld, hoort daarbij, maar daarnaast willen we ook onze instrumenten van handhaving versterken. Zoals gezegd, op dat punt wil ik echt wel snel wetgeving voorleggen.

Nu kom ik tot uw laatste vraag. Het regeerakkoord voorziet dat er 300 personeelsleden aangeworven zullen worden voor fiscalefraudebestrijding, met name bij de BBI, de socialefraudebestrijding, de gerechtelijke politie en justitie. Dat contingent is nog niet verdeeld tussen de verschillende diensten. Bij de verdeling van het contingent voor de strijd tegen sociale fraude zal ik erover waken dat het RIZIV versterkt wordt, om fraude in de zorgsector beter aan te pakken.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik vind het altijd spijtig als ik zulke verhalen lees, want ik vind tandarts een heel mooi beroep, maar dat dient natuurlijk met de nodige ernst en beroepsfierheid te worden uitgeoefend. Aan die beroepsbeoefenaars mogen we ook hoge eisen stellen. Het is natuurlijk een goede zaak dat dergelijke frauduleuze praktijken worden opgespoord, maar als ze aan het licht komen, plaatst dat de hele beroepsgroep in een slecht daglicht. Ik hoop daarom dat er goed en flink tegen wordt opgetreden, want in de genoemde situatie is het een zaak van zware fraude, van echte oplichting en ook van misbruik van vertrouwen van burgers. Van onze kant hebt u alle steun om daar hard tegen op te treden. De vraag die ik stelde over het aantal tandartsen met visum maar zonder RIZIV-nummer, stelde ik ook omdat ik daarover eerder al vragen had gesteld. Uit de antwoorden leid ik af dat er de jongste jaren relatief meer tandartsen werkzaam zijn die wel een visum hebben, maar geen RIZIV-nummer. Aangezien die tandartsen geen behandelingen kunnen aanrekenen aan het ziekenfonds, vraag ik me af welke behandelingen zij uitvoeren. Ik pleit dan ook voor extra waakzaamheid op dat vlak.

Een mysterieuze ziekte in Congo
De uitbraak van een onbekende, dodelijke ziekte in de Democratische Republiek Congo
Onbekende dodelijke ziekte-uitbraak in Congo

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke nuanceert de uitbraak in Congo: de huidige epidemie (provincie Equateur) is geïsoleerd, anders dan de eerdere malaria-uitbraak in Kwango, en minimaal risico voor België door beperkt verkeer, maar monitoring blijft cruciaal. Geen verscherpte maatregelen (screening, quarantaine of reisadviezen) nu, maar aanpassingen mogelijk bij nieuwe inzichten via WHO/ECDC, met internationale samenwerking (experts, vaccins) als sleutel. Bury benadrukt waakzaamheid: ondanks afzondering zijn doden al gemeld, en onderschatting in vroeie fase kan gevaarlijk zijn. Paraatheid en opvolging blijven prioriteit.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik heb in december hierover reeds een vraag gesteld. De WHO heeft opnieuw alarm geslagen omdat er in de Democratische Republiek Congo meer dan 50 mensen in korte tijd zijn overleden. Hoeveel uitbraken van die onbekende ziekten zijn er tot op heden vastgesteld? Welke maatregelen worden genomen om de insleep van deze ziekte naar België te minimaliseren? Welke specifieke protocollen heeft België? Zijn er verscherpte maatregelen? Is er screening en quarantaine om de verspreiding tegen te gaan? Hoe ziet u de internationale samenwerking voor bijzondere ziekten, zeker in landen met zwakkere gezondheidssystemen zoals Congo?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, misschien moet ik iets verduidelijken met betrekking tot uw vraag. Er was in december 2024 inderdaad een uitbraak van malaria binnen een context van ondervoeding in de gezondheidszone Panzi in de provincie Kwango. Het aantal doden als gevolg van deze epidemie is gedaald en is nu onder controle. De epidemie van onbekende oorsprong die nu echter woedt in de provincie Equateur is niet dezelfde epidemie. De provincie Equateur ligt op bijna 2.000 kilometer van Panzi en ook hier kunnen we niet concluderen dat de situatie verslechtert, dus dat is een zekere nuance.

Hoe groot acht ik de kans dat de ziekte overkomt naar ons land? De dorpen die momenteel getroffen worden door deze epidemie zijn extreem geïsoleerd, met een relatief beperkt verkeer van goederen en mensen, zelfs binnen de gezondheidszone van Basankuzu. Hoewel de kans nooit nul is, lijkt het ons daarom niet waarschijnlijk dat deze ziekte ons land zal bereiken. Tot nu toe zijn er geen gevallen gemeld buiten deze gezondheidszone of buiten de provincie Equateur.

Worden de reisadviezen aangepast? Afgezien van het feit dat er verschillende Belgische autoriteiten op de hoogte zijn gebracht van deze situatie, waaronder het Nationaal Crisiscentrum en de FOD Buitenlandse Zaken, zijn er momenteel geen plannen om het advies voor reizigers naar de Democratische Republiek Congo aan te passen of specifiek te maken. Uiteraard is het altijd raadzaam om in dit soort situaties de aanbevelingen van de lokale autoriteiten op te volgen.

U vroeg ook of we maatregelen overwegen om mensen die naar hier komen te monitoren. Het is momenteel niet aan de orde om andere maatregelen te nemen dan de epidemiologische en diagnostische evolutie van deze ziekte op te volgen. Het is uiteraard mogelijk dat we, afhankelijk van de informatie die we in de toekomst van onze contacten in de DRC, de WHO en het ECDC ontvangen, deze maatregelen moeten aanpassen. We zullen in dat geval niet nalaten de verschillende sectoren en ministeries te informeren.

Hoeveel uitbraken zijn er? Omdat de ziekte nog onbekend is, weten we niet hoeveel epidemische uitbraken er zijn geweest.

Kunnen we bijdragen? Wel, we hebben regelmatig contact met de lokale autoriteiten via de internationale kanalen van het ECDC, de WHO en het Early Warning and Response System, wat ons in staat stelt om relevante informatie en ervaringen met hen en met verschillende Europese partners uit te wisselen. Het is ook mogelijk om hulpbronnen te sturen, zoals experten van het ITG voor de malariaepidemie in Panzi of experten van het UZA voor de huidige ebolaepidemie in Oeganda. We kunnen ook hulpmiddelen en materiaal sturen, zoals onze donatie van vaccins tijdens de mpox-epidemie.

Katleen Bury:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik neem nota dat u enigszins gerustgesteld bent, omdat het in kleine, onbekende dorpjes gebeurt, maar er is natuurlijk wel een bezorgdheid. De informatie is immers toch bij ons geraakt, dus zo afgelegen zijn die dorpjes dan toch niet. We zien ook dat er verschillende doden zijn gevallen op korte termijn en we moeten altijd oppassen met onderschattingen in de beginfase. Het is dus goed dat u de situatie monitort. Paraatheid is zeer belangrijk. Het kan altijd heel snel gaan dat de ziekte toch tot bij ons komt, vandaar is waakzaamheid geboden. We volgen het verder op. De voorzitster : Vraag nr. 56003161C van mevrouw De Knop wordt uitgesteld.

Het ketaminegebruik bij jongeren
Het effect van ketamine op de gezondheid
Ketamine
Het ketaminegebruik
Ketaminegebruik en gezondheidseffecten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het ketaminegebruik in België is sinds 2012 explosief gestegen (700–1100%), met ernstige gezondheidsrisico’s (blaas- en nierschade, verslaving, neurologische effecten) en een toename van behandelingsaanvragen (van 23 in 2015 naar 561 in 2023, vooral bij jongeren, gemiddeld 26 jaar). Minister Vandenbroucke bevestigt de stijgende trend (hoogste gebruik in steden als Antwerpen, Gent en Brussel) en benadrukt samenwerking tussen volksgezondheid, justitie en Europa, maar preventie en zorgcapaciteit (o.a. verslavingsartsen, huisartsen) blijven kritieke knelpunten, terwijl medisch gebruik strikt gemonitord moet worden om afleiding te voorkomen. Rioolwaterdata per gemeente worden alsnog gedeeld, maar langetermijnonderzoek en bewustmaking (met name tegen bagatellisering door influencers) blijven dringend nodig.

Katleen Bury:

Recent onderzoek van het Toxicologisch Centrum van de Universiteit Antwerpen toont aan dat het gebruik van ketamine in België sinds 2012 met 700 tot 1.100 % is gestegen.

Enkele weken geleden konden we in de pers persoonlijke verhalen lezen van jongeren die de vernietigende impact van langdurig ketaminegebruik illustreerden. Er is sprake van ernstige gezondheidsproblemen, zoals blaas- en nierschade, bloedplassen en chronische pijn. Uroloog De Win van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen rapporteerde dat er wekelijks gemiddeld zeven nieuwe jonge patiënten met ernstige ketaminegerelateerde klachten bij komen. De combinatie van verslavende eigenschappen, het tijdelijk pijnstillende effect van ketamine en het gebrek aan ontwenningsverschijnselen bij stopzetting maakt dit tot een bijzonder verraderlijke drug.

Hoe gaat u de samenwerking versterken tussen Volksgezondheid, politie en justitie om de handel in en de beschikbaarheid van ketamine effectiever aan te pakken? Welke initiatieven zijn er op Europees niveau? Welke maatregelen zijn er om de jongeren bewust te maken van de ernstige gezondheidsrisico's van ketaminegebruik? Hoe gaat u ervoor zorgen dat de urologische en verslavingszorg voldoende capaciteit en expertise hebben, zodat zij deze nieuwe patiëntengroep adequaat kunnen behandelen? Zult u verder onderzoek verrichten naar de langetermijneffecten van ketaminegebruik en naar de behandelmethoden? Wat voorziet u voor de nazorg en de re-integratie van jongeren die door ketaminegebruik langdurige gezondheidsproblemen hebben ontwikkeld?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, vorige week kwam uitgebreid in het nieuws dat ketamine veel wordt gebruikt en te veel in het rioolwater aanwezig is. Als we de cijfers van een paar jaar geleden met die van nu vergelijken, zien we dat die zeven tot elf keer hoger liggen. Ketamine wordt bovendien niet enkel in de steden gebruikt waar de metingen zijn gebeurd, ook in landelijke gebieden wordt het gebruik steeds meer gemeld. De toepassing ervan kan medisch zijn, maar is heel vaak recreatief of crimineel wanneer het als verkrachtingsdrug wordt gebruikt.

De potentiële gezondheidsrisico's kwamen hier aan bod, maar zijn nog onderbelicht. De blaasproblematiek, de blaasschade en de neurologische effecten worden onvoldoende belicht in de sensibilisering rond het gebruik van ketamine. De mogelijke stijging van criminaliteit, de overlast en het gevoel van onveiligheid van meisjes die uitgaan nopen ons ertoe om ook op het vlak van handhaving en preventie stappen te ondernemen.

Ik had graag van u vernomen welke factoren u verantwoordelijk acht voor die significante stijging van het ketaminegebruik de afgelopen jaren.

Onderschrijft u de visie dat het gebruik vooral recreatief is, socio-economisch, soms cultureel? Schrijft u dat toe aan medische beschikbaarheid?

Kunt u op basis van de beschikbare rioolwateranalyses of andere gegevens een overzicht geven van de mate waarin het ketaminegebruik per gemeente verschilt, maar ook van de behandelingen? Ik heb u daarnaar al gevraagd in schriftelijke vragen, maar ik heb daar geen antwoord op gekregen, dacht ik. Hoeveel blaasherstellingen, hoeveel blaastransplantaties zijn er ten gevolge van ketaminegebruik te noteren in onze ziekenhuizen? Is er een lijst van Belgische gemeenten met cijfers van ketaminegebruik in het rioolwater tussen 2012 en 2023 beschikbaar? Kunt u die lijst in een excelbestand overmaken?

Welke stappen worden er momenteel gezet om de gezondheidsrisico's van verhoogd ketaminegebruik, zoals verslaving, blaasschade en verkeersongevallen onder invloed, in kaart te brengen en hoe worden de gegevens gedeeld of gebruikt door de gemeenten?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, la consommation de kétamine connaît une progression inquiétante en Belgique et en Europe. Initialement utilisée en milieu hospitalier pour ses propriétés anesthésiques et antalgiques, et récemment introduite dans le cadre du traitement des dépressions résistantes, cette substance est de plus en plus détournée à des fins récréatives et addictives.

Selon Eurotox, les études montrent que la kétamine ne se limite plus aux contextes festifs mais s'étend à des usages problématiques en dehors de ces milieux, avec des conséquences graves sur la santé publique. Les risques liés à sa consommation incluent des troubles cognitifs, des amnésies, une tolérance rapide favorisant l'addiction ainsi que des atteintes rénales et hépatiques. De plus, des décès accidentels, comme celui du célèbre acteur Matthew Perry, illustrent les dangers liés aux effets dissociatifs de cette substance.

Les saisies récentes de 167,7 kg de kétamine dans les aéroports de Zaventem et de Liège en 2024 montrent que la Belgique est un point de passage pour ce trafic, avec des produits provenant majoritairement d'Asie.

Monsieur le ministre, disposez-vous de données actualisées concernant l'évolution de la consommation de kétamine en Belgique et son impact sur la santé publique? Quelles mesures sont-elles mises en place pour renforcer la prévention auprès des jeunes et des publics vulnérables concernant les dangers de cette drogue? Comment le gouvernement entend-il encadrer plus strictement l'usage médical de la kétamine afin d'éviter les détournements? Existe-t-il aujourd'hui des prises en charge adaptées aux personnes souffrant d'une dépendance à la kétamine dans les services de soins et les institutions spécialisées?

Frank Vandenbroucke:

Mesdames, les observations mentionnées sont en effet inquiétantes. L'usage non médical de kétamine tend à augmenter. On pourrait dire que cela ne concerne pas uniquement la Belgique, mais, néanmoins, cette évolution est préoccupante. On voit bien que ces dernières années, la kétamine est de plus en plus utilisée à des fins récréatives.

Ik geef nog enkele cijfers. Sinds 2015 stijgen ook de behandelingsaanvragen voor ketamine. Er waren er 23 in 2015. In 2023, acht jaar later, waren het er 561. Ketaminegebruikers die een behandeling zoeken, zijn jonger, gemiddeld 26 jaar. Degenen die hulp zoeken voor cannabis, zijn gemiddeld 30 jaar. Degenen die hulp zoeken voor poeder of cocaïne, zijn gemiddeld 35 jaar. Men zou kunnen zeggen dat de toename in behandelingsaanvragen voor een deel te wijten kan zijn aan een grotere bekendheid van ketamine bij artsen, waardoor dat ook beter wordt geregistreerd, maar dat is natuurlijk maar een deel van de verklaring die we kunnen geven.

In het afvalwateronderzoek is het moeilijk om medisch en recreatief ketaminegebruik te onderscheiden. De data uit 2023 tonen aan dat het hoogste ketamineverbruik zich in de provinciehoofdsteden bevindt, namelijk Brugge, Gent, Antwerpen, Brussel en Hasselt. Daarnaast worden hogere waarden in Limburg waargenomen. Men zou dat kunnen verklaren door de nabijheid van Nederland. Vergelijkingen met gegevens uit 2012 zijn alleen mogelijk voor drie locaties, maar die cijfers bevestigen ook de stijgende trend.

Ketamine voor medisch gebruik bestaat in slechts twee vormen. Ketalar is een injecteerbare vorm en Spravato is een spray. In 2024 werden 296 verpakkingen Ketalar in openbare officina verkocht, terwijl 44.190 verpakkingen in ziekenhuisapotheken werden afgeleverd. De overgrote meerderheid van behandelingen met ketamine gebeuren dus in een ziekenhuisomgeving. Op basis van de beschikbare gegevens is het niet mogelijk om een diagnose te koppelen aan het medisch gebruik van ketamine.

Er zijn ook geen cijfers die inzicht geven in het aantal patiënten in België dat met een therapieresistente depressie werd geconfronteerd. Internationaal wetenschappelijk onderzoek toonde wel aan dat ongeveer 20 tot 30 % van de patiënten met een ernstige depressie niet op standaardbehandelingen reageert.

Het gebruik van ketamine in de spoedeisende psychiatrie is nog experimenteel en in ontwikkeling, vooral bij de behandeling van acute suïcidale gedachten, maar ook in dat verband zijn geen cijfers beschikbaar, ook niet van het gebruik van ketamine via infuus.

Wat onderzoek naar ketamineafhankelijkheid betreft, er zijn studies beschikbaar die de risico's van ketamineverslaving in kaart brengen. Het risico op afhankelijkheid blijkt lager in een gecontroleerde medische setting. Langdurig of ongepast gebruik kan echter leiden tot tolerantie en verslaving.

Met de bestaande methodes voor afvalwateranalyses is het niet mogelijk om een eventuele link aan te tonen tussen de toename van ketamine, zoals men daar vaststelde, en de toename van het gebruik van ketamine voor medische doeleinden. Er is ook onvoldoende informatie over de eventuele toename van de medische beschikbaarheid of het gebruik van ketamine om medische redenen om de impact of het verband met veranderde concentraties in afvalwater te staven. Wanneer ketamine in afvalwater wordt onderzocht, wordt een metabool excretieproduct, non-ketamine, bekeken, wat rechtstreeks aan het gebruik wordt gekoppeld. Ketamine zelf kan ook worden gemeten, maar staaft onvoldoende het gebruik ervan, omdat de concentratie beïnvloed kan worden door directe lozingen. Het is dus niet aangewezen om het als biomerker te gebruiken.

Op Europees niveau wordt het probleem opgevolgd in de horizontale werkgroep Drugs van de Raad van de Europese Unie en via het Europees Drugsagentschap. We zullen erover waken dat er bij de opmaak van de nieuwe Europese drugsstrategie en het actieplan 2026-2029 voldoende aandacht is voor de opvolging van dergelijke opkomende verontrustende fenomenen.

Op nationaal niveau hebben we een goede afstemming nodig en een goede informatiedeelneming tussen alle betrokken partners, zijnde internationale partners en partners op het federale, regionale en lokale niveau. De Algemene Cel Drugsbeleid zorgt voor de opvolging van ons drugsbeleid. Die cel zal de prioriteiten bepalen en de ketamineproblematiek behandelen, van handel tot preventie, vroegdetectie, schadebeperking en behandeling.

Het Belgische nationale Focal Point Drugs coördineert de opvolging van de epidemiologische gegevens met Sciensano als verantwoordelijke voor het verzamelen en analyseren van informatie over drugsgebruik en schadebeleidregelgeving. Subfocal points, zoals het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs (VAD) en Eurotox voor Wallonië en Brussel, leveren aanvullende gegevens.

Inzake de bewustmaking van jongeren blijven de deelstaten verantwoordelijk voor preventie, vroegdetectie, interventie en schadebeperking, vaak in samenwerking met lokale besturen. Preventiematerialen zijn beschikbaar via websites, zoals die van VAD, de Druglijn en infordrogues.be.

Binnen mijn bevoegdheid en in samenspraak met de deelstaten zal ik deze legislatuur verder inspanningen leveren om de verslavingszorg te versterken, ongeacht de substantie. Zo zal ik onderzoeken hoe de rol van de huisarts verder kan worden versterkt en of de erkenning van de specialisatie tot verslavingsarts een meerwaarde kan betekenen in de behandeling. Ook zal ik extra focussen op zorg voor mentale en druggerelateerde problemen bij kinderen en jongeren via mobiele teams.

Tot slot betreur ik de media-aandacht voor het gebruik van ketamine in microdosissen door bekende figuren of influencers. Dat is zeer jammer en kwalijk, want het kan de belangstelling van jongeren voor het gebruik van ketamine buiten een veilige medische setting vergroten, het gebruik ervan bagatelliseren of een valse indruk van veiligheid geven. Ik deel uw zorgen daarover.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, u had het over de vroegdetectie en de partners op regionaal en lokaal niveau. Het is eigenlijk toch wel belangrijk dat u daar de coördinerende rol wil opnemen. Ik had geopperd om daarover ook met Justitie en Binnenlandse Zaken samen te zitten. Dat zou heel nuttig kunnen zijn, want die mensen krijgen toch wel wat dosissen van lokale dealers, zoals we met andere drugs ook al hebben gezien. Ik weet dat het niet uw bevoegdheid is, maar u zou erover kunnen samenzitten. Het zou al helpen om de mensen die in de gsm-lijsten van gekliste dealers staan een sms te sturen om hen te verwittigen dat ze in het systeem zitten en dat ze moeten oppassen om niet vervolgd te worden. Dat zou al een sterke afschrikkingsmaatregel kunnen zijn waarbij op de gebruiker wordt gefocust en waarbij die schrik wordt aangejaagd.

Binnen uw eigen bevoegdheid had u het over het versterken van de verslavingszorg en de rol van de huisarts, wat toch wel een hele verzwaring van de werklast voor die huisarts zou inhouden. Het inzetten van de verslavingsarts is daar heel belangrijk. Het gaat niet om consultaties die op een kwartiertje afgelopen zijn. De huisarts heeft al een eivol programma, dus die verslavingsartsen kunnen daar een grote rol op zich nemen. Het is ook van cruciaal belang dat er voldoende artsen zijn.

Voor het overige zal ik uw antwoord nog moeten nalezen. Ik denk niet dat ik op alles een antwoord heb gekregen, maar indien nodig kom ik nog zeker op bepaalde aspecten terug. Dank u wel.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het gebruik van ketamine in ziekenhuismiddens lijkt me terecht.

We moeten dat zeker goed monitoren, want zoals u hebt aangegeven, zijn veel van die therapieën nog niet evidencebased. Ik denk dat we ons daar echt op moeten blijven stoelen.

U sprak over het gebruik van ketamine bij spoedeisende therapie en bij therapieën met betrekking tot resistente depressies. Ik zou graag nog wat meer data daarover en over de neveneffecten krijgen.

Ik heb u naar de cijfers van de halve cystectomie gevraagd, maat u hebt mij enkel geantwoord hoeveel blazen er deels zijn weggenomen. U kunt dat natuurlijk niet relateren aan dat ketaminegebruik, want het is een algemeen nummer.

We zouden nog meer onderzoek naar de effecten van het regulier medisch gebruik en het recreatief gebruik moeten doen. U haalde immers ook de tolerantie aan die nu één van de problemen is. Men gaat snel meer gebruiken, met een sneller en groter effect op de blaas als gevolg, naast ook andere neurologische bijwerkingen van ketamine. Het is dus oppassen geblazen. Het is een zeer zwaar middel dat we zeer goed moeten monitoren en absoluut uit de handen van onze kinderen moeten houden.

Ik het volledig met u eens wat influencers of bv's betreft, die verklaren dat microgebruik van die psychedelica, wat nu een beetje in de mode is, goed is tegen depressies. Laten we vooraleer wetenschap te verkondigen eerst aan wetenschap doen. Laten we onderzoeken welke effecten het op de psyche en het lichaam heeft.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, vous confirmez une évolution inquiétante. J'ai entendu aussi que les demandes de traitement interviennent à un plus jeune âge, plus jeune encore que pour l'usage du cannabis et de la cocaïne. Cela doit nous inciter à une vigilance accrue. J'entends que vous prenez les choses au sérieux, et c'est très bien ainsi. Travailler entre les différents départements ainsi qu'au niveau européen est fondamental.

Une partie de la prévention n'est pas directement de votre responsabilité, mais il faut travailler avec l'ensemble des acteurs et sensibiliser les médecins pour qu'ils soient plus attentifs à leurs patients qui seraient susceptibles d'aller dans cette direction afin qu'ils leur exposent les conséquences dramatiques que peut avoir l'usage de kétamine.

Nous suivrons l'évolution de ce que vous prévoyez dans ce domaine-là. En tant que responsables politiques, nous devrons également faire en sorte que cette sensibilisation puisse se faire de notre côté. Merci.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik had de cijfers gevraagd van de rioolwateronderzoeken per gemeente. Kunt u die geven?

Frank Vandenbroucke:

Ik heb een tabel met die cijfers. Ik kan vragen om die door te sturen.

Jean-François Gatelier:

À tous les membres, je suppose?

Frank Vandenbroucke:

Oui bien sûr! Les documents passent par le secrétariat. De voorzitster : Vraag nr. 56003214C van mevrouw Sneppe wordt uitgesteld.

De besmetting van katten door het H5N1-virus en de maatregelen in het kader van de volksgezondheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België detecteerde voor het eerst H5N1 bij katten op een Oost-Vlaams pluimveebedrijf, maar ziet geen besmetting bij mensen, runderen of tussen huisdieren, in tegenstelling tot de VS. Vandenbroucke benadrukt dat het ECDC-risico voor de bevolking laag is, maar Sciensano en RAG volgen mutaties en surveillancestudies (o.a. rioolwateronderzoek KU Leuven, knaagdierentests in EU-kader), zonder acute aanpassing van melkadviezen (geen routinetests, rauwe melk blijft afgeraden). Gijbels vraagt extra waakzaamheid door de hoge pluimveedichtheid in België en stelt vraagtekens bij de afwijzing van RAG’s eerdere melkadvies, waarover Vandenbroucke nader onderzoek belooft. Internationale samenwerking (EFSA, ECDC, VS/Canada) en genetische screening van stammen tonen geen zoogdieradaptaties in de huidige kattenbesmetting.

Frieda Gijbels:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Twee katten, die rondliepen op een pluimveebedrijf in ​​Oost-Vlaanderen, zouden besmet zijn geraakt met het H5N1 virus. Dat is een primeur voor dit land en moet aanzetten tot waakzaamheid, zoals ook in het gezamenlijke persbericht van de FOD VVVL, Sciensano en FAVV werd aangegeven.​​

Er werd in dit land weliswaar geen besmetting van mensen of van runderen vastgesteld, zoals dat in de VS wel het geval is en er werd voorlopig ook geen besmetting tussen katten of andere huisdieren onderling vastgesteld.

Eerder vroeg ik al naar het nut van rioolwatermonitoring en waakzaamheid in andere veehouderijen dan pluimvee. Zo wordt door de RAG-VEZ ook aangeraden om melkstalen retrospectief te screenen op de aanwezigheid van H5N1 en raden ze de consumptie van rauwe melk af (advies april 24). Uw collega, minister Clarinval, gaf aan dat er echter geen plannen zijn om deze adviezen op te volgen.

Graag stel ik u dan ook volgende bijkomende vragen:

Welke adviezen worden verstrekt door de RAG met betrekking tot het H5N1 virus en waar kunnen we die vinden? Worden alle adviezen van de RAG en de RMG systematische gepubliceerd en zo ja, waar?

Wiens advies was het om ratten en muizen te gaan testen op H5N1? Zou zulks ook niet kunnen via rioolwater?

Op welke manier wordt er internationaal overlegd en samengewerkt m.b.t. H5N1?

Worden mogelijke mutaties in circulerende stammen opgevolgd en wat is daarvan de conclusie? Is dat mee de reden van infectie van katten?

Wat vindt u zelf van het advies van de RAG-VEZ met betrekking tot het testen van melkstalen en het afraden van de consumptie van rauwe melk?

Frank Vandenbroucke:

Op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat de RAG geen eigen risicoanalyse heeft uitgevoerd voor de H5N1-situatie in België. Via de surveillancesystemen en de data van het Nationale Referentiecentrum evenals het Nationale Referentielabo en in nauwe samenwerking met de verschillende federale en regionale sectoren die betrokken zijn, volgen Sciensano en de RAG de situatie wel van nabij op.

Voor het risico voor België baseren ze zich op de regelmatige risicoanalyses van het ECDC, dat het risico voor de algemene bevolking als laag inschat. Voor de groepen die professioneel zijn blootgesteld aan zieke dieren, schatten zij het risico in als laag tot gemiddeld.

De RAG-V-EZ heeft al verschillende adviezen uitgebracht met richtlijnen voor de pluimveesector en werkt momenteel een specifieke risicoanalyse voor H5N1 uit bij katten. Alle adviezen van de RAG worden gepubliceerd op de website van Sciensano.

Ten tweede, wat betreft de ratten en de muizen is het Nationale Referentielaboratorium bij Sciensano betrokken bij een Europees onderzoeksproject, One Health 4 Surveillance genaamd. Het project heeft tot doel na te gaan of het nodig is om onze lopende bewakingsprogramma’s inzake vogelgriep aan te vullen. Een onderdeel van het project is het inzamelen van knaagdieren in een beperkt aantal gemeenten om ze te onderzoeken op vogelgriep. Het is zeker niet de bedoeling dat massaal ratten en muizen worden verzameld, maar veeleer dat specifiek in gevoelige zones een kleinschalige evaluatie kan worden uitgevoerd om de relevantie van een bijkomende bewaking te evalueren.

De enige instelling die momenteel bezig is met het opsporen van H5N1 op een actieve manier in het rioolwater, is het Amerikaanse CDC. Momenteel is het echter moeilijk om een onderscheid te maken tussen H5N1 van dierlijke of menselijke oorsprong. Ook is het moeilijk om te weten hoe gevoelig dergelijke testen moeten zijn.

In een aantal Europese landen wordt wel bestudeerd of deze tests op punt kunnen worden gesteld. Zo is in ons land de KU Leuven bezig met het screenen van het afvalwater van Leuven op H5N1 en ontwikkelt Sciensano een test om een onderscheid te maken tussen humaan en dierlijk H5N1 in rioolwater.

Dan kom ik bij uw derde vraag. Er wordt op verschillende manieren internationaal overlegd en samengewerkt met betrekking tot H5N1. Zo werkte Sciensano onlangs nog mee aan een rapport over H5N1 samen met ECDC en EFSA.

Dat werd gepubliceerd in december 2024. Daarnaast genieten onze nationale referentielabo's van een sterke samenwerking binnen de EU onder leiding van Italië. Er bestaan ook verschillende bewakingsmechanismen op Europees niveau rond voedselketen, menselijk risico, dierlijk risico, milieu, gezondheid enzovoort.

Specifiek binnen de context van de H5N1-epidemie die momenteel het vee in de Verenigde Staten treft, hebben verschillende Amerikaanse en Canadese agentschappen van gedachten gewisseld met het Europese Health Security Committee.

Dan kom ik bij uw vierde vraag. Alle pluimvee- en zoogdierisolaten, evenals een selectie van de wilde vogelstammen die in ons land worden gedetecteerd, worden in samenwerking met het FAVV volledig gesequencet door Sciensano. Deze sequenties worden steeds gescreend op de aanwezigheid van moleculaire merkers die wijzen op een aanpassing aan zoogdieren. De kattenstammen worden momenteel gesequencet, maar voor de stam van het gelinkte pluimveebedrijf kan al vastgesteld worden dat er geen extra zoogdieradaptaties aanwezig waren.

Wat betreft uw vijfde vraag, de RAG-V-EZ geeft aan dat er op dit moment geen redenen zijn om het advies met betrekking tot het testen van melkstalen en het afraden van de consumptie van rauwe melk aan te passen. Ik sluit me daarbij aan.

Frieda Gijbels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Ik begrijp dat de RAG geen eigen advies heeft uitgevaardigd, maar zich baseert op het advies van het ECDC. Een punt van aandacht is dat er in sommige streken in ons land toch een vrij hoge dichtheid van pluimveehouderijen is, waardoor we misschien toch extra alert moeten zijn. Ik kan me voorstellen dat dat niet in elk Europees land op dezelfde manier georganiseerd is. Daar moeten we toch wat alert voor zijn.

Het is goed dat de KU Leuven en Sciensano verder aan het onderzoeken zijn wat er eventueel via rioolwater kan worden opgespoord. Ik ben benieuwd om dat verder op te volgen.

Ik begrijp uw antwoord op de laatste vraag niet helemaal, want ik dacht dat de RAG-V-EZ net had gezegd dat hij adviseerde om melkstalen te testen en ook de consumptie van rauwe melk afraadde. Sluit u zich daarbij aan of heb ik het verkeerd begrepen? Dat kan ook wel zijn, maar dan moet ik het opnieuw gaan lezen.

Frank Vandenbroucke:

Een van ons twee heeft het verkeerd begrepen of heeft niet alle informatie. Ik moet het dus opnieuw vragen, want mijn antwoord zegt dat de RAG-V-EZ op dit moment geen redenen ziet om het advies met betrekking tot het testen van melkstalen en het afraden van consumptie aan te passen. Ik zal het nog eens checken. Mocht ik me vergissen, dan zal ik het laten weten.

Frieda Gijbels:

Dank u wel.

De cyberveiligheid in de zorgsector
De cyberaanvallen op ziekenhuizen
Digitale beveiliging in de gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De NIS2-richtlijn plaatst ziekenhuizen die voldoen aan de criteria van middelgrote of grote ondernemingen onder essentiële dienstverleners, met strengere cyberveiligheidseisen, meldingsplicht (sinds 18 oktober) en mogelijke sancties bij non-conformiteit. 20-40 miljoen euro aan budget (2022-2024) ondersteunt ziekenhuizen via risicoanalyses, sensibilisering, gedeelde kennis (o.a. via *Shield ASBL*) en penetratietests, maar kleine zorgverstrekkers buiten ziekenhuizen vallen (nog) niet onder dezelfde regels, wat een potentieel risico vormt. Cyberaanvallen kostten Belgische ziekenhuizen de afgelopen jaren 300.000 tot 5 miljoen euro per incident (o.a. CHRSM, Heilig Hart Mol), terwijl slechts enkele ziekenhuizen nu al voldoen via ISO 27001-certificering. Toezicht en handhaving focussen op geleidelijke verbetering, met sancties als laatste redmiddel.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, in een eerdere vraag vroeg ik u al naar de noodzaak van de verbetering van de cyberveiligheid in onze ziekenhuizen, want we hebben te maken met een digitalisering van de zorg. Dat is goed, dat brengt efficiëntiewinsten met zich mee, maar dat houdt natuurlijk ook in dat er een steeds grotere dreiging ontstaat van cyberaanvallen waaraan we het hoofd moeten bieden.

Door de omzetting van de NIS2-richtlijn vallen ziekenhuizen onder de leveranciers van essentiële diensten – althans als ik dat goed heb begrepen – waardoor ze voortaan ook een meldingsplicht hebben en aan strengere cyberveiligheidsvoorwaarden moeten voldoen. Bijgevolg brengen die nieuwe en strengere voorwaarden ook de nodige aanpassingen voor de gezondheidssector met zich mee.

Kunt u bevestigen dat ziekenhuizen door de omzetting van de NIS2-richtlijn naar nationale wetgeving voortaan tot de leveranciers van essentiële diensten behoren?

Worden ziekenhuizen ondersteund in de voorbereiding op de strengere voorwaarden die de NIS2-richtlijn met zich meebrengt? Zo ja, op welke manier? Worden er, bijvoorbeeld, ook opleidingen voorzien voor het zorgpersoneel of voor veiligheidsmedewerkers om hen te leren werken met de verplichtingen die de richtlijn met zich meebrengt?

NIS2 bepaalt ook dat er voortaan een meldingsplicht is voor ziekenhuizen. Zijn de ziekenhuizen op de hoogte gesteld van de praktische implementatie daarvan? Is er een bepaalde termijn vastgelegd tegen wanneer alle ziekenhuizen daaraan zouden moeten voldoen? Zijn er ziekenhuizen die al conform zijn, die al in orde zijn en de meldingsplicht al toepassen? Zo ja, wordt daarover een rapport uitgebracht dat eventueel ook beschikbaar wordt gesteld?

Hoeveel ziekenhuizen zijn momenteel al volledig in overeenstemming met de eisen die voortvloeien uit de NIS2-richtlijn? Hoe zal er worden omgegaan met ziekenhuizen die achterblijven op het vlak van de implementatie?

Valt de volledige zorgsector onder de nieuwe wetgeving, dus ook de extramurale diensten? Zijn de voorwaarden en de implementatie van NIS2 voor alle onderdelen van de zorgsector dezelfde of wordt er in een specifiek regime voorzien?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, dans le contexte géopolitique instable que nous connaissons, nous avons pu voir que les cyberattaques étaient régulières et qu'elles pouvaient aussi cibler des infrastructures civiles.

Ces dernières années, nous avons assisté à cette recrudescence d'attaques visant également des infrastructures hospitalières belges. Cela met forcément en péril la continuité des soins ainsi que la sécurité des données des patients. De plus, ces incidents mettent en évidence la vulnérabilité de notre système de soins face aux menaces numériques et soulèvent la question des mesures de prévention et de réponse mises en place. Par ailleurs, outre les perturbations directes des services médicaux, ces cyberattaques ont un coût financier non négligeable pour les établissements, sans compter les conséquences pour les patients et pour le personnel hospitalier.

Monsieur le ministre, quelles actions concrètes ont-elles été mises en place pour renforcer la résilience des systèmes informatiques de nos hôpitaux et éviter de nouvelles paralysies du système de soins à l'avenir?

Disposons-nous d'une estimation chiffrée de l'impact financier des cyberattaques sur les hôpitaux belges au cours des cinq dernières années?

Des moyens supplémentaires sont-ils prévus pour soutenir les hôpitaux dans la sécurisation de leurs infrastructures numériques? Profitez-en, monsieur le ministre, la Défense aura beaucoup de moyens! La défense, c'est aussi protéger nos infrastructures hospitalières.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, de omzetting van de NIS2-richtlijn in Belgische wetgeving voorziet dat die van toepassing is op elke rechtspersoon of andere instantie die op het Belgische grondgebied wettelijke gezondheidszorg verstrekt en daarbij voldoet aan de criteria van een middelgrote onderneming of die overstijgt.

Ziekenhuizen met de hoedanigheid van middelgrote onderneming zullen als een belangrijke entiteit worden erkend. Ziekenhuizen die de plafonds van middelgrote ondernemingen overstijgen, zullen als een essentiële entiteit worden erkend.

Madame la présidente, vous avez raison de dire qu'il s'agit d'un enjeu important – et je dirais même essentiel – dans le contexte géopolitique actuel. Le secteur a déjà bénéficié d'un effort budgétaire du gouvernement pour renforcer la cybersécurité. Pour rappel, un budget de 20 millions d'euros a été alloué pour la période 2022-2023, et à partir de 2023, 15 millions d'euros récurrents ont été prévus pour soutenir le programme cyber, avec une injection supplémentaire de 40 millions d'euros en 2024.

Ce programme vise à prévenir de nouvelles paralysies en s'assurant que l'ensemble du secteur atteint un niveau de maturité équilibré. Les hôpitaux étant de plus en plus interconnectés, la sécurité du secteur dépend du maillon le plus faible. Il est donc fondamental d'accompagner à la fois les entités les moins avancées et celles qui disposent déjà d'un bon niveau de maturité en matière de cybersécurité.

Les priorités définies en collaboration avec le secteur se concentrent sur les thématiques suivantes: la mise en place d'une équipe pour répondre aux incidents; la sensibilisation à la cybersécurité; le partage des connaissance et des documentations; le test de pénétration des systèmes d'information; l'assistance à la réalisation d'une analyse de risques.

L'objectif est de poser les bases d'une amélioration continue et collective pour renforcer la résilience et la sécurité du secteur. Par exemple, grâce à ce budget, un partenariat entre les hôpitaux (Shield ASBL) a également été initié par Ziekenhuis Oost-Limburg (ZOL) – un hôpital dans la province de Limbourg –, dans le cadre duquel des cahiers de charges centraux sont émis pour divers services de cybersécurité.

Wat de meldingsplicht betreft, bij de invoering van NIS2 werden de entiteiten die onder deze regelgeving vallen op de hoogte gebracht van de meldingsplicht bij incidenten. Die meldingsplicht is van toepassing sinds 18 oktober. Enkele ziekenhuizen en zorginstellingen hebben al melding gedaan van een incident.

Mevrouw Gijbels, de naleving van de NIS2-regelgeving valt onder de verantwoordelijkheid van de bestuurders van de entiteit. De ziekenhuizen kunnen een beroep doen op ondersteuning voor het uitvoeren van een risicoanalyse om zo hun werkpunten met betrekking tot het voldoen aan NIS2 te identificeren.

Al vóór NIS2 werd ingevoerd, hebben verschillende ziekenhuizen de regeling van hun informatieveiligheid laten certificeren volgens het ISO 27001-kader. Die certificatie kan, mits ze bevestigd wordt door een conformiteitsbeoordelingsinstantie erkend door het Centrum voor Cybersecurity België, gebruikt worden om conformiteit aan te tonen.

De ziekenhuizen die erkend worden als essentiële entiteiten zullen op een regelmatige basis worden gecontroleerd op de naleving van de regelgeving. De NIS2-regelgeving voorziet naast toezicht ook sancties voor entiteiten die de regelgeving niet correct naleven. Die sancties dienen echter beschouwd te worden als laatste middel nadat het ziekenhuis corrigerende maatregelen heeft kunnen nemen, daarbij al dan niet gesteund door de sectorale overheid voor de ziekenhuizen aangesteld binnen de NIS2-regelgeving.

Zoals vermeld onder punt 1 is de NIS2-regelgeving van toepassing op elke rechtspersoon of andere instantie die op het Belgische grondgebied wettelijke gezondheidszorg verstrekt en daarbij voldoet aan de criteria van een middelgrote onderneming of die overstijgt. NIS2 voorziet een risicogebaseerde aanpak, waarbij onder andere criteria zoals kosten en maatschappelijk risico in overweging worden genomen. Afhankelijk daarvan kunnen entiteiten gepaste maatregelen nemen om het risico op incidenten op een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Madame Dedonder, il est à vrai dire difficile de fournir une estimation chiffrée précise de l'impact financier des cyberattaques sur les hôpitaux belges au cours des cinq dernières années, notamment parce que ces institutions ont également dû gérer une crise sanitaire majeure pendant cette période. À cela s'ajoute le fait que certains hôpitaux n'ont pas eux-mêmes procédé à une estimation précise des coûts engendrés par les attaques qu'ils ont subies.

Parmi les exemples documentés, le Heilig Hartziekenhuis de Mol a estimé le coût de la cyberattaque de février 2021 à un montant compris entre 700 000 euros et 1 million d'euros, soutenu par une cyberassurance. La clinique Saint-Luc de Bouge a signalé une perte, suite à une attaque en octobre 2021, d'environ 1 million d'euros, tandis que la clinique André Renard de Herstal a évalué l'impact d'une attaque en janvier 2022 à 300 000 euros. Pour d'autres établissements, comme le CHU de Liège, Vivalia, le CHC MontLégia, le CHU Saint-Pierre ou encore l'AZ Herentals, aucune estimation précise n'a été communiquée. Enfin, le CHRSM a indiqué que la remise en service suite à la cyberattaque de mai 2022 a nécessité un budget compris entre 3 et 5 millions d'euros. On parle donc de montants très conséquents.

Telles sont les informations dont je dispose. Il s'agit aussi d'un enjeu très important pour les politiques à mener par le gouvernement actuel.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het is goed dat u ook verwijst naar het Shieldinitiatief van het ZOL, het Jessa Ziekenhuis en de UHasselt. Dat is echt een goed initiatief, dat misschien ook als voorbeeld kan worden gebruikt voor andere zorginstellingen en onderwijsinstellingen.

U wees zelf ook op de interconnectiviteit tussen ziekenhuizen en een mogelijke zwakke schakel daarin. Ik vraag mij dan ook af hoe we moeten kijken naar andere zorgverstrekkers die niet in instellingen werken en die waarschijnlijk ook iets minder maatregelen nemen voor cyberveiligheid. Ik ben daar technisch niet erg in onderlegd, maar ik kan me voorstellen dat dat ook een zwakke schakel in het systeem zou kunnen zijn. Ik pleit zeker niet voor heel strenge voorwaarden voor alle individuele zorgverstrekkers, maar op het niveau van het ziekenhuis moeten daarvoor wellicht maatregelen worden genomen.

Ik kijk dus graag mee uit naar die ontwikkelingen. Zoals mijn collega ook al zei, zouden gezien de geopolitieke situatie ziekenhuizen weleens een doelwit kunnen zijn. Dat is dus zeker iets om goed in de gaten te houden.

Ludivine Dedonder:

Pour ma part, je suis convaincue que cette guerre hydride est la menace principale pour notre pays. Vous l’avez dit, le coût d’une cyberattaque peut varier entre 300 000 euros et 4 millions d’euros. Souvenons-nous également des chiffres qui avaient été évoqués quand les départements gouvernementaux ont été attaqués; le montant de leur réparation s’élevait à des chiffres colossaux. Il faut donc donner les moyens aux hôpitaux pour faire de la prévention, pour créer des pare-feux suffisamment puissants pour éviter de telles attaques. Vous avez d’ailleurs évoqué des chiffres. Il ne faut surtout pas faire d’économies dans ce cadre, puisqu’elles se paieraient deux fois plus cher par la suite. En ce qui me concerne, la défense, la sécurité, la protection des citoyens doivent aussi être exercées dans ce cadre. Je compte sur votre vigilance.

De nationale Gezondheidsenquête

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 1 april 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische gezondheidsenquête 2023 (eigenlijk gepland voor 2021-2022) liep zeven jaar vertraging door een tekort aan enquêteurs (Statbel) en dalende participatiebereidheid, waardoor slechts 7.000 van de 10.300 benodigde deelnemers werden gerecruteerd en dataverzameling pas eind 2024 afrondde. Minister Vandenbroucke bevestigde dat de eerste resultaten in april 2025 verschijnen, met verdere publicaties later dat jaar, maar benadrukte dat structurele oplossingen ontbreken voor toekomstige edities. Carmen Ramlot kaartte aan dat verplichte deelname voor zorgprofessionals (zoals vroeger in apotheken) of alternatieve dataverzamelmethoden noodzakelijk zijn om evidence-based gezondheidsbeleid te garanderen, gezien het kritieke belang van deze gegevens voor langetermijnplanning en risicogroepen.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, la dernière enquête nationale de santé date de 2018. Ce type d'enquête permet d'avoir une vision globale sur l'état de santé et les modes de vie de nos concitoyens, ainsi que d'identifier les principaux problèmes de santé. Comme l'indique Sciensano, disposer de ces informations permet aux autorités compétentes de mener une politique de santé proactive axée sur l'amélioration de la santé publique et sur les besoins de groupes à risque. Cette enquête doit en principe être organisée tous les cinq ans. Nous sommes en 2025, soit sept ans après la dernière enquête qui, je le rappelle, date de 2018.

Voici mes questions: qu'est-ce qui a empêché la tenue de cette enquête plus tôt? Où en est la mise en œuvre de cette nouvelle enquête de santé? Quand disposerons-nous des résultats de cette nouvelle étude?

Frank Vandenbroucke:

Qu'est-ce qui a empêché la tenue de cette enquête plus tôt? Sciensano, chargé de l'organisation de l’enquête de santé, fait appel au réseau d’enquêteurs de Statbel pour la collecte des données. Il est apparu dès le début que ce réseau était trop limité pour collecter les données comme prévu, soit tout au long de l’année 2023. Ce problème, combiné à une baisse de la volonté de la part des ménages de participer à l’enquête, a entraîné un retard significatif dans la collecte des données. Malgré tous les efforts supplémentaires pour recruter de nouveaux enquêteurs (augmenter leur rémunération et même en engager à temps plein), la collecte des données a été finalement prolongée jusqu’à fin 2024, moment auquel 7 000 participants ont été recrutés au lieu des 10 300 initialement prévus.

Où en est la mise en œuvre de cette nouvelle enquête de santé? Sur la base de protocoles d’accord relatifs à l’organisation et au financement de l’enquête de santé 2023, publiée au Moniteur belge en février 2022, la collecte des données dans le cadre de la nouvelle enquête de santé a débuté comme prévu début 2023.

Quand disposerons-nous des résultats? Les résultats de l'enquête de santé 2023 seront publiés au cours de l’année 2025. Un premier rapport sera disponible fin avril 2025, suivi des autres rapports au cours des mois suivants. À chaque publication, les résultats correspondants seront accessibles via l’outil interactif de Health Interview Survey Interactive Analysis .

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Je comprends que les gens n'aient plus envie de participer à des enquêtes. À titre personnel, je dois vous avouer que cela m'ennuie, car j'en reçois très souvent dans ma boîte mail. Toutefois, nous parlons ici de santé publique. À l'époque, dans mon officine, j'étais tenue de répondre à des statistiques. Cette obligation est tombée. Je ne suis pas quelqu'un qui aime imposer les choses, forcer les gens ou interdire pour le plaisir, mais il conviendrait peut-être, dans ce cas, d'inviter gentiment les professionnels de la santé à répondre aux questionnaires. Dans le cas contraire, il faudrait trouver d'autres méthodes pour disposer de bases de données. En santé publique, il est en effet fondamental de pouvoir accéder à ce type d'études. Je rappelle que c'est ce qui nous permet justement de développer une politique à long terme pour le bien-être de chacune et chacun. Je vous remercie. La présidente : les questions n os 56003373C, 56003411C et 56003412C de Mme Sneppe ainsi que la question n ° 56003400C de Mme De Knop et la question n ° 56003475C de Mme Van Hoof sont reportées. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.47 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 47.

De mogelijke schrapping van het zwangerschapsverlof voor de opbouw van sociale rechten

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 27 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alexia Bertrand kaart aan dat zwangerschapsverlof mogelijk niet langer zou meetellen voor werkloosheidsrechten, wat zij ziet als een achteruitgang voor vrouwenrechten, en vraagt of dit voorstel ooit officieel overwogen is. Minister Clarinval ontkent het bericht in *L'Echo* en bevestigt dat zwangerschaps-, adoptie- en vaderschapsverlof wel gelijkgesteld blijven met gewerkte periodes. Bertrand dringt aan op een expliciete ontkenning dat het voorstel ooit in een tekst stond, maar krijgt geen direct antwoord, wat zij betreurt. De kern: onduidelijkheid over de herkomst van het mediabericht, maar behoud van bestaande rechten volgens de minister.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, we zijn twee maanden ver met de regering en terwijl er nog steeds geen enkele vrouw deel uitmaakt van het kernkabinet, moeten we vanochtend op de voorpagina van L'Echo lezen dat het zwangerschapsverlof niet langer zou meetellen als gelijkgestelde periode bij werkloosheid.

Als een vrouw zwanger is in ons land, blijft zij rechten opbouwen voor haar pensioen dankzij de gelijkgestelde periode. Dat vind ik logisch. Als een vrouw zwanger is in ons land, blijft zij rechten opbouwen voor haar ziekteverzekering. Dat is de logica zelve. Als een vrouw zwanger is in ons land, blijft zij rechten opbouwen voor haar vakantie. Dat lijkt mij ook logisch. Als een vrouw zwanger is in ons land, blijft zij ook rechten opbouwen voor haar werkloosheid. Nu vernemen wij dat dat niet meer het geval zal zijn. Mijnheer de minister, wij steunen uw hervorming om de werkloosheidsuitkering in de tijd te beperken. Wij zijn daarvoor een bondgenoot, maar die maatregel betekent geen beperking in de tijd, maar komt neer op een terugkeer in de tijd. Welke boodschap geeft u hiermee aan vrouwen?

Mijnheer de minister, ik heb een vraag. Wanneer ik in het krantenartikel lees "selon le projet de texte que L'Echo a pu consulter", kan ik niet anders dan concluderen dat men bij L'Echo – ik ga ervan uit dat dat ernstige pers is – de wettekst inderdaad heeft gelezen. Welnu, heeft het voorstel om het zwangerschapsverlof niet langer te laten meetellen als gelijkgestelde periode voor werkloosheid, ooit op tafel gelegen en werd het ooit in een of andere versie opgenomen?

David Clarinval:

Mevrouw Bertrand, zoals ik al heb gezegd, betreur ik dat de auteurs sommige informatie in het persartikel niet gecontroleerd hebben.

Wat het moederschapsverlof betreft, bevestig ik u dat onze wil duidelijk is. Zwangerschapsverlof zal wel degelijk gelijkgesteld worden met gewerkte periode, zoals ook duidelijk werd toegelicht aan de leden van de IKW die zich afgelopen week over de hervorming op het niveau van de federale regering hebben gebogen. Hetzelfde geldt voor het adoptie- en het vaderschapsverlof.

Alexia Bertrand:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijk antwoord en ik ben blij het te horen. Ik betreur evenwel dat u niet op mijn vraag hebt geantwoord. U hebt niet bevestigd dat het voorstel om het zwangerschapsverlof niet meer mee te tellen, nooit in enige tekst zou hebben gestaan. Ik had nochtans graag in dat verband van u een bevestiging gekregen. Hoe dan ook, ik hoop dat het de waarheid is. Gelukkig hebben we in ons land een vrije pers, gelukkig hebben we een oppositie en gelukkig is de situatie vandaag duidelijk. Mijnheer de minister, u mag knikken. Vous pouvez faire signe de la tête . Kunt u mij bevestigen dat het voorstel nooit in enige tekst heeft gestaan? Antwoordt u op mijn vraag Est-ce que c’était dans un texte qui n'a été sur la table à aucun moment ? U zegt niets en ik betreur dat.

De omvorming van huisartsengeneeskunde tot staatsgeneeskunde

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 27 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Huisartsen (vrijberoepers) voelen zich door minister Vandenbroucke aangevallen door plannen voor forfaitaire financiering, die zij als staatsgeneeskunde bestempelen en demotiverend vinden, terwijl de minister benadrukt dat dit juist meer vrijheid biedt dan het huidige prestatiegebaseerde systeem. De Knop (Open Vld) waarschuwt dat het tekort aan huisartsen en patiëntenstops alleen opgelost kunnen worden door hen te ontzien en te betrekken, niet door hen als "profiteurs" te frameren. Vandenbroucke ontkent elke ideologische agenda en stelt dat de discussie draait om efficiëntere zorgfinanciering, niet om systeemverandering, maar erkent dat egelstellingen de sector blokkeren. De kernspanning blijft: vertrouwen in vrij beroep vs. hervorming van betalingsmodellen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, onze huisartsen zijn een essentiële schakel in onze gezondheidszorg. Ze gaan door het vuur en zijn het eerste aanspreekpunt voor hun patiënten. Ze doen dat als vrijberoepers en dat vinden wij bij Open Vld prima, net omdat ze niet op een uur kijken en net omdat ze er keihard voor gaan en de beste zorg willen bieden aan hun patiënten. Die vrijheid om de beste zorg te bieden zit trouwens echt ingebakken in het DNA van onze huisartsen. Ik heb dat zelf mogen ervaren tijdens de coronacrisis. Die mensen zijn goud waard.

Mijnheer de minister, dit zijn niet de profiteurs naar wie u op zoek bent. Dit zijn niet de mensen die zorgen voor de overconsumptie van onze zorg. Echter, wat lezen en zien we nu al een hele week lang en hoor ik ook in het veld? U jaagt deze mensen tegen u in het harnas. Dat is ongelooflijk jammer. Zij moeten namelijk uw natuurlijke partners zijn om te bouwen aan het zorgsysteem van de toekomst. Als we het tekort aan huisartsen willen oplossen en af willen van patiëntenstops, hebben we hen nodig.

Mijnheer de minister, uw remedie, waarbij u wilt evolueren naar een soort staatsgeneeskunde, is contraproductief en niet motiverend. U moet snel rust brengen in de sector. Na de teleconsultaties is dat werkelijk a bridge too far .

Mijnheer de minister, ik hoor het u dus heel graag zeggen. Hoe zult u het huisartsentekort aanpakken? Hoe zult u de patiëntenstops uit de wereld helpen? En zeg alstublieft niet dat ze het zelf moeten oplossen.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, ik moet eerlijk bekennen dat ik een beetje perplex sta van uw vraag, want ik begrijp niet goed wat ik ondernomen zou hebben om plots staatsgeneeskunde te organiseren. Ik begrijp dat echt niet, u ziet echt wel spoken.

Er was een paar dagen geleden een interessant opiniestuk van een jonge huisarts in opleiding, die zich vragen stelde bij de manier waarop haar werk gefinancierd werd. Het waren goede vragen van een jonge arts in opleiding. In plaats van te zeggen dat dit een interessant debat is, krijgt men dan de totaal versleten en puur ideologische reactie van sommigen over staatsgeneeskunde. Ik weet niet waarover het gaat.

De vraag van deze jonge arts, die de rel waardoor u geïnspireerd bent in gang stak, is een hele simpele, objectieve vraag, namelijk: wat is de beste manier van financiering van zorg? Dat hangt af van het soort zorg. Soms is dat per prestatie. Soms is dat met een forfait per pathologie. Soms is dat met een forfait per patiënt. Het is een puur objectieve vraag.

Aan degenen die zeggen dat we met staatsgeneeskunde bezig zijn als we forfaitaire elementen introduceren, wil ik toch het volgende zeggen. U sprak over vrijheid. Geeft dat klassieke nomenclatuursysteem, waarbij de arts bij het handje wordt gehouden en precies moet doen wat in de nomenclatuur voorzien wordt, zoveel vrijheid? Een forfaitair complement, een forfaitaire betaling, geeft meer vrijheid aan de arts om zijn ondernemerschap in zijn vrij beroep te organiseren dan die klassieke betaling met die duizenden gedetailleerde nummertjes die precieze instructies zijn over wat men moet doen. Dus dat gaat helemaal niet over vrijheid en ondernemerschap. Dat gaat gewoon over de vraag hoe men op de beste manier de gezondheidszorg voor iedereen financiert.

Mevrouw De Knop, het motto van deze regering is om te investeren in gezondheidszorg, om te investeren in huisartsen, maar ook om de egelstellingen te verlaten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, u zegt dat mijn reactie versleten is, maar het is heel duidelijk. De voorzitter van BVAS, de heer Johan Blanckaert, zegt letterlijk: "Alleen wie in sprookjes gelooft, zal prestatiegeneeskunde willen inruilen voor staatsgeneeskunde." Ik zeg dat niet, het zijn mensen uit de sector die het zeggen, en niet van de minste. Ik weet dat u vaak op de man of de vrouw speelt als de boodschap u niet bevalt, maar dat moet u nu net niet doen. Het gaat over onze huisartsen en ik sta hier voor hen. We moeten hen koesteren. Ze spelen een sleutelrol in onze gezondheidszorg en onze samenleving. Ook uw coalitiepartners – om de N-VA niet te noemen – noemen dit een evolutie naar staatsgeneeskunde. Wij hebben onze artsen nodig in het zorgsysteem van de toekomst, dus hou op met hen te viseren.

Spiking
Spiking en veiligheid
Spiking
Spiking
Spiking
De nieuwe reeks verkrachtingen onder invloed van drugs
Spiking, drugs, verkrachting, veiligheid

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 27 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de spiking- en verkrachtingsgolf in Kortrijk (41+ slachtoffers, vooral vrouwen gedrogeerd met ketamine) en de structurele falen in preventie, repressie en slachtofferopvang. Politici eisen strengere straffen (o.a. verzwaring Wet-Lejeune), betere politiecontroles, laagdrempelige aangifte (digitaal/anoniem), sensibilisering (horeca, uitgaanders) en meer middelen voor zorgcentra en politie, maar kritiek blijft dat lokale besturen (Kortrijk) te laat reageerden en daders vaak ongestraft blijven door gebrek aan bewijs en capaciteit. Ministers Verlinden en Quintin beloven integrale aanpak (preventie, opsporing, opvang), maar oppositie noemt dit onvoldoende concreet zonder extra budget of snelle justitiële verbeteringen.

Voorzitter:

Ik zie mevrouw De Vreese niet. Misschien kan de heer Demon eerst zijn vraag stellen?

Franky Demon:

(…) 20 jaar en geniet volop van haar studentenleven. Ze zou zonder zorgen met haar vrienden en vriendinnen moeten kunnen uitgaan en genieten van een drankje. Ik zeg wel degelijk: zou. De verhalen uit Kortrijk tonen aan dat zorgeloos uitgaan jammer genoeg niet vanzelfsprekend is. Uit de cijfers die ik recentelijk heb opgevraagd, blijkt dat het aantal meldingen van aanranding en verkrachting na spiking in de afgelopen jaren verdubbeld is. En die cijfers geven misschien nog maar het topje van de ijsberg weer. Zorg er alstublieft voor dat mensen laagdrempelig en digitaal een aangifte kunnen doen.

Mijnheer de minister, cd&v vraagt een veiligheidsbeleid op maat van de uitgangsbuurten. Zorg ervoor dat de politie zeer laagdrempelig aanspreekbaar is. Voorzie in elke studentenstad in een studentenflik en zet alstublieft ook in op sensibilisering. Werk samen met de horeca en met het middenveld. Er zijn enorm veel goede praktijkvoorbeelden.

Voor wie zich echt niet kan gedragen, meen ik dat we keihard moeten zijn, mevrouw de minister. Maak vandaag indien mogelijk, liever dan morgen, werk van een verstrenging van de Wet-Lejeune voor daders van seksueel misbruik. Het zou onze eigen dochter kunnen zijn, of de dochter van één van de collega's. Ik heb dan ook maar één vraag. Voor cd&v is veilig uitgaan immers een absolute prioriteit. Hoe pakt u samen het fenomeen spiking aan?

Maaike De Vreese:

Ministers, walgelijk, er is maar één woord voor, het is walgelijk en ook zo extreem laf. Collega's, jonge vrouwen worden gedrogeerd om daarna aangerand, verkracht te worden. Meer dan veertig slachtoffers hebben zich ondertussen al gemeld. De omvang van die zaak in Kortrijk is gigantisch groot.

Wat moeten we daarmee doen? Ja, streng straffen, natuurlijk streng straffen. Repressie is het eerste wat in ons opkomt en de daders moeten zeer streng gestraft worden. Daarnaast doen we al zoveel zaken op het vlak van preventie. Denk bijvoorbeeld aan Ask for Angela en ook aan de app 112, die nog veel meer bekend moet geraken. Met de app 112 kunnen slachtoffers met een druk op een knop laten weten dat zij slachtoffer zijn van een incident en via gps weet de politie ook onmiddellijk waar de slachtoffers zich bevinden. Er zijn onder andere door innovatie bovendien al manieren om zelf drugs te detecteren. Een rietje in het glas kan, bijvoorbeeld, aantonen dat er drugs in dat glas zitten. Nog veel belangrijker is dat men veel meer controleert, dat men drugscontroles uitvoert in onze uitgaansbuurten.

Jongeren, ik roep u op om op elkaar te letten, voor elkaar te zorgen, samen uit te gaan en niemand achter te laten in een moeilijke situatie. Weet evenwel dat het nooit jullie schuld is. Het is nooit de schuld van het slachtoffer. Dus doe ook aangifte en zorg ervoor dat de daders er niet zomaar mee wegkomen. Probeer daartoe de moed te vinden om uiteraard andere slachtoffers te voorkomen.

Ministers, gezien de verschrikkelijke omstandigheden en ook gezien de schaal van het fenomeen en de verdubbeling van het aantal slachtoffers, hoe zult u zorgen voor de veiligheid in onze uitgaansbuurten? Hoe zult u die spiking aanpakken?

Funda Oru:

Mevrouw de minister, mijnheer de minister, een leuke avond verandert in een drama. Je voelt je misselijk. Je weet niet meer waar je bent. Je weet helemaal niks meer. Dat is het effect van spiking. Geen enkele vrouw wil zoiets meemaken, maar helaas is dat vandaag voor heel wat jonge vrouwen nog altijd een realiteit in het uitgaansleven, zoals vandaag bleek in Kortrijk, waar 41 en misschien zelfs meer jonge vrouwen, dochters, vriendinnen, werden aangerand, misbruikt of verkracht.

Wie denkt te helpen door die jonge vrouwen hiervan zelf de schuld te geven, heeft het mis, want iedereen, ook jonge vrouwen, hebben het recht om overal veilig te zijn, zeker ook in het uitgaansleven. Zeggen dat men zijn drankje maar beter in de gaten moet houden, is hetzelfde als zeggen dat men geen korte rokjes meer mag dragen als men uitgaat.

Laat het duidelijk zijn, het zijn de daders die we moeten viseren en niet deze jonge vrouwen. Dat is ook de reden waarom wij inzetten op de omstaandertrainingen, want alleen lossen we dit niet op. Het is aan de samenleving om ervoor te zorgen dat iedereen die zich in een kwetsbare positie bevindt, beschermd is.

Voor Vooruit is het duidelijk dat we deze daders moeten straffen en dat we ervoor moeten zorgen dat iedereen veilig is in het uitgaansleven. Heel belangrijk is ook de eerste opvang van slachtoffers, om te voorkomen dat een dergelijk drama tot een levenslang trauma leidt.

We weten allemaal dat het veel van onze politieagenten vraagt om op een uitgaansavond alle uitdagingen het hoofd te bieden, maar wij verwachten van hen dat ze een goede en deftige steun aan de slachtoffers geven. Zij hebben daar recht op. Zij rekenen dan ook op een sterke overheid en de steun aan onze agenten. Dat is voor ons de solidariteit waarop onze samenleving gebaseerd is.

Mijnheer de minister, mevrouw de minister, wat zal deze regering doen om een betere ondersteuning te geven (…)

Wouter Vermeersch:

Collega De Vreese, ik hoor u graag bezig, maar er moet mij toch iets van het hart. U weet ongetwijfeld dat Kortrijk werd en nog steeds wordt bestuurd door de N-VA, de liberalen en de socialisten. Reeds in de lente van 2022 voerde mijn partij in Kortrijk actie rond spiking en waarschuwde ze voor de gevaren ervan, maar we werden weggelachen en afgewimpeld, ook door uw vertegenwoordigers. Ondertussen zijn er 41 slachtoffers en wellicht nog veel meer.

Als de politieke verantwoordelijken in 2022 kordaat hadden ingegrepen, dan konden veel slachtoffers vermeden worden. Die verantwoordelijken zitten ondertussen allemaal in dit Parlement. Mijnheer de voorzitter, ik zal geen namen noemen om geen persoonlijk feit uit te lokken, maar de fractieleider van de N-VA was op dat moment schepen. De Kortrijkzaan van de Open Vld-fractie was uitvoerend en titelvoerend burgemeester. De zelfverklaarde defensiespecialist van Vooruit was toen ook schepen.

Allemaal dragen ze een verpletterende verantwoordelijkheid. De passiviteit van hun stadsbestuur heeft slachtoffers gemaakt. Het stadsbestuur kan immers lokaal concrete maatregelen nemen om spiking en seksueel geweld tegen te gaan: striktere sancties en handhaving, verhoogd toezicht en politiecontroles, intensievere samenwerking tussen lokale politie en justitie - Kortrijk leverde op dat moment zelfs de minister van Justitie, sensibiliseringscampagnes en een betere ondersteuning van slachtoffers.

Ook federaal kan er veel meer gebeuren. Dit is immers niet louter een Kortrijks probleem. Naast preventie is het cruciaal dat de politie sneller bewijzen verzamelt. Momenteel duren de onderzoeken veel te lang, waardoor daders ongestraft blijven en slachtoffers in de kou blijven staan. Mijnheer de minister, bent u bereid om meer bevoegdheden, middelen en mensen te voorzien om spiking effectiever aan te pakken?

Voorzitter:

Ik behandel een persoonlijk feit nadat de vragen beantwoord zijn. Het komt mij voor dat elke fractie slechts één fractievoorzitter telt.

Mevrouw Eggermont, u hebt het woord.

Natalie Eggermont:

Collega's, probeer het u even voor te stellen: u gaat uit met vriendinnen, drinkt amaretto-icetea en ineens gaat het licht uit. Uw vriendinnen zoeken u overal tevergeefs. Om vijf uur 's ochtends wordt u wakker op straat, opgepakt door de politie en gearresteerd voor openbare dronkenschap. U belandt in de cel. Dat is een waargebeurd verhaal. Later bleek dat meisje het slachtoffer te zijn geworden van spiking. Ze werd gedrogeerd en daarna verkracht.

Er vielen ondertussen al minstens 41 slachtoffers in Kortrijk. Dat is nog maar het topje van de ijsberg voor heel het land. Dat raakt heel veel mensen. Ik kom zelf ook uit Kortrijk. Als vrouw moeten we bang zijn om gewoon iets te gaan drinken met vriendinnen. Ik ben ook mama, ik heb een dochter. Ik vraag me echt af in welke wereld zij moet opgroeien.

Wat mij het meest verontwaardigt is de kloof tussen de ernst van wat er gaande is en de lichtzinnigheid waarmee er daarmee wordt omgegaan. De slachtoffers worden namelijk nog altijd niet serieus genomen, collega's. Ik heb de laatste maanden verhaal na verhaal gehoord van meisjes en vrouwen die aangifte doen en hulp vragen, maar worden weggestuurd. Ze worden onvriendelijk behandeld en niet geloofd. Wist u dat een van die 41 meisjes aangifte had gedaan bij het Rode Kruis? Ze werd weggestuurd. Daarop ging ze naar de politie en werd ze weer weggestuurd.

Wat was de respons van de politiek op dat moment in november, toen we er de eerste keer over discussieerden? "Er moeten geen verdere maatregelen worden genomen", zei de burgemeester van Kortrijk. Wat was de respons van het parket? "Meisjes, zorg voor elkaar." Vandaag wordt dat hier opnieuw gezegd: "Zorg voor elkaar". Alsof het hun verantwoordelijkheid is!

Collega's, die meisjes zijn het slachtoffer. Zij moeten worden beschermd, gehoord en geholpen. De daders moeten aangepakt en gestraft worden en dat is uw verantwoordelijkheid als ministers en hoofd van de politie en justitie.

Mijn vragen zijn dus heel duidelijk. Wanneer gaat u eindelijk wakker worden? Wat gaat u concreet doen om de veiligheid van vrouwen echt de prioriteit te geven die (…)

Voorzitter:

Bedankt, mevrouw Eggermont.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, monsieur le ministre, c'est avec beaucoup d'émotion que j'évoque les 41 victimes, des femmes droguées et violées. Il y a 5 auteurs. Cela se passe à Courtrai.

Mais cela s'est aussi passé ailleurs. Cela s'est passé au cimetière d'Ixelles et au bois de la Cambre. J'avais d'ailleurs interrogé le ministre de la Justice précédent sur ces faits.

Quarante et une victimes. Le chiffre est glaçant. On pourrait presque toutes les connaître par leur prénom. Au fond, elles rejoignent un nombre beaucoup plus important de victimes de violences sexuelles sous soumission – hommes et femmes, d'ailleurs.

On sait que, dans ce genre de cas, il est fondamental de signaler les faits très rapidement, sinon il est difficile de détecter la substance utilisée et d'identifier les auteurs. Il est très important de réagir vite et fermement.

Monsieur le ministre, quelles actions avez-vous entreprises lorsque vous avez eu connaissance de ces faits qui se sont déroulés à Courtrai? Avez-vous pris contact avec les autorités? Des mesures concrètes ont-elles été mises en place sur le terrain pour sécuriser les lieux, pour permettre aux femmes de sortir en toute liberté et en toute sécurité?

Quelle politique comptez-vous mener par rapport à ce phénomène de violences sexuelles, et dans ce cas-ci, sous soumission? Quels conseils peut-on donner aux femmes et aux hommes qui sont victimes de ce genre d'actes et qui ne savent généralement pas ce qu'ils doivent faire? Quels conseils peut-on leur donner pour les inviter à se signaler rapidement et être pris en charge de manière globale, et pour que leur situation soit reconnue et traitée comme il se doit?

Annelies Verlinden:

Collega's, uitgaan, op café gaan en van het nachtleven genieten zou vanzelfsprekend veilig en onbezorgd moeten kunnen gebeuren. Iedereen moet zich veilig voelen om uit te gaan, zonder angst of achterdocht.

De recente berichten uit Kortrijk en eerder uit andere steden in ons land tonen helaas heel pijnlijk aan dat dat nog lang niet altijd het geval is. Tientallen vrouwen werden aangerand en verkracht nadat er clandestien drugs in hun drankje werd gedaan. Wat zij meemaakten is afschuwelijk. Bovendien heeft dat inderdaad een gigantische impact op het hele sociale leven.

Als minister van Justitie, maar ook als mens, raakt mij dat ontzettend. Ik voel mee met alle slachtoffers en alle betrokkenen. Spiking is op zich al een criminele en laffe praktijk. Als dat dan ook nog eens gepaard gaat met seksueel geweld, is dat uiteraard ronduit traumatisch. Het is vreselijk, want wie uitgaat, is geen doelwit. Seksueel geweld mag nooit gebagatelliseerd of geminimaliseerd worden.

Het gerechtelijk onderzoek naar de incidenten in Kortrijk loopt. Er zijn al vaststellingen en arrestaties gedaan. Ik heb er het volste vertrouwen in, aangezien alles in het werk wordt gesteld om alle daders te identificeren en gepast te straffen. Tegelijkertijd moeten de slachtoffers alle mogelijke ondersteuning en bescherming krijgen.

Daders moeten streng worden gestraft. Daarover bestaat niet de minste twijfel. Voor het fenomeen van spiking voorzagen we bij de herziening van het seksueel strafrecht in het bijzonder in een verzwaring van het misdrijf. Indien daders van verkrachting hun slachtoffers weerloos maken door het toedienen van stoffen, staan daar maximumstraffen tot 20 jaar op.

In een rechtvaardige samenleving volstaat het echter niet alleen om daders aan te pakken. We hebben ook de plicht om slachtoffers beter te beschermen, te erkennen en te begeleiden. Wanneer het om seksueel geweld gaat, moeten we hun noden en hun kwetsbaarheid centraal stellen in de manier waarop Justitie, maar ook onze samenleving werkt.

Jongeren geven elkaar tips om veilig uit te gaan: de hand boven het glas houden, zijn of haar drankje meenemen naar het toilet en geen drank van vreemden aanvaarden. Ze zijn goedbedoeld en soms nodig, maar we mogen nooit – dat wil ik ten stelligste onderstrepen – de verantwoordelijkheid voor veiligheid bij de slachtoffers of de uitgaanders leggen. We dragen als samenleving een cruciale rol.

Als minister van Justitie zal ik samen met mijn collega's binnen de huidige regering mijn rol opnemen. Zo blijven we investeren in de zorgcentra na seksueel geweld. We willen die inrichten in het hele land, zodat afstand nooit een aanleiding kan zijn om niet te worden geholpen. We willen ook onderzoeken hoe we de werking van die zorgcentra kunnen verbreden, om ervoor te zorgen dat ook slachtoffers van online seksueel geweld kunnen worden opgevangen. Tevens willen we de mobiele stalkingalarmen en andere technologieën verder uitrollen, zodat slachtoffers zich te allen tijde en overal veilig kunnen voelen.

Bovendien kunnen we slachtoffers pas goed beschermen als adequate sturing van daders het risico per geval beperkt. Dat gaat uiteraard over streng straffen, maar ook over samenwerken met de gefedereerde entiteiten om goed te werken aan de opvolging en begeleiding van seksuele delinquenten. Rechters krijgen bovendien de mogelijkheid om een omgangsverbod van die daders met minderjarigen op te leggen wanneer ze een hoog recidiverisico hebben. We willen ook andere maatregelen invoeren, zoals bijkomende beperking bij elektronisch toezicht, om slachtoffers nog beter te beschermen. Ook zullen we de risicotaxatiesystemen verbeteren, zodat rechters bij hun inschatting van een concreet dossier de beoordeling nog beter en adequater kunnen maken.

Zoals jullie suggereerden, willen we ook de aangiftemogelijkheden zo laagdrempelig mogelijk houden. Dat doen we onder meer door online aangifte mogelijk te maken via Police-on-web. Op die manier kan bovendien anoniem aangifte worden gedaan. Vele slachtoffers willen immers dat het stopt en dat daders niet kunnen hervallen. Daarom zullen we samen ook werken aan een veilige uitgaansbeleving. Ik werk samen met collega Quintin aan een gecoördineerde aanpak met politie en parket.

Het is ook een breder maatschappelijk probleem, dat we samen in handen moeten nemen. Daarom is preventie belangrijk. U sprak al over Ask for Angela en de campagne Appelle Alice . We moeten dergelijke acties blijven doen en feestvierders ook aanzetten om te zorgen voor elkaar, niet omdat zij hun verantwoordelijkheid moeten nemen, maar wel omdat we absoluut voor hun veiligheid willen zorgen. Zorg dragen voor elkaar moeten we samen doen. Het gaat over respect. Het gaat over opvoeding. Het gaat over hoe we met elkaar spreken en omgaan, hoe we zorg dragen voor elkaar, thuis of online, maar zeker ook bij elke feestgelegenheid.

Het zou heel mooi zijn mochten we de feesten en festivals komende zomer zorgeloos tegemoet kunnen treden. (…)

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers, sta mij toe te beginnen met het volgende heel duidelijk te stellen. Deze feiten in Kortrijk en overal in België, zijn onaanvaardbaar en verdienen onze en ook mijn strengste veroordeling. Waarvan akte.

De strijd tegen drugs is mijn topprioriteit. Het regeerakkoord en mijn beleidsverklaring waren duidelijk. Er is geen plaats voor dergelijke criminelen in onze samenleving. U kent de rode draad van mijn politiek op het vlak van druggebruik. We moeten zowel de gebruikers als de producenten van drugs aanpakken, ook in ons land.

Ketamine is sinds de jaren '90 aanwezig in Europa. Volgens het European Union Drugs Agency wordt de meeste in beslag genomen ketamine geïmporteerd uit India, Pakistan en China.

Il n'existe actuellement aucune réglementation européenne uniforme, ce que je déplore. Cela constitue un défi pour la politique européenne en matière de drogue et sa mise en œuvre.

La Belgique a inscrit les questions relatives à la kétamine à l'ordre du jour du programme EMPACT d'Europol dès 2023.

Uit een onderzoek van Sciensano blijkt dat ketamine in de top 4 staat van meest gebruikte drugs, naast cannabis, cocaïne en MDMA. In Kortrijk zou het gaan om spiking waarbij slachtoffers met ketamine zouden zijn verdoofd. Volgens de politie is er ook sprake van zedenfeiten, tegen de wil van slachtoffers in. Er zijn minstens 41 slachtoffers geïdentificeerd, van wie het merendeel vrouwen. De politie heeft inmiddels vijf verdachten opgepakt.

Si la drogue peut être obtenue facilement et à bon marché, il devient plus facile de commettre des délits tels que les délits moraux graves et le dopage. Le slogan du commissariat national aux drogues offre une stratégie claire à cet égard. Lorsque nous misons sur l'offre et brisons le modèle de gain des criminels, nous avons un impact sur les victimes de la criminalité liée à la drogue et sur la consommation des drogues telles que la kétamine.

Een groot struikelblok bij spiking is de bewijslast. Snel reageren is cruciaal, want sporen van drugs verdwijnen vaak al na zes tot acht uur uit het bloed en na twaalf uur uit de urine. Daarom is het cruciaal dat slachtoffers zo snel mogelijk naar een ziekenhuis gaan voor een bloedonderzoek en aangifte doen, zodra er vermoedens zijn van spiking, om een strafonderzoek te starten.

Ce sont des conseils que nous donnons déjà aux victimes et que nous devons amplifier.

Het recent ontwikkelde rietjessysteem aan de hogeschool UCLL in Leuven kan een belangrijke bijdrage leveren aan meer waakzaamheid en weerbaarheid bij potentiële slachtoffers. Het is belangrijk dat we dit soort technische hulpmiddelen aanmoedigen – ik doe dat – maar tegelijkertijd moet het duidelijk blijven, zoals u en mijn collega hebben gezegd, dat de verantwoordelijkheid nooit bij het slachtoffer ligt, nooit. Enkel en alleen de daders zijn verantwoordelijk voor dit misbruik.

Je m'inscris complètement dans la politique intégrale et intégrée qui y est et sera encore menée en concertation avec les différentes parties prenantes de la chaîne de sécurité: prévention, ordre – c'est ma part –, répression et suivi.

Je m'assure que l'action de la police, qu'elle soit fédérale ou qu'il s'agisse des polices locales – avec lesquelles je suis en contact permanent –, soit menée dans un esprit de contribution performant et adéquat. Cela se traduit concrètement dans l'assistance aux victimes – via les centres de prise en charge de violences sexuelles dont j'ai annoncé que nous allions compléter le réseau avec les trois centres qui manquent encore dans le pays –, la recherche, la formation des policiers et policières – nous venons de lancer un module obligatoire pour les policiers et les policières à la formation à l'accueil des victimes de violences sexuelles – et aussi bien sûr la sensibilisation qui existe déjà et sur laquelle on doit encore plus mettre l'accent.

J'ai demandé à mes services de mettre en œuvre une campagne de publicité sur l'application 112 et l'intérêt qu'il y a à la télécharger sur son téléphone et à l'utiliser. Comme je l'ai déjà affirmé à maintes reprises, chaque personne et singulièrement chaque femme, a le droit de sortir où elle veut, quand elle veut et de le faire en toute sécurité. Je m'y emploierai pendant mon mandat.

Maaike De Vreese:

Collega's, ministers, de studententijd zou eigenlijk de tijd moeten zijn dat men mooie herinneringen voor het leven maakt. Voor deze vrouwen wordt dat een traumatische herinnering in hun leven. Als men iets met vriendinnen gaat drinken, moet dat veilig zijn. Dat zou een evidentie moeten zijn.

Wat in Kortrijk en op nog andere plaatsen in dit land is gebeurd, toont aan dat de strijd tegen seksueel geweld tegen vrouwen absoluut niet gestreden is. Integendeel, de spikingproblematiek stijgt nog.

Daarom moeten we inderdaad preventief en repressief optreden, maar we moeten ook voor die slachtoffers zorgen. We moeten ervoor zorgen dat ze goed worden ondersteund, dat zij zich laagdrempelig kunnen aanmelden en dat zij op elk moment in het proces worden ondersteund.

Collega's, wij kunnen het absoluut niet toelaten dat die walgelijke daders het leven van jonge meisjes compleet (…)

Franky Demon:

Dank u wel, ministers. Zoals mevrouw Verlinden duidelijk zei, is de campagne Asking for Angela ook een goed voorbeeld, maar ik denk dat Angela stilaan verschillende gezichten aan het krijgen is. Iedereen kent wel een vriendin, een ouder, een buurmeisje die met het fenomeen te maken heeft gehad.

Onze fractie vraagt hier actie, maar ik vraag dat ook als vader. We kunnen dit niet pikken. We kunnen het probleem alleen samen aanpakken, met een sterk en duidelijk beleid.

Funda Oru:

Mijnheer en mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor de inspanningen om daders strenger te straffen, slachtoffers beter te ondersteunen en het uitgaansleven veiliger te maken. Elke ouder moet erop kunnen rekenen dat zijn kind veilig kan uitgaan. Als jonge mama weet ik hoe het voelt om vol bezorgdheid te wachten op je kind. Minuten duren dan uren.

Het is extra pijnlijk dat het personeel dat zou moeten beschermen, zoals in Kortrijk, de dader blijkt te zijn. Hoe kunnen we van jonge meisjes en van jongeren verwachten dat ze hulp zoeken als ze niet eens meer weten wie ze moeten vertrouwen? Daarom is het personeel in het uitgaansleven essentieel. Voor Vooruit is veiligheid altijd een topprioriteit geweest en zal het dat ook blijven. Iedereen, en zeker jonge meisjes, moeten altijd en overal, zeker tijdens het uitgaan, veilig zijn. Ik sluit af met de woorden van de minister: veiligheid, preventie, orde en opvolging.

Wouter Vermeersch:

Mijnheer en mevrouw de minister, uw mooie woorden en loze beloftes zullen niet volstaan. De meest vreselijke verhalen blijven maar komen. De politiek neemt dit probleem al jaren niet ernstig. Slechts 1 dossier op 100 leidt tot een effectieve veroordeling van de dader. Verkrachting is in België en in Vlaanderen een misdaad die de facto onbestraft blijft.

Die straffeloosheid is onaanvaardbaar. Onze vrouwen, onze dochters moeten opnieuw veilig kunnen uitgaan. Het Vlaams Belang zal blijven strijden voor een kordate aanpak en voorstellen blijven formuleren, lokaal en nationaal, om onze steden en onze uitgaansbuurten opnieuw veilig te maken. Dit was, is en blijft een absolute topprioriteit.

Natalie Eggermont:

Mijnheer en mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Veel mooie woorden en verklaringen, maar ook heel veel gebrek aan concrete actie en middelen. U zegt nog steeds niet hoe belangrijk het is dat vrouwen voor elkaar zorgen, geen drank aannemen van vreemden en hun hand boven hun glas houden. U verwijst naar de campagne Ask for Angela, waarbij men naar de bar gaat om aan de barman hulp te vragen, maar in dit verhaal zijn de barmannen de daders.

We moeten echt verder gaan dan dat. Er zijn initiatieven voor de politie, maar die kampt met een gebrek aan mankracht en middelen om dat allemaal te kunnen doen. We krijgen zoveel signalen. Er zijn wel trainingen en vormingen, maar er is personeel te kort. Die taken komen bovenop hun takenpakket, terwijl het water hen nu al aan de lippen staat. Dat zal dus niet lukken. Er moeten extra middelen komen. Anders zijn dat loze woorden en daar hebben vrouwen echt niets aan.

Catherine Delcourt:

Madame la ministre, monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Monsieur le ministre, on vous sait extrêmement volontaire et actif en matière de lutte contre le trafic de drogue. Et le trafic de drogue, ce sont aussi ces faits de viols sous soumission chimique. Nous ne pouvons pas considérer que c'est un phénomène collatéral, il est au cœur de la lutte contre le trafic de drogue.

Les victimes ont le droit d'être reconnues, prises en charge, aidées, accompagnées. Nous devons en faire une priorité pour la sécurité de tous ceux et de toutes celles qui sortent, qui en profitent, qui vivent et qui doivent pouvoir le faire en toute sécurité. La prévention, la répression – madame la ministre a été claire sur la fermeté et la dureté des peines – et, évidemment, l'accompagnement des victimes doivent être au cœur de votre politique. Je vous remercie d'accorder la priorité à ces faits.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Voorzitter:

Ik heb een vraag gekregen inzake een persoonlijk feit. Het was weliswaar omfloerst meegedeeld, mijnheer de ondervoorzitter van de Kamer, waarmee ik niemand in het bijzonder bedoel, maar ik meen dat de N-VA-fractie maar één fractievoorzitter heeft.

Ik herhaal de regel dat het noemen van een naam niet volstaat voor een persoonlijk feit. In dezen werden verwijten gemaakt die te maken zouden hebben – ik houd me op de vlakte – met het beleid van de betrokkene.

U kent de regels, mijnheer Vermeersch. U krijgt nog de mogelijkheid tot repliek.

Axel Ronse:

Ik ben eigenlijk nog altijd bijzonder geëmotioneerd door de feiten. Ik heb zelden in mijn leven zoiets ergs meegemaakt. Het gaat om twee cafés die vrij bekend zijn in onze stad. Het zijn walgelijke beesten die aan de lopende band onschuldige dames hebben vergiftigd, verdoofd en verkracht. Ze hebben hen vies achtergelaten.

Mijnheer Vermeersch, als zou blijken dat ik als cultuurschepen in de periode tussen 2018 en 2024 ook maar iets meer gedaan kon hebben om de slachtoffers te beschermen, stop ik onmiddellijk met politiek. Onmiddellijk.

Ik meen, collega's, dat we onszelf geen blaasjes mogen wijsmaken. Walgelijke beesten zijn van alle tijden. Wij als politici zullen altijd het beste van onszelf moeten geven en vernieuwend moeten zijn om hen af te stoppen. Ze zullen echter altijd slimmer, vuiler of wat dan ook zijn dan we ons ooit kunnen inbeelden.

Ik zal u zeggen dat we er in Kortrijk nu voor hebben gezorgd dat er 40 extra politieagenten komen en dat er een afzonderlijke drugscel komt om de daders te pakken. Ik stel voor om hierover vooral geen politieke spelletjes te spelen, maar om eendrachtig samen, van links tot rechts, tegenover die walgelijke beesten te staan en er alles aan te doen om ze op te sporen, om ze te straffen en vooral om te verhinderen dat zulke walgelijke beesten nog kunnen doen wat ze gedaan hebben.

Ik zal u alle illusies besparen. Helaas lopen er nog in alle steden en dorpen van dit land zulke beesten rond. Het is onze grootste verantwoordelijkheid om hen te pakken en dergelijk gedrag te vermijden.

Voorzitter:

Mijnheer Vermeersch, wilt u nog repliceren?

Wouter Vermeersch:

Collega Ronse, wijzen op politieke verantwoordelijkheid is geen politieke spelletjes spelen. Als burgemeester en schepenen hebben jullie natuurlijk een collectieve verantwoordelijkheid voor de veiligheid in de straat, opdat onze vrouwen en dochters veilig over straat kunnen en kunnen uitgaan. In mei 2022, drie jaar geleden beste collega's, hebben wij actie gevoerd rond spiking in onze stad, op de straat vlak voor het stadhuis, zodanig dat u het zeer goed zou zien en weten. We hebben vervolgens ook geïnterpelleerd in de gemeenteraad rond spiking in de stad, maar er zijn geen acties gevolgd. Er is een verpletterende politieke verantwoordelijkheid. Het stadsbestuur heeft die feiten niet aangegrepen om kordaat in te grijpen en heeft drie jaar verloren laten gaan, drie jaar waarin er extra slachtoffers konden worden gemaakt door de beesten die u benoemt. Een stadsbestuur kan wel degelijk acties ondernemen. Ik heb ze ook opgesomd. U kon veel meer controles uitvoeren in de uitgaansbuurt. U kon de politie aansturen en meer sancties treffen. U kon zorgen – zeker de burgemeester kon dat doen, maar u zit samen met haar in het schepencollege – voor een betere samenwerking tussen de lokale politie en justitie. U kon zorgen voor sensibiliseringscampagnes en een betere ondersteuning van de slachtoffers. De collega van de PVDA heeft immers heel juist gezegd dat de slachtoffers onvoldoende gehoord en ondersteund zijn. Het stadsbestuur heeft een verpletterende verantwoordelijkheid, want zijn passiviteit heeft extra slachtoffers gemaakt. Dat is en blijft mijn bewering. Was er drie jaar eerder ingegrepen, dan waren er minder slachtoffers gevallen. U hebt uw verantwoordelijkheid daar niet genomen. Wij zullen als politieke partij geen spelletje spelen daarrond, maar te gepasten tijde zullen we u op die verantwoordelijkheid blijven wijzen.

De rechtsbijstandsverzekering bij alternatieve geschillenbeslechting

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)

op 26 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Clarinval bevestigt dat rechtsbijstandsverzekeringen wettelijk verplicht zijn om zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke procedures (zoals minnelijke schikkingen) te dekken, maar erkent dat individuele gevallen (zoals een gemelde weigering) onnodige obstakels creëren voor consumenten. Van Lommel wijst op een structureel probleem in de praktijk en dringt aan op strengere opvolging via de Ombudsman en eventuele sancties, mochten dergelijke klachten vaker voorkomen. Controlemechanismen (FSMA, sancties, gedragscodes) bestaan al, maar handhaving en bewustmaking bij verzekeraars blijven cruciaal. EU-regels verplichten dekking van minnelijke oplossingen, maar nationale uitvoering verschilt.

Reccino Van Lommel:

Mijnheer de minister, rechtsbijstandsverzekeringen voorzien vaak slechts een tussenkomst indien een gerechtelijke procedure wordt opgestart. Een gerechtelijke procedure brengt aanzienlijke kosten met zich mee: gerechtskosten, advocatenhonoraria en andere kosten. Een rechtszaak is vaak een procedure van lange adem en draagt niet altijd de voorkeur weg voor slachtoffers. Het is daarom jammer vast te moeten stellen dat rechtsbijstandverzekeringen geen tussenkomst voorzien bij het streven naar een minnelijke schikking. Nochtans is iedere partij gebaat bij een minnelijke schikking. Het is trouwens ook veel goedkoper voor de verzekering an sich om een minnelijke schikking te kunnen treffen.

Erkent u de problematiek waarbij consumenten die streven naar een minnelijke schikking worden gestraft, hoewel dit kostenbesparend en efficiënt is? Zult u de verzekeraars verplichten om alternatieve geschillenbeslechting, waaronder dadingen, te dekken? Hebt u een timing daarvoor? Welke controlemechanismen bestaan er om verzekeraars te dwingen hun verplichtingen na te komen? Zijn er EU-landen waar verzekeraars verplicht zijn om alternatieve geschillenbeslechting te dekken?

David Clarinval:

Mijnheer Van Lommel, in antwoord op uw eerste en uw tweede vraag kan ik zeggen dat de verzekeringssector me meedeelt dat ze het niet eens is met de stelling dat rechtsbijstandsverzekeraars alternatieve geschilbeslechting niet zouden dekken.

Voor de rechtsbijstandverzekeringen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering bepaalt de wet dat de waarborg zowel de kosten van gerechtelijke als van buitengerechtelijke acties moet dekken. Volgens Assuralia worden bijna drie op vier dossiers die ingediend worden bij rechtsbijstandsverzekeraars afgehandeld zonder advocatenkosten en buiten de rechtbank om. Ik beschik ook niet over informatie waaruit blijkt dat rechtsbijstandsverzekeraars systematisch weigeren tussenbeide te komen in alternatieve geschillenbeslechting.

De wetgeving voorziet in verschillende controlemechanismen om de verzekeraars te verplichten hun verplichtingen na te komen. Zo is de rechtsbijstandsverzekeraar onderworpen aan bepaalde termijnen en aan sancties, bij de afhandeling van schadegevallen. Bovendien gelden er gedragsregels waarop de FSMA, als toezichthouder, toeziet. Als verzekerde kan men ook met klachten over een verzekeraar terecht bij de Ombudsman van de verzekeringen, die een rol van bemiddelaar speelt en gratis advies biedt.

De administratie beschikt nu niet over een overzicht van de specifieke nationale wetgeving inzake de rechtsbijstandsverzekering in andere EU-landen. Ik kan u echter meedelen dat conform de Europese richtlijn inzake de toegang tot en de uitoefening van een verzekerings- en een herverzekeringsbedrijf, de rechtsbijstandsverzekering wordt gedefinieerd als een verzekering die de kosten van gerechtelijke procedures dekt en die andere diensten aanbiedt, met name om een schadevergoeding te verkrijgen na een schade die geleden is door de verzekerde, ongeacht of dit gebeurt via een minnelijke schikking of bij een burgerlijkrechtelijke of strafrechtelijke procedure. De regeling van zaken via minnelijke schikking is dus inherent aan de definitie van rechtsbijstandsverzekeringen.

Reccino Van Lommel:

Mijnheer de minister, buitengerechtelijke procedures, zoals dadingen, horen dus wel gedekt te zijn in een rechtsbijstandsverzekering. Het moet hier een heel specifiek geval betreffen, want er is een heel specifieke aanmelding geweest van iemand, waarbij de verzekering effectief oordeelde om niet mee te gaan in een minnelijke schikking, maar wel tussen te komen bij een eventuele rechtszaak of andere gerechtelijke procedure.

Dat blijkt dus helemaal niet correct te zijn. Dat maakt dat we de consument in dit geval moeten verwijzen naar de ombudsdienst. De verzekeringsmaatschappij heeft hier onterecht geoordeeld dat een minnelijke schikking niet gedekt zou worden. Dat is hetgeen ik begrijp uit uw antwoord.

Mijnheer de minister, we moeten dit opvolgen. Het blijkt immers een praktijk die gangbaar is in de verzekeringswereld. Als we meer dergelijke meldingen krijgen, moeten ook gepaste maatregelen worden genomen.

Voorzitter:

Les questions n ° 56003672C de M. Patrick Prévot et n° 56003694C de M. Van Hecke sont transformées en questions écrites. La réunion publique de commission est levée à 14 h 54. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.54 uur.

De gelijkstelling (of niet) van ziektedagen met effectief gewerkte dagen voor de pensioenmalus

Gesteld door

lijst: PTB Raoul Hedebouw

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Hedebouw valt minister Jambon aan omdat diens geplande pensioenmalus (tot €400 minder) voor wie niet tot 67 werkt, Belgische pensioenen nog verder onder buurlanden duwt, terwijl ziekteperiodes mogelijk *niet* worden vrijgesteld—wat hij een "sanctie op zieke werknemers" noemt. Jambon bevestigt dat het regeerakkoord gedetailleerd is, maar dat de vrijstelling van ziekteperiodes nog *onbeslist* is en voor het wetsontwerp wordt uitgeklaard. Hedebouw ziet hierin een zwakte en roept op tot staking op 31 maart om de malus volledig te laten schrappen, nu de regering aarzelt. Kern: onduidelijkheid over ziektevrijstelling voedt protest tegen de pensioenafstraffing.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer Jambon, minister van Pensioenen, in België hebben we al zeer lage pensioenen en u wilt daarbovenop nog een malus van honderden euro's opleggen voor bepaalde werknemers die niet tot 67 jaar kunnen werken. Dermate lage pensioenen en toch alweer een sanctioneringsmechanisme.

Dat betekent voor een gelijke carrière en een gelijk loon dat werknemers hier in België meer dan 400 euro minder pensioen hebben dan werknemers in de omliggende landen, zoals Frankrijk en Duitsland. Al 400 euro minder, dermate lage pensioenen en u wilt toch alweer sancties opleggen aan diegenen die niet kunnen werken tot 67 jaar.

U kunt zich niet inbeelden welke woede er heerst in de samenleving, mijnheer Jambon. Voor u is het immers gemakkelijk. Hoeveel pensioen zult u hebben? Het maximumplafond waarschijnlijk, ongeveer 8.000 euro bruto. Zo is het gemakkelijk. Maar voor de werknemers van dit land, no way.

Daarom rijst de vraag, mijnheer de minister, of voor die malus de ziekteperiodes in aanmerking worden genomen. U kon die vraag tijdens de plenaire niet echt beantwoorden. Nu blijkt dat er discussie is binnen de meerderheid. Wat is het officiële standpunt? Mijnheer Vandenbroucke zei in De Zevende Dag dat het laatste woord daarover nog niet is gezegd. Gisteren zei collega Lanjri in de commissie dat ze hoopte dat het niet gelijkstellen van die ziekteperiodes in het regeerakkoord een vergissing is van de vicepremier. Dat is een goed standpunt van cd&v.

Daarom vraag ik of de regering een duidelijk standpunt heeft over het al dan niet meetellen van die ziekteperiodes voor de malus. Het volk heeft recht op een duidelijk antwoord van de minister.

Jan Jambon:

Mijnheer Hedebouw, u zult het met mij eens zijn dat het luik pensioenen in het regeerakkoord in detail is uitgewerkt. Inhoudelijk zijn wij het niet eens, dat hebt u nog maar eens benadrukt. Ik noteer dat; ik was daar ook van uitgegaan. Het luik pensioenen is wel in detail uitgewerkt en zo'n gedetailleerde uitwerking heeft veel voordelen.

Een van de nadelen is echter dat men kan zoeken naar wat nog niet heel juist is gespecificeerd. Zo hebt u terecht een punt aangehaald dat nog op de regeringstafel ligt en dat in de volgende weken uitgeklaard zal worden, aangezien de uitgestelde periodes een belangrijk punt zijn. Dat ligt dus nog op de regeringstafel, maar vooraleer ik met het wetsontwerp naar het Parlement kom, zal dat uitgeklaard zijn in de schoot van de regering.

Ik wens u veel onderzoekswerk om nog zulke dingen te vinden, dan kan ik een vergelijkbaar antwoord geven.

Raoul Hedebouw:

Beste collega's en alle werknemers van dit land, tijdens de bespreking van de regeerverklaring in de plenaire vergadering werd duidelijk geantwoord dat de gelijkgestelde periodes niet zouden meetellen. Vandaag horen we hier nu officieel een twijfel, uitgesproken door de minister. Hij is aan het twijfelen. Laten we moed houden, beste werknemers van dit land. We kunnen hen doen plooien. Mijnheer de minister, u hebt uw standpunt gewijzigd, jawel. Het kan niet dat wie vandaag ziek is weeral eens gesanctioneerd wordt op het vlak van de pensioenen. Dat moet ons goede moed geven. Op 31 maart wordt er gestaakt in dit land. Beste kameraden in de bedrijven, in de wijken, overal, op 31 maart moeten wij druk zetten. Deze regering durft al niet meer voluit te gaan voor een malus. Laten we doorgaan totdat die malus helemaal afgeschaft wordt. Zeker en vast!

De discriminatie bij domicilieaanvragen in Aalter
De inschrijving in een gemeente
Discriminatie en inschrijving Gemeentelijke Dienstverlening

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie onthult systematische discriminatie in Aalter, waar mensen met niet-Belgische namen tot 9x langer (gemiddeld 300 vs. 15 dagen) wachten op domiciliëring door selectieve woonstcontroles (73/77 gevallen betroffen niet-Belgische namen) en illegale praktijken zoals opstellen eisen of ongeoorloofde informatieopvraging door de burgemeester. Minister Quintin bevestigt procedurele schendingen (geen voorlopige inschrijving, vertraging door schepencollege-goedkeuring) en 110 klachten (90% van Dienst Vreemdelingenzaken), maar wijst sancties af wegens bevoegdheidsversnippering (FOD vs. Vlaams ABB), terwijl geen van beide instanties ingrijpt. Van Hoecke framet het als migratieprobleem: gemeenten, overbelast door "ongecontroleerde migratie" (44% niet-EU’ers werkloos, 40% leeflonen naar hen), eisen herinvoering van vestigingsstops voor niet-EU’ers—een afgeschaft instrument uit de Verhofstadt-era—maar de minister ontwijkt steun. Vandemaele eist daadkracht tegen de "rechtsstaatundermijerende" praktijken en wijst op partijpolitieke verantwoordelijkheid (burgemeester is CD&V-lid), terwijl beide partijen elkaar de schuld geven zonder concrete oplossing.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, voor Bert Janssens 15 dagen, voor Mieke Vandenbroucke 16 dagen. Dat is de tijd die men nodig heeft in Aalter om met een Vlaamse naam gedomicilieerd te geraken. Voor Youssef El Yakhloufi 307 dagen en voor Mayada El Kaddouri 299 dagen. Opvallend toch dat mensen die geen Belgisch klinkende naam hebben, negen keer langer moeten wachten voor ze gedomicilieerd geraken in Aalter. Is dat toeval? De steekproef die Pano en De Morgen gedaan hebben, maakt alvast duidelijk dat er een patroon is. Het heeft er alle schijn van dat in Aalter gediscrimineerd wordt op basis van afkomst bij het toekennen van domicilie.

Voor mensen met een niet-Belgische naam wordt er consequent een woonstkwaliteitscontrole gekoppeld aan het verkrijgen van die domicilie. Vier van de 77 controles vorig jaar waren voor mensen met een Belgische naam. Alle andere waren voor mensen met een naam die niet-Belgisch klinkt.

Is het toeval? Zoveel toeval dat er 110 klachten binnengekomen zijn bij de FOD Binnenlandse Zaken? Er was zelfs iemand die een opstel moest schrijven over waarom hij het verdiende om inwoner van Aalter te worden voor hij de nodige documenten kreeg. Collega's, daar is een woord voor: discriminatie.

We horen van medewerkers bij het OCMW ook dat er op een illegale manier informatie werd opgevraagd door de burgemeester, dat er sturing is bij het toekennen van sociale steun en dergelijke meer. Collega's, we waren vorig jaar allemaal verontwaardigd over wat er gebeurd is in een andere gemeente. Ik moet zeggen dat ik die verontwaardiging vandaag mis.

Mijnheer de minister, wat zult u daaraan doen? Ik hoor immers dat het Vlaamse ABB kijkt naar de FOD Binnenlandse Zaken (…)

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, al jarenlang kampt onze samenleving met de verschrikkelijke gevolgen van massale en ongecontroleerde migratie. Ook onder de regering-De Wever blijft die voortduren. Weet u, mijnheer de minister, aan dit tempo zal tegen 2044 maar liefst de helft van de inwoners van dit land van niet-Belgische herkomst zijn. Onze samenleving kreunt daaronder. Onze burgemeesters kreunen daaronder. Onze lokale besturen kreunen daaronder.

Het zijn die lokale besturen, die in de praktijk vaak het eerst te maken krijgen met dat probleem, die daarmee geconfronteerd worden, die vandaag wanhopig op zoek zijn naar oplossingen om dat probleem het hoofd te bieden. Oplossingen die ze vandaag niet hebben. U weet het, mijnheer de minister, maar liefst 44,2 % van de niet-EU-vreemdelingen in dit land werkt niet. In dit land gaat meer dan 40 % van de leeflonen naar niet-EU-vreemdelingen. Beseft u wat voor impact dat heeft op de samenleving? Beseft u wat voor impact dat heeft op een kleine gemeente?

Mijnheer de minister, we hebben in de vorige legislatuur een wetsvoorstel ingediend, een wetsvoorstel dat we onmiddellijk opnieuw zullen indienen. Eigenlijk gaat het om een oude wet die is afgeschaft onder de regering-Verhofstadt. Die wet maakte het voor gemeenten mogelijk zelf te zeggen: genoeg is genoeg. Die wet reikte gemeenten de tools aan om ervoor te zorgen dat ze een vestigingstop konden invoeren voor niet-EU-vreemdelingen als zij die niet langer kunnen absorberen.

Mijn vraag aan u, mijnheer de minister, is eigenlijk heel eenvoudig. Bent u bereid ons daarin te steunen? Bent u bereid onze gemeenten daarin te steunen? Of maakt u deel uit van het probleem en laat u het probleem gewoon voort etteren?

Bernard Quintin:

Mijnheer Vandemaele, mijnheer Van Hoecke, ik heb kennisgenomen van de problemen met de inschrijvingen in het bevolkingsregister in Aalter. Ik licht eerst de procedure en de termijnen toe. Een burger moet binnen de acht dagen een nieuwe adreswijziging aan de gemeente melden. Binnen de vijftien dagen vindt dan een woonstcontrole plaats. Dat betekent dat een inschrijving in het bevolkingsregister ongeveer drie weken in beslag neemt.

Naar aanleiding van de vragen heb ik informatie bij mijn diensten opgevraagd. Ik kan u het volgende meedelen. Sinds eind 2023 werden er 110 klachten bij de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken ingediend, waarvan 90 % afkomstig is van de Dienst Vreemdelingenzaken. Hoewel het merendeel van de dossier inmiddels is afgehandeld, blijven er nog vier openstaande dossiers van augustus 2024 en een van juli 2024 over.

Wanneer de FOD Binnenlandse Zaken een klacht via de Dienst Vreemdelingenzaken of rechtstreeks van een burger ontvangt, wordt de gemeente Aalter onmiddellijk gevraagd om een onderzoek in te stellen. Uit analyse blijkt dat de procedure voor adreswijziging en registratie in het Rijksregister in Aalter lang duurt. Dat komt vooral omdat elke aanvraag voor een adreswijziging eerst door het schepencollege moet worden goedgekeurd voordat een controle van de woonkwaliteit en domiciliecontrole kan plaatsvinden. Daarnaast past de gemeente Aalter het systeem van de voorlopige inschrijving in het bevolkingsregister niet toe, zoals voorgeschreven door de FOD Binnenlandse Zaken. De FOD Binnenlandse Zaken heeft de problematiek al bij de gemeente Aalter aangekaart.

Op 13 mei 2024 vond hierover een overleg plaats tussen de bevoegde schepen en de directeur Bevolking van Aalter en de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken van de FOD Binnenlandse Zaken. De FOD Binnenlandse Zaken heeft echter geen bevoegdheid om sancties aan gemeenten op te leggen, dat behoort tot de verantwoordelijkheid van de regionale overheden, in dit geval het Vlaams Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB). Het sanctioneren van een lokaal bestuur behoort tot de bevoegdheid van de regio's. De FOD kan alleen een dossier opstarten wanneer een gemeente een negatieve beslissing neemt.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, men wijst mekaar met de vinger. Het ABB zegt dat de FOD Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is. De FOD Binnenlandse Zaken zegt dat het de verantwoordelijkheid van het ABB is. Mijnheer de minister, het is uw verantwoordelijkheid om echte oplossingen te bieden.

U wees er gisteren in de commissie op dat u te veel regimes had gezien die de principes van de rechtsstaat niet ernstig nemen om niet als eerste op de barricades te staan. Welnu, u hebt hier de kans om niet alleen in woorden – paroles, paroles, paroles –, maar ook in daden te tonen dat u de rechtsstaat ernstig neemt, en om, eventueel samen met uw collega's van de Vlaamse overheid, in te grijpen. Hetgeen hier gebeurt, begrijp ik immers niet.

Mijnheer Mahdi, u kunt ook ingrijpen. U zou bijvoorbeeld de betrokken burgemeester, die lid is van uw partij, kunnen herinneren aan het principe van christelijke barmhartigheid.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, ik had er een beetje voor gevreesd, maar u behandelt een enorm samenlevingsprobleem als een juridisch probleem. De gevolgen van migratie op onze gemeenten zijn geen juridisch probleem. De regering blijft gewoon het licht van de zon ontkennen. Ik ben heel benieuwd wat de Vlaamse regering zal doen. Zal zij bijvoorbeeld boetes uitschrijven, omdat burgemeesters initiatieven nemen? Het probleem is niet dat die inschrijvingsprocedures te lang duren. Dat is het symptoom. Het probleem is dat onze gemeenten overspoeld worden en dat onze burgemeesters wanhopig op zoek zijn naar een oplossing. Het probleem is dat onze gemeenten het slachtoffer zijn van uw wanbeleid. Ik wil iedereen in het halfrond nogmaals oproepen om ons wetsvoorstel te steunen. Schrijf het desnoods klakkeloos over, u hebt mijn toestemming. Dien het in onder uw eigen naam als u wilt, maar steun het en zorg ervoor dat onze gemeenten, onze burgemeesters het hoofd kunnen bieden aan die problemen.

De cijfers van het Drugsagentschap van de Europese Unie en het Kanaalplan

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 20 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met het hoogste cocaïnegebruik van Europa en topt ook in MDMA/ketamine, wat zware criminaliteit en maatschappelijke ontwrichting veroorzaakt. Minister Quintin belooft een hernieuwd *Kanaalplan 2.0* (Brussel-Antwerpen-Charleroi) als topprioriteit, gericht op drugshandel, preventie en handhaving, maar geeft nog geen concrete timing. N-VA (Bergers) dringt aan op snelle implementatie en uitbreiding, wijzend op het succes van het vorige plan onder Jambon en het verlies aan veiligheid sinds de afschaffing ervan. De urgentie wordt benadrukt: criminele netwerken winnen terrein, terwijl politiek debat actie vertraagt.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, uit cijfers van het Europees Drugsagentschap blijkt dat er in geen enkel Europees land zoveel cocaïne wordt gebruikt als in ons land. Ook wat betreft MDMA en ketamine staan we jammer genoeg in de top drie.

Beste collega's, het moet duidelijk zijn, die drugs maken onze samenleving kapot en verwoesten individuele mensenlevens. Een kordaat drugsbeleid is dan ook nodig. Dat zal een en-enverhaal zijn: we moeten de hele keten aanpakken van de bronlanden tot de controle op de invoer hier in onze luchthavens en onze zeehavens, en de geldstromen van die criminele organisaties. We moeten die organisaties raken waar het pijn doet. We moeten evenwel ook de criminaliteit in onze straten aanpakken. We moeten de gebruikers preventief benaderen en hen wijzen op hun verantwoordelijkheid in het financieren van die criminaliteit.

Mijnheer de minister, onder Arizona moet het duidelijk zijn dat niet de criminelen de baas zijn van de straten in onze steden, maar wel de ordediensten en dat wie criminele feiten pleegt, daarvoor wordt aangepakt. De feiten, of het nu het onderzoek is, de schietincidenten in Brussel of de aanslagen in Antwerpen, tonen elke week opnieuw duidelijk aan wat een absolute stommiteit Vivaldi heeft begaan door het Kanaalplan van minister Jambon af te schaffen. Dat plan zorgde ervoor dat er meer blauw op de straat was waar dat het meest nodig is, in Brussel en de Vlaamse rand en in Antwerpen alsook dat drugscriminaliteit kordater werd aangepakt.

Mijnheer de minister, mijn vraag aan u is duidelijk. Welke timing stelt u voorop om dat Kanaalplan terug in te voeren? We zullen met de N-VA, met Arizona, met u, immers een kordater veiligheidsbeleid voeren. Welke timing stelt u voorop? Wilt u dat plan ook uitbreiden en versterken? De N-VA-fractie is alvast vragende partij.

Bernard Quintin:

Mijnheer Bergers, de recente cijfers over de hoge concentratie cocaïne in het Brusselse en Antwerpse rioolwater, zoals geapporteerd door het Europees drugsagentschap EUDA en het onderzoeksnetwerk SCORE, bevestigen de uitdaging waarvoor we staan in de strijd tegen drugscriminaliteit, inclusief consumptie. Opvallend is dat de concentratie aan restanten in onze hoofdstad volgens het EUDA verdubbeld is in vergelijking met vorig jaar, waardoor Brussel wat betreft cocaïnegebruik al op de vierde plek in Europa staat. Dat probleem treft niet alleen onze grootsteden, maar heeft een bredere impact op de samenleving en de openbare veiligheid.

Gisteren, tijdens de debatten over de beleidsverklaring in de commissie voor Binnenlandse Zaken, heb ik reeds uitvoerig mijn plan van aanpak uiteengezet voor de komende jaren. De strijd tegen drugs is een topprioriteit voor deze regering en het gaat over de mondigheid van de gebruikers. In dat kader zal er voor Brussel een Kanaalplan 2.0 worden ontwikkeld, zo vlug mogelijk, conform het regeerakkoord, waarbij de strijd tegen drugs centraal zal staan. Interessant is toch te noteren dat het kanaal loopt van Charleroi tot Antwerpen via Brussel.

De boodschap is duidelijk: er is geen plaats voor drugshandel in onze samenleving. De federale regering neemt haar verantwoordelijkheid en voert een doortastend beleid om deze plaag bij de wortel aan te pakken. Dat werd gisteren in de commissie bevestigd en de komende maanden zal dat beleid onverminderd worden doorgezet.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. U weet dat ik ontzettend enthousiast ben – men zal ons dat niet verwijten – over deze regering, die eindelijk werk wil maken van een kordaat veiligheidsbeleid. Ik heb er alle vertrouwen in dat u het regeerakkoord zult uitvoeren en dat u werk zult maken van die kordate veiligheidsaanpak. Het moet mij echter wel van het hart dat we in het Parlement heel veel tijd spenderen aan vergaderen en debatteren – dat is belangrijk – en dat criminele organisaties dat niet doen. Zij verliezen geen tijd, maar winnen terrein en dus is het duidelijk dat er een aanpak nodig is. Wat het Kanaalplan betreft, is het geluk dat er al heel wat maatregelen uitgewerkt zijn door minister Jambon destijds en dat zij makkelijk opnieuw kunnen worden geïmplementeerd. Daarom roep ik u nogmaals op om hier snel werk van te maken. Er is al heel veel werk gedaan. We moeten hier het debat voeren, maar het is ook tijd voor actie. De burger verwacht dat van ons.

Beroepsziekten bij sekswerkers

Gesteld door

lijst: PS Marie Meunier

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Marie Meunier pleit voor erkenning van beroepsziekten bij sekswerkers, zoals SOA’s en mentale gezondheidsproblemen, nu ze onder een arbeidscontract vallen maar geen aanspraak kunnen maken op vergoedingen via Fedris. Minister Vandenbroucke bevestigt dat zeven SOA’s (o.a. hiv, hepatitis B, syfilis) sinds februari 2024 wetenschappelijk zijn bevestigd als beroepsrisico’s en dat een koninklijk besluit in voorbereiding is om ze toe te voegen aan de erkende lijst, na vertraging door de demissionaire regering. De minister belooft snelle afronding nu er een nieuw kabinet is. Meunier steunt het voorstel.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, la reconnaissance des maladies professionnelles est déterminante en termes de protection sociale des travailleurs. Cela leur permet de bénéficier à juste titre d'une indemnisation et d'un accompagnement adapté en cas de pathologie liée à leur activité professionnelle. Dans la logique et la continuité de la nouvelle loi encadrant le travail du sexe portée par mon collègue Pierre-Yves Dermagne lors de la précédente législature, il nous paraît essentiel et logique d'adapter les dispositifs de protection existants pour garantir aux travailleurs du sexe une couverture équivalente à celle des autres professions.

Je vous rappelle que, grâce à cette nouvelle loi, les hommes et les femmes qui se prostituent peuvent effectuer leurs prestations dans le cadre d'un contrat de travail similaire à n'importe quel autre travailleur. Ces travailleurs du sexe sont exposés à des risques qui sont spécifiquement liés à leur travail, notamment les infections sexuellement transmissibles, les pathologies liées à la santé mentale et d'autres problèmes de santé qui sont directement liés à leurs conditions de travail. Or ces pathologies ne figurent pas dans la liste des maladies professionnelles reconnues par Fedris, ce qui prive ces travailleurs de la reconnaissance et de l'indemnisation de ces maladies.

L'intégration des travailleurs du sexe dans un cadre de travail légal doit aller de pair avec une adaptation de la protection de leur santé au même titre que les autres professions.

Monsieur le ministre, comptez-vous assurer une mise à jour de la liste des maladies professionnelles reconnues afin d'y inclure les pathologies spécifiques liées au travail du sexe? Si oui, avez-vous déjà eu des contacts avec Fedris à ce sujet et comment comptez-vous collaborer avec elle?

Frank Vandenbroucke:

C'est en effet une question assez spécifique qu'il est intéressant de poser à part, tandis que les autres questions relèvent plutôt du débat que nous aurons sur la déclaration. En réponse à votre question, la réponse est deux fois oui, mais je vais vous donner un peu plus de détails.

Dès le mois d'octobre 2022, donc sans attendre la publication de la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions en matière de travail du sexe sous contrat de travail, mais en prévision de l'entrée en vigueur de celle-ci, j'avais demandé au Conseil scientifique de Fedris d'analyser les maladies infectieuses à l'égard desquelles les travailleurs du sexe couraient un risque accru d'exposition. Une étude particulièrement détaillée et étayée a été réalisée à la demande du Conseil scientifique par la commission Agents biologiques, dont les résultats ont été validés par ce même Conseil en février 2024.

Cette étude établit que les travailleurs du sexe présentent un risque accru de contracter sept maladies sexuellement transmissibles, à savoir le syndrome de l'immunodéficience acquise (sida), l'hépatite B, le papillomavirus, la syphilis, la chlamydiose, la gonorrhée et la trichomonase. Sur cette base, le Comité de gestion des maladies professionnelles a proposé le 9 septembre 2024 l'ajout d'un nouveau code dans la liste des maladies professionnelles reconnues.

Avec un gouvernement en affaires courantes, il n'était plus possible d'entamer le parcours légal à ce stade. Cependant, maintenant qu'il y a un nouveau gouvernement, j'ai donné des instructions pour relancer ce processus. En conséquence, le projet d'arrêté royal visant à concrétiser cet objectif sera soumis au gouvernement dans les plus brefs délais.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses qui me rassurent. Nous soutiendrons cette démarche. De voorzitster : Mijn vraag nr. 56002598C zal ik stellen tijdens de bespreking van de beleidsverklaring.

De responsabilisering van de ziekenfondsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke verduidelijkt dat de 37,5 miljoen euro (2025) en 250 miljoen (2029) uit minder uitkeringen en meer bijdragen komen door betere re-integratie van arbeidsongeschikten, niet uit directe sancties op ziekenfondsen, maar wel via strengere VARAK-criteria (variabele vergoedingen) om hun inzet te versterken. Van Quickenborne betwijfelt de haalbaarheid van deze ambitie op korte termijn en vraagt zich af hoe sancties voor slecht presterende fondsen worden berekend, wat Vandenbroucke nog niet concreet becijferd heeft. De discussie draait om realisme versus ambitie in de financiële impact van re-integratiemaatregelen, met nadruk op systeemwijzigingen in plaats van pure boetes. Wetsaanpassingen moeten dit jaar nog komen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, ik heb gezien dat de regering wel ambitie heeft op het vlak van arbeidsongeschiktheid. Deze middag zult u daarover ongetwijfeld in discussie gaan met de collega's in de commissie. Collega Irina De Knop volgt dat dossier voor ons op.

Wat mij opvalt, mijnheer de minister, is dat er in de budgettaire tabel sterke budgettaire ambities worden uitgesproken door uzelf en door de regering aangaande de arbeidsmarkthervormingen. Ik lees dat u nog dit jaar, 2025, 37,5 miljoen euro wil halen uit de responsabilisering van de ziekenfondsen.

U weet dat ik u onlangs heb gevraagd wat die responsabilisering in 2023 heeft opgebracht. U hebt gezegd dat die responsabilisering toen 1,2 miljoen euro heeft opgebracht vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen. Nu wil u dat bedrag verhogen van 1,2 miljoen naar 37,5 miljoen euro, in een tijdspanne van enkele maanden. Daar de begroting waarschijnlijk ten vroegste in juni 2025 in werking treedt, lijkt mij dat bijzonder ambitieus. Nu, we kennen u als ambitieus. We kennen elkaar goed, maar ik stel me echt de vraag of dat überhaupt mogelijk is.

Het blijkt ook, mijnheer de minister, dat inzake die 1,2 miljoen euro enkele ziekenfondsen gezegd hebben dat ze dat bedrag wel betaald hebben, maar dat ze intussen hun werking aangepast hebben. Solidaris, het socialistische ziekenfonds, heeft gezegd dat een groot deel van die sanctie van 1,2 miljoen euro te wijten was aan een aantal dossiers waarvan de deadline met een of twee dagen overschreden was. Solidaris zegt dat het intussen zijn procedures heeft bijgestuurd. Als de ziekenfondsen hun werking dus blijven verbeteren, zal de financiële sanctie sowieso afnemen.

Ik heb ter zake drie vragen.

Ten eerste, hoe denkt u het responsabiliseringsbedrag nog dit jaar te kunnen verhogen tot 37,5 miljoen euro? Is dat juridisch en praktisch haalbaar in minder dan een half jaar?

Ten tweede, tegen 2029 wil de regering 250 miljoen euro halen uit die responsabilisering. Mijn vraag is hoe u dat concreet gaat doen zonder de werking van de ziekenfondsen op de helling te zetten. Hoeveel bedroeg de totale dotatie van de ziekenfondsen voor het jaar 2024?

Tot slot, zult u voor die responsabilisering werken met de variabele vergoeding, net als de vorige regering, of gaat u daarvoor ook werken met de vaste vergoeding?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Van Quickenborne, dank u wel voor uw vraag en ook voor uw vriendelijke, of laat ons zeggen kritisch aanmoedigende, woorden aan mijn adres. We moeten inderdaad ambitieus zijn in een domein dat niet eenvoudig is.

Ik meen dat er misschien een misverstand zou kunnen bestaan over de betekenis van de bedragen in de budgettaire tabel die de nieuwe regering aan het Parlement heeft overgemaakt. De bedragen die in de tabel bij de meerjarenbegroting staan onder de rubriek "responsabilisering van de ziekenfondsen in het kader van re-integratie" zijn de verwachte bedragen aan minder uitkeringen ten gevolge van extra tewerkstelling van arbeidsongeschikte gerechtigden.

Met andere woorden, dat gaat over een gunstige impact op de begroting door de acties die men voert en de maatregelen die men treft. Dat zijn geen bedragen die rechtstreeks te maken hebben met de administratiekosten van de ziekenfondsen zelf. Het gaat dus over minder uitkeringen en meer bijdragen. De methodologie die we hanteren, is volledig identiek aan de methodologie die we ook met de voorbije regering hebben gehanteerd, toen we nog samen rond de tafel zaten en we het hadden over de gunstige impact die we hoopten te realiseren door meer mensen na een langdurige ziekte weer aan het werk te krijgen. Het gaat dus over minder uitkeringen en meer bijdragen en niet over een wijziging in de administratiekosten zelf van de ziekenfondsen. Natuurlijk willen we de ziekenfondsen, via wijzigingen in het systeem van de administratiekosten, met name via de zogenaamde variabele kosten of VARAK, ook financieel sterker aanzetten om daarop in te zetten. Ik denk dat dat ook een van uw vragen is.

Ik zal zeer snel met een concreet voorstel komen om de ziekenfondsen in hun administratiekosten via het VARAK-mechanisme sterker te responsabiliseren wat betreft het boeken van effectieve resultaten inzake re-integratie. Die sterkere financiële responsabilisering van de ziekenfondsen is natuurlijk maar één instrument in een batterij aan instrumenten die we stuk voor stuk willen versterken in deze regeerperiode. Hoe sneller we dat doen, hoe duidelijker ook het signaal zal zijn aan de ziekenfondsen en alle betrokkenen dat we daarop sterker zullen inzetten. Het is natuurlijk het resultaat van een batterij aan instrumenten die samen moeten zorgen voor een gunstig resultaat. In de presentatie die door de regering is overgemaakt aan het Parlement, is dat een beetje opgedeeld tussen het resultaat van de responsabilisering van de ziekenfondsen en het resultaat van het feit dat we de artsen sterker gaan aanspreken. Die resultaten zijn echter altijd in termen van minder uitkeringen die men betaalt vanuit de sociale zekerheid en meer bijdragen die men int. Die berekeningsmethode gaat eigenlijk terug op nota's van het Planbureau die we ook hebben gehanteerd met de vivaldiregering. Ik moet me echter inderdaad haasten om met nieuwe maatregelen te komen om het effect dat in de tabellen staat te sorteren; dat is juist.

Vincent Van Quickenborne:

Bedankt, mijnheer de minister voor die verduidelijking.

Ik vond het persoonlijk wat verwarrend omdat u toen we destijds spraken over de responsabilisering van ziekenfondsen een bedrag gaf van 1,2 miljoen. U hebt echter duidelijkheid geschapen, waarvoor dank.

Er is natuurlijk wel een verschil. Bij de responsabilisering van de werkgevers staat bijvoorbeeld in die tabel ook 61 miljoen euro voor dit jaar en 122 miljoen euro voor de komende jaren.

Frank Vandenbroucke:

Dat is inderdaad een opbrengst die de werkgever betaalt.

Vincent Van Quickenborne:

Daar gaat het inderdaad over de sanctie die u invoert op de tweede en de derde maand, die 30 %.

U zegt dat de bedragen verwijzen naar de opbrengsten die u verwacht, omdat meer mensen uit het systeem zullen treden. Ik veronderstel echter dat er dan nog altijd een component blijft van responsabilisering voor diegenen die niet goed ageren. Hoeveel bedraagt dat bedrag dan? Begrijpt u mijn vraag?

Frank Vandenbroucke:

Ja, maar eigenlijk hebben we dat nog niet becijferd. De VARAK is een systeem waarbij men ervan uitgaat dat men 100 % krijgt wanneer men perfect zijn werk doet. Dat is vandaag bijna 100 %. Die criteria zijn ook eerder procedureel. Ik wil die criteria meer toespitsen op feitelijk geboekte resultaten. Ze zullen dus strenger worden. Of men dan nog 100 % zal krijgen, weet ik niet. Ik wens dat, maar ik weet het niet. Daarop hebben we echter geen voorafname gedaan in onze tabellen.

Vincent Van Quickenborne:

We kijken uiteraard uit naar de teksten die zullen komen. U zegt immers dat u dit jaar nog resultaten wil boeken. Dan zullen er dus in de programmawet of in de wet houdende diverse bepalingen aanpassingen staan. We zullen die dan met veel interesse bekijken.

De schietpartij in Vorst
Het drugsgeweld in Brussel
Geweldsmisdrijven in Brussel

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de escalerende druggerelateerde fusillades in Brussel (11 in 2025, 90 in 2024) en de dringende oproep tot hardere, snellere actie tegen narcotraficanten, met focus op politiecapaciteit, strafuitvoering en structurele hervormingen. Minister Quintin benadrukt investeringen in politie (honderden miljoenen), fusie van Brusselese politiezones en betere samenwerking, maar erkent dat werving en aantrekkelijkheid van de job cruciale knelpunten zijn—naast de nood aan een verenigd Brussels bestuur en nationale/grensoverschrijdende aanpak. Kritiekpunten zijn onderbezetting bij politie/parket (43 openstaande vacatures), tekortschietende strafuitvoering (criminelen opereren vanuit gevangenissen) en gebrek aan daadkrachtig leiderschap, terwijl Nuino en Vandemaele eisen dat alle regeerakkoordmaatregelen versneld worden uitgevoerd om het "kanker van narcotrafic" te bestrijden voordat het escalatie zoals in Latijns-Amerika bereikt. De urgentie ligt bij concrete stappen nu: kaders invullen, salarissen/statuten verbeteren, trafieken ontmantelen via financiële en operationele druk.

Ismaël Nuino:

Monsieur le ministre, je vais vous poser une question aujourd'hui mais, malheureusement, j'aurais pu le faire toutes les semaines depuis le début de l'année.

Cette semaine, c'était la 11 e fusillade que connaissait Bruxelles et, l'année passée, il y en a eu 90. Alors, je ne fais évidemment pas ici le bilan de l'Arizona, et ce n'est pas ce qu'a dû faire le procureur du Roi en commission cette semaine. Évidemment que non. Mais je vous questionne aujourd'hui sur les mesures que vous comptez prendre et à quelle vitesse vous allez les prendre.

Je ne dois pas vous expliquer ce dont il s'agit. Chaque année, chaque semaine, chaque jour pratiquement maintenant, des gens se réveillent en ayant entendu des coups de feu. Il y a des balles dans des vitres d'appartements, dans des voitures, dans des commerces et, on l'espère, jamais perdues dans la chambre d'une personne qui dort.

La sécurité, monsieur le ministre – ce n'est pas à vous que je dois le dire –, est un droit fondamental. Personne ne doit sortir en rue en ayant peur. Personne! Et je vous ai entendu dire à raison que la peur devait changer de camp. Mais on doit aller plus loin que cela. Aujourd'hui, ce qu'on doit faire, c'est mener la guerre aux narcotrafiquants, mener la guerre au trafic, les traquer dans leur portefeuille et couper la tête à ces trafics. Pourquoi "couper la tête"? Cela peut paraître fort. Parce que le narcotrafic, c'est un cancer qui commence à un endroit, qui se métastase, qui lance de la corruption et qui mène à la violence partout, tout le temps. Nous ne pouvons le tolérer.

Alors, l'accord de gouvernement, je le salue, prévoit des dizaines de mesures contre le narcotrafic. L'Arizona est au rendez-vous. À quelle vitesse allez-vous mettre en place ces mesures? Où en êtes-vous dans la mise en place, même si je sais que cela ne fait qu'un mois que vous êtes là? Qu'avez-vous déjà pu faire? Et que comptez-vous faire dans les semaines et les mois à venir?

Le temps presse. Je ne vous apprends pas que les habitants de Bruxelles attendent des mesures concrètes.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, na een korte onderbreking van een week was het deze week opnieuw raak. Het lijkt wel of er elke week een nieuwe schietpartij is. Een nieuwe week, een nieuwe schietpartij.

Het straffe is dat dit nu net gebeurd is in Vorst in een wijk waar er korte tijd geleden grote politieacties zijn geweest. Ik moet u dat eigenlijk niet vertellen, want u was aanwezig op die politieactie. U zei daar dat wij de straat moeten teruggeven aan de mensen en de criminelen in de gevangenis moeten steken. Dat is een ambitie die wij met Ecolo-Groen alvast ondersteunen.

Deze week kwam de procureur des Konings van Brussel in de commissie voor Binnenlandse Zaken vertellen over het druggerelateerde geweld. Hij zei dat 43 van de 309 plaatsen niet zijn ingevuld. Bij de lokale politiezones zijn heel veel plaatsen niet ingevuld. U zou kunnen denken dat die man meer volk kwam vragen. Neen, het enige wat hij vroeg, was om de wettelijk voorziene kaders in te vullen. Dat is een logische, redelijke vraag, denk ik.

Het tweede element dat hij aanhaalde, was de flipflop in de strafuitvoering. Hij zei dat criminelen naar elkaar berichtjes sturen waarin staat dat men in België al heel veel moet doen om in de gevangenis te geraken, en als men erin geraakt, dan kan men gewoon de trafiek voortzetten.

Mijnheer de minister, wat zult u doen om voldoende handen en hoofden te leveren, zodat al het werk dat moet gebeuren, kan gebeuren? Ten tweede, zult u die kaders volledig invullen? Ten derde, wat zult u doen, samen met mevrouw Verlinden, om ervoor te zorgen dat men vanuit de gevangenis niet verder kan werken, maar dat men daar effectief zijn straf uitzit?

Beste collega's, dit moeten we allemaal weten. De mensen uit de wijken zijn de eerste slachtoffers van wat gebeurt in die wijken.

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik dank jullie voor de vragen die mij toelaten hier in dit forum terug te komen op de schietpartij van voorbije maandag, 10 maart 2025, in Vorst. Een man werd neergeschoten. Ik twijfel er niet aan dat het parket het dossier op de voet volgt.

De maatregelen die wij hebben getroffen, moeten worden behouden. Er is vooruitgang geboekt in het onderzoek. Er zijn arrestaties geweest door de politie. Wij mogen er echter niet van uitgaan dat wij een probleem van een dergelijke omvang op enkele weken tijd zullen oplossen. Al onze diensten blijven dus volledig gemobiliseerd.

De vraag over de gevangenissen is echter een vraag voor mijn collega-minister van Justitie.

J'aimerais revenir sur deux points.

Premièrement, je suis d'accord avec vous monsieur Nuino, il est important que nous investissions tant dans notre défense extérieure que dans notre défense intérieure. Comme le mentionne l'accord de gouvernement, l'Intérieur et la Justice seront bien refinancés. Pour la police, nous parlons de plusieurs centaines de millions d'euros sur l'ensemble de la législature. Il faudra en effet investir pour remplir le cadre, mais ce n'est pas quelque chose qui se décrète. Le cadre existe, mais il faut pouvoir recruter. Ce n'est pas, en l'occurrence, une question de moyens mais une question d'attractivité.

Wij moeten de aantrekkelijkheid van de job verhogen en dat is niet zo gemakkelijk.

Mais avec mes services, je m'y emploie à temps plein.

Deuxièmement, comme je l'ai exprimé publiquement à plusieurs reprises, ma volonté est de parvenir rapidement à la fusion des zones de police bruxelloises. Mon rôle est d'assurer que les services de sécurité soient organisés de la manière la plus efficace possible sur l'ensemble du territoire, dans le respect des compétences de chacun. Je rappelle que je suis directement responsable pour la police fédérale et que la police fédérale soutient les polices locales.

Je suis convaincu qu'à Bruxelles, un leadership unifié permettra d'améliorer de manière structurelle la sécurité des Bruxellois. En effet, les criminels doivent savoir qu'ils seront poursuivis, peu importe où ils se trouvent dans la capitale. Vous avez parlé de cancer. J'aime aussi évoquer une hydre à plusieurs têtes: il faut couper les têtes; on se rappellera que, pour qu'elles ne repoussent pas, il faut les brûler et que la dernière, qui est d'or, doit être enterrée.

J'espère, en parlant de leadership, pouvoir compter le plus rapidement possible sur un gouvernement bruxellois de plein exercice, essentiel pour répondre ensemble aux défis auxquels la capitale fait face. La sécurité des Bruxellois, dont je suis, doit passer avant d'autres calculs et intérêts. J'espère que d'aucuns en prendront enfin conscience et que nous pourrons travailler ensemble à justement améliorer la situation sécuritaire, non seulement des Bruxellois mais aussi de tous les Belges.

In fine , on doit travailler sur Bruxelles, bien entendu, mais nous serons tous d'accord pour dire que c'est quelque chose qui doit être attaqué au niveau de tout le Royaume, et même au-delà. J'ai eu l'occasion ce matin de participer à une conférence avec l'ambassade de France sur des questions de sécurité transfrontalière, que j'ai pu aussi aborder lors de ma visite à la zone de police Westkust, qui travaille beaucoup sur la question des transmigrants et d'autres crimes.

Ismaël Nuino:

Merci monsieur le ministre pour vos réponses.

Vous avez parlé d'autres pays. Je voudrais rappeler à chacun et chacune ici qu'il y a d'autres pays dans lesquels le narcotrafic s'est installé, et dans lesquels des citoyens, des magistrats, des journalistes, des responsables politiques qui ont les mêmes discussions que celles que nous avons ici se font tuer par les narcotrafiquants. Par pitié, n'en arrivons jamais là!

Nous devons agir vite et fort. Vous avez parlé de l'accord de gouvernement, dans lequel se trouve ce point sur la fusion des zones de police, mais d'autres également. Je vous invite, monsieur le ministre, à travailler sur les multiples mesures de l'accord de gouvernement, rapidement, pour les prendre toutes en charge le plus vite possible.

En attendant, soyez assuré de notre soutien plein et entier pour mener cette mission, pour apporter et ramener la sécurité à Bruxelles et pour s'assurer que chacun et chacune qui souhaite sortir dans la rue à Bruxelles puisse le faire en toute tranquillité.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik hoop dat het voluntarisme dat hier vaak in de zaal aanwezig is wanneer het gaat over ons verdedigen tegen buitenlandse mogelijkheden, ook aanwezig zal zijn wanneer het gaat over de veiligheid in onze straten. Ik heb een beetje het gevoel, mijnheer Quintin, als ik lees wat de media schrijven of als ik hoor wat er gezegd wordt in hoorzittingen, dat de ideetjes alle richtingen uitgaan. Maar we hebben nood aan een kapitein, aan iemand die duidelijk de leiding neemt. Ik hoop dat u dat zult doen. Ik hoor, ook van de procureur bijvoorbeeld, dat er op dit moment gewoon niet genoeg mensen zijn om alle controles te doen die noodzakelijk zijn, dat er niet genoeg mensen zijn om de onderzoeken op een goede manier uit te voeren. Dan zult u natuurlijk meer mensen moeten aanleveren en de kaders vullen. U zult daarvoor de job aantrekkelijker moeten maken. Ik meen echter dat dit in tegenspraak is met de ambities van het regeerakkoord. U zult het statuut moeten verbeteren, niet verminderen. Het enige (…)

Het schrappen van steun voor projecten rond mentaal welzijn voor jongeren in de grote steden

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 13 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De 3 miljoen euro subsidie voor mentale ondersteuning van kwetsbare jongeren in vijf grote steden (een tijdelijke coronamaatregel 2022-2024) werd stopgezet door de regering-De Croo, ondanks dringende oproepen van steden, organisaties en oppositie, met als argument budgettaire beperkingen en bevoegdheidsvragen. Open Vld blokkeerde eerder de verlenging, maar nu weigert de N-VA-regering (met ex-burgemeester De Croo als premier) de herinvoering, ondanks eerdere beloftes, wat Vanbesien als prioriteitsgebrek aanwijst: *"miljarden voor wapens, maar geen cent voor jongerenwelzijn"*. Minister Van Bossuyt beaamt de noodzaak maar wijst op federale bevoegdheidsgrenzen en het ontbreken van een nieuw koninklijk besluit, terwijl lokale organisaties zoals TEJO nu zonder middelen vallen.

Dieter Vanbesien:

Mevrouw de minister, eergisteren zag ik op tv de documentaire Lockdown 2020, blijf in uw kot . Dat is ondertussen vijf jaar geleden, maar de schrijnende beelden brachten alles wel snel terug.

Zoals we allemaal weten, hebben de coronajaren er hard ingehakt, niet in het minst bij jongeren, die gedurende twee jaar verstoken zijn gebleven van sociale contacten en dus te lijden hebben gehad in hun sociale ontwikkeling. De vivaldiregering had daarom een project opgestart in samenwerking met de vijf grote steden in ons land, waaronder Gent, mevrouw de minister, met een jaarlijkse subsidie van 3 miljoen euro voor projecten met kwetsbare jongeren. Tot onze ontzetting werd die subsidie vanaf januari geschrapt in de voorlopige twaalfden. Het is Open Vld die erin geslaagd is om die subsidie alsnog tegen te houden, ondanks aandringen van Groen en onder andere ook Vooruit.

Vandaag moet men drie maanden wachten op een eerste afspraak bij een psycholoog en organisaties die daar een verschil in kunnen maken, werden op droog zaad gezet. Twee weken later was er echter licht aan het eind van de tunnel. De toenmalige burgemeester van Antwerpen ondertekende een brief waarin het terugkeren van die subsidie geëist werd, in het belang van het mentale welzijn van de jongeren.

De partij van die burgemeester is ondertussen de grootste partij van de regering, de burgemeester zelf is nu eerste minister en Open Vld zit in de oppositie. Bij de bespreking dinsdag hebben wij die subsidie dan ook opnieuw op tafel gelegd, maar wat blijkt? De partij van de burgemeester is van gedacht veranderd. Het bleken praatjes te zijn. Veel woorden, maar geen daden bij de N-VA.

Mevrouw de minister, het gaat hier om een heel klein bedrag. Open Vld is er niet meer om het tegen te houden. Waarom wordt de subsidie niet opnieuw geactiveerd? Hebt u die vraag op de ministerraad gebracht en wie heeft dat dan tegengehouden? Dank u wel.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Vanbesien, bedankt voor uw vraag.

Ik onderschrijf absoluut uw bezorgdheid en het feit dat de uitdagingen op het vlak van mentaal welzijn bij jongeren groot zijn. Ik ben het er ook absoluut mee eens dat het noodzakelijk is om blijvend te investeren in preventieve en ondersteunende maatregelen. Het is evenwel essentieel om de kwestie waarover u het hier specifiek hebt, in de juiste context te plaatsen.

U hebt die context zelf ook al deels geschetst. In de nasleep van de COVID-19-crisis heeft de regering-De Croo, onder impuls van voormalig minister Lalieu, in een tijdelijke toelage van jaarlijks 3 miljoen euro voorzien voor de OCMW's van de vijf grote steden. Dat betrof een tijdelijke crisismaatregel. Het bedrag werd expliciet toegekend voor een periode van 3 jaar, van 2022 tot en met 2024, en diende om pilootprojecten te financieren ter bevordering van het psychologisch welzijn van jongeren onder de 25 jaar. Het is essentieel te vermelden dat de uitbetaling van die toelage afhing van de jaarlijkse goedkeuring van een koninklijk besluit. Voor het jaar 2024, dus subsidiejaar 2025, heeft de regering-De Croo echter beslist om geen nieuw KB uit te vaardigen, terwijl zoals gezegd, dat KB een noodzakelijke voorwaarde was. Dat betekent concreet dat er voor de toelage in kwestie geen middelen werden voorzien in de begroting en de uitbetaling dus niet mogelijk is.

Ik betreur dat. Het ging om een beslissing van de regering waarvan uw partij deel uitmaakte. Ik heb mij over het vraagstuk gebogen of de maatregel al dan niet kon worden voortgezet. Preventie valt onder de bevoegdheid van de deelstaten. Men kan zich de vraag stellen of de kwestie onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. De nieuwe regeringsploeg wordt geconfronteerd met aanzienlijke budgettaire uitdagingen. In die context is het onmogelijk om crisismaatregelen die altijd van een tijdelijke (...)

Dieter Vanbesien:

Mevrouw de minister, het belangrijkste stuk van uw antwoord zat in de staart. De budgettaire uitdagingen doen u de keuze maken om het niet te verlengen. We hebben het amendement dinsdag op tafel gelegd en er werd gekozen om het niet goed te keuren. Verschillende van de organisaties die hier getroffen worden, hebben mij ook gecontacteerd. De echte slachtoffers zijn de mentaal kwetsbare jongeren. Een van die organisaties, ook actief in Gent, is Therapeuten voor Jongeren, afgekort TEJO. Bij TEJO werken professionele therapeuten die jongeren gratis begeleiden en zorgen voor mentaal welzijn. Deze werking hangt af van een paar tienduizend euro. Wanneer de vzw TEJO roept, wordt er echter niet geluisterd. Daarentegen, als minister Theo roept dat hij meer en meer miljarden nodig heeft om bommen te kopen en een oorlogsmachine in gang te zetten, dan springt Arizona in het gelid. Miljarden voor wapens is geen probleem, als het gaat over 3 miljoen voor het mentaal welzijn van onze jongeren, dan is er een budgettair probleem. Collega's, het is duidelijk, de ene Theo is de andere niet.

Het vermoeden van sociale fraude bij het OCMW van Anderlecht
De wanpraktijken bij het OCMW van Anderlecht
Fraude en cliëntelisme bij het toekennen van een leefloon in het OCMW van Anderlecht
Misstanden bij het OCMW van Anderlecht

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om het OCMW-schandaal in Anderlecht, waar fraude, wanbeheer en cliëntelisme aan het licht kwamen via *Pano*-reportages en hoorzittingen. Vincent Van Quickenborne stelt vier juridische kernvragen (o.a. over 1-op-1-ontvangsten zonder maatschappelijk werker, terugdraaien van beslissingen zonder nieuwe elementen, en druk op medewerkers), maar minister Anneleen Van Bossuyt geeft geen directe antwoorden, verwijst naar toekomstige sancties (bonus-malussysteem), strengere controles (inspectie zomer 2025) en belooft schriftelijke verduidelijking. Ellen Samyn benadrukt structurele tekortkomingen (werkdruk, gebrek aan verantwoordelijkheidscultuur) en eist transparantie en verantwoording, terwijl de oppositie concrete wettelijke kaders blijft afdwingen. De minister erkent de ernst van de zaak maar blijft vaag over directe oplossingen, wat tot kritiek en scepsis leidt over effectieve verandering.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, de commissie voor Sociale Zaken heeft zich de voorbije maanden gebogen over wat in Anderlecht is gebeurd en wat aan het licht kwam door een reportage van het VRT-programma Pano . Helaas hebben de getuigenissen tijdens de recente hoorzittingen niet altijd concrete antwoorden opgeleverd, maar het is duidelijk dat er heel wat speelt in Anderlecht.

Zijn er sinds het losbarsten van het schandaal nog bijkomende wanpraktijken aan het licht gekomen of onregelmatigheden aan u gemeld? Zo ja, welke? Hebt u reeds acties gepland naar aanleiding van dit dossier? U hebt daarover daarnet al een tipje van de sluier gelicht met uw antwoord op de eerste vraag.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik ben blij u te mogen verwelkomen in deze commissie.

Dit is de eerste keer dat we u kunnen horen over het schandaal in Anderlecht, dat u, uw diensten en uw kabinet ongetwijfeld hebben gevolgd. Dankzij de inspanningen van de voorzitter en deze commissie hebben we daarover al heel wat hoorzittingen kunnen organiseren. Ik heb daarover straks nog een aantal andere vragen.

We zijn heel benieuwd naar de houding van de regering, maar ook naar uw houding ten aanzien van wat daar is gebeurd. We hebben intussen gedurende meer dan 60 uur hoorzittingen gehouden en een werkgroep zal de werkzaamheden voortzetten en met aanbevelingen komen voor de commissie voor Sociale Zaken en de regering. Vanuit de oppositie werken we daar graag aan mee.

Ik heb een aantal specifieke en concrete vragen naar aanleiding van het schandaal in Anderlecht. Het zijn er maar vier, maar ik wil er graag een concreet antwoord op krijgen.

Ten eerste, de toenmalige OCMW-voorzitters hebben mensen ontvangen zonder aanwezigheid van een maatschappelijk werker. Kan dat of niet?

Ten tweede, blijkbaar bestond er in Anderlecht een systeem waarbij er hoorzittingen werden georganiseerd nadat het bijzonder comité voor de sociale dienst (BCSD) beslissingen had genomen en dat zonder dat er nieuwe elementen waren opgedoken. Kan dat of niet?

Ten derde, kan het dat na de hoorzittingen die werden georganiseerd door het BCSD een beslissing van het BCSD wordt teruggedraaid zonder nieuwe elementen? In een openbare vergadering werd het voorbeeld gegeven van iemand die 28.000 euro aan leefloon moet terugbetalen en waar er uiteindelijk slechts 534 euro is teruggevorderd. Dat is een van de vele voorbeelden die we hebben gehoord.

Ten vierde, kan het dat medewerkers onder druk worden gezet om documenten te ondertekenen waarin ze beschuldigd worden van insuffisance professionelle (professionele onbekwaamheid)? Kan dat of niet?

Dat zijn vier eenvoudige vragen waarop ik hopelijk vier duidelijke antwoorden krijg.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.

De OCMW-Anderlecht saga komt maar niet ten einde. Eerst bleek dat er reeds in mei een stijging van onterecht uitgekeerde steun was. En zelfs in 2021 werd er al gesuggereerd een anti-fraude cel op te richten. Er was al langer sprake van mogelijke fraude. “Wel fouten, geen fraude" luidt de verklaring van de ex-voorzitters van het Anderlechts OCMW. Als er duidelijke signalen komen vanuit de organisatie dat er belastinggeld onterecht wordt toegekend, en er wordt geen actie ondernomen, dan is dat verhindering van de oplossing, niet zomaar 'een fout'. Daarbovenop blijkt dat de ex-voorzitter in de hoorzitting tegenstrijdige antwoorden gaf die niet kloppen met wat medewerkers en andere geïnterviewden zeggen. De ex-voorzitter verklaarde dat “er niet de intentie was te frauderen", waarmee hij enerzijds niet ontkent dat er sprake is van fraude en anderzijds lijkt te geloven dat je onvrijwillig kan frauderen. Het verschil tussen een 'technische fout' waarbij je geld stort naar de verkeerde persoon en 'fraude' is dat het ene per ongeluk is, en het andere moedwillig.

Is het toegestaan dat de OCMW-voorzitter leefloonaanvragers 1-op-1 ontvangt?

Bestaat er een controlemechanisme zodat een medewerker of voorzitter niet mag beslissen over de uitkering aan familie of vrienden?

Welke stappen kunnen er genomen worden om de interne werking van het OCMW efficiënter en transparanter te maken, alsook om een verantwoordelijkheidszin in te bouwen en gepaste sancties bij misbruik?

Neemt de minister genoegen met het antwoord 'Er was niet de intentie te frauderen'?

Zijn er responsabiliseringsmechanismen of incentive-structuren die opgezet kunnen worden om ervoor te zorgen dat de OCMW's en hun voorzitters doelgericht werken naar het activeren en integreren van leefloners?

Als er sprake is van fouten door hoge werkdruk, hoe is de situatie zo ver kunnen komen? M.a.w. hoe komt het dat de werkdruk verhoogd is, door grote instroom, of door wegvloeien personeel, en waarom is hier eerder niets aan gedaan?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, mijnheer Raskin, mijnheer Van Quickenborne, ik dank u voor de interessante vragen.

Naar aanleiding van de verschillende onthullingen die door de VRT zijn gedaan in de aangehaalde reportage, zijn er aanvullende controles uitgevoerd bij het OCMW van Anderlecht. Ik heb naar aanleiding van uw vragen nogmaals navraag gedaan bij de POD MI, die mij heeft gemeld dat er sindsdien geen bijkomende meldingen zijn geweest.

Ik blijf de evolutie van de situatie vanzelfsprekend van dichtbij volgen. De onthulde wantoestanden omtrent de individuele dossiers en het politieke cliëntelisme bij het OCMW van Anderlecht zijn immers onverantwoord en schandalig. Ik zou nog een hele reeks andere woorden daaraan kunnen toevoegen.

Ik zal daarom werk maken van een duidelijke responsabilisering van de OCMW’s via een bonus-malussysteem waarmee we via in- en outputgerichte financiële prikkels OCMW’s zullen stimuleren maximaal in te zetten op intensieve, aanklampende begeleiding, activering en maatschappelijke integratie van de leefloongerechtigden.

Ik werk ook een strenger controle- en sanctiekader uit, zoals al in de vorige antwoorden is meegegeven. Mijnheer Van Quickenborne, de details in het antwoord op uw vragen zullen in het kader van de verdere uitwerking meer duidelijkheid krijgen.

Een volgende periodieke inspectie zal plaatsvinden tijdens de zomer van 2025. De diensten van de POD MI, met name de inspectie, zijn in regelmatig contact met het OCMW van Anderlecht.

Er komen nog een aantal vragen over de kwestie. Ik ben ervan overtuigd dat zeker niet het laatste woord daarover is verteld. U hebt zelf een werkgroep opgericht, waaruit een aantal zaken onze richting zullen uitkomen. Ik hoop vooral dat we ter zake kunnen samenwerken om dergelijke toestanden in de toekomst te vermijden.

Wouter Raskin:

Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.

Naast het strengere sanctiekader dat u wilt uittekenen, zoals u al antwoordde op de eerste vraag, verwijst u nu naar responsabilisering. Ik denk dat dat nodig is. Het slechte voorbeeld van Anderlecht heeft bewezen dat er op zijn minst één OCMW geresponsabiliseerd moet worden, en wellicht meerdere. Op die manier zullen ze gedwongen worden om correcter met openbare middelen om te springen.

Ik zie ook dat men van plan is om deze zomer opnieuw een grondige inspectie te organiseren in Anderlecht. Dat is een goed idee. Het klopt, mevrouw de minister: de werkgroep die wij gisteren opgericht hebben, zal u niet alleen nogmaals wijzen op de maatregelen die in het regeerakkoord staan, maar zal ook met andere stevige aanbevelingen komen. Daar mag u van op aan. Dank u wel.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik begrijp en deel uw verontwaardiging. U verwijst ook naar een aantal zaken uit het regeerakkoord, maar ik heb u vier duidelijke vragen gesteld. Die hangen niet af van wat u al dan niet wilt doen met het regeerakkoord.

Als ik u de vraag stel: "Kan het dat een OCMW-voorzitter mensen ontvangt zonder maatschappelijk werker erbij?", dan hangt het antwoord niet af van een toekomstig sanctiepakket, wel van de vraag of het volgens de wet kan of niet kan. Ik heb dezelfde vraag gesteld over het organiseren van hoorzittingen na een bijzonder comité zonder nieuwe elementen. De heer Van Schuylenbergh – die u misschien kunt consulteren voor uw kabinet – is komen zeggen dat dat eigenlijk niet kan.

Ik zou dus van u willen weten: kan dat of kan dat niet? Het is toch normaal dat een parlementslid die vraag stelt aan een minister, die de wetgeving moet uitvoeren. U antwoordt daar niet op. Het hangt niet af van een strenger sanctiepakket; de vraag is eenvoudigweg: "Kan het of kan het niet?" Hetzelfde geldt voor de vraag over beslissingen die teruggedraaid worden en het feit dat medewerkers onder druk worden gezet. Ik denk dat u zelf ook wel inziet dat uw antwoord gebrekkig is en tekortschiet. Het zijn vier concrete vragen over vier vaststellingen: kan het of kan het niet? Ik blijf die vraag herhalen en ik hoop dat u mij zo meteen antwoordt.

Voorzitter:

Madame la ministre, je vous propose de répondre par écrit.

Vincent Van Quickenborne:

Ik begrijp dat u de antwoorden niet onmiddellijk kunt geven, al komen de vragen niet bepaald uit de lucht vallen, want ik had ze u op voorhand bezorgd. Ze gaan overigens over het wetgevend kader: "Kan het of kan het niet?" Ik zou het dus zeer appreciëren als u mij de antwoorden schriftelijk kunt bezorgen.

Voorzitter:

C’est toujours le problème des questions jointes. Ce que je vous propose, madame la ministre, c’est que vous vous engagiez à répondre par écrit précisément aux questions posées.

Ellen Samyn:

Ik zou inderdaad ook graag een schriftelijk antwoord krijgen op een deel van mijn vragen. Mevrouw de minister, ik begrijp u. U hebt dit dossier geërfd. Indien het een echte erfenis was, had ik ze verworpen, want ik zou er niet blij mee zijn. U zit er echter mee opgezadeld. Ik hoor in uw antwoord dat er momenteel geen bijkomende meldingen zijn. Waarover ik mij wel nog zorgen maak, is de werksfeer en de werkdruk op die maatschappelijke assistenten. Daaraan is namelijk weinig veranderd. Ik hoor ook dat er een periodieke inspectie zal plaatsvinden in de zomer van 2025. Ik ben echter niet zo opgetogen over de werkgroep. Ik hoop dat die zoden aan de dijk zal brengen, maar ik sta er eerder wat sceptisch tegenover. Ik zal mij echter zeker inzetten en hoop dat we goede aanbevelingen zullen kunnen formuleren. Wat ik echter zeker hoop, is dat de aanbevelingen van de commissie echt zullen worden uitgevoerd en effectief zullen leiden tot een positief resultaat. We moeten immers niet alleen naar de cliënten kijken, maar ook naar degenen die daar werken. U kunt zich namelijk niet voorstellen in welke sfeer die mensen moeten werken. Ik hoop dus dat heel die stal wordt uitgemest en dat er opnieuw kan worden begonnen met een propere lei. Ik hoop eveneens dat zoiets in de toekomst niet meer kan gebeuren, niet in Anderlecht en ook niet in de andere Brusselse OCMW's of elders. Hopelijk haalt het dus ook iets uit.

Het geweld tegen medewerkers van het Molenbeekse OCMW

Gesteld door

lijst: VB Ellen Samyn

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

OCMW-medewerkers worden steeds vaker slachtoffer van agressie, zoals een recent azijnincident in Molenbeek aantoont, wat vragen oproept over hun veiligheid en werkomstandigheden—met name door mogelijke federale besparingen op uitkeringen die het geweld kunnen verergeren. Minister Van Bossuyt deelt de bezorgdheid maar wijst de verantwoordelijkheid af: veiligheidsmaatregelen en agressiebeheer vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen, niet onder haar federale portefeuille. Ze verwijst naar algemene regeerakkoordmaatregelen tegen agressie op hulpverleners, maar biedt geen concrete oplossingen of budgetten. Samyn benadrukt dat structurele bescherming dringend is, maar moet de kwestie nu bij de gemeenschapsministers neerleggen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.

De minister van Maatschappelijke Integratie is verantwoordelijk voor het Openbare Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), de werking ervan en de medewerkers. Het aantal agressiegevallen naar medewerkers van de OCMW's is ernstig. Vandaag legden medewerkers van het Molenbeekse OCMW het werk neer nadat een collega op straat werd gevolgd door een misnoegde leefloonaanvrager, ze kreeg azijn over zich heen en werd uitgescholden, aldus de VRT. De mensen die bij het OCMW werken proberen mensen te helpen in moeilijke situaties, ze zetten zich in voor diegenen die minder hebben of kunnen in deze maatschappij. Zij verdienen niet alleen een veilige werkomgeving maar ook respect. De mogelijkheid bestaat dat de plannen van de federale regering om te besparen op uitkeringen nog een verdere stijging in het aantal geweldplegingen naar OCMW-personeel kan teweegbrengen.

Acht de minister het werkbaar dat de OCMW-medewerkers in zulke werkomstandigheden moeten werken?

Heeft de minister plannen om de veiligheid van OCMW-kantoren te verhogen door het inzetten van (private) veiligheidspersoneel?

Zal de minister budgetten vrijmaken om de veiligheid en werksituatie van OCMW-medewerkers te versterken?

Welke maatregelen zal de minister nemen ter preventie van een stijging van geweld tegenover het OCMW-personeel?

Welke gevolgen en sanctionering kunnen de OCMW's opleggen aan klanten die geweld plegen, of disruptief zijn?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Samyn, net als u ben ik getroffen door het geweld dat de medewerkers van het OCMW van Molenbeek hebben moeten ondergaan. Nu ging het over één specifiek zwaar geval daar. Dit soort incidenten zijn absoluut onaanvaardbaar. Geweld tegen medewerkers die zich dagelijks hard inzetten is nooit gerechtvaardigd. Mijn medeleven gaat dan ook uit naar het slachtoffer en de naasten.

De regering neemt deze problematiek ernstig en heeft in het regeerakkoord ook maatregelen opgenomen om de veiligheid van het overheidspersoneel en van de maatschappelijke werkers te versterken en misbruik en agressie tegen hulpverleners tegen te gaan. U kunt gerust mijn collega die hiervoor bevoegd is ondervragen, want dit valt niet onder mijn bevoegdheid.

Agressie tegen medewerkers van OCMW's dient niet aan mijn administratie te worden gemeld, aangezien de werking van het OCMW, inclusief het beheersen van agressie tegen het personeel van het OCMW, een aangelegenheid is die tot de bevoegdheid van de respectieve gemeenschappen behoort.

Ik heb alle begrip voor uw vraag en voor uw bezorgdheid en ik deel die ook, maar ik raad u aan om de vragen aan de bevoegde gemeenschapsministers te stellen.

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, dank u voor uw duidelijke antwoord. Ik zal dat zeker doen, als er vanmiddag al geen plenaire vragen in het Vlaams Parlement over zijn gesteld. Zeker in een omgeving waar men mensen helpt, zou men veilig moeten zijn. Dit is niet het eerste incident en het zal helaas ook niet het laatste incident zijn. Ik hoop dat bij de gemeenschappen ook wordt bekeken hoe we die OCMW-medewerkers het best kunnen beschermen.

De jaarverslagen van de OCMW's

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Alle OCMW’s moeten jaarlijks een *uniek jaarverslag* (eigenlijk een budgettaire controle-applicatie voor facultatieve subsidies) invullen en ondertekenen, anders verliezen ze recht op subsidies—wat volgens de minister nooit is voorgekomen. De gegevens worden niet gepubliceerd als statistiek, maar de minister onderzoekt of relevante data later kunnen worden geïntegreerd. Ze biedt wel maatwerkstatistieken aan voor specifieke subsidievragen, zoals eerder gebeurde. De term *"uniek jaarverslag"* is misleidend, aangezien het enkel gaat om uitgavenverantwoording.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, ik zal bondig zijn. Elk jaar in januari moeten de OCMW’s een uniek jaarverslag indienen.

Voeren alle gemeenten die gegevens jaarlijks in? Zo niet, zijn daar bepaalde redenen voor? Bestaan er sancties voor gemeenten die niets invoeren? Waarom worden de gegevens niet gepubliceerd onder de statistieken? Bent u bereid om de unieke jaarverslagen van de afgelopen vijf jaar met ons te delen?

Anneleen Van Bossuyt:

De extra anderhalve minuut van de heer Raskin kan ik gebruiken voor het antwoord.

Voorzitter:

Dat is altijd interessant, mevrouw de minister. U mag dat zeker doen.

Anneleen Van Bossuyt:

Ik probeer in elk geval binnen de toegestane 2,5 minuten te blijven.

Collega Raskin, elke OCMW dient inderdaad jaarlijks zijn jaarverslag in orde te maken voor de afgesproken datum waarop de coderingen in het uniek jaarverslag worden afgesloten. Als een OCMW niets rapporteert voor een specifiek gebruik, een subsidie bijvoorbeeld, dan vraagt de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid een bevestiging van het niet-gebruik van subsidiegeld om na te gaan of er zich geen technisch probleem heeft voorgedaan bij het opslaan van de gegevens. Ook een OCMW dat geen uitgaven op een subsidie wenst in te voeren, wordt geacht om het uniek jaarverslag in te vullen, maar dan zonder uitgaven, en te ondertekenen als bewijs dat het een specifieke steun niet heeft gebruikt. De finale rapportage dient ook ondertekend te zijn door de verantwoordelijken binnen het OCMW.

Het jaarrapport moet worden ondertekend door alle OCMW’s voor sluiting. Soms wordt de specifieke deadline kort verlengd, maar elk OCMW tekent. Indien een OCMW het uniek jaarrapport niet zou invullen, dan zou het geen recht hebben op de betrokken subsidies, aangezien de uitgaven niet gerechtvaardigd worden. Dit is volgens de POD Maatschappelijke Integratie nog nooit gebeurd.

Het uniek jaarrapport dient niet voor de opmaak van statistieken, het is een budgettaire verantwoording. De keuze werd gemaakt om voor de statistieken te werken met een aparte subsite die wordt gevoed met gegevens vanuit het infocentrum van de POD. Het uniek jaarrapport zit daar – nog – niet in. Ik bekijk nu met mijn administratie de mogelijkheid om op termijn een aantal gegevens uit dat unieke rapport te integreren als die een significante betekenis hebben en als ze structureel zijn.

De term uniek jaarverslag is evenwel een beetje misleidend. Het gaat hier niet om een echt verslag, maar wel om een applicatie ter controle van de uitgaven van de OCMW rond facultatieve subsidies

Het gaat hier dus slechts om data over de rechtvaardiging van uitgaven die on desk worden gecontroleerd. Indien u specifieke vragen hebt over bepaalde subsidies, dan ben ik bereid om specifieke data in statistische vorm aan te leveren. Dit werd in het verleden reeds meerdere keren gedaan voor specifieke vragen over bepaalde subsidies.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het aanbod dat u doet bij het beantwoorden van de laatste subvraag. De term unieke jaarverslagen was inderdaad ietwat misleidend.

Voorzitter:

Dan kunnen we misschien de titel van de jaarverslagen wijzigen, zodat duidelijk wordt waarvoor ze dienen.

De terugbetaling van de ziekenfondsbijdrage door het OCMW

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Wouter Raskin vraagt waarom OCMW’s ziekenfondsbijdragen terugbetalen aan behoeftigen, terwijl deze gratis kunnen aansluiten bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, wat verplichte ziektekostenverzekering garandeert. Minister Van Bossuyt benadrukt dat OCMW’s autonoom beslissen om (gedeeltelijk) in te staan voor bijdragen—inclusief aanvullende kosten—na een sociaal onderzoek, maar niet voor facultatieve verzekeringen zoals hospitalisatie. Ze bevestigt dat OCMW’s moeten informeren over de gratis Hulpkas, maar deze biedt geen extra voordelen. Raskin pleit voor een efficiëntere inzet van beperkte middelen en een grondige discussie over mogelijke regelherziening, zonder overhaaste wetswijzigingen.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, het gebeurt regelmatig dat een OCMW de ziekenfondsbijdrage van steunaanvragers terugbetaalt. Nochtans kunnen die personen gratis aansluiten bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. Die aansluiting garandeert de aansluiting bij de verplichte ziekteverzekering.

Mevrouw de minister, bent u op de hoogte van de mogelijkheid voor OCMW’s om de ziekenfondsbijdrage van steunaanvragers terug te betalen? Vindt u het logisch dat OCMW’s die bijdrage terugbetalen, terwijl de betrokkenen gratis toegang hebben tot de terugbetaling van de medische verzorging die voor iedereen verplicht is?

Voorzitter:

Dat is een boeiende vraag.

Anneleen Van Bossuyt:

Hier worden alleen maar boeiende vragen gesteld, mijnheer de voorzitter.

Mijnheer Raskin, er dient te worden opgemerkt dat het OCMW de kosten van de ziekenfondsbijdrage niet terugbetaalt, want als de persoon in staat was om die zelf te betalen, dan was hij of zij op dat moment misschien niet behoeftig. In de praktijk zal het OCMW, als het tussenkomt in de ziekenfondsbijdrage, de bijdragekosten rechtstreeks aan het ziekenfonds betalen, in naam van de betrokkene.

Het OCMW komt tussen in de kosten van de ziekenfondsbijdrage wanneer, na het sociaal onderzoek, de staat van behoeftigheid is aangetoond en ook de tussenkomst in de ziekenfondskosten het meest geschikte middel is om de betrokkene te helpen. Deze regel is van toepassing, ongeacht of het OCMW stappen heeft ondernomen om een persoon aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn keuze, zoals bepaald in artikel 60, § 5, van de wet, of dat de persoon reeds bij het ziekenfonds is aangesloten.

Het OCMW bepaalt volledig autonoom, door middel van zijn sociaal onderzoek, of een persoon al dat niet in staat is om een menswaardig leven te leiden en hoe het zal tussenkomen in de ziekenfondsbijdragen. Afhankelijk van de staat van behoeftigheid kan het OCMW beslissen om slechts in een deel van de kosten van de ziekenfondsbijdragen tussen te komen.

Aangezien de keuze van het ziekenfonds in België gewaarborgd is en de ziekenfondsen, met uitzondering van de hulpkas die u vermeldde, altijd de betaling van aanvullende bijdragen vereisen, zal het OCMW de kosten van die aanvullende bijdragen ten laste nemen als de staat van behoeftigheid bewezen is. Daarnaast zal het OCMW nooit de andere facultatieve verzekeringen ten laste nemen, zoals een hospitalisatieverzekering.

Het lijkt me inderdaad opportuun dat een OCMW de aanvrager altijd informeert dat er in België een openbaar ziekenfonds bestaat dat geen betaling van aanvullende bijdragen vereist, maar ook geen extra voordelen biedt.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, ik dank u om de regelgeving duidelijk te schetsen. Ik ben blij dat de waarnemend voorzitter dit een boeiende vraag vindt. Ik denk dat het thema boeiend genoeg is om grondig van gedachten te wisselen. Gezien de beperkte middelen en de budgettaire toestand waarin dit land verzeild is geraakt en de nood aan het efficiënt inzetten van de beperkte middelen is het nodig die regelgeving te herzien of daarover op zijn minst grondig van gedachten te wisselen. Ik weet dat het soms veel gemakkelijker is om te denken aan een wetsaanpassing. Dat is allemaal goed bedoeld, maar dat kan nog heel wat gevolgen hebben, dus ik pleit er hier zeker niet voor om als een olifant door de porseleinwinkel te lopen. Aangezien er een instantie is waar mensen gratis kunnen aansluiten, denk ik dat dit een thema is waar op zijn minst over mag worden doorgeboomd.

De ondersteuning van de OCMW's
De federale compensatie voor OCMW’s na de beperking van de werkloosheidsuitkeringen
Financiering en ondersteuning van OCMW's na hervormingen in werkloosheidsuitkeringen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onvoldoende federale compensatie (527 miljoen in 2029) voor gemeenten en OCMW’s door de beperking van werkloosheidsuitkeringen tot 2 jaar, wat naar verwachting 44.000 extra leefloongerechtigden zal creëren (kost: ~700 miljoen/jaar). Minister Van Bossuyt belooft voorwaardelijke federale steun (afhankelijk van tewerkstellingsresultaten via GPMI), maar geeft geen concrete bedragen of methodiek, wat tot scherpe kritiek leidt: de maatregel zou OCMW’s structureel onderfinancieren en hen oneigenlijke taken (reïntegratie) opleggen. Kritiekpunten zijn gebrek aan transparantie, regionale verschillen, en het ontbreken van een automatische aanpassingsmechanisme bij hogere instroom.

Marie Meunier:

Madame la ministre, au sein de l'accord présenté aux membres de la Chambre des représentants, le gouvernement prévoit une réforme fiscale et une réforme du marché du travail et des pensions. Ces réformes entraîneront des charges supplémentaires pour les pouvoirs locaux. Le tableau budgétaire qui a été transmis aux membres de la Chambre reprend d'ailleurs une ligne en dépenses concernant le "soutien aux administrations locales: compensation des réformes du marché du travail et des pensions" avec un impact de 527 millions en 2029. Une compensation qui semble bien faible au regard des charges qui vont peser sur les finances locales et plus singulièrement sur les charges liées au RIS dans les CPAS.

Madame la ministre, que recouvre la ligne budgétaire "Soutien aux administrations locales", qui est reprise dans le tableau budgétaire transmis aux membres? Cette ligne budgétaire intègre-t-elle une compensation pour les CPAS qui devront faire face à une augmentation des demandes à la suite de la limitation dans le temps des allocations de chômage? Si oui, à quelle hauteur? Si une partie de l'enveloppe est destinée aux CPAS, une compensation est-elle prévue pour l'augmentation des frais de gestion qui sont liés à l'augmentation du nombre de dossiers à traiter? Si oui, à quelle hauteur? Un budget est-il prévu afin de relever le taux de remboursement du RIS par le fédéral? Si oui, à quelle hauteur? Ce relèvement concernera-t-il l'ensemble des RIS ou certaines catégories de bénéficiaires en particulier?

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, mijn vragen gaan in dezelfde richting.

U weet als geen ander dat het regeerakkoord bepaalt dat de werkloosheidsuitkeringen na twee jaar stoppen en dat mensen dan desgevallend naar het OCMW worden verwezen. Uit statistieken blijkt dat toen wij met de regering-Di Rupo hadden beslist om de wachtuitkering voor jongeren in de tijd te beperken, een derde van de jongeren naar het OCMW stapte, een derde aan de slag ging en een derde uit de statistieken verdween.

Ik heb een aantal vragen in dezelfde zin.

Ten eerste, hoeveel extra middelen worden er van 2025 tot en met 2029 precies voorzien voor de OCMW's om de instroom op te vangen van de ex-werklozen die na twee jaar zonder uitkering vallen?

Ten tweede, hoe komt men concreet tot die bedragen? Welke berekeningen en parameters zijn daarbij gebruikt?

Ten derde, werd er rekening gehouden met de regionale verschillen in de impact op OCMW's, gezien de variërende werkloosheidsgraad per gewest?

Zal de financiering structureel of tijdelijk zijn? Wordt er voorzien in een automatische aanpassing indien de instroom hoger blijkt dan verwacht? Met andere woorden, als de bedragen onvoldoende zijn om de werklozen op te vangen die naar het leefloon doorschuiven, worden die bedragen dan aangepast of houdt u daaraan vast?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, u sprak over de beperking van de inschakelingsuitkering in de tijd. Daarop kom ik terug in de laatste vraag, van de heer Tonniau.

Madame Meunier, monsieur Van Quickenborne, la Belgique était un des derniers pays au monde où les allocations de chômage étaient versées de manière illimitée dans le temps. Le fait que ce gouvernement mette fin à cette situation est une avancée positive.

De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd op een extra instroom van leefloongerechtigden wordt voor de OCMW's gecompenseerd via een verhoging van het gedeelte van de financiering van het leefloon vanuit de federale overheid. Die verhoogde financiering zal afhankelijk zijn van het afsluiten van een GPMI en van de resultaten inzake de uitstroom van leefloongerechtigden naar duurzame tewerkstelling. De bedragen zullen dan ook in functie daarvan worden aangepast. U begrijpt dat ik daarop nu geen concreet bedrag kan plakken. Tot nog toe werden nog geen concrete maatregelen en werkwijze uitgewerkt.

La ligne budgétaire soutient les autorités locales dans la compensation des réformes du marché du travail et des pensions, et couvre en partie la compensation prévue pour les CPAS et en partie la facture de responsabilité pour les autorités locales, de manière à faire face à la hausse des dépenses de pension. Il est encore trop tôt pour entrer dans les détails de cette mesure.

Voorzitter: Denis Ducarme.

Président: Denis Ducarme.

Marie Meunier:

Merci, madame la ministre, mais vous vous doutez bien que je suis assez déçue parce que je n'ai pas vraiment obtenu de réponse à mes questions. Au contraire, mes interrogations subsistent.

J'entends que le futur financement des CPAS est conditionné à la remise au travail. En d'autres termes, on va demander aux CPAS de faire un travail qui, à la base, n'est pas le leur, c'est-à-dire remettre à l'emploi des bénéficiaires parfois très éloignés de l'emploi. Cette mesure ne me semble pas être de bon augure, mais j'imagine que nous aurons l'occasion d'en reparler lors de votre présentation de note politique.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, u verwijst naar de cijfers die in de budgettaire tabel staan, maar u zegt dat u daarover eigenlijk niets meer kunt zeggen. Sta mij toe dat toch zeer vreemd te vinden. Ofwel heeft men dus darts gespeeld tijdens de opmaak van het regeerakkoord en heeft men gewoon wat cijfers ingeschreven, ofwel zijn de cijfers onderbouwd. Blijkbaar is er echter geen onderbouwing. U zegt immers dat u niet op de details kunt ingaan. Blijkbaar weet u dus niet wat er precies achter die cijfers schuilgaat. Dat is bedroevend en bewijst opnieuw dat het budgettaire werk dat de regerering plant niet bijzonder ernstig is, net als de terugverdieneffecten en dergelijke meer. Er zijn 133.000 werklozen die al langer dan twee jaar zonder baan zitten. Dat blijkt uit de jongste statistieken van de RVA. Stel dat een derde daarvan naar het OCMW gaat – wat ongeveer de inschatting is, zoals ik daarnet heb verteld – dan zouden 44.000 mensen bij het OCMW aanbellen. Ik heb de statistieken opgevraagd van de aantallen alleenstaanden, samenwonenden en mensen met een gezinslast, maar de RVA kan mij die op dit ogenblik niet geven. De schriftelijke vraag is echter onderweg naar de juiste minister. Als we stellen dat die mensen gemiddeld ongeveer 15.000 euro per persoon per jaar kosten, dan zou de totale factuur voor de OCMW's 700 miljoen euro bedragen. 700 miljoen euro! Ik begrijp dat u niet kunt antwoorden op de vragen over de cijfers, want de cijfers zijn bedroevend. Eigenlijk kan ik alleen concluderen dat de OCMW's een bijkomende factuur zullen krijgen, die groter is dan wat de federale overheid voorziet. Ik vind dat bedroevend en teleurstellend. Ik hoop dat de VVSG goed meeluistert, want dat is niet wat de steden en gemeenten verwachten, zeker niet in Antwerpen, maar zelfs niet in Gent. Dat zal echter misschien minder een zorg zijn.

Het register voor sociale bijstand

Gesteld door

lijst: N-VA Wouter Raskin

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het centraal register voor sociale bijstand (inclusief federale, regionale en lokale voordelen) moet excessen en inactiviteitsvallen bestrijden door een plafond in te voeren en werken aantrekkelijker te maken (doel: 500 euro netto verschil met niet-werken). Modaliteiten en inhoud (welke uitkeringen, wie raadpleegt) zijn nog onder overleg, met focus op inkomensgebonden steun en harmonisatie van berekeningsmethodes, terwijl gemeentespecifieke maatregelen (bv. sportkortingen) complexer zijn. Toegang is voorbehouden aan instanties die steun toekennen of financieren, maar concrete afstemming met deelstaten en lokale besturen staat nog open. Raskin onderschrijft het doel (draagvlak behouden, excessen vermijden) maar benadrukt de complexiteit en geleidelijkheid van de uitvoering.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, volgens het regeerakkoord zal er een centraal register met alle sociale bijstand en voordelen worden bijgehouden, met het oog op de berekening van het geheel aan sociale bijstand en voordelen. Dat register zal raadpleegbaar zijn en moet ingevuld en aangevuld worden door alle instanties die deze bijstand en voordelen toekennen.

Welke uitkeringen en vrijstellingen zullen worden opgenomen? Zal aan de deelstaten, de steden en gemeenten ook gevraagd worden om dat register te gebruiken? Door welke instanties zal dat register daarna geconsulteerd kunnen worden? Hebt u eventueel ook al een zicht op wat federaal afgetopt zou kunnen worden?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Raskin, het regeerakkoord voorziet inderdaad in de oprichting van een centraal register waarin alle sociale bijstand en voordelen zullen worden opgenomen. Dat moet ons in staat stellen om bij de berekening van het totale pakket aan sociale bijstand en voordelen rekening te houden met alle relevante gegevens. Het is de bedoeling dat het register kan worden gebruikt om excessen te vermijden en om het geheel aan sociale bijstand en voordelen te plafonneren. Op die manier willen we inactiviteitsvallen voorkomen. We zien vandaag dat het nog vaak weinig aantrekkelijk is om te gaan werken.

Onze prioriteit is om het verschil tussen werken en niet werken aanzienlijk te vergroten met als doel een kloof van minstens 500 euro netto per maand te bereiken. Dit betekent dan ook dat de sociale voordelen vanuit de deelstaten zullen moeten worden opgenomen in dit register. Dat is onze ambitie, maar ik wil erop wijzen dat een dergelijk register nog niet bestaat en dat de modaliteiten en de inhoud hiervan nog afgestemd moeten worden binnen de regering.

Op federaal vlak moet de sociale bijstand evenwel ruim worden geïnterpreteerd. Het betreft alle steun in het kader van de sociale zekerheid en de sociale bescherming, met uitzondering van de voordelen in het kader van de ziekteverzekering. We bekijken nader welke steun concreet kan worden opgenomen in het centraal register en wat opportuun en haalbaar is.

Voor steun die algemeen wordt toegekend op basis van dezelfde parameters, zoals de hoogte van het inkomen of de gezins- of leefsituatie, is dat natuurlijk eenvoudiger dan voor individuele steun die een persoon krijgt op basis van zijn zeer specifieke situatie. Lokaal bestaan er specifieke maatregelen die van gemeente tot gemeente sterk verschillen, zoals de korting op het inschrijvingsgeld bij een sportclub. Uiteraard zal ik hierover overleggen met mijn collega-ministers binnen de federale regering en de regio’s, alsook met de lokale besturen.

De toegang tot het register moet in ieder geval worden verzekerd voor diegenen die gemachtigd zijn om steun of sociale voordelen toe te kennen of voor diegenen die die steun of sociale voordelen al dan niet gedeeltelijk ten laste nemen.

Wat de plafonnering van de sociale bijstand en de sociale voordelen betreft, zien we dat niet los van de geplande hervorming van de bijstand waarbij we over de verschillende stelsels heen enerzijds de middelentoets en berekeningswijzen optimaliseren en harmoniseren en anderzijds het begrip gezins- of leefsituatie herbekijken. Het is de bedoeling om excessen of scheeftrekkingen aan te pakken en finaal ervoor te zorgen dat werken altijd aantrekkelijker is dan niet werken.

Wouter Raskin:

Ik ondersteun wat er in het regeerakkoord is opgenomen. U zegt dat het een heel complexe oefening zal zijn. Dat is ook zo, men kan die zaak niet eensklaps realiseren. De regering is nog maar net uit de startblokken geschoten. Het lijkt me vanzelfsprekend dat de regering nog moet spreken over de modaliteiten, de juiste inhoud en de afstemming. Ondanks de grote uitdaging en de complexe oefening die u te wachten staan, ben ik het volledig met u eens. Indien wij onze sociale zekerheid en de sociale bijstand overeind willen houden, indien wij ook het draagvlak daarvoor willen behouden, dan moeten we excessen vermijden en inactiviteit voorkomen.

De aanpassing van de OCMW-wet

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de nodige federale aanpassing van de OCMW-wet (met name artikel 2 en de bijzondere wet van 1980) om volledige fusie tussen gemeenten en OCMW’s mogelijk te maken, wat nu wordt geblokkeerd door de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van OCMW’s en activa-kwesties. Minister Van Bossuyt bevestigt dat een tweederdemeerderheid (omwille van faciliteitengemeenten) vereist is en belooft verdere afstemming met de deelstaten, terwijl Van Quickenborne (Open Vld) benadrukt dat Vlaanderen klaar is voor integratie en zijn fractie de nodige steun toezegt. De institutionele hervorming staat in het regeerakkoord, maar vereist federale actie, met name voor grondwettelijke bevoegdheidsaanpassingen. Wallonië loopt achter op Vlaanderen, waar fusies al plaatsvonden, wat de urgentie voor wettelijke aanpassing onderstreept.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, in het regeerakkoord staat een zin die eerder administratief lijkt, maar toch belangrijk is voor de stads- en gemeentebesturen, met name dat de deelstaten de mogelijkheid krijgen om het bestuurlijk landschap te vereenvoudigen door een aanpassing van de wetgeving betreffende de OCMW's. Een tijd geleden heeft Vlaanderen beslist om steden en gemeenten toe te laten om OCMW's en de stad of de gemeente te fusioneren. Artikel 2 van de OCMW-wet is evenwel nog steeds van kracht en stelt uitdrukkelijk dat het OCMW beschikt over een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. Het gevolg is dat activa behorend tot de OCMW's op dit ogenblik nog niet tot de steden en de gemeenten toebehoren. Soms leidt dat tot interessante lokale politieke discussies, of tot opbrengsten, aangezien verkopen door het OCMW kunnen worden aangewend voor stedelijke doeleinden. Bepaalde partijen interpreteren dat alsof activa die eigendom zijn van het OCMW, alleen kunnen worden gebruikt voor OCMW-doeleinden.

In het regeerakkoord staat dus dat de regering die wet zou willen aanpassen, maar de bepaling van artikel 2 van die wet ligt ook vast in de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Om een volledige integratie van OCMW's en gemeenten mogelijk te maken, is dus een wijziging van die wet nodig en dat moet op federaal niveau gebeuren, meer bepaald door u, mevrouw de minister. In bepaalde gevallen, met name waar de wijzigingen aan de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling raken, zal daarvoor een tweederdemeerderheid nodig zijn.

Mevrouw de minister, gaat u akkoord met mijn bewering dat voor bepaalde wijzigingen een tweederdemeerderheid nodig zal zijn? Hoe denkt u aan die tweederdemeerderheid te geraken? Ik wil alvast duidelijk maken dat wij bereid zijn om die tweederdemeerderheid te leveren, zonder verpinken, maar ik kijk eerst uit naar uw antwoord.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, u gaf een lange inleiding gevolgd door twee korte vragen.

Omwille van de faciliteitengemeenten zou er inderdaad een bijzondere meerderheid nodig zijn. Die regeling is opgenomen in de pacificatiewet. We zullen het nu verder onderzoeken en bekijken. Het betreft een institutionele hervorming. Het is belangrijk om die hervorming goed voor te bereiden, in samenwerking met de deelstaten. We hebben alvast goed genoteerd dat uw fractie bereid zou zijn om daaraan mee te werken.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, u bevestigt dat er wel degelijk een tweederdemeerderheid nodig is. Het staat in het regeerakkoord ook vermeld onder het institutionele hoofdstuk. Zeker in Vlaanderen is men daarvoor vragende partij. Ik vermoed dat in Wallonië de fusieoefening tussen stad en OCMW nog niet is gebeurd. In Vlaanderen is dat natuurlijk wel al het geval. Het zou dus inderdaad goed zijn mocht de federale wetgeving zo worden georganiseerd dat die volledige fusie mogelijk wordt gemaakt. Nogmaals, wij zijn bereid daartoe de nodige stemmen te leveren.

De hervorming v.h. OCMW-beleid (minder papierlast, efficiënter maatwerk, minder politieke inmenging)

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Professor Marjolijn De Wilde (KU Leuven) signaleerde drie structurele OCMW-problemen: overbelaste maatschappelijk werkers door te veel dossiers, een onhoudbaar maatwerksysteem voor leefloon (176.000 begunstigden vs. oorspronkelijk kleine doelgroep), en politieke inmenging in individuele dossiers. Minister Van Bossuyt belooft administratieve vereenvoudiging (digitale verwerking, Only Once-wet) en uitbreiding van GPMI-begeleiding, maar verdedigt politieke vertegenwoordiging in BCSD’s als democratische legitimatie—al pleit ze wel voor betere expertise. Van Quickenborne dringt aan op een 50/50-mix van politici en onafhankelijke experts (naar model Grondwettelijk Hof) en kritiseert gebrek aan digitalisering en cliëntelisme in lokale OCMW’s. Huisbezoeken blijven verplicht bij dossieropening, maar jaarlijks volstaat.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, u weet dat wij hoorzittingen hebben georganiseerd naar aanleiding van de gebeurtenissen in het OCMW van Anderlecht. Mevrouw Marjolijn De Wilde was een van onze gasten. Mevrouw Marjolijn De Wilde is professor aan de KU Leuven. Naar mijn persoonlijke mening was dat een heel interessante dame, die een uiteenzetting kwam geven over het OCMW-beleid, niet alleen over de problematiek van Anderlecht maar ook over een bredere kijk op de dossiers.

Zij kaartte drie fundamentele problemen aan waarmee OCMW’s worden geconfronteerd, ten eerste de overbelasting van maatschappelijk werkers, een fenomeen dat niet alleen in Anderlecht opduikt maar op vele plaatsen. Er is ten tweede wat zij de onhoudbaarheid van het maatwerksysteem voor het leefloon noemt. Er is ten derde de politieke inmenging in individuele dossiers.

Ik heb voor u een vijftal vragen.

Ten eerste, de hoge werkdruk bij maatschappelijk werkers is er volgens mevrouw De Wilde omdat maatschappelijk werkers te veel dossiers moeten behandelen en vaak enkel brandjes moeten blussen. Voor trajectbegeleiding is er nauwelijks tijd. Hoe wilt u ervoor zorgen dat de maatschappelijk werkers zich vooral met begeleiding kunnen bezighouden en minder met de administratieve afhandeling?

Ten tweede, over het maatwerksysteem gaf ze in een interessante beschouwing mee dat het huidige leefloonstelsel oorspronkelijk voor een kleine groep mensen was bedoeld. Toen het stelsel decennia geleden werd ingevoerd, ging het over een kleine groep mensen. Vandaag gaat het echter over ongeveer 176.000 mensen die een leefloon genieten. Het kunnen er ook meer zijn. Volgens haar is een aanpak op maat daardoor onhoudbaar geworden. Zij pleit dan ook voor meer administratieve verwerking van dossiers, teneinde tijd vrij te maken voor de moeilijkste gevallen. Steunt u dat voorstel? Hoe zou u dat willen aanpakken?

Ten derde, er was ook een heel interessant debat over de mogelijke politieke inmenging in socialesteundossiers. U weet dat het bijzonder comité voor de sociale dienst is samengesteld door politici. Zij stelde voor dat af te schaffen en een ander systeem in te voeren. Nederland werkt blijkbaar met een systeem met ambtenaren. Ik moet echter bekennen dat die vraag veeleer een vraag voor de deelstaten is en niet voor u, maar misschien hebt u daarover een beschouwing. Ik zie u twijfelen. Dat wordt dus interessant.

Ten vierde, mevrouw De Wilde pleit ook voor enige vereenvoudiging. Bijvoorbeeld, een dossier voor een aanvullend leefloon moet vandaag verplicht maandelijks worden voorgelegd aan het bijzonder comité. Zij geeft aan dat mocht worden bepaald dat in dergelijke dossiers een princiepsbeslissing zou kunnen worden genomen en dat de inkomsten na een bepaalde tijd zouden worden verrekend, dit een pak minder rompslomp zou betekenen. Wat is uw mening daarover?

Ten slotte, mevrouw De Wilde pleit ook voor minder huisbezoeken. Ze zegt dat een huisbezoek niet meer verplicht zou worden voorgeschreven voorafgaand aan de beslissing over de aanvraag, maar enkel afhankelijk wordt van de inschatting van de maatschappelijk werker. Uiteraard zou een jaarlijks huisbezoek nog steeds verplicht zijn. Wat vindt u van dit voorstel?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, het klopt dat de werkdruk voor maatschappelijk werkers hoog is. We hebben het daarover al gehad bij het begin van deze vergadering. Situaties zoals bij het OCMW van Anderlecht, waar maatschappelijk werkers soms elk 200 dossiers behandelen, zijn niet houdbaar. Door de administratieve vereenvoudiging verder te zetten, wil ik ervoor zorgen dat er kostbare tijd wordt gewonnen, die dan kan worden gebruikt voor de begeleiding van de begunstigden van het OCMW.

Ik zal bijzondere aandacht hebben voor de maatschappelijk werkers en in overleg gaan met de deelstaten wat betreft de diplomavoorwaarden voor hen. Dat zal ook gepaard gaan met een betere toegang tot gegevens die noodzakelijk zijn voor het sociaal onderzoek. Het is immers noodzakelijk dat de OCMW's toegang hebben tot de verschillende gegevens, meer bepaald in het kader van de Only Once-wet.

Wat betreft de hervorming van het maatwerksysteem, begeleiding op maat is essentieel. Zo vind ik het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI), dat een persoonlijk begeleidingstraject is, een goed instrument. Het moet OCMW-gerechtigden activeren, hen helpen volwaardig deel te nemen aan de samenleving en hen begeleiden naar werk. Daarom zal ik het GPMI dan ook uitbreiden naar alle begunstigden die een leefloon of een equivalent ontvangen, met uitzondering van degenen die niet kunnen werken om billijkheids- of gezondheidsredenen.

Ik begrijp dat er vragen rijzen over de rol van lokale politici in individuele steundossiers, zeker gezien de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht, waar er sprake is van cliëntelisme. Nogmaals, dat is onaanvaardbaar. Natuurlijk roept deze situatie vragen op over de politieke vertegenwoordiging in het BCSD, maar laten we het kind niet met het badwater weggooien. Er zetelen ook heel wat competente en alerte mensen in die bijzondere comités, ongetwijfeld ook van uw partij.

Het zou niet correct zijn om hen over dezelfde kam te scheren.

Die politieke vertegenwoordiging zorgt er eveneens voor dat de lokale gemeenschap via haar politieke vertegenwoordigers betrokken blijft bij de sociale hulpverlening. Hierdoor wordt vermeden dat de sociale steun verder gebureaucratiseerd wordt, terwijl er tegelijk toch een democratische legitimatie blijft bestaan.

Ik pleit ook voor administratieve vereenvoudiging. Die brengt ook een snellere digitale verwerking met zich mee, maar begeleiding op maat blijft essentieel.

U had ook een vraag over huisbezoeken. Het huisbezoek maakt deel uit van het sociaal onderzoek. Het is een essentieel element om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de hulpaanvrager. Via een huisbezoek kan het OCMW een totaalbeeld krijgen van de situatie van de hulpaanvrager en zijn verklaring toetsen aan de realiteit, teneinde te kunnen beslissen over de meest geschikte maatschappelijke dienstverlening.

Het huisbezoek wordt uitgevoerd bij de opening van het sociaal dossier en daarna telkens wanneer het OCMW dat nodig acht, maar ten minste eenmaal per jaar.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.

Het is wel opvallend dat men in vele OCMW's vandaag heel moeilijk een antwoord krijgt als men als lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst vragen stelt, bijvoorbeeld over statistieken. Dat is natuurlijk een lokale verantwoordelijkheid, maar ik wil erop wijzen dat er in veel OCMW's voor dossiers en dossierbehandeling nog altijd maar weinig gedigitaliseerd is. Als men vandaag wil weten hoe de zaken evolueren, is men vaak aangewezen op handmatige tellingen. Dat heb ik vernomen van onze leden van het bijzonder comité. De voormalige voorzitter van het OCMW van Kortrijk, de heer De Coene van Vooruit, zal dat ook kunnen bevestigen.

Wat betreft de politieke vertegenwoordiging, zegt u dat we het kind niet met het badwater mogen weggooien, maar het is toch opvallend dat vandaag bijna uitsluitend politici zetelen in het bijzonder comité voor de sociale dienst.

Ik heb in 2018 voor mijn partij iemand afgevaardigd die geen politicus was, een professor bestuursrecht uit Gent. Hij heeft op basis van zijn ervaringen in het bijzonder comité trouwens een aantal interessante artikels geschreven in het tijdschrift Lokaal .

Ik denk dat een goede mix van politici en niet-politici, van politici en experts op het vlak van maatschappelijke integratie en armoedebestrijding, veel beter zou zijn dan de nu vaak voorkomende samenstelling van – excusez le mot – gebuisde politici die net niet verkozen zijn in de gemeenteraad en die dan een plaatsje krijgen in die bijzondere comités. Ik wil ze natuurlijk niet allemaal over dezelfde kam scheren, maar het zou goed zijn als u samen met de collega’s voor de deelstaten voor een goede mix zou pleiten, opdat de expertise in die bijzondere comités toeneemt. Dat zal de leefloners zeker ten goede komen.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer Van Quickenborne, ik vermoed dat uw interpretatie van het begrip politicus beperkt is. U bedoelt met politici waarschijnlijk mensen die zowel in de gemeenteraad als in het BCSD zitten. Dat hoeft echter niet zo te zijn.

In Gent heeft de N-VA bijvoorbeeld ook geen gemeenteraadsleden in het BCSD. Namens de N-VA zetelen er een persoon die twee hotels heeft in Gent en iemand die in de sociale sector werkt. Dat wordt mijns inziens dus al zeer vaak op die manier gedaan.

Vincent Van Quickenborne:

Politici zijn voor mij mensen die weliswaar aan de gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen, maar die niet verkozen zijn. Politici zijn voor mij een breder begrip dan enkel gemeenteraadsleden. Ik spreek dus over mensen die niet aan een politieke partij verbonden zijn, maar die over een bepaalde expertise beschikken. Dat kan dan bijvoorbeeld iemand met veel kennis van armoede en armoedebestrijding zijn. Men zou bijvoorbeeld de helft van de leden van zulk bijzonder comité uit experts kunnen laten bestaan, naar analogie van het Grondwettelijk Hof, waar de ene helft van het Hof uit voormalige politici bestaat en de andere helft uit mensen met een juridische achtergrond. Door een verdeling in een helft politici en een helft experts vergroot men het draagvlak. Het is vergelijkbaar met onafhankelijke bestuurders in een raad van bestuur. Die onafhankelijke bestuurders zijn vaak interessanter dan de bestuurders zelf. Dat zou volgens mij het debat in een bijzonder comité veel interessanter maken dan nu het geval is. Het is maar een suggestie. Piet Van Schuylenbergh en mevrouw De Wilde hebben die suggestie ook gedaan.

De voorstellen van de VVSG voor een betere OCMW-werking
De voorschotregelingen
Verbeterde OCMW-werking en voorschotregelingen

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

OCMW’s behandelen 25% voorschotten op vertraagde werkloosheids- en ziekte-uitkeringen (lokaal tot 35%), wat hun kerntaak als *laatste vangnet* ondermijnt en de werkdruk verhoogt. Minister Van Bossuyt belooft strengere controles (systematische audits, sancties, bonus-malussysteem) en onderzoekt werkdrukverlichting voor maatschappelijk werkers, maar erkent dat de wettelijke termijnen voor uitkeringen (RVA, ziekteverzekering) de echte oplossing zijn—daarvoor moet ze samenwerken met Vandenbroucke (Sociale Zaken) en Clarinval (Werk). Lanjri en Van Quickenborne dringen aan op structurele hervorming: uitkeringsinstanties moeten verplichte beslissingstermijnen krijgen (zoals OCMW’s nu hebben) om voorschotten overbodig te maken en fraude/vertragingen bij de bron aan te pakken.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, mevrouw Marjolijn De Wilde en de heer Piet Van Schuylenbergh van de VVSG – een heel boeiende man, die onlangs in het tijdschrift Lokaal een opiniestuk over het OCMW van Anderlecht heeft geschreven dat u zeker eens moet lezen – zijn voor onze commissie verschenen.

De heer Van Schuylenbergh had een aantal interessante opmerkingen over de werking van onze OCMW's. Hij zei iets zeer frappants. U weet dat OCMW's verplicht zijn om binnen de maand een beslissing te nemen, maar gemiddeld 23 % van de dossiers van OCMW's betreffen voorschotten op werkloosheidsuitkeringen en ziekte-uitkeringen. Dat betekent dat 75 % van de OCMW-dossiers echte OCMW-dossiers zijn en afgerond 25 % van de dossiers voorschotten betreffen, omdat de werkloosheids- en ziekte-uitkeringen te lang op zich laten wachten. Hij zei dat het beter zou zijn dat die instanties zelf voorschotten zouden uitkeren in plaats van daarvoor een beroep te doen op het OCMW.

Wat vindt u van dat voorstel, mevrouw de minister? Vandaag moet het OCMW – de lokale overheid en de maatschappelijk werkers – immers in een kwart van de dossiers handelingen stellen die eigenlijk de verantwoordelijkheid zijn van de werkloosheids- of ziekte-uitkering. Ik vond dat zeer frappant en ben zeer benieuwd of u bereid bent om dat, samen met uw collega-ministers, aan te passen.

De heer Van Schuylenbergh zei ook dat er een gebrek is aan systematische controle op de werking van de OCMW's en dat fraude enkel via sporadische audits wordt opgespoord. Bent u bereid een strikter controlesysteem uit te werken om systematisch na te gaan of OCMW’s de wetgeving correct naleven?

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, mensen kloppen steeds vaker aan bij het OCMW omdat de uitbetaling van hun werkloosheidsuitkering of hun ziekte-uitkering te lang op zich laat wachten. Als oplossing geven OCMW’s dan een voorschot via het leefloon. Volgens de VVSG is inderdaad meer dan een op de vijf leefloondossiers een steunaanvraag in afwachting van een werkloosheidsuitkering – die via de vakbond, mutualiteit of Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen werd aangevraagd – of een voorschot op een ziekte-uitkering. Meestal moeten OCMW's dat voorschot gedurende maanden uitbetalen. De percentages verschillen wat. Er zijn zelfs OCMW's waar dat nog hoger ligt. In Balen gaat het bijvoorbeeld over 35 % van de dossiers.

Dat is problematisch, want mensen die jarenlang aan de sociale zekerheid hebben bijgedragen en die met pech worden geconfronteerd, bijvoorbeeld ziekte of werkloosheid, kunnen dan niet terugvallen op de uitkering waarop ze recht hebben en moeten bijna gaan bedelen bij het OCMW. Dat geeft hun het gevoel dat ze nergens terechtkunnen en dat de overheid niet goed functioneert. Die instanties zijn immers uiteindelijk wel het gezicht van onze samenleving.

Burgers geven ook aan dat het gebrek aan toegankelijkheid van bepaalde diensten een probleem vormt. Men komt vaak terecht op een onlineklantendienst waar men nummertjes moet intoetsen, maar dat is niet hetzelfde als een echte persoon aan een loket. Ook dat is vaak een probleem en daarom is het goed dat in het regeerakkoord staat dat de fysieke dienstverlening gegarandeerd moet worden.

Mevrouw de minister, op deze manier zien we dus dat de OCMW's steeds meer de toegangspoort tot de sociale zekerheid worden in plaats van een laatste vangnet, hun initiële doel. Daar moet absoluut iets aan gedaan worden, temeer omdat door de hervorming van de werkloosheidsuitkering binnenkort nog veel meer mensen bij het OCMW zullen aankloppen.

Hebt u al overleg gepleegd met minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke over die voorschotbetalingen? Het zou immers geregeld moeten worden bij de ziekte-uitkering en bij de RVA-uitkeringen. Zijn de drempels daarvoor in kaart gebracht? Hebt u enig idee in welke mate voorschotten op een ziekte-uitkering of een werkloosheidsuitkering al dan niet worden terugbetaald aan het OCMW? Steeds vaker ziet men dat bepaalde OCMW’s geen leefloon meer geven, maar meteen financiële steun. Aan de klant die dan voor hen zit, wordt gevraagd om een soort van afbetalingsplan aan te gaan. Die klant moet die steun terugbetalen, terwijl dat eigenlijk niet de bedoeling is.

Volgens de VVSG kan men de situatie enkel structureel aanpakken door ervoor te zorgen dat men die vorm van instroom niet heeft en dat het OCMW opnieuw wordt herleid tot dat waarvoor het echt is bedoeld, met name als allerlaatste vangnet voor mensen die geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering of op een ziekte-uitkering.

Welke structurele maatregelen wilt u samen met uw collega Vandenbroucke nemen om dat probleem aan te pakken?

Anneleen Van Bossuyt:

Mevrouw Lanjri, mijnheer Van Quickenborne, wat het transparante controlemechanisme op de werking van de OCMW's betreft, heeft de POD Maatschappelijke Integratie 387 audits en 175 opvolgaudits uitgevoerd in de OCMW's. De administratie werkt momenteel aan een verdere verfijning van haar methodologie om de opvolging van de audits te verzekeren en de interne procedures binnen de OCMW's te verbeteren. Daarnaast worden er contacten gelegd met andere instanties, waaronder Audit Vlaanderen, om de mogelijkheden van complementariteit tussen de verschillende bestuursniveaus te onderzoeken. Dat werk is aan de gang en zal verder worden versterkt.

Zoals ik eerder in deze commissie zei, in antwoord op de vragen van de heer Raskin en mevrouw Samyn, biedt het juridische kader vandaag geen mogelijkheid om een OCMW te sanctioneren als dat herhaaldelijk niet voldoet aan de wettelijke bepalingen of geen goed financieel beheer voert. Op basis van de wettelijke bepalingen zijn de bevoegdheden van de administratie dus beperkt. Daarom zal ik in samenwerking met de administratie en de betrokken diensten de mogelijkheid onderzoeken om de controles te versterken, zoals dat ook opgenomen is in het regeerakkoord. Nogmaals, er wordt een strenger controle- en sanctiekader uitgewerkt. Daarbij zal de POD Maatschappelijke Integratie stapsgewijs en systematisch meer controles uitvoeren met een grotere steekproef en krijgt hij meer sanctiemogelijkheden.

Vervolgens wil ik het hebben over de bescherming tegen politieke inmenging. De wantoestanden die aan het licht zijn gekomen bij het OCMW van Anderlecht zijn schrijnend. Het cliëntelisme dat aan de dag wordt gelegd, is onaanvaardbaar en doet ook afbreuk aan de vele OCMW's die wel correct werken en goede resultaten boeken. Het is ook mede daarom dat ik een bonus-malussysteem voor de OCMW's invoer, alsook een strenger controle- en sanctiekader, waar ik al enkele keren naar heb verwezen.

Bij vermoeden van misbruik kan een OCMW onderworpen worden aan een audit, die bij ernstige tekortkomingen kan leiden tot een tijdelijke ondercuratelestelling. Het wettelijk kader is ook duidelijk. Zowel bij sociale bijstand als bij het leefloon moet een toekenningsbeslissing voorafgegaan worden door een sociaal onderzoek, uitgevoerd door een maatschappelijk werker. Dat onderzoek moet resulteren in een precieze diagnose van de behoeften en een voorstel van beslissing.

Op basis daarvan neemt het bevoegde orgaan een beslissing die zowel juridisch als feitelijk gemotiveerd moet worden op basis van die diagnose.

De VVSG heeft inderdaad ook aan de alarmbel getrokken in verband met het leefloon als voorschot op de uitkering. Momenteel zou meer dan een op de vijf leefloondossiers een voorschot op een werkloosheidsuitkering of een ziektevergoeding betreffen, terwijl dat eigenlijk niet onder de verantwoordelijkheid van de OCMW’s valt, zoals u ook hebt vermeld. Ik deel oprecht uw bezorgdheid dat hierdoor de druk op de OCMW’s groter wordt en dat maatschappelijk werkers kostbare tijd verliezen om te focussen op de begeleiding van hun cliënten.

Ik zal dat dossier met mijn administratie nader bekijken in het kader van de verlichting van de werklast van de maatschappelijk werkers. Momenteel loopt er daarnaast ook een studie binnen BELSPO in opdracht van de POD MI over de werkdruk van maatschappelijk werkers. Die studie heeft tot doel pragmatische oplossingen te vinden met het oog op de verlichting van de administratieve lasten en op de realisatie van efficiëntiewinsten.

Nahima Lanjri:

Mevrouw de minister, we kaarten die situatie aan omdat die ons na aan het hart ligt. Het kan niet dat mensen die jarenlang hebben gewerkt en bijgedragen en dan een tegenslag meemaken en ziek worden, niet worden geholpen als zij aankloppen voor een ziekte-uitkering of een werkloosheidsuitkering waarop ze recht hebben. Daar knelt het schoentje. Ze worden niet geholpen of toch niet snel genoeg, waardoor ze in financiële problemen belanden en bij het OCMW moeten aankloppen.

Die situatie zal niet verholpen worden door enkel de werkdruk van de maatschappelijk werkers bij het OCMW aan te pakken, hoewel dat nodig is. Dan zou men immers aangeven dat zoveel voorschotten toekennen oké is. Ik vind dat niet oké.

Dat moet in een ultiem geval kunnen, maar niet in een op de vijf dossiers. Dat is nooit de bedoeling geweest van de leeflonen van het OCMW. Het probleem moet dus ook worden aangepakt waar het zit, bij de uitkeringen voor ziekte en bij de uitkeringen voor werkloosheid.

Ik vraag u ook om er bij uw collega-minister Frank Vandenbroucke op aan te dringen om samen een oplossing te zoeken, zodat mensen niet naar het OCMW moeten gaan. Mensen gaan immers het liefst niet naar het OCMW. Ze willen gewoon datgene krijgen waarop ze recht hebben. Ze hebben jarenlang gewerkt. Dan zijn ze een tijd ziek. Waarom moeten ze dan naar het OCMW? Daarvoor bestaat de ziekte-uitkering en die moet dus beter functioneren. Los het dus alstublieft samen met uw collega op. Ik hoop dat we dat binnenkort nog verder kunnen bespreken.

Vincent Van Quickenborne:

In uw antwoord in verband met de inspecties verwijst u naar Audit Vlaanderen. Ik kan getuigen dat Audit Vlaanderen een zeer goede organisatie is, die helaas alleen in Vlaanderen actief is. Ze is ook bij ons in de stad actief, weliswaar niet voor het OCMW, maar voor andere dossiers. Een goede samenwerking tussen Audit Vlaanderen en de POD MI is dus ook voor OCMW's en controles op OCMW's een zeer aan te raden piste. Ik wens u daar veel succes mee. In verband met het probleem dat we aangekaart hebben, waarnaar mevrouw Lanjri ook verwijst, ben ik iets positiever dan mevrouw Lanjri. Ik hoor uw bereidheid om daar zeker iets aan te doen en ik denk dat er inderdaad een structurele oplossing kan bestaan: doen wat vandaag OCMW's moeten doen. Vandaag zijn OCMW's verplicht om binnen de maand een beslissing te nemen. Mocht er voor die andere instanties, namelijk de werkloosheid en ziekte-uitkering, ook een vaste termijn zijn om beslissingen te nemen, dan kunnen we daar uit raken. Wat er met andere woorden van u wordt verwacht, is dat u in overleg gaat met de heer Vandenbroucke voor de ziekte-uitkering en met de heer Clarinval voor de werkloosheidsuitkering en dat u met hen een structurele oplossing uitwerkt, waardoor die dossiers blijven bij die instanties die ze veroorzaken. Als u dat doet, dan zult u in één klap de werkdruk van alle maatschappelijk werkers verlichten. De cijfers zijn spectaculair, namelijk meer dan een op de vijf dossiers. Als u dat doet, zult u waarschijnlijk de geschiedenis ingaan als de minister die voor de OCMW’s het meest heeft gedaan. Ik wens u veel succes met die opdracht. Uiteraard zullen wij binnenkort nog eens op de zaak terugkomen. Als ik dat zeg, dan volgen wij dat op.

De impact op de OCMW's van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen en het armoederisico
De OCMW's
De uitdagingen voor OCMW's door werkloosheidsbeperkingen en armoede

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Van Bossuyt verdedigt de tijdsbeperking van werkloosheidsuitkeringen (na 2 jaar voor <55-jarigen) als noodzakelijk om werk aantrekkelijker te maken, wijzend op studies waar 54% na beperking een job vond (vs. 24% voorheen), terwijl slechts 13% naar leefloon stroomde. Critici (Tonniau, Schlitz) waarschuwen voor massale armoedestijging, OCMW-overbelasting (tot 90.000 extra leefloontrekkers volgens ABVV) en falende begeleiding, vooral voor kwetsbare groepen, en pleiten voor grondige armoedetoetsen en betere trajectbegeleiding in plaats van sancties. De minister belooft compensatie voor OCMW’s vanaf 2027 (afhankelijk van instroom/uitstroom naar werk), maar concrete maatregelen ontbreken nog, terwijl OCMW’s vrezen voor onhaalbare reïntegratiedoelstellingen zonder extra middelen of expertise. Schlitz benadrukt dat armoedebestrijding vraagt om vertrouwen, vorming en materiële zekerheid—niet om dwang—terwijl Van Bossuyt blijft hameren op *"werk als beste armoedebestrijding"*.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd loopt een beetje als een rode draad door deze vragensessie.

Eigenlijk weten we al uit wetenschappelijk onderzoek, internationale studies, maar ook vergelijkingen binnen Europa, dat die maatregel allesbehalve doeltreffend is. Ze is puur ideologisch. Stampen we naar beneden of stampen we naar boven? U hebt ervoor gekozen om naar beneden te stampen. De beperking van die uitkeringen in de tijd zal de armoede en de werkdruk en de lasten bij de OCMW's verhogen. Dat weten we nu al zeker en ik ben daarover zeer bezorgd.

De helft van de Belgische werkzoekenden met een uitkering moet vandaag al rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. Uit eerdere beleidsmaatregelen, zoals de beperking in de tijd van de inschakelingsuitkering, blijkt bovendien dat werkzoekenden hierdoor vaak doorstromen naar andere bijstandsstelsels met een nog lagere uitkering of zelfs volledig uit de sociale bescherming verdwijnen. Volgens een studie van de RVA was dat effect duidelijk zichtbaar.

Hebt u een raming van het aantal personen dat als gevolg van deze beperkingen in de tijd een beroep zal moeten doen op het OCMW? Het ABVV berekende alvast dat een dergelijke maatregel de instroom naar het leefloon kan doen stijgen met maar liefst 90.000 extra personen voor heel België. Kunt u deze cijfers of tenminste de grootteorde ervan bevestigen?

Beschikt u over gegevens of onderzoek waarmee u kunt inschatten wat de impact hiervan zal zijn op het inkomen en bijgevolg het armoederisico van de betrokken werkzoekenden? Voor velen zal deze kille beperking in de tijd immers niet zomaar een job opleveren. Zou het daarom niet aangewezen zijn om een grondige armoedetoets uit te voeren met wetenschappelijke onderbouwing en inspraak van verenigingen waar armen het woord nemen? Welke maatregelen voorziet u om de OCMW's te ondersteunen bij de onverwachte toename van aanvragen? Worden er extra financiële middelen voorzien? Zo ja, op basis van welke criteria worden die dan berekend?

Er komt een specifieke ondersteuning voor de begeleiding van personen die na twee jaar werkloosheid extra hulp nodig hebben om opnieuw toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Zeker kleinere OCMW’s beschikken vaak niet over de nodige budgetten, expertise of personeelscapaciteit om daarin voldoende te voorzien.

Ten slotte wil ik ook nog uw mening vragen over het voorstel van uw N-VA-collega Axel Ronse, die werkweigeraars nog sneller wil kunnen uitsluiten van OCMW's. Hoe staat u daartegenover?

Sarah Schlitz:

Madame la ministre, les estimations de Brulocalis sont sans appel: la limitation des allocations de chômage après deux ans pour les travailleurs de moins de 55 ans pourrait provoquer un afflux massif vers les CPAS bruxellois avec une augmentation de 27 000 bénéficiaires du revenu d'intégration sociale (RIS). Ce report va entraîner des coûts supplémentaires qui sont estimés à près de 100 millions d'euros par an pour les CPAS, et c'est sans compter les coûts et les besoins en personnel supplémentaire pour gérer cette explosion des demandes. Or, à ce stade, aucune garantie de compensation budgétaire n'a été clairement annoncée.

De plus, le financement des CPAS, selon l'accord de majorité Arizona, sera conditionné à un plan de retour à l'emploi marquant un changement profond de logique. Les CPAS qui sont traditionnellement liés à une obligation de moyens, devront désormais atteindre des résultats en matière de réintégration socioprofessionnelle. Pourtant, la Région bruxelloise compte une part importante de demandeurs d'emploi de longue durée, dont beaucoup sont éloignés du marché du travail depuis plus de cinq ans. Ce nouveau cadre risque donc de fragiliser encore davantage ce public, tout en mettant sous pression les CPAS, contraints d'assurer un double rôle d'accompagnement social d'une part, et de se faire un nouveau métier de l'insertion socioprofessionnelle, d'autre part.

Alors, madame la ministre, quelles garanties pouvez-vous donner quant au financement structurel des CPAS afin qu'ils puissent faire face à cette hausse des demandes d'aide sociale? Quelles mesures seront mises en place pour leur permettre de remplir leur nouvelle mission d'insertion socioprofessionnelle alors même que ce rôle dépasse largement leur cadre actuel de compétences? Enfin, comment le gouvernement entend-il assurer une concertation avec les CPAS et les pouvoirs locaux afin d'anticiper l'impact de cette réforme et d'éviter un engorgement du dispositif d'aide sociale? Comment allez-vous concrètement mettre en place ce soutien aux CPAS? Comptez-vous externaliser la gestion des dossiers ou bien va-t-on renforcer les équipes? Va-t-on pousser les murs dans les CPAS pour installer le nouveau personnel dans ces locaux? Voilà, c'est vraiment très compliqué de se projeter dans ce changement de paradigme. Pouvez-vous nous éclairer sur la façon dont cela va se dérouler?

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Schlitz, mijnheer Tonniau, België is het enige land ter wereld waar een werkloosheidsuitkering onbeperkt in de tijd bestaat. Ik ben heel blij dat wij met deze regering daaraan eindelijk een einde zullen maken.

Mijnheer Tonniau, u verwijst naar de beperking van de inschakelingsuitkering in de tijd en naar de studie van de RVA die daaromtrent werd gevoerd. U haalt er een bepaald stukje uit, maar uit diezelfde studie blijkt dat de beperking in de tijd van die inschakelingsuitkering tot gevolg had dat 54 % doorstroomde naar werk. U weet evengoed als ik dat een job hebben de beste garantie is tegen armoede. Het is dus meer dan dubbel zoveel als voor de beperking in de tijd, meer dan dubbel zoveel mensen waren aan het werk als voor de beperking in de tijd. Toen stroomde slechts 24 % door naar werk. Slechts 13 % stroomt door naar het leefloon en in Vlaanderen is dat zelfs slechts 3 %. Het is dus een goede maatregel.

Uit eerdere studies blijkt – de heer Van Quickenborne verwees er daarnet naar – dat een derde een beroep zou moeten doen op het OCMW, dat een derde geen recht heeft op leefloon en dat een derde richting werk gaat. Dat zijn natuurlijk ramingen, we zullen moeten zien in de praktijk hoe het zal uitdraaien.

De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd op een extra instroom van leefloongerechtigden wordt voor de OCMW's gecompenseerd vanaf 2027 via een verhoging van de financiering van het leefloon vanuit de federale overheid. De bedragen zullen evenwel afhankelijk zijn van het afsluiten van een GPMI, van de reële instroom en van de mate van uitstroom naar een duurzame tewerkstelling. Ze zullen dan ook in functie daarvan worden aangepast. Hiertoe werden echter nog geen concrete maatregelen en werkwijze uitgewerkt. Het spreekt voor zich dat we daarmee bezig zijn.

Les modalités concrètes doivent encore être élaborées, madame Schlitz. Je vais en discuter avec les CPAS et avec les autorités locales.

Aujourd'hui, nous constatons qu’il est encore souvent peu attrayant de travailler. Notre priorité est de faire en sorte que le travail soit toujours plus attrayant que l’absence de travail. C’est dans cette optique que cette mesure a été proposée.

Mijnheer Tonniau, u vraagt naar mijn mening over het voorstel om werkweigeraars te kunnen uitsluiten. Ik wil erop wijzen dat de werkbereidheid vandaag een van de zes cumulatieve voorwaarden is om recht op een leefloon te hebben, tenzij gezondheids- of billijkheidsredenen dat verhinderen. Wat het recht op maatschappelijke integratie betreft, wordt de werkbereidheid van de betrokkene nagegaan aan de hand van het sociaal onderzoek.

Robin Tonniau:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.

We moeten niet per se de werklozen aanpakken, maar wel de werkloosheid. De begeleiding naar werk is primordiaal.

We weten ook, als ik over Vlaanderen mag spreken, dat de werking van de VDAB veel beter kan. De VDAB moet evenwel besparen. Begeleidingstrajecten worden geprivatiseerd. Dat is een slechte zaak.

We zullen de werkloosheid niet oplossen door de uitkeringen na twee jaar te stoppen. Mensen komen dan bij een OCMW terecht en dan stopt de begeleiding naar werk. Mensen moeten al kenbaar maken dat ze werkbereid zijn vooraleer ze recht op een leefloon hebben.

Als we naar de individuele gevallen kijken, zien we vaak een grote sociale ongelijkheid qua opleiding of qua gezondheidstoestand. Soms zijn er verslavingen in het spel. Dat is een heel complex dossier waarmee de maatschappelijke werkers aan de slag moeten. Het is echt niet zo simpel om gewoon de dop af te nemen en hen te verplichten om aan het werk gaan. We zien in het buitenland dat dat niet leidt tot meer werkbereidheid. We moeten die mensen naar werk begeleiden, stap voor stap, met respect voor hen.

Sarah Schlitz:

Merci pour vos réponses, madame la ministre.

Franchement, nous dire que parce qu'on serait le dernier pays d'Europe, c'est une bonne mesure, cela a vraiment ses limites. Ce n'est pas parce que certains pays font des choses qu'on doit forcément faire la même chose et parfois, on peut être exemplaire sur des politiques sans que d'autres les fassent pour autant. Je trouve que c'est vraiment un argument qui n'en est pas un.

Par contre, ce qui est très problématique en Belgique, c'est l'explosion de la pauvreté. Les inégalités explosent: 1 % des plus riches possède désormais un quart des richesses ici en Belgique. C'est là qu'il faut aller chercher de l'argent. Aujourd'hui, il existe déjà un écart de 500 euros entre ceux qui travaillent et ceux qui ne travaillent pas. Par contre, pousser dans la grande précarité des individus, des parents, des enfants, ce sont des coûts cachés dont vous ne tenez pas compte aujourd'hui dans vos politiques. En effet, quand vous devez aider des personnes à retrouver un logement quand elles se trouvent dans la rue, il faut déployer beaucoup plus d'énergie que quand on doit soutenir une personne qui bénéficie d'une allocation. En fait, ce dont elles ont besoin, c'est qu'on leur donne confiance en elles, qu'on les accompagne, comme c'est le cas dans d'autres pays.

Si la politique comparée vous intéresse, je vous encourage à regarder ce qui se fait à l'étranger, notamment en matière de remise à l'emploi de personnes qui sont en totale perte de confiance en elles. Elles ont besoin qu'on croie en elles, qu'on leur redonne confiance, qu'on leur propose une formation pas trop loin de chez elles correspondant à leurs envies. Là, on va pouvoir reconstruire des choses. Mais ce n'est pas en continuant à sanctionner, en engorgeant les CPAS et en mettant une charge de travail immense sur le dos des travailleurs qui n'en peuvent déjà plus que nous allons réussir à résoudre le problème de la grande pauvreté en Belgique.

Anneleen Van Bossuyt:

Vous évoquez le risque de pauvreté. Les chiffres démontrent que le risque de pauvreté est de 32 % pour les gens qui ne travaillent pas et qu'il est de 5,5 % pour les gens qui travaillent. Je pense que les chiffres sont clairs. C'est pourquoi on veut aider les gens à travailler.

Sarah Schlitz:

En effet. Mais ce n'est pas en poussant les gens dans le retranchement, dans la grande précarité qu'on va les aider à travailler. Comment voulez-vous trouver un boulot quand vous n'avez pas de quoi vous acheter un vêtement convenable, quand vous n'avez pas un toit sur la tête, quand vous ne savez pas ce que vous allez manger à midi ou le soir ni comment vous allez faire pour nourrir vos enfants? Il faut donner des conditions matérielles convenables aux gens pour qu'ils puissent avoir confiance en eux et trouver du boulot. Ce n'est pas en les acculant qu'on va y arriver. Ce n'est pas en demandant aux CPAS, dont ce n'est pas le métier, de tout à coup se réinventer pour aider des personnes qu'on va y arriver. L'insertion socioprofessionnelle n'a jamais été le métier des CPAS. Ils ne sont pas en capacité de le faire. Écoutez les travailleurs sociaux! On l'entend à longueur de journée en commission des Affaires sociales. On se trompe. Si vous voulez vraiment aider les personnes qui ne travaillent pas à retrouver un boulot, ce ne sont pas les bonnes solutions. La réunion publique de commission est levée à 16 h 13. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.13 uur.

Het ziekteverzuim bij het spoor

Gesteld aan

Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om vermoedens van georkestreerd ziekteverzuim bij spoorwegpersoneel als stille protestactie tegen impopulaire regeringsmaatregelen, ondanks ontkenning door de vakbond. Minister Crucke benadrukt dat wettelijke stakingsprocedures (8 dagen vooraankondiging, 72u persoonlijke bevestiging) en gegandeerde dienstverlening (geen minimale, maar *beschikbaarheidsafhankelijke* treinen) reizigers moeten beschermen, maar spontane acties (zoals massale ziektemeldingen) dit systeem ondermijnen. Hij wijst op seizoensgebonden ziektepieken en juridische beperkingen (artsgeheim), zonder hard bewijs voor opzet, maar erkent de disruptieve impact op pendelaars. Cuylaerts dringt aan op duidelijke afkeuring van wilde acties door vakbonden en betere afstemming om herhaling te voorkomen.

Dorien Cuylaerts:

Deze vraag dateert al van een aantal weken geleden, maar ze is wel nog van toepassing. Anders had ik ze laten schrappen.

Een aantal weken geleden zat het treinverkeer volledig in de knoop. De pendelaars werden geconfronteerd met afgeschafte treinen, lange vertragingen en overvolle wagons. De oorzaak bleek een opvallend hoog ziekteverzuim bij het spoorwegpersoneel, toevallig net na de aankondiging van de regeringsmaatregelen die niet in de smaak vielen bij de vakbonden. Nochtans was er volgens de socialistische spoorvakbond geen sprake van een georganiseerde actie. Tegelijkertijd erkennen zij wel de onvrede wegens de nieuwe maatregelen. Ongetwijfeld heeft dat meegespeeld bij deze golf van ziektemeldingen.

Volgens mijn informatie werd in diverse besloten groepen op de sociale media onder het personeel afgesproken om zich ziek te melden. Gelet op de reactie van de socialistische spoorbond kan het niet zijn dat zij hiervan niet op de hoogte waren. Dit soort spontane acties, die zogezegd niet vanuit de vakbond komen, treffen steevast de pendelaars en maken het openbaar vervoer minder betrouwbaar. Het is een steeds terugkerend patroon. We kunnen niet verwachten dat de reizigers daar continu vrede mee nemen. Zij raken natuurlijk gefrustreerd.

Mijnheer de minister, wat is uw visie over de massale ziektemeldingen die samenvielen met de aankondiging van de sociale inspanningen? Gelooft u dat het puur toeval was?

Acht u de bestaande actiemiddelen, zoals de georganiseerde spoorstaking met een minimale dienstverlening, voldoende om het personeel het recht te garanderen om hun ongenoegen te uiten? Treedt u onze visie bij dat vakbonden in dergelijke situaties een voorbeeldrol moeten opnemen en zulke spontane en wilde acties dus beter zouden veroordelen in de plaats van er begrip voor te tonen? Vindt u ook dat zij hun vertegenwoordigers moeten aansporen om dergelijke acties af te remmen en te ontraden in besloten groepen op de sociale media? Gaat u samenzitten met de vakbonden om dat duidelijk te maken? Welke maatregelen zult u nemen om te garanderen dat het spoorwegpersoneel zijn verantwoordelijkheid blijft nemen en de reizigers niet opnieuw de dupe worden?

Jean-Luc Crucke:

Iedereen moet een voorbeeldrol vervullen: in een vakbond, bij de directie; net zoals wij eigenlijk.

Tijdens de voorbije stakingsdagen hebben treinreizigers niet kunnen genieten van de dienstverlening die ze terecht verwachten. Dat betreuren het spoorbedrijf en ikzelf ten zeerste. Samen met Infrabel heeft de NMBS een alternatieve treindienst uitgewerkt op basis van het beschikbare personeel, om zoveel mogelijk klanten oplossingen te bieden voor hun verplaatsing. Die alternatieve treindienst wordt uiterlijk 24 uur v óó r iedere stakingsdag gecommuniceerd.

In de openbare sector legt de wet betreffende de continuïteit van de dienstverlening inzake personenvervoer per spoor in geval van staking bepaalde voorwaarden op om de planning van een alternatief vervoersplan mogelijk te maken. Ten eerste moet de stakingsaanzegging minstens acht werkdagen v óó r het begin van de staking worden ingediend. Ten tweede moeten essentiële personeelsleden uiterlijk 72 uur v óó r het begin van de stakingsdag een definitief voornemen om al dan niet aan de staking deel te nemen doorgeven. Ten derde wordt afhankelijk van de beschikbaarheid van het personeel een alternatief vervoersplan opgesteld dat 24 uur van tevoren aan de reizigers wordt gecommuniceerd.

We vestigen er uw aandacht op dat de NMBS dus een gegarandeerde dienstverlening dient te organiseren, wat iets anders is dan wat meestal wordt begrepen onder minimale dienstverlening. Ik maak het onderscheid omdat dat niet onbelangrijk is in die context. De dienstverlening die de NMBS levert en garandeert, wordt bepaald door de beschikbare middelen en vooral de beschikbare personeelsleden.

De NMBS levert enorme inspanningen om een alternatieve dienstverlening uit te werken voor al haar klanten. Zeker bij een meerdaagse staking, waarbij het aanbod van dag tot dag veranderd dient te worden, is dat een huzarenstukje. Gelet op de sterke vermindering van beschikbaar personeel houdt dat aanbod steeds het risico in van uitdagingen in real time, zoals onverwacht absenteïsme. Voor al onze klanten blijft het dus zaak om de evoluties te volgen via onze gekende informatiekanalen.

In verband met uw vraag over de ziektemeldingen, is het te vroeg om een definitieve uitspraak te doen over een eventuele onnatuurlijke stijging van het ziekteverzuim. De winterperiode zorgt natuurlijk elk jaar voor een toename van de ziektegevallen. Bovendien kent de werkgever de reden van de ziektemeldingen niet en moet hij vertrouwen op het correct handelen van de arts die het ziekteattest afgeeft.

De regelgeving betreffende de sociale relaties binnen de spoorwegen voorziet in een procedure voorafgaand aan stakingen. Zij wordt systematisch uitgevoerd en gevolgd.

Dorien Cuylaerts:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, dat alweer heel duidelijk is.

De gegarandeerde dienstverlening wordt inderdaad heel vaak verward met de minimumdienstverlening. Daaraan maak ik me soms ook schuldig. Ik zal op dat punt in het vervolg meer oplettend zijn.

Het mag inderdaad niet zo zijn dat de reizigers maar het slachtoffer blijven. Ter zake ging het mogelijks om spontane acties, al dan niet toch geweten door de vakbonden. Het komt de komende maanden nog wel eens tot stakingen. Ze zijn al aangekondigd. Laten we echter hopen dat het dan telkens georganiseerd is en dat niet nog eens dergelijke spontane acties op poten worden gezet.

Voorzitter:

Vraag nr. 56002470C van de heer Bayet en vragen nrs. 56002496C, 56002498C en 56002499C van mevrouw Jacquet vervallen omdat de vraagstellers niet aanwezig zijn.

De bezorgdheid van de Antwerpse procureur over het cocaïnegebruik
De noodkreet van de procureur van Antwerpen inzake de drugsproblematiek
De drugsproblematiek in Antwerpen volgens de procureur

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 12 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Antwerpse procureur waarschuwt voor de explosieve groei van cocaïnegebruik, met stijgend geweld (654 delicten/jaar), verslaving, criminaliteitsnetwerken en maatschappelijke ontwrichting, en pleit voor een holistische aanpak (repressie *plus* preventie, proactie en sociale weerbaarheid). Minister Verlinden bevestigt deze visie, wijst op de nationale taskforce (regeerakkoord) en Europese samenwerking, en benadrukt dat witwasgelden herinvesteerd worden in politie/Justitie voor technologie en capaciteit, terwijl recidive in gevangenissen moet worden tegengegaan. Dillen kaart bovendien ethische bezwaren aan tegen het afkopen van straffen door drugscriminelen en eist een maatschappelijk debat voorafgaand aan dergelijke regelingen. De drugscrisis wordt gezien als nationaal/internationaal probleem dat enkel met gecoördineerde, multidisciplinaire actie kan worden bestreden.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, ik heb een opmerkelijk interview gelezen van de Antwerpse procureur, waarin hij een alarmerende toestand schetst over het explosieve cocaïnegebruik in de stad en de problematische gevolgen ervan: het toenemende geweld – het aantal geweldsdelicten is het voorbije jaar op ongeveer 654 getaxeerd –, de stijgende cocaïneverslaving met alle gezondheidsrisico's van dien, de druk op de hulpverleningsorganisaties, de sociale onrust en maatschappelijke verstoring, het milieuafval, uiteraard ook het negatieve marketingaspect voor de stad en de impact en de dominantie van het criminaliteitsnetwerk. Dat zijn fenomenen die wegen en die ook angst veroorzaken. Daaraan moeten we werken, vind ik.

Ik was ook onder de indruk van en gecharmeerd door zijn holistische benadering. Hij heeft het enerzijds over repressie, maar anderzijds ook over een totaalaanpak, door te focussen op het preventieve, het proactieve en het maatschappelijke aspect.

Mevrouw de minister, deelt u deze visie? Hoe ziet u dat? Op welke manier kunnen hier acties worden ondernomen?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de procureur van Antwerpen heeft vorig weekend aan de alarmbel getrokken, dit ten gevolge van de maatschappelijke problemen die door het gebruik van cocaïne exploderen, en die zijn zeer uitgebreid. Zijn vaststellingen zal ik niet citeren; ik neem aan dat u dat interview gelezen hebt. Zijn vaststellingen zijn werkelijk hallucinant en hebben – terecht – een zeer ruime mediabelangstelling gehaald. Cocaïnegebruik is niet alleen in Antwerpen, maar in het hele land ingeburgerd in heel veel middens. Spijtig genoeg wordt het als iets normaals gezien, terwijl er paal en perk aan moet worden gesteld.

Wat is uw visie over de verschillende aanklachten van de Antwerpse procureur? De procureur was duidelijk in zijn standpunt betreffende het pleidooi van sommige advocaten om grote drugscriminelen hun straf te laten afkopen. Ik citeer: “Ik denk niet dat het ethisch is om Justitie te gebruiken als een soort incassobureau om het gat in de begroting te helpen dichten. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat een van die verdachten aan zijn zwembad in Dubai ligt en zijn advocaat met een zak geld naar Antwerpen stuurt om te komen onderhandelen." En verder: "Als we een systeem willen waarbij grote drugscriminelen ook hun straf vooraf kunnen afspreken en gedeeltelijk afkopen, moet daar eerst een maatschappelijk debat over komen. Niet zoals bij de verruimde minnelijke schikking waar dat debat pas achteraf is gevoerd."

Wat is uw standpunt ter zake? Zult u initiatieven nemen om hierover een maatschappelijk debat te voeren?

Annelies Verlinden:

Inderdaad, collega's, net als u heb ik kennisgenomen van de verschillende interviews die over de drugsproblematiek werden gegeven. De geschetste problematiek is helaas geen nieuwe problematiek, geen nieuw gegeven, maar dat neemt niet weg dat de drugscriminaliteit en vooral ook de maatschappelijk ontwrichtende effecten daarvan onze hoogste prioriteit zullen blijven.

De PK van Antwerpen stelt terecht dat de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit geen strijd is van politie en Justitie alleen, maar van de hele samenleving. Ik deel zijn analyse en zijn stelling. We staan daarin niet alleen. Zo is er het Nationaal Drugscommissariaat om een brede coördinatie uit te voeren, met verschillende departementen en bij voorkeur ook over de verschillende beleidsniveaus heen bevoegd voor preventie, onderwijs, armoedebestrijding, maar ook met lokale besturen en met de private sector.

Ook in het regeerakkoord staat expliciet geschreven dat een Whole-of-Government Approach , een holistische, multidisciplinaire aanpak, wordt vooropgesteld. De alarmbel naar aanleiding van de incidenten in Anderlecht en in Brussel werd intussen goed gehoord. De eerste minister heeft een taskforce opgericht ter uitvoering van het regeerakkoord, waaraan Justitie uiteraard haar volledige medewerking zal verlenen.

De geschetste problematiek is uiteraard niet beperkt tot de regio van Antwerpen of Brussel, maar is een nationaal, een Europees en zelfs een internationaal gegeven. Ook op het Europese en internationale toneel staat men voor een holistische aanpak die inzet op repressie, preventie en weerbaarheid. Het belang van die aanpak zit hem in het vermijden van waterbedeffecten. Als bevoegde minister ondersteun ik die aanpak en onderzoek ik bijkomend met de partners binnen het gevangeniswezen hoe we kunnen vermijden dat criminelen hun activiteiten voortzetten en dat er recidive is, zoals ik ook heb toegelicht in het kader van andere mondelinge vragen.

Het regeerakkoord voorziet in het principe dat de meeropbrengsten uit de witwasdossiers prioritair dienen te worden ingezet in de veiligheidsdepartementen van Justitie en Binnenlandse Zaken. Het gaat hier om crimineel vermogen dat door speurders in kaart gebracht werd en vervolgens door magistraten in beslag genomen en verbeurdverklaard werd. Hiervan dient spoedig werk te worden gemaakt. Het is de bedoeling om de bestaande grote noden bij politie en Justitie in te vullen, zodat ze die strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en de drugscriminaliteit kunnen voeren. Het gaat over de aankoop van licenties en over de aankoop van bepaalde technologieën om ervoor te zorgen dat die strijd kan worden voortgezet. Wegens de grote gelden die daarmee gepaard gaan, wordt gedacht aan die methode.

Alain Yzermans:

Dank u voor uw antwoord.

Marijke Dillen:

Dank u.

Zeldzame ziekten
De invoering van een nieuw plan voor zeldzame ziekten
Zeldzame ziekten
Zeldzameziektedag
Zeldzameziektedag
Zeldzameziektedag
Beleid en bewustwording rond zeldzame ziekten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dringende nood aan een vernieuwd, ambitieus Belgisch beleid voor zeldzame ziekten, waar 500.000 patiënten gemiddeld 5 jaar op een diagnose wachten en vaak geen toegang hebben tot behandelingen of expertise. Minister Vandenbroucke belooft een federaal actieplan met kernpunten: universitaire ziekenhuizen krijgen een coördinerende rol om expertise te bundelen en patiënten sneller te verwijzen (in plaats van per ziekte aparte centra te erkennen), betere dataregistratie (o.a. via AI en Europese samenwerking), en versnelde toegang tot weesgeneesmiddelen via een *"early and fast reimbursement"*-systeem. Budgettaire prioritering hangt af van het aanstaande Schokkaert-rapport over gezondheidsdoelstellingen, maar zeldzame ziekten staan expliciet in het regeerakkoord. Kritiekpunten blijven: gebrek aan concrete timing, financiële garanties en interfederale afstemming, terwijl patiëntenorganisaties (o.a. RaDiOrg) en oppositie snelle, tastbare stappen eisen, met name voor klinische studies, betaalbare geneesmiddelen (bv. geval baby Inez) en transitie van kind- naar volwassenzorg. De publieke sector moet volgens sommigen een grotere rol spelen in geneesmiddelenontwikkeling om winstgedreven selectiviteit tegen te gaan.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, Zeldzameziektedag valt steeds op 28 of 29 februari. Op die dag wordt wereldwijd aandacht gevraagd voor de ongeveer 500.000 patiënten die lijden aan een zeldzame ziekte. Er zijn 6.000 à 8.000 zeldzame ziektes, die vaak zeer moeilijk te diagnosticeren zijn en waarvoor weinig behandelingsmogelijkheden voorhanden zijn. Het ontbreekt patiënten aan middelen, mogelijkheden en onderzoek naar gerichte therapieën in ons land, maar ook in andere landen.

De bewustwording vergroten, de toegang tot behandelingen en diagnoses verbeteren en onderzoek bevorderen, dat zijn cruciale, essentiële thema’s voor die patiënten. Ik heb daar al heel vaak op gehamerd. In het nieuwe reageerakkoord hebt u een aantal acties opgenomen waar die zeldzame ziekten prioritair vernoemd worden.

Wat is de huidige situatie? Welke stappen onderneemt de Belgische overheid om de diagnose en behandeling van zeldzame ziekten te verbeteren en om de toegang tot zorg voor patiënten te vergemakkelijken? Wat wordt er gedaan om wetenschappelijk onderzoek naar die zeldzame ziekten te stimuleren en de samenwerking tussen medische professionals, onderzoeksinstellingen en farmaceutische bedrijven te bevorderen? Hoe werkt u aan meer sensibilisering en ondersteuning voor de patiënten en hun familie? Wat is de rol van de overheid bij het verbeteren van de levenskwaliteit van deze toch vaak zeer kwetsbare groep?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, plus de 500 000 personnes sont atteintes d'une maladie rare dans notre pays. Il faut aujourd'hui encore en moyenne près de cinq ans pour obtenir un diagnostic correct.

Le plan belge actuel pour les maladies rares a été adopté en 2013 et n'a été malheureusement que partiellement mis en œuvre. Ceci entraîne de graves conséquences pour les personnes touchées et leurs familles. Comme cela a été souligné en novembre 2024 lors du forum politique organisé à la Chambre par l'UZ Leuven, RaDiOrg et RADDIAL, avec le soutien de tous les hôpitaux universitaires belges, il est essentiel qu'un nouveau plan maladies rares puisse voir le jour aujourd'hui.

Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement Arizona mentionne bien la poursuite du développement du plan pour les maladies rares. Pourriez-vous nous indiquer un calendrier précis quant à l'élaboration de ce plan? Un groupe de travail a été mis en place au sein du SPF Santé publique dans ce cadre. Les acteurs de la société civile et les associations sont-ils impliqués dans les travaux qui y sont menés? Au-delà de la mise en place de ce plan, quelles actions concrètes comptez-vous entreprendre, à court terme cette fois, pour apporter des améliorations significatives aux patients atteints d'une maladie rare, et quels moyens financiers prévoyez-vous dans ce cadre? Où en est-on concernant, par exemple, les conventions génériques qui avaient été annoncées permettant de regrouper l'expertise, d'encourager la multidisciplinarité et d'améliorer la qualité des soins?

L'enregistrement des données des patients est essentiel pour améliorer les politiques de santé en matière de maladies rares. Cet enregistrement est malheureusement actuellement sous-optimal en raison d'un manque de ressources adéquates. Quelles mesures envisagez-vous pour y remédier?

Jan Bertels:

Vorige week was er de dag van de zeldzame ziekten, met als slogan Zeldzaam maar talrijk . Een half miljoen Belgen hebben te maken met 6.000 gekende zeldzame ziekten. De mensen die met een zeldzame ziekte leven, zijn dus allesbehalve zeldzaam.

Voor die personen met een zeldzame ziekte is het belangrijk dat zij een correcte en tijdige diagnose krijgen en dat ze toegang hebben tot aangepaste en innovatieve behandelingen. We hebben op het vlak van gespecialiseerde zorg reeds referentiecentra en er wordt al wetenschappelijk onderzoek naar zeldzame ziekten en weesgeneesmiddelen gedaan, maar we moeten dat voortzetten om het toekomstperspectief van die patiënten te verbeteren. In dat kader wens ik aansluitend bij de collega’s enkele vragen te stellen.

Hoe zal men ervoor zorgen dat het thema van de zeldzame ziekten structureel wordt verankerd in ons gezondheidsbeleid?

Hoe zal men het bestaande plan inzake zeldzame ziekten updaten?

Hoe zal men het onderzoek en de klinische studies naar zeldzame ziekten en de toegang tot innovatieve behandelingen verder stimuleren? Daar blijft werk aan de winkel, zeker ook in de samenwerking op Europees en internationaal vlak.

We hebben de mensen die zich bij Sciensano bezighouden met zeldzame ziekten ontmoet. Kan de goede evolutie van de rol van Sciensano in de registratie, monitoring en rapportering rond zeldzame ziekten nog verbeteren, in het bijzonder wat de terbeschikkingstelling van data-infrastructuur betreft?

Hoe kan men huisartsen beter sensibiliseren voor een tijdige en correcte diagnose, opdat ze indien nodig snel zouden doorverwijzen naar de functieziekenhuizen en referentiecentra voor zeldzame ziekten?

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, 28 februari was de dag van de zeldzame ziekten, de gelegenheid bij uitstek om stil te staan bij de meer dan 500.000 Belgen die lijden aan een zeldzame ziekte. Aan de diagnose van een dergelijke ziekte gaat vaak een lange lijdensweg van pijn, onbegrip en machteloosheid vooraf. Eens de diagnose gesteld, is het vinden van een geschikte en betaalbare behandeling de volgende lijdensweg. In België zijn er acht centra erkend als Functie Zeldzame Ziekte, maar is er nog geen enkel referentiecentrum zeldzame ziekten erkend.

Wanneer wordt er werk gemaakt van de erkenning van referentiecentra zeldzame ziekten? Welke initiatieven worden er genomen om mensen met een zeldzame ziekte bij te staan? Welke initiatieven worden er genomen om de behandeling van een zeldzame ziekte toegankelijk en betaalbaar te houden? Welke van de 20 actiepunten uit het Belgisch Plan voor Zeldzame Ziekten van 2013 werden reeds uitgevoerd en staan op punt?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, zeldzame ziekten zijn ziekten die weinig patiënten treffen, maar er zijn wel 6.100 dergelijke ziekten bekend. Voor meer dan een half miljoen patiënten in België is de dagelijkse realiteit zwaar. Uit recente studies bleek dat de helft van de patiënten elke dag pijn heeft of zich extreem moe voelt. Naast de fysieke of mentale last botsen patiënten ook op structurele problemen binnen onze gezondheidszorg en staan ze vaak ook geïsoleerd in de maatschappij.

Een van de grootste uitdagingen blijft het vinden van de juiste zorg. Een correcte diagnose krijgen duurt gemiddeld 4,9 jaar. Dat is een periode waarin patiënten vaak verkeerde behandelingen krijgen of medische onzekerheid ervaren. Het blijft bijzonder moeilijk om de juiste specialisten te vinden en voor veel zeldzame ziekten is er nog steeds geen effectieve behandeling of is de zorg onbetaalbaar.

In 2013 werd het Plan voor Zeldzame Ziekten gepubliceerd. Patiënten stellen dat zij daar in de praktijk weinig van hebben gezien. In het regeerakkoord zien we dat u van plan bent een nieuw plan uit te werken. Is er al een concrete timing of stappenplan voor de uitrol hiervan?

Patiënten vinden vaak ook niet de juiste zorg. Zult u werk maken van een duidelijk zichtbare erkenning van expertisecentra voor specifieke ziekten, zodat artsen weten naar waar ze de patiënten kunnen doorverwijzen?

Tot slot zorgt de ontwikkeling van geneesmiddelen voor uitdagingen. Enerzijds is er veel geld te verdienen met weesgeneesmiddelen, omdat er torenhoge prijzen worden gevraagd. Denk maar aan het verhaal van baby Pia. Gisteren verscheen in de krant opnieuw zo'n verhaal. Voor de kleine Inez, bij wie een neuroblastoom is vastgesteld, wordt een benefietconcert georganiseerd. Terwijl er voor bepaalde aandoeningen en doelgroepen veel geneesmiddelen zijn ontwikkeld, zijn er voor andere helemaal geen geneesmiddelen. Zo is 40 % van de weesgeneesmiddelen gericht op de behandeling van zeldzame kankers, een niche die rendabel is. Momenteel bestaat evenwel voor minder dan 6 % van de zeldzame ziekten een doeltreffende behandeling.

Welke maatregelen wilt u nemen om onderzoek en ontwikkeling inzake nieuwe behandelingen van zeldzame ziekten te stimuleren?

Welke rol ziet u daarin weggelegd voor de publieke sector?

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, vrijdag 28 februari was inderdaad rare disease day , de werelddag voor zeldzame ziekten, om meer aandacht te vragen voor de problematiek waarmee mensen met een zeldzame ziekte te maken krijgen. Ze zijn met velen, namelijk met een half miljoen in ons land. Veel mensen doen er gemiddeld vijf jaar over om een diagnose te krijgen, laat staan een behandeling als die al bestaat.

Het maatschappelijke probleem is bekend, net als het Belgisch Plan voor Zeldzame Ziekten dat dateert van 2013, maar dat nog niet is uitgevoerd zoals het hoort, want de patiëntenverenigingen hebben nog altijd dezelfde noden en vragen. Ik ben blij dat er in het regeerakkoord staat dat er een vernieuwd plan komt en dat een aantal specifieke problemen zullen worden aangepakt. Er staat evenwel niet dat het om een nationaal plan gaat en nog minder dat er interfederaal zal worden samengewerkt, wat voor een aantal noden, zoals screening en trajectbegeleiding vanuit de eerste lijn, toch wel nodig zal zijn.

Ook de budgettaire ruimte om te investeren zal allicht beperkt zijn. De beperking van het begrotingstekort en extra uitgaven voor bijvoorbeeld defensie zorgen ervoor dat de extra uitgaven voor gezondheidszorg allicht minder hoog zullen zijn dan onder de vorige regering en vooral minder dan wat bij ongewijzigd beleid nodig zou zijn om de groeiende noden op te vangen.

Wordt het nieuwe plan een nationaal en dus een interfederaal plan of een federaal plan binnen uw bevoegdheidsportefeuille? In het eerste geval, hoe en op welke termijn beoogt u een akkoord met de andere bevoegdheidsniveaus? In het tweede geval, wat zult u ondernemen om gemeenschapsinitiatieven te realiseren op een coherente manier?

Voorziet u een gezondheidsdoelstelling of een gezondheidszorgdoelstelling in verband met zeldzame ziekten? Zult u in het tweede geval middelen uit de groeinorm reserveren voor die gezondheidszorgdoelstelling om budgettaire ruimte te creëren?

Welke garanties kunt u bieden en op welke manier zult u ervoor zorgen dat de aangekondigde maatregelen in het regeerakkoord en in het plan geen dode letter blijven?

Tot slot, op welke termijn verwacht u met een plan te komen en wanneer voorziet u de uitvoering daarvan?

Frank Vandenbroucke:

Geachte leden, ik ben het helemaal eens met diegenen die gezegd hebben dat dit toch een heel belangrijk agendapunt wordt voor de komende jaren. Jan Bertels had de goede uitdrukking: "Zeldzame ziektes zijn zeldzaam, maar talrijk zijn de mensen die erdoor getroffen worden." Ook andere collega's hebben dat op hun manier onderstreept.

Er zijn heel veel zeldzame ziekten, want we spreken over duizenden verschillende ziekten en over een half miljoen mensen die daar in ons eigen land mee geconfronteerd worden. Er was inderdaad al eens een plan dat tot stand gekomen is in 2013. Dat heeft wel iets teweeggebracht. Ik denk niet dat we mogen zeggen dat er niets is gebeurd onder vorige regeringen. De financiering van genetische testen is verbeterd. Er is beterschap geweest op het niveau van de centra voor menselijke erfelijkheid. Er is ook een uitbreiding geweest van de lijst voor medische voeding. Met de methode van unmet medical needs -programma's hebben we toch wel voor een stuk een antwoord gegeven op de nood aan snelle toegang tot nieuwe geneesmiddelen, maar dat is allemaal onvoldoende. Ik vind dat ook.

Dat is ook de noodkreet van een organisatie zoals RaDiOrg en van andere patiëntenorganisaties die zeggen dat dat onvoldoende is, dat er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt en dat we nu echt met een doortastend plan moeten komen. Ik kan u zeggen dat wij dat ook willen doen. Dat is echt een topprioriteit wat mij betreft.

Het is ook belangrijk dat we zo'n plan van aanpak voor zeldzame ziekten effectief samen met de patiënten en de patiëntenorganisaties niet alleen ontwerpen en bespreken, maar ook uitrollen. Ik hecht in dat verband heel veel belang aan de samenwerking met RaDiOrg.

Mevrouw De Sutter, u stelde daarbij ook de pertinente vraag of dat betekent dat dat alleen een federaal plan is dan wel of we ook denken aan samenwerking met de verantwoordelijken in de deelstaten. U hebt gelijk, eigenlijk hoort dat daarbij. Wel wil ik in eerste instantie een federaal plan uitwerken. Dadelijk zal ik een aantal dingen aanstippen die echt wel knelpunten zijn in het federale beleid, maar als we een federaal plan op punt stellen, denk ik dat in een volgende etappe de samenwerking met de deelstaten ook belangrijk wordt.

Een eerste vaststelling die door de patiënten gemaakt wordt, is dat zij nog heel vaak lang moeten wachten op een juiste diagnose als hun aandoening zeldzaam is. Daarbij hebben ze het gevoel van het kastje naar de muur te worden gestuurd. Soms blijft het niet bij een gevoel, maar maken ze dat echt mee. Patiënten vinden niet altijd hun weg in wat een doolhof is van mogelijke experten en mogelijke adviezen. Dat is volgens mij een eerste probleem om aan te pakken.

Daarbij wil ik inpikken op wat mevrouw Sneppe heeft gezegd. We hebben inderdaad één stap gezet in het kader van het vorige plan, namelijk de erkenning van functieziekenhuizen. Die functieziekenhuizen zijn overwegend universitaire ziekenhuizen omdat het belangrijk is dat ze ook over centra voor genetica beschikken, aangezien het vaak over genetisch bepaalde ziekten gaat. We hebben inderdaad niet voor elk van die zeldzame ziekten een apart expertisecentrum erkend, mevrouw Sneppe. In alle openhartigheid zeg ik u meteen – al is dat nog niet helemaal afgeklopt – dat ik zeer sterk betwijfel of we die weg nog moeten opgaan. Als we voor elk van die aparte, zeldzame ziekten – dat zijn er inderdaad duizenden, zoals mevrouw Eggermont zei – een eigen expertisecentrum moeten erkennen, dan vrees ik dat dat eindeloos lang zal duren. Om die reden zet ik vandaag een vraagteken bij iets wat onder de vorige legislatuur nog onder mijn hoede ontwikkeld werd, namelijk dat we een soort van generieke conventie zouden maken voor de aanpak van zeldzame ziekten waarbij we opnieuw per zeldzame ziekte daarvan een toepassing zouden maken in een aparte conventie. We zijn daarmee weliswaar begonnen. Zo hebben we nu een conventie voor epidermolysis bullosa, een vreselijke huidziekte, maar de opstelling van die conventie heeft heel lang geduurd en ook het proces is behoorlijk gecompliceerd. Kort samengevat, mevrouw Sneppe, we moeten ons afvragen of we er goed aan doen om voor elke zeldzame ziekte een apart ziekenhuis te erkennen en een aparte conventie te maken.

Eigenlijk is dat niet de goede weg. Vandaag zouden we aan de universitaire ziekenhuizen die de rol hebben gekregen van functieziekenhuis in het domein van de zeldzame ziekten, een veel duidelijkere, strakkere en meer ambitieuze opdracht moeten geven. Die universitaire ziekenhuizen zouden de opdracht moeten hebben om in kaart te brengen waar de expertise voor al die zeldzame ziekten zit en om inderdaad op een soepele manier de patiënten wegwijs te maken, hun aan te geven waar de expertise zit en waar ze terechtkunnen, zonder dat wij als overheid een heel procedé van koninklijke besluiten of conventies moeten doorlopen. Ik zou de universitaire ziekenhuizen de opdracht willen geven om het veld in ons land in kaart te brengen en ervoor te zorgen dat mensen niet in een doolhof terechtkomen, dat ze niet van het kastje naar de muur worden gestuurd, maar dat ze effectief snel de weg naar de juiste expertise vinden. De universitaire ziekenhuizen zijn daar bij uitstek voor geschikt. Ze zouden dan ook een aantal andere zaken moeten behartigen, maar die moeten dan inderdaad op het veld worden uitgerold en niet alleen met universitaire ziekenhuizen.

Als men patiënten in een zorgtraject opneemt, moet men echt wel goed georganiseerd zijn. Vaak heeft men te kampen met zeer bijzondere situaties, met zeer bijzondere noden. Casemanagement moet zorgen voor ondersteuning van de meest complexe zorgsituaties. Men moet ook bijzondere aandacht besteden aan de nodige zorg voor het kind dat een jongere wordt en de jongere die een volwassene wordt, dus tijdens de zogenaamde transitieleeftijd. Ook dat is echt een pijnpunt.

Ik wil de universitaire ziekenhuizen dus een beetje een overkoepelende opdracht geven, waarbij die universitaire ziekenhuizen onderling opnieuw moeten nadenken over wie wat doet. Die ziekenhuizen zijn niet allemaal topspecialisten in alles, maar ze kunnen deels een onderlinge taakverdeling afspreken. Ze kunnen natuurlijk niet de zorg alleen bij zich houden, dat is niet de bedoeling. De bedoeling is om de mensen wegwijs te maken en in kaart te brengen waar de gespecialiseerde expertise zit.

Het is een pleidooi dat volgens mij ook goed wordt onthaald door organisaties zoals RaDiOrg en andere die bij het thema betrokken zijn, omdat we op die manier snel zouden kunnen vooruitgaan.

Ten tweede, men wijst terecht op een pijnpunt, namelijk de registratie van zeldzame ziektes. Registratie zorgt voor een heel goed overzicht van alles wat wordt vastgesteld en alles wat er gebeurt, waardoor het inzicht en het beleid sneller vooruitgaan. Dat blijft een groot pijnpunt.

Wat zijn de moeilijkheden die we moeten aanpakken? Men moet de zorgverleners helpen om gegevens die gecodeerd moeten zijn gestructureerd te registreren. Men moet ook zorgen voor beslissingsondersteuning. Daarbij kan artificiële intelligentie echt wel een mijlpaal zijn. Wanneer een zorgverlener een patiënt voor zich krijgt met een bepaald beeld, kan beslissingsondersteuning ervoor zorgen dat de mogelijke diagnose sneller wordt gesteld. Dat veronderstelt dat data uit verschillende bronnen beschikbaar moeten zijn via datanetwerken. Dat gaat dan over gegevens die van overal moeten komen, niet alleen van de functieziekenhuizen of de universitaire ziekenhuizen, maar ook van alle ziekenhuizen, de eerstelijnszorg en de patiënten zelf. Netwerken met data, data gebruiken voor beslissingsondersteuning en data veel zorgvuldiger en breed registreren zijn heel belangrijke opdrachten waar we voor staan.

We worden daarin geholpen, maar ook stevig onder druk gezet door de op komst zijnde Europese verordening inzake de Europese ruimte voor gezondheidsgegevens, de European Health Data Space Regulation. Daarmee krijgen we in heel Europa de kans, maar ook de verplichting om rond zeldzame ziektes data samen te leggen, over de grenzen heen. België is een klein land als het gaat over zeldzame ziektes, dus als wij inzicht en data kunnen delen over heel Europa, dan zullen we ook veel sneller kunnen vooruitgaan. Dit is dus cruciaal.

Ik ben aan het nadenken over het beleid met betrekking tot de registratie van dit soort data, maar ook dat is nog niet afgeklopt. Men spreekt in ons jargon van het registerbeleid. Hoe moet men dit soort databanken aanleggen? Moeten we dat niet op een andere manier beginnen te bekijken? Dat is een reflectie die bezig is. Ik verwijs naar een schriftelijk antwoord op een schriftelijke vraag van mevrouw Depoorter, waarin ik al wat vooruitgelopen ben op het registerbeleid en de vraag of we dat niet op een andere manier moeten aanpakken, zodanig dat dat eindelijk snel vooruit kan gaan.

Ik kom nu tot het volgende hoofdstuk, namelijk geneesmiddelen. Mevrouw Depoorter, u hebt er in het verleden al op gewezen. Wij moeten inderdaad mensen sneller toegang bieden tot innovatieve geneesmiddelen. Het FAGG speelt een belangrijke rol bij de Europese regelgeving in de context van zeldzame ziektes. De Europese verordening 141/2000, de Orphan Medicinal Product Regulation, is specifiek bedoeld om de ontwikkeling van weesgeneesmiddelen te vergemakkelijken. België zetelt in het Comité voor weesgeneesmiddelen (COMP) binnen het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA). We staan zo mee in voor de erkenning van geneesmiddelen, voor behandeling, preventie, diagnose van zeldzame ziekten en van weesgeneesmiddelen. We moeten echter ook in deze legislatuur een snel spoor van early and fast reimbursement van nieuwe geneesmiddelen tot stand brengen, met name ook voor deze patiënten.

Dan kom ik tot het wetenschappelijk onderzoek. Het is belangrijk dat België, met onze patiënten, goed aanwezig blijft in klinische studies. De Europese verordening heeft een nieuwe omgeving gecreëerd, met een beetje een terugslag voor ons. Het is niet zo eenvoudig voor de Belgen om daar goed aanwezig te zijn. Dat is een werkpunt. Aanwezig zijn in klinische studies en klinische studies opzetten, blijft zeer belangrijk, ook als we het voor onze eigen patiënten goed willen doen met betrekking tot toegang tot de nieuwste therapieën, de nieuwste mogelijkheden. Ook dat willen we echt ondersteunen.

Dan heb ik een paar andere punten. Het zijn open deuren, maar ik denk dat ik het toch moet zeggen. Het is ook belangrijk om patiëntenverenigingen te betrekken, omdat men ook een bewustwording nodig heeft bij het brede publiek, bij de patiënten en ook bij de zorgverleners over dat fenomeen van zeldzame ziekten. Daarvoor is 28 februari inderdaad een belangrijke dag.

Mevrouw Désir, ik verontschuldig me dat ik alleen in het Nederlands antwoord.

Men moet natuurlijk ook de nodige budgettaire middelen hebben. Door de beslissing in het regeerakkoord dat zeldzame ziekten een belangrijke prioriteit zijn, verplichten we onszelf natuurlijk om ook in de nodige middelen te voorzien. Mevrouw De Sutter, u verwees naar een methode, die we inderdaad willen gebruiken. We willen starten van prioritaire gezondheidsdoelen en gezondheidszorgdoelstellingen en niet zomaar budgetten uitdelen. Wij willen geen tournée générale van budgetten, maar starten van welgekozen prioriteiten. Zo willen we het aanpakken.

Ik wacht op een eerste rapport van de Commissie voor gezondheidszorgdoelstellingen onder leiding van professor Erik Schokkaert. Dat zal een eerste rapport zijn en een onafhankelijk rapport. Ik weet niet wat daarin zal staan. Ik kan me inbeelden dat zeldzame ziekten daarin zullen figureren, maar ik weet het niet. Dat eerste rapport moet echter wel de aanzet zijn om na te denken over wat nu de prioriteiten zijn.

In het regeerakkoord zitten zeldzame ziekten bij de prioriteiten. Het idee is dat men dan voor die prioriteiten, ook in de begroting, prioritair ruimte zal moeten maken en een stuk budget zal moeten reserveren vooraleer men het allemaal begint te versnipperen, laat staan uit te delen over allerlei verschillende prioriteiten. Doelgerichtheid en selectiviteit, ook in het vastleggen van budgetten, zal zeer belangrijk zijn als we onze ambities inzake zeldzame ziekten willen waarmaken.

Ik ben het er dus helemaal mee eens dat we een nieuw plan nodig hebben. Ik heb u zelf openhartig aangegeven dat ik vandaag een beetje een vraagteken zet bij een aantal beslissingen uit het verleden, ook uit het recentere verleden, ook beslissingen van mezelf, omdat ik snel zou willen vooruitgaan, wetende dat het gaat over duizenden verschillende pathologieën. Om snel vooruit te gaan, denk ik nu toch vooral aan een strakke opdracht voor wat we wel al erkend hebben. Dat zijn de functieziekenhuizen, voornamelijk universitaire ziekenhuizen. Die moeten hun rol echt ter harte nemen om mensen wegwijs te maken in het landschap en om op alle vlakken, of het nu gaat over de kwaliteit van de zorg, het wetenschappelijk onderzoek of het internationaal netwerken, echt de leiding te nemen.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik ben het met u eens dat wat in de vorige legislatuur rond zeldzame ziekten is ondernomen, niet voldoende was. Het kan en moet ambitieuzer. U sprak over de functieziekenhuizen en u zei dat u per ziekte hebt gewerkt. U weet ook dat we 1.500 legislaturen nodig zullen hebben om voor elke ziekte een kader te hebben als we slechts vier ziekten per legislatuur aanpakken. Dat is uiteraard niet efficiënt. Ik ben het dus volledig met u eens om meer te kijken naar kaders en zorgtrajecten die men kan toepassen voor verschillende aandoeningen en verschillende types van patiënten.

Ik wil nog uw aandacht vestigen op een specifiek punt. U hebt verschillende keren gezegd dat het de functie is van de universitaire ziekenhuizen om het veld te analyseren en om ervoor te zorgen dat de patiënten bij de juiste artsen en de juiste expertise terechtkomen. Men moet echter ook aandacht hebben voor de zorgende perifere ziekenhuizen. Elke arts die zich in een bepaalde aandoening wil verdiepen, moet daartoe de mogelijkheid krijgen. Die arts moet uiteraard ook de mogelijkheid krijgen om effectief patiënten te helpen.

U hebt gesproken over de geneesmiddelen. Voor 95 % van de zeldzame ziekten is er vandaag geen therapie. Het is heel belangrijk dat we een snelle toegang tot therapie verzekeren, dat we een prioritair beleid voor klinische studies uitstippelen, maar dat we er ook voor zorgen dat patenten rond zeldzame ziekten in een uitzonderingsregime kunnen blijven.

Heel belangrijk – we hebben dit ook in het regeerakkoord vermeld – is de zorg voor het jonge kind dat adolescent wordt, dat volwassene wordt. Heel vaak zijn het kinderen die gediagnosticeerd worden met een zeldzame ziekte. Zij staan voor een heel moeilijk traject. We moeten ervoor zorgen dat die kinderen ook op volwassen leeftijd goed begeleid worden. Dat is een kerntaak die we in een nieuw plan zeker willen ondersteunen.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse et ces quelques perspectives. Nous constatons que le gouvernement souhaite en faire une priorité, ce dont nous nous réjouissons. De même, nous nous réjouissons du fait que vous souhaitez travailler en collaboration avec les organisations et avec les patients concernés. Même si nous ne sommes qu'en début de législature, vous ne découvrez heureusement pas le sujet.

Cependant, je reste un peu sur ma faim car vous n'avez pas du tout répondu à ma question sur le calendrier et les actions que vous pouvez mener à court terme. Vous avez senti l'impatience des organisations, mais aussi des patients et de leurs familles. Un demi-million de personnes sont concernées, plus les familles. Ils nous disent ne plus avoir de patience et nous demandent d'être des relais attentifs de cette question et de ce plan maladies rares pendant cette législature. Nous nous y engageons bien évidemment pour ces prochains mois.

Petra De Sutter:

Mijnheer de minister, ik ben heel blij met de zaken die u hebt verteld. Ik heb wel nog een aantal bijkomende vragen, die u nu niet moet beantwoorden.

U zegt dat we de functieziekenhuizen, vooral universitaire ziekenhuizen, zullen aanmoedigen, omdat die ambitieuzer moeten zijn. Dan stel ik mij meteen de vraag met welke incentives of hoe dat zal gebeuren. Gaat u hen een brief schrijven of zullen daar financiële incentives voor worden gevonden? Moet u daarover nog nadenken? Het interesseert mij heel erg om te weten hoe dat zal gebeuren.

U hebt niets gezegd over de termijn waarop dit allemaal zal gebeuren, wat ik natuurlijk begrijp. Ik ben blij dat u gezegd hebt dat het prioritair is in het regeerakkoord en dat u er werk van zult maken.

We kijken uit naar snelle stappen in uw beleid om de zeldzame ziekten de aandacht te geven die ze nodig hebben. U vermeldde het rapport-Schokkaert, het eerste rapport van de commissie Gezondheidsdoelstellingen. Wat als zeldzame ziekten daar dan toch niet in staan? Ik hoorde niet echt twijfel, maar we weten niet wat daarin zal staan.

Het is een onafhankelijk rapport. Ik ga ervan uit dat het erin staat, maar wat als dat er niet in staat? Betekent dat dan een andere situatie voor het beleid dat u wilt voeren op het vlak van zeldzame ziekten? Krijgen we de garantie dat dat inderdaad zal gebeuren, ook al staat het niet in dat rapport?

U herhaalde ook iets wat u al had gezegd in een eerdere discussie over klinische studies. U zei dat ons land minder aantrekkelijk is geworden voor klinische studies, ook en niet alleen in het veld van de zeldzame ziekten. Misschien is dat toch iets om op een ander moment verder over na te denken. Ik ben heel benieuwd hoe u dat ziet en wat u daar eigenlijk mee wilt doen, ook in dit kader.

Jan Bertels:

Ik dank u voor het antwoord, mijnheer de minister. Ik onthoud daar een aantal zaken uit.

Ten eerste, we hebben een internationale dag voor zeldzame ziekten en moeten daar aandacht aan besteden, maar we moeten voornamelijk een aantal zaken doen. Het regeerakkoord geeft een positieve boodschap aan de organisaties en de patiënten met zeldzame ziekten. U hebt heel terecht benadrukt dat we samen met de patiënten en met RaDiOrg het beleid verder moeten uitstippelen.

Het is daarbij belangrijk dat we de omslag maken. We moeten naar generieke conventies gaan, waarbij specialisten die erom bekommerd zijn hun zaken kunnen doen. Dat hoeft niet louter te gebeuren in universitaire ziekenhuizen, dat hebt u ook gezegd, maar universitaire ziekenhuizen zullen zeker een overkoepelende rol moeten kunnen spelen. Collega's, laat het duidelijk zijn, ook hier geldt nabije zorg waar het mogelijk is, gespecialiseerde zorg en geconcentreerde zorg waar het nodig is. Beide gelden hier. We kunnen er niet van uitgaan dat iedereen overal een zeldzame ziekte kan behandelen. We hebben daarvoor specialisten en referentiecentra nodig.

Mijnheer de minister, ten tweede, ik ben blij met wat u zei over het registerbeleid. Wat er nu gebeurt met het dataregister is een pijnpunt en we moeten dat pijnpunt proberen op te lossen. EADS biedt ons daar opportuniteiten, maar we moeten daarmee wel aan de slag. Het blijft immers een beetje ergerlijk dat we voor sommige zeldzame ziekten een beetje blindvaren en niet kunnen vertrouwen op de betrouwbare data.

Ten derde, met betrekking tot de geneesmiddelen en de klinische studies zullen we samen het FAGG, dat daarin een belangrijke rol speelt, zowel Europees als in eigen land, eens moeten bekijken hoe we die klinische studies weer aantrekkelijker kunnen maken. Er is bijvoorbeeld de discussie over de ethische comités. Die discussie zullen we nog wel eens voeren. Hoe kunnen we beletsels, als die er zouden zijn, zo goed mogelijk wegwerken? Zo kunnen we ervoor zorgen dat het plan voor zeldzame ziekten concreter wordt voor de vele mensen die een zeldzame ziekte hebben.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord, waarin u veel maar ook weinig hebt verteld. U hebt weinig concreets meegegeven. Wij zouden dit of dat moeten doen, maar ik heb nergens gehoord dat wij dit of dat op die manier zullen doen. Er zijn dus nog maar weinig concrete stappen.

Ik vrees voor het volgende. Het vorige plan zeldzame ziekten dateert van 2013. Ondertussen zijn we meer dan tien jaar verder. Ik vrees dat het nog eens tien jaar zou kunnen duren vooraleer er echt concrete stappen worden gezet. Ik mag voor de patiënten met een zeldzame ziekte hopen dat dat zeker niet het geval is.

Over de geneesmiddelen geeft u aan dat we moeten streven naar early and fast . Een vroege en snelle toegang is goed, maar ik hoor nergens hoe u dat wilt doen.

Voor de klinische studies moeten wij ervoor zorgen dat er hier in ons land een goed klimaat is en dat het aantrekkelijk is om hier klinische studies te doen. Alweer hoor ik echter niet hoe u dat zult verwezenlijken. Een termijn hoorde ik al helemaal niet.

Het is niet allemaal kommer en kwel. Ik zie hier en daar een klein lichtpuntje, zoals het voornemen dat u wilt samenzitten met patiëntenverenigingen en zorgverleners, die zeker bij het dossier moeten worden betrokken. Dat is uiteraard een heel goed punt.

Het is goed dat een en ander in het regeerakkoord opgenomen is, wat betekent dat budget zal worden uitgetrokken en dat de zaak voor de huidige regering een prioriteit zal zijn. Ik hoop dat daarvan ook iets terug te vinden zal zijn in uw beleidsnota, die wij volgende week zullen bespreken. Ik kijk dus uit naar uw beleidsnota en hoop dat daarin meer concrete stappen duidelijk worden.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik sluit mij aan bij een aantal van de vorige sprekers, namelijk dat nog heel veel concreet moet worden gemaakt op het vlak van timing en toekenning van budgetten daarvoor.

Ik blijf zitten met de hele kwestie van publiek en privé in de farmasector. Ik vroeg uw visie daarop. Ik heb op die vraag niet echt een antwoord gekregen. Dat is nochtans een heel belangrijke discussie. Er zijn daarover al discussies geweest in de commissie. Ik was daar toen niet bij, maar ik heb daarover wel kunnen lezen.

Ik zal Testaankoop citeren, dat schreef dat het huidige model voor de ontwikkeling van geneesmiddelen niet geschikt is om op een bevredigende manier te voldoen aan de noden van de patiënten, omdat de firma’s zelf bepalen welke weesgeneesmiddelen ze ontwikkelen en commercialiseren. Ze laten zich daarbij leiden door potentiële winsten. Daardoor wordt het huidige ontwikkelingsmodel te weinig gestuurd door de noden van de volksgezondheid.

Er is een belangrijke rol weggelegd voor de publieke sector om te zorgen voor investeringen in ontwikkeling, productie en eerlijke prijzen van geneesmiddelen. Zoals ik in mijn vraag heb vermeld, bestaat er een grote discrepantie. Enerzijds is een aantal geneesmiddelen zeer duur, onbetaalbaar en anderzijds bestaat voor 95 % van de ziekten geen geneesmiddel.

Ik heb naar patiënte Inez verwezen, want haar verhaal is actueel. Haar ouders moeten geld inzamelen voor een heel duur geneesmiddel, dat goedgekeurd is in de Verenigde Staten en dat de overheid in Australië terugbetaalt. U verklaart dat u streeft naar een snelle terugbetaling van geneesmiddelen, maar als het concreet over budgetten gaat, dan moeten er prioritaire gezondheidsdoelstellingen worden gesteld en is het helemaal niet duidelijk of die op Inez betrekking hebben. Dus voor haar zal het ervan afhangen of het een prioriteit is of niet voor deze regering.

Dat is een heel andere samenleving dan die welke wij willen. Als er geld moet worden gevonden voor defensie – 800 miljard euro in Europa – vindt men dat blijkbaar snel. Als er geld nodig is om geneesmiddelen terug te betalen, dan zullen we evenwel moeten afwachten of het een prioritaire gezondheidsdoelstelling is.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse très détaillée. Je souhaite simplement vous dire que nous, Les Engagés, comptons sur vous, monsieur le ministre, pour mettre en œuvre l’accord de gouvernement. Celui-ci prévoit des actions fortes en faveur des patients qui souffrent de maladies rares, notamment un diagnostic beaucoup plus précoce, une orientation plus rapide vers des experts professionnels dans les maladies rares, une meilleure coordination des soins et la simplification des démarches administratives, véritable parcours du combattant pour ces personnes. Oui, nous, Les Engagés, y serons attentifs, non seulement le dernier jour de février, mais également les autres jours de l’année, parce que les maladies rares en valent la peine.

Een snellere medische afspraak bij betaling van een supplement of voor een esthetische ingreep
De wachttijden voor dermatologische zorg
Dermatologische zorg van twee snelheden
Betaalde versnelde dermatologische zorg en wachttijden

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om ethisch onaanvaardbare wachtlijsten en tweesporenzorg in de dermatologie, waar patiënten met betalende supplementen of esthetische behandelingen voorrang krijgen, terwijl medisch noodzakelijke zorg achteruitgeschoven wordt. Minister Vandenbroucke bevestigt dat 79% van de dermatologen niet (volledig) geconventioneerd is en kondigt een herziening van de nomenclatuur (vergoedingen) in 2026 aan, maar neemt nu geen concrete maatregelen tegen de commercialisering, behalve het stapsgewijs verbod op supplementen voor kwetsbare patiënten. Kritiek blijft bestendig: zonder structurele oplossingen (zoals verplichte uren voor medische dermatologie, betere triage via huisartsen of hernieuwde teledermatologie) en transparante wachttijdregistratie dreigt de tweedeling in zorgtoegang te blijven bestaan.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, uit onderzoek naar de wachtlijsten op de diensten dermatologie in de Vlaamse universitaire ziekenhuizen blijkt dat patiënten in zowel het UZ Brussel als het UZ Leuven sneller een consultatie krijgen voor een huidprobleem indien ze supplementen betalen. Daarnaast krijgt men in het UZ Brussel ook nog eens sneller een afspraak voor een esthetische behandeling dan voor een huidprobleem. Dermatologen geven zelf aan dat ze die cosmetische behandelingen nodig hebben om hun praktijk financieel leefbaar te houden.

Hoe ver staat de herziening van de nomenclatuur voor dermatologie? Klopt het dat de tarieven ondergewaardeerd zijn? Kunt u het brutojaarinkomen van een dermatoloog situeren ten opzichte van andere artsen? Klopt het dat dat 1/3 is van een gemiddelde arts?

Ten tweede, hoe groot is het percentage van dermatologen dat geconventioneerd is?

Ten derde, wat is het gevolg van het supplementenverbod voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming op de dermatologische praktijk? Werd dat op voorhand ingeschat?

Ten vierde, werd er onderzocht wat de reden is voor het groeiende aantal esthetische behandelingen in dermatologische praktijken?

Ten vijfde werd nu een beperkt onderzoek gedaan bij universitaire ziekenhuizen, maar hoe is de situatie in de algemene ziekenhuizen en in de periferie?

Hebben we ten slotte een nationaal overzicht van de wachtlijsten voor de verschillende medische diensten of voor enkele referentieonderzoeken? Indien niet, lijkt u dat wenselijk?

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, deze vragen hebben we deels ook al behandeld in de plenaire vergadering, toen we spraken over de aanrekening van supplementen. Nu gaan de vragen strikt over de wachttijden in de dermatologische zorg. De vraag werd mij trouwens ingefluisterd door mijn echtgenoot en huisarts, die zegt dat het ongelooflijk is hoeveel patiënten met huidproblemen hij over de vloer krijgt, omdat veel van die zaken veel vroeger bekeken hadden moeten worden, maar dat die patiënten nooit bij een dermatoloog binnen zijn geraakt. Ik hoef mijn vraag niet nader in te leiden, want de collega heeft de kwestie al goed uiteengezet.

Mijnheer de minister, wat zult u doen om de wachttijden bij dermatologen te verkorten? Is de invoering van cursussen dermatoscopie een mogelijkheid om wachtlijsten te verkorten, aangezien huisartsen en chirurgen zodoende een soort van dermatologische triage kunnen doen? Welke concrete stappen zult u zetten om dermatologen aan te moedigen om meer tijd in de ziekenhuizen te spenderen? Hoe zult u de spreiding van de dermatologische zorg verbeteren, gelet op het feit dat men in landelijke gebieden veel langer moet wachten op een afspraak?

Dat zijn maar enkele van de vragen die ik opgesteld had. Ik kijk uit naar uw antwoord.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, de wachtlijsten en de supplementen hangen natuurlijk aan elkaar vast. Dat is ook wat De Standaard daarover schreef in februari.

Uit de lange wachtlijsten voor dermatologie ontstaan ook nieuwe businessmodellen. Mensen moeten nu weken of maanden wachten op een dermatoloog, maar als men geld genoeg heeft voor de dermatologieapp Skindr, kan men voor 39 euro binnen vijf werkdagen geholpen worden en kan men voor 99 euro binnen 24 uur een antwoord krijgen, terwijl men normaal bij een geconventioneerde dermatoloog 12 euro remgeld betaalt.

De app biedt niet alleen snelle, digitale consultaties, maar claimt ook snelle, fysieke doorverwijzingen. Patiënten zouden dan binnen een week terecht kunnen bij een van hun tien doorverwijslocaties. Dat zijn privépraktijken of ziekenhuizen. Dat is wel opmerkelijk, want de betrokken ziekenhuizen hebben officieel wachttijden van minstens drie weken en sommige zelfs carrément een patiëntenstop. Men komt zo tot een systeem van geneeskunde met twee snelheden.

Hoe wilt u garanderen dat er geen voorkeursbehandeling ontstaat voor wie extra kan en wil betalen? Wat wilt u doen aan de wachtlijsten bij de dermatologen? Hoe kunt u tariefzekerheid garanderen aan de patiënten? In het algemeen, wat vindt u van deze commercialisering van de zorgsector?

Tijdens de plenaire vergadering hebt u onder andere gezegd dat u de tariefzekerheid wilt garanderen door artsen aan te sturen om zich te conventioneren, maar hoe wilt u dat concreet doen?

Tot slot, tot 2020 liep er een proefproject rond teledermatologie bij het RIZIV, waarbij huisartsen digitaal advies konden inwinnen bij een dermatoloog. Hoe evalueert u dat project? Waarom is dat stopgezet? Zou een hervatting daarvan mogelijk zijn?

Frank Vandenbroucke:

Zoals ik al gezegd heb, vind ik het ethisch totaal onaanvaardbaar dat men mensen minder of langer doet wachten op basis van wat ze bereid zijn te betalen voor een raadpleging of een behandeling. Dat is ethisch totaal onaanvaardbaar. Overigens is het ethisch zeer problematisch dat men voorrang zou geven aan een praktijkvoering in esthetische geneeskunde, boven wat echt noodzakelijke zorg is om aandoeningen van mensen te behandelen. Dat is ook zeer problematisch.

De onderliggende vraag is inderdaad of de beroepsgroep van de dermatologen kan zeggen dat ze onvoldoende gewaardeerd wordt door de bestaande officiële vergoedingen in de bestaande nomenclatuur. Ik zal mij daarover nu niet publiek uitspreken, omdat ik niet vooruit wil lopen op een debat dat we absoluut zullen moeten hebben in 2026, wanneer wij alle voorbereidende werkzaamheden klaar hebben om over te gaan tot een herijking van de vergoedingen in de geneeskunde, een herijking van de tarieven die samenhangen met de nomenclatuur.

Die herijking wordt voorbereid door onder meer een werkgroep onder leiding van Jo De Cock, de gewezen administrateur-generaal van het RIZIV. Die kijkt naar de vergoeding voor raadplegingen. Dat is natuurlijk wel belangrijk in deze problematiek. We moeten immers fijnmazigere en daardoor ook betere vergoedingen hebben voor raadplegingen, maar het gaat natuurlijk niet alleen over raadplegingen. Het gaat bijvoorbeeld ook over vergoedingen voor bepaalde onderzoeken.

Mevrouw Gijbels, ik weet eerlijk gezegd ook niet hoeveel dermatologen precies verdienen. Daarvoor moet men immers ook rekening houden met de kosten die ze hebben, eventuele afdrachten in ziekenhuiscontexten, maar ook supplementen die ze vragen. Ik heb daarover niet voldoende gegevens. Los daarvan zal ik mij vandaag ook niet uitspreken over wie er te veel of te weinig verdient als het gaat over dermatologen.

Ik denk wel dat die vraag op tafel zal komen. We moeten tot een correcte vergoeding komen voor de feitelijke inspanningen die een arts doet in het contact met de patiënt, de complexiteit van dat contact, de verantwoordelijkheid die de arts opneemt. Daar zitten vandaag grote scheeftrekkingen.

Er is inderdaad een belangrijk aandeel dermatologen niet geconventioneerd: 79 % in 2023 en 9 % was gedeeltelijk geconventioneerd. Dat wijst toch op een belangrijk probleem. Mevrouw Eggermont, wegens tijdsgebrek, maar ook omdat ik hierover nog meer overleg moet voeren, zal ik nu niet vooruitlopen op wat we moeten doen om een conventionering weer aantrekkelijker en een niet-conventionering onaantrekkelijker te maken, maar dat is echt wat we moeten doen.

Supplementen zijn een excuus, maar helaas ook, dat lees ik in De Standaard , het voorwerp van een onethische praktijk, in het kader van wachttijden van mensen. Mevrouw Gijbels, ik geloof niet dat we een verkeerde beslissing hebben genomen door te zeggen dat een dermatoloog geen supplementen meer mag aanrekenen aan een patiënt die door de verhoogde tegemoetkoming wordt beschermd. U weet dat het verbod in twee stappen wordt geïmplementeerd: een stap dit jaar en de volgende stap volgend jaar.

We weten dat vandaag iets meer dan 18 % van de dermatologische consultaties, althans volgens de beroepsvereniging, gebeuren voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming. Iets meer dan 12,5 % van de technische handelingen wordt uitgevoerd voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming. Meer kan ik daar nu niet over zeggen, maar ik denk dat we de juiste beslissing hebben genomen door te zeggen dat men daar alleszins geen supplementen mag vragen. Het is de bedoeling van de regering om supplementen over de hele lijn te beperken en excessen te bestrijden.

U vroeg of iets dergelijks als fenomeen is vastgesteld buiten de universitaire ziekenhuizen. Ik zou met enige terughoudendheid kunnen zeggen dat de auteurs van die studie die misschien eens zouden moeten hernemen voor de algemene ziekenhuizen. Het is geen studie van ons, maar die vraag stelt zich inderdaad.

Wat betreft de vraag over wachtlijsten, ik gebruik liever het woord wachttijden. Er worden inderdaad geen mensen geregistreerd, maar mensen ervaren wel dat het bijzonder lang duurt. Wij houden geen wachtlijsten bij. Mevrouw Gijbels, het is misschien een aantrekkelijk idee om te zeggen dat we dat zullen registeren, maar dat betekent dan een bijkomende registratielast en meer paperassen voor zorgverstrekkers. Ik ben niet erg geneigd om vandaag voor te stellen om ook dat nog eens te laten registreren.

We moeten ook opletten met een beleid dat gestuurd wordt door wachtlijsten en wachttijden. Het aanbod moet gewoon voldoende sterk, breed en direct toegankelijk zijn. Dat is belangrijk. Mevrouw Eggermont, maar ook anderen, zoals mevrouw Bury, hebben daar een interessant punt opgeworpen. Er is namelijk een proefproject geweest voor tele-expertise in de dermatologie, waarbij de huisarts snel een advies kon vragen aan de dermatoloog. Er is een nieuwe methode ontwikkeld, waarbij men informatie en foto's uitwisselt met het oog op diagnose, behandeling en preventie van huidaandoeningen.

De bedoeling was om na te gaan of dat goede, snelle, toegankelijke, veilige en kosteneffectieve geneeskunde toelaat in het domein van het dermatologisch advies, met respect voor de privacy van de patiënt. Men heeft ook gekeken wat de impact daarvan is op de wachttijden. De algemene tevredenheid bij de huisartsen was dermate groot dat er is beslist om dat ter beschikking te blijven stellen. Via de Technisch medische raad van het RIZIV is na deze pilootstudie een voorstel uitgewerkt, waarbij men dat zou kunnen toepassen op verschillende disciplines.

Helaas is er in de Nationale Commissie Artsen-Ziekenfondsen (medicomut) geen eensgezindheid bereikt over zo'n breed verhaal. Daarom heeft men onlangs beslist om voorlopig te blijven focussen op een vergoeding voor de teledermatologie, wat inderdaad ook puur het voorwerp was van dat pilootproject. De bedoeling is om inderdaad dit blijvend te vergoeden in de dermatologische zorg. Dat zit nu in de pijplijn. Over de verdere besluitvormingsprocessen daaromtrent heb ik geen gegevens bij, maar daarmee zullen we alleszins doorgaan. Dat is wel afgesproken.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het werd ook al aangehaald door een van mijn collega's hier, dermatologie is natuurlijk een heel belangrijke discipline, zeker gezien het toenemende aantal huidkankers. Preventie is belangrijk, goede informatie is belangrijk en dat geldt uiteraard ook voor snelle, goede en laagdrempelige zorg. Het is echter een bezorgdheid die bij de dermatologen zelf ook leeft. Zij willen goede zorg verlenen aan iedereen, maar willen tegelijkertijd ook de nieuwste technieken en de nieuwste apparatuur kunnen aanbieden.

Ik vind die herijking van de nomenclatuur, die kostprijsberekening die daaraan vasthangt, heel interessant en heel erg nodig. U weet dat wij liever hadden gezien dat het supplementenverbod van kracht zou worden na een herijking van de nomenclatuur. Dat zou toch wel wat minder impact hebben gehad op het veld.

Een correcte honorering is immers toch echt wel belangrijk, ook om een praktijk gewoon leefbaar te houden. Het is gewoon een economische realiteit. Het kan dan niet ethisch bevonden worden om toevlucht te zoeken in cosmetische ingrepen en voorrang te geven aan patiënten die supplementen willen betalen, ik heb daarbij ook mijn bedenkingen, maar de economische realiteit is wat ze is.

Ik kijk uit naar die verdere herijking van de nomenclatuur. Ik wil ook vragen om het volgende eens te bekijken. Als die tweede fase van dat supplementenverbod van kracht zou worden, kan dan toch eens worden bekeken wat daarvan de mogelijke consequenties zouden kunnen zijn, om zeker daar niet nog meer zorg met twee snelheden te creëren?

Ik vind het een beetje een jammere zaak dat de wachttijden niet worden geregistreerd. Ik denk ook niet dat dat noodzakelijk moet leiden tot meer administratie en meer paperasserij. Vandaag wordt er toch al heel veel elektronisch geregistreerd. Er zou een soort automatische registratie van wachttijden kunnen zijn. Misschien moet dat niet direct het beleid sturen, maar het geeft wel een heel goed overzicht van hoe we eraan toe zijn en hoe veilig en toegankelijk onze zorg is op elk moment. Ik ben er dus toch een grote voorstander van om daar verder werk van te maken. Dank u wel.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, uiteraard kijken we uit naar de herijking, maar die is voor 2026. We hebben het nu over vandaag.

Ik ben ervan overtuigd dat het superaanlokkelijk is om esthetische geneeskunde uit te voeren. Ze zeggen dan dat het gaat over één zone en dat kost 250 tot 450 euro. Dat vraagt geen kwartier werk, maar slechts een paar minieme prikjes. Dat is dus een lucratieve business.

Volgens mij is dat net even verslavend als Botox zelf. Men raakt gemakkelijk aan een inkomen en schuift de rest maar opzij. Het is goed dat ze dat doen en dat het niet in handen van schoonheidsspecialisten komt die daarvoor materiaal gaan halen. Schoonheidsspecialisten mogen dat immers niet doen en dat materiaal voldoet ook niet. Het is dus goed dat dermatologen dat doen, maar mij lijkt het gewoon de basis waarop u een verplichting oplegt dat ze zich ook zoveel uren per week met huidproblemen moeten bezighouden. Ik hoop dat ik niet alle dermatologen over mij heen krijg, maar het lijkt me heel simpel om dat vast te leggen, wat helemaal losstaat van die herijking.

Die tele-expertise die in de pijplijn zit, is bijzonder interessant. Wat ik wel mis in uw antwoord is wat u vindt van de invoering van cursussen dermatoscopie bij huisartsen of chirurgen om toch een betere triage te kunnen doen van de basisonderzoeken. Dat heb ik niet gehoord.

Natalie Eggermont:

Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik sluit me aan bij mevrouw Bury inzake de teledermatologie. Het is een goede zaak dat daarvan een positieve evaluatie bestaat en dat dat project kan worden voortgezet. Die vraag kregen we ook van een aantal huisartsen. Toch ligt er nog veel werk op de plank. Er bestaat een zekere kloof tussen uw verklaringen en uw daden. Enerzijds verklaart u dat dergelijke praktijken totaal onaanvaardbaar zijn. Ik ben het ermee eens dat er twee snelheden bestaan en dat er een shift is naar esthetische geneeskunde. Anderzijds antwoordt u op veel vragen dat u het zult bekijken, omdat het uiteindelijk om de betaling van de prestaties gaat, waarvoor een herziening nodig is. Wij pleiten voor een vast loon, dat zou helpen. Dat is dan voor volgend jaar. Ik kan ook niet echt zeggen dat er meer artsen geconventioneerd zijn. U verklaart dat dergelijke praktijken totaal onaanvaardbaar zijn, maar wat zult u dan vandaag ondernemen om die schandalige praktijken stop te zetten? Op dat punt blijf ik op mijn honger zitten.

De terugbetaling van Skyclarys
De zeldzame ziekte ataxie van Friedreich
De terugbetaling van Skyclarys
Terugbetaling van Skyclarys voor ataxie van Friedreich

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het RIZIV weigert terugbetaling van Skyclarys (omaveloxolone) voor Friedreich’s Ataxie (FA) omdat de therapeutische meerwaarde beperkt is en de gevraagde prijs door Biogen onevenredig hoog volgens de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG), ondanks EMA-goedkeuring. Biogen trok het dossier terug na een negatief advies, maar beloofde een herzien voorstel—mogelijk via een versnelde *loopprocedure*—om alsnog onderhandelingen te starten over prijs of een vertrouwelijk contract. Vandenbroucke benadrukt dat 85% van de weesgeneesmiddelen wél wordt terugbetaald en dat België werkt aan snellere toegang tot innovatieve therapieën, maar eist een realistische prijs-kwaliteitverhouding. Sneppe kritiseert dat België patiënten hoop ontnemt terwijl buurlanden mogelijk wél toegang bieden, en vraagt zich af waarom EMA en CTG verschillend oordelen over dezelfde klinische data.

Dominiek Sneppe:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Friedreich's Ataxie (FA) is een zeldzame, genetische, progressieve neuromusculaire aandoening die het centrale zenuwstelsel en de spieren aantast. Het leidt tot een verlies van motorische functies, inclusief evenwicht en coördinatie, wat ernstige gevolgen heeft voor de mobiliteit en de levenskwaliteit van patiënten. Naast motorische problemen ervaren veel patiënten met FA ook bijkomende aandoeningen zoals hartproblemen, diabetes en scoliose. De ziekte heeft een levensverkortende aard en kan leiden tot invaliderende beperkingen op jonge leeftijd.

Voor lange tijd waren er geen goedgekeurde medicijnen beschikbaar om de progressie van de ziekte te vertragen of te behandelen, wat een enorme belasting vormde voor zowel de patiënten als hun families. Recentelijk, in februari 2024, werd het medicijn Skyclarys (omaveloxolone), ontwikkeld door Biogen, goedgekeurd door het Europees Medicijn Agentschap (EMA) voor gebruik in Europa. Klinische studies hebben aangetoond dat Skyclarys de progressie van FA-symptomen kan vertragen, wat de levenskwaliteit van patiënten aanzienlijk kan verbeteren en hen meer tijd biedt voor verdere medische ontwikkelingen. Dit biedt een sprankje hoop voor de duizenden patiënten wereldwijd.

Echter, ondanks de goedkeuring van Skyclarys door het EMA, zijn er belangrijke obstakels op het gebied van de terugbetaling. Het Belgische RIZIV heeft, na onderhandelingen met Biogen, besloten om de terugbetaling van Skyclarys te weigeren, omdat zij de prijs te hoog vinden. Dit besluit heeft verstrekkende gevolgen voor de patiënten, die hierdoor toegang verliezen tot een veelbelovende behandeling. Het niet beschikbaar stellen van dit medicijn kan de levensverwachting van patiënten verder verkorten en hun kansen op verbetering drastisch verminderen.

1. Waarom wordt de terugbetaling van Skyclarys geweigerd door het RIZIV, ondanks goedkeuring door het EMA? Welke specifieke criteria worden gehanteerd voor de kosteneffectiviteit van weesgeneesmiddelen?

2. Welke beleidsmaatregelen worden overwogen om de toegang van patiënten met Friedreich's Ataxie tot Skyclarys te waarborgen, rekening houdend met de lange termijn kosten van niet-behandeling?

3. Gezien het potentieel van Skyclarys om de ziekteprogressie te vertragen, is er ruimte voor onderhandelingen met Biogen over een lagere prijs, en welke stappen worden genomen om dit proces te versnellen?

4. Hoe beïnvloedt de weigering van terugbetaling van Skyclarys de toekomst van geneesmiddelenonderzoek voor zeldzame ziektes, en welke beleidsmaatregelen zorgen voor toegang tot innovatieve therapieën?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Sneppe, het onderwerp van uw vraag heeft ook mij sterk aangegrepen, vanwege van de getuigenissen in de kranten. Ataxie van Friedreich is een erge ziekte. We moeten ons natuurlijk wel houden aan de bestaande procedures. In België worden geneesmiddelen terugbetaald op basis van adviezen die gegeven worden door de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen. Die adviezen worden verstrekt wanneer de producent een aanvraag indient. De adviezen houden rekening met vragen naar de therapeutische waarde, de plaats van zo'n medicament in het geheel van het therapeutisch arsenaal, de kosteneffectiviteit en de impact op het zorgbudget. Daarbij vertrekt men natuurlijk van de behoeften van de patiënten en de belangen van de volksgezondheid in de breedte. Daarbij weten we dat als we een bepaald budget besteden aan één geneesmiddel, we het minder gemakkelijk zullen kunnen besteden aan een ander geneesmiddel. Daarom moeten we afwegingen maken.

Uit de gegevens die beschikbaar waren, bleek dat Skyclarys slechts een beperkte vertraging van het ziekteverloop biedt, zonder significant effect op de belangrijkste levensbedreigende complicaties. De prijs die de producent vroeg, lag volgens de CTG vele keren hoger dan wat als redelijk wordt beschouwd op basis van de resultaten. Daarom heeft de CTG een negatief advies gegeven. De criteria zijn dus de therapeutische waarde, de prijs van de specialiteit die aangevraagd wordt, het belang van de specialiteit in de medische praktijk, de budgettaire weerslag en de verhouding tussen de kosten voor de ziekteverzekering en de therapeutische waarde.

Het bedrijf heeft het dossier teruggetrokken, ook wel wetende dat ik niet bereid was om op zo'n uitgangsbasis te beginnen met een onderhandeling over een confidentieel contract. Ik had dat kunnen doen, maar het was duidelijk dat ik dat niet zou doen op zo'n wankele basis. Het bedrijf heeft dan zelf gezegd: we trekken ons dossier terug.

Wat hoopgevend is – meer kan ik er ook niet over zeggen – is dat de firma wel heeft laten weten dat ze een verbeterd voorstel bij de CTG zullen indienen. Als we een verbeterd voorstel krijgen, dan kan de CTG misschien wel een positief advies geven, of misschien hebben we dan een beter uitgangspunt om toch de onderhandelingen over een vertrouwelijk contract aan te vatten.

De firma zou overigens kunnen opteren voor een zogenaamde loopprocedure, op voorwaarde dat ze zich akkoord verklaart met het oorspronkelijke evaluatierapport van de afgesloten procedure en op voorwaarde dat ze dit motiveert. Dat betekent dat de procedure start met een voorlopig voorstel. De doorlooptijd is dan 90 dagen in plaats van 180 dagen, zonder rekening te houden met schorsingen gevraagd door de firma of om onderhandelingen mogelijk te maken.

Hoe beïnvloedt dit de toekomst van het geneesmiddelenonderzoek voor zeldzame ziekten? Zoals u kunt lezen in het MORSE-rapport van 2022-2023 leidt 85,4 % van alle aanvragen via de weesprocedure tot een positieve beslissing en slechts een kleine minderheid tot een negatieve beslissing. Een van de speerpunten van de hervorming inzake geneesmiddelen die we voor ogen hebben is een vroege en snelle, maar ook duurzame toegang tot veelbelovende therapieën. We zijn daarvoor een systeem aan het uitwerken.

Dat kan ik voorlopig zeggen. Dit is een tragische ziekte. Wanneer een producent met een medicament op de proppen komt, moet er een correcte verhouding zijn tussen de prijs die men vraagt en de waarde van het medicament. Die hebben we tot nu toe niet gekregen, maar ik hoop dat we in de toekomst een beter dossier kunnen krijgen.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat u een euro maar één keer kunt uitgeven en dat er met zorg moet worden omgegaan met het budget van Volksgezondheid. Voor de mensen met een dergelijke ziekte was er evenwel eindelijk een lichtpuntje. Het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) keurde het geneesmiddel goed dat de ziekte volgens de klinische studies zou kunnen vertragen, wat ook de levenskwaliteit van die patiënten aanzienlijk zou kunnen verbeteren. Ondertussen is er ook meer tijd om verdere klinische studies te verrichten voor een nog beter product. Ik snap dat er een afweging moet worden gemaakt tussen de baten en de lasten. Het is natuurlijk heel jammer voor die patiënten dat dit weer een dossier is waarin België – ik weet niet of ik het zo mag uitdrukken – steken laat vallen. Ik stel me de vraag waarom het EMA dat geneesmiddel goedkeurt en waarom de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) dat in België niet goedkeurt. Het EMA gaat toch niet over één nacht ijs? Ik neem aan dat het die klinische studies toch bekijkt. De prijs is hoog, maar dat is bij andere medicijnen ook het geval. Wat is de situatie in onze buurlanden? Dat is stof voor een volgende vraag. Hebben mensen in bijvoorbeeld Nederland, Duitsland of Frankrijk evenmin toegang tot dat medicijn? Liggen de prijzen daar even hoog of gaat het om geheime contracten? Ik blijf wat op mijn honger, mijnheer de minister. Ik vind het heel jammer voor de mensen met deze zeldzame ziekte dat het kleine sprankeltje hoop dat een medicijn hun eindelijk wat levenskwaliteit zou kunnen bieden helemaal tenietgedaan is.

Zeldzame ziekten, de research hiernaar en de geneesmiddelen op de Belgische markt

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Hervé Cornillie kaart de uitdagingen van zeldzame ziekten (500-600.000 Belgen, vaak genetisch/kindgerelateerd) aan, met focus op dure, schaarse behandelingen (slechts 5% heeft geregistreerde medicatie) en commerciële desinteresse van farmabedrijven door gebrek aan winstperspectief. Minister Vandenbroucke benadrukt het EU-kader (regeling 141/2000) voor weesgeneesmiddelen (EMA-beoordeling, stimuleringsmaatregelen) en Belgische initiatieven zoals het plan zeldzame ziekten (2013), genetische testpanels en een nationaal patiëntenregister, maar erkent dat diagnose en dataverzameling nog fragmentarisch zijn. Cornillie blijft kritisch over systematische aanpak en pleit voor betere samenwerking tussen patiënten, overheid en farmacie, ondanks de complexe afwegingen. De kern: innovatie versus betaalbaarheid blijft een spanningsveld, met nood aan efficiëntere incentives en datagestuurde oplossingen.

Hervé Cornillie:

Madame la présidente, comme j'étais présent en commission de l' é nergie pour un débat d'actualité, je ne sais pas si ces thématiques ont été évoquées dans cette commission. Je ne sais d'ailleurs pas non plus pourquoi mes deux questions n’ont pas été intégrées au débat d’actualité. Mais je n'ai pas à dire ce que les services doivent faire.

La présidente : Je me suis posé la même question. Mais cela tombe bien, puisque vous êtes maintenant là pour les poser.

Hervé Cornillie:

Oui, mais je ne voudrais pas être redondant et embêter mes collègues, même s'il n’y a plus beaucoup de combattants. Nous sommes les deux derniers valeureux.

Monsieur le ministre, il existe une multitude de maladies rares. Vous le savez particulièrement bien, puisqu’il en a été question très longuement. Les associations de parents et de victimes ainsi que les entreprises se mobilisent de plus en plus sur cette thématique. Ces maladies, qui ne sont finalement pas si rares que ça, touchent 500 à 600 000 Belges.

Ces maladies rares ont souvent une origine génétique et concernent principalement des enfants. C'est un enjeu de santé majeur. On estime d'ailleurs, selon les informations sur la recherche et les connaissances sur les maladies rares, que 5 % des maladies rares recensées en Belgique disposent d'un traitement médicamenteux enregistré. Ne parlons même pas, même si c'est un corollaire important, du coût de ces traitements. Par ailleurs, 35 % des programmes médicaux d'urgence concernent des médicaments orphelins. La recherche sur ces maladies rencontre de nombreux défis, nécessitant un cadre régulateur spécifique pour des médicaments orphelins. Cela représente un défi tant pour les sociétés pharmaceutiques que pour l'État.

J'aimerais faire le point avec vous aujourd'hui sur les difficultés liées à la propriété intellectuelle dans le domaine de l'industrie pharmaceutique. Il en est souvent question. Il faut essayer d'éviter de tomber dans du populisme de bas étage à ce sujet. Personne ici n'en est responsable, soyons clairs.

Les laboratoires pharmaceutiques tirent principalement leurs revenus des monopoles sur la propriété intellectuelle liée à la découverte des traitements. Par définition, certaines maladies rares ne représentent pas un marché suffisamment intéressant pour inciter ces laboratoires à investir dans la recherche. Des maladies semblent être négligées par manque d'intérêt commercial, osons le dire, ou tout simplement parce qu'elles supposent des montants colossaux pour des avancées que l'on ne mesure pas spécialement bien. Comme ces pathologies sont très variées, il faut démultiplier ce type de raisonnement et de logique pour les aborder: maladie des os de verre, de Crohn, de Charcot, de l'homme de pierre, chorée de Huntington, rétinoblastes et j'en passe. En Europe, elles touchent 30 millions de patients.

Les conclusions du Forum sur les maladies rares sont assez préoccupantes. Il est évidemment nécessaire de soutenir davantage la recherche et d'utiliser certains mécanismes de compensation pour inciter l'investigation scientifique par les laboratoires et compenser les lacunes de la propriété intellectuelle.

Monsieur le ministre, quelle est votre position sur ce sujet? Notre pays évolue-t-il dans l'approche de ces questions? Comment concilier l'innovation et la recherche coûteuse dans des départements qui ne sont, bien sûr, jamais certains d'obtenir des résultats avec la nécessité de répondre à la réalité des patients, qui est bien réelle et difficilement supportable? Comme le gouvernement intercède-t-il dans cet indispensable cheminement afin de faire dialoguer ces deux publics cibles?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Cornillie, je reconnais en effet que le développement de médicaments efficaces et sûrs en vue de traiter les maladies rares mérite une attention particulière. Vous savez qu'une maladie rare est définie par une prévalence inférieure à 5 sur 10 000 patients atteints de la maladie. Plus de 5 000 maladies rares sont actuellement reconnues. Étant donné qu'un grand nombre de patients, en particulier ceux atteints de maladies très rares, ne sont souvent pas correctement diagnostiqués, il est particulièrement difficile d'obtenir des chiffres précis de nature géographique, tant au plan national que régional.

Le règlement européen n° 141/2000 vise spécifiquement à faciliter le développement des médicaments orphelins. Depuis la ratification de ce règlement en 2000, la tâche de reconnaître les médicaments destinés au traitement, à la prévention et au diagnostic des maladies rares en tant que médicaments orphelins a été entièrement confiée au niveau européen. L’Agence européenne des médicaments (EMA) s’acquitte de cette tâche par l’intermédiaire du Comité scientifique des médicaments orphelins.

Pour être désignés comme médicament orphelins, les médicaments doivent répondre à trois critères principaux: cibler une maladie orpheline reconnue mortelle ou très invalidante, remplir le critère de prévalence ou de rapport coût/efficacité et offrir un bénéfice significatif par rapport aux méthodes de traitement, de prévention et de diagnostic satisfaisantes préexistantes.

Une fois désigné, un médicament orphelin peut bénéficier de plusieurs mesures incitatives. Au niveau belge, le plan maladies rares de 2013 a servi à une stratégie pluriannuelle visant à améliorer l’accès et l’équité des modalités de traitement pour les patients belges atteints de maladies rares.

Le Collège Belge de Génétique Humaine et Maladies Rares présidé par le Pr De Baere est chargé de conseiller la stratégie nationale pour les maladies rares. D’autres efforts pour stimuler le développement de traitements et de soins pour les patients atteints de maladies rares en Belgique comprennent le développement de panels de gènes standardisés pour des tests génétiques, le travail effectué pour mettre en place un registre national des patients atteints de maladies rares et la traduction des données d’Orphanet.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour avoir fait le point sur cet aspect de la problématique des maladies rares, d’avoir dressé un état des lieux. Nous restons un peu sur notre faim par rapport au fait que l’on puisse systématiser, automatiser ce genre d’approches avec des maladies trop peu connues. Certes, ce sont des arbitrages et ils sont toujours humainement douloureux. Vous avez fait référence à ce cadastre nécessaire mais non obligatoire aujourd’hui, contrairement au cancer. La collecte des données et des informations un peu standardisées contribuent pourtant à la bonne connaissance d'un phénomène. Espérons que nous puissions, dans un système qui est assez onéreux, trouver toujours des points de convergence entre les malades et les entreprises pharmaceutiques. C'est indispensable. La technicité de la question et de votre réponse font que je reviendrai plus tard sur le sujet.

Zeldzame ziekten en de opleiding van de toekomstige zorgverleners

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de slechte kennis van zeldzame ziekten bij zorgverleners door ontoereikende opleiding, wat leidt tot late diagnoses, hogere kosten voor de federale gezondheidszorg en minder effectieve behandelingen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat verplichte modules over zeldzame ziekten in basis- en bijscholing (voor artsen *en* andere zorgprofessionals) nodig zijn, maar benadrukt dat dit samen met de gemeenschappen moet worden uitgewerkt in een nieuw nationaal plan. Cornillie sluit aan: structurele afstemming via de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid is cruciaal om krachten te bundelen, met de patiënt als centrale focus.

Hervé Cornillie:

Monsieur le ministre, bien entendu, je n'ignore pas que la formation n'est pas une compétence fédérale. J'ai été député wallon et communautaire pendant deux ans et demi. Ce sont des thématiques que l'on essaie de traiter au mieux dans d'autres assemblées.

Parmi les nombreux événements qui ont lieu – et, comme pour toute question, heureusement que ce n'est pas limité à un jour dans l'année –, il y a de nombreuses plates-formes, des rencontres entre les malades et entre les entreprises pharmaceutiques, des visites (Takeda encore récemment pour moi), l'alliance RADDIAL et ses actions, les personnes atteintes de maladies rares à travers RaDiOrg, l'UZ Leuven, etc. Beaucoup de gens travaillent sur ces questions, s'agitent et viennent devant vous, par exemple avec une question de cet ordre.

Même si la formation des soignants est évidemment du ressort des Communautés – et on a fait référence tantôt à la mauvaise connaissance qu'on a de ces maladies –, si on fait mal les choses dans le cadre de la formation des soignants – je n'émets pas de jugement –, c'est dans le système curatif, qui dépend de vous, qu'on en voit l'addition. En l'occurrence, il s'agit plutôt de coûts qui s'avèrent plus grands, d'une errance de diagnostic qui fait qu'on n'est pas suffisamment bien pris en charge et traité parce qu'on a trop cherché à trouver ce dont il était question et, par ailleurs, forcément, d'une intervention moins rapide, moins efficace par rapport à la pathologie recensée.

J'estime, monsieur le ministre, que l'autorité fédérale a tout intérêt à dialoguer activement avec les Communautés sur cette question parce que les conséquences de la mauvaise ou de la trop peu qualitative ou quantitative formation des futurs soignants en maladies rares se font ressentir sur votre budget et donc sur l'État fédéral.

Je vous remercie des pistes d'action que vous pourriez mettre en place pour que cette situation s'améliore

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Cornillie, la formation des futurs soignants constitue un élément clef pour garantir une prise en charge optimale des patients atteints de maladie rare. Et cela ne regarde pas uniquement la formation des médecins spécialistes mais aussi celle des généralistes et d'autres professionnels de la santé qui doivent pouvoir identifier les facteurs de risque, rediriger les patients vers les spécialistes pertinents et, si nécessaire, les prendre en charge de manière optimale.

Bien que la qualité de la formation des soignants en Belgique soit déjà élevée, des améliorations demeurent possibles, en particulier dans le domaine des maladies rares. Plusieurs pistes peuvent être explorées pour renforcer cette dimension, en concertation avec les entités fédérées. Je peux citer, à titre d'exemple, l'idée d'introduire des modules de formation obligatoire sur les maladies rares dans le parcours des futurs soignants afin de les sensibiliser dès leur formation de base. Ces modules pourraient couvrir des sujets allant de l'identification des red flags à la prise en charge spécialisée des maladies rares. Cela doit bien sûr être décidé par les entités fédérées. Par ailleurs, des modules de formation continue sur les pathologies doivent également être développés pour tenir à jour les connaissances des soignants tout au long de leur carrière. Ces initiatives doivent être étudiées dans le cadre de l'élaboration du nouveau plan national sur les maladies rares que j'ai demandé aux administrations fédérales de développer.

Dans ce cadre également, la consultation entre les entités fédérées et le fédéral est indispensable pour répondre au mieux aux besoins des personnes atteintes d'une maladie rare.

Hervé Cornillie:

Merci monsieur le ministre pour vos retours à la suite de mes interrogations. Il est clair qu'il en va de la formation initiale mais aussi de celle qui a lieu tout au long de la vie, comme dans tous les métiers d'ailleurs. Il s'agit typiquement d'un sujet pour la Conférence interministérielle Santé publique. Si l'on veut avancer sur cette question, il faut fédérer les énergies et les moyens à toutes les échelles. Chacun peut apporter sa contribution dans l'intérêt de tous, mais d'abord et avant tout des patients.

De aan derden te betalen beheerskosten en de gegarandeerde beheersing van de gezondheidsuitgaven

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat de 100 miljoen euro besparing tegen 2029 voortkomt uit een verhoging van variabele beheerskosten voor mutualiteiten (van 20% naar 27% in 2029), gekoppeld aan prestatie-indicatoren (VARAK) gericht op terug-dringing zorguitgaven en re-integratie in arbeid. Het VARAK-systeem moet nog operationeel worden uitgewerkt, inclusief doelstellingen, evaluatiemethoden en overlegkaders, aangezien nu enkel het basISPRINCIPE in het regeerakkoord staat. Dedonder vraagt om verduidelijking, maar erkent dat het ontwikkelingsproces nog loopt. De focus ligt op budgettaire controle via prestatiegerelateerde financiële sturing.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, les tableaux budgétaires qui nous ont été transmis dans le cadre des discussions sur la déclaration du gouvernement indiquaient une économie à hauteur de 100 millions d'euros d'ici 2029 dans le cadre des frais de gestion à des tiers et la maîtrise des dépenses de santé.

À quoi correspond cette économie? Comment sera-t-elle réalisée? Qu'en est-il concrètement du système VARAK mentionné dans les tableaux?

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, en effet, l'accord de gouvernement contient une disposition qui dit la chose suivante: "Nous renforçons le système des frais de gestion variables pour qu'ils évoluent à terme de 20 % à 30 %, avec une étape intermédiaire de 27 % en 2029, du financement total des mutualités. Les indicateurs VARAK doivent être davantage axés sur les priorités politiques et sur l'obtention de résultats en matière de retour au travail et de soins de santé."

En combinaison avec les tableaux budgétaires mentionnant les 100 millions d'euros et les efforts budgétaires à fournir pour maintenir les dépenses de soins de santé sous contrôle, un montant de 100 millions d'euros sera isolé dans le montant total des frais d'administration variables des organismes assureurs vers 2029. Ces 100 millions, représentent – selon l'estimation pour 2029 – la différence entre 20 % des frais d'administration et 27 %. Ce montant sert de garantie pour que les organismes assureurs réalisent la maîtrise envisagée et les économies de dépenses en soins de santé.

Actuellement, aucun système de ce type n’est en vigueur. La première tâche consistera à mettre en place une méthode pour l’implémentation opérationnelle de ce système impliquant également l’élaboration d’un cadre de concertation clair avec les organismes assureurs sur ses modalités (les objectifs, les méthodes de travail possibles, les délais, les méthodes d’évaluation, etc.). Ce système est à développer et dans l’accord de gouvernement, vous n’en trouverez que le principe général.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos explications. J’imagine que nous aurons l’occasion d’y revenir puisque toute cela est en cours de développement.

De voorgenomen besparingen buiten het kader van de begrotingsdoelstelling voor de gezondheidszorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Caroline Désir kaart aan dat 523 miljoen euro bezuinigd wordt op gezondheidszorg tegen 2029—onvoldoende om aan de groeiende noden (2 miljard tekort volgens het Federaal Planbureau) te voldoen—met 350 miljoen buiten de bestaande groeinorm. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de norm stijgt (tot 3% in 2029) en wijst op eerdere bezuinigingen (bv. 250 miljoen/jaar op farmacie), maar erkent dat de 350 miljoen een combinatie wordt van maatregelen binnen *en* buiten de norm, zonder concrete plannen. Désir blijft kritisch: de groeinorm dekt niet de werkelijke behoeften (inclusief loonsverhogingen zorgpersoneel, voorheen *boven* de norm gefinancierd) en eist later transparantie. Kern: spanning tussen bezuinigingsdoelstellingen en onvoldoende budgettaire ruimte voor zorgnoden.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, les tableaux budgétaires qui nous ont été transmis dans le cadre des discussions sur la déclaration de gouvernement indiquaient clairement deux lignes d'économies dans le cadre du budget des soins de santé. Au total, vous comptabilisez 523 millions d'économies d'ici 2029.

Il s'agit évidemment d'économies à politique constante ne tenant absolument pas compte des besoins futurs. Comparativement à ce que le Bureau fédéral du Plan estimait nécessaire pour faire face aux besoins, plus de 2 milliards d'économies seront réalisés dans le secteur sous cette législature alors que les besoins y sont criants.

Monsieur le ministre, vous réaliserez ces économies dans le cadre de la norme des soins de santé en abaissant cette dernière, mais également en dehors de cette norme. Un total de 350 millions d'économies devront ainsi être réalisées en dehors de la norme.

Quelles mesures supplémentaires concrètes sont d'ores et déjà envisagées dans ce cadre?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, il y a une norme de croissance réelle pour le budget des soins de santé. Cette dernière s'élève à 2,5 % cette année, 2 % en 2026, 2 % en 2027, 2,6 % en 2028 et 3 % en 2029.

Ceci devra évidemment inclure un effort pour le personnel soignant, mais c'est quand même une croissance importante, probablement comparable à ce que nous avons réalisé sous le gouvernement Vivaldi. Il faudrait le calculer mais cela ne diffère pas beaucoup en termes de normes en moyenne.

Il faut évidemment réaliser que ces décisions sont prises dans un contexte budgétaire et géopolitique extrêmement délicat, avec la nécessité d'augmenter aussi les dépenses pour la sécurité, la défense, etc.

Cela montre que le gouvernement veut investir en soins de santé.

La ligne budgétaire passe à 350 millions d'euros vers 2029, avec des corrections apportées, des réformes ou des économies. Cette ligne n'est pas définie en termes de dépenses qui sont dans la norme ou de dépenses qui sont en dehors de la norme. Cette ligne représente un objectif partagé entre des possibilités dans la norme et des possibilités en dehors de la norme. Ce n'est pas encore décliné dans ce sens.

Le fait de définir des possibilités de correction dans la norme n'est pas nouveau. Sous le gouvernement Vivaldi, nous avons réalisé une vraie économie en dépenses pharmaceutiques de 250 millions d'euros chaque année dans la norme, mais profitant au budget de l'État. En même temps, j'ai proposé et réalisé des économies dans des dépenses qui ne sont pas dans la norme et qui étaient assez conséquentes.

Cette idée n'est donc pas tellement nouvelle, et ce chiffre de 350 millions, vers 2029, représente donc une combinaison de possibilités à définir dans la norme et en dehors de la norme.

Caroline Désir:

Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Je voudrais tout d'abord vous dire que je comprends que le contexte budgétaire est difficile ainsi que ce que vous avez dit sur la situation géopolitique, le besoin de moyens supplémentaires pour la Défense, etc. Nous sommes bien entendu réalistes. Je comprends que des économies vont devoir être faites, sans savoir où. Vous nous expliquerez cela lors de l'examen du budget. Je ne doute pas que des efforts ont déjà été faits par le passé et que c'était bien nécessaire, certainement. Nous savons que, non seulement, la norme de croissance réelle, telle qu'elle va être appliquée, ne correspond pas aux prévisions du Bureau du Plan, même celles qu'il vient de faire récemment, ensuite que des économies sont prévues dans vos tableaux budgétaires et, enfin, que ce qui est prévu dans l'accord de gouvernement pour revaloriser le personnel soignant ou faire en tout cas des efforts sociaux bien nécessaires vis-à-vis de ce personnel va devoir aussi être compris dans la norme, ce qui n'était pas le cas sous le gouvernement précédent. À l'époque, un effort de 600 millions avait été fait en plus pour ce personnel soignant, au-delà de la norme. Voilà ce qui nous inquiète aujourd'hui et nous ne manquerons pas de revenir avec des questions dans les prochains mois pour y voir plus clair. La présidente : La question n° 56002800C de M. De Smet (DéFI) est transformée en question écrite. Les questions jointes n os 56002835C, 56003252C et 56003365C de Mmes Gijbels, Bury et Ramlot sont reportées. La question n° 56002866C de Mme Muylle est transformée en question écrite.

De aanwending van middelen uit het Zorgpersoneelfonds voor de thuiszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De korte deadlines (dossiers inlever voor 31 maart 2025, rechtvaardiging tegen 31 januari 2026) voor het Fonds Blouses Blanches (2020-2024) zorgen voor praktische knelpunten in de zorgsector, mede door onduidelijkheid over toegestane bestedingen (bv. looptijd contracten 2024-2026) en prioritaire uitgaven (vooral werving verplegend personeel, ondersteunende functies). Minister Vandenbroucke bevestigt dat de termijnen door sociale partners zijn vastgelegd maar verlenging mogelijk is op verzoek, benadrukt dat voorfinanciering van aanwervingen (principe: eerst goedkeuring, dan recruitment) niet zeker is, en verwijst voor toegestane werkverbeteringen naar lokale overlegorganen—uitsluitend niet-toegestane posten (bv. cadeaubonnen, overuurvergoedingen) zijn expliciet vermeld. Dedonder stelt vast dat flexibiliteit beperkt blijft en dat de sector zelf moet bepalen wat wel mag, binnen de vage richtlijnen. Kern: haastige uitvoering van achterstallige middelen botst met administratieve onzekerheid, terwijl personeelswerving centraal staat maar ruimte voor werkdrukverlichting vaag blijft.

Ludivine Dedonder:

Début février, l'ONSS Maribel social a informé le secteur public des moyens alloués dans le cadre du Fonds blouses blanches 2020-2023 et 2024 pour les services de soins infirmiers à domicile et les maisons médicales.

Après validation par les organisations syndicales, les demandes doivent être introduites au plus tard le 31 mars 2025 au Comité de gestion du Maribel social, qui les analysera et prendra in fine une décision dans le mois ou les deux mois qui suivent. Un premier rapport sur l'utilisation des moyens alloués sera demandé pour le 31 janvier 2026.

Cependant, il demeure un flou concernant les types de dépenses qui seront acceptées ou non par le Comité de gestion et concernant les années pouvant être prises en considération pour ces dépenses. Ceci, cumulé à un timing extrêmement serré – avouez-le – engendre des difficultés pratiques pour la constitution du dossier, qui doit veiller à l'utilisation optimale des fonds octroyés et leur justification.

Monsieur le ministre, pourquoi des délais aussi courts ont-ils été fixés pour l'introduction du dossier et pour la justification des moyens attribués aux structures alors que ces fonds concernent la période 2020-2023 et 2024?

Une flexibilité est-elle envisageable afin d'assurer un usage efficace et adapté des fonds mis à disposition? Le Comité de gestion du Maribel acceptera-t-il que les moyens alloués puissent être utilisés pour, entre autres, justifier des recrutements effectués en 2024 en CDD ou CDI et prolongés en 2025 voire en 2026?

Si la priorité doit être donnée au recrutement de personnel soignant et/ou administratif, pourriez-vous m'indiquer précisément quelles sont les dépenses relatives à l'amélioration des conditions de travail du personnel soignant qui peuvent être prises en considération? Vous l'aurez compris, nous avons été alertés directement par le secteur.

Frank Vandenbroucke:

Madame Dedonder, les partenaires sociaux du comité de gestion du fonds Maribel social du secteur public ont fixé ce délai pour l’introduction des dossiers et la justification des moyens attribués aux structures.

Ils estiment que deux mois suffisent pour organiser une consultation syndicale locale et introduire une demande. Si un employeur estime que ce délai est trop court, il peut toujours demander un délai supplémentaire. é tant donné qu’il s’agit de moyens financiers accumulés au cours des années précédentes, l’intention est de ne pas attendre plus longtemps pour les attribuer. En effet, compte tenu du montant relativement limité par l’employeur individuel, il a été convenu d’accumuler les montants afin de parvenir à un montant suffisant pouvant être utilisé par les employeurs.

Concernant la possibilité d’une flexibilité, on ne sait actuellement pas encore si le comité de gestion acceptera que les moyens soient utilisés pour les recrutements qui ont déjà eu lieu en 2024. En principe, l’approbation du dossier doit précéder le recrutement.

Pour ce qui est des emplois supplémentaires, conformément à la circulaire du SPF Santé publique et de l’INAMI d’août 2021, les priorités établies sont claires: d’abord le recrutement prioritaire de personnel infirmier, ensuite le renforcement des fonctions de soutien aux soins, essentiel pour améliorer et faciliter le travail du personnel soignant.

En ce qui concerne les mesures visant à améliorer les conditions de travail du personnel soignant, la circulaire se limite à énumérer les dépenses qui ne peuvent pas être financées par les moyens du Fonds blouses blanches comme, par exemple, les chèques-cadeau ou les indemnités pour prestation d'heures supplémentaires. Il reviendra au comité de concertation locale de déterminer les besoins en tenant compte des lignes directrices de la circulaire.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces précisions. Je retiens qu'un délai supplémentaire est possible, à demander par l'employeur. Je comprends évidemment qu'il ne faille pas trainer puisqu'il s'agit d'une période déjà assez lointaine mais il faut que tout cela puisse se mettre en place dans les différentes structures. La circulaire reprend ce qui est exclu mais pas ce qui est autorisé. Je suppose donc qu' a priori , le reste est autorisé.

De impact en de haalbaarheid van de re-integratiemaatregelen voor langdurig zieken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 maart 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België streeft naar 80% werkgelegenheid tegen 2030 met focus op re-integratie van langdurig zieken, maar huisartsen uiten bezorgdheid over extra administratieve last (capaciteitscertificaten), gebrek aan opleiding en aantasting van hun autonomie. Minister Vandenbroucke belooft digitale vereenvoudiging (e-platforms zoals *TRIO* en *Mult-eMediatt*), overleg met artsensyndicaten voor praktische afstemming en gerichte bijscholing, met nadruk op individuele re-integratietrajecten zonder inbreuk op therapeutische vrijheid. Evaluatie en tussentijdse bijsturing zijn voorzien, maar concrete maatregelen volgen pas na diepgaand sectoroverleg. Kernpunt: balans tussen ambitieuze werkdoelstellingen en haalarbare ondersteuning voor zorgverleners.

Isabelle Hansez:

Monsieur le ministre, dans le cadre de la politique de l'emploi et de la lutte contre l'inactivité, le gouvernement a fixé un objectif ambitieux d'un taux d'emploi de 80 % d'ici 2030. Parmi les mesures proposées, une attention particulière est portée à la réintégration des malades de longue durée, notamment via le plan global de prévention et de réinsertion.

Si certaines de ces mesures sont saluées par les acteurs de terrain, plusieurs inquiétudes subsistent quant à leur mise en œuvre effective, et en particulier concernant les médecins généralistes, à qui on donne un nouveau rôle. Ceux-ci devront désormais établir des certificats d'aptitude précisant les capacités des patients. Ils s’inquiètent de la surcharge de travail et de l’évolution de la nature de leur travail avec de nouvelles missions pour lesquelles ils n’ont pas été formés. Ils dénoncent également l’atteinte à leur autonomie et les contraintes financières qui pourraient leur être imposées en cas de certificats jugés trop longs ou trop fréquents.

Dès lors, je souhaiterais attirer votre attention et vous poser les questions suivantes. Quelles garanties comptez-vous prendre pour éviter une surcharge administrative pour les médecins qui seront amenés à établir ces certificats d'aptitude? Avez-vous déjà réfléchi à la possibilité de déléguer certaines tâches à d’autres profils médicaux ou paramédicaux pour venir en aide aux médecins?

Des processus d’accompagnement ou de formation me semblent indispensables dans le cadre de cette nouvelle mission, les médecins n'y ayant pas été formés. Y avez-vous déjà réfléchi?

Enfin, avez-vous envisagé une évaluation intermédiaire de ces mesures afin de vous assurer de leur efficacité et d’éviter des effets indésirables sur les patients et les professionnels de la santé? Je vous remercie pour vos réponses.

Frank Vandenbroucke:

Madame Hansez, l'accompagnement et le soutien des professionnels de la santé confrontés dans leur vie quotidienne à des situations de travail impliquant un niveau d'exigence très élevé sont fondamentaux. Il faut donc essayer de les soulager au maximum des nombreuses tâches administratives qui restent encore trop présentes dans l'exercice de leur fonction.

L'introduction d'un certificat d'incapacité par voie électronique via l'application Mult-eMediatt ou encore la nouvelle plateforme de communication TRIO constituent des exemples innovants qui répondent à la nécessité de développer des processus plus simples, plus rapides et plus sécurisés et qui permettent ainsi de soulager les médecins dans leur tâche quotidienne et de se concentrer sur le suivi de leurs patients.

Dans le cadre de l'accord de gouvernement 2025-2029, nous continuons à réserver à la simplification administrative une place importante en faisant notamment appel à ces nouvelles applications électroniques en soutien aux échanges primordiaux qui doivent avoir lieu entre les médecins traitants, les médecins-conseils et les médecins du travail, mais aussi à la nécessité pour le médecin de pouvoir identifier le potentiel de travail – l'idée d'une fit note – en vue de pouvoir accompagner la personne dans un processus individualisé de retour vers le travail.

Au cours de ces 10 dernières années, le nombre de personnes reconnues en incapacité de travail de longue durée a connu une évolution exponentielle dans notre pays. C'est pourquoi nous voulons mettre en place un plan global qui touche à la fois à la prévention, mais aussi à la nécessité de soutenir des personnes ayant des problèmes de santé pour éviter qu'elles ne soient durablement absentes du travail et pour qu'elles puissent être accompagnées – pour celles qui disposent d'un potentiel de travail – et ceci dans le cadre d'un trajet individualisé de retour vers le travail.

Je suis conscient de la portée de ce plan global qui implique des actions collectives, mais aussi des efforts de la part de tous les acteurs concernés, à l'heure où cette évolution importante du nombre de personnes reconnues en incapacité de travail devient une réelle question de santé publique dans notre pays.

J'inviterai le secteur afin que l'on puisse dialoguer ensemble quant à la manière de mettre en place les différents défis correspondants, et/ou la formation et l'information du secteur, mais aussi la praticabilité de ces mesures et leur évaluation. Celles-ci pourront être discutées dans un processus qui se veut dynamique et nécessaire dans le rétablissement et l'accompagnement des personnes disposant d'un potentiel de travail vers un trajet de retour au travail, tout en respectant la liberté thérapeutique.

Très concrètement, il y a une semaine, j'ai rencontré les organisations syndicales des médecins, tant les représentants des généralistes que des spécialistes. J'ai proposé d'organiser un dialogue en profondeur, d'abord informel, sur tout ce chapitre de l'accord de gouvernement sur le retour au travail, et tout ce que cela implique comme défis, de territoire inconnu pour les médecins. Je crois qu'il faut développer cela en dialogue et avec une vue positive sur ce que les médecins peuvent apporter et contribuer.

Cela a été accueilli de façon favorable. Il n'y a pas encore de date fixée, mais je veux avoir dans les semaines à venir un dialogue approfondi sur toutes ces questions, qui permettra, j'espère, de bien définir les modalités nécessaires, et aussi de créer la confiance mutuelle qu'il faut dans ce genre de situation, dans ce genre de système. Les modalités doivent suivre après.

Isabelle Hansez:

Merci pour vos réponses. De fait, les incapacités de travail de longue durée augmentent de manière exponentielle. C’est inquiétant et on perçoit la charge de travail que les médecins généralistes devront assumer avec ces certificats d’aptitude. La plateforme TRIO est intéressante dans le cas d’une collaboration entre le médecin du travail qui connait probablement bien le poste de travail, le médecin-conseil et le médecin généraliste. Ce qui serait important de faire quand on veut parler de formation et d’information, c’est cibler le profil des compétences nécessaires et additionnelles par rapport à leur formation de généraliste, cibler les compétences qu’il faudrait développer pour qu’ils soient à l’aise avec ces certificats d’aptitude. La réunion publique de commission est levée à 17 h 33. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.33 uur.

Een vooruitblik op de volgende week geplande Europese Raad van Defensieministers
Steun aan de economie en de bedrijven gezien de mogelijke verhoging van de Amerikaanse douanerechten
De door Donald Trump gevoerde geopolitiek
De Europese reactie op de verhoging van de douanerechten door de Verenigde Staten
De handelsoorlog met de Verenigde Staten
De door Donald Trump aangekondigde invoerheffingen op Europese producten
De douanerechten en het Europese concurrentievermogen
De grote impact op de farmasector van de Amerikaanse invoertarieven op Europese producten
Oekraïne en de defensie-inspanningen van België
Europese reacties op Amerikaanse handelsbeleid en defensie-strategieën.

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw), Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om Europa’s strategische autonomie en reactie op de dubbele dreiging van Amerikaanse handelstarieven (25% op EU-producten) en de escalerende defensieverplichtingen (NAVO’s 2%-bbp-eis). De kernpunten: (1) Defensie: België moet dringend het 2%-doel halen (voor de zomer) en structurele financiering regelen, met nadruk op Europese samenwerking binnen de NAVO, maar *concrete plannen en timing ontbreken nog*. (2) Handelsoorlog: De VS bedreigen de EU met tarieven, wat de Belgische export (o.a. farmacie, auto) raakt—Europa moet *eengemaakt en proportioneel* reageren, zonder in een escalatiespiraal te belanden, maar met focus op industriële soevereiniteit (innovatie, herindustrialisering) en diversificatie van handelspartners. (3) Critici (o.a. PTB) waarschuwen voor *blind volgen van de VS* en pleiten voor een *niet-gebonden Europa* dat partnerschappen met het Globale Zuiden zoekt, terwijl anderen (N-VA, CD&V) benadrukken dat *veiligheid (via NAVO) voor welvaart gaat*. Actiepunten: België speelt een *verenigende rol* in de EU, maar *concrete maatregelen* (bv. taskforce, budgetten) blijven vaag—urgentie domineert.

Kjell Vander Elst:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, volgende week vindt er een extra EU-top plaats, over de situatie in Oekraïne en defensie. Dat is absoluut noodzakelijk. De geopolitieke situatie is immers zorgwekkend en verandert razendsnel. De wereld staat in brand en Europa heeft veel te lang aan de zijlijn gestaan, zonder de mond open te doen.

Het is dus hoog tijd om te blussen. Mijnheer de eerste minister, om te blussen heeft men echter blusmateriaal nodig. En laat net daarover, over die structurele middelen en financiering van defensie, bijzonder veel onzekerheid bestaan. Hoe zullen we het Defensiefonds structureel financieren? Nog geen idee. Extra uitgaven voor defensie binnen of buiten de begroting? Nog geen idee. Wat gaat de Europese Unie doen? Gaat zij dat toestaan of niet? Nog geen idee. Er moet duidelijkheid komen, want we verliezen tijd. NAVO-baas Mark Rutte heeft het heel duidelijk gezegd. Die absolute ondergrens van 2 % van het bbp moet er komen nog voor de zomer.

Mijnheer de eerste minister, u bent historicus en ik weet dat u graag over het verleden spreekt. Mea culpa, het is juist dat de voorbije decennia heel veel partijen hier aanwezig, ook die van de Zweedse regering, te weinig hebben geïnvesteerd in defensie. We leven vandaag echter in een andere wereld. De wereld is de voorbije jaren grondig door elkaar geschud en grondig gewijzigd. We moeten dus stoppen met achterom te kijken en moeten vooruitkijken en schakelen.

Ik wil van u weten wat de regering vandaag en in de toekomst zal doen. Wat zal het standpunt van uw regering zijn op de komende EU-top? Hoe en wanneer zult u de 2 % voor defensie halen?

Patrick Prévot:

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, votre gouvernement n'a que quelques semaines et déjà, malheureusement, les promesses s'effritent.

Vous aviez promis un taux d'emploi de 80 %, mais, monsieur le premier ministre, vous avez dit cette semaine que ce ne sera pas pour cette législature. Il aurait peut-être fallu être honnête d'emblée, et non pas quelques semaines après le vote de confiance. Vous aviez évoqué les 8 milliards de recettes mais, là aussi, vous avez estimé que les effets retours semblaient incertains. Bref, on l'avait dit, vous ne nous avez pas cru, ces promesses, c'était du vent.

Pendant ce temps-là, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, de l'autre côté de l'Atlantique, le président américain, Donald Trump, lance une guerre économique et annonce que des droits de douane de 25 % sur nos produits pourraient être pratiqués. Face à cela, allez-vous rester passif ou allez-vous avoir une attitude proactive? L'accord de gouvernement parle d'un plan de relance industriel, mais avec moins d'investissements publics – ce que nous déplorons vivement, comme nous vous l'avons dit lors des débats – et peu de vision à long terme.

La Commission européenne, de son côté, propose un pacte pour une industrie propre mais son budget de 100 milliards semble largement insuffisant. Concrètement, avez-vous votre plan pour la relance industrielle? Quel est-il? Soutiendrez-vous nos secteurs stratégiques et nos entreprises? Allez-vous, oui ou non, garantir des emplois de qualité? Une task force a-t-elle été mise en place pour avoir cette vision proactive? Si oui, qui en fait partie? Si cette task force existe, comptez-vous associer les entreprises, les travailleurs, les syndicats, les ONG et la société civile à l'élaboration de cette politique industrielle?

Je vous remercie d'avance de vos réponses.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le premier ministre, pendant des mois, on a mis en garde tous les partis politiques que suivre aveuglément l'impérialisme américain allait détruire l'Europe et notre économie. Pendant des mois, vous avez ri du PTB et de sa vision géopolitique!

Regardez ce qui se passe maintenant! Les Américains sont en train d'humilier l'Europe. Avez-vous vu le comportement de Macron quand il est allé chez Trump? Il était en train de lui cirer les chaussures en lui racontant des petites blagues. C'est pourtant la survie et la stratégie de l'Europe qui sont actuellement en jeu.

Monsieur le premier ministre, je vous avais prévenu que ça n'allait pas marcher.

De Amerikanen gaan altijd voor hun eigen business.

Il suffit d'analyser l'accord sur les minerais. Tout est clair maintenant!

De grondstoffen van Oekraïne gaan direct in de zakken van de Amerikaanse imperialisten!

La situation est similaire en ce qui concerne l'énergie. Les Américains nous ont vendu leur gaz de schiste trois ou quatre fois plus cher pour se faire de l'argent. Nous avons, bien entendu, dit dès le départ qu'il fallait condamner Poutine. C'était évident! Cependant, il fallait aussi défendre les intérêts de l'Union Européenne, ce que vous ne faites pas!

Monsieur le premier ministre, allons-nous continuer à suivre les Américains? La déclaration gouvernementale n'en a d'ailleurs que pour eux. Comment pouvez-vous continuer à être aussi naïfs? Comment pouvez-vous continuer à leur acheter pour des milliards d'armements? Ils ne pensent qu'à l'argent.

Chers collègues, Trump n'est pas un homme de paix. Pourquoi retire-t-il ses troupes aujourd'hui? Pourquoi retire-t-il ses intérêts d'Ukraine? Pour attaquer la Chine? Il le fait pour préparer la guerre de demain!

La question que l'Europe doit se poser est de savoir si nous devons suivre les Américains docilement comme des petits chiens, ou enfin développer une Europe indépendante et stratégique à l'échelle mondiale. C'est de cela dont nous avons besoin.

(…): (…)

Voorzitter:

Mijnheer Hedebouw, u zou het niet op prijs stellen indien uw tussenkomst op deze manier zou worden onderbroken. Ik neem aan dat u dat dan ook niet zult doen voor collega Deborsu.

Charlotte Deborsu:

Monsieur le premier ministre, l'Union européenne aurait été créée pour entuber les États-Unis. On en apprend tous les jours avec le professeur Trump. Monsieur le premier ministre, connaissant votre amour pour l'histoire, j'imagine que vous avez failli tomber de votre chaise en entendant cela comme nous tous.

Mais au-delà du grotesque, il y a une réalité. Les États-Unis annoncent vouloir taxer à hauteur de 25 % toute une série de produits européens. Cette mesure complètement anti-libérale risque d'avoir un impact direct sur nos entreprises et nos emplois en Belgique et en Europe. À l'heure actuelle, l'Union européenne a une balance commerciale positive avec les États-Unis de 150 milliards sur les biens.

Monsieur le premier ministre, mes questions sont dès lors les suivantes: avez-vous déjà la liste des produits européens qui seraient concernés?

Comment mesurez-vous l'impact de cette décision pour la Belgique? Allez-vous donner des instructions au ministre du Commerce extérieur afin qu'il prenne des mesures, en coopération avec toutes les Régions, pour contrer les effets de cette décision?

Jusqu'à présent, la Commission européenne a préparé des mesures "au cas où". Jugez-vous qu'elles sont suffisamment crédibles et dissuasives pour convaincre le président américain de revenir sur cette décision?

Comment jugez-vous l'unité politique des Européens et la proactivité de la Commission sur ce dossier?

Les États-Unis nous voient désormais comme un adversaire commercial. Nos relations ont changé, dont acte. Quelles sont dès lors vos stratégies pour diversifier notre commerce extérieur au bénéfice de nos entreprises et de notre taux d'emploi? C'est une véritable priorité pour notre groupe.

Je vous remercie déjà pour vos réponses.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, dans son style délicat habituel, M. Trump a annoncé des droits de douane de 25 % sur les produits européens. Nous savions déjà que nous vivions un tournant historique en géopolitique, du point de vue militaire, mais ce tournant est aussi commercial. Nous savons désormais aussi que nous devrons assumer notre défense seuls et sur ce plan-là, comme je l'ai déjà dit, et je n'ai pas de problème à le redire, votre accord de gouvernement va dans le bon sens.

Concernant l'énergie, nous vivons une hyper-dépendance. Nous serions aujourd'hui incapables de nous séparer à la fois du gaz russe et du gaz liquéfié américain. Et sur le plan économique, bien qu'étant le premier marché du monde, la présidence Trump nous confirme avec franchise ce que nous savons déjà: nous sommes des consommateurs de la mondialisation et non plus des acteurs de celle-ci.

Le point faible de l'Europe, chers collègues, a un nom: l'innovation. Nous fermons aujourd'hui notre avant-dernière usine automobile, ce qui nous rappelle que nous avons manqué le virage industriel. Nous, Européens, n'avons créé aucun des outils technologiques qui dirigent le monde aujourd'hui. Nous ne sommes pas les meilleurs en ce qui concerne l'esprit d'entreprise et l'initiative, et nous ne parvenons pas à favoriser l'innovation.

Même votre accord de gouvernement, je le crains, manque le cap. Votre programme est clair: forcer tout le monde à travailler plus sans vraiment gagner plus, que ce soient les demandeurs d'emploi, les malades, les jeunes ou les plus vieux, etc. Très bien, sauf que l'on n'a pas seulement besoin de davantage de travailleurs. On a aussi besoin de davantage d'entrepreneurs, de créateurs, de gens qui peuvent créer de la richesse, créer de l'emploi, prendre des risques en étant encouragés à l'innovation. Sur ce plan-là, votre accord de gouvernement est décevant.

La question qui est le sujet maintenant est de savoir comment faire pour affronter cet allié qui tend à devenir un adversaire, les États-Unis. Comment faire pour s'affirmer davantage comme marché européen, alors que nous sommes le premier marché du monde? Comment défendons-nous nos entreprises? Comment allons-nous faire de ce pays et de ce continent des acteurs clés de l'innovation? Comment faire pour qu'ils redeviennent un véritable poumon industriel, un acteur de l'économie mondiale et non un simple client? Dans l'immédiat comment allons-nous réagir à cette hausse douanière brutale de 25 %?

Meyrem Almaci:

" The European Union was formed in order to screw the United States. That’s the purpose of it. " Die uitspraak is grotesk, zoals we Trump kennen, de man van het recht van de sterkste, die alle regels aan zijn laars lapt.

Na Gaza en Oekraïne richt hij nu de pijlen op de economie van Europa met zijn aankondiging dat hij 25 % invoerheffingen overweegt op auto’s, halfgeleiders, chips en medicijnen. Op de vraag of hij geen schrik had van een forse tegenreactie, antwoordt hij het volgende: " They can try, but they won’t ." We weten al langer dat de huidige president in een alternatieve realiteit leeft. We weten ook dat hij in Europa zijn fans heeft, om onze minister van Defensie niet te noemen, die al meermaals lovend sprak over de man.

"They can try, but they won’t ." Voor ons is het eenvoudig: Yes, we can and we will . Dat is niet van harte, maar als het moet, moet het. Een bullebak als Trump begrijpt immers alleen maar de taal van geld en macht. Ik was tevreden de eerste reactie van Europa te lezen, namelijk dat Europa een partner was, indien de regels werden gevolgd.

De vraag is nu de volgende: wat is de positie van de huidige regering? Immers, handelsoorlogen produceren alleen maar verliezers. Dat is belangrijk om te onthouden met bedrijven als Volvo in ons land en de sterke farmasector. Waakzaamheid is echt geboden.

Hoe zorgen we er dus voor dat de verdeel-en-heersstrategie van Trump bij ons geen voet aan de grond krijgt? Hij heeft immers geprobeerd bij Oekraïne. Hoe zorgen we ervoor dat de expertise, efficiëntie en ontwikkeling hier blijft?

Mijnheer de eerste minister, hebt u al contacten gehad met de collega’s in Europa om één front te vormen? Hebt u al contact gehad met de Wereldhandelsorganisatie? Bent u bereid fors te reageren op de woorden van Trump en op welke manier wilt u dat dan doen in uw hoedanigheid van eerste minister van alle Belgen?

Simon Dethier:

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, cette semaine, les États-Unis ont menacé l'Union européenne de droits de douane de 25 % sur les produits européens.

Au même moment, l'Union européenne a présenté un plan qui a pour ambition d'améliorer la compétitivité des entreprises européennes tout en préservant les objectifs climatiques. L'Europe et la Belgique se trouvent actuellement face à une situation complexe.

D'un côté, la transition vers la neutralité carbone est nécessaire. Nous avons vu les impacts du réchauffement climatique sur notre société. Il est indispensable d'agir. Nous ne sommes pas encore sur la trajectoire de cette neutralité. Il faudra donc redoubler de volontarisme et d'inventivité.

D'un autre côté, comme l'a dit le ministre du Climat, un État en faillite ne peut pas agir pour le climat. Les craintes d'une guerre commerciale et les difficultés d'approvisionnement en énergie plombent la compétitivité des entreprises belges. Il est du devoir de l'ensemble de veiller à préserver nos objectifs climatiques tout en maintenant la compétitivité.

J'aimerais dès lors vous poser deux questions. Comment veillez-vous à préserver les emplois et la compétitivité des entreprises? Comment veillez-vous à soutenir et à aider les entreprises à garder le cap de la neutralité carbone?

Koen Van den Heuvel:

Heren ministers, beste collega's, Trump steekt zijn middenvinger op naar Europa en naar ons en dat mogen we niet onbeantwoord laten. Trump kondigt aan dat hij 25 % invoertarieven op Europese producten zal heffen. Dat is nefast voor Europa en voor onze Belgische economie, want Amerika is nog altijd een heel belangrijke afzetmarkt, de vierde grootste, voor ons. Jaarlijks exporteren we voor meer dan 33 miljard euro goederen naar Amerika.

Vooral de farmasector speelt daarin een belangrijke rol en is verantwoordelijk voor meer dan de helft van die export. Deze sector is van strategisch belang voor de toekomst. Ze innoveert, ze is duurzaam en ze heeft, tegen de industriële trend in, de voorbije vijf jaar 6.000 extra arbeidsplaatsen in de industrie gecreëerd. Deze sector en al onze exportbedrijven mogen we niet in de steek laten, want we zijn in Europa en in België gevoelig voor invoertarieven. Trump probeert op deze manier Amerikaanse bedrijven te dwingen om hun productie vanuit Europa terug naar Amerika te verplaatsen, maar hij ontketent op die manier een wereldwijde handelsoorlog waar niemand bij wint.

We moeten in Europa stevig en onmiddellijk reageren, want we kunnen onze exportbedrijven en onze farmasector op dit moment niet in de steek laten. Collega's, de toekomst van Europa staat op het spel. Met deze Trumpiaanse manier van doen, met een spelletje duimen omhoog-duimen omlaag, probeert men ons lot te bepalen.

Collega's, we moeten sterk genoeg zijn. We moeten met Europa het heft in eigen handen houden. Het is niet Amerika dat de Europese toekomst zal bepalen. Mijnheer Hedebouw, het zijn ook niet uw Chinese vrienden die het lot van Amerika zullen bepalen!

Darya Safai:

Mijnheer de premier, in Saoedi-Arabië zijn gesprekken opgestart tussen de VS en de Russische Federatie over het conflict in Oekraïne. Dat de Europese landen zich gepasseerd voelen, is een understatement. Cruciaal voor het slagen van eender welke oplossing is de aanwezigheid van Oekraïne aan de onderhandelingstafel.

De Amerikaanse regering liet duidelijk verstaan dat Europa niet hoeft te rekenen op Amerikaanse steun en dat de Europese uitgaven voor defensie sterk moeten worden opgeschroefd. De Verenigde Staten dringen er ondertussen op aan dat elke NAVO-lidstaat ongeveer 5 % van het bruto binnenlands product aan defensie zou besteden. Mark Rutte, de secretaris-generaal van de NAVO, dringt erop aan om tegen de zomer 2 % te halen. In de regering wordt er gesproken over het bijsturen van het defensieplan. Afgelopen donderdag verklaarde u dat er miljarden gezocht moesten worden. Dat is een duidelijke boodschap.

Mijnheer de premier, binnen welke termijn moeten volgens u de inspanningen gebeuren? Wat is volgens u een realistische doelstelling? U verklaarde stappen te zetten naar een meer Europees geïntegreerde defensie in de NAVO, onder meer op het vlak van militaire aankopen. Graag krijg ik wat meer duiding over de plannen.

Bart De Wever:

Chers collègues, je vous remercie pour toutes ces questions. Je vais essayer d'y répondre en cinq minutes. Comme vous le savez, mes chers collègues Prévot et Clarinval complèteront ma réponse.

Depuis la séance de la semaine dernière, j'ai eu, comme vous pouvez l'imaginer, de très nombreux contacts internationaux concernant les derniers développements géopolitiques.

Lundi dernier, j'ai participé au sommet sur la sécurité organisé par l'Ukraine où j'ai confirmé la poursuite de notre soutien à l'Ukraine. Mardi après-midi, j'ai eu un entretien téléphonique avec le président Zelensky au cours duquel j'ai réaffirmé et concrétisé ce message. En outre, j'ai eu de nombreux contacts avec les dirigeants européens et le président du Conseil européen. Hier matin, un Conseil européen a eu lieu en vidéoconférence et le président Macron a fait un débriefing sur sa visite à Washington. Vous comprendrez, je l'espère, que je dois rester discret à ce sujet. Je comprends les nombreuses questions très détaillées mais il n'est pas réaliste de développer chaque élément ayant été discuté. Néanmoins, je peux vous dire que la position des partenaires européens reste inchangée.

Premièrement, l'Europe continuera à soutenir l'Ukraine et renforcera sa position dans les négociations de paix car " if you are not at the table you are on the menu " et cela est inacceptable. Deuxièmement, la participation de l'Ukraine et de l'Europe est nécessaire pour parvenir à une paix durable. Troisièmement, l'Europe doit intensifier ses investissements dans la défense. Le temps où notre continent pouvait se reposer sur un dividende de paix est malheureusement révolu. L'Europe doit pouvoir assurer entièrement sa propre sécurité le plus rapidement possible. La Belgique, en tant que membre fondateur de l'Union européenne et de l'OTAN, doit aussi apporter sa contribution. Cela est déjà prévu dans l'accord de gouvernement mais il ne faut pas exclure qu'à court terme, des efforts supplémentaires soient nécessaires.

Ik begrijp uw waarschuwing om niet achterom te kijken, mijnheer Vander Elst,. "Kijk vooral niet achterom" zal waarschijnlijk ook de slagzin worden van uw partij. Dan ziet u namelijk hoe u het hebt nagelaten: rampzalig. We zullen dus een spurtje moeten trekken en dat zal gebeuren.

L'Europe et ses partenaires doivent prendre rapidement des décisions pour renforcer les trois points cruciaux que je viens d'esquisser. Le 6 mars, le Conseil européen se réunira à ce sujet, mais je vous demande de rester très discrets sur cette date, car ma famille pense encore que nous serons ensemble en vacances. C'est la raison pour laquelle je l'ai dit en français. (Rires dans l'assemblée)

Op de bijeenkomst van de Europese Raad gisteren werd afgesproken om een constructieve dialoog met de Verenigde Staten te blijven voeren. Ik begrijp dat collega’s zich opwinden. Er zijn immers wel wat krasse dingen gezegd en hun hart mag koken, maar de consensus onder de Europese regeringsleiders was om het hoofd koel te houden. Vandaag is Keir Starmer in het Witte Huis, morgen is Zelensky aan de beurt. We zullen zien wat het wordt, maar het valt niet te ontkennen dat de verklaringen van de Amerikaanse regering ons zeer ongerust hebben gestemd. Dan gaat het niet alleen over onze Europese partners, maar ook over aantal andere internationale partners, niet het minst Canada.

Uiteraard stelt niemand – ik hoop ook hier niet – het NAVO-bondgenootschap ter discussie, want dat zou buitengewoon dom zijn. Waakzaamheid is zeker geboden. De dreigementen met nieuwe handelstarieven zouden ons als exportnatie ernstige zorgen moeten baren. De Verenigde Staten zijn een zeer belangrijk exportland voor ons. De farmasector, en niet alleen die in Puurs, is zeer afhankelijk van die export. Ik heb gisteren in de marge van de industrietop gesproken met mensen uit die sector en zij zijn bijzonder ongerust. Vooralsnog moeten we een handelsoorlog tussen de meest verweven handelsblokken ter wereld proberen te vermijden. Dat is onze kortetermijndoelstelling.

Madame Deborsu, vous avez de nombreuses questions détaillées sur ce que nous allons faire et comment nous allons réagir. J'en ai parlé hier avec Mme von der Leyen, mais il est encore trop tôt pour élaborer une réponse. Il est toutefois certain que l'Europe devra, le cas échéant, réagir très vite et très clairement.

Tot slot, u leest ongetwijfeld de berichten over een economisch akkoord tussen Oekraïne en de Verenigde Staten. Van die berichten wordt men niet blij. Europa zal in dat licht Oekraïne moeten blijven steunen om het in zijn positie te versterken, en de ontwikkelingen zeer goed moeten opvolgen. Zolang de definitieve modaliteiten van dat akkoord niet bekend zijn, is het evenwel moeilijk om daar precies op te reageren.

Mijnheer de voorzitter, als u mij nog vijf seconden gunt, dan rond ik mijn antwoord af.

Ik doe hier een oproep aan alle fracties in het halfrond om ondubbelzinnig de kant van Europa, de kant van het vrije Westen te kiezen en die te verdedigen.

On peut bien dire que Trump n'est pas un homme de paix, mais vous avez oublié de dire que Poutine est un homme de guerre!

Dat is wel heel belangrijk. ( Luid applaus )

Voorzitter:

Uw interpretatie van vijf seconden is wel bijzonder breed. Dat wordt afgetrokken van de spreektijd van de andere ministers.

Bart De Wever:

Voorzitter, ik kan het ook niet helpen dat er stormachtig applaus is wanneer ik spreek. Dat kost mij spreektijd.

Hoe dan ook moeten we ondubbelzinnig zijn: we moeten de kant van Europa en van het vrije Westen kiezen. We mogen niet naïef zijn. Als kleine en economisch sterke exportnatie is het onze taak vandaag maximaal aan die verbondenheid bij te dragen.

Voorzitter:

Het thema is natuurlijk bijzonder belangrijk. Dat blijkt ook uit de vele interventies erover, maar ik wil de regering toch aanmanen om de tijdslimieten te respecteren.

David Clarinval:

Mesdames et messieurs, chers députés, depuis l'investiture du président Trump, les relations transatlantiques sont mises en effet sous pression. Nos relations commerciales n'y échappent pas. Le président Trump a en effet annoncé son intention d'imposer des tarifs douaniers de 25 % aux importations en provenance de l'Union européenne.

Nous devons veiller à ce que l'on apporte une réponse commune et proportionnée aux décisions prises par l'administration Trump.

Het doel van de Amerikaanse president bestaat erin de vermeende ovenwichtigheden in de handelsbetrekkingen weg te werken. Hij verwijt de Europese Unie normen en regels op te leggen die de toegang tot de Europese markt moeilijker maken voor Amerikaanse producten, terwijl Europese producten genieten van een relatief vrije toegang tot de Amerikaanse markt.

De Verenigde Staten kondigden aan vanaf 12 maart 25 % douanerechten te zullen heffen op de import van staal en aluminium afkomstig uit de Europese Unie. Een volgende ronde maatregelen zou begin april worden aangekondigd.

La présidente de la Commission européenne a exprimé son profond regret face à cette décision et a réaffirmé que l'Union prendrait des contre-mesures fermes et proportionnées pour protéger ses intérêts économiques.

Au niveau belge, dans le cadre du processus de concertation DGE, nous avons initié depuis plusieurs semaines déjà une réflexion afin de définir une position commune, qui se veut assertive et qui tient compte des intérêts belges.

Il faut néanmoins savoir que toutes les mesures américaines ne sont pas encore précisément connues. Par ailleurs, nous attendons encore la proposition que la Commission pourrait faire pour répondre aux mesures américaines annoncées.

La Belgique entretient des relations commerciales fortes avec les États-Unis, tant du côté de l'offre que de la demande. En 2023, les exportations de biens belges vers les États-Unis ont représenté plus de 28 milliards d'euros alors que les importations de biens en provenance des États-Unis s'élevaient à près de 25,8 milliards d'euros.

Sur la base de plusieurs analyses, nos principaux secteurs sensibles ont été identifiés. Il s'agit de la chimie, du secteur pharmaceutique, du secteur métallurgique, de certaines matières critiques, du secteur automobile, des machines et des appareils électroniques.

Dans les semaines à venir, je veillerai, en tant que ministre de l'Économie, avec mon collègue des Affaires étrangères, à défendre au mieux les intérêts stratégiques de la Belgique. Notre position sera largement concertée avec les différentes Régions du pays. Nous veillerons à faire entendre les intérêts des plus petites économies comme la nôtre.

Sur le plan européen, nous plaiderons pour l'unité des États membres face à la politique commerciale menée par le président Trump. Face aux tentatives américaines d'approcher les États membres séparément, il sera en effet essentiel de rester sur la même ligne pour renforcer la cohérence de nos messages et notre position face à l'administration Trump.

Par ailleurs, il me semble aussi urgent de pouvoir développer au niveau européen et belge une stratégie de défense des industries et des entreprises confrontées à la concurrence internationale. Les annonces d'hier, en marge de la conférence d'Anvers sur le Clean Industrial Deal, semblent aller dans le bon sens. Nous devons les mettre en œuvre avec volontarisme et célérité, notamment au travers du plan interfédéral de développement des industries prévu dans notre accord de gouvernement. Je vous remercie pour votre attention.

Maxime Prévot:

Monsieur le président, c'est en ma qualité de ministre des Affaires étrangères et, à ce titre, compétent pour la diplomatie économique et la politique commerciale européenne que je vais compléter les propos du premier ministre et de mon collègue Clarinval.

Les États-Unis sont en train de faire fausse route. En annonçant imposer des droits de douane à tout-va, ils se mettent à dos une bonne partie du monde. Et nous ne voyons aucune justification à l'imposition de tels droits sur nos exportations. Comment peuvent-ils imaginer une seule seconde que cela va leur bénéficier? Comment peut-on penser que l'Union européenne constituerait une menace pour leur sécurité nationale?

De Amerikaanse tarieven zullen economisch contraproductief zijn, vooral gezien de diep geïntegreerde trans-Atlantische toeleveringsketens. Door tarieven op te leggen, zullen de Verenigde Staten hun eigen burgers belasten, de kosten voor hun eigen bedrijven verhogen en de inflatie aanwakkeren. Bovendien zullen de Amerikaanse tarieven waarschijnlijk ontwrichtende effecten hebben op het wereldwijde handelssysteem als geheel.

Die aankondigingen zullen niet onbeantwoord blijven. We moeten echter zeker niet proberen op elke provocatie te reageren. De bedoelingen van president Trump en zijn regering, of ze nu betrekking hebben op Europa, Groenland, Oekraïne of de Gazastrook, kunnen aanleiding geven tot veel berichten op X, die we kunnen betreuren. We moeten echter reageren op tastbare maatregelen, die op dit moment niet erg talrijk zijn.

J'ai demandé à mes services de travailler d'arrache-pied sur comment faire face et redéfinir notre relation avec les États-Unis, tous aspects confondus, le commerce, bien sûr, mais aussi le climat, l'énergie, la diversité, les droits sexuels et reproductifs, le digital, les migrations, l'éthique, la santé, et j'en passe. Ce travail est fait en coordination avec les autres membres du gouvernement et les autres gouvernements du pays. On ne peut pas réagir sur un coup de tête. Ne faisons pas nous-mêmes du Trump en réaction à Trump!

Nous ne devons pas nous arrêter à une posture ébahie, prendre note de chacune des annonces et décisions américaines. Le monde change très vite et nous devons nous montrer proactifs et ne pas seulement agir sur la défensive. Nous devons arrêter la naïveté. Quittons cette posture de victime pour reprendre notre place sur la scène internationale!

We moeten de Europeanen samenbrengen om dit antwoord te bepalen. België moet opnieuw zijn rol als vereniger spelen om een verenigd front te vormen tegenover de nieuwe geopolitieke omwentelingen. We hebben een sterk, veerkrachtig, autonoom en soeverein Europa nodig, dat in staat is de uitdagingen van vandaag en morgen aan te gaan. Dat vereist dat we beter, efficiënter en sneller samenwerken. Een verenigend maar ook assertiever beleid ter verdediging van onze belangen in een wereld waarin de machtsverhoudingen intens zijn, is dan ook precies wat ik sinds mijn aantreden heb gevoerd. We moeten onze verantwoordelijkheid nemen.

En matière de défense, comme cela a été précisé par le premier ministre, une paix juste, globale et durable en Ukraine ne fera bien sûr pas disparaître la menace russe. Nous devons donc renforcer d'urgence nos capacités industrielles de défense, et nous devons assurer la compétitivité de nos entreprises tous secteurs confondus. Le ministre Clarinval l'a rappelé, nous avons le devoir de protéger nos citoyens et nos entreprises contre ces décisions américaines. Non seulement les protéger, mais agir aussi pour augmenter leur compétitivité.

D atzelfde ambitieniveau moet ons drijven als het gaat om het aangaan van de uitdaging van de klimaattransitie. Ik zal u daaraan ook herinneren wanneer ik mijn beleidsverklaring presenteer, want dat zal een constante zijn in het beleid dat ik plan te voeren.

Dans le même temps, la recherche d'un agenda positif avec la nouvelle administration américaine doit rester notre objectif premier. Nous avons tout à gagner dans un partenariat transatlantique fort. Nous devons rester ouverts aux collaborations avec les autorités américaines sur nos priorités communes en matière de prospérité et de sécurité internationale, notamment. Pensons par exemple à la lutte contre le crime organisé, ou contre les drogues, ou contre les trafics d'êtres humains. J'entends poursuivre les discussions entamées par mon prédécesseur à ce sujet avec le secrétaire d'État Rubio.

La relation de la Belgique avec les États-Unis est la plus importante économiquement hors d'Europe, avec plus de 75 milliards d'échanges par an et des investissements soutenant 250 000 emplois.

Die omwentelingen moeten ons ook uitnodigen om nieuwe bondgenoten te vinden. We moeten partnerschappen op intelligente en consequente manier diversifiëren. Ik dank u.

Kjell Vander Elst:

Bedankt, mijnheer de premier. Ook wij staan aan de kant van Europa en van het vrije Westen. Daarop mag u rekenen.

We moeten dan wel ons deel doen. U hebt niet geantwoord op de vraag hoe we tegen de zomer de 2 % die de NAVO ons oplegt, zullen behalen. U noemt het een sprintje trekken. Ik vrees dat dat niet zal volstaan.

Premier, u hebt een zeer ambitieuze minister van Defensie. Er staan zeer goede zaken op papier, maar het budget moet dan ook wel volgen. We spreken elkaar dus in april tijdens de begrotingsbesprekingen en zullen dan zien of u die woorden zult omzetten in daden.

Patrick Prévot:

Malgré le fait que vous ayez envoyé une armée mexicaine pour me répondre, vous avez scrupuleusement répondu aux questions que je n'avais pas posées.

Monsieur le ministre de l'Économie, en rapport avec la question que j'avais posée concernant la task force , je vous signale qu'il y a eu une action symbolique devant votre SPF en marge d'une réunion sur la politique industrielle. J'espère que vous étiez au courant. Les syndicats et les ONG déploraient le fait qu'ils n'étaient pas invités et que vous aviez choisi quelques entreprises. Ma première demande formelle est que vous les invitiez autour de la table.

Monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, il faudra évidemment être beaucoup plus offensifs. Quand on vise 80 % de taux d'emploi – même si personne n'y croit –, il va évidemment falloir mener une politique d'investissements publics beaucoup plus ambitieuse. Le pacte pour une industrie propre s'élève à 100 milliards alors que le rapport Draghi en préconisait 800. Plus que jamais, il faut viser un taux d'investissement public (…)

Voorzitter:

Collega’s, het noemen van een naam volstaat niet om er een persoonlijk feit van te maken.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de premier, u hebt hier geantwoord en u gaat blijkbaar door. Wij zeggen al maanden dat blindelings de Amerikanen volgen Europa kapot zal maken en u gaat daar gewoon mee door. U verstaat niet wat er aan het gebeuren is.

Bien sûr que Poutine est à condamner! Évidemment, il est synonyme de guerre. Poutine, c'est la guerre. Mais le monde libre est-il synonyme de paix? Les bombardements américains au Vietnam, c'est la paix? Les bombardements américains en Libye, en Syrie, c'est la paix? Les bombardements américains en Irak: un million de morts! Un million de morts en Irak, est-ce la paix? Comment peut-on continuer à être aussi naïf?

Vous avez raison, monsieur Prévot. L'Europe doit chercher de nouveaux partenaires. Le Sud global est en train de se réveiller aujourd'hui. Pour la première fois depuis la Deuxième Guerre mondiale, une puissance économique mondiale est en train de se faire dépasser par d'autres puissances du Sud.

Si l'Europe veut survivre, il faut arrêter d'être naïf comme ici aujourd'hui et tendre la main. Une Europe non-alignée doit tendre la main aux pays du Sud pour arrêter d'être naïf et se faire détruire (…)

(De heer Hedebouw maakt zwembewegingen.)

Voorzitter:

Voor het verslag, de heer Hedebouw zwemt terug naar zijn plaats.

Charlotte Deborsu:

En tout cas, Trump est ce qu'il est, mais il aura réalisé un grand exploit aujourd'hui. Réussir à amener la gauche à promouvoir le libre marché et à s'opposer aux taxes douanières, chapeau à lui!

Monsieur le premier ministre, je vous pardonne de ne pas avoir répondu à toutes mes questions, qui étaient peut-être un peu trop précises. Face à cette offensive protectionniste, l'Europe ne peut pas trembler, la Belgique ne peut pas trembler. L'Union européenne a les moyens d'agir et la Belgique doit être à l'avant-garde de cette riposte. Nos entreprises doivent être protégées, nos travailleurs soutenus, notre souveraineté économique défendue et même déployée. Et le meilleur moyen d'y arriver est de mener une réelle stratégie de réindustrialisation de l'Europe, pour plus de souveraineté. L'enjeu est là. Profitons de l'occasion pour enfin nous réveiller. Wake up, Europe!

François De Smet:

Merci pour vos réponses.

Les comparatifs entre MM. Trump et Poutine sont intéressants, parce que je crois qu'ils ont beaucoup de points communs. Ils sont imprévisibles, ils sont dangereux, ils ne respectent que le rapport de force et ils font un pari immodéré sur la faiblesse des Européens. Or, M. Poutine a eu tort, au moins en partie. Les Européens ont été solidaires de l'Ukraine. Nous devons continuer à l'être et nous vous soutiendrons évidemment à ce sujet.

De la même manière, il faut que M. Trump ait tort lorsqu'il parie qu'il peut diviser les Européens, et éventuellement mener des négociations pays par pays. Cela veut dire qu'il ne faudra pas juste répliquer par des droits de douane aussi forts ou par une guerre commerciale. Il faudra surtout devenir aussi forts que les États-Unis et d'autres pays, en termes de recherche et d'innovation, parce qu'il n'y a que dans cette indépendance-là que nous arriverons à ne plus être de simples consommateurs de la mondialisation.

Meyrem Almaci:

Mijnheer de eerste minister, de samenvatting van uw antwoord was eigenlijk eendracht maakt macht, in België en in Europa. Ik heb u vroeger wel iets anders horen zeggen. Het kan verkeren.

Het klopt natuurlijk wel. Het is in ons aller belang dat we ons nu niet uit elkaar laten spelen en lijdzaam de agressie ondergaan van een man die leeft in zijn eigen realiteit. Het is het moment voor Europa om zelf maatregelen te nemen en te investeren in innovatie, verduurzaming en groene industriële transitie. De groenen geloven in een samenleving waar niet het recht van de sterkste regeert, maar waar iedereen meegetrokken wordt in een partnerschap met een duidelijke koers en humanistische waarden, met een koel hoofd en een warm hart, in Europa, maar ook in ons land.

Wat dat laatste betreft, verdient ook het project van de arizonaregering de nodige verbeteringen, zowel op het vlak van mensbeeld als van onderzoek en investeringen.

Simon Dethier:

Merci, monsieur le premier ministre, messieurs les ministres, pour ces éléments de réponse qui apportent des informations éclairantes quant à l'orientation du gouvernement pour l'avenir.

Préserver la compétitivité des entreprises, c'est permettre aux citoyens, aux commerçants, aux entrepreneurs et aux travailleurs d'exercer leur métier et maintenir l'emploi. Maintenir le cap climatique, c'est veiller à notre avenir aujourd'hui et pour les générations futures. Les changements ne sont jamais faciles à aborder et je tiens à exprimer tout mon soutien et mon respect aux entreprises et aux citoyens qui œuvrent pour développer notre économie, créer des emplois dans un contexte exigeant, instable, incertain et en profond changement. Ne faisons pas du Trump, saisissons les opportunités de la transition climatique pour une économie résiliente et prospère.

Voorzitter:

Je félicite M. Dethier pour sa première intervention.

(Applaus)

(Applaudissements)

Koen Van den Heuvel:

Mijnheer de eerste minister, heren ministers, dank u voor uw zeer stevige antwoorden. Die stemmen mij blij. U ziet volop de ernst van de situatie in. Als cd&v moedigen we u aan opdat België een duidelijke, constructieve rol in de Europese Unie opneemt om een stevig antwoord te formuleren.

Mijnheer de premier, het antwoord mag niet agressief zijn, maar evenmin naïef. Ga voor een slim en assertief Europees antwoord, want onze Belgische export, onze Belgische farmaceutische industrie verdienen dat. We rekenen dus echt op u.

Darya Safai:

Mijnheer de premier, ik ben blij met uw stelling dat wij als Europeanen de rug moeten rechten. Daarom moeten wij, zoals u hebt gezegd, meer investeren in onze defensie. De Europese landen zullen veel meer moeten samenwerken om hun rol in de NAVO te kunnen opnemen. Wij moeten inderdaad Oekraïne blijven steunen. Dat land is immers de poort van Europa. Capitulatie voor een vijand zoals Poetin mag nooit een optie zijn. Voor de N-VA luidt het motto: geen welvaart zonder veiligheid. Samen kunnen wij het aan.

De modaliteiten van het ziektepensioen

Gesteld aan

Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)

op 27 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Eva Demesmaeker kaart aan dat jonge ambtenaren zoals Wendy (25) te snel en definitief in ziektepensioen worden geduwd, terwijl ze elders nog inzetbaar zijn, en vraagt om hergebruik van hun talenten in plaats van afschrijving. Minister Jambon erkent het structurele probleem (ziektekapitaal + vervroegd pensioen) en kondigt een stop op nieuwe ziektepensioenen vanaf 2026 aan, met focus op re-integratie en werkbaar werk om het systeem uit te faseren. Demesmaeker onderschrijft de noodzaak om talent niet te verspillen en zieke ambtenaren te beschermen *zonder* hen in een "gouden kooi" te duwen. De hervorming moet vergrijzing en vacatures aanpakken door actieve re-integratie in plaats van passieve uitsluiting.

Eva Demesmaeker:

Mijnheer de minister, collega’s, vandaag lezen we in de krant het verhaal van Wendy. Zij kon na een driedubbele enkelbreuk niet meer lopen, had geen toekomst meer bij het leger en werd op 25-jarige leeftijd met pensioen gestuurd. Wendy’s verhaal is geen alleenstaand geval, maar weinige halen de pers. Het vereist immers veel moed om het ziektepensioen in te wisselen voor een nieuwe job buiten de ambtenarij. De recentste cijfers vermelden 87.000 ziektepensioenen. Dat betreft echt niet louter 55-plussers, want er zitten ook zeer veel jonge mensen bij zoals Wendy. Zo’n 126 jonge mensen, geboren in 1990 of later, die dus nog maar aan het begin van hun loopbaan als ambtenaar stonden, werden al gedumpt in het pensioenstelsel.

Mijnheer de minister, dat men werknemers voortijdig definitief afschrijft voor de arbeidsmarkt omdat ze één specifieke job niet meer kunnen uitvoeren, men houdt het niet voor mogelijk, maar het gebeurt nog steeds. We hebben meer Wendy’s, meer mensen nodig die zich niet uit de arbeidsmarkt laten wegduwen, maar die hun talenten gebruiken en opnieuw aan de slag gaan in een andere job. Wendy kan misschien geen militair meer zijn, maar dat betekent niet dat zij niet de kwaliteiten heeft om in een andere job uit te blinken en om daar opnieuw sociale contacten op te bouwen. Zo zijn er velen in onze arbeidsmarkt. We moeten er goed over nadenken of we hen blijven afschrijven voor de vele openstaande vacatures waarvoor hun medische situatie geen obstakel vormt.

Mijnheer de minister, hoe zult u ervoor zorgen dat we in de komende jaren zulke verhalen niet meer in de krant hoeven te lezen?

Jan Jambon:

Mevrouw Demesmaeker, bedankt voor uw vraag. Het schrijnende geval dat u met ons deelt, is jammer genoeg geen uniek geval. Heel wat jonge ambtenaren worden op die manier op non-actief gesteld. Het systeem waar u over spreekt, hangt samen met het systeem van het ziektekapitaal waarin statutaire ambtenaren het recht hebben om een aantal ziektedagen per jaar op te sparen. Door die dagen op te sparen, kunnen ambtenaren 600 dagen voor hun eigenlijk pensioen al vervroegd met pensioen gaan.

In het geval dat men langdurig ziek is en nog niet voldoende dagen heeft opgespaard, dan kan de werkgever na beraadslaging in een commissie de betreffende ambtenaar op ziektepensioen stellen. Soms gaat dat om heel jonge ambtenaren. Die twee systemen samen vormen een absolute aberratie. Dat was het geval van Wendy. Zij werd op een zeer jonge leeftijd al opgesloten in een zeer laag pensioen.

De vorige federale regering – dat moeten we meegeven – heeft reeds een stap gezet met de omvorming van het definitieve ziektepensioen naar tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor ambtenaren. Omdat die regeling nog altijd kan resulteren in een ziekteverlof tot aan het pensioen, zijn we van plan om het grondig te hervormen.

In het nieuwe regeerakkoord zetten we inderdaad een stap verder. Vanaf begin 2026 wordt de instroom in het ziektepensioen van statutaire ambtenaren stopgezet, zodat het stelsel op termijn volledig uitdooft, zowel op federaal en op regionaal als op lokaal niveau. Zo zal het niet langer mogelijk zijn om langdurig zieke ambtenaren in de vergeetput van de ziektepensioenen te dumpen.

Met die hervorming worden alle betrokken overheden voor hun verantwoordelijkheid geplaatst om eerst en vooral te zorgen voor werkbaar werk, maar ook voor de re-integratie van langdurig zieke ambtenaren.

Eva Demesmaeker:

Dank u voor uw zeer duidelijk antwoord, mijnheer de minister. Het mag inderdaad niet dat een ambtenaar wegens een gebrek volledig wordt afgeschreven. Ik onthoud ook dat we de betrokkenen op de arbeidsmarkt moeten re-integreren en wie echt ziek is, blijven beschermen. We mogen geen talent verloren laten gaan. In deze tijd, met een toenemende vergrijzing, is het niet meer te verantwoorden is dat we ambtenaren op dertigjarige leeftijd al met pensioen sturen. We laten degenen die echt ziek zijn, niet in de steek, maar de vele ambtenaren met zovele talenten steken we evenmin in een gouden kooi. We knippen hun de vleugels niet af en houden hen niet klein. Een kooi is immers een strop voor de betrokkenen en het is moeilijk daaraan te ontsnappen. Wij moeten daarentegen de door u aangegeven weg bewandelen. Laten we dat samen met de arizonaregering doen.

De opvolging van drugsdealers zonder geldige verblijfspapieren

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drugscriminaliteit in Brussel, vooral door illegale dealers zonder verblijfspapieren (vaak uit Marokko, Algerije en Tunesië), neemt toe, met 160 administratieve rapporten in 2024 (vs. 39 in 2023), maar gebrek aan detentieplaatsen en onduidelijkheid over profielen (o.a. minderjarigen) frustreert politie en DVZ. Uitzetting van zware criminelen heeft prioriteit, maar gebrek aan gedetailleerde data (leeftijd, voogdijbetrokkenheid) belemmert gericht optreden, terwijl de procureur wél spreekt over een bekend profiel. De Vreese dringt aan op betere statistieken en samenwerking met justitie om het probleem structureel aan te pakken, met name bij Maghreb-landen en minderjarige dealers.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, mijn vraag dateert al van een tijdje geleden en is voor een stuk achterhaald. Enkele weken geleden nog berichtte de pers dat Brusselaars foto’s en video’s maakten van drugsdealers om ze aan de politie te bezorgen en later waren er dan schietpartijen in Anderlecht, waar de drugscriminaliteit welig tiert.

De procureur des Konings kaartte al verschillende keren aan dat heel wat drugsdealers, waaronder ook minderjarigen, hier illegaal verblijven. Dat maakt het voor de ordediensten bijzonder moeilijk om het probleem te bestrijden. Bovendien is de frustratie bijzonder groot wanneer de politie van Brussel Zuid dealers aantreft die meermaals het bevel hebben gekregen om het grondgebied te verlaten.

Wanneer dealers zonder geldige verblijfspapieren worden gevat, wordt altijd de Dienst Vreemdelingenzaken gecontacteerd, maar de DVZ zit met een beperkt aantal plaatsen in de gesloten centra. Vaak voelt de politie zich daarom machteloos. Bij de DVZ is de frustratie minstens even hoog, omdat men onder andere een keuze moet maken wie naar een gesloten centrum wordt gestuurd en wie niet, terwijl het soms gaat om illegalen met een heel zwaar profiel, die ook zware feiten pleegden en de openbare orde verstoorden. Van de uitzetting van dat soort illegale criminelen moet er absoluut en prioritair werk gemaakt worden.

Hoeveel administratieve rapporten ontving de DVZ in 2024 vanuit de Brusselse politiediensten bij de aanhouding van illegale drugsdealers? Is er een stijging tegenover voorgaande jaren? Is er een verschil tussen de Brusselse gemeenten? Wat is de situatie in Brussel wat uw bevoegdheid betreft?

Wat is het profiel van die drugsdealers? Gaat het inderdaad om minderjarigen? Wat is het gevolg bij de Dienst Vreemdelingenzaken? Worden ze opgesloten of krijgen ze een bevel? Hoe zit het met de minderjarige illegalen? Hoe zit het met de Dienst Voogdij? Is die daarbij betrokken? Worden die minderjarigen dan extra opgevolgd? Wat zijn de nationaliteiten? Welke stappen neemt u om drugsdealers zonder geldige verblijfspapieren aan te pakken en op te volgen?

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mevrouw De Vreese, voor uw vragen.

De aangekaarte problematiek is inderdaad sterk aanwezig. Ik kan u een antwoord geven op basis van de gegevens die de Dienst Vreemdelingenzaken mij heeft bezorgd.

Ten eerste, de DVZ heeft in 2024 160 administratieve verslagen betreffende illegale drugsdealers ontvangen. Dat is een forse stijging ten opzichte van 2023, want toen waren het er 39.

Ten tweede, is er een verschil tussen de Brusselse gemeenten? De DVZ heeft voor het geheel van de Brusselse gemeenten, dus inclusief Sint-Gillis, in 2024 604 administratieve verslagen ontvangen. Dat is dan weer een daling ten opzichte van de 653 verslagen van het jaar voordien.

Ten derde, over welke profielen gaat het? Informatie daarover is niet beschikbaar. Ik kan u wel een top drie geven van de nationaliteiten in de administratieve verslagen: in 2023 en 2024 bestond de top drie voor Sint-Gillis uit Marokko, Algerije en Tunesië. Voor Brussel was dat in 2023 dezelfde top drie; in 2024 was de top drie voor Brussel Marokko, Algerije en Roemenië.

De in uw vierde en vijfde vraag gevraagde informatie is niet beschikbaar, aangezien die gedetailleerde data niet als statistiek beschikbaar zijn in de huidige databanken. Daarvoor zijn verdere ontwikkelingen nodig. Om die vragen te beantwoorden, zou het eigenlijk dossier per dossier moeten worden nagekeken.

Ik kom bij uw laatste vraag. Om drugsdealers zonder geldige verblijfspapieren aan te pakken en op te volgen, heeft de Dienst Vreemdelingenzaken samenwerkingsverbanden gesloten met de verschillende politiezones in Brussel en in andere steden, waarbij de focus wordt gelegd op personen in illegaal verblijf die herhaaldelijk feiten plegen. Er is ook een samenwerking met de politiezone Brussel Zuid en problematische profielen worden geïdentificeerd. De Dienst Vreemdelingenzaken tracht vervolgens prioritair een reisdocument te verkrijgen om die personen van het grondgebied te verwijderen.

Maaike De Vreese:

Mevrouw de minister, dat de drugsdealers de Marokkaanse, Algerijnse of Tunesische nationaliteit hebben, verbaast ons niet. Marokko, Algerije en Tunesië zouden eigenlijk al jarenlang de prioriteit moeten zijn van de voltallige regering en van de Europese Unie, want criminelen met die nationaliteiten komen zeer vaak voor in de criminaliteitsstatistieken. We merken nu een vooruitgang voor Marokko, maar die is ook nodig voor de rest van de betrokken landen. De Dienst Vreemdelingenzaken zou het dus dossier per dossier moeten bekijken, maar ondertussen beweert de procureur des Konings wel een profiel van de illegale drugsdealers te hebben. Ik denk dat het misschien wel interessant kan zijn om in de statistieken te duiken om zo een compleet profiel te krijgen. Misschien moet men maar samen met de politiediensten onderzoeken of het werkelijk om minderjarigen gaat, waardoor de Dienst Voogdij daarbij betrokken moeten worden, want anders varen we eigenlijk blind. Ook als minister is het belangrijk om daar een zeer goed zicht op te hebben en te weten wat er al dan niet binnen of buiten uw bevoegdheid valt.

De uitspraken van de procureur-generaal over het Brusselse drugsgeweld

Gesteld aan

Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Matti Vandemaele waarschuwt dat 3.000 alleenstaande asielzoekers op straat – zonder opvang, eten of onderdak – kwetsbaar worden voor criminaliteit en mentale problemen, wat volgens federaal procureur Van Leeuw een zelfgecreëerd veiligheids- en kostendilemma is. Minister Van Bossuyt benadrukt dat prioriteit ligt bij kwetsbaren en eerste asielaanvragers, maar dat de disproportioneel hoge instroom (stijging van 12% vs. EU-daling) eerst moet dalen voordat opvang kan worden uitgebreid, terwijl ze bestaande initiatieven (medische punten, Bruss'help) aanhaalt. Vandemaele houdt vol dat straatleven de problemen verergert (hogere maatschappelijke kosten, rekrutering door criminelen) en pleit voor onmiddellijke opvang als kostenefficiëntere en veiligere oplossing. Beide erkennen de noodzaak om instroom te beperken, maar botsen op tijdelijkheid vs. structurele opvang en de verantwoordelijkheidsverdeling (EU-regels, vorige regering).

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik ben de derde West-Vlaming op rij, maar met een iets ander geluid. Ik weet niet of de voorzitter zich nog identificeert als West-Vlaming. Mevrouw de minister, ook van mijnentwege trouwens nog felicitaties voor uw aanstelling als minister. U zult gemerkt hebben dat er heel veel werk aan de winkel is.

Het eerste dat ik met u wil bespreken, is een uitspraak van federaal procureur Van Leeuw in Knack . Hij zegt dat het ons eigenlijk niet hoeft te verwonderen dat als we duizenden alleenstaande mannen de straat op sturen, criminele netwerken daarin een heel gemakkelijke bron zien om te rekruteren voor criminele handelingen. Hij zegt dat die alleenstaande mannen vroeger gespreid werden over het land, maar tegenwoordig en masse in Brussel worden losgelaten. Als ze in Brussel worden losgelaten zonder onderdak, eten of kledij, dan moeten ze overleven op straat. Het is wat naïef om te denken dat ze zelf terug de Middellandse Zee zullen overvaren om het probleem op te lossen. De beslissing van de federale overheid om die mannen niet op te vangen, zorgt er eigenlijk voor dat wij hen in handen van die criminelen duwen.

Mevrouw de minister, het zal u niet verwonderen dat mijn partij zowel morele bezwaren heeft als juridische problemen ziet in het op straat zetten van mensen. In de voorgaande regering hebben wij veel pogingen ondernomen om onze coalitiepartners te overtuigen, maar dat is niet gelukt. Mea culpa alvast daarvoor, dat zeg ik liever zelf dan dat u het mij moet zeggen.

Mevrouw de minister, deelt u de analyse van de procureur-generaal, die zegt dat we denken een probleem op te lossen, maar eigenlijk een nieuw probleem creëren?

Hebt u de ambitie om de mensen die momenteel de straat op gestuurd zijn van straat te halen? Ik heb u horen aankondigen dat u de opvang zult afbouwen nadat de instroom is gestopt. Waar zitten de 3.000 mannen die alleen op straat leven in dat verhaal? Zult u de instroom afbouwen, dan die 3.000 mannen van straat halen en pas dan de opvang afbouwen, of waar moet ik die 3.000 mannen in dat verhaal zien?

Een laatste element zijn de schaduwkosten. In de afgelopen maanden ben ik, in afwachting van een nieuwe minister, vaak op het terrein geweest. Zowel medewerkers van de DVZ als van ngo's geven aan dat de schaduwkosten die ontstaan door mannen voor een lange periode alleen op straat te sturen, eigenlijk gigantisch zijn. Eigenlijk zorgen we ervoor dat opvang verder in het traject duurder wordt, doordat we ervoor kiezen om hen eerst een aantal maanden op straat te laten leven.

U bent natuurlijk niet verantwoordelijk voor de huidige situatie. Ik weet dat ook, dus mijn vraag is vooral oplossingsgericht. Ik kijk uit naar uw aanpak van deze kwestie.

Anneleen Van Bossuyt:

Dank u wel, mijnheer Vandemaele, voor uw vragen en uw gelukwensen.

Voor ik in detail op het antwoord inga, wil ik eerst iets zeggen. Wat we niet mogen vergeten, is dat heel veel van die alleenstaande mannen in een andere lidstaat al een aanvraag hebben ingediend of zelfs al bescherming hebben gekregen. Daar is de Europese en de internationale regelgeving toch wel heel duidelijk over, dus dat mag zeker niet vergeten worden.

Het is zo dat Fedasil er alles aan doet om alleenstaande mannen zo snel mogelijk op te vangen door hen uit te nodigen zodra er een plaats vrijkomt in het reguliere opvangnetwerk. De bereidheid van het agentschap om oplossingen te vinden, blijkt onder meer uit de samenwerking met andere actoren, zoals de opvangplaatsen in het kader van de overeenkomst met Brussel. Ik denk aan de daklozenopvang, waar de begeleiding georganiseerd wordt onder leiding van Bruss'help.

In verband met de medische begeleiding hebben ze, zoals andere verzoekers die vrijwillig niet in het opvangnetwerk verblijven, recht op medische begeleiding. In Brussel bestaat daar al enige tijd het Refugee Medical Point voor, dat eerstelijns medische zorg biedt aan verzoekers om internationale bescherming die geen huisvesting hebben in opvangplaatsen die georganiseerd of gefinancierd zijn door de federale overheid.

Bovendien is er het Infopunt in Brussel, naast het Refugee Medical Point, waar de verzoekers om internationale bescherming buiten het opvangnetwerk terechtkunnen voor informatie. In dat infopunt geven Fedasil en Caritas informatie en verwijzen ze ook door naar de juiste diensten.

Fedasil ziet in de opvang een toename van ernstige mentale gezondheidsproblemen die een meer langdurige en gespecialiseerde zorg nodig hebben. Dat zorgt voor een toename van de kosten voor mentale en middelenafhankelijke gezondheidszorg. Dat kan meerdere verklaringen hebben, bijvoorbeeld wat iemand in zijn thuisland heeft meegemaakt of tijdens zijn doortocht door andere Europese lidstaten enzovoort.

Het is belangrijk dat alle verzoekers die recht hebben op opvang die krijgen maar, zoals in het regeerakkoord staat, er wordt prioriteit gegeven aan de meest kwetsbaren en aan degenen die een eerste asielaanvraag indienen en niet aan degenen die al bescherming in een andere lidstaat krijgen. Dat kan alleen lukken als de instroom naar België, die disproportioneel hoog ligt, daalt. Het is disproportioneel ten opzichte van onze buurlanden. Als men weet dat in de Europese Unie in het algemeen de aanvragen met 12 % zijn gedaald en ze in België met 12 % zijn gestegen, dan zitten we daar met een probleem.

Ik vind het eerlijk dat u zegt dat ik de toestand heb geërfd. Er is inderdaad veel werk aan de winkel. Ik erf een situatie die ik zelf niet heb veroorzaakt, maar uw partij zat in de vorige regering wel mee aan de knoppen en heeft jammer genoeg nagelaten om maatregelen te nemen om die instroom te beperken, waardoor we met de huidige toestand zitten. We zullen er alles aan doen wat we kunnen. Onze drie punten zijn duidelijk: de instroom beperken, de uitstroom verhogen en ervoor zorgen dat de opvang die er wel is menselijker is. Ik denk dat u daar alleen maar achter kunt staan.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het is niet mijn ambitie om hier de volgende jaren het spel te spelen over wat de vorige regering al dan niet heeft nagelaten. Het Europese migratiepact is door de vorige regering goedgekeurd, met mijn partij. Er zijn nooit meer opvangplaatsen gecreëerd dan met de regering waar mijn partij in zat. We kunnen het daar gerust over hebben. Ik wil dat op café met veel plezier doen, maar ik zou het hier willen hebben over hoe we zaken oplossen. Die 3.000 mensen die op straat leven, hebben niet allemaal een M-status. Die zitten ertussen, absoluut. Ik begrijp uw standpunt daarover. Het punt dat de procureur maakt en dat ik hier wil ondersteunen, is dat op straat niemand beter wordt. Na de rugzak uit het thuisland en de rugzak van de reis naar hier, komt de rugzak van het leven op straat erbij. Dat zorgt niet alleen voor meer problemen bij die mensen zelf – wat u in uw antwoord aangeeft – maar ook voor hogere kosten voor ons als samenleving. Daarin kunnen we elkaar wel vinden, want u wilt die kosten naar beneden. Door mensen van de straat te halen, wordt het op termijn ook goedkoper. Dat is dus bijzonder belangrijk. Het tweede element dat de procureur-generaal aanhaalt, is dat we een groep op straat zetten die heel kwetsbaar is om gerekruteerd te worden voor criminele handelingen. Iedereen van ons heeft immers een overlevingsdrang, maar dat brengt de veiligheid van ons allen ook in gevaar. Vandaar mijn oproep om zo snel mogelijk die mensen van de straat te halen, zodat we minstens die instroom kunnen droogleggen.

De live chat over geweld en drugs door een youtuber in de gevangenis van Lantin

Gesteld door

lijst: VB Marijke Dillen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een Nederlandse YouTuber in de Belgische gevangenis van Lantin deelde via een illegale gsm ongefundeerde verhalen over geweld, drugs en corruptie in een live chat, wat leidde tot een tuchtprocedure (details blijven privégerechtvaardigd) en media-ophef. Minister Verlinden bevestigde dat de beweringen geen concrete feiten bevatten en benadrukte dat gsm’s verboden zijn, maar binnensmokkel moeilijk te voorkomen is, terwijl live media-contacten strijdig zijn met de Basiswet 2005 (die enkel traditionele media vermeldt). Dillen drong aan op aanpassing van de Basiswet om het grijs gebied rond sociale media (zoals live chats) weg te werken, maar kreeg geen toezegging voor wettelijke verduidelijking.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Een Nederlandse YouTuber is verwikkeld in een tuchtprocedure nadat hij via zijn telefoon deelnam aan een live chat vanuit de gevangenis in Lantin waarin hij volgens de media “verhalen over geweld, drugdeals en corruptie deelde". Het volledige gesprek werd nadien door zijn broer op YouTube geplaatst en er verschenen ook fragmenten op TikTok. Zijn beweringen veroorzaakten veel ophef, zowel binnen als buiten de gevangenismuren. Het gevangeniswezen benadrukte dat gedetineerden toegang hebben tot telefoons, waarbij gesprekken niet worden afgeluisterd. “In een privégesprek kan iedereen zeggen wat hij wil. Dat verandert wanneer de inhoud via media wordt verspreid", zo luidde het.

Kan de minister meer toelichting geven betreffende deze feiten? Werden er onderzoeken gedaan naar de beweringen die in deze live chat werden geformuleerd?

Er werd een tuchtprocedure opgestart waarin de gedetineerde zich voor zijn uitspraken moet verantwoorden. Werd deze tuchtprocedure inmiddels afgerond? Zo ja, wat zijn de resultaten?

De Belgische Basiswet uit 2006 verbiedt interviews met gevangenen zonder toestemming. Maar sociale media, zoals live chats, bestonden toen nog nauwelijks en staan niet in de wet. Daardoor vallen dit soort gesprekken in een grijsgebied. Gaat de minister vooralsnog een initiatief nemen om de Basiswet in die zin aan te passen teneinde deze grijze zone weg te werken en duidelijkheid te creëren?

Annelies Verlinden:

De beweringen van de gedetineerde in kwestie tijdens de zogenaamde LiveChat berusten, op basis van de informatie waarover wij beschikken, op geen enkel concreet feit. Hij heeft enkel zaken gemeld die hem werden meegedeeld, zonder daarbij zelf aan de beweerde feiten te hebben deelgenomen.

De geijkte procedure voor tucht, zoals bepaald in de basiswet van 2005, werd in deze zaak gevolgd. Ik kan hierover echter geen details verschaffen daar het om een individueel dossier gaat en de privacy van de betrokkene gerespecteerd moet worden. De basiswet bepaalt echter dat een gedetineerde toestemming nodig heeft voor contacten met de pers, diverse media en journalisten. Het is duidelijk dat het live delen van informatie daarmee niet in overeenstemming is. Daarnaast zijn gsm's formeel verboden in de gevangenis, wat de kans op het live delen van dergelijke inhoud verkleint. Weliswaar kan dit niet volledig worden uitgesloten, dat weet u ook, aangezien er vaak gsm's worden binnengesmokkeld in de gevangenis.

Marijke Dillen:

Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik heb echter geen antwoord gekregen op het volgende. Ik verwees naar de basiswet van 2005, die heel duidelijk is: interviews met gevangenen zijn zonder toestemming verboden. In die wet is echter geen sprake, logisch voor dat ogenblik, van sociale media als LiveChat; dat bestond toen nog niet. Er bestaat dus een risico dat, wanneer zo'n gesprek aanleiding geeft tot gerechtelijke procedures, er een grijs gebied blijft bestaan. Ik durf erop aan te dringen dat u een initiatief neemt om de basiswet in die zin aan te passen.

De betaalbaarheid van zorgvolmachten

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorgvolmachten (kosten variëren tussen 200–600 euro) staan ter discussie, met name voor mensen met beperkte inkomens. Minister Verlinden benadrukt dat tarieven recent zijn gestandaardiseerd (KB 2022) en dat een nieuwe studie door het Prijzenobservatorium verdere hervormingen moet beoordelen, met focus op transparantie (publieke tariefcommunicatie) en sociale tarifering (lagere kosten voor courante akten). De basisprijs ligt nu op 211–319 euro, afhankelijk van complexiteit, maar extra clausules verhogen de kost. Yzermans onderstreept het belang van gelijke toegang en wacht de uitkomsten van het rapport af voor verdere stappen.

Alain Yzermans:

Het opmaken van een zorgvolmacht is cruciaal voor personen die niet meer in staat zijn om zelf beslissingen te nemen over hun medische en financiële aangelegenheden. De kosten voor het opstellen van een dergelijke volmacht kunnen evenwel aanzienlijk variëren, met tarieven tussen 200 en 600 euro. Dat roept vragen op over de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van die nieuwbakken regeling. De variatie in tarieven voor het opstellen van zorgvolmachten door notarissen kan een drempel vormen voor veel burgers, vooral voor diegenen met een beperkt inkomen.

Mevrouw de minister, bent u bereid om deze problematiek aan te kaarten en te onderzoeken hoe de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van zorgvolmachten kunnen worden verbeterd? Welke maatregelen kunnen er worden genomen om de tarieven te standaardiseren en eventueel te verlagen, gezien de grote prijsvork?

Bent u bereid om te pleiten voor een transparant systeem waarin notarissen hun tarieven voor zorgvolmachten duidelijk communiceren, zodat de mensen een duidelijke keuze kunnen maken? Kan men voorzien in sensibilisering en toelichting?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Yzermans, ik dank u voor uw interesse in het vraagstuk van de toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorgvolmacht. Ik kan u alvast meedelen dat er in het regeerakkoord sprake is van een hervorming die het notariaat aanbelangt.

Daarbij zal de werking worden herbekeken en in hetzelfde kader zullen onder meer ook de wettelijk geregelde tarieven en de evolutie van de erelonen onder de loep worden genomen. Daartoe zal een nieuw rapport worden besteld bij het Prijzenobservatorium. Ik kan u ook meedelen dat de tarieven voor de zorgvolmacht vorige legislatuur werden gestandaardiseerd in het kader van een bredere oefening om de erelonen en kosten meer actueel en transparant te maken. Het resultaat daarvan is neergelegd in het KB van 22 november 2022, dat de bijlage bij het KB van 16 december 1950 houdende het tarief van de honoraria grondig heeft gewijzigd.

Transparantie en de gelijke toegang tot de notaris stonden daarbij centraal. In dat opzicht wens ik ook te verduidelijken dat de wettelijke tarifering berust op een delicate sociale constructie die tot doel heeft de toegang tot de notaris voor iedereen betaalbaar te houden, met name door een lager tarief op te leggen voor de meest courante akten. Dat wordt gecompenseerd door hogere tarieven voor andere akten.

De transparantievereiste vertaalt zich ook in de publicatie van het geïndexeerde bedrag van het ereloon voor de zorgvolmacht op een voor het publiek toegankelijke website. Daar wordt ook verduidelijkt met welke bijkomende kosten de burger rekening moet houden. Die duidelijke communicatie kan burgers in staat stellen een geïnformeerde keuze te maken.

De zorgvolmacht is een sociale akte en dat moet dan ook worden vertaald in het tarief. Een andere realiteit betreft evenwel de complexiteit van de akten. Daardoor bedraagt het geïndexeerde tarief voor een zorgvolmacht met één lastgever 211 euro, voor een zorgvolmacht met twee lastgevers rekent de notaris een ereloon aan van 319 euro. Bevat de akte daarnaast een verklaring van voorkeur betreffende de aan te stellen bewindvoerder, dan wordt het ereloon verhoogd met 54 euro.

Het KB van 22 november 2022 was dus een recente betrachting tot standaardisering en transparantie omtrent de kosten en het ereloon van de notaris. We zijn dan ook benieuwd en zullen zeker bekijken welk licht het rapport van het Prijzenobservatorium hierop zal werpen voor de toekomst.

Voorzitter:

Dank u, mevrouw de minister. Mag ik u ook vragen een beetje langzamer te spreken bij uw antwoorden, omdat het een beetje moeilijk kan zijn voor onze tolken?

Alain Yzermans:

Ik ben een Limburger, ik zal het langzamer doen. (Gelach) Bedankt voor uw duidelijk antwoord, mevrouw de minister. Het is van groot belang dat iedereen ongeacht zijn financiële situatie de mogelijkheid heeft om een zorgvolmacht op te stellen. Daarnaast is transparantie over de tarieven die u hebt gegeven, zodat burgers goed geïnformeerd worden, zeer belangrijk om een keuze te kunnen maken. Mensen moeten een evenwichtige keuze kunnen maken gelet op de betaalbaarheid. We wachten het rapport van het Prijzenobservatorium af.

Crimineel geld
Structurele maatregelen in het kader van de drugsoorlog
De oprichting van een drugsfonds
Het radicale plan ter bestrijding van de misdaad via de confiscatie van crimineel vermogen
De recente drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel en de reactie van het gerecht
Bestrijding van drugscriminaliteit en crimineel vermogen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België spoorde in 2024 ruim €232 miljoen crimineel vermogen op (licht stijgend vs. 2023), met Limburg als koploper dankzij gespecialiseerde plukteams en financiële onderzoeken naar witwassen, fraude en drugscriminaliteit. Prioriteit is het doorbreken van criminele geldstromen via een multidisciplinaire fiscale opsporingsdienst (in voorbereiding) en hergebruik van verbeurdverklaarde gelden voor politie/justitie—hoewel de drugscommissaris ook preventie wil financieren, wat discussie uitlokt. Structurele tekorten (mankracht, IT-specialisten, datagedreven analyses zoals Sky ECC) en samenwerkingsgaten tussen lokale/federale diensten blijven knelpunten, ondanks beloftes voor extra investeringen. Drugsgeweld (Antwerpen/Brussel) en internationale criminele netwerken vragen om verscherpte aanpak, maar concrete timing en verdeling van middelen blijven onduidelijk.

Alain Yzermans:

Mevrouw de minister, de recente prestaties van de federale gerechtelijke politie van Limburg in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit hebben vooral door het opgespoorde recordbedrag van 30,6 miljoen euro crimineel vermogen in 2024 veel aandacht getrokken. Dat is bijna een verdubbeling tegenover 2023 en de trend zet zich door dankzij de inspanningen van een gespecialiseerd plukteam en de groeiende expertise van de onderzoekers. Financiële onderzoeken en de aanpak van witwaspraktijken, fictieve facturaties, beleggingsfraude en fiscale fraude leveren het meeste geld op.

Wat was het totale bedrag aan crimineel vermogen dat in België in 2024 werd opgespoord en hoe verhoudt dat zich tot de cijfers van de voorgaande jaren?

Zijn er specifieke trends te observeren in de aard van de criminele activiteiten?

Hoe wordt de samenwerking tussen de federale en de lokale politiediensten en het nationaal drugscommissariaat versterkt om de efficiëntie van de opsporing van crimineel vermogen te verbeteren volgens het principe van follow the money ?

Zijn er plannen om extra middelen of investeringen vrij te maken voor de federale gerechtelijke politie op het landelijke niveau, zodat meer plukteams kunnen worden ontwikkeld, gezien de positieve resultaten?

Hoe ziet u de toekomst van de strijd tegen crimineel vermogen in ons land en welke prioriteiten stelt u voorop?

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, de drugsoorlog woedt niet langer hoofdzakelijk in Antwerpen, ook in Brussel wordt een ware drugsoorlog uitgevochten tussen criminele bendes, met talrijke schietpartijen en dodelijke slachtoffers. Ook op het terrein dringen onder andere de politie en het parket erop aan dat de aanpak van die problematiek de absolute prioriteit krijgt. Dat vereist alvast veel meer middelen en mankracht.

We hebben heel wat namen van potentiële daders, maar we missen een duidelijk overzicht en middelen om actie te ondernemen. We willen elk feit onderzoeken, maar er zijn te weinig mensen om resultaten te boeken. Dat zijn niet mijn woorden, mevrouw de minister, maar dat zijn de woorden van de procureur van Brussel. Volgens hem moet er absolute prioriteit worden gegeven aan structurele maatregelen in de strijd tegen de drugsoorlog. Een van de maatregelen is de in beslag genomen en verbeurdverklaarde gelden en middelen te investeren in politie en justitie voor de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Mevrouw de minister, de opbrengsten van de drugscriminaliteit en de georganiseerde misdaad zijn werkelijk aanzienlijk. Ik verwijs hier naar de hoorzitting in vorige legislatuur met de toenmalige federale procureur Van Leeuw, die dat zeer uitvoerig illustreerde met verschillende filmpjes. Voor de nieuwkomers in de commissie voor Justitie is het zeker de moeite waard om die hoorzitting te herbeluisteren via het archief.

Het regeerakkoord voorziet in de mogelijkheid om de aangeslagen verbeurdverklaarde vermogensbestanddelen prioritair in te zetten om de budgettaire noden en investeringen bij de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen. Dat is volledig terecht. Het Vlaams Belang heeft daar in de voorbije legislatuur al herhaaldelijk voor gepleit. Dat pleidooi is ook regelmatig teruggekomen in de mercuriales van verschillende procureurs-generaal. De nationale drugcommissaris werd een mandaat gegeven om een vermogensrecuperatieprocedure uit te werken en om de opbrengsten van het criminele vermogen te investeren in de strijd tegen de georganiseerde misdaad.

Welke opdracht werd er juist gegeven? Is het de bedoeling om de middelen bij prioriteit in te zetten voor politie en justitie, die ze zeer goed zullen kunnen gebruiken? Ik was wel een beetje verbaasd over de verklaring van de nationale drugscommissaris dat ze er voorstander van is om die middelen te investeren in samenlevingsopbouw en preventie, twee bevoegdheden die hoofdzakelijk gemeenschapsbevoegdheden zijn. Daarover had ik graag uw standpunt gehoord.

Sommige procureurs-generaal en de voormalige federale procureur hielden een pleidooi om al die middelen in een afzonderlijk drugsfonds onder te brengen en om die dus exclusief aan te wenden om de slagkracht van politie en justitie te versterken. Ik hoop dat u dat standpunt mee wilt verdedigen.

Ten slotte, procureur-generaal Van Leeuw pleit voor een onmiddellijke versterking van de federale gerechtelijke politie. Om zicht te krijgen op de structuur van de bendes, kan verder onderzoek van de gekraakte Sky ECC-telefoons helpen. Die info ligt daar, mevrouw de minister. We moeten dan wel met andere middelen en andere profielen te werk gaan. Er moeten andere profielen worden aangeworven bij de FGP, zoals analisten, die al die gegevens kunnen kruisen en een correct beeld kunnen geven, aldus de heer Van Leeuw. Dergelijke onderzoeken kosten zeer veel geld, om nog maar te zwijgen van de specialisten, die dure vogels zijn. Bent u bereid om gevolg te geven aan de toch wel duidelijke oproep van de procureur-generaal en ook op dat vlak een initiatief te nemen?

Sophie De Wit:

Mevrouw de minister, ik was een beetje verrast toen ik in het begin van de maand vernam dat de nationale drugscommissaris de opdracht had gekregen om een zogenaamd drugsfonds uit te werken, zodat in beslag genomen misdaadgeld via het fonds naar de hulpverlening, politie en justitie terug zou kunnen vloeien. In het regeerakkoord is er namelijk sprake van een andere denkpiste, weliswaar met dezelfde finaliteit. Men wil namelijk een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst oprichten, die zich moet focussen op het opsporen, analyseren en lamleggen van criminele circuits. Bijzondere aandacht zou daarbij gaan naar de recuperatie van criminele vermogens van die organisaties, follow the value .

Daarmee wil men beletten dat crimineel geld kan worden witgewassen. De opsporingsdienst zal eveneens focussen op de strijd tegen fraude. De meeropbrengsten, die meer efficiënte vervolgingen teweeg zullen brengen, zullen bij de jaarlijkse begrotingsopmaak worden ingezet om de budgettaire noden en de investeringen in de veiligheidsdepartementen, Binnenlandse Zaken en Justitie, op te vangen.

Kortom, dat zijn twee manieren om achter het criminele geld aan te gaan. Mevrouw de minister, bevestigt u dat de drugscommissaris de opdracht heeft gekregen een dergelijk drugsfonds uit te werken? Kunt u de opdracht nader toelichten?

Hoe zal het drugsfonds zich verhouden ten opzichte van de fiscale en financiële opsporingsdienst die volgens het regeerakkoord zou moeten worden opgericht?

Mevrouw de minister, misschien is het nog te vroeg en kan een en ander pas ter sprake komen bij de bespreking van de beleidsnota’s.

Wat zijn echter de concrete ambities en projecties inzake de meeropbrengsten om die bij de jaarlijkse begrotingsopmaak in te zetten om de budgettaire noden en investeringen in de veiligheidsdepartementen Binnenlandse Zaken en Justitie op te vangen? Hoe zullen ze kunnen worden verdeeld?

Wat is de timing voor de oprichting van de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst?

Wat is, aansluitend daarbij, de timing voor de hervorming van het huidige Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en Verbeurdverklaring (COIV) tot een volwaardig federaal incassobureau?

Voorzitter:

M. Jadoul m'a indiqué qu'il ne pouvait être présent et qu'il s'excusait de son absence.

Annelies Verlinden:

Geachte Kamerleden, het klopt inderdaad dat we in het arizonaregeerakkoord de strijd tegen de drugscriminaliteit willen voortzetten en absoluut willen inzetten op alle mogelijke middelen die daarvoor te onzer beschikking staan of nog ontwikkeld moeten worden. Een daarvan is dat we nog meer dan vroeger willen inzetten op het blootleggen van de criminele geldstromen, zodat de criminele gelden en andere vermogensvoordelen in beslag genomen kunnen worden. Op die manier kunnen we het verdienmodel doorbreken, waardoor de drijfveer van die criminele organisaties wordt weggenomen en de aantrekkelijkheid van hun activiteiten, zeker ook ten aanzien van jongeren, zoveel mogelijk wordt verminderd. Maandag laatstleden heeft de federale politie in mijn aanwezigheid haar jaarverslag voorgesteld. Daarbij werd nog toegelicht dat in 2024 bijna 232 miljoen euro aan crimineel vermogen door de federale gerechtelijke politie in beslag genomen werd. De gerapporteerde contra-indicatieve waarden bedragen voor 2024 in totaal 249.081.941 euro. Dat is 2 miljoen meer dan in 2023. Het gaat natuurlijk om enorme cijfers.

Ook is het de bedoeling van de arizonaregering om een systeem uit te werken om meeropbrengsten uit financiële strafsancties rechtstreeks toe te wijzen aan de veiligheidsdepartementen. Daardoor zal ook een band tussen de misdaadbestrijding en de resultaten zichtbaar worden in de statistieken, iets wat vandaag nog niet het geval is. De minister van Binnenlandse Zaken en ikzelf hebben op de ministerraad vorige week vrijdag aan de regering voorgesteld om de nationale drugscommissaris te belasten met het voorbereiden en het uittekenen van dat proces, wat wel belangrijk is om te onderstrepen, mevrouw De Wit. We kunnen een wetgevend kader voorzien over hoe we die criminele geldstromen nog meer kunnen blootleggen. Dat is de opdracht die aan de nationale drugscommissaris zal worden gegeven. Het zal verder worden besproken in de schoot van de regering. Ter inspiratie voor het uittekenen van dat model en van dat proces kunnen we een beroep doen op buitenlandse voorbeelden waar die methode al veel langer bestaat, zoals in Frankrijk en in Italië. Ook in Canada en in de Verenigde Staten bestaat al heel wat expertise.

Ook voorziet het arizonaregeerakkoord in de oprichting van een multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Het is de bedoeling dat die onder de voogdij van de minister van Financiën en de minister van Justitie zal vallen. Met die bijzondere opsporingsdienst, en in het bijzonder de doorgedreven specialisatie van de leden die van die dienst deel zullen uitmaken, doelen we op het realiseren van meeropbrengsten door het recupereren van criminele vermogens.

Om het verdienmodel te doorbreken, moeten we dus niet alleen kunnen rekenen op het werk van politie en parket, en op termijn op de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Ook vanuit bestuurlijke invalshoek moet daarop worden ingezet. We hebben vanochtend nog gehoord dat de politie in Anderlecht is binnengevallen in een aantal handelszaken en dat er tot arrestaties werd overgegaan. Welnu, dat heeft ook te maken met die bestuurlijke aanpak.

Ik wil graag verwijzen naar de wet betreffende de bestuurlijke handhaving, waartoe ik in de vorige legislatuur de nodige wetgevende en operationele initiatieven heb genomen, omdat die wet toelaat om de strijd aan te gaan tegen ondermijnende criminaliteit en zo ook tegen oneerlijke concurrentie in de winkelstraten. Het is uiteraard duidelijk dat die criminaliteit, die zo georganiseerd is, een grote impact heeft op onze economie en dat vaak handelszaken worden gebruikt om geld wit te wassen. Daarom zijn de lokale besturen ook een belangrijke schakel in onze strijd. Ze weten immers als geen ander waar de criminaliteit zich schuilhoudt. Met de wet betreffende de bestuurlijke handhaving kunnen burgemeesters daadkrachtig, effectief, maar ook preventief optreden tegen malafide handelszaken in onze winkelstraten.

Het is duidelijk dat hier ook een belangrijke rol is weggelegd voor de ARIEC's, die vanuit hun expertise en adviesfunctie nog meer kunnen inzetten op de kruisbestuiving tussen de gerechtelijke en de bestuurlijke aanpak. Het zou dan ook goed zijn, mochten vele lokale besturen gebruikmaken van de wet.

Als we specifiek kijken naar aspecten inzake fraude, dan zien we in het kader van de georganiseerde criminaliteit vooral socialezekerheidsfraude, maar ook fraude met inkomsten en belastingen, verschillende soorten van internetfraude, frauduleuze faillissementen en georganiseerde btw-fraude. Het komt de procureur des Konings toe om binnen zijn of haar ambtsgebied de prioriteiten te bepalen en van daaruit de nodige instructies te geven aan de federale gerechtelijke politie of de recherchedienst van een lokaal politiekorps. Logischerwijs worden dan de vervolgingsstrategieën bepaald op basis van die prioriteiten en wordt een lokaal beeld gemaakt van de verschillende aanwezige fenomenen.

Wat het inzetten op die fenomenen betreft, dus het voeren van onderzoeken, weten we dat die meer en meer de inzet van nieuwe technologieën vereisen. Onder meer in het Sky ECC-onderzoek is dat exemplarisch tot uiting gekomen. Onderzoeken zijn steeds meer gebaseerd op complexe analyses van grote hoeveelheden data uit verschillende bronnen. De hoeveelheid neemt exponentieel toe, wat de onderzoekers voor enorme uitdagingen plaatst op het gebied van het verzamelen, maar ook het opslaan en het verwerken van informatie. Daarnaast stellen we vast dat onderzoeken datagedreven zijn. Technologieën en tools kunnen immers een snelle identificatie van verbanden tussen informatie toelaten.

Dat draagt bij aan een beter beeld van de criminaliteitsfenomenen die met elkaar verband houden. Druggerelateerd geweld is daar een duidelijk voorbeeld van, want er is bijvoorbeeld een link tussen druggeweld en illegale wapenhandel.

Sinds Sky ECC werden maatregelen genomen en is binnen de federale gerechtelijke politie een inhaalbeweging begonnen voor wat betreft de nodige capaciteit aan specifieke profielen voor een datagedreven en intelligencegestuurde werking.

Wat de rol en de bevoegdheden van het nationaal drugscommissariaat betreft, is het duidelijk dat het commissariaat niet tussenkomt in lopende onderzoeken die worden gevoerd door de politiediensten en door de parketten. Het drugscommissariaat is een neutrale partner voor alle actoren en diensten over de bevoegdheidsdomeinen en de niveaus heen die inzetten op de strijd tegen drugs. Daartoe deelt het best practices en verleent het adviezen aan de verschillende beleidsniveaus. Ook faciliteert het drugscommissariaat de contacten tussen de verschillende diensten, publiek en privaat, die misschien zonder die aansporing minder of zelfs niet met elkaar in contact zouden treden in het kader van de misdaadbestrijding.

We nemen, collega's, met Arizona dus heel duidelijke maatregelen in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

We hebben wel degelijk ook inhoudelijke realiteitszin en realiteitszin op het vlak van communicatie nodig. Ik steun de premier dus wanneer hij vorige week stelde dat men niet kan beloven dat het drugsgeweld op korte termijn volledig kan worden gestopt. Wat we weliswaar niet mogen doen – dat heb ik nooit gedaan en dat zal ik ook niet doen – is ons bij de situatie neerleggen. Met elke aanhouding, elke veroordeling, elke inbeslagname van crimineel geld of andere vermogensvoordelen, elke witwashandel die wordt gesloten, elk ton cocaïne of drugs die wordt onderschept, destabiliseren we namelijk criminele activiteiten en dat zullen we blijven doen. We zullen dus ook blijvend investeren in die strijd. Zo staat het ook in het regeerakkoord en zo is het ook afgesproken binnen de arizonaregering.

Alain Yzermans:

Het verheugt me dat u het follow-, use- en take-the-moneyprincipe volop zult hanteren en zult laten uitwerken door het nationaal drugscommissariaat, om daarrond goede wetgeving te maken. Dat zal leiden tot een nieuwe rechercheaanpak voor het zoeken naar crimineel geld. Die moet ook leiden tot kleine en misschien grotere overwinningen.

Alleszins zullen de criminele syndicaten en netwerken ons altijd een stapje voor blijven. Het is dus de kunst om doorgedreven te blijven investeren. Zij maken ook gebruik van versleutelde boodschappen. Sky ECC heeft evenwel bewezen dat we hier en daar een doorbraak kunnen forceren.

Soms behalen we resultaten, met vallen en opstaan, maar de initiatieven die door de arizonaregering worden genomen, kunnen daarin grote stappen vooruit betekenen. Een kleine 230 miljoen, dat is niet niets, maar laten we hefbomen zoeken om dat te versterken en te vergroten.

Zoals u zegt, moeten de investeringen inderdaad gericht zijn op het verder verfijnen van innovatieve IT en politionele technologie die nodig is om ook technologisch aanklampend te kunnen blijven werken. Een geïntegreerde aanpak tussen de politiediensten, zowel op nationaal als op lokaal vlak, moet steeds voorop worden gesteld. Specialisatie, en zeker fiscale spitstechnologie, is noodzakelijk, net zoals internationale samenwerking om best practices uit te wisselen.

De bestuurlijke aanpak die op veel plaatsen ingang vindt, moet een reflex worden, zowel binnen de ARIEC's op regionaal niveau als binnen de GIEC's op gemeentelijk niveau. Die kunnen belangrijke stappen zetten in het uitwisselen van informatie, omdat het hoge principe daar ook geldt, namelijk dat ambtenaren op de werkvloer links zien tussen bepaalde dossiers. Dat moet leiden tot betere informatie, wat gecentraliseerd binnen de totale technologie ook zal leiden tot nog meer successen.

Ik hoorde veel positivisme in uw betoog.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Over de drugsstrijd zal in deze commissie en ook in de plenaire vergadering het laatste woord nog niet zijn gezegd. Het is heel belangrijk dat deze regering verhoogde inspanningen levert om criminele geldstromen bloot te leggen en het criminele verdienmodel te doorbreken. Nogmaals, dat kost heel veel geld. Het pleidooi van de procureur om meer gespecialiseerde profielen in te schakelen is een terecht pleidooi, maar u weet evengoed, en waarschijnlijk nog beter dan ik, dat dat soort profielen bijzonder hoge eisen stellen. Zij worden in de privésector tewerkgesteld en verdienen daar heel veel geld, dus het moet voor hen ook aantrekkelijk zijn om voor de overheid te komen werken.

Er is iets dat ik mis in uw antwoord, mevrouw de minister. De grote mannen zitten niet in Antwerpen of Brussel, maar elders. Hun namen zijn ook bekend; ze staan op de lijst van gerechtelijke onderzoeken in Antwerpen en Brussel. Het lijkt me ook van belang om verhoogde inspanningen te doen om hen terug naar ons land te halen en zo een einde te maken aan het luxeleven dat zij in het buitenland op dit ogenblik nog altijd vrij gerust kunnen leiden.

Het grote verdrag van oud-minister Van Quickenborne dateert immers van 2021. Dat werd toen door de minister met heel veel poeha voorgesteld, maar we zijn ondertussen meer dan drie jaar verder en er zijn welgeteld twee mensen uitgeleverd aan ons land.

Ik had nog een vraag over het mandaat dat gegeven is aan de nationale drugscommissaris. U zei dat dat al besproken werd in de ministerraad en dat de opdracht zou worden gegeven. Ik neem aan dat die opdracht, in tegenstelling tot wat in de media is verschenen, nog niet effectief is gegeven en dat dat iets is voor de toekomst.

Ik heb ook geen antwoord gekregen op een andere vraag, mevrouw de minister. In de gerechtelijke wereld, onder andere bij de procureurs-generaal, is altijd een pleidooi gehouden om de opbrengsten te investeren in de veiligheidsdepartementen, meer bepaald Binnenlandse Zaken en Justitie.

De drugscommissaris vindt echter dat die besteding veel ruimer moet zijn en dat dat geld ook onder meer naar preventie moet gaan. Nogmaals, dat is geen federale bevoegdheid. Ik had daarover graag uw standpunt gekregen, maar ik denk – daarmee rond ik af – dat we tijdens de bespreking van uw beleidsnota misschien meer informatie zullen krijgen en dat we dan ook de gelegenheid zullen hebben om over dat thema een uitvoerig debat te voeren.

Sophie De Wit:

Dank u voor uw antwoorden, mevrouw de minister. Aangezien er verschillende vragen zijn samengevoegd, heb ik niet op alles een antwoord gekregen, maar dat is niet erg. Ik heb echter goed begrepen dat het niet zozeer gaat over de ontwikkeling van een drugsfonds, maar dat de drugscommissaris het kader en het proces moet uitwerken. Zo heb ik het toch goed begrepen? Dat neemt mijn verbazing en de contradicties tussen beide al voor een stuk weg.

Een nieuw geval van zware agressie in de gevangenis van Hasselt
De recente incidenten in de gevangenissen van Haren en Hasselt
De zorgwekkende onveiligheid in de gevangenis van Haren
Geweld en onveiligheid in Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na een zware agressie door een gedetineerde in Hasselt (drie gewonde cipiers, één zwaargewond) eisen vakbonden strengere maatregelen dan de huidige tuchtsancties (bv. intrekken vervroegde invrijheidstelling), omdat die onvoldoende afschrikken en het geweld—versterkt door overbevolking—escaleert, ook buiten de gevangenis. Minister Verlinden bevestigt nultolerantiebeleid, meldt dat de dader een tuchtsanctie kreeg, verplaatst werd en juridisch vervolgd kan worden, en benadrukt betere opvang (psychologische ondersteuning, standaardprocedure na incidenten). Dillen en Yzermans (vakbonden) dringen aan op systematische correctionele vervolging en concrete straffen met afschrikwekkend effect, plus structurele oplossingen voor overbevolking en personeelstekort om de vicieuze cirkel van geweld en demotivatie te doorbreken.

Marijke Dillen:

Op 9 februari vond opnieuw een ernstig geval van agressie plaats in de gevangenis van Hasselt, gepleegd door een gedetineerde en gericht tegen drie cipiers die helaas gewond raakten. Een van die cipiers was zelfs zwaargewond en is naar het ziekenhuis moeten gaan. De vakbonden zijn zeer duidelijk en ik citeer: ʺDe h uidige maatregelen wegen niet genoeg door. De straffen na agressie zijn minder waard. Sommige gedetineerden laat het koud dat ze zes maanden extra cel krijgen. Als ze kijken hoeveel celstraf ze al hebben, kan dat er nog wel bij. (…) Als we gewoon blijven verder doen, schiet er over vijf jaar niet veel meer over van de gevangenissen. ʺ De vakbonden dringen dus aan op strengere en andere maatregelen.

Mevrouw de minister, kunt u meer toelichting geven over de toestand van de drie cipiers? Kunt u ook meer toelichting geven over hun verwondingen? Welke sanctie hebben de betrokken gedetineerden gekregen?

De vakbonden vragen andere maatregelen die wel een impact hebben. Ze stellen dat ze al jaren voorstellen doen om de zaken anders aan te pakken. Zo wordt er bijvoorbeeld verwezen naar de vervroegde invrijheidstelling en wordt de vraag gesteld of die niet kan wegvallen als men niet met de handen van het personeel kan blijven. Gedetineerden zouden dan misschien twee keer nadenken vooraleer ze tot daden overgaan.

Bent u bereid om initiatieven te nemen met het oog op strengere maatregelen voor gedetineerden die zich schuldig maken aan zware agressie tegen cipiers?

Alain Yzermans:

Het geweld binnen en zelfs buiten de muren van de gevangenissen is schering en inslag. Er zijn netwerken actief. De directie neemt soms een bepaalde houding aan die niet altijd bevorderlijk is om het vertrouwen van het personeel te herwinnen. Men moet overgaan tot een aantal actiemaatregelen. De vakbonden hebben daarover voorstellen.

In uw inleiding zei u dat u tijdens uw overleg met de vakbonden contact zult hebben naar aanleiding van de overbevolking. Het is belangrijk dat de vakbonden echt worden gehoord. Zij hebben een aantal pertinente vragen en kunnen goede voorstellen doen om het geweld uit de gevangenis te krijgen. Het geweld verplaatst zich nu naar buiten. Wanneer mensen worden belaagd, verliezen ze hun motivatie om te gaan werken. De werkomstandigheden worden desastreus. Families worden buiten soms ook nog bedreigd.

Er dreigt een groot personeelstekort te ontstaan. Het statuut moet dan ook worden verbeterd. Dat zal altijd aanleiding geven tot stakingen en dan komen we in een vicieuze cirkel terecht. De druk op het personeel en de druk op de gedetineerden zelf zijn communicerende vaten. Dat heeft allemaal te maken met de overbevolking. Er zijn echte maatregelen nodig. De vakbonden hebben goede voorstellen. De oplossing is te vinden in de driehoek personeel, gedetineerden en een humaan beleid, uiteraard ook met de directies. We moeten naar de noodkreet van de vakbonden luisteren.

Welke maatregelen zult u treffen? Wat is de stand van zaken van de incidenten met het personeel?

Annelies Verlinden:

Collega's, ik ben het met u eens dat agressie ten aanzien van personeel onaanvaardbaar is. Zoals in het regeerakkoord bepaald is, zullen we het nultolerantiebeleid verder aanscherpen en daarvoor de nodige maatregelen nemen.

Bij het geval van agressie in Hasselt vertoonde de betrokken gedetineerde fysiek agressief gedrag ten aanzien van de eerste beambte. Een tweede beambte en de ploegchef die tussenbeide wilden komen, liepen eveneens verwondingen op. Om redenen van privacy kan ik geen verdere details geven over de verwondingen van de personeelsleden. Ik kan wel meedelen dat ze enige tijd arbeidsongeschikt waren. De betrokken personeelsleden kunnen een beroep doen op psychologische ondersteuning. Er werd intussen ook een tuchtprocedure opgestart en de betrokken gedetineerde kreeg een tuchtsanctie. De gedetineerde werd ook uit de gevangenis van Hasselt verwijderd.

Wanneer gedetineerden zich schuldig maken aan strafbare feiten in de gevangeniscontext, wordt die informatie ook altijd aan het parket overgemaakt. Op basis daarvan kan worden vervolgd en kunnen bijkomende gevangenisstraffen of andere straffen worden uitgesproken.

In samenspraak met de vakbonden werd een standaardprocedure na een kritiek incident ontwikkeld. Die procedure zorgt voor een uniforme afhandeling van de kritieke incidenten en houdt ook voldoende ondersteuning en aandacht voor het slachtoffer en de andere betrokken personeelsleden in. Die procedure werd toegepast bij de incidenten in Haren en Hasselt en heeft goed gewerkt: het informeren van de vakbonden, de overbrenging van gedetineerden naar een andere gevangenis, de opvang en ondersteuning van slachtoffers en de opstart van een tuchtprocedure.

Marijke Dillen:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Nultolerantie moet nultolerantie zijn, zonder enige uitzondering. Het is heel belangrijk om alle vormen van agressie, zowel kleine agressie – in de mate waarin die bestaat, omdat voor mij agressie agressie is – als heel zware vormen van agressie aan te pakken.

Dat moet niet enkel gebeuren met een tuchtsanctie. Ik hoorde immers in de kritiek van de vakbonden dat de gedetineerden en criminelen absoluut niet voor een tuchtsanctie terugdeinzen. Het is heel belangrijk dat elke vorm van agressie tegen cipiers niet alleen met een strafsanctie wordt gesanctioneerd, maar dat ze ook leidt tot een correctionele vervolging. De parketten moeten daaraan voorrang geven.

Alain Yzermans:

Ik sluit mij aan bij de oproep tot nultolerantie, wat een heel complex begrip is en niet gemakkelijk te handhaven. Het is echter een heel goede norm die kan worden gesteld. Nultolerantie moet natuurlijk vertaald worden in de wijze waarop ze wordt meegenomen als sanctie en straf. Men moet veel strikter zijn, ook vanuit de directie, om personeelsleden daarin als belangrijke werknemers te zien die recht hebben op die bescherming in al haar vormen.

De lokale aanpak van de drugscriminaliteit

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Justitie)

op 26 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de effectiviteit en coördinatie van de Belgische "war on drugs", met politiezone CARMA (Limburg) als succesvol voorbeeld dankzij grenscontroles en lokale samenwerking. Minister Verlinden benadrukt de nationale en internationale dimensie van drugscriminaliteit, de 500 miljoen euro extra investeringen (o.a. voor het nationaal drugscommissariaat) en het belang van samenwerking tussen overheden, justitie en ARIEC’s (bestuurlijke handhaving tegen witwaspraktijken in handelszaken). Obstakels zijn gebrek aan uniforme aanpak en middelen, maar de nieuwe wet bestuurlijke handhaving en landsdekkende ARIEC’s moeten dit oplossen. Yzermans pleit voor uitrol van CARMA’s aanpak als blauwdruk, versterkte samenwerking (o.a. tegen motorbendes) en concrete voorbeelden in hoorzittingen.

Alain Yzermans:

Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

De recente uitspraken van de politiezone Carma over hun voorbereiding op een mogelijke drugsoorlog hebben de aandacht gevestigd op de noodzaak van een gecoördineerde aanpak in de strijd tegen drugscriminaliteit. De leiding benadrukt de effectiviteit van hun methoden, waaronder frequente controles en nauwe samenwerking met lokale besturen. Dit roept enkele belangrijke vragen op over de globale rol en de doeltreffendheid van bestaande strategieën met betrekking tot de "war on drugs".

Vragen aan de minister;

1. De regering spreekt van grotere betrokkenheid van lokale besturen in de “war on drugs”. Is er volgens u behoefte aan een globaal plan dat de succesvolle aanpak in politiezones, zoals politiezone Carma, kan implementeren in andere regio's?

2. Hoe evalueert u de huidige samenwerking tussen de lokale politie, gemeentelijke diensten en de federale overheid, inclusief het nationaal drugscommissariaat, in de strijd tegen drugscriminaliteit?

3. Wat zijn de belangrijkste obstakels die u ziet in de implementatie van een uniforme aanpak tegen drugscriminaliteit in heel België?

4. Hoe denkt u dat de lokale politie effectiever kan worden ondersteund in hun preventieve controles om de kans op druggerelateerde geweldsincidenten te verkleinen?

5. Zijn er aanvullende middelen of strategieën die u overweegt om de effectiviteit van de strijd tegen drugsgebruik en -handel in cafés en andere handelszaken te verbeteren? Of in het kader van een bestuurlijke aanpak (cfr ARIEC ) ?

Annelies Verlinden:

De politiezone CARMA, een van de lokale politiezones binnen de provincie Limburg, is mede door de ligging – grenzend aan Nederland – inderdaad vertrouwd met de drugsproblematiek. Het korps zet al jarenlang in op de strijd tegen drugs en doet dit op een heel succesvolle manier. Ik ben hen dan ook dankbaar voor de vele volgehouden inspanningen. Ook de FGP Limburg wijdt heel wat capaciteit aan de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Ook worden aan de grote grensovergangen op regelmatige basis controleacties georganiseerd door de federale wegpolitie. Dat gebeurt vaak samen met de Nederlandse politiediensten.

De actualiteit en het extreme geweld maken dat vooral Antwerpen en Brussel in verband worden gebracht met drugscriminaliteit, maar ik weet heel goed, ook uit mijn ervaring als minister van Binnenlandse Zaken, dat de drugsproblematiek een nationale en internationale problematiek is. Het is dan ook niet voor niets dat er mede onder mijn impuls in de vorige legislatuur maar liefst 500 miljoen euro extra werd geïnvesteerd in Binnenlandse Zaken. Met die extra middelen hebben we ook werk gemaakt van een nationaal drugscommissariaat.

Niet enkel politie en justitie hebben een rol te spelen. Er zijn ook de preventieve aspecten, grootstedelijke thema's en volksgezondheid. Er moet vooral worden samengewerkt, met alle neuzen in dezelfde richting. Juist daarom hebben we de nationale drugscommissaris de opdracht gegeven om samenwerking te bevorderen tussen de betrokken diensten van de deelentiteiten, de federale en de lokale overheden en de private partners, alsook de internationale partners.

U had het eveneens over de ARIEC's. Laat me van de gelegenheid gebruikmaken om het ARIEC Limburg te benoemen. Het is al actief sinds 2017 en daardoor een van de voorlopers op vlak van ondersteuning van de lokale besturen in de detectie van criminele fenomenen die ook vanuit de bestuurlijke handhaving kunnen worden aangepakt. Hun expertise is baanbrekend. Ik vond het dan ook belangrijk om eindelijk, na vele verwoede en telkens gestrande pogingen, in de vorige legislatuur werk te kunnen maken van de wet inzake bestuurlijke handhaving. Dat gebeurde met de bedoeling de lokale besturen en de ARIEC's te ondersteunen. Het misdaadmilieu gebruikt immers handelszaken als dekmantel om geldsommen van criminele herkomst wit te wassen en deze zo in het legale circuit te brengen. Dat ontwricht ook onze gemeenschap en economie.

De handelszaken die daarvoor worden opgericht of gebruikt, zijn daarenboven al lang een doorn in het oog van vele steden en gemeenten. Met het wettelijke kader dat ik heb gecreëerd, kan hiertegen daadkrachtig worden opgetreden. Bovendien heeft dat ervoor gezorgd dat in heel het land ARIEC's worden opgericht, zodat die informatie en expertise nu landsbreed beschikbaar is. Door samenwerking en coördinatie kunnen we elke dag het verschil maken, zo ook door de dagelijkse inzet van de politiemedewerkers van de politiezone CARMA.

Alain Yzermans:

Ik kan het alleen maar toejuichen. Ik zou misschien al exemplarisch spreken dat wij als trendzetters daarin, zeker binnen de politiezone CARMA, voortgang zouden krijgen en ook een aantal voorbeelden kunnen brengen in een hoorzitting of in een commissie. Het is belangrijk dat ook de aanpak van de motorbendes in dat verband wordt onderstreept, net als de voorbije successen rond Sky ECC. Het is nodig om die samenwerking te versterken. De wet inzake bestuurlijke handhaving geeft ons daartoe alle kansen. Laat ons met dit voorbeeld verdergaan op de ingeslagen weg.

De bijeenroeping van de Nationale Veiligheidsraad n.a.v. het drugsgeweld in Brussel
Het regeringsbeleid in het licht van de onveiligheid en de drugshandel in Brussel
De schrijnende situatie in Brussel
De nood aan een gecoördineerde actie tegen het toenemende drugsgeweld in Anderlecht
De schietpartijen en de onveiligheid in Brussel
Het toenemende drugsgeweld in Brussel
De impasse in Brussel
De war on drugs
Het toenemende drugsgeweld in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
De schietpartijen en de onveiligheid in Brussel
Brusselse drugsgeweld en onveiligheid

Gesteld aan

Bart De Wever (Eerste minister)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De dramatische drugsoorlog in Brussel, met meerdere dodelijke schietpartijen in twee weken, domineert het debat, waarbij structurele onderfinanciering van politie en justitie (100 ontbrekende onderzoekers, verouderd materieel) en gebrek aan coördinatie tussen lokale, federale en Europese niveaus centraal staan. Premier De Wever belooft een integrale aanpak (van productie tot straatdealers, geldstromen en wapenhandel) via bestaande regeerakkoordplannen (o.a. fusie Brusselse politiezones, Kanaalplan, Stroomplan 2.0), maar critici – waaronder procureurs, politievakbonden en oppositie – wijzen op jarenlange bezuinigingen (MR/N-VA) en eisen concrete middelen nu (meer gespecialiseerde eenheden, betere loon- en werkomstandigheden, sociale preventie). Polarisatie heerst: repressieve partijen (N-VA, Vlaams Belang) pleiten voor hard optreden (legerinzet, razzia’s, strengere straffen), terwijl linkse stemmen (PTB, Vooruit) sociaaleconomische oplossingen (jeugdwerk, armoedebestrijding, alternatieven voor dealers) en langetermijninvesteringen in justitie/politie benadrukken. Brusselse politieke verantwoordelijken (o.a. PS) worden mede schuldig bevonden door nalatigheid (openbare drugspanden, gebrek aan lokale samenwerking), maar federale regeringspartijen ontlopen hun eigen verantwoordelijkheid voor chronisch onderbeleid niet. Uiteindelijk blijft de vraag: wie voert de regie? – met oproepen tot eenheid (Arizona-coalitie) die botsen op wederzijds wantrouwen en partijpolitieke schuldvragen.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de premier, de toestand in Brussel is dramatisch. Ik heb het dan niet enkel over de politieke impasse, maar vooral over de drugsoorlog die volledig uit de hand aan het lopen is. Criminelen lopen rond met oorlogswapens en drugsdealers promoten hun koopwaar publiek.

Voor het geval dat u het nieuws misschien niet zou hebben gevolgd de afgelopen weken, geef ik u even een lijstje mee. Op 5 februari waren er schietpartijen in de Weidestraat en aan metrostation Clemenceau. Op 6 februari was er opnieuw een schietpartij aan Clemenceau met een gewonde. Op 7 februari was er een nieuwe schietpartij in de Peterboswijk met een dodelijk slachtoffer. Op 15 februari was er weer een schietpartij aan metrostation Clemenceau met opnieuw een dodelijk slachtoffer. Op 16 februari was er een schietpartij aan metrostation Sint-Guido en op 18 februari was er een bij een transportbedrijf in Anderlecht. Op 19 februari werden er nog meer aanslagen en schietpartijen aangekondigd via Snapchat.

Ik voeg daar de reacties aan toe van de mensen op het terrein, die moeten instaan voor onze veiligheid. De reacties komen zowel van mensen van Justitie als van de politie. Ik citeer de procureur des Konings, Julien Moinil: "Het is rampzalig. Het is tijd om wakker te worden. De lokale politiezone Zuid moet nu het onderzoek doen met beperkte middelen terwijl er oorlogswapens worden gebruikt." Ik citeer nu de politievakbonden: "De politie is de afgelopen jaren veel te veel verwaarloosd." De korpschef van Brussel-Zuid, Jurgen De Landsheer, voegt eraan toe: "De oplossing kan niet enkel bij de politie liggen."

De hamvraag vandaag is: waar blijft deze regering? Ik kwam niet verder dan wat wollige uitspraken van de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken. Ik citeer: "We zullen de maatregelen die reeds zijn voege zijn herbekijken, om te zien welke maatregelen eventueel moeten worden versterkt." Mijnheer de premier, waar bent u? Waarom ziet u de ernst van de situatie niet in? Waarom hebt u (…)

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, les Bruxelloises et les Bruxellois sont inquiets, très inquiets! Et moi aussi. On tire dans la rue, on tire à proximité des stations de métro, on tire sur des maisons, et la réponse de votre gouvernement, c'est plus de police. Or vos solutions ne fonctionnent pas. Les fusillades continuent, alors que la police est omniprésente. Nos enfants restent en danger parce que vous ne vous attaquez pas aux réels problèmes, aux véritables causes, et cette situation ne peut plus durer.

Comment en sommes-nous arrivés là, monsieur le premier ministre? J'ai une devinette pour vous. Qui a dit: "ll n'y a pas assez d'enquêteurs, pas assez de policiers de proximité, pas assez de ressources pour la justice, et il y en a marre des effets d'annonce"? Ce n'est pas moi, ce n'est pas un gauchiste, mais il s'agit du procureur du Roi de Bruxelles. Et, comme lui, j'en ai marre des effets d'annonce de la droite.

Encore aujourd'hui, nous payons les conséquences des coupes du gouvernement MR-N-VA dans la justice et dans la police. Rien qu'à Bruxelles, il manque au moins 100 enquêteurs pour la police judiciaire. La police locale, qui connaît le quartier, qui a la confiance du quartier, manque aussi de soutien. Vous avez aussi affaibli les douanes: Anvers, Zaventem, Bierset n'ont plus les moyens humains ou les moyens techniques pour faire face à l'afflux de marchandises illégales.

À Bruxelles, nous subissons les conséquences directes de ce trafic. La précarité alimente la criminalité, en laissant le terrain libre aux narcotrafiquants. Sans perspectives, certains jeunes tombent dans ces réseaux par défaut. Il faut leur offrir des opportunités, il faut leur offrir des perspectives pour lutter contre la misère, le décrochage et l'abandon. La sécurité de toutes et tous est nécessaire et elle exige une réponse forte, une réponse durable; et non des opérations éphémères ou des effets d'annonce.

Alors, monsieur le premier ministre, quelle est votre stratégie à long terme? Allez-vous renforcer la prévention, soutenir les associations, investir dans la santé mentale et les services sociaux pour couper l'herbe sous le pied aux trafiquants?

Allez-vous donner à la police et à la justice plus de moyens pour agir sur le long terme?

Alexia Bertrand:

Mijnheer de premier, ik moet er geen tekening bij maken, u hebt de beelden gezien. We hebben allemaal de beelden gezien en die zijn schrijnend. We zagen een man met een kalasjnikov in het Brusselse metrostation Clemenceau.

De voorbije jaren trok u terecht hard aan de alarmbel in Antwerpen. U weet als geen ander wat de impact is van drugsgeweld op wijken, op een stad en op de bewoners. Toen Antwerpen in brand stond, naar aanleiding van één dode, heeft de vorige federale regering onmiddellijk overleg gepleegd met u. Ze heeft alles op alles gezet. Er was onmiddellijk overleg. Wat is er gebeurd? De Nationale Veiligheidsraad kwam samen. De federale politie in Antwerpen werd versterkt met 100 agenten. De scheepvaartpolitie ging van 90 naar 215 agenten. Het parket en de correctionele rechtbank in Antwerpen werden versterkt. We hebben de haven extra beveiligd, met meer controles en meer boots on the ground. Er is een nationale drugscommissaris aangesteld, naar aanleiding van één dode. Dat was ook het juiste om te doen.

Nu zien we zeven schietpartijen en twee dodelijke slachtoffers. Als burgemeester – u weet hoe nauw Antwerpen mij aan het hart ligt – had u gelijk. U verwachtte snelle en kordate actie. Brussel en de rand verwachten dat van u vandaag, als premier. Dat geweld is immers een olievlek. Mijnheer de premier, we hebben u echter niet gezien, we hebben u niet gehoord.

U verwees twee jaar geleden naar het contrast tussen de middelen voor Antwerpen en voor Brussel. U vroeg meer middelen omdat Antwerpen met een crisissituatie kampte. Gaat u vandaag dezelfde logica toepassen voor Brussel? Wat gaat u concreet doen? Er waren zeven schietpartijen, met twee doden, mijnheer de premier.

Brent Meuleman:

Het ene moment loop je rustig naar je vaste metrohalte, kind aan de hand, klaar om aan de dag te beginnen, het volgende moment ben je terechtgekomen in een oorlogszone. Gelach wordt gegil. Dat is niet ver van ons gebeurd, niet lang geleden, hier vlakbij in Brussel.

Mijnheer de eerste minister, het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. In het afgelopen jaar hebben er meer dan 80 schietincidenten plaatsgevonden. Het drugsgeweld word almaar driester, almaar bloediger. Executies op straat, kalasjnikovs die kogels afschieten.

Dat kan niet meer, mijnheer de eerste minister! De mensen verwachten van ons dat er opgetreden wordt. Als het zo fout gaat, stellen we ons de vraag wat we hieraan gaan doen. Gaan we de lokale besturen met de vinger wijzen, zoals minister Verlinden gedaan heeft in de afgelopen week, of gaan we de verantwoordelijkheid opnemen die we kunnen opnemen?

Laat het duidelijk zijn, de lokale besturen spelen een cruciale rol wanneer het gaat over veiligheid. Dat hoeft men mij en alle burgemeesters in het land niet te komen vertellen. Wij weten dat. De verantwoordelijkheid afschuiven en doorverwijzen naar de lokale besturen, dat helpt echter niemand vooruit.

Voor Vooruit is veiligheid een absolute topprioriteit. Wie veel geld heeft, koopt zijn veiligheid, met hoge poorten, dure alarmsystemen, veel camera's en noem maar op. Wie echter een normale job heeft en in een normale wijk woont, zoals in Anderlecht, die rekent voor zijn veiligheid en voor de veiligheid van zijn kinderen op een sterke overheid. We moeten dus doen wat moet. Ook nu moet de federale gerechtelijke politie ingrijpen. Ook nu moet de justitie drugscriminelen snel opvolgen. Ook nu moeten we haast maken met het samenvoegen van de politiezones in Brussel.

De mensen in Anderlecht vragen (…)

Julien Ribaudo:

Monsieur le premier ministre, sept fusillades en deux semaines! Je voudrais d'abord prendre du temps pour apporter mon soutien aux victimes et à leurs proches, mais aussi aux habitants d'Anderlecht et de Bruxelles qui vivent dans l'angoisse. Il y a un an, jour pour jour, une fusillade éclatait à dix mètres de l'école de mes filles.

Monsieur le premier ministre, la sécurité est un droit, et même un droit fondamental, mais vous échouez à le garantir. Les gros trafiquants de drogue s'enrichissent et se sentent en totale impunité. La priorité doit aller à la lutte contre le crime organisé et le trafic de drogue. Il faut les arrêter. Pour ce faire, il importe de les toucher là où cela leur fait le plus mal: leur portefeuille. Voilà la priorité. Dans ce but, nos services publics doivent pouvoir accomplir leur travail. "Comment voulez-vous que j'arrête des auteurs si je n'ai pas d'enquêteurs spécialisés?" C'est ce qu'a déclaré à la presse le procureur du Roi de Bruxelles, en ajoutant qu'il en avait marre des effets d'annonce. Car, aujourd'hui, oui, vous faites des annonces à propos de moyens supplémentaires. Or ceux-ci sont trop faibles au regard des coupes que vos partis, le MR et la N-VA, ont opérées sous le gouvernement Michel.

Et puis, monsieur le premier ministre, j'ai aussi lu dans l'accord de gouvernement que les renforts seraient surtout destinés à Anvers, mais c'est partout qu'ils sont nécessaires! Cela m'incite à dire que vos moyens sont déjà insuffisants.

Il est essentiel de s'attaquer aux barons de la drogue, mais ces gens vivent de la misère d'autrui. Et vous, vous voulez mettre notre pays au régime pendant dix ans! Comment voulez-vous éradiquer ce fléau si vous ne parlez que d'austérité? Ce n'est pas d'austérité que nous avons besoin, mais d'investissements: dans la jeunesse, dans le travail social, dans la santé et l'enseignement. Il faut donc donner aux travailleurs les moyens de ne pas laisser la jeunesse dans les mains de ces trafiquants.

Monsieur le premier ministre, je reprendrai la question du procureur du Roi: combien d'enquêteurs la police judiciaire fédérale (PJF) va-t-elle recevoir?

Sammy Mahdi:

Mijnheer de eerste minister, in de eerste plaats wil ik u bedanken voor de extra politie, die het de minister van Binnenlandse Zaken meteen mogelijk heeft gemaakt om kordaat op het terrein op te treden. Wij weten allemaal dat er geen magische oplossing bestaat. Er bestaat niet één maatregel die alles oplost, iedereen zal zijn steentje moeten bijdragen, en dus ook de burgemeesters, de PS-burgemeesters die vandaag in Brussel vzw's hun ding laten doen, die vandaag nalaten pizzeria's waar geen pizza's worden verkocht maar drugs worden verhandeld, te sluiten. Zij moeten optreden en ervoor zorgen dat daaraan iets wordt gedaan.

Als we ervoor willen zorgen dat iedereen zijn deel doet, dan spreekt dat misschien toch in het voordeel van de Nationale Veiligheidsraad, waarbij we niet alleen kijken naar het federale niveau, maar ook naar de regio's. To take back control. Wij moeten weer controle krijgen over onze straten. Er moet een versterking komen van de federale politie en van de federale gerechtelijke politie. Dat zijn allemaal zaken die we federaal kunnen doen

Tegelijkertijd moeten ook de andere politieke niveaus worden geresponsabiliseerd. Kijk naar Brussel momenteel. Hoe kunnen we de strijd tegen drugs voeren, als er gebruikersruimtes zijn, waarvan de Brusselse regering vindt dat het normaal is dat die er zijn? Dat krijg je mij niet uitgelegd.

Er is geen magische oplossing, behalve misschien de volgende: geen gebruiker betekent geen dealer; geen dealer betekent geen schietpartij. Het normaliseren van drugs in onze samenleving moet een halt toegeroepen worden. In films, Netflixseries en ook Vlaamse series wordt drugs overal beschouwd als iets positiefs. Dat moet gestopt worden. En wij moeten op het federale niveau de strijd tegen drugs voeren.

Mijnheer de eerste minister, welke maatregelen zullen wij nemen to take back control over onze straten?

Maaike De Vreese:

Mijnheer de eerste minister, collega's, elk nadeel heb zijn voordeel, zei ooit een groot filosoof. Met de arizonaregering stellen wij orde op zaken, met de neuzen in dezelfde richting, met een minister die onmiddellijk op het terrein was om actie te ondernemen, met een minister van Justitie die onmiddellijk daar was om mee het spoedoverleg in gang te steken.

Brussel is inderdaad al twee weken lang het strijdtoneel van drugsbendes, maar als we dat willen aanpakken, zullen we dat op de verschillende niveaus, van het lokaal niveau tot het internationaal niveau, moeten aanpakken. Dat is wat hier in de discussie ontbreekt.

Kijk naar het arizonaregeerakkoord. Alle maatregelen staan daar al in; we waren ons daarvan al bewust we moeten inderdaad de gerechtelijke politie versterken; we moeten inderdaad de politiezones in het Brusselse fusioneren; we moeten inderdaad de criminelen heel hard straffen en aanpakken; we moeten de focus leggen bij de drugsgebruikers. Zonder drugsgebruikers, geen afzetmarkt. Daar moeten we die criminelen treffen; in the pocket . We moeten hen treffen waar het geld zit. Ook op dat vlak zijn heel wat maatregelen gepland, die in deze legislatuur zullen worden uitgevoerd.

Mijnheer de eerste minister, we kunnen hier inderdaad met de vinger naar iedereen wijze, al degenen die de voorbije decennia volledig in het debat afwezig waren, maar dat mogen we vandaag net niet doen. Vandaag moeten alle neuzen in dezelfde richting.

Mijnheer de eerste minister, hoe zult u die eenstemmigheid tot stand brengen? Hoe zult u het lokaal niveau en het gewest meekrijgen? Hoe zult u de kwestie ook internationaal op de kaart zetten?

Ridouane Chahid:

Monsieur le premier ministre, je vous plains, parce que vous avez des partenaires de majorité qui sont amnésiques. Vous avez un président de parti qui vient nous expliquer ici que ce sont les bourgmestres socialistes qui sont responsables d'une compétence de Justice et d'Intérieur. Un président de parti qui a eu la compétence de la Justice sous l'Arizona; de l'Intérieur sous la Vivaldi, et de la Justice sous la Suédoise.

Qu'avez-vous donc fait pour régler les problèmes en matière de Justice et d'Intérieur? Ça, c'est la vraie question. Aujourd'hui, M. Mahdi, nous avons un procureur du roi qui vous rappelle qu'il manque 100 enquêteurs spécialisés pour résoudre des problèmes de fond. Ça, c'est la vérité mais évidemment le socio-démocrate que vous êtes ne se retrousse pas les manches. Vous rejetez la faute sur les autres. Alors, M. le premier ministre, les prisons débordent, la Justice ne sait plus où donner du pied tellement elle manque de moyens. Aujourd'hui, à la police fédérale, allez y faire un tour, M. Mahdi, il y a des voitures qui ne démarrent pas. Elles ne savent pas démarrer parce qu'elles sont en panne. Elles ne savent pas démarrer parce que vous n'avez pas mis les moyens nécessaires. Cela, c'est la vérité! Mais où étiez-vous quand on a commencé à désinvestir dans la police et la justice pendant quatre ans d'affilée. Ça, c'est la réalité. Aujourd'hui, le cancer de nos quartiers, vous n'y avez pas trouvé de solution. (Vives protestations de MM. Bouchez et Mahdi) Ça c'est la réalité, M. Mahdi, alors ne venez pas rejeter la responsabilité sur les autres! Et ne vous excitez pas, M. Bouchez, votre tour viendra!

Alors, monsieur le premier ministre: Quelle réponse allez-vous donner à la police judiciaire, à la justice? Et surtout, étant donné que l'on sait tous que le problème des narcotrafiquants est un problème européen, allez-vous initier une réunion du Conseil européen sur la matière pour faire en sorte que la lutte contre le trafic de drogue soit une question (...)

(Clameurs échangées hors micro entre M. Bouchez et les bancs du PS)

Voorzitter:

Mijnheer Bouchez en anderen, ik wil er nogmaals op wijzen dat wij ons hier niet op de jaarmarkt van een of andere Waalse gemeente bevinden. Ik heb immers de indruk dat die sfeer stilaan in het Parlement begint door te dringen. Dat kan trouwens ook op Vlaamse jaarmarkten weleens het geval zijn.

Er is hier een bepaalde manier van werken. Die bepaalde manier van werken stelt dat wie zich opgeeft om de vraag te stellen aan de eerste minister, zich op de sprekerslijst laat plaatsen. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de heer De Smet, die nu zijn twee minuten spreektijd krijgt.

Ik verzoek u hem gedurende die tijd ook te laten uitspreken.

François De Smet:

Merci, monsieur le président.

Monsieur le premier ministre, nous devons tous être un peu plus humbles dans ce débat. Il en va de même pour vous, monsieur Mahdi! Franchement, si j'étais le président du parti qui a géré la sécurité de ce pays au cours des cinq dernières années, je serais un peu plus humble sur ce sujet. En effet, les fusillades actuelles à Bruxelles résultent principalement de l'échec des deux gouvernements précédents, à savoir la Vivaldi et la Suédoise.

Nous sommes dix à intervenir sur ce sujet aujourd'hui, c'est très bien. Pour ma part, je suis intervenu tout au long de la dernière législature pour tenter d'alerter sur le fait que notre pays devenait un narco-État. Les autorités judiciaires ont fait de même, mais nous n'avons pas été écoutés.

Rappelons les faits. Les problèmes de drogue et de grand banditisme sont d'abord du ressort de la police judiciaire fédérale. Comme les polices judiciaires à Anvers et à Bruxelles n'ont pas assez d'enquêteurs, les polices locales bruxelloises se retrouvent face à des kalachnikovs. Voici la vérité!

Même si vous arrêtez cinq fois, dix fois, vingt fois ces dealers qui se tirent dessus pour un bout de trottoir et pour un territoire, nous savons tous qu'ils seront remplacés du jour au lendemain. Ce phénomène ne pourra pas être endigué si vous ne frappez pas les têtes, si vous ne frappez pas les portefeuilles, si vous ne confisquez pas l'argent, si vous ne confisquez pas les voitures de luxe et si vous ne démantelez pas les réseaux de trafic d'armes, de corruption et de blanchiment d'argent.

Il faut plus de bleus dans les rues, mais il en faut surtout plus derrière les écrans. Je reconnais que cela peut sembler contre-intuitif. Une vision simpliste et populiste du dossier consiste à dire: "Il suffit d'arrêter les gens et il suffit d'avoir des solutions simplistes, comme par exemple la fusion forcée de zones de police." Cela ne marchera pas! Si vous voulez aider les zones de police locale, revoyez la norme de financement – cela tombe bien, c'est prévu dans votre accord – et faites-le vite! Pour le reste, laissez-les tranquilles et aidez plutôt le procureur du Roi de Bruxelles en lui donnant les moyens qu'il demande! Continuez également à apporter votre aide au procureur du Roi d'Anvers! Mais surtout, il est grand temps d'aider les riverains de Bruxelles, fatigués de ce genre d'effets d'annonce, qui veulent être secourus maintenant!

Youssef Handichi:

Monsieur le premier ministre, je suis le dernier à vous poser la question. Je suis le dernier, mais je ne serai pas le premier à faire un jeu de devinettes. Je ne vais pas faire la liste des tirs. La situation est beaucoup trop dramatique. Les gens et les travailleurs dans ces quartiers, monsieur Chahid – je pense que nous venons du même quartier, ou pas très loin –, à Anderlecht, veulent vivre en paix. Ils veulent prendre les transports en commun en sécurité. À 2 h ou à 7 h du matin, ils veulent vivre en paix. Les premières actions qui ont été menées sur le terrain vont dans ce sens-là. Il s'agissait d'apporter une réponse forte.

Monsieur le premier ministre, vous avez une majorité qui vous soutient dans vos actions. Nous soutenons notre ministre de la Sécurité et de l'Intérieur dans les premières actions qui ont été menées. Sont-elles suffisantes? Nous sommes tous d'accord pour dire, non, elles ne le sont pas. C'est la question principale que j'ai à vous poser, monsieur le premier ministre: quelle est la suite de ces actions?

Effectivement, les Bruxellois, les Anderlechtois vous regardent, les trafiquants vous regardent. À un moment donné, on devra cesser cette politique visant à demander qui a fait quoi, et on devra mener des actions concrètes. Il faut taper fort. Tolérance zéro vis-à-vis de ces crapules. Monsieur le premier ministre, nous sommes vraiment impatients de comprendre, de savoir et d'aller chercher ces crapules pour les mettre en prison et assurer la paix à tous les Bruxellois.

Bart De Wever:

Chers collègues, je vais commencer par donner raison à M. De Smet. Face à la criminalité organisée, je pense que tout le monde devrait être humble et serein. Il s'agit d'un fléau mondial et il n'y a pas de réponse facile. C'est la vérité. Comme vous le savez, notre niveau de menace est actuellement au niveau 3 sur une échelle de 4. Les services se trouvent donc déjà dans un état de vigilance renforcée.

Le Conseil national de sécurité est un organe de coordination des politiques et non une entité opérationnelle. Le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur ainsi que la ministre de la Justice sont en contact étroit avec les différents services et le parquet. Ils me tiennent régulièrement informés. Demain, ils feront un nouveau point de la situation lors du Conseil des ministres où, comme vous le savez, siègent également tous les membres permanents du Conseil national de sécurité. Si à un moment donné, nous constatons qu'il est nécessaire de convoquer un Conseil national de sécurité pour une coordination supplémentaire, je ne manquerai évidemment pas de le faire.

Wat we de afgelopen weken hebben gezien aan Clemenceau is helaas geen onbekend tafereel. Het gaat hier over een bendeoorlog, waarbij bendes op straat met elkaar in de clinch gaan en daarbij grof geweld gebruiken. Dat is een tafereel dat helaas in heel wat Europese steden een trieste realiteit is geworden. We zien ook wat er in Nederland gebeurt, namelijk dat het drugsgeweld zich niet meer beperkt tot de steden, maar zich verder verspreidt. Dat is waarvoor ik in mijn vorige bevoegdheid inderdaad altijd heb gewaarschuwd.

Het goede nieuws is dat er deze keer wel een plan klaarligt. Als u zegt dat de Nationale Veiligheidsraad moet bijeenkomen om een plan te maken, dan antwoord ik u van niet, want de bestrijding van de georganiseerde misdaad komt heel uitgebreid aan bod in dit regeerakkoord. Er is een plan en de middelen van de veiligheidsdepartementen zullen ook worden opgedreven.

Het is mijn uitdrukkelijke ambitie om een integrale aanpak uit te rollen ten aanzien van de georganiseerde misdaad en in het bijzonder van de drugscriminelen. U zult begrijpen dat dit mij heel na aan het hart ligt. Het gaat over bronland of productiesite, logistiek, invoerhavens of luchthavens, geldstromen, ondermijning, bendevorming tot en met straatdealers en uiteraard ook over het geweld dat daarmee gepaard gaat. Dat moet allemaal aangepakt worden.

Daarin past het heropnemen van zowel het Kanaalplan als het Stroomplan 2.0 en ook de fusie van de Brusselse politiezones zal bijdragen aan een efficiëntere bestrijding van de georganiseerde misdaad in onze hoofdstad. Ik hoop dus op de medewerking van alle burgemeesters. De lokale politie kan heel veel betekenen, zeker als het gaat over straatbendes en ondermijning. Ik denk dat ik heel goed geplaatst ben om u dat te vertellen. Het is dus zaak om het regeerakkoord resoluut uit te voeren.

Deze problematiek vereist een structurele aanpak. Het geweld dat men vandaag in Brussel ziet, is niet het begin, maar wel het eindresultaat, het trieste gevolg van een lange criminele pijplijn. We moeten de droevige waarheid onder ogen zien, namelijk dat niemand kan beloven dat men dit op korte termijn structureel kan doen stoppen. Sereniteit is in deze echt wel geboden. Als we het structureel willen stoppen, dan zal iedereen moeten meewerken. Elke overheid zal moeten samenwerken.

Ik ben daarvoor – letterlijk – al de wereld rond geweest. Ik heb met havens, overheden, anti-corruptiediensten en Justitie in diverse landen gesproken en de havens verenigd. Er is al zoveel voorbereidend werk verricht en er ligt zoveel klaar. Ik heb altijd goed en nauw samengewerkt met de vorige ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Er is al enorm veel voorbereid, nationaal en internationaal, waarvan ik nu hoop dat wij de vruchten zullen kunnen plukken. Ik heb tijdens mijn eerste meeting met de heer Costa al gezegd dat dit ook een Europese prioriteit moet worden, anders duwen wij het probleem alleen maar naar elkaar toe. Dat is echter helaas helemaal nog niet het geval. Wij hebben daarvoor iedere overheid nodig.

C’est pourquoi je déplore également qu’il n’y ait toujours pas de gouvernement de plein exercice à Bruxelles pour mettre en œuvre des réformes structurelles de manière décisive avec nous. J’appelle encore une fois chacun à arrêter les jeux politiques et à assumer ses responsabilités pour la sécurité de nos citoyens. Merci.

Ortwin Depoortere:

Wie dacht dat met de N-VA in de regering veiligheid prioriteit nummer 1 zou worden, is eraan voor de moeite. Terwijl Antwerps premier Bart De Wever enkele jaren geleden zelf opriep om het leger in te zetten, blijft het nu oorverdovend stil. Hij gaat liever naar een patserfilm en zegt dat de drugsproblematiek is wat ze is.

Mijnheer de premier, als het u menens is met de veiligheid van onze burgers, dan moet u de oplossingen van het Vlaams Belang in de praktijk omzetten, structureel en op korte termijn. Wij stellen een totaalaanpak voor met inzet van alle veiligheidsdiensten, desnoods ook met het leger, en een versterking van de gespecialiseerde politie-eenheden om de jarenlange onderfinanciering tegen te gaan. Houd desnoods grootschalige razzia's in die wijken, ga van deur tot deur, pak die criminelen op. Zet criminelen die hier illegaal zijn het land uit. Zorg opnieuw voor veilige straten voor onze bevolking!

Rajae Maouane:

Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses.

J'ai été un peu frustrée parce que j'aurais aimé entendre que ce dont on a besoin, ce sont des services publics qui tiennent debout. J'aurais aimé entendre qu'on a besoin d'une police bien formée et présente au quotidien dans les quartiers, d'une justice qui a les moyens d'enquêter et d'un véritable travail de prévention. J'aurais aimé entendre qu'il faut protéger les quartiers, que les quartiers populaires aussi ont droit à la sécurité et que la réponse ne peut pas être seulement répressive.

Malheureusement, votre gouvernement Arizona détricote le statut des policiers et diminue aussi la capacité à recruter des agents et des agentes.

Le procureur du Roi n'a pas demandé plus de police et plus de chefs de police. Il a demandé davantage d'inspecteurs à la police fédérale. Il n'y en avait pas qui étaient disponibles. C'est un vrai problème.

Et, quand j'entends certains partis qui sont au pouvoir depuis 25 ou 30 ans sans discontinuer, je continue à être inquiète et je me demande comment on va faire pour la suite. Parce qu'en fait, la sécurité ne se construit pas à travers des effets d'annonce; elle ne se construit pas à travers des opérations coup de poing, mais à travers de la répression, de la prévention et un travail main dans la main (...)

Alexia Bertrand:

Mijnheer de eerste minister, u hebt veel plannen. Wij willen echter concrete actie. Wij hebben u geholpen met concrete actie in Antwerpen. Welke middelen hebt u opgenomen in uw begrotingstabellen voor 2025 voor de politie? Dat is 26 miljoen euro. Dat staat in schril contrast met de 100 miljoen euro voor 2024, die wij hebben ingeschreven. Mijnheer de eerste minister, wij hebben u geholpen in Antwerpen. In Brussel zien of horen wij u niet. Wij hebben vier keer zoveel middelen uitgetrokken in 2024 dan u voor 2025 inschrijft.

Brent Meuleman:

Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord en voor uw oproep tot sereniteit. Het Vlaams Belang kan daarvan nog wat leren.

Collega’s, laten we alle theater achterwege laten, want dat komt ten koste van de veiligheid van de mensen. Laat het duidelijk zijn: iedereen moet zijn steentje bijdragen.

Voor Vooruit is veiligheid een absolute topprioriteit. Hoe brengen mensen hun kinderen in godsnaam naar school, als zij elk moment in een schietpartij terecht kunnen komen? De inwoners van de betrokken wijken voelen zich niet veilig. Net om die reden hebben de regeringspartijen afgesproken dat meer centen en meer middelen naar Justitie en naar politie zullen gaan.

Immers, collega’s, alleen door nu samen op te treden, zullen wij het geweld een halt kunnen toeroepen en ervoor kunnen zorgen dat de mensen opnieuw in leefbare wijken wonen en er veilig kunnen opgroeien.

Julien Ribaudo:

Monsieur le premier ministre, vous avez parlé de sérénité. Alors, moi, je m'amuse de voir la droite s'exciter comme ça sur les bancs, bien que vous ayez eu les dix derniers ministres de l'Intérieur.

Monsieur le premier ministre, vous avez dit avoir un plan. Mais nous vous avons posé des questions concrètes et votre réponse était vague, très vague.

Avez-vous écouté le procureur du Roi hier, quand il a parlé de donner plus de moyens? Les chiffres parlent d'eux-mêmes: à Bruxelles, il manque 137 policiers à la police judiciaire fédérale, sur 722; à Anvers, il en manque 95 sur 508. Et même la police locale, qui doit se charger de la police de proximité, est en sous-effectif. Comment voulez-vous lutter contre le narcotrafic si vous démantelez les services publics et si vous détériorez les conditions de travail de la police?

Monsieur le premier ministre, vous ne pourrez pas lutter efficacement contre le crime organisé, ni garantir la sécurité des citoyens, si vous poursuivez dans cette direction.

Sammy Mahdi:

Dank u, mijnheer de eerste minister. U hebt terecht gezegd dat we verder kordaat moeten optreden.

Mijn laatste boodschap geef ik in het Frans.

Ce message s'adresse à certains jeunes de quartiers.

À toi, petit dealer, qui essaies d'avoir de l'argent facile en trafiquant de la drogue. Toi, le petit dealer, alors que tes grands-parents et tes parents se sont cassé le dos pour travailler dans cette société, aujourd'hui, tu te retournes contre cette société. À toi, petit dealer, qui peut-être écoutes certains partis de gauche qui te disent que tu n'as aucune opportunité dans cette vie, je veux te faire passer un message. C'est qu'il y a deux options. Ou bien tu t'intègres, tu t'investis et tu prends les opportunités qui existent au sein de cette société. Ou bien tu feras face à un pouvoir politique qui ne tolérera pas qu'aujourd'hui, des jeunes menacent la sécurité pour eux-mêmes, pour les autres jeunes de quartiers et pour les parents. Pas avec nous, pas avec ce gouvernement! J'espère que tu l'as bien entendu!

Maaike De Vreese:

Het is fake news, mevrouw Bertrand. U zou beter moeten opletten en even luisteren. U verkoopt hier in het Parlement fake news. Dat weet u. U moet leren optellen. Het gaat om 110 miljoen erbovenop.

Ik kan u één ding zeggen, collega's. De bendes hebben een heel slecht moment uitgekozen. Die criminelen hebben een slecht moment uitgekozen. Want wij zullen er staan. Arizona zal er staan, als één blok. Wij zullen zorgen voor een eenheid van commando. Het is met ons of het is tegen ons. Wie niet horen wil, zal voelen.

We zullen dit allemaal samen doen. Daarom is het zo belangrijk en vraag ik ook die lokale besturen en het gewest om zich achter dat blok te scharen en zich niet weg te steken, maar om de strijd samen met ons aan te gaan.

De voorzitter:

Het zal u bekend zijn, mevrouw Bertrand, dat eventuele tussenkomsten of persoonlijke feiten aan bod komen na afloop van het debat.

Ridouane Chahid:

Monsieur le premier ministre, merci pour les réponses, mais vous n'avez pas répondu à un certain nombre de questions. Au mieux, vous avez lu la déclaration de gouvernement que vous aviez déjà lue il y a quelques jours. Mais la question est la suivante: est-ce vraiment avec 75 millions d'euros que vous allez apporter une réponse face à des narcotrafiquants qui brassent des milliards?

Vous avez parlé de la police locale. Aujourd'hui, les polices locales, les sections locales de recherche se mettent à disposition pour aider la police fédérale, pour faire en sorte de trouver des solutions et de régler des problèmes de fond.

L'appel du procureur du Roi est donc simple. Ce n'est pas une fusion des polices qui va régler le problème, mais c'est engager des enquêteurs. Il manque plus de 100 enquêteurs à la police judiciaire fédérale. C'est ce qu'ils attendent de vous.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, merci pour vos réponses. Il y a de bonnes choses. Mais sur la fusion des zones de police, pour rappel, les six zones bruxelloises font déjà partie du top 12 des zones les plus denses. Si vous les fusionnez de force, vous allez déstructurer une police de proximité, qui est une des rares choses qui fonctionnent dans l'ensemble.

Non seulement les 19 bourgmestres, toutes couleurs confondues, sont contre. Le procureur du Roi vous dit que c'est une mauvaise idée. Le procureur général vous dit que c'est une mauvaise idée.

De grâce, arrêtez avec ce qui ressemble de plus en plus à un nouveau BHV, à un totem communautaire absolument irrationnel, qui n'a pas de plus-value. Arrêtez de vous attaquer aux zones de police; attaquez-vous aux narcotrafiquants.

Youssef Handichi:

Tout d'abord, un petit message au PTB: au lieu de se poser la question de qui a eu quoi comme ministères ces 30 dernières années, peut-on être d'accord sur le fait que vous, vous n'avez jamais rien eu dans les mains? C'est un premier point.

Ensuite, je m'adresse aux camarades de la gauche. Il faudrait peut-être faire la liste de vos compétences et voir où se trouve aujourd'hui M. Vervoort. Il est aux abonnés absents. M. Cumps à Anderlecht fait des effets d'annonce, mais où est la police locale?

Effectivement, nous avons renforcé la présence des bleus. C'est une première réponse qui est nécessaire. Pas du tout de la prévention, mais de la répression. Comme je vous l'ai dit, à un moment donné, la peur doit changer de camp, monsieur le premier ministre. Vous avez une majorité qui vous soutient dans ce sens-là. Merci.

Persoonlijk feit

Fait personnel

Alexia Bertrand:

Het was uiteraard een persoonlijk feit, mijnheer de voorzitter. Wie vertelt hier nu fake nieuws? Ik heb hier de tabellen. Daar staat voor de ministerraad van 23 oktober 2020: plus 100 miljoen euro in 2024 voor de politie. Bij jullie is dat 26 miljoen euro. Dat is vier keer minder, bovenop natuurlijk. Wij zijn het eens, mijnheer Ronse. Het is 100 miljoen euro bovenop de middelen die voorzien waren. Wij hebben dus vier keer meer gedaan dan wat jullie gaan doen in 2025. Dat is een feit.

Voorzitter:

Het woord is aan mevrouw De Vreese. Het Reglement bepaalt dat de aangesprokene repliektijd krijgt. (Protest op de Open Vld-banken)

Collega's, het zou fijn zijn als u allemaal het Reglement even bekijkt. Ik geef dus het woord aan mevrouw De Vreese.

Maaike De Vreese:

Collega Bertrand, u zou als geen ander de begroting moeten kennen. De verhoging van Vivaldi is natuurlijk mee in de begroting opgenomen. Daar doen we dit nog eens bovenop. Het is natuurlijk jammer en pijnlijk voor Open Vld om dit te horen, maar wij doen het er dus nog bovenop, dit in een context waarin uw partij een desastreuze begroting heeft achtergelaten. U gaat ons nu lesjes leren over de manier waarop wij in veiligheid moeten investeren, terwijl u in de voorbije legislatuur een put hebt achtergelaten. Het is een schande dat u op die manier durft tussen te komen.

Voorzitter:

Ik verwijs even naar artikel 55. Het is altijd toegestaan het woord te vragen voor het beantwoorden van een persoonlijk feit. De toelichting van het persoonlijk feit en het eventuele antwoord van een ander lid of een lid van de regering mogen samen niet meer dan vijf minuten van de tijd in beslag nemen.

De bezorgdheid over de hervorming van het ziekenhuislandschap
De risico's als gevolg van de hervorming van het ziekenhuislandschap
Zorgen en risico's van ziekenhuishervorming

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De hervorming van het ziekenhuislandschap in Wallonië en Brussel zorgt voor onrust door tegenstrijdige berichten: het PS suggereerde massale sluitingen van spoeddiensten en nachtzorg, wat ziekenhuizen ontkenden, terwijl minister Vandenbroucke (Vooruit) benadrukt dat er *geen concreet plan* is maar wel *herstructurering nodig* naar minder acute opnames en meer dagzorg, gebaseerd op overleg met het veld—zonder gedwongen sluitingen. Dedonder (PS) wijst op bezuinigingsdreiging (2 miljard) en vrees voor kwaliteitsverlies, Ramlot (Les Engagés) steunt de minister maar eist aandacht voor plattelandszorg, terwijl Vandenbroucke mediapaniek afwijst als "schandalig" en belooft proximiteit en kwaliteit te verzoenen via sectoroverleg—zonder harde deadlines.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, la réforme du paysage hospitalier a fait l'objet d'une communication massive du Parti Socialiste, annonçant la suppression pure et simple des services d'urgences et des hospitalisations de nuit.

Cela a causé un certain émoi au niveau de la population, mais également auprès des employés des hôpitaux, provoquant une réaction en chaîne. Les hôpitaux ont même été obligés de démentir ce que le Parti Socialiste avait dit. Il faut savoir que, si le plan annoncé par le Parti Socialiste se concrétisait, la moitié des hôpitaux en Wallonie et un tiers de ceux de Bruxelles seraient menacés. L'accord de gouvernement énonce pourtant bien que nous gardons la qualité et la proximité, et même que nous augmentons la qualité.

Monsieur le ministre, il est vraiment temps de mettre fin aux atermoiements actuels et de faire la clarté dans toute cette affaire. D'où mes questions.

D'où viennent les informations qui ont été données par le Parti Socialiste? Confirmez-vous que le seul accord que vous ayez validé est l'accord gouvernemental, au même titre que tous les partenaires de l'Arizona?

Confirmez-vous également que vos guides seront la proximité, la qualité et le fait de tenir compte des spécificités du terrain?

Quel est votre plan? Est-il déjà mis en œuvre? Pouvez-vous me dire quel est votre programme?

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, je vous interroge au sujet de la situation des hôpitaux parce que je suis inquiète. Parce que nous sommes inquiets. Parce que les directions, le personnel soignant et les patients sont inquiets.

Vous avouerez quand même qu'il y a de quoi l'être quand, dans l'accord de gouvernement, on inscrit délibérément un montant inférieur aux besoins estimés par le Bureau du Plan pour les soins de santé et qu'ainsi se profilent deux milliards d'économies. Après les mauvaises nouvelles quant à leurs pensions, les membres du personnel soignant ne peuvent même plus imaginer une quelconque revalorisation salariale. La population doit craindre de payer plus cher les consultations chez le médecin et chez le dentiste; le prix des médicaments augmente. Maintenant, elle ne pourra même plus avoir accès à des soins de qualité et de proximité, avec la réforme du paysage hospitalier.

Oui, il y a une réforme un paysage hospitalier! Monsieur le ministre, vous l'avez confirmé. Je vous cite: "Oui, des corrections, des rationalisations sont absolument nécessaires. Dans l'avenir, nous aurons besoin de moins de nuitées. On le voit déjà aujourd'hui. On peut, à un certain moment, se demander que faire de tous ces hôpitaux où on organise ces nuitées. Pouvons-nous les organiser de façon plus rationnelle?" Votre réponse a été oui. Car certains hôpitaux vont devenir trop petits. Car, oui, votre conseiller a présenté ce plan élaboré par Zorgnet-Icuro au Conseil fédéral des établissements hospitaliers le 25 janvier dernier. Car, oui, sur cette base, une carte effrayante qui montre toute une série d'hôpitaux qui vont disparaître a été publiée dans la presse écrite. Ce ne sont pas des fake news . Ce sont vos prévisions. Ce sont vos données.

Monsieur le ministre, pouvez-vous m'affirmer les yeux dans les yeux que vous n'imposerez pas la fermeture de certains hôpitaux la nuit dans quelques mois et que vous n'allez pas réduire le nombre de services d'urgences?

Frank Vandenbroucke:

Chers collègues, les soins de santé doivent être accessibles et abordables pour tous. C'est pourquoi nous investissons dans les soins de santé dans l'intérêt des patients et dans l'intérêt du personnel soignant et c'est la raison pour laquelle nous réformons le secteur dans ce sens. Nous agissons de la sorte d'autant que les besoins évoluent vers moins d'hospitalisations aigues, plus de soins de longue durée et donc, si vous voulez aussi garantir l'accessibilité à des soins de qualité, il est essentiel d'adapter notre système aux besoins de demain. Une des réformes en cours a pour but de concentrer les soins lorsque les situations complexes le requièrent et vise à favoriser l'hôpital de jour quand c'est possible et souhaitable.

En même temps, l'accord du gouvernement cite la proximité des soins comme un principe fondamental et, comme je l'ai déjà dit clairement dans ce Parlement, les détails qui circulent sur des hôpitaux menacés par des fermetures n'ont pas lieu d'être. On fait référence à des échanges et des présentations qui ont eu lieu entre certains experts d'octobre à janvier. Et en effet, le professeur Johan Kips, qui est un expert de mon cabinet, a participé à ces échanges. Il a présenté des scénarios et des possibilités, c'est absolument vrai mais en son propre nom. Et, comme je l'ai déjà dit ici, il n'y a aucune proposition de ma part et certainement pas de plan pour une raison simple: l'attitude fondamentale du gouvernement, c'est la concertation avec les acteurs; c'est se baser sur l'avis du secteur et des experts du secteur avant de prendre une décision et de lancer un plan. Un plan de réforme du paysage hospitalier viendra plus tard. Il sera basé sur cette concertation dans laquelle les collègues des Régions seront également impliqués. Il sera guidé par l'intérêt des patients et du personnel soignant. Il devra trouver un équilibre entre la proximité des soins quand c'est possible et leur qualité dans des situations complexes. Évidemment, la notion de proximité ne signifie pas la même chose en zone rurale ou en ville. C'est pourquoi nous chargerons des experts du secteur d'étudier toutes ces questions. Pour le reste, il n'y a aucun plan établi à ce stade.

Madame Dedonder, que nous soyons dans la majorité ou dans l'opposition, notre devoir commun est d'agir dans l'intérêt de la population. La campagne de désinformation, menée avec force dans les médias et sur les réseaux sociaux, a pour unique conséquence de créer la panique au sein du personnel soignant et de la population des zones rurales. Ce que nous faisons est toujours dans l'intérêt des personnes les plus vulnérables et de notre système de soins. Ce dernier doit être garanti aussi pour demain. Croire que notre but est ailleurs, c'est se tromper. Le dire dans une telle campagne est tout simplement scandaleux! (Applaudissements sur les bancs de Vooruit et du MR)

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Et oui, madame Dedonder, les méthodes utilisées par le PS sont indécentes. Elles sont aussi irrespectueuses envers les citoyens et surtout les travailleurs.

La réponse du ministre est très rassurante. Monsieur le ministre, je formule le vœu que vos guides soient la proximité, l'attention aux spécificités du terrain ainsi que la qualité des soins. Je désire vraiment vous faire confiance. Si ces guides vous accompagnent, nous atteindrons un résultat. Je compte évidemment sur vous pour tenir compte de l'hospitalisation en milieu rural et pour mener à bien cette réforme.

Ludivine Dedonder:

Monsieur le ministre, l'expérience et le temps m'ont appris à ne croire que les actes et pas vraiment les paroles. Dans vos paroles, au-delà de vos propos lors de la commission de la semaine dernière que j'ai pu citer, vous avez dit aujourd'hui qu'on trouvera un équilibre entre proximité et qualité quand c'est possible. Alors, moi, je crois qu'il n'y a pas de fumée sans feu. Nous continuerons donc à alerter et à mettre en garde. Et, madame Ramlot, Les Engagés avaient fait de la santé le grand combat pendant la campagne électorale. Force est de constater aujourd'hui que la santé, avec les pensions, sont les grandes sacrifiées de l'Arizona. Et pour ça, je vous dis un grand bravo!

De voor mindervalide personen niet waargemaakte minimale dienstverlening van de NMBS

Gesteld aan

Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)

op 20 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de uitgesloten minimale dienstverlening voor mensen met mobiliteitsbeperkingen tijdens de NMBS-staking, waarbij de NMBS assistentie weigert en honderden reizigers negen dagen zonder vervoer vallen. Minister Beenders erkent het probleem, belooft samen met collega Crucke en vakbonden een oplossing af te dwingen en benadrukt dat de minimale dienstverlening voor iedereen moet gelden, maar concrete maatregelen ontbreken nog. Fatima Lamarti (Vooruit) vindt de situatie onacceptabel en discriminerend, omdat basisverplaatsing een recht is en de NMBS deze groep negeert met een "kom over negen dagen terug"-houding. Een losstaand urgentieverzoek van Sofie Merckx (PTB) eist afschaffing van parlementaire vertrekvergoedingen als symbool van politieke zuinigheidsmaatregelen, maar wordt verworpen.

Fatima Lamarti:

Mijnheer de minister, we hebben het daarnet gehad over de stakingen bij de NMBS. Ik zal het nu hebben over een doelgroep die in de kou dreigt te blijven staan. Zich kunnen verplaatsen naar zijn werk en terug naar huis na een lange dag is geen luxe, het is een basis. Voor niet iedereen is dat echter evident. Vele mensen hebben hulp nodig van anderen om ergens te geraken, anders geraken ze er niet.

Vanaf morgen wordt er gestaakt. Dat is een recht. Dat moet men respecteren. Wat we echter ook respecteren in dit land is de minimale dienstverlening bij een staking. Niet iedereen heeft de luxe om voor negen dagen een taxi te boeken. Niet iedereen kan zich überhaupt zelfstandig verplaatsen per wagen.

De minimale dienstverlening moet gelden voor iedereen. Of men goed te been is, of hulp nodig heeft, zich verplaatsen is een basisrecht. De NMBS zegt nu tegen honderden mensen: niet voor u, verplaats u maar niet, blijf maar negen dagen aan de kant staan.

Voor Vooruit is dit onacceptabel. Met meer dan 130 aanvragen per dag is deze dienstverlening essentieel. Ze moet worden gegarandeerd. Mijnheer de minister, de wet is duidelijk. Het vervoer moet worden gegarandeerd. Als we solidair zijn met de stakers, moeten we ook solidair zijn met de mensen die nergens heen kunnen. Voor ons van Vooruit is het essentieel dat ook hun recht gegarandeerd wordt. Wat zult u daarvoor doen als minister van Gelijke Kansen?

Rob Beenders:

Collega Lamarti, de afgelopen dagen kwamen er verschillende reacties van mensen die assistentie nodig hebben bij het nemen van de trein. De NMBS antwoordde hen dat er tijdens de staking geen reservaties voor assistentie mogelijk zullen zijn. Dat heeft een grote impact op die mensen. Er is het grondrecht om te staken, maar daar bestaan een aantal uitzonderingsprincipes op. Daarom is er bij de NMBS de minimale dienstverlening. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat die minimale dienstverlening weer een uitzondering op zichzelf gaat realiseren, waardoor de grondrechten van andere mensen in het gedrang komen.

Wat ons betreft is het zeer duidelijk dat de minimale dienstverlening voor iedereen moet gelden, ook voor mensen die assistentie nodig hebben. Het feit dat die verhalen de voorbije dagen vrij talrijk naar buiten zijn gekomen, betekent dat dit een groot probleem is. Ik heb intussen de eerste contacten gelegd met mijn collega-minister Crucke, die bevoegd is voor Mobiliteit. Ik heb ook reeds samengezeten met de administratie.

We zullen effectief stappen moeten ondernemen met de NMBS om aan te geven dat de minimale dienstverlening voor iedereen geldt en niet voor een bepaalde groep. Dat lijkt me een kwestie van gezond verstand. We zullen dit de volgende dagen bovenaan de agenda plaatsen en we hopen op de korte termijn een oplossing te vinden. Ik reken ook op het gezond verstand van de vakbonden. We hebben de eerste contacten met hen gehad. Zij zullen ook inspanningen moeten doen om bij die minimale dienstverlening deze oproep te ondersteunen, opdat mensen die assistentie nodig hebben die ook effectief zullen krijgen.

Fatima Lamarti:

Negen dagen lang, negen dagen niet mee mogen doen, negen dagen voelen dat je er niet bij hoort. Een persbericht van de NMBS is snel geschreven, maar het leed dat het veroorzaakt wordt nu langzaam verwerkt. Wel of geen handicap, iedereen doet ertoe. Vooruit staat voor een samenleving waarin iedereen mee kan, waarin iedereen die zijn best doet, moet worden gezien en beloond. Deze mensen verdienen het ook om op hun bestemming te raken. Zij verdienen meer dan een simpel persbericht. "Kom over negen dagen maar weer terug." Niet voor ons. Goed dat u er werk van maakt, mijnheer de minister. Dank u.

Voorzitter:

Dank u wel, collega's. Dit is het einde van de mondelinge vragen.

In de laatst rondgedeelde agenda komt een lijst van voorstellen voor waarvan de inoverwegingneming is gevraagd.

Vous avez pris connaissance dans l'ordre du jour qui vous a été distribué de la liste des propositions dont la prise en considération est demandée.

Indien er geen bezwaar is, beschouw ik de inoverwegingneming van die voorstellen als aangenomen. Overeenkomstig het Reglement worden die voorstellen naar de bevoegde commissies verzonden.

S'il n'y a pas d'observations à ce sujet, je considère la prise en considération de ces propositions comme acquise. Je renvoie les propositions aux commissions compétentes conformément au Règlement.

Geen bezwaar? (Nee)

Aldus zal geschieden.

Pas d'observation? (Non)

Il en sera ainsi.

Urgentieverzoek

Demande d'urgence

Sofie Merckx:

Monsieur le président, nous demandons l'urgence pour la proposition de modification du Règlement de la Chambre des représentants en ce qui concerne la suppression de l'indemnité parlementaire de sortie et de départ, n° 712/1.

Nous savons tous à présent que ce gouvernement a décidé de mettre au régime la population dans son ensemble, de couper dans nos services publics si essentiels, de faire prester aux gens des heures supplémentaires sans qu'ils soient payés davantage, de les faire travailler plus longtemps sans sursalaire et avec une pension moindre. En revanche, ceux qui ne sont pas au régime, ce sont finalement les politiques. En effet, quel travailleur reçoit 125 000 euros d'indemnités après cinq ans de travail? Quel travailleur? Aucun! Mais les politiques vont continuer à se les octroyer. Donc, au lieu de mettre la population au régime, nous proposons de mettre les politiques au régime et de faire comme tout le monde. Fini les indemnités de sortie! Et si vous perdez votre emploi, vous n'avez qu'à aller au chômage!

Voorzitter:

Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken. Je vous propose de nous prononcer sur cette demande. De urgentie wordt verworpen bij zitten en opstaan. L'urgence est rejetée par assis et levé.

Telefonische consultaties
De terugbetaling van teleconsulten
De terugbetaling van teleconsulten
De stopzetting van de telefonische consulten bij huisartsen
De opschorting van de terugbetaling van teleconsultaties
Teleconsultaties
Terugbetaling en stopzetting van teleconsultaties bij huisartsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De afschaffing van de RIZIV-vergoeding voor telefonische consultaties (per 15/02/2025) zorgt voor hevige kritiek, omdat huisartsen vrezen voor langere wachttijden, hogere kosten en verminderde toegankelijkheid, vooral voor kwetsbare patiënten. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de maatregel op vraag van artsenorganisaties zelf kwam (wegens budgetoverschrijding en misbruik door een kleine minderheid), maar die ontkennen dit en wijzen op gebrek aan overleg en alternatieven zoals strengere controles of een forfaitair systeem. Hoewel videoconsultaties wel vergoed blijven, dreigt de afschaffing contraproductief te zijn: teleconsults zijn goedkoper dan fysieke bezoeken, en hun wegvallen kan de druk op huisartsen verder vergroten. De minister belooft een hervormingsvoorstel tegen eind Q1 2025, maar de vertrouwensbreuk met huisartsen en onduidelijke criteria voor "echte" teleconsultaties (vs. korte telefoontjes) blijven knelpunten.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, de huisartsen staan onder enorme druk en maken zich grote zorgen over de recente beslissing van het RIZIV om de vergoeding voor telefonische consultaties volledig te schrappen vanaf 15 februari 2025.

Die consultaties spelen een cruciale rol omwille van de toegankelijkheid en de efficiëntie van de eerstelijnszorg. De artsen waarschuwen dat de maatregel niet alleen de kosten zal verhogen, maar ook de wachttijden zal verlengen en de druk op fysieke consultaties zal doen toenemen. Er werd gewag gemaakt van een protestactie om tussen 15 februari en 15 maart geen enkele telefonische consultatie meer te doen.

Bent u op de hoogte van de geplande actie? Hebt u intussen overleg gehad met de huisartsenverenigingen over de problematiek?

Hoe wil u garanderen dat de afschaffing van de telefonische consultaties niet zal leiden tot langere wachttijden en een slechtere toegankelijkheid van de zorg, vooral voor ouderen en kwetsbare patiënten?

Fraude bij telefonische consultaties bestaat ongetwijfeld, maar rechtvaardigt dat de volledige afschaffing van het systeem? Fysieke consultaties zijn altijd duurder dan teleconsultaties. Zou het niet beter zijn om een efficiënt controlesysteem te ontwikkelen dat systematisch en automatisch misbruik opspoort in plaats van de teleconsults af te schaffen?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, we kaarten hier in het debat een belangrijk thema aan, des te meer omdat de huisartsen het de jongste jaren al hard te verduren hadden en ook nu kreunen onder de griepepidemie.

Sinds de covidcrisis is het toegelaten telefonische consultaties te houden. Op 31 januari besliste het RIZIV evenwel de terugbetaling voor teleconsultaties af te schaffen en twee weken later, op 15 februari, was de maatregel al van kracht, zonder dat er fatsoenlijk rekening gehouden werd met de impact op de toegankelijkheid van de zorg en er in een overgangsperiode werd voorzien.

Wij kregen heel veel berichten van huisartsen die met de handen in het haar zitten, omdat de maatregel extra werklast met zich zal brengen en de zorgkwaliteit in het gedrang brengt. Ik geef een voorbeeld. Voor de huisartsenwachtpost Regio Turnhout, die jaarlijks meer dan 10.000 teleconsultaties houdt, betekent de maatregel 200 livecontacten extra per week. Op een weekenddag zijn er 80 patiënten extra. Dat is niet werkbaar. De maatregel duwt de huisartsen naar duurdere en meer tijdrovende fysieke consultaties, met een verminderde zorgtoegankelijkheid, langere wachtlijsten en zorguitstel als gevolg. Ze zien het ook als een aanval op de waardering van hun werk.

De logica is omgedraaid. De maatregel wordt voorgesteld als een besparing, maar de artsen argumenteren dat de teleconsultaties precies een besparing zijn ten opzichte van liveconsultaties. Waarom kiest men voor die besparing op de kap van de artsen?

De artsen voelen zich niet gehoord. U hebt in de media gezegd dat de maatregel genomen is op vraag van de artsen, maar dat is niet het signaal dat we krijgen van hun. Hoe kunnen we de transparantie en de dialoog dus verbeteren?

Vindt u het niet oneerlijk de besparingslast unilateraal bij de artsen te leggen? Toen de besparing op tafel lag bij het RIZIV, ging het om een bijdrage van de artsen en van de farma-industrie. Een bijdrage van die laatste ligt nu niet meer op tafel.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, mijn collega's schetsten de situatie al uitvoerig; ik neem er graag wat cijfers bij. In 2022 factureerden artsen voor 2,3 miljoen euro telefonische consultaties bij het RIZIV, een jaar later was dat al 6,3 miljoen euro en in de eerste tien maanden van 2024 was er een groei van 7 % tegenover dezelfde periode een jaar eerder. De kostprijs van zo'n consult is bijna 12 euro, waarvan 2 euro remgeld, dat blijkbaar veelal niet geïnd wordt wegens te veel administratie.

Er zou vastgesteld zijn dat sommige artsen uitzonderlijk veel telefonische raadplegingen factureerden. Daarom zou u het systeem hebben opgeschort, tot er een nieuwe regeling is met duidelijke afspraken. Het is echter heel onduidelijk wanneer die regeling er precies zal komen. We vernemen ondertussen dat heel wat huisartsen weigeren om gratis telefonische consulten te doen, waardoor de wachttijd om toegang te krijgen tot de huisarts opnieuw dreigt toe te nemen.

Ik deel de bekommernis van vele collega's dat de huisartsen nu al enorm onder druk staan. Ze hebben vaak al een patiëntenstop. De teleconsulten hielpen de hoge werkdruk een stukje te compenseren en of laten in elk geval toe dat huisartsen meer patiënten kunnen behandelen.

De maatregel bekommert ons enorm, aangezien de huisarts toch de centrale figuur is in de hulpverlening en onze gezondheidszorg. We moeten de huisarts dan ook koesteren.

Mijnheer de minister, hoe schat u de gevolgen van de beslissing in? Zal de afschaffing van de vergoeding voor telefonische consulten leiden tot meer fysieke consulten, wat dan weer duurder is voor de ziekteverzekering? Of zal de wachttijd voor de patiënt om een huisarts te zien, nog verder toenemen?

In het regeerakkoord staat dat u tot een afsprakenkader wil komen in overleg met de zorgverleners, waardoor zij solidair en in onderling overleg oplossingen op de gepaste schaal voor de zogenaamde patiëntenstops moeten zoeken. Hoe denkt u dat huisartsen nog een oplossing zullen vinden, als de vergoeding voor de enige deeloplossing, namelijk de telefonische consulten, wordt opgeschort ?

Uiteraard begrijpen ook wij dat er bij een overschrijding van het budget moet kunnen worden ingegrepen, maar hier wordt er een maatregel genomen die alle artsen treft en die de mensen die er misbruik van maken net ongemoeid laat. Had men niet beter naar een tussenoplossing gekeken, zoals een forfait per maand of een bepaald maximum, waardoor telefonische consulten toch kunnen blijven doorgaan en het budget tegelijkertijd onder controle wordt gehouden?

Ten vierde, het RIZIV werkt aan criteria om betere afspraken te maken voor de aanrekening van telefonische consulten. Aan welke criteria wordt er gedacht en wanneer zal die oplossing er zijn?

La présidente : Madame De Knop, votre question a pris quatre minutes alors que le temps de parole est de deux minutes. Je demande à chacun de bien vouloir respecter les temps de parole.

Frieda Gijbels:

Ik heb nog een aantal bijkomende vragen over dit thema.

Bij hoeveel artsen was er echt sprake van een overschrijding van het verwachte aantal teleconsultaties? Men zal immers wel een bepaalde begroting voor ogen hebben gehad. Waren het gebruik en de overschrijding ervan gelijk verspreid over de provincies?

Klopt het dat de terugbetaling voor videoconsultaties wel nog behouden blijft? Welke platformen worden gebruikt voor videoconsultaties? Hoeveel videoconsultaties verlopen via de Doktr-app? Welke rol spelen de mutualiteiten hierin, met name CM en Solidaris? Hebben zij hier ook financiële belangen bij?

Wat is uw plan in verband met de teleconsultaties en videoconsultaties?

Kunt u voor de videoconsultaties cijfers geven van de laatste jaren en de verschillende provincies? Via welke apps verliepen de consultaties?

Nawal Farih:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag. Ik zal mijn vragen wel herhalen, zodat de commissie kan volgen.

Geachte minister, vanaf 15 februari worden huisartsen tijdelijk niet meer vergoed voor telefonische consultaties. Dit naar aanleiding van een beslissing van de medicomut tot opschorting omwille van de hoogoplopende kosten en de overschrijding van het gezondheidszorgbudget. De tijdelijke opschorting is dus in principe een besparingsmaatregel.

Het idee om telefonische raadplegingen terug te betalen ontstond tijdens de coronapandemie. Artsen krijgen 11,93 euro per telefonische consultatie, waarvan 2 euro door de patiënt betaald moest worden. Het RIZIV ging ervan uit dat de maatregel tijdelijk en budgetneutraal zou zijn, want de raadplegingen vervingen fysieke consultaties. Maar ook na de pandemie bleven ze populair, en kwamen ze boven op de gewone consulten. In 2023 factureerden artsen 6,3 miljoen keer voor een telefonisch consult, en in de eerste tien maanden van 2024 was er een groei van 7 procent tegenover dezelfde periode een jaar eerder. ​

Een van de problemen bleek echter dat er nauwelijks een kader is voor de vergoeding van de teleconsultaties, waardoor huisartsen naar goeddunken kosten doorgeven. De meesten doen dit uiteraard correct, maar er bestaat wel een risico op misbruik. Een werkgroep binnen het RIZIV zou wel bezig zijn met uitwerken van een nieuw kader. Daarbij wordt gekeken naar zowel de duur van het gesprek als de aard ervan. Een kort telefoontje om louter de resultaten van een bloedtest mee te delen zou bijvoorbeeld anders vergoed worden dan een klinisch en therapeutisch gesprek van een kwartier.

Door de tijdelijke opschorting van de vergoeding kwam er reeds een oproep voor huisartsen om een maand lang geen teleconsultaties meer uit te voeren. Wetende dat de huisartsen nu reeds overspoeld worden met werk en het voor patiënten vaak niet evident is om vlot bij een huisarts te geraken, vrees ik dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg hierdoor in het gedrang zal komen. Bovendien mogen we niet vergeten dat teleconsultaties nog steeds een stuk goedkoper zijn voor de ziekteverzekering dan een fysieke consultatie.

Is de werkgroep binnen het RIZIV al opgestart? Worden de artsensyndicaten daarbij betrokken? Indien de werkgroep nog niet werd opgestart, welke timing voorziet u dan? Welke timing voorziet u voor de ontwikkeling van het nieuwe kader? Ik vraag daarnaar omdat er een verschil is tussen een telefonisch consult om een diagnose te stellen en een telefonisch consult om bloedresultaten door te geven. Zoals ik het begrepen heb, is er vandaag echter geen verschil in nomenclatuur voor die twee verschillende vormen van dienstbetoon.

De opschorting van de vergoeding is ook tijdelijk. Is er al een streefdatum gecommuniceerd aan de huisartsen, zodat ze beter weten wat er op hen afkomt? Zult u dat soms ook laten bekijken door de werkgroep van het RIZIV? Bestaat er zo geen risico dat er als gevolg van de afschaffing van de vergoeding van de teleconsultaties net meerkosten zullen komen voor kleine consulten die wel digitaal of telefonisch kunnen plaatsvinden? De wachtzaal kan zo eveneens alleen maar voller worden, terwijl de telefonische consultaties net dienden om grip te krijgen op de wachtlijsten bij de huisarts.

La présidente : Est-ce que quelqu'un souhaite encore prendre la parole? (Non)

Frank Vandenbroucke:

Ik begrijp zeer goed dat de huisartsen zich grote zorgen maken over de terugbetaling van teleconsultaties en de toekomst van dat systeem. Ik vind teleconsultaties ook een belangrijk gegeven in de praktijk van vandaag.

Ik wil wel duidelijk zeggen hoe die beslissing tot stand is gekomen. De beslissing is genomen op uitdrukkelijke vraag van de artsenorganisaties zelf, in het kader van een discussie over de begroting en vooral in afwachting van een hervorming van de financiering van de teleconsultaties zodat men een duurzaam en werkbaar systeem krijgt.

Collega’s, ik geef u dus eerst even de context. We hebben in september 2024 vastgesteld dat in de begroting van de ziekteverzekering een aanzienlijke ontsporing van de uitgaven dreigde, waardoor de uitgaven in 2025 veel sterker zouden toenemen dan de groeinorm van 2,5 %. Dat is natuurlijk niet goed. Het is belangrijk dat we investeren in gezondheidszorg en we zullen nog meer investeren in gezondheidszorg. Dat is echter niet hetzelfde als het kraantje openzetten en het water laten lopen. Ook dan, wanneer er groeibudgetten zijn zoals we vandaag hebben, moet ervoor gezorgd worden dat de uitgaven binnen de limieten en afspraken van de budgetten blijven. Op dat vlak hebben de organisaties van de zorgverstrekkers en de mutualiteiten een belangrijke verantwoordelijkheid.

Ik wil om te beginnen meegeven dat ik blij ben dat alle artsenorganisaties die verantwoordelijkheid ook hebben genomen. Toen we een risico op overschrijding vaststelden van het budget voor de artsenhonoraria voor het jaar 2024 met 185 miljoen euro, hebben ze samen met de mutualiteiten in september 2024 beslist dat ze die overschrijding moesten aanpakken.

Er zijn verschillende voorstellen op tafel gekomen, zoals een aantal ingrepen bij artsen-specialisten en inderdaad een belangrijke ingreep in de vergoeding van teleconsultaties. Dat gebeurde op voorstel van de artsenorganisaties. Waarom hebben zij dat voorgesteld? De reden is niet onlogisch. We stelden immers vast dat het systeem uit de hand liep. Dat geldt voor het globale budget, maar ook voor een aantal – gelukkig heel beperkte – duidelijke vaststellingen van misbruiken.

Toen de tele- en videoconsultaties werden ingevoerd tijdens de covidcrisis, werd ervan uitgegaan dat zij samen 5 % van de fysieke raadplegingen zouden vervangen en dat ze dus geen extra geld zouden kosten. Nu zien we alleen al voor de teleconsultaties een meerkost van 68,4 miljoen euro. Wat we vooral zien, is dat een echt heel kleine minderheid van artsen buitensporig veel gebruikmaakt van teleconsultaties. Daardoor kunnen we niet anders dan besluiten dat er misbruik is.

Ik verwijs naar cijfers die de artsenorganisatie Het Kartel heeft gepubliceerd op data van 2023. U vindt die cijfers overigens ook op de website van die artsenorganisatie. Van de 14.128 actieve huisartsen rekenden volgens hen 10.935 huisartsen teleconsultaties aan. Dus 22,7 % van de huisartsen heeft nooit een teleconsultatie aangerekend. Een ruime meerderheid van 84 % van de huisartsen rekent minder dan 1.000 teleconsultaties aan per jaar. Dat is 44,9 %. Ze gebruiken dus minder dan de helft van hun budget.

In 2023 gebruikte 16 % van de huisartsen ruim meer dan de helft van het budget. Er waren 29 artsen die elk meer dan 5.000 teleconsultaties per jaar aanrekenden en daarmee 2,1 miljoen euro onder elkaar verdeelden. Er was een toppresteerder die 11.000 telefonische consultaties aanrekende, zoals ook het Algemeen Syndicaat van Geneeskundigen van België (ASGB) rapporteert. Volgens Het Kartel moet men daarvoor 183 dagen gedurende 10 uur per dag onafgebroken aan de telefoon hangen. Dat is een duidelijk geval van misbruik.

Helaas is het vaak zo dat een grote meerderheid van goed menende correcte mensen het slachtoffer zijn van een zeer klein groepje dat het systeem misbruikt. Als een systeem evenwel misbruik toelaat, moet het worden herbekeken. Daarom heb ik er al in september 2024 voor gepleit dat de federale regering de voorstellen van de actoren van de ziekteverzekering zou omzetten in beleid. De belangrijkste ingreep in die voorstellen was een pakket correcties in het geneesmiddelenbudget. Een andere, iets minder belangrijke ingreep betrof de honoraria van de artsen, waarbij vooral de terugbetaling van de teleconsultaties tijdelijk op nul werd gezet in afwachting van een hervorming.

Daarover is ondertussen veel gepraat, maar er is geen eensgezindheid ontstaan tussen de artsenorganisaties over hoe die hervorming er moet uitzien. Dus hebben de artsenorganisaties Belgische Vereniging van Artsensyndicaten (BVAS), ASGB en de Alliantie Artsenbelang-Domus Medica (AADM) zeer uitdrukkelijk schriftelijk aan de voorzitter van de medicomut gevraagd om de vergoeding op nul te zetten. Ik denk niet dat ze dat met enig plezier gedaan hebben. Er bestond daarover bij hen ongetwijfeld een interne discussie. Ze hebben dat evenwel zelf gevraagd, omdat ze het niet eens raakten over de hervorming.

In de werkgroep zijn de artsensyndicaten de centrale speler; zij spelen de eerste viool. Ik hoop dat ze zeer snel met een echt hervormingsvoorstel komen, waardoor we een duurzame toekomst voor de teleconsultaties kunnen verzekeren. We moeten zorgen voor een eenvoudig, helder systeem, geen labyrint van allerlei regeltjes, maar tegelijkertijd een systeem dat er niet op neerkomt dat men gewoon een kraantje opendraait en dat men per individuele prestatie betaalt en blijft betalen, zonder limieten. Dat kan duidelijk niet. Voor de hervorming moeten we dus streven naar een duurzaam en een goed systeem.

Ik wil daaraan toevoegen dat de artsenorganisaties voor het budget, nodig voor die hervorming, elders in de begroting van de ziekteverzekering naar compensaties zullen moeten zoeken. We moeten er immers voor zorgen dat die begroting groeit met niet meer dan de geplande 2,5 % reële groei. We moeten in dat spoor blijven.

Ik wil die boodschap nog een beetje verbreden, collega's. We gaan met deze regering zeer sterk investeren in de gezondheidszorg. We hebben een groeinorm van 2,5 % dit jaar, volgend jaar 2 %, dan nog eens 2 %, dan 2,6 % en dan 3 %. Dat betekent echter niet dat elke euro die wordt uitgegeven aan de doelstelling beantwoordt of goed besteed is. We zullen integendeel de komende maanden en misschien zelfs de komende twee jaar zeer sterk moeten inzetten op het beheersen van die uitgaven. We zullen de overdrijvingen, ontsporingen en misbruiken moeten bestrijden, zodat er ruimte is voor wat echt noodzakelijk en prioritair is. Dat zal het grote werk van de komende maanden en misschien zelfs jaren zijn.

We hebben een hele mooie extra marge in het regeerakkoord, bijna vier miljard euro extra boven op de indexering tegen 2029. We moeten vermijden dat dat wordt opgesoupeerd, als ik mij zo mag uitdrukken, in uitgaven die eigenlijk niet adequaat zijn en misschien zelfs niet nodig of niet passend zijn of voor systemen die bij een kleine minderheid ook misbruiken toelaten.

Ik ben blij dat de artsenorganisaties daarin hun verantwoordelijkheid nemen. Het is voor hen inderdaad niet eenvoudig om dat uit te leggen aan hun achterban. Dat zie ik, maar ze nemen daarin hun verantwoordelijkheid. Ik wacht op een hervormingsvoorstel voor een duurzaam, robuust en eenvoudig systeem dat aanzet tot verantwoordelijkheid. We zullen daarvoor dan geld moeten zoeken, want dan moeten we de noodzakelijke bijsturingen elders in het artsenbudget vinden.

Ik wil ook heel duidelijk zeggen dat videoconsultaties aangerekend kunnen blijven worden. Raadplegingen op afstand zijn nog altijd mogelijk. We moeten een heel duidelijk onderscheid maken. Een telefoontje plegen om een attest, een voorschrift of het resultaat van een test te krijgen, is geen teleconsultatie. Artsen hebben dergelijke telefoontjes altijd al gepleegd en ik veronderstel dat ze dat zullen blijven doen. Een teleconsultatie is een onderzoek aan de telefoon, waarin een patiënt uitlegt welke klachten hij heeft, de arts via de telefoon een anamnese doet en eventueel een behandeling, oplossing of verdere stappen voorstelt. Dat is een teleconsultatie en niet een gewoon telefoontje. Een gewoon telefoontje wordt niet vergoed.

Als een huisarts na een telefoontje een document opstelt, kan hij daarvoor een kleine adviesvergoeding krijgen, maar een gewoon telefoontje, bijvoorbeeld om een attest te vragen, wordt en werd nooit vergoed, maar toch doen artsen dat. Een teleconsultatie is iets heel specifieks, is een onderzoek via de telefoon. In afwachting van een hervorming is de terugbetaling daarvoor nu op 0 gebracht.

Mevrouw Gijbels, u hebt een aantal specifieke vragen gesteld. Ik stel voor dat u ze mij schriftelijk herhaalt. Er is een vraag die ik moeilijk kan beantwoorden en dat toont precies aan wat er hieromtrent ontbreekt in het beleid. U vraagt hoeveel artsen daarvan meer dan verwacht gebruik maakt. We weten echter niet wat er werd verwacht. Er is geen norm, we hebben nooit vastgelegd wat we konden verwachten dat de doorsnee huisarts daarmee zou doen. Ik kan dus niet antwoorden op die heel precieze vraag.

Ik kan u wel een overzicht geven van het gebruik. Dat vindt u overigens ook terug op de website van het ASGB (Algemeen Syndicaat van Geneeskundigen van Belgie). Ik kan u zeggen wat duidelijk excessief is, maar we moeten inderdaad nadenken over wat een normaal gebruik is.

Ik heb de verdeling over de provincies ook niet bij de hand. Indien u gedetailleerde statistische vragen hebt, kunt u ze schriftelijk stellen. Ik zal die dan zo snel mogelijk schriftelijk beantwoorden.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dank u voor uw uitvoerige antwoord. U zei dat de artsenorganisaties zelf dat verzoek hadden geformuleerd. In het persbericht van de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten staat dat het RIZIV ze het mes op de keel heeft gezet. De BVAS stelt dat ze geen vragende partij was om de vergoeding tijdelijk op nul te zetten.

U weet dat wij geen voorstander zijn van uitgaven die hoger liggen dan de groeinorm. Het Vlaams Belang is dus zeker uw partner om die ontsporing en dat misbruik op te sporen en te bestrijden. Ik bestudeer zelf dagelijks waar die ontsporing, dat misbruik en die overdrijving zich precies situeren. Ik zal niet nalaten daarover vragen te stellen en u daarover te berichten.

Ik zie die ontsporing echter niet in de teleconsultaties. In het regeerakkoord staat dat men artsen die praten meer zou willen belonen. Dat is een goed voorbeeld van de huisarts die tijd uittrekt voor zijn patiënt en die dat ook op afstand doet voor de kwetsbare en de oudere patiënt. Vandaar mijn vraag om dat systeem te herbekijken. U hebt aangegeven dat u op een voorstel wacht. Daarom vraag ik naar een deadline. Ik heb daaromtrent niets gehoord.

Wat het misbruik betreft, merk ik op dat u een zeer goed zicht hebt op de artsen die dat systeem gebruiken. Ik vraag naar het aantal calls. U gaf aan dat de zogenaamde toppresterende arts zelfs 10.000 calls deed. 29 artsen hadden 5.000 calls per jaar. Het kan dus heel goed opgevolgd en gecontroleerd worden.

Zelf geeft u aan dat men bij het hervormen op zoek moet gaan naar een goed, helder systeem. U beschouwt het meedelen van bloedresultaten niet als een teleconsultatie, maar als er klachten worden beschreven, als de arts uitleg geeft en er achteraf een document kan worden opgemaakt, dan is het wel een teleconsultatie. Men kan dus met andere woorden die gegevens anonimiseren en checken of er misbruik is gepleegd. Dat is een goede basis om die teleconsultaties te behouden.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, met uw beslissing om teleconsultaties niet meer te vergoeden wegens het misbruik ervan gooit u het kind met het badwater weg. Het is niet de schuld van de arts en de patiënt dat het kader en de regelgeving voor de telefonische consultaties ontbraken. U vindt het jammer dat de grote meerderheid van mensen die het goed menen het slachtoffer is van een minderheid die het systeem misbruikt. Dat misbruik kan echter toch worden aangepakt zonder dat daarvoor de teleconsultaties afgeschaft moeten worden? De volledige afschaffing is niet eerlijk.

Volgens u hebben de artsen er zelf om gevraagd. Verschillende collega’s hebben gisteren de e-mail van de BVAS gekregen met haar standpunt. De BVAS verzet zich tegen de afschaffing van de terugbetaling. Het RIZIV heeft die beslissing eenzijdig genomen en zet daarmee de artsen het mes op de keel. U kunt moeilijk blijven beweren dat de artsen daar om hebben gevraagd. Het is uw goed recht om bij uw standpunt te blijven, maar de artsen hebben zeer duidelijk gecommuniceerd dat zij niet tevreden zijn met de maatregel.

U hebt niet geantwoord op mijn vraag of daarmee de last van de besparingen eenzijdig op de artsen wordt gelegd. Volgens u was de correctie van het geneesmiddelenbudget de belangrijkste ingreep op de Algemene Raad. Wat is er daarvan gekomen? De artsen voelen zich geviseerd. Ze kunnen immers sancties krijgen in verband met langdurig zieken. Ook het ziektebriefje voor één dag lag op de onderhandelingstafel en nu is dit er weer. Nochtans kampen we met een groot tekort aan huisartsen. Het beroep moet aantrekkelijker worden gemaakt, maar dit is niet de manier om dat te doen. Het water staat de huisartsen aan de lippen. Ik weet niet wanneer u nog eens op een huisartsenpost was op een drukke dag of in het weekend, maar het is echt wel belangrijk de huisartsen met meer respect te behandelen.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. Uiteraard begrijpen we dat budgettaire overschrijdingen moeten worden aangepakt, maar uit uw zeer uitgebreid antwoord blijkt dat de pijnpunten kunnen worden blootgelegd. Er kan dus perfect op de misbruiken worden ingegrepen.

Daar kiest men nu niet voor. Men opteert nu voor een algemene afschaffing. Ik sluit me aan bij de opmerkingen van de collega's en verwijs naar de kritiek van BVAS – ik citeer –: "Afschaffing van de terugbetaling van teleconsultaties: een onverantwoorde en contraproductieve beslissing". Die verklaring is, denk ik, nog geen week oud. Uw antwoord in de commissie staat dus haaks op wat we daarover lezen. Overigens, we lezen dat niet alleen. Uit mijn contacten met huisartsen bij mij in de regio leer ik dat ze allemaal verbolgen zijn over de beslissing, precies omdat ze met te weinig zijn. Veel van hun collega's vallen ook uit. Daarom moeten ze patiëntenstops invoeren en zijn ze compleet overbelast. Ze zijn zeer, zeer ongerust en een voor een geven ze mij aan dat teleconsultaties een middel zijn om de toegankelijkheid tot de zorg toch te garanderen, een ambitie die u ook uitdrukkelijk in het regeerakkoord hebt uitgesproken. In die zin is de beslissing dus wel wat contradictorisch.

Bovendien moeten we er ook echt over waken dat de vooropgestelde besparing realistisch is. Volgens BVAS is de kans namelijk heel groot dat er een verschuiving komt van teleconsultaties naar fysieke consultaties en die laatste zijn driemaal zo duur. Finaal zou het dus kunnen dat u geen besparing realiseert, maar dat het budget nog verder wordt overschreden.

Het is wel opmerkelijk dat er niet gekozen werd voor een bijsturing en het aanpakken van het misbruik, maar voor een algemene stopzetting. Ik noteer uw verklaring dat er een bijsturing komt. Dan verneem ik graag voor wanneer we die mogen verwachten, want die moet op afzienbare tijd soelaas brengen voor de huisartsen, die absoluut ons respect verdienen voor hun rol in de eerstelijnsgezondheidszorg.

Frieda Gijbels:

Ik ben het helemaal met u eens, mijnheer de minister, dat we te allen tijde moeten trachten de uitgaven binnen de perken te houden en dat we efficiëntieoefeningen moeten blijven doen, waardoor zowel de kwaliteit als de betaalbaarheid van de zorg gegarandeerd blijft. Teleconsulataties moeten wat mij betreft daar zeker deel van uitmaken. Ik hoor dat u daar ook zo over denkt.

Eigenlijk is er nergens op de website van het RIZIV heel duidelijk geformuleerd wat een teleconsultatie wel en niet precies inhoudt. Het is ook voor de patiënten van belang te weten dat voor bepaalde zaken geen teleconsultatie aangerekend kan worden.

U bent niet grondig ingegaan op de kwestie van de videoconsultaties. Ik zal daarover een aantal bijkomende vragen stellen, want ik ben in dat verband toch wat ongerust. Bij een videoconsultatie is een arts-patiëntrelatie niet noodzakelijk. Men kan bijvoorbeeld een arbeidsongeschiktheidsattest opvragen via een dergelijke app. We moeten dat fenomeen goed opvolgen. Het mag niet de bedoeling zijn om arts-patiëntrelaties, die heel belangrijk zijn om de patiënt te kunnen inschatten, te verwaarlozen.

Mijnheer de minister, als we ernaar streven teleconsultaties misbruikproof te maken, aangezien die toch een plaats moeten hebben in de artsenpraktijk, moeten we goed nadenken over de rol van het lage remgeld. Ik besef dat dat geen populaire mening is. Collega Farih denkt daar bijvoorbeeld anders over. Wanneer een arts een laag of zelfs helemaal geen remgeld aanrekent, schat men de waarde van de consultatie niet meer juist in. Ook daarom vind ik dat meer informatie aan de patiënten van belang is.

Nawal Farih:

Het is interessant dat we als collega's met meningsverschillen ook kunnen samenwerken. Op die manier versterken we het systeem immers nog meer.

De timing en de context van dit verhaal is moeilijk. We zitten immers volop in een griepepidemie. Er is heel wat druk op de huisartsen, waardoor het wat ongelukkig is om de teleconsultaties nu terug te trekken.

Ik vind het wel belangrijk dat de overconsumptie gezocht en bestreden wordt. Wat ik hier echter de voorbije twee weken heb gemist, mijnheer de minister, is de communicatie met de patiënten. Er zijn heel wat chronisch zieken die rekenen op die teleconsultaties, net als heel wat senioren. Zij hebben de voorbije twee weken echter in het duister getast. Er is vast en zeker heel wat gecommuniceerd met de artsensyndicaten, maar het is ook onze rol als overheid om de patiënten mee op te nemen in onze communicatie. We moeten ervoor zorgen dat er geen ruis op de lijn zit. Op dit moment hoor ik namelijk heel wat frustratie, zowel bij de artsensyndicaten als bij de patiëntenvertegenwoordigers. Dat moeten we wegwerken, want op die manier zullen we niet naar elkaar toegroeien.

U hebt dus mijn steun voor uw strijd tegen overconsumptie, maar de timing en context hadden beter gekund. Ik begrijp echter dat we rekening moeten houden met het budgettaire kader van vandaag. Ik hoop wel dat we snel kunnen schakelen, want wat mij betreft horen die teleconsultaties ook bij een kwaliteitsvolle en toegankelijke zorg.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw de voorzitster, ik wil even tussenkomen omdat ik iets wil rechtzetten uit eerlijkheid tegenover de leidend ambtenaar van het RIZIV, die ook de voorzitter is van de medicomut.

Men zegt hier dat het RIZIV de artsen het mes op de keel gezet heeft. Dat is onjuist en oneerlijk tegenover de leidend ambtenaar die de medicomut voorzit. Die man is immers naar die vergadering gegaan met hervormingsvoorstellen, die hij meende te kunnen opmaken uit voorafgaande besprekingen. Hij heeft daar tot zijn spijt vastgesteld dat daarover geen eensgezindheid was. Hij heeft niemand het mes op de keel gezet. Daarna hebben alle artsenorganisaties gevraagd om de vergoeding op nul te zetten. Ik citeer letterlijk uit de brief van BVAS-ABSyM. Zij zeggen dat het voorstel dat voorlag niet aanvaardbaar was. Het hervormingsvoorstel was niet goed.

"Nous vous proposons dès lors, à regret, la mise à zéro de la clef de la téléconsultation pour autant que, par arrêté royal, on supprime ce code dans un délai de deux mois. Pour nous, la vision future est plus claire. Et il est plus aisé d'expliquer au patient que la téléconsultation a été supprimée en Belgique pour des raisons budgétaires." C'est la lettre de l'ABSyM, qui prend ainsi ses responsabilités. Donc, j'apprécie. Mais dire qu'on leur a mis le couteau sur la gorge, ce n'est pas exact. Ils ont refusé notre proposition. Avec les autres organisations, ils ont demandé, et même exigé auprès de l'INAMI de mettre le remboursement à zéro. Voilà la vérité.

Men heeft ook gezegd dat dat onmiddellijk moest ingaan. Mevrouw Farih, dat verklaart waarom er een communicatieprobleem met sommige patiënten kan zijn geweest. De artsen zouden dit natuurlijk al enkele maanden met hun achterban hebben kunnen bespreken.

Collega's, ik wil nogmaals zeggen dat een systeem dat gebaseerd is op een loutere terugbetaling per prestatie van zoiets als een telefonische consultatie intrinsiek niet goed controleerbaar is. Men kan wel zeggen dat men die misbruiken eruit moet halen, maar men moet het systeem zelf herdenken.

Het is wel zo dat het principe van de teleconsultatie zeer duidelijk is: een doktersbezoek via een telefoongesprek. De nomenclatuur zegt letterlijk dat die prestatie een volledige anamnese van de patiënt omvat, een eventueel behandelvoorstel, met daarbij het eventueel opmaken en ondertekenen van de nodige getuigschriften, voorschriften en allerlei bescheiden. De arts noteert in het patiëntendossier het contact, de eventuele diagnose, de reden van de raadpleging, de raadgevingen die werd verstrekt, eventuele aanpassingen aan het behandelingsschema en de aard van de documenten die werden afgeleverd. Dat is een teleconsultatie. Dat is niet gewoon een telefoontje. Dat is wel belangrijk. Als het financieel kader bepaalt dat dit wordt betaald, met of zonder remgeld, dan is dat intrinsiek zeer moeilijk controleerbaar, maar ik denk dat teleconsultaties hun plaats moeten hebben.

Ik hoop dat we zo spoedig mogelijk, liefst nog voor het einde van het eerste kwartaal van dit jaar, voorstellen van hervorming krijgen. Ik herhaal wel dat we dan elders de correctie in het artsenbudget zullen moeten zoeken. Het is niet omdat we massaal investeren in de gezondheidszorg dat het kraantje gewoon open staat.

Ik reken ook op het begrip van deze commissie. Sommige mensen zeggen voortdurend dat we zuinig moeten zijn, dat we misbruik moeten bestrijden, dat we doelmatig moeten zijn en dat de uitgaven niet te veel mogen stijgen. Ik hoop dat, als de organisaties zelf hun verantwoordelijkheid nemen of moeten nemen, u hen daarin principieel ook steunt.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, het is vervelend dat u de puntjes op de i wil zetten over het spreken van de waarheid. Ik heb de woorden 'het mes op de keel' niet uitgevonden. Dat staat letterlijk in het persbericht van het Vlaams Artsensyndicaat.

Frank Vandenbroucke:

Ik heb u dezelfde brief van die organisatie letterlijk voorgelezen, waarin zij vraagt de vergoeding op nul te zetten. Ik laat u de conclusies trekken.

Natalie Eggermont:

Wij hebben ook voorgelezen wat in het persbericht staat: "Tijdens de vergadering van het Verzekeringscomité kreeg BVAS het mes op de keel gezet."

Wanneer wij dat hier weergeven, stelt u dat wij de waarheid verdraaien. In het stuk dat u hebt voorgelezen, stelt u zelf ook: " c’était à regret ." Ook Domus Medica heeft een bericht verstuurd, waarin de organisatie uit dat zij teleurgesteld is omdat geen alternatieve besparingsmaatregelen zijn gevonden.

Frank Vandenbroucke:

Dat voorstel kwam al in september 2024 van de organisaties.

Natalie Eggermont:

Het is dus echt een brug te ver dat de artsen daarmee op die manier akkoord zijn gegaan en dat zij die citeren uit persberichten van een artsenvakbond, een loopje nemen met de waarheid.

Frank Vandenbroucke:

Dat heb ik niet aangegeven. Ik heb zelfs het persbericht niet vermeld. Ik heb gewoon opgemerkt dat de artsenorganisaties al in september 2024 zelf hebben voorgesteld de vergoeding op nul te zetten en aan een hervorming te werken. Dat zijn gewoon de nuchtere feiten. Ik apprecieer dat zij ter zake hun verantwoordelijkheid nemen.

Natalie Eggermont:

Nu verwijst u naar berichten van september 2024, toen er ook een hele discussie was over het feit dat er bijdragen waren van verschillende sectoren. Nu is de situatie echter helemaal anders. Ik verwijs nu naar een persbericht van vier dagen geleden. U antwoordt met iets wat al maanden geleden werd verklaard.

Jan Bertels:

Mevrouw de voorzitster, de meesten onder ons zijn het erover eens dat teleconsultaties een rol kunnen spelen in de huisartsengeneeskunde. Het moet dan wel gaan om teleconsultaties zoals ze gedefinieerd zijn. Dat betekent dat er een onderzoek is, een advies en eventueel een behandelvoorstel. Dat is veel meer dan een telefoontje.

We moeten innovatie en nieuwe technieken omarmen, ook de teleconsultaties, maar we moeten dat doen in het kader van een plan, met investeringen en hervormingen. Ik hoop dat we het er allemaal over eens zijn dat het systeem van teleconsultaties moet hervormd worden. De cijfers tonen dat aan. We moeten komen tot een nieuw financieringssysteem. We kunnen het niet laten bij ongecontroleerde prestatiefinanciering. Ik voeg er wel meteen aan toe dat de meeste huisartsen het systeem correct toepassen en dat teleconsultaties echt een plaats hebben in onze gezondheidszorg.

Ik hoop dat in het kader van de investerings- en hervormingsagenda van de federale regering de werkgroep kan komen tot een nieuw systeem voor teleconsultaties in de huisartsengeneeskunde en artsengeneeskunde in het algemeen. Gewoon verder roeien zoals voorheen kan niet.

Collega's, het RIZIV is een administratie. Geen enkel advies- en beslissingsorgaan van het RIZIV kan een maatregel eenzijdig opleggen. Men acteert alleen wat de actoren beslissen. In dit geval was dat de medicomutcommissie. Zeggen dat het RIZIV beslist, is de waarheid geweld aandoen. Laten we samen met de huisartsenorganisaties en artsenorganisatie zo snel mogelijk een nieuw goed draaiend systeem, met een nieuwe financieringswijze, van toepassing maken.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de verduidelijkingen. Er is één zaak duidelijk en dat is dat u op ramkoers ligt met de huisartsenverenigingen. Dat lijkt mij een onhoudbare situatie. U hebt een aantal keren gezegd dat een teleconsultatie niet hetzelfde is als een telefoontje plegen. Dat moet zeker uitgeklaard worden, want de artsen geven mij mee dat zij vaak dat soort teleconsultaties gebruiken om de resultaten mee te delen, te bespreken wat de volgende stappen zijn en daarover afspraken te maken met de patiënten. Dat is efficiënter dan de patiënt telkens opnieuw uit te nodigen in de praktijk. Voor mij moet zoiets absoluut wel vergoedbaar zijn. U zegt dat dit niet hetzelfde is als een telefoontje plegen, maar soms kan zo'n telefoontje wel 10 minuten in beslag nemen. Als een huisarts er zo drie kan voeren in plaats van een consultatie van een halfuur, dan gaat hij volgens mij heel efficiënt te werk en denk ik dat de overheid dat absoluut moet ondersteunen. In die zin vind ik het wat denigrerend als u het hebt over een paar telefoontjes. Er komt daar heel wat meer bij kijken. Dat moet voorbereid worden, resultaten moeten geraadpleegd worden en er moet daarover een verslag worden ingevoerd in het medisch dossier van de patiënt. Dat moet dus absoluut worden uitgeklaard. Er is geen tijd te verliezen, we moeten hiermee aan de slag gaan en het vertrouwen van de huisartsen herstellen. We hebben hen immers heel hard nodig.

De stijging van de farmaceutische uitgaven

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat farmaceutische uitgaven absoluut stijgen (7,5% groei/jaar sinds 2021, 1/3 van de zorgkostengroei), ondanks een relatieve daling (17,2% → 15,7% van het gezondheidsbudget) door extra investeringen elders. Hij kondigt structurele maatregelen aan: prijsdalingen (80M€/jaar van de industrie), strengere controles (bv. semaglutiden, 10M€ besparing), doelmatiger voorschrijven (16M€ voor artsen) en een nieuw farmakader om innovatie en tekorten te beheersen. Gepersonaliseerde geneeskunde (bv. oncologie) krijgt voorrang via genetische tests (PITTER-register) en selectieve vergoeding, maar moet kostenefficiënt blijven. België zet in op precisiegeneeskunde om trial-and-error te vermijden, met versterkte samenwerking tussen onderzoek en kliniek. Bury benadrukt kritische punten: snellere toegang tot semaglutiden voor obesitas (potentiële besparingen), betere afbouw van antidepressiva (overvoorschrijven en gewenning) en opvolging van beloftes, met name de daadwerkelijke implementatie van de roadmap. De rol van de CRM (terugbetalingscommissie) wordt gemoderniseerd voor snellere toegang tot innovatie, met transparantere prijzen (bv. IPCP voor generieken) en Europese afstemming, maar blijft afhankelijk van stakeholder-samenwerking.

Katleen Bury:

Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Op het jaarlijkse symposium van de Belgian Specialist Group (GBS) dat werd gehouden op 2 februari, werd de stijging van de farmaceutische uitgaven in België besproken. Het debat ging dieper in op de complexe dynamiek van geneesmiddelprijzen, farmaceutische budgettering en de ethische overwegingen rond gepersonaliseerde geneeskunde.

Stan Politis, voorzitter van de GBS, benadrukte enerzijds dat artsen vaak verantwoordelijk worden gesteld voor het volume van de voorgeschreven geneesmiddelen en anderzijds dat de farmaceutische industrie de verantwoordelijkheid draagt voor de prijsstelling.

De discussie bracht verschillende invalshoeken naar voren, van de rol van gepersonaliseerde geneeskunde tot de ethiek van dure geneesmiddelen voor zeldzame ziekten. Daarnaast werden er cijfers gegeven die de bewering van een stijging van de farmaceutische uitgaven deels weerlegden, o.a. door de verklaring van Pedro Facon, adjunct-algemeen administrateur van het RIZIV, die aangaf dat de farmaceutische uitgaven als percentage van het totale budget zijn afgenomen.

Wat is uw reactie op de cijfers van het RIZIV, dat de farmaceutische uitgaven als percentage van het totale budget zijn gedaald van 17,2 % in 2015 naar 15,7 % in 2024? Ziet u dit als een indicatie dat de farmaceutische kosten geen oncontroleerbare stijging doormaken?

Wat is uw visie over de verantwoordelijkheden van artsen en de farmaceutische sector met betrekking tot prijsstelling en voorschrijvingspraktijken?

Er werd ook gesproken over de ethische dilemma's rondom de prijsstelling van gepersonaliseerde medicijnen, bijvoorbeeld in de oncologie of bij zeldzame ziekten. Hoe kijkt u aan tegen de toenemende rol van gepersonaliseerde geneeskunde en hoe zorgt u ervoor dat de prijzen van deze medicijnen toegankelijk blijven voor de patiënten die ze nodig hebben?

Het symposium noemde België sterk in genetisch onderzoek en het testen van genetische profielen voor het voorschrijven van bepaalde medicijnen. Zijn er plannen om deze capaciteit verder te benutten voor precisiegeneeskunde en kostenefficiëntie?

De discussie rond de vergoeding van dure geneesmiddelen en de rol van de Commissie voor de Vergoeding van Geneesmiddelen (CRM) kwam aan bod. Hoe ziet u de rol van de CRM in het bepalen van terugbetalingsbeleid en hoeveel invloed heeft U als bevoegde minister op dit proces?

Er werd gediscussieerd over de invloed van de farmaceutische industrie in België, zowel economisch als op het gebied van innovatie. Hoe zorgt u ervoor dat de samenwerking met de farmaceutische industrie bijdraagt aan de gezondheid van de bevolking zonder dat het financiële lasten voor de zorg te veel opdrijft?

Frank Vandenbroucke:

Op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat de farmaceutische uitgaven stijgen in absolute cijfers. Ten aanzien van het gezondheidsbudget is er relatief gezien wel een daling, maar dat heeft ermee te maken dat we in de vorige regeerperiode besloten hebben om veel extra middelen vrij te maken voor bijvoorbeeld psychologische zorg, ondersteuning van het zorgpersoneel, tandzorg, kine, auditieve hulpmiddelen enzovoort. Daardoor is er een relatieve daling, maar in absolute zin stijgen de uitgaven sterk.

Sinds 2021 bedraagt de jaarlijkse groei van de netto-uitgaven in de farmaceutische sector 7,5 %. Dat is eigenlijk meer dan de groei die we bij de opmaak van de begroting hadden toegestaan. Bij ongewijzigd beleid kunnen we verwachten dat er in deze regeerperiode een gemiddelde jaarlijkse stijging van 6 % in de geneesmiddelenuitgaven zou plaatsvinden. De cumulatieve evolutie kost in totaal 1,3 miljard euro. Daarmee is de farma verantwoordelijk voor een derde van de uitgavengroei in de gezondheidszorg. Men kan dus zeker niet zeggen dat er geen inspanning moet gebeuren om de geneesmiddelenuitgaven beheersbaar te houden.

Om de groei in het geneesmiddelenbudget beheersbaar te houden, moeten alle stakeholders een inspanning leveren: de industrie, de artsen en de apothekers. Er moet ook een betere controle komen op de naleving van de afleveringsvoorwaarden.

Ten aanzien van de industrie wordt op jaarbasis een inspanning van 80 miljoen euro gevraagd. Daarvoor voeren we een algemene prijsdaling van alle geneesmiddelen in. Tenminste, dat is wat ik voorleg in de begroting voor 2025. Dat is ook een beetje een antwoord aan mevrouw Eggermont. Er komen ook maatregelen inzake de farma in de begroting.

Een louter algemene prijsdaling kan men ook niet op zich invoeren, want dat houdt wel risico's in. We combineren dat met de invoering van een vangnet, om te voorkomen dat de prijs van bepaalde geneesmiddelen te laag zou worden. Het definitieve percentage van de beoogde prijsdaling hangt af van de modaliteiten met betrekking tot dat vangnet.

Het saldo van de te behalen besparingsopbrengst wordt gerealiseerd – dat is ons voorstel en het wordt ook wel besproken met de industrie – door een claw forward , die we ook bij wet zullen moeten invoeren. Belangrijk is dat een prijsdaling een structureel effect in de begroting heeft, terwijl een claw forward dat niet heeft. Dat is niet het enige wat we willen doen, wel integendeel. We hebben eigenlijk nood aan een nieuw farmaceutisch meerjarenkader. Dat staat ook in het regeerakkoord. Binnen dat kader zullen we met alle betrokkenen zowel werken aan het terugdringen van geneesmiddelentekorten als aan een goede toegang tot innovatie.

Aan de apothekers wordt gevraagd een inspanning van 7 miljoen euro te leveren voor de begroting van 2025. Daarom wordt onder meer de economische marge voor het jaar 2025 niet geïndexeerd, maar worden er wel middelen voorzien om de continuïteit van het afbouwprogramma benzodiazepines te verzekeren, in het kader van het goed gebruik van geneesmiddelen.

Wat de controle op de afleveringsvoorwaarden betreft, blijkt eigenlijk dat de voorwaarden voor zogenaamde hoofdstuk 4-geneesmiddelen niet altijd worden nageleefd. Dat is bijvoorbeeld zo voor semaglutiden, waarvan Ozempic en Rybelsus de bekendste zijn. Onder de coördinatie van de Hoge Raad van artsen-directeurs zullen de verzekeringsinstellingen met de steun van het RIZIV een controleprogramma opstellen, met bijzondere aandacht voor de semaglutiden, voor tweede- en derdelijnsdiabetesmedicatie en de geneesmiddelen voor familiale hypercholesterolemie. Bijkomende domeinen kunnen in overleg met de verzekeringsinstellingen worden gedefinieerd. Die controles moeten minstens 10 miljoen euro op jaarbasis opbrengen vanaf 2025.

Wat de artsen-voorschrijvers betreft, zetten we in op doelmatig voorschrijven. Voorschrijvers spelen een belangrijke rol in het geneesmiddelbeleid en ze worden daarin ondersteund door richtlijnen, indicatoren, profielfeedback enzovoorts. In het begrotingsvoorstel 2025 dat ik zal implementeren en daartoe aan de regering zal voorleggen, wordt 16 miljoen euro voorzien voor doelmatiger voorschrijfgedrag. Dat zullen we wel laten garanderen door de artsenhonoraria, maar we zullen dat natuurlijk en bij voorkeur zoveel mogelijk effectief realiseren door maatregelen met betrekking tot medicatievoorschrift.

Wat uw derde vraag betreft, brengt gepersonaliseerde geneeskunde opportuniteiten met zich mee, maar ook belangrijke budgettaire en logistieke uitdagingen. We zullen die dus doelgericht moeten inzetten om verspilling te voorkomen. Daarom worden patiënten voor de start van de behandeling getest, om te voorspellen of ze therapeutische voordeel zouden halen uit de behandeling en niet te veel bijwerkingen zouden ondervinden. Er zal alleen een vergoeding worden voorzien indien aangetoond wordt dat de patiënt hoogstwaarschijnlijk goed zal reageren op therapie.

Wat uw vierde vraag betreft, is België inderdaad een belangrijke speler in genetisch onderzoek. Er zijn plannen om die capaciteit verder te benutten, vooral op het gebied van precisiegeneeskunde. Het testen van genetische profielen helpt zoals gezegd bij het voorschrijven van gepersonaliseerde medicijnen die beter aansluiten bij de genetische make-up van een individu. Dat leidt op zijn beurt tot betere behandelingen, wat kan bijdragen tot kostenefficiëntie omdat het de noodzaak van trial-and-errorbehandelingen vermindert.

Laboratoria registreren het resultaat van de testen in een geautomatiseerd register, het PITTER. Dat register bevat geen gespecificeerde genetische informatie, maar een generieke interpretatie van het resultaat, bijvoorbeeld 'activerende mutatie' of 'geen activerende mutatie'. Op die manier kunnen voor België volledige epidemiologische gegevens verzameld worden, wat positief is voor de gepersonaliseerde geneeskunde. Er zijn al verschillende initiatieven in België die zich richten op de combinatie van genetisch onderzoek met medicatie. We zijn ook van plan om die inspanning te versterken.

Ik zal nu antwoorden op uw vijfde vraag. Een speerpunt van de roadmap geneesmiddelen betreft de modernisering van de terugbetalingsprocedures en de CTG. We zullen inzetten op betere patiëntenvertegenwoordiging. We zullen de procedures ook efficiënter maken en zetten in op een nieuw systeem voor snelle en duurzame toegang tot veelbelovende therapieën. Wat de farmaceutische specialiteiten onder contract betreft, zal een ontwerp van koninklijk besluit worden uitgewerkt voor de opstelling van een zogenaamde IPCP, een indicatieve postconventieprijs. Dat moeten fabrikanten van generieken en biosimilairen verhoogde transparantie bieden, zodat ze sneller op de markt kunnen komen, waardoor de concurrentie ook sneller kan spelen. Ik volg alles nauwgezet op.

Ik kom nu tot uw laatste vraag. We streven naar een vernieuwend geneesmiddelenbeleid om de patiënten toegang te geven tot hoogwaardige farmaceutische specialiteiten. We doen dat sinds medio 2022 met intense dialoog en in overleg met alle stakeholders: de industrie, de verzekeringsinstellingen, de academische vertegenwoordigers, patiëntenorganisaties, de artsen, apothekers en de betrokken overheidsdiensten. Dat proces resulteerde in een stakeholderrapport met gemeenschappelijke doelstellingen, opgesteld onder leiding van professor Isabelle Huys in samenwerking met het RIZIV. We hebben dat rapport omgezet in een roadmap geneesmiddelen. Dat blijft de blauwdruk voor ons beleid en de stakeholders blijven ook betrokken bij de implementatie. Verder richten we de blik ook op Europa, waar tal van initiatieven lopende zijn of zullen worden gelanceerd inzake geneesmiddelen.

Katleen Bury:

Bedankt voor uw uitgebreide antwoord. Het symposium van de Belgian Specialist Group was zeer interessant. Veel boeiende zaken en probleemstellingen zijn er aan bod gekomen. Vandaar ook al mijn vragen daaromtrent. U doet zeer veel beloftes. Dat verheugt mij enigszins, maar ik zal met argusogen opvolgen of u die beloftes ook allemaal nakomt. Op het symposium werd gesproken over medicatie voorgeschreven tegen depressies. U zei dat er vooral naar de verzekeringsinstellingen zal worden gekeken die extra controles zullen uitvoeren op semaglutiden. Die medicatie is uiteraard bedoeld voor diabetes en nog niet voor zwaarlijvigheid. Ik hoop dat dat snel zal worden herzien, gelet op de verbeterde gezondheid die die medicatie bij die patiënten tot stand kan brengen, met mogelijke besparingen in de gezondheidszorg tot gevolg. Het is belangrijk dat men de artsen in hun voorschrijfgedrag bijstaat bij de afbouw van antidepressiva. Tijdens het symposium kwam ter sprake dat er soms heel veel medicijnen worden voorgeschreven, zonder dat er in een afbouw wordt voorzien. Soms zitten patiënten aan vier medicijnen per dag en wordt niet echt bekeken hoe die medicatie langzaamaan kan worden afgebouwd. Die afbouw zou natuurlijk goed zijn voor de patiënt, want er treedt altijd wel een soort gewenning op, waardoor men het moet blijven opstapelen. Daarnaast is de afbouw van medicatie ook goed voor de gezondheidszorg. Medicijnen vertegenwoordigen enorme kosten. Ik ken de cijfers niet uit het hoofd, maar het is hallucinant hoeveel mensen zo'n verzameling medicatie gebruiken. Daarvan moet dus dringend werk worden gemaakt, in het belang van de volksgezondheid en om te kunnen besparen.

De enquête van Solidaris over zorguitstel

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat financiële (supplementenverbod voor kwetsbaren) en administratieve drempels (automatische verhoogde tegemoetkoming) aangepakt worden, maar concrete uitvoering—zoals veralgemening van de derde-betalersregeling—vereist nog overleg met zorgverleners. Eggermont kritiseert het vage regeerakkoord (e.g. derde-betalersregeling bij kinesisten/tandartsen ontbreekt in detailakkoorden) en waarschuwt voor een tweesnelheidsgeneeskunde door gedeeltelijke supplementbeperkingen, die risico’s op ongelijkheid inhouden. Supplementenverbod (2024-2026) en automatisering verhoogde tegemoetkoming (sinds okt ’24 voor specifieke groepen) zijn eerste stappen, maar structurele oplossingen blijven onvoldoende uitgewerkt. Toegankelijkheid blijft knelpunt door financiële *en* geografische barrières (e.g. patiëntenstops).

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, mijn vraag gaat over de studie van Solidaris over het zorguitstel, dat in de bespreking van het regeerakkoord een aantal keren aangehaald werd door de collega's, omdat er heel wat bezorgdheid heerst over de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de zorg.

Uit die enquête blijkt dat 6 op 10 van de Nederlandstalige patiënten zich zorgen maken. Die bezorgdheid kan op zich veel stress veroorzaken, maar heeft ook een negatief effect op de gezondheid. Dat veroorzaakt uitstel van zorg. De cijfers tonen aan dat 26 % van de Nederlandstalige patiënten minstens 1 keer zorg uitstellen om financiële redenen. Bij Franstalige patiënten ligt het percentage zelfs op 41 %. Dat is heel betreurenswaardig. Niemand zou zorg mogen uitstellen wegens financiële redenen.

Een financiële drempel is echter niet de enige uitdaging. Ook geografische factoren spelen een rol voor de patiënten. Patiëntenstops maken het vaak moeilijk een zorgverlener te vinden. 35 % van de Nederlandstalige respondenten werd daarmee geconfronteerd, vooral voor tandartsbezoeken. Wanneer mensen geen zorgverlener vinden, leidt dat vaak opnieuw tot uitstel van zorg, met alle gevolgen van dien. Ook wordt de factuur dan uiteindelijk veel zwaarder, zowel voor de patiënt als voor de maatschappij.

Solidaris heeft een aantal aanbevelingen gedaan. Die aanbevelingen zijn nog altijd razend actueel. Een van de aanbevelingen is de financiële barrières wegwerken door een uitbreiding van de derde-betalersregeling. Het zou interessant zijn te horen waar we ter zake staan, want in het regeerakkoord bleef dat maar vaag. Tijdens de discussie daarover vroeg collega Farih zich nog af welke teksten de mensen hadden gelezen. Ze zei dat er een derde-betalersregeling met remgeld zou zijn voor logopedisten, kinesisten, tandartsen en huisartsen, maar dat staat allemaal niet zo goed omschreven in het regeerakkoord.

We horen dat er nu toch heel wat discussie over is, dus ik wil wel graag weten waar we nu precies staan. Solidaris wil dat de toekenning van het recht op een verhoogde tegemoetkoming geautomatiseerd wordt. Daarover staat echter niets in het regeerakkoord. Ik vraag me af hoe u dat ziet.

Tot slot, men zou het gebruik van supplementen afbouwen en op termijn overbodig maken. In het regeerakkoord wordt nu alleen gesproken over het beperken ervan. Op een bepaald moment werd in het debat gezegd dat ze helemaal afgeschaft mogen worden. Ik zou graag weten waar we ook op dat punt staan.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Eggermont, de resultaten van de enquête bevestigen mijn overtuiging dat we nog meer inspanningen moeten leveren voor een toegankelijke gezondheidszorg. In de vorige regeerperiode zijn belangrijke inspanningen gebeurd, maar het werk is dus niet af.

Ik kan me eigenlijk volledig vinden in de aanbevelingen van het rapport. Uit de enquête blijkt onder andere dat bij de groep respondenten die het statuut 'verhoogde tegemoetkoming' hebben, dubbel zoveel mensen zich vaak zorgen maken over de betaalbaarheid van de gezondheidszorg dan in de groep die dat statuut niet hebben. Een belangrijke stap in het vrijwaren van financiële toegankelijkheid voor rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming is, zoals de enquête ook zegt, het verbod op supplementen voor verstrekkingen verleend door artsen en tandartsen bij mensen met recht op de verhoogde tegemoetkoming. U weet dat ik daarvoor in de vorige regeerperiode gevochten heb en dat ik uiteindelijk, na veel overleg en veel discussie, die beslissing ook heb kunnen laten nemen. Het verbod voor elke arts en elke tandarts om een supplement te vragen op het ereloon, ongeacht of die arts of tandarts al dan niet geconventioneerd is, bij een patiënt met een verhoogde tegemoetkoming, is fundamenteel. Dat is in een eerste stap in die twee sectoren ingevoerd per 1 januari en de volgende stappen volgen in het jaar 2026.

Solidaris heeft het ook over de derde-betalersregeling. U weet dat we in de vorige regeerperiode al iets belangrijks hebben gedaan. Het verbod op de toepassing van de derde-betalersregeling voor bepaalde verstrekkingen hebben we namelijk opgeheven. Sinds 1 januari 2022 kan een zorgverlener dus de derde-betalersregeling toepassen voor alle geneeskundige verstrekkingen, ongeacht het statuut van de patiënt. In een aantal sectoren gelden wel nog verbodsbepalingen op de toepassing van de derde-betalersregeling, om welbepaalde redenen, bijvoorbeeld in de situatie waarbij de zorgverstrekker een supplement aanrekent. Het resultaat van die eerste zeer belangrijke stap is dat we wel een stijging zien van het aantal zorgverleners dat met de derde-betalersregeling werkt. Dat is met name zeer opvallend en zeer succesvol voor de huisartsen.

Nu, in het regeerakkoord staat dat we op dat vlak nog ambitieuzer willen zijn en dat zullen we dan ook uitvoeren. De modaliteiten daarvan en de timing zijn een zaak voor overleg, ook met de zorgverleners zelf, want ik wil daarover met hen wel ernstig overleggen. Een voorwaarde om de derde-betalersregeling verder te veralgemenen is natuurlijk dat men een elektronische facturatie heeft die in orde is, waardoor de zorgverstrekker van die derde-betalende zeer snel de betaling van het honorarium krijgt. Dat is wel essentieel.

Vervolgens vraagt u of ik pleit voor een automatische toekenning van het recht op de verhoogde tegemoetkoming, zoals Solidaris suggereert. Welnu, in het algemeen pleit ik er helemaal voor om rechten zoveel mogelijk automatisch toe te kennen. Dat is administratief gewoon beter, maar helpt ook om non take-up tegen te gaan. We hebben in de vorige legislatuur al een belangrijke stap gezet wat betreft het beter toekennen van de verhoogde tegemoetkoming. Op 1 oktober 2024 werd een nieuwe manier van toekenning van de verhoogde tegemoetkoming ingevoerd voor bepaalde doelgroepen. De toekenning op initiatief van het ziekenfonds is van toepassing op alleenstaanden met of zonder kinderen ten laste die minstens drie maanden werkloos, arbeidsongeschikt of invalide zijn. In dat geval voert het ziekenfonds zelf een onderzoek uit naar de inkomsten van die doelgroep op basis van authentieke bronnen.

Ik vind het belangrijk dat we verder onderzoeken of het mogelijk is om nieuwe gegevensbanken te raadplegen om de verhoogde tegemoetkoming te kunnen toekennen zonder dat de verzekerde een verklaring op erewoord moet invullen.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. We zullen het debat wellicht nog verder voeren. Ik heb bij de bespreking van het regeerakkoord over het gezondheidsluik gezegd dat er allerlei zaken in staan die nog concreet moeten worden gemaakt. Het valt op dat er werd benadrukt dat er een derde-betalersregeling komt bij logopedisten, kinesisten, tandartsen en huisartsen, terwijl we twee weken later al merken dat er daarover toch geen detailakkoord bestaat tussen de partners. Een van de punten van kritiek is net dat, als het bijvoorbeeld gaat over de flexibilisering van jobs of over langer werken, het akkoord heel specifiek is, maar dat het voor eerder positieve zaken heel vaag blijft en er, als puntje bij paaltje komt, over toch nog niet zoveel overeenstemming is. Het is heel goed dat er een verbod op supplementen komt voor patiënten met verhoogde tegemoetkoming. Solidaris onderschrijft dat en vindt dat een heel belangrijke eerste stap, maar wijst ook op het potentieel van een geneeskunde met twee snelheden. Dat is ook iets waarover we al hebben gedebatteerd in deze commissie. Doordat de supplementen maar gedeeltelijk beperkt zijn, ontstaat er inderdaad een geneeskunde met twee snelheden. Dat zien we nu ook met de scans en we hebben al de discussie gehad over de dermatologen. Men krijgt dan een geneeskunde waarbij wie het kan betalen, kan voorsteken. We moeten echt verder gaan. De eerste stappen zijn goed, maar die houden ook allerlei risico's in. Het is dus absoluut nog niet voldoende. La présidente : La question n° 56002400C de Mme Frieda Gijbels est transformée en question écrite. Les questions jointes n° 56002402C de Mme Frieda Gijbels et n° 56002450C de M. Daniel Bacquelaine tombent étant donné qu'ils sont tous les deux absents.

De dubbele facturatie van borstkankerbehandelingen
De dubbele facturatie van bestraling tegen borstkanker door Antwerpse artsen
Dubbele facturatie van borstkankerbehandelingen en bestralingen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dubbele facturering van SBRT-behandelingen (€4.000/patiënt) in Antwerpen, leidend tot €5 miljoen budgetoverschrijding, maar stelt dat onduidelijke nomenclatuurcodes juridische vervolging onmogelijk maken. Regelgeving wordt nu aangescherpt om misbruik te blokkeren, maar fraude kan niet hardgemaakt worden door gebrek aan eenduidige wetgeving. RIZIV onderzoekt met ziekenhuizen en past codes aan, zonder concrete deadline. Vertrouwen herstellen vereist transparantere controles, maar terugvordering van gelden is onhaalbaar.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, Het Laatste Nieuws onthulde recent onregelmatigheden in de Antwerpse ziekenhuispraktijken inzake de behandeling van borstkanker. Artsen in de regio bleken jarenlang zogenaamde stereotactic body radiation therapy (SBRT) als aanvullende behandeling te hebben toegepast, hoewel die behandeling volgens vele experts niet noodzakelijk was. De techniek, die 4.000 euro per patiënt kost en volledig wordt terugbetaald door de ziekteverzekering, werd blijkbaar dubbel gefactureerd, namelijk één keer voor de standaardbehandeling en een tweede keer voor de dure SBRT-behandeling. Dat heeft geleid tot een overschrijding van het totale zorgbudget met maar liefst 5 miljoen euro.

Na de spookconsultaties, de dubbele tests en andere mogelijke vormen van fraude gaat het hier over dubbele facturering. Hebt u kennisgenomen van de onthullingen over dubbele facturering? Is er sprake van fraude of is er ter zake een onduidelijkheid qua regels en procedures?

Wat doet u om dergelijke gevallen van onterechte dubbele facturering te voorkomen? Is er een tekortkoming in het systeem van het RIZIV die de dubbele facturering mogelijk maakt? Wordt de facturering voldoende gecontroleerd? Moet er meer transparantie komen in het proces van terugbetalingen? Heeft het RIZIV daarvoor voldoende middelen?

Hoe zult u ervoor zorgen dat het vertrouwen van de patiënt in het systeem door de situatie niet wordt aangetast? Welke stappen onderneemt u om een herhaling van dergelijke wanpraktijken te voorkomen?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ook mij deed het de wenkbrauwen fronsen dat een aantal Antwerpse artsen volgens het artikel waarnaar mevrouw Bury verwijst, bestralingen jarenlang dubbel zouden hebben gefactureerd. Zij zouden dat volgens latere artikels wel betwisten. Kunt u daarover meer informatie geven?

Stereotactic body radiation therapy (SBRT) blijkt bijzonder duur, ongeveer 4.000 euro per patiënt, en zou volledig worden terugbetaald. Sommige radiotherapeuten zien geen reden om die specifieke techniek te gebruiken. Naar verluidt zou door die keuze van behandeling ongeveer 5 miljoen euro verloren zijn gegaan of onterecht zijn aangerekend. De controledienst van het RIZIV zou ook alle radiotherapeuten een brief hebben gestuurd met de boodschap dat de standaardtherapie en SBRT niet in combinatie met elkaar mogen worden aangerekend.

Bent u op de hoogte van de feiten? Heeft de dubbele aanrekening gezorgd voor budgetoverschrijding? Klopt het dat het RIZIV de artsen gerechtelijk niet kan vervolgen en die 5 miljoen euro dus niet kan terugvorderen? Juridisch kan die praktijk misschien niet worden aangeklaagd, maar ze doet een aantal deontologische vragen rijzen. Welke acties wenst u op dat vlak te ondernemen? Via de afdrachten hebben ook de Antwerpse ziekenhuizen geprofiteerd van de dubbele aanrekening. Kan het RIZIV acties ondernemen tegen die ziekenhuizen?

Frank Vandenbroucke:

De Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle heeft inderdaad een sensibiliseringsbrief gestuurd naar aanleiding van een onvoorziene stijging van het vooropgestelde budget die gecommuniceerd was in de werkgroep Interne Geneeskunde van de Technisch Geneeskundige Raad.

Er is inderdaad een probleem, omdat men als sociaal inspecteur van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle alleen maar kan overgaan tot een proces-verbaal van vaststelling met ook een terugvordering van onterecht aangerekende bedragen, als de regelgeving echt zeer eenduidig is en dat is vandaag jammer genoeg niet het geval. De meeste nomenclatuurcodes voor radiotherapie en inzonderheid de nomenclatuurcodes voor stereotactische radiotherapie kunnen niet alleen voor borsttumoren worden gebruikt. Dat maakt het moeilijk om onterechte facturatie eenduidig vast te stellen. De beschrijving van die nomenclatuurcodes moet dus explicieter worden om onterecht gebruik onmogelijk te maken. Dat proces is inmiddels opgestart.

Ik kan u wel zeggen dat het RIZIV al een overleg had met de betrokken ziekenhuizen. Puur juridisch kan men niet zeggen dat het een overtreding is waar vervolging op zal volgen, maar het moet absoluut worden opgeklaard in de regelgeving en dat proces is ook gestart.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dat was het antwoord dat ik verwacht had, vandaar mijn eerste vraag of het gaat over onduidelijkheid of fraude.

De nomenclatuurcodes worden explicieter. De enige vraag die ik nog heb, is of daarvoor al een deadline bestaat of dat we nog in blijde verwachting zijn.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, op zich is het natuurlijk goed dat de regelgeving wordt aangepast, maar ik heb de indruk – misschien heb ik niet genoeg geluisterd – dat er werkelijk sprake was van fraude. Is dat zo, mijnheer de minister? Hebt u dat kunnen vaststellen?

U wijst er wel op dat de therapie ook kan gebruikt worden voor andere aandoeningen en andere vormen van kanker, maar ik neem toch aan dat de aanrekeningen die de betreffende experten in borstkankeronderzoek – overigens niet van de minsten – via die specifieke codes deden, toch absoluut bedoeld werden voor borstkankeronderzoek. Of klopt dat niet?

Frank Vandenbroucke:

Ik heb daarover uitvoerig gesproken met de verantwoordelijken van het RIZIV. Zij zeggen mij dat die regelgeving helaas onvoldoende duidelijk is om tegen de vastgestelde praktijk een proces-verbaal op te maken en met succes juridische stappen te zetten. Die regelgeving moet dus verduidelijkt worden.

De toxische leer- en werkomgeving van artsen in opleiding

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Structureel grensoverschrijdend gedrag (intimidatie, vernedering, machtsmisbruik) tegen artsen in opleiding is wijdverspreid en schaadt zowel hun mentale gezondheid als de kwaliteit van zorg, terwijl concrete cijfers en structurele oplossingen ontbreken. De federale overheid werkt aan een kwaliteitskader (via de Hoge Raad, adviezen verwacht in 2025) en versterkte meldingskanalen (o.a. via collectieve arbeidsovereenkomsten en welzijnsregels), maar monitoring en data zijn onvoldoende, wat actie bemoeilijkt. Anonimiteit en machtsongelijkheid (bv. afhankelijkheid van examinatoren) verzwaren klachtindiening, terwijl de economische en zorggerelateerde gevolgen (burn-out, slechtere besluitvorming) onvoldoende in kaart zijn gebracht. Bury benadrukt dringende nood aan transparantie, cijfers en bindende regels om de cultuur van stilte en straffeloosheid te doorbreken.

Katleen Bury:

Dit is een belangrijke vraag. Intimidatie, vernedering en grensoverschrijdend gedrag blijven wijdverspreid tegen artsen in opleiding. Een recente reportage van de RTBF Artsen in opleiding: mishandeling onder stilte , bevestigt dat de problematiek structureel en diepgeworteld is. In deze reportage werd onderzoek gedaan naar de werkomstandigheden op de orthopedische afdeling van de Cliniques Universitaires Saint-Luc in Brussel. Volgens getuigenissen ging het om pesterijen, waarbij jonge artsen zich voortdurend in een sfeer van angst bevonden. Een getuige, die er meer dan vijftien jaar geleden werkte, verklaarde dat hij psychologisch vernietigd werd en tot op de dag van vandaag de gevolgen ondervindt.

Ook de covoorzitter van de Franstalige delegatie van artsen in opleiding verklaarde: "Je kunt geen gespecialiseerde arts in opleiding vinden die geen situatie van intimidatie of druk in zijn of haar omgeving heeft meegemaakt of gehoord."

Ook in mijn omgeving hebben artsen in opleiding en artsen die al langer zijn afgestudeerd daarmee te maken gehad: voortrekken, vernedering. Men heeft altijd een voetje voor als men aan bepaalde zaken toegeeft bij proffen. Dat is hallucinant, maar dat is schering en inslag.

Naast de psychologische impact op de slachtoffers, heeft dat ook gevolgen voor de kwaliteit van de gezondheidszorg, voor de besluitvorming en de prestaties van die jonge artsen. Zij worden negatief beïnvloed. Bovendien moeten de gezondheidszorg en sociale zekerheid opdraaien voor de problemen achteraf. Ik weet dat heel die organisatie, de werkplek, de medische opleiding onder de bevoegdheden van de deelstaten valt, maar het is van cruciaal belang dat de vraag ook op federaal niveau wordt gesteld.

Mijnheer de minister, heeft de federale regering al initiatieven genomen om grensoverschrijdend gedrag binnen de medische sector te monitoren en te bestrijden? Zijn er federale richtlijnen voor de samenwerkingsverbanden met de deelstaten en om het probleem structureel aan te pakken?

Wordt onderzoek gevoerd naar de impact van grensoverschrijdend gedrag op de mentale gezondheid van de artsen in opleiding en de gevolgen ervan op de gezondheidszorg?

Zijn er cijfers beschikbaar over de economische impact van burn-out en mentale gezondheidsproblemen bij artsen en artsen in opleiding? Zijn er statistieken beschikbaar over het aantal meldingen van grensoverschrijdend gedrag binnen de medische sector?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, deze kwestie houdt ons bezig. In de FOD Volksgezondheid volgt een projectteam dat thema ook op. Dat team heeft in het verleden de website www.aso-macs.be gelanceerd en ook het rapport 'Kwaliteit van de stages van artsen-specialisten in opleiding in België, een bevraging bij de belangrijkste actoren' gepubliceerd.

In mei 2024 vroeg ik aan het bevoegde adviesorgaan, de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen, om een advies te formuleren op vijf adviesvragen rondom de stages van artsen in opleiding. Ik verwacht die adviezen in de loop van 2025 en we zullen de resultaten nadien in initiatief en reglementering omzetten. De ontwikkeling van dat kwaliteitskader – want daar gaat het eigenlijk over – vormt de hoeksteen van het systeem om de kwaliteit van de stages verder te waarborgen. De ontwikkeling van een kwaliteitsmonitoring- en feedbacksysteem heeft als doel een bijkomend zicht te krijgen op de kwaliteit van de opleiding en tevens continue verbetering na te streven in de stagediensten.

Als antwoord op uw eerste vraag stelt de collectieve overeenkomst van 19 mei 2021, gesloten binnen de Nationale Paritaire Commissie Artsen-Ziekenfondsen, in artikel 12 vast dat de codex over het welzijn op het werk van toepassing is op de personen die artsen-specialisten in opleiding tewerkstellen. Daarin staat meer in het bijzonder dat de partijen zich engageren om hun interne procedure met betrekking tot problemen inzake grensoverschrijdend of ontoelaatbaar gedrag aan te scherpen. De contactgegevens van de vertrouwenspersoon of de preventieadviseur psychosociale aspecten dienen ook uitdrukkelijk in de opleidingsovereenkomst vermeld te worden. Dat werd tot nu toe ook jaarlijks gecontroleerd voor het toekennen van het bijkomende budget via het BFM voor de meerkosten van die collectieve overeenkomst.

Ik kom nu tot uw tweede vraag. De tweede collectieve overeenkomst, die van 21 december 2023, is relevant met het oog op het vermijden van mistoestanden op het vlak van arbeidsduur of op het vlak van de niet-registratie van de geleverde arbeidsprestaties. De wettelijke verplichting voor werkgevers om onafhankelijke meldingskanalen in te stellen, biedt de melders bescherming tegen represailles. De ASO's dienen op de hoogte te worden gebracht van de desbetreffende meldingskanalen. Daarnaast creëerde de FOD in 2022 een e-brochure die alle informatie over de opleiding van de ASO bundelt. Een pagina met betrekking tot de vraag wat men moet doen bij moeilijkheden is opgenomen in deze e-brochure onder het thema welzijn.

Wat uw derde vraag betreft, is de inhoud van de masteropleiding in de geneeskunde natuurlijk een gemeenschapsbevoegdheid. Onder andere via de financiering van het RIZIV-project Gezondheid bij artsen richtte de onafhankelijke organisatie Arts in nood de afgelopen jaren webinars in rond agressie tegen artsen, dierenartsen en apothekers, namelijk 'arts versus management' en 'mentaal welzijn in de geneeskunde'. Men neemt daar dus wel degelijk initiatieven met onze steun.

Ik kom nu tot uw vierde vraag. Om erkend te worden als stagemeester en stagedienst dient men minimaal vijfjaarlijks een dossier in te dienen bij de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen. De leden van dat adviesorgaan analyseren het dossier op basis van bepaalde kwaliteitscriteria, opgenomen in het ministerieel besluit van 23 april 2014, zoals de rol van de coördinerend stagemeester en de stagemeester rond de supervisie, evaluatie, wetenschappelijke vorming enzovoort.

In het kader van het verbeteren van de kwaliteit van de opleiding werden de bovengenoemde vijf adviesaanvragen gesteld aan de Hoge Raad van artsen-specialisten en van huisartsen, zodat er een kwaliteitskader wordt vastgelegd en een bijkomend systeem van kwaliteitsmonitoring en feedback.

Ik kom tot uw vijfde vraag. De FOD Volksgezondheid beschikt niet over gegevens. Er dient wellicht nagegaan te worden of de FOD Werkgelegenheid over statistieken beschikt.

Inzake uw zesde vraag zijn de gegevens voor wat zeer specifiek de ASO's betreft evenmin beschikbaar bij de FOD Volksgezondheid.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U hebt zeker niet onmiddellijk verwezen naar de deelstaten, waarvoor dank. Het is heel belangrijk dat de adviezen die u in 2024 hebt aangevraagd en de vijf adviesvragen die gesteld zijn, bekeken worden en in reglementering worden omgezet. De beschikbaarheid van cijfers is eigenlijk van cruciaal belang, maar u hebt enkele keren gezegd dat er gewoonweg geen cijfers voorhanden zijn. We moeten echt een beter zicht krijgen op de grootschaligheid van de problematiek. Zonder cijfers is het nog moeilijker om ermee aan de slag te gaan. Ik vermoed dat in een van die adviesvragen ook de anonimiteit aan bod zal komen. Een en ander ligt zeer moeilijk omdat de student doorgaans reeds heel lang gestudeerd heeft om die studie tot op het einde te volbrengen. Soms moet de examinator die student nog examineren, terwijl zij samen al dag en nacht aan de operatietafel hebben gestaan. Dat maakt het voor die student heel moeilijk om de examinator bij wijze van spreken aan de galg te praten. Zo voelt het voor de student althans, ook al is er wel degelijk sprake van grensoverschrijdend gedrag. De materie is dus delicaat, maar die moet wel tot op de grond uitgespit worden. Daarom kijk ik uit naar de conclusies in antwoord op de vijf adviesvragen.

Het forfait voor de zorgcentra na seksueel geweld

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De financiering van zorgcentra na seksueel geweld blijft problematisch ondanks een stijging van 28% aanmeldingen (4.226 in 2023), waarbij het forfait van €150 per slachtoffer volgens het Instituut voor Gelijkheid *voldoende* is voor zorgkosten, maar structurele onderfinanciering (personeel, specialistische zorg) blijft bestaan. Minister Vandenbroucke bevestigt dat het RIZIV in 2025 een structurele conventie moet uitwerken voor langetermijnfinanciering, na een informatiesessie (31/01) met ziekenhuizen, maar concrete resultaten of tijdelijke oplossingen ontbreken nog. Farih dringt aan op versnelde actie, hogere anciënniteitseisen (nu 10 jaar) voor gespecialiseerd personeel en extra budget om kwalitatieve zorg te garanderen, aangezien ziekenhuizen nu nog zelf bijpassen—wat slachtoffers soms alsnog kosten oplegt. De politieke urgentie om de kloof tussen nood en financiering te dichten blijft onbeantwoord.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik heb al vaker vragen gesteld over de financiering van de zorgcentra na seksueel geweld. Vorig jaar meldden maar liefst 4.226 mensen zich aan bij een zorgcentrum na seksueel geweld, een stijging van 28 % ten opzichte van het jaar ervoor. Dat toont aan dat er een grote nood wordt ingevuld en dat er meer bekendheid is. Ik hoor van de zorgsector echter dat er nog steeds uitdagingen zijn, die ik vandaag nog eens wil aankaarten.

Aanvankelijk werd een forfait van 100 euro voorzien per slachtoffer dat zich aanmeldt in een zorgcentrum. Dat forfait dient voor de mogelijke onderzoeken, zodat het slachtoffer zelf geen kosten moet dragen. Het gaat dan over zorggerelateerde kosten. In 2021 steeg dat forfait van 100 naar 150 euro. Hiermee worden vooral de medische en forensische zorgen verleend vanuit het zorgcentrum, zodat het slachtoffer gratis bediend kan worden in het zorgcentrum na seksueel geweld. Naast de zorggerelateerde kosten zijn er ook de personeelskosten van onder andere de forensisch verpleegkundigen en de psychologen, die gefinancierd vanuit het Zorgpersoneelfonds.

Ik stelde u vorig jaar al een parlementaire vraag hieromtrent, onder meer over het feit dat verschillende zorgcentra aangaven systematisch ondergefinancierd te zijn, waardoor er telkens bijgepast moet worden door het ziekenhuis zelf. U vermeldde toen dat u een evaluatie zou doen van het forfait, die door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen zou gebeuren, onder meer om te bekijken welke kosten nu precies onder het forfait vallen en hoeveel het forfait zou moeten bedragen om een slachtoffer holistisch verder te helpen.

U vermeldde toen ook dat vanaf 2024 tien jaar anciënniteit in rekening zal worden gebracht in plaats van de vijf jaar die eerder gold. Ook gaf u mee dat alle opmerkingen inzake de financiering meegenomen zouden worden naar een bespreking om het structureel financieel kader voor de zorgcentra te re-evalueren.

Is de evaluatie van het forfait door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen intussen gebeurd? Wat waren de conclusies?

Hoeveel bedraagt het forfait voor elk slachtoffer dat zich vandaag in een zorgcentrum na seksueel geweld meldt?

Vond de bespreking met oog op een structureel financieel kader voor de zorgcentra intussen al plaats? Wat waren de opmerkingen van de zorgcentra zelf?

Wanneer mogen ze een nieuw financieel kader verwachten? Daar is echt een grote nood aan. Er zijn ziekenhuizen die centen bijpassen, andere ziekenhuizen doen dat niet. Uiteindelijk komt de zorg dan voor rekening van het slachtoffer. Ik vind dat de politiek daar snel op moet reageren.

Frank Vandenbroucke:

Het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen heeft een evaluatie uitgevoerd van het forfait dat toegekend wordt per slachtoffer dat zich aanmeldt in een zorgcentrum na seksueel geweld. De conclusie was dat het huidige forfait van 150 euro per slachtoffer voldoende is om de zorggerelateerde kosten te dekken.

Het proces om te komen tot een structurele financiering van de zorgcentra na seksueel geweld, in overeenstemming met de bepalingen die al opgenomen zijn in de wet erover, is opgestart. Het Instituut organiseerde op 31 januari in samenwerking met het RIZIV een informatiemoment voor de ziekenhuizen, met als doel uit te leggen waarom het nodig was een formele wetgeving over dat onderwerp aan te nemen en ook de nieuwe elementen van de wet toe te lichten. De planning van het proces om te komen tot een structureel financieel kader zou op dat moment ook aandacht krijgen.

Het RIZIV zal in de loop van 2025 verder werk maken van het inkantelen van de zorgpijler van de zorgcentra na seksueel geweld binnen een conventie van het RIZIV. Dat vraagt de nodige voorbereiding. Die stap is belangrijk in het structureel maken van de financiering van de zorgcentra, die helaas heel belangrijk zijn. Het RIZIV werkt hiervoor samen met het Instituut om expertise over te dragen zodat alles zo vlot mogelijk kan lopen voor de centra en dus ook voor de patiënten.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, dank u wel. Uw antwoord was heel beknopt. Ik begrijp dat uw antwoord al enige tijd geleden is voorbereid, maar ik had vandaag feedback willen krijgen over die informatiesessie van 31 januari. Wat zijn de resultaten daarvan? Het is belangrijk om zo snel mogelijk een antwoord te bieden op de signalen uit de zorgsector. U hebt het anciënniteitsniveau voor de forensisch verpleegkundigen verhoogd naar tien jaar, maar het gaat om zeer kwetsbare vrouwen en mannen die in een situatie zijn beland waarin ze liever niet waren terechtgekomen en die goede begeleiding nodig hebben. Ik wil nogmaals een lans breken voor gespecialiseerd personeel van het hoogste niveau om de slachtoffers een degelijke en kwaliteitsvolle begeleiding te bieden. De anciënniteitsgraad van tien jaar mag dus echt worden verhoogd. Daarvoor moet ook in de nodige financiering worden voorzien.

Het zorgtraject eetstoornissen

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijging van eetstoornissen (18% bij meisjes 10-17 jaar) en tekort aan zorgcapaciteit (wachtlijsten 4x langer dan tijdens corona) leiden tot dringende behoefte aan betere zorgtrajecten, met name vroegtijdige behandeling en referentiecentra. Sinds 1 februari 2024 gebruikten 344 patiënten het nieuwe zorgtraject, maar knelpunten zoals onvoldoende gespecialiseerde psychologen, te late doorverwijzing naar tweede/derdelijnszorg en beperkte diëtist-sessies (15) vragen aanpassingen. Vanaf 1 april 2025 starten maximaal 9 supraregionale referentiecentra (provincie-overstijgend) met deeltijdbehandeling, terwijl de geografische spreiding (bv. Limburg) cruciaal blijft om dichtbij huis zorg te garanderen. Wachtlijsten blijven een probleem, maar systematische analyse ontbreekt nog.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, het aantal eetstoornissen, zowel anorexia als boulemie, bij jonge vrouwen en meisjes is sinds de coronacrisis sterk gestegen. Uit cijfers van Sciensano eerder in 2025 bleek dat er bij 13 % van de Belgische bevolking tussen 10 en 64 jaar symptomen van een eetstoornis worden vastgesteld. Bij de 10- tot 17-jarigen is dat bij 18 % van de meisjes en 7 % van de jongens. Helaas is er ook een tekort aan bedden voor patiënten die met een eetstoornis kampen of die psychiatrische hulp nodig hebben. Het gevolg is dat vandaag de wachtlijsten tot vier keer zo lang zijn als tijdens het coronatijdperk.

Eetstoornissen komen samen met een heel erg zware ziektelast, niet alleen voor de patiënt zelf, maar ook voor de omgeving, de ouders, de broers en de zussen. Zij hebben een sterke impact op de verschillende levensdomeinen die zulke jonge mensen doormaken. Ze gaan ook heel erg gepaard met een suïciderisico. Een derde van de overlijdens bij eetstoornissen is te wijten aan zelfmoord. Dat cijfer is echt niet te onderschatten.

Tegelijkertijd stellen we vast dat het zorgaanbod voor jongeren met een eetstoornis sterk verschilt van plaats tot plaats en dat de opgestarte behandelingen soms worden onderbroken, omdat specifieke vervolgzorg niet of nauwelijks beschikbaar is in de nabije leef- en leeromgeving van de betrokken jongeren.

Om een hoogwaardige kwaliteit van zorg te realiseren voor kinderen en jongeren met eetstoornissen, moet een sterk zorgtraject worden uitgewerkt. We zijn daar ook mee bezig. Zo werd een zorgtraject voor patiënten jonger dan 23 jaar onder begeleiding van een ambulant team van zorgverleners, die op grond van multidisciplinair overleg een behandelplan voorstellen, op 1 februari 2024 van toepassing. Op lange termijn is het de bedoeling naar referentiecentra over te schakelen voor de behandeling van eetstoornissen.

Hoeveel patiënten maakten intussen al gebruik van het zorgtraject voor adolescenten en jongeren dat op 1 februari 2024 van start is gegaan?

Worden op het terrein moeilijkheden of complicaties ondervonden bij het opstarten van het zorgtraject? Is er al een tussentijdse evaluatie?

Wordt intussen voortgewerkt aan het opzetten van een referentiecentrum voor eetstoornissen? Welke timing stelt u voorop? Hoe ziet u de geografische spreiding van die centra, die heel belangrijk is, aangezien het over jonge patiënten gaat?

De voorbije jaren was er ook sprake van gigantische wachtlijsten bij de ziekenhuizen voor kinderen die zich aanmeldden met een ernstige eetstoornisproblematiek. Over welke wachtperiodes spreken we vandaag?

Frank Vandenbroucke:

Uw eerste vraag ging over het aantal patiënten en de moeilijkheden op het terrein. De conventie, die gestart is op 1 februari vorig jaar, voorziet in een begeleidingscomité waarin onder meer de netwerken geestelijke gezondheid voor kinderen en jongeren, de vzw Eetexpert en de beroepsfederaties van de diëtisten vertegenwoordigd zijn. Op die manier kunnen knelpunten inzake de initiële uitrol van de eerste conventie eetstoornissen gesignaleerd en aangepakt worden.

Het begeleidingscomité werd samengeroepen op 19 december. Er werden toen een aantal punten gesignaleerd als werkpunten voor 2025. Ten eerste waren er opmerkingen over de datakwaliteit, zodat de gespecialiseerde psychologen voor eetstoornissen het werkelijk besteedde budget voor eetstoornissen conform de conventie eerstelijns psychologische zorg gemakkelijk kunnen identificeren. Er lijkt een variatie te zijn in de criteria die netwerken hanteren om gespecialiseerde psychologen te conventioneren. Dat wordt verder onderzocht.

Ten tweede is het doel van de conventie om patiënten met eerste signalen van een eetstoornis vroegtijdig te behandelen, waardoor men een escalatie van de aandoening vermijdt. Momenteel zien we echter dat patiënten die al een ernstige stoornis hebben, in de eerstelijnszorg terechtkomen, terwijl ze veeleer in de tweede- en derdelijnszorg thuishoren. De huisartsen geven aan dat ze nog moeten groeien en bijleren om te werken volgens zo'n model van getrapte zorg. We bekijken hoe we ze daarbij kunnen ondersteunen.

Een derde werkpunt is de vraag van diëtisten om meer sessies te mogen aanbieden dan de 15 sessies van de conventie. Het begeleidingscomité wil dat binnenkort evalueren.

Een vierde werkpunt is dat de netwerken en de huisartsen een voorzetting vragen van het vormingsaanbod voor de zorgverleners. Uit gegevens die we hebben tot en met oktober, kunnen we afleiden dat al voor 344 patiënten een zorgtraject werd opgestart. We moeten wel voorzichtig zijn met de interpretatie van de gegevens, omdat er een lange periode van toepassing is waarbinnen men facturen bij het RIZIV kan indienen. Met andere woorden, mijn antwoord is gebaseerd op de facturen die nu al werden ingediend, maar er kan een belangrijke vertraging zitten op de indiening ervan.

Ik kom tot uw tweede vraag. Het Verzekeringscomité keurde op 16 december de tweede conventie eetstoornissen en een wijzigingsclausule voor de eerste conventie goed. Die wijzigingsclausule maakt deeltijdbehandeling mogelijk op het niveau van elke provincie. De tweede conventie organiseert het aanbod voor de meest complexe eetstoornissen en voorziet in criteria voor een erkenning als referentiecentrum, waaraan een financiering zal worden gekoppeld voor supraregionale multidisciplinaire ambulante supportteams en deeltijdbehandeling.

Alle Belgische ziekenhuizen werden intussen aangeschreven om zich kandidaat te stellen als referentiecentrum. Het is de bedoeling dat de tweede conventie in werking treedt op 1 april 2025. We erkennen maximaal negen referentiecentra, die supraregionaal moeten werken, dat wil dus zeggen over de provinciegrenzen heen. Daartoe wordt ook de RIZIV-website aangepast met de nodige praktische informatie.

Wat de wachtlijsten betreft, is er inderdaad een stijgende vraag naar zowel ambulante als residentiële behandeling van eetstoornissen. We hebben tot nu toe geen systematische analyse gemaakt van de wachttijden, maar we kunnen dat meenemen in de verdere evaluatie van het zorgtraject.

De bedoeling van de twee conventies is duidelijk: enerzijds zo vroeg mogelijk ingrijpen om escalatie van eetproblemen en eetstoornissen te voorkomen en anderzijds zo snel mogelijk ingrijpen om doorstroming naar of langdurige opname in het hooggespecialiseerde zorgniveau te vermijden. Daarom hebben we ingezet op de versterking van de ambulante zorgcomponenten binnen multidisciplinaire zorgtrajecten, zowel voor de lichte als voor de meer ernstige eetstoornissen.

Nawal Farih:

Dank u wel. Dat is helder. Ik begrijp dat de deadline voor de ziekenhuizen om zich aan te melden, is verstreken en dat u op 1 april publiek zult maken welke ziekenhuizen in aanmerking komen. Ik hoop oprecht dat er met de geografische spreiding rekening wordt gehouden, mijnheer de minister. In Limburg zijn er heel wat mensen die helaas altijd naar verdere oorden moeten rijden. Dat is echt niet evident voor de betrokken leeftijdscategorie. We moeten er vooral voor zorgen dat de kinderen en jongeren nog in de eigen leef- en leeromgeving kunnen vertoeven, terwijl ze strijd voeren tegen een soms zeer moeilijke diagnose en ziekte.

De financiële responsabilisering van de artsen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sarah Schlitz waarschuwt dat algoritmisch toezicht op artsen via data mining (voor incapacitycertificaten) en financiële sancties onbedoelde gevolgen hebben: artsen met kwetsbare patiënten (palliatief, mentale gezondheid) dreigen af te haken, terwijl ze juist gesteund moeten worden, en het vertrouwen tussen patiënt en arts komt in gevaar. Ze pleit voor scheiding van evaluatie (positief, kwaliteitsgericht) en controle (sancties), waarbij het SECM louter controle moet doen en evaluatie naar het CNPQ moet. Minister Vandenbroucke benadrukt dat het SECM wettelijk verplicht is risico’s (inclusief fraude) te analyseren en optimalisering van zorgbudgetten na te streven, maar belooft transparante feedback via dynamische profielen op ProSanté en betrokkenheid van het CNPQ bij kwaliteitsindicatoren—zonder expliciet in te gaan op de gevraagde scheiding van bevoegdheden.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous ai adressé une question qui n'a pas reçu de réponse la semaine dernière dans la foulée de l'accord de majorité.

Si je peux vous rejoindre sur la nécessité de lutter contre les certificats de complaisance, il m'importe de ne pas jeter un discrédit sur toute la profession des médecins. Je suis très inquiète de la mise en place d'un suivi algorithmique des prescriptions d'incapacité via le data mining , qui pourrait entraîner des sanctions financières pour les médecins dont la pratique ne correspondrait pas aux standards attendus.

Les médecins peuvent accepter un suivi sur la même base que celle des profils de prescription médicamenteuse, en comparaison avec les autres médecins de la région, afin de leur procurer un outil d'évaluation de leurs pratiques entre pairs. Ils refuseront une responsabilité financière pour les prescripteurs de certificats nettement plus nombreux et/ou plus longs. Il y a en effet des patientèles spécifiques – par exemple lors de la prise en charge fréquente de soins palliatifs, l'accumulation de cas de détresse psychologique par une approche plus attentive aux problèmes de santé mentale – ou plus défavorisées, qui nécessitent un suivi particulier. Il est exclu de faire porter la charge sur ces médecins qui ont le courage d'accompagner ces patients, alors qu'ils devraient être particulièrement soutenus.

Le risque est grand d'un désengagement de ces prestataires vis-à-vis de ces patients qui sont en grande difficulté et d'une perte de confiance entre le patient et son médecin traitant qui est mis en porte-à-faux vis-à-vis de ceux qu'il soigne.

Il est donc essentiel de séparer les fonctions d'évaluation des fonctions de contrôle, malencontreusement réunies dans votre accord de majorité. L'évaluation est une fonction positive qui cherche à valoriser les médecins tout en signalant les zones d'amélioration possibles, tandis que le contrôle est une fonction négative qui sanctionne des manquements en vue de les voir disparaître. Le même service ne peut à la fois manier la carotte et le bâton, monsieur le ministre. Il faut donc que le SECM (Service d’évaluation et de contrôle médicaux) redevienne un pur service de contrôle médical, tandis que la fonction d'évaluation doit être confiée à la commission des profils et/ou à une chambre d'évaluation du CNPQ (Conseil National de Promotion de la Qualité).

Monsieur le ministre, avez-vous l'intention de revenir à un fonctionnement sans ambiguïté des institutions pour augmenter le consensus au sein de la profession, un consensus qui serait favorable à la qualité des soins mais aussi au budget des soins de santé?

Frank Vandenbroucke:

Le suivi des certificats de complaisance ainsi que la sanction financière éventuelle devront être opérationnalisés. Plusieurs acteurs sont concernés. Il y a l’Ordre des médecins, les organismes assureurs, la Commission de contrôle et l’INAMI. Leurs rôles respectifs à cet égard sont à déterminer.

En ce qui concerne le Service d’évaluation et de contrôle médicaux (SECM) de l’INAMI, l’article 139 de la loi coordonnée de 1994 stipule clairement les compétences légales de ce service. Concrètement, le service est entre autres chargé d’évaluer les prestations de l’assurance des soins de santé sous l’angle des dispositions de l’article 73 de cette législation. Dans le cadre de la mission légale du service, il doit veiller à une utilisation optimale des ressources mises à disposition de l’assurance maladie. Il est indispensable d’évaluer les risques existants tant dans le cadre de la réglementation que dans le cadre des soins pertinents. C’est pourquoi, le SECM analyse non seulement plus de 1 500 signalements reçus par an mais il fait également ses propres analyses de risque de manière systématique sur une période de quatre ans de chaque domaine du budget soins de santé pour lequel il est compétent. En fonction du type de risque détecté par l’évaluation, le service détermine l’action la plus appropriée à réaliser: par exemple clarifier la nomenclature, sensibiliser les dispenseurs de soins ou encore un PV de constat.

Une bonne évaluation préalable est indispensable pour l'efficacité du travail effectué par le service et donc pour la durabilité de l'accessibilité aux soins de santé de qualité.

Le Conseil National de Promotion de la Qualité peut entre autres proposer et/ou approuver des indicateurs concernant l'utilisation optimale des ressources disponibles.

L'INAMI développe également un retour systématique aux prestataires de soins de santé sur leur comportement en matière de prescription et de facturation. Nous voulons mettre ceci à disposition par le biais de profils dynamiques sur ProSanté.

Sarah Schlitz:

Merci pour votre réponse. Nous continuerons à suivre ce dossier de près dans les prochaines semaines et mois.

De RSV-vaccinatie voor de oudere bevolking
De RSV-prik en het effect ervan op de ziekenhuisopnames
RSV-bescherming voor ouderen en impact op ziekenhuisopnames

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de uitbreiding van RSV-vaccinatieterugbetaling voor kwetsbare groepen, met name 65-plussers en risicopatiënten, waarvoor nu geen vergoeding bestaat (kost: €180-200). Minister Vandenbroucke bevestigt dat een nieuwe vergoedingsaanvraag (Abrysvo) lopende is bij de CTG, maar kan geen standpunt innemen; hij benadrukt wel het belang van informatieverspreiding over RSV-risico’s bij zorgverleners. Parlementsleden Farih en De Knop dringen aan op een kost-batenanalyse (€17 miljoen vs. ziekenhuisbesparingen) en vragen om concrete stappen, gezien de succesvolle daling (40-77%) van RSV-ziekenhuisopnames bij baby’s dankzij bestaande terugbetaling. De minister wijst op toekomstige samenwerking met gemeenschappen via de IMC-werkgroep, maar geeft geen directe toezeggingen.

Nawal Farih:

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In oktober 2024 werd er voorzien in een terugbetaling van de preventieve RSV-inenting bij baby's geboren vanaf 1 april 2024. Vanaf 1 januari 2025 is ook vaccinatie tijdens de zwangerschap terugbetaald, dus voor vrouwen die tijdens het RSV-seizoen bevallen. De inenting van baby's werd ook duidelijk aanbevolen door de Hoge Gezondheidsraad.

In haar meest recente advies beval de Hoge Gezondheidsraad daarnaast ook de vaccinatie aan voor enkele andere kwetsbare groepen, met name:

Personen van 60 jaar en ouder met minstens één risicofactor voor het ontwikkelen van ernstige RSV;

Immunodeficiënte patiënten;

Personen die in een woonzorgcentrum verblijven, ongeacht of ze risicofactoren hebben;

Alle personen van 75 jaar en ouder, ongeacht of ze risicofactoren hebben.

RSV is een onderschatte ziekte bij ouderen, die nare complicaties kan veroorzaken. Op jaarbasis belanden in Europa 270.000 ouderen in het ziekenhuis met een RSV-besmetting, waarvan 20.000 mensen overlijden aan complicaties.

Voor deze kwetsbare groepen wordt er echter nog niet voorzien in een terugbetaling, de kost van een vaccin is 180 à 200 euro wat voor veel mensen een drempel blijft.

Om deze reden heeft onder meer het Vlaams Onafhankelijk Zorgnetwerk (Vlozo) recent nog aangedrongen op een terugbetaling van het vaccin voor 65-plussers. Zij schatten de kost hiervan in op 17 miljoen euro. Zij verwezen naar het voorbeeld van Italië waar het RSV-vaccin gratis is, waardoor veel meer ouderen zich laten vaccineren tegen het virus.

Ook Domus Medica en het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen hebben er reeds voor gepleit om de terugbetaling toch nog eens te bekijken, waarbij ze de suggestie doen om eventueel voor ouderen met een verlaagde immuniteit de terugbetaling mogelijk te maken.

Mijn vragen voor de minister:

Heeft u reeds vragen vanuit de sector naar een uitbreiding van de terugbetaling van het RSV-vaccin ontvangen?

Denkt u na over een uitbreiding van de terugbetaling van het RSV-vaccin naar andere kwetsbare groepen? Bijv. naar patiënten boven 65 jaar? Of oudere patiënten met een verlaagde immuniteit? Heeft u reeds stappen hiertoe genomen?

Wat dient nog ondernomen te worden om 65-plussers te wijzen op de gezondheidsrisico's van een RSV-besmetting en het belang van vaccinatie?

Ik dank de minister voor zijn antwoorden.

Irina De Knop:

We merken allemaal de gunstige evolutie met betrekking tot de terugbetaling van de de RSV-prik. Sinds 1 januari kunnen ook zwangere vrouwen zich laten inenten, waardoor hun baby gedurende vijf à zes maanden eveneens tegen RSV is beschermd.

De resultaten van die prik zien we vandaag ook in het ziekenhuis. De ziekenhuisopnames wegens RSV zijn met 40 % gedaald. Dat is een mooi cijfer. Bij baby's onder de zes maanden neemt dat percentage toe tot 60 %, in sommige ziekenhuizen zelfs tot 77 %. De prik bespaart baby's en kinderen en hun ouders dus veel leed, maar doet ook het aantal ziekenhuisopnames en de bijhorende kosten dalen.

We hebben nog heel wat vaccinaties die vandaag niet systematisch aan volwassenen en ouderen in het bijzonder worden toegediend. In het regeerakkoord staat dat u nauw wil samenwerken met de gemeenschappen rond preventie. Hebt u al uitgemaakt rond welke vaccins u met de gemeenschappen de volgende jaren wilt samenwerken? Wat is uw ambitie om via vaccinatie het aantal ziekenhuisopnames van volwassenen en ouderen terug te dringen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Farih, ik zal met uw vraag beginnen, omdat ze specifiek focust op de ouderen. Daarna beantwoord ik de vraag van mevrouw De Knop, omdat zij eerst terugkeert naar de campagne bij de pasgeborenen.

Wat uw eerste en tweede vraag betreft, mevrouw Farih, heeft mijn beleidscel met veel interesse de aanbevelingen van het KCE in verband met de RSV-vaccinatie bij ouderen doorgenomen. Het bedrijf verantwoordelijk voor Abrysvo had bovendien eerder al een aanvraag ingediend bij de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) voor de vergoeding van Abrysvo bij ouderen. Op 10 december 2024 heeft de firma het dossier teruggetrokken en op 30 januari 2025 heeft de firma een nieuw dossier ingediend voor vergoeding bij ouderen. U weet dat, als zo'n dossier lopend is bij de CTG, ik zeer zuinig moet zijn met commentaar daarover, maar dit is de stand van de procedure.

Wat uw derde vraag betreft, is de aandoening zeer goed gekend bij de verschillende zorgverleners. Het is essentieel dat ze de doelgroep goed informeren en hen waarschuwen voor het schadelijke effect dat dit virus op hun gezondheid kan hebben, vooral voor mensen met cardiopulmonale aandoeningen of immunodeficiëntie. Een betere documentatie van het positieve effect van het vaccin op het aantal ziekenhuisopnames en sterfgevallen is ook wenselijk.

Mevrouw De Knop, ik keer even terug. Voor bescherming tegen RSV zijn er twee manieren: enerzijds de immunisatie met Beyfortus, antilichamen die men toedient aan pasgeborenen, anderzijds de vaccinatie van zwangere vrouwen met Abrysvo, waarbij de moeder antilichamen aanmaakt die worden doorgegeven aan de baby. De twee methoden bieden bescherming aan de baby voor vijf tot zes maanden. De immunisatie wordt terugbetaald sinds april 2024, de vaccinatie sinds 1 januari 2025. We zien inderdaad een mooi resultaat daarvan in de daling van het aantal ziekenhuisopnames voor RSV.

De samenwerking met de deelstaten hieromtrent wordt samen met de deelstaten bepaald in een specifieke werkgroep van onze IMC. In die werkgroep zal ook samen met de deelstaten worden beslist voor welke vaccinaties we willen samenwerken, waar dat nuttig of nodig is.

Het verminderen van het aantal ziekenhuisverblijven door vaccinatie bij ouderen en volwassenen is afhankelijk van de pathologie en het soort vaccin en vraagt specifieke studies. Het is dus niet mogelijk om daarover een algemene uitspraak te doen.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, dank u wel. RSV-vaccinatie van 65-plussers moet zeker worden bekeken. Er bestaat dus een studie waarin de kostprijs wordt geschat op 17 miljoen euro. We moeten dat bedrag afzetten tegen de kostprijs van een groot aantal ziekenhuisopnames. Het is een efficiëntieoefening die de moeite waard is. Ik reken daarvoor verder ook op uw steun.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik sluit me volledig aan bij de repliek van mevrouw Farih. Het klopt dat daarmee grote efficiëntiewinsten kunnen worden geboekt. Ik ben blij dat u daarvoor al een bedrag kunt geven. Het zou inderdaad heel aangenaam zijn, mijnheer de minister, als u dat verder zou onderzoeken en terug naar het Parlement zou komen met het resultaat van dat onderzoek. De kostprijs van de ziekenhuisopnames is wellicht een veelvoud van de kostprijs van de vaccinaties. We zullen dit dossier zeker ook blijven opvolgen.

De terugtrekking van de Verenigde Staten uit de Wereldgezondheidsorganisatie

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het vertrek van de VS uit de WHO (hoofdcontributeur, 20% van het budget) ondermijnt de mondiale gezondheidsveiligheid, met risico’s op blind spots in pandemie-surveillance, vertraagde respons op uitbraken en verslechterde bestrijding van ziekten als hiv en tuberculose door bezuinigingen. België steunt een verplichte verhoging van 20% in lidmaatschapsbijdragen (in lijn met eerdere afspraken), maar dit compenseert het Amerikaanse gat niet volledig—de WHO moet prioriteiten herzien en zich concentreren op kerntaken, terwijl interne besparingen (minder reizen, werving, technische steun) ontoereikend zijn. Prévot benadrukt dat Europa (vijfde contributeur) en België als "goede leerling" meer moeten bijdragen, maar ziet het Amerikaanse isolement (ook bij pandemieverdragen) als een onherroepelijke trend die een WHO zonder VS dwingt tot structurele aanpassingen. Vandenbroucke waarschuwt voor een zwakkere wereldwijde alertheid en resistentie-ontwikkeling door krimpende fondsen, met onzekere gevolgen voor België’s pandemieparaatheid.

Patrick Prévot:

Monsieur le Ministre, sous un tonnerre d'applaudissements, le nouveau Président américain Donald Trump a signé un décret faisant sortir les États-Unis de l'Organisation Mondiale de la Santé (OMS).

Vu les missions de l'organisation onusienne, je rejoins vos propos relatés dans les médias qui qualifient cette décision d'"imprudente". La crise du coronavirus a montré plus que jamais que la collaboration et la coopération entre tous les pays du globe sont nécessaires. Face à la mondialisation, à l'intensification des flux et de leurs réseaux logistiques dont profitent les virus, il nous faut une structure multilatérale pour le bien de toutes et tous.

Comme vous le savez, le budget de l'OMS provient d'un financement public-privé. À l'occasion d'une évaluation du fonctionnement de l'organisation, la Belgique a rappelé que pour pouvoir fonctionner de manière optimale, l'OMS a besoin d'une certitude à long terme en matière de revenus. Or, à l'heure actuelle, seulement 20 % environ du budget proviennent de contributions obligatoires garanties.

Pour la période 2022-2023, les États-Unis, premier contributeur mondial, accordait une enveloppe budgétaire de 1 284 millions d'euros. À titre de comparaison, la Commission européenne, cinquième contributeur mondial, accordait 468 millions d'euros.

Monsieur le ministre, quel impact concret ce retrait américain pourrait-il avoir en matière de santé publique mondiale et de gestion des potentielles crises sanitaires futures?

Ce retrait de l'OMS aura-t-il une influence sur la contribution financière des autres pays membres, d'autant que ces derniers s'étaient accordés sur une augmentation progressive des contributions fixes? Quel devrait être le montant budgétaire pour compenser ce retrait? A-t-on déjà une idée des conséquences financières que cela pourraient avoir pour la Belgique?

Frank Vandenbroucke:

Avant toute chose, chers collègues, je tiens à souligner que nous regrettons au plus haut point, le départ annoncé des États-Unis de l’OMS. On ne peut qu'espérer qu’ils reconsidèreront leur décision mais ce n’est pas évident. Les États-Unis sont le principal bailleur de fonds de l’OMS puisqu’ils versent près d’un cinquième de son budget total. De manière réaliste, nous devons donc nous attendre à un impact majeur sur la capacité de l’OMS à remplir ses missions. Il me semble que l’OMS prévoit déjà des économies immédiates en interne par une interruption du recrutement, une réduction des frais de voyage, l’organisation de réunions virtuelles et la limitation de l’assistance technique aux pays.

Cependant, selon moi, les économies en interne ne seront pas suffisantes pour pouvoir continuer à financer toutes les activités actuelles et par conséquent, il faudra redéfinir les priorités en concertation avec tous les États membres. Cette discussion a déjà été entamée étant donné que le budget pour la période 2026-2027 sera décidé cette année lors de l’assemblée mondiale de la santé au mois de mai. Nous plaidons quant à nous pour que l’OMS élabore une proposition de budget qui tienne pleinement compte de la diminution possible de son financement et pour qu’elle se concentre sur ses tâches essentielles comme le prévoit sa constitution.

Il n’est pas évident d’estimer les conséquences potentielles en termes de préparation à la pandémie, spécifiquement pour notre pays, mais je peux déjà identifier les défis suivants. Si les États-Unis se retirent complètement de toutes les activités et de tous les réseaux de l’OMS, cela signifie qu’en termes de surveillance des agents pathogènes à potentiel pandémique et de leur évolution, nous aurons un grand angle mort et nous serons donc moins en mesure de nous préparer à d’éventuelles pandémies à l’avenir. La diminution du financement de la lutte mondiale contre le VIH, l’hépatite, les maladies sexuellement transmissibles et la tuberculose signifie que moins de personnes auront accès à un diagnostic adéquat et aux soins correspondants avec pour conséquence que ces agents pathogènes peuvent circuler et donc évoluer plus fortement, ce qui peut donner lieu à de nouveaux variants et/ou à des germes pathogènes de plus en plus résistants.

De plus, la réduction des opérations de l'OMS sur le terrain signifie qu'en cas de foyer de maladie, nous serons moins rapidement informés au niveau mondial sur les nouveaux agents pathogènes et les risques qui y sont associés. Tout ceci est donc assez préoccupant. C'est vraiment un défi majeur.

Pour ce qui est de l'influence sur la contribution financière des autres pays membres, nous savons, d'après les premières informations fournies par l'OMS, qu'elle ne compensera pas le retrait des États-Unis en augmentant la contribution obligatoire des autres États membres. Toutefois, l'OMS continue d'insister pour que la trajectoire de croissance des contributions obligatoires continue d'être suivie. Elle proposera très probablement aux États membres une seconde augmentation des contributions obligatoires de 20 %. En effet, les États membres de l'OMS se sont engagés à procéder à ces augmentations progressives au lendemain de la crise covid, alors qu'il était déjà évident que l'absence de financement garanti constituait un problème majeur pour l'OMS.

La Belgique a soutenu la première augmentation de 20 % dans le passé et a également exprimé son soutien à la trajectoire de croissance proposée par l'OMS.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je ne peux que partager votre regret, avec certainement moins d'angélisme. Je pense en effet que nous sommes sur une trajectoire inéluctable. D’ailleurs, nous apprenions vendredi dernier que les États-Unis se retiraient également des négociations autour d'un traité contre les pandémies. Le train est malheureusement en marche. Il faudra trouver une solution sans les États-Unis. C’était quand même le premier contributeur de l'OMS. À titre de comparaison, la Commission européenne est le cinquième contributeur au budget de l'OMS. J’'entends que des économies immédiates ont déjà été entamées. Il faudra faire aussi bien avec beaucoup moins. Cela me rappelle peut-être l'accord de gouvernement. Pour ce qui est de la contribution de notre pays, je sais que nous avons souvent fait partie des bons élèves, en suivant la trajectoire demandée. Il serait difficile de comprendre que nous ne puissions pas également participer à la solidarité inter-pays et que nous ne contribuions pas, à due concurrence, pour compenser quelque peu le manque à gagner suite au départ des États-Unis.

De veerkracht van onze gezondheidszorg

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België scoort slecht in Europese gezondheidsresilientie (35e op 100, score 57/100) door hoge infectiecijfers in ziekenhuizen (9,2% vs EU-gemiddelde 6,8%), onvoldoende infectiecontrole, burn-out onder zorgpersoneel (slechte ratio verpleegkundigen/patienten: 9,4 vs EU-norm 8) en milieubelasting (5% van Belgische CO₂-uitstoot). Minister Vandenbroucke wijst op initiatieven zoals Be.Well.Pro (welzijnsbevraging), versterkte IPC-protocollen (evaluatie in 2025), extra middelen via het Blouses Blanches-fonds (€11,7M voor psychosociale steun) en Europese samenwerking, maar erkent dat strengere detectie de hoge infectiecijfers deels verklaart. Désir benadrukt budgettaire tekortkomingen: cruciale fondsen (Blouses Blanches, sociaal akkoord) vallen buiten de groeinorm en dreigen onvoldoende structurele oplossingen te bieden, ondanks gedeelde ambities voor betere arbeidsomstandigheden en infectiepreventie.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, selon le dernier baromètre réalisé par le spécialiste des technologies médicales BD, en collaboration avec des acteurs du secteur, il apparait que la résilience de notre système de santé est moins bonne que de nombreux autres pays européens. Alors que la Norvège se classe au sommet de ce baromètre avec un score de 76 sur 100, la Belgique (57 sur 100) est pour sa part pointée en 35 e position, derrière notamment la France, l'Allemagne et les Pays-Bas, mais devant la Pologne, la Slovénie ou la Russie.

Monsieur le ministre, comment expliquer les résultats de ce baromètre? Partagez-vous les constats qui y sont mentionnés?

Si la Belgique est bien classée en termes de couverture santé, elle semble présenter des lacunes concernant la sécurité des patients. Le rapport pointe notamment le taux d'infections associées aux soins qui atteint 9,2 % des patients dans les hôpitaux belges, contre une moyenne européenne de 6,8 %. Notre pays est également pointé du doigt pour ses performances en matière de surveillance des infections nosocomiales. Sur l'ensemble de cette thématique "patients", la Belgique se classe derrière tous ses voisins, mais aussi derrière l'Italie, la Pologne, le Royaume-Uni ou l'Espagne.

Quelles stratégies doivent être envisagées, notamment en termes de surveillance et de prévention, pour réduire les infections et protéger davantage les patients?

Le baromètre signale également un taux élevé de burnout parmi les professionnels de la santé ainsi qu'un ratio infirmiers/patients (9,4) trop éloigné de la recommandation européenne de 8. Le bien-être mental des soignants n'est en outre pas suffisamment pris en compte.

Quelles mesures ont été prises au cours des dernières années pour pallier cette problématique et quelles devront être les priorités des prochaines années?

Le système de santé belge rencontre par ailleurs des problèmes d'efficacité, notamment par rapport à l'empreinte écologique du secteur et les déchets médicaux trop importants.

Comment accompagner et soutenir le secteur, en particulier les institutions hospitalières, dans le cadre de ce défi d'avenir?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, le baromètre sur lequel la question se focalise souligne, à juste titre, que le bien-être des professionnels de la santé, y compris les taux de burn-out et le ratio infirmier-patient, constituent des enjeux essentiels.

Le SPF Santé publique et Sciensano ont lancé, le 13 janvier dernier, la campagne Be.Well.Pro, qui vise à améliorer le bien-être des professionnels de la santé. Elle a pour objectif de mettre en place des améliorations systématiques et durables des conditions de travail et de vie des soignants. Une enquête nationale circule jusqu'au 23 mars. Elle fournira une vision approfondie des conditions de travail et de vie des soignants, ainsi que des défis auxquels ils sont confrontés au quotidien. Les résultats permettront de répondre de manière proactive aux besoins spécifiques du secteur.

La Belgique s'engage activement à renforcer la prévention et le contrôle des infections dans les soins de santé. Au niveau fédéral, un financement est prévu au sein des hôpitaux. L'expertise est partagée et les compétences des professionnels sont renforcées. La politique fédérale en la matière est en cours d'évaluation. Pour déterminer les facteurs de succès des protocoles IPC (contrôle et prévention des infections), les résultats de cette évaluation sont attendus en 2025 et permettront d'optimiser les projets IPC. En outre, la Belgique participe activement à des projets européens qui promeuvent l'échange d'expertise et de bonnes pratiques en matière d'IPC.

La lutte contre les infections associées aux soins (IAS) est également une composante centrale du plan d'action national de lutte contre la résistance aux antimicrobiens. Les hôpitaux belges surveillent les infections nosocomiales et collectent des indicateurs de prévention pour suivre l'évolution de la résistance aux antimicrobiens. En 2022, 9,2 % des patients des hôpitaux de soins aigus en Belgique avaient une infection associée aux soins. Une hausse en partie due à l'inclusion des IAS des établissements de long séjour et des infections COVID-19. Sans ces infections-là, la prévalence serait de 7,9 %, soit une augmentation de seulement 0,6 % depuis 2017.

La prévalence des IAS en Belgique reste plus élevée qu'attendu, soulignant l'importance de renforcer la prévention. Mais cette prévalence élevée reflète probablement aussi une détection plus rigoureuse et une augmentation du signalement des IAS.

D'autres pays annoncent des chiffres beaucoup plus bas mais investissent moins dans la détection et la prévention des infections, ce qui réduit l'identification des cas. De plus, la forte proportion de patients gériatriques en Belgique, plus vulnérables aux infections, contribue aussi à la prévalence élevée des IAS.

La visite du Centre européen de prévention et de contrôle des maladies (ECDC) en 2024 a mis en avant la nécessité d'améliorer la détection et la gestion des organismes dits résistants, notamment en clarifiant les pathogènes prioritaires, en renforçant les laboratoires et en optimisant la notification. Malgré ces défis, la Belgique poursuit une politique IPC cohérente, dont le succès repose sur l'engagement des soignants et des hôpitaux pour renforcer la sécurité des patients et la résilience du système de santé.

Depuis 2020, le Fonds blouses blanches permet aux hôpitaux de recruter du personnel de soutien pour alléger les tâches administratives et logistiques du personnel soignant, priorisant ainsi les soins aux patients. En 2020, 11,7 millions d'euros de ce fonds ont été alloués au soutien psycho-social des travailleurs hospitaliers. De plus, l'accord social 2021-2022 qui prévoit 100 millions d'euros pour les améliorations qualitatives des conditions de travail, et l'équilibre privé-professionnel dans les soins, a permis le recrutement de personnel supplémentaire pour soutenir ces initiatives au sein des hôpitaux ainsi que le lancement de projets sur la gestion de l'agression, le coaching d'équipes et le leadership, bénéficiant au personnel soignant et de soutien dans les hôpitaux publics et privés.

Enfin, une étude récente a analysé les émissions du secteur des soins de santé, qui représentent encore environ 5 % des émissions belges, et identifié les actions ayant le plus d'impact sur les émissions des soins de santé. Il s'agit maintenant d'élaborer un plan d'action pluriannuel, ainsi qu'un projet visant à réduire la sur-utilisation du plastique jetable. Réduire ces émissions nécessite une approche cohérente impliquant tous les niveaux de pouvoir car les responsabilités et compétences sont partagées entre le fédéral, le régional et le niveau communautaire.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre longue réponse. J'ai bien noté toutes les informations relatives à la sécurité et j'ai compris que vous attendiez les résultats d'une évaluation pour cette année. Nous suivrons attentivement ce dossier, parce que nous sommes très éloignés des chiffres qui ont cours chez nos voisins et dans l'Union européenne en général. Des améliorations doivent donc encore être certainement apportées. Vous avez débuté votre réponse en abordant la question du bien-être des professionnels de la santé, en rappelant qu'il s'agissait d'un enjeu essentiel. Ce l'est également aux yeux de mon groupe. Vous nous trouverez à vos côtés pour répondre à ces enjeux. J'ai vu que vous aviez déposé plusieurs éléments sur la table. Cela dit, je suis inquiète – et je vous en ai fait part lors des premiers débats autour de l'accord Arizona –, parce qu'aussi bien le Fonds blouses blanches que l'accord social ne sont pas inclus dans le budget de la norme de croissance. Non seulement celle-ci ne répond pas aux besoins de la population, mais, de surcroît, rien n'est prévu pour aboutir à un accord social. J'ai entendu vos intentions, que je partage. Cependant, le nerf de la guerre reste pour nous le budget.

De stijging van de gezondheidsuitgaven van de patiënt

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 18 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kent de hoogste gezondheidsuitgaven voor huishoudens in de EU (7,4% van hun budget, +4,4% in 2023), voornamelijk door deconventionele zorgverleners, hoge eigen bijdragen (18-20% vs. 9-12% in buurlanden) en gebrek aan algemeen derdenbetalersysteem. Minister Vandenbroucke nuanceert dat de ticketmodérateurs als percentage van de totale kosten daalden (van 8,2% in 2015 naar 6,4% in 2023) dankzij eerdere maatregelen zoals het *maximumfactuur* en BIM-statuut, maar erkent dat sturing op conventies en supplementen cruciaal blijft. Désir benadrukt de spanning tussen bezuinigingen en noodzakelijke investeringen om zorg betaalbaar te houden, met focus op uitbreiding derdenbetaler, betere remgelden en hospitalfinanciering. De discussie draait om hoe de overheid efficiëntie kan combineren met toegankelijkheid, zonder extra budget.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, l'année dernière, les dépenses des ménages belges pour les soins de santé – notamment les médicaments, les consultations médicales et les hospitalisations – semblent avoir nettement plus augmenté qu'ailleurs en Europe, selon une analyse effectuée par l' É cho . Ces coûts auraient ainsi grimpé de 4,4 % en 2023 par rapport à 2022. Un chiffre qui serait trois fois supérieur à la moyenne européenne. La part des dépenses de santé dans le budget des ménages belges atteindrait 7,4 %, un chiffre qui dépasse celui de tous les autres pays de l'Union européenne. Selon Dominique Vandijck, économiste de la santé à l'Université de Gand, cette augmentation rapide s'explique en grande partie par le phénomène de déconventionnement des prestataires de soins et les difficultés financières croissantes des hôpitaux dont les financements publics ne couvriraient qu'environ 40 % des coûts. Il apparaît par ailleurs que les patients doivent supporter un ticket modérateur bien plus élevé que dans la majorité des autres pays européens. Environ 18 à 20 % des dépenses totales de santé sont directement payées par les patients belges, contre seulement 9 à 12 % dans les pays voisins. De plus, l'absence de tiers-payant généralisé oblige encore trop souvent les patients à avancer les frais avant d'être remboursés par leur mutualité. Ce qui semble être une exception en Europe.

Monsieur le ministre, comment expliquer cette évolution des coûts de santé pour les patients dans notre pays? Comment expliquer que la part des dépenses de santé dans le budget des ménages dépasse celui de tous les autres pays de l'Union européenne? Disposez-vous d'une analyse plus détaillée des postes concernés par cette augmentation de coûts?

L'accessibilité aux soins et la lutte contre le report de ceux-ci doivent rester une priorité. Via une limitation des suppléments d'honoraires, via une plus grande généralisation du tiers-payant, via un meilleur remboursement de certaines prestations et médicaments, via une politique de conventionnement plus efficace, via un financement plus adapté des hôpitaux.

Quelles mesures devraient, selon vous, être mises sur la table à l'avenir pour juguler cette hausse des dépenses de santé pour les patients?

Ce gouvernement a du pain sur planche et, on le voit encore avec ces informations, il devra mener des réformes pour plus d'efficience dans notre système de santé mais devra également faire les investissements nécessaires pour continuer à garantir un système de santé accessibilité à tous.

Je vous remercie.

Frank Vandenbroucke:

Madame Taton, je vois que vous êtes impatiente. Je viendrai à vous, il nous reste encore du temps, pas de souci.

La présidente : Mme Meunier l'est aussi.

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, je vais vous donner quelques chiffres qui apportent une nuance dans le débat. La masse des tickets modérateurs comptabilisés passe de 2,069 milliards en 2015 à 2,284 milliards d'euros en 2023. Par rapport au total des honoraires, la part des tickets modérateurs diminue de 8,2 % en 2015 à 6,4 % en 2023.

Je crois que l'on peut s'en réjouir. Le gouvernement précédent a joué un rôle positif à cet égard. Il convient donc évidemment de maintenir le cap. Il est important de noter que cette masse des tickets modérateurs est encore corrigée par le maximum à facturer.

Pour l'année 2023, 330 millions d'euros de tickets modérateurs sont pris en charge par l'assurance maladie. Ainsi, la masse des tickets modérateurs pour l'année 2023 s'élève à 1,954 milliard d'euros et non pas à 2,284 milliards. De plus, par le biais du statut BIM, l'INAMI offre une protection additionnelle aux familles socio-économiquement plus fragiles, ce qui se traduit dans les tickets modérateurs à leur charge. La part des tickets modérateurs par rapport aux honoraires totaux a diminué depuis 2015, passant de 10,3 % à 8,1 % pour les bénéficiaires non préférentiels et de 2,8 % à 2,1 % pour les bénéficiaires BIM. Ceci étant dit, il est clair que nous devons continuer de prendre des mesures pour favoriser le conventionnement des différents acteurs de la santé et mettre des freins aux divers suppléments.

Ce sont des chantiers cruciaux dans l'accord de gouvernement. Évidemment, le gouvernement est tout neuf, donc l'opposition devra se montrer vigilante pour voir ce que nous réalisons. Mais pour moi, ceci reste un défi très important, un engagement vraiment fondamental dans l'action du gouvernement.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie. Entre le moment où j'ai rédigé cette question et aujourd'hui, j'ai pu lire attentivement l'accord de gouvernement. Je ne nie évidemment pas votre engagement relatif à la limitation des suppléments d'honoraires, à une extension du tiers-payant et à une politique de conventionnement plus efficace. Ma question rejoint ma précédente réplique, à savoir: comment parvenir à ces objectifs tout en réalisant des économies et en n'investissant pas davantage dans notre système de soins de santé? Nous accomplirons donc notre travail d'opposition de manière constructive mais intransigeante sur ces questions d'accessibilité financière des patients aux soins de santé. La présidente : La question n° 56002500C de Mme Katleen Bury est reportée.

De meerprijs voor een snelle afspraak bij de dermatoloog
De wachttijden voor dermatologische zorg
Dermatologische zorgtoegang en -kosten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 13 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de onethische tweedeling in dermatologische zorg, waar patiënten met geld via ereloonsupplementen (tot 150% extra) of privépraktijken sneller geholpen worden, terwijl anderen maanden wachten – zelfs bij levensbedreigende huidkanker – terwij esthetische behandelingen zoals botox binnen 48 uur beschikbaar zijn. Minister Vandenbroucke belooft snelle actie tegen supplementen, herziening van artsenvergoedingen en een nieuw conventiemodel om tariefzekerheid te garanderen, maar erkent dat het systeem grondig moet veranderen om betaalbare, tijdige zorg voor iedereen te waarborgen. Cd&v steunt volledige afschaffing van supplementen en aanpassing van de nomenclatuur, terwijl Vlaams Belang eist dat lucratieve esthetische zorg niet voorrang krijgt op medische noodzaak en strengere controles vraagt op misbruik. De kern: zorg mag niet afhangen van iemands portemonnee, maar van dringendheid.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, als men in ons land huidproblemen heeft, dan moet men vooral veel geduld tonen of extra geld hebben. Blijkbaar is het zo dat mensen die een extra supplement betalen plots wel vroeger een afspraak kunnen boeken, in tegenstelling tot wie geen extra middelen heeft. Mijnheer de minister, ik moet het u niet uitleggen, de wachtlijsten voor een afspraak bij de dermatologen zijn gigantisch. Uit mijn lijstje van de actualiteiten van de laatste weken wil ik u een korte opsomming geven: UZ Leuven heeft een wachtlijst van 6 maanden, tenzij u 150 % extra supplement betaalt; het UZ Brussel heeft een patiëntenstop, tenzij u 50 euro extra betaalt. Collega’s, het wordt nog erger. Diezelfde dermatologen, actief in het ziekenhuis, hebben privépraktijken waarbij ze binnen de 48 uur wel ter beschikking staan van vrouwen voor botox en fillers.

Mijnheer de minister, ik hoef u niet te vertellen dat kanker alomtegenwoordig is in onze samenleving, waarbij huidkanker de snelst stijgende vorm is. We moeten altijd preventieve gezondheidszorg kunnen aanbieden aan de mensen. Mijnheer de minister, u weet dat er in het regeerakkoord staat dat die ereloonsupplementen zo snel mogelijk moeten worden afgebouwd. Als het van cd&v afhangt, dan gaat het over een volledige afschaffing. Als het van cd&v afhangt, dan vinden we dat elke patiënt recht heeft op tijdige, kwaliteitsvolle en betaalbare zorg.

Mijn vraag is bijgevolg heel simpel, mijnheer de minister. Hoe snel zult u werk maken van de afbouw van de ereloonsupplementen? Zult u ook de ziekenhuizen en dermatologen aanschrijven met de mededeling dat hun zorg op twee snelheden echt niet kan?

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ook ik had een lijstje gemaakt met termijnen en wachttijden die u zonet hebt gehoord, maar ik zal niet in herhaling vallen. In sommige ziekenhuizen is er maar één antwoord: ze voeren supplementen in en patiënten die meer betalen, komen sneller aan de beurt. Voor esthetische behandelingen is er evenwel geen probleem, want botoxfillers kunnen binnen anderhalve maand worden uitgevoerd; misschien zelfs binnen de 48 uur, zoals mijn collega zei. Voor dermatologische aandoeningen, huidkanker en andere belangrijke zaken, bedraagt de wachttijd drie tot zes maanden. Ik kan het lijstje aanvullen: in Sint-Maria Halle is geen afspraak mogelijk binnen de zes maanden en is de tweede jaarhelft van de agenda nog niet eens vrijgegeven.

Wel kan men een onlineconsultatie boeken bij Skindr, waar raadplegingen mogelijk zijn. Een basisraadpleging kost 39 euro, een afspraak binnen 48 uur kost 59 euro en een afspraak binnen 24 uur kost 99 euro. Die aanrekeningen worden niet terugbetaald, of slechts voor een heel klein deel, 5 tot 9 euro, bij sommige ziekenfondsen. In verschillende ziekenhuizen zouden slots voorzien zijn voor Skindrpatiënten, die daar binnen één week terechtkunnen als een belangrijke huidaandoening wordt vastgesteld tijdens de onlineconsultatie. De ziekenhuizen ontkennen dat weliswaar. Dat creëert alleszins een situatie waarbij gewoonweg naar de financiële middelen wordt gekeken.

Mijnheer de minister, wat is uw standpunt inzake die betalende voorrang? Vindt u het ethisch verantwoord dat esthetische behandelingen voorrang krijgen boven levensbedreigende medische zorg, nota bene in ziekenhuizen, die toch door de overheid worden gesubsidieerd? Wat zult u doen om de wachttijden voor dermatologische zorg substantieel te verkorten?

Frank Vandenbroucke:

Collega's, gezondheidszorg moet er zijn voor de mensen die ze nodig hebben. Ze moet er tijdig zijn, ze moet betaalbaar zijn en ze moet goed zijn voor iedereen. Wat we horen over de praktijken van sommige dermatologen in sommige ziekenhuizen is absoluut revolterend. Natuurlijk moeten we ervoor zorgen dat er voldoende dermatologen zijn. We zullen ook het aanbod en de instroom in dat beroep aanzienlijk vergroten. Dat is al aan de gang. We moeten er ook voor zorgen dat er technologieën ter beschikking zijn, zoals bijvoorbeeld het op afstand diagnosticeren.

Het is wraakroepend dat men misbruik maakt van schaarste om geld uit de zakken van mensen te kloppen of mensen te doen wachten. Dat is de reden waarom in het regeerakkoord staat dat we de supplementen zullen aanpakken. We zullen tegelijkertijd ook de vergoedingen van artsen-specialisten grondig herbekijken. Die zijn ook zeer ongelijk en onrechtvaardig verdeeld.

In het regeerakkoord staat ook dat we niet zullen wachten om excessen aan te pakken. Ik wil dat inderdaad zo snel mogelijk op de agenda van de regering zetten. Ik wil zo snel mogelijk actie beginnen te ondernemen. Ik ben heel blij dat cd&v mij daarin wil steunen. Ik reken dus ook op de steun van de cd&v-ministers om dat in de regering zo snel mogelijk op gang te brengen.

Er is ook een hele belangrijke uitdaging, met name het systeem zelf dat aan een zeer grondige herziening toe is. We kunnen tariefzekerheid aan de patiënten garanderen als de artsen toetreden tot de conventie. Het aantal dermatologen dat tot die conventie toetreedt, waarmee dus die tariefzekerheid wordt gecreëerd, is echter zeer beperkt geworden.

We vragen dat de beroepsgroepen samen met de ziekenfondsen nadenken over een nieuw model van conventionering, waardoor artsen-specialisten aangemoedigd worden om zich te conventioneren en ontmoedigd worden om niet tot de conventie toe te treden. Daar zullen harde knopen moeten worden doorgehakt, als we zo'n model tot stand willen brengen. Mevrouw Farih, ik reken zeker ook op uw steun in de regering.

Dat is dus niet oké. Ik denk dat ziekenfondsen ook goed voor zulke praktijken moeten uitkijken en dat ze in actie moeten schieten als ze daarover klachten krijgen. Dat geldt ook voor ons. Als we individuele klachten krijgen, kunnen we in actie schieten.

De grondslag van het systeem zelf moet herbekeken worden als we de mensen tijdige, betaalbare en goede zorg en tariefzekerheid willen garanderen.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitvoerig antwoord. Ik kan u garanderen dat u aan cd&v zeker een partner hebt. Cd&v zal nooit aanvaarden dat de grootte van iemands portemonnee de snelheid of de kwaliteit van zijn zorg bepaalt.

U hebt een heel interessante boodschap gebracht. Het is belangrijk om te werken aan de nomenclatuurherijking en ervoor te zorgen dat de prestaties die door dermatologen worden geleverd op maat gefinancierd worden. Dat kan ervoor zorgen dat de dermatologen veel minder ereloonsupplementen moeten aanrekenen en dat de zorg op twee snelheden kan verdwijnen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is heel simpel. Zoals u zelf zegt, moet de zorg gebaseerd zijn op de medische noodzaak en niet op wie het meeste kan betalen. Ongeacht iemands financiële situatie moet hij of zij terechtkunnen bij een zorgverstrekker wanneer dat nodig is. Ik wil erop hameren dat onterecht aangerekende supplementen moeten worden aangepakt en dat zorgverleners veel meer moeten focussen op de zorg waarvoor ze zijn opgeleid in plaats van zich voornamelijk te richten op lucratieve esthetische behandelingen. Daarover heb ik u niet veel horen zeggen. Het garanderen van goede, betaalbare en tijdige zorg moet een topprioriteit voor u zijn. Tijdige zorg betekent ook meer preventie en op langere termijn besparingen. Behandelingen kunnen dan immers tijdig worden opgestart. Een win-winsituatie dus. Een gratis advies van het Vlaams Belang, zonder dank.

De schietincidenten in Brussel
Het (drugs)geweld in Brussel
De drugsdealers en de herhaalde schietpartijen met kalasjnikovs aan het metrostation Clemenceau
De dodelijke schietpartijen in Brussel
De schietincidenten en de fusie van de politiezones in Brussel
De schietincidenten in Brussel
De dodelijke schietpartijen in Brussel
Het drugsgeweld
De schietincidenten in Brussel
De schietpartijen aan het Brusselse metrostation Clemenceau
Het geweld en de schietpartijen in Anderlecht
De coördinatie tussen de verschillende beleidsniveaus
De ondersteuning van de slachtoffers van drugscriminaliteit
Geweld, schietpartijen en drugscriminaliteit in Brussel en omgeving

Gesteld aan

Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gedachtewisseling in de Kamer draaide rond de escalerende drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel, met name in Anderlecht, en de structurele aanpak van georganiseerde criminaliteit en drugshandel door de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Quintin. Quintin benadrukte een nultolerantiebeleid, versterkte politieaanwezigheid (o.a. 24/7-patrouilles op hotspots), samenwerking met Justitie en Defensie (voor statische bewaking), en een ketenaanpak (van productie tot consumptie), maar erkende dat structurele oplossingen (zoals fusie van Brusselse politiezones, financiële ontmanteling van bendes en preventie) tijd en gecoördineerde inspanningen vereisen. Kritische punten waren tekort aan middelen, snelle inzetbaarheid van militairen (omstreden door minister Francken), en de rol van Justitie om straffeloosheid tegen te gaan, terwijl oppositiepartijen meer repressie en concrete timing eisten.

Voorzitter:

Ik verwelkom de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid, de heer Bernard Quintin. Ik feliciteer hem nogmaals met zijn aanstelling.

Ik heb tot deze gedachtewisseling beslist naar aanleiding van de verzoeken van de Vlaams Belangfractie en de fractie van Les Engagés met toepassing van artikel 24. Er worden ook vragen en een interpellatie aan toegevoegd.

Ik stel de volgende werkwijze voor. De minister zou graag een korte inleiding willen geven van een tiental minuten. Daarna zou ik de fracties aan het woord laten in volgorde van de grootte. Daarna kan de minister antwoorden en kan er worden gerepliceerd.

Mijnheer de minister, mag ik u vragen om binnen die tijd te blijven? Er zijn ook zeer veel fracties hier vertegenwoordigd, dus ik zou willen vragen om de uiteenzettingen van de fracties te beperken tot 10 à 15 minuten. Ik ben daarin nogal soepel, maar in der Beschränkung zeigt sich der Meister .

Bernard Quintin:

Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers, bedankt voor de flexibiliteit. Ik wil u vooreerst bedanken om mij in uw commissie te verwelkomen als nieuwe minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris. Uw rol en die van alle leden van de Kamer is voor mij essentieel. Ik verheug me dan ook om samen met u van gedachten te wisselen en kijk uit naar onze samenwerking.

Évidemment sans me faire trop d’illusions, car je sais que nous ne serons pas toujours d’accord et que nos débats seront vifs mais c’est précisément ce qui fait la richesse de notre démocratie. Une chose toutefois nous rassemble au-delà de nos divergences: notre pleine volonté de mieux garantir la protection et la sécurité de nos concitoyens. Sur ce point, vous pouvez compter sur mon engagement total.

Venons-en aux faits qui se sont déroulés la semaine dernière. Le mercredi 5 février dans les premières heures du matin, deux fusillades ont eu lieu dans la capitale. Une première à Saint-Josse-ten-Noode aux alentours de 1 h 25 avec deux blessés et une seconde à la sortie de la station de métro Clemenceau à 6 h sans faire de blessés. Le lendemain, le jeudi 6 février, une nouvelle fusillade a eu lieu à Clemenceau. Une personne a été blessée et s’est trouvée quelques jours dans un état critique. Ce vendredi 7 février, une fusillade a eu lieu dans le quartier anderlechtois du Peterbos. Une personne y a perdu la vie.

Enfin, selon les informations dont je dispose à l’heure actuelle, hier soir aux alentours de 22 h 00, un individu armé d’une arme longue est sorti d’un véhicule à proximité de la station Clemenceau où se trouvait une équipe de police en poste statique. À la vue de celle-ci, l’individu est remonté dans son véhicule et a pris la fuite. Cet évènement démontre l’importance de la présence policière renforcée dans nos rues.

Na de gebeurtenissen van vorige week trad ik onmiddellijk in contact met de betrokkenen en stond ik aan de zijde van de politieteams ter plaatse. Daarvoor wil ik hen bedanken. Eerst en vooral had ik een gesprek met de burgemeester van Anderlecht, de heer Fabrice Kumps, en de procureur des Konings, de heer Moinil. Vorige week had ik ook ontmoetingen met nationaal drugscommissaris, mevrouw Ine Van Wymersch, en de commissaris-generaal van de federale politie, de heer Eric Snoeck.

Toujours vendredi matin, après les événements dans le quartier du Peterbos, une réunion d'urgence a eu lieu au cabinet de la ministre de la Justice, ma collègue Annelies Verlinden, en présence du commissaire général de la police fédérale, des représentants des forces de police locales, de la commissaire nationale aux drogues, du parquet général et du procureur du Roi de Bruxelles. Il s'agissait d'une réunion importante et utile pour faire le point sur la situation mais surtout pour mettre tous les acteurs concernés autour de la table et coordonner les informations récoltées.

Gisteren heb ik met de burgemeester van Brussel de Gewestelijke Veiligheidsraad van Brussel bijgewoond. Het belangrijkste doel van die ontmoetingen was de identificatie van concrete en snelle maatregelen voor de verhoging van de veiligheid van onze burgers, wat vandaag nog steeds onze absolute prioriteit is. Ze boden ook de gelegenheid om de balans op te maken en te onderzoeken hoe we de aanwezigheid van de politie in en rond de metrostations en in de politiezone Zuid kunnen versterken.

Ces échanges ont été l’occasion de témoigner mon soutien et ma gratitude envers les forces de l’ordre, dont l’engagement sans faille mérite d’être salué. J’ai été profondément touché par la détermination et la persévérance des agents rencontrés sur le terrain, et je tiens à leur adresser ici une fois encore mes plus sincères remerciements.

Mes pensées vont aussi évidemment aux concitoyens innocents, directement ou indirectement affectés par ces violences. Je mesure pleinement leur crainte et leur sentiment d’insécurité qui est d'ailleurs, pour la plupart d’entre eux, plus qu’un sentiment. Il faut leur dire que nous entendons leur appel à plus de sécurité. Ils veulent vivre en sécurité et en paix dans leur quartier. Ils peuvent compter sur ma détermination et celle de l’ensemble du gouvernement pour agir.

Samen zullen we ons onvermoeibaar blijven inzetten om de situatie te verbeteren. Ik herhaal het keer op keer: de straten zijn niet van de dealers, maar van onze medeburgers.

Comme vous le savez, le problème lié au phénomène de vente de stupéfiants en Belgique n'est pas nouveau. Notre pays est connu pour être devenu un hub logistique pour l'Europe. Deux points d'entrée principaux ont été identifiés: le port d'Anvers et l'aéroport de Liège-Bierset, lesquels permettent l'importation de cocaïne et de drogues de synthèse. Ces dernières années, la vente de drogue s'est structurée sous la tutelle des mafias étrangères, notamment au sein du quartier Peterbos.

Het gebruik van verdovende middelen is ook veranderd. Voor 2020 werd de politie voornamelijk geconfronteerd met cannabishars. Sinds de structurering van de drugsnetwerken zien we een toename in de verkoop van cocaïne, die blijft stijgen vanwege de rentabiliteit op de drugsmarkt. Een straatverkoper verdient veel meer met de verkoop van cocaïne dan met de verkoop van cannabishars, waardoor meer verkopers die drug aanbieden.

Notre service de police de recherche a déjà pu identifier plusieurs réseaux de trafiquants présents dans plusieurs régions de notre pays. À Anvers, ce sont des narcotrafiquants liés et sous la tutelle de la Mocro Maffia et de la mafia albanaise. À Liège, les réseaux de stupéfiants sont moins structurés et disposent de moins de capacités logistiques, comme par exemple l'accès aux armes à feu. Cependant, cela n'empêche pas une guerre de territoire avec les différentes organisations qui se conclut par des règlements de comptes violents à l'arme blanche.

Depuis la fin de l'année 2021, nous faisons le triste constat de l'augmentation de la violence avec armes à feu dans les rues de Bruxelles. Les différentes organisations se livrent, aux yeux de tous, à des règlements de comptes dans les rues de nos quartiers. Ce que nous avons vu la semaine dernière n'est que la pointe de la partie émergée de l'iceberg.

Ik kan u verzekeren dat ik niet zal blijven stilzitten in mijn bureau, maar dat ik bij onze ordediensten op het terrein zal zijn. Het regeerakkoord is duidelijk. Il faut le souligner . De veiligheid in onze straten en het einde van de straffeloosheid zijn de prioriteiten voor alle actoren, ook voor de mensen die ik sinds vorige week heb ontmoet.

Vous allez me demander, à juste titre, quelles mesures seront prises. Nous allons décliner notre approche en deux phases.

Premièrement, il est impératif de regagner l'espace public. Afin d'atteindre cet objectif, la Zone de police Midi a été renforcée, depuis le 28 octobre 2024, par six inspecteurs qui composent trois patrouilles de sécurisation du service DAS de la police fédérale présents 24 sur 7. Ils sont venus en renfort sur les six hotspots de la Zone de police Midi: Peterbos, Cureghem-Aumale, Gare du Midi, Porte de Hal, Square Jacques Franck, et Saint-Antoine.

Depuis les fusillades de la semaine dernière, un renfort supplémentaire a été déployé dans le cadre d'un mécanisme de coopération policier renforcé, notamment par l'appui de la Zone de police Bruxelles Capitale Ixelles et de la police fédérale: 20 inspecteurs en appui sur les lieux identifiés comme hotspots au sein des zones de police assurent des patrouilles 24 sur 7, et 30 inspecteurs au service de la police des chemins de fer (SPC) renforcent la sécurité dans les stations de métro. Parallèlement, des enquêtes judiciaires approfondies sont menées, afin de cibler les responsables de ce trafic.

Deuxièmement, une série de mesures visant le démantèlement des réseaux doivent être envisagées de manière structurelle et pérenne. Je vous en liste quelques-unes que je compte étudier.

Je voudrais d'abord un renfort supplémentaire qui sera destiné aux zones confrontées au trafic de drogue, pour des patrouilles de sécurisation.

Comme inscrit dans l'accord de gouvernement, j'entends étudier la manière dont nous pouvons organiser nos formations au sein des écoles de police de manière plus concrète et efficace. Mon attention se portera notamment sur le bon fonctionnement des directions de la police judiciaire fédérale, afin que les enquêteurs puissent travailler de manière plus optimale.

Je vais renforcer le travail commun avec les SPF Justice, Asile et Migration, Finances ainsi qu'avec la commissaire nationale aux drogues, pour nous attaquer ensemble à toutes les chaînes du trafic.

In overeenstemming met het regeerakkoord zullen bewakingsopdrachten op gevoelige locaties, zoals kerncentrales en ambassades, uiteindelijk overgenomen worden door Defensie. Hierdoor kunnen de agenten die nu gemobiliseerd zijn weer in hun oorspronkelijke diensten worden opgenomen, zodat ze zich op hun primaire opdracht kunnen toeleggen. Ik ben daarover in overleg met mijn collega van Defensie, de heer Theo Francken. Wij hebben allebei de vaste wil om dit te doen conform het regeerakkoord.

Om de drugshandel te bestrijden moeten we ook de gebruikers bewuster maken. In het belang van de openbare veiligheid, gezondheid en rust zullen administratieve maatregelen worden genomen tegen kopers van verdovende middelen.

Mesdames et messieurs les députés, je mettrai tout en œuvre pour éradiquer le trafic de drogues de nos rues. Toutefois, cette lutte ne pourra être menée efficacement et sur le long terme qu'avec l'implication de tous les pouvoirs compétents. Je pense ici aux autorités locales, mais également aux autorités régionales ainsi qu'à mes collègues de la Justice, de l'Asile et de la Migration, ou encore des Affaires étrangères. Nous serons en contact régulier et coordonnerons nos actions.

Samen zullen we een eenvoudig principe toepassen: nultolerantie ten opzichte van criminaliteit. Over de rust in onze wijken en de veiligheid van onze inwoners valt niet te onderhandelen. Er is geen diplomatie tegenover criminaliteit of, met andere woorden, geen diplomatie met dealers. Ook – en dit wil ik benadrukken – wordt geweld tegen onze politieagenten, brandweerlieden en ambulanciers niet getolereerd.

Inutile de revenir en détail sur le bilan de la nuit de la Saint-Sylvestre, mais une chose est certaine, celles et ceux qui s'engagent chaque jour pour protéger nos concitoyens doivent pouvoir remplir leurs missions en toute sécurité et ceux qui s'attaquent à eux doivent être punis fermement.

Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, je suis conscient que le travail qui nous attend est un parcours de longue haleine qui nécessitera un plein engagement et une bonne dose de persévérance et de patience. J'y suis prêt, tout comme l'ensemble des acteurs concernés.

Al na één dienstweek zie ik een sterke bereidheid om samen vooruitgang te boeken. Ik kijk er dan ook naar uit om dat werk constructief met jullie voort te zetten.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw inleiding. Het woord is aan de fracties.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, collega's, op drie dagen tijd vonden vier schietpartijen plaats in Brussel, waarmee we echt een escalatie van het drugsgeweld in onze hoofdstad zien. Een dode en een gewonde zijn de ons bekende slachtoffers, maar er zijn heel wat meer slachtoffers van die incidenten, want door die incidenten heerst een onveiligheidsgevoel bij de burgers, bij mama's en papa's die hun kinderen naar school moeten brengen, bij oma's en opa's die gewoon met hun hondje op straat willen wandelen. Al die mensen zijn slachtoffers van het drieste drugsgeweld in de straten van Brussel.

Op beelden zien we mannen gewapend met kalasjnikovs op straat, bij de metro. Dat is geen onveiligheidsgevoel meer, maar onveiligheid. Mensen zijn niet meer veilig op straat. In de kranten lees ik dat het slachtoffer dat in het been geschoten werd op het verkeerde moment op de verkeerde plaats geweest zou zijn. Daardoor stellen mensen zich natuurlijk de vraag 'wat als ik mijn wandelingetje maak over straat'?

Of het nu overdag of 's nachts is, de straten in Brussel moeten veilig worden. We moeten law-and-order bereiken. Daarvoor zijn verenigde krachten nodig, mijnheer de minister, daarmee ga ik akkoord. Als minister van Binnenlandse Zaken kunt u dat niet alleen doen. Ik ben dan ook zeer blij dat u ondertussen al zoveel stappen hebt gezet om met verschillende partners aan tafel te gaan zitten en ook om met collega-ministers te spreken. Dat zal ook in de komende maanden, zelfs jaren, noodzakelijk zijn.

Hoe moeten we de veiligheid herstellen? Daarop is niet slechts één antwoord mogelijk. Met N-VA hebben we al vaker een fusie van de politiezones in het Brusselse aangekaart. Ik denk dat we moeten komen tot een efficiënte politie, tot een politiezone die niet versnipperd, maar echt slagkrachtig en flexibel is en die zeer aanwezig kan zijn op de nodige momenten.

Er moet meer blauw op straat zijn door samen met de minister van Defensie te bekijken welke andere opdrachten eventueel aan militairen kunnen worden gegeven. Ik hoor dat er nog wel wat werk aan de winkel is voordat men hiermee van start kan gaan. Daar zal ik u straks een aantal vragen over stellen. Een gecoördineerd veiligheidsbeleid is ook nodig. Er zijn zoveel structuren, overleggroepen, taskforces en dergelijke die allemaal op elkaar moeten worden afgestemd.

Wat zero tolerance betreft, een harde aanpak is absoluut noodzakelijk. Het gaat hier niet meer om een kleine drugsdealer, een jongetje van negentien dat wat zakgeld wil verdienen. Het gaat om zware drugscriminelen en georganiseerde criminaliteit waarvoor we een nationaal actieplan nodig hebben. Dit deint immers ook uit naar andere steden en gemeenten. Door dat nationale actieplan zal de veiligheid van onze stations en onze steden er fel op vooruitgaan.

Om die georganiseerde bendes te raken, moeten we inderdaad aan de centen zitten. Dit komt nu misschien niet onmiddellijk op de voorgrond, maar is minstens even belangrijk. De nationale drugscommissaris wijst er ook telkens op: follow the value . In het regeerakkoord is er ook sprake van de FIOD, de multidisciplinaire fiscale en financiële opsporingsdienst. Dat is immers wat we moeten doen, namelijk het lamleggen van de criminele circuits en beletten dat crimineel geld wordt witgewassen, waarna alles gewoon verdergaat.

We zijn in de Zweedse regering gestart met de uitrol van een volledig kanaalplan. Ook nu staat in het regeerakkoord dat daar fors op ingezet zal worden om de criminele circuits op ieder niveau actief en gericht tegen te gaan. Dat brengt mij bij mijn vragen, mijnheer de minister.

Kunt u bijkomende uitleg aan ons geven over de geplande fusie in Brussel? Wij zijn er immers van overtuigd dat zo'n fusie veel voordelen biedt. Dat wordt trouwens ook bevestigd door wetenschappelijk onderzoek.

Er zullen uiteraard heel grote uitdagingen mee gepaard gaan. We moeten er echter niet voor terugdeinzen om zo snel mogelijk stappen vooruit te zetten. Deelt u die mening? De brandweerzones zijn immers gefusioneerd en tonen aan dat een bepaalde manier van werken in de toekomst mogelijk is.

Meer blauw op straat brengt ons ook bij wat de DAB binnen de politie doet. Hoe verhouden die zaken zich tegenover elkaar, namelijk de DAB ten opzichte van de militairen die op straat komen? Op dat vlak blijf ik nog met een aantal vragen zitten. Hoeveel mensen komen vrij bij de politie, mochten de militairen worden ingezet voor statische bewakingsopdrachten? Dat is heel strikt omschreven in het regeerakkoord. Hoeveel militairen zijn daarvoor nodig? Hebt u nu al een zicht daarop en kunt u dat aan ons meegeven?

Ik hoor dat er overleg is geweest met uw collega-minister van Defensie, Theo Francken. Kan er daarover al meer worden medegedeeld?

Er is een taskforce bij het parket van Brussel. Wat is de rol van de lokale en federale politie in die taskforce? Hoe worden de zaken op elkaar afgestemd?

Inzake zero tolerance ben ik er echt van overtuigd dat er een kordaat lik-op-stukbeleid moet komen met een onmiddellijke reactie en een nultolerantie ten opzichte van drugs. De federale politie levert inderdaad gerichte steun, onder meer bij het identificeren en ontmantelen van druggerelateerde bendes, natuurlijk in overleg met de lokale politie. De samenwerking zou echter in december 2024 worden geëvalueerd. Hebt u extra informatie voor ons daarover? Welke conclusies en aanbevelingen hebben de evaluatie van de samenwerking tussen de federale en de lokale politie in Brussel opgeleverd?

Welke acties worden opgenomen in het Nationaal Actieplan voor de veiligheid in de stations en in de grote steden? Hoeveel middelen hebt u daarvoor beschikbaar?

Hoe wilt u heel concreet werk maken van een kordaat lik-op-stukbeleid met een onmiddellijke reactie en nultolerantie, natuurlijk ook tegen het geweld aldaar? Hoe zullen we er zeker en vast voor zorgen dat onze politiediensten tegen het geweld gewapend zijn?

We hebben de agressie en het geweld gezien tijdens de rellen op oudejaarsnacht. We hebben hier toen ook een enorme discussie gevoerd in de commissie. Op welke manier zorgen wij ervoor dat de politie zelf krachtig genoeg kan optreden tegen dergelijk enorm agressief geweld?

Ik heb nog een bijkomende vraag. Kunt u wat meer uitleg geven over de SIOD? Ook de drugscommissaris heeft daarover een aantal zaken in de pers medegedeeld, met name dat ze ook de opdracht heeft gekregen om een drugsfonds uit te werken. Hoe verhouden die twee zich tot elkaar? Klopt het dat die opdracht al is gegeven?

Mijn collega Jeroen Bergers – nieuw in de commissie en schepen in Vilvoorde – was samen met collega’s uit de Vlaamse Rand betrokken bij het federale Kanaalplan. In hoeverre zult u dat federale Kanaalplan verder uitrollen? Zult u ervoor zorgen dat het niet uitdijt naar de Brusselse en Vlaamse Rand? Want dat is een echte bron van ongerustheid.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, als u me toestaat zal ik vanop mijn voorzittersstoel de tussenkomst houden voor de Vlaams Belangfractie. Ik spreek dus niet in mijn hoedanigheid van commissievoorzitter, waarin ik een neutrale rol opneem.

Terwijl we deze gedachtewisseling aan het voeren zijn, komt er een recent krantenartikel binnen waarin staat dat er opnieuw een man met een kalasjnikov is opgedoken aan hetzelfde metrostation, Clemenceau. Hij is weggevlucht en nog steeds voortvluchtig. Misschien kunnen mevrouw De Vreese en de meerderheidspartijen u veel lof toezwaaien voor uw snelle aanpak, maar veel impact heeft die blijkbaar nog niet gehad op het terrein, gezien het nieuwe incident gisteren. Ik wil niet in herhaling vallen. Mevrouw De Vreese heeft de gebeurtenissen beschreven, de situatie is duidelijk en vooral ernstig en is helaas niet tot Brussel beperkt.

Mevrouw De Vreese, u bepleit terecht ook een aanpak buiten Brussel, zodat het niet uitdijt naar de Rand, maar ik vrees dat het te laat is. Ik zeg niet dat het de schuld is van de huidige meerderheid, maar we hebben het veiligheidsthema niet enkel in Brussel maar ook in andere grootsteden al veel te lang verwaarloosd. Ik verwijs ook naar de vele aanslagen van de afgelopen jaren in Antwerpen. Er is dringend nood aan versterking van het repressief apparaat. Er werd door de politiek te veel ingezet op een preventieve aanpak, terwijl er te weinig nadruk werd gelegd op repressie.

Dan kom ik tot de essentie van deze gedachtewisseling met u, mijnheer de minister. Hoe zullen we dit aanpakken?

Ik denk dat we twee zaken moeten doen, mijnheer de minister. Op zeer korte termijn moeten we een aantal zeer dringende maatregelen treffen. Dan denk ik aan de fusie van de Brusselse politiezones. Het kan immers niet dat, als men feiten pleegt in een bepaalde politiezone, de politiezone ernaast daar geen weet van heeft en daar niet mee verder kan. Die fusie moet er komen.

U hebt me wat ongerust gemaakt bij de bespreking van de regeerverklaring van vorige week, mijnheer de minister. U zei toen: "Mijnheer Depoortere, ik ga daar mijn tijd voor nemen. Ik zal eerst een keer gaan babbelen met de burgemeesters. Ik zal nog een keer overleggen met de verschillende korpschefs. Ik zal dan kijken of dat we daar ook politiek nog iets mee kunnen doen. Dan moet er uiteraard nog een wetsontwerp worden gemaakt. Dat moet aan allerlei instanties en werkgroepen worden voorgelegd en dan moeten er ook nog adviezen worden aangevraagd. Ik denk niet dat dit allemaal dit jaar rond kan zijn." Ik denk daarentegen net wel dat dit een quick win is, die men onmiddellijk zou moeten aanpakken. Stop het gepalaver over die eenmaking van de Brusselse politiezones.

Ten tweede – ik herhaal wat ik vorige week al heb gezegd –, de regering voorziet budgettair voor dit jaar in 75 miljoen euro. Mijnheer de minister, dat is compleet ontoereikend als men weet hoeveel noden er bij de politie zelf zijn. U zegt dat u op het terrein bent geweest. U zegt dat u in de toekomst geen minister achter een bureau wilt zijn, maar een minister tussen de politiemensen. Luister dan eens goed naar de politiemensen en luister vooral naar wat hun noden zijn. Hun materiaal is allang niet meer gemoderniseerd. Ze hebben een tekort aan personeel. U hebt nu wel beslist om bijstand te verlenen met de federale politie en u hebt beslist om lokaal extra ondersteuning te geven, maar de vraag werd u ook door een journalist gesteld: hoelang zult u die inspanning volhouden, mijnheer de minister? Een maand, twee maanden, een jaar, een legislatuur? Dit is geen structurele oplossing, het is kurieren am Symptom .

We spreken hier niet over een fait divers, maar wel over georganiseerde criminelen die rondlopen met oorlogswapens. Er is nu al een dode gevallen en iedereen hoopt dat er geen onschuldige slachtoffers meer zullen vallen. Ik kan dus niet anders dan de Bart De Wever van twee jaar geleden gelijk te geven. Toen was er nog een Bart De Wever die naar aanleiding van een schietpartij in Antwerpen, waarbij een onschuldig meisje van 11 jaar het leven liet, zei dat het gedaan moest zijn met rond de pot te draaien. Hij vroeg om een onmiddellijke aanpak en om desnoods het leger in te zetten.

We zijn intussen twee jaar verder, met een nieuwe regering waarvan de N-VA nu wel deel uitmaakt. Echter, de N-VA is plots van koers veranderd. Mijnheer de minister, u zegt wel met Defensie te willen werken, maar nog geen uur later hoor ik een zekere heer Francken, minister van Defensie, zeggen dat dat niet zal pakken, dat het niet zal lukken, dat we geen wettelijk kader hebben, dat het leger daar niet voor is opgeleid en dat Defensie zelf noden heeft. Hij zegt dat dit nog helemaal niet aan de orde is, want dat er eerst een wettelijk kader moet komen en tegen dat dat allemaal rond is, we nog wel zullen zien. En dat alles terwijl de nood vandaag heel hoog is. Dat is geen oplossing zoals de bevolking die vraagt.

Ik kom tot een derde luik. Ik hoor al vijf jaar lang in deze commissie het woord nultolerantie vallen. Intussen is iedereen, van extreemlinks tot rechts, ervan overtuigd dat er een nultolerantie moet komen ten aanzien van dergelijke criminelen, maar tussen de woorden en de daden is er nog een heel groot verschil. Mijnheer de minister, ik heb aan uw voorgangster, mevrouw Verlinden, die nu de rol van de heer Van Tigchelt heeft overgenomen, ook steeds gezegd dat er geen aanpak van georganiseerde criminaliteit kan zijn als Justitie niet volgt. Anders blijft het dweilen met de kraan open voor onze politiemensen. Dat werkt demotiverend voor onze politie en het werkt de straffeloosheid of zeker het gevoel van straffeloosheid in de hand bij de burger.

Ik wil u dus alleszins vragen om te overleggen, niet alleen met de minister van Defensie over de inzet van het leger, maar ook met de minister van Justitie. Zij weet intussen zeer goed hoe de situatie in elkaar zit. Ze heeft drie jaar de tijd gehad om daaraan vanuit politioneel oogpunt iets te doen. Ik hoop dat ze nu vijf jaar de tijd zal nemen om daar ook justitieel iets aan te veranderen.

Er kunnen zeer veel vragen gesteld worden over de politiestructuur zelf. De eenmaking van de Brusselse politiezones is een van die vragen. Daarnaast zijn er vragen over de opleiding van politieagenten, aangezien agenten eigenlijk helemaal niet voorbereid zijn om dergelijk geweld aan te pakken. Een andere vraag is of de politieagenten voldoende in staat zijn om overal te lande, niet enkel in Brussel, in te grijpen. Daarom pleit ik ervoor om ook de federale politie te versterken, overeenkomstig een van de conclusies van de Staten-Generaal van de politie van de vorige legislatuur. Op federaal vlak moet er eigenlijk een gespecialiseerde eenheid komen die ingezet kan worden bij dergelijke fenomenen.

Tot slot wil ik ingaan op een taboe dat leeft in deze politiek correcte wereld, namelijk het taboe van de vreemdelingen. Men moet niet rond te pot draaien: veel van die georganiseerde criminelen zijn van een andere etnische afkomst. Dat mogen we niet wegmoffelen. Integendeel, we moeten dat serieus onder de loep durven te nemen. Dat taboe moet sneuvelen. Minister Verlinden heeft dat in het verleden spijtig genoeg niet willen doen, maar ik hoop dat het onder deze regering wel zal gebeuren. Mijnheer de minister, ik durf ervoor te pleiten om van vreemdelingen die zware criminele feiten plegen en die de dubbele nationaliteit hebben, de Belgische nationaliteit af te nemen.

Ik kom tot mijn conclusie. Ik wil een totaalpakket op korte termijn om die georganiseerde criminaliteit aan te pakken. Daarbij moet nagedacht worden op structureel, financieel en materieel vlak, over het opleidingsniveau en de structuur van het politielandschap, zodat dergelijke fenomenen in de toekomst beter aangepakt kunnen worden.

Voorzitter:

Je donne la parole à Mme Delcourt pour le groupe MR.

Catherine Delcourt:

Monsieur le président, si vous le permettez, j'occuperai la moitié du temps de parole pour laisser l'espace à mon collègue Denis Ducarme, qui devrait nous rejoindre dès que possible.

Monsieur le ministre de l'Intérieur, les récents événements bruxellois qui nous occupent aujourd'hui ne constituent malheureusement pas une nouveauté. Ce dont il est question ici, c'est de la sécurité à Bruxelles évidemment, mais aussi sur l'ensemble de notre territoire.

Je cite quelques chiffres. L'année dernière, 89 fusillades ont été recensées par le parquet à Bruxelles, au cours desquelles on a pu déplorer neuf morts et 48 blessés. La situation s'aggrave. Elle empire d'année en année. Elle risque de s'étendre à d'autres territoires qu'à celui de Bruxelles.

La commission de l'Intérieur s'est plusieurs fois penchée sur ce phénomène, en entendant des acteurs de terrain de première ligne: le procureur général, la police locale, la police fédérale, la police judiciaire. Nous avons aussi bénéficié d'un excellent exposé de la commissaire nationale aux drogues concernant la lutte contre le trafic de drogue. Nous avons pu entendre régulièrement Mme Verlinden, qui est maintenant en charge de la Justice. On peut espérer que cette chaîne s'avèrera efficace et que cette succession permettra une bonne coordination entre vous.

Le tout fraîchement nommé procureur du Roi de Bruxelles se demandait dernièrement: "Combien de morts faudra-t-il pour qu'on ait une réaction à la hauteur de la gravité de la situation?" Des morts il y en a eu beaucoup trop. Il n'en faut plus. C'est une évidence. Je pense que l'accord de gouvernement fait une place large à la sécurité de tous les citoyens. Il s'agit d'une priorité, c'est démontré, dans cet accord Arizona, qui a pris conscience de l'ampleur et de la gravité de la situation.

Les acteurs de terrain ont été entendus. La population qui subit cette violence liée à la drogue, qui appelle aussi à davantage de sécurité, à ce qu'elle soit respectée, à ce qu'elle puisse se déplacer en toute liberté, a besoin de mesures fortes.

L'accord contient au moins 50 mesures qui permettront de lutter ensemble contre des événements tragiques de ce type, en bonne coordination.

Notre chef de groupe Benoît Piedboeuf l'a évoqué en débat la semaine dernière: la sécurité est un point central pour notre formation politique.

Un tel renforcement de la sécurité a depuis longtemps été demandé, exigé, sollicité par le MR, particulièrement par mon collègue Denis Ducarme qui plaide depuis des années dans ce sens. On a constaté dès votre prise de fonctions, monsieur le ministre, que vous n'aviez perdu aucune seconde. Vous êtes descendu sur le terrain, vous avez constaté la situation, vous avez entendu les doléances, les craintes et les peurs, vous avez constaté les besoins, vous en avez déjà fait la synthèse et pris des décisions pour pallier les manques les plus criants.

Je ne doute évidemment pas que vous vous attellerez avec la même conviction au déploiement de l'ensemble de la politique qui a été négociée et à la mise en œuvre de l'accord de gouvernement. La mise en place d'un plan Canal fédéral, d'abord à Bruxelles et ensuite dans les villes qui subissent les mêmes difficultés, ou le début de ces mêmes difficultés, permettra aux zones de police, dont je rappelle qu'elles sont un acteur central de la proximité, d'assurer un suivi dynamique et rapproché des individus et des organisations problématiques, ainsi que de contrer les actes criminels auxquels se livrent ces mêmes organisations.

De plus, un vaste plan d'action national, sollicité pour sécuriser nos gares et nos trains, sera élaboré et appliqué avec fermeté. C'est un nœud de votre politique en la matière. Ce plan vise à renforcer la présence policière dans et autour des gares, à octroyer l'accès aux images des caméras de surveillance à la police et à permettre aux agents d'effectuer des patrouilles numériques dans les gares.

L'accord de gouvernement met l'accent sur la collaboration dont devront faire preuve les différents acteurs de la mobilité ferroviaire.

Comme notre proposition de résolution visant une évaluation des phénomènes de délinquance et de criminalité aux abords des grandes gares l'indique, mon collègue Denis Ducarme et moi-même sommes particulièrement sensibles à la question de l'insécurité dans nos gares, mais aussi dans nos ports intérieurs et extérieurs. Le thème central que représente la sécurité implique une multiplication des tâches. Nous nous réjouissons de l'initiative de charger des acteurs privés de missions non policières et administratives. Une fois le cadre légal adapté, ces tâches qui conservent toute leur importance, permettront de dégager de la capacité policière. C'est évidemment un soulagement pour les services de police de pouvoir déléguer certaines tâches et d'augmenter les capacités opérationnelles sur le terrain.

La fusion des zones de police, avec la garantie d'un ancrage local et le maintien de la proximité entre les zones et le citoyen, apporte un outil efficace.

Dans ce cadre, la mutualisation des compétences, du matériel, des moyens n'est pas à prendre à la légère en termes de gain d'efficacité. L'unité prônée impliquera une politique globale plus efficiente. Et, monsieur le ministre, s'il ne doit pas y avoir de place pour la diplomatie avec les délinquants et la drogue, il y a nécessité de diplomatie pour que les accords se passent au mieux et qu'on aboutisse à une situation meilleure. Le processus compte aussi.

En parallèle, un refinancement et un renforcement de la police fédérale permettra d'étendre l'action de nos forces de l'ordre dans tous les domaines d'activité des criminels. La commissaire nationale aux drogues, comme de nouveaux acteurs d'ailleurs, a récemment rappelé que la lutte contre la drogue, contre la criminalité dans son ensemble nécessite une approche coordonnée et multidisciplinaire. Votre action est un des piliers essentiels comme le sont les actions de prévention et de répression.

En matière de répression, l'accord de gouvernement prône une tolérance zéro vis-à-vis du trafic de drogue, avec des sanctions plus dures contre les dirigeants de ces trafics ou de la criminalité organisée, avec à la clé une possibilité de déchéance de nationalité.

Pour Bruxelles, vous avez en tout cas un allié inconditionnel en la personne du nouveau procureur du Roi qui a également pris différentes mesures pour que son parquet puisse s'attaquer à ce fléau. Nous comprenons, monsieur le ministre, que vous ne pourrez mettre en œuvre l'accord de gouvernement que grâce à la collaboration active des autres ministères impliqués dans le domaine de la lutte contre les organisations criminelles et la drogue. Ces ministères (Finances, Travail, Migration, Défense, Affaires étrangères, Santé et évidemment Justice) pourront directement agir sur les maillons de la chaîne que constitue le circuit du producteur au consommateur.

Votre prise de fonction s'est faite dans des circonstances à la fois dramatiques et exigeantes. Nous avons réellement apprécié les rencontres que vous avez réalisées dans les quartiers et auprès des policiers qui se sont déployés la semaine passée ainsi que leurs dirigeants et autorités. Nous sommes convaincus que l'approche pragmatique et ambitieuse que vous avez choisie est la bonne pour diriger ce vaste portefeuille ministériel. Nous sommes aussi tout à fait conscients que votre travail, s'il est essentiel, ne pourra à lui seul contrer des phénomènes aussi complexes que les trafics de drogue, les mafias et les violences.

La multidisciplinarité de l'approche doit prévaloir si nous voulons reprendre le dessus sur cette situation terriblement dégradée. Toute la chaîne de prévention, de répression doit être mobilisée de manière coordonnée. Attaquons le phénomène des drogues de toute part sans relâche. C'est un véritable fléau pour l'ensemble de notre société, les plus fragiles en particulier. Nous ne devons pas laisser continuer de se développer une société criminelle parallèle.

Monsieur le ministre, je vous remercie encore pour vos explications et le début de votre action en faveur de notre sécurité à tous.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, je vous adresse mes sincères félicitations pour votre accession.

J'aimerais commencer en indiquant qu'effectivement, et tristement, ces derniers jours ont été marqués par une recrudescence inquiétante des violences dans les rues de Bruxelles. J'aimerais avant toute chose, puisque je sais que le débat agite les passions politiques, avoir aussi une pensée sincère pour les riverains et habitants de ces quartiers qui sont les premières victimes de ces troubles de la sécurité dans nos quartiers à Bruxelles.

Ceci étant dit, il convient de rappeler les faits. On déclare beaucoup de choses mais, derrière les lignes écrites avec des lettres, il y a celles écrites avec des chiffres. Quand je vais parler d'Intérieur, je vais parler de service public de sécurité, et à dessein, puisque les services publics sont ceux que l'on considère trop souvent comme coûtant trop cher et où il faut couper.

Lorsque l'on dit que l'on fait de la sécurité une priorité – et nous partageons pleinement cet objectif politique –, on doit pouvoir rappeler que, sous la Suédoise – il n'y a pas si longtemps –, il y a eu des coupes linéaires de 4 % en 2015 et de 2 % chaque année à partir de 2016. Il y a eu un définancement en valeur absolue du budget de l'Intérieur de 206 millions d'euros sur cette législature, pour un gouvernement qui considérait que la sécurité devait être la priorité.

On a effectivement tenté de pallier, après les attentats du 22 mars 2016, avec un plan Canal, en disant qu'il fallait améliorer les choses à Bruxelles, à Vilvorde et ailleurs, et amener des moyens complémentaires. Mais il aura fallu, malheureusement, le fait des attentats, pour pouvoir avoir un financement, qui a d'ailleurs été supprimé par après.

Ici, que voit-on? L'accord de gouvernement comporte des mesures en ce sens, sur lesquelles nous avons rapidement eu l'occasion de donner notre avis. Nous reviendrons sur le sujet dans le cadre de la note de politique générale. Les budgets alloués à l'ensemble des services qui concernent la Migration, la Justice et l'Intérieur sont définis par une ligne budgétaire. Si on prend la clé de répartition qui a été soufflée par M. Jambon à Mme Matz à la suite de la question que j'ai posée à M. Piedboeuf qui vous l'a renvoyée, on se retrouve, pour l'année 2025, avec 26 millions d'euros de plus pour l'Intérieur; pour 2026, 35 millions; pour 2027, 70 millions; pour 2028, 157 millions; et, pour 2029, 157 millions.

Le cumul sur 5 ans nous donne 445 millions d'euros, c'est-à-dire moins que la seule hausse du financement (635 millions) du département de l'Intérieur sur l'année 2024 sous la Vivaldi. Cela veut dire que la croissance du budget en 2024 sous la Vivaldi a amené sur le seul exercice à un refinancement largement supérieur au cumul des 5 prochaines années pour le département de l'Intérieur.

Je vous souhaite sincèrement de réaliser tout ce que vous avez écrit dans votre accord de gouvernement, mais je pense que les conclaves budgétaires dureront tard la nuit parce qu'il va vous falloir aller chercher des budgets dont vous ne disposez pas aujourd'hui pour réaliser les ambitions qui y sont contenues, alors que les chiffres sont les chiffres et les chiffres, eux, ne mentent pas.

Ensuite, je sais que ce service public de sécurité est important mais il y a des confusions, je suis désolé de vous le dire, monsieur le ministre. La solution à tout cela serait la fusion des zones de police.

La solution ne serait pas le refinancement de la police judiciaire fédérale. Cette dernière est refinancée à Anvers, ce qui est une bonne chose parce qu'il y a malheureusement aussi des grenades et des fusillades à Anvers. On sait que le port d'Anvers a besoin de moyens pour pouvoir travailler et endiguer l'entrée de cette drogue sur le territoire belge.

La solution ne serait pas non plus le refinancement des services de douane. On n'en parle pas mais on sait que ces services ont besoin d'être refinancés pour jouer leur rôle, notamment au port d'Anvers.

On n'entend pas parler du refinancement de la police judiciaire fédérale de Bruxelles alors qu'elle en a clairement besoin. Dans ce cas-ci, je pense qu'on se trompe dans les missions parce c'est la police judiciaire fédérale qui est compétente pour le métro et pour le rail, et non pas les zones de police locale.

J'aimerais qu'on en revienne à un peu de science dans ce Parlement et à moins d'émotions, qu'on revoie la loi sur la police intégrée à deux niveaux et qu'on relise les sept missions légales de la police locale. Peut-être faut-il les rappeler ici. Je vais les citer. Le travail de quartier – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; l'assistance aux victimes – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; le travail d'enquête et de recherche locale – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; le maintien de l'ordre public – ce n'est pas la lutte contre les narcotrafiquants –; l'accueil; la régulation de la circulation routière et, de manière résiduaire, l'intervention.

Pensons-nous sérieusement qu'une fusion des zones de police de Bruxelles qui ne s'accompagne pas d'un refinancement de la police judiciaire fédérale de Bruxelles, d'un refinancement des douances, d'un remplissage des cadres du parquet bruxellois, pourtant exigé et obtenu en même temps que la désignation de M. le procureur du Roi de Bruxelles, mais qui n'est pas encore effectif, sera la réponse à la lutte contre le narcotrafic? Non. Pour lutter contre ces organisations criminelles, il faut pouvoir disposer d'un service public de sécurité et d'un service public de police qui soit adéquatement équipé à Arlon, à Bruxelles, à Malines, à Anvers. Je ne mets pas en concurrence la sécurité de nos concitoyens. Il faut que le service soit adéquat, y compris à Bruxelles, au lieu de renvoyer vers un schéma mental que serait la fusion des polices, considérée comme la réponse à toutes choses. Je pense que c'est mentir aux gens et se mentir à soi-même, notamment ici même au Parlement.

Monsieur le ministre de l'Intérieur, face à ces faits qui sont terribles et tragiques pour les citoyens qui les vivent quotidiennement, une initiative a été prise conjointement par les bourgmestres d'Anderlecht et de la Ville de Bruxelles afin de réunir l'ensemble des bourgmestres, le ministre-président, le procureur du Roi, la commissaire nationale aux drogues et vous-même, puisque je pense que vous avez assisté au Conseil régional de sécurité. Il s'agissait, en réalité, de pallier l'absence de police judiciaire fédérale. En effet, c'est le renfort des autres zones de police locale qui sera apporté, à travers la solidarité intrabruxelloise, de manière à renforcer les effectifs policiers de la zone Midi pour leur permettre de garantir la sécurité là où, aujourd'hui, le problème est le plus prégnant. La police judiciaire fédérale doit et va intervenir, mais reste sous-financée à Bruxelles pour remplir ses missions.

Je ne serai pas beaucoup plus long, monsieur le ministre. Voici donc mes questions. Quelles initiatives ont-elles été prises depuis la semaine dernière pour venir concrètement en aide aux zones de police locale bruxelloises? Quel soutien fédéral concret, en hommes et en moyens techniques, allez-vous engager afin de pouvoir répondre à cette urgence et à cette nécessité de solidarité fédérale entre zones de police locale et police fédérale?

Quels développements seront-ils réalisés par vos autres collègues? Je pense à nouveau aux douanes, parce qu’il importe d’essayer de bloquer les entrées de produits illégaux sur notre territoire. Il est beaucoup question d'amener la Défense dans les rues. Je ne pense pas que la Défense soit la solution au problème, mais y a-t-il eu des contacts? J'ai cru comprendre qu'il y avait là aussi des divergences de points de vue entre vous et votre collègue de la Défense, arbitrées par votre président de parti, qui interprète les accords et les déclarations des uns et des autres.

Plus largement, pourriez-vous nous exposer votre vision sur les politiques à très court terme, à moyen terme et à plus long terme en termes de lutte contre le trafic de stupéfiants et, de manière plus globale, de lutte contre le trafic d'armes et de lutte contre les trafics financiers? Malheureusement, tout est souvent lié.

Éric Thiébaut:

Monsieur le président, dans l'attente de l'arrivée de mon collègue M. Ducarme, je prends la parole, très brièvement, pour demander au ministre de l'Intérieur s'il ne pourrait pas demander à son président de parti d'ajouter une ligne dans l'accord secret qu'il a avec le premier ministre, pour solliciter un meilleur financement des zones de police des trois Régions de notre pays. Ce ne serait pas mal, en plus de ce qu'il a prévu pour limiter la contribution des plus larges épaules de ce pays.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, ik wil beginnen met mijn steun uit te drukken voor de inwoners van Anderlecht. Al maandenlang moeten zij leven met schietpartijen in hun straten. Recent gebeurde dat vier keer op een week tijd.

Veilig kunnen leven is een fundamenteel recht en toch lukt het ons niet om dat te garanderen. Niet bang hoeven te zijn wanneer de kinderen naar school vertrekken, zou eigenlijk vanzelfsprekend moeten zijn. Steeds meer inwoners en verenigingen in onze hoofdstad laten hun stem horen en klagen aan dat ze aan hun lot worden overgelaten in hun strijd tegen drugsgeweld. Wie kan hun ongelijk geven?

Hoelang blijven we nog toekijken terwijl het drugsgeweld en het drugsgebruik gewoon doorgaan? Wanneer komt er eindelijk een echte aanpak, van bij het begin tot het einde van de keten? Wanneer wordt de veiligheid in gemeenten zoals Anderlecht eindelijk serieus genomen?

Als er een Europese top is, dan wordt alles uit de kast gehaald voor de beveiliging. Dan wordt geen enkel detail over het hoofd gezien. Waarom krijgen gezinnen in onze Brusselse volkswijken dan niet diezelfde aandacht?

Voor deze nieuwe regering zijn het inzetten van militairen en een fusie van de Brusselse politiezones de oplossing. Daar heb ik twee opmerkingen over.

Ten eerste geloven politieagenten, korpschefs en burgemeesters er zelf niet in, ook niet de burgemeesters die tot de regeringspartijen behoren. MR-burgemeester De Wolf van Etterbeek herhaalde onlangs nog in de pers dat er geen objectieve redenen zijn om een fusie te overwegen. Daarvoor baseerde hij zich op een studie van de UGent.

Ten tweede zijn het dezelfde partijen die nu in de regering zitten, die in het verleden volop hebben bespaard op de federale gerechtelijke politie. In de regering-Michel, toen minister Jambon minister van Binnenlandse Zaken was, ging er 200 miljoen euro van het budget verloren en daalde het personeelsaantal met meer dan 400 mensen. Ook bij de FOD Financiën verdwenen er tussen 2016 en 2022 bijna 500 fiscale controleurs, die mee ingezet kunnen worden om criminelen te kunnen raken waar het pijn doet, namelijk in hun portemonnee.

Voor de PVDA is het duidelijk. Er moet veel meer geïnvesteerd worden in de douane, in financiële inspectie en in de federale gerechtelijke politie. Maar ook in de straten van Brussel is actie nodig: meer wijkinspecteurs en mensen die de buurt kennen en op terrein aanwezig zijn, meer samenwerking met het middenveld en meer aandacht voor preventie en de cruciale sociale investeringen. De problemen in de wijken zullen niet verdwijnen door her en der shockreacties toe te passen. De Brusselaars die zich verenigen in wijkcomités zijn heel duidelijk: het geweld verwoest hun dagelijkse leven en het is tijd voor actie en structurele maatregelen.

Mijnheer de minister, ik heb vier vragen voor u. Op welke manier zult u in overleg gaan met de burgemeesters, de politiekorpsen en de buurtcomités om de heersende problemen aan te pakken? Met welke gewestelijke instanties zult u in overleg gaan? In het regeerakkoord staat dat er een nieuw Kanaalplan zal komen. In welke mate zal preventie daarin een rol spelen? Hoe reageert u op de bezorgdheid over het voorstel van de federale regering om de Brusselse politiezones te fuseren?

Pierre Kompany:

Monsieur le président, nous parlons effectivement ici pour que les choses aillent au mieux dans ce pays. Particulièrement, pour le moment, une commune de ce pays, la Belgique, vit des drames insoutenables, des fusillades.

Au début, on aurait pu dire que ce sont des faits passagers. Aujourd'hui, on en parle comme des faits à bannir. Voilà où nous en sommes. Et, si tout est bien fait pour Anderlecht, cela le sera pour les autres communes dans le pays.

Monsieur le ministre, j'ai déjà questionné votre prédécesseur sur les phénomènes de criminalité, plus particulièrement sur le trafic de drogue qui touche la commune d'Anderlecht. Le quartier Aumale, par exemple, situé sur la commune d'Anderlecht est le théâtre d'une guerre de territoire sans précédent que se livrent les acteurs du milieu de la drogue. La semaine dernière, deux nouvelles fusillades ont eu lieu en moins de vingt-quatre heures à proximité de la station de métro Clemenceau.

Bien que le trafic de drogue est un phénomène criminel qui touche l'ensemble de notre territoire, force est de constater cependant que la récurrence des faits dans la commune d'Anderlecht et leur gravité nécessitent que des mesures fortes soient prises.

Je reviens à mon interpellation antérieure car, dans ce contexte, c'est du remake. Je suis contacté par de nombreux citoyens et citoyennes qui craignent pour leur vie et celle de membres de leur famille. En tant qu'autorité, il est essentiel que nous puissions répondre à ce sentiment d'insécurité qui ne cesse de grandir et que nous montrions que de tels actes font l'objet de poursuites.

Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Aujourd'hui, vous étiez convaincant car vous faites de la drogue une bataille qui ne s'arrêtera que quand vous gagnerez. C'est appréciable! Vous avez cité la nouvelle commissaire nationale aux drogues. Je crois qu'il faut l'encourager pour que vos dires deviennent une réalité. Parler de tolérance zéro, d'éradiquer le trafic de drogue, ce n'est pas une mince affaire. Tout ce que je peux vous souhaiter, c'est que, sous peu, on puisse parler de rebondissement afin que les acteurs qui pourrissent la vie de nos concitoyens se sentent aussi déséquilibrés. C'est ce que nous voulons.

Monsieur le ministre, confirmez-vous qu'il y a une recrudescence des faits criminels à Anderlecht, en comparaison avec les années précédentes? Comment réagissez-vous face à la montée de cette violence? Quelles mesures sont-elles adoptées auprès de nos concitoyens pour réduire leur sentiment d'insécurité? Il y a bien entendu des mesures répressives, avec toute la chaîne pénale, mais il faut également mener une politique de prévention dans ces quartiers.

Vous en avez d’ailleurs fait part et vous avez des compétences qui peuvent y répondre. Ce que je souhaiterais, c’est que vous touchiez aussi le cœur des quartiers parce que d’un côté on peut toujours penser à l’assaut contre tout ce qui ne va pas, mais je crois qu’il faut aussi en même temps penser à donner une vie à ces quartiers.

Donner une vie c’est quoi? C’est l’approche vers la jeunesse. C’est la conscientisation des jeunes. Cela fait assez longtemps que j’en parle à vos prédécesseurs compétents pour l’Intérieur et je le maintiens. Je le dis ici: j’avais parlé des grands frères et des grandes sœurs qui se retrouvent dans le programme des Engagés. Exploitons un peu cette voie-là. Elle est difficile mais c’est l’une des meilleures voies pour arriver à conscientiser nos jeunes, à les éloigner de ce qui les menace et à faire de ces quartiers leur quartier, où tout le monde peut se sentir heureux quel que soit l’endroit d’où l'on vient et quel que soit la volonté de s’y promener.

Voilà, monsieur le ministre, j’entends que tous mes collègues recherchent l’apaisement des quartiers. On va vous étouffer avec nos prétendues solutions mais ce sera à vous de faire la part des choses et donner à cette nation la capacité d’être respectée ailleurs, comme souvent cela a été le cas.

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre intervention et pour les informations que vous avez déjà pu communiquer en introduction de cette séance.

Je ne vais pas revenir sur le détail des faits. Nous avons fait face à des scènes d’une violence inouïe dans la commune d'Anderlecht. Des personnes armées de kalachnikovs, donc des situations inacceptables, suscitent la peur auprès de l'ensemble de la population. C'est intolérable.

Face à cela, toute une série d'actions ont été prises à différents niveaux. Si nous soulignons la rapidité avec laquelle cela a été fait, nous avons néanmoins l'impression que ces actions ont été prises de manière non coordonnée.

D'un côté, le Haut fonctionnaire de l'Agglomération bruxelloise réunit les chefs de corps. De votre côté, il y a une réunion avec la commissaire nationale aux drogues, le commissaire général, le procureur du Roi, qui prend des initiatives. Vous avez évoqué, de votre côté aussi, une réunion avec votre collègue la ministre de la Justice.

Pour que nous ayons un plan de lutte vraiment efficace afin de venir à bout de ce fléau important que nous rencontrons à Anderlecht, mais pas uniquement, cette problématique se développant malheureusement sur l'ensemble de notre territoire, il faut une action coordonnée avec les différents niveaux.

Monsieur le ministre, j’en viens à mes questions. Comment comptez-vous assurer concrètement la nécessaire coordination, au-delà des réunions qui ont été organisées dans l'urgence suite aux situations que nous avons vécues? Comment allez-vous organiser et structurer cette coordination de manière pérenne?

Au niveau de la Région bruxelloise, quels contacts avez-vous eus avec le ministre-président? Quelles actions concrètes a-t-il entreprises à son niveau?

Concernant les renforts, vous avez déployé rapidement des policiers de la réserve fédérale pour venir en appui des services locaux. Comptez-vous renforcer davantage encore la présence policière, et dans quelle mesure? Combien d'effectifs policiers sont-ils affectés à cette problématique en particulier, à l'heure actuelle? Pourriez-vous ventiler par catégorie (police fédérale, agents locaux, agents de sécurisation), pour connaître de manière exacte le nombre de forces mobilisées par rapport à cette situation?

Le plan Canal a été évoqué par plusieurs collègues. Cela fait partie de notre accord de gouvernement. De manière très concrète, comment comptez-vous avancer dans ce projet important, et à quelle vitesse? Je pense qu'il est très important de le développer très rapidement.

La commissaire nationale aux drogues a eu l'occasion de venir présenter son plan d'action à cette commission. Concernant son action, il est prévu qu'un fonds Drogues soit créé. C'est une initiative qui a déjà été imaginée lors de la précédente législature. De manière très concrète, quand viendrez-vous avec un texte pour le mettre en œuvre rapidement? Des moyens sont nécessaires et doivent être mobilisés au plus vite.

Plusieurs collègues ont aussi mis en avant un manque de moyens. Le procureur du Roi l'a dénoncé au niveau de la police judiciaire fédérale. Quand comptez-vous renforcer ces services?

Concernant la vente de drogue, nous voyons qu'il est malheureusement très facile de s'en procurer en toute impunité dans les rues de nos villes. Ne pourrions-nous pas organiser des actions coup de poing pour marquer le coup avec ces renforts de police qui ont été mobilisés?

Nous avons évoqué l'existence de la problématique de la drogue dans d'autres territoires, dans d'autres villes, et même dans d'autres communes, celle-ci étant aussi présente en zone rurale. Ce ne sont fort heureusement pas les mêmes violences.

Enfin, dans l'accord du gouvernement est aussi prévue la révision de la norme KUL.

Il importe de traiter ce sujet rapidement, parce que les moyens sont nécessaires partout en Belgique. Comment comptez-vous vous y prendre? C'est un dossier complexe, mais il faut pouvoir avancer rapidement. Quelles concertations allez-vous mettre en place pour prendre en compte la réalité de l'ensemble de nos villes et communes, étant donné qu'il faut tenir compte de toutes ces spécificités, en ce compris en zone rurale?

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, in Brussel wordt een drugsoorlog uitgevochten tussen criminele bendes, zo klonk het vrijdag bij de procureur van Brussel, die zei dat de schietpartijen in Anderlecht gelinkt zijn aan afrekeningen in het drugsmilieu. Die escalatie van geweld toont aan dat het probleem van de georganiseerde drugscriminaliteit in onze hoofdstad ernstige proporties aanneemt. Brussel dreigt een speelveld te worden voor criminele bendes die zonder schroom het openbaar domein gebruiken voor dodelijke afrekeningen. Sint-Joost-ten-Node, Clemenceau, opnieuw Clemenceau en Peterbos: in drie dagen tijd vonden vier schietpartijen plaats in onze hoofdstad. Daarbij viel een dode en raakte een persoon gewond.

Mijnheer de minister, de eerste taak van de overheid is haar burgers te beschermen. Er is dus nog veel werk aan de winkel.

Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw toelichting en voor uw aanwezigheid hier. U hebt al heel wat zaken vermeld. Een aantal van de vragen die ik heb ingediend, hebt u al beantwoord, maar ik heb nog een aantal vragen waarop ik van u graag een dieper, concreter antwoord krijg en ik zal die vragen toch nog even herhalen.

Mijn eerste vraag gaat over de fusie van die Brusselse politiezones. Er is daarover al heel veel verteld. Naar aanleiding van de dodelijke schietpartijen zijn de 19 Brusselse gemeenten overgeschakeld op de eenheid van commando tussen de verschillende politiezones, om de veiligheid te waarborgen. Dat wil zeggen dat de politie op dit moment vanuit één zone wordt aangestuurd. In het regeerakkoord staat dat de zes Brusselse politiezones zullen worden gefusioneerd tot één zone, om de versnippering en inefficiëntie tegen te gaan. Welke concrete stappen zult u zetten om die fusie door te voeren? Welke tijdshorizon hebt u daarbij voor ogen?

Wat de nultolerantie betreft, u sprak over de politieke wil om dat zerotolerancebeleid te hanteren voor drugscriminaliteit. U hebt er daarnet in uw toelichting ook al naar verwezen. Kunt u dat ook concreet maken? Hoe zult u dat concreet realiseren?

Met betrekking tot de integrale ketenaanpak, in het regeerakkoord wordt gesproken over een gecoördineerde whole-of-governmentaanpak en een casusoverleg via gebiedsgerichte werking. Kunt u ook toelichten hoe dit zich zal vertalen in concrete maatregelen voor de veiligheid in Brussel?

De regering heeft aangekondigd dat het Kanaalplan uit 2015 versterkt wordt om het drugsgeweld en de georganiseerde misdaad aan te pakken.

Hoe zal dat nieuwe Kanaalplan er concreet uitzien? Welke extra middelen en mankracht worden hiervoor ingezet? Wordt er binnen het vernieuwde Kanaalplan expliciet ingezet op de financiële ontmanteling van drugsbendes, bijvoorbeeld door het verbeurdverklaren van crimineel vermogen? We hebben hier onlangs mevrouw Van Wymersch gehoord, die daar haar stokpaardje van heeft gemaakt.

Welke juridische of operationele aanpassingen zijn daarvoor nodig? Het eerdere Kanaalplan was heel sterk op radicalisering en terreurdreiging gericht. Wordt het nieuwe plan louter een veiligheidsaanpak of bevat het ook sociale maatregelen om te voorkomen dat jongeren in het criminele circuit belanden?

Het mag dus duidelijk zijn dat voor Vooruit de fusie van de Brusselse politiezones, een integraal actieplan veiligheid, absolute nultolerantie, een sterk Kanaalplan en een nationaal actieplan voor veiliger stationsbuurten heel belangrijk zijn. Mijnheer de minister, ik kijk uit naar uw visie en uw antwoorden op mijn vragen.

Franky Demon:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, laat me u allereerst feliciteren met uw aanstelling als minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken. Dat is een mooie, maar zware verantwoordelijkheid. U brengt een pak ervaring als diplomaat mee en die zult u in uw functie goed kunnen gebruiken.

Wittebroodsweken werden u alvast niet gegund. Vorige week werd onze hoofdstad opnieuw opgeschrikt door verschillende zware schietincidenten, waarvan zelfs een met dodelijke afloop. Die incidenten hebben een duidelijke link met de georganiseerde drugscriminaliteit. De beelden van de mannen die in het midden van de stad met zware automatische wapens staan te zwaaien en vervolgens een metrokoker invluchten, leken wel uit een slechte actiefilm geknipt. Jammer genoeg is dit vandaag de dag de bittere realiteit in onze hoofdstad. Ingrepen dringen zich op.

De Brusselse politiek heeft onzes inziens te lang weggekeken van de problemen. Het stemt ons dan ook hoopvol dat het regeerakkoord de nodige handvatten biedt. De problemen in de betreffende wijken in Anderlecht, ook gisterenavond nog, zijn allesbehalve nieuw. Begin dit jaar konden we de korpschef van politiezone Zuid in de commissie ondervragen over de aanpak die hij voor die wijken zou uitrollen naar aanleiding van eerdere gewelddadige incidenten. Er werden vier hotspots geïdentificeerd waarop specifiek gewerkt zou worden en waarvoor samengewerkt zou worden met de federale politie.

Loopt die samenwerking tot op de dag van vandaag verder? Hoe wordt die tot nu toe geëvalueerd? Wordt die aanpak eventueel uitgebreid naar aanleiding van de recente incidenten?

In de media hebt u aangekondigd dat u de inzet van de federale politie in onder meer de stations zou opdrijven. Daarnaast pleitte u ervoor om Defensie te kunnen inzetten voor statische bewakingsopdrachten, in de hoop daarmee meer mensen te kunnen vrijmaken voor politiewerk op het terrein.

Het regeerakkoord is op dat vlak volgens ons wel duidelijk. De inzet van Defensie dient beperkt te blijven tot het beveiligen van de nucleaire sites, ambassades met een statische beveiliging, sites die permanent onder terreurniveau 3 vallen en de petrochemische sector. De minister van Defensie temperde al de verwachtingen over een snelle inzetbaarheid van Defensie, maar ook de militaire vakbonden uitten hun bezorgdheden.

Daarnaast moeten we ons ervan bewust zijn dat de bewakingsopdrachten uitgevoerd worden door de directie DAB van de federale politie. Dat zijn geen politieagenten maar beveiligingsagenten, zij hebben dus niet dezelfde bevoegdheden en zijn niet bijzonder breed inzetbaar.

Ik begrijp het niet goed, dus ik krijg van u graag wat toelichting over hoeveel politiecapaciteit u meent te kunnen winnen voor de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit door middel van het inzetten van Defensie voor statische bewakingsopdrachten. Hoe kan de DAB volgens u het verschil maken in die strijd?

De Brusselse burgemeesters hebben besloten om de zes politiezones tijdelijk onder een gemeenschappelijk commando te plaatsen om de situatie te beheren. Dat is een goede zaak. De georganiseerde misdaadbendes en de drugsproblematieken in de hoofdstad laten zich immers niet tegenhouden door de gemeentegrenzen. De verschillende gemeenten worden met gelijksoortige uitdagingen geconfronteerd die om een eensgezind antwoord vragen. Daarom voorziet het regeerakkoord ook in de fusie van de zes Brusselse politiezones.

Mijnheer de minister, u gaf de afgelopen dagen reeds aan die passage zeker te zullen uitvoeren, maar dan wel op basis van overleg. Dat is volgens mij een goede aanpak. Kunt u concreet toelichten welke initiatieven u hieromtrent zult nemen en welke tijdlijn u hierbij hanteert? Tegen wanneer moet er sprake zijn van één geïntegreerde politiezone voor onze hoofdstad?

Intussen beschikt u reeds over een wettelijk instrument om de bestuurlijke aansturing van de politie in de hoofdstad alvast te stroomlijnen. Begin vorig jaar hebben we in dit Parlement immers een aanpassing van de GPI-wet goedgekeurd die de minister-president toelaat om in uitzonderlijke gevallen de aansturing voor de opdrachten van de bestuurlijke politie over te nemen. Hiermee kan de minister-president dus zijn verantwoordelijkheid opnemen in het kader van acute en gemeentegrensoverschrijdende veiligheidsproblemen. Voor de activering van die wet is echter een koninklijk besluit nodig dat tot nu toe jammer genoeg werd tegengehouden door de partij van diezelfde minister-president. Zult u de komende maanden werk maken van de activering van die wet door het daartoe noodzakelijke KB uit te vaardigen?

Het regeerakkoord zet in het kader van de strijd tegen drugs en de georganiseerde criminaliteit duidelijk en terecht in op een multidisciplinaire whole of governement approach . Extra inzet van politie volstaat immers niet. Men moet ook inzetten op preventie, buurtopbouw, verslavingszorg en armoedebestrijding om ervoor te zorgen dat men die problematieken ook structureel het hoofd kan bieden. De misdaad is voor sommige jongeren en anderen in onze hoofdstad een te aantrekkelijk alternatief. Om dat aan te pakken is samenwerking met de deelstaten absoluut noodzakelijk.

Kunt u toelichten hoe u die whole of governement approach concreet wilt invullen? Zult u daartoe de noodzakelijke initiatieven nemen en welke rol kan het nationaal drugscommissariaat hierin vervullen?

Zoals reeds gezegd, om de drugsbendes echt te treffen, moeten we hen raken waar hen dat het meest pijn doet, kortweg in hun portemonnee. De nieuwe regering wil daarom ook verder inzetten op de follow the money approach . De nationale drugscommissaris is er al langer voorstander van om in beslag genomen middelen te laten terugvloeien naar de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit. Afgelopen vrijdag gaf mevrouw Van Wymersch in het VRT-nieuws aan dat ze van de regering een mandaat heeft gekregen om een dergelijke aanpak uit te werken.

Kunt u toelichten wat dat mandaat van de nationale drugscommissaris specifiek inhoudt? Welke opdracht heeft zij gekregen? Binnen welke termijn worden resultaten verwacht?

Deze regering voorziet ook in een actieplan voor veiligheid in stations en van een versterkt federaal Kanaalplan voor Brussel. Wat is uw visie op de uitwerking van beide actieplannen? Welke maatregelen wenst u in die plannen op te nemen?

De veiligheid van onze hoofdstad vergt duidelijk extra inspanningen. Het regeerakkoord is op dat vlak bijzonder ambitieus. Uw voorgangster heeft al heel wat zaken voorbereid waarop u kunt voortbouwen. We mogen nu niet aarzelen. We moeten er gezamenlijk onze schouders onder zetten en die uitdagingen aanpakken.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, collega's, er is de voorbije dagen en weken in Brussel een stevige opflakkering van het drugsgeweld. Wij hebben het de voorbije maanden en jaren gezien in Antwerpen en zien het nu ook in Brussel. Zo ontstaat het beeld dat de politie de situatie niet meer onder controle heeft.

Mijnheer de minister, ik heb u de voorbije dagen beluisterd. U zei dat u veel overlegt. Daarna zei u dat de eenmaking van de Brusselse politiezones de oplossing is. Een beetje later zei u dat militairen moeten zorgen voor meer capaciteit, dat u het op die manier gaat oplossen. De eenmaking van de politiezones en de inzet van militairen zullen dit acuut veiligheidsprobleem niet op korte termijn oplossen.

Onze fractie vraagt twee zaken. Enerzijds willen wij een snelle oplossing voor de acute veiligheidsproblemen op het terrein. Anderzijds willen wij ook structurele oplossingen. Ik breng in herinnering wat onze nationale drugscommissaris hier twee weken geleden deelde met ons. Zij stelde een aanpak voor gaande van preventie tot repressie. Dat kunnen wij allen onderschrijven. Ik hoor in de oplossingen die u op tafel legt, voorlopig alleen repressieve elementen. Komen er ook structurelere oplossingen?

Wat zegt u trouwens tegen de bewoners als u op het terrein gaat? U zegt namelijk dat u veel op het terrein gaat. Wat zegt u tegen de inwoners, tegen de mensen die de metro moeten nemen om hun kinderen naar school te brengen en die bang zijn? Wat zegt u tegen de handelaars die bang zijn? Wat zegt u tegen de mensen die een kogelinslag hebben in de kamer van hun kind? Wat zegt u eigenlijk tegen die mensen? Ik vraag het mij af. Naast deze retorische vragen heb ik ook een aantal concrete vragen waarop ik graag een antwoord zou krijgen.

U zegt dat er momenteel al tijdelijke versterkingen zijn van de politieaanwezigheid op het terrein. Over hoeveel versterkingen gaat het? Hoelang zal die capaciteit ter beschikking blijven? Is dat een kwestie van een aantal dagen? Zult u dat weken volhouden? Zult u dat maanden volhouden? Hoe moeten wij dat inschatten?

Daaraan gekoppeld, als men ervoor zorgt dat op plaats A heel veel politie aanwezig is, hoe zorgt men er dan voor dat het probleem zich niet gewoon verplaatst naar de wijk ernaast of naar een andere stad?

Ten tweede, veel collega’s hadden het al over de statische beveiligingsopdrachten, waarbij militairen taken overnemen van de politie. Ik heb minister Francken heel duidelijk horen zeggen dat dat niet zo rap zou gebeuren en dat dat niet echt een oplossing is voor het probleem.

Welnu, regering-De Wever, ik vraag me af hoe het eigenlijk zit. Is het een deel van de oplossing of is het dat niet? En op welke termijn ziet u dat haalbaar? Mijnheer Francken zei op de radio dat er nog veel wetgevend initiatieven nodig zijn voordat we dat in de praktijk kunnen omzetten. Het gaat namelijk ook over bevoegdheden geven, opleiding enzovoort. Hoeveel tijd denkt u dat daarvoor nodig is? Ik hoor dat ook cd&v er niet zo wild van is. Er is misschien wel eenheid van commando in de Brusselse politiezones, maar het is mij niet duidelijk of er eenheid van commando is in de regering.

Dan kom ik terug op wat de nationaal drugscommissaris ons heeft verteld, namelijk dat het geld dat in het milieu circuleert sneller in beslag moet kunnen worden genomen en ingezet worden. In de commissie was er grote overeenstemming over dat dat een goed idee is. Dat idee is er nu, maar wanneer verschijnt u hier met teksten? Dan zal het namelijk nog een aantal maanden duren voor er op het terrein iets merkbaar is.

Volgens u is een fusie van de politiezones een deel van de oplossing. Mijn partij is daar niet tegen. We denken dat er een aantal voordelen aan verbonden zijn, maar wat is een realistische timing daarvoor? Is het een kwestie van maanden, van jaren? Komt die er tegen het einde van de legislatuur? Hoe moeten we dat zien?

De rechterzijde hoort dit niet graag, maar ook hier zijn er structurele oorzaken. Het is niet toevallig dat die dingen vandaag in die specifieke wijken gebeuren. Het gaat om wijken met hoge armoedecijfers, met veel achterstelling. De drugscommissaris zei hierover dat een deel van de middelen die terugvloeien, moeten worden ingezet om die wijken weer op te krikken. Zodoende bieden criminele taakjes geen interessant perspectief meer voor wie daar opgroeit. Wie moet daar welke rol spelen? Moet de nationale drugscommissaris dat initiëren? Of de premier, in overleg met de deelstaten? Of gaan we allemaal naar elkaar kijken om uiteindelijk niets te doen?

Ten slotte, er was nu een Gewestelijke Veiligheidsraad waaraan u hebt deelgenomen. Ik kom uit West-Vlaanderen en de situatie rond het station van Roeselare is ongezien. Roeselare is de drugshoofdstad van West-Vlaanderen. De drugsproblematiek stelt zich dus niet alleen in Brussel en Antwerpen, het zit ook elders. Is het niet belangrijk om niet alleen de Gewestelijke Veiligheidsraad te laten samenkomen, maar om ook de Nationale Veiligheidsraad in te schakelen om coördinerend op te treden?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, quelle entrée en matière! À peine intronisé ministre et déjà un gros dossier à gérer. Je voudrais commencer par exprimer mon soutien et mes pensées aux habitants et aux habitantes qui sont secoués par cette flambée de violence liée à ce trafic de drogue, avec une situation qui sème la peur. Ce sont des événements tragiques qui témoignent d'une situation qui échappe au contrôle, qui laisse des familles dans l'angoisse et des quartiers entiers sous tension.

L'impression qui se dégage est que la police, malgré ses efforts, n'arrive pas à contenir cette escalade criminelle. Pendant ce temps, le gouvernement, malgré vos actions volontaristes, tarde à apporter une réponse plus forte et encore plus immédiate. Malgré les mesures prises, on voit que la situation devient de plus en plus difficile. Face à cette menace quotidienne, il est impératif de renforcer immédiatement les moyens policiers sur le terrain et d'engager une coordination rigoureuse entre tous les niveaux de pouvoir. On demande un action rapide et ciblée. Laisser cette violence s'enraciner reviendrait à abandonner Bruxelles aux mains des criminels. J'ai entendu dans votre exposé, monsieur le ministre, que des renforts ont déjà été mis en place. C'est une bonne chose, mais ce n'est visiblement pas suffisant.

J'entends aussi qu'on vante la fusion des zones de police comme si elle allait apporter la solution magique à tous les problèmes. Ce n'est pas un scoop. En tant qu'écologiste, je ne suis pas fermée à la discussion sur la question de la fusion mais je doute vraiment que cette fusion apportera la réponse et la solution à tous ces problèmes.

On l'a dit, une des priorités de votre gouvernement est la sécurité, et c'est un objectif que je partage. Il faut protéger les familles, rassurer les habitantes et les habitants. On en arrive à des situations inacceptables aujourd'hui où des enfants qui vont à l'école ont peur de sortir de chez eux, où des gens ont peur d'aller travailler. Il faut vraiment que toutes les parties prenantes se mettent autour de la table et que vous réunissiez tous les acteurs: la police bien sûr, mais aussi la Justice, et les acteurs et les actrices de prévention, de la drogue et de la santé publique, pour avoir une approche transversale. Parce que la seule réponse ne peut pas être que répressive.

Bruxelles, comme Anvers, gère les conséquences d'un problème mondial et mondialisé. Il faut de la répression, il faut retrouver de la sécurité dans les quartiers, mais il ne faut pas que la seule réponse soit répressive, surtout qu'on voit que ce sont les quartiers populaires qui en pâtissent, or les premiers consommateurs et les premières consommatrices ne viennent pas de ces quartiers populaires. Donc, là aussi se trouve un enjeu de justice sociale.

Certains collègues ont évoqué la question budgétaire, qui est essentielle. La police et la Justice manquent cruellement et structurellement de moyens. Ce qu'on paie aujourd'hui, c'est aussi – je suis désolée de le dire car je n'aime pas ressasser le passé – le définancement de ces services publics sous la Suédoise.

Il y a eu une volonté de correction sous la Vivaldi, et nous serons attentifs à ce que ce définancement ne soit pas poursuivi. Il faut continuer à refinancer et à donner des moyens à ces services. Aujourd'hui, on manque aussi cruellement d'effectifs à Bruxelles: environ 800 policiers font défaut, il faut remplir le cadre.

Ensuite, il faut se donner les moyens suffisants pour lutter contre la criminalité financière. Certains ont évoqué le port d'Anvers. La moyenne est actuellement d'un conteneur contrôlé sur 40. Autant dire que c'est une passoire.

Monsieur le ministre, disposiez-vous d'informations avant les fusillades? Y avait-il des indices ou une tension latente faisant penser que cela pouvait dégénérer?

Jusqu'à quand ce renforcement des effectifs est-il prévu?

Le Conseil national de sécurité (CNS) a été évoqué. Pourrait-il jouer un rôle plus spécifique?

Pourriez-vous faire l'état des lieux de votre collaboration avec les bourgmestres de la Région bruxelloise?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wanneer we over de veiligheid en het drugsgeweld in Brussel spreken, komen veel zaken samen. Ik zal niet op alles terugkomen. Tijdens onze nachtelijke marathon hebben we al van gedachten kunnen wisselen, ook over de budgettaire tabel. De investeringen in politie en justitie zijn echter enigszins ontgoochelend, zeker voor 2025.

Mijnheer de minister, u hebt meteen gereageerd en aangegeven dat geweld onaanvaardbaar is. U hebt uiteraard gelijk. U hebt dat goed gedaan. U bent ook meteen op het terrein gegaan en u hebt gesproken met de partners en de veiligheidsactoren.

Collega’s, helaas is het probleem van het drugsgeweld niet nieuw. Wij kennen het al lang. De heer Vandemaele heeft nu even de zaal verlaten, maar het drugsgeweld is geen Roeselaars probleem, het is geen Brussels probleem, het is geen Antwerps probleem, het is geen Belgisch probleem, het is geen Europees probleem, het is een mondiaal probleem. U moet eens kijken naar Stockholm, bij mijn weten een beschaafde stad. Er is geen sprake van Zweden als een narcostaat, maar kijk toch eens hoe Zweden wordt geconfronteerd met geweld. Kijk ook eens naar Marseille.

Mijnheer de minister, mijn eerste vraag gaat over het criminele beeld. Wij hebben niet laten betijen en dus weten we dat we de drugmaffia slagen hebben toegebracht. Wanneer we het over Brussel hebben, dan weten we dat de Albanese maffia hier nogal goed gehuisvest was. Brussel werd gebruikt als standplaats voor de Albanese maffia. We hebben die maffia slagen toegebracht. Er was toen ook sprake van infiltratie van de maffia uit Marseille. Zijn er aanwijzingen dat bij de recente geweldfeiten de maffia uit Marseille op een of andere manier betrokken is? Dat is mijn eerste punctuele vraag.

Mijn tweede vraag is eigenlijk al gesteld door de heer Demon. Indien we militairen zouden inzetten voor de statische opdrachten, zullen zij mensen van de DAB vervangen. Dat zijn mensen met een specifieke politionele bevoegdheid. Zij kunnen inderdaad worden ingezet. Is er echter een plan dat bepaalt hoe zij effectief zouden kunnen worden ingezet voor de veiligheid in onze hoofdstad of in het land tout court ?

Collega’s, over de fusie van de Brusselse politiezones herhaal ik dat ik blij ben in het regeerakkoord te lezen dat die fusie zal worden doorgevoerd. Dat zal niet alle problemen oplossen, een mirakeloplossing voor het probleem bestaat niet. Mocht ze bestaan, dan hadden wij ze al lang uitgevonden en was het probleem opgelost. Een mirakeloplossing is er dus niet, het zal dan ook sowieso hard werken zijn. Een stukje van de puzzel van de oplossing is echter wel degelijk de fusie van de Brusselse politiezones, omdat ze gaat over eenheid van commando en over een efficiënte en effectieve inzet van de politiecapaciteit.

Ik heb tijdens de nachtelijke vergadering de vergelijking gemaakt met de NYPD, het New York Police Department. Als we het Brussels politie-effectief optellen, zijn er volgens mij niet te weinig Brusselse politieambtenaren. Het is dus geen kwestie van meer blauw op straat, het is een kwestie van blauw meer op straat. J'ignore si la nuance est claire en français. Alleszins, blauw meer op straat is iets anders dan meer blauw op straat. Dat is wat vooral moet gebeuren.

We weten allemaal dat de fusie van de Brusselse politiezones een zekere tijd in beslag zal nemen. Die tijd krijgt u uiteraard ook, mijnheer de minister, dat hoort zo. De burgemeester van Brussel zei echter dat hij wil werken aan een eenheid van commando. Zou dat de voorloper kunnen zijn van die eengemaakte Brusselse politiezone? Is die eenheid van commando, zoals aangekondigd door de burgemeester van Brussel, er momenteel? Wat betekent die precies?

De bestrijding van de drugsmaffia is werk voor de federale gerechtelijke politie. Dat is duidelijk. Het werd ook aangehaald door collega Aouasti. Law-and-order in de Brusselse straten, in de Brusselse wijken en op de Brusselse pleinen, is echter een taak van de lokale politie. We moeten die wijken terugwinnen, en dat kan, door middel van VIP, very irritating police . Het betreft dan een politie die patrouilleert en die controles doet in de wijken, niet driemaal per maand maar driemaal per dag. Er zijn politiezones, ook in Brussel, die dat kunnen waarmaken. Als die eenheid van commando wordt gerealiseerd, in afwachting van de fusie, kunnen we al komen tot zo'n very irritating police . Eenheid van commando is belangrijk, wars van de verschillende bestuurslagen in Brussel, die het werk inderdaad niet gemakkelijker maken, met 19 burgemeesters en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Ik heb nog een specifieke vraag. Ik denk dat ik het antwoord ken, want ik vind het niet terug in het regeerakkoord. De Brusselse MR stelde een jaar geleden voor om een speciale commissaris aan te stellen die de problemen van Brussel beter kan aanpakken. Volgens mij is dat geen goed idee, want dat creëert een nieuwe bestuurslaag. We hebben geen speciale commissaris nodig in Brussel om die problemen aan te pakken, we hebben eenheid van commando nodig. Hoe staat u tegenover dat voorstel van een jaar geleden? Vermits het niet in het regeerakkoord staat, veronderstel ik dat u daarvan afstand hebt gedaan.

Dan wil ik nog ingaan op het Kanaalplan. Dat was een plan in de strijd tegen terrorisme en radicalisering. Wat betekent het Kanaalplan in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit? Hoe verhoudt het Kanaalplan zich tot de bestaande plannen en de specifieke acties die er al zijn geweest of die er op bepaalde hotspots zoals Peterbos en Hallepoort zijn? Die plannen zijn er de voorbije maanden gekomen, in een samenwerking van de lokale en federale politie met het parket van Brussel, dat versterkt is, dat een nieuwe procureur heeft, waar extra magistraten en juristen zijn, met de medewerking van de DVZ.

U hebt ook verschillende malen overleg gepleegd. Wat waren de resultaten van de Gewestelijke Veiligheidsraad? Werd daar ook over de totaalaanpak gesproken? Collega's hebben daarop terecht de aandacht gevestigd. Het is niet alleen een kwestie van justitie en politie. Het is niet alleen een kwestie van repressie. We moeten de zaken ook structureel aanpakken. Is in de Gewestelijke Veiligheidsraad aan bod gekomen hoe we jongeren weghouden van de marginaliteit, hoe we door infrastructuurwerken de marginaliteit kunnen aanpakken enzovoort? Is er ook gesproken over de rol van Brussels Prevention and Security van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest? Vorige week vrijdag was er op het kabinet van de minister van Justitie ook een overleg met mensen van het parket en de politie. Was is daar precies afgesproken?

Voorts wens ik u veel succes als minister, bevoegd voor Binnenlandse Zaken én Veiligheid. Dat is een mooie uitvinding.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre exposé et votre mobilisation. Comme vous, je suis bruxellois et, durant toute la dernière législature, j'ai interpellé au moins une demi-douzaine de fois votre prédécesseure sur ces fusillades qui, durant ce temps-là, n'ont cessé d'augmenter et d'empirer, en recevant des réponses parfois encourageantes mais parfois aussi convenues.

Je dois souligner que, dans votre accord de gouvernement, il y a un vrai volontarisme vis-à-vis de la lutte contre les stupéfiants. Vraiment! Cela donne un espoir. C'est en tout cas un volontarisme que je n'ai pas ressenti depuis un bon moment. Notre pays est connu pour être un hub via le port d'Anvers et l'aéroport de Liège Bierset. Je vous remercie de l'avoir rappelé clairement. Et, entre les deux, on sait tous que c'est Bruxelles qui sert de plaque tournante de distribution.

Les remèdes, on les connaît. Bien sûr qu'il faut reprendre le contrôle des rues. Qui serait contre cela? Très bien! Mais le profil de ces délinquants qui se battent pour un point de deal et pour gérer un morceau de trottoir est bien connu, c'est de la "chair à canon" utilisée par les mafias qui peut être remplacée très rapidement.

Si nous ne regardons ce phénomène que sur ses apparences en se disant seulement qu'il y a des types avec des kalachnikovs, qu'on les arrête, qu'on nettoie les rues avec les polices locales, la police judiciaire fédérale et que les gens seront contents, non! On va se faire plaisir peut-être un moment mais cela ne fonctionnera pas car, malheureusement, ces jeunes sont remplacés du jour au lendemain. Si vous voulez vraiment combattre le marché de la drogue, il faut frapper les bras mais surtout les têtes et les portefeuilles. Il faut du bleu dans les rues, monsieur le ministre. Il faut aussi du bleu derrière les écrans. Il faut les effectifs qui permettent de remonter les filières, démanteler les réseaux de financement, de blanchiment et démanteler les réseaux de corruption qui existent aussi.

Cela veut dire, selon nous, créer un parquet national financier indépendant, ce qui ne figure malheureusement pas dans votre accord. Vous voulez juste créer une filière spécialisée. J'espère que cela suffira. Cela veut dire confisquer les avoirs et les utiliser contre ces criminels. Cela se trouve dans votre accord et c'est vraiment très bien.

Et puis, à mon avis, sans vouloir refaire le débat que j'ai déjà eu notamment avec le premier ministre, il faut peut-être quitter ce fétichisme de la fusion forcée – si elle n'avait pas été forcée, ce ne serait pas un problème –, contre leur gré, de zones de police. Moi, j'observe, monsieur le ministre, que, dans votre présentation, vous n'avez pas cité cette fusion des zones comme solution et je m'en réjouis. Cela veut dire que vous avez abordé ce sujet de manière rationnelle et non politicienne.

Voorzitster: Maaike De Vreese.

Présidente: Maaike De Vreese.

Vous avez surtout parlé de la police judiciaire fédérale comme acteur clé, et c'est normal. C'est elle qui, pour rappel, est compétente pour lutter contre le grand banditisme, le trafic d'armes et le trafic de drogues. C'est elle qu'il faut renforcer, que ce soit à Anvers ou à Bruxelles et si possible en ne les mettant pas en concurrence.

Certains de mes collègues – vous l'aurez compris – ne vous lâcheront pas tant que vous n'aurez pas parlé de cette fusion avec un calendrier extrêmement clair. Ne vous laissez pas impressionner, parce que c'est une diversion. La drogue est un sujet d'abord fédéral, de la responsabilité de la police judiciaire fédérale. C'est à elle de démanteler les réseaux et l'heure n'est pas à faire diversion mais plutôt à s'unir.

D'ailleurs, si on veut aider les zones de police locale, qu'on commence – cela aussi figure dans votre accord – par revoir enfin la norme KUL qui pénalise non seulement les zones bruxelloises mais celles de toutes les grandes villes de ce pays. C'est l'une de mes deux seules questions. Moi, ce qui m'intéresse, c'est le calendrier de révision de cette norme qui est inscrite dans votre accord de gouvernement. Me confirmez-vous que les zones urbaines – Bruxelles mais aussi Anvers – seront mieux traitées?

J'ai également une question spécifique, vu votre profil de diplomate parce que celui-ci peut aider dans notre combat en matière de drogues. En effet, l'élément clé dans ce combat est la collaboration internationale, qu'il s'agisse des zones de transit, de la lutte contre les armes à feu et de l'échange d'informations. Envisagez-vous des contacts bilatéraux ou internationaux dans votre plan? Je pense que vu sa position géographique, mais aussi, hélas, son rôle actuel de plaque tournante, la Belgique pourrait être un acteur essentiel qui pourrait prendre une série d'initiatives.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, een aantal collega’s schrijven alle veiligheidsproblematieken in ons land aan u toe. Dat is nogal origineel, aangezien u nog maar een week aan de slag bent. In die week zat u ook 40 uur vast in de Kamer tijdens de plenaire vergadering. U hebt het in uw eerste week als minister van Binnenlandse Zaken dus al zeer druk gehad. De N-VA-fractie zal u wat meer tijd geven om voor belangrijke en broodnodige hervormingen te zorgen en zal daar met veel plezier aan meewerken.

Ik ben zeer tevreden dat u hamert op nultolerantie. Hoe zult u die concreet uitwerken? Collega Depoortere gaf aan dat iedereen, van extreemrechts tot extreemlinks, overtuigd is van de noodzaak van nultolerantie. Volgens mij is helaas niet iedereen daarvan overtuigd. Tijdens de vele debatten waaraan ik deelneem, ben ik steeds weer verbaasd over de ingenomen standpunten. De voorzitter van de Jongliberalen pleitte in een debat immers voor de legalisering van heroïne. Dat lijkt me ver verwijderd van nultolerantie. We moeten niet alleen drugscriminaliteit strenger aanpakken, maar ook het druggebruik zelf. Wat is uw visie daarop? Moeten we het totaalplaatje niet strenger bekijken? Nu zijn we immers strenger voor drugscriminaliteit, terwijl we het gebruik van zware drugs goedpraten en zelfs aanmoedigen.

Het Kanaalplan was zeer belangrijk voor de N-VA in de regeringsonderhandelingen en dat is het voor mij ook als Vilvoordenaar. Collega’s van andere partijen geven u de schuld van alle problemen die zich momenteel voordoen, terwijl ik meen dat die veeleer te wijten zijn aan de afbouw van het Kanaalplan door de vivaldiregering. We merken daar vandaag zeer sterk de gevolgen van.

Op welke termijn kan er opnieuw leven worden geblazen in het Kanaalplan en kan het worden versterkt? Welke gemeenten wilt u betrekken bij de versterking van het Kanaalplan? Welke middelen voorziet u voor de concrete uitwerking? U zult in de N-VA-fractie steeds een partner voor de opmaak van een grondig en serieus plan vinden.

Denis Ducarme:

Madame la présidente, je suis désolé pour le retard. Je présidais la commission des Affaires sociales. Anderlecht y était aussi au cœur des débats, non pas pour la station Clemenceau mais pour son CPAS. Je vous rejoins évidemment avec beaucoup d'intérêt parce que je pense que nous allons enfin pouvoir tourner une page bruxelloise.

Il y a quelques années – comme nous pouvons le voir sur le site de la RTBF –, Rudi Vervoort, ministre socialiste et ministre-président, nous disait qu'il n'y avait pas de problèmes de sécurité à Bruxelles. Il y a quelques mois, il nous disait aussi qu'il n'y avait pas de zones de non-droit à Bruxelles. C'est un peu surréaliste de voir ça, surtout quand nous constatons la prise de possession de l'espace public par le narcotrafic. La réalité, c'est celle-là! Ce n'est pas seulement la sécurité des habitants d'Anderlecht! Ce n'est pas seulement la sécurité des usagers du métro! C'est le narcotrafic! Il menace naturellement l'État de droit.

Je vous suis donc très reconnaissant d'être allé sur le terrain comme vous l'avez fait, monsieur le ministre. Vous avez sans doute été en quelques jours autant sur le terrain que certains de vos prédécesseurs en quelques mois. C'est aussi comme ça qu'on juge de la difficulté. Vous avez surtout pu mobiliser les services de la police fédérale. Vous avez pu vous coordonner avec les zones de police locales pour déjà voir un certain nombre de résultats émerger. En effet, la dernière personne que nous avons vue avec une kalachnikov – je pense que c'était la nuit dernière – a fui. Elle n'est pas restée ainsi à tirer comme les précédentes. Elle a fui parce qu'elle a été confrontée aux services de police et donc aux renforts.

Vous nous direz probablement comment vous allez monter en puissance en termes de mobilisation et de présence sur le terrain, que ce soit via le corps d'intervention (CIK) ou via la Direction de la sécurisation (DAB), en attendant que nous puissions avoir un cadre légal qui nous permette de rencontrer l'accord de gouvernement sur le fait que la Défense nationale puisse, dans un certain nombre de cas, également prêter main forte aux policiers On peut attendre, heureusement, de ce gouvernement que Bruxelles ait autant d'importance que le port d'Anvers.

J'aimerais attirer votre attention sur un point, monsieur le ministre. Vous souvenez-vous de la série télévisée Les Brigades du Tigre ? Bien sûr. Si je vous en parle, c'est parce que nous nous trouvons dans une situation similaire. En fait, leur vrai nom n'était pas "les Brigades du Tigre", mais "les brigades mobiles". Pourquoi les a-t-on appelées de la sorte? Parce qu'en 1907, Georges Clemenceau a décidé de voir la police, non plus à cheval, mais équipée de véhicules automobiles pour suivre les malfrats qui se servaient d'engins puissants. La police fédérale se trouve dans une situation un peu comparable, puisqu'on vous l'a laissée dans un très mauvais état. En effet, l'équipement de nos policiers, c'est une arme semi-automatique: la FN 300. En face, ce sont des armes automatiques. Cela signifie qu'on est en train de faire la course en 2CV contre une Porsche. S'agissant donc de la sécurité de nos policiers et de la manière dont ils se confrontent à ces narcotrafiquants, je vous demande d'évaluer si nous devons revoir à la hausse l'équipement de nos policiers.

Voorzitter: Ortwin Depoortere.

Président: Ortwin Depoortere.

Voorzitter:

Gezien er geen andere collega’s wensen aan te sluiten, geef ik het woord aan de minister om te antwoorden op de vele vragen.

Bernard Quintin:

Monsieur le président, je vais essayer de répondre à toutes les questions. J'espère que personne n'avait prévu d'aller au cinéma ce soir. Si je dois répondre à tout, cela va nous prendre beaucoup de temps! Mais je vais m'y efforcer.

Je vais faire quelques considérations liminaires avant de tenter de répondre plus précisément aux différentes questions. Comme cela a été dit, cela fait dix jours que j'ai pris mes fonctions, qui ont été dix jours intenses. J'apporterai les réponses que je peux apporter après une telle période à la fonction de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.

Nous aurons d'ici quatre à six semaines une discussion intense sur la présentation de la note de politique générale. Ce sera l'occasion de revenir sur tous ces sujets plus précisément. Et il y aura bien sûr un bilan à tirer, d'ici environ quatre ans, à propos de l'action que j'aurai pu mener à ce poste. Cela ne signifie pas que je ne serai pas très régulièrement présent ici, avec vous, pour faire le point, que ce soit en commission ou en plénière.

Ik zeg niet dat u me met rust moet laten de komende vier jaar.

Nous allons travailler. Cela nous donne quand même un horizon de travail important.

Je mets à votre disposition, comme je mets à disposition de mon département et des autres départements, mes différentes expériences de service de l’État… Quand on parle de service public, c’est le service au public, donc aux citoyens.

De kwestie van de onveiligheid en de consequenties ervan heb ik tijdens mijn carrière van heel dichtbij meegemaakt.

Il y a en effet une différence entre l'insécurité et le sentiment d'insécurité. Ce sont deux choses différentes, intimement liées. Je ne néglige pas non plus le fait que certains aspects psychologiques doivent être mieux pris en compte, pour les victimes.

Dans les fusillades des derniers jours, les victimes, c'est la personne qui est blessée et la personne qui est morte, mais ce sont aussi toutes les personnes qui ont pris le métro, et certainement cette famille qui a vu un impact de balle dans la chambre de son enfant. Ce sont aussi nos forces de l'ordre, qui sont confrontées tous les jours à cela.

Je le dis avec un peu d'émotion. J’ai moi-même eu, dans certaines missions que j'ai pu faire à l'Est du Congo il y a 20 ans, mon lot de cadavres et d’autres choses. J'aurai à cœur de tenir compte de ces aspects traumatisants.

J'ai aussi, dans différents postes que j'ai occupés, dû faire des économies, parce que nous devons être les plus efficaces et les plus efficients possible. Ce n'est pas toujours facile. Mais j'ai la chance, comme ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, de ne pas devoir en faire, au contraire, puisque le département de la Sécurité est immunisé des économies qu'il faut faire par ailleurs. Je ne reviens pas sur le long débat sur le programme de gouvernement.

Mais quoi qu'il en soit, je crois qu'il y a toujours moyen, et que c'est une obligation comme serviteurs de l'État, de voir comment être les plus efficaces et les plus efficients possible. Les deux concepts sont tout à fait importants.

Par ailleurs, comme je l'ai dit, il n'y aura pas de diplomatie avec le crime et les criminels. Je tenterai néanmoins d'être diplomate dans tout ce que je dois faire avec les différents partenaires, que ce soit au niveau fédéral, avec les entités fédérées, les communes, etc. C'est écouter et décider.

Mijnheer de voorzitter, overleggen is niet babbelen. Ik babbel graag, maar op andere plaatsen en in andere omstandigheden. Hier zal ik overleggen, want adhesie is belangrijk.

Aussi, comme remarque liminaire, un fait divers est, selon le Larousse , "un événement sans portée générale qui appartient à la vie quotidienne". Il est donc assez clair que ce n'est pas ce qui s'est produit la semaine dernière. Et lorsqu'on parle de lutte contre le crime organisé, il s'agit singulièrement de celui qui est lié au trafic de drogue.

Dat zeg ik tegen iedereen. Ik zeg dat tegen de bevolking, ik zeg dat tegen onze politie, ik zeg dat tegen de politici. Het zijn geen faits divers. We moeten die criminaliteit aanpakken. We moeten ertegen vechten, ik durf dat zo te zeggen. We zullen dus een globale en multidisciplinaire aanpak hanteren en uitvoeren, van producenten tot consumenten.

"Du producteur au consommateur", pour reprendre une phrase plutôt liée au monde de l'agriculture, mais nous n'en sommes finalement pas très éloignés lorsque nous parlons des producteurs, puisqu'il faut bien produire tant le pavot que la feuille de coca. Il y a bien sûr par ailleurs toutes les drogues de synthèse.

Dat betekent ook dat we voor de hele keten, van de producenten tot de consumenten, een globale aanpak zullen moeten hanteren. Preventie en repressie zijn voor mij niet strijdig. Repressie alleen heeft geen zin. Als we dat elke dag doen, zullen we verliezen. Preventie is dus ook belangrijk. We moeten goede politieke krijtlijnen uitzetten en uitvoeren. Repressie is daar een belangrijk onderdeel van. Dat is mijn taak in die keten. Daarvoor moeten we ook met iedereen samenwerken. Ik ben daarover al in gesprek met mijn collega's van Justitie en Defensie. Ik zal daar straks op terugkomen.

On a parlé de cohésion sociale et en même temps, j’en profite pour réitérer ma compassion au sens premier du terme pour les victimes et les citoyens de ces faits. Dans cette cohésion sociale, M. Kompany a parlé du rôle des grands frères. Je crois en effet qu’outre la présence policière, des forums communautaires ont été créés qui permettent et qui offrent aux citoyens des espaces où ils peuvent partager leurs préoccupations et échanger avec les zones de police et la police locale ainsi qu’avec les autorités. C’est important qu’il y ait, et vous l’avez tous et toutes souligné, des rencontres citoyennes qui soient faites et qu’un accès au service de soutien psychologique qui est assuré par le BAV, soit proposé aux citoyens qui en ressentent le besoin.

Je voudrais repréciser la question des fonctionnalités de la police locale. Il y en a en effet sept fonctionnalités comme vous les avez citées. La recherche locale et le service de recherche s’attaquent aux problématiques liées aux moyens d’enquête spéciaux. Vous n’êtes d'ailleurs pas sans savoir que le vendeur de rue est lié à un clan de narcotrafiquants. C’est la raison pour laquelle j’ai insisté aussi sur la nécessité du travail en synergie entre les différents services de recherche, aussi bien de la police locale que de la police fédérale. Je vais y revenir tout à l’heure.

Pour ce qui est de la collaboration internationale, il est évident qu’elle est absolument essentielle. J’ai déjà parlé lors de ma remise-reprise avec le ministre Prévot de cet élément important de travail que nous devons aussi faire avec nos postes diplomatiques pour qu’ils soient suffisamment sensibilisés à ces questions-là mais qu’ils aient également le personnel nécessaire pour pouvoir y faire face. Vous savez qu’on a déjà renforcé la présence d’attachés de police dans un certain nombre de postes en Afrique, en Afrique du Nord et en Amérique Latine. On doit continuer à le faire – je vais d'ailleurs revenir sur le mandat de la commissaire nationale aux drogues – mais il est évident que si on veut renforcer cette approche globale, il faut qu’on aille, comme je le disais, s’attaquer aussi aux producteurs, or ces derniers sont en grande partie à l’étranger. Je dis bien "en grande partie" parce que tout cela est beaucoup plus complexe qu’il n’y paraît.

Je peux aussi vous dire que nous collaborons avec un certain nombre de services de police, entre autres en Italie, qui ont une certaine expérience de la lutte contre la mafia, pour former nos policiers avec les policiers italiens qui ont une expérience plus longue et relativement probante en la matière.

J'en viens à la question de savoir si nous avions des informations avant les fusillades. Si nous avions su des choses extrêmement précises, nous aurions évidemment mis les forces de police nécessaires en place pour déjouer ces attaques-là. Sur ces attaques précises, nous n'avions pas de renseignements suffisamment précis pour pouvoir les contrer. Mais bien sûr, au sein de nos services de recherche et d'information, nous réussissons à prévenir un tas d'attentats, ce qui me permet une note plus générale. Le combat contre le narcotrafic est bien ce qui nous occupe à Anderlecht. Les trois événements à Anderlecht sont liés entre eux et sont liés au narcotrafic et à la mafia algéro-marseillaise. Voilà, c'est dit. C'est un combat qui va durer. Si je vous disais que je connaissais une date à laquelle nous aurions gagné la guerre contre le narcotrafic, vous auriez raison de rire, parce que cela n'aurait aucun sens.

Je fais un parallèle, bien que comparaison ne soit pas raison, entre ce combat et le combat contre le radicalisme ou le djihadisme. Ce n'est pas parce qu'on ne gagnera probablement jamais définitivement la guerre qu'il ne faut pas mener ce combat. Il ne faut pas que les narcotrafiquants aient dix longueurs d'avance sur nous. Il faut qu'ils n'en aient même pas une mais seulement une demie. C'est ça que l'on doit faire. Je vais revenir sur les questions financières: il faut que ces trafics coûtent de plus en plus. C'est comme cela que nous pourrons gagner un nombre important de batailles.

Il existe une task force , une stratégie de solidarité entre les différents services de police des zones de police de Bruxelles, à laquelle la police fédérale apporte évidemment son appui et son expertise, tant par la mise à disposition de forces humaines que par la logistique, en fournissant des moyens spéciaux à la demande des zones.

Je vais prendre un peu de temps pour répondre à la question du plan Canal.

Het Kanaalplan werd in 2016 uitgerold in de strijd tegen radicalisme en terrorisme. Het plan voorzag 116 medewerkers in de vijf politiezones langs het kanaal en in een zone buiten Brussel, namelijk Vilvoorde. Er staan nog een paar mensen ter beschikking van de zones in het kader van dat plan, maar in dat plan waren ook veel elementen voorzien die nu geïntegreerd zijn in het werk van de politiezones. Het Kanaalplan was nodig in 2016, maar nu maken veel aspecten ervan deel uit van de dagelijkse taken van de politiezones.

De ontwikkeling van het Kanaalplan, waarbij verschillende partners uit het maatschappelijke veld betrokken waren, leidde tot het globale drugsplan, dat vervolgens werd verfijnd tot het arrondissementele drugsplan onder leiding van de gerechtelijke directeur, waarin momenteel 14 projecten lopen. Een nieuw plan is voorzien. Ik moet de komende dagen en weken de modaliteiten van dat plan uitwerken, maar het drugsaspect ervan moet belangrijker zijn dan dat acht jaar geleden het geval was, zelfs als alles gelinkt is. Er is geen immers firewall tussen drugscriminaliteit en radicalisering. Tout est dans tout et inversement . Het is misschien een idee om een nieuwe naam te zoeken voor het nieuwe Kanaalplan, niet als een gadget, maar men zal door die naam steeds aan het eerste Kanaalplan blijven denken, terwijl we nu iets anders op poten moeten zetten. Ik zal daaraan werken.

Nous allons travailler avec la police fédérale et les zones de police afin de cibler les besoins nécessaires et d'avoir un bon plan, qui ne soit pas un gadget. L'un des éléments fondamentaux de ce plan global antidrogue est évidemment le partage d'informations, ou plutôt de renseignements.

Je tenterai de répondre plus largement aux questions concernant les statistiques, les chiffres et les tendances lors du débat sur la note de politique générale. N'hésitez pas à m'adresser des questions écrites à ce sujet, celles-ci permettant de répondre de manière substantielle sans que ces réponses soient trop ennuyeuses, ce qui peut arriver quand on aligne les chiffres dans une réponse à une question orale.

Cela dit, il y a bien une hausse générale des faits de criminalité, à peu près à tous les niveaux à Anderlecht mais aussi dans d'autres communes. Ce qu'il s'est passé à Anderlecht est lié à la mafia marseillaise et à des questions d'occupation ou de réoccupation de territoire par des bandes rivales.

Il nous paraissait important de pouvoir mettre plus de moyens à disposition de la Zone de police Midi, ce que nous avons fait. Comme je l'ai dit dans mon introduction, un peu moins de 20 agents de la réserve fédérale sont déjà sur place. D'autres zones de police, singulièrement celle de Bruxelles Capitale Ixelles, ont mis un certain nombre d'agents à disposition de la Zone de police Midi.

Comme cela a été souligné par M. Ducarme, nous avons déjà constaté un effet direct de cette augmentation, à savoir que la personne qui est sortie de son véhicule avec une kalachnikov cette nuit a vu les policiers en faction et est repartie. Elle a été poursuivie, mais n'a malheureusement pas pu être arrêtée. Des effets de cette présence se font donc déjà sentir. La question de sa durée a été posée.

Verschillende volksvertegenwoordigers vroegen hoelang het zal duren. Het zal duren zolang het nodig is, maar we moeten duidelijk zijn: we zitten nu in een systeem waarin on déshabille Pierre pour habiller Paul . Ik ken de uitdrukking in het Nederlands niet. Het is een kwestie van communicatie. Het zal zeker in mijn beleidsnota staan dat – ik ben het volledig met u eens, mijnheer Van Tigchelt – er niet meer blauw op straat moet, maar dat blauw meer op straat moet. We hebben genoeg politieagenten als we de verhouding met andere steden bekijken, maar ze zijn misschien niet genoeg op straat om dingen te onderzoeken.

C'est toute l'idée, et j'y viens maintenant, qui est dans l'accord de gouvernement et que nous devons mettre en œuvre, celle d'avoir l'appui de l'armée. Ce n'est pas écrit et je n'ai jamais dit, dans aucune interview ni intervention, qu'il fallait des militaires dans la rue.

Ik heb dat nooit gezegd en nooit geschreven.

Parfois, on nous pose plutôt des réponses que des questions et tant que la réponse ne convient pas… Ik zal het herhalen: ik heb het nooit geschreven, noch gezegd.

C'est d'ailleurs ce qui se trouve très clairement dans l'accord de gouvernement et que j'ai discuté avec mon collègue Theo Francken lors d'un entretien téléphonique. Je ne vais pas vous dire que nous avons déjà tout le texte et que tout est là, mais j'ai pris mon téléphone et je lui ai donc posé la question.

Ik vroeg hem of hij akkoord ging om te bespreken hoe wij militairen kunnen inzetten voor statische bescherming.

Donc, il s'agit de la protection statique, c'est-à-dire ce que vous voyez quand vous passez rue Ducale devant l'ambassade des É tats-Unis. En français, on appelle ces hommes des plantons, ce sont eux qui gardent les lieux, comme nous avons des militaires qui gardent les casernes, même si je sais que ce n'est plus toujours le cas aujourd'hui.

L'idée est de créer une espèce d'effet dominos: si nous pouvons mettre des militaires qui gardent certains sites tels que les centrales nucléaires, plusieurs industries Seveso, des ambassades placées au niveau 4 comme celles des États-Unis , d'Israël et d'autres, je peux libérer des membres de la DAB. Ce ne sont pas eux qui iront en rue, parce que ce n'est pas leur travail. En revanche, certaines tâches de la DAB sont exercées par des policiers. Si je déploie des militaires, cela libère de la DAB qui peut notamment travailler au transfert de prisonniers, si je ne me trompe pas. Les policiers qui, eux, ont la capacité légale d'aller en rue et de mener leurs activités ne doivent plus servir au transfert des prisonniers. Il y a quand même une logique. Nous avons besoin de textes, c'est vrai.

Omdat we nog een rechtsstaat zijn. Dus moeten we de geschikte teksten hebben en gebruiken om dat te doen.

Pour ce qui est du Fonds spécial drogues, à travers l'accord de gouvernement, mais aussi grâce à la réunion que nous avons pu avoir, ma collègue Annelies Verlinden et moi-même avec la commissaire nationale aux drogues, nous l'avons mandatée dans sa lutte contre les stupéfiants pour qu'elle puisse travaille à partir de ce Fonds spécial.

Dit is wat ik gezegd heb: de trafikanten in de portemonnee treffen.

Il faut vraiment pouvoir les attaquer là, saisir un certain nombre de biens, réaliser ces biens et réinjecter l'argent dans la lutte contre les trafiquants de drogue.

Je ne peux pas vous dire aujourd'hui quels sont les montants des fonds mais il est clair qu'il faudra un système de coffre-fort virtuel, qui permettra de visualiser au fur et à mesure ce qui est réalisé dans ces différentes saisies.

Je fais totalement confiance à la commissaire nationale aux drogues, que j'ai déjà rencontrée plusieurs fois. Elle m'a expliqué ses plans et sa vision des choses pour qu'elle nous revienne rapidement avec les textes nécessaires.

Daarna is het aan jullie als volksvertegenwoordigers om de gepaste teksten, wetten en reglementen goed te keuren, zodat wij ons werk kunnen uitvoeren en volbrengen.

Il faudra bien parler de la fusion des zones de police, pour laquelle il y a deux temps.

Dans l'accord de gouvernement, il est décidé de procéder à la fusion des zones de police pour la Région de Bruxelles-Capitale. C'est écrit dans l'accord de gouvernement et je suis un serviteur de l'État. Je mettrai donc en œuvre l'accord de gouvernement, puisqu'il a reçu la confiance de la Chambre.

Ce n'est pas pour autant que je le ferai à la hussarde, ce qui n'aurait aucun sens. C'est quelque chose qui doit être concerté, être expliqué avant d'être mis en œuvre. Je vais m'y employer dans les semaines qui viennent. Je ne vais pas vous donner de calendrier aujourd'hui. Je pourrai probablement avoir une idée un peu plus précise quand on discutera de la note de politique générale dans quatre ou six semaines, car je n'ai pas non plus l'intention de perdre du temps pour mener les discussions et les concertations que je dois avoir sur le sujet en réunissant l'ensemble des acteurs concernés.

De fusie van de Brusselse politiezones is echter geen politiek gadget. Mijn doel is om efficiëntiewinst te boeken.

C'est une question de rationalisation. Il faut voir quelles sont les économies d'échelle qui peuvent être faites et comment cette chaîne de commandement peut être améliorée dans une ville-région qui a quand même une spécificité physique relativement particulière, qui demande que cette fusion soit réalisée. Elle se fera, en concertation, pour être efficace et efficiente.

Le deuxième temps de la question de la fusion des zones de police est que ce n'est pas parce qu'elle n'est pas obligatoire en Wallonie...

Het is niet omdat het niet verplicht is in Wallonië of Vlaanderen, dat het niet kan gebeuren. Ter verduidelijking, het is mijn doel om dat in Brussel te doen, zoals het ook in het regeerakkoord staat. Daarna zal ik een vergelijkbare oefening proberen te doen in Vlaamse en Waalse politiezones.

Et de même en Wallonie pour expliquer pourquoi dans certaines zones, je pense qu'il n'est pas inintéressant d'effectuer un exercice similaire. Ce ne sera pas obligatoire, mais je ferai mon travail de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur.

Vous ne m'aurez jamais entendu dire ni vu écrire nulle part que je pense que la fusion des zones de police à Bruxelles est "la" solution, comme l'a dit votre collègue Paul Van Tigchelt. S'il y avait une solution, moi, je ne l'ai pas. Si quelqu'un dans cette salle l'a, de grâce, donnez-là moi. Je vous jure que je la mettrai en œuvre. Mais "la" solution n'existe pas. Il n'y a pas de solution miracle. Il n'y a même à mon sens, et j'ose le dire ici, pas de solution définitive. Il faudra évoluer.

C'est quelque chose que je voudrais aussi partager avec vous aujourd'hui. Vous remarquerez que je suis peut-être un peu candide et j'espère que vous ne m'en tiendrez pas rigueur, et surtout que vous ne l'utiliserez pas contre moi. On a fait une réforme des polices il y a 25 ans parce que nous vivions une situation, il y a entre 30 et 25 ans, qui nécessitait une réforme des polices parce que le monde avait changé. Il se fait que dans les cycles historiques, le monde change de plus en plus vite. Ici, en 25 ans, le monde a aussi fort changé. Je parle à cet égard de mon expérience précédente où le SPF Affaires étrangères a été redessiné il y a 25 ou 30 ans sur la base de La Fin de l'histoir e de Fukuyama et sur l'idée que nous étions désormais dans un monde unipolaire, etc. La structure de ce ministère ou de ce SPF ne correspond plus à la réalité d'aujourd'hui et il faut changer. Je pense qu'il faut avoir le courage de dire que c'est la même chose aussi pour les services de sécurité.

Dat wil niet zeggen dat we alles moeten heruitvinden, want dat heeft geen zin, maar we moeten de moed hebben om te hervormen waar het nodig is.

Pour terminer sur la question de la fusion des zones, je constate qu'un certain nombre de concertations ont été mises en place ces derniers jours; elles sont d'ailleurs prévues dans le système actuel. Les bourgmestres se sont réunis. Le système gold-silver a été mis en place. Le ministre-président a réuni le Conseil Régional de Sécurité (CORES), auquel la gouverneure de Bruxelles-Capitale m'a invité. Je m'y suis rendu, même si je n'ai pas de décision à prendre dans ce forum-là. Pour connaître les décisions qui y ont été prises, il faudra poser la question aux personnes qui en sont responsables. J’ai dû partir avant la fin de la réunion, mais j’ai vu comme vous que les hotspots ont été prolongés de six mois.

L’important est que cette coordination a lieu. Nous ne partons pas de rien. Je constate que nous avons le même objectif, qui est de renforcer la sécurité à Bruxelles. Si vous me permettez ce petit clin d'œil: pour ce qui est du financement des zones de police, je n'ai même pas besoin d'un quelconque accord secret sur n'importe quel papier. C'est écrit. Nous allons réviser la norme KUL.

Je reviens ici sur ma candeur. Laissez-moi d'abord le temps de comprendre exactement comment fonctionnait la norme KUL. C'est toujours bien de savoir comment fonctionne ce que l'on veut réviser pour être certain qu'on le fait le mieux possible.

À propos des armes, il s’agit d’un élément absolument fondamental. Je parlais de connexion. Il y a une connexion évidente entre le trafic d'armes et le trafic de drogue. Les routes suivies sont d'ailleurs souvent identiques. Vous pouvez y ajouter le trafic d'êtres humains et le trafic de cigarettes, dont nous n’avons pas parlé mais qui fait partie de cet ensemble. Il est clair que le trafic de drogue est largement plus rentable que le trafic d'armes, mais ces trafics sont liés parce que les trafiquants ont besoin de ces armes comme moyen de protection.

Avant de revenir sur le type d'armes, je voudrais préciser ici que, s'agissant du trafic d'armes, je compte porter une attention très particulière aux polices judiciaires fédérales, comme la DR1, qui en est en charge.

Il faut aussi réfléchir à l'équipement que l'on donne à nos policiers, qui doivent faire face à des kalachnikovs et à des armes de guerre. Je ne suis pas encore suffisamment certain de pouvoir me prononcer sur la question. Concernant la différence entre les armes semi-automatiques et les armes automatiques, il faut que je veille à ce que le cadre légal dans lequel on travaille soit respecté.

Lors de mon deuxième jour de fonction, je suis allé visiter le quartier général de la zone de police de Bruxelles-Capitale-Ixelles (PolBru), à l'Amigo. J'ai pu constater qu'il serait peut-être nécessaire de rénover les bâtiments, car il est plus sympathique de travailler dans un environnement agréable. J'y ai rencontré des policières et des policiers extrêmement motivés, et aussi la brigade anti-agression (BAA). J'y ai reconnu un certain matériel, que j'avais vu par ailleurs, dans d'autres fonctions que j'ai pu occuper dans d'autres lieux. Donc, c'est faisable.

Je ne vais pas revenir sur la fusion, mais je comprends aussi que ce n'est pas le cas de toutes les zones de police de Bruxelles. Or nous serons tous d'accord pour dire que, à Bruxelles, il y a une concentration des faits dans certains lieux, mais que ce n'est pas parce qu'il y a des hotspots que les lieux ou les communes bruxelloises où il n'y a pas de hotspot sont totalement déconnectés de ce qu'il se passe dans ces hotspots .

Zoals het ook al door enkelen werd aangehaald, mogen we niet denken dat het alleen om Brussel gaat, of om Brussel en Antwerpen, en zelfs niet om Brussel, Antwerpen en Luik Bierset. Het gaat over allerlei plaatsen. Er zijn mensen die veel geld verdienen en die gaan niet – je ne vais pas citer de commune belge, sinon je vais me faire enguirlander – in arrondissement 93 wonen, om een ander land als voorbeeld te nemen. Ze gaan eerder wonen in Uzès – ik blijf in Frankrijk, want dat is voor mij veiliger. We moeten dus niet denken dat we alleen maar kunnen en mogen werken op die hotspot. Ik ga terug naar de ketenaanpak, naar de globale en holistische aanpak die we nodig hebben.

C'est d'ailleurs le sens – et je terminerai par-là ma réponse dont je vous prie d'excuser la longueur, monsieur le président – de l'approche Iceberg, qui m'a été présentée tout comme à vous par la commissaire nationale aux drogues, partie émergée/partie immergée/environnement. Tout est là, il n'y a pas besoin d'aller plus loin dans les explications de ce qu'il faut faire et comment il faut le faire. Maintenant, il faut le faire, cela nécessite des moyens. Il est indispensable que tout le monde s'y attèle de concert. C'est donc un appel à la collaboration que je réitère.

Si la prévention est absolument fondamentale, elle ne ressort pas de l' É tat fédéral. C'est ainsi, c'est la structure de notre É tat. La politique de logement, la politique psychosociale, la lutte contre la pauvreté: nous devons travailler main dans la main. Avec mes services, je me trouve dans la partie émergée de l'iceberg. Mon travail ressort du maintien de l'ordre ( law and order) . Beaucoup de travail doit être fait dans la partie immergée.

Nous avons la chance d'avoir aujourd'hui une forme d'alignement des planètes en ce que nous voulons tous lutter contre le narcotrafic et tout ce qui y est lié.

Het werd tijd dat Brussel een nieuwe, voltijdse en gevolmachtigde procureur des Konings kreeg. Dat is nu gebeurd. U hebt hem gehoord. Hij is heel assertief, kunnen we wel stellen. Dat is volgens mij heel belangrijk.

Ik heb ook het geluk om met collega Annelies Verlinden te werken als minister van Justitie.

Je ne dois pas passer beaucoup de temps à lui expliquer les défis du ministre de l'Intérieur. C'est un très grand avantage pour moi. Je le dis en souriant, mais c'est quand même une réalité.

Par ailleurs, la commissaire nationale aux drogues a présenté le Clean & Safe Plan . Tout y figure. Vous pouvez compter sur moi pour continuer à travailler. Je vous donne rendez-vous pour la note de politique générale, mais c'est plutôt vous qui allez m'inviter. Je viendrai donc volontiers. Je ne suis pas encore très habitué à tous ces exercices, mais il faut que je respecte l'ordre; sinon, comment pourrais-je le faire respecter dans mes fonctions de ministre de la Sécurité et de l'Intérieur?

Ik zal terugkomen met meer cijfers, een duidelijkere kalender en nauwkeurigere antwoorden. Dat is belangrijk.

Je viendrai avec la même volonté de pouvoir faire la différence sur les années qui viennent, avec toute l'équipe gouvernementale. Je me sens très à l'aise de le faire et je me réfère ici à ce qui a été dit par le chef de l'État, dans son discours de vœux aux Corps constitués: "La sécurité est le fondement premier de la liberté." J'ai donc là un mandat très clair et j'ai bien l'intention de le mettre en œuvre.

Voorzitter:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Het is uiteraard de taak van het Parlement om u over de kwestie verder te bevragen in de toekomst en ik ben blij dat u nu al aankondigt daarop te willen ingaan.

Het woord is opnieuw aan de fracties voor een repliek, bijkomende vragen of opmerkingen.

Maaike De Vreese:

Mijnheer de minister, eerst en vooral wil ik u bedanken om zo snel uw agenda vrij te maken, zodat u vandaag in de Kamer toelichting kunt komen geven. Ik ben nog niet lang lid van de Kamer, maar ik weet wel dat we bij voorgaande incidenten soms een tijdje moesten wachten. Ik vind het goed om als parlementsleden voldoende geïnformeerd te zijn, ook al geeft u vandaag nog niet op alle vragen een antwoord. Daar kan ik met onze fractie begrip voor opbrengen, als het gaat over vragen naar cijfers en gedetailleerde planning. Op die vragen zullen we terugkomen in de volgende weken en we zullen erop toezien dat u de timing die u vooropstelt ook haalt.

Ik wil niet meegaan in het spelletje van links versus rechts, waarbij links staat voor preventie en rechts voor louter repressie. Ik denk dat repressie en preventie naast elkaar staan. Daarin spelen de deelstaten een heel belangrijke rol. In overleg met de deelstaten moet worden bekeken hoe via psychosociale weg preventie mogelijk is. Daarbij denk ik ook aan de problematiek van druggebruik door heel jonge kinderen, minderjarigen, in heel wat steden en gemeenten. Er worden bijvoorbeeld drugs gedeald aan de schoolpoorten. Het stijgende druggebruik moet ons als maatschappij enorm verontrusten. Ook daartegen is sterke preventie nodig.

Op het terrein dienen stappen te worden gezet die resulteren in meer blauw op straat. De wijze waarop dat gebeurt, maakt mij allemaal niet uit. Wat wij willen verkrijgen, is dat de bevolking zich veiliger voelt op straat. We moeten de politieagenten dus uit hun kantoren halen. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Een van de mogelijkheden voor meer blauw op straat, is dat militairen de taken van de DAB overnemen.

We kunnen echter ook kijken naar andere manieren om aan efficiëntie te winnen, zoals structurele hervormingen, waardoor er politiecapaciteit vrijkomt. We kunnen ook bekijken op welke manier we hun werk administratief kunnen verlichten. Daardoor kunnen ze andere taken verrichten en de straat opgaan.

Ik had net tegen collega Matti Vandemaele gezegd dat het helemaal geen probleem was om het Kanaalplan een nieuwe naam te geven. In Roeselare is er ook een kanaal, dus het kan perfect. Ik denk dat het Kanaalplan inderdaad verwaterd is. We kunnen dan stellen dat dit ingebed is in de normale taken van de politie. Ik hoor echter toch een aantal andere signalen, met name dat er niet meer zo hard op dat plan gewerkt wordt en dat de diensten die erbij zouden moeten worden betrokken, dat niet meer zozeer zijn. Dan verwijs ik bijvoorbeeld naar de Dienst Vreemdelingenzaken.

Daar is dus een nieuw en goed plan nodig, waarbij de waterbedeffecten zeer goed in het oog worden gehouden. Ik hoor u graag zeggen dat het geen zaak is van Brussel of Antwerpen alleen. Anderzijds zijn er beperkte middelen, die we dan ook effectief moeten inzetten. Er zal dus eerst en vooral gefocust moeten worden op bepaalde problematische plekken, hotspots of probleemwijken. We moeten in het oog houden of een en ander niet verschuift naar andere plaatsen. Ik ben er een voorstander van en het staat ook zo beschreven in het regeerakkoord.

De inspanningen zullen dus moeten worden aangehouden. U zult er jammer genoeg niet van verlost zijn over een jaar. Dit zal een probleem zijn voor de komende tientallen jaren. Dat wil niet zeggen dat we bij de pakken moeten blijven zitten of dat we ons hiervoor niet voor de volle honderd procent moeten inzetten, vanuit het Parlement, en u als minister, om hier een antwoord op te bieden.

Ik hoor u graag zeggen dat de fusie van de politiezones vermeld staat voor Brussel. Als we naar het hele grondgebied kijken, dan zijn er echter een aantal zones die ook met een tekort aan mankracht kampen waarvoor een schaalvergroting wel een oplossing zou zijn. Het mag geen taboe zijn om daarover te spreken, ook al is het geen verplichting uit het regeerakkoord. Daarom moeten we in overleg gaan met de verschillende zones en kunt u als minister bekijken op welke manier u dit kunt faciliteren.

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, ik heb u gezien, maar ik zou eerst alle fracties aan bod willen laten komen om u vervolgens het woord te geven. Dat lijkt me billijker en rechtvaardiger.

Ortwin Depoortere:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de vele antwoorden die u vandaag al hebt gegeven. Ik hoop dat we inderdaad aan de hand van cijfers meer duidelijkheid zullen krijgen over uw toekomstige aanpak. Ik ben ervan overtuigd dat we ruim de tijd zullen vrijmaken om daarover van gedachten te wisselen. Als parlementsleden nemen we de taak op ons om u daaraan te houden, maar ook om u naar de resultaten daarvan te vragen.

Mijnheer de minister, ik hoor een aantal zaken van onder andere mevrouw De Vreese, maar ook van andere partijen, namelijk dat die strijd een ketenaanpak moet zijn met zowel preventie als repressie. Ik ben het er uiteraard mee eens, alleen heeft men in het verleden te veel de nadruk gelegd op die preventie en te weinig op die repressie. Door de onveiligheid, maar meer nog door het onveiligheidsgevoel dat bij de burgers leeft, lijkt het alsof er straffeloosheid ontstaat omdat justitie niet volgt. Leg uw oor te luisteren bij de politieagenten, want ik hoor momenteel dat ze dweilen met de kraan open. Aangehouden drugsdealers, hoe klein ook, lopen de volgende dag vrij rond op straat. Dat is niet de manier waarop een deftige rechtsstaat zou moeten functioneren, wat veiligheid betreft.

Ik heb een zeer belangrijke passage gelezen in het regeerakkoord in verband met het kerntakendebat van de politie. Ik ben het daar volledig mee eens. Naar mijn mening moeten we een aantal niveaus herbekijken. Ik hoop dat we elkaar daarin kunnen vinden.

Op lokaal niveau is er de lokale politie. We moeten teruggaan naar de essentie van de lokale politie: de nabijheidspolitie. De wijkagent die patrouilleert in de straten en die de inwoners van zijn of haar wijk kent. Daarnaast is er de federale politie, waarin we veel meer moeten investeren, omdat ze meer gespecialiseerd te werk moet gaan. Het gaat niet alleen om de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, maar bijvoorbeeld ook de strijd tegen de cybercriminaliteit, wat een zeer gespecialiseerde aanpak vergt van onder andere IT-specialisten.

Ik hoor velen spreken over de DAB, maar de dienst DAB klaagt nu al vijf jaar – als het al niet langer is – over tekorten aan manschappen en middelen. Hoe kan men in godsnaam op korte termijn die dienst inzetten om dergelijke fenomenen tegen te gaan?

U zegt heel terecht dat dit geen fait divers is. Dat is het ook niet, het zijn criminelen die rondlopen met oorlogswapens. Onze lokale politie is daar letterlijk en figuurlijk niet tegen gewapend. De DAB is een mogelijkheid om daartegen op te treden, maar dan moet er meer worden geïnvesteerd in personeel en materieel. Het is daarom dat ik een pleidooi hield om militairen te kunnen inschakelen als daar nood toe is, niet omdat het mooi staat op papier. Ik meen dat die nood er vandaag is. Als er doden en gewonden vallen bij schietpartijen op klaarlichte dag, dan kan men niet doen alsof er niets is gebeurd. Dan moeten er extra maatregelen worden genomen. Ik zal blijven herhalen wat de partijvoorzitter van de N-VA daarover in het verleden zei.

Mijnheer de minister, ik heb een interpellatie ingediend en ik koppel daar ook een motie van aanbeveling aan. Ik vraag daarin aan de regering om een aantal maatregelen te nemen op korte termijn. Ik heb ze reeds opgesomd. We moeten zwaarbewapende agenten kunnen inzetten in de wijken waar dat nodig is, we moeten militairen kunnen inzetten in crisissituaties, we moeten meer patrouilles voorzien in die wijken, we moeten onmiddellijk werk maken van de eenmaking van de zes Brusselse politiezones. We moeten een actieplan uitwerken. Dat verwacht ik ook van deze regering, dat moet de cesuur met het verleden zijn. Er moet een echte nultolerantie zijn, waarbij de criminelen daadwerkelijk worden aangepakt, opgesloten en vervolgd.

Op lange termijn – en daarover zullen we het in de toekomst nog hebben – moeten er een aantal structurele maatregelen worden genomen. Er moet een uitbreiding van de DAB zijn, er moet een federale reserve zijn die onmiddellijk en altijd inzetbaar is, er moet een gepaste opleiding worden voorzien voor de lokale politie in de strijd tegen georganiseerde misdaad. De financiering moet worden verhoogd. Ik heb verwezen naar de ontoereikende 75 miljoen van dit jaar, maar zoals collega Aouasti ook al zei, zullen die middelen zelfs in het geheel van de vier jaar ontoereikend zijn als we dit probleem grondig willen aanpakken.

Ten slotte – ik ben ongeveer de enige die het hier benoemt en het ook vraagt –, kijk naar de nationaliteiten van de criminelen. Als daar criminelen met een dubbele nationaliteit bij zijn, neem dan de Belgische nationaliteit af en stuur ze terug naar het land van herkomst.

Dat is in een notendop wat in mijn motie staat. Ik overhandig die nu aan het commissiesecretariaat.

Moties

Motions

Voorzitter:

Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.

En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.

Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt:

"De Kamer,

gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere

en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris,

- overwegende dat criminele bendes met toenemende regelmaat schietpartijen uitvoeren in onze steden, waarbij zware wapens gebruikt worden;

- overwegende dat de politie- en veiligheidsdiensten onderbemand en ondergefinancierd zijn in de strijd tegen de georganiseerde misdaad;

- overwegende dat agenten geen voldoende opleiding krijgen om tegen zwaarbewapende drugscriminelen te strijden;

- overwegende dat er een onmiskenbare link bestaat tussen de georganiseerde criminaliteit en de etnische afkomst van de daders;

vraagt de regering

- op korte termijn:

- zwaarbewapende agenten in te zetten in de wijken die het slachtoffer zijn van georganiseerde criminaliteit;

- de inzet van militairen in deze wijken mogelijk te maken;

- meer patrouilles te voorzien in deze wijken;

- onmiddellijk werk te maken van de eenmaking van de zes Brusselse politiezones,

- een actieplan uit te werken om echte nultolerantie toe te passen, waarbij betrokken misdadigers onmiddellijk opgesloten worden en gepaste effectieve straffen krijgen.

- op lange termijn en structureel:

- een grote reserve van middelen en specifiek hiervoor opgeleide manschappen op te bouwen binnen de federale politie, die gewapend is om de strijd tegen georganiseerde (drugs)misdaad op het terrein aan te gaan;

- in bijkomende gepaste opleiding te voorzien voor de lokale politie in de strijd tegen georganiseerde misdaad;

- de financiering van de veiligheidsdiensten te verhogen teneinde in de noden te voorzien;

- de inzet van militairen mogelijk te maken met gerichte missies in probleemwijken en -gebieden, waarbij hun bevoegdheden, gevechts- en inzetregels duidelijk gedefinieerd en wettelijk verankerd zijn;

- de Belgische nationaliteit af te nemen van personen met de dubbele nationaliteit die ernstige criminele feiten plegen. "

Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit:

" La Chambre,

ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere

et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris,

- considérant que des bandes criminelles sont de plus en plus régulièrement à l'origine de fusillades à l'arme lourde dans nos villes;

- considérant que les services de police et de sécurité sont en sous-effectifs et ne sont pas suffisamment financés pour lutter contre le crime organisé;

- considérant que les agents ne sont pas suffisamment formés pour lutter contre les criminels lourdement armés actifs dans les milieux de la drogue;

- considérant le lien indéniable pouvant être établi entre la criminalité organisée et l'origine ethnique des auteurs;

demande au gouvernement:

- à court terme

- de déployer des agents lourdement armés dans les quartiers où sévit le crime organisé,

- de permettre le déploiement de militaires dans ces quartiers,

- de prévoir davantage de patrouilles dans ces quartiers,

- de concrétiser sans délai la fusion des six zones de police bruxelloises,

- d'élaborer un plan d'action visant à appliquer une véritable tolérance zéro, dans le cadre de laquelle les criminels concernés feront l'objet de mesures d'enfermement immédiates et de peines effectives adéquates;

- à long terme et structurellement

- de constituer, au sein de la police fédérale, une réserve importante de moyens et d'agents spécifiquement formés à ces missions et armés pour lutter contre la (narco)criminalité organisée sur le terrain,

- de prévoir, pour la police locale, une formation supplémentaire adéquate en matière de lutte contre le crime organisé,

- d'accroître le financement des services de sécurité en vue de couvrir les besoins,

- de permettre le déploiement de militaires qui seraient chargés de missions dans les quartiers et zones à problème, leurs pouvoirs et les règles de combat et de déploiement étant clairement définis et prévus dans la loi,

- de retirer la nationalité belge aux personnes détenant la double nationalité qui commettent des faits criminels graves.

Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt.

Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt.

Over de moties zal later worden gestemd.

Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement.

Catherine Delcourt:

Monsieur le ministre, vous n'avez pas eu d'autre choix que de prendre conscience de plein fouet de la situation dramatique du trafic de drogue et de ses conséquences à Bruxelles et ailleurs sur notre territoire. Là où vous aviez le choix, c'est dans les actions que vous alliez mener. Immédiatement, vous avez pris des mesures qui semblent déjà porter leurs fruits. J'apprécie que vous ayez réagi à court terme, tout en vous inscrivant dans une politique à moyen et long terme qui sera nécessaire.

Cinquante mesures sont prévues dans l'accord de gouvernement de l'Arizona. Certains collègues les prennent isolément et s'appliquent à démontrer que, seules, elles ne vont pas fonctionner. Pour que tout le monde comprenne bien, vous êtes le ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, pas le ministre de la Sécurité et des miracles. C'est un ensemble de mesures qui vont permettre d'agir et de contrer progressivement ce phénomène.

Nous sentons une réelle volonté de ce gouvernement d'avancer sur ces questions. Et nous pouvons souligner, dans votre approche, le fait que vous ayez bien perçu cette notion de police intégrée, la nécessité de combiner l'action d'une police locale forte, qui fait de la proximité et qui rencontre les fonctionnalités de base de la police, avec une police spécialisée qui permet de lutter à d'autres niveaux contre ce genre de phénomène.

Votre objectif, nous l'avons bien compris, est de dégager de la capacité à la fois au niveau budgétaire mais aussi au niveau structurel, notamment via les fusions des zones de police. J'ai aussi apprécié vous entendre sur le fait que ces fusions pourraient, devraient s'appliquer à d'autres endroits du territoire, et pas uniquement à Bruxelles.

Vous avez aussi évoqué le fait de ne pas travailler seul. Vous avez compris que ce phénomène ne peut pas être attaqué par un seul angle. Cette collaboration interdépartementale sera essentielle pour la sécurité. Celle-ci est votre affaire, c'est sûr, mais aussi l'affaire de tous. Chaque acteur doit prendre sa part. Je ne doute pas, grâce à votre exposé et aux réponses que vous nous avez données, que votre approche sera diplomatique, mais surtout ferme. Je vous remercie.

Khalil Aouasti:

Je vous remercie, monsieur le ministre. Je dois aussi apprécier que vous ayez évoqué la situation avec lucidité. Pas avec émotion, pas en jouant au shérif comme certains l'attendent peut-être, mais avec lucidité et humilité, et je pense que c'est important dans ce cadre. Je pense qu'il y aura beaucoup d'embûches sur votre chemin. Je le disais, il n'y a pas si longtemps – en 2023, de mémoire –, au port d'Anvers, on a intercepté 122 tonnes de cocaïne. En valeur marchande, cela représente plus de six milliards d'euros. C'est plus que les budgets réunis de la Justice et de la police en Belgique. Et cela n'a pas changé le prix du gramme en rue d'un seul centime. Ceci démontre que, malheureusement, le flux de drogue engendre des moyens financiers colossaux pour ces organisations. Celles-ci disposent de moyens financiers bien supérieurs parfois à ceux d'un État organisé comme le nôtre.

C'est là où il faut faire attention. Je pense effectivement et sincèrement que la Justice et la police ont besoin de moyens. Je suis convaincu, je suis désolé de le dire, que contrairement à ce qui est écrit dans l'accord de gouvernement, les tableaux budgétaires ne permettront pas de réaliser les renforts suffisants pour les services nécessaires à la lutte contre ce narcotrafic. Je suis aussi convaincu que ce n'est pas une bataille que nous allons mener seuls, la zone de police bruxelloise dans son coin, la police judiciaire fédérale dans l'autre, la Belgique d'un côté et les États européens de l'autre. Il sera nécessaire de conjuguer les forces également au niveau européen.

Je songe notamment à la sécurité sur internet, où il faut définir les flux financiers avec le secteur bancaire, ou aux communications, qui sont de plus en plus cryptées et difficiles à obtenir. Nous y arriverons par le renforcement des unités comme la Computer Crime Unit dans les différents États européens et par la collaboration avec les États européens, mais aussi avec d'autre États – il y a eu notamment des émissaires en Colombie et des accords avec le Maroc – pour pouvoir avoir une stratégie concertée au niveau international. Tout cela sera nécessaire. Mais aujourd'hui, je reste persuadé que les moyens qui ont été évoqués lors de la déclaration de politique générale de la semaine dernière seront insuffisants.

Dès lors que j'ai apprécié l'humilité et la lucidité dont vous avez fait preuve, j'ai envie de vous souhaiter bonne chance. Bonne chance parce que vous êtes bruxellois, bonne chance parce que vous êtes francophone et parce qu'au premier problème, tout le monde va vous tomber dessus! La solidarité intergouvernementale interne à l'Arizona risque de rapidement voler en éclats si les propos ne correspondent pas aux résultats – pour lesquels je pense qu'on ne vous donne pas les moyens de les obtenir.

J'ose espérer que nous réussirons toutes et tous, parce que la nécessité de sécurité est une préoccupation conjointe, majorité comme opposition. J'ose aussi espérer que nos services de police, soutenus politiquement, pourront réussir. J'ose espérer qu'il y aura des renforts à la police judiciaire fédérale de Bruxelles aussi, puisque je pense qu'il est nécessaire de la renforcer et de compléter les cadres au parquet, il faut pouvoir le répéter ici. Attendons de voir ce qu'il en sera.

Je verrai déjà les tableaux budgétaires au moment de la présentation de votre note de politique générale et on y verra déjà plus clair sur la ventilation et l'attribution des 25 premiers millions supplémentaires pour 2025.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, iedereen verdient om het zich veilig te kunnen voelen en veilig te zijn, ook de inwoners van Antwerpen. De veiligheid is niet langer gegarandeerd en daarom zijn er structurele maatregelen nodig.

U pleit voor een globale aanpak. U zegt dat preventie en repressie niet tegengesteld zijn aan elkaar. Ik ben het daarmee eens. Preventie is belangrijk, maar repressie ook. U zegt er echter bij dat repressie uw deel van de keten is. Bedoelt u dan dat alleen repressie deel is van uw keten? Daarover ben ik het dan niet met u eens. U bent als minister van Binnenlandse Zaken uiteraard ook verantwoordelijk voor preventie. U kunt werken aan meer nabijheidspolitie. Er staat ook in het regeerakkoord dat nabijheidspolitie een cruciale rol speelt in het waarborgen van de veiligheid en het welzijn van de samenleving. Daarmee ben ik het voor 100 % eens.

We horen nu van sommige rechercheurs in Brussel dat ze blindvaren en dat er geen informatie vanuit de straten naar hen doorstroomt, precies omdat de kloof tussen de politie en de wijken op dit moment erg groot is. U kunt ervoor zorgen dat de politie en de sociale hulporganisaties beter kunnen samenwerken. U kunt ook inzetten op overleg tussen de ordediensten en de wijkcomités. Ik roep u dan ook op om daar zo snel mogelijk werk van te maken.

Wat de geplande fusie van de Brusselse politiezones betreft, u hebt niet gereageerd op het feit dat politieagenten, korpschefs en ook jullie eigen burgemeesters niet geloven in een fusie als oplossing. Daar kunt u toch niet blind voor blijven?

Xavier Dubois:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces nombreuses réponses à ces nombreuses questions.

Je pense que tout le monde partage le fait que vous êtes face à un énorme chantier. L'avantage est que l'accord de gouvernement comporte énormément de solutions, de pistes, de mesures à mettre en œuvre. La difficulté résidera dans le fait de les mener de front, puisqu'il faudra avancer en parallèle sur toutes ces actions pour apporter une réponse complète à la problématique.

Concernant le fonds spécial drogue, vous avez donné mandat à la commissaire nationale aux drogues de travailler sur des projets de textes, que nous aurons l'occasion d'examiner. Cependant, aucun montant n'a été évoqué pour mener à bien ces actions. A-t-on une idée du montant que pourrait générer ce fonds? Je réalise en le disant que cette estimation est très compliquée à réaliser, mais pour éviter de trop belles attentes, il serait nécessaire de savoir concrètement de quels moyens on pourrait disposer avec cette mesure importante.

En ce qui concerne la norme KUL, j'ai entendu certains se réjouir en disant que cela pourrait profiter à un refinancement des zones de police en zone urbaine. De grâce, n'oubliez pas les zones rurales! Avant d'avancer dans ce dossier, vous allez prendre connaissance du fonctionnement actuel de la norme KUL. Mais surtout organisez des concertations avec les acteurs locaux, avec les bourgmestres et les responsables dans les zones! Et je le répète, n'oubliez pas les zones rurales! En effet, on oublie régulièrement que ces zones sont des zones de repli pour quantité d'acteurs, que ce soit des mafias liées au narcotrafic, mais aussi en matière de terrorisme. Cet aspect me semble vraiment important.

Il y a deux questions sur lesquelles je n'ai pas eu de réponse. La première concerne la coordination de toutes ces actions. De nombreuses mesures ont été prises en urgence par les différents niveaux de pouvoir. Comment allez-vous organiser cette coordination de manière structurelle pour assurer l'efficacité de l'ensemble des mesures avec les moyens mis à disposition?

La deuxième concerne la prévention. Vous avez répondu que ce n'était pas nécessairement la compétence du fédéral. Mais il y a quand même une compétence importante, ce sont les plans stratégiques en matière de prévention, qu'il va falloir renouveler. Quelle est votre approche par rapport à cela? Y aura-t-il une évolution? Des accents nouveaux seront-ils mis dans les moyens destinés aux communes pour mettre en œuvre toute une série d'actions de prévention? Il importe d'agir aussi rapidement sur ce point.

Merci et bonne chance pour la mise en œuvre de tout ce travail très important!

Brent Meuleman:

Mijnheer de minister, ik zal de prioriteiten van Vooruit niet herhalen. U vliegt er stevig in en zet heel wat zaken in de steigers. Ik kijk uit naar de uitwerking ervan in de komende maanden en jaren.

Tot slot wil ik nog iets zeggen over de toekomst van het politielandschap. We spraken daarnet nog over de KUL-norm. Ik zal me niet beperken tot mijn controlerende rol als parlementslid, maar ik zal in alle bescheidenheid ook mijn inzichten en adviezen als burgemeester van een kleine grensgemeente met stedelijke uitdagingen de komende maanden en jaren meegeven en influisteren.

Matti Vandemaele:

Mijnheer de minister, als nieuw parlementslid ben ik gretig om er snel in te vliegen. Ik voel bij u dezelfde goesting om de problemen in de diepte aan te pakken. Dat is al wat geruststellend. Ik deel uw analyse dat repressie zonder preventie zinloos is. Het klopt dat het luik over preventie zich voornamelijk op het niveau van de deelstaten bevindt, maar ik denk wel dat de politie op straat in de wijken een belangrijke rol heeft op het vlak van preventie. Dat staat ook zo in het regeerakkoord. Ik ben dus benieuwd naar de uitwerking daarvan in uw beleidsnota.

Alle partijen zijn het eens over de ketenaanpak, maar wie coördineert die? Wie volgt het op? Wie zorgt ervoor dat we komen tot een ketenaanpak van preventie tot en met repressie? We moeten vermijden dat we allemaal naar elkaar kijken en dat iedereen denkt: ik doe mijn stukje. Iemand of iets moet toch het overzicht bewaren. Dat is misschien iets om over na te denken in het kader van uw beleidsnota.

Het klopt dat veel producten uit het buitenland komen. Toen minister Van Peteghem nog verantwoordelijk was voor Financiën, had ik hem een schriftelijke vraag gesteld over het functioneren van de scanners bij de douane in Antwerpen. Ik kreeg immers signalen dat het daar niet zo vlot verliep.

Zijn antwoord was heel verdoezelend, terwijl de mensen op het terrein aangeven dat er echt problemen zijn en dat veel van die scanners, bijvoorbeeld, voor heel lange tijd uitvallen en niet inzetbaar zijn. Een paar weken geleden heb ik zelf het probleem van de luchthaven van Wevelgem, waar nauwelijks controles zijn, aangehaald. Zolang wij openingen toelaten in de Schengenzone, waarvan wij weten dat ze er zijn, blijft het dweilen met de kraan open. Goede afspraken met de minister verantwoordelijk voor de douane zijn daarom erg belangrijk. Ik houd dan ook mijn hart vast als ik zie wat het extra budget is dat beschikbaar is om in te zetten over alle veiligheidsdepartementen heen.

U bent een week bezig, dus ik kan niet verwachten dat u voor alles al een uitgewerkt antwoord hebt, maar misschien kunt u zich engageren om tegen de voorstelling van uw beleidsnota voor de drie aangehaalde dossiers, namelijk de statische beveiliging, de fusie van de politiezones en de inbeslagnames, minstens een concreet tijdspad naar voren te schuiven, zodat we weten op welke termijn u die wilt aanpakken.

Op een element hebt u niet geantwoord. Gezien de alomvattendheid van het probleem zou de Nationale Veiligheidsraad misschien wel een rol kunnen spelen.

Voor de rest dank ik u voor uw antwoorden.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Merci aussi d'avoir partagé avec nous, avec honnêteté, votre candeur un peu rafraîchissante. Mais je ne doute pas que vous ne ferez pas preuve de candeur face aux criminels.

Merci aussi d'avoir souligné que la prévention est aussi importante que la répression dans la résolution de ce problème.

Beaucoup d'éléments ont été apportés. Je sais que nous aurons l'occasion d'y revenir. En guise de réplique, j'avais envie de partager avec vous les discussions que j'ai eues sur place avec des habitants, avec des éducateurs, éducatrices, des employés.

À la question de savoir ce dont ils et elles avaient besoin, Hayat, une éducatrice spécialisée d'Anderlecht, m'a répondu ceci: "Nous avons besoin d'être rassurés. Les familles veulent que leurs enfants s'endorment sans entendre de coups de feu. Les gens veulent aller et rentrer de leur travail, de leur formation, de l'école, sans changer d'itinéraire, sans avoir la peur au ventre. Il y a beaucoup d'écoles, rien qu'autour de ce métro, et tout le monde a peur."

Je sais que vous avez sans doute entendu aussi ces messages et ces témoignages, mais je voulais le partager ici, parce que cela me semblait important. Je vous souhaite bon courage et bonne chance dans la mise en œuvre de tout ce plan.

Jeroen Bergers:

Mijnheer de minister, ik vond de meeste delen van uw antwoord zeer bevredigend en zeer hoopvol. Eén element baart mij wel een beetje zorgen. U zei over het Kanaalplan dat veel elementen in dat plan geïntegreerd zijn in de lokale werking van de politiezones.

Ik kan het best spreken over de politiezone die ik ken, de politiezone Vilvoorde-Machelen. Daar is dat in elk geval echt niet zo. Die politiezone heeft nu bijna 20 % minder voltijdsequivalenten dan toen het Kanaalplan op volle kracht was. Het hoeft natuurlijk niet te verbazen dat men een heleboel taken niet kan uitvoeren als men het personeelsbestand met 20 % ziet afnemen.

De nood aan een grondige versterking van het Kanaalplan is aangetoond, onder andere door de huidige situatie in Brussel, met de verschillende schietincidenten. In Vilvoorde was er eind december ook een incident, waarbij een 18-jarige in een park verschillende messteken kreeg naar aanleiding van drugscriminaliteit. Die versterking is noodzakelijk. Het plan mag uiteraard gerust een andere naam krijgen. Ik kan echter alleen vaststellen dat de lokale politie die werking niet heeft kunnen integreren, puur door een tekort aan mankracht.

Met betrekking tot bijvoorbeeld drugs heeft de politiezone VIMA momenteel twee mensen die drugscriminaliteit kunnen aanpakken. Dat is natuurlijk veel te weinig. Vandaag, as we speak, is er trouwens een gecoördineerde opkuisactie bij het station van Vilvoorde bezig, een samenwerking tussen de lokale politie VIMA en de federale politie. Dergelijke initiatieven zullen veel meer nodig zijn. Wij moeten ons er echt bewust van zijn dat die lokale politiezone versterking nodig heeft. Dat geldt ook voor de Brusselse politiezones.

Wat heel positief is, is dat u een minister wilt zijn met boots on the ground en dat u de handen uit de mouwen wilt steken. Ik snap dat deze eerste weken voor u heel druk zijn. Als u echter tijdens uw eerste maanden een studiebezoek wilt brengen aan Vilvoorde, dan wil ik dat met veel plezier voor u organiseren.

Voorzitter:

Mijnheer Bergers, u hebt handig gebruikgemaakt van de situatie om de minister uit te nodigen. Dat is uw goed recht. Ik wil iedereen bedanken voor de inbreng en de vragen. Ik wil ook de minister uitdrukkelijk bedanken voor de antwoorden die hij vandaag al heeft kunnen geven en die waarschijnlijk vervolgd zullen worden tijdens volgende vergaderingen. De bespreking is gesloten. La discussion est close. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.24 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 24.

Onwettige praktijken bij tandzorgtoerisme
De instroom van Roemeense tandartsen
De inval in een hotel in het kader van een onderzoek naar illegale tandheelkundige praktijken
Illegale tandheelkundige praktijken en arbeidsmigratie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om illegale en twijfelachtige praktijken in tandheelkundig toerisme (met name naar Turkije) en de kwaliteit van buitenlandse zorgverleners (o.a. Roemeense tandartsen) in België. Minister Vandenbroucke bevestigt dat automatische erkenning van EU-diploma’s (zoals Roemeense) moeilijk te controleren is, maar dat taaleis (C1-niveau) en registers zoals ProGezondheid patiënten moeten beschermen—al blijven handhaving en bewustmaking tekortschieten. Gerechtelijke invallen (bv. in Antwerpen) lopen, maar concrete cijfers over overtredingen of kosten van nazorg ontbreken, terwijl samenwerking met Turkije nog niet plaatsvindt. Kritiekpunten zijn de ontoereikende transparantie (ontbrekende namen/RIZIV-nummers op websites), moeilijke opsporing van illegale praktijken en de financiële last van complicaties voor de Belgische gezondheidszorg, waarvoor betere registratie en risicoaanvaarding worden geëist.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, het parket van Antwerpen is een tijdje geleden binnengevallen in een Antwerps hotel, waar er informatiesessies werden georganiseerd voor tandheelkundig toerisme in Turkije.

Die praktijken zijn niet nieuw en er wordt volop voor geadverteerd op verschillende websites. Ik heb er een aantal gevonden, zoals Dental Travel België, Medical Travel en Esthetic Airlines. Soms wordt er nazorg aangeboden in België, maar soms wordt daar helemaal geen melding van gemaakt. Eerder zelden is het duidelijk wie de tandartsen precies zijn.

In 2019 ondervroeg ik minister De Block daarover. Ze kondigde toen een kadaster aan, waardoor elke potentiële patiënt zou kunnen opzoeken of een zorgverstrekker de nodige opleiding en beroepsbekwaamheden had, want die op zijn minst twijfelachtige, maar waarschijnlijk ook onwettige praktijken bleken zich toen ook uitsluitend in Vlaanderen te situeren.

Graag stel ik u daarover de volgende vragen.

Volgens de kwaliteitswet moeten zorgverstrekkers hun bijzondere beroepstitels kenbaar maken als ze informatie over hun praktijk verspreiden. Dat gebeurt dus duidelijk niet altijd. Vaak vindt men niet eens de namen van de artsen of tandartsen op websites. Zou het volgens u niet nuttig zijn als daarenboven ook het RIZIV-nummer of het visum vermeld moet worden op de website en sociale media, zodat duidelijk is of zorgverstrekkers hun beroep in België mogen uitoefenen?

Hoever staat het met een gedetailleerd kadaster van zorgverstrekkers?

Hoeveel van dergelijke praktijken werden ontdekt en onderzocht? Door welke instantie werden ze opgespoord? Kunt u ook verduidelijken over hoeveel gevallen het gaat per provincie?

Wat waren exact de overtredingen die de artsen of tandartsen ten laste werden gelegd?

Gaat het vooral om tandheelkundig toerisme richting Turkije of gaat het ook om andere landen?

Hoe komt het volgens u dat die praktijken vrij openlijk online adverteren en toch zo moeilijk aan te pakken zijn?

Katleen Bury:

Ik heb nog enkele bijkomende vragen over de aanhoudingen die verricht zijn bij de inval in dat hotel.

Er werd een medewerker gearresteerd. Is die persoon nog steeds gearresteerd?

Zijn er plannen om in de toekomst meer van dergelijke invallen uit te voeren? Welke specifieke vervolgstappen zal de Toezichtcommissie nemen?

Is er samenwerking met de Turkse autoriteiten om de zorgpraktijken van de artsen die actief zijn in België te reguleren en de veiligheid van onze patiënten te waarborgen?

Mijn volgende vraag had ik u misschien beter schriftelijk kunnen stellen. Hebt u een zicht op de extra kosten voor de gezondheidszorg voor ingrepen die door buitenlandse artsen zijn uitgevoerd waarbij wij opdraaien voor de nazorg omdat het een en ander misgelopen is?

Ik stel vast dat mijn vraag over de Roemeense tandartsen toegevoegd werd, maar eigenlijk ging die over iets anders. Daar zien we mensen met een diploma dat als het ware gekocht is. In de vorige legislatuur hebt u daarover al overleg gepleegd met de Roemeense autoriteiten. Daaruit kwam een maatregel voort, namelijk de taalkennisvereiste. In de praktijk zien we dat het daarbij meestal om het Frans gaat. Dat zal de zorgkwaliteit bij ons in Vlaanderen evenwel niet noodzakelijk verbeteren.

Daarover had ik ook een aantal vragen, die losstaan van de inval in Antwerpen, met name over de resultaten van de onderhandelingen met Roemenië.

Heeft dat overleg daadwerkelijk geleid tot concrete maatregelen die de kwaliteit van de tandheelkundige zorg door Roemeense tandartsen in België verbeteren? Welke aanvullende stappen zullen er worden ondernomen om te waarborgen dat tandartsen die in België werkzaam zijn de hoge professionele normen hanteren die wij in ons land verwachten?

Frank Vandenbroucke:

Ik begin met uw laatste punt, over de Roemeense tandartsen. In november 2023 heb ik daarover effectief al met mijn Roemeense ambtgenoot gesproken. Ik heb uitgelegd dat er bezorgdheden rijzen over de kwaliteit van de opleiding van bepaalde tandartsen die in Roemenië afstuderen. Mijn Roemeense collega heeft me gezegd dat, wanneer er gegronde vermoedens zijn dat bepaalde kandidaten niet voldoen, bijkomende informatie kan worden ingewonnen bij de bevoegde autoriteiten in Roemenië. Hij voegde daaraan toe dat men dan wel concrete informatie moet aanleveren dat men niet aan de Europese regelgeving voldoet.

U weet dat de beroepskwalificaties van Europese tandartsen in het kader van de Europese richtlijn erkend worden op basis van een coördinatie van minimumopleidingseisen. Het betreft een automatische erkenning, wat tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. We hebben de aandacht van de gemeenschappen gevestigd op het feit dat de richtlijn een aantal mogelijkheden bevat om Roemenië in geval van gerechtvaardigde twijfel om aanvullende informatie over opleidingen te verzoeken. De moeilijkheid ligt in het duidelijk aantonen welke onderwijsinstellingen in Roemenië met dat probleem te maken hebben. Men moet niet alleen aanwijzingen hebben, maar ook onweerlegbaar bewijs kunnen aanleveren.

U weet dat ik in de vorige legislatuur ook een maatregel heb genomen om de kennis van de landstalen bij zorgverstrekkers, in dit geval tandartsen, te garanderen. Concreet betekent dat dat tandartsen moeten aantonen dat ze een van onze drie landstalen op het niveau C1 van het Europese referentiekader beheersen. De controle gebeurt v óó r de aflevering van het visum op basis van een taalcertificaat. Daarnaast moeten gezondheidszorgbeoefenaars de nodige gegevens waaruit hun talenkennis blijkt, bijhouden in hun portfolio. De Federale Toezichtcommissie staat in voor de controle van die talenkennis in het kader van de andere kwaliteitscriteria.

Wat uw laatste vraag over de Roemeense tandartsen betreft, herhaal ik dat de Europese richtlijn niet toelaat om de kennis van de taal van een specifiek taalgebied te eisen. De beoefenaar kan kiezen welke van de officiële Belgische talen hij spreekt en doorgeven van welke talen hij kennis heeft. Wel moet elke gezondheidszorgbeoefenaar patiënten doorverwijzen naar een andere gezondheidszorgbeoefenaar wanneer hij bij de uitoefening van zijn beroep de grenzen van zijn eigen bekwaamheid overschrijdt. Dat geldt uiteraard ook voor communicatieproblemen met de patiënt, waarbij verwezen kan worden naar de rechten van de patiënt.

Ik heb de vragen van mevrouw Gijbels en van mevrouw Bury samengevoegd in elf punctuele vragen.

Ten eerste, inzake de recente inval in het hotel nabij het station Antwerpen-Centraal, heeft de Federale Toezichtcommissie geen zicht op het verdere verloop van het dossier daar het om een lopend onderzoek bij het parket gaat. Indien het parket of de politiediensten dat nodig achten, kan evenwel een beroep worden gedaan op de inspecteurs van de Federale Toezichtcommissie voor advies of bijstand.

Het gerechtelijk onderzoek is geheim. Eenieder die beroepshalve zijn medewerking moet verlenen aan het gerechtelijk onderzoek is tot geheimhouding verplicht. U weet dat wie dat geheim schendt, bestraft kan worden. Indien dus aan de inspecteurs van de Federale Toezichtcommissie advies wordt gevraagd, mag men daar niet over communiceren.

Ten tweede, zijn er plannen om in de toekomst vaker dergelijke invallen uit te voeren? Dat hebben we al besproken in een recent actuadebat. Al onze inspectiediensten en de parketten zijn zich zeer bewust van die praktijken. Ze nemen ook actie. Daarvan getuigt de berichtgeving waarnaar u in uw vraag verwees. We blijven daar dus op werken. Ik zal ook bekijken of er versterking nodig is, bijvoorbeeld voor de taken van de Toezichtcommissie.

Ten derde, inzake de vervolgstappen is de Federale Toezichtcommissie bevoegd om gevallen van illegale praktijken te onderzoeken en door te geven aan het openbaar ministerie, dat vervolgens overgaat tot vervolging.

Ten vierde, is er op dit moment enig overleg en samenwerking met de Turkse autoriteiten? Er is geen contact met de Turkse autoriteiten over deze kwestie.

Ten vijfde, hebben we zicht op extra kosten die onze gezondheidszorg op zich moet nemen wegens complicaties na ingrepen die werden uitgevoerd door buitenlandse artsen? De oorsprong van de complicaties die optreden na een operatie, al dan niet uitgevoerd door in het buitenland gevestigde zorgverleners, wordt niet in het gezondheidszorgsysteem geregistreerd. Het is dus niet mogelijk om de kosten van complicaties aan hun oorzaak te koppelen.

Ten zesde, hoe vindt men informatie over de namen van tandartsen of artsen op de websites? Zou het niet nuttig zijn als ook het RIZIV-nummer of het visum op de website en in sociale media wordt vermeld? Het artikel 31 van de wet van 22 april 2019 over de kwaliteitsvolle praktijkvoering bepaalt dat de gezondheidzorgbeoefenaar die informatie in verband met zijn gezondheidsberoep onder de aandacht van het publiek brengt de specifieke beroepstitels die hij of zij bezit moet vermelden. Bovendien kan de patiënt op de website van de FOD Volksgezondheid gemakkelijk het register van de gezondheidswerkers raadplegen. Dat zal aangeven of de beroepsbeoefenaar tot wie hij zich richt gemachtigd is om op het Belgische grondgebied te werken.

In dit specifieke geval is het vermelden van het RIZIV-nummer minder van tel, aangezien de patiënten in principe weten dat ze zich wenden tot een buitenlandse beroepsbeoefenaar die zich buiten België bevindt en die buiten België werkt. Ik moet erop wijzen dat de promotie van zorg in het buitenland aan Belgische patiënten niet strafbaar is. De promotie moet wel voldoen aan alle regels inzake economische praktijken en mag niet met illegale uitoefening gepaard gaan.

Hoever staat het met een gedetailleerd kadaster van zorgverstrekkers? Het register van praktijken, zoals gedefinieerd door de wet op de kwaliteitsvolle praktijkvoering, is nu al operationeel. Via een samenwerking tussen de FOD Volksgezondheid en het RIZIV is MyRIZIV omgevormd tot ProGezondheid. Dat is een portaal waarop elke zorgverlener met een visum kan inloggen en zijn profiel kan aanvullen en valideren.

ProGezondheid gaat verder dan het register en verzamelt naast de beroepstitel en de locatie ook de contactgegevens, de noodcontactgegevens en alle informatie vanuit het RIZIV. Die gegevens zullen binnenkort ook beschikbaar zijn voor de burger via de zoekmotor HealthPro. De burger zal dan alle gegevens met betrekking tot een zorgverlener kunnen opzoeken.

Ten achtste, hoeveel van dergelijke praktijken werden ontdekt en onderzocht en hoeveel per provincie? Ik kan u geen precieze cijfers geven, omdat de Federale Toezichtcommissie alleen bevoegd is om gevallen van illegale praktijken te onderzoeken en de feiten vast te stellen, indien nodig in samenwerking met Economische Inspectie en het openbaar ministerie. De strafrechtelijke procedure valt dan onder de verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. De Federale Toezichtcommissie heeft dat soort voorvallen al meermaals gemeld aan het openbaar ministerie en de Economische Inspectie, maar ik kan dus niet zeggen welke juridische stappen er dan zijn ondernomen. Het fenomeen treft vooral de grote agglomeraties van Vlaanderen – Antwerpen, Gent enzovoort – en Brussel.

Wat waren de overtredingen? Het promoten van zorg in het buitenland bij Belgische patiënten is niet strafbaar. Die promotie moet wel voldoen aan alle regels inzake economische praktijken en ze mag niet gepaard gaan met de illegale uitoefening van het beroep in België.

Gaat het vooral om tandheelkundig toerisme richting Turkije? Volgens mijn diensten is Turkije een vaak voorkomende bestemming, maar het gaat ook om landen in Oost-Europa en Noord-Afrika.

Inzake het online adverteren herhaal ik dat het promoten van zorg in het buitenland aan Belgische patiënten niet strafbaar is. Wat wel strafbaar is, zijn oneerlijke economische en illegale praktijken, in het bijzonder de consultatie of het opstellen van zorgplannen door beroepsbeoefenaren die niet gemachtigd zijn om in België een gezondheidszorgberoep uit te oefenen. De moeilijkheid ligt in het vaststellen van de strafbare feiten door middel van bevindingen ter plaatse.

Frieda Gijbels:

Dank u wel, mijnheer de minister. Het is natuurlijk een goede zaak dat er al zoekmotoren bestaan om zorgverstrekkers na te trekken en om te kijken of die wel gemachtigd zijn om hier zorg te verlenen. Het probleem is ook dat de patiënten of de modale burgers zich er niet van bewust zijn dat die zoekmotoren bestaan. Dat zou dus wel eens onder de aandacht moeten worden gebracht.

U zegt dat het niet verboden is om promotie te maken voor zorg in het buitenland, maar vaak ziet men niet eens wie de zorg verleent, zelfs al gebeurt dat op locaties in Vlaanderen. Dat is problematisch, want dan kan een burger niet opzoeken of een persoon wel de juiste kwalificaties heeft. Er is dus nog wel wat werk rond het informeren en sensibiliseren van de bevolking.

Natuurlijk moet ook gehandhaafd worden wat wettelijk bepaald is. Er is al heel veel bepaald, bijvoorbeeld dat men zijn kwalificaties moet vermelden. Als dat echter niet gebeurt en er wordt niet ingegrepen, dan zullen die praktijken, die nu al tientallen jaren bestaan, niet direct uitgedoofd zijn.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, met betrekking tot de Roemeense tandartsen hebt u enigszins herhaald wat ik ook al in mijn vraagstelling had geformuleerd. U eindigde met de kennis van de landstalen. Men moet één landstaal op niveau C1 spreken voordat men een visum krijgt. U zei dat we niet aan Europa kunnen vragen om meerdere talen op te leggen of om de taal te koppelen aan het landsdeel waar men werkt. Gelet op de patiëntenrechten dient een tandarts door te verwijzen wanneer hij niet kan communiceren met de patiënt. Is er echter toezicht op dat die tandartsen dat daadwerkelijk doen? Als dat zo zou zijn, kan men daar zeker een veiligheid inbouwen. Dat moet echter verder onderzocht worden. U weet immers hoe dat in de praktijk verloopt. Voor de tandarts gaat het om inkomsten. De communicatie mag dan wel in gebrekkig Frans verlopen, de tandarts zal niet gauw zelf de patiënt doorverwijzen naar een collega. Het is niet daarom dat hij werk zoekt in België. Mijn andere vraag ging over de inval bij die Turkse tandarts in Antwerpen. U zegt dat het gerechtelijk onderzoek geheim is. Ik vraag evenwel alleen of van de aangehouden personen nog iemand aangehouden is en of het over meerdere personen gaat. Ik vraag niet om de identiteit. Ik geef een ander voorbeeld. Als wij aan de eerste minister of aan de minister van Justitie vragen hoeveel mensen werden aangehouden bij de rellen tijdens nieuwjaarsnacht en hoeveel er nog in de gevangenis zitten, kunnen zij daarop gerust antwoorden. Dat schendt het gerechtelijk onderzoek niet. U zult bekijken of er versterking nodig is voor de Toezichtcommissie. Dat is heel goed. U stelt dat u geen contact met de Turkse autoriteiten hebt. Nochtans toont de daaraan gekoppelde vraag over Roemenië dat dergelijke contacten nuttig kunnen zijn. Ik zou er dus op willen aandringen dat u wel contact opneemt met de Turkse autoriteiten. Heel belangrijk is het traceren van de complicatiekosten. Die kosten vormen een belangrijke belasting voor onze gezondheidszorg. De komende vijf jaar zal ik dan ook enorm op dat dossier hameren. Alles wat in de gezondheidszorg heel goed werkt, is immers top. Aan alles waarvoor evenwel te veel geld wordt opgesoupeerd, moeten we paal en perk stellen om het systeem betaalbaar te houden. Wanneer mensen ervoor kiezen om naar Turkije te gaan om ginds alle tandjes te laten afslijpen zoals een vampier, dan moeten de complicaties daarna niet op onze gezondheidszorg worden verhaald. Dat is risicoaanvaarding. Dat is een goede juridische term die bestaat. Wie naar Turkije trekt, moet ook niet meer op onze gezondheidszorg rekenen voor de nazorgbehandeling. Daarom moet dringend werk worden gemaakt van het wel traceerbaar maken van complicaties, zodat kan worden nagegaan vanwaar die kosten komen. Daarom roep ik op om een en ander zo snel mogelijk in kaart te brengen.

De overbelasting van de ziekenhuizen door de griepepidemie
De impact van de griepepidemie
De griepepidemie in België
De gevolgen van de griepepidemie in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De ergste griepepidemie sinds COVID-19 trof België begin 2025, met recordaantallen consultaties (1.219/100.000 in piekweek) en zware druk op ziekenhuizen en huisartsen, ondanks een lichte daling eind januari. Minister Vandenbroucke wijt de crisis vooral aan lage vaccinatiegraad, onvoldoende naleving van basismaatregelen (mondmaskers, afstand) en natuurlijke variatie in virulentie, niet primair aan personeels- of beddentekort—hoewel die wel bestonden en lokale overdrachten nodig waren. Kritische parlementariërs Prévot en De Smet benadrukken juist structurele onderinvestering in gezondheidszorg (gesloten bedden, overbelaste spoed) als verergerende factor en dringen aan op urgente extra middelen om toekomstige crises te voorkomen. De regionale verschillen waren beperkt, maar de kwetsbaarheid van het systeem blijft een alarmsignaal voor toekomstige epidemieën.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, lorsque j'ai déposé ma question il y a quelques semaines, notre pays traversait une épidémie de grippe saisonnière dont il était difficile d'évaluer l'intensité. Les médias rapportaient que certaines unités de soins des régions bruxelloise et liégeoise étaient saturées. L'hôpital de la Citadelle avait été contraint de réduire de 20 % ses activités chirurgicales et médicales et de les reprogrammer. Depuis lors, monsieur le ministre, nous connaissons l'intensité de cette épidémie. Sciensano l'a qualifiée de "pire épidémie depuis la pandémie de covid". Je tenais à vous interpeller pour connaître l'état de la situation, les répercussions sur le système hospitalier et les médecins généralistes qui se trouvent évidemment surchargés depuis le mois de décembre.

Monsieur le ministre, pourrions-nous avoir votre retour le plus complet et le plus à jour sur la situation de l'épidémie de grippe en Belgique? Quelle est la situation au sein des hôpitaux du Royaume? Quelle est la situation au niveau des médecins généralistes et de leur surcharge de travail? Quelles sont les premières hypothèses émises pour expliquer la sévérité de cette épidémie de grippe, en comparaison avec celles des années précédentes?

François De Smet:

Monsieur le ministre, pendant plusieurs semaines, on a assisté à un engorgement des services d'urgence durant le pic d'épidémie de grippe. Le virus s'est révélé plus résistant et aussi plus virulent, avec peut-être une protection insuffisante du vaccin. L'engorgement aux urgences peut également s'expliquer par le manque de lits dans les hôpitaux, car si les patients qui entrent aux urgences ne se font pas tous hospitaliser, cela peut croiser les hospitalisations programmées. La pénurie de personnel infirmier et médical constitue une autre cause de cet engorgement en cas de crise.

Enfin, la crise économique met la plupart des hôpitaux dans de grandes difficultés financières. Par exemple, faute de personnel, le CHU de Liège a dû fermer entre 70 et 75 lits sur 1038. Des directeurs d'hôpitaux estiment qu'il est anormal que les urgences soient saturées lors d'une épidémie de grippe et invoquent un système de santé insuffisamment résilient par rapport à une situation critique.

Monsieur le ministre, pouvez-vous nous faire savoir si vous partagez ce constat d'engorgement? Quels facteurs peuvent l'expliquer? Quelles mesures ponctuelles peuvent être prises, notamment si un nouveau pic d'épidémie de grippe survenait? Cette situation des hôpitaux a-t-elle été vécue de la même manière au Nord, au Sud et au centre du pays, ou de manière variable?

Frank Vandenbroucke:

Nous avons pu observer un pic de grippe exceptionnellement élevé cette année. Les consultations pour grippe dans les cabinets de médecine générale, le nombre de tests de grippe positifs rapportés par les laboratoires et le nombre de patients hospitalisés pour une infection grippale sévère sont tous à leur plus haut niveau depuis la pandémie de covid-19.

Au plus fort de l'épidémie de grippe l'année dernière, nous avions environ 600 consultations pour 100 000 habitants, alors que dans la semaine du 20 au 26 janvier 2025, nous avions environ 1 219 consultations pour 100 000 habitants. Cependant, il semble y avoir une lueur d'espoir, car dans la semaine du 27 janvier au 2 février, les chiffres ont baissé pour atteindre 1 199 consultations pour 100 000 habitants. Espérons que cette tendance à la baisse se poursuive.

S'agissant de la question de M. De Smet, il est vrai que le pic d'infections respiratoires exerce une pression sérieuse sur notre système de santé et qu'avec des millions de personnes infectées, le bilan humain est lourd. Cependant, je ne suis pas d'accord pour dire que la gravité de l'épidémie de grippe de cet hiver serait due à une pénurie de lits ou de personnel de santé.

Les difficultés que nous connaissons dans le secteur des soins existaient déjà la saison dernière, mais le pic de l'épidémie de grippe était alors nettement inférieur à celui de cette saison. Je pense que nous devrions plutôt chercher des explications dans le fait que le taux de vaccination des groupes cibles est resté très insuffisant cette saison et que les recommandations de base en termes de maintien de la distance et de masquage de la bouche faites dans le cadre du plan hiver ne sont pas suffisamment suivies. En outre, il existe une variation naturelle dans ce genre de situation, une saison n'est pas l'autre.

Bien sûr, cela ne veut pas dire que nous ne devons pas continuer à travailler pour la viabilité des professions de santé et le bon fonctionnement de notre système de santé. J'ai déjà déployé des efforts dans ce sens au cours de la dernière législature. Je continuerai également à prendre des initiatives au cours de cette législature-ci.

En ce qui concerne le code orange et les autres mesures, le Risk Assessment Group (RAG) et le Risk Management Group (RMG) ont en effet décidé de passer en code orange avec des recommandations appropriées et liées à ce code qui peuvent être trouvées sur le site du SPF Santé. Celles-ci ont été communiquées au secteur de la santé et au public.

Il est possible que des recommandations additionnelles aient été faites après des analyses de risques aux niveaux locaux et régionaux et même au niveau d'institutions individuelles comme cela est prévu dans le plan hivernal infections respiratoires ainsi qu'au niveau des entités fédérées.

Il existe également un accord entre hôpitaux pour le transfert de patients si une des structures ne dispose plus de capacité d'hospitalisation.

Concernant la différence entre le Nord et le Sud du pays, je rappelle que le virus de la grippe ne connaît pas de frontière régionale et est en outre très mobile.

Nous le constatons également via les analyses des eaux usées des stations d'épuration à travers tout le pays. Semaine après semaine, les régions, les maisons de repos et les hôpitaux plus ou moins affectés varient.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie de nous avoir présenté un instantané de la situation. Certes, le problème est multifactoriel mais on ne peut quand même pas dire que ce n'est pas dû à la pénurie de soignants et de lits, d'autant que vous indiquez dans la deuxième partie de votre réponse que des accords ont été conclus entre hôpitaux pour transférer des patients en cas de saturation. Par conséquent, je demanderai à ce gouvernement d'être très prudent à cet égard. Nos hôpitaux et notre personnel soignant ont fait preuve de beaucoup de résilience. Plus que jamais, il faudra investir. Les premiers chiffres nous inquiètent quelque peu, tout comme la répartition des hôpitaux. Nous nous rappellerons l'inquiétante carte géographique brandie par mon chef de groupe, Pierre-Yves Dermagne, lors de nos débats nocturnes. Si nous nous trouvons dans une situation aussi dramatique avec la présente épidémie de grippe, je n'ose imaginer ce qui se passerait si d'autres épidémies touchaient notre pays.

Plus que jamais, soyons vigilants. Surtout, ne désinvestissons pas dans les soins de santé. Il est plus que jamais essentiel d'engager les moyens là où ils sont indispensables pour éviter des difficultés comme nous avons pu en connaître voici quelques semaines et comme nous en connaissons encore en ce moment. J'espère donc ne pas en connaître d'autres dans les semaines et mois à venir.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse assez exhaustive. Néanmoins, je rejoindrai mon collègue en indiquant que nous devons comprendre cette épidémie de grippe comme un rappel que notre système peut être très facilement perturbé, chamboulé, mis à l'épreuve par des pandémies inhabituelles ou habituelles, mais plus virulentes. Je suis sûr que le prochain gouvernement en tiendra compte.

De wachttijden in de gezondheidszorg

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België heeft geen officiële statistieken over wachttijden in de gezondheidszorg, ondanks het KCE-rapport (mei 2024) dat een beperkte, gerichte meting aanbeveelt in plaats van een breed systeem omwille van kosten-batenverhouding en beperkte oplossingsgerichte inzichten. Minister Vandenbroucke kan nog geen concrete stappen aankondigen door de regeringswissel, maar Bury benadrukt de urgente noodzaak van data om beleidsbeslissingen (bv. specialisten tekorten, kerntaken dermatologen) te sturen en levensreddende vertragingen (zoals bij huidkanker) aan te pakken. De discussie over specifieke vragen (o.a. dermatologie) wordt uitgesteld.

Katleen Bury:

Ik heb goed nieuws. Na deze vraag verdwijn ik een tijdje naar de achtergrond. Ik verwacht namelijk dat de vragen nrs. 56002325C en 56002375C nog zullen worden uitgesteld.

Ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

In uw antwoord op parlementaire vraag nr. 163 van 24 december 2024 gaf u aan dat België momenteel geen officiële statistieken heeft over wachttijden in de gezondheidszorg. U verwees naar het KCE-rapport nr. 383 uit mei 2024, waarin aanbevelingen worden gedaan voor het opzetten van een systeem om wachttijden te meten.

Gezien de impact van wachttijden op de patiëntenzorg en de noodzaak om het beleid hierop af te stemmen, is het essentieel dat er metingen worden uitgevoerd en bijgehouden.

Welke stappen zijn er ondertussen gezet om de gegevens over wachttijden bij verschillende zorgverleners te verzamelen en te monitoren?

Frank Vandenbroucke:

Het KCE onderzocht inderdaad de wenselijkheid van een meting van wachttijden in zijn rapport nr. 383. Op basis van een analyse van de systemen in zes andere landen – Finland, Spanje, Zweden, Nederland, Canada en het Verenigd Koninkrijk – en van interviews met belanghebbenden op Belgisch niveau, benadrukken de auteurs van het KCE de onmogelijkheid van één enkele aanpak voor het meten van wachttijden in het hele gezondheidszorgsysteem. Het raadt dus af om een uitgebreid en continu systeem voor de evaluatie van wachttijden op te zetten.

Het vestigt ook de aandacht op de kostprijs van een dergelijke gegevensverzameling in verhouding tot de toegevoegde waarde daarvan. Metingen van wachttijden kunnen worden gebruikt om tekorten aan gezondheidswerkers, infrastructuur en apparatuur vast te stellen, met name op lokaal niveau. Ze zijn op zich echter niet voldoende om de problemen te beschrijven. Ze geven ook weinig informatie over de manier waarop ze kunnen worden verholpen.

Om objectieve en interpreteerbare gegevens te verkrijgen, bevelen de auteurs aan om na een voorafgaande, grondige analyse van de kosten voor gegevensverzameling een prospectieve evaluatie uit te voeren van de wachttijden voor een selectie van diensten, procedures en ingrepen in een representatieve steekproef van zorgverleners en -instellingen. Deze evaluatie moet in de loop van de tijd herhaald worden om veranderingen in wachttijden in de loop van de tijd te analyseren.

Ook die vraag is er gekomen tijdens de periode van lopende zaken. Wij zijn aan het begin van een nieuwe regering. Ik ben dus nog niet in staat om daarover veel meer mee te geven.

Katleen Bury:

Dat begrijp ik. Het betreft echter een heel belangrijke vraag, die een onderdeel is van een schriftelijke vraag die ik terugkreeg, namelijk over het feit dat er geen officiële statistieken van de wachttijden in de gezondheidszorg zijn. Ik begrijp dat u op de vraag geen antwoord kunt geven en dat een en ander moet worden bekeken. Ik kan alleen de noodzaak daarvan benadrukken.

Ik ben het helemaal niet eens met het KCE, dat stelt dat de kosten van de gegevensverzameling niet opwegen tegen de baten daarvan. Ik ben ervan overtuigd dat het heel belangrijk is dat wij de gegevens over de wachttijden kennen.

Er zullen nog veel vragen aan bod komen hier in de commissie. Denk maar aan de vraag over de dermatologen, die zal worden uitgesteld, omdat u nog een deel van het antwoord moet opvragen. Ook daar zijn er wachttijden. Het resultaat zijn mensen die een huisarts consulteren met een al vergevorderde huidkanker. Het is belangrijk dat wij de wachttijden kunnen oplijsten en kunnen zien of de dermatologen nog genoeg bezig zijn met de essentie van hun job of enkel nog met het esthetische, teneinde te kunnen nagaan of er ook op dat vlak niet moet worden ingegrepen.

Het KCE stelt ook dat het niet ziet op welke manier de problemen kunnen worden verholpen. Dat kan juist wel. Het beleid kan daarop dan worden afgestemd. Waar zijn er wachttijden? Zijn er in de ene of andere branche meer of minder artsen nodig? Zijn er daar meer specialisten nodig? Moeten die specialisten opnieuw meer hun kerntaak uitvoeren? Die wachttijden zouden ons dus enorm kunnen helpen om hiermee aan de slag te gaan. Ik begrijp dat u nu pas opnieuw minister bent, maar maak daar zeker werk van. Het zal onze gezondheidszorg zeer sterk ten goede komen.

De voorzitster : De samengevoegde vragen nr. 56002325C van mevrouw Bury en nr. 56002521C van mevrouw Gijbels worden uitgesteld.

Mevrouw Gijbels, gaat u ermee akkoord om de samengevoegde vragen nr. 56002360C van mevrouw Eggermont en nr. 56002376C van uzelf uit te stellen, omdat mevrouw Eggermont afwezig is?

Frieda Gijbels:

Ik dacht dat de vraag niet meer kon worden uitgesteld, omdat ze al eens uitgesteld werd? In dat geval zal ik ze wel stellen.

De toegankelijkheid van zwangerschapszorg
De toegankelijkheid van pre- en postnatale zorg
Toegankelijkheid van zwangerschaps-, pre- en postnatale zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Een recente studie toont aan dat 60% van de vrouwen bevallingskosten onbetaalbaar vindt, met restbedragen tot €350–2000 (afhankelijk van bevallingswijze), vooral door kamer- en honorariumsupplementen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat kwetsbare groepen (laagopgeleid, migranten, laag inkomen) minder toegang hebben door financiële, taalkundige en systeembarrières, terwijl slechts 3,7% (6% in Brussel) het minimum aan prenatale consulten haalt. Hij wijst op het interfederaal programma "Born in Belgium" voor betere opvang van risicogroepen en benadrukt nood aan striktere handhaving van geconventioneerde tarieven, maar Désir dringt aan op versterkte inspanningen voor Brussel en informatieverspreiding.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, une récente étude de la Mutualité chrétienne auprès de 3 000 femmes ayant accouché entre 2022 et 2023 a relevé qu'à peine six femmes sur 10 trouvent abordables les soins relatifs à un accouchement. Globalement, seules les sages-femmes et les médecins généralistes sont considérés comme abordables pour 80 à 90 % des répondantes.

Cette étude met aussi en lumière le fait que les futures mères ignorent trop souvent qu'un médecin généraliste et une sage-femme peuvent également suivre leur grossesse, ou encore qu'une partie des montants pour les soins pré- et postnataux restent à leur charge. Ceux-ci s'élèveraient en moyenne à 350 euros jusqu'à 2 000 euros et plus à la suite d'un accouchement par césarienne en chambre individuelle.

Monsieur le ministre, disposez-vous de chiffres concernant l'évolution des coûts restant à charge des patientes ayant accouché par voie basse et par césarienne au cours des 10 dernières années? Quels éléments constituent ces coûts?

Quels sont, selon vous, les freins encore existants concernant l'accessibilité aux soins pré- et postnataux pour les femmes dans notre pays? Quelles mesures pourraient être envisagées pour améliorer l'information des futures mères?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, concernant l'évolution des coûts restant à charge des patientes lors des séjours pour l'accouchement par voie basse et césarienne, nous disposons des chiffres de 2018 à 2022. En moyenne, en 2022, le coût total s'élevait à 1 240 euros, dont 1 000 euros de suppléments de chambre et d'honoraires médicaux.

L'accès aux soins pré- et postnataux en Belgique est globalement considéré comme bon. Selon les données de "Vers une Belgique en bonne santé", 85 % des femmes enceintes atteignent le nombre recommandé de 10 consultations au cours de leur grossesse, en cas de faible risque. Cela étant dit, 3,7 % des femmes enceintes ne parviennent pas à atteindre le minimum recommandé de sept consultations. Ce chiffre est encore plus élevé à Bruxelles, où il atteint 6 %.

D'après les données du KCE et de la Mutualité chrétienne, il existe plusieurs obstacles et goulots d'étranglement.

Premièrement, il s'agit des obstacles liés à l'accès aux soins. Les femmes ayant un statut socio-économiquement faible ou issues de l'immigration se heurtent souvent à des difficultés pour accéder à des soins de qualité. Cela peut être dû à des barrières financières ou à des problèmes linguistiques. De plus, un faible niveau d'éducation peut entraîner un illettrisme médical, avec pour conséquence une limitation de l'accès à un système de soins parfois complexe.

Par ailleurs, on observe une tendance préoccupante parmi les prestataires de soins (gynécologues, kinésithérapeutes et sages-femmes) à s'éloigner des tarifs conventionnés.

Le programme interfédéral de soins intégrés pour les femmes enceintes vulnérables utilisant l'outil "Born in Belgium" a comme objectif d'offrir un accompagnement et suivi coordonnés en cas de présence de facteurs de risque psychosociaux. Cette initiative spécifique vise à améliorer les soins périnataux, en particulier pour les groupes de population vulnérables. L'objectif de ce programme est entre autres de réduire les inégalités sociales et de favoriser l'accès à des soins de qualité. En fait, il était essentiel de continuer à travailler sur l'amélioration de l'accessibilité des soins en abaissant encore les barrières financières pour tous les patients. Nous sommes convaincus que pour garantir l'accessibilité financière des soins, il est nécessaire que les prestataires de soins respectent les tarifs conventionnés.

J'ajouterai encore, sur ce programme de soins intégrés pour les femmes enceintes vulnérables, que je l'ai lancé voici quelques mois déjà avec mon nouveau collègue, Yves Coppieters, en Wallonie. Il s'applique aussi à Bruxelles et il a été lancé hier en Flandre avec ma collègue, Caroline Gennez. Je trouve ce programme ultra important. Celui-ci s'attaque précisément aux causes fondamentales de ce manque d'accès pour ces femmes.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. On peut tout d'abord évidemment se réjouir des bons chiffres globaux, à savoir que 85 % des femmes enceintes atteignent les 10 consultations, ce qui nous place certainement parmi les pays qui ont des chiffres positifs en la matière. Je suis évidemment beaucoup plus inquiète quand j'entends les chiffres des publics vulnérables qui n'atteignent pas le minimum de consultations et de suivi médical pendant une grossesse, avec tous les risques de complications que cela peut entraîner. Évidemment, les chiffres bruxellois m'inquiètent en particulier, étant moi-même bruxelloise. Je suis donc heureuse d'entendre parler de votre programme intégré pour les femmes vulnérables. Nous suivrons cela avec attention car il y a certainement encore plus d'efforts à faire pour toucher ces publics qui sortent un peu des radars, puisque ces femmes-là cumulent sans doute plusieurs difficultés. Vous avez cité le manque d'information, les barrières linguistiques et financières, l'illettrisme, les publics issus de l'immigration... C'est un sujet sur lequel je vous réinterrogerai dans les prochains mois. La présidente : La question n° 56002375C de Mme Bury est reportée, à la demande du ministre.

Mobiele gezondheidsapps en kinesitherapie
De terugbetaling van telerevalidatie in de fysiotherapie
Digitale gezondheidstools en vergoeding van fysiotherapie op afstand

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De studie naar telerevalidatie (via *moveUP*) bij knie-/heupprotheses loopt vertraging door te lage patiëntendeelname en organisatorische problemen (UZ Gent/KCE), met resultaten pas in 2025—ondanks een initieel doel van juni 2024. Enkel *moveUP* werd gebruikt, maar geen andere apps dienden een vergoedingsdossier in; de tussentijdse data waren onvoldoende voor conclusies. De huidige conventie liep af in juni 2023, maar een nieuwe, ruimere regeling voor telerevalidatie (onafhankelijk van pathologie of tool) wordt voorbereid via een nomenclatuuraanpassing, waarbij *moveUP* mogelijk blijft inzetbaar. Kinesitherapeuten en ziekenhuizen toonden beperkte interesse (slechts 21 deelnemende ziekenhuizen en 352 opgeleide therapeuten).

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur gaf u al aan dat een modernisering van het zorglandschap nodig is en dat daarvoor moet worden ingezet op een verdere digitalisering. Dat staat ook uitgebreid in het nieuwe regeerakkoord. Een van de werven in dat verband bestond erin om na te gaan of een klassieke revalidatie dan wel een digitale variant, telerevalidatie, meer doelmatig was. Het betekent dus dat de conventie herbekeken zou worden. De studie die daarvoor werd gestart bij het UZ Gent zou resultaten opleveren in juni 2024, maar tenzij ik me vergis werden de conclusies nog niet voorgesteld.

Wanneer werd de studie van het UZ Gent opgeleverd? Wanneer werden de resultaten gepubliceerd? Hoe werd de telerevalidatie precies beoordeeld en volgens welke parameters gebeurde dat? Welke medische applicaties maakten deel uit van de studie en het pilootproject? Welke conclusies trekt u uit de studie? Welke vervolgstappen werden er sinds de indicatieve deadline van juni 2024 genomen? Welke modellen worden daaruit verder ontwikkeld en/of voorbereid? Zijn er perspectieven voor de in het pilootproject gebruikte medische apps? Kunt u daar extra info over geven?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, avec le plan e-Santé 2015-2018, la Belgique s'est montrée à l'avant-garde en intégrant la santé digitale dans son système de santé, et ce, à travers le remboursement temporaire de certains projets pilotes, notamment concernant la rééducation en kinésithérapie via application mobile.

Je ne vais pas rappeler les grands arguments qui nous expliquent pourquoi la technologie est essentielle pour nos soins de santé. Toutefois, nous savons aussi qu'il faut faire preuve de prudence, qu'il faut pouvoir évaluer le bien-fondé et la plus-value, qu'il faut expérimenter, évaluer et ensuite statuer. Pour ce faire, encore faut-il que les résultats des études menées soient publiés et que les décisions prises soient motivées.

C'est donc l'objet de ma question. Monsieur le ministre, en 2022, l'INAMI a remboursé un traitement qui appliquait pour la première fois la rééducation via application mobile après la pose d'une prothèse de genou ou de la hanche, une avancée interrompue en juin 2023. Une étude clinique financée par l'INAMI a été réalisée pour évaluer cette première expérimentation qui avait déjà fait ses preuves dans d'autres É tats membres de l'Union européenne. Initialement attendus pour juin 2022, les résultats préliminaires de cette étude n'ont jamais été rendus publics. Quelles en sont les raisons? Pourrions-nous avoir connaissance des résultats de cette étude? Enfin, une révision de la nomenclature est actuellement en cours. Les résultats de cette étude seront-ils pris en compte dans ce cadre pour permettre l'intégration et la mise en œuvre de solutions hybrides, comme la télérééducation?

Frank Vandenbroucke:

Je vais d'abord répondre aux deux premières questions de Mme Gijbels et à la première question de M. Prévot.

Le rapport final de l'étude n'a pas encore été remis. Les résultats seront disponibles au plus tôt au second semestre 2025. Il y a à cela plusieurs raisons.

En décembre 2019, la convention entre le Comité de l'assurance du Service des soins de santé de l'INAMI, les kinésithérapeutes et les établissements de soins agréés pour le remboursement de la rééducation des patients avant et après une arthroplastie primaire du genou ou de la hanche soutenue par une application mobile a été approuvée en décembre 2019. L'étude initiale prévue dans la première phase de la convention contenait trop peu de patients pour ouvrir immédiatement la convention à tous les hôpitaux dans une deuxième phase: seulement 416 par rapport au seuil de 2011. À la fin planifiée de l'étude, en septembre 2022, il a tout de même été décidé d'ouvrir l'accord à tous les hôpitaux. Le dernier patient de l'étude a eu la possibilité de faire rapport avant fin juin 2023, avec des résultats d'études attendus dans le courant de 2024. Nous déplorons un retard d'un an en raison de la faible participation et de la lenteur du processus.

En raison de circonstances imprévues au sein de l'équipe Health, innovation and research institute de l'Université de Gand, cette équipe vient seulement de commencer à demander les données concernées à l'Agence InterMutualiste (AIM) avec l'aide du Centre Fédéral d’Expertise des Soins de Santé (KCE).

En outre, il y a eu un problème pour interpréter correctement les arrêts précoces et le nombre de patients. Pour cela, des données disponibles via l'application moveUP ont également été demandées pour les comparer aux données de l'AIM. L'évaluation sera présentée au comité de pilotage et publiée au second semestre de cette année.

Mevrouw Gijbels vroeg hoe de telerevalidatie precies werd beoordeeld. De studie in de overeenkomst heeft als doel de kwaliteit van de revalidatie via telekinesitherapie na te gaan, al dan niet samengaand met een minimaal aantal klassieke sessies met fysieke aanwezigheid bij de patiënt voor wie de arts-specialist in de orthopedische heelkunde of in de fysische geneeskunde en revalidatie na overleg met de patiënt telekinesitherapie heeft voorgeschreven. De eindresultaten, de kwaliteit van leven, het voorkomen van complicaties en de totale kosten worden vergeleken met de standaardzorg, dus de fysieke sessie bij de kinesitherapeut, en dat voor drie groepen met meer of minder fysieke ondersteuning.

Welke medische applicaties maken deel uit van de studie? Wel, in de overeenkomst zijn criteria opgenomen waaraan de gebruikte applicatie moet voldoen. Een bedrijf dat op de lijst van applicaties die in aanmerking komen voor vergoeding opgenomen wilde worden, moest een aanvraagdossier indienen bij de Dienst voor geneeskundige verzorging van het RIZIV. Elke aanvraag zou geëvalueerd worden naar werkzaamheid en effectiviteit. Ook moesten criteria die vermeld werden in het zorgprotocol dat opgenomen werd bij de overeenkomst, vervuld worden.

Er werd geen enkel aanvraagdossier ingediend. Enkel de applicatie Move-Up werd gebruikt tijdens de looptijd van de overeenkomst.

Welke besluiten trek ik? Ik kan nog geen besluiten trekken, omdat de studie nog niet opgeleverd is. In november 2022 heeft het studieteam van het Gentse team een tussentijds rapport voorgesteld. Daar de tussentijdse analyse niet representatief is voor de hele populatie, gaf het studieteam aan dat de resultaten niet geëxtrapoleerd mogen worden en dat het wetenschappelijk niet correct is uit de onvolledige resultaten bepaalde conclusies te trekken.

Dan kom ik tot de vragen van mevrouw Gijbels over de verdere perspectieven en de laatste vraag van de heer Prévot. Volgens de overeenkomst eindigde die op 30 juni 2023. Vanuit de kinesitherapeuten en de verzekeringsinstellingen was er geen vraag om verlenging. Vanuit beMedtech werd die wel gevraagd.

Op het einde van de overeenkomst waren er 21 ziekenhuizen die de overeenkomst getekend hadden, 14 in de context van de studie en 7 sinds de start van fase 2 van de overeenkomst. 352 kinesitherapeuten hebben de opleiding voor het gebruik van de applicatie Move-Up gevolgd en konden dus terugbetaling krijgen voor de verstrekkingen onder de conventievoorwaarden. Dat is natuurlijk geen grote groep op het totale aantal kinesitherapeuten.

Voor patiënten die vanaf 1 juli 2023 met ondersteuning van een mobiele applicatie willen revalideren, kunnen de verstrekkingen uit artikel 13 van koninklijk besluit nr. 20 houdende tijdelijke maatregelen in de strijd tegen COVID-19 en ter verzekering van de continuïteit van zorg gebruikt worden.

Un groupe de travail mixte de la Commission de convention et du Conseil technique de la kinésithérapie a élaboré une proposition concernant les prestations à distance et le télémonitoring. Cette proposition permet une application assez large de la télékinésithérapie, indépendamment de la pathologie et de l’outil.

De partners in de overlegorganen hebben er dus voor geopteerd om een ruim kader te creëren, zonder zich specifiek te richten op een bepaalde doelgroep van patiënten of kinesitherapeuten. Daardoor zal de applicatie Move-Up in principe ook kunnen werken binnen dat kader, net zoals andere applicaties.

Sur la base de la note du groupe de travail mixte, le Conseil technique a poursuivi l'élaboration de la proposition de modification de la nomenclature. La note contenant la proposition définitive sera inscrite à l'ordre du jour de la prochaine réunion du Conseil technique.

Dès que la proposition aura été approuvée par le Conseil technique, elle sera soumise à la Commission de convention, qui examinera également l'aspect budgétaire de la modification de la nomenclature.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord.

Het is inderdaad jammer dat het lang geduurd heeft om deelnemers te vinden, want ik geloof wel in de digitale begeleiding van patiënten, zeker in het domein van de kinesitherapie, waar therapietrouw en dagelijks oefenen heel belangrijk zijn voor het resultaat. Ik denk dat daar echt wel winst te boeken valt.

Ik kijk uit naar de resultaten van de studie. Ik hoop dat Move-Up zal worden aanvaard. Ik denk immers dat er nog wat conservatisme in de gezondheidszorg leeft. Niet iedereen is direct gewonnen voor de digitale toepassingen en de opvolging op afstand, maar ik denk echt wel dat we daarop moeten inzetten. Ik ben ook blij dat het regeerakkoord daaraan uitgebreid aandacht geeft. Ik kijk uit naar de uitwerking daarvan.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée. Je suis surtout content d’entendre que les résultats arriveront, ou seront en tout cas enfin disponibles au second semestre 2025. Je craignais que cette étude clinique, qui avait été financée par l’INAMI, soit tombée aux oubliettes et que nous ne puissions pas connaître la teneur de ses conclusions. Mais j’ai bien compris, avec votre réponse, que l’évaluation serait présentée au Comité de pilotage et que les résultats seraient disponibles au second semestre 2025. Je ne manquerai pas de revenir vers vous sur ce dossier comme sur d’autres.

Het supplementenverbod voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het supplementenverbod voor patiënten met verhoogde tegemoetkoming in de tandzorg dreigt de toegankelijkheid te verslechteren, vooral in gespecialiseerde disciplines zoals parodontologie, door onduidelijke regels rond transparantiecodes (170 in tandzorg vs. 9 in geneeskunde) en pseudonomenclatuur—beide bedoeld om niet-vergoede zorg te factureren, maar zonder supplementen. Minister Vandenbroucke bevestigt dat het verbod gefaseerd wordt ingevoerd (preventief eerst, rest vanaf 2026) en in overleg met beroepsverenigingen, maar erkent dat de complexe regels (o.a. verschil supplementen vs. pseudonomenclatuur) en autonome verzekeraars die transparantiecodes niet terugbetalen, patiënten benadelen. Gijbels waarschuwt voor uitsluiting van 2 miljoen rechthebbenden, met name in steden, en dringt aan op monitoring (via IMA) en tariefherziening om onbedoelde drempels tegen te gaan.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, sinds 1 januari van dit jaar geldt er een gedeeltelijk supplementenverbod voor patiënten met verhoogde tegemoetkoming. De nomenclatuur waarvoor dergelijk supplementenverbod van toepassing is, zou bovendien vanaf de zomer worden uitgebreid. Tegelijk werd er een systeem van transparantiecodes uitgewerkt, waardoor niet-terugbetaalde behandelingen in kaart zouden kunnen worden gebracht.

Voor bijvoorbeeld de tandheelkundige nomenclatuur rijzen er toch enkele problemen die de werkbaarheid in het gedrang brengen. Zo dienden er maar liefst 170 transparantiecodes te worden opgemaakt in de tandheelkunde ten opzichte van slechts 9 in de geneeskunde. Het is daarbij voor veel zorgverstrekkers allesbehalve duidelijk wat het verschil is met pseudonomenclatuur, die in het licht van het supplementenverbod zou worden uitgewerkt. Tot voor kort werden extra handelingen, extra materialen, gespecialiseerde apparatuur of extra tijd immers verrekend als een supplement op het conventietarief. Voor bepaalde disciplines, zoals de parodontologie, bestaat er maar een zeer beperkte nomenclatuur, die bovendien grotendeels ook door algemene tandartsen kan worden geattesteerd, waardoor er vaak zo goed als niets overblijft om te kunnen attesteren en om in terugbetaling te kunnen voorzien voor de patiënt. Blijkbaar betalen verschillende extra verzekeringen bovendien wél supplementen terug, maar doen ze dat niet in geval van transparantiecodes, terwijl het om dezelfde bedragen gaat en ze om dezelfde reden werden uitgeschreven. Dat alles maakt het voor patiënten met verhoogde tegemoetkoming bijzonder lastig om een parodontale behandeling met opvolgingscontroles, die vaak gespreid zijn over verschillende jaren, te ondergaan. Wij vrezen dat de nieuwe maatregelen dus drempelverhogend in plaats van drempelverlagend werken.

Wat is exact het verschil tussen pseudonomenclatuur en transparantiecodes? Klopt het dat pseudonomenclatuur moet worden ontwikkeld om patiënten met een verhoogde tegemoetkoming toch toegang te geven tot bepaalde behandelingen?

Werd er met vertegenwoordigers van elke discipline in de tandheelkunde overlegd vooraleer het supplementenverbod voor patiënten met verhoogde tegemoetkoming werd doorgevoerd? En wat was daarvan het resultaat?

Waarom werd niet eerst de bestaande nomenclatuur onderzocht en werd er geen voorafgaande analyse gemaakt van de consequenties van een supplementenverbod op het terrein?

Op welke manier wordt beoogd om de effecten van het supplementenverbod op de toegankelijkheid van de zorg te monitoren?

Is het volgens u geoorloofd dat verzekeringen die eerder wel tegemoet kwamen voor supplementen, dat niet meer doen voor de transparantiecodes?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, ter verduidelijking, het supplementenverbod voor tandheelkundige verstrekkingen treedt inderdaad in werking in twee fases. De eerste fase betreft preventieve verstrekkingen en de tweede fase de rest van de nomenclatuur. De pseudonomenclatuur is een lijst van codenummers gebruikt in de facturatie van prestaties die niet zijn opgenomen in de nomenclatuur. Dat is gedetailleerd in NomenSoft. Verstrekkingen buiten de nomenclatuur zijn geen supplementen en zij kunnen dus ook nu nog, na de inwerkingtreding van het verbod, aan alle patiënten worden aangerekend. We moeten wel een onderscheid maken tussen een supplement en iets dat buiten de nomenclatuur valt.

Wat de transparantie betreft, sinds 1 september 2023 is het verplicht om het bedrag van supplementen mee te delen in geval van terugbetaalde zorg. Sinds 1 september 2024 moeten ook bijkomende gegevens worden meegedeeld, bijvoorbeeld materiaaltechniek of instrumentarium. Dat gebeurt via 170 transparantiecodes, die zijn vastgelegd door de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen. Die lijst werd samengesteld met de vertegenwoordigers van de beroepsverenigingen en de verzekeringsinstellingen, en de bedoeling is dat hij geregeld wordt bijgewerkt.

Wat uw eerste vraag betreft, transparantiecodes vallen onder de pseudonomenclatuur. Dat is vastgelegd in een verordening. Als het gaat over verstrekkingen die niet vergoed worden in de gangbare nomenclatuur, kunnen die aan rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkomingen worden aangerekend. Let wel, dat zijn geen supplementen. Overigens bestaat naast de transparantiecodes ook nog andere pseudonomenclatuur, bijvoorbeeld in het kader van de maximumtarieven. Dat is een beetje gecompliceerd. Ik weet niet of mijn uitleg voldoende verduidelijkt hoe het ene zich tot het andere verhoudt.

Wat uw tweede vraag betreft, kan ik bevestigen dat er op verschillende momenten overleg is geweest in de Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen met de vertegenwoordigers van de beroepsorganisaties en de verzekeringsinstellingen. Het supplementenverbod wordt dus ook in overleg met die betrokkenen in twee fasen uitgevoerd. De Nationale Commissie Tandheelkundigen-Ziekenfondsen zal ook nagaan voor welke verstrekkingen de huidige tarieven niet langer volstaan en werkt aan de hervorming van de nomenclatuur.

Wat uw derde vraag betreft, het supplementenverbod is alleen van toepassing op een beperkte lijst met verstrekkingen, die ofwel geherwaardeerd zijn sinds 2022, ofwel deel uitmaken van preventieve verstrekkingen. Voor het verbod dat vanaf 1 juli 2026 van kracht zal zijn, werkt de Nationale Commissie aan een hervorming van de nomenclatuur die voor iedereen een eerlijke toegang tot tandheelkundige zorg mogelijk zal maken. Het verbod is echter wel vastgelegd en zal in werking treden.

In antwoord op uw vierde vraag kan ik meedelen dat het IMA zal werken aan een analyse inzake supplementen voor ambulante verstrekkingen die sinds 1 september 2023 meegedeeld moeten worden aan de VI’s. Daarnaast zal het met de invoering van de transparantieregels binnenkort ook mogelijk zijn om een beter zicht te krijgen op het werkelijke gebruik van tandheelkundige zorg door de bevolking en per type zorg. Het RIZIV is natuurlijk niet verantwoordelijk voor facultatieve verzekeringen. De Nationale Commissie heeft een lijst met pseudocodes vastgesteld die de niet-vergoedbare verstrekkingen buiten de nomenclatuur betreffen. Aanbieders van facultatieve verzekeringen hebben vanzelfsprekend de autonomie om zelf te beslissen of ze al dan niet tussenkomen voor verschillende niet-vergoedbare verstrekkingen.

Frieda Gijbels:

Ik ben het met u eens dat we zoveel mogelijk mensen toegang moeten geven tot die zorg. Indien er problemen zijn met de tarieven, dan moet u die aanpakken. Ik roep u op erover te waken dat we niet onbedoeld mensen uitsluiten van bepaalde zorg, wat we nu al opmerken in bepaalde disciplines van de tandzorg. Het is zeer goed dat het IMA dat zal opvolgen en analyseren, waardoor we daar binnenkort een beter zicht op hebben. Er komen immers vrij veel mensen, ongeveer 2 miljoen, in aanmerking voor het statuut van de verhoogde tegemoetkoming. In de grootsteden komen er relatief gezien meer mensen voor in aanmerking, waardoor zeker de gespecialiseerde praktijken soms in de problemen komen omdat ze een groot deel van hun patiënten geen supplementen meer mogen aanrekenen. Ik hoop dat het dossier goed zal worden opgevolgd en dat we niet het omgekeerde effect bewerkstelligen. De voorzitster : Vraag nr. 56002400C van mevrouw Gijbels wordt uitgesteld. M. Bacquelaine a demandé le report de sa question n° 56002450C qui est jointe à la question n° 56002402C de Mme Gijbels.

De toegang van gezondheidszorgbeoefenaars tot gezondheidsgegevens

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 februari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het KB over toegang tot gezondheidsgegevens vereist nu dat patiënten individuele zorgverleners moeten uitsluiten, niet hele categorieën (bv. psychologen), hoewel technisch categoriale uitsluiting mogelijk is maar nog niet geïmplementeerd. Minister Vandenbroucke bevestigt dat vanaf mei 2025 een moduleerbare toegangsmatrix komt waarmee patiënten zelf toegang per categorie (zorgverlener/gegevens) kunnen aanpassen, maar waarschuwt voor risico’s op continuïteit van zorg. De praktische uitdagingen (bv. onbekende zorgverleners in groepspraktijken) blijven, terwijl de wettelijke basis nog afhankelijk is van regeringsvorming. Kritiek op ontbrekende antwoorden op vervolgvragen door tijdsgebrek.

Frieda Gijbels:

Recent werd een KB gepubliceerd dat de toegang tot gezondheidsgegevens vorm moet geven. In de vorige legislatuur heb ik u al meermaals gevraagd naar de concrete uitwerking van de toegangsmatrix, die ook in de zitting met de heer Robben over eHealth aan bod kwam. In artikel 2 van het KB wordt vermeld dat als de patiënt bepaalde gegevens niet wil delen, hij de naam van de individuele gezondheidszorgbeoefenaar moet aangeven.

Ik heb vragen over de praktische gevolgen, omdat in de toelichting bij het KB staat: "In uitvoering van het protocolakkoord tussen de actoren bevoegd voor de gezondheids- en welzijnssector zal bijkomend in de mogelijkheid worden voorzien voor een zorggebruiker om enkel bepaalde categorieën van zorgverstrekkers toegang te laten hebben tot bepaalde categorieën van gedeelde gezondheidsgegevens."

Mijnheer de minister, klopt het dat de patiënt wanneer hij bepaalde gegevens niet wenst te delen elke gezondheidszorgbeoefenaar apart dient aan te duiden? Klopt het dat er geen mogelijkheid is voor de patiënt om een hele categorie gezondheidszorgbeoefenaars aan te duiden en uit te sluiten, bijvoorbeeld alle psychologen?

Op basis van het concept van de toegangsmatrix vermoeden we dat een dergelijke uitsluiting van een categorie technisch wel mogelijk zou zijn. Kunt u dat bevestigen?

Waarom werd ervoor gekozen om het verhinderen van een bepaalde groep of categorie gezondheidszorgbeoefenaars niet te implementeren?

Frank Vandenbroucke:

We willen een continue en hoogstaande zorg. In dat kader heeft een extramurale zorgverstrekker slechts toegang tot persoonsgegevens over de gezondheid van een zorggebruiker als aan vier voorwaarden gelijktijdig is voldaan. Ten eerste, de zorggebruiker heeft zijn akkoord gegeven tot gegevensdeling van zijn persoonsgegevens over gezondheid. Ten tweede, de zorgverstrekker heeft een zorgrelatie met de zorggebruiker. Het is uiteraard de zorggebruiker die bepaalt wie met hem of haar een zorgrelatie heeft. Ten derde, de zorggebruiker heeft de individuele zorgverstrekker niet uitgesloten van toegang tot zijn of haar persoonsgegevens over de gezondheid. Ten vierde, de zorgverstrekker heeft krachtens de toegangsmatrix toegang tot de betrokken persoonsgegevens over gezondheid.

Vandaag geldt een standaard toegangsmatrix voor elke zorggebruiker, die is vastgesteld op basis van een unanieme beslissing in het beheerscomité van het eHealthplatform, dat is goedgekeurd door het Informatieveiligheidscomité. De kolommen van de matrix geven de categorieën gegevens aan, de rijen de categorieën zorgverstrekkers en de kruisjes in de matrix de categorieën gegevens waartoe diverse categorieën zorgverstrekkers toegang hebben.

In de nabije toekomst zal, terug op basis van een unanieme beslissing in het beheerscomité van het eHealthplatform, goedgekeurd door het Informatieveiligheidscomité, elke zorggebruiker de voor hem geldende toegangsmatrix kunnen moduleren. Concreet zal de zorggebruiker in de standaardtoegangsmatrix kruisjes kunnen weglaten of toevoegen en op die wijze de toegangsmatrix personaliseren en toegang tot bepaalde categorieën van gegevens ontzeggen of bijkomend toestaan aan bepaalde categorieën van zorgverstrekkers.

De gebruiker zal er wel op gewezen worden dat het beperken van de toegang een risico kan inhouden voor een kwalitatieve en continue geïntegreerde zorgverstrekking. De inwerkingtreding van de moduleerbare toegangsmatrix veronderstelt uiteraard dat de software van elke zorgverstrekker en zorginstelling in staat is om de gegevens in te delen in de categorieën voorzien in de toegangsmatrix.

Het eHealthplatform heeft de werkzaamheden om de matrix moduleerbaar te maken opgestart en de inproductiestelling van de gebruikersinterface is voorzien in mei 2025. Het gebruik ervan moet dan nog geïmplementeerd worden door de verschillende authentieke bronnen, zoals de gezondheidskluizen. De afspraken daaromtrent zijn gemaakt in het protocolakkoord eHealth van juni 2023 en van een wettelijke basis voorzien in het voorontwerp van samenwerkingsakkoord eHealth-BelRAI. Dat voorontwerp is een tekst waarvoor ik adviezen van de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) en de Raad van State heb ontvangen. De tweede lezing is voorzien zodra alle regeringen zijn gevormd. Daarmee zijn we intussen al een eindje opgeschoten, maar nog niet 100 %, zoals u weet.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, er bestond wat bezorgdheid, vooral in het geval van groepspraktijken, waar de patiënt niet altijd elke individuele zorgverstrekker bij naam kent en niet altijd zou weten wie toegang heeft tot zijn of haar dossier.

Voor alle duidelijkheid, ik ben ook absoluut voorstander van een optimale gegevensdeling. Een goede communicatie over een patiënt kan die patiënt alleen maar ten goede komen.

Ik hoor wel graag dat er nog verder zal worden gewerkt aan een moduleerbare matrix, die ook begrijpbaar is voor de patiënt en waarbij hij zelf de touwtjes in handen kan hebben om te zien wie er toegang heeft tot wat.

La présidente : Monsieur le ministre, je vois que Mme Schlitz est arrivée. Est-il exact qu'il n'y a pas de réponses pour les questions suivantes? (Oui)

Monsieur le ministre n'a pas prévu les réponses à partir de la question figurant au point 32 de l'ordre du jour.

Frank Vandenbroucke:

Oui, je m'en excuse. Ce sera pour une autre fois. Il me semble que c'est dû à un manque de temps.

Sarah Schlitz:

Les questions sont dès lors reportées.

Patrick Prévot:

C'est également déjà arrivé la fois passée et il se trouve effectivement que, parfois, les questions peuvent être accélérées par l'absence des collègues. Dès lors, monsieur le ministre, pourriez-vous dorénavant veiller avec le cabinet à avoir les réponses à toutes les questions quand vous venez car il est vrai qu'il nous arrive de devoir attendre. Et puis, c'est un peu frustrant, pour vous comme pour nous, de se rendre compte que vous n'avez malheureusement pas les réponses du cabinet. Je vous serais reconnaissant, monsieur le ministre, si vous pouviez y veiller la prochaine fois. Merci beaucoup.

La présidente : Et avec moi, tout s'accélère! C'est bien connu.

Frank Vandenbroucke:

C'est vrai!

De nood aan bijkomende initiatieven inzake orgaandonatie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 30 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België behoort tot de wereldtop in orgaandonatie dankzij de wetgeving (presumed consent), maar kampt nog met tekorten door medische beperkingen en familieweigeringen (20% van de gevallen). Minister Vandenbroucke ziet geen dringende wetswijzigingen, maar benadrukt versterkte sensibilisering (campagnes, opleidingen zorgverleners, kindereducatie via *donorhero.be*) en het belang van actieve donorregistratie (nu 500.000 Belgen). De Knop onderstreept dat digitale registratie (sinds 2020) en blijvende aandacht cruciaal zijn om nabestaanden te ontlasten en donaties te vergemakkelijken. Kern: wet werkt, maar cultuur en communicatie moeten verder verbeteren.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, één orgaandonor kan voor tientallen mensen het verschil maken. Of het nu gaat over een harttransplantatie, een levertransplantatie, een niertransplantatie of over een kruisband, in vele gevallen kan een donor echt een verschil maken. We lazen nog over de kleuter Nox, die na zijn overlijden vijf andere mensenlevens heeft gered. Dat is enerzijds erg dramatisch, maar anderzijds natuurlijk ook heel erg mooi.

België behoort tot de wereldtop in het geval van orgaandonatie. Dat heeft waarschijnlijk heel veel te maken met de wetgeving daaromtrent. En toch, toch zijn er nog hele belangrijke tekorten en staan heel veel patiënten op de wachtlijst voor een orgaan. Dat heeft verschillende redenen. In de eerste plaats is er natuurlijk een medische reden, omdat men in een ziekenhuis moet overlijden om ook in aanmerking te komen voor orgaandonatie. Maar dan is er nog tweede reden. Hoewel onze wetgeving er niet in voorziet dat nabestaanden met donatie moeten instemmen, wordt er in vele gevallen natuurlijk wel naar hen geluisterd. Dat is heel begrijpelijk, maar heeft wel als gevolg dat in tot 20 % van de gevallen waarin de vraag gesteld wordt, de nabestaanden niet de toestemming geven.

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar het tekort aan donoren? Volstaat volgens u ons wettelijk kader? Welke andere voorstellen hebt u eventueel met betrekking tot die belangrijke en levensreddende problematiek?

Frank Vandenbroucke:

Het verhaal van de kleine Nox is inderdaad droevig, maar het heeft ook iets moois en hartverwarmends. Het is vooral een signaal dat we heel ernstig moeten nemen, vind ik.

Ik deel uw bekommernis dat we het aantal orgaandonaties zo groot mogelijk moeten maken. Wie niet uitdrukkelijk zijn of haar weigering tot orgaandotatie heeft uitgesproken, komt bij overlijden in aanmerking voor donatie, tenzij de familie zich verzet. Daarom is het natuurlijk wel goed dat mensen ook de mogelijkheid hebben om positief te zeggen dat ze donor willen zijn. Ongeveer 500.000 mensen hebben vastgelegd dat ze willen doneren. Het zou natuurlijk mooi zijn mocht die groep nog groter zijn.

Ik wil hierbij wel de kanttekening maken dat donatie hoe dan ook medisch niet zo eenvoudig is: iemand moet in gecontroleerde omstandigheden overleden zijn, in principe dus in een ziekenhuis. Bij een hersenbloeding, een ongeval met hersendood of een hartstilstand waarbij een behandeling is stopgezet, is dat meer evident. Medisch zijn er natuurlijk ook belangrijke beperkingen die uitleggen waarom we altijd wel tekorten zullen hebben.

Ik zie niet meteen een evidente wijziging in de wetgeving, in alle eerlijkheid, maar ik zie wel vele mogelijkheden tot sensibilisering. We voeren overigens permanente bewustmakingscampagnes met affiches en flyers in de gemeenten. Er zijn ook opleidingen die artsen en verpleegkundigen beter voorbereiden om met de familie van een overledene te spreken. Overigens heeft onze FOD vorig jaar ook een sensibiliseringscampagne gelanceerd voor kinderen tussen 10 en 12 jaar, waarbij op een eenvoudige, toegankelijke manier wordt uitgelegd wat transplantatie is, zodat kinderen daar ook over kunnen praten met ouders en leerkrachten. Ik kan daarvoor verwijzen naar de website donorhero.be. Ik denk dus dat we moeten nadenken hoe we de sensibilisering kunnen versterken. Ik zie niet meteen een evidente wijziging (…)

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Orgaandonatie raakt ons allemaal, omdat we er vroeg of laat mee geconfronteerd kunnen worden. Zoals u terecht stelde, kunnen mensen zich ook actief registreren om orgaandonor te worden. Campagnes en vragen zoals de mijne zijn belangrijk om de mogelijkheid onder de aandacht te brengen. Men kan door zich actief te registreren inderdaad het verschil maken en voor nabestaanden een hartverscheurende keuze vergemakkelijken. Dankzij Open Vld is het in de vorige legislatuur, in 2020, mogelijk geworden dat mensen zich makkelijker kunnen registreren. Ze kunnen dat digitaal doen, of via hun behandelende arts. We moeten dat met zijn allen blijvend onder de aandacht brengen.

Het gevaar voor dubbele financiering met het coronaherstelfonds

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Europese Rekenkamer waarschuwde voor dubbelfinancieringsrisico’s in het EU-herstelfonds (€648 mjd), met kritiek op ontbrekende transparantie en controles via erewoorden. Minister Dermagne bevestigde dat België dit risico bestrijdt met het EU-systeem ARACHNE, dat voorafgaande checks, kruiscontroles en trimestriële datadeling uitvoert, aangevuld met erewoorden. België publiceert de 100 grootste begunstigden en deelt alle gegevens met de Commissie, wat het land tot EU-voorbeeld maakte. Crucke toonde tevredenheid over het effectieve systeem.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, la Cour des comptes européenne a récemment publié un rapport qui a été relayé par la presse et qui fait référence au risque de double financement dans le budget de l'Union européenne, notamment dans le cadre du fonds de relance postpandémie. Le programme "Facilité pour la reprise et la résilience", qui est quand même doté de la somme assez agréable de 648 milliards, présenterait un certain nombre de lacunes dont celle que je viens de citer.

La Cour critique notamment les contrôles basés sur des déclarations sur l'honneur et l'absence de transparence sur les bénéficiaires finaux.

Monsieur le ministre, quelle est votre lecture de ce rapport? S'applique-t-il à la Belgique ou des précautions ont-elles été prises de manière à éviter ces lacunes? Travaille-t-on encore avec une déclaration sur l'honneur? Je pense que dans certains cas cela peut être tout à fait faisable. Je n'ai pas a priori d'opinion négative à ce sujet, même s'il est vrai que si les montants sont importants, on peut considérer qu'on a besoin d'autres pièces.

Dispose-t-on d'une liste des bénéficiaires? Pouvez-vous me la communiquer?

Des actions et contrôles spécifiques sont-ils menés par l'administration pour éviter les doublons?

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le député, oui, le risque de double financement dans le cadre de la Facilité pour la reprise et la résilience (RRF) a été identifié dès l'élaboration du plan. Pour y répondre, la Belgique utilise l'outil ARACHNE développé par la Commission européenne. Un mécanisme spécifique a été instauré pour garantir la coordination interfédérale et la vérification croisée. Les données des bénéficiaires finaux sont transmises trimestriellement à ARACHNE, où elles sont analysée par le SPF BOSA. En cas de risque de double financement détecté, des mesures correctives comme la comptabilité analytique sont prises ou des prorata entre fonds sont établis.

Avant même l'octroi des subsides, un contrôle préventif par ARACHNE est réalisé. Les déclarations sur l'honneur sont en effet utilisées en Belgique, mais elles ne représentent qu'un complément à des outils plus robustes comme ARACHNE. En Belgique, la Commission a un accès direct aux données des bénéficiaires finaux via, à nouveau, cette plateforme ARACHNE.

Par ailleurs, notre pays publie sur le portail Next Gen Belgium les données des 100 bénéficiaires finaux ayant reçu les montants les plus élevés dans le cadre du RRF. Toutes les entités belges doivent transmettre les données des bénéficiaires finaux à ARACHNE, permettant de détecter tout chevauchement avec d'autres fonds européens tout au long de la vie des projets.

Le dispositif belge de contrôle a été reconnu par la Commission européenne. En témoigne la récente invitation lancée par celle-ci au SPF BOSA à présenter ce système lors d'une réunion technique regroupant les autorités d'audit européennes. C'est donc bien la preuve que, pour la Commission, le système développé en Belgique est efficace, qu'il a fait ses preuves et qu'il a permis d'éviter des doubles subventionnements, puisque ce dispositif est mis en avant par la Commission. De cette manière, il est suggéré aux autres É tats membres d'installer un système tel que celui-ci.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète et précise. Je ne peux que me réjouir que nous servions de modèle. Je ne connaissais pas le processus ARACHNE, mais j’imagine bien qu’il évitera l'éruption de doubles financements. Il porte donc bien son nom. Tant mieux si cela fonctionne.

Het hartpatiëntje Daisy

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De MDR-verordening veroorzaakt kritieke tekorten aan medische hulpmiddelen, vooral voor zeldzame kinderbehandelingen, zoals bij het overleden meisje Daisy, waarvan een levensreddend koppelstuk in België ontbrak maar wel in Nederland beschikbaar was. Minister Vandenbroucke wijst op Europese maatregelen (verlengde overgangsperiodes, derogaties, een *orphan devices*-gids en pilootprojecten) en bevestigt contact met Daisy’s ouders/arts, maar Sneppe betwist de effectiviteit, noemt het gebrek aan actie "een schande" en eist concrete oplossingen voor grensoverschrijdende beschikbaarheidsverschillen. Kernpunt: systeemfalen door trage certificering, economische fabrikantskeuzes en onvoldoende Europese coördinatie, terwijl nationale derogaties (zoals voor Daisy’s katheter) slechts beperkte oplossingen bieden.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de tragische zaak van Daisy, een hartpatiëntje, bracht vorig jaar de gevolgen van de invoering van de Europese verordening inzake medische hulpmiddelen (MDR) onder de schijnwerpers. Het tekort aan het specifieke medische hulpmiddel dat nodig was voor haar behandeling werd gelinkt aan vertragingen bij de certificering van medische hulpmiddelen onder de nieuwe regelgeving. De situatie illustreerde de bredere impact van de MDR, waaronder moeilijkheden om toegang te krijgen tot kritieke hulpmiddelen, vooral voor zeldzame of pediatrische behandelingen.

Toen ik u ongeveer een jaar geleden daarover een vraag stelde, zei u dat u het dossier van dichtbij zou opvolgen. U zou de nodige informatie opvragen en contact leggen met de behandelende geneesheer. Wat is daarvan ondertussen in huis gekomen?

Hebt u contact gehad met de ouders van Daisy?

Hebt u contact gehad met de behandelende geneesheer?

Welke concrete stappen zijn uit beide contacten gegroeid?

Welke stappen zult u op Europees niveau nog verder ondernemen?

Frank Vandenbroucke:

De Europese verordening inzake medische hulmiddelen stelt hogere eisen op het vlak van de kwaliteit en de veiligheid, met de bedoeling de gezondheid van de patiënten en de gebruikers te waarborgen.

Ik ben op de hoogte van de tekorten en de risico's op tekorten van bepaalde medische hulpmiddelen op de Europese markt. Die zijn niet enkel te wijten aan de strengere eisen die de verordening aan de verschillende actoren oplegt. Er zijn meerdere mogelijke oorzaken, bijvoorbeeld het tekort aan bepaalde grondstoffen, een toename van de vraag als gevolg van een tekort aan een geneesmiddel, en politieke crisissen.

Ik ben me er ook van bewust dat de fabrikant in bepaalde omstandigheden om economische redenen, los van het regelgevende kader, beslist hulpmiddelen niet langer te produceren.

Nu zijn er inzake medische hulpmiddelen al heel wat maatregelen genomen om tekorten te voorkomen of tegen te gaan, onder andere de verordening 2023/607, die door het verlengen van de overgangsperiode meer tijd geeft aan de fabrikanten om het hulpmiddel in overeenstemming te brengen met de eisen van de nieuwe Europese verordening, en aan de aangemelde instanties om de dossiers te evalueren.

Op Europees niveau is er bijvoorbeeld een werkgroep samengesteld die werkt aan een specifiek kader voor de zogenoemde orphan devices , om op die manier oplossingen te kunnen bieden bij nichedomeinen als pediatrie, die per definitie zeer zelden worden gebruikt.

In juni 2024 is een eerste gids verschenen die moet helpen bij het certificeren van dergelijke hulpmiddelen. De hogere vereisten die de MDR stelt op het vlak van klinisch onderzoek en klinisch bewijs zijn voor orphan devices een enorme uitdaging, precies omdat die hulpmiddelen jaarlijks slechts voor een kleine hoeveelheid patiënten worden gebruikt.

Specifiek op dat punt kan de gids de fabrikanten ondersteunen om de vereiste minimale data te verkrijgen.

Er loopt ook een pilootprogramma waarbij de fabrikanten van orphan devices advies kunnen vragen over het statuut van hun hulpmiddelen en de benodigde data voor de klinische evaluatie aan de expertpanels. Die vorm van advies aan de fabrikanten kan, zeker voor kleine en middelgrote ondernemingen, een belangrijk instrument zijn om innovatie en toegankelijkheid tot medische hulpmiddelen te bevorderen.

De MDR voorziet ook in de mogelijkheid voor bevoegde autoriteiten om af te wijken van de conformiteitsbeoordelingsprocedure, wanneer het gebruik van een bepaald hulpmiddel in het belang van de volksgezondheid of de veiligheid of gezondheid van patiënten is. Op die manier kan een bevoegde autoriteit toestaan dat een hulpmiddel zonder CE-markering in bepaalde gevallen toch nationaal kan worden gebruikt.

Er worden twee procedures onderscheiden: een derogatie of een afwijking voor een specifieke patiënt, de zogenaamde compassionate use -procedure, en een nationale derogatie voor een bepaald hulpmiddel. Beide procedures worden door het FAGG geregeld toegepast, ook voor pediatrische hulpmiddelen.

Vanaf 10 januari 2025 zijn fabrikanten ook verplicht om de bevoegde autoriteiten en de actoren in de toeleveringsketen op de hoogte te brengen in het geval van onderbrekingen of stopzettingen van de levering van medische hulpmiddelen, wanneer dat zou kunnen leiden tot ernstige schade of een risico op ernstige schade. Op die manier kunnen zowel de autoriteiten als de zorginstellingen sneller anticiperen en, indien nodig, risicobeperkende maatregelen nemen.

Er zijn ook verschillende projecten die door de Europese Commissie mee worden gefinancierd onder het EU4Health-programma. Zo is er het DeCODe-consortium, dat in september 2024 zijn startvergadering in Brussel had. Het doel daarvan is het katalyseren van innovatie en tegemoetkomen aan de unieke zorgbehoefte van mensen die leven met een zeldzame ziekte, in het bijzonder kinderen. De samenwerkingsgroep, bestaande uit clinici, onderzoekers, experts uit industrie en regelgevende instanties, zal een platform creëren voor de ontwikkeling van veilige en effectieve medisch hulpmiddelen voor kinderen.

Er zijn contacten geweest met de ouders van Daisy en de behandelende arts. Het FAGG heeft mij bevestigd dat het nadien de toegekende derogatie heeft aangepast, teneinde tegemoet te komen aan de vraag van de behandelende arts en andere pediatrische cardiologen in het algemeen. Het ging om de schrapping bij derogatie van een Z6-atrioseptostomiekatheder, op voorwaarde dat die alleen mocht gebruikt worden wanneer een Z5-atrioseptostomiekatheder niet beschikbaar was.

Welke concrete stappen zijn daaruit gegroeid? Op Europees vlak zijn al verschillende stappen gezet om meer ondersteuning te kunnen bieden aan fabrikanten van orphan devices om op die manier de beschikbaarheid van dergelijke hulpmiddelen op de Belgische en Europese markt te waarborgen. Het FAGG werkt als actief lid mee in die werkgroepen.

Daarnaast zijn er al verschillende nationale derogaties verleend voor pediatrische hulpmiddelen om daarmee de veiligheid en de gezondheid van de betrokken patiënten te beschermen.

U vraagt welke stappen ik op Europees niveau nog zal zetten. Het is mijn bedoeling dat in de Europese werkgroep voor orphan devices de ervaringen met betrekking tot de toepassing van de MDCG 2024-10-gids en het proefprogramma worden geëvalueerd.

Het proefprogramma betreffende het raadplegen van de expertpanels heeft als doel tekorten van medische hulpmiddelen specifiek voor pediatrische patiënten, te voorkomen. Er zullen zowel aanvragen van fabrikanten als van aangemelde instanties worden behandeld. De testfase zal lopen tot eind 2025 en tot dan zullen daarvoor geen kosten worden aangerekend.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, u had mij uw toelichting over de problemen met medische hulpmiddelen en de verordening ter zake kunnen besparen, want die zijn me bekend.

U antwoordt dat u contact had met de ouders van Daisy. Wat bedoelt u daarmee? Ik had immers wel contact met de ouders en zij beweren dat u onvoldoende tot niets hebt gedaan. U was onvoldoende bekommerd, vertoonde onvoldoende daadkracht en zette onvoldoende concrete stappen.

Ik heb in de commissie regelmatig vragen gesteld over tekorten van geneesmiddelen, maar ook bij de medische hulpmiddelen zijn er tekorten. Soms zijn er daarvoor verzachtende omstandigheden, maar in dit geval ging het om een levensnoodzakelijk koppelstuk dat in ons land niet voorhanden was, maar wel in Nederland. Het ging dus niet om een gebrek aan grondstoffen of een stilstand in de productie bijvoorbeeld.

Ondertussen is dat meisje van drie jaar overleden, net omdat een dergelijk koppelstuk niet voorhanden was. U gaat er nogal licht over en u bent het gewoon om de vraag te verzuipen in heel wat informatie die we misschien wel moeten hebben; maar die niet ter zake doet. Als wij een vraag stellen, hebben we meestal wel al wat achtergrondinformatie.

De kernvraag blijft hoe we we de tekorten wegwerken. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat het medisch hulpmiddel in Nederland wel beschikbaar was, maar in België niet? Dat moet u me bij een volgende vraag nog eens deftig uitleggen, zonder rond de pot te draaien. Mijnheer de minister, het is een regelrechte schande voor een land zoals België dat we met dergelijke problemen kampen. De situatie kost levens, want ondertussen is dat meisje gestorven.

Voorzitter:

De samengevoegde vragen nrs. 56001069C en 56001793C van mevrouw Eggermont en mevrouw Gijbels zijn uitgesteld.

Agressie tegen artsen

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 29 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De toenemende agressie tegen zorgverleners (694 meldingen in 2024, vooral huisartsen) blijft onvoldoende in kaart gebracht door lage meldingsbereidheid (gebrek aan opvolging, werkdruk) en ontbrekende waarschuwingsystemen, terwijl zorgverleners in onveilige omstandigheden moeten werken (bv. thuiszorg zonder risico-informatie). Minister Vandenbroucke wijst op lopende initiatieven zoals het wederzijds-respectkader (advies Federale Commissie patiëntenrechten in jan. 2025), psychologische ondersteuning via de Orde der Artsen (agressieformulier, hulplijn) en onderzoek door Vias Institute, maar erkent dat structurele oplossingen ontbreken. Bury benadrukt de urgentie van concrete maatregelen (bv. waarschuwingsplatforms, betere samenwerking met politie) en nodigt de minister uit voor de Europese Dag Slachtoffers Zinloos Geweld (22/02/2025) om met de sector actiepunten te ontwikkelen, aangezien aangifte alleen onvoldoende is. De focus ligt op preventie, bescherming en systeemverandering in plaats van reactieve benaderingen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, recente cijfers tonen een verontrustende trend aan, namelijk dat het aantal incidenten van verbale, fysieke en psychologische agressie tegen zorgverstrekkers blijft toenemen, ook al werden er sinds de tragische moord op huisarts Patrik Roelandt in 2015 al belangrijke stappen gezet. Zo werd er een meldpunt opgericht. Dat meldpunt registreerde tot en met augustus 2024 al 694 meldingen. Huisartsen worden het vaakst getroffen, maar ook ziekenhuisspecialisten, niet-ziekenhuisspecialisten en studenten. De locaties variëren, maar het belangrijkste blijft dat die meldingen wellicht slechts het topje van de ijsberg zijn. Immers, wie rapporteert dat telkens?

Ik kreeg intussen ook cijfers over de agressie tegenover apothekers en die vielen eigenlijk best mee. Maar de sector meldt zelf dat er al lang geen aangifte meer gedaan wordt, omdat er toch niets gebeurt met de klachten en omdat men, indien men bij elke verbale agressie een klacht zou indienen, niet meer aan werken zou toekomen.

Hoe evalueert u de maatregelen om agressie tegen artsen en andere zorgverleners te voorkomen, zoals het meldpunt en de politieaangiften?

Bent u van plan om extra initiatieven te nemen om artsen te beschermen? Werden er samenwerkingen opgezet tussen uw departement, de Orde der artsen en andere zorgverleners om gerichte acties tegen agressie te ontwikkelen?

Welke stappen worden er ondernomen om de meldingsbereidheid van zorgverleners te verhogen, zodat het probleem veel beter in kaart kan worden gebracht?

Frank Vandenbroucke:

In de gezondheidssector worden de professionals inderdaad geregeld geconfronteerd met gewelddadig of als vijandig ervaren gedrag van patiënten. Tegelijk moeten patiënten ook omgaan met gedrag van zorgverleners dat zij soms potentieel als agressief beschouwen. Vanuit die vaststelling werd bij de recente actualisering van de wet op de patiëntenrechten het concept van wederzijds respect en samenwerking geïntroduceerd. In dat kader heeft de Federale Commissie rechten van de patiënt van mij de opdracht gekregen mij een advies te bezorgen over de interpretatie van het concept wederzijds respect in de zorgrelatie tussen patiënten en zorgprofessionals.

Mijn vragen waren onder meer de volgende. Welke essentiële aandachtspunten achten patiënten en zorgverleners noodzakelijk bij de definiëring van het concept wederzijds respect? Welke initiatieven kunnen worden genomen om die definitie concreet gestalte te geven? Wat het wederzijds respect betreft, op welke manier kan de zorgrelatie, rekening houdend met de voorgestelde initiatieven, tegemoetkomen aan de verwachtingen en doelstellingen van zowel de patiënt als de zorgverlener?

De commissie legt momenteel de laatste hand aan haar aanbevelingen. Die zullen worden besproken tijdens haar volgende plenaire vergadering, gepland in januari 2025, en zullen mij na afloop worden overhandigd. Uiteraard zal ik u op de hoogte brengen van haar conclusies en zal ik zeker rekening houden met de aanbevelingen.

Ter informatie, aangezien dat niet rechtstreeks onder mijn bevoegdheid valt, het Vias institute heeft in 2022 een rapport ingediend met medewerking van de FOD Volksgezondheid over geweld en agressie tegen werknemers met een publieke functie. Het was een cartografie van geweld tegen ambulanciers, brandweerlieden en werknemers van spoeddiensten. In navolging van dat rapport heeft Vias de Federale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen benaderd met de vraag om deel te nemen aan een meer diepgaand onderzoek. De resultaten daarvan worden nu nader bekeken.

Tot slot, de Orde der artsen heeft via artsinnood.be een vertrouwensplatform opgezet voor psychologische ondersteuning van artsen door collega-artsen, en een agressieformulier uitgewerkt: het Ordomedic Aggression Form, vergezeld van een telefoonnummer waar artsen in moeilijkheden, bijvoorbeeld na een agressie, terechtkunnen.

Ik hoop dat die initiatieven kunnen bijdragen aan de invoering van instrumenten om met conflictsituaties om te gaan, die niet alleen de kwaliteit van het werk aantasten, maar ook zeer veel leed veroorzaken in de beroepsgroep en daardoor eigenlijk ook bij patiënten.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Ik kijk uit naar de aanbevelingen die u zult krijgen. Het is van belang te onderstrepen dat er ter zake echt een probleem is. Wat de aangiftecijfers ook mogen zijn, ze zijn het topje van de ijsberg. Mijn collega en ik krijgen verschillende mails van thuisverpleegkundigen waarin ze klagen dat ze niet weten of een patiënt waar ze heen moeten, gevaarlijk is en dat andere collega's er om die reden niet heen willen. Zij weten niet of hij een mes onder zijn kussen heeft liggen en evenmin of hij hen zal aanvallen. Kortom, er is geen systeem waarmee ze elkaar kunnen waarschuwen. De sector vraagt dringend een andere aanpak. Aan sommige spoeddiensten van ziekenhuizen staan zelfs bewakingsagenten opgesteld. Natuurlijk is dat toe te juichen, maar het toont wel aan dat men alsmaar agressiever wordt.

Ik raad u aan dat u of een van uw medewerkers een kijkje komt nemen op de Europese Dag Slachtoffers Zinloos Geweld op 22 februari 2025. De volledige zaterdag zitten wij samen met mensen uit de zorgsector om te reflecteren over wat beter kan en over de manier waarop we daarmee samen aan de slag kunnen gaan. Enkel maar aangifte doen, biedt immers geen oplossing.

Voorzitter:

La question n° 56001360C de Mme Caroline Désir est reportée.

Het door de Amerikaanse gezondheidsautoriteiten aangekondigde verbod op erytrosine

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

David Clarinval (Minister van Middenstand, Zelfstandigen, KMO's, Landbouw en Institutionele Hervormingen)

op 28 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De EU beperkt E127 (érythrosine) strikt tot cerises confites, conserven voor cocktails en bigarreaux in sirop, maar verbiedt directe verkoop aan consumenten, terwijl de VS het additief volledig verboden hebben na kankerstudies bij ratten. Volgens de EFSA (2011) en WHO (2018) is de huidige blootstelling veilig en niet-genotoxisch, met een dagelijkse limiet van 0,1 mg/kg die niet overschreden wordt, ondanks het inconsistente verbod in cosmetica sinds 1990. Het hormonale kankermechanisme bij ratten is niet op mensen toepasbaar, aldus de autoriteiten, en farmaceutisch gebruik (bv. paracétamol) valt buiten EU-voedselregels. Er zijn geen recente EU-debatten geweest om het additief volledig te bannen.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, le 15 janvier dernier, les autorités américaines ont annoncé l'interdiction de l'érythrosine, présente dans près de 3 000 produits commercialisés outre-Atlantique.

Il s'agit d'une véritable victoire pour les associations de consommateurs comme Consumer Reports car ce sont elles qui avaient déposé en 2022 une requête auprès de l'Agence américaine de contrôle alimentaire et pharmaceutique (FDA). Leur objectif est atteint: bannir cet additif déjà interdit depuis 1990 dans les produits cosmétiques et les traitements à caractère cutané.

Mieux connu chez nous sous l'appellation "E127", ce colorant était jusqu'à aujourd'hui encore utilisé pour donner un ton rouge vif aux denrées alimentaires et aux médicaments. Dans l'Union européenne (UE), l'utilisation de l'érythrosine est extrêmement restreinte et contrôlée.

Par ma question, vu sous retour sur le devant de la scène, je souhaitais revenir sur ce qu'il reste de sa présence au sein de l'Union européenne.

Monsieur le ministre, en me documentant sur l'additif E127, j'apprends qu'il est encore utilisé dans les cerises en conserve et pour cocktail (pour ce qui est des denrées alimentaires) et surtout encore utilisé pour rougir les gélules de paracétamol (pour ce qui est du volet pharmaceutique): pouvez-vous confirmer mes dires? Le retrouve-t-on encore aujourd'hui sur d'autres produits outre ceux que j'ai pu citer?

Toujours dans ma documentation, j'ai pu relever l'ironie de certains experts scientifiques qui pointaient du doigt le décalage incohérent qui existait depuis 1990: il était interdit d'étaler l'érythrosine sur sa peau, mais toujours autorisé à l'ingérer. Comment la présence de cet additif se justifie-t-elle encore aujourd'hui dans les cerises en conserve et pour cocktail ainsi que dans des médicaments? Comment l'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA) explique ce régime d'exception?

Par ailleurs, ce régime d'exception a-t-il fait l'objet de débats au niveau européen au cours de cette dernière législature afin de le bannir complètement de tous les produits susceptibles d'être ingérés par les consommatrices et consommateurs?

David Clarinval:

Monsieur Prévot, l'autorisation comme additif alimentaire n'est possible que pour les conserves de cerises pour cocktail, les cerises confites et les bigarreaux en sirop pour cocktail, selon le règlement de la Commission européenne. Ce colorant ne peut être vendu directement au consommateur.

L'Autorité européenne de sécurité des aliments (EFSA) a réévalué l'érythrosine en 2011. Dans son avis, il a été conclu qu'aucun problème de sécurité ne se posait sur le plan de l'exposition, y compris pour d'autres sources d'exposition – par exemple, les dentifrices ou les produits pharmaceutiques. La dose journalière acceptable de 0,1 mg/kg a été confirmée et n'a pas été dépassée sur la base des données d'exposition. Il n'y a donc aucune raison de modifier ou de retirer les autorisations comme additif alimentaire, qui sont déjà limitées.

L'EFSA était déjà au courant des études sur le cancer chez les rats. Par ailleurs, elle a conclu que l'érythrosine n'est pas génotoxique. Un seuil de sécurité peut être dérivé. La conclusion est qu'il n'est pas dépassé. L'Organisation mondiale de la Santé (OMS) a abouti aux mêmes conclusions en 2018.

Comme communiqué par l'Agence américaine de contrôle alimentaire et pharmaceutique, les études à la base de l'interdiction aux États-Unis ont montré la présence d'un cancer chez des rats mâles de laboratoire exposés à des niveaux élevés de E127 en raison d'un mécanisme hormonal qui leur est propre. Ce mécanisme par lequel le colorant provoque le cancer chez les rats n'est pas transposable chez les humains. Il n'y a donc aucune raison de modifier ou de retirer les autorisations comme additif alimentaire.

Pour terminer, l'utilisation dans les produits pharmaceutiques ne relève pas de mes compétences ministérielles.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse qui se veut rassurante.

J'avais lu qu'outre-Atlantique, on avait légiféré beaucoup plus fermement. Comme les Américains ne sont pas souvent coutumiers du fait ni précurseurs en la matière, je m'étais dit que, s'ils le faisaient, c'est qu'il y avait un danger potentiel. Votre réponse relative au recours limité à ce colorant dans les cerises en conserve est évidemment de nature à me rassurer sur le plan de la sécurité alimentaire.

Voorzitter:

Monsieur le ministre, chers collègues, c'était la dernière question de cet après-midi. Il me reste à vous souhaiter une bonne fin de journée à toutes et tous. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.29 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 29.

De aanpak van het grootschalige misbruik van ziekte-uitkeringen in het buitenland

Gesteld door

lijst: N-VA Axel Ronse

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België betaalt 12.000 langdurig zieke uitkeringsgerechtigden in het buitenland (waarvan 7.000 al >4 jaar), vaak zonder controle of re-integratiepogingen, wat onrechtvaardig en onverklaarbaar is voor hardwerkende belastingbetalers. Minister Vandenbroucke benadrukt dat Europese regels dit verplichten voor EU-landen, maar erkent jarenlange controletekorten en aankomende strengere richtlijnen voor ziekenfondsen, ook voor niet-EU-landen met afspraken. Ronse blijft kritisch: vertrouwen in het systeem verdwijnt als er geen daadwerkelijke controles of re-integratie plaatsvinden, zelfs niet bij fraude, en pleit voor radicale hervorming. De kern: onhoudbare uitkeringen zonder tegenprestatie, met halve maatregelen die het probleem niet oplossen.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, als nieuw parlementslid ga ik te rade bij ervaren collega’s, zo ook bij de collega die u het hoogst inschat, Kathleen Depoorter. Ik heb in haar dossiers mogen snuffelen en ben tot de hallucinante vaststelling gekomen dat wij eigenlijk geen enkel probleem hebben in dit land omdat het blijkbaar stinkend rijk is. Dit land kan het zich namelijk permitteren om 12.000 mensen voltijds door de ziekenkas te laten betalen terwijl ze in het buitenland wonen, onder meer aan de Costa del Sol, in Pattaya en aan de Franse Rivièra. We kunnen daardoor op geen enkele manier controleren of die mensen terug aan de slag gaan, laat staan dat het ons interesseert om hen weer aan het werk te krijgen.

Mijnheer de minister, dat is toch hallucinant! Hoe krijgen we dit uitgelegd aan de fabrieksarbeider die elke dag keihard werkt en zijn centen op die manier in rook ziet opgaan? Hoe leggen we dit uit aan de zelfstandige ondernemer, de bakkers en de slagers die 80 uur per week werken en belastingen betalen? Waar gaan die belastingen naartoe? Ze gaan naar 12.000 mensen in het buitenland die al langer dan een jaar ziek zijn. Daarbij zijn er 7.000 die al meer dan vier jaar ziek zijn. Hoe slecht leven moet het wel niet zijn in het buitenland?

Mijnheer de minister, zelfs al zou er een Thaise mutualiteit bestaan en controles doen, hoe gaat u die mensen dan terug aan het werk krijgen? Zult u zelf naar de Costa del Sol of naar Pattaya gaan? Leg het ons alstublieft uit.

Frank Vandenbroucke:

Wij zijn niet alleen gelukkig een redelijk welvarend land, we hebben ook internationale verplichtingen. Wij zijn verplicht, om te beginnen door Europese wetgeving, om iemand die een uitkering heeft, bijvoorbeeld voor invaliditeit, toe te laten zich in een ander Europees land te vestigen. Die Europese verplichting bestaat al tientallen jaren, dus dat dienen wij toe te laten. Als een arbeider ziek wordt en ziek blijft en die arbeider wil tijdelijk of zelfs voor lange tijd naar een ander Europees land, dan zegt de Europese wetgeving dat wij dat moeten toelaten.

Eigenlijk moeten we dus een onderscheid maken tussen de landen. De genoemde verplichting geldt voor Europese landen, maar we hebben ook afspraken met landen buiten Europa. Daarnaast zijn er ook niet-Europese landen waarmee we geen afspraken hebben, maar daarvoor gelden in toenemende mate strikte regels. Men kan bijvoorbeeld niet zomaar verhuizen naar een land buiten Europa waarmee we geen afspraken hebben. Die afspraken houden in dat wij moeten kunnen blijven controleren of iemand effectief arbeidsongeschikt is en wij moeten uitkeringsgerechtigden ook kunnen betrekken bij ons werk van re-integratie. Aangezien wij dat moeten kunnen doen, bestaan daar afspraken over.

Dat betekent nog niet dat alles goed loopt. Ik heb inderdaad vele jaren stilstand ontdekt, tien jaar stilstand in dit domein toen ik daaraan begon. Dat heb ik onder meer opgepakt door een hervorming van het contacteren door de ziekenfondsen van mensen met een langdurige ziekte. Ik heb daar een werkgroep opgezet en er zijn een aantal afspraken gemaakt, omdat ik inderdaad vond dat de ziekenfondsen dat onvoldoende controleren en daarin onvoldoende optreden wanneer nodig. Samengevat, de werkgroep heeft nu een aantal richtlijnen afgeklopt en die zullen heel binnenkort goedgekeurd worden door het Beheerscomité. Die richtlijnen zullen de medische adviseurs van de mutualiteiten stimuleren om dat veel beter te bekijken.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, ik hoor zonet van u dat de Europese regelgeving het verplicht en dat er nauwelijks gecontroleerd wordt, laat staan opgetreden, terwijl u wel die intentie hebt. Dat is positief, want we krijgen niet meer uitgelegd aan de mensen die werken en ondernemen hoe dit land functioneert. We krijgen die mensen niet meer mee. Hoe kunnen ze immers de werking van dit land vertrouwen als ze zien dat mensen gewoon jaren aan een stuk in Pattaya en aan de Costa del Sol kunnen wonen, een ziekte-uitkering krijgen en zelfs niet eens gecontroleerd worden? Ik vraag me trouwens af op welke manier men iemand terug aan het werk kan helpen als men zou vaststellen dat een persoon die aan de Costa del Sol woont oneigenlijk ziek is. Zullen de mensen van onze ziekenkas dan werkelijk naar de Costa del Sol gaan? Ik geloof het niet. Laten we heel die boel hervormen, collega’s. Het is dringend tijd.

De crisisbestendigheid van ons gezondheidszorgsysteem

Gesteld door

lijst: MR Julie Taton

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Julie Taton kaart de zware druk op de Belgische gezondheidszorg aan door de grieppiek (69% huisartsen overbelast, toenemend burn-outpersoneel) en de dalende aantrekkingskracht van verpleegkundige beroepen, ondanks een budgetstijging van 28 naar 42 miljard (2018–nu), met een zwakke 35e plaats voor systeemresilientie wereldwijd. Minister Vandenbroucke benadrukt acute maatregelen (code oranje, maskers, vaccinatiecampagnes via het *Winterplan*) en structurele hervormingen: transparantere hospitalfinanciering, versteviging eerste lijn, en een sociaal akkoord voor zorgpersoneel met extra budgettaire middelen in de volgende legislatuur. Beide onderstrepen de nood aan betere preventie, efficiëntere organisatie en duurzame financiering, met een oproep tot samenwerking voor toekomstbestendige zorg. Taton hamert op budgettaire verantwoording en systeemvernieuwing, maar verschuift concrete actie naar het volgende kabinet.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, je ne vais pas vous emmener à la Costa del Sol. Nous allons rester en Belgique. Vous l'avez certainement lu dans la presse, le pic de grippe est bien présent et est très lourd à gérer pour nos professionnels de soins de santé. C'est lourd pour les médecins traitants et pour les hôpitaux. Du 13 au 19 janvier, 69 % des médecins généralistes ont déclaré ressentir une charge de travail très élevée en raison des consultations pour des infections respiratoires. On est passé, en une semaine, de 59 % à 69 %. On sait aussi que le nombre de burn-out du personnel soignant ne cesse d'augmenter. On sait en outre que dans notre pays, l'attractivité de la profession laisse à désirer. On pense naturellement aux infirmières et aux infirmiers.

Ce problème n'est pas uniquement lié à la Belgique. Il existe aussi dans d'autres pays, mais nous allons revenir à notre petit pays. Vu la situation, des mesures s'imposent. Nous avons pourtant un bon système de soins de santé. Il est reconnu en Belgique comme un des meilleurs. Pourtant, une analyse est sortie, dans laquelle la Belgique est classée 35 e sur 108 pays analysés en matière de résilience.

Après avoir pris connaissance de ces études, plusieurs professionnels ont réagi et ont proposé différentes recommandations: une meilleure prévention des infections, un plus grand soutien au personnel soignant et une réforme du financement des soins de santé.

Monsieur le ministre, quel bilan tirez-vous de ce qui a été fait pour améliorer la résilience de nos soins de santé? En considérant le travail que vous avez déjà réalisé et, bien sûr, la période d'affaires courantes dans laquelle nous sommes, qu'envisagez-vous de faire concernant le budget des soins de santé qui a fortement augmenté dans notre pays? Nous sommes passés de 28 milliards en 2018 à 42 milliards aujourd'hui. Que pouvez-vous faire pour rendre notre système de soins de santé plus résilient?

Frank Vandenbroucke:

Madame Taton, d'un côté, nous devons essayer de gérer une telle épidémie de grippe saisonnière de façon efficace. C'est ce que nous essayons de faire via le Plan hivernal Infections respiratoires, qui fonctionne sur la base de niveaux d'alerte. Nous sommes récemment passés au code orange et avons informé les hôpitaux, les médecins de première ligne et les pharmaciens que des mesures de précaution supplémentaires étaient nécessaires, comme le port du masque dans les hôpitaux, la sensibilisation du personnel soignant à la vaccination, etc. Il reste indispensable d'organiser la prévention et les mesures d'hygiène pour lutter contre une telle grippe saisonnière.

De l'autre côté, vous avez raison, la résilience de notre système de santé requiert des investissements conséquents. C'est la raison pour laquelle je plaide pour continuer à investir dans les soins de santé tout en réformant. Il faut réformer les hôpitaux, rendre le système financier plus robuste, plus transparent et moins vulnérable à des chocs comme celui causé par une épidémie. Il faut réformer la première ligne, les postes de garde et aider les médecins généralistes à bien organiser ceux-ci.

Je crois aussi qu'il est important que le personnel soignant soit au cœur de nos préoccupations. Vous avez à juste titre souligné le fait qu'il y a un stress permanent dans ce genre de situations. C'est la raison pour laquelle j'espère que, lors de la législature qui vient, il y aura suffisamment de ressources budgétaires pour financer un accord social conséquent pour le personnel soignant.

Julie Taton:

Merci, monsieur le ministre, pour cette réponse. Je pense que nous sommes tous d'accord sur le fait que nous devons travailler ensemble et trouver un accord. Merci d'avoir mis en avant le fait que vous mettez l'accent sur la prévention. Comme je vous le disais, il y a eu un énorme gap financier. En 2018, on passe de 28 à 42 milliards. Cela génère inévitablement des questions et il y a également une gestion qui doit être faite. Nous devons penser à une meilleure organisation des soins de santé pour l'avenir. Nous comptons sur vous et sur le prochain gouvernement. Merci beaucoup pour votre temps, nous nous reverrons prochainement en commission.

De terugtrekking van de VS uit de WHO en de EU-strategie inzake mondiale gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 23 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verzwakking van de WHO door het vertrek van de VS onder Trump en de noodzaak van sterkere mondiale gezondheidssamenwerking. Minister Vandenbroucke benadrukt dat België en de EU de WHO blijven steunen, maar pleit voor hervormingen om haar efficiëntie te verbeteren, met nadruk op EU-WHO-samenwerking en een solidaire, grensoverschrijdende aanpak. Gatelier onderstreept de urgentie van proactieve strategieën op nationaal, Europees en mondiaal niveau, gegeven demografische groei en globalisering. Kritische reflectie over alternatieven voor VS-coördinatie en systeemverbeteringen blijft centraal.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, le 23 janvier 2020, face à la propagation d'un virus alors inconnu, les autorités de Wuhan avaient décrété le confinement total de la ville. Voici cinq ans, nous découvrions ce qu'allait être la pandémie du Covid-19, avec toutes les conséquences que nous connaissons. Cette pandémie mondiale a montré l'importance de disposer d'un système d'alerte sanitaire efficace.

Ce mardi, le président Donald Trump a signé des dizaines de décrets dont celui qui ordonne le retrait des États-Unis de l'Organisation mondiale de la Santé (OMS). Cette décision risque d'affaiblir l'action de cette organisation dans la surveillance des maladies et les réponses sanitaires globales à apporter aux épidémies auxquelles nous serons confrontés à l'avenir et qui n'ont pas de frontières.

Nous devons donc réfléchir efficacement et rapidement aux enjeux mondiaux liés au développement de nouvelles pandémies et aux réponses à apporter pour défendre ensemble la santé publique.

Monsieur le ministre, quel rôle l'Union européenne peut-elle jouer pour renforcer la collaboration mondiale en matière de surveillance des maladies et de gestion des épidémies? Quel rôle la Belgique peut-elle jouer au sein de l'Union européenne en la matière? Une réflexion est-elle menée au sein de l'OMS pour voir comment gérer les conséquences de la sortie des é tats-Unis au niveau du système d'alerte mondial et de la coopération internationale? Quelles solutions alternatives sont-elles envisagées pour assurer une certaine coordination avec les États-Unis en cas de pandémie? Des réformes sont-elles envisagées au sein de l'OMS pour répondre à certaines critiques formulées par les États-Unis? La Belgique et l'Union européenne ont-elles des propositions visant à améliorer le fonctionnement de cette organisation?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Gatelier, vous avez absolument raison. Le monde d'aujourd'hui nécessite la solidarité et la coopération. Les virus ne s'arrêtent pas aux frontières. Nous ne pouvons être durablement en bonne santé que si tout le monde l'est. Donc, nous regrettons profondément la décision du président Trump de quitter l'OMS. C'est une vraie rupture de contrat et une mauvaise décision à terme pour la santé des Américains. La Belgique, avec l'Union européenne, doit continuer de s'investir dans l'OMS. Elle ne doit pas le faire en l'absence d'esprit critique. Vous avez ainsi invoqué des réformes nécessaires. Nous discutons au sein de toutes les instances où nous siégeons, via l'Union européenne ou, bilatéralement, avec tous les responsables de l'OMS de la façon dont celle-ci aborde ses projets. En tout cas, elle constitue à nos yeux un soutien indispensable à l'organisation de la solidarité nécessaire.

Pendant la présidence belge, nous avons aussi insisté sur le fait que l'Union européenne devait coopérer avec l'OMS, d'abord à sa propre échelle, mais aussi au plan mondial, et qu'une vraie entente entre l'OMS et l'Union européenne était la voie à suivre. Je crois que cela a été entendu. Vous savez également que nous avons insisté sur la nécessité de maintenir la santé publique très haut dans l'agenda de l'Union européenne. Les exemples que vous avez mentionnés relativement à des épidémies récentes et à d'autres problèmes montrent en effet que ces questions restent d'actualité.

En conclusion, nous continuons de soutenir l'OMS et à plaider, à l'échelle européenne, pour une entente étroite entre l'Union européenne et l'OMS. Et nous estimons évidemment que celle-ci doit être une organisation efficace qui doit s'améliorer de manière continue.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Face à la mise à mal du système d'alerte et consécutivement au départ d'un des partenaires les plus importants de l'OMS, nous devons être proactifs sur le plan national, européen et mondial. Il nous faut également réfléchir aux stratégies à élaborer pour rester performants dans la surveillance des maladies et la gestion des épidémies auxquelles nous serons encore certainement confrontés, étant donné la croissance de la démographie mondiale, amplifiée par la mondialisation des mouvements migratoires.

Het einde van de subsidies voor stedelijke projecten voor mentaal welzijn van kinderen en jongeren

Gesteld door

lijst: Vooruit Funda Oru

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 16 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Funda Oru (Vooruit) kaart aan dat plots geschrapte subsidies voor mentale zorg bij kwetsbare jongeren in steden—ondanks eerdere investeringen in gratis psychologische hulp—een taboe versterken en preventie ondermijnen, terwijl minister Lalieux (PVDA) de blokkade door liberale collega’s in de ministerraad hekelt, ondanks beschikbare middelen en dringende OCMW-oplegingen. Lalieux hoopt op herstel onder een toekomstige regering, mede door steun van formateur De Wever, maar Oru benadrukt dat de dupe nu bij jongeren ligt en belooft blijvende socialistische strijd voor toegankelijke zorg, ook in nieuwe onderhandelingen.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, ik ben blij dat u, gelet op de omstandigheden, min of meer in orde bent en dat u weer op post bent.

Collega’s, mentaal welzijn kan zwaar wegen, net als een fysieke blessure. In tegenstelling tot een fysieke blessure is mentaal lijden echter zeer vaak onzichtbaar, verborgen, en blijft het onder de radar. Dat neemt niet weg dat het dezelfde tijd, aandacht en zorg verdient als fysiek lijden. Daarom hebben we met deze regering, met Vooruit, ook immens veel geïnvesteerd in mentaal welzijn. Denk maar aan de gratis psychologische hulp voor jongeren en een minister van Volksgezondheid die keer op keer het belang van betaalbare mentale zorg benadrukt.

Maar wat als er toch een taboe heerst inzake psychologische hulp? Dat is vandaag helaas nog steeds het geval in onze grote steden bij heel wat kwetsbare jonge mensen. Formele zorg alleen volstaat dan niet en daarom is het erg belangrijk dat er alternatieve oplossingen zijn om jongeren te kunnen versterken. Dat hebben we ook gedaan met deze regering.

Vandaag las ik echter dat deze middelen aan het einde van deze regeerperiode plots werden geschrapt. Deze middelen en subsidies kwamen kwetsbare jongeren ten goede. Het gebeurde zo plots dat zelfs de organisaties niet op de hoogte waren. Mevrouw de minister, ik heb gelezen dat u verontwaardigd was, net als ik. Voor Vooruit is het essentieel dat wie zorg nodig heeft, deze zorg ook krijgt. Laat het duidelijk zijn: preventie is een sleutel tot succes, voor jongeren zelf en voor onze samenleving.

Mevrouw de minister, de organisaties en de jongeren die zij begeleiden zitten vandaag met de handen in het haar. U bent vandaag nog steeds hun aanspreekpunt. Wat kunt u voor hen betekenen in deze periode?

Karine Lalieux:

Geachte collega, tot mijn grote spijt heeft de ministerraad de derde en laatste schijf van die subsidies niet goedgekeurd. Ik ben daarover echt verontwaardigd. Sommigen vergeten de behoeften van deze generatie jongeren die een opleiding volgen of de arbeidsmarkt betreden en die al zo veel moeilijkheden hebben gekend, vaak veroorzaakt door de covidcrisis. Iedereen zou het nut van die maatregelen moeten inzien.

De betrokken OCMW's hebben me een brief bezorgd waarin ze het belang van die subsidies benadrukken. Ze hebben me gesmeekt om het project voort te zetten. De middelen daarvoor waren beschikbaar. Er was namelijk een akkoord over de subsidies voor drie jaar, maar sommigen hebben er blijkbaar geen enkel probleem mee om hun beloften niet na te komen, want tijdens de ministerraad werd het dossier door mijn liberale collega's geblokkeerd. Nogmaals, ik vind dit onbegrijpelijk.

Ik kan alleen hopen dat de toekomstige arizonaregering dit beleid opnieuw zal opnemen. Aangezien een van de brieven werd ondertekend door huidig formateur Bart De Wever zelf, heb ik hier goede hoop op.

Funda Oru:

Mevrouw de minister, wat er ook aan de basis ligt van die beslissing, die organisaties en jongeren zijn daar vandaag helaas de dupe van. Collega’s, laat het duidelijk zijn, de onderhandelingen van vandaag zijn niet eenvoudig. Juist daarom zitten wij met Vooruit aan tafel: niet omdat het gemakkelijk is, maar omdat wanneer het lastig wordt, men nood heeft aan iemand die strijdt voor zijn belangen. Dat geldt ook voor die kwetsbare jongeren in onze grote steden. Wij strijden voor ondersteuning en begeleiding. Tegelijkertijd kan ik vandaag alleen oproepen om hulp te zoeken als dat nodig is. Het is niet eenvoudig, maar elke stap vooruit is waardevol en wij, socialisten, zullen altijd aan de kant staan van de mensen die hun best doen en hulp nodig hebben, vandaag en ook in de nieuwe regering.

De bijstand van het EUAA aan België

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België ontvangt vanaf 2025-2026 EUAA-steun (66 experts + 67 tolken, volledig EU-gefincierd) om asielprocedures te versnellen, achterstanden weg te werken en opvangdruk te verlichten, met focus op Dublin-registratie, onontvankelijkheidsprocedures en flow management bij DVZ en CGVS. De EUAA levert eigen personeel, experten uit andere EU-landen en extern geworven specialisten, geselecteerd op basis van hun expertise om het gemeenschappelijk Europees asielstelsel te ondersteunen—zonder nationale bevoegdheden over te nemen. De inzet start geleidelijk vanaf maart 2025, gericht op technische en operationele harmonisatie. Fedasil, DVZ en CGVS zijn de hoofdbegunstigden.

Francesca Van Belleghem:

Mijnheer de voorzitter, ik versie naar de schriftelijk ingediende versie van mijn mondelinge vraag.

Het Asielagentschap van de Europese Unie (hierna 'EUAA' genoemd) zou vanaf 2025 operationele en technische bijstand verlenen aan België.

Hoeveel bedraagt de EUAA-bijstand?

Door wie wordt die bijstand gefinancierd?

Waar worden de middelen exact voor ingezet?

Volgens welke criteria willen de experten de asielprocedure bij ons harmoniseren?

Volgens welke criteria werden de experten van het EUAA geselecteerd? Wie zijn die experten (geanonimiseerd)?

Nicole de Moor:

Mevrouw Van Belleghem, België doet al sinds 2022 een beroep op de ondersteuning van het Europese Asielagentschap voor operationele en technische bijstand. In de afgelopen jaren bleef die ondersteuning beperkt tot Fedasil, maar vanaf 2025 zal de EUAA-bijstand voor de periode van 2025-2026 twee pijlers omvatten. Het gaat om maatregelen op het vlak van asiel, waarbij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen betrokken zijn. Verder gaat het om maatregelen op het vlak van opvang, waar Fedasil de begunstigde is.

De EUAA zal maximaal 66 experts en 67 tolken ter beschikking stellen. Het zal gaan om verschillende soorten experts, eigen EUAA-personeel, experts uit andere Europese landen, en renumerated external experts , die specifiek voor een opdracht geworven worden door het agentschap. De werving van de experts door de EUAA is volop aan de gang. Hun start in België zal geleidelijk gebeuren, waarschijnlijk vanaf maart 2025. De bedoeling is dat wij door deze ondersteuning de asielprocedure kunnen versnellen, de achterstand kunnen wegwerken en minder mensen moeten opvangen in de opvangcentra.

In concreto zullen de experts werken op de Eurodac Dublin en de registratiecapaciteit van de DVZ op de behandeling van asielaanvragen door het CGVS inzake de onontvankelijkheidsprocedure, het flow management, en de ondersteuning door tolken bij het CGVS. Deze bijstand wordt financieel volledig gedragen door het Europese agentschap, dus op het Europese budget.

De EUAA heeft als doelstelling te ondersteunen bij het realiseren van het gemeenschappelijke Europese asielstelsel en bij te dragen tot de realisatie van asielpraktijken in de verschillende Europese lidstaten. Het agentschap stelt zich dus niet in de plaats van de nationale autoriteiten, maar heeft heel wat expertise opgebouwd die nu ingezet zal worden voor de ondersteuning van ons land.

Francesca Van Belleghem:

Dank u wel voor uw antwoord.

De impact van de omzetting van vakantiedagen in ziektedagen

Gesteld door

lijst: N-VA Axel Ronse

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Dermagne bevestigt dat de nieuwe regeling—waarbij werknemers ziekte tijdens vakantie kunnen inhalen met 100% loongarantie—voortkomt uit een Europese richtlijn (nog niet geëvalueerd), maar gegevens over gebruik en omzetting in andere EU-landen ontbreken nog. Ronse betwist de maatregel, vraagt om snelle cijfers en suggereert dat België de richtlijn snel heeft ingevoerd, mogelijk zonder voldoende controle op misbruik.

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, vooreerst verwelkom ik Izilla, een Turkse studente die fotografie studeert aan de KASK in Gent. Ze woont nog maar een jaar in Vlaanderen, maar heeft een cursus Nederlands gevolgd en spreekt vloeiend Nederlands. Ze spreekt even goed Nederlands als u, minister Dermagne. Ik vind trouwens dat u ook goed Nederlands spreekt, bijna zo goed als le président .

Sinds januari 2024 kunnen werknemers die op vakantie ziek worden, bijvoorbeeld na een zwaar nachtje stappen, twee dagen buikgriep of het van de rotsen in de zee te springen zonder te kijken waar men landt en daarbij zijn been breken zoals een idioot als ik, de ziektedagen op kosten van de werkgever inhalen. Die dagen worden immers gedenkt via 100 % gewaarborgd loon.

Hebt u een idee, mijnheer de minister, hoeveel ziektedagen die tijdens de vakantie zijn ontstaan en nauwelijks gecontroleerd worden, er op die manier al opgebruikt zijn?

Bestaat zo'n regeling in andere landen? Ik heb het dan niet over communistische regimes zoals Noord-Korea en Venezuela.

Wordt die maatregel op termijn ooit geëvalueerd?

Pierre-Yves Dermagne:

Mijnheer Ronse, vooreerst wil ik u mijn beste wensen voor 2025 meegeven.

Uw vraag betreft vakantiedagen die wegens ziekte in 2024 niet voor het einde van het jaar konden worden opgenomen. 2025 is net begonnen en de betrokken administraties beschikken dus nog niet over de gegevens.

Ten tweede, de wijzigingen aan de Belgische wetgeving zijn er gekomen om die in overeenstemming te brengen met de Europese richtlijn, die van toepassing is in alle lidstaten.

Ten derde, op het ogenblik is er logischerwijs nog geen evaluatie van de maatregelen gebeurd. Een evaluatie samen met de sociale partners in een later stadium is zeker aangewezen.

Axel Ronse:

Monsieur le ministre, moi aussi je vous présente mes meilleurs vœux pour l'année 2025. Votre vœu va se réaliser au niveau régional, donc vous serez très content. Ik dank u voor uw antwoord. Ik heb nog een paar bijkomende vraagjes. Wanneer zal de administratie dan wel over gegevens beschikken? Ik vind het immers relevant om dat in kaart te brengen. Hoeveel lidstaten hebben de richtlijn al omgezet? Volgens mij zijn wij daar wel een van de snellere landen. U zult ongetwijfeld uit de teneur van mijn vraag hebben kunnen opmaken dat ik die maatregel niet zo genegen ben, maar daarover kunnen we gerust van mening verschillen.

De ontwrichting van de samenleving door drugshandel (aanpak en actie)

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drugsproblematiek en infiltratie van criminele netwerken (25.000 personen, 85% misbruik van legale structuren) in de samenleving vereist een versterkte, multidisciplinaire aanpak, aldus minister Verlinden, met focus op financiële ontwrichting (follow-the-money, 10 miljoen euro extra budget) en publiek-private samenwerking (havens, lokale besturen). Depoortere benadrukt het federale tekort aan middelen en expertise om het escalerende geweld (granaataanslagen, moorden) effectief te bestrijden, ondanks bestaande maatregelen zoals versterkte politie-eenheden en het Drugscommissariaat. Beide onderstrepen de nood aan structurele oplossingen in de lopende regeringsonderhandelingen, met prioriteit voor snellere sancties, betere informatiedeling en uitbreiding van inbeslagnames. De strijd tegen drugshandel is onlosmakelijk verbonden met georganiseerde criminaliteit (witwassen, wapenhandel) en vraagt een gecoördineerde, langetermijnstrategie.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik wil nog eens terugkomen op de opmerkelijke uitspraken van nationaal drugscommissaris Van Wymersch tijdens een VUB-debat. Daarbij waarschuwde zij ervoor dat er een parallelle samenleving kan ontstaan buiten de rechtstaat. Volgens haar zijn namelijk 25.000 personen actief in criminele organisaties en van die organisaties maakt 85 % gebruik van legale structuren, wat dus betekent dat niet enkel via schimmige handelszaken drugs worden verhandeld, maar dat ook op bestuursniveau wordt geïnfiltreerd. Die waarschuwing moeten we allemaal ter harte nemen.

De ontwrichting van de samenleving door drugsbendes moet uiteraard worden tegengegaan. Mevrouw de minister, een aantal maatregelen zijn hangende en andere werden al deels in de praktijk gebracht. Het resultaat daarvan zie ik echter nog niet helemaal.

Ten eerste, wordt de inbeslagname van de drugsgelden geïntensifieerd? Indien ja, op welke manier meent u dat te doen?

Ten tweede, worden de dekmantelzaken van drugsbendes momenteel adequaat opgespoord en ontmanteld? Door de wet betreffende de bestuurlijke handhaving hebben lokale besturen al een stevige vinger in de pap. U herinnert zich ongetwijfeld echter ook mijn kritiek uit de vorige legislatuur, namelijk dat burgemeesters met al te veel administratieve rompslomp worden geconfronteerd om op korte termijn te kunnen optreden.

Ten derde, ligt de strijd tegen de drugshandel momenteel op de onderhandelingstafel van de federale regering? Zullen ter zake bijkomende maatregelen en wetgeving worden uitgewerkt?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, de verontrustende evolutie van het fenomeen maakt dat de vorige legislatuur de aanpak ervan een permanent aandachtspunt was voor zowel politie en justitie als de beleidsmakers.

Zo werden de federale gerechtelijke politie in Antwerpen en Brussel versterkt, werd het havenbeveiligingskorps opgericht en werden verschillende arrondissementele drugsplannen goedgekeurd, teneinde de inspanningen van de veiligheidsdiensten te verbeteren en op mekaar af te stemmen. Ik verwijs naar het Stroomplan in Antwerpen, het Globaal Drugsplan in Brussel en het Politioneel Plan van de federale politie, die uiteraard allemaal bijdragen tot het bestrijden van druggerelateerd geweld. Ook de oprichting van het Nationaal Drugscommissariaat is een bewijs van de wil om verantwoordelijkheid te nemen in die strijd en in de strijd tegen drugsbendes, die niet alleen in drugs handelen, maar zich ook bezighouden met gerelateerde criminele fenomenen, zoals mensenhandel en witwas- of wapenhandel.

De strijd tegen drugsbendes is dus ook meteen een strijd tegen de georganiseerde criminaliteit als geheel. De criminele netwerken zijn sterk en alsmaar meer geïntegreerd in de structuren van de legale economie. Ze misbruiken onze legale structuren om hun criminele activiteiten uit te voeren. Geld is de enige drijfveer van die organisaties en dus is het belangrijk om maatregelen te nemen die het verdienmodel breken.

Ik herhaal dat we om dat fenomeen efficiënt aan te pakken, nood hebben aan een multidisciplinaire aanpak en een globale strategie die veel ruimer gaat dan louter handhaving. Het is niet alleen een strijd voor de politie; ook andere departementen moeten mee aan boord zijn.

We moeten daarbij ook blijven inzetten op de bestuurlijke handhaving, waarvoor we het wettelijk kader hebben uitgewerkt en op basis waarvan de lokale besturen nu een politieverordening kunnen maken om de nodige ingrepen te doen. Dat wettelijk kader werd noodzakelijk geacht, omdat men namelijk ingrijpt in het recht op handel. Er moet ook informatie gedeeld worden. We hopen de komende maanden en jaren daarvan de resultaten te zien, omdat op die manier illegale zaken kunnen worden gesloten of hun vergunningen worden opgezegd.

We moeten ook werken aan publiek-private samenwerking met havenbedrijven om de weerbaarheid van sectoren en zeker kritieke infrastructuur te verhogen. We hebben daarvoor de budgettaire aanzet gegeven. Vanaf het begrotingsjaar 2024 is er recurrent 5 miljoen euro beschikbaar voor het Drugscommissariaat. Voor vorig jaar was er een oneshotkrediet van nog eens 5 miljoen. Met dat bijkomend geld kunnen 20 concrete projecten gefinancierd worden en kunnen we het verdienmodel van de criminaliteit op basis van het follow-the-moneyprincipe van aanpakken. Het zal aan de volgende regering zijn om dat verder vorm te geven. In de onderhandelingsteksten is er alvast sprake van dat de toepassing van het follow-the-moneyprincipe absoluut verder moet worden uitgewerkt, in die zin dat investeringen in politie en justitie ook gefinancierd kunnen worden door de inbeslaggenomen gelden uit de criminele activiteiten. Dat was, is en zal een prioriteit blijven.

Ik zal, samen met de collega's rond de tafel, hard voor pleiten dat er in de domeinen Veiligheid en Binnenlandse Zaken en uiteraard ook Justitie –moet snel kunnen worden gesanctioneerd – voldoende middelen naar onze veiligheids- en inlichtingendiensten gaan om de strijd te kunnen voortzetten.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik ben het grotendeels met u eens. Ik hoop vooral dat de volgende regering met nog meer aandacht de strijd tegen de drugshandel opvoert. Zoals u terecht stelt, is de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit veeleer een federale dan een lokale bevoegdheid. Het geweld dat ermee gepaard gaat, zoals in Antwerpen en in Brussel, met onder andere granaataanslagen en moordpartijen op klaarlichte dag in de straten, overstijgt de bevoegdheden van de lokale politie, die vaak niet de middelen, de manschappen en expertise heeft om dat adequaat aan te pakken. We moeten daar oog voor hebben. U verwijst naar de versterking van de federale gerechtelijke politie en de oprichting van het havenbeveiligingskorps. Ik denk inderdaad dat de strijd tegen drugs moet bestaan uit een globale aanpak. Ik bedank u alvast voor uw aandacht daarvoor en ook voor uw inbreng wellicht in de onderhandelingen voor een nieuwe regering.

De verontrustende stijging van het aantal vaststellingen inzake drugs op Brussels Airport in 2024

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De drugssmokkel via Brussels Airport neemt toe, met een verschuiving van cocaïne in de haven naar synthetische drugs en luchtvracht (ruimbagage, postzendingen), wat wijst op aanpassingen door criminelen om detectie te ontwijken. Minister Verlinden bevestigt dat strengere controles resultaat boeken (meer inbeslagnames) en benadrukt internationale samenwerking (Benelux-werkgroep, MAOC, Europol) en gecoördineerde acties zoals het *Postkoetsproject* en gecontroleerde leveringen, maar concrete cijfers over capaciteit ontbreken. Depoortere dringt aan op verscherpte grenscontroles, betere samenwerking tussen douane/politie en een vernieuwd veiligheidsplan 2025+ voor Brussels Airport, met nadruk op eigen nationale inspanningen naast Europese initiatieven. De minister wijst op bestaande plannen maar belooft geen directe extra maatregelen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, in december 2024 maakte de Algemene Administratie van Douane en Accijnzen een verontrustende ontwikkeling bekend. Niet alleen worden er meer drugs in beslag genomen, ook het aantal nieuwe synthetische soorten drugs is sterk toegenomen. De administratie vraagt daarvoor de nodige aandacht. Men roept ook op tot een betere samenwerking tussen de luchthavenpartners, zoals douane, parket en federale politie.

Mevrouw de minister, bevestigt u de cijfers die de douane naar buiten bracht? Zijn de controlecapaciteiten verhoogd? Heeft men meer drugs in beslag genomen?

In discussies waarschuwde ik altijd voor de haven van Antwerpen, waar de cocaïne vooral werd binnengesmokkeld. Als men daar zeer sterk op inzet, verschuift de problematiek naar andere plaatsen. De criminelen zoeken de weg van de minste weerstand. Dat is nu blijkbaar de luchthaven.

Ziet u die verschuiving van de drugssmokkel ook als een probleem? Wat kunt u daaraan doen? Zullen er meer en striktere controles voor luchtvrachtzendingen komen, misschien specifiek voor landen waarvan men vermoedt dat ze drugs uitvoeren? Ik weet dat u dat ook in de haven van Antwerpen hebt gedaan. Zult u dat ook voor het luchttransport doen?

Moet de wetgeving worden aangescherpt om de nieuwe synthetische drugs beter te kunnen bestrijden?

Is de samenwerking tussen de luchthavenpartners en de autoriteiten adequaat om die nieuwe vorm van drugssmokkel tegen te gaan?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, de federale luchtvaarpolitie heeft niet als primaire opdracht om drugs op te sporen. De drugscontroles op de nationale luchthaven worden vooral door de douane uitgevoerd. Cijfers over capaciteit, gecontroleerde vrachtzendingen en inbeslagnames kan ik bijgevolg op dit moment niet aanleveren.

De sterke stijging van drugssmokkel via Brussels Airport moet in de eerste plaats worden gezien als een weerspiegeling van de groeiende inspanningen van de ordediensten en douane om de problematiek van drugshandel aan te pakken. De stijging van de inbeslagnames toont aan dat de controles werken en onze diensten erin slagen om grotere hoeveelheden drugs te onderscheppen en op te sporen. Criminele netwerken passen hun strategie ook voortdurend aan om detectie te vermijden. Zo is er een duidelijke verschuiving waarneembaar van drugsvervoer door passagiers die drugs inslikken naar het gebruik van ruimbagage als transportmiddel, net als via pakjes en andere zendingen.

Het aantal drugtransporten via luchtpost blijft eveneens toenemen. Hiervoor werd het postkoetsproject opgestart, dat gericht is op de bestrijding van drugssmokkel via postzendingen, maar ook via private koerierdiensten. De politionele samenwerking met de landen van herkomst komt voornamelijk tot uiting in de uitwisseling van informatie door onze politiediensten. Zo delen zij bij de arrestatie van een drugskoerier op Brussels Airport de nodige informatie met de autoriteiten van de betrokken landen alsook via Europol. Dat maakt het mogelijk om criminele netwerken beter op te volgen en pogingen tot smokkel te voorkomen.

Waar mogelijk werkt de politie samen met andere landen om gecontroleerde leveringen te organiseren. Dat is een effectieve methode om de toeleveringsketen van de drugshandelaren te traceren en bewijsmateriaal te verzamelen. In 2021 hebben we een gezamenlijke verklaring ondertekend met de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken van Nederland, Frankrijk, België en Spanje. Die verklaring legt de nadruk op nauwere samenwerking bij de bestrijding van drugshandel in samenwerking met landen van herkomst en doorvoerlanden, evenals op de versterking van logistieke hubs en processen. Daarnaast maakt België deel uit van het Maritime Analysis and Operations Centre (MAOC), waarin acht Europese lidstaten samenwerken, met name België, Frankrijk, Duitsland, Ierland, Italië, Spanje, Nederland en Portugal, alsook het VK. Het MAOC biedt een platform voor multilaterale samenwerking bij de bestrijding van drugssmokkel, zowel via de zee als via de lucht en ook via alternatieve transportmodi: niet containers, maar kleinere pakjes die verstopt worden in vliegtuigen of kleinere vaartuigen.

In september 2024 werd bovendien een nieuwe Benelux-werkgroep opgericht om de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit in de luchtvaartsector te versterken. Dat initiatief heeft tot doel een gecoördineerde aanpak te hanteren om criminele activiteiten, waaronder drugssmokkel, te bestrijden. De werkgroep streeft actief naar internationale partnerschappen met actoren zoals Europol, de Werelddouaneorganisatie en het MAOC.

We zetten in op een versterking van de samenwerking met luchthavenpersoneel en private partners om zogenaamde airport crime aan te pakken. Daartoe werd het veiligheidsplan 2022-2025 voor Brussels Airport opgesteld, dat inzet op de prioritaire veiligheidskwesties waarop douane, justitie, politie en andere betrokken diensten hun gezamenlijke inspanningen moeten richten.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord.

Het veiligheidsplan voor Brussels Airport, het laatste element dat u noemt, lijkt mij het belangrijkste. Het veiligheidsplan 2022-2025 loopt dit jaar echter af, maar ik hoop te mogen veronderstellen dat het herzien zal worden en dat bijkomende klemtonen gelegd worden, gezien de geschetste problematiek.

Er bestaat Europese en internationale samenwerking, maar ik denk dat ook in ons eigen land samenwerking zeer noodzakelijk is. De luchthaven van Zaventem is, net als de haven van Antwerpen en andere luchthavens, een landsgrens. Ik denk dat we strenger moeten zijn in onze grenscontroles. Ik vind dat bijkomend in grensbewaking moet worden voorzien. De samenwerking tussen douane en politie moet verder uitgebouwd worden. Ik kijk uit naar het nieuw veiligheidsplan.

Wat de cijfers betreft, had ik wel verwacht dat u vandaag niet direct in detail kon treden. Ik zal ze opvragen. Ik heb begrepen dat de cijfers afkomstig zijn van de administratie van Douane en dat ik mij daarvoor tot een andere minister moet richten. Daarvan zal ik nog werk maken.

Voorzitter:

Vraag nr. 56001623C van de heer Troosters wordt uitgesteld.

De brief van de CEO's van financiële instellingen over de leefbaarheid rond de Naamsepoort
De zorgwekkende onveiligheid in de wijk rond de Naamsepoort
Leefbaarheid en veiligheid rond de Naamsepoort

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De CEO’s van ING, Deutsche Bank en AXA waarschuwen in een brief voor de verslechterde veiligheid rond de Naamsepoort (drugs, prostitutie, agressie, hygiëne), wat medewerkers en leefbaarheid bedreigt, en dringen aan op snelle maatregelen. Minister Verlinden bevestigt verhoogde politie-inzet (meer patrouilles, samenwerking met metro- en spoorwegpolitie, lokale handhaving) en aankomende coördinatievergaderingen met burgemeesters, MIVB en preventiediensten, maar kritiek blijft dat structurele oplossingen ontbreken en de achteruitgang onverminderd doorgaat. Kernpunt: Acute veiligheidscrisis vraagt om samenhangend federale-lokale beleid, maar huidige maatregelen (zichtbaarheid, patrouilles) worden onvoldoende geacht tegen diepgewortelde problemen zoals drugscriminaliteit en verloedering.

Eva Demesmaeker:

Mevrouw de minister, "Wij zijn als CEO zo vrij u deze brief te schrijven om de aandacht te vestigen op de zorgwekkende situatie in de buurt van onze hoofdzetels aan de Naamsepoort, die de veiligheid van onze medewerkers in het gedrang brengt", zo luidt het in de brief van de CEO's van de banken ING en Deutsche Bank en verzekeringsmaatschappij AXA.

Ze richten hun schrijven aan de federale regeringsleiders, de Brusselse minister-president en de burgemeesters van Brussel en Elsene. Ze beschrijven hoe de buurt rond de Naamsepoort zienderogen achteruit gaat. Drugs, exhibitionisme, prostitutie en een verslechterde hygiëne tasten de leefbaarheid aan van wie er woont of werkt. Ze zijn ervan overtuigd dat er snel maatregelen nodig zijn om de veiligheid te vergroten in de buurt en aan het metrostation. Ze besluiten met een engagement: ze staan open om daarover te praten en oplossingen te zoeken.

U hebt die brief allicht ook ontvangen. Erkent u de problematiek?

Hebt u contact gehad met de CEO's? Zo ja, wanneer en wie was daar allemaal bij aanwezig? Zo niet, wanneer zal dat contact plaatsvinden? Kunt u een samenvatting van de gesprekken geven? Welke oplossingen werden er afgetoetst?

Hebt u al contact opgenomen met de burgemeesters van Brussel en Elsene? Erkennen zij de problemen? Welke instructies hebt u hun gegeven om de leefbaarheid van de buurt te verhogen? Welke maatregelen stellen zij voor?

Welke maatregelen zult u zelf nemen? Binnen welke termijn mogen we die verwachten?

François De Smet:

Madame la ministre, c'est une quartier bien connu des Bruxellois, la Porte de Namur, qui est en train de devenir une zone de non-droit. La presse s’est fait l’écho d’un sentiment accru d’insécurité dans et autour de la Porte de Namur: vols à la tire, présence de toxicomanes très agressifs et agressions multiples, qui sont devenus le lot quotidien de nombreux citoyens et riverains.

Rappelons que pas moins de 36 000 passants circulent à la Porte de Namur et qu'elle constitue le deuxième quartier commerçant le plus important de la Région. Elle draine aussi le personnel de trois grandes sociétés, dont le siège se situe à proximité et qui se sont exprimées par voie de courrier.

Les bourgmestres d’Ixelles et de Bruxelles-Ville travaillent actuellement avec les acteurs concernés – police fédérale et locale, services de prévention – afin de préparer un plan d’action et de riposte. Contrairement à d'autres qui estiment que la police et l'ordre ne dépendent que des communes ou de la Région bruxelloise, je sais qu'ils incombent aussi à la responsabilité fédérale, surtout lorsqu'il s'agit de drogues et de criminalité organisée.

En conséquence, madame la ministre, vos services ont-ils été associés au plan des deux bourgmestres? Des actions concrètes sont-elles envisagées à court terme en vue du renforcement des effectifs de police dans ce quartier très dense?

Avez-vous une réponse précise à apporter aux critiques formulées par les bourgmestres concernant la police des chemins de fer – qui est concernée puisqu'on parle aussi d'une station de métro – dont l’efficacité semble relative? Dans l’affirmative, une concertation sera-t-elle menée avec votre homologue de la Mobilité à cet égard?

Annelies Verlinden:

Merci, cher collègues. Le courrier des CEO d'Axa, d'ING et de la Deutsche Bank évoquant la situation problématique dans les quartiers de la Porte de Namur à Bruxelles a retenu toute mon attention.

De politiezone Brussel Hoofdstad-Elsene heeft inderdaad een stijging van het aantal klachten van bepaalde handelszaken vastgesteld. Ik kan u verzekeren dat dit een prioriteit is voor PolBru. De politiediensten hebben onmiddellijk maatregelen genomen om de aanwezigheid van de politie en ook de waakzaamheid te verhogen. Meer concreet betreft het maatregelen met betrekking tot een reorganisatie van de patrouilles. De fietspatrouilles en de reguliere patrouilles werden herschikt voor een betere dekking van de getroffen buurt. De inspanningen werden verhoogd en er werden contacten gelegd met de handelaars om hen gerust te stellen en te tonen dat we de situatie niet onderschatten.

Une deuxième mesure concerne le renforcement de la vigilance autour des stations de métro. La station de métro de la Porte de Namur et ses environs font l'objet d'une surveillance particulière. La police des chemins de fer et la police fédérale, en collaboration avec les zones de police locales bruxelloises, mènent régulièrement des actions coordonnées pour lutter contre les nuisances dans et autour des stations de métro du quartier.

De plus, la Recherche Locale de la zone de police PolBru accorde une attention accrue au quartier de la Porte de Namur, en mettant l'accent sur les problématiques liées à la drogue.

De derde maatregel is het samenbrengen van alle betrokkenen. Er wordt een vergadering voorbereid op initiatief van de burgemeesters van Brussel en Elsene. Alle betrokkenen, waaronder de lokale politie, de MIVB, de federale spoorwegpolitie bevoegd voor de metro en de preventiediensten, worden samengebracht om de genomen en de te nemen maatregelen te bespreken.

La quatrième mesure est une mobilisation continue des services de police. En attendant, les brigades de police restent pleinement mobilisées, assurant une vigilance renforcée dans la zone concernée pour garantir la sécurité et la tranquillité publiques.

Ten slotte werd ingezet op verhoogde zichtbaarheid. Zo bemande de lokale politie tijdens de eindejaarsperiode een pop-upstore in de Guldenvliesgalerij. Dat initiatief verhoogde de politiezichtbaarheid in de wijk. Dat tijdelijk aanspreekpunt beantwoordde aan een specifieke behoefte bij de buurtbewoners.

Comme vous pouvez le constater, la situation est prise au sérieux et les services de police ont mis en œuvre plusieurs initiatives afin de rétablir au mieux l’ordre et la sérénité dans ce quartier.

Eva Demesmaeker:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord.

Het is fijn dat er wordt samengewerkt. Ik hoor dat de contacten er zeker zijn. De vraag blijft natuurlijk waarom het zo achteruit gaat en of de maatregelen wel voldoende zijn om de achteruitgang tegen te gaan.

Ik vind dat de situatie in Brussel elke dag verergert. Ik besef dat jullie dit ernstig nemen, maar het zal een tendens moeten zijn: we gaan daar heel veel werk hebben en we moeten goed bekijken hoe we de situatie aanpakken. Dat zal niet eenvoudig zijn. Alleen het aantal patrouilles en de zichtbaarheid verhogen, zal niet voldoende zijn.

François De Smet:

Madame la ministre, merci pour votre réponse. À l’instar de nombreux Bruxellois, je connais bien ce quartier, que je fréquente régulièrement. Ce qui est très frappant et, à mon avis, extrêmement déprimant pour les riverains et les nombreuses personnes qui passent par là, c’est le fait que la station de métro a été rénovée récemment. Malheureusement, cet endroit est devenu un lieu où une forme de petite et de grande violence s’est rapidement développée. Il faut donc vraiment être sur le coup et faire en sorte que les acteurs concernés, les deux bourgmestres, la STIB, la police des chemins de fer et vous-même preniez le contrôle de ce quartier, qui est une vitrine essentielle pour notre Région. La rapidité avec laquelle des quartiers et des stations de métro très récemment rénovés se détériorent à cause de la délinquance – notamment à cause de la toxicomanie et des trafiquants de drogue – est objectivement inquiétante.

De evolutie van de manier waarop drugs gedeald worden in België

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 15 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de shift in drugshandel van straat- naar post- en koeriersdistributie (o.a. synthetische drugs), die traditionele politiemethodes ontwijkt. Minister Verlinden bevestigt de groei van dit fenomeen, benadrukt de samenwerking tussen douane, politie en private partners (bv. project *Postkoets* en internationale trainingen) voor detectie *en* opsporing van criminelen achter de zendingen, maar wijst niet op concrete capaciteitsverhoging. Cornillie houdt vol dat meer douaniers (naast politie) nodig zijn voor effectievere interceptie, gegeven België’s strategische positie als knooppunt voor zowel legale als illegale stromen. De minister ontwijkt een direct antwoord op zijn oproep tot herallocatie van middelen.

Hervé Cornillie:

Monsieur le président, madame la ministre, en quelques décennies, le trafic de drogue a évolué, d'une part en quantité et, d'autre part, en mode opératoire, le premier aspect étant sans doute quelque peu alimenté par la diversité de ces modes opératoires.

Le trafic de rue en surface a depuis bien longtemps laissé place à d'autres formes de trafic, notamment un trafic d'appartement par lequel un toxicomane assure une partie de sa consommation en abritant le plus discrètement possible un commerce de substances dans son logement à l'abri des regards.

De la part des forces d'ordre, cela a demandé une adaptation des méthodes d'observation, de recherche et d'interpellation, ce qu'elles ont fait bien évidemment par souci d'efficacité. Dans l'état du droit, qui n'est pas l'objet de ma question, il faut continuer le combat.

Mais, lorsqu'on prend la peine de s'intéresser à l'évolution du marché des substances psychotropes illicites, force est de constater que la distribution des drogues, notamment celles de synthèse, se fait, comme d'ailleurs d'autres pans de l'économie, par colis, échappant à ce stade à tout contrôle policier.

En fait, sans le savoir, Dédé le facteur, Mourad le livreur ou Angelo le coursier sont les dealers des temps modernes.

J'en viens ainsi à ma réflexion ou plutôt à ma question. Si l'on veut engranger des résultats nouveaux et sensibles en matière de lutte contre le trafic de drogue, ne faut-il pas progressivement recruter plus de douaniers que de policiers et, ce, pour faire face à l'évolution du mode de distribution qui passe désormais plus par les aéroports et autres centres de tri, notamment postaux? Il ne s'agit bien évidemment pas d'une remise en question du travail des policiers mais simplement de s'adapter à la réalité du terrain. Comment appréhendez-vous ce changement nécessaire avec votre collègue des Finances, qui a la tutelle sur le département qui concerne les douaniers, dans le cadre des besoins à déterminer en matière de ressources humaines? Cet investissement en ressources humaines, s'il représente un coût de fonctionnement dont je suis bien conscient, est productif dans les souhaits et la volonté politique que nous avons.

Annelies Verlinden:

Monsieur Cornillie, le trafic de drogue par voie postale constitue un mode de distribution qui a connu une croissance notable ces dernières années. Il ne s'agit pas uniquement de petits consommateurs se faisant livrer des substances à leur domicile, mais également d'organisations criminelles qui exploitent ce canal de manière systématique et organisée.

Contrairement à une perception parfois répandue, le volume du trafic de drogue par lettre ou colis ne doit pas être sous-estimé. Certes, la quantité de drogue expédiée dans une lettre ou un colis est généralement limitée. Toutefois, la fréquence élevée des envois aboutit à des volumes cumulés considérables. De nombreux petits colis de quelques kilos expédiés de manière régulière peuvent, au total, représenter plusieurs tonnes de substances illicites. Si les douanes jouent un rôle essentiel dans la détection et l'interception de ces envois, leur action ne constitue qu'une partie de la réponse nécessaire face à ce phénomène. Au-delà des saisies, un travail d'enquête approfondi est mené par les services de police afin d'identifier les expéditeurs, en particulier dans le cas des drogues de synthèse, pour lesquelles notre pays constitue avant tout un territoire exportateur, et de démanteler les organisations criminelles qui se cachent derrière ces importations et exportations.

À cet égard, le projet Postkoets que je viens de mentionner illustre une approche multidisciplinaire essentielle à cette lutte. Il favorise une coopération étroite non seulement entre les partenaires publics – police, douanes et parquets –, mais également avec des partenaires privés tels que les transporteurs et les points relais. Ces services collaborent également à la mise en place de la formation CEPOL " Drug Trafficking Methods: Mail and Postal Parcels ", qui vise à améliorer la détection des drogues introduites et la contrebande par le biais de services postaux, en vue de renforcer l'analyse des risques et les procédures d'enquête et d'accroître l'impact de la réponse des services répressifs sur les activités criminelles abusant des services postaux et de courrier.

La police et les douanes travaillent ainsi ensemble pour fournir une formation au niveau international, en coopération avec de nombreuses organisations internationales, comme UNODC, Europol, EUDA et le secteur privé.

Hervé Cornillie:

Merci, madame la ministre, de vos éléments de réponse. Bien entendu, la Belgique est idéalement située et équipée en infrastructures de tous bords pour le soutien de l'économie, c'est une évidence. Mais c'est aussi l'économie parallèle ou illicite qui fait usage des dispositions et équipements que nous avons, je pense que nous sommes d'accord sur le constat. Encore une fois – merci d'avoir évoqué ces aspects dans une autre réponse –, ce n'est pas le travail des policiers qui est en cause. Je sais que nous avons besoin d'eux pour le suivi des découvertes que l'on ferait. Je crois néanmoins sincèrement qu'un investissement plus dense dans les douaniers nous serait utile non seulement dans le cadre de la lutte contre les substances illicites mais également pour toutes les contrefaçons, même si ce n'est pas l'objet de ma question. Je crois véritablement qu'en termes de production de résultats, le fait de réinvestir dans ces fonctions majeures qui sont propres à l' É tat régalien serait productif et je vous y encourage.

De maximale druk op het gezondheidssysteem door de griepepidemie

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 9 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De sterke toename van griepsymptomen zorgt voor overbelasting in ziekenhuizen (o.a. Brussel, Luik) en bij huisartsen, wat vraagt om directe actie. Minister Vandenbroucke kondigt aan dat het alarmniveau verhoogd wordt naar oranje (RAG-besluit), met mogelijke extra maatregelen zoals maskerplicht voor risicogroepen en symptomatische patiënten, naast een dringende oproep tot vaccinatie voor kwetsbaren, ondanks het naderende grieppiek. Carmen Ramlot benadrukt dat preventie en systeemondersteuning voor zorgverleners cruciaal zijn om toekomstige epidemieën het hoofd te bieden. De focus ligt op coördinatie tussen overheid, experts en burgers om de gezondheidszorg veerkrachtig te houden.

Carmen Ramlot:

Monsieur le président, merci d'avoir accepté que je sois la roue de secours de mon collègue, qui a eu un accrochage en voiture.

Monsieur le ministre, le nombre de patients présentant des symptômes grippaux est très élevé depuis quelques semaines et cela met la pression sur les hôpitaux, tant aux urgences que pour les hospitalisations. C'est le cas dans plusieurs régions de notre pays: à Bruxelles, Liège, Libramont en province de Luxembourg.

Vu cette pression exercée sur les hôpitaux, il est conseillé aux patients de se diriger vers leur médecin généraliste, ce qui reporte la pression sur ces derniers qui effectuent de plus en plus de consultations à cause de cette épidémie de grippe qui s'ajoute aux autres pathologies.

Nous avons évidemment tiré les leçons du covid, mais je pense que nous avons un devoir d'efficacité, et de savoir répondre aux épidémies.

Monsieur le ministre, qu'allez-vous mettre en œuvre afin de faire diminuer la pression sur les médecins généralistes et les hôpitaux ainsi que sur les autres acteurs de la santé?

Les experts se réunissent cet après-midi afin de déterminer des méthodes d'action face aux épidémies. Avez-vous déjà, à ce stade, des informations à nous fournir, principalement en ce qui concerne la prévention?

Sommes-nous prêts à faire face à ces nouvelles épidémies qui vont arriver dans le futur? Avons-nous une solution adéquate et efficace à fournir à notre population?

Frank Vandenbroucke:

Il est évident que les symptômes grippaux sont en forte augmentation.

Nous pouvons heureusement travailler sur la base d'un schéma, notre plan hivernal "infections respiratoires", qui a été développé par nos experts au sein du Risk Assessment Group (RAG) et du Risk Management Group (RMG). Ce plan est basé sur des niveaux d'alerte. Cet après-midi, le Risk Assessment Group a décidé d'augmenter le niveau d'alerte de jaune à orange, ce qui veut dire qu'il faudra envisager des mesures de prévention supplémentaires.

Une réunion du Risk Management Group est en cours afin de déterminer si des mesures supplémentaires sont nécessaires. Par mesures supplémentaires, on entend par exemple une recommandation du port du masque lors des contacts entre patients et médecins, un renforcement de la recommandation du port du masque pour les personnes vulnérables qui fréquentent beaucoup de monde, le fait de dire clairement aux personnes symptomatiques qu'il faut porter un masque en public.

Je rappelle aussi que la vaccination reste extrêmement importante. Nous ne sommes pas loin du pic de la grippe et il est donc un peu tard pour se faire vacciner. Néanmoins, je crois que des personnes qui sont vulnérables et qui ne sont pas encore vaccinées doivent consulter leur médecin généraliste pour voir si une vaccination peut encore être utile. La vaccination est évidemment la protection la plus efficace contre les conséquences de la grippe.

Carmen Ramlot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je voulais profiter de cette tribune à la Chambre pour informer les citoyens de ces mesures de prévention déterminées par les experts. J’ai aussi envie de vous dire qu’il faut maintenir notre santé publique. C’est un bien précieux. Oui, les médecins et les acteurs de la santé prennent soin de nous. Mais c’est à nous, politiques, de prendre soin d’eux.

De toename van het aantal hiv-diagnoses
De toename van het aantal hiv-besmettingen in België
Wereldaidsdag
De toename van het aantal hiv-besmettingen en soa's in België
Het stijgende aantal hiv-besmettingen
De stijging van het aantal hiv-diagnoses
De stijging van het aantal hiv-diagnoses in België
De stijging van het aantal hiv-diagnoses in België
Hiv- en soa-stijging in België

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijging van hiv-diagnoses in België (13% in 2023, vooral bij homo- en heteroseksuele 30- tot 49-jarigen en 60-plussers) wijst op tekortkomingen in de huidige preventie (PrEP, condoomgebruik, testen) en bewustmakingscampagnes, ondanks bestaande maatregelen zoals het Nationaal HIV-Plan (2022) en gratis PrEP in referentiecentra. Minister Vandenbroucke bevestigt versterkte acties: uitbreiding PrEP-toegang (o.a. voor kwetsbare groepen zoals sekswerkers), gedemedicaliseerd testen op hiv/soa’s, en betere samenwerking met huisartsen, terreinorganisaties en scholen—maar huisartsen mogen PrEP nog niet standaard voorschrijven door kennisgaten. Kostenefficiëntie van preventie (vs. behandeling: €7.000–10.000/jaar per patiënt) en UNAIDS-doelstellingen (95-95-95) zijn bijna gehaald, maar niet-gediagnosticeerden (7%) en stigma blijven knelpunten. Parlementsleden dringen aan op snellere implementatie (o.a. PrEP-voorschrift via huisartsen, lagere drempels voor testen), gerichtere campagnes (ook voor heterovrouwen, migranten, jongeren) en interbestuurlijke afstemming (IMC), terwijl drugsgebruik (3% van besmettingen) en soa-stijging extra aandacht vragen. Conclusie: Meer preventie, toegankelijkheid en coördinatie zijn cruciaal om de trend te keren, met nadruk op PrEP-uitbreiding, teststrategieën en educatie.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, in 2023 werden 665 personen gediagnosticeerd met hiv. Dat is een toename met 13 % ten opzichte van 2022. Iets minder dan de helft van die nieuwe hiv-diagnoses wordt gerapporteerd bij homoseksuele mannen, voornamelijk binnen de leeftijdsgroep van 30 tot 39 jaar. Dat is een stijging met 16 % ten opzichte van 2022. De andere helft van de stijging, ongeveer 13 %, is te situeren bij heteroseksuele personen. De sterkste toename bij mannen en vrouwen doet zich voor in de leeftijdscategorie van 30 tot 49 jaar en de leeftijdscategorie 60-plus.

Prep, een preventieve behandeling tegen hiv, is mogelijk bij seronegatieve personen. We zien bij homoseksuele mannen die het middel gebruiken dat er een toename is, wat erop wijst dat er lacunes zijn in de bescherming die deze preventieve behandeling kan geven.

Ondanks die middelen is hiv een grote bron van stress. De levenskwaliteit van mensen met hiv kan beter. Het stigma blijft een belangrijk probleem. Het is nog steeds veel beter om te voorkomen dan te genezen. Bovendien mogen we ook de kostprijs van de behandeling van hiv-patiënten niet onderschatten, ook voor de ziekteverzekering.

Welke bijkomende preventieve maatregelen overweegt de overheid voor de risicogroepen die nu een toename van nieuwe hiv-diagnoses vertonen? Zijn er bewustmakingscampagnes voor zowel homoseksuele als heteroseksuele personen? Hoe worden die campagnes versterkt?

Hoe beïnvloedt de toename van hiv-diagnoses de kosten voor de ziekteverzekering? Wat is de financiële impact van de stijgende cijfers? Wat zijn de potentiële besparingen door meer focus op preventie van hiv-infecties? Hoe wordt de kosteneffectiviteit van prep geëvalueerd?

Hoe wordt er rekening gehouden met drugsgebruik als risicofactor voor hiv-besmetting in het beleid? Is er onderzoek naar de relatie tussen drugsgebruik en hiv?

Wordt er onderzocht in hoeverre mensen die prep gebruiken als preventie tegen hiv weten dat die geen bescherming biedt tegen andere soa’s? Welke maatregelen worden er genomen om de bewustwording te verhogen?

Julie Taton:

Monsieur le président, monsieur le ministre, tout d'abord, je vous souhaite une merveilleuse année.

Comme on vient de le dire, cela fait effectivement trois ans que le nombre de personnes contaminées par le VIH ne cesse d'augmenter dans notre pays. Comme on l'a dit aussi, et je tiens à le préciser, la majorité des nouvelles personnes touchées sont hétérosexuelles. Cette hausse touche autant les hommes que les femmes. L'augmentation la plus importante a été observée parmi les 30 à 49 ans ainsi que les 60 ans et plus.

Le virus continue donc de se propager malgré les préservatifs, le dépistage régulier, les traitements contre la transmission (PrEP et PEP) qui sont assez onéreux.

Sciensano voudrait faciliter la délivrance de la PrEP et renforcer la prévention et insiste aussi sur l'importance d'une éducation sexuelle et relationnelle à l'école.

Monsieur le ministre, comment évaluez-vous les mesures que vous avez pu prendre en matière de lutte contre le VIH depuis votre entrée en fonction? Qu'avez-vous pu défendre jusqu'à aujourd'hui en matière de prévention au sein de la Conférence interministérielle? Sciensano propose de diversifier la délivrance de la PrEP. Qu'en pensez-vous? Enfin, comme je vous le disais, Sciensano insiste sur l'importance d'une éducation sexuelle et relationnelle à l'école. Qu'en pensez-vous? ​

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Wereldaidsdag op 1 december is een belangrijke gelegenheid om aandacht te vragen voor de strijd tegen hiv en aids, om solidariteit te tonen met mensen die leven met hiv en om bewustwording te bevorderen. Ondanks vooruitgang in de behandeling en preventie blijft hiv wereldwijd en in België een uitdaging voor de volksgezondheid. Nieuwe infecties blijven jaarlijks voorkomen, en het blijft essentieel om te investeren in preventie, voorlichting en zorg om stigmatisering tegen te gaan en de UNAIDS-doelstellingen voor 2030 te behalen.

Graag verneem ik het volgende van de minister: ​

Er werden voor het derde jaar op rij meer nieuwe besmettingen vastgesteld. Meer testen, meer sensibiliseren en meer toegang tot prep, zijn de aanbevelingen die Sensoa doet in haar rapport. Hoe ziet u mogelijkheden om meer te testen?

De toegang tot prep kan verhoogd worden door de terugbetaling van het eerste voorschrift via de huisarts toe te laten. Bent u bereid om hierop in te zetten?

Hoe staat België tegenover de doelstellingen van UNAIDS om tegen 2030 een einde te maken aan de hiv-epidemie, en welke concrete stappen worden ondernomen om deze doelstellingen te halen?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, comme cela a été dit par mes collègues, l'institut Sciensano est inquiet. Depuis la pandémie de coronavirus, les diagnostics de VIH et d'IST ne cessent d'augmenter et 2023 ne déroge malheureusement pas à cette règle, comme il ressort du récent rapport de surveillance en la matière.

Je ne reprendrai pas les pourcentages qui viennent d'être évoqués. S'il faut prendre en compte une augmentation significative des tests de dépistage qui expliquent, en toute logique, une augmentation des diagnostics, les chiffres restent malgré tout interpellants. Ils doivent nous alerter et les pouvoirs publics ont un rôle crucial à jouer pour faire baisser ces chiffres.

Le 13 décembre 2022, je vous avais interrogé sur le sujet. Vous m'aviez indiqué que "la distribution et la mise à disposition gratuite de préservatifs dans les lieux les plus vulnérables font partie du Plan interfédéral VIH. Afin d'être à la hauteur de cet enjeu de santé publique, il semble que cette distribution et cette mise à disposition doivent dépasser les frontières des groupes cibles et des lieux vulnérables et qu'il est par ailleurs indispensable de rendre plus accessible encore la prophylaxie pré-exposition (PrEP).

Monsieur le ministre, pourrions-nous avoir votre retour sur ce nouveau constat posé par Sciensano qui démontre une nouvelle hausse des cas de VIH et d'IST? Qu'en est-il de la mise en œuvre du Plan interfédéral VIH? Celui-ci devrait-il être évalué ou réévalué? Des mesures complémentaires devraient-elles être envisagées? Enfin, comment permettre l'amélioration de la distribution et de la mise à disposition gratuite de préservatifs ainsi que l'amélioration de l'accessibilité à la PrEP?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, het aantal hiv-diagnoses neemt toe. Bovendien merken we een verandering bij de risicogroepen, namelijk meer heteroseksuele mannen en vrouwen van meer nationaliteiten. Dat is onder andere te wijten aan het verminderd condoomgebruik. Aangezien het om andere risicogroepen gaat, zijn er lacunes in de preventieve maatregelen, want men bereikt vooralsnog vooral degenen die nu al goed geïnformeerd zijn. Tevens is de drempel tot de hiv-referentiecentra voor de brede populatie hoog. Overigens zien we algemeen ook een stijging van het aantal diagnoses van andere soa's, zoals chlamydia, gonorroe en syfilis. Hoe wilt u het brede publiek sensibiliseren rond soa's in het algemeen en hiv in het bijzonder?

Hoe evalueert u het hiv-plan 2020-2026?

Welke bijkomende preventieve maatregelen overweegt u, vooral voor groepen die moeilijk bereikt worden, zoals heteroseksuele mannen en vrouwen?

In de plenaire vergadering van 7 december gaf u aan zelf geen voorstander te zijn van de mogelijkheid om het eerste gebruik van een prep te laten voorschrijven door de huisarts. Kunt u toelichten waarom u die optie afwijst? Welke maatregelen overweegt u dan om de toegankelijkheid tot prep te verbeteren?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, uit de recentste cijfers van Sciensano blijkt dat het aantal hiv-besmettingen met 13 % is gestegen in 2023, ten opzichte van 2022. Er zijn nog geen cijfers beschikbaar voor 2024. Mocht u die toch al hebben, dan is het nuttig om die te krijgen. Het betekent alvast dat er 57 nieuwe diagnoses zijn per miljoen inwoners, dat is gemiddeld 1,8 nieuwe diagnoses per dag. Er is voor het derde jaar op rij een stijging, waarmee een jarenlange dalende trend wordt beëindigd.

Het is opmerkelijk dat de besmettingen breder gaan dan de traditionele risicogroepen, zoals mannen die seks hebben met mannen, want ook in de groep heteroseksuelen is er een stijging. Hoewel we in ons land beschikken over een hiv-plan kan de dalende trend niet worden aangehouden. Het lijkt dus tijd voor een evaluatie. Ook op Vlaams niveau kan het preventiebeleid worden bijgestuurd. Het probleem van non-detectie verdient bijzondere aandacht, aangezien het aantal niet-gediagnosticeerde hiv-infecties sterk stijgt. Het aantal personen met een niet-gediagnosticeerde infectie lijkt af te nemen. Desondanks blijft dit een aandachtspunt.

Welke conclusies trekt u uit de nieuwe stijging van het aantal hiv-besmettingen? Hoe evalueert u het gebruik van prep door risicogroepen? Zijn er nog belemmeringen die ervoor zorgen dat prep onvoldoende toegankelijk is voor risicogroepen? Er is nog altijd een groep van niet-gediagnosticeerde mensen met een hiv-infectie. Hoe wilt u die groep beter bereiken? Welke inspanningen kunt u samen met de gemeenschap leveren? Moet het hiv-plan, dat tot 2026 loopt, volgens u worden aangescherpt, gelet op het stijgende aantal besmettingen?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous présente mes meilleurs vœux de santé pour l’année 2025.

Comme l’ont déjà indiqué mes collègues, une étude de Sciensano révèle que les contaminations au VIH sont en augmentation en Belgique depuis trois ans. En 2023, 665 personnes ont été diagnostiquées avec le VIH en Belgique. Cela représente une augmentation de 13 % par rapport à 2022, qui était déjà une année d’augmentation.

Les personnes HSH sont particulièrement concernées, en particulier le groupe d’âge des 30 à 39 ans. Mais aussi les personnes hétérosexuelles, en particulier chez les 30 à 49 ans et les plus de 60 ans. Chez les femmes, la moitié des nouveaux diagnostics ont été posés chez des femmes d’Afrique subsaharienne.

Monsieur le ministre, ce bilan est catastrophique. Quelles actions avez-vous pu entreprendre depuis le début de la législature pour contrer l’aggravation de cette épidémie? Suite à la publication de ces résultats en novembre dernier, quelles actions ont-elles été entreprises par le gouvernement?

Sciensano émet une série de recommandations qui s'adressent aux différents niveaux de pouvoir, comme étendre encore l’éducation à la vie sexuelle, relationnelle et affective, tant à l’école que par des actions de prévention sur le terrain; encourager l’utilisation du préservatif; optimiser l’accès aux autres outils de prévention pour les jeunes et les personnes à risque; promouvoir le dépistage du VIH et des IST chez les jeunes et les personnes à risque, en s’appuyant sur des structures à accès aisé telles que les centres de planning familial et d’autres structures de prévention; élargir l’accès à la PrEP et diversifier son modèle de délivrance afin d’atteindre efficacement un plus grand nombre de personnes à haut risque d ’ infection par le VIH.

Monsieur le ministre, une Conférence interministérielle a-t-elle été convoquée au sujet de la pandémie de VIH? Des contacts ont-ils été pris avec des associations représentant les différents groupes les plus à risque de contamination par le VIH, afin de réfléchir ensemble à des stratégies pour lutter efficacement contre la pandémie de VIH qui est en augmentation dans le pays?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, au nom des Engagés, je vous présente mes meilleurs vœux de bonne santé.

Concernant ce sujet sur lequel mes collègues ont longuement épilogué, je ne vais pas répéter ce qui a été dit. Je vais surtout insister sur le fait que nous constatons une augmentation, depuis trois années de suite, du nombre de patients diagnostiqués séropositifs au VIH en Belgique. Cela montre clairement que l'épidémie n'est plus contrôlée par les mesures mises en place. Il est donc urgent de renforcer les mesures actuelles ou de créer de nouvelles mesures.

Pour rappel, nous allons bientôt, si nous ne faisons rien, dépasser le chiffre de 20 000 citoyens séropositifs en Belgique dans les années futures. Sachant qu'une personne séropositive nécessite des traitements par antiviraux qui coûtent 7 000 à 10 000 euros par patient, en dehors des frais d'hospitalisation, de consultation ou d'imagerie, on pourrait dépasser prochainement les 200 millions d'euros en soins de santé pour la prise en charge de tous ces patients. Il importe dès lors de décider de nouvelles mesures.

Monsieur le ministre, que répondez-vous aux recommandations de Sciensano qui concernent les compétences de l'autorité fédérale? Où en est la concertation entre les différents niveaux de pouvoir à ce sujet? La Conférence interministérielle Santé s'est-elle récemment réunie à ce sujet? Au-delà de la poursuite de la mise en œuvre du Plan interfédéral VIH 2020-2026, estimez-vous que des mesures complémentaires devraient être mises en œuvre face aux chiffres récents, qui sont interpellants?

Voorzitter:

Chers collègues, comme il s'agit d'un débat d'actualité, il vous est possible de vous y joindre pour une question ou une réplique. Quelqu'un souhaite-t-il intervenir? (Non)

La parole est au ministre.

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, op de eerste plaats maak ik u, alle commissieleden en ook alle personeelsleden mijn beste wensen over voor het jaar dat begonnen is, hopelijk voor iedereen in goede gezondheid.

Mijnheer de voorzitter, geachte leden, in antwoord op de vragen begin ik met een wellicht heel evidente uitspraak, namelijk dat de stijgende trend van het aantal hiv-diagnoses illustreert dat de overdracht van het virus in ons land nog zeer actief blijft, ondanks ons gevarieerd aanbod aan preventiestrategieën. Die combinatiepreventie, zoals Sciensano dat noemt, volstaat de laatste tijd duidelijk niet om de stijging van besmettingen tegen te houden. Op de vraag of wij het beleid moeten versterken, is mijn antwoord dan ook ja.

Madame Taton, pour optimiser et renforcer la lutte contre le VIH en Belgique, je crois qu'il nous faut un cadre politique clair. C'est pourquoi j'attache beaucoup d'importance au Plan national VIH qui a été approuvé le 20 octobre 2022.

Ce Plan comprend déjà une liste d'actions organisées en quatre piliers stratégiques: la prévention, le dépistage, la prise en charge et la qualité de vie.

En novembre 2022, un budget supplémentaire d'un million d'euros a été prévu afin de mettre en œuvre une sélection d'actions prioritaires. Premièrement, l'amélioration de l'accessibilité et de l'utilisation du traitement préventif du VIH (PrEP). Pour cela, un modèle alternatif d'accès à la PrEP pour les travailleurs du sexe ayant un accès précaire aux soins de santé a été développé.

Deuxièmement, l'adaptation du cadre juridique pour le dépistage combiné du VIH et d'autres IST par des prestataires non médicaux, pour les hépatites B et C et la syphilis en plus du VIH. Ceci était nécessaire pour permettre aux organisations de terrain de dépister les personnes vulnérables ne recourant pas au système de soins. L'arrêté royal qui rend cela possible a été publié le 2 octobre 2023.

Troisièmement, la disponibilité et l'accessibilité au vaccin requis pour les personnes vivant avec le VIH.

Quatrièmement, la qualité des soins pour le VIH par l'accès au traitement le plus adapté mais aussi par le soutien psychosocial. Pour cela, une convention pour la prise en charge psychosociale des personnes vivant avec le VIH sans assurance maladie a été mise en place entre l'INAMI et les centres de référence VIH.

Hoe staat het met het gebruik van prep? In 2023 hebben 8.727 mensen prep voor hiv gebruikt. We zien een gestage toename daarvan sinds het beschikbaar werd in 2017.

Prep wordt bijna uitsluitend gebruikt door mannen, voor 99 %, van wie de overgrote meerderheid mannen zijn die seks hebben met mannen. Dat is inderdaad, zoals u weet, de groep die het meest door hiv wordt getroffen. Men kan daar eigenlijk uit besluiten dat prep wordt gebruikt door de mensen die die het meest nodig hebben.

De prep-zorg is op dit ogenblik gecentraliseerd in de 12 hiv-referentiecentra in ons land. Die referentiecentra zijn voldoende gespreid, waardoor fysieke toegang niet gehinderd wordt door erg grote afstanden tot de plaats waar mensen wonen. Zo denk ik toch.

Cependant, il est vrai que certaines lacunes dans la couverture persistent. La disponibilité de cet outil de prévention est relativement récente. Il est donc logique que son fonctionnement soit réévalué, incluant une réflexion sur la pertinence de l'extension et de la diversification du mode de délivrance de la PrEP. Vous savez sans doute qu'un réseau PrEP comprend des représentants des centres de référence VIH, les organisations de groupes cibles, des scientifiques, des utilisateurs de PrEP, des médecins généralistes et des pharmaciens. Ce réseau peut fournir des conseils relatifs au déploiement de la PrEP. Une action concrète pour étendre l'accès à la PrEP est le modèle de sa délivrance pour les travailleurs du sexe qui accèdent difficilement aux soins de santé. Sa mise en œuvre est en cours, comme je l'ai indiqué voici quelques minutes.

Sinds 1 mei 2023 worden specialiteiten voor prep ook vergoed als ze worden voorgeschreven door een arts verbonden aan een hiv-referentiecentrum, met inbegrip van een huisarts. Voordien kon enkel een arts-specialist die voorschrijven. We hebben deze wijziging doorgevoerd omdat bleek dat in de aidsreferentiecentra ook huisartsen werken met uitgebreide ervaring in de behandeling en opvolging van hiv.

Par ailleurs, les centres de référence VIH ont développé des stratégies afin de facilier l'accès à la PrEP, par exemple en organisant des consultations de suivi en collaboration avec les médecins généralistes ou en déléguant certaines tâches de consultation liées à la PrEP aux infirmières des centres de référence VIH sous supervision du médecin.

De vraag rijst – een van de commissieleden heeft de kwestie hier ook aangekaart – of we de huisarts niet moeten toelaten om prep voor te schrijven. De mening van de experts daarover was tot nu toe nogal verdeeld. Zij stellen immers dat ze ook veel vragen van de huisartsen krijgen in de referentiecentra, omdat die soms niet goed weten hoe ze de behandeling moeten opvatten. Het is dus misschien beter dat mensen zich tot de hiv-referentiecentra wenden.

Mijnheer de voorzitter, collega’s, ik sta alleszins open voor de vraag om prep door de huisarts te laten voorschrijven. Dat moeten we voor de toekomst bekijken.

Er zijn ook vragen gesteld over de screening. In ons land hebben wij in vergelijking met andere landen al een relatief hoog en constant hiv-testcijfer. In 2023 werden in totaal 745.514 hiv-tests uitgevoerd. Dat zijn er 64 per duizend inwoners. U kunt in het rapport van Sciensano ook lezen dat ongeveer de helft van de hiv-diagnoses, namelijk 55 %, door de huisartsen wordt gesteld. De andere helft wordt door specialisten gesteld. Het is dus belangrijk dat de hiv-screening door elke arts kan worden uitgevoerd. Bovendien zijn er laagdrempelige anonieme hiv-screeningdiensten beschikbaar en bieden terreinorganisaties screenings aan in de niet-klinische omgeving. Dat is heel nuttig om de toegang tot de screening te vergemakkelijken voor mensen die vaak bijzonder kwetsbaar zijn en die niet geïntegreerd zijn in onze gezondheidszorg.

Het lijkt mij belangrijk dat wij artsen blijven opleiden om seksuele gezondheid aan te pakken en proactief testen aan te bieden aan mensen die risico lopen. Er zijn aanbevelingen op dat gebied, bijvoorbeeld het advies hiv-screening door huisartsen van Domus Medica. Er is ook een screeninginstrument voor hiv en SOI's van het KCE.

Het is goed om die instrumenten verder te promoten en ervoor te zorgen dat de artsen in opleiding en de artsen in de praktijk ze integreren.

Ik denk dat we daarnaast met de deelstaten moeten nadenken over meer gerichte acties, met name waar men een heel hoog aantal diagnoses heeft, bijvoorbeeld in Brussel. Terreinorganisaties hebben de afgelopen jaren meer dan 3.000 hiv-screeningtests per jaar uitgevoerd, waarmee personen met een hoge prevalentie van hiv bereikt zijn. Dat bewijst het belang van de medewerking van de terreinorganisaties.

Het preventiebeleid komt wel toe aan de deelstaten. Ik ben het er absoluut mee eens dat het cruciaal is dat mensen bewust worden gemaakt van de risico's, het belang om zichzelf en dus ook anderen te beschermen voor hiv en andere seksueel overdraagbare aandoeningen, die toenemen, en van middelen om dat te doen, zoals het gebruik van condooms. Er zijn dus bewustmakingscampagnes nodig, maar ook preventiewerking op het terrein, seksuele en relationele vorming, met name voor jongeren. Dat blijft allemaal zeer belangrijk.

Druggebruik speelt inderdaad ook een rol, maar het injecterend druggebruik telde maar mee voor 3 % van de hiv-besmettingen bij personen met een diagnose in 2022 en 2023. Er zijn in ons land echter schadebeperkende programma's voor de overdracht van infectieziekten onder druggebruikers van kracht om veiliger gebruik te stimuleren. Daarvoor wordt ook hulp en materiaal verstrekt. Ik denk dat dat goed is.

L'ensemble des actions listées dans le Plan national VIH ont fait l'objet de discussions au sein de la Conférence interministérielle Santé publique avant sa validation. Chacune des actions a ainsi été validée au niveau fédéral et au niveau des entités fédérées. Parmi ces actions, les priorités que je viens d'énumérer ont été mises en évidence et ont été présentées et discutées au sein de la CIM.

De laatste maanden werd dat niet meer besproken in de IMC. Dat hangt misschien samen met het feit dat we ons bevinden in een periode van lopende zaken en regeringsonderhandelingen, maar ik vind het belangrijk om dit op de agenda te houden.

Je confirme qu'il est absolument crucial que toute personne à risque d'exposition au VIH soit pleinement informée, afin de pouvoir adopter les moyens de prévention les mieux adaptés à son comportement sexuel.

Uit een in 2018 uitgewerkt statistisch model is gebleken dat de grootste verlaging van de kosten voor hiv in Belgi ë wordt bereikt door een aanpak die verbeterde screening, behandeling van alle mensen met hiv, preventie en het gebruik van prep combineert. Verschillende internationale studies tonen de doeltreffendheid van prep aan voor de preventie bij mensen die de inname van prep correct naleven.

Hoe denken we over de toekomst? Allereerst, het plan van 2022 waarnaar ik heb verwezen, is in uitvoering. Ik denk met name aan de legalisering van de gedemedicaliseerde screening op hepatitis B, hepatitis C en syfilis, naast hiv, en steun voor paramedische zorg voor onverzekerde mensen met hiv. Momenteel zijn echter nog niet alle punten van het plan geheel of deels ge ï mplementeerd. Daarom is het nuttig een stand van zaken op te maken.

Daarnaast is gevraagd naar onze houding tegenover de wereldwijde doelstellingen van UNAIDS, de fameuze 95-95-95. Als we de driedelige doelstelling van 95 % van de mensen met hiv die hun status kennen, 95 % van die mensen die een antiretrovirale behandeling krijgen en vervolgens 95 % van hen met een onderdrukte virale lading bereiken, zullen we ook het algemene doel van minstens 86 % van mensen met hiv met een onderdrukte virale lading hebben behaald. Dat target blijft zeer belangrijk.

Hoe ver staan we? Ik vertrek van het cijfer dat eind 2023 in Belgi ë werd gemeld: 18.690 mensen leven met hiv. 93 % kreeg de diagnose. 95 % daarvan kreeg de antiretrovirale behandeling en 98 % daarvan had een onderdrukte virale lading. Als men die cijfers met elkaar vermenigvuldigt, kan men vaststellen dat 87 % van het totale aantal mensen met hiv in ons land een onderdrukte virale lading heeft.

Wij kunnen dus zeggen, zonder enige zelfgenoegzaamheid, dat wij de algemene UNAIDS-doelstelling bereikt hebben. Echter, het aantal mensen dat niet gediagnosticeerd is, is toch nog hoger dan 5 %. Ik meen dus dat wij aan de diagnosticering moeten blijven werken.

Wij volgen dit op. Er is een monitoringcomité dat de vordering van het Nationaal HIV-Plan opvolgt. Als u mij dus vraagt of dit thema opnieuw op de agenda van de IMC moet komen, is mijn antwoord ja. Wij zouden dat daar opnieuw moeten bespreken.

Moeten wij versterken? Ik meen dat het antwoord daarop ook positief is.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dank u voor het duidelijke overzicht van de politieke context in 2022 en van de concrete acties, waaronder het koninklijk besluit van 2023. Toen is de toegang vergemakkelijkt. U had het ook over de referentiecentra, waar, zoals u zegt, nog lacunes zijn.

Het is ook belangrijk dat u zeker wilt onderzoeken of een algemeen voorschrift door de huisartsen in de toekomst mogelijk moet zijn. Wij nemen mee dat dit opgevolgd wordt, ook in de regeringsonderhandelingen.

Het bewustzijn moet vergroot worden. Er moet nagegaan worden of de maatregelen die genomen zijn, effectief voldoende zijn. Er wordt nu een duidelijke stand van zaken opgemaakt en aan de hand van die stand van zaken zal voortgewerkt worden. Dank u wel.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, cela fait partie des missions de l’État de sensibiliser, de prévenir et de rappeler à toutes et à tous l’importance de se protéger contre le VIH et, comme vous l’avez dit, aussi contre toutes les autres IST.

En remettre une couche en matière de sensibilisation et de prévention est capital, pas uniquement le 1 er décembre, comme on le fait lors de la Journée mondiale du VIH.

Comme le recommande Sciensano, sensibiliser aussi dans les écoles, ce serait super. Il faut le faire beaucoup plus. Et pourquoi pas aussi dans les mouvements de jeunesse? Merci beaucoup.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Een stijging van 13 % nieuwe hiv-diagnoses in 2023 is niet goed. We moeten ambitieuzer zijn en inzetten op de raadgevingen die Sciensano geeft in zijn rapport. We moeten meer screenen. U zegt dat we goed screenen. Dat is juist, maar we kunnen beter. Het is niet de eerste keer dat ik u vraag om prep meer toegankelijk te maken. U zet de deur nu open, wat een goede zaak is. De terugbetaling van het eerste voorschrift van de huisarts is essentieel voor mensen die twijfelen en nog niet in de hiv-centra geraken, om hen al mee te krijgen in het traject en hen dan later effectief door te verwijzen naar een hiv-centrum.

Men heeft het hier ook gehad over sensibilisering, condoommoeheid en de taak van de Vlaamse of de regionale overheden. Mijnheer de minister, als u bereid bent om dit in een interministeriële conferentie rond algemene preventie op tafel te leggen, dan zou dat een heel goede zaak zijn. We moeten immers met alle niveaus samenwerken, zodat we de ook groepen kunnen bereiken die we nu moeilijk bereiken. Als we kijken naar de stijging van het aantal besmettingen bij heterovrouwen van Sub-Saharaanse Afrikaanse afkomst, dan zien we dat er ontzettend veel werk is en dat we hen mee moeten krijgen in het preventieverhaal. Laten we er samen aan werken.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir fait l'instantané de la situation et d'avoir rappelé les mesures prises. Le virus responsable du sida, le VIH, a été découvert le 20 mai 1983 – à quelques jours près, c'est la date de mon anniversaire. Depuis lors, on a évidemment perdu cette insouciance. Des générations ont vécu avec cette peur du sida mais également d'autres IST.

Malheureusement, on tombe dans une situation qui m'effraye un peu, une situation où on a l'impression que cela va mieux. Or le débat de cet après-midi nous montre que cela ne va pas mieux. Les chiffres sont en hausse.

J'ai un souhait à exprimer pour vous qui êtes autour de la table et qui ferez peut-être partie de la future hypothétique coalition Arizona. Il faut que vous preniez pleinement cette problématique à bras-le-corps. C'est une problématique de santé publique qui est importante et pour laquelle il faudrait à tout le moins organiser une Conférence interministérielle pour voir avec l'ensemble des niveaux de pouvoir comment on peut réellement enrayer ce fléau du VIH mais également des autres IST.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik zal ook even de tijd nemen om de antwoorden wat grondiger te bekijken. Sommige dingen werden immers niet in het Nederlands gezegd en waren daardoor voor mij wat moeilijker te volgen.

U zei dat een bijsturing nodig is omdat nog niet alle elementen van het plan uitgerold werden. Ik ben benieuwd welke zaken dat dan precies zijn. Als de huisarts vandaag het middel niet kan voorschrijven, lijkt het me alvast een eerste belangrijke stap om dat te veranderen en zo de toegankelijkheid ervan te verhogen. We moeten dat dus verder opvolgen.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik wil nog even ingaan op het belang van de versterking van de eerste lijn.

U hebt gerefereerd aan de richtlijn van Domus Medica voor de screening van hiv. Dat is heel positief. Ik wil echter eveneens de aandacht vestigen op het belang van preventie. Bij een screening na een diagnose is de patiënt immers al besmet. We moeten nog veel verder gaan qua preventie.

Het is dan ook positief dat de deur nu openstaat voor een voorschrift in de eerste lijn. We mogen de drempel om naar een hiv-centrum te stappen echt niet onderschatten. Er is namelijk een psychologische, maar zeker ook fysieke drempel. Er zijn 12 centra in heel België en u zei dat ze niet ver verwijderd zijn voor de patiënten, maar dat is niet in alle provincies het geval. In West-Vlaanderen bijvoorbeeld, waar het centrum in Brugge is gevestigd, moet men 1 u 50 in de trein zitten als men uit Poperinge komt. Dat is dus echt wel een drempel. Het middel moet ook binnen de 72 uur na het seksueel contact worden voorgeschreven. We mogen dat echt niet onderschatten. Het is een heel belangrijke piste om te onderzoeken en het probleem onder controle te krijgen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Premièrement, parmi l'ensemble des données fournies par Sciensano, celle qui concerne la tranche d'âge des 20-29 ans est intéressante car, sujette à une grave augmentation des cas de VIH, elle a pu se stabiliser grâce aux campagnes de sensibilisation et au Plan d'action. Cela on le sait car, pour prendre l'exemple de la lutte contre les violences intrafamiliales, à chaque fois qu'une campagne est lancée on enregistre un doublement des appels sur les lignes d'écoute. Cela illustre l'importance de travailler sur la sensibilisation pour ce type de problématique qui est souvent entourée de tabous dans notre société.

Deuxièmement, je pense qu'il est essentiel de travailler avec des relais communautaires et des associations qui travaillent au plus près des personnes concernées par de potentielles contaminations, notamment au niveau HSH. Il est essentiel d'écouter ces associations et d'assurer leur financement afin qu'elles puissent correctement faire leur travail. Chaque euro investi dans le secteur associatif pour la sensibilisation ou le travail communautaire permettra d'économiser des dizaines de milliers d'euros dans le budget des soins de santé, sans oublier les vies qui peuvent ce faisant être sauvées. Monsieur le ministre, dans le cadre des négociations gouvernementales, je vous encourage fortement à agir sur ce point.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, merci pour vos réponses. Nous sommes tous d'accord sur le constat d'une reprise de l'épidémie de VIH en Belgique. Bien entendu, les mesures préventives doivent être essentielles et renforcées, c'est la base de tout en soins de santé. Néanmoins, je suis convaincu que l'accessibilité au traitement PrEP fait partie de ces mesures fortes qui vont permettre d'enrayer l'épidémie de VIH dans notre pays. Je rappelle que le remboursement actuel de la PrEP coûte 12 euros par mois pour le patient, c'est donc très accessible. Face aux sept à dix mille euros de remboursement des antirétroviraux que le malade avec une charge virale importante doit se faire financer par les soins de santé, la comparaison explique qu'il est très important que les médecins généralistes puissent devenir prescripteurs autorisés au remboursement de cette PrEP, dont les contre-indications ne sont pas compliquées.

Het RIZIV-budget
Het RIZIV-budget
De RIZIV-begroting
De RIZIV-begroting
RIZIV-budget en -begroting

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De RIZIV-begroting voor 2025 blijft onopgelost door politieke blokkering: de Vivaldi-regering keurde geen akkoord goed, waardoor het RIZIV een noodbegroting met 2,5% groeinorm en geen nieuwe besparingen hanteert, wat overschrijdingen (o.a. in farmacie, artsen- en tandartshonoraria) en uitgestelde hervormingen (bv. geestelijke gezondheidszorg) riskeert. Minister Vandenbroucke benadrukt dat continuïteit gegarandeerd is, maar nieuwe maatregelen (zoals extra financiering voor psychologische zorg of HIV-bestrijding) onmogelijk zijn zonder regeringsbeslissing, terwijl fraudegevoelige sectoren (bv. medische huizen) onvoldoende gecontroleerd worden. Kritiek richt zich op politiek getouwtrek tussen Vivaldi en de toekomstige Arizona-regering, met oproepen om dringend verantwoordelijkheid te nemen om budgettaire ontsporing (500+ miljoen overschrijding) en zorgtekorten tegen te gaan. De kernvraag blijft of de lopende regering alsnog beslist of men wacht op Arizona, terwijl sectoren (bv. farmacie) onbeheerst uitgaven maken en patiënten (bv. jongeren met mentale problemen) onvoldoende ondersteuning krijgen.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, vandaag zeggen we niet het eerste en wellicht ook niet het laatste woord over het RIZIV-budget. We hebben er al vaak over gedebatteerd. Ik herinner eraan dat eerste minister De Croo in de plenaire vergadering op onze herhaalde vragen antwoordde dat wij niet aan paniekzaaierij mochten doen, dat het allemaal wel in orde zou komen, dat wij de ruimte moesten laten aan de onderhandelaars en dat er zeker wel een begroting zou zijn in 2025. We hebben echter het jaar afgesloten zonder een door de regering goedgekeurd RIZIV-budget, ondanks de verschillende geruststellingen van eerste minister De Croo. Blijkbaar ging het toch niet zo vlot als hij gehoopt of verwacht had. Het RIZIV heeft uiteindelijk zijn eigen ontwerpbegroting goedgekeurd, een noodmaatregel, waardoor de groeinorm wel wordt toegepast en het budget wel wordt geïndexeerd, maar waardoor een aantal nieuwe op de Algemene Raad besproken maatregelen niet konden worden uitgevoerd.

Hoe zit het nu? Volgens krantenartikels sloot de regering het jaar af zonder akkoord over het RIZIV-budget en heeft eerste minister De Croo gevraagd of de besparingsmaatregelen alsnog kunnen worden doorgevoerd. Begrijpt men niet dat dat een taak van de regering is, op voorstel van de Algemene Raad, maar dat het door de blokkering niet is gelukt?

Om de begroting nog goedgekeurd te krijgen, dienen we nu ofwel te wachten op de arizonaregering, ofwel moet dat alsnog onder de vivaldiregering gebeuren. De huidige regering kan immers nog altijd de maatregelen die besproken werden op de Algemene Raad goedkeuren om het budget onder controle te krijgen. Als dat niet gebeurt, ontstaat misschien een situatie waarbij men er, na de ontsporing van de uitgaven, met de botte bijl door moet.

Mijnheer de minister, hoe ziet u dat concreet verlopen? Wachten we op de arizonaregering om het budget op orde te krijgen, of zal dat toch nog besproken worden op de ministerraad van de vivaldiregering?

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, om het kort te houden, verwijs ik naar de tekst van mijn vraag zoals ingediend, aangezien het RIZIV-budget al meermaals besproken is. Bijkomend vraag ik u naar een stand van zaken.

De politieke spelletjes rond het goedkeuren van het Riziv-budget blijven duren. Vivaldi wijst naar Arizona en omgekeerd, maar ondertussen blijft de politieke impasse bestaan en dit over een budget van 40 miljard Euro. Een akkoord is noodzakelijk om de 216 miljoen overschrijding aan te pakken en nieuwe initiatieven te kunnen uitrollen.

Om de continuïteit van de gezondheidszorg te waarborgen keurde het Riziv dan maar haar eigen begroting van voorlopige twaalfden goed. Dit is geen ideale situatie maar eerder een noodoplossing.

In de media zijn er verschillende interpretaties over de beslissing van het RIZIV te lezen. Dit maakt dat weinigen nog weten wat de gevolgen zijn.

1. Wat zijn de concrete gevolgen van het goedkeuren door het Riziv van de begroting van voorlopige twaalfden (voor het eerste kwartaal van 2025) voor de continuïteit van de zorgverlening in 2025? Wordt de bestaande groeinorm van 2 % (zoals voorzien in de begroting 2024) behouden of stijgt de groeinorm dan toch naar 2,5 % of meer?

2. Welke gevolgen van het uitstellen van de goedkeuring van de begroting zijn er voor de uitvoering van hervormingen in de gezondheidszorg, zoals in de geestelijke gezondheidszorg of de herwaardering van artsenhonoraria? Welke van de door u gestarte werven komen erdoor in het gedrang?

3. Gezien de beperkte ruimte voor nieuwe beleidsmaatregelen onder het systeem van voorlopige twaalfden, welke urgente noden in de gezondheidszorg, zoals o.a. de stijgende vraag naar geestelijke gezondheidszorg, kunnen worden gefinancierd en hoe wordt deze extra financiering verantwoord? En vanwaar komen de extra middelen?

4. Welke maatregelen worden er genomen om de begroting voor volksgezondheid in evenwicht te houden, vooral in tijden van onverwachte kosten zoals de stijging van geneesmiddelen- of ziekenhuisuitgaven?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.

Mijnheer de minister, deze week keurde het beheerscomité van het RIZIV zelf een begroting goed en steunde daarbij een koninklijk besluit dat de continuïteit van de sector voorziet in geval er geen budget is – de uittredende regering bereikte eerder geen unaniem akkoord hierover en keurde het voorstel nog af. Hiermee wordt de oefening die gemaakt werd wel teruggedraaid en zullen bijvoorbeeld telefonische consultaties bij de dokter volgend jaar blijven bestaan. Maar onvermijdelijke zal er wel moeten gekeken worden hoe één en ander beter kan – met een goede 40 miljard aan publieke middelen mag dat wel gevraagd worden in tijden dat de internationale spelers kijken naar de Belgische begroting.

Mijn vragen voor de minister:

Hoe wil u het budget Volksgezondheid fijnmazig opvolgen?

Op welke wijze wil u ingrijpen bij ontsporingen?

In het vorig voorstel van het verzekeringscomité werden er besparingsmaatregelen voorgesteld voor élke budget-overschrijdende sector, behalve de medische huizen. Nochtans blijkt uit onderzoek, alsook uit getuigenissen in de pers dat forfaitaire geneeskunde fraudegevoelig is. Hoe wil u dit aanpakken?

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, aucun accord sur le budget 2025 de l’INAMI n’a finalement été trouvé au sein du gouvernement. Ce sont donc les 12ème provisoires qui s’appliquent depuis ce 1 er janvier, ce qui signifie, en continuité du budget 2024, que la norme de croissance reste à 2,5 %, mais sans les économies proposées par le secteur lui-même.

Un budget donc qui ne s’adapte pas aux besoins réels avec une norme de croissance adaptée et qui, dans le même temps, ne prend pas en compte les mesures d’économies pour éviter les dépassements futurs.

Pour rappel, quatre secteurs – spécialités pharmaceutiques, honoraires médicaux, dentistes, et implants – sont responsables de 92 % de ce dépassement à hauteur d’un montant de 501,4 millions. C’est tout à fait irresponsable de laisser cette situation perdurer. Quelles initiatives vont être prises pour limiter cette hémorragie?

Comment ce budget permettra-il de répondre aux nouveaux enjeux qui se présentent, notamment:

l’urgence de garantir un suivi psy de 1ère ligne pour les jeunes dont la conso d'antidépresseurs augmente?

la lutte contre la pandémie de VIH, actuellement en augmentation?

les pénuries de soignants?

le déconventionnement massif dans certaines professions?

Au sein du futur gouvernement, quelles sont les garanties de voir s’appliquer une norme de croissance qui correspondent aux besoins réels du secteur et de la population, à savoir, selon le bureau du plan et selon le secteur, une norme minimale de 3 %?

Est-ce que ce budget vaut pour toute l’année 2025? Selon quelles modalités pourrait-il être modifié?

Voorzitter:

Pas d'autre demande d'intervention dans ce débat d'actualité? (Non)

La parole est au ministre.

Frank Vandenbroucke:

Op 4 december heeft het Algemeen Beheerscomité van het RIZIV zijn jaarlijkse vergadering gehouden over de verzameling van de begrotingen voor 2025 die het ontwerp van de globale begroting van het RIZIV vormt. Bij de stemming daarover hebben de vertegenwoordigers van de werkgevers zich onthouden. De regeringscommissaris moet zijn advies daarover nog uitbrengen. Dat advies is echter niet bindend en verhindert niet dat de volgende stappen reeds worden gezet.

Dit ontwerp van begroting van het RIZIV omvat zowel de opdrachtenbegroting als de beheersbegroting. Wat specifiek de opdrachtenbegroting voor geneeskundige verzorging betreft, die is gestoeld op de reglementaire opdracht van het RIZIV om continuïteit te voorzien in afwachting van een beslissing van de ministerraad, hetzij over dit ontwerp van algemene begroting, hetzij over een andere, definitieve begroting voor de gezondheidszorg voor 2025.

De ontwerpbegroting van het RIZIV is opgesteld volgens het koninklijk besluit van 3 april 1997 inzake de responsabilisering van openbare instellingen van sociale zekerheid. Het komt erop neer dat het Algemeen Beheerscomité van het RIZIV bevoegd is voor het samenvoegen van verschillende begrotingsonderdelen in één document, dat vervolgens aan de minister van Sociale Zaken wordt overgemaakt.

Ondanks het ontbreken van een goedgekeurde gezondheidszorgbegroting 2025 heeft het Algemeen Beheerscomité zich gebogen over het ontwerp van algemene begroting van het RIZIV door voor de geneeskundige verzorging de begrotingsvoorstellen 2025 te integreren die aan de Algemene Raad werden voorgelegd.

Vermits de openbare instellingen van Sociale Zekerheid noch onder het systeem van voorlopige twaalfden vallen, noch als basis terugvallen op de begroting van het voorgaande jaar, is het noodzakelijk en zelfs verplicht een voorlopige algemene begroting van het RIZIV vast te stellen. Die voorlopige algemene begroting kan worden aangewend vanaf 1 januari van het begrotingsjaar, om de continuïteit van de opdrachten te kunnen waarborgen.

Het goedgekeurde ontwerp respecteert de wettelijk vastgelegde parameters en biedt aldus een voorlopige basis voor de financiering. Eventuele beslissingen van de ministerraad, met name over de begroting van de verzekering geneeskundige verzorging voor of na 1 januari, kunnen leiden tot aanpassingen van het ontwerp van de algemene begroting van het RIZIV. Ook de op deze basis gestoelde maandelijkse voorschotten aan de verzekeringsinstellingen voor 2025 werden geacteerd.

Dan kom ik meer specifiek tot de verschillende begrotingen die werden samengevoegd. De opdrachtenbegroting voor geneeskundige verzorging werd op de Algemene Raad niet goedgekeurd, omdat er binnen de regeringsdelegatie geen consensus was. Die beslissing ligt bij de ministerraad, maar die heeft nog niet beslist. Voor de uitkeringsverzekering werd de opdrachtenbegroting voor werknemers, zelfstandigen en mijnwerkers door de bevoegde beheerscomités goedgekeurd. Voor de medische ongevallen werd de opdrachtenbegroting goedgekeurd door het beheerscomité van het Fonds voor Medische Ongevallen. De beheersbegroting zelf werd opgesteld op basis van richtlijnen van de FOD BOSA en werd op 4 december door het Algemeen Beheerscomité van het RIZIV goedgekeurd.

De regelgeving die dus van toepassing is op de openbare instellingen voor sociale zekerheid bepaalt dat het gebrek aan goedkeuring van de ontwerpbegroting op de eerste dag van het begrotingsjaar het gebruik van de in het ontwerp geplande kredieten niet in de weg staat, voor zover het geen nieuwe uitgaven betreft voor de opdrachtenbegrotingen of uitgaven die niet voor de beheersbegroting werden gevalideerd. Bovendien, zelfs in het geval van een goedkeuring, blijft het RIZIV de richtlijnen inzake budgettaire voorzichtigheid omwille van lopende zaken volgen en zal het RIZIV nieuwe uitgaven alleen opnemen als die aan de wettelijke vereisten voldoen.

Het RIZIV zal op basis van dit ontwerp en de beslissingen van de akkoorden- en overeenkomstencommissies over de aanwending van de beschikbare indexmassa de tarieven publiceren die vanaf 1 januari 2025 van toepassing zijn, maar eventuele beslissingen van de ministerraad kunnen aanleiding geven tot aanpassing van die tarieven. Zoals gezegd, het ontwerp van globale begroting van het RIZIV weerspiegelt dus het engagement om vanaf 1 januari voor continuïteit te zorgen. Dat geldt voor alle sectoren.

Mijnheer de voorzitter, er waren mij nog een aantal specifieke vragen gesteld, onder andere of wij hiermee uitgaan van de wettelijke groeinorm van 2,5 %. Daar is het Algemeen Beheerscomité inderdaad van uitgegaan.

Er werd ook gevraagd of er maatregelen kunnen worden genomen om in te spelen op behoeften die we merken en die nieuw beleid veronderstellen, bijvoorbeeld in de geestelijke gezondheidszorg. Het antwoord is neen, hier kan geen nieuw beleid mee worden gelanceerd. Opgestarte werven in de geestelijke gezondheidszorg en in de hervorming van de artsennomenclatuur kunnen echter wel verder worden gezet in 2025, zolang het een verderzetting is van het beleid van 2024.

De index is dus ook verworven, tenminste voor zover sectoren een overeenkomst hebben.

Was het wenselijk dat de ministerraad een beslissing had genomen? Zeker, gelet op de vraag naar bewarende maatregelen. Men kan natuurlijk op het niveau van het RIZIV met de administratie voorbereidingen treffen voor maatregelen, men kan ook over die voorbereidingen overleg plegen met de actoren en men kan samen met de actoren nadenken over alternatieve maatregelen. De tenuitvoerbrenging veronderstelt echter ten dele koninklijke besluiten en zelfs wetsontwerpen. Zelfs als men in bepaalde mate maatregelen zou kunnen implementeren zonder koninklijke besluiten of wetsontwerpen, dan nog denk ik dat de actoren verwachten dat die passen in een globaal evenwichtig kader van correcties en besparingen. Zo'n globaal en evenwichtig kader moet men natuurlijk wel in een regering vastleggen. Ik blijf wat dat betreft dus vragende partij.

Mevrouw Depoorter, u vroeg of ik in staat ben om die begroting fijnmazig op te volgen. Ik schets even hoe de opvolging verloopt. Eerst is er een snelbericht. Na ontvangst van de maandelijkse gegevens wordt een snelbericht verzonden naar onder meer de FOD Sociale Zekerheid, de FOD BOSA en de Nationale Bank. Vervolgens is er een maandnota. Elke maand wordt een uitgebreid rapport van ongeveer 50 pagina's opgesteld. Dat wordt voorgelegd aan de belangrijkste organen voor geneeskundige verzorging: de Commissie voor begrotingscontrole, het Verzekeringscomité en de Algemene Raad. Dan zijn er trimesternota's. Per kwartaal worden gedetailleerde sectorgegevens gerapporteerd aan de verschillende overeenkomsten- en akkoordencommissies. Vervolgens zijn er de auditrapporten. Tegen eind juni publiceert de administratie zogenaamde permanente auditrapporten. Die rapporten bieden een diepgaande analyse van de uitgaven. Ze documenteren afwijkingen ten opzichte van de begroting. Ze bevatten ook financiële analyses van beleidsmaatregelen en opmerkelijke trends. Dan zijn er de technische ramingen, die in juni en september worden opgesteld.

Dat laat toe te monitoren wat er gebeurt, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat ik zeer graag zou zien dat een regering een kader vastlegt dat toelaat om effectief op een evenwichtige manier de nodige correcties te implementeren.

Dan was er een vraag over de medische huizen. Het budget voor de medische huizen wordt rechtstreeks bepaald door het aantal mensen dat behandeld wordt binnen het forfaitaire systeem. Die patiënten genereren geen bijkomende kosten voor de zorg die door het forfait wordt gedekt. De teleconsultaties waren bovendien al geïntegreerd in de forfaits van de medische huizen, waardoor die niet hebben bijgedragen aan een budgetoverschrijding.

Desondanks wordt er, overigens zoals door de sector zelf is voorgesteld, met klem gevraagd om snel werk te maken van de verplichte registratie van de elektronische identiteitskaart bij de inschrijving van een patiënt in een medisch huis. Op die manier kan men immers oneigenlijk gebruik, met scheeftrekkingen en onrechtmatige groei tot gevolg, tegengaan.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de verduidelijking en voor de vele details over het budget. Ik zie het nu wat klaarder.

U kwam pas op het einde tot mijn vraag. Het RIZIV heeft dat nu goedgekeurd, maar het is uiteindelijk wel aan de regering om die begroting goed te keuren. U zei dat het aan "een" regering is, maar het was wenselijk geweest dat Vivaldi dat vorig jaar had gedaan. De hele discussie is of het nu aan de regering in lopende zaken is dan wel of we moeten wachten op de arizonaregering. Het is niet "een" regering, het hele punt is dat de regering in lopende zaken dat moet doen. U kunt niet blijven zeggen dat de arizonaregering een begroting zal opstellen en dat u zult blijven onderhandelen, want ondertussen blijven we zonder budget zitten. Ik pleit er dus voor dat u zich in de ministerraad inzet en ervoor zorgt dat het in orde komt en dat het niet "een" regering is, maar wel deze regering die haar verantwoordelijkheid neemt.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw duidelijke uitleg.

Wij hinken op één been in plaats van op twee benen te stappen. Ik ben al blij met uw bevestiging van de groeinorm van 2,5 %. Dat ligt dan toch al vast. Maar er kan geen nieuw beleid worden gevoerd en dat is het andere been van de gezondheidszorg waarop wij moeten kunnen staan.

Helaas zien wij dat politieke spelletjes ons ver kunnen leiden. Ze worden zelfs tot in de gezondheidszorg doorgetrokken. Dat zou niet mogen. Ik werp geen steen naar u, maar naar de volledige regering in lopende zaken en ook naar de verantwoordelijken van de toekomstige arizonaregering. Het wordt tijd dat de knoop wordt doorgehakt. Er moet iemand beslissen. Op die manier kunnen wij immers niet verder.

Ik hoop dus oprecht dat wij met een voldragen en volledig gesteunde gezondheidsbegroting kunnen voortwerken. U stelt immers ook dat de index verworven is, zij het in de mate waarin de sectoren een overeenkomst hebben. Er zijn immers ook sectoren waarin er geen overeenkomst is en waar er dus niet wordt geïndexeerd. De sectoren varen niet wel bij die situatie en de patiënten evenmin. Hou dus op met die politieke spelletjes en neem uw verantwoordelijkheid.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, wij hebben inderdaad nood aan een evenwichtig en duurzaam financieel kader in de gezondheidszorg. Uw antwoord over de fraudegevoeligheid bij de medische huizen baart mij wel zorgen. Men zou daar de e-ID's van de patiënten moeten inlezen. Een en ander gaat namelijk volgens het volume, dus van het aantal patiënten dat zich bij de medische huizen aanmeldt. Herinner u het minischandaal in Brussel, waarbij patiënten die eenmalig bloed in een medisch huis hadden laten afnemen, blijkbaar meteen als patiënt werden ingeschreven en in het forfaitaire systeem terechtkwamen. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Naar ik mij heb laten vertellen, wordt ter zake een rapport opgesteld, dat zo goed als klaar is en waarin de fraudegevoeligheid van het systeem zwart op wit wordt aangetoond.

Als het forfaitaire systeem van de medische huizen te duur wordt, omdat er te veel patiënten in die praktijken zijn ingeschreven, moet men onderzoeken wat daartegenover staat, met name over hoeveel consultaties gaat het en of de patiënten exclusief bij het betrokken medische huis zijn ingeschreven dan wel of ze ook andere artsen consulteren. Wij moeten alleszins fraude waar ook in de gezondheidszorg onmogelijk maken.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

La saga à laquelle nous avons assisté fin 2024 est tout à fait délétère pour le secteur, pour la situation politique et pour les patients.

De nouveaux enjeux se présentent à nous: endiguer la pandémie de VIH; l’urgence de garantir un suivi psychologique de première ligne pour les jeunes, dont la consommation d’antidépresseurs explose; les pénuries de soignants; le déconventionnement massif qui nous guette dans certaines professions. Tous ces enjeux, il faut pouvoir les contrer, les prendre à bras-le-corps.

Or, nous allons laisser des secteurs déraper et dépenser un argent public démesuré dans le cadre de ce budget, alors que nous aurions pu, en approuvant la proposition initiale des différentes entités qui composent le Comité général de l’INAMI, endiguer ces dérapages.

En réponse à Mme Depoorter, je tiens à préciser que les secteurs en question sont les spécialités pharmaceutiques ainsi que les honoraires des médecins et des dentistes. Ce ne sont pas les maisons médicales qui explosent le budget de l’INAMI.

À un moment, il faudrait arrêter de chercher des problèmes dans des secteurs qui n’en posent pas au regard des chiffres qui nous sont présentés et, par contre, remettre de l’ordre dans les dépenses ayant rapport au secteur pharmaceutique. C’est une urgence. Nous allons continuer à laisser ces secteurs-là être complètement débridés. C’est vraiment une inquiétude, alors que d’autres secteurs ont cruellement besoin d’un renforcement financier pour subvenir aux besoins de la population pour l’année qui vient.

Irina De Knop:

Naar aanleiding van die interessante vragen neem ik ook graag het woord. Mijnheer de minister, uit uw antwoorden blijkt dat we dringend een regering nodig hebben. Hier in de commissie wordt een beetje om de hete brij heen gedanst. Misschien is het hier niet het geschikte platform om een uitgebreid politiek debat te voeren. Het gaat er eigenlijk om dat er dringend een regering moet komen om dringende beslissingen te nemen, ook wat het RIZIV-budget betreft. Uw antwoorden baren mij zorgen. U zegt immers dat bewarende maatregelen met het oog op het vermijden van overschrijdingen een KB of wetsontwerpen vergen. Over een KB kunt u uiteraard zelf als minister beslissen. Bij wetsontwerpen ligt dat enigszins anders. Kunt u daarop in uw antwoorden dieper ingaan? Waarover gaat het precies? Welke beslissingen zou u concreet per bewarende maatregel moeten of kunnen nemen bij KB of via wetsontwerp? Men zegt hier dat er politieke spelletjes worden gespeeld. In de kern vond een bespreking plaats en heeft men geprobeerd tot een consensus te komen. Ik heb begrepen dat dat niet is gelukt, ook omdat partners van een mogelijk toekomstige arizonacoalitie de voet dwars hebben gezet. Het is niet zo dat leden van de huidige regering in het dossier geen beslissing willen nemen, maar zij moeten tot een consensus komen en dat is niet gelukt. De verkiezingen liggen ondertussen zes maanden achter ons. Het is tijd dat men zijn verantwoordelijkheid opneemt.

Het nieuwe monitoringmodel voor diabetes

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat het nieuwe diabetes-monitoringmodel via mobiele apps en sensoren versneld gegevens deelt tussen patiënt en arts, waardoor snellere interventie mogelijk is, en valt onder de RIZIV-terugbetalingsprocedure voor digitale zorgtoepassingen. Twee organisaties (i-mens en Z-Plus) dienden al een aanvraag in, maar er is geen deadline bekend voor de afhandeling. Het past binnen het bredere e-Gezondheidsplan, met focus op veilig datadelen via het *Belgian Integrated Health Record*. Bury informeert naar de voortgang, maar concrete timing ontbreekt.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, u bent naar aanleiding van mijn vraag daarover in plenaire vergadering, die gekoppeld werd aan een vraag over de Werelddiabetesdag, ingegaan op het nieuw monitoringmodel voor diabetes. Dankzij dat model komt informatie sneller bij de arts terecht en verneemt de patiënt of hij of zij goed bezig is, in plaats van cijfers pas na zes maanden uit te lezen, waarna het mogelijk al te laat is om zijn levensstijl te veranderen of in te grijpen omdat er al schade is ontstaan.

Mijnheer de minister, graag verneem ik of u nog nieuwe elementen kunt toevoegen.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, er bestaat inderdaad een RIZIV-procedure die het mogelijk maakt om terugbetaling aan te vragen voor zorgprocessen die gebruikmaken van mobiele medische toepassingen. De volledige procedurevoorwaarden vindt u terug op de website van het RIZIV. Kort samengevat, de toepassing moet toelaten dat de patiënt gezondheidsgerelateerde informatie deelt met een zorgverlener, al dan niet geautomatiseerd door geconnecteerde sensoren. De informatie moet de zorgverlener toelaten om een diagnose te stellen, om therapie toe te passen en om de patiënt te monitoren. De monitoring van diabetespatiënten kan inderdaad binnen dat kader vallen.

Zowel fabrikanten en verdelers van dergelijke toepassingen als wetenschappelijke verenigingen, beroepsorganisaties en ziekenhuizen kunnen een aanvraag tot terugbetaling indienen. Men kan ook een tijdelijke terugbetaling aanvragen. Dat laat toe om als het ware ervaring op te bouwen. Eenmaal een aanvraag is ingediend, wordt die geëvalueerd door een multidisciplinaire werkgroep waarin zorgverleners, verzekeringsinstellingen, ziekenhuisbeheerders en gezondheidseconomen zitting hebben, en dan wordt een voorstel uitgewerkt.

Ik heb er ook op gewezen dat er, om degenen die een aanvraag overwegen bij de voorbereiding van hun aanvraag te helpen, in de mogelijkheid is voorzien om een pre submission meeting aan te vragen met het RIZIV. In dat kader is er al contact geweest tussen het RIZIV en i-mens en Z-Plus.

Het delen van data vormt een brede uitdaging. Ik heb verwezen naar het centrale project dat we daarrond hebben lopen, het Belgian Integrated Health Record. U vindt meer uitleg daarover op de website van het RIZIV. We willen ervoor zorgen dat we veel systematischer en op een veiligere en vlotte manier gegevens kunnen laten delen tussen zorgverleners die een therapeutische relatie hebben met een patiënt. Dat project kadert in het bredere actieplan e-Gezondheid. U vindt ook daarover meer uitleg op de website van het RIZIV.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

U zegt dat er twee aanvragen lopen. Hebt u enig idee over een deadline daarvoor?

Frank Vandenbroucke:

Neen.

Bedwantsen in zorginstellingen

Gesteld door

lijst: VB Dominiek Sneppe

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Bedwantsen vormen een groeiend maar onvoldoende gedocumenteerd probleem in Belgische zorginstellingen, met geen meldingsplicht of nationale statistieken, waardoor de omvang onduidelijk blijft. Minister Vandenbroucke bevestigt dat ziekenhuizen algemene hygiëneprotocollen hanteren (zoals inspecties en ontsmetting) maar geen specifieke bedwantsrichtlijnen, terwijl besmettingen vooral overlast (bv. jeuk, slaapverstoring) veroorzaken zonder directe gezondheidsrisico’s. Sneppe kritiseert het gebrek aan data en stelt dat het taboe en ontbrekende preventie (bv. strenge hygiënecontroles) patiënten onnodig blootstellen aan extra ongemak, zoals bedwantsen *naast* ziekenhuisbacteriën. Preventie blijft ad-hoc en afhankelijk van individuele ziekenhuisinitiatieven, zonder centrale sturing.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, bedwantsen worden meestal gezien als een probleem voor de hotelsector maar ze blijken ook een probleem voor de gezondheidssector. Er was immers een bedwantsenprobleem in centrum 127bis en ook in Lochristi diende in september vorig jaar een crèche drie weken haar deuren te sluiten wegens een bedwantsenprobleem.

Ook zorginstellingen ontsnappen dus niet aan deze plaag. Dat is ergens evident, want in ziekenhuizen vinden bedwantsen een warme, beschermde omgeving waarin ze goed kunnen gedijen. De factoren die bijdragen tot de opkomst van bedwantsen in de gezondheidszorg zijn bijvoorbeeld het snelle verloop van patiënten en de vele bezoekers en leveranciers.

Het is voor de verantwoordelijken binnen de zorginstelling belangrijk om te weten waar de plaatsen met een hoog risico zich bevinden en om een aangepast protocol te hebben om overlast van bedwantsen te voorkomen. Helaas gebeurt het vaak dat organisaties pas in actie schieten wanneer het probleem zich voordoet. In het belang van de gezondheid, de veiligheid en de kosten is het echter belangrijk om op voorhand protocollen te hebben.

Opvolging van het probleem is vooral nodig omdat bedwantsen ernstige overlast geven en het aantal casussen duidelijk toeneemt.

Kunt u aangeven hoe vaak er bedwantsbesmettingen voorkomen in Belgische ziekenhuizen en zorginstellingen? Welke omvang hebben die besmettingen?

Hoe vaak dienen gezondheidsinstellingen of afdelingen ervan ontruimd te worden om ontsmet te worden?

Welke maatregelen zijn er om bedwantsbesmettingen in ziekenhuizen te voorkomen? Hoe worden gezondheidswerkers getraind rond bedwantsenbesmettingen?

Zijn er richtlijnen van de FOD Volksgezondheid ter preventie van bedwantsbesmettingen in ziekenhuizen?

Frank Vandenbroucke:

Ten eerste, er is geen meldingsplicht voor bedwantsen. Er zijn dus ook geen specifieke nationale statistieken beschikbaar over het aantal bedwantsbesmettingen in Belgische ziekenhuizen. Er zijn wel geïsoleerde gevallen gerapporteerd.

Ten tweede, er zijn geen algemene gegevens over het aantal ontruimingen van gezondheidsinstellingen of -afdelingen in België vanwege bedwantsbesmettingen.

Ten derde, vroege detectie en actie ten aanzien van bedwantsbesmettingen is belangrijk. Ziekenhuizen nemen nu al verschillende algemene maatregelen, die niet specifiek op bedwantsen gericht zijn, maar die in dat geval ook wel effectief zijn.

Ten eerste, er zijn preventieve maatregelen die ziekenhuizen nemen binnen het kader van hun bredere infectiepreventiebeleid. Er bestaan verschillende richtlijnen voor strikte hygiëneprotocollen, zoals die voor de ontsmetting van de omgeving ter voorkoming van multidrugresistente micro-organismen en die voor beddengoed.

Ten tweede, er zijn de maatregelen die ziekenhuizen kunnen nemen als een besmetting wordt vastgesteld. Zo is het een gebruikelijke praktijk in ziekenhuizen bij het vaststellen van ongedierte zoals bedwantsen om een erkende professional in te schakelen die met biociden werkt.

Ten derde, er zijn een aantal andere algemene best practices die ook helpen, zoals periodieke inspecties door de schoonmaakploegen in de ziekenhuizen die hygiëneproblemen kunnen opsporen, inspectie en zo nodig behandeling van de persoonlijke bezittingen van patiënten bij opname om de introductie van ongedierte te voorkomen – dat wordt voornamelijk toegepast bij de opname van bepaalde risicogroepen – en zorgpersoneel dat in zijn totale zorg ook aandacht heeft voor het herkennen van bedwantsen en de sporen van bedwantsen, namelijk beten, uitwerpselen en dode insecten.

Ten vierde, wat zijn de richtlijnen ter preventie? Onze Hoge Gezondheidsraad heeft richtlijnen voor infectiepreventie in ziekenhuizen, maar er zijn geen specifieke richtlijnen gepubliceerd die zich uitsluitend richten op de preventie van bedwantsbesmettingen. Bedwantsen zijn geen gevaar voor de volksgezondheid, omdat ze geen ziektes overdragen, maar ze kunnen wel vervelend zijn en hinder veroorzaken, zoals beten, jeuk, ongerustheid en niet kunnen slapen. Dat is natuurlijk niet goed voor de gezondheid.

Ziekenhuizen worden aangemoedigd om interne procedures te ontwikkelen en samen te werken met gespecialiseerde ongediertebestrijdingsdiensten om bedwantsen effectief te beheersen indien nodig.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, uw eerste antwoorden zijn natuurlijk typisch voor dit land. Er is geen meldingsplicht en dus zijn er geen statistieken of algemene gegevens. Het is een oud zeer, maar een heel pijnlijk zeer dat wij heel weinig gegevens hebben over van alles en nog wat. Ook over deze casus hebben wij weinig tot geen gegevens, wat natuurlijk jammer is, want meten is weten. Als men het niet kan meten, kan men het ook niet weten. Uiteraard zijn er preventieve maatregelen in brede zin. Het is waar dat bedwantsen geen probleem voor de volksgezondheid zijn, maar zij kunnen zeer onaangenaam zijn. Er rust ook nog een soort taboe op, want mensen zeggen niet graag dat ze er last van hebben, omdat men dan gemakkelijk het etiket opgekleefd krijgt dat men niet zo hygiënisch is. Er zijn ook geen specifieke richtlijnen hieromtrent. Het is natuurlijk jammer dat als men in het ziekenhuis terechtkomt voor bijvoorbeeld een nieuwe heup, men kan buitenkomen met een nieuwe heup en ook vaak met ziekenhuisbacteriën en besmet kan worden door bedwantsen en dergelijke meer. Ziekenhuizen zouden de plaats bij uitstek moeten zijn waar de hygiëne voor 200 % wordt nageleefd, zodat men niet geplaagd wordt door zulke onaangenaamheden in een dergelijke setting.

Obesitas bij kinderen

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat obesitas bij kinderen – met sterke stijging in kwetsbare groepen – een prioriteit is, maar benadrukt dat een interfederaal actieplan (met preventie, zorg en welzijn) nog in ontwikkeling is, na een protocolakkoord in november 2023. Concreet loopt al een terugbetaald multidisciplinair zorgmodel voor ernstige obesitas (sinds 1/12/2023) en worden preventieprogramma’s (vroegdetectie, eerste lijn) de komende maanden uitgewerkt, zonder vaste deadline. Financiële prikkels (zoals premiekortingen) of nationale reductiedoelen werden niet toegezegd, wel lokaal-regionale cofinanciering via RIZIV-gemeenschapsakkoorden. Bury dringt aan op opvolging, maar blijft zonder concrete tijdslijn.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, een recent rapport van Sciensano belicht de groeiende sociaal-economische verschillen in het voorkomen van overgewicht bij kinderen in België. Tussen 1997 en 2018 is het aantal kinderen met overgewicht aanzienlijk toegenomen, vooral in sociaal-economisch zwakkere gezinnen. Het probleem vraagt om urgente beleidsmaatregelen, gericht op preventie en ondersteuning, met een bijzondere aandacht voor kinderen uit achtergestelde milieus.

De toename in overgewicht verhoogt de risico’s op latere gezondheidsproblemen, zowel op korte als op lange termijn. Met de aanwezigheid van een obesogene omgeving en de sterke associatie tussen armoede, slechte voedingsgewoonten en beperkte bewegingsmogelijkheden is die toename een heel dringende uitdaging voor Volksgezondheid.

Hebt u plannen om een nationaal actieplan op te stellen met duidelijke reductiedoelen voor obesitas en overgewicht, enigszins vergelijkbaar met de actieplannen tegen tabak? Kan ter zake een doelstelling worden vastgelegd met een jaarlijkse rapportage om de vooruitgang te monitoren?

Bent u bereid te onderzoeken of kortingen kunnen worden toegekend op ziekenkostenpremies voor wie effectief deelneemt aan obesitaspreventieprogramma’s of die een gezondere levensstijl volgen? Die aanpak is in sommige landen succesvol gebleken. De gezonde keuzes worden gestimuleerd wanneer daaraan een pecuniair voordeel is verbonden.

Ziet u de mogelijkheid om samen met de verzekeringssector plannen te maken die de toegang tot preventieve zorg- en gewichtsmanagementprogramma’s aantrekkelijker maken door ook op dat vlak kortingen of premiekortingen te geven aan wie aan die gezondheidstrajecten deelneemt?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, de aanpak van obesitas is een belangrijke maatschappelijke uitdaging. Het RIZIV en de FOD Volksgezondheid hebben de ambitie om te komen tot een resultaatsgericht interdisciplinair stepped-care zorgmodel, een model dat aangepast kan worden volgens de individuele noden en de context van het kind. In ons land hebben we daarvoor een interfederale aanpak nodig. In 2022 werden daarom besprekingen gestart in de interministeriële conferentie Volksgezondheid om een interfederaal plan geïntegreerde zorg tot stand te brengen. Dat leidde op 8 november 2023 tot een protocolakkoord.

Een van de afspraken daarbij betreft het opzetten van interfederale programma's voor geïntegreerde zorg, waarbij een brug wordt gelegd tussen zorg en welzijn, tussen curatie en preventie en waarbij cofinanciering wordt afgesproken voor bepaalde activiteiten op het niveau van de zorggebruikers, alsook cofinanciering op het locoregionaal niveau. Daartoe kunnen overeenkomsten worden gesloten tussen het Verzekeringscomité van het RIZIV en de gemeenschapsadministraties. Dat is bijvoorbeeld al concreet het geval voor een programma van perinatale zorg voor kwetsbare moeders en hun kinderen. Eenzelfde aanpak is in voorbereiding om tot een programma van geïntegreerde zorg voor kinderen en jongeren met een risico van overgewicht en obesitas te komen.

Het RIZIV gaf samen met een werkgroep met experts ook al vorm aan het tweede en het derde zorgniveau in geval van ernstige obesitas. In die context wordt sinds 1 december 2023 multidisciplinaire ambulante opvolging voor kinderen met obesitas in speciaal daarvoor opgerichte pediatrische multidisciplinaire expertisecentra terugbetaald.

De aanpak voor vroegdetectie, primaire preventie en het eerste niveau worden in de komende maanden interfederaal uitgewerkt. Wij hebben daarbij een brede, populatiegerichte aanpak voor ogen, die zich richt op zowel kinderen en jongeren met obesitas als kinderen en jongeren met overgewicht of een kans op overgewicht.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Uit uw antwoord begrijp ik dat het preventieve luik een work in progress is, waarvoor naar ik aanneem geen deadline van kracht is.

Frank Vandenbroucke:

Inderdaad.

Katleen Bury:

Ik volg het dossier verder op.

Het actieplan handhaving in de gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt lopende grote fraudedossiers in de gezondheidszorg met betrokkenheid van internationale misdaadorganisaties, maar weigert details omwille van het gerechtelijk onderzoek onder leiding van het Arbeidsauditoraat. Gijbels wijst op structurele tekorten (dalend aantal inspecteurs, slechte opvolging) en dringt aan op versterkte aanpak van witwas- en zwartwerkpraktijken in de zorg. De dossiers combineren financiële fraude en illegale tewerkstelling, maar concrete bedragen, sectoren of status blijven onbekend. Transparantie wordt beloofd zodra er vonnissen vallen.

Frieda Gijbels:

In het actieplan handhaving in de gezondheidszorg voor 2024-2026 kunnen we lezen dat de laatste jaren het aantal door de DGEC vastgestelde fraudegevallen in de gezondheidszorg is toegenomen. In 2023 was die toename zeer afgetekend. In het rapport wordt een parallel getrokken met onze buurlanden Frankrijk en Nederland. Zo wordt vermeld dat in Nederland het zorglandschap wordt misbruikt door de internationale misdaadorganisaties om geld wit te wassen of buitenlanders via zwartwerk aan het werk te stellen in de zorg. Dat is verontrustend. Er wordt ook melding gemaakt van enkele grote fraudedossiers in Belgi ë waarbij de internationale misdaadorganisaties zijn betrokken en die door de DGEC en het Arbeidsauditoraat worden behandeld.

Kunt u hierover meer informatie verschaffen? Over hoeveel en over welke dossiers gaat het? In welke sector doen de fraudegevallen zich voor? Betreft het witwaspraktijken of illegale tewerkstelling, of beide? Kunt u dat specificeren? Over welke bedragen gaat het? Wat is de link met de misdaadorganisaties? Wat is de status van die dossiers?

Frank Vandenbroucke:

Ik kan bevestigen dat enkele grote fraudedossiers met zorgverstrekkers lopende zijn. Gezien de ernst van de dossiers gebeuren de controleonderzoeken onder leiding van het Arbeidsauditoraat. De administratie is bijgevolg niet bevoegd om daarover te communiceren of nadere details te bezorgen.

Frieda Gijbels:

Ik veronderstel dat zodra uitspraken vallen, wij daar inzage in zullen krijgen. Tussen de regels van het rapport lees ik dat er een probleem is met de opvolging en het bijhouden van fraudedossiers. Men meldt ook een daling van het aantal sociaal inspecteurs. Als het gaat om grote dossiers gelinkt aan internationale misdaadorganisaties met fraude en eventueel misbruik van het zorglandschap, zou daar volop op moeten worden ingezet en zou men die dossiers onder een vergrootglas moeten leggen.

Het personeelstekort in de ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De personeelstekorten in ziekenhuizen leiden tot tijdelijke sluitingen van afdelingen (geen structurele data beschikbaar), maar minister Vandenbroucke bevestigt geen realtime registratie van bedden, wachtlijsten of patiëntstromen (bv. psychiatrische patiënten in woonzorgcentra). Frieda Gijbels benadrukt de urgentie van transparantie en stelt voor om – zonder extra administratie – digitale gegevens te bundelen voor gerichte maatregelen, zoals personeelsuitwisseling tussen ziekenhuizen (naar Nederlands model). De toegankelijkheid en veiligheid van zorg staan onder druk door langere wachttijden, maar concrete cijfers en oplossingen ontbreken. Bevoegdheidsversnippering (bv. rusthuizen onder gemeenschappen) bemoeilijkt een integrale aanpak.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, wij weten al langer dat er sprake is van personeelsproblemen in de zorg en meer specifiek in de ziekenhuizen. Er zijn ondertussen inspanningen geleverd om personeel aan te trekken voor de ziekenhuizen, maar we stellen vast dat verschillende ziekenhuizen nu echt afdelingen moeten sluiten. Dat heeft natuurlijk een impact op de toegankelijkheid van de zorg.

In hoeveel ziekenhuizen werden er afdelingen gesloten en welke afdelingen zijn dat dan? Om hoeveel bedden gaat het telkens? Zijn er regionale trends waarneembaar? Leidt dat tot wachtlijsten of heeft het andere neveneffecten, zoals psychiatrische patiënten die meer in de woonzorgcentra terechtkomen? Kunt u daar iets meer over vertellen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de definitieve sluiting van bedden die door de gemeenschappen aan mijn administratie wordt meegedeeld en de tijdelijke stopzetting van activiteiten in bepaalde diensten om organisatorische redenen. Die tijdelijke stopzettingen kunnen te maken hebben met schommelingen in de activiteit, onder meer tijdens de zomerperiode, met personeelstekorten of met het niet meer beantwoorden aan de erkenningsnormen.

Mijn administratie beschikt niet over structurele gegevens over dergelijke tijdelijke sluitingen. Er bestaat geen realtime registratie van beschikbare ziekenhuisbedden. Er is bovendien geen registratie van wachttijden of wachtlijsten in België. Ook inzake de opname van patiënten in een woonzorgcentrum en de kenmerken van die patiënten beschik ik niet over de gevraagde informatie. U weet ook dat de integrale bevoegdheid inzake rusthuizen tot het domein van de gemeenschappen behoort.

Frieda Gijbels:

Gezien de ernst van de problematiek en de implicaties voor de toegankelijkheid en de veiligheid van de zorg moeten wij toch proberen om daar een duidelijker beeld van te krijgen. Ik vraag zeker niet meer administratieve belasting voor de ziekenhuizen, maar er wordt al zo veel digitaal geregistreerd dat het volgens mij niet moeilijk kan zijn om er toch een beeld van te krijgen, zodanig dat er ook maatregelen genomen kunnen worden. We lazen onlangs in de pers dat er in Nederland uitwisselingen zijn tussen de ziekenhuizen. Een ziekenhuis in Arnhem met een overschot aan personeel wisselt dat uit met een ander ziekenhuis. Het is echt wel wenselijk dat we daar kunnen helpen, stimuleren of minstens een duidelijker beeld kunnen verkrijgen, zeker omdat het een ernstige problematiek is. Het gaat over patiënten die vandaag echt wel langer moeten wachten dan vroeger het geval was.

De referentiecentra voor zeldzame ziekten

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België blijft achterop in de organisatie van zorg voor zeldzame ziekten door het ontbreken van erkende referentiecentra, ondanks een KB uit 2014 en een onvolledig uitgevoerd plan uit 2013, wat leidt tot late diagnoses en gebrek aan gespecialiseerde zorg. Minister Vandenbroucke bevestigt dat er wel expertise is maar geen fysieke centra, ondanks de wettelijke basis, en kondigt een nieuw beleidsplan aan—met mogelijke centra in de volgende legislatuur—maar zonder concrete deadline. Hij benadrukt Europese samenwerking en betere informatievoorziening voor huisartsen, maar Bury kritiseert het uitblijven van daadkracht en wacht op tastbare stappen na de regeringsvorming. De kern: België mist structurele oplossingen terwijl patiënten jarenlang wachten.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, in België wordt de zorg voor patiënten met zeldzame ziekten nog steeds niet optimaal georganiseerd. In tegenstelling tot veel andere Europese landen ontbreken bij ons al jaren de noodzakelijke referentiecentra voor zeldzame ziekten. Dat veroorzaakt grote problemen voor de betrokken patiënten, die vaak jaren moeten wachten op een juiste diagnose en op toegang tot gespecialiseerde zorg. Het is zorgwekkend dat het plan uit 2013, dat bedoeld was om die situatie aan te pakken, nog steeds niet volledig werd uitgevoerd. Patiënten verliezen hierdoor niet alleen kostbare tijd, maar worden ook met onnodige stress en onzekerheid geconfronteerd.

Mijnheer de minister, waarom heeft België, ondanks het plan uit 2013, nog steeds geen referentiecentra voor zeldzame ziekten, terwijl landen als Frankrijk daar al 20 jaar ervaring mee hebben?

Hoe verklaart u dat er in België geen duidelijke afspraken zijn over de ziekenhuizen die als expertisecentra kunnen dienen?

Bestaan er studies of data over de medische gevolgen van de situatie, zoals het gemiddeld aantal verloren jaren voordat patiënten de juiste behandeling ontvangen?

Welke concrete stappen zult u ondernemen om het plan van 2013 effectief te realiseren?

Op welke manier zullen huisartsen toegang krijgen tot actuele informatie over de expertise per ziekenhuis in het kader van zeldzame ziekten?

Frank Vandenbroucke:

De aanpak van zeldzame ziekten is een belangrijke prioriteit. In België is het proces om expertise te identificeren al enkele jaren aan de gang. Het KB van 25 april 2014 legt de erkenningsnormen vast waaraan een functie zeldzame ziekte moet voldoen om te kunnen worden erkend.

De aanwezigheid van expertise voor een bepaalde zeldzame ziekte of een groep van zeldzame ziekten is in die normen opgenomen. In 2024 is het RIZIV ook gestart met de invoering van een generieke overeenkomst voor vier zeldzame ziekten, waarbij we zullen starten met epidermolysis bullosa.

Naast de activiteiten op nationaal niveau is België actief betrokken bij de werkzaamheden van de 24 Europese referentienetwerken voor zeldzame ziekten. Die virtuele netwerken van zorgverleners uit heel Europa werden in 2017 door de Europese Commissie gelanceerd.

Naast die acties heb ik aan de administraties de opdracht gegeven om een nieuw plan voor zeldzame ziekten voor te bereiden dat tegemoetkomt aan de behoeften van de patiënten en iedereen die op dat gebied actief is. We werken daarvoor nauw samen met huisartsen, patiënten en allerlei belanghebbenden.

Het toekomstige plan voor zeldzame ziekten moet mensen met een zeldzame ziekte en hun omgeving duidelijkheid geven over de locatie waar de meest geschikte expertise aanwezig is en ervoor zorgen dat de diagnose zo tijdig mogelijk kan worden gesteld en dat de toegang tot kwaliteitsvolle zorg en ondersteuning wordt geoptimaliseerd, zodat de levenskwaliteit van die patiënten kan verbeteren.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, uw nieuw plan geeft aan waar de expertise aanwezig is, maar er is daarin geen sprake van echte referentiecentra voor zeldzame ziekten. Begrijp ik het goed dat u met de ziekenhuizen bekijkt waar een dergelijk centrum eventueel zou kunnen worden geïmplementeerd en dat er in het plan geen sprake is van die centra?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, er is sinds 2014 al een koninklijk besluit dat het mogelijk zou maken om behalve de ziekenhuizen die een zogenaamde functie zeldzame ziekte hebben en dus erkend zijn – zo zijn er een aantal –, ook in erkende expertisecentra voor specifieke zeldzame ziekten te voorzien. Die zijn nooit opgericht. Dat is ook niet evident. Er zijn een aantal redenen waarom die bepaling dode letter is gebleven.

Ik denk momenteel hard na over een manier om die bepaling in de komende legislatuur toch in praktijk te brengen en te voorzien in een erkend centrum voor specifieke zeldzame ziekten in het kader van een nieuw beleidsplan.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik kijk dan uit naar de nieuwe plannen. Ik heb geen deadline gehoord. Ik neem echter aan dat wij eerst de nieuwe regering moeten afwachten, vooraleer er verder werk van dat plan zal worden gemaakt. Dat is de zoveelste keer vannamiddag. Ik volg het dossier op.

Cannabisvapes
Cannabisvapes
Elektronische cannabisverdampers

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de toenemende populariteit van illegale cannabisvapes onder jongeren en de onvoldoende handhaving van bestaande verboden (CBD in vapes sinds 2024, THC/HHC als drugs). Minister Vandenbroucke bevestigt dat inspectiediensten en politie bevoegd zijn, maar specifieke cijfers ontbreken; inbreuken (66% bij controles) worden vaak overgedragen aan douane/politie. Concrete maatregelen beperken zich tot bijkomend advies van de Hoge Gezondheidsraad, terwijl oppositie (Peeters, Van Hoof) strengere sancties eist, zoals sluiting van verkooppunten om de aantrekkelijkheid en beschikbaarheid voor jongeren te verminderen.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, ik blijf een beetje op hetzelfde hameren. Na mijn vragen over snus en vapes in het algemeen wil ik graag ook nog een vraag stellen over een specifiek type van elektronische sigaret. Naast de opmars van de gewone vapes en smartvapes, zien we immers ook een toenemende populariteit van cannabisvapes, voornamelijk onder jongeren. Dat is ook een zeer verontrustende trend. Vapes met cannabisextracten zijn immers illegaal. Zowel het gebruik als het verhandelen ervan zijn dus strafbaar, maar ook risicovol.

In uw antwoord op mijn vorige vraag verwees u al naar kankerspecialist Filip Lardon. In zijn recentste studie staat ook een passage waarin hij cannabisvapes vermeldt. Hij stelt dat er geen controle is op de kwaliteit en de inhoud van dat soort vapes. We moeten als samenleving dus alles in het werk stellen om de bevolking, in het bijzonder onze minderjarigen, ver weg te houden van dat soort drugs.

Mijnheer de minister, welke stappen zult u zetten om het gebruik van dit soort vapes tegen te gaan, om jongeren te beschermen en de volksgezondheid te waarborgen?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, ik sluit me graag aan bij de vraag van collega Peeters.

Het VAD stelde in een onlinebevraging vast dat cannabisvapes heel populair zijn. Twee derde van de respondenten gaf aan dat ze dergelijke vapes hanteerden. Het gaat hier voornamelijk over vapes met cannabisachtige stoffen, de zogenaamde cannabisvapes. Die zijn in ons land dus verboden. Door de inwerkingtreding van het gewijzigd koninklijk besluit van 28 oktober 2016 is ook CBD sinds 11 januari 2024 volledig verboden in vapevloeistoffen.

Naar aanleiding van een recente schriftelijke vraag was het mij ook al opgevallen dat uw inspectiediensten inbreuken op de samenstelling hadden vastgesteld in 66 % van de gevallen op 316 controles. Het ging dan over additieven zoals vitamines, taurine, cafeïne en cannabis.

Mijn vraag is dus heel specifiek wanneer de inspectiediensten dit vaststellen. Hoe concreet stellen zij dat vast inzake cannabis? Wat zijn de cijfers ter zake? Hoe wordt de regelgeving gehandhaafd? Het is immers een probleem dat de regelgeving al een tijdje bestaat, maar dat ze in een groot aantal gevallen aan de laars wordt gelapt, zowel op het vlak van etikettering en samenstelling als op het vlak van notificatie.

Zoals u stelt zijn verdere stappen nodig. Ik wou echter ook van u horen hoe wij vandaag omgaan met de cannabisvapes.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Van Hoof, de term cannabisvape is een parapluterm waaronder uiteenlopende producten vallen, afhankelijk van welke component van de cannabisplant erin voorkomt.

Het koninklijk besluit van 28 oktober 2016, waarnaar u verwijst, verbiedt de aanwezigheid van cannabidiol of CBD in e-liquids , zowel de liquids met als zonder nicotine. CBD heeft geen psychoactieve werking, maar wordt verboden op basis van een verbod op additieven die de indruk wekken dat een e-sigaret gezondheidsvoordelen kan bieden. De inspectiedienst van de FOD Volksgezondheid voert ook controles uit op dat verbod.

De zogenaamde cannabisvapes kunnen echter ook psychoactieve componenten bevatten, zoals THC of tetrahydrocannabinol en HHC of hexahydrocannabinol. Die componenten zijn opgenomen in het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende de regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen. Dat betekent dat producten met die componenten als illegale drugs worden beschouwd. De politie en de douane zijn bevoegd om die producten in beslag te nemen bij de vaststelling van inbreuken. Meer informatie over dat type product kan u opvragen bij mijn collega van Binnenlandse Zaken.

De Dienst Inspectie Consumptieproducten van de FOD Volksgezondheid heeft geen specifieke cijfers over de aanwezigheid van cannabisvapes. De producten worden voornamelijk occasioneel aangetroffen. Indien op basis van de verpakking blijkt dat ze psychotrope stoffen zoals HHC bevatten, dan wordt de afhandeling aan douane en politie overgelaten.

Ik ben het met u eens dat we jongeren moeten beschermen tegen het gebruik van e-sigaretten, inclusief cannabisvapes. Ik voorzie geen specifieke maatregelen enkel voor cannabisvapes, aangezien de samenstelling op dat vlak al gereglementeerd is. Wel zal ik de Hoge Gezondheidsraad bijkomend advies vragen over hoe we in het algemeen de aantrekkelijkheid van dit soort producten, specifiek voor jongeren, verder kunnen inperken.

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, ik dank u omdat u bijkomend advies zult vragen. Wij volgen dit zeker mee op.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Inderdaad, advies is goed, maar ik denk dat we in de handhaving verder moeten durven te gaan. Men volhardt in de boosheid in de verschillende verkooppunten. U hebt al aangekondigd dat de tijdelijke sluiting van bepaalde zaken een optie zou kunnen zijn. Ik zou willen aandringen om in die richting te gaan. Als het immers toch niet wordt bestraft, wat houdt de verkooppunten dan tegen om verder te gaan met de verkoop van die producten? Voor ons vormen handhaving en sanctionering belangrijke bijkomende stappen.

De terugbetaling van Kaftrio voor patiënten met minder voorkomende mucomutaties
Mucoviscidose
Mucoviscidose en terugbetaling van Kaftrio voor zeldzame mutaties

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 januari 2025

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt dat Kaftrio vanaf 1 februari 2024 wordt terugbetaald voor kinderen van 2–5 jaar, en onderzoekt via een *pay-for-performance*-model (CTG-procedure) toegang voor patiënten met zeldzame mutaties (70+ personen), met een mogelijke oplossing voor zomer 2025. Terugbetaling voor baby’s (1–2 jaar) en Kaftrio+Kalydeco blijft uitgesteld (EMA-goedkeuring pas na 2027), ondanks pleidooien voor vroege interventie en kostenefficiëntie op lange termijn. Depoorter kritiseert het ontbreken van urgentie voor jonge kinderen, terwijl Farih de voortgang positief onthaalt.

Nawal Farih:

Ik verwijs naar de schriftelijk ingediende vraag.

Geachte minister, tijdens de Europese Mucoweek riep de Mucovereniging nogmaals op tot de terugbetaling van Kaftrio voor alle mensen met muco die er baat bij hebben.

Sinds 1 september 2022 wordt Kaftrio al volledig terugbetaald in ons land voor kinderen vanaf 12 jaar die in aanmerking komen. Vanaf 1 februari 2023 is dit eveneens het geval voor kinderen vanaf 6 jaar. Alles samen gaat het om 873 mensen met de meest voorkomende mucomutatie. Toch zou Kaftrio nog meer mensen met muco kunnen helpen, namelijk patiënten met een minder voorkomende mutatie. In België zou het gaan om zo'n 70 mensen. Ook voor deze patiënten kan het medicijn een wereld van verschil maakt voor hun levenskwaliteit én -verwachting. Voor hen wordt het echter nog niet terugbetaald in België.

Vandaag kan in Frankrijk iedereen die 6 jaar of ouder is en niet de meest voorkomende mutatie heeft, Kaftrio op proef krijgen. Als ze na deze proefperiode positief reageren op het geneesmiddel, krijgen ze toegang tot het geneesmiddel. Dit gebeurt in de vorm van een medisch noodprogramma, gefinancierd door de Franse overheid. Dit programma hanteert eigenlijk gelijkaardige voorwaarden als ons Medical needprogramma.

U zei eerder in antwoord op parlementaire vragen van mijn collega Nathalie Muylle dat u een tweetal pistes aan het onderzoeken was. Ten eerste zou u contact opnemen met Frankrijk en bekijken of dat hun systeem hier mogelijk is. U zei dat Vertex daar al een positief advies gekregen heeft, en dat het ook hier een dossier moet indienen bij de CTG. Ten tweede hebt u toen ook in uw antwoord gesproken over een alternatieve route, die via het Medical Needprogramma via het FAGG.

Mijn vraag voor de minister:

Kan u een stand van zaken geven voor een mogelijke terugbetaling van Kaftrio voor de minder voorkomende mucomutaties?

Is er zicht op enige timing hiervoor?

Kathleen Depoorter:

Ik verwijs eveneens naar de schriftelijk ingediende vraag.

Afgelopen week stond in het teken van de Muco Week, waarin het belang van neonatale screening voor een snelle diagnose van mucoviscidose werd benadrukt. Dankzij deze screening worden steeds meer patiënten op jonge leeftijd gediagnosticeerd, wat cruciaal is aangezien een snelle opstart van therapie het ziekteproces significant kan verbeteren. Uit cijfers blijkt echter dat in ons land 11 patiënten tussen de 1 en 2 jaar oud momenteel geen toegang hebben tot therapie of geen terugbetaling genieten voor beschikbare behandelingen. Voor kinderen tussen 2 en 5 jaar is er wel terugbetaling voorzien voor lumacaftor/ivacaftor (Orkambi). De terugbetaling van ivacaftor/tezacaftor/elexacaftor (Kaftrio) is echter nog niet voorzien voor deze leeftijdsgroep.

Nederlandse cijfers tonen aan dat behandeling met Kaftrio leidt tot een daling in het aantal longtransplantaties en het gebruik van intraveneuze antibiotica bij patiënten. Dit illustreert de grote meerwaarde van deze therapie voor de levenskwaliteit en het gezondheidsverloop.

Graag verneem ik het volgende van u:

Is er voorzien in terugbetaling van medicatie voor baby's tussen 1 en 2 jaar oud? Zijn er lopende of afgesloten aanvragen om dit mogelijk te maken? Wat zou de budgettaire impact zijn van een eventuele terugbetaling?

Is de terugbetaling van Kaftrio voor kinderen tussen 2 en 5 jaar voorzien? Zijn er lopende aanvragen hiervoor? Bent u bereid om de terugbetaling van Kaftrio voor deze leeftijdsgroep te bekijken, gezien de positieve resultaten in buurlanden?

Tijdens een vorige sessie werd ook gesproken over terugbetaling voor patiënten met zeldzame mutaties. Welke stappen zijn inmiddels genomen om dit te realiseren? Wat is de huidige stand van zaken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Farih, over Kaftrio kan ik meegeven dat ik inderdaad mogelijke pistes heb onderzocht. U verwijst daar ook naar.

Op de vraag om een Medical Needprogramma via het FAGG op te starten in België is de firma niet ingegaan. De firma kan ook nog geen dossier voor de terugbetaling bij de CTG indienen, gezien de specifieke indicatie, waarover u het in uw vraag hebt, en aangezien de marktautorisatie door het EMA nog niet is toegekend.

De procedure bij het EMA loopt. De uitspraak wordt in de nabije toekomst verwacht.

Gezien de vele wachtende patiënten en ouders, de aard van de ziekte en de mogelijkheid van een proefperiode, waarbij op basis van vooraf vastgelegde objectief meetbare responscriteria na een bepaald aantal weken reeds kan worden bepaald of patiënten al dan niet positief reageren, heb ik echter niet willen wachten tot de firma een aanvraag bij de CTG kon indienen.

Ik wil een oplossing proberen te bieden om de betrokken patiënten liefst zo snel mogelijk de mogelijkheid te geven om Kaftrio te testen en, indien ze goed reageren, toegang te geven tot een behandeling met Kaftrio.

Ik heb eerder dit jaar zelf bij de CTG een procedure tot wijziging van de vergoedingsmodaliteiten voor Kaftrio opgestart om te evalueren of Kaftrio, in afwachting van een diepgaande evaluatie en CTG-procedure bij het indienen van een volledig dossier door de firma na EMA-goedkeuring, toegankelijker kan worden gemaakt voor mensen met muco vanaf twee jaar met de zeldzamere non-F508del-mutaties.

Ik heb aan de CTG gevraagd om bij de analyse de opportuniteit van een tijdelijke overeenkomst, dus een zogenaamd contract volgens artikel 111, te evalueren, waarbij aan de firma een extra compensatie wordt gevraagd voor die patiënten volgens een pay for performance -principe of op basis van respons en dit gedurende de periode tot er een beslissing is op basis van het volledige dossier van de firma.

We beschikken in België over een performant mucoregister, waardoor er heel betrouwbare gegevens zijn over het aantal patiënten en ook welke mutaties die patiënten hebben. De vergoedingscriteria kunnen toelaten verdere specificaties in verband met start- en/of stoppingrules toe te voegen die een pay for performance kunnen ondersteunen.

De procedure bij de CTG is momenteel lopend. Als we samen met het bedrijf tot een oplossing kunnen komen, dan zal dat volgens de tijdslijn die mij nu is meegedeeld, ergens voor de zomer van 2025 afgerond moeten zijn.

Ik wil ten slotte nog meegeven dat er in België een tweehonderdtal patiënten zijn met mucoviscidose zonder F508del-mutatie, van wie naar schatting de helft positief zou kunnen reageren.

Mevrouw Depoorter, er is recent een procedure gesloten bij de CTG voor de terugbetaling van Orkambi voor baby's tussen 1 en 2 jaar oud. De CTG had voorgesteld om die uitbreiding niet terug te betalen. Ik heb na dat negatieve voorstel van de CTG toch onderhandelingen opgestart op basis van artikel 113 vanwege de bestaande medische nood bij jonge patiënten die vroeg gediagnosticeerd worden met de ziekte en voor wie momenteel tot de leeftijd van 2 jaar enkel ondersteunende therapie vergoedbaar is.

Die onderhandelingen hebben spijtig genoeg niet tot een uitbreiding van de terugbetaling geleid. De huidige kosten per patiënt op jaarbasis voor een terugbetaling met Orkambi bedragen 136.200 euro op lijstprijsniveau, indien van een perfecte therapietrouw wordt uitgegaan. De door u genoemde 11 patiënten zouden dus resulteren in bijkomende brutokosten van 1,5 miljoen euro per jaar.

Er wordt zowel door de ouders als door de artsen uitgekeken naar Kaftrio, dat krachtiger is dan Orkambi. Het is momenteel voor kinderen tussen 1 en 2 jaar niet mogelijk om behandeld te worden met Kaftrio, dat wordt gegeven in combinatietherapie met Kalydeco.

Er loopt wel een studie die het effect onderzoekt, maar die zal naar schatting pas vanaf 2027 ten vroegste aanleiding geven tot uitbreiding van het label door het EMA. Vervolgens zal de firma een dossier kunnen indienen bij de CTG, waarna een voorstel tot terugbetaling kan worden geformuleerd. Die terugbetaling zal dus nog niet meteen van toepassing zijn.

De huidige kosten per patiënt op jaarbasis voor een behandeling met Kaftrio en Kalydeco bedragen 212.000 euro op lijstprijsniveau, indien uitgegaan wordt van een perfecte therapietrouw. De door u genoemde 11 patiënten zouden resulteren in bijkomende brutokosten ten bedrage van 2,5 miljoen euro per jaar.

Voor baby's vanaf vier maanden oud met een 'gating-mutatie' wordt Kalydeco-monotherapie terugbetaald.

Tevens kan ik melden dat Kaftrio vanaf 1 februari ook terugbetaald zal worden voor kinderen van 2 tot 5 jaar die daarvoor in aanmerking kunnen komen. Daardoor kunnen ongeveer 70 kinderen met mucoviscidose met dat geneesmiddel behandeld worden.

Voorts heb ik, zoals ik daarnet al zei, een procedure gelanceerd die de terugbetaling bij patiënten zonder F508del-mutaties vanaf 2 jaar onderzoekt. Dat heb ik al uiteengezet in mijn antwoord aan mevrouw Farih.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb positieve antwoorden gekregen op de vragen die ik heb gesteld. Ik begrijp goed dat de terugbetaling geldt vanaf 1 februari 2024 voor kinderen tussen 2 en 5 jaar. Ook heb ik goed gehoord dat u al een procedure hebt opgestart bij het CTG zodat kinderen een proefperiode kunnen krijgen vanaf 2 jaar. Mogelijk zal dat in de zomer van 2025 landen. Bedankt.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, ik zal beginnen met het goede nieuws: vanaf 1 februari komt er een terugbetaling voor kinderen van 2 tot 5 jaar oud. Wat de zeldzame mutaties betreft, is pay for performance een goede oplossing, want we moeten resultaatgericht werken. Ik heb het wel wat moeilijk met uw antwoord over baby's tussen 1 en 2 jaar oud, want we weten absoluut dat vroegtijdig opstarten letsels voorkomt. U geeft in dat verband een brutoprijs van 136.000 euro per jaar, maar gaat totaal voorbij aan de gezondheidswinsten die tussen die 1 en 2 jaar kunnen worden gemaakt en de kosten die u voorkomt in het verdere levensverloop van dat kind. Ik heb het daar wat moeilijk mee. Hetzelfde geldt voor het feit dat u zegt dat we vanaf 2027 misschien een oplossing zullen hebben voor Kaftrio in combinatie met Kalydeco, maar dan zijn de kinderen die nu 1 jaar oud zijn, al 3 jaar. Voor kinderen tussen 1 en 2 jaar zou u dus ook aan pay for performance kunnen denken. Het gaat, zoals ik al zei, over 11 patiënten, voor wie dat een grote impact zou kunnen hebben op het verloop van de ziekte. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 59.

Het beperkte gebruik van de vouchers voor het Terug-naar-werkfonds
De re-integratie van langdurig zieken via een terug-naar-werktraject
Terug-naar-werkbeleid voor langdurig zieken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België telt evenveel langdurig zieken (500.000 personen, kost: 23 miljard/jaar) als Duitsland, ondanks goedbedoelde maar weinig effectieve maatregelen—zoals een boete van €1.800 voor ontslag om medische redenen, waar slechts 23 van 3.000 ontslagen werknemers gebruik van maakten. Minister Vandenbroucke erkent dat de doelgroep te beperkt was (alleen medische overmacht) en verruimt vanaf april naar alle invaliden, maar benadrukt dat werkgevers, ziekenfondsen en langdurig zieken zelf meer verantwoordelijkheid moeten nemen—met positieve signalen (meer progressieve wedertewerkstelling en informele trajecten). Oppositie (Ronse, N-VA) en meerderheid (Vanrobaeys, sp.a) eisen strengere, bindende maatregelen—geen vrijblijvendheid, maar actieve begeleiding op maat via VDAB/Forem/Actiris—met druk op werkgevers om re-integratie te prioriteren. Samenwerking tussen politiek en private sector (uitzendkantoren) moet tanden geven aan het beleid.

Axel Ronse:

Collega's, ik geef u een schrijnend cijfer: België telt evenveel langdurig zieken, dus personen die langer dan een jaar ziek thuiszitten, als het grote Duitsland. Onvoorstelbaar! Dat kost ons 23 miljard euro per jaar en het gaat over meer dan een half miljoen mensen. Dat is ontzettend veel.

Mijnheer de minister, ere wie ere toekomt, u hebt in de voorbije vijf jaar meer dan wie ook geprobeerd een aantal maatregelen te nemen om dat aantal terug te dringen Dat zijn goedbedoelde maatregelen, maar volgens mij papieren maatregelen, zonder tanden.

Ik heb er een aantal van geanalyseerd. Zo moet een bedrijf dat iemand wegens medische overmacht ontslaat, een boete van 1800 euro betalen. Die boete dient om een fonds te stijven dat ervoor moet zorgen dat wie ontslagen wordt wegens medische overmacht, met een soort cheque een begeleiding kan aankopen om opnieuw aan de slag te gaan. Dat fonds had in april al meer dan 5 miljoen euro opgehaald. Welnu, weet u hoeveel mensen gebruik hebben gemaakt van die vorm van begeleiding? Ik heb het vandaag gecheckt: dat zijn er 23 van de 3.000 werknemers die sindsdien wegens medische overmacht werden ontslagen.

Mijn vraag is eigenlijk heel eenvoudig. Wat is de reden dat het aantal mensen dat gebruikmaakt van die begeleiding, zo beperkt is?

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, het overkomt heel wat werknemers die langdurig op het werk uitvallen, dat ze na een periode van ziekte terug aan het werk willen, maar niet goed weten hoe ze daaraan moeten beginnen. Eigenlijk willen ze graag aan de slag, maar de vraag is hoe. Zij worden vaak van het kastje naar de muur gestuurd, van de personeelsdienst naar de arbeidsgeneeskundige dienst naar de hr-dienst. Dat is onaanvaardbaar.

Het is goed dat u werk hebt gemaakt van een oplossing voor het probleem, dat er terug-naar-werktrajecten worden aangeboden en coaches de langdurig zieken persoonlijk begeleiden en samen met de werkgevers nagaan welk werk nog haalbaar is. Dat is belangrijk, want werken is belangrijk om zich goed en gelukkig te voelen; het is meer dan alleen geld verdienen. Voor veel mensen is het zelfs een passie. Hoe langer men ziek thuis zit, hoe moeilijker het is om weer aan het werk te gaan. Mijnheer de minister, u hebt wat dat betreft – ere wie ere toekomt; de vorige spreker zei het ook al – een stap vooruit gezet en hebt opnieuw kansen gegeven aan langdurig zieken om weer en met betere begeleiding aan het werk te gaan.

Ook de werkgevers hebben daarin een verantwoordelijkheid. Men kan niet constant werknemers oppompen om dan, nadat ze ziek uitvallen, ze af te voeren en ervan uit te gaan dat men niets meer met hen kan doen. Het is goed dat er sancties zijn. Beter nog, de opbrengsten van die sancties worden geïnvesteerd in preventie en werkbaar werk. Dat is solidariteit, mijnheer de minister.

Welke evolutie ziet u vandaag?

Wat is de stand van zaken met betrekking tot de werkhervattingspremies? Hoe zorgen we ervoor dat werknemers daarvan effectief gebruikmaken?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer Ronse, we hebben inderdaad een maatregel genomen die zich specifiek richt op actie die georganiseerd wordt vanuit de private sector met private actoren. Dat idee is gegroeid bij Federgon, waarna wij dat hebben opgepikt en dan hebben beslist om de private sector te betrekken bij het bieden van kansen aan langdurig zieken om weer werk te vinden. We hebben die doelgroep eerst zeer nauw afgebakend tot mensen van wie het contact verbroken werd wegens medische overmacht. Zij zijn definitief ongeschikt verklaard in de context van hun bedrijf. We wilden die doelgroep via private actoren, bijvoorbeeld uitzendkantoren, acties aanbieden om ze kansen te bieden om weer werk te vinden.

Misschien zijn we wat te voorzichtig geweest. We hebben reeds voorzien dat in een tweede fase, vanaf 1 april, de doelgroep zeer sterk verruimd zal worden naar iedereen in invaliditeit. Voorlopig hebben we de doelgroep om budgettaire redenen zeer sterk ingeperkt. Voorlopig is de maatregel geen groot succes, maar toch denk ik dat we daar verder aan moeten werken.

Er is misschien ook nog werk aan het aanbod. Tot nu toe hebben een tiental organisaties zich ingeschreven en een erkenning gekregen om een initiatief op 439 locaties te ontwikkelen. Ik wil de private sector nog even de kans geven om daar een rol in te spelen.

Ik kijk ook uit naar de effecten van de verruiming van de doelgroep naar alle mensen in invaliditeit. Dan komt inderdaad de hele fameuze groep van langdurige zieken in aanmerking. Ik ben het echter volledig met u eens dat de beperkte reactie hierop en op een aantal andere maatregelen aantoont dat heel het beleid in de breedte moet worden versterkt en dat we nog veel meer zullen moeten inzetten op krachtige maatregelen die mensen nieuwe kansen geven.

Mevrouw Vanrobaeys, ik ben het met u eens dat we maximaal een beroep zullen moeten doen op de verantwoordelijkheid van de betrokken langdurig zieken, de ziekenfondsen, de preventieadviseurs-arbeidsartsen en de werkgevers. De verantwoordelijkheid van de werkgever is nu eenmaal cruciaal wanneer men iemand "ontslaat" en zijn of haar contract wegens medische overmacht verbreekt. Ook de werkgever zal meer moeten inzetten op re-integratie.

Er zijn inderdaad ook een aantal gunstige evoluties. Ik zal niet alle cijfers geven, want dat zou te veel vragen. Zo is er een aanzienlijke verbetering van het aantal werknemers die in progressieve wedertewerkstelling zijn ingestapt, een verbetering die zich blijft doorzetten. Ook het aantal personen dat zich bij de diensten voor arbeidsbemiddeling aanmeldt, is fors toegenomen, net zoals het aantal werknemers die zich gewoon tot hun werkgever richten met de vraag om een nieuwe kans te krijgen, de zogenoemde informele trajecten bij werkgevers, waarrond we niet veel regels bepalen.

Ik denk dus dat de zaken in beweging zijn. We mogen hierover zeker niet defaitistisch zijn, maar we zullen inderdaad een krachtiger beleid moeten voeren dat nog meer dan vroeger op de verantwoordelijkheid van eenieder, ook van de werkgever, een beroep zal moeten doen om werknemers die getroffen zijn door ziekte, echt kansen te geven om opnieuw aan de slag te gaan.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, u zegt eigenlijk op een heel beleefde manier dat u met de vivaldicoalitie niet de partners had om echt tanden te geven aan de maatregelen die u neemt. Wel, ik heb goed nieuws voor u: aan ons hebt u een warme partner om dat wel te doen. We zullen dat de komende maanden ook uitwerken. Ik kijk daar ongelofelijk hard naar uit, want het is broodnodig: 23 miljard euro, 500.000 werknemers die meer dan een jaar lang ziek thuis zijn. Er zijn heel wat mensen die goede redenen hebben om thuis te zijn, maar ook heel wat mensen bij wie er nog potentieel is om te gaan werken.

We moeten af van de vrijblijvendheid. Zodra iemand langdurig ziek is, moeten we bekijken wat die persoon nog kan doen. Op die basis moeten we, met de VDAB, Forem en Actiris, die persoon responsabiliseren en activeren richting werk. Is dat niet bij dezelfde werkgever, dan bij een andere. Laten we daar samen werk van maken, mijnheer de minister, zodat de maatregelen die u hebt genomen, effectief tanden krijgen.

Anja Vanrobaeys:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik noteer dat alsmaar meer werknemers de weg naar de re-integratie terugvinden, uiteraard via verschillende trajecten, wat u ook hebt aangeduid, en op verschillende manieren. Dat pad moeten we blijven bewandelen want re-integratie kan alleen maar op maat. Er is geen one size fits all -oplossing. Samen kunnen we op die manier de tanker keren. Dat kan, mijnheer Ronse, door iedereen op diens verantwoordelijkheid te wijzen, ook de werkgevers, die bereid moeten zijn mensen die ziek zijn geweest, opnieuw een job aan te bieden. Wij, socialisten, zullen altijd aan de zijde staan van degenen die elke dag hard hun best doen. Wij zullen altijd aan de zijde staan van de langdurig zieken en hun de nodige begeleiding en ondersteuning geven, zodat zij opnieuw aan de slag kunnen en doen wat zij zo graag zouden willen doen.

De almaar hoogdrempeligere gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De toegankelijkheid van gezondheidszorg in België staat onder druk door stijgende kosten (4,4% in 2023, driemaal het EU-gemiddelde) en uitgestelde zorg bij kwetsbare groepen (bv. alleenstaande moeders, 50%+) door financiële drempels. Minister Vandenbroucke benadrukt genomen maatregelen (tiers payant, plafond van €250 voor kwetsbare huishoudens, gratis huisarts voor jongeren) maar erkent dat extra investeringen en hervormingen nodig zijn, met dringende goedkeuring van het INAMI-budget 2025 om verdere verslechtering te voorkomen. Schlitz waarschuwt voor risico’s zoals ontconventionele zorgverleners en hogere remgelden door politiek uitstel, en eist dat het budget niet als bezuinigingsinstrument mag dienen, gegeven verarmings- en vergrijzingstrends. De laatste kans voor de lopende regering om het INAMI-voorstel en een arrest tegen remgeldverhoging te adopteren, ligt vandaag, maar een definitieve oplossing wordt doorgeschoven naar het volgende kabinet.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, cette semaine, une nouvelle étude de Solidaris montre à quel point les citoyens belges reportent leurs soins de santé faute de moyens. Parmi certains publics vulnérables, comme par exemple les femmes ou les mamans solo, cela touche plus de 50 % de cette population. On savait déjà qu'en 2023, les dépenses en soins de santé chez les Belges avaient augmenté de 4,4 %. C'est trois fois plus que la moyenne européenne.

Monsieur le ministre, vous le savez, le meilleur moyen d'éviter d'aggraver cette situation est d'avoir un budget INAMI solide pour l'année 2025. Et pourtant, cela fait des semaines que l'adoption du budget INAMI est bloquée. On nous explique que cette responsabilité incombera au prochain gouvernement, on tente de se refiler le valet noir et on se retrouve au pied du mur, à quelques jours de la fin de l'année 2024.

Un autre risque encouru est la possibilité de déconventionnement de certains professionnels en raison de l'incertitude de la situation. J'entends aussi que l'arrêté royal qui permet d'éviter l'augmentation du montant maximum payé par le patient pourrait ne pas être adopté et que, par conséquent, le ticket modérateur pourrait augmenter pour le patient.

Monsieur le ministre, demain représente la dernière chance pour le gouvernement en affaires courantes d'adopter la proposition du Comité général de gestion de l'INAMI. Le gouvernement s'en saisira-t-il? Allez-vous proposer au gouvernement d'adopter ce fameux arrêté royal qui maintient le ticket modérateur à son niveau actuel?

Frank Vandenbroucke:

Madame Schlitz, je suis absolument d’accord que les soins de santé doivent être financièrement accessibles et abordables pour tous nos citoyens. Nous avons pris des mesures importantes en ce sens.

En voici quelques exemples. Nous avons rendu possible l’application du tiers payant par tous les prestataires de soins. C’est très important, car cela signifie que le patient ne doit payer que le ticket modérateur. Nous avons introduit un plafond du maximum à facturer extrêmement limité, de 250 euros, pour les ménages les plus fragiles. Nous avons, pour des jeunes vulnérables, rendu gratuit l’accès au médecin généraliste.

Est-ce suffisant? Non, sans doute. Il faut continuer à mener cette lutte dans une société où les gens sont toujours fragilisés. En ce qui me concerne, il est clair que nous devons continuer à investir dans les soins de santé, et réformer là où c’est possible. C’est également l’enjeu des débats que nous avons au sein du gouvernement.

Je plaide pour que le gouvernement prenne les décisions nécessaires pour mettre le budget 2025 au point et prendre les mesures de correction qui s'imposent afin que ce budget reste sur les rails. C’est indispensable. C’est dans ce contexte que nous pouvons discuter de mesures additionnelles pour rendre les soins plus accessibles.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. En effet, ce gouvernement a avancé pour rendre les soins de santé plus accessibles. Et pourtant, les chiffres sont là. En raison des nouvelles évolutions de la société, nous observons un appauvrissement d’une partie de la population. Il y a des réalités dont le budget de l’INAMI doit pouvoir tenir compte, comme le nombre croissant de familles monoparentales qui se trouvent dans des situations de grande précarité et le vieillissement de la population. Nous refusons que le budget de la santé soit une variable d’ajustement budgétaire pour le prochain gouvernement.

De stijging van het ziekteverzuim in de ziekenhuizen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 19 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het absentéisme (12,2%) en personeelstekort (4.000 vacatures) in de ziekenhuissector versterken elkaar door overbelasting, vooral door administratieve lasten die ten koste gaan van patiëntenzorg. Minister Vandenbroucke wijst op een klaarliggend "toekomstagenda"-plan met betere arbeidsomstandigheden en salarissen, maar benadrukt dat budgettaire investeringen cruciaal zijn voor uitvoering. Bacquelaine pleit voor een breder actieplan: AI om administratie te verminderen, betere leidinggevende training en zero-tolerancebeleid tegen agressie, naast loonsverhogingen, om het beroep aantrekkelijker en zinvoller te maken.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, ce matin, la presse médicale revient sur le taux d'absentéisme dans le secteur hospitalier qui atteint 12,2 % en 2024, ce qui est énorme. Cela représente un défi quotidien pour les gestionnaires d'hôpitaux et peut entraîner des risques pour la qualité des soins.

Parmi ces absences, pour rejoindre la question posée précédemment, l'absentéisme de longue durée est de plus de 4 %, ce qui est considérable. En même temps, il y a une pénurie avec 4 000 emplois vacants dans le secteur hospitalier. L'absentéisme aggrave la pénurie, et la pénurie aggrave l'absentéisme. Cela crée une sorte de cercle vicieux.

Une des causes principales mise en évidence est la charge de travail, en particulier la charge administrative, qui rebute et qui crée une grande frustration parmi le personnel hospitalier, qui consacre parfois plus de temps à l'encodage et au travail administratif qu'aux soins à prodiguer aux patients. Je pense donc que le problème d'attractivité de la profession est en cause.

Monsieur le ministre, que comptez-vous faire pour lutter contre cet absentéisme grandissant? Quelles politiques avez-vous déjà menées et comptez-vous mener? Quels sont vos projets? Comment rassurer le personnel soignant? Comment mettre en place et en œuvre, en urgence, un plan ambitieux d'attractivité des professions de santé dans le secteur hospitalier?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Bacquelaine, vous avez raison, nous risquons de nous retrouver dans un cercle vicieux, où la pénurie aggrave le stress sur le lieu de travail, stress qui est évidemment une des causes de l'absentéisme. Nous devons continuer à investir dans le personnel soignant. Lors de cette nouvelle législature, nous devons absolument à nouveau consacrer un budget conséquent à un accord social permettant d'améliorer les salaires, les conditions de travail et la qualité du travail du personnel soignant.

Nous avons préparé cela lors de conversations, puis de négociations, dans les coulisses, avec les employeurs du secteur et les syndicats, et nous avons rédigé en accord avec eux l'agenda de l'avenir pour le travail dans les soins. Celui-ci contient des suggestions pour améliorer quantitativement et qualitativement les conditions de travail, et créer de nouvelles perspectives en termes de contenu du travail, de diminution des charges administratives, etc.

Cet agenda, l'esquisse d'un plan, est donc là. Ce qu'il nous faut, c'est un budget significatif qui permette d'y investir de façon tangible. C'est l'un des défis majeurs pour un nouveau gouvernement prêt à investir davantage dans le personnel soignant, exactement pour les raisons que vous avez indiquées.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne pense pas qu'on puisse tout ramener à un problème strictement budgétaire. Il y a plus que cela. Il faut redonner du sens au métier. Aujourd'hui, l'attractivité de la profession pose un réel problème. D'abord, en raison des charges administratives, comme vous l'avez dit. Je pense que l'intelligence artificielle doit être développée pour faciliter l'encodage, notamment dans les hôpitaux, et faire en sorte que les professionnels de la santé – infirmiers, médecins – puissent consacrer plus de temps aux patients eux-mêmes, plutôt qu'aux contraintes administratives. Il faut aussi développer la qualité du management, faire en sorte qu'il soit plus stimulant, plus positif, avec un programme de formation adapté. Et, enfin, il faut lutter contre l'agressivité qui naît dans les hôpitaux et qui s'accroît quotidiennement vis-à-vis des infirmiers et des médecins. Cette agressivité doit faire l'objet d'une tolérance zéro. Je plaide pour un plan concerté, qui permette d'améliorer les conditions de travail du personnel soignant.

De gelekte plannen van het nieuwe hoofdkwartier van Defensie in Brussel
De onbedoelde openbaarmaking van de plannen voor het nationale veiligheidscentrum
Het onbedoeld online zetten van de plannen van het toekomstige hoofdkwartier van Defensie
De zorgen over en de veiligheidsimplicaties van de gelekte plannen v.h. hoofdkwartier van Defensie
Veiligheidsrisico's door onbedoelde openbaarmaking Defensieplannen Brussel

Gesteld aan

Ludivine Dedonder

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevoelige bouwplannen van het nieuwe Defensie-hoofdkwartier (met Cyber Command en ADIV) lekten 48 uur publiek online via *OpenPermits*, ondanks de vermelding *"beperkte verspreiding"* – een procedurele fout van de aannemer, waarbij geen écht strategische informatie vrijkwam volgens minister Dedonder. Defensie reageerde toch verontrust, wat vragen oproept over de coördinatie met lokale overheden en de effectiviteit van veiligheidsprotocollen, vooral na eerdere Chinese cyberaanvallen (2021); extra bewustmakingscampagnes en striktere toegang tot openbare documenten werden beloofd. Het project blijft binnen budget en planning (start bouw: maart 2025), maar kritiek blijft op de structurele kwetsbaarheid van gevoelige dossiers in gespannen geopolitieke context.

Voorzitter:

De heer Yzermans is niet aanwezig. De heer Weydts zal namens de Vooruitfractie de honneurs in de commissie voor Defensie waarnemen. Hij kan natuurlijk niet zomaar een vraag overnemen, hij ondersteunt echter alleszins het pleidooi dat de heer Yzermans hier in de commissie zou hebben gehouden.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, het nieuwe hoofdkwartier van Defensie in Brussel moet tegen eind 2027 af zijn. De plannen worden op het moment uitgewerkt. Het lijkt logisch dat daarbij de nodige waakzaamheid aan de dag wordt gelegd. Veiligheid moet zeker bij Defensie altijd on top of the agenda staan. Het nieuwe gebouw wordt immers een strategisch gevoelig bolwerk, dat onderdak zal geven aan de staf van Defensie, het Cyber Command en de militaire inlichtingendienst ADIV.

Groot was dus mijn verbazing – dat gevoel deel ik met anderen – toen de gedetailleerde grondplannen, inclusief gevoelige informatie over toegangs- en circulatieplannen, publiek online konden worden gedownload via het overheidsplatform OpenPermits.

Nochtans droegen de plannen klaarblijkelijk de stempel van beperkte verspreiding. Blijkbaar was de projectverantwoordelijke van Defensie zich niet bewust van het feit dat ingevolge de voorgeschreven administratieve stedenbouwkundige procedure, de documenten verplicht publiekelijk raadpleegbaar zijn.

Dat een mediakanaal opmerkte dat de documenten voor beperkte verspreiding door het publiek konden worden gedownload en Defensie moest waarschuwen, is des te pijnlijker. Defensie heeft dan ook verontrust gereageerd op de feiten. Dat stond althans in de media.

Een en ander doet vragen rijzen over het in handen vallen van strategisch gevoelige informatie. Wij denken spontaan aan het incident waarbij Chinese hackers enkele jaren geleden door een cyberaanval informatie konden verkrijgen. Hoe is dat kunnen gebeuren? Waar ligt de verantwoordelijkheid?

Hoe evalueert u als minister het risico van gelekte strategisch gevoelige informatie? Welke gevolgen zou dat kunnen hebben voor onze veiligheid?

Er wordt op het moment een onderzoek gevoerd naar wie de informatie heeft gedownload tijdens de 48 uur dat de informatie online stond. Kunt u het onderzoek toelichten? Welke conclusies worden daaruit getrokken?

Wordt ook onderzocht op welke manier La Dernière Heure aan de informatie kwam? Kan dat zijn gebeurd door een intern lek?

Mevrouw de minister, wat hebt u de voorbije jaren na de cyberaanval door Chinese hackers ondernomen om de strategisch gevoelige informatie te beveiligen? Met andere woorden, wat zult u doen om het algemeen bewustzijn rond veiligheid te verhogen? Welke maatregelen mag en zult u in deze periode van lopende zaken nog nemen om dergelijke voorvallen in de toekomst te vermijden?

Welke risico’s zijn verbonden aan het lekken van de bewuste informatie?

Ter zijde vernam ik ten slotte graag hoeveel het nieuwe gebouw nu zal kosten en hoe het zit met de timing.

François De Smet:

Madame la ministre, voilà une affaire tout de même assez curieuse! La presse s’est fait l’écho de la mise en ligne pendant 48 heures en libre accès d'informations estampillées "diffusion restreinte", en l'occurrence les plans du futur quartier-général "haute sécurité" de la Défense qui devrait regrouper sur un même lieu les services de l’état-major de la Défense, le Service général du Renseignement et de la Sécurité (SGRS) et le commandement cyber, avant que la Défense belge les retire après avoir été avertie du problème. Voilà une faille sécuritaire pour le moins inquiétante.

Visiblement, la Défense pensait que les documents ne seraient consultables que sur demande et sans la possibilité de les copier. En dépit du fait d’avoir été "épurés", puisqu'ils figuraient apparemment sur le site en vue d'une enquête publique, il n’en demeure pas moins qu’ils ont pu livrer des renseignements à des personnes qui n’avaient pas à les connaître.

Madame la ministre, pourriez-vous nous faire savoir si une enquête a bien été ouverte au sein de la Défense afin de dégager les responsabilités de cette faute et, le cas échéant, de pouvoir constater des manipulations informatiques qui auraient pu être effectuées par des tiers à des fins malveillantes au cours de cette diffusion en libre accès? Des mesures ont-elles été prises afin de sécuriser lesdits plans et leur potentielle future diffusion et, bien entendu, de prévenir qu'une telle faille ne se reproduise?

Ludivine Dedonder:

Chers collègues, je tiens à préciser d'emblée qu'aucune information militairement sensible n'est reprise dans les plans qui font partie du dossier de demande de permis.

Dans la procédure d'octroi du permis de construction, un grand nombre d'instances consultatives interviennent. Par conséquent, la Défense anticipe le fait qu'il y a toujours un risque potentiel de fuite de contenu, et une série de plans modifiés a été préparée desquels les informations sensibles telles que la destination et l'agencement des espaces ont été enlevées. Ils ne contenaient que les informations nécessaires aux instances consultatives, telles que les pompiers.

Au cours du processus, la mention "diffusion restreinte" n'a par inadvertance cependant pas été supprimée sur les plans téléchargés pour l'enquête publique par l'adjudicataire du contrat de conception et de construction. Le journaliste de La Dernière Heure a ensuite remarqué la publication par le biais du portail OpenPermits.

Dat documenten en plannen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tijdens het openbaar onderzoek zonder enige restrictie via het platform OpenPermits.brussels gevisualiseerd en zelfs gedownload kunnen worden, ligt bovendien gevoelig op het vlak van de auteursrechtelijke bescherming.

In samenspraak met de bevoegde diensten werd daarom de inhoud van het dossier op OpenPermits.brussels beperkt tot het strikt noodzakelijke om het openbaar onderzoek te kunnen voortzetten. De onterechte aanduiding "beperkte verspreiding" werd verwijderd. Er is bijgevolg – dit wens ik nogmaals te beklemtonen – geen strategisch gevoelige informatie gelekt. Er zijn geen gevolgen voor de veiligheid en de plannen van het project worden niet gewijzigd.

Voor toekomstige projecten zal extra aandacht uitgaan naar de verdere beperking van de inhoud die ter inzage van het publiek is, met name tot het strikte minimum dat vereist is voor het openbaar onderzoek.

Diverses mesures ont été prises ces dernières années pour renforcer la sécurité. À la suite de la cyberattaque fin 2021, la sécurité du réseau a été considérablement renforcée. Des procédures spécifiques ont été mises en place pour analyser les risques lors de l'achat d'équipements et, là où cela s'avère nécessaire, restreindre l'accès des entreprises de pays malveillants ou autres. Des campagnes de sensibilisation du personnel ont également été lancées.

Het project van het nieuwe hoofdkwartier verloopt volgens planning en binnen het budget. Het dossier bevindt zich momenteel in het stadium van de vergunningsaanvraag. De afbraakwerken, waarvoor een afzonderlijke vergunning werd verkregen, zijn vergevorderd en de bouwwerken starten volgens planning in maart 2025.

Annick Ponthier:

Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Veiligheid moet altijd een prioriteit zijn, zeker voor dergelijke plannen bij Defensie en in de huidige geopolitieke toestand met onder andere spionagepraktijken en cyberaanvallen.

U beklemtoont dat geen strategisch gevoelige informatie gelekt werd, aangezien die uit de plannen werd gehaald. Nochtans lezen we in de media dat Defensie verontrust heeft gereageerd. Als er toch geen risico is van een eventueel strategisch gevoelig lek, waarom reageert Defensie dan verontrust? Dat klinkt toch anders dan wat u hier antwoordt. Dat wil ik wel even extra in de verf zetten.

De kwestie vraagt inderdaad veel aandacht en we zullen zien of dat in de toekomst ook gebeurt. Als er onduidelijkheden zijn in gevoelige dossiers en Defensie of andere overheidsdiensten daar niet zomaar op kunnen ingaan, dan is er specifiek overleg nodig met de andere partij, in casu de lokale overheid. Ik hoop dat dat op korte termijn ook gebeurt, zodat gelijkaardige feiten in de toekomst vermeden worden. Ook al wordt gevoelige informatie uit het dossier gehaald, het kan echt niet dat dergelijke plannen zomaar publiekelijk gedownload kunnen worden. Ik meen dat u daarop echt moet inzetten.

François De Smet:

Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Il y a tout de même de la fébrilité de la part de la Défense parce que soit ces plans sont complètement inoffensifs, et dans ce cas, il n'y a pas besoin de les retirer dès qu'on signale un problème, soit ils ne le sont pas. Ce n'est jamais anodin d'avoir des plans de quartiers généraux qui se promènent sur les sites internet. Dans ce cas, la réaction de la Défense était appropriée. Mais alors, il y a une faille. Quelque part, on n'en sort pas, sauf que je crois que ce dossier doit nous servir de petit signal d'alarme pour encore renforcer l'accès restreint à la diffusion de ce genre d'informations, à l'avenir, dans un contexte géopolitique extrêmement fébrile.

Het toekomstige zorgcentrum in Halle-Vilvoorde
Het toekomstige zorgcentrum in Halle-Vilvoorde
De oprichting van een ZSG in Bergen
Toekomstige zorgcentra in Halle-Vilvoorde en Bergen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee), Marie-Colline Leroy

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De uitrol van zorgcentra na seksueel geweld (ZSG/CPVS) vertraagt: het geplande centrum in Halle-Vilvoorde wordt pas 2026 operationeel, ondanks eerdere toezeggingen voor 2024 en een budget van 6 miljoen euro (2023). Taalbarrières in Brussel (Sint-Pietersziekenhuis) blijven een probleem, terwijl 13 zedeninspecteurs in Halle-Vilvoorde al zijn opgeleid. Bestaande centra moeten herkandideren onder nieuwe RIZIV/INAMI-selectiecriteria, wat onzekerheid creëert, hoewel expertise en infrastructuur meewegen. 12.456 slachtoffers (2017-2023) werden geholpen, met 56% aangifte in 2023, maar toegankelijkheid binnen 1 uur blijft onvervuld.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de minister, mijn vraag is belangrijk voor mijn eigen regio, Halle-Vilvoorde, waar er geen zorgcentrum na seksueel geweld is. Iedereen is overtuigd van het nut en het belang van die zorgcentra.

In 2020 keurde de ministerraad de landelijke uitrol van de zorgcentra na seksueel misbruik goed, waardoor het aantal zorgcentra van drie naar tien verhoogde. De bedoeling was dat elk slachtoffer zich binnen maximaal een uur naar een zorgcentrum in de buurt zou kunnen verplaatsen.

Voor Nederlandstalige slachtoffers in Halle-Vilvoorde en Brussel betekent dit dat zij naar het Sint-Pietersziekenhuis in Brussel moeten gaan. Hoewel dit ziekenhuis officieel een tweetalige dienst zou moeten verzekeren, blijkt dit in de praktijk niet zo te zijn. In zulke gevoelige zaken is dat voor slachtoffers een extra drempel, een extra moeilijkheid. Recent berichtte de pers nog over een schrijnend geval waarbij een Nederlandstalig slachtoffer zich naar Brussel begaf, maar daar niet in het Nederlands kon worden geholpen en dus naar Leuven moest gaan.

Vorig jaar werd er in de begroting een bedrag ingeschreven van 6 miljoen euro om te voorzien in vier extra zorgcentra waaronder één in Halle-Vilvoorde, naast extra zorgcentra in Waals-Brabant, Eupen en Bergen. Voor dat nieuwe zorgcentrum zou niet alleen rekening worden gehouden met de geografische nood aan zo’n centrum, maar ook met het taalaspect, zodat slachtoffers van Halle-Vilvoorde ook in hun eigen taal kunnen worden geholpen, wat erg belangrijk is.

Wat is de stand van zaken van de uitrol van het geplande zorgcentrum voor Halle-Vilvoorde? Werd het partnerziekenhuis intussen gekozen? Wanneer en waar zal het zorgcentrum operationeel zijn? Welk budget wordt er specifiek voor Halle-Vilvoorde voorzien? Hoeveel personeelsleden van welk type zullen er worden ingezet? Hoeveel zedeninspecteurs werden er intussen opgeleid in Halle-Vilvoorde en hoeveel zijn er intussen ingezet?

Marie Meunier:

Madame la secrétaire d'État, les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles (CPVS), mis en place depuis 2017, jouent un rôle crucial dans l'accompagnement des victimes de violences sexuelles. Le succès des trois centres pilotes, qui ont accueilli pas moins de 930 victimes dès la première année, a conduit à l'ouverture de sept nouveaux centres à travers le pays.

Une nouvelle étape importante a été franchie grâce à l'adoption de la loi du 18 avril 2024, qui vise à ancrer juridiquement le fonctionnement des CPVS.

Madame la secrétaire d' é tat, quels sont les résultats concrets obtenus par ces centres depuis leur création, en termes de nombre de victimes prises en charge, de satisfaction des usagers et de collaboration avec les services de police et de justice?

Quelles initiatives sont-elles prévues pour assurer un accès uniforme à ces centres, notamment dans les régions encore éloignées des CPVS existants?

Malgré la situation actuelle, envisagez-vous l'ouverture de nouveaux CPVS pour garantir que toutes les victimes en Belgique puissent bénéficier de ce service essentiel dans l'heure, conformément aux engagements pris après l'évaluation de 2017?

Des moyens supplémentaires ont été débloqués en 2023 pour créer trois nouveaux CPVS à Hal-Vilvorde, dans le Brabant wallon et à Mons, ce dernier m'intéressant plus particulièrement. Pourriez-vous m'indiquer ce qu'il en est de leur mise en place? Les hôpitaux qui accueilleront ces futurs centres sont-ils déjà connus?

Il me revient des différents hôpitaux concernés que l'ensemble des CPVS devraient, à l'avenir, à nouveau candidater, y compris pour les structures déjà existantes. Pouvez-vous nous rassurer quant à ces inquiétudes?

Marie-Colline Leroy:

Chères collègues, les CPVS sont un outil essentiel pour la prise en charge des victimes de violences sexuelles. Ils ont une valeur ajoutée et reconnue significative pour la prise en charge des victimes, notamment pour la qualité de l’accueil prodigué par l’équipe de soins, mais aussi pour le prélèvement, l’analyse et la conservation des échantillons médicolégaux ainsi que pour la coopération entre les professionnels de soins de santé, la police et la justice. Je pense que jusque-là, nous sommes toutes d’accord.

Pour répondre à vos questions, entre octobre 2017 et décembre 2023, 12 456 victimes se sont rendues dans un CPVS en Belgique. Cela représente 11 victimes par jour. En 2023, 56 % des victimes ont déposé plainte au moment de la première admission au CPVS. Pour avoir toutes ces informations, je vous invite aussi à consulter le site de l’Institut, qui a des données très précises en la matière.

Il était important pour nous de rendre le modèle des CPVS pérenne, d’une part, en l’inscrivant dans une loi spécifique et, d’autre part, en augmentant les moyens pour passer de 10 à 13 centres.

Op 1 januari 2025 treedt de ZSG-wet in werking. Deze wet maakt het RIZIV bevoegd voor de selectie van de ziekenhuizen, zowel voor de arrondissementen waar reeds een ZSG is, als voor de drie arrondissementen waar nog een ZSG moet worden geopend. Het RIZIV en het instituut werken nauw samen om een inwerkingtreding in 2026 voor te bereiden.

La sélection des hôpitaux est prévue dans le courant de l'année 2025. L'INAMI sera responsable du financement des aspects liés aux hôpitaux. Pour des informations plus précises sur le calendrier et le financement, je vous renvoie vers mon collègue le ministre de la Santé, étant donné que c'est l'INAMI qui s'en occupe.

Er werd reeds in 2022 in Halle-Vilvoorde een eerste opleiding voor zedeninspecteurs georganiseerd, waarbij 13 inspecteurs tot zedeninspecteurs werden opgeleid.

Enfin, concernant l'accès aux CPVS, la loi CPVS prévoit que la victime pourra être accompagnée depuis un commissariat vers le CPVS et que le CPVS vérifie si et de quelle façon la victime pourra retourner dans un lieu sûr après son admission.

Les CPVS doivent être ancrés au niveau local. C'est pourquoi l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes les a toujours encouragés à établir des partenariats avec des organisations locales qui peuvent orienter les groupes vulnérables vers les centres.

Kristien Van Vaerenbergh:

Mevrouw de staatssecretaris, als u het goed vindt, zou ik graag uw antwoord schriftelijk meenemen. Ik moet dringend weg en was even afgeleid.

Als ik het goed heb begrepen, worden de plannen voortgezet, maar wordt de uitrol pas voor 2026 verwacht. Klopt dat? (De staatssecretaris bevestigt.)

Het is goed dat de uitrol er komt, hoewel het zeer laat zal gebeuren. Ondertussen zijn we een jaar later en ik had verwacht dat het centrum er al zou zijn. Voor de slachtoffers in onze regio is het heel belangrijk dat het er komt. Hopelijk kan de uitrol nog een beetje worden versneld.

Marie Meunier:

Merci, madame la secrétaire d'État pour vos différentes réponses.

Je n'ai pas perçu de réponse concernant les différentes candidatures pour les CPVS déjà existants, étant donné qu'il revient maintenant à l'INAMI de répartir les choses, en tous cas pour les nouveaux CPVS. Les existants doivent-ils reformuler une candidature ou y aura-t-il simplement une nouvelle convention? Ils ne sont plus sûrs de garder leur CPVS en action.

Marie-Colline Leroy:

La loi prévoit effectivement que l'INAMI prend en charge la sélection. Les sélections devront être revues. On peut aussi considérer que les sélections devront être faites sur la base d'une expertise. Par exemple, le fait d'avoir déjà le lieu, l'expertise et les possibilités d'accueil, etc. fera probablement partie des critères. Les CPVS sont au courant de cet état de fait parce qu'ils ont suivi les travaux autour de la loi.

De discriminatie van sekswerkers

Gesteld door

lijst: PS Patrick Prévot

Gesteld aan

Marie-Colline Leroy

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Sinds 1 december 2024 biedt België als eerste land arbeidscontracten en sociale bescherming aan sekswerkers, met strikte voorwaarden om uitbuiting te voorkomen, maar de activiteit blijft officieel "niet aanvaardbaar" en uitstap blijft gegarandeerd. Discriminatie (bv. toegang tot huisvesting of bankrekeningen) zou moeten afnemen door legale fiches de salaire, maar stigmatisering en praktische barrières (zoals cyberpesten) blijven hardnekkig, ondanks regelmatig overleg met sectororganisaties zoals UTSOPI. De wet versterkt klachtmogelijkheden, maar structurele oplossingen voor diepgewortelde vooroordelen ontbreken nog. Leroy benadrukt dat het *geen werk als elk ander* is en ziet de nieuwe regeling als een noodzakelijke, maar onvolledige stap.

Patrick Prévot:

Je m'en réfère à nouveau à ma question telle que déposée par écrit.

Madame la secrétaire d'État, lors de la précédente législature, dans ma question écrite n°251, je relayais l'appel du secteur associatif – Utsopi, Espace P ou encore Alias, entre autres – qui se disait satisfait de la décriminalisation du travail du sexe, mais tenait à souligner les discriminations persistantes que subissent ces travailleuses et travailleurs, qu'il s'agisse de l'accès au logement ou à un compte bancaire, par exemple.

Depuis le 1er décembre, la Belgique est devenue le premier pays au monde à proposer un contrat de travail et des protections aux travailleurs et travailleurs du sexe. C'était une initiative du vice-premier ministre socialiste Pierre-Yves Dermagne.

Madame la secrétaire d'État,

Quel est l'état des lieux des discriminations envers les travailleuses et travailleurs du sexe en Belgique? Quels ont été vos derniers contacts avec le secteur associatif à ce sujet?

La législation en vigueur depuis le 1er décembre 2024 devrait-elle faciliter les plaintes contre les discriminations et le suivi de celles-ci?

Je vous remercie pour vos réponses.

Marie-Colline Leroy:

Je vous remercie d'avoir posé cette question. C'est un dossier que j'ai suivi de très près.

La décriminalisation partielle du proxénétisme, intégrée dans le nouveau Code pénal sexuel, avait donc – et vous le savez – besoin d'un corollaire pour lui donner son plein effet, à savoir la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions relatives au travail du sexe sous contrat de travail. Cette dernière est nécessaire pour la protection des personnes travailleuses du sexe, majoritairement des femmes.

Nous avons voulu que cette activité puisse s'exercer avec un maximum de sécurité, en exigeant tout d'abord un contrat de travail écrit, la désignation d'une personne de référence et un agrément de l'employeur. Pour obtenir un agrément, des exigences strictes ont été mises en place afin de prévenir les abus et l'exploitation des personnes qui exercent cette activité. Nous avons également prévu que les protections sociales attachées au contrat de travail soient renforcées et s'appliquent à l'exercice de cette profession. Il est important de noter que l'exposé des motifs de la loi continue de la qualifier de non convenable, que l'accès au chômage est garanti et que la loi relative au bien-être ainsi que le Code du bien-être au travail sont aussi d'application.

Mon collègue le ministre Dermagne peut témoigner de l'importance que j'ai accordée à ce dossier pendant des discussions au Conseil des ministres ou au kern, où j'ai vraiment beaucoup insisté pour souligner le fait qu'il ne s'agit pas d'un travail comme un autre, que chaque personne doit pouvoir le quitter à tout moment dès lors qu'elle n'y consent plus.

Cher collègue, vous abordez la question sous l'angle des discriminations. En ce qui concerne la discrimination dans l'accès au logement, on peut espérer que la possibilité offerte par le cadre juridique belge d'exercer son activité de manière salariée permette de lever certaines barrières, notamment grâce à la possibilité de présenter des fiches de salaire.

Quant aux difficultés liées à l'ouverture d'un compte bancaire, la reconnaissance de l'activité permet désormais de travailler plus en profondeur sur ces questions, ce à quoi s'emploie notamment UTSOPI, avec qui l'IEFH continue d'avoir des échanges réguliers, en particulier sur des sujets tels que la lutte contre le cyberharcèlement, le doxing ou la diffusion non consentie de contenus sexuels.

Certaines discriminations peuvent toutefois persister, alimentées par un "stigma" durable à l'égard des personnes en situation de prostitution. La stigmatisation ne peut malheureusement pas être éradiquée par une loi et cela reste un travail lent de sensibilisation auquel s'attache continuellement mon administration.

Patrick Prévot:

Je vous remercie madame la secrétaire d'État. J'avais mis un petit nœud dans mon mouchoir pour ne pas oublier de revenir vers vous par rapport à ce sujet.

Je vous avais également interpellée l'année dernière, ainsi que le ministre Dermagne. Je sais qu'au sein du gouvernement, vous avez tous deux été des défenseurs de ce dossier, ce pour quoi je vous remercie. Je vous remercie aussi d'avoir fait l'instantané de la situation sur ce projet qui n'était pas facile à porter, mais qui était, en tout cas selon moi, essentiel.

Voorzitter:

Plus aucun député n'étant présent dans la salle, je clos la séance. La réunion publique de commission est levée à 14 h 41. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.41 uur.

De zorgwekkende situatie van mevrouw Sonia Dahmani

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)

op 18 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België uit ernstige bezorgdheid over de tweejarige gevangenisstraf van Tunisië tegen advocaat Sonia Dahmani, veroordeeld onder decreet 54 voor kritiek op racisme en migrantenbeleid, wat wijst op groeiende onderdrukking van vrije meningsuiting. Het land pleit actief—via bilaterale en EU-kanalen (o.a. VN-mensenenquêtes, EU-declaraties)—voor vrijlating en bescherming van kritische stemmen, en steunt lokaal maatschappelijk middenveld via EU-programma’s (2023-2026) gericht op verdedigers van mensenrechten en democratie. Kernstandpunt: België handhaaft diplomatieke druk maar kiest (vooralsnog) niet voor directe sancties, focust op samenwerking met EU en Tunisische NGO’s.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, j’aimerais attirer votre attention sur la situation inquiétante de Mme Sonia Dahmani, une avocate et chroniqueuse tunisienne, qui a récemment été condamnée à une peine de deux ans de prison. Ce jugement, prononcé le 24 octobre 2024 par la chambre pénale du tribunal de première instance de Tunis, repose sur le décret 54, un texte de loi utilisé dans ce cas pour réprimer des déclarations publiques.

Mme Dahmani, lors d’une intervention à la radio, avait exprimé des critiques concernant le traitement des migrants subsahariens et la montée du racisme en Tunisie. Ses propos, formulés dans le cadre d’une analyse de la situation des droits humains, ont malheureusement conduit à cette condamnation sévère. Selon son comité de défense, représenté par l'avocat Sami Ben Ghazi, cette peine est symptomatique d’une répression accrue contre les voix critiques, y compris celles des professionnels du droit et des médias, qui mettent en lumière des enjeux sociaux et humanitaires préoccupants.

Cette condamnation soulève des questions fondamentales, non seulement sur la situation des droits humains et la liberté d’expression en Tunisie mais également sur la manière dont les autorités locales traitent des enjeux sensibles comme le racisme et la migration. La Belgique, forte de son engagement pour la défense des droits humains et de la liberté d'expression, ne peut rester silencieuse face à de telles atteintes aux libertés individuelles, surtout lorsqu'elles touchent des professionnels cherchant à faire avancer le débat public et à dénoncer des pratiques discriminatoires.

Dans ce contexte, monsieur le ministre, je souhaiterais vous poser deux questions essentielles. Face à cette condamnation et aux implications qu’elle comporte pour la liberté d’expression, quelle est la position officielle de la Belgique? Comment entendons-nous manifester notre attachement à ces valeurs dans ce contexte précis? Envisagez-vous des actions diplomatiques spécifiques pour soutenir la protection des droits fondamentaux en Tunisie, notamment pour défendre la liberté d'expression et protéger les voix critiques qui dénoncent des violations des droits humains?

Bernard Quintin:

La promotion et la protection des droits humains, dont la liberté d'expression, constituent une des priorités de la politique extérieure de la Belgique. La Belgique et mes services suivent avec inquiétude les développements en matière de droits humains en Tunisie. Nous ne manquons pas de soulever cette thématique lors de nos discussions et entretiens avec les autorités tunisiennes, que ce soit sur le plan bilatéral ou dans un cadre multilatéral.

Lors du dernier examen périodique universel de la Tunisie qui s'est tenu au Conseil des droits de l'homme de l'ONU à Genève, la Belgique a saisi l'occasion pour recommander aux autorités tunisiennes de garantir la liberté d'expression.

Cette recommandation a depuis été rappelée lors des rencontres de haut niveau entre la Belgique et les autorités tunisiennes. À la suite d'arrestations concomitantes de plusieurs figures de la société civile, de journalistes et d'acteurs politiques en mai 2024, dont celle de Mme Dahmani, une déclaration de la porte-parole du Service européen pour l'action extérieure a été publiée et des éclaircissements sur les raisons de cette arrestation ont été demandés par la délégation de l'Union européenne aux autorités du pays.

Pour ce qui est du soutien à la protection des droits fondamentaux en Tunisie, l'Union européenne et ses États membres s'engagent aux côtés d'organisations de la société civile tunisienne. Une feuille de route à ce sujet pour la période 2022-2027 a d'ailleurs été adoptée et, parmi les programmes mis en œuvre au sein du partenariat de l'Union européenne avec la Tunisie, on retrouve un projet pour la période 2023-2026 centré sur le développement de la résilience, de l' empowerment , de l'autonomie des militants et défenseurs des droits humains et des LGBTQIA+.

Ce projet a pour objectif de renforcer la protection et de rendre davantage autonome les individus et les groupes, en particulier les victimes pro-démocratie de violences ainsi que les défenseurs des droits humains.

En parallèle, l'Union européenne continue à travailler conjointement avec les associations de la société civile en Tunisie afin de soutenir leurs activités dans le respect du cadre juridique en place. Soyez assurée que la Belgique continue à suivre de près les développements en matière de droits humains en Tunisie et qu'elle poursuit son engagement dans la défense et la promotion des droits humains au sein et au cœur même de sa politique étrangère.

Lydia Mutyebele Ngoi:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse et je n'ai aucune remarque à formuler.

Het rapport van Europol over het inzetten van NBMV's in de drugshandel
Het ronselen van minderjarigen voor de drugshandel en het verslag van Europol
Minderjarigen en NBMV's in de drugshandel volgens Europol-rapporten

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het Europol-rapport waarschuwt voor de groeiende inzet van 13- tot 17-jarige minderjarigen (met name MENA) in drugscriminaliteit, variërend van dealen tot moord, waarbij België, Frankrijk en Zweden zwaar getroffen zijn. Minister Van Tigchelt bevestigt het fenomeen—met name in Brussel en Antwerpen—en kondigt multidisciplinaire acties aan: een *task force* tegen jeugdhandeling (samen met politie, Child Focus en Fedasil), betere samenwerking met Frankrijk (Marseille) en Zweden, en strakkere opvang van MENA via gespecialiseerde centra zoals Esperanto. De rechtelijke aanpak van jeugdcriminaliteit blijft een bevoegdheid van de Gemeenschappen, maar federale diensten focussen op netwerkontmanteling (bv. recente zware straffen voor Afghaanse MENA-handelaren in Antwerpen). Kritiekpunt is de onderrapportering van het probleem, terwijl EMPACT (25 Europese landen) en lokaal onderzoek (zoals het Brussel-MENA-project) de bestrijding moeten versterken.

François De Smet:

Monsieur le ministre, un rapport publié par Europol fait état d'une utilisation de plus en plus massive de jeunes dans des trafics de drogues en Europe, la France et la Suède étant notamment touchées.

Le rapport évoque la présence massive de jeunes âgés de 13 à 17 ans dans des réseaux de stupéfiants, non seulement pour dealer ou cacher des stocks de drogues mais également, et c'est plus inquiétant, pour intimider ou tuer.

Notre pays ne serait pas épargné. Ainsi, tout récemment, des mineurs d'âge ont été interpellés, suspectés d'avoir été utilisés pour liquider un membre d'une organisation criminelle.

Les mineurs étrangers non accompagnés (MENA), en raison de la fragilité de leur situation administrative et économique, seraient privilégiés par les organisations mafieuses actives dans le milieu du narcotrafic, selon des sources des services de police. Il n'est toutefois pas possible de quantifier à ce stade le nombre de MENA impliqués dans le narcotrafic.

Cette radicalisation et ce recours aux jeunes MENA et autres dans le cadre du narcotrafic sont particulièrement inquiétants.

Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance du rapport d’Europol? Des contacts ont-ils été noués avec les autorités, police fédérale et magistrature, pour faire le point sur cette situation? Ce recours aux MENA tout particulièrement est-il bien avéré? Dans l’affirmative, des mesures seront-elles prises en concertation avec la commissaire nationale aux drogues et l'Office des étrangers?

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre de la Justice, un rapport d'Europol met en lumière l'utilisation croissante de mineurs, souvent âgés de 13 à 17 ans, dans les réseaux criminels liés au trafic de drogues en Europe. Ces jeunes, parfois recrutés via des messageries éphémères ou des réseaux sociaux sont impliqués dans des activités allant du deal de drogue à l'intimidation et même au meurtre.

En Belgique, les autorités constatent une augmentation de ces cas inquiétants, notamment impliquant des mineurs étrangers non accompagnés (MENA), qui, sans attaches locales, deviennent des cibles idéales pour les organisations criminelles.

Les jeunes sont attirés par des gains rapides et échappent souvent à des poursuites graves en raison de leur statut de mineurs. Trompés par des promesses d'un avenir meilleur, ils deviennent des victimes de traite humaine avant d'être intégrés dans les réseaux criminels.

Mes questions sont les suivantes. Quelle est la lecture du ministre face au rapport d'EUROPOL? Quelle est son analyse compte tenu des défis judiciaires que celui-ci met en évidence dans notre pays? Qu'en est-il compte tenu du régime juridique s'appliquant aux mineurs en Belgique? Le ministre peut-il nous éclairer sur les mesures judiciaires et éducatives applicables aux mineurs impliqués dans des actes graves, comme des homicides liés au trafic de drogue? Quelle coopération existe actuellement avec d'autres pays européens, notamment la France et la Suède, pour lutter contre ce phénomène transfrontalier? Compte tenu du caractère confidentiel, le ministre est-il en mesure de nous dire si des enquêtes ou des initiatives spécifiques sont en cours pour démanteler les réseaux impliqués dans la traite des MENA à des fins criminelles? Quelles sont les aires de collaboration avec votre homologue au ministère de l'Intérieur?

Paul Van Tigchelt:

Chers collègues, j'ai pris connaissance de ce rapport d'Europol. Ce n'est pas une surprise, nous avons en effet des contacts privilégiés avec Europol. Le risque de récupération des jeunes, notamment des mineurs non accompagnés, par des milieux criminels est effectivement réel. Nous l'avons lu dans ce rapport mais nous le voyons aussi dans la pratique de nos enquêtes au niveau belge. À Bruxelles et à Anvers, beaucoup de jeunes, parfois aussi des MENA, sont utilisés par des réseaux criminels. Donc en matière d'exploitation de mineurs et surtout de criminalité forcée de MENA, il y a sans doute une sous-estimation du phénomène.

Que fait notre pays? Le bureau de la cellule interdépartementale de coordination de la lutte contre la traite et le trafic des êtres humains est géré et organisé au sein du SPF Justice. Ce bureau a déjà réuni beaucoup de partenaires – entre autres Child Focus, la police fédérale, Fedasil, etc. – autour de cette question. Ces discussions ont notamment conduit à la création, par la direction de la criminalité organisée de la police judiciaire fédérale, du projet task force youth trafficking . Son objectif est de cibler les diverses formes d'exploitation, dont celle de MENA, dans le cadre de la criminalité forcée selon une approche multidisciplinaire, à laquelle le bureau susmentionné devrait être associé. Dans ce cadre, une réunion est planifiée au début de l'année prochaine avec le procureur général de Bruxelles qui traite des matières pénales liées à la jeunesse pour le Collège des procureurs généraux. Parallèlement à cela, la PJF de Bruxelles prend l'initiative d'un projet MENA sur son arrondissement. La DJSOC, la direction qui traite de la criminalité organisée, envisage un rapprochement entre ces projets. Une réunion de coordination est prévue.

Le droit sanctionnel de la jeunesse ou de la délinquance juvénile relève de la compétence des Communautés; celles-ci déterminent les mesures que le juge de la jeunesse peut imposer et sont responsables de leur mise en œuvre.

Concernant les MENA, les services de police signalent toutes les interceptions de mineurs étrangers non accompagnés à l'Office des étrangers et au Service des Tutelles du SPF Justice. Dans le cas de MENA impliqués dans le trafic de drogue – ce qui par rapport au nombre de MENA n'est pas si courant –, le Service des Tutelles désigne immédiatement un tuteur et contacte un centre d'accueil spécialisé dans l'accompagnement de victimes de traite des êtres humains, tel que Esperanto.

En ce qui concerne la coopération avec d'autres pays européens, on peut citer le projet EMPACT, le plan d'action européen qui vise à lutter contre l'exploitation des mineurs et la contrainte à la délinquance des MENA. Ce plan implique 25 pays européens et non-membres de l'Union.

D'ici la fin de l'année, la Direction de la lutte contre la criminalité grave et organisée (DJSOC) entrera en contact avec des magistrats et policiers spécialistes de la problématique dans la région de Marseille. En effet, cette ville est particulièrement impactée par les activités criminelles des MENA au même titre que Paris avec qui ils ont déjà eu des contacts. L'objectif est, dans un premier temps, de tenter d'établir un échange des connaissances et des bonnes pratiques dans l'approche des MENA.

Par ailleurs, le commissariat national drogue établira des contacts avec les autorités suédoises car il souhaite examiner le plan d'action contre la violence utilisée par les organisations criminelles, la manière dont les jeunes y sont impliqués et voir si cela fonctionne. Personnellement, j'ai déjà eu des contacts avec les services et le ministre suédois. La Suède est confrontée à de nombreux problèmes de violence liée à la criminalité et commise par des jeunes.

Selon les informations relayées par la presse suédoise, lorsque les peines pour les adultes se sont durcies, les autorités suédoises ont constaté que les organisations criminelles ont recruté davantage de mineurs.

Enfin, je peux confirmer que des enquêtes sont menées en vue de démanteler les réseaux impliqués dans la traite des MENA à des fins criminelles. Il peut être référé à la problématique des MENA afghans à Anvers, dans laquelle des peines très sévères ont été récemment prononcées – peut-être l'avez-vous lu dans la presse.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète et pour ce que vous mettez en place, notamment cette task force .

Les MENA sont un public fragile que je connais bien car j’ai travaillé avec eux. Ils sont là pour peu de temps, la Belgique n’étant parfois qu’une étape dans un long périple. Vu leur fragilité, ils sont particulièrement exposés aux actes de narcotrafiquants sans vergogne.

On voit combien, dans d’autres endroits, dans d’autres villes européennes et dans le monde, ils sont utilisés comme "chair à canon" par les narcotrafiquants, parce qu’ils sont faciles à recruter, à la fois comme dealers, comme exécutants, mais aussi comme consommateurs, puisque c’est également un public fragile en matière de consommation de stupéfiants, vu leur absence de perspective.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Ce que j’apprécie chez vous, c’est que vos réponses sont généralement extrêmement complètes et détaillées et permettent de faire le point sur le dossier, mais aussi d’imaginer le suivi. Comme M. De Smet, je considère que ce problème est vraiment inquiétant. De plus, il touche les plus faibles dans la société, les plus faibles des plus faibles. Je crois que nous nous honorerions à également mettre ce dossier à l’agenda européen.

De overdracht van de gezondheidszorg in de gevangenissen van Justitie naar Volksgezondheid

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 17 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hervorming van gezondheidszorg in gevangenissen, met name het overdragen van de verantwoordelijkheid van Justitie naar Volksgezondheid (aanbevolen door het KCE sinds 2017) en de uitvoering van Europese normen voor humane zorg. De proefprojecten in 10 gevangenissen (2023-2024) – gericht op verslavingszorg, geestelijke gezondheid en betere coördinatie – tonen positieve signalen (met name drugspreventie), maar een definitief bilan komt later; de INAMI-integratie voor externe zorg wordt als een succes beschouwd. Het structurele overdrachtsplan blijft uitgesteld tot de volgende legislatuur, afhankelijk van financiering en interbestuurlijke samenwerking, ondanks dringende oproepen uit de sector voor betere zorg en reïntégratie. De minister bevestigt doorzettingsplannen, maar concrete stappen ontbreken nog.

François De Smet:

Monsieur le président, je renvoie à la version écrite déposée de ma question orale.

Le Centre fédéral d’expertise des soins de santé (KCE) , qui avait été chargé de remettre un rapport sur la problématique des soins de santé dans les établissements pénitentiaires de notre pays , suite à plusieurs constats accablants remis par des organismes européens et internationaux, avait recommandé déjà en 2017 sur le plan de la gouvernance d’acter le transfert du service des soins de santé en prisons (SSSP) du SPF Justice au SPF Santé Publique.

Le KCE réclamait également l’application des normes du Comité Européen pour la prévention de la torture et des peines ou traitements inhumains et dégradants (CPT) aux soins de santé en milieu carcéral.

Un certain nombre de paramètres, la pandémie du COVID 19 , la hausse de la surpopulation carcérale, ont pesé dans le retard à réformer la politique des soins pénitentiaires entamée par le SPF Justice et le SPF Santé Publique

Depuis janvier 2023, les soins dispensés hors de la prison sont à charge des organismes mutuels et non plus du SPF Justice , ce qui est un signal positif en vue de l’harmonisation des couvertures de santé dans les prisons.

Par ailleurs, le SPF Justice a initié des projets pilotes dans dix prisons de juillet 2023 à août 2024, exécutant les recommandations du KCE (renforcement de la prise en charge des maladies mentales et des assuétudes, renforcement des soins de santé primaires , meilleure coordination des acteurs de la santé )

En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir :

a ) quel est le premier bilan de ces projets pilotes?

b) si le transfert dudit service des soins de santé en prisons du SPF Justice vers le SPF Santé Publique constitue un projet mis en continuation en vertu des accords entre les deux SPF?

Paul Van Tigchelt:

Il est encore un peu tôt pour faire le bilan des projets pilotes qui doivent encore se poursuivre durant quelques mois et pourront ensuite être évalués.

En ce qui concerne l'évaluation d'un projet de lutte contre la drogue en détention, celle-ci est positive. C'est précisément pour cette raison que ces projets pilotes ont été étendus à dix prisons au lieu de trois précédemment.

La mise en œuvre de BelRAI, qui est un outil qui regroupe plusieurs instruments d'évaluation visant à améliorer la qualité des soins, est toujours en cours.

En ce qui concerne l'introduction de la formation, les consortiums finalisent leurs modules de formation.

L'intégration des détenus dans la règlementation de l'INAMI, qui a été introduite le 1 er janvier 2023 pour tout ce qui concerne les soins en dehors de la prison pendant la détention, donne des résultats satisfaisants. On me dit même que c'est un grand succès.

Quant au transfert entre le SPF Justice et le SPF Santé publique, il y aura d'autres efforts pour mettre en œuvre cette réforme au cours de la prochaine législature. Un travail sera aussi effectué sur la recherche d'une source de financement appropriée. Il y a un consortium d'universités qui y travaille et la coopération entre les différents ministères et administrations fédéraux et fédérés doit être et sera accrue.

François De Smet:

Merci monsieur le ministre. C'est très clair pour les projets pilotes. En ce qui concerne le transfert des soins de santé du SPF Justice vers le SPF Santé publique, je rappelle qu'il s'agit réellement d'une demande qui émane du secteur, des ASBL qui accompagnent des détenus et prisonniers, tant sont spécifiques les maladies et les attaques sur leur santé et tant cela joue sur leur réinsertion potentielle, que nous souhaitons tous. J'espère que le prochain gouvernement, s'il advient, se saisira de ce dossier à bras-le-corps.

Subitogate en de nieuwe onthullingen in de zaak-Reynders
Het onderzoek naar witwaspraktijken met loterijbiljetten
Fraudezaken in de Belgische politiek

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 12 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om vermoedens van witwassen door Didier Reynders, die 800.000 euro cash storte en 200.000 euro aan loterijtickets kocht om verdachte transacties te maskeren, volgens kritische parlementsleden als Hedebouw en Van Hecke. Van Peteghem (minister) benadrukt dat de Nationale Loterij haar controles volgt en meldingen deed, maar ontwijkt of banken de cashstortingen signaleerden—wat Hedebouw blijft aankaarten als cruciale leemte. Van Hecke pleit voor strengere regels, waaronder uitbreiding van de antiwitwaswet naar de Loterij en scherpere controles, terwijl hij wijst op gokverslavingsrisico’s en chantabiliteit bij hooggeplaatsten. Justitie moet het onderzoek afronden, maar de oppositie eist transparantie over bankmeldingen en systeemfalen bij financiële waakhonden.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le ministre, je vous interroge aujourd'hui sur des possibles agissements de blanchiment.

On sait qu'en Belgique, pour les ministres, c'est déjà le Win for Life: 11 000 euros nets par mois in the pocket . On sait que, pour les commissaires européens, c'est le super Win for Life: carrément 28 000 euros par mois! Mais, là, visiblement, selon la presse, M. Reynders aurait potentiellement voulu encaisser le super super Win for Life. M. Reynders aurait, ces dernières années, d'abord été déposer 800 000 euros sur des comptes en banque, en cash! Salut les gars!

Puis, un jour, la banque lui a dit: "C'est un peu suspect!" Qu'a-t-il alors fait? Il a acheté pour 200 000 euros de tickets de la Loterie Nationale, 50 semaines sur 52, dans une pompe à essence. Imaginez Didier Reynders: "Salut, je vais prendre un paquet de Marlboro et tu me mets encore 500 euros de tickets en plus". Et, la semaine d'après: "Mets-moi un Snickers et 500 euros de tickets en plus". Imaginez-vous, un commissaire européen! Mais quelle honte! Là est la question!

Au MR, chez les élites libérales, c'est toujours la même chose. On fait les malins contre les profiteurs, les malades de longue durée, les chômeurs, etc. Mais, quand il s'agit de vous-mêmes, il n'y a plus personne au balcon! Voici deux minutes, M. Georges-Louis Bouchez était là! Il était là! Mais il s'est "viré" pour le débat! Il ne veut évidemment pas de débat là-dessus! On ne l'entend pas.

Monsieur le ministre, les banques ont-elles signalé à la cellule de lutte contre le blanchiment d'argent le cash et le fait que ces opérations étaient potentiellement frauduleuses? (…)

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het zou een gokverslaving zijn. Dat is de uitleg die de heer Reynders geeft aan dit dossier. Het is een gokverslaving. Collega's, wie een gokverslaving heeft, is chanteerbaar. Daarom mogen bijvoorbeeld politieagenten, magistraten, deurwaarders en notarissen niet binnen in een casino en mogen ze wettelijk gezien nooit gokken. Daarvoor zijn dus goede redenen.

Elke dag komen er nieuwe elementen naar boven. Ook de Nationale Loterij probeert nu aan te tonen dat hun controlemechanismen gewerkt zouden hebben. Ik wil daarop wel dieper ingaan, mijnheer de minister. Er wordt immers gesproken over een totaalbedrag van ongeveer 1 miljoen euro waarvoor een verklaring moet worden gegeven: een poging tot witwassen via de Nationale Loterij ter waarde van 200.000 euro en 800.000 euro cashgeld dat aangeboden werd aan een bank om op een rekening te zetten. Dat roept wel wat vragen op.

Ik zal het eerst hebben over de Nationale Loterij. Er zou één verdachte transactie gevonden zijn op vijf jaar tijd terwijl de feiten toch – zegt men – een tiental jaar zouden hebben geduurd. We krijgen dan een hele uitleg van de Nationale Loterij op twaalf pagina's. Ik denk echter dat er wel wat meer nodig is om de zaken uit te klaren. Mijn eerste vraag luidt dan ook of het volgens u nodig is om de controlemechanismen bij de Nationale Loterij te verstrengen en verstevigen?

Ten tweede valt de Nationale Loterij blijkbaar ook niet onder de antiwitwaswet. Er is dus geen aangifteplicht voor de Nationale Loterij. Bent u van oordeel dat de Nationale Loterij ook onder die witwaswet zou moeten vallen?

Mijn derde vraag gaat over de cashstortingen bij de bank. Hoe kan het dat het zo lang heeft geduurd voor er signalen zijn gekomen? Men moet maar eens proberen om 800.000 euro cash op een bankrekening te zetten. Dat zou dus gedurende een hele periode gebeurd zijn. Zijn er dan nooit signalen gekomen…

Voorzitter:

Bedankt, mijnheer Van Hecke. Uw tijd is om.

Ik wil u nog even herinneren aan de geheime stemmingen, want er is nog geen toevloed vastgesteld. U bent allen uitgenodigd om in de loop van de zitting uw stem uit te brengen.

Vincent Van Peteghem:

Collega’s, ik heb vorige week al geantwoord op zeer veel vragen. Er is deze week ook verduidelijking gekomen van de Nationale Loterij. Ik heb vorige week uitgelegd hoe dat controlemechanisme precies werkt.

J'ai expliqué toutes les limites de jeu, le contrôle d'identité, les limites de versement et le système de contrôle de la Loterie Nationale.

Dat werd, zoals ik al zei, in de afgelopen dagen reeds uitgebreid toegelicht door de Nationale Loterij zelf met cijfermateriaal, waaruit nogmaals blijkt dat dat controlesysteem heeft gewerkt, ondanks het uitzonderlijke karakter van het dossier, en dat ook de nodige meldingen bij de bevoegde instanties zijn gebeurd.

U kunt die nota nalezen en bestuderen, want die is openbaar. U kunt die opvragen bij mijn kabinet en ook bij de Nationale Loterij. In die nota zult u ook de antwoorden vinden op vragen over de gehanteerde controlemethode, over welke indicatoren juist wijzen op mogelijk witwassen, maar ook over de tijdlijn van het geschetste dossier.

Ceci, bien sûr, toujours en prêtant attention au secret de l'enquête.

Meer algemeen en wat betreft uw andere vragen ben ik het natuurlijk met u eens dat wij de strijd tegen witwassen – ook dat heb ik vorige week uitgebreid benadrukt – moeten verderzetten. Dat is ook exact de reden waarom de nieuwe Europese antiwitwasverordening er is, waaronder ik op Europees niveau mee mijn schouders heb gezet. Die verordening zal daar natuurlijk ook toe bijdragen. Wij moeten uiteraard bekijken hoe wij die strijd nog verder kunnen voeren, maar ik wil wel nog toevoegen dat het nu aan de justitie is om het onderzoek te voeren. Alle meldingen, zowel door de Nationale Loterij als door de CFI, zijn gemaakt.

La justice doit faire son travail et elle est évidemment la même pour tout le monde.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de minister, u hebt niet geantwoord op mijn specifieke vraag. In de media wordt gezegd dat de heer Reynders op een bepaald moment 200.000 euro tickets had gekocht, omdat zijn bank hem had gezegd dat 800.000 euro cash toch te veel was om op zijn rekening te storten. Mijn vraag was of de bankensector die informatie heeft doorgegeven aan de antiwitwascel. Is er van daaruit een signaal gekomen?

U hebt het alleen maar over de Nationale Loterij gehad, maar ik heb het over de banken en op die vraag antwoordt u niet. Als het over liberale, rechtse elitepolitici gaat, dan is er geen probleem, dan is alles openbaar. Win for life for Reynders . Die kreeg al 30.000 euro per maand, maar toch vond hij nog meer systemen om geld op te strijken. U moet de bankensector ook onder de loep nemen. Dat interesseert mij. Is er een signaal gekomen van de banken of niet?

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.

Er is duidelijk nood aan meer controles, ook bij de Nationale Loterij. Ik heb de nota gelezen en men spreekt daarin over indicatoren. In dit geval ging het licht op rood voor drie indicatoren, maar wat doet men als er signalen komen in verband met een indicator of twee indicatoren? Blijkbaar onderneemt men dan geen actie. Men doet dat alleen wanneer men signalen voor de drie indicatoren krijgt. Beslissen over welk dossier wel of niet wordt doorgestuurd, mag geen kwestie van loterij zijn.

U hebt niet geantwoord op mijn vraag over de antiwitwaswet. De Nationale Loterij valt blijkbaar niet onder de antiwitwaswet. Het is duidelijk dat dat beter wel het geval zou zijn. Wij zullen een wetgevend initiatief nemen, zodat de Nationale Loterij wel onder de antiwitwaswet valt. Dan kan iedereen zijn stem uitbrengen.

(Rumoer)

Voorzitter:

Het stemgedrag van collega's kan altijd op de website worden nagekeken.

De oproep van de ziekenhuisdirecteurs om de zorgsector te hervormen
De ziekenhuisfinanciering
De oproep van de ziekenhuisdirecteurs en de nood aan hervormingen
De financiële situatie van de ziekenhuizen in 2023
De ziekenhuisfinanciering
Ziekenhuisfinanciering en hervorming

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische gezondheidszorg staat aan de rand van een diepe crisis door financiële tekorten, personeelstekort en inefficiënties, blijkt uit een rapport van ziekenhuisdirecteurs dat 16,6 miljard euro verspilling aan kaart brengt door prestatiegeneeskunde (onnodige scans, langdurige opnames) en gebrek aan preventie, digitalisering en resultaatgerichte zorg. Minister Vandenbroucke erkent de noodzaak van hervormingen (minder bedden, meer dagzorg, kwaliteitsfinanciering) en investeringen (5.100 extra VTE’s via het Zorgpersoneelfonds, betere lonen), maar de oppositie (o.a. N-VA, Vlaams Belang) wijst op falend beleid: ondanks recordbudgetten verslechteren de problemen, met sluitingen, ontslagen (bv. HELORA-groep) en een overbelast personeel. De politieke tegenstellingen zijn scherp: rechtse partijen eisen besparingen, splitsing van de gezondheidszorg en aanpak verspillingen (met name in Wallonië), terwijl linkse partijen waarschuwen voor Arizona-bezuinigingen (loonblok, premiekortingen) die de sector verder ondermijnen. Vakbonden kondigen maandelijkse acties aan tegen de "afbraakregering". Kernpunt: Hervorm *nu* (minder prestatiedrang, meer preventie/tech) of riskeer instorting – maar geld alleen lost niets op zonder structurele verandering.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, we stevenen af op een diepe crisis in onze gezondheidszorg. We moeten veranderen om te overleven. Mijnheer de minister, dat staat in dit rapport. Dat is de noodkreet van de Belgische ziekenhuizen vandaag. We moeten hervormen. We moeten nu hervormen. Dat is de diagnose en die is al lang duidelijk. Uw remedie, die linkse recepten, ze werken niet, mijnheer de minister. De sector vandaag, de studie van PwC, eerder nog het IMF, allemaal hebben ze dezelfde duidelijke conclusie: meer is niet het antwoord.

Ook ik heb u hier al een aantal keren diezelfde boodschap gebracht. Er wordt hier ook met groeivoeten gegoocheld: 2, 2,5, 3 %, en dat op 40 miljard per jaar. Geen klein bedrag als u het mij vraagt. Het lijkt wel alsof we hier op een voddenmarkt staan te zwaaien met al die percentages.

Wat moeten we wel doen? Inzetten op preventie, op efficiëntie, op nieuwe technologie. Dat is niet alleen goed voor de patiënt, maar we kunnen op die manier ook nog eens 5 miljard euro per jaar besparen, mijnheer de minister, gewoon door goed in te zetten op preventie, door een andere vorm van gezondheidszorg aan te bieden. Zorg voor een gezondheidszorg die klaar is voor de toekomst. Dat is de vraag vanuit de sector en dat is de vraag aan ons, of beter gezegd, aan u en aan uw arizonacollega's.

Zorg ervoor dat verpleegkundigen zich kunnen focussen.

Voorzitter:

Collega's, alsjeblieft, mag ik respect vragen voor de spreker? Mevrouw De Knop, u heeft nog enkele seconden om af te ronden.

Irina De Knop:

Zorg ervoor dat verpleegkundigen zich kunnen focussen op hun taak. Neem maatregelen tegen de overconsumptie en zorg voor samenwerking tussen ziekenhuizen. Dat is wat de sector vraagt, mijnheer de minister.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de ziekenhuisdirecteurs trekken aan de alarmbel. Hun rapport over de toekomst van de Belgische gezondheidszorg stelt glashelder vast wat wij al jaren weten: ons zorgsysteem staat onder druk en is niet langer houdbaar. In plaats van noodzakelijke hervormingen door te voeren, blijven wij vastzitten in oude structuren die niet werken. Wij blijven onterecht vasthouden aan het verouderde fee-for-servicemodel dat niet gericht is op de uitkomst van de zorg maar op het aantal geleverde diensten. Dat zorgt voor een verspilling van middelen en het zorgt voor een stijging van de kosten. Volgens het rapport van de ziekenhuisdirecteurs gaat het om een verspilling van 16,6 miljard. 16,6 miljard, laat dat even doordringen.

Wij moeten dus weg van het prestatiegerichte model om te kunnen evolueren naar een resultaatgericht model, aldus de ziekenhuisdirecteurs. Een zorgmodel dat zich dus richt op het verbeteren van de patiëntresultaten in plaats van op de kosten voor het bereiken van dit resultaat.

Ook de digitalisering van ons zorgsysteem moet veel beter en veel sneller. De verschillende systemen moeten op elkaar afgestemd worden zodat de verschillende zorgverstrekkers gemakkelijker kunnen communiceren.

Tot slot, zoals wij allen ook weten, moet er meer ingezet worden op preventie. Keer op keer wordt preventie genoemd als de oplossing voor de toegenomen zorgvraag en voor de stijgende kosten, maar de middelen blijven ondermaats.

Mijnheer de minister, de ziekenhuisdirecteurs trappen met hun rapport heel wat open deuren in, maar het is goed dat zij er nog eens op wijzen, en dat ze een aantal door de sector gedragen voorstellen naar voren schuiven.

Ik heb dan ook twee vragen voor u. Wat bent u van plan met dat rapport? Hoe zult u paal en perk stellen aan de verspilling van 16,6 miljard euro?

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, de ziekenhuisdirecteurs hebben vanmorgen een belangrijk rapport verspreid. Ze brachten een dubbele boodschap. Ten eerste vroegen ze om te blijven hervormen. Blijven hervormen, mevrouw De Knop. Ten tweede uitten ze terecht hun zorgen over het tekort aan zorgpersoneel. Als we op ziekenhuisbezoek gaan of als we zelf in het ziekenhuis terechtkomen, voelen we dit allemaal aan. Patiënten vragen handen aan het bed. De druk op het zorgpersoneel zal alleen toenemen en daar moeten we iets aan doen.

Die regering met socialisten – ik weet niet of jullie daarbij waren – heeft al maatregelen genomen met het Zorgpersoneelfonds en heeft een sociaal akkoord uitgevoerd. We hebben toen het moeilijk ging maatregelen genomen, tegen de wind in, bijvoorbeeld bij de verpleegkundeopleidingen. Zijn we er al? Nee, absoluut niet. Moet we verdergaan? Absoluut. Stilstaan is achteruitgaan en we kunnen ons geen stilstand veroorloven.

We moeten dit samen met het terrein doen en vooruitgaan om ervoor te zorgen dat we een kwalitatieve, toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg kunnen blijven aanbieden, zoals de ziekhuisdirecteurs vragen. Dat hebben we nodig. In het verleden hebben we daarvoor met alle actoren een toekomstagenda uitgewerkt en zeer ruim onderzocht welke maatregelen er genomen konden worden, met innovatie, andere methodes en nieuwe technologieën.

Mijnheer de minister, hoe gaat u verder werken aan de uitvoering van die toekomstagenda?

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, dat de ziekenhuizen door zwaar weer gaan, is helaas geen nieuws. Jaar na jaar zijn wij getuige van de precaire financiële situatie van de ziekenhuizen. 2023 werd afgesloten met een globaal verlies van 174 miljoen. Ook de personeelsproblematiek blijft aanslepen en er worden afdelingen in de ziekenhuizen gesloten.

Nochtans wordt er sinds vorige legislatuur via het Zorgpersoneelfonds 400 miljoen per jaar extra uitgetrokken om ervoor te zorgen dat er meer mensen aan de slag gaan en blijven in de zorg. Afgelopen week kreeg ik cijfers van uw kabinet waaruit blijkt dat het Zorgpersoneelfonds helemaal niet heeft gezorgd voor 5.000 extra voltijdse equivalenten, waarvan u steeds beweert dat ze er zijn. Er is zelfs een daling van het aantal verpleegkundigen in de ziekenhuizen ten opzichte van 2019. Bij de zorgkundigen is er slechts een beperkte toename.

Het is niet verwonderlijk dat de personeelsdirecteurs nu aan de alarmbel trekken. Ze beseffen goed dat er al heel veel geld gaat naar de gezondheidszorg en vragen eigenlijk ook niet om extra geld, maar wel om een echte aanpak van de problematiek. Hun verzuchtingen zijn ook niet nieuw. Ze vragen om te focussen op de kwaliteit van de zorg door te meten, de kosten tegen de baten af te wegen en goede praktijken uit te wisselen en toe te passen. Ze vragen om meer transparantie in de financiering van de zorg en dringen erop aan om een einde te maken aan de versnippering van het zorglandschap.

Mijnheer de minister, deelt u de analyse van de ziekenhuisdirecteurs?

Hoe komt het dat, terwijl er onder de vivaldiregering meer geld dan ooit naar de zorg is gegaan, de problemen er groter dan ooit zijn?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, de zorgsector is in crisis. Vandaag, een maand nadat het zorgpersoneel massaal op straat kwam, trekken de ziekenhuisdirecteurs aan de alarmbel.

Volgens hen dreigt er een existentiële crisis, als we een aantal belangrijke problemen niet aanpakken. Als we de vergrijzing het hoofd willen bieden, moet het budget voor de zorg jaar na jaar stijgen. We hebben daarvoor de groeinorm, die vandaag onder vuur ligt. Heel wat zorgpersoneel verlaat de zorgsector wegens de hoge werkdruk, de flexibiliteit en de moeilijke combinatie tussen werk en gezin, wat leidt tot een personeelstekort. Het personeel is op. Voorts is er de ernstige financiële situatie van onze ziekenhuizen.

Je ne sais pas, chers collègues, si vous voyez à quel point la situation est grave aujourd'hui. Nous voyons même un nombre important de licenciements dans le secteur. C’est du jamais vu! Le groupe HELORA, dont fait partie l’hôpital de Jolimont à La Louvière, a annoncé le licenciement de 60 personnes, juste avant les fêtes. C’est révoltant. Cela va encore augmenter la pression sur ceux qui restent. Ils n’en peuvent plus. Nous sommes à 100 % avec ceux et celles qui sont touchés et leurs familles.

De situatie is dus ernstig en de sector kijkt naar de volgende regering voor oplossingen. Wat heeft de arizonaregering echter in petto voor de zorgsector? Tekorten aan budget! De groeinorm, die nu al te laag is, ligt nog verder onder vuur, want de rechtse partijen willen op de zorg besparen. Dat is onaanvaardbaar.

Daarnaast zal de druk op het personeel verder toenemen. Het personeel zal harder moeten werken voor minder loon, door een loonblokkering. De rechtse partijen raken aan de premies voor nacht- en weekendwerk. Dat is een regelrechte aanval op hardwerkende zorgpersoneelsleden. Zij moeten langer werken voor minder pensioen en meer flexibilisering. Er komt binnenkort een echt vergiftigd geschenk onder de kerstboom. Dat heeft de vakbond meteen gezegd.

Mijnheer de minister, u zit mee aan de onderhandelingstafel. Gaat u ermee akkoord dat wat op tafel ligt in de arizonaregering, haaks staat op de noden van de zorgsector? Wat zult u daaraan doen?

Frank Vandenbroucke:

Het rapport dat vanochtend gepubliceerd werd over de ziekenhuizen is een uitstekend rapport. Het verwijst immers naar een reeks lopende hervormingen en geeft aan welke hervormingen nog nodig zijn. Die moeten allemaal gebeuren. Het is dus een uitstekend rapport.

Mevrouw De Knop, u spreekt over 'linkse recepten'. Ik denk dat het rapport dan wel vol staat met 'linkse recepten'. U moet dat echter eens goed bekijken, want ik zie dat niet zo. Het rapport staat gewoon vol met goede recepten die we moeten uitvoeren. Het is dus een uitstekend rapport.

Vervolgens denk ik dat de gezondheidszorg voor zeer grote uitdagingen staat in een ouder wordende samenleving, waarin er meer behoefte is aan zorg en waarin men personeel tekortkomt. We moeten dus blijven investeren en hervormen in de gezondheidszorg. We hebben al geïnvesteerd. Mevrouw Gijbels, ongetwijfeld niet voldoende, maar het Zorgpersoneelfonds heeft gezorgd voor 5.100 extra mensen in de ziekenhuizen, geteld in voltijdse equivalenten. Er was misschien verwarring over cijfers die ik heb gegeven, maar er zijn dus 5.100 extra mensen dankzij dat fonds. Het loon waarmee men vandaag begint te werken als verpleegkundige, zorgkundige of administratief medewerker, is ook aanzienlijk beter dan dat waarmee men vijf jaar geleden begon.

We moeten echter blijven investeren. Het is inderdaad vaak investeren in mensen. Investeren in mensen, collega's, mevrouw De Knop, kost geld. Dus ook in een volgende regering moet er wat mij betreft een betekenisvolle investering kunnen gebeuren in een nieuw sociaal akkoord voor het zorgpersoneel om de lonen en arbeidsomstandigheden te verbeteren. Een nieuw sociaal akkoord, mijnheer Bertels, zou ook moeten worden geïnspireerd door een overleg dat we gedurende vele maanden achter de schermen hebben gevoerd met de werkgevers en de vakbonden van de sector. We hebben daarbij een toekomstagenda op punt gesteld, die onder meer de nadruk legt op de kwaliteit van het werk, de rol van technologie, de digitalisering en de vermindering van onnodige lasten. Die toekomstagenda ligt dus klaar en ik wens dat de volgende regering een betekenisvol budget heeft om die toekomstagenda ook om te zetten in een sociaal akkoord.

We moeten echter ook hervormen in het beroep. Verpleegkunde moet interessanter en aantrekkelijker worden. Verpleegkundigen moeten meer dan vandaag dingen kunnen doen waar ze perfect toe bekwaam zijn. Er moeten minder onnodige lasten zijn voor hen en ze moeten minder werk doen dat ook door andere mensen kan gebeuren. Dat is maar één voorbeeld.

We moeten ook hervormen in de organisatie van de ziekenhuizen. Het rapport zegt heel terecht dat de huidige financiering van de ziekenhuizen er vaak gewoon toe aanzet dat men onderzoeken vermenigvuldigt. Er gebeuren te veel CT-scans. Hoe vaak moeten wij dat nog zeggen? Dat staat ook in het rapport. Wij moeten dus weg van de prestatiegeneeskunde, mevrouw De Knop. Dat staat in dat rapport waar u zo mee hebt gezwaaid. Dat staat erin.

Dat betekent bijvoorbeeld dat wij, als het gaat over scans, de ziekenhuizen het geld zullen geven dat nodig is op basis van de behoeften van de bevolking die zij bedienen. Wij kunnen niet de eindeloze vermenigvuldiging van onderzoeken en prestaties blijven financieren. Dat staat in het rapport. Is dat links, is dat rechts? Neen, dat is gewoon modern.

Zo zullen we nog andere dingen in de financiering ook moeten hervormen. Wij moeten veel meer financieren op basis van kwaliteit. Dat staat ook in het rapport. Wij moeten verder verschuiven naar een dagziekenhuis, ook om verpleegkundigen niet nodeloos nachtenlang te laten werken met loutere surveillanceopdrachten omdat mensen in een ziekenhuis verblijven. Meer en meer mensen kunnen thuis verblijven. Dat moeten wij ook doen.

Ik wil ten slotte nog iets toevoegen dat niet in het rapport staat, omdat ik alles wil zeggen. Wij moeten niet alleen verder verschuiven naar daghospitalisatie. Er is te veel beddenhuis. Wij moeten nadenken over welk aantal bedden waar mensen overnachten nog nodig zal zijn op de lange termijn en hoe wij die bedden meer kunnen inzetten voor mensen die langdurige zorg nodig hebben en minder voor het soort acute zorg waarvoor mensen vandaag nog in een ziekenhuis overnachten. Wij zullen dus ook moeten durven concentreren, ook in het belang van het verpleegkundig personeel. Wij moeten dus durven hervormen.

Ik rond af. De vorming van een nieuwe regering is een moment waarop men een zeer (…)

Voorzitter:

Uw tijd is ook op, mijnheer de minister.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, uw antwoord vat samen wat wij net hebben gezegd: u wil meer, meer, meer… Ik heb gehoord dat er meer geld nodig is om de mensen nog beter te belonen. Ik deel de conclusie dat mensen waar voor hun geld moeten krijgen of goed betaald moeten worden voor verricht werk. (Minister Vandenbroucke protesteert.)

Dat vergt echter een hervorming. U moet daar nu niet aan beginnen. Wat hebt u de afgelopen vijf jaar gedaan? U bent er niet in geslaagd om te hervormen. We moeten opnieuw meer geld uitgeven. Blijkbaar mag de waarheid niet worden gezegd. (Rumoer)

Ik maakte geen deel uit van die regering. Ik stel vast… (Hilariteit)

Voorzitter:

U hebt gereageerd op tussenkomsten. Dat telt mee voor uw minuut van repliek. Het staat iedereen vrij de beschikbare minuut te gebruiken zoals hij of zij dat wil.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, werven, werven en nog eens werven, maar 16,6 miljard euro verspilling, dat is niet niets. Laat me even focussen op die verspillingen. Laten we man en paard noemen. Waar vooral liggen de verspillingen? Het is typerend dat geen enkele Franstalige collega hierover een vraag stelt, want de verspillingen liggen natuurlijk vooral in het zuiden van het land. Daar zien we hogere ereloonsupplementen, langere en meer ziekenhuisopnames, minder eerstelijnszorg, meer specialistische zorg, minder digitalisering, minder preventie.

Op preventie moeten we inderdaad vooral inzetten, maar ook daar zien we andere prioriteiten. We zien ook dat de kosten vooral voor de gemeenschappen zijn en de baten voor het federale niveau. Jarenlange Vlaamse solidariteit brengt dus niets op.

Graag wil ik hier een boodschap herhalen die men – hallo N-VA – mee kan nemen naar de onderhandelingen. Stop die verspilling en maak werk van de volledige splitsing van de gezondheidszorg, zodat elke gemeenschap niet alleen haar eigen prioriteiten kan bepalen (…)

Jan Bertels:

Collega's, als socialisten hebben wij geïnvesteerd in de gezondheidszorg en hebben wij die hervormd. Dat zullen we gewoon blijven doen, als het van ons afhangt. Wij zullen blijven strijden tegen inefficiënties. Wij zullen ervoor zorgen dat er een nieuwe, andere financiering komt die veel meer patiëntgericht is, voor patiëntgerichte zorg, geïntegreerde zorg rond de patiënt.

Van sommige uitspraken die ik hier hoor, val ik van mijn stoel. Daarom hoop ik dat als wij die hervormingen doorvoeren, de eerste kleine of grote belangengroep die een probleem opwerpt, niet vertolkt wordt door u, mevrouw De Knop, om die hervorming in het Parlement tegen te houden. Daar hoop ik dan echt op. In dat opzicht stel ik voor dat u ook doet wat u net zei. Houd het niet tegen. Keur een begroting voor de gezondheidszorg goed en dan kunnen die mensen verder hervormen. Nu blokkeert u die gewoon.

Frieda Gijbels:

Collega Eggermont, ik kan u geruststellen. Wij willen niet besparen in de zorg, maar we vinden wel dat geld goed en verstandig moet worden besteed. Geld alleen is echter niet genoeg. We hebben vooral correcte data, een correcte analyse nodig. We moeten zorgen voor zorgkwaliteit. Dat moet voorop staan.

Mijnheer de minister, we hebben al zo vaak gevraagd naar meer transparantie, naar meer data en naar meer data-uitwisseling. Het is heel illustratief dat uw antwoord op mijn vraag naar het aantal extra voltijdse equivalenten in de ziekenhuizen in tegenspraak is met wat u in de pers verkondigt. Ik vind die 5.000 extra voltijdse equivalenten niet terug in uw antwoord op mijn vraag. Daarin is er maar sprake van 1.000 extra zorgkundigen en zelfs van 110 minder verpleegkundigen in de ziekenhuizen. Dat illustreert hoe fout het zit en hoe weinig zicht wij hebben op het systeem van onze gezondheidszorg.

Natalie Eggermont:

Collega Gijbels, het is misschien eens de moeite om het interview van uw collega Francken in Humo te lezen, waarin hij er wél voor pleit om te besparen in de sociale zekerheid om dat geld te kunnen gebruiken voor Defensie. Dat is interessante lectuur. Mijnheer de minister, u hebt niet echt geantwoord op mijn vraag wat we zullen doen met de maatregelen van Arizona. Het is duidelijk dat u niet wilt luisteren, maar wij zullen u doen luisteren. Morgen, op vrijdag 13 december, is er een eerste vakbondsactie gepland tegen de afbraakregering die eraan komt. Het is de eerste actie van vele, want er zal elke maand een actie zijn. De vakbonden zeggen neen tegen de afbraakregering, neen tegen besparen in onze zorg en op de sociale zekerheid, neen tegen de aanvallen op onze lonen en pensioenen en neen tegen meer flexibilisering. Wij zullen er zijn, want we kunnen en moeten Arizona tegenhouden. Het is nog niet te laat om de juiste kant te kiezen, mijnheer de minister.

De vele jongeren die op illegale gokwebsites gokken

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Uit onderzoek blijkt dat 29% van de 18- tot 21-jarigen gokt op illegale sites, vooral via sociale-mediareclames, terwijl ze vaak niet weten dat deze illegaal zijn. De Kansspelcommissie blokkeert 564 sites (sinds 2024 al 100 nieuwe) via een zwarte lijst en werkt met Google/Meta om advertenties te verwijderen, maar blokkering en stoppagina’s verlopen niet altijd consistent. Jongeren blijven kwetsbaar door gebrek aan herkenbaarheid van illegale sites, ondanks wettelijke verankering van blokkeringsmaatregelen. De minister (lopende zaken) kan geen nieuwe acties aankondigen, maar benadrukt samenwerking met techbedrijven als cruciale stap.

Alexander Van Hoecke:

Uit een onderzoek in opdracht van BAGO (Belgian Association of Gaming Operators), de sectorfederatie van vijf vergunde kansspeloperatoren, blijkt dat de helft van de jongeren tussen 18 en 21 jaar op illegale websites gokt. Het onderzoek van BAGO vroeg de deelnemers aan welke sites ze dachten bij het onlinegokken. Maar liefst 29% van de jongeren tussen 18 en 21 jaar noemde daarbij een illegale goksite. In de algemene spelerspopulatie deed slechts 4% dat. Het probleem situeert zich dus echt bij de jongeren. Ze geven aan dat ze niet weten of een gokwebsite legaal of illegaal is. Ze komen vooral terecht op die sites via advertenties op sociale media.

Gokwebsites hebben een vergunning nodig van de Kansspelcommissie. Het logo van de Kansspelcommissie is bij vergunde websites duidelijk terug te vinden en er is controle op het vragen van de nodige identiteitsgegevens. Bovendien bevatten de vergunde websites waarschuwingen die adviseren om voorzichtig te zijn bij het spelen. De Kansspelcommissie heeft ook een zwarte lijst met illegale gokwebsites, die dus geen vergunning hebben. Die sites vragen amper identiteitsgegevens en zijn vaak actief vanuit het buitenland.

De Kansspelcommissie zelf zegt de strijd tegen illegale websites opgevoerd te hebben. Dat doet ze door de zwarte lijst voortdurend bij te werken en exploitanten van illegale websites via een minnelijke ingebrekestelling te vragen om hun websites te blokkeren. De Kansspelcommissie zegt dat ze sinds 2023 ook is gestart met het aanpakken van publiciteit voor illegale onlinekansspelen. Daarom trad ze in contact met Google en Meta en verkreeg ze dat via een speciaal webformulier voor overheidsinstanties onwettelijke inhoud kan worden gerapporteerd.

Er bestaat een stoppagina waarop spelers zouden moeten belanden, wanneer ze naar een illegale gokwebsite surfen. Toen ik mijn vraag enkele weken geleden aan het opstellen was, surfte ik naar een van die websites en kreeg ik die stoppagina niet te zien. Ondertussen heb ik die websites opnieuw geopend en lijkt het wel in orde te zijn. Ging het om een vergetelheid? Hoe worden die stoppagina’s bijgehouden? Worden ze al dan niet automatisch geïmplementeerd?

Hoeveel exploitanten van illegale websites werden er dit jaar al in gebreke gesteld en hoeveel van hen gingen erop in? Werd de klassieke procedure ingesteld bij alle exploitanten die geen gevolg gaven aan de ingebrekestelling?

Hoeveel advertenties voor illegale gokwebsites werden er respectievelijk in 2023 en 2024 gerapporteerd aan Google en Meta door de Kansspelcommissie? Werd er in alle gevallen gevolg aan gegeven door de techgiganten?

Welke maatregelen plant de minister nog te nemen om tegen te gaan dat jongeren op illegale gokwebsites terechtkomen?

Paul Van Tigchelt:

Het gaat om belangwekkende vragen. Ik zal mijn best doen om goed te antwoorden.

De Kansspelcommissie creëerde een stoppagina die vervolgens aan de internetserviceproviders werd meegedeeld om te gebruiken bij het blokkeren van illegale websites. Een site die onlangs bijvoorbeeld werd geblokkeerd is bc.casino. De websites worden pas geblokkeerd wanneer ze door de Kansspelcommissie op de lijst van illegale gokwebsites worden gezet. Dat is de zogenaamde zwarte lijst. Daar gaat een hele procedure aan vooraf. Het principe van de zwarte lijst werd in de wet van 7 mei 2024 wettelijk verankerd. Momenteel staan er 564 goksites op de lijst van illegale goksites, maar er komen dagelijks nieuwe goksites bij die geen Belgische vergunningen hebben.

Er werd inderdaad vastgesteld dat de stoppagina van de Kansspelcommissie niet altijd wordt gebruikt, maar dat de website wel is geblokkeerd en er een ander blokkeringsbericht wordt weergegeven. Uiteindelijk is dat de essentie. Om het probleem van de illegale goksites aan te pakken, werd in de programmawet van 2023 ook voorzien dat de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van Brussel tegenover illegale kansspelwebsites, maar ook tegenover elke tussenpersoon, een beschikking in kort geding kan nemen tot stopzetting van de vermeende inbreuken. De vordering hiertoe kan worden ingesteld op initiatief van elke belanghebbende. De controle hierop gebeurt door de Dienst voor de strijd tegen de inbreuken op de auteursrechten en de naburige rechten op het internet en tegen illegale onlinekansspelen, opgericht bij de FOD-economie. Dat is dus een mogelijkheid die wettelijk werd ingeschreven en die misschien nog wat onderbelicht is gebleven.

Ik komt tot uw tweede vraag. Wanneer een illegale website door de Kansspelcommissie wordt gedetecteerd, wordt een ingebrekestelling naar de operator gestuurd, met het overzoek om de toegang in België te blokkeren. Als er geen positief antwoord wordt ontvangen, wordt de website op de zwarte lijst geplaatst. Bij recidive wordt de website meteen op de zwarte lijst geplaatst. Sinds 1 januari 2024 werden in totaal 100 sites op de zwarte lijst opgenomen. Ik kan u meer details geven, maar ik stel voor dat u mij een schriftelijke vraag stelt voor dat gedetailleerd cijfermateriaal.

Wat uw derde vraag betreft, werden al in 2023 contacten gelegd met Google en Meta om het probleem van reclame voor illegale websites aan te pakken. Die samenwerking verloopt behoorlijk. Naar aanleiding van vastgestelde inbreuken tijdens het EK voetbal 2024, waar de Rode Duivels onder de verwachting presteerden, vond een nieuw overleg met Meta plaats en werd afgesproken dat de Kansspelcommissie toegang krijgt tot een geprivilegieerd kanaal voor het melden van illegale reclame. Dat is wel belangrijk.

Sinds de invoering van dat systeem hebben meldingen geleid tot de onmiddellijke verwijdering van advertenties. Bovendien verwijdert ook Meta op eigen initiatief illegale reclame. Dat is alvast een positieve evolutie. We zijn er nog niet, maar de evolutie is dus positief.

In uw vierde vraag vroeg u mij naar de maatregelen die ik nog zal nemen om te vermijden dat jongeren op illegale gokwebsites terechtkomen. Daarop moet ik tot ieders frustratie echter hetzelfde antwoord geven: ik ben een minister in lopende zaken en heb niet meer de democratische legitimiteit om nieuwe initiatieven te ontwikkelen.

Alexander Van Hoecke:

Mijnheer de minister, het is zeer goed dat de Kansspelcommissie toegang heeft tot dat geprivilegieerde kanaal. Dat is heel hoopgevend. Jongeren die op illegale websites terechtkomen, geven immers zelf ook aan dat ze weten dat die websites bestaan door advertenties op sociale media. Langs de andere kant blijf ik me wel iets afvragen. Als 29 % van de jongeren naar illegale goksites surft en zegt dat ze niet weten dat die sites illegaal zijn, dan moeten zij toch toegang krijgen tot die sites? Dan moeten ze toch op een kleurrijke pagina uitkomen zonder te beseffen dat die goksite illegaal is? De uitdaging ligt dus vooral bij het onmiddellijk ingrijpen. We moeten er alles aan doen om duidelijk te maken dat die goksites illegaal zijn en ze onmiddellijk blokkeren, of dat nu met een stoppagina is of met een ander middel.

De responsabilisering van de werknemers bij arbeidsongeschiktheid
De vragenlijst voor langdurig zieken en de daaraan verbonden sancties
Verantwoordelijkheid en sancties bij langdurige arbeidsongeschiktheid

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 11 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de responsabilisering van arbeidsongeschikte werknemers via sancties (2,5% uitkeringsvermindering of volledige schorsing) bij niet-meewerken aan terug-naar-werk-trajecten, zoals afwezigheid bij gesprekken of het niet invullen van vragenlijsten. Cijfers tonen zeer lage sanctietoepassing (17-29 gevallen/jaar, <0,01% van arbeidsongeschikten), terwijl data over vragenlijstsancties en effectiviteit ontbreken, wat kritiek uitlokt op transparantie en handhaving door ziekenfondsen. Minister Vandenbroucke belooft bijkomende schriftelijke rapportage en wijst op stijgende re-integratietrends (bv. 8.500+ aanmeldingen bij arbeidsbemiddeling in 2023), maar parlementsleden dringen aan op strengere controle en uitbreiding van sancties naar niet-meewerken aan re-integratieplannen. Kernpunt: het systeem is nog onvoldoende doorgedreven en meetbaar, ondanks positieve signalen.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, deze vraag gaat over de responsabilisering van werknemers in geval van arbeidsongeschiktheid.

U weet dat een responsabilisering werd ingevoerd, waarbij mensen in het kader van het terug-naar-werktraject door de terug-naar-werkcoördinator van het ziekenfonds voor een eerste gesprek worden opgeroepen in de vierde maand na de arbeidsongeschiktheid. Zij moeten daarop aanwezig zijn. De regels zijn vastgelegd in het koninklijk besluit van 25 september 2022 en treden in werking vanaf 1 januari 2023.

Als die werknemer niet op het bovengenoemd onderzoek of gesprek verschijnt zonder een geldige reden, krijgt hij een tweede kans via een aangetekend schrijven. Als hij dan nog steeds niet opdaagt, riskeert hij zijn dagbedrag te zien verminderen met 2,5 %. Die sanctie geldt tot het moment dat er een datum is vastgelegd voor dat gesprek of medisch onderzoek.

Mijnheer de minister, hoeveel arbeidsongeschikte werknemers werden sinds 1 januari verwittigd per aangetekend schrijven? Bij hoeveel werknemers is het ziekenfonds overgegaan tot de vermindering van de uitkering met 2,5 %? Wat is de gemiddelde duur van de sanctie per werknemer? Hoe wordt die toepassing geregistreerd, gecontroleerd en gehandhaafd door de ziekenfondsen? Engageert u zich ertoe om dat transparant te communiceren, bijvoorbeeld via een jaarlijkse rapportering?

Daarnaast is er ook het vraagstuk van de vragenlijsten, maar daarop zal mijn collega Ronse zich concentreren.

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, in het kader van de efficiëntie moet ik zeggen dat ik het antwoord al schriftelijk verkregen heb. Ik heb het doorgenomen en er zijn voor mij nog een aantal onduidelijkheden. Als ik het goed begrijp, werd 74 % van de vragenlijsten ingevuld in 2022, 78 % in 2023, 87 % in 2024 en ging het in 2024 over 204.406 vragenlijsten. U zegt verder dat we geen aantallen hebben voor de sanctie van 2,5 % wegens het niet invullen van de vragenlijsten omdat er ook ondersteuning en een ultiem contact is. Als men niet aanwezig is op het ultiem contact, zou er een volledige schorsing van de uitkering zijn, die voorrang krijgt op de sanctie van 2,5 %. Ik begrijp niet goed waarom de cijfers voor 2022 over het niet invullen van de vragenlijsten nog niet voorhanden zijn.

Een maand geleden stelde ik een vraag over de boetes die bedrijven kregen die bovengemiddeld veel langdurige zieken hadden. Toen kreeg ik zeer gedetailleerde cijfers. Ik heb het gevoel dat er geen evenwicht is in de kwaliteit van de reporting over het ene en het andere.

Hoe komt het dat er zelfs voor 2022 en eigenlijk ook voor 2023 geen cijfers voorhanden zijn van de boete van 2,5 % voor het niet invullen van de vragenlijst? U geeft ook aan dat de sanctie voor afwezigheid bij een ultiem contact een volledige schorsing van de uitkering is. Zijn er cijfers voorhanden over het aantal volledige schorsingen van de uitkering wegens het niet aanwezig zijn op het ultiem contact?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, wat de aanpak betreft, stel ik allereerst voor dat ik hier mondeling zeg wat ik denk te zeggen te hebben. Aangezien de twee collega’s hun vragen echter ook schriftelijk ingediend hebben, stel ik voor om bijkomend ook schriftelijk te antwoorden. De voorgaande vragen werden omgezet in schriftelijke vragen; hier stel ik voor dat ik bijkomend schriftelijk antwoord. Ik zeg er onmiddellijk bij dat er nog een aantal antwoorden ontbreken. Op het precieze punt dat de heer Ronse maakt, zou ik in mijn schriftelijk antwoord graag wat dieper ingaan.

Als ik op al uw vragen wil antwoorden, heb ik nog gegevens nodig die ik afzonderlijk moet opvragen bij het Nationaal Intermutualistisch College (NIC). Het gaat om gegevens die niet in de TNW-barometer zitten waarmee we sinds enige tijd werken en die ik zou willen toevoegen aan een bijkomend schriftelijk antwoord op deze twee vragen.

Om te beginnen geven wij sinds heel kort heel wat gegevens vrij via de TNW-barometer, die u sinds oktober 2024 kunt raadplegen op de website van het RIZIV. De cijfers worden twee keer per jaar geactualiseerd en uitgebreid met bijkomend cijfermateriaal, onder meer over de sancties. Dat cijfers op een website voortaan twee keer per jaar geactualiseerd worden, beantwoordt wat mij betreft toch deels aan uw vraag naar transparante en regelmatige communicatie.

Eerst kom ik tot de vragen van de heer Van Quickenborne, daarna beantwoord ik de vragen van de heer Ronse.

Mijnheer Van Quickenborne, het aantal arbeidsongeschikt erkende werknemers dat een aangetekend schrijven heeft gekregen, laat ik nog preciseren bij het NIC en dat wil ik toevoegen aan het antwoord op de schriftelijke vraag. Dat geldt ook voor de vraag over de handhaving van de sanctie van 2,5 %. Ik kan u wel zeggen hoeveel gerechtigden een sanctie van 2,5 % hebben gekregen omdat zij afwezig bleven op het eerste gesprek met de TNW-coördinator in het derde en het vierde kwartaal van 2023 en het eerste en tweede kwartaal van 2024. Voor 2023 gaat het over 17 personen en voor 2024 over 29 personen. In 2023 ging het om 1.734 uitkeringsdagen en duurde de periode van sanctionering gemiddeld 102 dagen, dus periodes van sanctionering die aangevat zijn in 2023. In 2024 gaat het over 1.668 uitkeringsdagen en een gemiddelde duur van 58 dagen, dus periodes van sanctionering aangevat in 2024. De gegevens voor 2024 zijn natuurlijk nog niet volledig, dus een vergelijking tussen 2024 en 2023 is moeilijk.

De betaalgegevens voor de gerechtigden waarbij een sanctie van 2,5 % wordt toegepast op de uitkering ten gevolge van afwezigheid op het eerste gesprek met de TNW-coördinator worden via een elektronische gegevensstroom door de verzekeringsinstellingen aan het RIZIV bezorgd.

Mijnheer Ronse, voor het antwoord aangaande de vragenlijsten hebben we cijfergegevens beschikbaar vanaf het tweede trimester van 2022 tot en met juni 2024. Vanaf april 2022 gaat het om 142.992 verstuurde vragenlijsten, in 2023 waren dat er 204.406 en in 2024 tot en met juni werden 102.963 vragenlijsten verstuurd.

De percentages van ingevulde vragenlijsten stegen van 74 % in 2022 over 78 % in 2023 tot 87 % voor de eerste maanden van 2024. Het is juist dat niet elke persoon een vragenlijst krijgt. In 2022, cijfers vanaf april van dat jaar, kregen 2.053 verzekerden geen vragenlijst. In 2023 gaat het om 2.668 verzekerden. Tot en met maart 2024 gaat het om 564 verzekerden.

U weet dat daar redenen voor kunnen zijn: een gegronde medische reden die men reeds kent, een re-integratietraject bij de werkgever dat lopende is, een verzekerde persoon die al een toegelaten arbeid doet en nog een paar andere voorbeelden. Er kunnen dus welbepaalde redenen zijn die opgenomen zijn.

Wij hebben geen globale aantallen voor de sanctie van 2,5% voor het niet invullen van de vragenlijst. Ik heb daarnet een partieel cijfer gegeven van wie wordt gesanctioneerd omdat hij bij de eerste oproep door de TNW-coördinator voor het invullen van de vragenlijst niet komt. Dat is maar een onderdeel van het proces. Er zijn meerdere vormen van ondersteuning die worden aangeboden. Het ultieme contact in verband met de ondersteuning die wordt aangeboden om de vragenlijst in te vullen, valt in de praktijk vaak samen met het fysieke contact met de adviserende arts, niet de TNW-coördinator, of de medewerker van het multidisciplinaire team in het kader van de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid zelf, voor het einde van de vierde maand van de arbeidsongeschiktheid. De sanctie voor een afwezigheid op dat contact is een volledige schorsing van de uitkering. Volgens de wet krijgt deze sanctie ook voorrang op de sanctie van 2,5 %.

Stel u dus voor dat iemand die de vragenlijst niet heeft ingevuld, wordt opgeroepen om naar de adviserende arts of een medewerker van het multidisciplinair team te gaan. Men vraagt daar naar die vragenlijst. Dat valt ook samen met een evaluatie van arbeidsongeschiktheid. Als die persoon niet komt, dan krijgt die een klassieke sanctie, namelijk een volledige schorsing. De zaken vallen dus samen. Dat maakt het moeilijker om te zeggen hoeveel mensen er, uitsluitend wegens het niet invullen van de vragenlijst, een sanctie hebben gekregen. Er vallen soms verschillende soorten sancties op elkaar. Het zijn verschillende processen. Zo mogelijk ga ik daarop dieper inzoomen in mijn schriftelijk antwoord.

Ten slotte, indien een verzekerde na een eerste contactmoment met de terug-naar-werkcoördinator een formeel re-integratietraject wenst op te starten, zal er eerst een engagementsverklaring worden ondertekend. Daarna zal de TNW-coördinator samen met de verzekerde een formeel re-integratieplan opstellen. Wij zien daar op alle vlakken een stijgende trend. U vindt de concrete cijfers daarover in de TNW-barometer. Wij zullen die ook opnemen in de bijkomende antwoorden op de schriftelijke vraag.

Ik veronderstel dat u bijzonder geïnteresseerd bent in de aanmeldingen bij de bemiddelingsdiensten en daarom wil ik die cijfers nog even geven. Voor het volledige jaar 2022 ging het om 5.612 aanmeldingen bij een van de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten. In 2023 was dit totaal al gestegen tot 8.519. Voor 2024, cijfers voor de helft van het jaar, tot en met juni, gaat het om 6.261 aanmeldingen. Ook daar zien wij dus een stijgende trend. Ik vind dat een positief gegeven in het geheel van dit niet zo eenvoudige verhaal.

Ik zal u ook nog schriftelijk antwoorden en ik zal bijkomende informatie stoppen in mijn schriftelijk antwoord.

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de minister, de essentie van de responsabilisering van mensen bij arbeidsongeschiktheid is ervoor zorgen dat alle actoren geresponsabiliseerd worden. U hebt in antwoord op mijn eerdere vraag over de ziekenfondsen aangetoond dat dit gebeurt. Voor de werkgevers werden de cijfers destijds ook bekendgemaakt, het gaat in totaal over 8 miljoen euro.

Nu hebben wij de cijfers voor de werknemers. Voor de werknemers zijn er natuurlijk verschillende momenten. U hebt geantwoord met betrekking tot het moment dat een TNW-coördinator de werknemer uitnodigt voor een eerste gesprek. Het blijkt te gaan over 17 personen in 2023 en 29 personen in 2024. Mijnheer de minister, dat zijn lage aantallen. 17 mensen op een totaal van 500.000 arbeidsongeschikten is 0,0034 %. Bij 29 personen is dat iets meer. U zult zeggen dat het systeem nog op gang moet komen, maar het zijn toch wel erg lage aantallen.

Wat de vragenlijst betreft, kunt u momenteel geen cijfers geven. Nochtans zouden we eigenlijk wel moeten weten – de ziekenfondsen kunnen ons die info bezorgen – of vragenlijsten al dan niet worden ingevuld. Daarover geen cijfers geven zorgt hopelijk niet voor straffeloosheid en ziekenfondsen die hun verantwoordelijkheid ontlopen, want daar vrezen wij voor.

Ten laatste kom ik terug op de responsabilisering op basis van een aantal formele momenten: niet komen opdagen voor een medisch onderzoek, niet komen opdagen voor een eerste gesprek en geen vragenlijst invullen. In die responsabilisering gaat het op dit moment niet over responsabilisering in het kader van een formeel re-integratietraject. Iemand die niet meewerkt aan een re-integratietraject wordt vandaag niet geresponsabiliseerd. Wij vinden dat dat daartoe zou moeten worden uitgebreid.

Axel Ronse:

Er zijn dus nog geen cijfers over de sancties naar aanleiding van het niet invullen van de vragenlijst. We zullen die van u ontvangen na de consultatie van het NICC. Los van de sancties voor het niet invullen van die vragenlijst ben ik bijzonder geïnteresseerd in het effect van die vragenlijst. Helpt die een langdurig zieke om een aangepaste job te vinden bij de eigen werkgever of een andere werkgever? Werd er kwalitatief gemeten of die vragenlijst nuttig is? Ik begrijp dat de volledige schorsing voorrang heeft op de sanctie voor het niet invullen van de vragenlijst, maar het zou nuttig zijn om ook daarover cijfers te krijgen. Als we deze al niet kunnen krijgen voor de jaren 2022 en 2023, dan is het niet makkelijk om als parlementslid onze job te doen en te controleren of de genomen maatregelen om het aantal langdurig zieken en de RIZIV-uitkeringen terug te dringen, efficiënt zijn. Het lijkt me broodnodig om dat vanuit het Parlement te kunnen doen. Ik waardeer u, want u bent de eerste minister die zijn tanden heeft gezet in het terugdringen van langdurig zieken door alle actoren voor hun verantwoordelijkheden te plaatsen. Het is des te jammer dat net voor de actor in kwestie weinig cijfergegevens en materiaal voorhanden zijn. Andere parameters tonen immers aan dat er meer nodig is. Voorlopig slechts 3.000 werkhervattingspremies, dat is zeer weinig. Bij het RIZIV heb ik me geïnformeerd over het Terug-naar-werkfonds. Sinds april 2024 zijn er slechts 11 vouchers uitgereikt via een fonds dat ondertussen al ruim 4,5 miljoen euro heeft opgehaald bij de boetes voor ontslag bij medische overmacht. Als we resultaten willen boeken, zal er meer nodig zijn. We willen uw partner zijn om samen met u na te gaan hoe we de maatregelen doeltreffender en sterker kunnen maken om meer mensen aan de slag te krijgen. De behandeling van de vragen wordt geschorst van 16.05 uur tot 16.18 uur. Le développement des questions est suspendu de 16 h 05 à 16 h 18.

Witwaspraktijken via producten van de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en de producten van de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en de producten van de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en de producten van de Nationale Loterij
Het vermoeden van witwasserij via de Nationale Loterij
Fraudebestrijding en witwaspraktijken via Nationale Loterij-producten

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om vermoedens van witwassen via de Nationale Loterij door ex-minister Didier Reynders, waarbij kritiek wordt geuit op slechte controles, gebrek aan transparantie en een dubbele standaard tussen de overheidsloterij en private spelers. De Loterij claimt detectiesystemen te hebben, maar parlementsleden betwijfelen hun effectiviteit gezien de tienjarige duur van de praktijken en het enkele melding in vijf jaar. Vincent Van Peteghem (minister) benadrukt strengere EU-regels en samenwerking met justitie, maar oppositie eist versnelde onderzoeken, opheffing van Reynders’ onschendbaarheid en gelijke regels voor alle kansspelactoren. Systematische corruptie in de politiek (Kazachgate, Qatargate) en zwakke anti-witwasmaatregelen staan centraal.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u kent wellicht de beruchte slogan van de Nationale Loterij: Word schandalig rijk . Iemand heeft dat blijkbaar iets te letterlijk genomen. Als het klopt wat er nu in de media verschijnt, dan heeft Didier Reynders, MR-boegbeeld, 20 jaar minister, 5 jaar eurocommissaris, de Nationale Loterij gebruikt om zijn zwart geld wit te wassen. We zijn natuurlijk ook allemaal nieuwsgierig naar de oorsprong van dat zwart geld, maar ik denk dat we dat niet snel te weten zullen komen. U kunt echter in elk geval wel al in actie schieten.

We weten dat criminele milieus graag gebruikmaken van gokproducten om geld wit te wassen. Daarvoor wordt al jaren gewaarschuwd. Ik heb hier de voorbije jaren al heel wat zien passeren in het dossier van de gokindustrie, maar dat de Nationale Loterij, een overheidsbedrijf, ook als witwasmachine kan worden gebruikt, tart elke verbeelding.

Hoe kan het dat men e-tickets zomaar met cash geld kan kopen? Dat is niet alleen zo in de krantenwinkels en de verkooppunten van de Nationale Loterij, maar ook aan de kassa van grootwarenhuizen. Dat is toch de kat bij de melk zetten. Meer zelfs, de poort staat wagenwijd open voor misbruik. Dat is op zich al een eerste achterpoortje dat gemakkelijk zou kunnen worden gesloten.

De Nationale Loterij zegt natuurlijk dat hun detectiesysteem heeft gewerkt. Volgens de onderzoeksjournalist die het verhaal naar buiten heeft gebracht, zou de witwasoperatie echter mogelijk al tien jaar duren. Kunt u dat bevestigen? Als het inderdaad zo lang heeft geduurd, werkt dat detectiesysteem dan wel voldoende? Vindt u het zelf ook niet vreemd dat de heer Reynders de enige zou zijn geweest die deze truc gebruikte, want er zijn volgens de Nationale Loterij geen andere gevallen bekend?

Mijnheer de minister, welke acties zult u hiertegen ondernemen?

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, gok- en kansspelen zijn in dit land streng gereglementeerd om het hoofd te bieden aan twee problemen: gokverslaving en witwassen van zwart- en crimineel geld.

Witwassen is altijd laakbaar en moet aangepakt worden, maar dat de overheid hiervoor wordt ingeschakeld, is afschuwelijk en een klap voor het vertrouwen in onze overheden. Nu zie ik één lichtpuntje, namelijk dat het misbruik wel degelijk ontdekt is door de Nationale Loterij.

Mijnheer de minister, hoe gebeurt die controle? Gebeurt die manueel of visueel, dus op het zicht, of gebeurt dat met een dataminingtechniek, een algoritme dat op zoek gaat naar uitschieters in een bestand? Ik stel die vraag omdat het vreemd is dat de Nationale Loterij, die quasi een monopolie heeft in deze sector, op vijf jaar tijd maar één melding heeft gedaan bij de Cel voor Financiële Informatieverwerking.

Vandaar mijn tweede vraag. Is er maar één keer misbruik vastgesteld, wat onmogelijk is gezien de omvang van het quasi monopolie, of is er maar één keer melding gemaakt? Dat is een belangrijk verschil, want in dat laatste geval is er misschien gewoon sprake van een afrekening tussen de politieke top van de Nationale Loterij, dus tussen de heer Jannie Haek, een socialist, en de heer Didier Reynders, een liberaal.

Ten derde genieten wij als parlementsleden onschendbaarheid. Dat is ook het geval voor de heer Reynders. Bij mijn weten wordt die onschendbaarheid altijd snel opgeheven wanneer er een onderzoek door of een vraag van het parket komt. Waarom is er in dit geval zo lang gewacht, namelijk tot de heer Reynders eurocommissaris af was?

Tot slot, in deze sector lijken mij twee maten en twee gewichten te worden gehanteerd. De private sector wordt streng gereglementeerd en binnenkort zelfs nog strenger. Wat verantwoordt die uitzonderingspositie van de Nationale Loterij? Waarom zijn niet alle spelers, publiek en privaat, aan dezelfde reglementering onderworpen? Bent u bereid om dat recht te trekken?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, Win for Life! On savait déjà que l'ancien ministre des Finances et éminent politicien du parti libéral, M. Reynders, gagne à la loterie depuis trente ans: ministre durant vingt ans – ce qui signifie qu'il a gagné durant toute cette période près de 20 000 euros par mois – et commissaire européen ces cinq dernières années, soit un salaire mensuel de 30 000 euros.

Hier, nous apprenions que M. Reynders est soupçonné d'avoir blanchi de l'argent en – tenez-vous bien! – achetant des billets à la Loterie Nationale! On croirait franchement à une blague belge mais non, il semble que ces soupçons sont bien réels. L'enquête judiciaire doit évidemment suivre son cours pour voir si oui ou non il est coupable.

D'après moi, cette affaire nous met face à trois éléments.

Premièrement, toute la vérité doit être faite et l'immunité parlementaire dont bénéficie M. Reynders ne peut faire obstacle à cette enquête car lorsqu'un simple citoyen est soupçonné, il ne bénéficie pas d'immunité parlementaire.

Deuxièmement, nous apprenons que cette pratique aurait duré pendant dix ans et on se demande donc si les mécanismes de contrôle par rapport à la Loterie Nationale sont suffisants.

Troisièmement, je crois que nous avons un vrai problème avec l'argent en politique en Belgique. Ce n'est ni la première ni, apparemment, la dernière affaire. Le GRECO, le gendarme européen, a déjà critiqué la Belgique à plusieurs reprises car nous ne sommes pas en règle s'agissant de la lutte contre la corruption en politique. Nous n'avons par exemple ni déclaration de patrimoine public, contrairement à d'autres pays, ni registre des lobbies.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, onze blauwe smurf is nog eurocommissaris voor Justitie geweest en ook minister van Financiën. Hij was indertijd zelfs bevoegd voor de Nationale Loterij. Hij heeft blijkbaar gesmurft met producten van de Nationale Loterij om zwart geld wit te wassen.

Het is precies vier weken geleden dat ik hier stond om de toestand bij de Nationale Loterij aan te klagen omdat de toxische leider ervan, een zekere Jannie Haek, voor de correctionele rechtbank moest verschijnen wegens het organiseren van illegale praktijken. Zes maanden geleden stond ik hier, met mijn collega Christoph D'Haese, aan te klagen dat diezelfde man 30 miljoen gestort had in de kas van de overheid om te ontsnappen aan elke controle op de Nationale Loterij.

Hoewel iedereen daartegen was – ook de heer Van Hecke – valt de Nationale Loterij niet onder de kansspelwetgeving. Wij vroegen dat nochtans, maar het werd niet aanvaard. Tot wat dat kan leiden, zien we nu: de Nationale Loterij verkoopt producten die ertoe leiden dat men geld kan witwassen. Met dat zwart geld verdient men geld, meer dan wat men aan de belastingen betaalt, namelijk de helft van het inkomen. Koop dus maar lotjes van Subito of Win for Life. Men kan ze zelfs bij de begrafenisondernemer krijgen. Er zijn liefst 7.000 verkooppunten. Men koopt dus een lotje en men krijgt zijn geld terug, tot 78 %

Nadien gebeurt er echter niets. Er komt geen enkele controle. In dit geval was er waarschijnlijk een klokkenluider bij de Nationale Loterij die dat aan het licht heeft gebracht. Het probleem is redelijk groot, maar ik kan er nog niet over uitweiden. Een klokkenluider heeft het gezegd.

Geen enkel van de privégokbedrijven kan er nog aan uit. Geen enkel. Er werden 332 klachten ingediend. Waarom? Wie op de zwarte lijst staat, kan zo'n bedrijf zelfs niet binnen. Als men op die zwarte lijst staat, kan men echter wel elke week 120.000 euro inzetten op de Lotto. Dat is de Nationale Loterij (…)

Voorzitter:

Dank u collega, maar wanneer komt uw vraag?

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, Didier Reynders, l'un des plus hauts dignitaires libéraux, ancien vice-premier ministre en charge notamment des Finances et de la Lutte contre le blanchiment d'argent, ancien ministre des Affaires étrangères, ancien commissaire européen en charge de la Justice et du respect de l'État de droit, serait impliqué dans une affaire de blanchiment d'argent.

Avant toute chose, rappelons que, contrairement à certains et à ce qu'on a pu entendre dans cet hémicycle il n'y a pas si longtemps, nous ne prenons pas des éléments partiels pour des faits. Didier Reynders, comme chacun, bénéficie de la présomption d'innocence.

Monsieur le ministre, néanmoins, les éléments divulgués, s'ils venaient à être confirmés, sont importants en ce qu'il est question de détournement d'une somme importante. Selon la presse, cette somme correspondrait à un nombre à six chiffres et aurait été blanchie depuis près d'une décennie. La presse explique que l'affaire aurait été divulguée à la suite du signalement de la Loterie Nationale elle-même, qui dispose d'outils pour débusquer les pratiques de blanchiment.

Monsieur le ministre, avez-vous été mis au courant avant la sortie dans la presse du signalement opéré par la Loterie Nationale? Si oui, depuis quand? Pouvez-vous nous expliquez quels sont les indices repérés par la Loterie pour signaler un comportement suspect? Qui la Loterie Nationale a-t-elle prévenu? Le parquet? La CTIF? Vous-même?

En tant que ministre des Finances, que vous ayez eu l'information en amont ou en lisant la presse, avez-vous entrepris des démarches? Avez-vous par exemple saisi l'Inspection spéciale des impôts? Selon la presse, la Loterie Nationale n'aurait réalisé qu'un seul signalement en cinq ans. Quid des casinos? Quid des opérateurs privés?

Le rapport annuel de la CTIF de 2023 stipule qu'il y aurait eu 322 signalements par des établissements de jeux de hasard. Confirmez-vous ces chiffres? Quelle en est l'évolution à travers le temps?

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer de voorzitter, collega's, u beseft natuurlijk dat ik mij in mijn antwoord bij momenten op voorwaardelijke wijze zal uitspreken, omdat het gerechtelijk onderzoek nog lopende is. Laat me van in het begin ook direct duidelijk zijn: de strijd tegen al wie fraude pleegt of geld witwast, kunnen we niet hard genoeg voeren.

Het is niet nieuw dat potentiële fraudeurs en witwassers een grote creativiteit aan de dag leggen om geld wit te wassen en daarbij ook hun blik werpen op de kansspelsector.

Les opérateurs de jeux de hasard ont donc l'obligation, en vertu de la loi anti-blanchiment, de signaler et de prévenir le blanchiment de capitaux et le financement du terrorisme.

Die verplichtingen zijn ook van toepassing op de Nationale Loterij

De Nationale Loterij neemt overigens maatregelen om witwaspraktijken via haar loterijspelen te verhinderen. Ten eerste is de loterij bijzonder transparant over zowel het terugbetalingspercentage als over de winstkans. Die transparantie is nodig om spelers te wijzen op het karakter van het loterijspel en tevens een belangrijke maatregel in de strijd tegen verslaving.

Ten tweede, zowel voor stortingen als voor uitbetalingen hanteert de loterij limieten die lager liggen dan in de private kansspelsector. Wie vandaag geld wil storten op een onlinespelrekening van de loterij, of dat nu met e-tickets dan wel per overschrijving gebeurt, botst op een standaardlimiet van 200 euro per week. Die limiet kan tot maximaal 500 euro gebracht worden, mits een wachttijd wordt inachtgenomen.

Troisièmement, les joueurs qui utilisent des e-vouchers sont, comme tous les joueurs en ligne, identifiés par la Loterie Nationale, sur la base de leurs données du Registre national.

Collega’s, de combinatie van begrenzing, lage uitbetalingspercentages en online identiteitscontroles maken dat loterijspelen vandaag heel wat minder aantrekkelijk zijn om te worden misbruikt voor frauduleus geldgewin.

Uiteraard blijft waakzaamheid echter geboden. Ook op dat punt neemt de Nationale Loterij haar verantwoordelijkheid. Hoewel het door de beperkingen om lage bedragen ging, heeft het forensische systeem van de Nationale Loterij het afwijkende spelgedrag en de verdachte stromen immers geïdentificeerd. Bovendien heeft de Nationale Loterij ook tijdig melding gemaakt aan de bevoegde instanties.

De Nationale Loterij zal ook steeds haar volledige samenwerking verlenen aan elk lopend gerechtelijk onderzoek, niet enkel om mogelijk witwassen aan het licht te brengen, maar ook om waar mogelijk te helpen de bron van dergelijke zwarte geldstromen te detecteren.

Chers collègues, nous sommes également confrontés à ce défi croissant au niveau politique. Sous la présidence belge, un nouveau règlement et une nouvelle directive anti-blanchiment ont été adoptés. Cette nouvelle réglementation ne fait pas seulement entrer le secteur des cryptomonnaies, qui présente des risques de blanchiment, dans le champ d'application, mais elle renforce également les règles et les obligations pour les fournisseurs de jeux.

De strijd tegen fraude en witwassen is immers de strijd van onze samenleving tegen mensen die door misleiding en misbruik aan hun verplichtingen willen ontsnappen. De in de pers geschetste feiten tonen aan dat die strijd elke dag moet worden voortgezet, zonder enig onderscheid.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u legt uit dat de loterijspelen minder aantrekkelijk zijn door de ingebouwde grendels. Dat belet echter niet dat men met kleinere bedragen gedurende vele jaren een heel groot bedrag kan witwassen. De vraag rijst waarom die grendels en die controlemechanismen niet hebben gewerkt. U hebt daar geen duidelijk antwoord op gegeven. We zullen daar later op terugkomen.

Collega’s, we zouden er bijna compassie mee hebben: een Europees commissaris met een loontje van amper 20.000 euro per maand die blijkbaar nog extra geld nodig heeft om te kunnen leven. Het verbaast me niet van de heer Reynders. In 2011 heb ik gezien hoe hij op een ongeziene manier de afkoopwet door het Parlement heeft gejaagd. Die wet stelt grote fraudeurs in staat om aan Justitie te ontsnappen door een geldsom te betalen.

We hebben Kazachgate gehad waarin MR-prominenten de hoofdrol speelden. De cirkel is rond. Het enige waarin Reynders niet is geslaagd, is een naamsverandering: van MR, mouvement réformateur, naar MB, mouvement du blanchiment .

Voorzitter:

We kunnen tijdelijk geen beroep doen op de aftelklok om de spreektijd te volgen. Ik ben daarom verplicht enige tolerantie aan de dag te leggen totdat het tijdsein is hersteld.

Lode Vereeck:

Mijnheer de minister, uw antwoord stelt me niet gerust. U blijft erbij dat er op vijf jaar tijd maar een melding en dus een geval van misbruik zou zijn geweest. Dat is onmogelijk.

Collega’s, het vermoeden van onschuld is een basisprincipe van de rechtsstaat. Aangezien het dossier over de mogelijke witwaspraktijken echter gelekt is en het een bekende politicus in België en de EU betreft, straalt dit zeer negatief af op het politieke bestel. Omdat het een voormalig minister van Financiën en oud-eurocommissaris van Justitie betreft, die de strijd tegen corruptie en witwassen moest leiden, willen wij dat dit snel en krachtdadig wordt aangepakt. Het moet vooral snel gaan om het vertrouwen van de bevolking in onze instellingen te herstellen. Het gerecht is echter niet bepaald snel in dit soort zaken. Denk maar aan Qatargate met de honderdduizenden euro’s aan cash steekpenningen die bij PS-europarlementsleden werden gevonden. We wachten nog steeds op een eventuele veroordeling in die zaak. Er moet dus snel een uitspraak komen. (…)

Voorzitter:

De klok is intussen hersteld. U hebt dus pech, want uw minuut is op. U bent zo in uw tekst opgegaan dat u niet hebt gemerkt dat de technologie hersteld was.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, merci pour votre réponse même si elle ne comportait pas beaucoup de détails sur l'affaire précise.

Je voulais tout d'abord faire remarquer qu'il y a deux semaines, il y a eu soupçon de fraude au CPAS d'Anderlecht, et que là, le MR était sur le pont. Mais aujourd'hui, quand il s'agit de votre propre parti, on ne dit rien et on n'entend rien.

On a déjà eu le Kazakhgate, le Qatargate. Aujourd'hui on a le Subitogate. Il est clair qu'en Belgique on a un vrai problème avec la corruption en politique.

(…) : (…)

Sofie Merckx:

Vous connaissez le GRECO. Vous n'aimez pas quand on dit cela. Vous êtes fort silencieux en tous cas. On ne vous entend pas sur M. Reynders.

Le PTB va redéposer une proposition de loi. Ce sont des recommandations du GRECO pour la lutte contre la corruption et contre les conflits d'intérêts en politique, que ce soit au niveau du patrimoine ou au niveau du lobby. Il faut vraiment que cela change.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, sorry, maar ik zal het niet over de heer Reynders hebben. Ik zit hier immers al een kwarteeuw en als ik iedereen die in verdenking is gesteld, moet opnoemen dan zou ik een halfuur nodig hebben.

Ik zal het hebben over de Nationale Loterij. In de regeringsonderhandelingen is er sprake van het afschaffen van de Kansspelcommissie. Het enige orgaan dat controles uitvoert, wilt u nu afschaffen in het kader van de onderhandelingen over een nieuwe regering. De Nationale Loterij ontsnapt daar al jaren aan. Zij doet waarin zij goesting heeft en verkoopt 22 soorten krasloten. Morgen komt er waarschijnlijk een rush op de krasloten, want zij maken zwart geld wit. Dat is het gevolg van wat Reynders doet, maar u doet niets. U wacht af en u zult in de regeringsonderhandelingen bekijken wat zij die dat aanklagen, zij die controle uitoefenen op de private sector waar quasi niets meer gebeurt… Die mensen wilt u niet toelaten bij de Nationale Loterij. Geef daar eens uitleg (…)

(Applaus van de PVDA-PTB-fractie)

Voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Dedecker.

Ik heb de indruk dat, als we collega Dedecker een regering zouden laten vormen, dat iets sneller zou gebeuren, want hij weet bizarre coalities tot stand te brengen. Misschien meldt zelfs collega Aouasti zich aan. Dat zullen we nu vaststellen.

Khalil Aouasti:

Monsieur le ministre, argent et politique: il n’en faut pas plus, finalement, pour que l’image du politique soit à nouveau ternie. Il convient donc de traiter cette affaire avec diligence et célérité. Avec célérité car il ne faudrait pas que cette affaire jette l’opprobre sur la Loterie, qui est connue pour apporter un soutien important aux bonnes causes, au tissu social et associatif, qu’il s’agisse de clubs sportifs, de culture, d’actions de solidarité ou autres. Mais avec diligence aussi car il n’est pas exclu, en fonction des développements de l’affaire et des accords de gouvernement – dont on apprend finalement certains passages aujourd'hui –, que nous ayons à nous revoir ici-même afin de faire la pleine lumière sur celle-ci et sur votre politique en matière de lutte contre la fraude. Cela inclut l’analyse des outils mis en place par les opérateurs privés et par la Loterie Nationale, qui doivent permettre de mettre en œuvre des procédures efficaces devant rendre impossible toute fraude telle que celle qui a été dénoncée. Je vous remercie.

De zorgwekkende situatie bij Proximus

Gesteld aan

Petra De Sutter (Minister van Overheidsbedrijven en Ambtenarenzaken)

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Vincent Scourneau kaart de zware crisis bij Proximus aan: historisch dieptepunt van de beurskoers (<€6, marktkapitalisatie <€2 mjd), twijfel aan strategische investeringen (VS/Indië) en verlenging CEO-contract in lopende zaken, terwijl analisten en aandeelhouders panikeren. Minister Petra De Sutter bagatelliseert de zorg, wijst op operationele gezondheid (groei 3%, klanttevredenheid) en verklaart de koersdaling door tijdelijke investeringsdruk (€6 mjd in glasvezel) en concurrentie, benadrukkend dat de SFPI nu verantwoordelijk is. Scourneau houdt vol dat alle alarmbellen afgaan (koers < investeringsbudget, 12 mln aandeelhouders via staat, banen op spel) en eist daadkrachtig ingrijpen, terwijl De Sutter de autonomie van Proximus en haar CA (met eigen partijleden) als schild gebruikt. Kernconflict: *is Proximus een zinkend schip of een tijdelijk verzwakte reus?*

Vincent Scourneau:

Madame la ministre, je souhaite vous faire part une nouvelle fois de la situation préoccupante de la société publique Proximus.

Encore hier, elle a fait l'objet de l'actualité boursière. Le titre a dévissé de manière significative. Aujourd'hui, finalement, nous sommes en dessous de la barre symbolique des 6 euros par action et la capitalisation boursière est inférieure à 2 milliards d'euros, ce qui n'est jamais arrivé depuis son installation en bourse.

La situation est terriblement préoccupante. Nous avons d'ailleurs eu une commission la semaine dernière et nous avons écouté le conseil d'administration qui, à son initiative, avait demandé cette réunion.

En écoutant le conseil d'administration, j'avais l'impression d'assister au naufrage d'une société qui s'apparente un peu au Titanic. La société Proximus est-elle le Titanic des télécommunications puisque nous avons, d'une part, un paquebot qui sombre et, finalement, l'orchestre qui continue à jouer de la musique?

La musique des membres du conseil d'administration nous dit que tout va bien mais ils sont apparemment les seuls à encore le penser.

En se fiant aux analystes et aux sociétés de cotation, nous nous apercevons qu'il y a une véritable angoisse concernant la société, liée notamment à sa politique stratégique d'investissement et à différentes mesures. Citons par exemple ses investissement aux États-Unis et en Inde, en vendant les bijoux de famille belges, en essayant des politiques stratégiques qui sont d'apparence assez audacieuses, parfois ne manquant pas de panache, mais nécessitant quand même des réflexions très profondes.

Madame la ministre, avez-vous été associée à toutes ces stratégies? Avez-vous été associée à certaines décisions?

Avez-vous été associée par exemple à des décisions éminemment symboliques mais tellement significatives dans l'état d'esprit, comme celle de prolonger le contrat du CEO, alors que nous sommes en affaires courantes et que, de manière fortement anticipée, le conseil d'administration a décidé de prolonger ce contrat?

Petra De Sutter:

Monsieur Scourneau, merci pour vos questions, qui sont un copier-coller de celles de M. Freilich il y a deux semaines. Merci de me donner l'occasion de répéter ma réponse!

Tout d'abord, vous savez certainement que Proximus est une entreprise publique autonome cotée en bourse et que depuis cette année, les actions des entreprises publiques cotées en bourse sont centralisées au sein de la Société Fédérale de Participations et d’Investissement (SFPI). Le fait que la direction de cette entreprise publique ait demandé de s'expliquer au Parlement suite aux rumeurs dans la presse me semble être une bonne chose. Je soutiens totalement ce type d'initiative.

D'un autre côté, vous savez également que le conseil d'administration est constitué pour moitié de représentants du gouvernement actuel, dont certains de votre parti.

Comme le CEO l'a expliqué en commission, la situation n'est pas du tout préoccupante, contrairement à ce que vous dites. L'entreprise est saine au niveau opérationnel et financier. Elle acquiert des parts de marché, prévoit une croissance de 3 % cette année-ci et constate une augmentation de la satisfaction des clients et une diminution du nombre de plaintes.

Je comprends que l'évolution du cours boursier de l'action de l'entreprise suscite des inquiétudes. Il s'agit d'une analyse normale. Le CEO a démontré en commission que la baisse du prix de l'action n'était pas anormale pour une entreprise de télécoms en pleine phase d'investissements. Proximus investit en effet 6 milliards d'euros sur dix ans dans la fibre optique, ce qui se répercute temporairement sur les bénéfices. En outre, l'arrivée d'un quatrième opérateur joue aussi un rôle. Malgré ces facteurs, Proximus reste une entreprise forte et saine.

Vincent Scourneau:

Madame la ministre, je vous remercie. J'entends que vous partagez l'ambiance du conseil d'administration. Il est exact que, voici quinze jours, des questions ont été posées et que des réponses y ont été apportées. Il est également vrai que la situation s'est encore dégradée et que nous avons dépassé hier le seuil historique des 6 euros. Il y a de quoi s'inquiéter. Vous parlez de 6 milliards d'euros d'investissement. Aujourd'hui, l'action est capitalisée à 2 milliards. Je pense quand même que tous les clignotants sont allumés et qu'il faudra se montrer vigilant. Madame la ministre, Proximus, c'est plus de 2 millions d'abonnés et près de 12 millions d'actionnaires, puisque nous le sommes tous à hauteur de 53 %. Ce sont aussi des milliers d'emplois. Par conséquent, j'espère que vous aurez à cœur de prendre ce dossier à bras-le-corps et que vous le gérerez attentivement afin de sortir de l'ornière cette société qui mérite mieux que certaines rigolades de vos collègues.

Nieuwe wantoestanden bij een Brussels OCMW
Nieuwe onthullingen in een Pano-reportage
Nieuwe ontwikkelingen bij Brusselse OCMW's

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 5 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om fraude en misbruik van federale energiesteun door het OCMW Anderlecht, waar subsidies ten onrechte werden toegekend (o.a. aan overledenen, buitenlanders en daklozen) om budgetten op te maken en toekomstige middelen veilig te stellen. Minister Lalieux veroordeelt de praktijken, bevestigt lopende controles en een spoedinspectie volgende week, maar verdedigt de verhoging van het fonds (een Vivaldi-beslissing) als noodzakelijk door de energiecrisis. Oppositieleiders Raskin (CD&V) en Van den Heuvel (cd&v) eisen terugvordering van het geld, een onderzoekscommissie en scherper optreden, wijzend op systematische fraude en PS-cliëntelisme die het sociaal draagvlak ondermijnen.

Wouter Raskin:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik dacht dat ik alles gezien had, maar was dat even naïef? Na de recente Pano -reportage komen er vandaag nieuwe feiten van misbruik van energiesteun aan het licht. Federaal geld werd onder uw verantwoordelijkheid zonder duidelijke reden en grondig onderzoek toegewezen aan personen die dat geld hopelijk nodig hadden, maar ook aan een overledene, iemand die in het buitenland woont en daklozen.

Nadat we de afgelopen dagen en weken kennis konden nemen van het ingenieuze systeem van het PS-cliëntelisme in het Brusselse, in het bijzonder in Anderlecht, doen de feiten het vermoeden rijzen dat het OCMW van Anderlecht een systeem opzet om de federale Staat op te lichten, want in tegenstelling tot veel andere OCMW‘s, die uw royale subsidie voor energiesteun niet opgebruikt kregen, lukte dat in Anderlecht zonder enig probleem. Blijkbaar was het de bedoeling om het geld koste wat kost op te maken om zo voor het jaar nadien een nieuwe royale stroom aan federaal geld te verzekeren. Een normaal mens houdt het allemaal niet meer voor mogelijk, mevrouw de minister.

Ik heb drie vragen. Staat u nog steeds achter de beslissing van destijds om de energiesteun fors te verhogen?

Bent u bereid toe te geven dat de toenmalige beslissing de deur voor misbruik opent, zeker voor zieke organisaties, zoals onder andere het OCMW van Anderlecht?

Hoe verklaart u dat het federaal geld waarvoor u verantwoordelijk bent, terechtkomt bij mensen die er geen recht op hebben?

Koen Van den Heuvel:

Mevrouw de minister, collega’s, het vorige PS-schandaal is nog niet volledig uitgeklaard of het volgende duikt al op. Blijkbaar wordt niet alleen sinterklaas gespeeld met leeflonen. Ook energiesteun kan blijkbaar dienen als cadeautje van de Sint. Morgen komt de Sint in alle huiskamers in ons land. Blijkbaar is hij de rest van het jaar echter actief als onderaannemer voor PS-OCMW’s in Brussel.

Mevrouw de minister, op een moment waarop heel veel gezinnen nood hebben aan echte energiesteun, hollen uw collega’s het draagvlak voor die steun uit. Het is immers echt belangrijk dat er voldoende draagvlak is voor een stevig sociaal beleid. Het is dan ook echt nodig dat het OCMW-geld gaat naar wie het echt nodig heeft en niet naar wie bijvoorbeeld in het buitenland woont. Dergelijke uitholling is echt beschamend.

Sommigen opperen dat het maar over 70 euro voor alleenstaanden en over 160 euro voor gezinnen gaat. Wanneer echter alles wordt samengeteld, komen we direct uit op meer dan een half miljoen euro. Daarmee kan de brave belastingbetaler echt niet lachen.

Voor cd&v is het dus heel duidelijk. Dat geld, dat onterecht is uitgekeerd, moet worden teruggevorderd. Het is ook heel erg belangrijk dat u ter zake uw verantwoordelijkheid neemt.

Mevrouw de minister, mijn vraag is dan ook heel eenvoudig: Hoe en wanneer bent u van plan dat probleem echt aan te pakken?

Voorzitter:

Mevrouw de minister, u hebt vier minuten spreektijd om beide vraagstellers tevreden te stellen.

Karine Lalieux:

Collega's, net als u heb ik kennisgenomen van nieuwe revelaties over onregelmatigheden bij de toekenning van steun uit het gas- en elektriciteitsfonds.

Dergelijke praktijken zijn uiteraard onaanvaardbaar. De niet-naleving van de wettelijke regels is nefast voor de solidariteit. Volgens het artikel worden er forfaitaire bedragen toegekend, wat niet is toegestaan. Dat staat duidelijk in de circulaires over het gebruik van het fonds. Het artikel heeft het ook over geantidateerde beslissingen. Als dat het geval is, is er duidelijk sprake van fraude.

Tot slot, maatschappelijk werkers moeten, zoals bij alle subsidies, de toekenning ervan verantwoorden. De toekenning van de steunmaatregelen wordt door de POD MI gecontroleerd volgens een vastgelegde procedure. In het jaar na de toekenning van de steunmaatregelen worden de dossiers budgettair gecontroleerd. Het jaar daarop worden ze gecontroleerd door inspecteurs tijdens een inspectie ter plaatse.

De gedetailleerde inspectie is nog niet gebeurd voor de dossiers die in het VRT-artikel worden vermeld. Zoals ik heb aangekondigd, zullen inspecteurs volgende week alle dossiers van het OCMW van Anderlecht ter plaatse onderzoeken, ook de gevallen waarvan nu sprake is. Ik heb mijn dienst ook gevraagd om de dossiers uit de VRT-reportage in detail te analyseren.

Pour ce qui est de l'augmentation significative du Fonds gaz et électricité, je tiens à dire que cette décision a été prise par l'ensemble des partis de la Vivaldi. En effet, comme vous ne l’ignorez pas, nous vivons une crise énergétique, avec une augmentation importante des factures de gaz et d’électricité. Par ailleurs, le fonds aide également des indépendants et des travailleurs. C'était donc une décision de la Vivaldi d’indexer le fonds et d’y consacrer de l’argent supplémentaire.

Vergeet evenmin dat het arbeidsauditoraat een onderzoek is gestart om na te gaan of er sprake is van fraude. Laat er geen twijfel over bestaan, elke vorm van sociale fraude moet streng veroordeeld worden.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, ik heb er maar één woord voor en dat is chaos. Terwijl een OCMW symbool zou moeten staan voor stabiliteit en sociaal beleid, staat het OCMW van Anderlecht voor chaos. De benoeming van de OCMW-voorzitter recent is daar een illustratie van. De geprefereerde PS-kandidaat was gecontesteerd en haalde het niet. Iemand met een ander kleurtje, iemand die met het onderzoek wil meewerken, komt op de stoel te zitten en de PS-burgemeester van Anderlecht werpt op dat de man zo snel mogelijk aan de kant moet. Wat een cynische machtsspelletjes zijn dat toch en daarvan zijn opnieuw de allerzwaksten het grootste slachtoffer. Ziedaar het socialisme van de PS in Brussel!

Collega's, de onderste steen moet bovenkomen. Wie nog niet overtuigd is dat er een onderzoekscommissie moet worden opgericht, vraag ik waar men nog op wacht.

Koen Van den Heuvel:

Mevrouw de minister, ik blijf na uw antwoord toch een beetje op mijn honger. Ik verwacht een straffer en proactiever beleid, want de wantoestanden ondergraven echt het sociaal draagvlak voor een stevig sociaal beleid en voor een warme en solidaire samenleving. Voor cd&v is het heel duidelijk: de wantoestanden in het OCMW van Anderlecht moeten met alle middelen en tot op het bot onderzocht worden.

Het toenemende drugsgeweld
De zoveelste nachtelijke ontploffing in Antwerpen en het escalerende drugsgeweld
De bomaanslag op een supermarkt in Antwerpen
Drugsgerelateerd geweld en aanslagen in Antwerpen

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Na twee recente drugsgerelateerde aanslagen in Antwerpen (explosie bij een woning en benzinebommen in een Colruyt) dringt Ortwin Depoortere aan op versterkte repressie en coördinatie, met meer middelen voor politie (FGP), DOVO en een nationaal drugsplan om de versnipperde lokale/plannen (bv. Stroomplan Antwerpen) te bundelen, en benadrukt hij dat drugs illegaal moeten blijven. Minister Verlinden wijst op reeds genomen maatregelen (drugscommissariaat, havenbeveiliging, bestuurlijke handhaving, precursorencontroles) en pleit voor een multidisciplinaire aanpak (preventie, repressie, volksgezondheid), maar erkent dat extra budget en tijd nodig zijn, ook voor alternatieve drugssmokkelroutes. Beide onderstrepen de urgentie van betere samenwerking tussen lokale/federale overheden en justitie, zonder zwartepiet-doorspel, terwijl Depoortere een hardere lijn eist tegen drugscriminaliteit en de minister structurele versterking belooft via lopende regeringsonderhandelingen. Conclusie: Drugsgeweld vraagt om een gecoördineerde, repressieve *en* preventieve aanpak, met meer middelen en een centraal sturend plan.

Voorzitter:

Mevrouw Daems laat zich verontschuldigen.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, twee incidenten volgden elkaar kort op. In de nacht van 21 op 22 november was er een explosie tegen de gevel van een woning in het Antwerpse district Deurne. Die zou te maken hebben met de drugsoorlog, volgens de media. Daarnaast was er ook een ophefmakende aanslag waarbij in een winkel van Colruyt benzinebommen werden gegooid. Ook dat doet de politie vermoeden dat het gaat om incidenten in de drugswereld.

Mevrouw de minister, deze feiten volgen elkaar snel op, maar ze worden ook niet gestopt. Ik heb u naar cijfers gevraagd, maar als u mij die op een later tijdstip schriftelijk kunt bezorgen, is dat voor mij ook goed.

Ik wil vooral weten of wij extra ondersteuning bieden aan de lokale politiezones en in het bijzonder aan de lokale politiezone van Antwerpen. Dit deint verder uit naar de omliggende politiezones. Zult u extra personeel inzetten voor de FGP, maar misschien ook middelen voor de ontmijningsdienst DOVO?

We zijn twee keer aan een ramp ontsnapt. Het had veel erger kunnen zijn. In de Colruytwinkel bleef het gelukkig alleen bij materiële schade. Ik denk niet dat we moeten wachten tot er onschuldige dodelijke slachtoffers vallen.

Mevrouw de minister, wat zult u hieraan doen?

Annelies Verlinden:

Mijnheer Depoortere, we hebben al heel wat gedaan en we weten dat we die strijd moeten voortzetten. Die strijd vereist niet alleen een gerichte aanpak van de meest samenhangende geweldcriminaliteit, maar ook een voortdurende inzet om de onderliggende productie en handel aan te pakken.

De evolutie van het globale drugsfenomeen is verontrustend. Er kan evenwel niet worden ontkend dat er tijdens deze legislatuur beslissingen werden genomen ter versterking van de FGP en de federale politie, waaronder ook de spoorwegpolitie. Ik wijs ook op de oprichting van het havenbeveiligingskorps in de haven van Antwerpen en de creatie van het drugscommissariaat. Die elementen maken ook deel uit van de regeringsonderhandelingen.

Ook werd het zogenaamde drugsfonds gecreëerd, ter ondersteuning van de multidisciplinaire aanpak van het drugsprobleem, met niet alleen aandacht voor bestuurlijke of gerechtelijke handhaving, maar ook voor preventie en de impact op de volksgezondheid.

Het is belangrijk dat wij middelen blijven investeren in onder meer de bescherming van onze logistieke hubs, zoals de haven van Antwerpen, maar ook andere hubs waarlangs drugs ons land worden ingevoerd.

We hebben ook de wet bestuurlijke handhaving goedgekeurd die bijkomende instrumenten geeft aan lokale besturen om de georganiseerde criminaliteit aan te pakken. We hopen ook dat tijdens de nieuwe legislatuur de lokale besturen met die instrumenten aan de slag kunnen gaan.

Tegelijkertijd werden verschillende arrondissementele drugsplannen uitgewerkt om de inspanningen van alle veiligheidsdiensten te verhogen en te coördineren. Ik kan verwijzen naar het Stroomplan in Antwerpen, het Globaal Veiligheids- en Preventieplan in Brussel en het drugsplan van de federale politie, die alle bijdragen aan de strijd tegen drugsgerelateerd geweld. Bovendien ben ik ervan overtuigd dat de aanpak van de criminaliteit een multidisciplinaire aanpak over alle bevoegdheidsdomeinen en -niveaus heen vergt, waarbij de lokale besturen ook een belangrijke bijdrage kunnen en moeten leveren.

Die initiatieven leveren resultaten op. Dat merken we ook in de vermindering van het aantal inbeslagnames van cocaïne in de haven van Antwerpen. We mogen echter niet naïef zijn. De kans is groot dat ook andere transportmodi worden gebruikt om drugs binnen te brengen.

Die initiatieven, die mijns inziens moeten worden voortgezet en versterkt, vragen tijd en budget. Ik steun dan ook het idee om bepaalde verbeurdverklaarde criminele opbrengsten te gebruiken om de werking van justitie en de federale politie nog beter te financieren.

De statistieken die u vraagt of hebt gevraagd, kan ik moeilijk binnen het beschikbare tijdsbestek ter beschikking stellen. Ik zou u daarom willen verzoeken een schriftelijke vraag in te dienen.

Ik kan u alleszins bevestigen dat de FGP reeds geruime tijd extra inspanningen levert om de strategische beeldvorming rond ernstig drugsgerelateerd geweld te versterken. Dat gebeurt samen met het drugscommissariaat.

De informatie die u vraagt over de aanslag op het warenhuis in Antwerpen maakt het voorwerp uit van een gerechtelijk onderzoek. De magistratuur zou daarover eventueel mededelingen kunnen doen, wanneer ze dat gepast zou achten.

Inzake DOVO moet ik u melden dat de dienst onder de bevoegdheid van mijn collega-minister van Defensie valt. Mogelijk moeten we bekijken op welke manier we een en ander in de toekomst kunnen uitbreiden. Dat valt echter binnen haar bevoegdheid.

Om de productie en het gebruik van zelfgemaakte explosieven te voorkomen, kan ik u melden dat één manier om homemade explosives te maken, het gebruik van precursoren is. Teneinde de vervaardiging van zelfgemaakte explosieven met dergelijke precursoren te voorkomen, zijn handelsondernemingen verplicht het nationaal contactpunt van de federale politie in kennis te stellen van alle informatie over verdachte handelingen, diefstallen en niet-traceerbare verdwijningen van precursoren. Ze zijn opgenomen in lijsten als bijlage van een EU-Verordening uit 2019. Bovendien is het niet toegestaan voor particulieren om dergelijke precursoren te kopen, in het bezit te hebben of het land binnen te brengen.

Dat is echter niet de enige mogelijkheid om explosieven te vervaardigen. Er kunnen ook andere materialen worden gebruikt door criminelen, zoals pyrotechnische producten. Ondanks de Belgische wetgeving zijn die producten verkrijgbaar in andere landen en op het internet, waardoor ze bijzonder moeilijk te controleren zijn.

Ortwin Depoortere:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Wat de cijfers betreft, ik had in mijn vraagstelling al gezegd dat ik daarover een schriftelijke vraag zou indienen. Dat zal het inderdaad gemakkelijker maken om hierover te debatteren in de commissie.

Ik heb twee zaken genoteerd waaraan ik belang hecht. Ten eerste, u had het over de multidisciplinaire aanpak. Ik volg u daarin, zeker als het gaat over preventie, maar ik volg ook de redenering dat de beste preventie is om drugs uit de legaliteit te halen. Wij moeten geen pleidooi houden om drugs te decriminaliseren. Integendeel, wij moeten drugs in de illegaliteit houden. Ook drugsgebruikers hebben een heel grote verantwoordelijkheid wanneer het gaat over de strijd tegen de drugshandelaars. Ik hoop dat u die mening deelt.

Ten tweede, wat betreft de multidisciplinaire aanpak, ik hoor u graag spreken over preventie en repressie, maar van dat laatste moet meer werk worden gemaakt. Het is niet enkel de taak van de politiediensten, maar ook van de parketten en van DOVO, binnen de bevoegdheden van Defensie. De aanstelling van een nationale drugscommissaris was een stapje in de goede richting, maar we zijn al zover gevorderd in deze drugsoorlog en in de strijd daartegen dat we echt op nationaal niveau een globaal drugsplan moeten maken.

U geeft een hele opsomming van alle drugsplannen die er bestaan, van het Stroomplan in Antwerpen tot het Kanaalplan in Brussel en tot een drugsplan van de federale politie. Misschien is het hoog tijd om allemaal samen aan één zeel te trekken en een groot globaal drugsplan te maken. We kunnen daar zeker nog stappen vooruit zetten. Nu heb ik soms de indruk dat men de zwartepiet doorspeelt, zeker in Antwerpen. Als er daar iets gebeurt, wijst men met de vinger naar het federale niveau, want Antwerpen kan het niet meer aan. Omgekeerd wordt er soms ook gezegd dat het in de eerste plaats de taak van een lokale politiezone is. Aan dat soort zwartepieten heeft niemand een boodschap, zeker de bevolking niet. We moeten meer doen om die strijd beter te coördineren en dat moet worden gedaan door de minister van Binnenlandse Zaken in een volgende regering.

Voorzitter:

Vraag nr. 56001066C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag.

De controles op alcohol in het verkeer
Het aantal alcohol- en drugscontroles door de politie
Het aantal alcohol- en drugscontroles door de politie
Alcohol- en drugscontroles in het verkeer

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken), Georges Gilkinet

op 4 december 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de aanpak van alcohol in het verkeer, met als kernpunt dat de pakkans omhoog moet om ongevallen te verminderen, maar dat gebrek aan centrale registratie van controles (slechts 6 van 113 zones halen de doelstelling van 34% weekendnachtcontroles) en regionale verschillen (o.a. door justitiële prioriteiten en capaciteitsproblemen) gerichte actie bemoeilijken. Minister Verlinden bevestigt dat meer controles effect hebben en wijst op stijgende cijfers bij de federale politie (+30% sinds 2018), maar benadrukt dat lokale zones niet verplicht zijn cijfers te delen—een structureel probleem dat ze via een oproep aan alle zones hoopt aan te pakken. Mentaliteitswijziging en betere samenwerking met justitie blijven cruciaal. Kritiek blijft dat een verplichte centrale registratie en verhoogde controles (met name ’s nachts) dringend nodig zijn, maar concrete stappen ontbreken nog. Capaciteitstekorten en gebrek aan uniform beleid vormen de grootste obstakels.

Wouter Raskin:

Ik wil even teruggrijpen naar een Pano -reportage. Ik heb het niet over degene die laatst zoveel ophef maakte, maar wel over de reportage over verkeersveiligheid, meer bepaald over alcohol in het verkeer. Vooral tijdens weekendnachten gaat het er niet zo goed aan toe, dat hebben we de afgelopen dagen nog kunnen zien. We weten al langer dan vandaag wat de remedie is: meer controleren. De pakkans moet omhoog. Het bleek echter dat we een beetje blindvaren, want cijfers over het aantal controles, die bij de politiezones zitten, worden nergens centraal geregistreerd en geanalyseerd. Daardoor is het heel moeilijk om gericht actie te ondernemen.

Tussen die verschillende politiezones zitten ook grote verschillen. Sommige zones zetten immers zwaar in op verkeersveiligheid, andere veel minder. Vias heeft ook berekend dat 34 % van de controles tijdens weekendnachten zouden moeten plaatsvinden om het risico op rijden onder invloed effectief terug te dringen. Uit cijfers van BOB-campagnes, die dan nog maar een stukje van het jaar beslaan, blijkt dat amper 6 van de 113 zones in Vlaanderen en Brussel dat percentage haalden. Dat brengt me toch bij een aantal vragen.

Bent u het eens dat de pakkans in de eerste plaats omhoog moet om het probleem van alcohol in het verkeer effectief aan te pakken?

We konden ook zien dat de kans op een alcoholgerelateerd ongeval heel erg verschilt van provincie tot provincie. In bepaalde Oost- en West-Vlaamse arrondissementen is de kans meer dan dubbel zo groot als in andere regio's in Vlaanderen. Is dit een gevolg van een gebrek aan controles of ziet u nog andere oorzaken die deze verschillen kunnen verklaren

Politiezones zijn niet geneigd om cijfers vrij te geven over het aantal door hen uitgevoerde controles. Er is ook geen centrale registratie en analyse van die cijfers, waardoor gerichte actie dus bemoeilijkt wordt. Lijkt het u aangewezen, mevrouw de minister, om een centraal register van het aantal controles op poten te zetten?

Ten slotte situeert het grootste probleem zich tijdens de weekendnachten. Net dan wordt er immers minder gecontroleerd. Bovendien is het aantal controles sterk gedaald. De controles door de federale wegpolitie zijn ook gedaald, deels door het personeelstekort. Hoe is het personeelsbestand de afgelopen legislatuur geëvolueerd en wat zijn de vooruitzichten op dat vlak?

Frank Troosters:

Ik verwijs naar dezelfde reportage van het programma Pano waaruit blijkt dat het aantal ongevallen onder invloed van alcohol sinds 2018 met 8 % is gedaald, maar dat het procentuele aandeel van ongevallen waarbij alcohol in het spel was, vergeleken met het totale aantal ongevallen helaas ongewijzigd bleef. De reportage toonde aan dat de federale overheid geen zicht heeft op het totale aantal uitgevoerde verkeerscontroles op alcohol.

Dat verbaasde mij niet. Destijds heb ik uw voorganger, minister De Crem, daar reeds over ondervraagd en hij had toen al dat probleem aangegeven. In het begin van uw ambtstermijn heb ik u daarover ook een schriftelijke vraag gesteld waaruit dat euvel bleek. Daarnaast bleek uit de reportage van Pano ook dat er opmerkelijke regionale verschillen werden vastgesteld inzake ongevallen die alcoholgerelateerd zijn.

Ik heb eerst een evidente vraag. Of het antwoord zal alvast evident zijn. Is er volgens u een verband tussen het aantal uitgevoerde alcoholcontroles, met andere woorden de pakkans, en het aantal ongevallen waarbij alcohol in het spel is?

Bestaat er volgens u een verband tussen het aantal alcoholgerelateerde ongevallen en het tijdstip waarop alcoholcontroles worden uitgevoerd?

Hoe verklaart u de grote regionale verschillen inzake alcoholgerelateerde ongevallen?

Welke stappen hebt u gezet om tot een volledig beeld, met inbegrip van de controles van de lokale politiezones, te komen? Hoe en binnen welke termijn zult u ervoor zorgen dat het aantal alcoholcontroles zal verhogen?

Welke andere acties of maatregelen zult u nog nemen om het aantal alcoholgerelateerde ongevallen terug te dringen?

Annelies Verlinden:

Collega's, we kunnen niet genoeg herhalen dat elk verkeersslachtoffer, gewond of overleden, er een te veel is en dat we er met zijn allen alles aan moeten doen om slachtoffers te vermijden. Aan dat nodeloze leed, die trauma's en dat verlies kunnen we allen samen iets aan doen.

Ook de politie is zich terdege bewust van het feit dat we daaraan aandacht en prioriteit moeten geven en dat ook de pakkans een impact heeft op het gedrag van de gebruikers. Hoe hoger de pakkans, hoe positiever het effect op de verkeersveiligheid. Dat is jammer, want dat vraagt ontzettend veel capaciteit, maar zo is het nu eenmaal.

Algemeen wordt aangenomen dat de frequentie en het tijdstip van de controles het risico op alcohol- of drugsgerelateerde verkeersongevallen doen dalen. Het is dan ook volstrekt verkeerd om zomaar uit die Pano -reportage te besluiten dat de politiediensten het probleem van alcohol in het verkeer stiefmoederlijk zouden behandelen.

Onder meer in het Vlaams Parlement werd gezegd dat het raar is dat er geen cijfers zijn. Ik hoor dat graag zeggen, want het zijn de lokale zones die die informatie soms niet doorgeven aan de federale databanken. Ik heb al eerder gezegd dat ik niet de stief- of schoonmoeder van elke lokale politiezone ben. In bepaalde gevallen kunnen of willen zij die informatie niet delen. Dat heeft vaak te maken met de capaciteitskeuzes die moeten worden gemaakt voor het inzetten van effectieven.

Dat ligt mee aan de grondslag van het feit dat er geen algemene beeldvorming is. Ik ben het met u eens wanneer u zegt dat we moeten blijven zoeken naar manieren om die beeldvorming te verbeteren. Hoe beter de beeldvorming, hoe duidelijker de politiek immers kan zijn, wetende dat bijvoorbeeld ook de inzet van infrastructuur en dat soort zaken een impact kunnen hebben op de verkeersveiligheid.

Er zijn het hele jaar door alcoholcontroles, zowel tijdens gewone interventies als bij ongevallen. Sommigen onder u zijn misschien al gebotst op lokale, kleinere controles op alcohol in het verkeer, maar soms gaat het ook om grotere en aangekondigde acties. Er is zeker ook een verhoogde inzet tijdens de BOB-campagnes en de Weekends zonder alcohol en drugs achter het stuur. Dan wordt er heel gericht met heel veel diensten samengewerkt en wordt ook duidelijk het signaal gegeven dat drinken en drugs gebruiken niet samengaan met rijden.

Wat betreft de regionale verschillen, dient men rekening te houden met een verschil in plaatsgesteldheid tussen de regio's en de arrondissementen. Gerichte acties in landelijke gebieden waar het verkeer minder druk is, zullen uiteraard minder controles opleveren in vergelijking met acties die plaatsvinden langs een drukke weg.

Meestal wordt het verkeerscontrolebeleid bepaald in functie van de plaatselijke context, de vastgestelde veiligheidsfenomenen en het actieterrein van de politiediensten. De procureurs en justitie hebben daar een bijzondere impact op. We hebben in het verleden al gezien dat de procureurs in Oost-Vlaanderen, Limburg of in het zuiden van het land andere richtlijnen geven. Soms verschillen ook de opgelegde sancties. Het gaat immers om strafvervolging en de procureurs en justitie bepalen dan het beleid. Dat hangt dus niet enkel af van de inzet van de politiediensten. Die zijn in die gevallen vaak de uitvoerder van het beleid dat door justitie wordt bepaald.

Het is uiteraard te betreuren dat de zones die informatie niet steeds ter beschikking stellen voor een volledige registratie, want dat is nodig om regionale verschillen te kunnen verklaren. Om het algemene controlebeleid nog beter aan te pakken moeten de controleacties inzake alcohol en drugs geregistreerd worden. We hebben dat al voorzien in de COL 8/2006.

Er zijn zeker politiezones die die cijfers heel nauwgezet bezorgen. Het is dus niet zo dat er geen enkele centrale registratie is, maar het kan nog veel beter. Dat is ook de reden waarom ik dat nog heb besproken met de Vaste Commissie van de Lokale Politie. Er zal een schrijven worden gericht aan alle zones met de vraag om de cijfers nauwgezet door te geven en ter beschikking te stellen voor verdere analyse, zodat de beeldvorming kan verbeteren.

Specifiek voor wat de federale wegpolitie betreft, kan ik nog melden dat het aantal wegcontroles sinds 2018 is gestegen. Na richtlijnen op directieniveau is een recordaantal controles bereikt in 2022, namelijk 298.796 controles. In 2023 was er een nieuw record: 320.634 controles. Dat betekent een stijging van 20 tot 30 % in vergelijking met de voorgaande jaren, en dat ondanks het feit dat we de capaciteit verder invullen, ook bij de federale wegpolitie.

Zoals u beiden gezegd hebt, doen de diensten er alles aan en onderschatten het probleem zeker niet. Ze blijven zich inzetten om de verkeersveiligheid te garanderen en gerichte controles uit te voeren. Ik herhaal dat de politie enkel het sluitstuk is. Met zijn allen hebben we een mentaliteitswijziging nodig. Het is absoluut onaanvaardbaar dat mensen nog achter het stuur kruipen als ze veel gedronken hebben of drugs gebruikt hebben. Zo brengen ze niet alleen hun eigen veiligheid, maar ook die van andere weggebruikers in het gedrang.

Wouter Raskin:

Mevrouw de minister, dank u voor uw uitgebreide antwoord. U zei dat ik wellicht ook al eens gecontroleerd ben. Ik moet u zeggen dat dit amper het geval is. Ik ben niet meer bij de allerjongsten, maar toch kan ik het aantal controles dat mij overkomen is makkelijk op de vingers van een hand tellen. Dat wil echter niet zeggen, mocht u het zo begrijpen, dat ik van oordeel ben dat de politiediensten alcohol in het verkeer niet ernstig nemen, integendeel. Daar ben ik mij zeer goed van bewust.

Het probleem is dat het een uitdaging blijft, gelet op de capaciteit en het feit dat er andere prioriteiten zijn, maar er is een positieve kentering merkbaar, heb ik u daarnet horen zeggen. Ik hoorde u ook zeggen dat al verschillende zones hun cijfers wel al goed publiek maken. Maar na de komma zei u bovendien dat er ook zijn die dat niet doen. Ik meen dat het opzetten van een centrale registratiebank, of iets dergelijks, anno 2025 toch geen rocketscience is. Dat is toch iets wat wij beter zouden organiseren.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Vooreerst, ik zal zeker niet beweren dat de lokale politiezones het probleem van alcohol en drugs in het verkeer stiefmoederlijk behandelen. Ik heb toevallig vanochtend uit Hasselt alle cijfers gekregen van de politiezone LRH. Daar levert men echt wel schitterend werk. Die cijfers waren indrukwekkend. Toen de vivaldiregering aantrad, stond in de formatienota dat men de pakkans wou verhogen en dat men ernaar streefde jaarlijks een op de drie bestuurders te controleren. Sta mij dus mijn vraag toe: waar zitten wij nu? Dan kunnen wij over x aantal jaren zien waar wij eindigen. Ik heb moeten vaststellen dat er buiten de BOB-campagnes geen enkele verplichting was, en dat er bij de lokale politiezones alleen maar op aangedrongen kon worden hun cijfers door te geven. Ik moet nu zovele jaren later vaststellen dat dat blijkbaar nog steeds het geval is. Het is moeilijk om op die manier gericht en goed te kunnen werken. Het voorbeeld is terecht aangegeven door de heer Raskin. Ik heb hier ook voor mij liggen wat Vias berekend heeft. 34 % van de alcoholcontroles zou tijdens de weekendnachten moeten plaatsvinden om het aantal ongevallen met alcohol terug te dringen. Wij kunnen daarop niet gericht werken, omdat we niet weten of de lokale politiezones al dan niet aan dat percentage voldoen. Ik vraag u namens het Vlaams Belang nog twee punten om af te ronden. Maak, ten eerste, werk van een verhoogde pakkans en zorg dat er meer controles komen op drugs en alcohol in het verkeer. Ten tweede, maak werk van een verplichte gecentraliseerde registratie van de uitgevoerde controles.

Het akkoord tussen de eerste minister en de koninklijk formateur over de RIZIV-begroting 2025
Het standpunt van de regering inzake de RIZIV-begroting 2025
De noodbegroting en het RIZIV-budget
Regeringsakkoord over RIZIV-begroting 2025

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 28 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De demissionaire regering-De Croo blokkeert de goedkeuring van het RIZIV-budget 2025 (met een beloofde groeinorm van 2,5% en 216 miljoen euro besparingen), ondanks dringende vraag van zorgsector, oppositie en eigen coalitiepartners, door een veto van Open Vld—volgens critici om partijbelang (en mogelijk farmalobby) boven patiënten, ziekenhuizen en financiële zekerheid te stellen. De Croo schuift de verantwoordelijkheid door naar de toekomstige "Arizona-regering" (nog niet gevormd), argumenterend dat een demissionaire regering geen langetermijnkeuzes mag maken, maar garandeert wel dat het budget uiterlijk mid-december (zoals in 2011) goedgekeurd wordt—zonder paniek te zaaien. Oppositie (De Smet, Sneppe, Merckx) eist onmiddellijke goedkeuring, wijzend op juridische bevoegdheid, beloften aan de sector en risico’s van uitstel (onzekerheid, blokkade besparingen, protesten zorgpersoneel). Kernconflict: politieke hygiëne (De Croo: "nieuwe regering beslist") vs. dringende zorgcrisis (oppositie: "demissionair kabinet moet handelen, nu"). Formateur De Wever probeert ruimte voor onderhandelingen, maar geen zekerheid op tijdige oplossing. Standpunt De Croo: Budget komt er, maar liever door opvolgers; oppositie: onverantwoord vertragingstactiek die zorg ondermijnt.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, voici trois jours, vous avez réuni votre gouvernement et vous avez échoué à vous mettre d'accord sur un budget dédié aux soins de santé. Pourtant, un budget existe, puisqu'il a été élaboré par le Comité de l'assurance de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité (INAMI) et qu'il a été recalé parce qu'un seul parti, le vôtre, a mis son veto.

Ce fait soulève un vrai problème politique que nous avions déjà relevé il y a un mois. Il se confirme aujourd'hui que, lorsque vous avez décidé voici un mois d'apposer le veto de l'Open Vld sur ce budget, vous ne l'avez pas fait pour votre gouvernement – il suffit d'écouter ce qu'en disent PS et Ecolo. Vous ne l'avez pas fait non plus pour le futur gouvernement Arizona – il suffit d'écouter ce qu'en disent Vooruit ou même Les Engagés. Vous l'avez fait pour vous-même, l'Open Vld, peut-être pour le MR et, selon certains, pour le secteur pharmaceutique. En tout cas, il me paraît clair que, ce jour-là, vous êtes sorti de votre mandat de premier ministre en affaires courantes. Vous avez émis un veto particratique et complètement irresponsable pour les soins de santé, les hôpitaux, les mutuelles, les prestataires de soins, les patients eux-mêmes. Cerise sur le gâteau: c'est même irresponsable pour les finances publiques. En effet, rappelons que le projet de budget qui est sur la table prévoit des économies à hauteur de 216 millions d'euros.

Pour ma part, je ne pense pas que l'on puisse continuer de la sorte. Je sais que vous êtes convenu d'une nouvelle réunion en date du 9 décembre. Car même vous, vous concédez qu'il n'y aura pas de majorité Arizona dans moins de dix jours.

Mes questions sont simples, monsieur le premier ministre. Reconnaissez-vous qu'avec ce veto, vous êtes sorti de votre rôle de premier ministre contre l'avis de votre propre gouvernement? Ne pensez-vous pas qu'il faut arrêter de jouer au poker avec les soins de santé, qu'il faut sortir le secteur de l'incertitude et laisser enfin voter ce budget? Je crois que les patients, les prestataires et les hôpitaux le méritent.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, hier staan we weer. Een tijd geleden werd het RIZIV-budget goedgekeurd in het Verzekeringscomité. Helaas overleefde het de algemene vergadering niet, omdat uw partij, Open Vld, tegenstemde. U stelde vorige week nog in de commissie dat het niet aan de regering in lopende zaken is om dat budget vast te leggen, maar aan de nieuwe regering, die er vooralsnog niet is. Onze gezondheidszorg heeft geen nood aan dit kinderachtige spel van doorschuiven van de zwarte piet. Onze gezondheidszorg heeft nood aan daadkracht en verantwoordelijkheid.

De gezondheidszorgbegroting is een onderhandelde begroting, tussen zorgverstrekkers, mutualiteiten en de overheid. Die overheid, nota bene de vivaldiregering, heeft aan het zorgpersoneel en aan heel de zorgsector beloofd dat de groeinorm opnieuw op 2,5 % zou worden gebracht. Die groeinorm van 2,5 % is nodig om onder andere de uitdaging van de vergrijzing aan te kunnen.

Dit alles en nog veel meer staat nu op de helling, omdat u en uw partijtje liever politieke spelletjes spelen dan verantwoordelijkheid opnemen. Nochtans, staatssecretaris van Begroting Bertrand beweerde deze week in De Ochtend dat er geen vuiltje aan de lucht is, want die RIZIV-begroting zal uiteindelijk toch wel goedgekeurd worden, hetzij door de nieuwe ploeg, die er vooralsnog niet is, hetzij door de regering in lopende zaken.

Mijnheer de eerste minister, als uw staatssecretaris van Begroting beweert dat u uw verantwoordelijkheid uiteindelijk toch zult opnemen en de begroting, met de beloofde 2,5 % groeinorm, zult goedkeuren, waarom houdt u dan het been alsnog stijf en weigert u dit nu goed te keuren?

Sofie Merckx:

Mijnheer de eerste minister, mijn moeder zei altijd tegen mij: belofte maakt schuld. U hebt met uw vivaldiregering aan het zorgpersoneel beloofd dat de groeinorm opnieuw op 2,5 % gebracht zou worden. Dat staat zelfs in de wet geschreven. Maar nu bent u dat dossier al weken aan het blokkeren.

Wij herinneren ons allemaal de covidcrisis nog. Elke avond was er applaus voor het zorgpersoneel. Het zou allemaal veranderen; het zou nooit meer hetzelfde zijn. Wij hebben immers gezien wat de besparingen in de zorg hadden opgeleverd. Er zou nooit meer bespaard worden op de gezondheidszorg. Moet ik u eraan herinneren dat er drie weken geleden 30.000 mensen van de zorgsector op straat gekomen zijn? Dat was omdat de situatie in de ziekenhuizen onhoudbaar is. Elke patiënt en elke zorgverlener kan daarvan getuigen.

Wij hebben die groeinorm in de gezondheidszorg nodig. Dat is een enorm belangrijk discussiepunt. Wij hebben die norm nodig omdat de bevolking veroudert. Er is ook technologische evolutie, dus er is elk jaar extra budget nodig om alle mensen te kunnen verzorgen. Het Planbureau heeft berekend dat de groeinorm voor volgend jaar eigenlijk 3,2 % zou moeten bedragen, maar er was 2,5 % beloofd; dat had u beloofd en dat is in de wet opgenomen. Nu blokkeert u dat dossier echter al vier weken.

Mijnheer de eerste minister, mijn vraag aan u is heel eenvoudig. Wanneer, mijnheer De Croo, zult u stoppen met een politiek spel te spelen op de kap van de zorgverleners en op de kap van de patiënten? Wanneer zult u het RIZIV-budget goedkeuren? Ik meen dat het tijd is kleur te bekennen. Zal er in 2025 een groeinorm zijn van 2,5 %, ja of neen?

Alexander De Croo:

Laat mij beginnen met te herhalen wat ik hier in de plenaire vergadering gezegd heb op 24 oktober: er zal een begroting zijn voor het RIZIV voor 2025. De zaken zullen op welke manier dan ook operationeel zijn. Patiënten zullen worden terugbetaald. Artsen zullen hun vergoeding krijgen en ziekenhuizen zullen blijven functioneren. De paniekzaaierij daarover is totaal onverantwoord. Ik vind het onverantwoord dat men mensen de schrik op het lijf jaagt, want daartoe is geen enkele reden.

Ik zal u een voorbeeld geven dat aantoont dat dat niet nodig is. In 2011 heeft de toenmalige premier Di Rupo, die net premier geworden was, de begroting voor 2012 goedgekeurd op 12 december 2011. Op 12 december werd die beslissing dus genomen en alles is perfect gelopen. Ik ben het dus absoluut niet eens met degenen die nu zeggen dat ik voor onzekerheid zorg. Het is onverantwoord om patiënten en de sector op die manier schrik aan te jagen, want er is geen enkele reden om dat te doen.

Zoals daarnet al aangegeven werd de algemene begroting in twaalfden deze week goedgekeurd binnen de regering. Het is normaal dat dat op dit moment moet gebeuren, want die moet een heel traject doorlopen. Ze moet langs het Rekenhof passeren – daarover zijn daarnet vragen gesteld – en uiteindelijk hier in deze plenaire vergadering goedgekeurd worden. Ik heb dat gedaan in nauw overleg met de formateur, die probeert zo snel mogelijk een regering op de been te brengen.

Ik heb het met hem ook gehad over hoe we de RIZIV-begroting moeten aanpakken. Dat is namelijk niet niets, het gaat over 45 miljard euro op de in totaal ongeveer 170 miljard van de federale begroting. Ik ben het dus absoluut niet eens met zij die zeggen dat dit geen politieke keuze is en dat men dat gewoon moet goedkeuren. De formateur en ikzelf waren het beiden eens dat die keuze bij voorkeur gemaakt wordt door de partijen die verantwoordelijk zullen zijn voor 2025 en de jaren daarna. In alle transparantie moet ik echter ook zeggen dat de formateur mij gezegd heeft dat hij vindt dat hij die beslissing moet nemen, maar dat hij niet kan garanderen dat hij erin zal slagen om die beslissing te kunnen nemen. Hij vroeg echter de politieke ruimte om dat te doen. Dat is altijd mijn houding geweest. Een ontslagnemende regering moet alles doen om voldoende politieke ruimte te creëren voor diegenen die een regering proberen te vormen. Het is zo al moeilijk genoeg om een regering te vormen in ons land. Men moet de ruimte geven zodat zij een regering kunnen vormen en – dat is belangrijk – de juiste politieke keuzes kunnen maken.

Inzake begroting van het RIZIV gaat het niet alleen over hoeveel de groeivoet is. Het gaat ook over welk beleid men wil voeren, welke hervormingen men daarin wil opnemen, op welke manier men zorgt dat de kwaliteit van onze gezondheidszorg verbeterd wordt. Dat, dames en heren, is een beslissing die in principe niet toekomt aan de ontslagnemende regering, een regering die niet meer het vertrouwen van het Parlement heeft. Het is niet aan haar om politieke keuzes te maken voor de komende vijf jaar, het is aan diegenen die een regering aan het vormen zijn. Het lijkt me dus absoluut een kwestie van politieke hygiëne dat een uittredende regering, zolang het kan, ruimte geeft aan de onderhandelende partijen om de juiste keuze te maken.

Ik besluit met wat ik in het begin heb gezegd. We moeten geen paniek zaaien. We moeten patiënten, zorgverstrekkers, ziekenhuizen en industrie geruststellen. Die begroting 2025 zal er komen, bij voorkeur beslist door de partijen die de regering zullen vormen. Als blijkt dat dat niet mogelijk is in de komende twee weken, zal de uittredende regering haar verantwoordelijkheid nemen. Ik hoop dat het de wens is van iedereen dat de formerende partijen erin slagen om daarover tot een akkoord te komen.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, merci pour votre réponse. Non, nous ne pouvons pas attendre le 12 décembre au plus tard. Pourquoi? Parce que contrairement à ce qui s’est passé avant, il est question d’un budget d’économies. Les prestataires de soins, l’INAMI, les mutuelles ont prévu 216 millions d’économies. Chaque jour où vous décidez de ne pas approuver ce budget, vous entravez la possibilité de mettre en œuvre des mesures qui permettent de faire ces économies.

En effet, une dépêche Belga d’il y a quelques jours confirme ce que vous dites: "Le premier ministre démissionnaire Alexander De Croo et le formateur Bart De Wever ont fait savoir que la discussion sur le budget de l’assurance-maladie 2025 devrait être tranchée par les partis de la coalition Arizona et pas par le Parlement sortant".

Mais vous inventez quelque chose de nouveau. Vous avez eu la confiance du Parlement. L’Arizona ne l’a pas. Moi, je regarde les ordres du jour du Parlement attentivement. Je n’ai pas voté la confiance à un gouvernement Arizona. La cogestion entre un premier ministre démissionnaire et un formateur, ça n’existe pas. Je l’ai dit il y a trois semaines. Soit il y a un gouvernement, soit il n’y en a pas. Là, il y en a un qui est démissionnaire, mais qui a la compétence d’approuver ce budget, le budget que les prestataires, les mutuelles et les hôpitaux veulent. Votez-le!

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de eerste minister, u bent ondanks uw verkiezingsnederlaag wel nog steeds de eerste minister van de vivaldiregering. U moet zich dan ook als dusdanig gedragen. Roep dus uw whatsappregering bijeen en keur die groeinorm van 2,5 % goed. Wacht niet tot 12 december en stop met die politieke spelletjes. Stop met het gijzelen van de zorgsector, stop ermee patiënten in tariefonzekerheid te duwen. Met een groeinorm van 2,5 % wordt de toegankelijkheid, de kwaliteit en de continuïteit van de zorg voor de toekomstige generaties gewaarborgd.

Ook ten aanzien van de formateur, die zopas nog aanwezig was, maar nu jammer genoeg niet, heb ik een boodschap: maak eindelijk werk van een deftige staatshervorming, zodat gezondheidszorg volledig bij de deelstaten komt te liggen. Vijf minuten politieke moed, dat is de enige juiste politieke keuze. Doe het voor de betaalbaarheid van onze gezondheidszorg, doe het voor onze zorgverstrekkers, doe het voor onze patiënten.

Sofie Merckx:

Mijnheer De Croo, u zegt dat er een begroting zal zijn. De vraag is echter hoe die begroting er zal uitzien. Daar komt de onzekerheid vandaan. De paniekzaaierij is niet onverantwoord. Wat onverantwoord is, is dat u soloslim aan het spelen bent, mijnheer De Croo. U wilt eigenlijk, uw collega's in de commissie verwijzen er vaak naar, besparen in de gezondheidszorg, net zoals de arizonaregering dat ook wil doen. D á t is compleet onverantwoord.

Vorige keer hebt u gezegd dat het onder mevrouw Wilmès pas op 22 november werd goedgekeurd. Nu hebt u gevonden dat dit bij de heer Di Rupo pas in december werd goedgekeurd. U kunt het ook op 31 december goedkeuren, mijnheer De Croo.

Voor iedereen is duidelijk. Het is aan de regering in lopende zaken om die beslissing te nemen. Daarover zijn alle politicologen het eens. Dat heeft in alle kranten gestaan. U moet die beslissing nemen en ik vraag dan ook dat u die neemt.

Voorzitter:

Dank u mevrouw Merckx. Dank u ook voor het vertrouwen in onze pers.

De juridische eerstelijnsbijstand in het gesloten centrum van Brugge

Gesteld aan

Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)

op 27 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De juridische eerstelijnsbijstand in gesloten centra zoals Brugge en Vottem is grotendeels stopgezet door een tekort aan beschikbare advocaten en financiële beperkingen bij de balies, terwijl enkel Vottem nog steeds bijstand biedt. Staatssecretaris De Moor bevestigt dat de overheid en DVZ dringen op heropstart, maar de verantwoordelijkheid ligt bij de orde van advocaten, met lopende onderhandelingen om de dienstverlening te herstellen. Vandemaele benadrukt de ergerlijke leefomstandigheden in verouderde centra (zoals Brugge) en pleit voor federale stimulansen om balies te motiveren, terwijl duidelijk wordt dat eerdere financiering afhing van de balies zelf, zonder structurele overheidssteun. De kern: toegang tot rechtsbijstand in detentiecentra is acuut in gevaar door systeemfalen bij advocaten en gebrek aan middelen.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, tijdens mijn recent bezoek aan het gesloten centrum voor illegalen in Brugge keek ik mijn ogen uit toen ik werd rondgeleid. Ik wist niet wat ik zag. De directeur zei dat men dit het best met een jeugdherberg kon vergelijken, maar dat zal dan toch een jeugdherberg uit de jaren 20 zijn geweest. Ik vind het totaal onwezenlijk wat ik daar te zien kreeg. Ik kan alle parlementsleden aanraden om dat of een ander centrum te bezoeken. Het is hallucinant.

Het is ook interessant omdat men in gesprek kan gaan met de mensen die er werken. Dan hoort men al eens iets. Zo kreeg ik te horen dat de juridische eerstelijnsbijstand in het centrum is stopgezet. Tot voor kort werd wekelijks een laagdrempelige juridische inloop georganiseerd, waarbij mensen een advocaat van de balie van West-Vlaanderen konden consulteren. Hij kon hen wat wegwijs maken en hun juridische bijstand geven. Ondertussen blijkt dat systeem in Brugge dus niet meer te bestaan.

Mevrouw de staatssecretaris, waarom werd de juridische eerstelijnsbijstand in het gesloten centrum in Brugge stopgezet? Krijgt men in andere gesloten centra wel nog juridische bijstand? Ik hoor dat dat in Vottem ondertussen ook is stopgezet.

Bent u bereid om contact op te nemen met de directies van gesloten centra om opnieuw juridische bijstand te organiseren?

Hoe zult u de toegang tot juridische bijstand van mensen in gesloten centra verbeteren?

Nicole de Moor:

Mijnheer Vandemaele, het is heel goed dat u op bezoek gaat in de gesloten centra. Dat is inderdaad een mogelijkheid die u hebt. Ik denk dat u dan ook gezien hebt dat het absoluut noodzakelijk was om dat centrum te vervangen. De regering heeft beslist tot de bouw van nieuwe gesloten centra. Ik weet dat dit voor uw partij niet gemakkelijk was, maar u zult in Brugge gezien hebben dat het absoluut noodzakelijk was om een nieuw centrum te hebben om de leefomstandigheden in de centra te verbeteren.

U hebt gelijk dat het verlenen van eerstelijnsbijstand in de gesloten centra belangrijk is, maar het is geen verantwoordelijkheid van de DVZ maar wel van de balies. In Brugge werd die eerstelijnsbijstand in juni 2024 stopgezet door de niet-beschikbaarheid van advocaten. Dat is bijna overal een probleem. Alleen in het centrum van Vottem is er nog eerstelijnsbijstand.

Het is belangrijk om te benadrukken dat zowel ikzelf als de DVZ vragende partij zijn om die eerstelijnsbijstand in de gesloten centra terug op te starten. In Brugge is er daarom binnenkort een overleg met de balie gepland, om na te gaan of dat terug kan worden opgestart. Voor het centrum in Merksplas lopen gesprekken met de balie, maar het kon nog niet worden opgestart door financiële beperkingen en het gebrek aan advocaten bij de balie die interesse in de materie hebben.

Uiteraard zorgen de terugkeerbegeleiders er wel altijd voor dat een advocaat wordt toegewezen aan bewoners die daarom vragen. Bewoners worden ook bij de intake in het centrum altijd ingelicht over de mogelijkheid van juridische bijstand, maar de Dienst Vreemdelingenzaken heeft uiteraard geen impact op de advocaten zelf.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de staatssecretaris, mijn bezoek aan het centrum maakte me duidelijk dat er infrastructurele verbeteringen nodig zijn. Ik had ook het gevoel dat de personeelsleden hun uiterste best doen om er absoluut het beste van te maken. Daarvoor spreek ik alvast mijn dank uit.

Ik ben blij dat we eigenlijk hetzelfde willen, maar de organisatie ervan valt onder de verantwoordelijkheid van de balies. We moeten dus goed bekijken wat we vanuit het federale niveau kunnen ondernemen om dat te stimuleren, zodanig dat de balies daadwerkelijk die rol willen opnemen.

U verklaarde dat er te weinig centen zijn. Waar kwamen die centen vroeger vandaan? Waarom zijn die er nu niet meer? Waarom is het financieel niet meer haalbaar?

Nicole de Moor:

(…)

Matti Vandemaele:

De financiering gebeurde dus vanuit de balies. Dan is het duidelijk. Dank u voor uw antwoord.

De manier waarop de douanediensten zich aanpassen aan de nieuwe strategieën van drugssmokkelaars

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 26 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De succesvolle operatie White Sea (gerichte internationale samenwerking tegen cocaïnesmokkel via alternatieve methodes zoals coque-bevestiging en kleinere schepen) toont effectiviteit, met een dalende trend in Anvers maar verschuiving naar Zeebruges en binnenlanden. Minister Van Peteghem benadrukt versterkte controles (50 extra medewerkers + scanners in Zeebruges), multidisciplinaire samenwerking (Europol, Frontex) en innovatie (nieuwe detectietechnieken) om mutaties in smokkelroutes voor te blijven, terwijl budgetten beschikbaar zijn maar blijvende aanpassing vereisen. Consumptie daalt niet, en trafiekanten passen tactieken aan (kleinere zendingen, vermenging met legale lading), wat voortdurende anticipatie vraagt. Crucke onderstreept de noodzaak van proactieve innovatie om de "voorsprong" van criminelen te neutraliseren.

Jean-Luc Crucke:

L'opération White Sea vient de se clôturer avec succès, à la fois pour les douanes belges mais aussi pour les douze pays européens partenaires et Europol. Lorsque les choses fonctionnent, il faut pouvoir le dire et c’est aussi mon objectif. Une baisse est également constatée dans les saisies de cocaïne au port d’Anvers pour la première fois depuis dix ans. Le système mis en place semble donc fonctionner.

Toutefois, j’aimerais vous entendre sur une forme de changement dans le transport de stupéfiants qui est aujourd’hui observé, impliquant une modification des manières de procéder. La consommation, quant à elle, ne diminue malheureusement pas.

Monsieur le ministre, comment évaluez-vous la coopération internationale dans le cadre de l'opération White Sea? Quelles leçons en tirez-vous et quelles en seront les conséquences à moyen et long terme?

Comment analysez-vous le processus de mutation? L’efficacité accrue de la lutte au port Anvers a entraîné un déplacement du trafic vers le port de Zeebruges ou même vers des ports situés davantage à l'intérieur des terres. Disposez-vous à cet égard d’une stratégie, d’informations et de recommandations à appliquer?

Le succès de la lutte contre ce trafic découle bien évidemment des moyens budgétaires disponibles. Les budgets nécessaires sont-ils mis à disposition à cet effet?

Vincent Van Peteghem:

L’opération White Sea IV vise la contrebande de cocaïne dans la partie européenne de l’Atlantique et de la mer du Nord et se concentre explicitement sur les méthodes de contrebande alternatives, telles que l’attachement à la coque, le drop off , l’utilisation de navires plus petits et l’implication de l’équipage.

Les douanes belges ont pris l’initiative de l’opération White Sea en partie parce qu’elles craignent d’éventuelles mutations des trafics dues à une surveillance accrue dans le port d’Anvers. L’utilité de telles opérations réside dans la mise en commun des connaissances, des compétences et des moyens de contrôle des organisations partenaires nationales et internationales.

La plateforme Impact et des organisations telles que Frontex, Europol et MAOC jouent, en ce qui nous concerne, un rôle crucial de facilitateur. Une approche multidisciplinaire, une analyse commune des risques, des formations et des inspections permettent d’acquérir de nouvelles connaissances et compétences qui sont ensuite intégrées dans les opérations régulières.

Chaque édition de White Sea est suivie d’une évaluation à l’issue de laquelle la portée de l’édition suivante est déterminée en collaboration avec les partenaires.

Bien que les douanes disposent d’indications suffisantes pour affirmer que d’autres méthodes de contrebande sont de plus en plus utilisées, il n’est pas possible à ce stade de conclure que cela expliquerait en grande partie la baisse des saisies à Anvers. D’autres facteurs entrent également en ligne de compte, comme le fait d’expédier de plus petits envois afin de répartir les risques et de mélanger ou de dissoudre la cocaïne dans d’autres marchandises, ce qui complique la détection.

Outre les investissements importants réalisés à Anvers, d’autres ports bénéficient également de l’attention nécessaire. Pour Zeebruges, en particulier, le budget a déjà été prévu pour le recrutement de 50 nouveaux collaborateurs destinés à des tâches de scanning et de surveillance. Les procédures de recrutement externe nécessaires ont été lancées. Deux scanners mobiles ont également été commandées.

Les douanes continuent de rechercher de nouveaux itinéraires de contrebande et de nouveaux modes opératoires. Des efforts considérables sont déployés pour coopérer avec la police judiciaire fédérale. Des accords avec la Marine et la police de la navigation permettent aux douanes d’agir également en mer.

Compte tenu du caractère international de la contrebande de cocaïne, la coopération avec l’étranger est essentielle, tant avec les pays européens qu’avec les pays source. Dans ce domaine, les douanes utilisent au maximum les ressources fournies par des agences telles que Frontex et Europol et d’autres initiatives européennes.

Une mutation vers de nouveaux modes opératoires et de nouveaux points d'entrée influencés par une pression de contrôle accrue à Anvers est probable. Cette évolution est déjà partiellement prise en compte dans le projet existant mais les douanes doivent continuer à innover en termes de méthodes d'inspection et d'outils technologiques. L'un des objectif de White Sea est d'expérimenter de nouvelles choses pour aider à déterminer les ressources dont les douanes devraient disposer à l'avenir.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je voudrais m'associer aux félicitations adressées au service des douanes. Sa mission est difficile mais quand il est à ce point performant dans cette opération White Sea, il faut pouvoir le souligner. J'entends que des éditions vont se répéter, je pense que c'est utile. J'entends également que des moyens techniques et en personnel ont été déployés pour le port de Zeebruges. Monsieur le ministre, on a parfois l'impression que les trafiquants ont un coup ou une imagination d'avance. La seule manière de répondre à cela est d'avoir des innovations d'avance. Il faut non seulement être à la page mais aussi anticiper et y mettre les moyens quand c'est possible. C'est l'engagement que vous avez pris et j'en prends note.

De bestrijding van de sigarettensmokkel door de douane en een douanekantoor in Charleroi

Gesteld door

lijst: PS Hugues Bayet

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 26 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische douane demantelde in 2024 recordaantal illegale sigarettenfabrieken, vooral rond Charleroi, wat vragen oproept over de verhuizing van de rechercheafdeling naar Mons in 2019. Minister Van Peteghem verdedigt de centralisatie door het beperkte vrachtverkeer in Charleroi en benadrukt dat Mons een breder werkgebied bestrijkt, met flexibele inzet van teams over regio’s heen, gezien de nationale en internationale spreiding van criminelen. Criticus Bayet betwist de logica: als meeste succesvolle onderzoeken in Charleroi plaatsvinden, is de verhuizing tegenstrijdig en eist hij concrete cijfers om de efficiëntie van Mons te staven.

Hugues Bayet:

C'est une bonne nouvelle que la presse a récemment apportée puisque, pour le budget de l'État, les douanes belges battent tous les records cette année: déjà 12 usines de cigarettes démantelées aux quatre coins du pays.

On doit évidemment féliciter les équipes qui travaillent sans relâche. Sur la carte des sites démantelés en 2024, on peut s'apercevoir que la majorité se trouvent aux alentours de la ville de Charleroi. Ce n'est pas une surprise vu la présence de l'aéroport.

À ce titre, il y a quelques années, les services de douane de Charleroi s'étaient émus (à raison, me semble-t-il) de leur futur déménagement à Mons. Les faits leur donnent raison au regard des sites géographiques démantelés.

Quel regard portez-vous sur la situation? Ne faudrait-il pas recréer une antenne à Charleroi pour être encore plus efficace en la matière, au vu de la position de la Belgique comme plaque tournante?

Vincent Van Peteghem:

En 2019, il a été décidé de fusionner l'Inspection de Recherche de Charleroi et celle de Mons pour des raisons logistiques et opérationnelles. L'aéroport de Gosselies se concentre principalement sur le transport des passagers sans flux de fret ou de commerce électronique, ce qui distingue Charleroi d'autres aéroports tels que Bierset et Zaventem, lesquels ont d'importants flux de fret et où la présence d'une inspection de recherche est essentielle.

Comme l'activité du fret à Charleroi est limitée, la décision a été prise de centraliser les inspections de recherche à Mons, qui joue depuis des années un rôle important dans la lutte contre la contrebande et la fraude transfrontalière dans le Sud du pays. L'Administration générale des Douanes et Accises reste également active dans la région de Charleroi par le biais de contrôles de première ligne à l'aéroport de Gosselies, où l'accent est mis sur les flux de passagers et les contrôles de sécurité.

Par ailleurs, l'Inspection de Recherche de Mons est compétente pour les arrondissements judiciaires de Namur et du Hainaut. Il convient de noter aussi que la localisation géographique d'une inspection de recherche n’est qu'un des critères pris en compte dans l'attribution des enquêtes. Parfois, des enquêtes volumineuses sont confiées à plusieurs services de recherche et les services se prêtent mutuellement assistance dans le cadre de leur enquête respective. Une répartition et un fonctionnement stricts par région n'est donc pas toujours d'application. Ces dernières années, il ressort des enquêtes qu'une organisation criminelle utilise plusieurs localisations réparties sur tout le territoire national ainsi qu'à l'étranger, ce qui rend la délimitation d'une inspection de recherche par région moins pertinente.

La structure actuelle de l'Administration Recherche permet un déploiement efficace des ressources et s'adapte facilement à l'évolution des circonstances et des modèles de fraude en Belgique.

Hugues Bayet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Je comprends les principes de la fusion. Cela dit, il conviendrait d'analyser les enquêtes qui ont abouti dans la région de Mons et celles qui ont abouti dans celle de Charleroi. Si le plus grand nombre d'enquêtes ayant abouti sont à Charleroi, alors cela n'a pas beaucoup de sens de déplacer les recherches à Mons. En revanche, si vous parvenez à démontrer que la localisation à Mons facilite davantage l'élucidation de toutes ces enquêtes, cela peut se justifier. Or, dans votre réponse, je ne trouve pas une telle justification. Par conséquent, je vous adresserai une question écrite plus précise. Je vous remercie.

De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De onthulling van sociale fraude bij het OCMW van Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De socialebijstandsfraude bij het OCMW van Anderlecht
Het schandaal bij het OCMW van Anderlecht
De fraude bij het OCMW van Anderlecht
Leefloonfraude
De Pano-reportage over het OCMW van Anderlecht
De problemen bij het OCMW van Anderlecht
Fraude en schandalen bij het OCMW van Anderlecht

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 21 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om wijdverspreid cliëntelisme, fraude en wanbeheer bij het OCMW Anderlecht, waar leeflonen zonder controle werden toegekend aan mensen zonder recht, terwijl kwetsbaren in de kou bleven. Inspectierapporten (2019-2023) waarschuwden herhaaldelijk, maar minister Lalieux (PS) ondernam onvoldoende actie, ondanks federale bevoegdheid—kritiek linkt dit aan politieke bescherming van PS-bestuurders die trots "klantenpolitiek" verdedigen. Oplossingen (terugvordering gelden, strengere controles, betere werkomstandigheden voor overbelaste maatschappelijk werkers) blijven vaag; oppositie eist harde sancties, transparantie en een audit van *alle* Brusselse OCMW’s om vertrouwen in het systeem te herstellen. Kernpunt: misbruik ondermijnt sociale solidariteit en speelt extremisme in de kaart.

Sammy Mahdi:

Mevrouw de minister, beeldt u zich eens in dat u een gewone hulpbehoevende man of vrouw bent die bij het OCMW aanklopt, maar die in Brussel toevallig niet op de PS stemt – dat kan gebeuren – of die toevallig niet de beste vriend is van de OCMW-voorzitter. Beeldt u zich in dat u ook nog eens geconfronteerd wordt met mensen die zich wel in die positie bevinden en die voorsteken in de wachtrij, die dankzij mails vanwege de voorzitter voorrang krijgen en die duizenden euro’s krijgen, terwijl anderen in de kou blijven staan.

Volgens de PS in Brussel stelt dat helemaal geen probleem, integendeel. Gisteren zei iemand van de PS op tv: ʺ Oui, je suis clientéliste et je suis fier de l’être parce que je suis socialiste. ” Men is er trots op dat men publiek geld, bedoeld voor mensen die echt in nood zijn, gebruikt als politicus om het eigen kiesvee te bedienen. Il faut le faire, zo handelen, met een brede glimlach!

Ik wil de Parti Socialiste nooit meer horen spreken over sociale afbraak. Duizenden euro’s uitdelen zonder controle, dat is sociale afbraak. Geld geven aan wie er geen recht op heeft, dat is sociale afbraak. Mensen die geen steun behoeven, geld geven en laten voorsteken in de rij, en tegelijkertijd mensen met echte behoeftes in de kou laten staan, dat is sociale afbraak.

Het meest wraakroepende is dat uw diensten dat wisten. Ik verwijs naar het inspectieverslag van het OCMW van Anderlecht 2023, waarin staat dat de inspectiedienst rechtstreeks via diverse kanalen is aangesproken naar aanleiding van de reeds gekende problematiek.

Mijn vraag is duidelijk. Uw diensten waren op de hoogte van de toestand. Waarom hebt u niets gedaan? Tegen wanneer zal het geld worden teruggevorderd? Hoe gaan we er samen voor zorgen dat het cliëntelisme van PS-besturen in Brussel een halt wordt toegeroepen?

Vincent Van Quickenborne:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, weet u wat mensen denken en zeggen als zij die reportage hebben gezien? 't Zijn zotten die werken. Ik weet niet of die uitdrukking bestaat in het Frans, maar het komt erop neer dat er mensen zijn in ons land die keihard werken, terwijl ze zien dat andere mensen er de kantjes van af lopen. Dat is bewezen in de Pano -reportage in Anderlecht, uw geboortestad. Het gaat om fraude en cliëntelisme. De mensen worden daar boos van.

Het gaat over veel geld. In ons land wordt meer dan 2 miljard euro aan leeflonen betaald aan 164.000 leefloners. Dat aantal omvat de inwonersaantallen van Hasselt en Kortrijk gecombineerd. Natuurlijk kunnen we niet al die mensen over dezelfde kam scheren. De essentie is wel dat de echt arme mensen van dat beleid de dupe zijn.

Het ergste is dat de alarmbellen in Anderlecht al jarenlang afgaan. Collega Mahdi verwijst naar het verslag van 2023, maar ook in 2019, in 2020 en in 2022 stond dat letterlijk geschreven, mevrouw Lalieux. Ik citeer: "Maand na maand, jaar na jaar krijgen mensen een leefloon zonder opvolging."

Mevrouw de minister, u was bevoegd. U had het onder uw ogen, maar u hebt niets gedaan. Waarom niet? Is de reden dat de burgemeester en de OCMW-voorzitter van PS-signatuur zijn? Is de reden dat het om uw kiezers gaat? Houdt u vast aan de cultuur om alles besloten te houden? Ik voel in u een zekere vorm van schaamte over wat daar gebeurd is. Het is niet aanvaardbaar.

Mevrouw de minister, ik heb maar twee vragen voor u. Ten eerste, kunt u met de hand op het hart beloven dat dit enkel in Anderlecht is gebeurd, of doet datzelfde fenomeen zich ook in andere gemeenten voor? Ten tweede, waarom hebt u na al die rapporten helemaal niets gedaan?

François De Smet:

Madame la ministre, comme beaucoup ici, j'ai vu ce reportage accablant. Des journalistes parviennent sans difficulté à se faire verser un revenu d'intégration sociale, sans enquête sociale et sans même résider dans la commune d'Anderlecht.

Un président de CPAS nous a livré la définition la plus pure du clientélisme qu'on ait vu depuis très longtemps. En effet, quand on aime les gens, quand on veut les aider, il semble normal pour certains d'aider "un peu plus" ceux qui sont venus les voir.

Ce qui m'a le plus marqué, c'est le témoignage des assistants sociaux – témoignage anonyme car ils veulent peut-être échapper à des rétorsions de leur hiérarchie. Ces assistants sociaux sont en réalité piégés et coincés: ils doivent pour beaucoup traiter 200 dossiers chacun.

Ils sont tellement débordés qu'ils n'arrivent pas à effectuer des vérifications, notamment d'emploi et de domicile. Même quand ils proposent des refus d'allocation d'intégration, ils risquent d'être court-circuités par leur hiérarchie ou leur président de CPAS. Cela provoque une charge supplémentaire et, évidemment, un découragement.

Madame la ministre, il faut être très courageux pour être travailleur social au CPAS d'Anderlecht aujourd'hui. Je pense à eux.

Pour la cohésion sociale, c'est aussi très décourageant. Nous sommes dans une période dans laquelle chaque euro compte. Des affaires de ce genre-là sont terribles parce qu'elles sont dénigrantes pour tous ceux qui ont besoin de cette aide sociale et qui n'arrivent pas à l'obtenir rapidement, peut-être parce qu'ils ne connaissent pas les bonnes personnes.

C'est décourageant aussi pour tous ceux qui contribuent au système, les travailleurs qui, à la sueur de leur front, alimentent le système et qui se disent: à quoi bon? Malheureusement, on le sait, la fraude sociale alimente aussi en retour, hélas, la légitimation de la fraude fiscale, les deux étant évidemment inacceptables. C'est désastreux pour la société toute entière.

Madame la ministre, que saviez-vous de ce phénomène avant l'émission? Vous avez dit ce matin en radio qu'il y avait des rapports d'inspection diligentés. En effet, ils existent depuis trois ans. Qu'avez-vous fait depuis? À votre connaissance, des cas similaires existent-ils dans d'autres communes et d'autres CPAS?

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, uw deel doen en uw deel krijgen, is niet meer dan normaal. Dat betekent dat men gaat werken wanneer men dat kan en dat men ondersteuning krijgt wanneer men daar nood aan heeft. Het is daarom dat Vooruit altijd heeft gestreden voor een deftig leefloon, want dat beschermt de mensen tegen extreme armoede.

Als men zegt te strijden voor een deftig leefloon, dan moet men ook strijden tegen al die misbruiken en daar knelt vandaag het schoentje. De Pano -reportage van deze week, die ik schokkend vind, toonde hoe mensen in Anderlecht schaamteloos misbruik maken van dat systeem. Laat het duidelijk zijn, het gaat niet alleen over maatschappelijk werkers die overbelast zijn door te veel aanvragen of over het bewust misbruiken van een systeem om uitkeringen toe te kennen, het gaat ook over politici die wetens en willens niet luisteren naar de negatieve adviezen van hun maatschappelijk werkers. Die maatschappelijk werkers hebben ten einde raad aan de alarmbel getrokken omdat er van bovenaf niet naar hen werd geluisterd.

Mevrouw de minister, de reactie van sommigen was veelzeggend. Denken dat men mensen vooruithelpt door hen ongegrond een uitkering te geven, vind ik hallucinant. Dat gaat niet. Wij vinden dat men mensen beschermt door hen een leefloon toe te kennen, maar ook door te strijden tegen valsspelers, hoe schrijnend sommige verzonnen verhalen ook lijken.

Ik heb maar een vraag voor u. Er werden al jarenlang inspectieverslagen opgesteld en u zegt dat u de controles hebt opgedreven. Wat zijn de resultaten daarvan en vooral, wat zult u doen opdat zoiets nooit meer kan gebeuren?

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de Pano -reportage van dinsdag over de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht was ontluisterend, maar tegelijkertijd ook weinig verrassend. Corruptie, geldverspilling en wanbeheer zijn natuurlijk niet nieuw in Brussel, zeker niet als er socialisten bij betrokken zijn. Herinner u de Samusocialaffaire van ongeveer 7 jaar geleden, waaruit bleek dat uw partijgenoot Yvan Mayeur de corruptie en de vriendjespolitiek binnen Samusocial en het OCMW van Brussel organiseerde. Mevrouw de minister, u verdedigde de heer Mayeur toen nog in de pers: "Denk maar aan de OCMW's die dankzij Mayeur veel efficiënter samenwerken." Een uitspraak die vandaag kan tellen.

Wij vrezen dat het wanbeheer en cliëntelisme helaas niet alleen bij het OCMW in Anderlecht zal te vinden zijn, maar bij het merendeel van de Brusselse OCMW's. Het wordt maatschappelijk assistenten opzettelijk onmogelijk gemaakt om hun werk goed te doen. Wij vernemen van verschillende personeelsleden van de Brusselse OCMW's dat zij van hun politieke bazen een bevel tot het verlaten van het grondgebied moeten aanvaarden als een geldig identiteitsbewijs, om recht op steun te krijgen. Dat is hallucinant.

Mevrouw de minister, hoe verklaart u dat maar liefst 52,2 % van de leeflonen naar niet-Belgen gaat?

Wat zult u ondernemen opdat in dit land, waar werkende mensen meer dan de helft van hun loon afgeven aan de overheid, deze overheid eindelijk verantwoord omgaat met dat geld en het niet gebruikt voor cliëntelisme en electorale bediening?

Klopt het dat uw kabinet de Inspectie van Financiën toegang heeft geweigerd tot de OCMW-dossiers?

Wanneer zult u eindelijk een eerste aanzet geven om de 19 Brusselse OCMW's te fusioneren?

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, les révélations sur les pratiques du CPAS d'Anderlecht sont profondément choquantes. Les témoignages confirmés par cette enquête journalistique révèlent des failles systématiques: absence de contrôle, octroi d'allocations à des personnes qui ne résident pas dans la commune et pressions politiques flagrantes. Ces dérives à la fois éthiques et administratives entachent la confiance des citoyens envers nos institutions publiques et posent la question d'un usage abusif de l'argent public. Elles jettent également un discrédit important sur le travail, pourtant essentiel, accompli quotidiennement par les travailleurs sociaux pour permettre à chacun et chacune de vivre dignement.

Le rapport 2023 du SPP Intégration sociale avait pourtant déjà mis en évidence ces manquements graves, mais il semble qu'aucune mesure concrète n'en ait découlé. Ces dérives clientélistes n'ont donc pas été endiguées.

Madame la ministre, pouvez-vous nous indiquer combien de contrôles ont lieu dans ce CPAS et dans les autres CPAS du royaume par les services du SPP Intégration sociale? Vous dites que vous étiez au courant de certains dysfonctionnements mais vous et votre cabinet étiez-vous au courant de ceux-ci? Comment est-ce possible que de telles situations puissent perdurer malgré les évaluations critiques des services fédéraux? Combien d'autres CPAS pourraient-ils être concernés par des pratiques similaires? Et surtout, quelles mesures envisagez-vous pour garantir un suivi rigoureux des recommandations des rapports d'évaluation pour éviter que ces derniers ne restent lettre morte?

L'inaction politique et la gestion hasardeuse des fonds publics au CPAS d'Anderlecht alimentent un sentiment d'injustice et de défiance croissante envers nos institutions. Chaque euro dilapidé ou utilisé sans contrôle rigoureux fragilise un peu plus la crédibilité de notre démocratie sociale. La réponse politique doit être à la hauteur des enjeux et la transparence doit être complète sur ces faits.

Florence Reuter:

Madame la ministre, on croyait avoir quasiment tout vu dans les dérives et dans la mauvaise gouvernance, mais le reportage de la VRT est édifiant: des pratiques et des dysfonctionnements qui sont tout à fait inacceptables, des enquêtes sociales incomplètes ou totalement inexistantes, pas de visites domiciliaires, l’intervention du politique dans les dossiers, des revenus d’intégration octroyés à des personnes qui n’habitent ni dans la commune, ni même dans le pays, et des adresses fictives.

Tout simplement… Que dire? C’est choquant. C’est juste tout simplement choquant, révoltant. Il s’agit d’argent public, de l’argent du contribuable. Certains travaillent dur pour financer la solidarité. C’est d’autant plus révoltant que, finalement, l’aide sociale ne va pas aux plus vulnérables, à ceux qui en ont réellement besoin.

Madame la ministre, mes questions sont simples. Connaissiez-vous l’ampleur de ces fraudes? Ce phénomène s’étend-il à d’autres communes?

Vous déclarez que le CPAS d’Anderlecht fait l’objet d’une enquête depuis 2021 déjà. Qu’est-ce qui a été mis en place, puisqu’on connaissait vraisemblablement tous ces dysfonctionnements?

Enfin, madame la ministre, fallait-il vraiment attendre un reportage de la VRT pour agir? Des outils de contrôle existent.  Vous avez la compétence sur ces contrôles, sur le SPP Intégration sociale. Par ailleurs, 75 % du budget viennent du fédéral. Alors il faut prendre les choses en main! J’attends vos réponses.

Nadia Moscufo:

Madame la ministre, depuis mercredi, après le reportage de la VRT, il y a beaucoup de discussions autour du fonctionnement et des dysfonctionnements du CPAS d'Anderlecht, et c'est bien compréhensible. Tout service qui travaille avec la population doit pouvoir fonctionner correctement, dans le respect de la loi, avec des procédures et des critères clairs, et sans clientélisme. Donc, s'il y a abus, si des personnes reçoivent une aide sociale sans y avoir droit, s'il y a eu passe-droit, c'est inacceptable et il faut faire toute la lumière à ce sujet.

Le reportage montrait aussi la surcharge de travail du personnel du CPAS d'Anderlecht. J'en profite, au nom de mon groupe, pour transmettre toute ma solidarité à tous ces travailleurs qui, au quotidien, travaillent dans une situation intenable. Ils ont plusieurs fois dénoncé cette situation avec leur organisation syndicale. Dans le reportage, un travailleur disait ceci: "Parfois, on se retrouve facilement avec 200 dossiers par personne. Ce n'est vraiment pas possible. Cela devient une charge mentale très dure." Notez qu'avec 200 dossiers par personne, il est impossible de faire ce travail humainement. En effet, derrière chaque dossier, il y a des êtres humains, des familles, des enfants dans des situations complexes et dans une grande précarité.

Alors, madame la ministre, j'ai deux questions à vous poser. Qu'allez-vous faire concrètement pour faire toute la lumière sur la situation au CPAS d'Anderlecht? Et qu'allez-vous faire pour répondre au cri d'alarme du personnel et garantir que tous les CPAS de tout le pays puissent remplir correctement leurs missions?

Wouter Raskin:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, wat we zagen in de tv-reportage, was ongezien: keiharde bewijzen van fraude en van politieke inmenging bij de toekenning van steundossiers en een gewezen voorzitter die zich socialist noemt, " je m’en fous " antwoordt op de beschuldiging van cliëntelisme en er zelfs prat op gaat! Ik vraag mij af wat de leden van Vooruit daarover denken. Maar goed, dat is niet mijn zaak.

Mevrouw de minister, door de uitstekende reportage van Pano heeft iedereen kunnen vaststellen wat er aan de hand is en ligt de zaak open. Dergelijke malversaties, boven op de uitdagingen van vandaag maken dat elk OCMW-beleid onbetaalbaar wordt en dat bevestigt de noodzaak tot responsabilisering van de OCMW’s. Wij moeten dringend kwalitatieve en kwantitatieve parameters uitwerken die ons toelaten de goede en de slechte leerlingen in de klas te onderscheiden. OCMW’s die op aanklampende begeleiding, op activering en op sociale integratie inzetten, moeten een bonus krijgen. De andere moeten tegen een malus aanlopen.

Mevrouw de minister, dat verhaal vertellen wij al heel lang, ook al worden wij uitgescholden als asocialen door degenen die eigenlijk stilletjes in een hoek zouden moeten kruipen en zich schamen. Ik heb tientallen vragen. Ze zullen voor de vergadering komende woensdag zijn. Vandaag stel ik er twee.

Ten eerste, hoe verklaart u dat u die wanpraktijken niet hebt gezien, terwijl de verslagen van de inspectie daar al jaren op wijzen?

Ten tweede, bent u na het bekijken van de reportage van oordeel dat er strafbare feiten zijn gepleegd? Zo ja, overweegt u juridische stappen tegen degenen die ze zouden hebben gepleegd?

Caroline Désir:

Madame la ministre, moi aussi, j'ai regardé ce fameux reportage de la VRT. Je puis vous dire que j'ai également été choquée, et même extrêmement choquée. Comment est-il possible d'accorder un revenu d'intégration sans même vérifier que la personne vive bel et bien sur le territoire de la commune ni mener l'enquête sociale indispensable à la vérification des ressources dont dispose le demandeur? Comment est-il possible que des procédures et réglementations, pourtant très claires et très strictes, ne soient pas respectées?

Octroyer une aide sans respecter les conditions légales est évidemment gravissime, et nous le dénonçons sans équivoque. Mais j'insiste sur le fait que ces dysfonctionnements ne doivent pas venir remettre en cause le travail accompli par des centaines de travailleurs sociaux qui s'acquittent de leur job avec une véritable conscience professionnelle et dans des circonstances extrêmement difficiles. Ils ne doivent pas non plus remettre en cause l'absolue nécessité des CPAS.

Madame la ministre, comme cela a été dit, il est absolument indispensable de faire toute la lumière sur cette affaire. Voici donc les questions que je souhaitais vous adresser. De quelles informations disposez-vous concernant les faits reprochés au CPAS d'Anderlecht? Quelles compétences le fédéral exerce-t-il en la matière, au regard de celles de la COCOM et de la commune? Le cas d'Anderlecht est-il isolé? Qu'en est-il des procédures de contrôle et des sanctions possibles dans de telles situations?

Pour la suite, madame la ministre, il importe de se poser les bonnes questions afin d'éviter de nouveaux dysfonctionnements. Comment alléger la charge de travail des assistants sociaux? Comment renforcer les effectifs et attirer davantage de travailleurs sociaux dans ces institutions? Comment, tout simplement, continuer à soutenir les CPAS?

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, er moet mij toch iets van het hart. In Anderlecht doen elke dag tientallen maatschappelijk werkers hun stinkende best voor wie echt nood heeft aan steun. Elke dossierbehandelaar heeft er tot 200 dossiers. Ter vergelijking, in Kortrijk, waar ik woon, zijn dat er gemiddeld 50. Door die manier van werken komt wie echt nood aan steun heeft, achteraan de rij en wordt hij of zij heel traag of zelfs niet geholpen. Of de maatschappelijk werker nu 120 dan wel 200 dossiers per jaar moet behandelen, dat aantal is te hoog om degelijk werk af te leveren. Daardoor staat de deur wagenwijd open voor fraude en daar wordt nog een sausje van politieke inmenging over gegoten, zoals men kon zien in Pano . Een voorzitter van een bijzonder comité vindt bijvoorbeeld dat hij persoonlijk moet interveniëren in dossiers en bepaalde mensen voortrekken. Er is geen enkele controle op wat daar gebeurt en de inspectieverslagen zijn ronduit vernietigend.

Mevrouw de minister, hebt u die verslagen gelezen? Zo ja, waarom hebt u dan niets ondernomen? Waarom heeft de overheid daar niets mee gedaan? Komt dat misschien omdat u het eens bent met de betrokken voorzitter van het bijzonder comité, een partijgenoot van u? Ik wil hem even citeren: “Ik kan begrijpen dat men in Vlaanderen verontwaardigd is, u kunt mij cliëntelisme verwijten, maar ik ben een socialist en ik heb mensen geholpen en ik ben daar trots op.” Grijpt u daarom niet in? Mijn fractie vraagt zich dat af. Waarom laat u betijen, waarom grijpt u niet in?

Karine Lalieux:

Monsieur le président, chers collègues, je ne vais pas y aller par quatre chemins: ce que nous avons vu dans ce reportage est totalement inacceptable. Il est inacceptable d'utiliser l'argent public pour des personnes qui n'en ont pas besoin. Il est illégal de dépenser les moyens dédiés à l'aide sociale sans que cela ne soit justifié. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle la loi prévoit des contrôles et que tous les montants indûment versés doivent être remboursés.

De regels en procedures die in de wet zijn bepaald, garanderen de eerlijkheid tussen burgers. De niet-naleving ervan moet worden veroordeeld en bestraft.

Pour rappel, toute demande au CPAS suppose un premier rendez-vous avec une assistante sociale au cours duquel sont exposés les documents et les conditions nécessaires, un deuxième rendez-vous sur la base de ces documents pour vérifier si les conditions sont remplies, une visite sur place pour vérifier que la personne y vit réellement. Si toutes ces conditions sont remplies, la demande est transmise au bureau spécial ou au Comité spécial de l'action sociale où la majorité et l'opposition sont représentées et qui est le seul habilité à prendre des décisions. Si les procédures sont respectées, aucune interférence politique n'est donc possible – je dis bien "si elles sont respectées" – puisque la loi prévoit très précisément les critères, les procédures et les délais.

Le SPP Intégration sociale vérifie que les conditions d'octroi du revenu d'intégration sociale par les CPAS sont respectées. Les CPAS sont en outre soumis à la tutelle des entités fédérées, en l'occurrence la COCOM, qui contrôle le fonctionnement général du CPAS, notamment les moyens humains, l'organisation et d'autres indicateurs.

Le CPAS d'Anderlecht, comme d'autres, a fait l'objet de tels contrôles. Ceux-ci ont permis d'identifier des manquements qui ont conduit à un contrôle renforcé sur base annuelle, ce qui n'était pas le cas dans d'autres CPAS.

Ces manquements sont de deux ordres. Premièrement, il y a le non-respect des délais légaux pour octroyer ou non le revenu d'intégration sociale. Le service d'inspection a déjà pris une décision de sanctionner le CPAS en cas d'octroi du revenu de CPAS hors délai. Le deuxième manquement porte sur les enquêtes sociales insuffisantes ou inexistantes. Quand le contrôle conduit à constater que les règles n'ont pas été respectées, les montants indus sont réclamés au CPAS et doivent être remboursés.

La fraude sociale est en effet inacceptable comme toute forme de fraude parce qu'elle est illégale et sape la confiance du public dans notre système de solidarité.

J'ai donc pris la décision d'aller au-delà en renforçant les contrôles. Alors que les contrôles ont normalement lieu sur la base d'un échantillon, j'ai demandé que les contrôles soient systématiques au niveau du CPAS d'Anderlecht.

J'ai aussi demandé au SPP Intégration sociale de vérifier si d'autres CPAS rencontrent des problèmes similaires et, dans ce cas, de renforcer les contrôles. Ces manquements – que, je le répète, je condamne avec la plus grande fermeté – doivent être dénoncés et les montants doivent être remboursés. Mais nous devons aussi veiller à ce que de tels faits ne se reproduisent pas. Ceci relève de la compétence des CPAS et de la tutelle des communes, qui sont en première ligne, mais aussi du gouvernement fédéral et des gouvernements régionaux, ici la COCOM.

Il faut aussi rappeler que les lacunes dans le respect de l'application des procédures sont dues à un manque de moyens humains, vous l'avez souligné. Il faudra donc continuer à renforcer les effectifs du CPAS pour leur permettre de traiter les dossiers dans les délais et dans le respect le plus strict des procédures. Même si cela ne relève pas de ma compétence, la COCOM devra également exercer sa tutelle de manière rigoureuse afin de vérifier que les moyens mis à disposition des CPAS sont mis en œuvre de la manière la plus efficace et efficiente possible.

Ni les personnes en difficulté ni les agents des CPAS – qui font un travail difficile avec une grande conscience professionnelle – ne doivent être les victimes de ces manquements.

Chers collègues, comme l'a dit M. Raskin, nous nous rencontrerons mercredi prochain après-midi et vous aurez tous les détails sur ces constats au CPAS d'Anderlecht. Je vous remercie.

Sammy Mahdi:

Mevrouw de minister, als ik zo heftig gereageerd heb, is dat omdat ik mijn stad graag zie. Ik ben daar geboren. Sommigen zeiden dat zij verbaasd waren, maar ik ben helaas niet verbaasd. Ik was graag verbaasd geweest, maar dit is de realiteit die al jarenlang gaande is.

U zegt dat er regels bestaan. Ja en neen. Er zijn regels die beter kunnen. Er zouden alarmbellen moeten afgaan wanneer in een bepaalde gemeente de maatschappelijke dienst een beslissing neemt, maar de politiek toch iets anders beslist. Dan moeten er bij u meteen alarmbellen afgaan. Die klachten moeten bij u terechtkomen.

Wij moeten ervoor zorgen dat het geld meteen teruggevorderd wordt. Dit is niet nieuw. Dit heeft ook politieke redenen. De politiek moet er iets aan doen, op het federale niveau, op het regionale niveau en op het lokale niveau. Ik meen echter ook dat iedere partij een ernstige bestuursvergadering moet houden en bekijken welk model ze hanteert en op welke manier ze daarmee de sociale zekerheid onderuithaalt.

Vincent Van Quickenborne:

Mevrouw de minister, uw antwoord was hallucinant. U hebt een tekst voorgelezen, u hebt de regels beschreven. Geen schuldinzicht, geen excuses, het is de fout van de anderen.

Mevrouw de minister, u had zoveel meer kunnen doen. U had de OCMW-voorzitter en de burgemeester van Anderlecht publiekelijk op de vingers kunnen tikken. U had uw mensen naar het OCMW van Anderlecht kunnen sturen om die fraudepraktijken te stoppen. U had zelfs kunnen luisteren naar de mensen van uw inspectie, die u uitdrukkelijk gevraagd hebben hen meer macht te geven om op te treden. U doet er echter niets aan.

Uw antwoord, mevrouw de minister, bewijst dat u dit niet ter harte neemt. U kunt wel verwijzen naar de hoorzitting van volgende week woensdag, maar als u als minister met zo'n attitude vier jaar lang hebt bestuurd, bent u het niet waard geweest. Dit is een schandaal, maar u reageert alsof het niets is. Schandalig!

François De Smet:

Merci pour votre réponse, madame la ministre.

Si je comprends bien, dans ces rapports datant d'il y a trois ans, les problèmes avaient été identifiés. Des rapports supplémentaires ont été rédigés, des montants réclamés, mais le problème n'a pas été réglé. Le reportage de Pano est en effet relativement récent.

Je commence à voir que cela va nous mener à un grand jeu belge, à savoir le renvoi de la balle entre l'État fédéral, la COCOM, la commune et le CPAS d'Anderlecht.

Il existe visiblement un "shopping" d'aide sociale, malheureusement. Je comprends qu'il est légitime, pour certaines personnes, de faire semblant qu'on est domicilié dans une commune alors qu'on ne l'est pas, de faire semblant qu'on est isolé alors qu'on est en couple. Et, si le jeu est malheureusement aussi largement répandu, c'est que, parfois, il fonctionne et que le clientélisme reste une réalité. Il faut y mettre fin immédiatement.

Anja Vanrobaeys:

Mevrouw de minister, ik vind uw antwoord zeer teleurstellend. U drijft de controle pas op na de reportage en steekt zich weg achter de oppositie in het bijzonder comité. Dat is onaanvaardbaar voor ons.

Iedere socialist, maar dan ook iedere socialist, zou hier razend van moeten worden. Als men rechtse partijen argumenten wil geven om onze solidariteit, onze sociale zekerheid af te breken, moet u immers gewoon doorgaan op deze manier.

Dat zal echter niet gebeuren met Vooruit! Wij staan namelijk achter alle gewone mensen die wel hulp nodig hebben, maar we willen ook strijden tegen valsspelers die het systeem misbruiken en de politici die dat gewoon toelaten.

Mevrouw de minister, treed op. Dat is uw taak. Wacht geen minuut langer! Ga aan de slag! We kunnen niet wachten, want de mensen verdienen beter!

Ellen Samyn:

Mevrouw de minister, dit krijgt u niet uitgelegd: een stem op de PS in ruil voor een leefloon, à la tête du client. Uiteraard zijn die wantoestanden in Anderlecht niet alleen de schuld van de PS. Ook Vooruit, MR, Ecolo-Groen, Open Vld, DéFI en de PVDA-PTB zijn namelijk vertegenwoordigd in de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht. Ofwel zijn ook deze partijen op de hoogte van deze wantoestanden, ofwel doen ze er hun werk niet.

Mevrouw de minister, dit is meer dan kafkaiaans, dit is pure waanzin! Ga eindelijk met de grove borstel door de Brusselse OCMW's, verplicht hen te fusioneren en stop met ons geld uit te delen aan wie er geen recht op heeft! Vlaams Belang vraagt een volledige audit van de Brusselse OCMW's en vooral ook van uw diensten. De socialistische augiasstal moet eindelijk dringend worden uitgemest!

Isabelle Hansez:

Madame la ministre, vous affirmez que la situation était connue, que les services ont contrôlé les faits, et que tout est désormais sous contrôle. Cependant, si cela est vrai, comment expliquer que des manquements aussi graves aient pu se produire malgré cette vigilance annoncée?

Il est indéniable que le temps est venu d’une profonde remise en question des mécanismes ayant conduit à ces dysfonctionnements. Ce n’est pas seulement une question de procédures, mais de confiance envers nos institutions. Sans des mesures correctives concrètes, ces dysfonctionnements continueront à alimenter la défiance citoyenne. Nous aurions donc voulu entendre des engagements clairs et des actions précises pris par le précédent gouvernement pour garantir que cette situation ne se reproduise plus.

Je tiens à préciser, comme nous l’avons mentionné dans notre intervention, que nous n’émettons aucun reproche à l’encontre des travailleurs sociaux qui accomplissent un travail remarquable au quotidien. Remettre en question leur probité ou leur dévouement n’a jamais été l’objet de nos propos. Nous sommes pleinement conscients de la lourdeur de leur tâche. Toutefois, les manquements identifiés, ainsi que toute forme d’ingérence politique, doivent être pris au sérieux.

Florence Reuter:

Madame la ministre, vos explications ne suffisent pas. Nous connaissons tous les conditions pour avoir droit à une allocation sociale. Aujourd'hui, même les travailleurs sociaux sont révoltés, indignés. Ils n’osent même pas témoigner en public.

J’ai du mal à entendre qu’un CPAS, qui est soumis à un contrôle, qu’il soit social, financier ou juridique, en arrive là aujourd'hui, alors que vous dites vous-même que des enquêtes étaient déjà en cours.

J’ai du mal à entendre aujourd'hui encore un ancien président de CPAS dire: "Vous pouvez parler de clientélisme, mais moi, je suis socialiste, je suis fier de l’être, et je suis content de faire plaisir aux gens." Mais ce n’est pas comme ça qu’on aide les gens qui en ont besoin! C’est de l’argent public! Combien de fois faudra-t-il dire que cet argent doit aller à ceux qui en ont véritablement besoin?

Mon groupe demandera toute la lumière sur ces dysfonctionnements. Rendez-vous mercredi!

Nadia Moscufo:

Madame la ministre, j'ai bien entendu votre réponse. Mon groupe suivra la situation de près, notamment la semaine prochaine pendant la commission des Affaires sociales.

Si nous voulons résoudre les problèmes des CPAS, il faut vraiment améliorer les conditions de travail, avec moins de dossiers à gérer par travailleur. Nous estimons que vous n'en avez pas fait assez à ce niveau-là. La droite n'a pas non plus de solution à ce problème. Les plans du gouvernement MR et Les Engagés prévoient d'ailleurs d'exclure les travailleurs du chômage après deux ans. Ces personnes vont se retrouver au CPAS. Cela aggravera encore la situation alors que nous aurons besoin de plus d'assistants sociaux pour accompagner ces personnes dans leurs recherches d'emploi.

Je crains que la droite, sous prétexte de dysfonctionnements au CPAS d'Anderlecht – qui doivent évidemment être résolus –, remette en question l'ensemble de notre système de solidarité sociale. Nous n'allons pas laisser passer cela!

Wouter Raskin:

Collega’s, voor alle duidelijkheid, dit is geen kritiek op al die sociale diensten die elke dag keihard hun stinkende best doen. Het is kritiek op de zieke bedrijfscultuur die ingebakken zit bij de Brusselse PS. Het is geen eenmalig feit, maar het is systematisch. Ik herinner me dat u hier ook moest komen uitleggen dat u het niet zo gemeend had toen u zei dat al die Belirismiddelen naar de PS-burgemeesters moesten gaan.

Mevrouw de minister, ook nu lijkt u eindelijk het zonlicht gezien te hebben, maar hetgeen vandaag bovenkomt staat al jaren op papier. U komt er vandaag zelfs niet toe om uw OCMW-voorzitter met klem te veroordelen. U bent veel te soft.

Ik kan er niets aan doen en u moet me verontschuldigen, mevrouw de minister, maar ik zal het toch zeggen: u mist de ethiek om met publieke middelen om te gaan. U ondergraaft het draagvlak voor sociaal beleid in de samenleving en degenen die u meent te verdedigen zijn er het grootste slachtoffer van. En kameraden (…)

Caroline Désir:

Madame la ministre, merci de vous engager à faire toute la lumière sur cette situation inacceptable. Faire la lumière, oui, et sanctionner là où c'est nécessaire, évidemment. Il faut contrôler plus encore, là où on constate des illégalités. Vous avez donc raison de systématiser ces contrôles. Nous en reparlerons en commission des Affaires sociales.

J'entends, madame la ministre, que chaque niveau de pouvoir devra agir à son niveau, et qu'il faudra que la COCOM prenne également ses responsabilités via une mise sous tutelle du CPAS d'Anderlecht et via un audit approfondi de l'ensemble des CPAS.

La fraude sociale comme la fraude fiscale sont pour nous inacceptables. Inacceptables dans l'absolu, bien sûr, mais aussi parce que cela mine la confiance envers notre système de solidarité. J'insiste encore une fois sur le fait que les dysfonctionnements que nous dénonçons tous aujourd'hui avec la plus grande fermeté ne doivent pas avoir pour conséquence de stigmatiser les CPAS.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, u hebt in de eerste ronde van iedereen verontwaardiging gehoord. In de tweede ronde waren wij allemaal, behalve de PS, ontgoocheld over uw antwoord. Met verontwaardiging alleen zullen wij er echter niet komen. Er is nood aan actie. Het is in het belang van de cliënten, van de mensen die wel echt hulp nodig hebben, dat we het systeem terug op de rails krijgen. Dat is ook in het belang van de maatschappelijke werkers, die elke dag opnieuw aan de slag gaan om die ambities waar te maken.

Ik verwacht van u als socialist dat u ons model met hand en tand verdedigt. Dat kan alleen maar als men ook het cliëntelisme veroordeelt, bij naam noemt en zegt dat dit absoluut niet kan.

Ik heb vandaag van u geen enkele oplossing gehoord. Ik hoop dat we volgende week in de hoorzitting wel tot oplossingen kunnen komen, zodat we dit nooit meer moeten doen.

Voorzitter:

Mevrouw de minister, collega's, dank u. Dit zal zoals gezegd volgende week ook in de commissie uitgebreid worden behandeld.

De omzetting in Belgisch recht van de richtlijn over de zorgvuldigheidsplicht van ondernemingen

Gesteld aan

Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)

op 20 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België moet de EU-richtlijn over het zorgvlichtplicht (due diligence) voor ondernemingen – die mensenrechten- en milieuschendingen in waardeketens aanpakt – voor juli 2026 omzetten in nationaal recht. Minister Dermagne (SPF Economie) bereidt een ontwerpwet voor via een studie en overleg met stakeholders, met als doel een effectief toezichtsorgaan en sancties in te voeren, maar de uiteindelijke transpositie hangt af van een toekomstige regering. Lacroix (PTB) benadrukt de urgentie en hypocrisie van rechtse partijen die wel eisen stellen bij handelsakkoorden (bv. Mercosur) maar de zorgvlichtplicht vertragen, terwijl slachtoffers van ondernemingsmisstanden dringend bescherming nodig hebben. De transpositie moet ambitieuzer zijn dan de EU-minimumnormen, met oog voor internationale verdragen en slachtoffertoegang tot recht.

Christophe Lacroix:

Monsieur le ministre, au cours de la législature précédente, on a pu réaliser à la Chambre des représentants, avec le concours de la société civile, un gros travail sur le devoir de vigilance et de responsabilité des entreprises tout au long de leur chaîne de valeur.

Sur la base d'une proposition de loi, des auditions ont eu lieu avec le monde académique, le monde des entreprises, les organisations syndicales, les ONG belges et internationales, des personnes impactées et victimes du manque de devoir de vigilance, les différents services publics concernés et toutes les autorités. Le devoir de vigilance a été une véritable priorité de notre assemblée, en tout cas des partis de gauche et de ceux que je qualifierais du centre. On peut moins parler de priorité de la part du MR qui a joué une fois de plus la montre en la circonstance.

Pourtant, la directive européenne a été adoptée. Et elle a été adoptée à l'initiative d'un libéral, Didier Reynders, qui est d'ailleurs venu dans cette assemblée donner une leçon de libéralisme social aux libéraux conservateurs francophones.

Pierre-Yves Dermagne:

(…)

Christophe Lacroix:

Oui, il l'a sans doute payé.

L'Europe a donc donné un signal clair: le dumping sur les droits humains et sur les normes environnementales n'est pas admissible.

Aujourd'hui, l'enjeu est de transposer cette directive au plus vite de la façon la plus approfondie et la plus résolue. Il faut travailler sur le champ d'application des entreprises concernées, sur la mise en place d'une autorité administrative efficace, sur une application judiciaire effective, sur l'engagement des parties prenantes, sur l'accès à l'information. Quelles sont les options laissées ouvertes par la directive? Qu'est-ce qui peut encore être renforcé dans notre droit national et dans cette transposition? Sur la base de cet élan européen, il faut aussi avancer au niveau des Nations Unies vers un traité international contraignant.

Monsieur le ministre, pouvez-vous faire le point sur le travail de transposition qui a été entrepris en Belgique? Où en est-on? Quels sont les services impliqués? Quelle est la méthode de travail? De quelle manière les parties prenantes et organisations intéressées sont-elles impliquées? Bref, dans le temps très court qu'il vous reste sans doute, que vous reste-t-il encore comme possibilités pour faire infléchir de manière durable et juste le monde tel qu'il est injustement conçu par certains aujourd'hui?

Voorzitter:

Monsieur le ministre, vous avez la charge de répondre à cette question.

Pierre-Yves Dermagne:

Oh, ce n'est pas une charge, monsieur le président, c'est un plaisir de répondre à une question de M. Lacroix, en particulier sur ce sujet, et encore plus en faisant le lien avec les mots qui étaient les siens quand il terminé sa question.

Vous avez évoqué, monsieur Lacroix, la mobilisation de la société civile. Je voudrais rappeler aussi qu'une série d'entreprises belges, que l'on peut peut-être inclure dans la société civile, a sollicité le gouvernement, voici quelques années, en début de législature, via la ministre Kitir à l'époque et moi-même, demandant une position proactive de la Belgique à la fois au niveau des institutions européennes pour faire avancer le débat et la cause de cette directive, mais aussi pour ne pas attendre un éventuel dénouement européen, en prenant les devants au niveau belge. Ce dénouement est advenu, fort heureusement.

Vous avez rappelé les difficultés et le fait que certains partis de la coalition Vivaldi ont freiné des quatre fers et ont joué la montre. Heureusement, au niveau européen, nous sommes parvenus à un accord qui, comme c'est souvent le cas au niveau européen, n'est ni tout blanc ni tout noir. Il faut voir le verre à moitié plein plutôt qu'à moitié vide, et voir cela comme une première étape importante dans un contexte politique qui rendait difficile l'obtention d'une majorité qualifiée au sein du Conseil européen.

Que puis-je faire en période d'affaires courantes pour veiller à ce que cette directive soit transposée de la manière la plus efficace et la plus rapide possible? Tout d'abord, préparer un avant-projet de loi de transposition. C'est ce que j'ai fait avec le SPF Économie, à qui j'ai demandé de préparer cet avant-projet de loi de transposition. Un travail d'analyse de la directive est en cours au SPF Économie pour évaluer les options qui ont été laissées aux États membres et préciser dans quelle mesure la directive touche aux compétences des entités fédérées.

Le SPF Économie a également lancé un marché public portant sur la réalisation d'une étude comparative et la fourniture de recommandations pour la mise en œuvre de cette directive. Cette étude vise à aider la Belgique à transposer cette directive en tenant compte des obligations internationales et des spécificités institutionnelles et économiques de notre pays. Vous l'avez évoqué dans votre question: il conviendra de désigner une autorité de contrôle chargée de superviser et d'imposer des sanctions efficaces, proportionnées et dissuasives.

L’objectif est de pouvoir consulter les partenaires sociaux au début de l’année prochaine sur les différentes options laissées aux É tats membres et de disposer d’un projet de loi à défendre au sein du gouvernement en juin 2025. Je ne sais pas si je serai encore le ministre amené à défendre ce projet de loi, mais je veillerai à transmettre à mon successeur un dossier en l’état et prêt à être transposé le plus rapidement possible dans le droit belge. Sur la base de cette procédure et de ce calendrier, nous pourrions respecter le délai de transposition, qui a été fixé au 26 juillet 2026.

Christophe Lacroix:

Merci beaucoup monsieur le vice-premier ministre, et merci aussi pour votre vigilance dans le cadre de la transposition de la directive sur le devoir de vigilance, car il s’agit d’un élément important. Le devoir de vigilance, cela signifie que qui dit "même travail" dit "mêmes droits" et les "mêmes responsabilités". C’est aussi simple que cela. Je suis énervé de voir l’hypocrisie du monde politique de la droite qui, lorsqu’il s’agit d’accords commerciaux qui touchent les agriculteurs tels que le Mercosur, pousse des cris d'orfraie et s'offusque en disant "cela ne va pas". Évidemment que cela ne va pas, cela fait des années qu’on leur dit que ça ne va pas! En revanche, dès qu’il s’agit du devoir de vigilance, il freine des quatre fers, ainsi que nous l’avons évoqué tout à l’heure. J’espère vraiment que votre successeur – ce sera peut-être vous, sait-on jamais, peut-être que ce gouvernement Arizona sera un jour formé? – aura conscience de l’urgence car derrière le devoir de vigilance se trouvent des entreprises qui sont en attente, qui le demandent et même qui le pratiquent déjà, alors que d’autres en sont victimes. La non-responsabilité des entreprises en matière de violation des droits économiques et sociaux font des victimes terribles, certaines en meurent! Il faut en prendre conscience. Merci pour votre travail. Ceci n’est évidemment pas un acte définitif sur l’accomplissement de vos missions.

Het RIZIV-budget

Gesteld door

lijst: PTB Sofie Merckx

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 20 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De RIZIV-begroting 2025 blijft blokkeren door politieke onenigheid: de regering in lopende zaken (met tegenstand van Open Vld/MR) schuift de beslissing door naar de toekomstige regering, ondanks de beloofde groeinorm van 2,5% (vs. 2% in 2024) die zorgverleners eisen. De Croo benadrukt dat 25% van het budget (€40 mjd) te cruciaal is voor een *lopende-zaken-regering* en verwacht dat de formerende partijen (inclusief N-VA) hierover beslissen, terwijl Merckx hem beschuldigt de beloftes aan de zorgsector (o.a. 30.000 betogers) te breken door de norm niet af te dwingen. Kernpunt: politieke verantwoordelijkheid vs. dringende zorgfinanciering.

Sofie Merckx:

​Mijnheer de eerste minister, op 21 oktober 2024 keurde de Algemene Raad van het RIZIV de begroting af. De reden hiervoor was een blokkering vanuit de regering, aangezien Open Vld tegenstemde en MR zich onthield.

Tijdens de plenaire vergadering van 24 oktober werden u daarover vragen gesteld. U stelde toen dat bij gebrek aan een akkoord van de regering het dossier op de regeringstafel ligt. Volgens u was er geen urgentie en u stelde dat dit in 2019 ook pas op 22 november werd goedgekeurd. Intussen hebben wij minister Vandenbroucke daar verder over ondervraagd en hij vertelde ons vorige week dat er nog steeds geen vooruitgang is in die zaak en dat dit niet besproken werd. Het is vandaag 20 november en ik moet u er niet aan herinneren dat de mensen op het terrein, de zorgverleners, de artsen, het verplegend personeel en de patiënten, nood hebben aan een RIZIV-budget. De tariefzekerheid voor de patiënten is hier immers aan verbonden. Zo’n 30.000 mensen uit de zorgsector, waaronder een groot deel uit de ziekenhuizen, kwamen op straat.

Het is duidelijk dat het initiatief voor de begroting bij de regering in lopende zaken ligt. Wanneer neemt u een beslissing of is dit reeds besproken op de ministerraad en hebt u al een akkoord bereikt? Wat is het regeringsstandpunt? Er staat in de wet een groeinorm van 2,5 % voor 2025. Voor 2024 bedroeg die groeinorm slechts 2 %. Dit was een belofte aan de zorgverleners. Kunt u verzekeren dat de groeinorm van 2,5 % zal worden toegepast op de begroting?

Alexander De Croo:

Mevrouw Merckx, laat mij beginnen met te herhalen wat ik in de plenaire vergadering van 24 oktober heb gezegd, namelijk dat er een RIZIV-begroting zal zijn. Dat is in het belang van de patiënten, de zorgverstrekkers, de ziekenhuizen en de industrie, zodat zij weten waar zij aan toe zijn. Er zal ook een algemene begroting voor 2025 zijn, al zou het kunnen dat het een begroting met voorlopige twaalfden is, maar dat is nog niet beslist. De regering in lopende zaken zal haar verantwoordelijkheid nemen.

De minister van Volksgezondheid in de regering in lopende zaken moet de nodige documenten voorbereiden voor de RIZIV-begroting. Alles ligt klaar en die documenten werden reeds uitvoerig besproken in de interkabinettenwerkgroepen op 11 en 16 oktober. Ook vandaag vond daarover een IKW plaats. Ook werd de RIZIV-begroting op 21 oktober besproken in de Algemene Raad van het RIZIV. Als de Algemene Raad geen voorstel goedkeurt, zal de ministerraad het gezondheidszorgbudget vastleggen. Er is daarvoor geen deadline opgenomen in de wet.

Ik herhaal dat er een RIZIV-begroting voor 2025 zal zijn. Zodra die er is, zullen we alle noodzakelijke uitvoeringsmaatregelen nemen, bijvoorbeeld wat betreft de premie voor de vroedvrouwen voor het gebruik van telematica en het elektronisch beheer van medische dossiers.

Het gezondheidszorgbudget is een belangrijke pijler in ons land. We spreken hier over een budget van bijna 40 miljard. Dat is een groot bedrag, waarmee heel zorgvuldig moet worden omgesprongen. Zoals u weet, is de groeinorm van het gezondheidszorgbudget steeds een heel belangrijk element bij de begrotingsbesprekingen in ons land. Deze groeinorm kan niet los gezien worden van de algemene begrotingsopmaak. Dat was ook mijn boodschap in de plenaire vergadering op 24 oktober.

Het opmaken van een begroting vraagt politieke keuzes. Zo is ook de groeinorm van de gezondheidszorg een belangrijke politieke keuze. Dergelijke keuzes komen niet meer toe aan een regering in lopende zaken. Het is aan de nieuwe ploeg om hierover knopen door te hakken. U weet dat de budgettaire uitdagingen in ons land groot zijn.

Er is vandaag ook een formatie aan de gang. Het betreft geen informatie. Een informatie wil zeggen dat een informateur praat met vele partijen. Een formatie wil zeggen dat een formateur de opdracht heeft gekregen om met aangeduide partijen een regering te vormen. Het zou mij eerlijk gezegd verwonderen dat vijf partijen die de opdracht hebben gekregen om een regering te vormen, en bijvoorbeeld ook een begroting op te stellen, ervoor zouden kiezen om geen mening te geven over 40 miljard van de 177 miljard waarover ze kunnen beslissen, dus over bijna 25 % van het budget. Dat zou volgens mij tegen elke politieke logica ingaan.

Alles laat mij geloven dat die partijen bezig zijn met het vormen van een regering. Als men een regering aan het vormen is, met de bedoeling om beleid te voeren in 2025, dan lijkt het mij logisch dat degenen die de intentie hebben om een regering te vormen hun zeg willen doen over hoe bijna 25 % van hun budget gebruikt zal worden.

Het lijkt mij dus absoluut logisch dat de formateur en degenen die daar rond de tafel zitten, duidelijk maken wat hun beslissing is met betrekking tot hun toekomstige begroting. Als die beslissing genomen is, zal de regering in lopende zaken als dat nodig is de nodige daden stellen om die in de praktijk te brengen. Het lijkt mij echter absoluut logisch dat de formateur en de formerende partijen hun verantwoordelijkheid nemen met betrekking tot het beleid dat ze het komende jaar van plan zijn te voeren.

Sofie Merckx:

Ik vind dat wel eigenaardig. U zegt eigenlijk dat als Bart De Wever tegen u zegt dat u moet knippen in de gezondheidszorg en de groeinorm niet op 2,5 % moet brengen, u dat zult uitvoeren. Mijnheer De Croo, uw partijgenote, mevrouw De Knop heeft gezegd dat zij voor die 2,5 % groeinorm een stokje hebben kunnen steken. Ik vind dat schandalig, want als u eerste minister in lopende zaken bent, moet u uitvoeren wat er beslist is. Er is aan het zorgpersoneel en aan heel de zorgsector, beloofd dat de groeinorm opnieuw op 2,5 % zou worden gebracht. Het is duidelijk dat u nu bezig bent te proberen dat te verhinderen. U hebt het hier opnieuw aangehaald, de groeinorm vormt het probleem. Mevrouw Bertrand heeft gisteren op de radio gezegd dat de groeinorm eigenlijk een uitzondering is. Mijnheer de eerste minister, als het zorgpersoneel met 30.000 mensen op straat komt, is daar een reden voor. Vandaag is er een enorme nood in de zorgsector, in de ziekenhuizen, voor de patiënten. Ik vind het dus niet normaal dat u eigenlijk zegt dat er wel 2,5 % beloofd is, maar dat die belofte niet zal worden uitgevoerd. Ik meen dat u dit als eerste minister in lopende zaken moet uitvoeren. Wij hopen dan ook dat u dit zo snel mogelijk zult doen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.45 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 45.

De zorgwekkende stijging van het middellange en langdurige ziekteverzuim bij jonge werknemers
De stijging van het aantal langdurig zieken
Het recordaantal langdurig zieken
Het recordaantal langdurig zieken
De stijging van het aantal langdurig zieken
De langdurig zieken
Stijging langdurig ziekteverzuim onder werknemers

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 14 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging (tot 42%) van langdurig ziekteverzuim bij jonge werknemers (25-34 jaar) en arbeiders, veroorzaakt door sedentariteit, digitale vermoeidheid, burn-outs, werkdruk en precaire contracten, met een maatschappelijke kost van 13 miljard euro per jaar. Minister Vandenbroucke erkent gedeeltelijk succes (bv. 16% deeltijdse herintegraties) maar benadrukt dat preventie (werkbaarheid, re-integratie, psychologische zorg) en sectorale actieplannen ontbreken, terwijl werkgevers te weinig verantwoordelijkheid nemen. Kritiek punt is dat beleid te laat en fragmentarisch is: werkdruk, flexibele contracten en kinderopvang blijven onopgelost, met regionale verschillen (Wallonië loopt sterk achter). Strengere sancties, snellere re-integratie en een holistische aanpak (fysiek/mentaal welzijn, thuiswerkregels) worden geëist. Conclusie: structurele hervormingen zijn nodig, met focus op preventie, werkgeversplichten en generatiegerichte oplossingen, maar de huidige maatregelen volstaan niet.

Aurore Tourneur:

Monsieur le ministre, la digitalisation constante et croissante du travail et la sédentarisation qui y est liée, suscitent une série d’inquiétudes au sujet de la santé physique et mentale des travailleurs, et principalement celle des jeunes adultes.

De récentes analyses effectuées par Securex indiquent une augmentation de l’absentéisme de moyenne et de longue durée. Celui-ci a même atteint des records au premier semestre de cette année en Belgique, avec, chez les jeunes de 25 à 34 ans, une augmentation de 26 % pour les absences de moyenne durée et de 42 % pour les absences de longue durée, par rapport à 2022.

Cette tendance serait liée au mode de vie plus sédentaire de ces jeunes, marquée par une utilisation importante des technologies numériques, une mobilité réduite et une augmentation des symptômes liés au burn-out. Les experts préconisent la mise en place d’une approche différenciée, prenant en compte les spécificités et les besoins de chaque groupe d’âge, afin d’obtenir un environnement de travail plus propice à la santé et à l’engagement.

Mijnheer de minister, bent u verrast door die cijfers? Bevestigen uw diensten deze bevindingen in uw statistieken?

Welke maatregelen hebt u tijdens uw zittingsperiode genomen voor deze specifieke groep? Wat stelt u voor om negatieve gevolgen van sedentarisatie en digitale vermoeidheid voor de gezondheid van jonge werknemers te bestrijden? Welk preventie- of ondersteuningsbeleid moeten we inzetten om bedrijven te helpen om meer evenwichtige werkomgevingen te creëren die de fysieke en mentale gezondheid en het welzijn van hun werknemers bevorderen en om praktijken aan te passen aan de realiteit van elke generatie werknemers?

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, het aandeel langdurig zieken blijft toenemen. We zien dat al langer en dat blijkt vandaag opnieuw uit een studie die Securex gepubliceerd heeft.

Het feit dat het aandeel jongeren zo sterk toeneemt, moet voor ons absoluut een wake-upcall zijn. We merken dat de langdurige afwezigheid bij hen met 42 % is toegenomen op twee jaar tijd. We mogen deze jonge mensen niet aan hun lot overlaten. We willen hen niet in een vergeetput laten van uitkeringen en inactiviteit. Dat is namelijk in de eerste plaats dramatisch voor die mensen zelf, want door langdurig afwezig te zijn op het werk raken ze steeds verder geïsoleerd en komen ze steeds meer in de problemen.

Het is echter ook een enorm maatschappelijk probleem, met een kostprijs van 8,2 miljard euro. Ook dat kunnen we ons niet veroorloven. Er zijn maatregelen genomen door de regering, maar het is heel duidelijk dat die niet volstaan. We moeten bovendien ook vaststellen dat in Vlaanderen de dienstencheques en de kinderopvang duurder worden. Dat zal absoluut niet helpen om de combinatie van werk en gezin beter te maken en zal er ook niet voor zorgen dat we die jonge mensen kunnen helpen.

Het bilan na vier jaar is eigenlijk te mager. Iedereen doet van alles, ook de werkgevers, maar de resultaten blijven uit. We zullen de komende jaren uit een heel ander vaatje moeten tappen voor de mensen in kwestie, maar ook voor de werkgevers. (…)

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, het aantal langdurig zieken explodeert. We zitten aan meer dan 500.000 zieken. Dat is meer dan één werkende op de tien in ons land.

Mijnheer de minister, u zei dat u het probleem zou aanpakken. Dat zei u vier jaar geleden. U zou een stroomstoot geven aan het aantal gere-integreerden. Wat zien we vier jaar later echter? Het probleem is gewoon erger geworden. Het is erger geworden.

Collega’s, ik hoor de rechtse partijen al luidop dromen van meer sanctioneren en meer responsabiliseren. Gaan we het probleem daarmee echter oplossen?

Ik wil u één reactie voorlezen van een zorgwerkster, die ik vandaag las in Het Laatste Nieuws . U weet nog dat vorige week 30.000 zorgwerkers op straat zijn gekomen. De dame schrijft het volgende: “Heb je de werkdruk in de zorg al eens gevoeld? Iedereen bij ons sukkelt met fysieke klachten. De werkdruk is waanzinnig hoog. Meer doen met minder mensen is de algemene trend hier en in vele andere sectoren.” Mijnheer de minister, in wat die dame schrijft, herkennen heel veel mensen zich. De experts bevestigen dat ook.

Wat zijn de belangrijke problemen van de langdurig zieke? Dat zijn ten eerste spier- en gewrichtsziekten, vooral bij arbeiders: kapotte ruggen, kapotte knieën, kapotte armen. Het gaat om mensen die op gewerkt zijn. Ten tweede gaat het over werkstress en burn-out, vooral bij jongeren. De trend is stijgend bij jongeren. De oorzaak is de hyperflexibiliteit, met nulurencontracten, blijvende interimcontracten en flexi-jobs. Ten derde gaat het over langer werken en het verdwijnen van de mogelijkheid van rustpauzes. Dat is absurd. Wij moeten altijd langer werken maar jullie schrappen het tijdskrediet, de loopbaanonderbreking en dus de systemen die langer werken mogelijk maken.

Collega’s, het is heel straf dat in de nota voor de volgende regering dezelfde recepten op tafel liggen.

Mijnheer de minister, (…)

Kristien Verbelen:

Geachte minister, de sterke stijging in de laatste jaren van het aantal werknemers die omwille van gezondheidsproblemen in langdurige ziekte terechtkomen, is en blijft zorgwekkend. De teller staat ondertussen op een half miljoen. Vooral het aantal werknemers dat langer dan een jaar afwezig is, is bijzonder onrustwekkend.

Dat is geen cijfer om licht op te vatten. Dat wil zeggen dat we hier met een samenleving zitten die er niet in slaagt om mensen gezond en werkbaar aan het werk te houden. Het Vlaams Belang waarschuwt er al jaren voor dat als het beleid niet wordt aangepast, dit aantal tegen 2035 tot 600.000 kan oplopen.

De oorzaken zijn divers. Psychosociale problemen zoals een burn-out spelen zeker een grote rol, maar ook de kwestie van de zware beroepen blijft onopgelost. Niemand kan zwaar werk waarvan men letterlijk en figuurlijk kromgebogen is, uitoefenen tot zijn of haar 67 jaar. Wat extra zorgwekkend is, ook jongeren zijn steeds vaker langdurig afwezig wegens medische redenen.

Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot de begeleidingstrajecten en de rol van de terug-naar-werkcoördinatoren? Hoe wordt deze problematiek in lopende zaken opgevolgd? Vond er al overleg met de collega's van de deelstaten plaats om te komen tot een gecoördineerde aanpak?

Nathalie Muylle:

We hebben in de cijfers inderdaad gezien dat de stijging nog nooit zo sterk is geweest. Twee groepen springen daarbij in het oog. Enerzijds zijn er de arbeiders, bij wie de jobonzekerheid steeds meer begint door te wegen, en anderzijds zijn er de jonge mensen, die veel thuis zijn, wat zorgt voor mentale en fysieke klachten. Burn-out verdient zeker onze aandacht.

Anderzijds heb ik hier de positieve impact bij de groep van 55-plussers nog niet horen vermelden. De maatregelen die we samen hebben genomen voor het terug-naar-werkproject, met meer controle, meer inzetten op re-integratie en een veel snellere heroriëntering, hebben gewerkt. Dat is voor ons de juiste weg.

Ik kom terug op de jonge mensen. We moeten vaststellen dat voor hen veel minder makkelijk oplossingen worden gevonden. Onze maatschappij is sterk veranderd, maar toch zijn bepaalde oude structuren nog intact. Ik neem het voorbeeld van mijn dochter. Zij heeft drie kleine kinderen die om 15 uur aan de school opgehaald moeten worden. Een ziek kind kan niet naar de kinderopvang. Grootouders, zoals ik, zijn nog heel actief op de arbeidsmarkt, waardoor voor de jonge ouders een sociaal netwerk wegvalt. De sociale media leggen grote druk op de jonge gezinnen. Ze moeten hobby’s hebben, zich ontspannen, sporten.

Wij, politici, moeten ervoor zorgen dat we de jonge mensen veerkrachtig maken en dat we hun kansen geven. Dat gaat over de combinatie van een job met een gezin, dat gaat over eerstelijnspsychologische zorg, over welzijn, over recht op deconnectie. Daar ligt voor ons ook een taak weggelegd.

Hoe kijkt u naar die recente cijfers van Securex?

Axel Ronse:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben eventjes in de cijfers gedoken voor de voorbije tien jaar en heb gekeken naar het aantal mensen dat langer dan één jaar ziek is. In Vlaanderen is het aantal gestegen van 180.000 naar 224.000. Dat is veel, dat is een stijging met 44.000. In Brussel is het aantal gestegen van 24.000 naar 44.000. Dat is bijna een verdubbeling. In Wallonië – houdt u vast, collega's – is het aantal gestegen van 100.000 naar 196.000. Dat is een stijging met 96.000. Dat is een stijging van bijna 100 %. Om u een idee te geven, ik heb een bescheiden Waalse stad opgezocht met 96.000 inwoners. Mons heeft 96.000 inwoners. Dat is dus heel de populatie van Mons in tien jaar tijd. Weet u wat dat ons kost, meer dan 500.000 mensen die een jaar of langer ziek thuiszitten? Dat kost ons 13 miljard euro per jaar!

Collega's, als we het hier hebben over het budget en het zoeken van oplossingen: het is dáár dat we ze moeten vinden. Ik heb een aantal oplossingen die u misschien rechts zult noemen, maar ik heb ook een aantal oplossingen die links noch rechts zijn. Het gaat dan over aangepaste contracten. Laat iemand die een jaar lang ziek is bij zijn werkgever testen voor een geschiktheidsattest, zonder opzegvergoeding, zonder sociaal passief en met behoud van zijn uitkering. In plaats van dat een dokter zegt hoelang men niet kan gaan werken, stelt hij wat men nog wél kan doen.

Als dit de voorbije jaren was ingevoerd, hadden we veel meer geld overgehad om mensen te helpen die het echt nodig hebben. Ik vind het ongelooflijk jammer dat het zo is. Maar goed, wij kijken vooruit. Wij bouwen aan een nieuwe regering.

Mijnheer de minister, ik heb niet de gewoonte om in lopende zaken fundamentele vragen te stellen. Kunt u echter verklaren waarom de cijfers in Wallonië en Vlaanderen zo ontzettend hard van elkaar verschillen?

Frank Vandenbroucke:

Collega’s, mensen die door ziekte getroffen zijn, moeten zo goed als mogelijk worden geholpen om te genezen. Mensen die door ziekte getroffen worden, moeten ook alle kansen krijgen om ondanks die ziekte weer aan het werk te kunnen gaan in een passende job wanneer dat mogelijk is. Dat is een essentieel recht van mensen en het is vaak een kwestie van gezondheid.

De cijfers van Securex zijn interessant omdat ze aantonen dat een deel van ons beleid, dat problemen van mensen die op wat oudere leeftijd langdurig ziek zijn achteraf aanpakt, succesvol blijkt, maar het is helaas niet voldoende. Op dat vlak verbeteren de cijfers. Langs de andere kant stellen we vast dat er bij die jonge groep mensen in de samenleving van alles gebeurt waardoor de uitval door ziekte toeneemt.

We moeten dus vechten om de kansen van de mensen die slachtoffer van ziekte zijn geworden te verbeteren. We moeten echter ook voorkomen dat mensen lang uitvallen.

Collega’s, we boeken enige successen. Op dit ogenblik is 16 % van de groep langdurig zieken deeltijds weer aan het werk. Op één dag zijn er meer dan 100.000 van die fameuze groep van 500.000 weer voor een stuk aan het werk. Daar zit beweging in. Op één jaar zijn dat 140.000 mensen van wie er steeds meer doorstromen naar volledige tewerkstelling. Is dat voldoende? Nee, maar het is wel goed.

Mijnheer Ronse, ik kan u hier geen gedetailleerde analyse geven over de reden waarom de cijfers in Wallonië nog slechter geëvolueerd zijn dan in Vlaanderen. Ongetwijfeld heeft dat alles te maken met de sociaal-economische context in Wallonië. Het is wel belangrijk te vermelden dat de barometer van ons beleid aantoont dat het aantal doorverwijzingen van langdurig zieken naar Forem, de Waalse arbeidsbemiddelingsdienst, spectaculair toeneemt. Bij wijze van uitzondering mogen Vlamingen ook eens iets goeds zeggen over Wallonië, want Forem is volledig on target wat betreft de afspraken tussen het RIZIV en Forem. De groep die wordt doorverwezen groeit snel, zelfs spectaculair. Dat is weliswaar een inhaalbeweging.

De VDAB komt met de allerlaatste cijfers nu ook on target . Het feit dat dit tijd heeft gevraagd, ligt niet alleen aan de VDAB, maar ook aan het RIZIV en aan het hele beleid. Nu – en dat staat nog niet op onze barometer – worden er eindelijk 1.000 mensen per maand doorverwezen door het RIZIV naar de VDAB. We zijn daar dus on target .

U hoort me niet zeggen dat dit voldoende is. Binnen de batterij aan maatregelen die we ontwikkeld hebben, is er meer actie nodig op het terrein. Ik geef één voorbeeld. We geven nu een kleine financiële sanctie aan bedrijven die heel veel mensen dumpen in langdurige ziekte. We verzamelen daarmee een aantal miljoen euro. Het is de uitdrukkelijke vraag aan werkgevers en werknemers om binnen hun sectoren afspraken te maken om dat geld te gebruiken om ervoor te zorgen dat mensen minder uitvallen. Er is echter nog geen enkele cao gesloten en dat stelt mij zeer teleur. Ik roep dus werkgevers en werknemers in de sectoren op om dat geld te gebruiken. Dat ligt daar, want het komt binnen door de penalisering. Ze moeten dat gebruiken om actie te ondernemen. Er is dus meer actie nodig binnen de bestaande maatregelen die we hebben genomen. De maatregelen moeten ook absoluut versterkt worden op alle fronten tijdens de volgende regeerperiode.

Je crois que vous avez absolument raison, madame. Il est vrai qu'il faut aussi réfléchir à ce débat de société: la qualité du travail, l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée, la condition des jeunes travailleurs (hommes et femmes) et la difficulté de concilier les responsabilités d'un ménage avec le travail.

Nous avons pris des mesures importantes pendant la législature dans le cadre du deal pour l'emploi. Nous avons également amélioré le congé parental.

Ik ben het eens met mevrouw Muylle dat kinderopvang essentieel is, maar dat debat moeten we natuurlijk in de regionale parlementen voeren. Ik ben alleszins blij dat de Vlaamse regering zwaar inzet op kinderopvang en ga ook akkoord met de andere zaken die u hebt genoemd, mevrouw Muylle.

Wat we doen in de eerstelijnspsychologische zorg, voorkomt dat mensen langdurig uitvallen. We hebben daar het bewijs van in de cijfers. (…)

Voorzitter:

U moet stoppen, mijnheer de minister, want ik heb de micro uitgezet.

Aurore Tourneur:

Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le ministre. Comme on dit, er is nog veel werk aan de winkel . Pour tout ce qui touche à la technologie et à la jeunesse, il serait souhaitable d'avoir un cadre de prévention adapté, une modification des pratiques managériales et aussi des conditions de travail qui doivent évoluer en même temps que ces technologies.

Einstein disait: "Il est hélas devenu évident aujourd'hui que notre technologie a dépassé notre humanité".

We kunnen niet toestaan dat de technologie een tempo dicteert dat de menselijke gezondheid niet kan bijhouden.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dit is een debat waard en dat moet zeker voortgezet worden. U wijst erop dat er al veel beleid is gevoerd, maar tegelijk zegt u dat het onvoldoende is. Daar ben ik het absoluut mee eens. U hebt echter wel vier jaar de tijd gehad om beleid te voeren. In die zin ontgoochelt het antwoord mij een klein beetje.

Volgens ons is zeker een grondige analyse van het gevoerde beleid nodig, op wetenschappelijke basis, zodat we echt de oorzaken aan de basis van de langdurige ziekten kunnen aanpakken. Misschien is het nodig om restrictiever te zijn ten aanzien van werkgevers, ziekenfondsen en huisartsen, maar mogelijk betekent het ook dat we als overheid veel meer preventieve maatregelen moeten nemen, zoals gesuggereerd in de studie van Securex, inzake thuiswerk, sedentair gedrag en (…)

Kim De Witte:

Mijnheer de minister, ik hoor u zeggen dat we de maatregelen op alle fronten moeten versterken, maar waar is het debat over de werkdruk? Waar zijn de maatregelen om de werkdruk die te hoog is – er moet altijd meer worden gedaan met minder mensen – in te perken? We kunnen geen debat voeren over langdurig zieken als we het debat over de werkdruk niet voeren. Waar is het debat over altijd maar langer werken? De vorige regering zei dat alle bruggepensioneerden zouden worden geschrapt en al die oudere werknemers zijn erbij gekomen in de ziekteverzekering. We hebben niks opgelost, niks. Die bruggepensioneerden kostten ons zelfs minder dan de zieken.

Waar is het debat over de plichten van de werkgevers? Negen werkgevers op de tien hebben zelfs geen actieplan over langdurig zieken. Ik hoor daarover geen discussie of strenge sancties. Wel, mijnheer de minister, als u niet wilt dat wij hier over een maand of een jaar opnieuw staan om nog eens te spreken over (…)

Kristien Verbelen:

Mijnheer de minister, helaas moet ik vaststellen dat de huidige aanpak van de vivaldiregering tekortschiet. De maatregelen die u aanhaalt, zijn onvoldoende en inefficiënt om het aantal langdurig zieken effectief terug te dringen. Het Vlaams Belang pleit voor een positieve aanpak waarin vooral wordt gekeken naar wat mensen wel nog kunnen, in plaats van hen langdurig aan de zijlijn te laten staan.

Daarom pleiten wij ook voor een splitsing van de sociale zekerheid. Wij willen komaf maken met de onkunde van het Belgische beleid. Wij willen klemtonen leggen waar wij vinden dat het nodig is en eigen middelen in eigen mensen steken.

Voorzitter:

Dank u wel, collega Verbelen, voor uw eerste tussenkomst in de plenaire vergadering. (Applaus)

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, ik ga helemaal akkoord, we moeten zorgen voor meer beleid. De recepten daarvoor liggen vandaag op tafel. We moeten echt meer middelen inzetten inzake controleartsen en arbeidsartsen, ook voor de attractiviteit van dat beroep. De re-integratie moet wat ons betreft sneller gebeuren. We moeten geen drie maanden wachten, maar moeten sneller inzetten op re-integratie. We moeten ook aan de responsabilisering werken, zowel van werknemers als van werkgevers. Het cruciaalste is misschien nog dat we ervoor moeten zorgen dat mensen niet uitvallen. We hebben samen ook de arbeidsparticipatietoeslag ingevoerd, om mensen te begeleiden, zodat ze niet kunnen uitvallen, door hen veel sneller te heroriënteren en ervoor te zorgen dat het werk werkbaar is. Daar zijn heel veel oplossingen voor.

Er is dus heel wat werk. Ik heb de indruk dat dit niet het laatste debat hierover zal zijn, maar voor ons zijn de recepten duidelijk. We moeten ervoor zorgen dat mensen langer op de werkvloer blijven.

Voorzitter:

Er was daarnet enige opwinding op de banken van de PVDA. De heer De Witte heeft effectief zijn eerste interventie gehouden in dit halfrond. (Applaus) Maar hij had zijn talenten natuurlijk al vertoond in het Vlaams Parlement. Vandaar dat ik zijn maidenspeech hier zo niet genoemd heb.

Mijnheer De Witte, toch welkom in deze plenaire vergadering

Axel Ronse:

Mijnheer de minister, ik heb nooit het genoegen gehad hier met hem te debatteren, maar u deed me denken aan de heer Verhofstadt in zijn meest optimistische dagen. U zei dat de maatregelen van de regering goed gewerkt hebben, maar er zijn 160.000 langdurig zieken bij gekomen. Daar kunnen we toch niet tevreden over zijn? U zei dat in Wallonië on target is, maar er is daar een verdubbeling van het aantal langdurig zieken, namelijk 96.000. Het equivalent van de bevolking van Mons is erbij gekomen. U zei dat het aan de sociaaleconomische toestand ligt, maar het ligt daar niet aan, het ligt aan de complete laksheid van de ziekenfondsen daar, aan het voorschrijfgedrag en aan het complete gebrek aan verantwoordelijkheid voor publieke middelen en financiën. Als wij daar hier in het Parlement iets aan willen doen, dan is het vijf voor twaalf. Ik zeg het nogmaals, laten we alstublieft zo snel mogelijk de supernota in praktijk omzetten. Anders sta ik hier volgende week met een batterij aan wetsvoorstellen om het aantal langdurig zieken te verminderen.

Werelddiabetesdag
Het nieuwe monitoringmodel voor diabetes
Werelddiabetesdag, diabetessemonitoring

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 14 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de verbetering van diabeteszorg, met focus op type 2-patiënten. Het huidige multidisciplinaire zorgtraject (gratis educatie, diëtist, podoloog, mondzorg) is succesvol (115.000 deelnemers), maar vraagt betere toegankelijkheid, huisartsbetrokkenheid en digitale innovatie zoals zelfmonitoring en veilige datadeling. Slimme technologie (mobiele apps, continue monitoring) toont kostbesparingen (12%) en gezondheidswinst, maar moet breder en betaalbaar worden ingevoerd. Patiëntregie, preventie en solidair zorgbeleid blijven kernpunten, met oproepen tot verdere hervormingen en investeringen.

Jan Bertels:

Keer op keer je suikerspiegel controleren, erop letten of je wel of net niet eet en natuurlijk die insulinepen, want je weet maar nooit. Collega's, suikerziekte is misschien voor veel mensen onzichtbaar, maar men draagt het altijd bij zich. Het verandert iemands leven, zeker als men er op latere leeftijd mee te maken krijgt.

Patiënten lieten vorige week nog van zich horen op hun congres Speak Up. Vandaag doen ze dat opnieuw, want het is Werelddiabetesdag. We weten wat de oorzaken zijn. We weten hoe lastig het is om dit aan te pakken. We weten hoe essentieel het opvolgen is nadat de ziekte is vastgesteld.

Diabetes tekent patiënten voor het leven. Een slechte opvolging van de aandoening tekent hen nog meer. Daarom besloot de regering met de socialisten voor een stevige opvolging van diabetes type 2-patiënten in dit land. Dat maakt het aangenamer voor die mensen om te leven, met een ondersteuning van een diëtist, met een preventief mondonderzoek, want zo garanderen we betaalbare zorg voor iedereen. Dat is solidariteit in de praktijk. De sleutel in dit traject is de patiënt, als mederegisseur, samen met het zorgpersoneel. Zo geeft men die mensen terug controle over hun leven.

Mijnheer de minister, welke lessen kunt u trekken uit de eerste periode van het zorgtraject? Wat is er vooral nodig om het zorgtraject van die diabetespatiënten te versterken?

Katleen Bury:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik sluit aan bij de vorige spreker.

Diabetes type 2 treft bijna 8 % van de volwassen bevolking en vergt een aanzienlijk deel, namelijk 7,4 %, van het budget voor de nationale gezondheid. Dat is een aanzienlijke last voor ons systeem, wat duidelijk maakt dat we zeker nieuwe kostenefficiënte benaderingen nodig hebben. Uit een recente studie blijkt dat door innovatieve monitoring tot wel 12 % zou kunnen worden bespaard op de diabetesgerelateerde uitgaven.

Onlangs is door het AZ Maria Middelares, i-mens, Z-plus en andere zorgpartners een project uitgevoerd waarin slimme technologie en zelfmonitoring door patiënten centraal staan. De resultaten zijn opvallend. Er zijn immers minder vervolgconsulten, er is een aanzienlijke besparing op de consultkosten en er is vooral een directe verbetering van de gezondheid bij de patiënten. Zij zien een verbetering in hun bloedsuikerspiegel en bloeddruk, ze worden continu gemonitord en kunnen veel sneller door artsen worden bijgestuurd. Dat verhoogt ook de therapietrouw, met artsen die niet pas maanden later ingrijpen wanneer iets is misgegaan.

Daarom heb ik de hiernavolgende vragen aan u.

Ziet u de mogelijkheid om die innovatieve aanpak voor zelfmonitoring breder in te zetten in onze gezondheidszorg?

Wat moet volgens u gebeuren om de technologie toegankelijk te maken voor alle mensen met chronische aandoeningen? Vandaag was er zelfs nog een voorbeeld over COPD.

Tot slot – heel belangrijk –, kan de overheid een veilige datadeling tussen zorginstellingen bevorderen om op die manier gepersonaliseerde zorg te bieden, zonder de privacy van patiënten te schenden?

Frank Vandenbroucke:

Diabetes is inderdaad een ziekte die heel veel mensen treft en die een zeer goede opvolging en zorg vergt. De voorbije 25 jaar hebben we belangrijke stappen vooruit gezet in de zorg van patiënten met diabetes. Ik ben zeer dankbaar voor de inzet van heel veel diabetespatiëntenverenigingen en van de experts die met die verenigingen hebben samengewerkt om een nieuwe aanpak uit te werken, die dan door de overheid ook is uitgerold. Zo is het vaak in zijn werk gegaan.

De voorbije jaren hebben we nog bijkomende stappen gezet, waarbij een heel belangrijke stap het opstarttraject was. Het betreft een nieuw traject voor mensen die de diagnose krijgen van diabetes type 2. Voor al die mensen maken we het mogelijk dat een multidisciplinair zorgteam aan de slag gaat. Dat betekent concreet dat die mensen vier keer per jaar gratis diabeteseducatie kunnen krijgen, om te leren voor zichzelf te zorgen. Twee keer per jaar kunnen ze gratis naar een diëtist voor dieetadvies. Indien de patiënten risico’s inzake de voeten hebben, kunnen ze twee keer per jaar gratis naar de podoloog. Voor alle patiënten met de diagnose diabetes type 2 is het preventieve mondonderzoek daarnaast ook gratis. We zorgen dus ook voor toegankelijkheid.

Mijnheer Bertels, die aanpak is ondertussen echt een succes gebleken. Sinds 1 januari, dus sinds het begin van het nieuwe opstarttraject, zijn er meer dan 115.000 mensen in het traject gestapt – ik tel tot 31 augustus. Het lijkt me een belangrijk succes dat meer dan 115.000 mensen met de diagnose diabetes type 2 in dat nieuwe, omvangrijke zorgtraject zijn gestapt.

U vraagt naar de lessen die we trekken en wat we nog moeten doen. Nogmaals, de inzet van de patiëntenverenigingen, de Diabetes Liga, is cruciaal. Ik ben hun dankbaar voor die inzet. Tegelijkertijd is het erg belangrijk dat onze huisartsen kort op de bal spelen, oog hebben voor de problematiek, de trajecten kennen en patiënten op weg helpen naar die trajecten. Daarbij is het natuurlijk belangrijk dat alle mensen de weg vinden naar de huisarts. Dat is nog niet overal het geval, er bestaan nog gewestelijke verschillen. We staan wat dat betreft voor een heel belangrijke opdracht: de uitbouw van een sterke, omvattende eerstelijnsgezondheidszorg.

Mevrouw Bury, een mobiele toepassing, het initiatief waarnaar u verwijst, is interessant. In de ziekteverzekering hebben we reeds een procedure die dergelijke mobiele toepassingen toelaat, waarbij data gedeeld worden en de zorg voor de patiënten kan worden verbeterd. In de procedure kan daarvoor ook een terugbetaling gebeuren. Over die reeds bestaande procedure vindt u meer uitleg op de website van het RIZIV. Ik kan u trouwens zeggen dat over dat concrete initiatief ook al overleg heeft plaatsgevonden tussen het RIZIV, i-mens en Z-plus, om te kijken hoe aan de voorwaarden van terugbetaling van de mobiele toepassing kan worden voldaan.

U hebt gelijk dat een breed debat nodig is over het delen van gegevens en data. Ik stel voor dat we dat debat voortzetten in de commissie voor Gezondheid, want dan moet ik het met u hebben over onder andere het Belgian Integrated Health Record en over alles wat nodig is voor onze roadmap digitalisering. Dat vergt allemaal nog zeer veel werk, maar inderdaad, gegevens op een veilige manier delen en interessante mobiele toepassingen toegankelijk maken voor alle patiënten, is ook een stuk van het verhaal. Dat moet, zoals uzelf en ook de heer Bertels zei, altijd gebeuren met de patiënt mee aan het stuur om voor zichzelf een (…)

Voorzitter:

Mijnheer de minister, u hebt uw spreektijd van vier minuten volledig gevuld.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik ben blij dat het beleid werkt, maar ik ben evenzeer blij dat u zegt dat we samen met de patiënten het beleid moeten voortzetten, aangezien het werk niet af is.

Collega's, we spreken hier vandaag over diabetespatiënten, maar voor de Vooruitfractie is het duidelijk dat nog veel meer mensen leven met een levenslange ziekte en zodoende lasten met zich meedragen. Juist daarom is het essentieel dat we de patiënten mee aan het stuur zetten en opnieuw regisseur maken van hun eigen leven. Die taak moet mede gedragen worden door een sterke overheid.

Voor Vooruit moet een volgende regering daar absoluut werk van maken en dat werk voortzetten. We moeten investeren én hervormen in de gezondheidszorg, om zodoende meer mensen echt te helpen. Alleen zo, mijnheer Francken, gaat iedereen erop vooruit.

Voorzitter:

Collega Bertels, bedankt voor uw repliek en ook voor uw goede raad aan de volgende coalitie. Dat is altijd mooi meegenomen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik dank u voor de uitleg over uw opstartproject, maar daar wisten we al veel over. U zegt dat er een overleg is geweest over het toegankelijker maken van die mobiele toepassing, in eerste instantie voor al de diabetespatiënten en daarna voor andere chronisch zieken. U ziet de noodzaak ervan in om dat verder in de commissie te bespreken. Op Werelddiabetesdag staan we stil bij het feit dat leven met diabetes een voltijdse inspanning is, 24/7. Daarom is het ook noodzakelijk om voor de diabetespatiënten zo snel mogelijk een monitoring te voorzien, een echte vereenvoudiging in het leven, en om de zorg voor mensen met diabetes te verbeteren en hen bij hun dagelijkse inspanningen te ondersteunen.

De politiecontroles op alcohol en drugs achter het stuur

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 14 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de hardnekkige problematiek van verkeersongevallen door alcohol en drugs (40% ’s nachts, 7 per dag), ondanks dalende algemene ongevalcijfers. Matti Vandemaele benadrukt de nood aan hogere pakkans via meer controles en centrale registratie van politiecijfers (sinds 2006 beloofd maar niet uitgevoerd), terwijl minister Verlinden bevestigt dat verkeersveiligheid prioriteit is, maar wijst op beperkte data en de nood aan mentaliteitswijziging naast repressie. Concrete actiepunten: Verlinden belooft samenwerking met Justitie om cijferverzameling af te dwingen en controles gerichter in te zetten, maar Vandemaele dringt aan op dwingende maatregelen in plaats van louter overleg. Kernpunt: cultuurverandering en zichtbare handhaving zijn cruciaal, maar ontbrekende data belemmert doeltreffend beleid.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, 40 % van de ongevallen 's nachts heeft te maken met alcohol of drugs, zo bleek uit de Pano -reportage van eerder deze week.

De getuigenissen van de nabestaanden zijn hartverscheurend. Ik stel vast dat die mensen met een woede zitten, met het gevoel niet gehoord te worden. Het is precies hun levenslange verdriet dat veroorzaakt wordt door iemand die op een bepaalde dag beslist achter het stuur te kruipen terwijl hij of zij te veel gedronken heeft of drugs genomen heeft. Het is op die manier dat een leven wordt weggemaaid.

De getuigenissen zijn hartverscheurend. De cijfers achter deze problematiek zijn onthutsend. We stellen vast dat het aantal verkeersongevallen daalt, maar dat het aantal ongevallen waarbij alcohol of drugs in het spel zijn, niet daalt. Er gebeuren ook vandaag nog altijd zeven ongevallen per dag waarbij alcohol of drugs in het spel zijn.

De politierechters in de reportage gaven aan waar de oorzaak ligt. Zij zeiden allemaal unisono dat het een cultuurprobleem is. Er moet meer controle zijn. De pakkans moet hoger. Alleen als we dat realiseren kunnen we dit probleem een halt toeroepen. Het is dus belangrijk dat chauffeurs op elk uur van de dag kans lopen gepakt te worden.

Dan was er de heer Paelinck, korpschef van de politiezone Westkust, die de lokale politiezones vertegenwoordigde. Hij zei: "Ik geloof niet in cijfers, ik geloof niet in statistieken; ik vind die eigenlijk minder belangrijk dan leugens."

Mevrouw de minister, mijn vragen zijn heel eenvoudig. Ten eerste, deelt u de visie van de heer Paelinck? Ten tweede, wat zult u doen om de pakkans te verhogen?

Annelies Verlinden:

Ik wil onderstrepen dat verkeersveiligheid een absolute prioriteit is. We hebben de afgelopen jaren gezien dat de acties van preventie en repressie wel degelijk vruchten afwerpen, want het aantal slachtoffers is gedaald. Het moet echter duidelijk zijn: elk slachtoffer is er een te veel. We moeten er allemaal alles aan doen om dat tegen te gaan.

Ik ben het met u eens dat Justitie en politie daarin een belangrijke rol spelen, maar het vraagt ook een mentaliteitswijziging. Iedereen, inwoners, bedrijven, heeft de verantwoordelijkheid om aan die verkeersveiligheid bij te dragen. Dat betekent ook doelgericht controleren. Dat zal belangrijk blijven, ook in de toekomst. Het is niet omdat bepaalde fijnmazige informatie over de plaatsen, de tijdstippen en de hoeveelheid van controles niet voorhanden is, dat er niet wordt gecontroleerd. Ik weet heel goed hoe heel veel politiemensen bij de lokale en de federale politie dagelijks controles doen, naast de vele andere taken die ze hebben en de prioriteiten die ze moeten stellen.

Ik ben het wel met u eens dat de nationale beeldvorming belangrijk kan zijn om dit fenomeen verder aan te pakken. Zo kunnen we wijzen op de cijfers van de verkeersongevallen die we naar aanleiding van de bobcontroles wel hebben. Die laten ons toe om zwarte punten te identificeren en zo de lokale besturen te helpen bij het uitvoeren en bepalen van controles en infrastructurele ingrepen.

Waarom de cijfers door de lokale zones niet altijd worden meegegeven, moeten we onderzoeken. Het is voor mij in elk geval duidelijk dat we de lokale zones moeten blijven herinneren aan de vraag om de gegevens mee te delen, zodat we ook op federaal niveau over die informatie kunnen beschikken. Ik zal dat bekijken met de minister van Justitie, aangezien er ook richtlijnen van de procureurs-generaal zijn over hoe we die vraag aan de lokale besturen en de lokale zones kunnen versterken en hoe we de beeldvorming over verkeersongevallen en verkeerscontroles kunnen optimaliseren. Ik zal dat in elk geval meenemen naar het volgende overleg met de geïntegreerde politie.

Matti Vandemaele:

Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Zoals u zelf zegt hebben we een mentaliteitswijziging nodig. Dat is duidelijk en de experts zijn het er allemaal over eens. Door meer controles uit te voeren kan er een mentaliteitswijziging komen. We hebben dus absoluut nood aan meer controles. De pakkans moet omhoog. Al in 2006 werd afgesproken dat de lokale politiezones hun cijfers centraal zouden doorgeven. Als een minister beleid wil voeren, dan moet die cijfers hebben die geanalyseerd kunnen worden. Op dit moment bent u blind aan het varen als het over deze thematiek gaat. Mijn oproep is dus om, zoals u hebt beloofd, niet alleen aan tafel te gaan zitten, maar ook af te dwingen dat die cijfers centraal beheerd zouden worden, dat er opvolging komt en dat de pakkans omhoog gaat. Nu stellen we immers vast dat het aantal controles daalt, terwijl er net meer controles zouden moeten zijn. Alleen op die manier kunnen we aan de kant van de weggebruikers gaan staan die geen alcohol of drugs gebruiken.

De begroting voor de ziekteverzekering 2025
De besparingen van het Verzekeringscomité van het RIZIV en de teleconsultaties
De deconventionering van zorgverleners
Teleconsultaties
Teleconsulten
De RIZIV-begroting
De RIZIV-begroting
De actie van het zorgpersoneel
Teleconsultaties
De gezondheidszorgbegroting 2025
Het uitblijven van een gezondheidszorgbegroting 2025
Financieel en beleidsmatig overzicht van gezondheidszorg en teleconsultaties 2025

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De goedkeuring van het RIZIV-budget 2025 is geblokkeerd door politiek gekibbel (Open Vld stemde tegen, MR onthield zich), ondanks een akkoord in het Verzekeringscomité over 217 miljoen euro besparingen en een groeinorm van 2,5%—wat nu onzeker is door het uitblijven van unanimiteit in de regering. Zorgverleners (vroedvrouwen, huisartsen, tandartsen) dreigen massaal te deconventioneren door gebrek aan tariefzekerheid, indexering en onduidelijkheid over vergoedingen (bv. teleconsultaties, waar 68 miljoen euro zou worden geschrapt maar mogelijk hervormd binnen het bestaande budget), terwijl patiënten risico lopen op hogere kosten en mindere toegankelijkheid. Minister Vandenbroucke belooft de begroting "zo snel mogelijk" op de ministerraad te agenderen om indexering, groeinorm en conventies te garanderen, maar concrete stappen ontbreken nog—terwijl de zorgsector (30.000 betogers) en oppositie dringen op onmiddellijke actie om een deconventioneringsgolf en zorgchaos af te wenden.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, op 21 oktober diende het budget voor de ziekteverzekering goedgekeurd te worden door de Algemene Raad van het RIZIV. Nadat er in het Verzekeringscomité tot een compromis werd gekomen inzake de 217 miljoen euro aan besparingen, drong men erop aan om deze onderhandelde besparing ook in de algemene vergadering goed te keuren. We weten allemaal dat dat niet gebeurd is.

Er was nochtans een meerderheid van 14 stemmen voor, 1 tegenstem en 6 onthoudingen voor het begrotingsvoorstel van het Verzekeringscomité. Dat volstond echter niet omdat er geen unanimiteit werd bereikt op de bank van de regering; en dat is de tweede voorwaarde om een begroting in de Algemene Raad te kunnen goedkeuren. Open Vld stemde tegen, MR onthield zich.

Er wordt hier dus een vuil politiek spel gespeeld ten koste van de patiënten en de zorgverstrekkers.

Wanneer komt de regering in lopende zaken met een eigen voorstel? Wat is het gevolg van deze verwerping voor onze patiënten en zorgverstrekkers? Hoe zult u garanderen dat de groeinorm en de gezondheidsindex behouden blijven? Hoe zult u een massale deconventionering van onze zorgverstrekkers voorkomen na dit debacle?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, in datzelfde kader heeft de medische vakbond zijn bezorgdheid geuit over de geplande opschorting van de teleconsultaties per 1 januari 2025. De bedoeling daarvan is om 68 miljoen euro te besparen. De vakbond wijst erop dat het budget voor huisartsenzorg momenteel neutraal is. Het is zelfs lager dan wat nodig is in het licht van de indexering en vergrijzingstrends. Ook benadrukt de vakbond het belang van correcte vergoedingen voor medisch verantwoorde prestaties, zoals telefonische consultaties, die voldoen aan een duidelijke medische behoefte. Teleconsultaties worden ook beschouwd als een essentieel hulpmiddel om de toegankelijkheid van zorg te vergroten. Vooral voor chronisch zieke patiënten is dit belangrijk, maar uiteraard ook in gebieden waar er een tekort is aan huisartsen. Het is intussen een ingeburgerde werkwijze. Dat hoor ik ook in mijn officina.

Hoe wordt het huidige budget voor huisartsenzorg bepaald? Welke criteria worden gebruikt om te evalueren of het voldoende is om aan de behoeften van de bevolking te voldoen?

Wat zijn de verwachte gevolgen van de opschorting voor chronisch zieke patiënten en voor patiënten in gebieden met een tekort aan huisartsen? Ik merk zelf dagelijks dat patiënten via teleconsultatie hun medicatie vragen aan hun huisarts. Zal dat nog kunnen of hoe ziet u dat?

Het terugschroeven van de teleconsultaties is niet eenvoudig voor de patiënt, maar ook niet voor de huisarts zelf. Hoe zult u dat veranderen of herbekijken?

Ik vind die overschrijding ter waarde van 19,8 miljoen bij de medische huizen ook heel belangrijk. Hoe komt het dat die niet werden meegenomen in de efficiëntie- en kostenoefening? We hebben al besproken dat het comité van het RIZIV uiteindelijk geen overeenstemming heeft bereikt. Hoe moet het nu verder?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, op 21 oktober 2024 moest de Algemene Raad van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het RIZIV zijn begroting goedkeuren. Dat was een heel belangrijk moment om zekerheid te bieden aan de patiënten en de zorgverleners, om maatregelen te nemen tegen de overschrijdingen, die vooral zijn veroorzaakt door de farmaceutische industrie en de hoge artsenlonen, alsook om de groeinorm vast te stellen.

De liberalen hebben die goedkeuring evenwel geblokkeerd via een tegenstem van Open Vld en een onthouding van de MR. We hebben daarover gedebatteerd met ontslagnemend premier De Croo in de plenaire vergadering. Daarbij viel op dat hij het regeerakkoord in twijfel trekt, waarin de groeinorm op 2,5 % werd vastgesteld. Door de energiecrisis is die groeinorm in 2024 evenwel uitzonderlijk verlaagd naar 2 %. We hebben daarop toen kritiek geuit, want dat is een besparing in de zorgsector.

Er was wel een akkoord om in 2025 de groeinorm opnieuw naar 2,5 % te laten stijgen. In de plenaire vergadering bleek evenwel dat Open Vld daarmee niet meer akkoord ging. Bovendien heeft de ontslagnemende eerste minister De Croo in die plenaire vergadering ook verklaard dat er geen haast is. Hij heeft verwezen naar vorige regeringen die ook pas in november het akkoord hebben goedgekeurd. Het is nu evenwel helemaal niet duidelijk wanneer de regering gevormd zal worden en we kunnen niet blijven wachten. De zorgsector is op straat gekomen met de boodschap 'wachten kan niet meer'.

Wat vindt u van de stelling van Open Vld dat de groeinorm op 2 % zou moeten blijven, nadat de vivaldiregering die heeft verlaagd?

Bent u het ermee eens dat er geen haast is om tot een akkoord te komen?

Wat is er precies gebeurd sinds 21 oktober? Zijn er daarover al discussies geweest? Welke vooruitgang is er geboekt? Zal de regering in lopende zaken dit probleem kunnen oplossen of moeten we wachten tot er een nieuwe regering gevormd is?

De zorgsector is op straat gekomen met de boodschap 'wachten kan niet meer'. Ik heb op die betoging met veel zorgverleners gepraat die het niet meer zien zitten. De opkomst was groot. Er waren 30.000 betogers, meer dus dan bij de vorige betogingen. Zorgverleners komen al niet gemakkelijk op straat, want dan moeten collega’s voor hen inspringen en laten zij zelf patiënten in de steek. Sommigen zitten in een landingsbaan, maar hebben nog steeds hetzelfde takenpakket. Zij moeten dan in hun vrije tijd gewoon doorwerken. Zo zijn er zorgverleners in de bijzondere jeugdhulp die zonder budget vallen en zelf soepacties op touw moeten zetten om geld in te zamelen om met de kinderen op vakantie te gaan. Veel mensen klagen daarnaast over de grote administratieve last. Ze moeten van hier naar daar lopen en kunnen niet meer zorgen voor de patiënten.

De zorgverleners vragen meer loon, betere arbeidsvoorwaarden en een betere work-lifebalance. In de plenaire vergadering hebben we hierover al een debat gevoerd. Toen werd vooral onderstreept wat de regering al heeft gedaan, maar dat is duidelijk onvoldoende. De personeelsleden komen immers op straat omdat de regering echt onvoldoende voor hen gedaan heeft.

In de onderhandelingen is er nu sprake van de afschaffing van de nachtpremie tussen 20 en 24 uur, de afschaffing van de eindeloopbaanregeling, de pensioenmalus waarbij men bij vertrek voor 67 jaar minder pensioen krijgt en de noodzaak van 35 effectief gewerkte jaren. Al die maatregelen verontrusten het personeel enorm, want in de zorgsector is het niet haalbaar om tot 67 jaar door te werken. Hierover moet duidelijkheid worden verschaft.

Ik herhaal mijn vraag: wat u zult doen om de loon- en arbeidsvoorwaarden te verbeteren en de werkdruk te verminderen?

Ik wil nog een laatste thema bespreken. Het niet goedkeuren van het budget heeft rechtstreekse gevolgen voor de vroedvrouwen, die een discussie hebben gevoerd over deconventionering. We maken ons ook omtrent andere beroepsgroepen zorgen. Zo heeft de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten de vraag opgeworpen waarom artsen nog een conventie zouden aanvaarden, als een regering achteraf alle budgettaire afspraken op de helling zet. De tandartsen hebben in dezelfde trant gereageerd. De situatie is zeer zorgwekkend. Indien veel zorgverleners deconventioneren, verliezen de patiënten immers hun tariefzekerheid. De zorg zal bovendien minder toegankelijk worden.

Zijn er naast de vroedvrouwen andere beroepsgroepen die aan de alarmbel hebben getrokken en hebben aangegeven dat er risico op deconventionering bestaat? Wat is de huidige conventiegraad van de verschillende beroepsgroepen? Wat zult u doen om een eventuele deconventioneringsgolf tegen te houden?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, vous avez été interpellé par un syndicat de médecins concernant la décision de suspendre le remboursement des téléconsultations à partir du 1 er janvier 2025. Cela représente une économie de 68 millions d'euros.

Ils estiment que le budget de la médecine générale (consultations, visites et téléconsultations) est neutre et même inférieur à l'index. Ils insistent sur le fait que les prestations fournies qui sont justifiées d'un point de vue médical doivent être remboursées de manière équitable.

Les téléconsultations sont particulièrement utiles pour les personnes souffrant de maladie chronique suivies par leur médecin depuis parfois de nombreuses années, pour éviter des déplacements difficiles et régler des situations rapidement, ainsi que dans les zones en pénurie de médecins généralistes pour répondre aux enjeux d'accessibilité pour les patients.

Cette mesure envisagée dans le budget des soins de santé 2025 a également un impact différent selon que le médecin preste à l'acte – et alors est soumis à la mesure d'économie – ou qu'il travaille dans le cadre du new deal ou de pratiques forfaitaires – et alors n'est pas concerné par la mesure, car les téléconsultations sont intégrées dans le forfait.

Les associations de patients s'inquiètent également de l'impact de cette décision sur les patients, particulièrement les plus vulnérables.

Monsieur le ministre, pourriez-vous nous éclairer sur l'analyse réalisée par l'Institut national d’assurance maladie-invalidité (INAMI) quant à la forte augmentation des téléconsultations? Quelle est votre position par rapport au raisonnement tenu par le syndicat de médecins quant à cette augmentation?

Les conséquences de la suppression du remboursement des consultations ont-elles été envisagées, notamment en termes d'accessibilité des soins et particulièrement pour les patients chroniques ou résidant dans des zones en pénurie?

Étant donné les atouts de la téléconsultation, n'est-il pas préférable de réfléchir à la façon d'optimiser l'organisation et le financement des téléconsultations plutôt que de supprimer le remboursement de celles-ci?

Concernant le budget des soins de santé 2025, à la suite de la non-approbation du budget par le Conseil général de l'INAMI le mois passé, le gouvernement a désormais la main. Or le 24 octobre dernier, le premier ministre indiquait que, selon lui, c'était au futur prochain gouvernement d'adopter ce budget, et non à son gouvernement en affaires courantes.

Monsieur le ministre, des discussions ont-elles été menées au sein du gouvernement en affaires courantes au sujet de ce budget des soins de santé 2025 ces derniers jours? Si oui, quel en est l'agenda? Quelles sont les modifications envisagées par rapport à la proposition de budget adoptée par le Comité de l’assurance soins de santé (Comité de l’assurance)? Quand espérez-vous pouvoir adopter ce budget au sein du gouvernement? Sinon, comptez-vous mettre le budget santé 2025 à l'ordre du jour du gouvernement? Dans quel délai? Quelle est, selon vous, la date limite pour l'adoption de ce budget au sein du gouvernement?

Sofie Merckx:

Voor het eerst in 13 jaar is de regering er op 21 oktober niet in geslaagd om een akkoord te bereiken over het Riziv-budget. Er lag al een akkoord van het Verzekeringscomité op tafel, maar de liberalen gebruikten hun veto. Open VLD stemde tegen, MR onthield zich.

Dit zet de groeinorm en de geplande indexering van de tarieven voor alle zorgberoepen op de helling. Ook extra middelen voor bepaalde beroepsgroepen, waar al heel lang om gevraagd wordt, middelen die essentieel zijn voor de levensvatbaarheid voor ons zorgsysteem, dreigen er niet te komen.

Ontslagnemend premier Alexander De Croo schoof de verantwoordelijkheid van zich af en stelde tijdens de plenaire vergadering van 24 oktober 2024 dat de kwestie van de Riziv-begroting niet thuishoort in lopende zaken, maar wel in de Arizona-coalitie die momenteel gevormd wordt.

Onze vragen zijn de volgende:

Volgens De Croo is er geen haast om tot een akkoord te komen over de Riziv-begroting. Bent u het met hem eens?

Zal de regering in lopende zaken het zorgpersoneel laten wachten op perspectief en een begroting tot de Arizona-regering gevormd is?

Welke maatregelen gaat u treffen om zo snel mogelijk tot een akkoord te komen?

Wat gebeurt er als de federale regeringsonderhandelingen aanslepen, zoals ook eerder al is gebeurd?

Voorzitter:

Mevrouw De Knop is niet aanwezig.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, le 24 octobre dernier, je vous interrogeais en séance plénière au sujet de l'absence de budget des soins de santé pour 2025.

Nous sommes le 12 novembre et nous ne voyons toujours rien à l'horizon. Le premier ministre refuse de prendre ses responsabilités, alors qu'une proposition raisonnable, respectant la trajectoire imposée, a été approuvée par les mutualités et les prestataires de soins, à l'exception des sages-femmes.

Il s'agit d'un montant de 216 millions d’euros d'économies. Sans aucune nouvelle avancée pour 2025, il va sans dire que c'était un travail compliqué. Et pourtant, la concertation a permis de dégager un accord sans toucher aux patients et en garantissant la viabilité de notre système de soins.

Ce blocage est, pour nous, inacceptable et pourrait avoir des conséquences dramatiques sur les patients, qui pourraient voir le prix de leur soins augmenter, sur les prestataires qui ne verraient pas leurs rémunérations indexées et aussi sur les hôpitaux dont les difficultés financières sont une réalité.

Le Cartel, regroupant les organisations GBO, ASGB et MoDeS, a d'ailleurs dénoncé ce 4 novembre l'accord médico-mutualiste conclu l'an dernier pour 2024-2025 en raison de cette impossibilité à garantir un budget en 2025.

Monsieur le ministre, les discussions avec le Cartel sont-elles toujours en cours? D'autres organisations menacent-elles de dénoncer les accords conclus?

Des solutions peuvent-elles être avancées pour empêcher un déconventionnement massif des médecins, mais également d'autres prestataires de soins, et donc pour éviter une augmentation des coûts des consultations et des soins pour les patients?

Qu'en est-il aujourd'hui des discussions au sein du gouvernement en affaires courantes? Le premier ministre s'oppose-t-il toujours à toute avancée dans le cadre de l'adoption du budget 2025?

Quelles seront les conséquences concrètes pour les prestataires de soins, pour les hôpitaux et pour les patients si le budget n'est pas adopté avant la fin de l'année?

Voorzitter:

Quelqu’un d’autre demande-t-il la parole dans le cadre de ce débat d’actualité? (Non)

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Eggermont, u wees terecht op de belangrijke betoging van het zorgpersoneel in Brussel. Ik zal niet alles herhalen wat ik in de plenaire vergadering heb gezegd, maar dat was inderdaad een belangrijk signaal, niet alleen voor de onmiddellijke toekomst, maar ook voor de komende jaren en het beleid dat door een volgende regering moet worden gevoerd. Een volgende regering zal opnieuw in het zorgpersoneel moeten investeren, zelfs al zijn de budgettaire marges uiterst krap. Men zal toch zijn best moeten doen om dat geld ergens te vinden. Ik denk dat dat nodig is.

Ik zou echter een onderscheid willen maken tussen die heel belangrijke vraag, dat signaal voor de komende jaren dat uitging van de betoging enerzijds, en de hele korte termijn anderzijds, met de ongerustheid die er hier en nu is, omdat er misschien geen begroting zal zijn voor de ziekteverzekering. Een begroting opstellen voor het jaar 2025 – dit is meteen een antwoord op vragen van mevrouw Sneppe, mevrouw Désir en anderen – is inderdaad de garantie dat alle zorgverstrekkers de indexering zullen krijgen, dat wij werken binnen het huidige wettelijke kader, met een reële groei van 2,5 %, en dat conventies die gesloten zijn ook kunnen worden uitgevoerd, met andere woorden dat patiënten zeker kunnen zijn van de officiële tarieven en van het feit dat die ook op grote schaal worden toegepast. Alles pleit dus voor een begroting. Een begroting betekent een indexering, 2,5 % groei, gerespecteerde conventies en tariefzekerheid.

Er werd gevraagd wanneer die begroting er zou moeten zijn. Het antwoord daarop is voor mij eenvoudig: zo snel mogelijk, want de mensen zijn ongerust. Zorgverleners zijn ongerust over het uitblijven van een begroting en men moet die ongerustheid zo snel mogelijk wegnemen. Dat is ook mijn inzet. Verschillende sprekers hebben gevraagd of er daarover de voorbije dagen in de regering politiek overleg is geweest. Dat is er nog niet geweest. Ik wens dat echter wel en ik wens dat dat zo snel mogelijk als belangrijk beslispunt wordt geagendeerd in de regering, want dat is de formele procedure, zoals u al aangaf, mevrouw Sneppe. De Algemene Raad heeft op 21 oktober niet kunnen beslissen en het is dus aan de ministerraad. Gezien de ongerustheid die er nu is, moet dat zo snel mogelijk gebeuren.

Er werd verwezen naar specifieke bezorgdheden van groepen zorgverstrekkers, zoals de vroedvrouwen. Ik zal het antwoord dat ik eerder gaf niet herhalen. Ik begrijp die zorg zeer goed. Die zorg echt aanpakken, vraagt eigenlijk nieuwe initiatieven, waarvoor men een regering met volheid van bevoegdheden nodig heeft. Dat is vandaag dus niet gemakkelijk. Ik begrijp de bezorgdheid echter zeer goed. Verder verwijs ik naar het antwoord dat ik eerder gaf.

Er werd ook verwezen naar de aankondiging van de organisatie het Kartel, dat de conventie wenst op te zeggen. Ik heb die aankondiging gelezen, maar het daarover nog geen gesprek gehad met het Kartel. Ik begrijp de bezorgdheid en boosheid zeer goed. Ze kunnen ook op mij rekenen om dat op te lossen. Als dat in mijn macht ligt, zal ik daar alles aan doen. Op dit moment de conventie opzeggen, vind ik voortijdig, want er ligt geen maatregel of beslissing voor op basis waarvan men zou kunnen stellen dat men vandaag de conventie opzegt. Er is echter wel een begroting nodig, en die is hard nodig. Die boosheid begrijp ik zeer goed.

Er werd een vraag gesteld over specifieke onderdelen van het voorstel dat in het Verzekeringscomité werd goedgekeurd voorafgaand aan de Algemene Raad van 21 oktober. Mevrouw Depoorter, u stelde een technische maar interessante vraag daaromtrent, namelijk als het RIZIV een overleg in het Verzekeringscomité voedt met zogenaamde technische ramingen, hoe die ramingen dan worden gemaakt en wat dat betekent, met name voor de huisartsen.

Het budget van de huisartsenzorg is een onderdeel van het budget van de artsenhonoraria. In de jaarlijkse berekeningen in het kader van dat budget wordt rekening gehouden met de evolutie van de consumptie van zorg door rechthebbenden in de ziekteverzekering van de voorbije vijf jaar. Die evolutie van de voorbije vijf jaar is voor 2024-2025 gecorrigeerd om de effecten van de covidpandemie in 2020 en 2021 te neutraliseren. Men houdt bij die technische ramingen ook rekening met de groei van de bevolking. Men doet dat op basis van voorspellingen van het Planbureau. Men houdt ook rekening met enerzijds de consultaties aangerekend aan patiënten die recht hebben op de zogenaamde voorkeurregeling of verhoogde tegemoetkoming en anderzijds aan patiënten die daar geen recht op hebben.

Tevens wordt de dekkingsgraad van het globaal medisch dossier mee in rekening genomen, evenals de evolutie van het aantal contacten per patiënt. In de technische ramingen houdt men ook rekening met besliste maatregelen. Nu gaat het bijvoorbeeld over de extra betaling, goedgekeurd in 2024, waarbij het gmd voor een chronisch zieke patiënt beter vergoed wordt. De doelgroep waarvoor dat geldt, is verruimd. Nog een element waarmee rekening wordt gehouden, is de aanpassing van het remgeld voor jongeren tot en met 24 jaar die de voorkeurregeling genieten en een gmd hebben. Men maakt, rekening houdend met al die gegevens, een relatief gedetailleerde prognose. Dat is een technische oefening die een technische raming wordt. Op basis van die technische ramingen heeft het Verzekeringscomité een voorstel geformuleerd.

De hervorming van de teleconsultaties, meer bepaald een hervorming van het systeem ervan, is een onderdeel van dat voorstel. Ik wil wel even benadrukken dat dit als zodanig volledig aanvaard is, ook door alle artsenorganisaties. Om goed te weten wat er precies aanvaard is, lees ik dat even voor, als u het mij toestaat. Het gaat om een stuk uit het voorstel van het Verzekeringscomité, ook aanvaard door onder meer het Kartel en BVAS.

"De uitgaven voor de telefonische consultaties van de huisartsen en in mindere mate artsen-specialisten nemen spectaculair toe. Hoewel dit aantoont dat artsen veel tijd besteden aan telefonische interacties, worden deze verstrekkingen niet optimaal ingezet. Er bestaan geen richtlijnen voor. Niet alle teleconsultaties hebben een even grote meerwaarde. Bijgevolg is het noodzakelijk om de vergoeding voor teleconsultaties te herzien en dit met duidelijker richtlijnen. De huidige werkwijze wordt geschrapt en een nieuwe werkwijze wordt vanaf 1 januari 2026 ingevoerd, met een overgangsperiode van 1 januari 2025 tot 31 december 2025. De medicomut zal deze hervorming van de teleconsultaties vanaf 1 januari 2026 bewerkstelligen.

Ze zal ook de overgangsperiode in 2025 realiseren, zowel inhoudelijk als budgettair. De videoconsultaties blijven wel bestaan, wetend dat daarvoor duidelijke richtlijnen bestaan."

Dit is ook aanvaard door de artsenorganisaties. Wat zegt dit? Dit wijst ten eerste op een probleem waarop ik dadelijk terugkom. Ten tweede gaat dit enkel en alleen over de telefonische consultaties, niet over de videoconsultaties. Dit zegt eigenlijk dat dit systeem hervormd moet worden. Men spreekt over een overgang die kan worden aangevat op 1 januari 2025. Die overgangsperiode moet natuurlijk kunnen binnen het bestaande budget. Als men toch een vergoeding wil geven voor teleconsultaties, dan moet men voor 2025 naar een compensatie zoeken binnen het bestaande budget. In 2026 moet een volledig hervormd systeem op kruissnelheid zijn. Dat is wat men zegt. Het louter besparen op teleconsultaties is eigenlijk niet de beslissing. De beslissing is een hervorming met een transitieperiode in het jaar 2025 binnen het budget dat voorligt, waarbij men middelen zal moeten zoeken binnen dat budget.

Ik wil graag dat er zo snel mogelijk een begroting voor 2025 op punt wordt gesteld door de federale regering. Een van de redenen waarom ik dat graag zo snel mogelijk wil, is net omdat ik heel graag snel een kader wil hebben waarin een hervormd systeem kan worden uitgewerkt. Ik wil mij engageren ten aanzien van de artsenorganisaties, de huisartsen in het bijzonder, om snel werk te maken van zo'n hervorming, waardoor het niet louter een schrapping is, maar wel de inplaatsstelling van iets anders, met een overgangsperiode in 2025 en een nieuw systeem dat in 2026 op kruissnelheid moet zijn.

Ik verwelkom dus de zoektocht naar een alternatieve manier om teleconsultaties te financieren. Dat is een van de redenen waarom ik graag zou hebben dat de begroting zo snel mogelijk op punt wordt gesteld. Dan kan er meteen worden gestart met de zoektocht naar een alternatief voor de financiering van de teleconsultaties, kunnen er meteen gesprekken en voorstellen komen en kunnen we oplossingen zoeken. Persoonlijk denk ik ook dat het definitief schrappen van elke vergoeding voor teleconsultaties niet is wat we op termijn moeten beslissen. We moeten een ander systeem van vergoedingen hebben.

Dit is gebaseerd op het overleg. De tekst die ik heb voorgelezen, is wel goedgekeurd, ook door de artsenorganisaties. Ik wil hen helpen om deze hervorming ook te realiseren.

U vroeg waarom de medische huizen niet worden opgenomen. De redenering die het Verzekeringscomité heeft gevolgd, is de volgende: het budget voor de medische huizen staat in rechtstreeks verband met het aantal patiënten dat in het forfaitaire systeem wordt behandeld. Dat zijn patiënten die elders geen prestaties genereren voor zorg, want de zorg wordt in de medische huizen via dat forfait volledig terugbetaald. In dat forfait zitten al teleconsultaties. Die worden er niet bovenop betaald voor de medische huizen. Er is dus ook geen overschrijding mogelijk, want er is geen prestatiesysteem per teleconsultatie. Dat zit al in het budget. Het budget van de medische huizen groeit, omdat het aantal mensen dat in het forfait stapt groeit.

Betekent dit dat er geen reflectie nodig is over het eventuele verkeerde gebruik of eventuele problemen met een correcte toepassing van het forfait? Uiteraard niet. In de beslissingen die voorliggen, zit ook de beslissing om een elektronische identiteitskaart verplicht te laten inlezen bij de inschrijving van een patiënt in een medisch huis, waardoor men dubbel gebruik onmogelijk maakt. Ze zijn het daar ook mee eens.

Er is dus ongetwijfeld wel iets te zeggen over het zo zuinig mogelijk gebruik en strenge controles op de forfaits en de toepassing ervan in de medische huizen. De sleutel daarvoor is dat een patiënt die zich inschrijft meteen ook zijn elektronische identiteitskaart moet laten inlezen, waardoor men de volledige identificatie van die patiënt heeft en men kan vermijden dat er ergens nog dubbel gebruik zou zijn. Daarmee zijn de medische huizen het ook eens. Er kan geen overschrijding zijn van betalingen voor teleconsultaties in medische huizen, want er is een forfaitair systeem.

Ik zal het debat over de analyse van dokter Herry hier niet aangaan. De basisvaststelling gedaan door de administratie van het RIZIV is dat het aantal fysieke patiëntencontacten blijft stijgen. Dat was niet de verwachting toen men de teleconsultaties en de financiering ervan na covid heeft bestendigd. De verwachting was dat die deels in de plaats zouden komen van de klassieke consultaties. De stelselmatige vermindering van de huisbezoeken is een trend die zich inderdaad doorzet. Los daarvan was de idee dat als we teleconsultaties structureel zouden financieren, we wel het effect van minder fysieke consultaties zouden zien. Dat effect zien we echter niet. Het aantal teleconsultaties blijft sterk stijgen, naast de verdere stijging van het aantal fysieke patiëntencontacten. Dat in combinatie met een beperkte groep van outliers met zeer hoge aantallen teleconsultaties waarvoor een vergoeding wordt gevraagd, is wat de administratie van het RIZIV op tafel heeft gelegd. In het voorgelegde tekstje van het Verzekeringscomité wordt daar ook naar verwezen.

De essentie is dat teleconsultaties een goede zaak zijn. Ze moeten structureel in het vergoedingssysteem van de huisarts worden opgenomen. Dat systeem moet echter hervormd worden. Hoe sneller de begroting voor 2025 wordt afgerond door de federale regering, hoe sneller de discussie over de hervorming van de financiering van de teleconsultaties op gang kan komen in de medicomut. Ik wil daar echt toe bijdragen.

Kort samengevat, er is inderdaad veel ongerustheid. Die ongerustheid is zeer begrijpelijk. Ik zal alles doen wat in mijn macht ligt om zo snel mogelijk een begroting voor 2025 uit te laten werken door de federale regering.

Voorzitter:

Dat was een lang antwoord, maar het betreft een belangrijk onderwerp.

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, de feiten zijn onverdedigbaar. De zwarte piet wordt van de ene naar de andere partij doorgeschoven. De regering in lopende zaken is evenwel ten volle bevoegd. U wilt het item op de agenda van de komende ministerraad zetten, maar waarom is dat nog niet gebeurd? Ondertussen zijn we al enkele weken verder en is de begroting voor de ziekteverzekering dus niet goedgekeurd. De zorgverstrekkers zitten met de handen in het haar. Er dreigt een massale deconventionering van de zorgverstrekkers, onder andere vroedvrouwen en tandartsen. De patiënten zullen daar de dupe van zijn.

U hebt heel wat uitleg verschaft, maar ik vraag u om niet langer rond de pot te draaien en dit onmiddellijk op de agenda van de komende ministerraad te plaatsen en aan een oplossing te werken.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, wat zal er nu concreet gebeuren? U verklaart dat u de teleconsultaties zult hervormen binnen het bestaande budget. Op de website van het Vlaams Artsensyndicaat staat te lezen dat er een tijdelijke opschorting van 68 miljoen euro voor teleconsultaties is. Zult u in dat bedrag voorzien of niet?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, ik zal daar niet in voorzien.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, er is dus een besparing van 68 miljoen euro voor teleconsultaties.

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, dat klopt niet. Die besparing van 68 miljoen euro is vooropgesteld. Als men dat bedrag of een deel ervan elders kan vinden in het budget van de artsenhonoraria, dan kan dat worden gebruikt voor een hervormd financieringssysteem voor teleconsultaties. Met andere woorden, die kwestie blijft open.

U zult het met me eens zijn dat we de begroting binnen de groeinorm van 2,5 % moeten houden. Daarover bestaat in het Verzekeringscomité een voorstel, waarbij een ruw kader van de besparingen is gegeven. Dat kader kan het best gerespecteerd worden. Dat bedrag van 68 miljoen euro wordt inderdaad gecorrigeerd, dus bespaard tegenover de technische raming in het budget van de artsenhonoraria. Als men elders mogelijkheden vindt om te corrigeren, dan kan dat bedrag al in een overgangsperiode opnieuw worden geïnjecteerd. Dat zou de medicomut kunnen voorstellen. Ik zou dat verwelkomen, maar de medicomut moet eerst zekerheid hebben over het begrotingskader. Dat is de reden waarom ik vind dat de regering snel moet beslissen.

Kathleen Depoorter:

Ik ben vooral bezorgd over de chronische patiënten die medicatie nodig hebben en die de gewoonte hebben om telefonisch contact op te nemen met hun arts om een voorschrift te krijgen. Dat is een techniek die wij sinds de coronacrisis heel vaak meemaken en waar wij als apothekers ook op terugvallen, omdat wij dan weten dat er contact is geweest met de arts. Vroeger zagen wij echter vaker patiënten die al vroegen naar medicatie voordat zij bij hun arts waren geweest. In dat geval heeft men geen back-up, geen communicatie met de huisarts, die toch de dossierhouder is van de voorschriften. Ik vind dat dus echt verontrustend.

Bij uw antwoord over de medische huizen haalt u de zaken toch enigszins door elkaar. Dat ging niet over de teleconsultaties. Uiteraard gaat het over meer patiënten, waardoor er meer middelen worden uitgegeven. Dat is echter net wat de huisartsen ook zeggen: het huisartsenbudget is ook niet overschreden, want het hangt af van de indexering. Er komt 19 % bij, waarvan 17 % indexeringskosten. Wij moeten er dus binnen het budget naar streven dat iedereen zijn steentje bijdraagt, ook de medische huizen, maar vooral dat patiënten de voorschriften voor hun chronische medicatie hebben. Daar knelt immers het schoentje: er zullen zich opnieuw toestanden van voor corona voordoen, waarbij de arts niet weet welk medicijn nog moet worden meegegeven en waarbij de apotheker een risico neemt en eigenlijk illegaal aan het werken is. Dat is toch een bezorgdheid die ik u absoluut wil meegeven voor de verdere besprekingen.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik ben een beetje teleurgesteld. Die vergadering van de Algemene Raad van het RIZIV was ondertussen al drie weken geleden, dat is 528 uur. Wij hebben daarover gesproken in plenum. Er zijn daarover vragen gesteld in de commissie. U zei toen dat u het ter harte nam en ervoor ging ijveren dat het besproken zou worden in de ministerraad. Nu, drie weken later, vragen wij wat er al werd besproken, wat de stand van zaken is, en eigenlijk is het antwoord dat het nog niet werd besproken.

Wat moet het zorgpersoneel doen om de sense of urgency binnen te brengen in de regering? Wij hebben daarover vragen gesteld. Wij zijn met 32.000 op straat gekomen. Ik hoop dat u dit nu echt ter harte zult nemen en de daad bij het woord zult voegen. Ik hoop dat als ik de volgende keer vraag naar een stand van zaken in de ministerraad, het antwoord niet zal zijn dat er nog niets gebeurd is.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse.

Je suis à moitié déçu ou à moitié satisfait. Je me rends compte que vous comprenez l'importance des téléconsultations, que ce soit en médecine spécialisée ou en médecine générale. Je me réjouis d'entendre que celles-ci ne seront pas supprimées. Je comprends que l'on va mettre sur pied un système alternatif pour mieux évaluer ce qui sera décidé en 2026.

Mais tout revient encore sur le budget. Nous sommes tous d'accord que celui-ci devrait être voté le plus rapidement possible. Je vous ai demandé quelle était la date limite que vous pouviez proposer. Il serait intéressant que le gouvernement puisse rassurer les prestataires de soins, les syndicats et les patients en annonçant rapidement que, s'il n'y a pas de gouvernement formé avant telle date, il s'engage à voter un budget des soins de santé 2025. Cela permettrait sans doute de calmer un peu les esprits. En effet, il ne se passe pas une semaine sans que vous ne soyez harcelé sur cette question.

Je reste sur ma faim concernant les sages-femmes. À ce sujet, on se trouve dans un flou artistique car je ne vois aucune solution se dessiner à l'horizon. Je rejoins mes collègues: elles risquent de se déconventionner rapidement si le gouvernement ne les rassure pas. Ce gouvernement en affaires courantes a les moyens de les rassurer car nous nous trouvons, je pense, dans une urgence.

Sofie Merckx:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.

Aujourd'hui, nous assistons à quelque chose de particulier. Le Parlement a décidé, avec le gouvernement, de fixer la norme de croissance à 2,5. Le gouvernement en affaires courantes doit normalement exécuter cette décision. Mais l'Open Vld fait tout pour bloquer et déjà imposer ses plans d'économie au gouvernement actuel. C'est quand même assez décevant, comme disait ma collègue, de voir qu'après trois semaines où le problème se pose, aujourd'hui encore, le gouvernement n'a apparemment pas encore accédé à cette demande. Si l'on comprend votre réponse, en fait, vous n'en avez pas parlé. Ou vous en avez parlé, mais vous n'êtes pas arrivés à un accord pour accorder un budget aux soins de santé. C'est une grosse inquiétude aujourd'hui. Finalement, on voit que la parole donnée, selon laquelle la norme de croissance allait être de 2,5 % en 2025, est mangée. S'il n'y a pas de changement, on aura menti aux gens.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, j'entends à nouveau dans votre réponse que nous partageons les mêmes inquiétudes au sujet de l'absence de budget des soins de santé pour 2025 mais on voit aussi que le temps presse, que le risque d'un déconventionnement plus large est bien réel, tout comme d'ailleurs les conséquences concrètes pour les prestataires de soins, pour les hôpitaux et pour les patients si ce budget n'est pas adopté à court terme. Comme certains de mes collègues l'ont dit, je ne suis pas du tout rassurée par le fait que le gouvernement en affaires courantes ne se soit toujours pas concerté sur ce point tellement important et urgent. J'espère réellement que vous pourrez peser de tout votre poids pour leur faire entendre raison, d'autant plus quand on lit la presse d'aujourd'hui et qu'on voit bien que les perspectives d'avoir rapidement un gouvernement fédéral de plein exercice s'éloignent chaque jour un peu plus.

De afficheringsplicht voor zorgverleners

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De afficheringsplicht voor zorgverleners voldoet onvoldoende: de RIZIV-templates zijn onduidelijk, inconsistent (bv. 25%-regel niet uniform vermeld) en voor artsen nog steeds niet klaar (doel: eerste semester 2025). Minister Vandenbroucke bevestigt dat sancties (geldboetes) en controles komen, maar het uitvoeringsbesluit ontbreekt nog, terwijl de complexe aanpassingsprocedure (overleg, Verzekeringscomité, Staatsblad) vertraging veroorzaakt. Evaluatie van de foutieve templates werd niet beloofd, slechts een vage toezegging tot "nader bekijken", ondanks herhaalde kritiek op gebrekkige patiëntinformatie. Het RIZIV plant wel patiëntcampagnes via ziekenfondsen om affiches te verklaren en kosttransparantie te stimuleren.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, in de vorige legislatuur voerden we de wet op de afficheringsplicht voor gezondheidszorgbeoefenaars in, zodat zij hun tarieven zouden uithangen met het oog op meer transparante financiële informatie voor de patiënten.

Intussen heeft het RIZIV voor verschillende sectoren conceptaffiches op de website gepubliceerd, maar jammer genoeg blijken niet alle affiches aan het wettelijke criterium van de informatieplicht te voldoen. De omschrijvingen die worden gebruikt, zijn niet voor elke patiënt te verstaan. Wij hebben het in de commissie vaak over een geconventioneerd, een partieel geconventioneerd en een gedeconventioneerd honorarium. Dat is voor ons voor de hand liggend, maar het is niet altijd evident voor de patiënten.

Voor bepaalde beroepsgroepen zoals de tandartsen is er nog steeds een te beperkte selectie van prestaties op de affiches. Voor bepaalde soorten zorgverleners, de kinesisten en de logopedisten, informeren de affiches niet duidelijk over de financiële nadelen van de zogenaamde 25 %-regel. Bij de audiciens staat het dan weer wel in de voetnoten weergegeven. Bij de opticiens staat het helemaal bovenaan de affiche vermeld.

Ik geef u deze voorbeelden mee, omdat dit nog altijd vreemd is om te moeten vaststellen. Ik ga ervan uit dat de templates eengemaakt zijn en per beroepsgroep worden aangepast. Toch zien we dat heel veel verschillende manieren worden gebruikt. De bepalingen die we hebben goedgekeurd, worden dus niet gevolgd.

Mijnheer de minister, voorziet u in controles op de informatieplicht die alle beroepsgroepen hebben? Zullen er sancties voor inbreuken komen? Zullen er inspecteurs worden aangesteld om dat deftig te controleren? We stellen immers heel wat gebrekkige informatie vast.

Zal er nog een evaluatie komen van de modellen van de affiches die er vandaag bij het RIZIV worden gepubliceerd? Is er al een timing voor de affiches voor artsen? We zijn intussen 2,5 jaar verder en de affiches van de artsen zijn nog steeds niet klaar.

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw Farih, artikel 168 van de GVU-wet voorziet dat administratieve geldboetes kunnen worden opgelegd aan zorgverleners die de affichageverplichting van artikel 73 niet respecteren, maar dat artikel moet nog het voorwerp uitmaken van een uitvoeringsbesluit. Een dergelijk besluit wordt door mijn administratie voorbereid.

Hoe zit het met de evaluatie van die modellen? In het algemeen dienen de opgenomen tarieven telkens aangepast te worden aan de gewijzigde toepasbare tarieven. Dat zal met andere woorden gebeuren volgend op elke nomenclatuurwijziging of een indexering wanneer die raakt aan een van de opgenomen, meest gangbare vergoedbare verstrekkingen of wanneer dat beschouwd moet worden als een gangbare vergoedbare verstrekking die ingevoerd wordt. Dat kan, ook met aanpassingen voor de eventuele supplementen, zonder herziening van de modellen zelf gebeuren.

De procedure tot herziening van de affichemodellen voor de andere melding is dezelfde als die voor een eerste vaststelling van de affiche. Het vergt een aanpassing aan de verordening, die het vastgestelde model formeel herneemt, welke aanvangt met een nieuw overleg tussen de verzekeringsinstellingen en de zorgverleners die vertegenwoordigd zijn in de betrokken commissies, gevolgd door vaststellingen van een nieuw model door het Verzekeringscomité en een nieuwe publicatie van de affiches in het Belgisch Staatsblad. Die procedure is nogal een mond vol, maar er hangen dan ook sancties mee samen, wat wel verklaart waarom heel die procedure gevolgd wordt.

Inzake de timing kan ik zeggen dat het een complexe oefening is voor de artsen, aangezien we voor bijna 30 specialisaties de meest voorkomende prestaties moeten bepalen. Daarom heeft het RIZIV aan het Verbond der Belgische Beroepsverenigingen van Artsen-Specialisten, het VBS, advies gevraagd. Ons doel is om in het eerste semester van 2025 te landen.

Tot slot, wat uw twee laatste vragen betreft, het Verzekeringscomité heeft op voorstel van de bevoegde commissies affiches vastgesteld die de zorgverleners moeten gebruiken om hun tarieven kenbaar te maken waarop de meest voorkomende verstrekkingen al ingevuld staan. De zorgverlener moet de passende affiche kiezen naargelang zijn conventiestatuut en daarop haar of zijn naam, RIZIV-nummer en KBO-nummer aangeven, en daarnaast ook nog zelf de prijzen invullen. Momenteel is dat een pdf-document dat de zorgverlener elektronisch kan invullen.

Het RIZIV heeft in het verleden al een communicatie uitgestuurd naar de zorgverleners om hen te informeren over de affiches en het nut ervan en om hen te activeren om ze op te hangen. Die communicatie gebeurde via directe e-mail naar alle betrokken zorgverleners en via een bericht op onze site.

Het RIZIV zal in de nabije toekomst ook een campagne voeren via de ziekenfondsen om patiënten te informeren over de affiches. Daarbij zal aandacht worden besteed aan het lezen en begrijpen van de affiches, zodat de patiënten kunnen leren over het zorgsysteem. Anderzijds zal deze communicatie ook focussen op patient empowerment . Het RIZIV zal de patiënt aanmoedigen om ook de kostprijs van de zorg te bespreken met de zorgverlener.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik heb u daarnet een lijstje gegeven van de templates die ik heb teruggevonden op de website van het RIZIV. Daar zien we dat er nog steeds fouten zitten in de templates die worden aangeboden aan de gezondheidszorgbeoefenaars. Ik wil u vragen om daarvan een evaluatie te maken. Ik heb dat immers niet horen terugkomen in uw antwoord. Als wij er niet voor zorgen dat die templates correct zijn en correct worden gepubliceerd, dan hebben de gezondheidszorgbeoefenaars niet de juiste basis om op voort te werken.

Frank Vandenbroucke:

Ik zal dat verder bekijken.

Een lijst van toegestane geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Het FAGG ontdekte dat dierenartsen grote hoeveelheden Zolpidem (een humaan inslaapmiddel zonder diergeneeskundige toepassing) aankopen, wat wijst op onwettig voorschrijven voor menselijk gebruik, mogelijk zelfs eigen consumptie. Minister Vandenbroucke bevestigt dat dit illegale geneeskunde is en dat controles worden versterkt, maar wijst een positieve lijst van toegelaten medicijnen af om flexibiliteit te behouden, vertrouwend op het bestaande cascadesysteem en inspecties. Depoorter noemt de situatie "verontrustend" en dringt aan op strikte handhaving, met steun voor gerichte controles en een oproep aan apothekers om verdachte voorschriften te melden, zonder een exhaustieve lijst na te streven. Het probleem is niet nieuw maar wordt nu actiever opgespoord.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het is bijzonder dat het FAGG heeft vastgesteld dat sommige dierenartsen regelmatig grote hoeveelheden Zolpidem voorschrijven. Zolpidem is een inslaapmiddel. Ik kan me voorstellen dat dit niet wordt gebruikt om koeien een betere nachtrust te bezorgen of om hondjes te doen slapen. Het is een medicijn voor humaan gebruik en het is dus bijzonder dat een dierenarts medicijnen voor humaan gebruik zou voorschrijven, laat staan in grote hoeveelheden. Een paar jaar geleden hebben we deze oefening voor de tandartsen gemaakt. Tandartsen kunnen ook niet meer alle geneesmiddelen voorschrijven, zoals antidepressiva en dat lijkt mij een goede zaak.

Bent u op de hoogte van deze problematiek? Ik vermoed van wel, vermits het FAGG erover heeft gepubliceerd. Op basis van welke vergelijkingsbasis vermoedt het FAGG dat er oneigenlijk gebruik plaatsvindt? Wat is dan dat oneigenlijke gebruik? Gaat het om grote hoeveelheden? Werd dat gerapporteerd door mijn collega-apothekers?

In hoeverre bent u op de hoogte van deze specifieke problematiek? Hebt u vermoedens waarvoor dit geneesmiddel wordt gebruikt? Betreft het een recent fenomeen of is er een vermoeden dat dit geneesmiddel reeds langer oneigenlijk werd gebruikt, maar dat dit niet gerapporteerd werd?

Ziet u mogelijkheden om een duidelijke richtlijn of lijst te ontwikkelen die vastlegt welke geneesmiddelen al dan niet door dierenartsen mogen worden voorgeschreven? Bepaalde middelen voor humaan gebruik kunnen immers ook voor dieren worden gebruikt. Welke mogelijke strategie tot verbeterde controle ziet u?

Frank Vandenbroucke:

Allereerst wil ik reageren op een detail in de formulering van uw vraag, met name de vergelijkingsbasis. Er is geen vergelijkingsbasis waarop het FAGG zich baseert om oneigenlijk gebruik van Zolpidem door dierenartsen vast te stellen. Bij het uitvoeren van controles op de registers beschikbaar in een dierenartsenpraktijk is het wel zo dat de dierenarts-inspecteurs de aankoop van Zolpidem voor hun dierenartsendepot in de apotheken open voor het publiek konden vaststellen. Er zijn enkele dergelijke vaststellingen gemaakt.

Zoals u zegt, is er op heden geen toepassing van Zolpidem in de dierengeneeskunde gekend. Dat is een aanwijzing van de aankoop van Zolpidem voor gebruik bij een humane patiënt, zo mogelijk voor eigen gebruik. Het voorschrijven door een dierenarts van geneesmiddelen voor gebruik bij humane patiënten komt neer op een onwettige uitoefening van de geneeskunde. Ik geef daar nu niet meer commentaar op, mevrouw Depoorter, omdat het onderzoek nog loopt. Dat is echter duidelijk wel de situatie.

Het voorschrijven door dierenartsen van geneesmiddelen voor gebruik bij een humane patiënt is in het verleden reeds sporadisch vastgesteld. Ik heb geen bijkomende gegevens over het voorschrijven of het verschaffen van Zolpidem in deze context.

Wat moeten we beleidsmatig doen? Mijn administratie vindt de opstelling van een lijst van geneesmiddelen die door een dierenarts mogen voorgeschreven worden, dus een positieve lijst, niet aangewezen. Dat zou er immers toe kunnen leiden dat het voorschrijven van een noodzakelijk geneesmiddel dat niet op die lijst staat, wordt verhinderd.

Het correct voorschrijven door een dierenarts wordt geregeld door het cascadesysteem dat de dierenarts uiteraard moet respecteren. Zoals vandaag de controles zijn georganiseerd, lijken die afdoende. Oneigenlijk gebruik werd wel degelijk vastgesteld. Wij concluderen daaruit dat ook in de toekomst de inspecteurs daaraan de nodige extra aandacht moeten besteden.

De problematiek is ook aangehaald tijdens een van de overlegplatformen met alle betrokken stakeholders. Er is ook aan hen gevraagd aandacht te geven aan de correcte toepassing van de wetgeving.

Dat is mijn antwoord.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het antwoord is verontrustender dan ik in eerste instantie verwachtte. Wanneer het immers echt gaat over het opslaan in grote aantallen van Zolpidem in de dierenartsendepots, moet er worden opgetreden. Het is dus goed dat er controle wordt gedaan.

In het opstellen van een exhaustieve lijst volg ik u enigszins. Dat is moeilijk. Er zijn heel duidelijke indicaties, zoals Gabapentine bij honden, dat vaak wordt gebruikt. Er zijn andere wetenschappelijk meer experimentele toepassingen van humane medicatie bij dieren. We moeten echter oppassen dat we ter zake geen parallel circuit organiseren.

Ik ga er dus helemaal mee akkoord om die controles uit te voeren. Ik doe ook een oproep aan mijn collega’s om er melding van te maken wanneer dergelijke voorschriften aan hen worden gepresenteerd.

Voorzitter:

Les questions jointes n° 56000688C de Mme Lotte Peeters et n° 56000785C de M. Xavier Dubois sont retirées ou, en tout cas, reportées faute de combattants.

De steeds zorgwekkendere staat van het gebouw van het Rijksarchief in Louvain-la-Neuve

Gesteld aan

Thomas Dermine

op 12 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De sluiting van de leeszaal in de Rijksarchieven te Louvain-la-Neuve was tijdelijk door personeelstekort (geen infrastructuurprobleem) en werd op 26 september opgelost, aldus Dermine, die benadrukte dat het een organisatorisch, geen budgettair issue was. Enkel in Brussel lopen momenteel asbestverwijderingswerken (zonder dienstverstoring), met geen andere geplande renovaties in 2024. De Smet onderstreept het kritieke belang van optimale archiefconservering, maar stelt geen verdere actiepunten. Kernpunt: personeels- en beheersuitdagingen wegen zwaarder dan infrastructuur.

François De Smet:

La presse s'est fait l'écho récemment de la situation préoccupante du bâtiment qui abrite les archives de l’Etat à Louvain-La-Neuve au sein duquel la salle de lecture est temporairement fermée, faute de personnel d’entretien. ​

La sauvegarde de la mémoire institutionnelle de notre pays nécessite de permettre à cet établissement scientifique fédéral d’assurer l’ensemble de ses missions.

En conséquence, Monsieur le Secrétaire d’Etat peut-il me faire savoir :

si la situation à titre spécifique de l’infrastructure des Archives de l’Etat à Louvain-la-Neuve lui a été relatée et si des mesures provisoires de réparation seront entreprises afin de permettre la réouverture de la salle de lecture

si au cours de ce dernier quadrimestre 2024 des travaux ont été budgétés au sein d’un ou plusieurs sièges des Archives de l’Etat dans notre pays?

Thomas Dermine:

Monsieur De Smet, comme indiqué dans la presse, le service des Archives générales du Royaume à Louvain-la-Neuve a été fermé durant quelques semaines car, suite à une absence, le nettoyage des locaux n’a pas pu être assuré faute de personnel. La salle a pu rouvrir le 26 septembre.

Il ne s’agit donc pas en l’occurrence de problèmes d’infrastructure, mais d’un problème d’organisation interne et d’un manque de moyens relatifs au personnel.

Aux Archives générales du Royaume à Bruxelles, des travaux de désamiantage sont en cours, travaux pour lesquels les mesures de sécurité nécessaires ont été prises. Ces travaux n’ont pas d’impact sur le service public.

À notre connaissance, d’autres travaux ne sont pas budgétés dans les bâtiments des Archives de l’État durant le dernier quadrimestre de cette année.

François De Smet:

Monsieur le secrétaire d'État, je vous remercie pour votre réponse très complète. Je ne saurais trop insister sur la nécessité de conserver ces archives de l’État dans le meilleur état possible.

De moeilijke arbeidsomstandigheden in de non-profitsector
De betoging van de non-profitsector
De betoging van de non-profitsector
De betoging van de non-profitsector
De actie van het zorgpersoneel
Arbeidsacties in non-profitsector en zorg.

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Overbelaste zorg- en non-profitsectoren (verpleging, onderwijs, kinderopvang) waarschuwen met massale betogingen (30.000+ deelnemers) voor onhoudbare werkdruk, chronisch personeelstekort en dalende kwaliteit door jarenlange bezuinigingen en slechte arbeidsomstandigheden—met name onvoorspelbare roosters, lage lonen, bureaucratie en gebrek aan erkenning. Minister Vandenbroucke erkent vooruitgang (hogere lonen, Zorgpersoneelfonds, betere opleidingen) maar benadrukt dat verdere investeringen *en* hervormingen (minder prestatiedruk, efficiënter ziekenhuisbeleid, taakherschikking) cruciaal zijn, ook in krappe budgettaire tijden. Kritiekpunten blijven hardnekkig: dreigende bezuinigingen (bv. nachtpremies, pensioenen), mislukte hervormingen (IFIC-barèmes jagen verplegers weg) en structureel gebrek aan aantrekkingskracht—zonder drastische actie dreigt instorting van essentiële diensten. De sector eist concrete garanties: stabiele financiën, betere werk-privébalans en waardering voor "onzichtbaar" maar maatschappelijk kritiek werk.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, chers collègues, monsieur le ministre, aujourd'hui, des milliers de travailleurs du secteur non marchand manifestaient pour dénoncer à nouveau des conditions de travail devenues intenables, et une pénurie de personnel qui n'en finit pas de s'aggraver. Des infirmières, des travailleurs sociaux, des profs, des éducateurs, des animateurs et bien d'autres professions essentielles lancent à nouveau un cri d'alarme. Leur message est clair: la précarité, les pénuries et la surcharge de travail empêchent l'exercice de leur profession et décourage les nouvelles recrues, ce qui rend impossible la continuité de ces métiers, pourtant essentiels.

Dans le secteur infirmier, je citerai un nouveau chiffre: un quart des professionnels a déjà envisagé d'abandonner ce poste. C'est un signal qui doit nous alarmer.

Ces métiers constituent pourtant le fondement d'une société humaine; ce sont eux qui prennent soin de nous quand nous sommes fragiles, et qui nous accompagnent dès la naissance jusqu'au plus grand âge. Lorsque ces métiers s'arrêtent, c'est le moment où on se rend compte de leur présence à nos côtés. Ce sont les écoles qui raquent, ce sont les crèches qui ferment, ce sont les maisons de repos et les hôpitaux qui ne savent plus fonctionner.

Et pourtant, certains n'ont rien trouvé de mieux à faire que réaliser des coupes dans ces secteurs, au niveau des entités fédérées. C'est également ce qui est apparemment envisagé au niveau du fédéral. Ces politiques d'austérité menacent grandement ce secteur déjà sous tension.

Ce dont nous avons besoin, ce sont des choix politiques qui placent l'humain et l'environnement au cœur des décisions, avec des financements à la clé, qui permettent de répondre aux besoins actuels et futurs de notre société. Par contre, ce dont nous n'avons pas besoin, monsieur le ministre, c'est de flexibilisation et de flexi-jobs alors que certains n'ont que ces mots à la bouche pour répondre aux pénuries. Ces travailleurs méritent de la stabilité, de la reconnaissance et de bonnes conditions (…)

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, onder andere de zorgsector komt vandaag op straat om grote zorgen met ons te delen. Er zijn 124.000 extra mensen nodig tegen 2040 om ons huidige systeem draaiende te houden. Men vraagt zich af of men die mensen zal vinden, wat er zal gebeuren met de werkdruk als men die mensen niet vindt en of wij die mensen überhaupt kunnen betalen.

Mijn antwoord daarop is ja. Ik las vandaag in de krant dat wij voor één heel specifiek onderzoek alleen al 4 miljoen euro per jaar te veel betalen, een derde meer dan in de buurlanden. Het is een kost die jaarlijks explodeert. Die cijfers van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) tonen aan dat er nog vet op de soep zit in de gezondheidszorg.

Mijnheer de minister, wat zult u ondernemen om die overconsumptie in de gezondheidszorg aan te pakken en dat geld te besteden aan al die handen aan het bed, om ervoor te zorgen dat zij gesteund worden, dat hun werkdruk niet stijgt en dat hun loon gegarandeerd blijft in de toekomst?

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le président, monsieur le ministre, plus de 10 000 personnes ont manifesté aujourd'hui dans la rue pour le secteur non marchand. J’interviens particulièrement pour le personnel soignant, parce que je sais combien l’efficacité du personnel soignant est importante pour une société plus juste et plus solidaire.

Je pense qu’un certain nombre de réformes doivent être menées pour lutter contre la pénurie de ce personnel. Il n’y a pas de médecine sans médecins. Il n’y a pas de santé sans soins, et il n’y a pas de soins sans soignants. C’est donc tout à fait essentiel pour nous.

Certains voudraient faire croire que la pénurie de personnel soignant serait le résultat d’une politique qui sera menée dans les années futures. C’est évidemment absurde. C’est le résultat de ce qui a été effectivement fait au cours des dernières années. Il faut en assumer la responsabilité.

Monsieur le ministre, comment pouvez-vous rassurer ce personnel aujourd'hui? Quel est l’état des lieux des réformes en cours pour lutter contre cette pénurie?

On sait qu’aujourd'hui, sur 223 000 infirmiers diplômés, seulement 60 % travaillent dans le secteur des soins. Il y a donc manifestement un problème d’attractivité, qui est très fort aujourd'hui et qui mérite une réforme des conditions de travail dans les hôpitaux, dans les maisons de repos. Il faut notamment évaluer les nouveaux barèmes IFIC (Institut de classification de fonctions), qui n’ont pas été un grand succès. Il faut lutter contre la charge administrative, la bureaucratie excessive qui rebute beaucoup de membres du personnel infirmier notamment.

Monsieur le ministre, quelles mesures comptez-vous prendre? Quelles mesures sont-elles engagées pour lutter contre cette pénurie délétère pour le bien-être de nos patients dans ce pays?

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, ce matin, j'étais dans le train vers la manifestation du secteur non marchand, avec des aides à domicile, des éducateurs, des enseignants, des artistes, mais également des soignants. J'ai discuté avec Valérie, qui est infirmière depuis plus de 30 ans. Elle m'a raconté que, lundi dernier, alors qu'elle faisait le shift du matin avec ses collègues de nuit, l'infirmière qui devait travailler au service de gériatrie était malade. L'hôpital avait donc fait appel à une intérimaire, qui a découvert le service et ses patients, tout en étant épaulée par des aides-soignantes volantes, faisant des allers-retours entre les services.

La nuit a été longue, mais chacune a fait de son mieux pour transmettre un rapport correct sur la vingtaine de patients à Valérie et ses collègues prenant le relais. La journée commence, mais il manque à nouveau un collègue et il faut faire avec pour la tournée des patients, la prise de paramètres, la distribution des médicaments, les soins, les repas. Pendant tout son service, Valérie ne soufflera pas une minute, avec ce sentiment de ne jamais faire assez bien les choses et de ne jamais être assez présente au chevet des patients. C'est comme cela depuis des mois et des mois.

C'est pour cette raison que Valérie a été manifester, pour elle, pour ses jeunes collègues qui sont nombreux à quitter le métier et pour les patients. Soyons clair, si rien n'est fait, la qualité des soins va continuer à se dégrader et la pénurie va s'intensifier.

Monsieur le ministre, le secteur réclame aujourd'hui ce qu'il réclamait déjà avant la pandémie de covid, avant les applaudissements aux fenêtres. Ils sont évidemment conscients des investissements qui ont été décidés ces dernières années avec le Fonds blouses blanches, la revalorisation des salaires, les efforts pour la formation, mais ce n'est toujours pas assez. Et, malgré cela, des économies dans les soins de santé seraient négociées.

Monsieur le ministre, qu'est-ce qui attend toutes ces femmes et tous ces hommes qui se donnent corps et âme pour prendre soin des autres?

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, je ne sais pas ce que vous avez fait ce matin. De mon côté, j'étais dans les rues de Bruxelles. Ce n'était sans doute pas le cas de M. Bacquelaine puisque les manifestants des soins de santé et du non-marchand n'étaient pas 10 000 ou 20 000 mais bien plus de 30 000! Cela faisait chaud au cœur de voir une telle représentation.

Monsieur le ministre, ces manifestants se demandent quand vous allez les écouter. En écoutant leurs récits, nous nous rendons compte que leurs problèmes sont récurrents: la charge de travail toujours plus grande, l'impression de ne pas pouvoir exercer son métier comme il le faut. Ils ont choisi leur profession pour avoir un travail humain, pour être auprès de leurs patients et leur consacrer du temps mais au final, ils ne font que courir, en ayant l'impression de travailler dans une usine.

Les plans qui sont aujourd'hui sur la table les inquiètent très fortement. On se dit qu'une infirmière qui travaille lourdement, avec des horaires irréguliers, devrait être récompensée. Or on parle d'une suppression des primes de nuit, ce qui signifie 300 euros par mois en moins. On se dit aussi que toutes ces femmes qui travaillent dans le non-marchand, notamment dans les crèches, et qui veulent prendre leur pension à un certain âge devraient avoir une pension digne. Or il faut une carrière de 35 années de travail pour partir à la pension, sous peine de perdre des centaines d'euros. C'est tout simplement scandaleux!

Monsieur le ministre en affaires courantes, négociateur d'un futur gouvernement, allez-vous écouter le personnel soignant? Les avez-vous reçus et allez-vous répondre à l'urgence de leurs demandes?

Voorzitter:

Mijnheer de minister, heel wat vragen zijn gesteld, daarom krijgt u vijf minuten spreektijd om de vraagstellers van antwoord te dienen.

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, geachte leden, de betoging die vandaag heeft plaatsgevonden, is een zeer belangrijk signaal.

We hebben de voorbije jaren al ingezet op betere lonen en betere arbeidsvoorwaarden. Mensen die vandaag beginnen te werken in de zorgsector, hebben gelukkig duidelijk een beter loon dan mensen die enkele jaren geleden begonnen in de zorg. Wij hebben met het Zorgpersoneelfonds ook volop geïnvesteerd in betere tewerkstellingsmogelijkheden en meer ondersteuning van verpleegkundigen. Het resultaat is dat op federaal niveau in de zorg 5.000 voltijds equivalenten meer aan de slag zijn. Er is ingezet op mooie opleidingsprojecten die ook succes hebben. Over de arbeidsomstandigheden is eveneens met succes onderhandeld. Verbeteringen vonden plaats inzake vakantieregelingen en individuele vorming. De arbeidsovereenkomsten zijn stabieler geworden en omvatten vaker contractuele uren of recht op voltijds werk voor wie dat wenst. De uurroosters zijn meer voorspelbaar en er zijn betere regelingen voor klein verlet.

Hoort u mij nu zeggen dat dit voldoende is? Neen, de strijd gaat voort. We hebben gevochten voor verbeteringen en die hebben we in de voorbije jaren ook gerealiseerd, maar als het van mij afhangt zal de volgende regering hoe dan ook, zelfs als de marges zeer beperkt zijn, zelfs als wij door een periode moeten gaan waarin de begroting op orde gezet moet worden, moeten zoeken naar middelen om te investeren in ons zorgpersoneel.

Dat betekent inderdaad dat we niet alleen moeten investeren in gezondheidszorg, maar ook dat we moeten durven hervormen. Collega van Open Vld, u hebt gelijk als u zegt dat de individuele prestatiegeneeskunde tot excessen leidt. Het financieringssysteem moet dus veranderen.

Mevrouw Merckx, u vroeg mij waar ik deze morgen was. Ik zat niet hoog in mijn bureau, maar wel eerst in Leuven en daarna in Éghezée, voor een uitvoerige gespreksronde met alle ziekenhuisdirecties van dit land. Ik heb daar ook gezegd dat ik meer wil investeren in de ziekenhuizen, maar in het financieringsmodel van de ziekenhuizen moeten we weg van het prestatiemodel en moeten we streven naar meer doelmatigheid en verantwoordelijkheid. Ik heb ook opgeroepen om samen na te denken over een herorganisatie van de ziekenhuizen, met als belangrijkste criterium dat wij het zorgpersoneel beter zouden kunnen inzetten, aangezien we inderdaad grote tekorten hebben. Daarmee heb ik meteen even gemeld waar ik deze ochtend mee bezig was.

Kortom, dit betekent inderdaad investeringen en hervormingen, ook in het beroep.

C'est ce que nous avons fait. Vous savez que nous avons notamment mené une vaste réforme de la profession d'infirmière afin de la rendre plus attrayante. Nous avons créé de larges possibilités d'entrée dans la profession à différents niveaux; nous avons créé des possibilités de progression au cours de la carrière, des possibilités de coopération plus intéressantes en valorisant tous les talents et toutes les compétences. Je crois que c'est dans cette direction qu'il faut poursuivre.

Je crois qu'il faut également réfléchir aux besoins réels. À cette fin, la Commission de planification travaille activement à des scénarios alternatifs qui tiennent mieux compte des besoins et des aspirations des infirmiers et infirmi è res ainsi que de tout le personnel soignant pour mieux saisir ce qui sera vraiment nécessaire à l'avenir.

Ik meen dus dat wij inderdaad verder moeten investeren in het zorgpersoneel, maar dat wij tegelijkertijd moeten hervormen. Het gaat om betere lonen, om betere arbeidsvoorwaarden, om meer mensen aan de slag in de ziekenhuizen. Maar het gaat er ook om dat het talent van eenieder die kiest voor de zorg maximaal wordt gevaloriseerd, dat verpleegkundigen worden ingezet waarvoor ze opgeleid zijn, dat zij ontlast worden van taken die ook anderen kunnen doen, dat verpleegkundigen mogelijkheden krijgen die vandaag enkel zijn voorbehouden voor artsen, mogelijkheden waarvoor zij nochtans ook zinvol kunnen optreden. Die soort hervorming is nodig. Die weg zijn wij ingeslagen, en die weg moeten wij verder inslaan.

Geachte leden, ik meen dat deze betoging een belangrijk signaal was voor eenieder die verantwoordelijkheid opneemt in dit land. Ook in tijden waarin de marges uiterst beperkt zullen zijn, waarin het budgettair moeilijk zal zijn, moeten wij middelen vinden om het zorgpersoneel te steunen. Wij moeten investeren, maar wij moeten ook hervormen. Dat is de boodschap.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.

Bien sûr, des choses positives ont été faites ces dernières années. Soyons de bon compte, ce matin, les manifestants tiraient la sonnette d'alarme par rapport à certaines mesures qui viennent d'être annoncées au niveau des entités fédérées mais aussi par rapport à certaines fuites des négociations au niveau fédéral qui sont extrêmement alarmantes.

Admettons également que certaines réformes n'ont pas porté les fruits escomptés. Par exemple, la réforme de l'IFIC est une catastrophe. Si vous allez dans les hôpitaux, les infirmières vous diront que cela crée une véritable fuite des cerveaux et des études d'infirmière.

Pour conclure, chers collègues, saquer dans le non-marchand est un très mauvais calcul. Cela signifie que vous saquez dans votre propre capacité à avoir des soins pour vous-même, votre famille et votre entourage lorsque vous en aurez besoin et lorsque vous vieillirez. Vous saquez dans la capacité de vos enfants et de votre entourage à avoir une place en crèche, à avoir des garde-malades, à avoir accès à un secteur culturel enrichissant. (…)

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de minister, u zegt terecht investeren en hervormen, want het geld groeit inderdaad niet aan de bomen. Men kan mensen niet oneindig belasten. We moeten sober omgaan met de middelen die er zijn. U noemt dat doelmatig en verantwoordelijk.

Eigenlijk zeggen we hetzelfde. We moeten ervoor zorgen dat het budget onder controle blijft, dat we de excessen eruit halen, dat we de overconsumptie eruit halen. We moeten niet besparen om te besparen, maar wel om ervoor te zorgen dat we die handen aan het bed valoriseren, dat we die mensen erkennen in hun werk. We moeten ervoor zorgen dat we daar de werkdruk onder controle kunnen houden. Dat is de uitdaging die we in de komende jaren samen zullen moeten aangaan.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, la pénurie du personnel soignant n'est pas seulement un problème budgétaire. La vice-présidente des Mutualités chrétiennes indiquait justement ce matin dans la presse que des budgets étaient sous-utilisés et que des économies étaient faites parce qu'on ne trouvait pas de personnel à engager dans certains hôpitaux et maisons de repos.

Le problème porte sur le caractère attrayant de la profession. Donc, la réforme du paysage hospitalier est quelque chose d'essentiel, de même que celle du barème IFIC, comme cela été dit. Je partage cet avis. Il s'agit aussi de gratifier davantage le temps passé avec les patients. C'est extrêmement important, parce que cela permet également des économies. En effet, plus on valorise l'acte intellectuel, moins d'actes techniques sont accomplis dans ce pays. Par conséquent, je prône pour toute une série de réformes et, notamment, une proposition que je défends relativement à la pénibilité du métier d'infirmière, mais qui n'a malheureusement pas été reprise par le gouvernement Vivaldi.

Marie Meunier:

Monsieur le ministre, comme vous l'avez dit, la santé ne peut pas être une variable d'ajustement. Désinvestir dans les soins se paie cher et avec intérêts: des travailleurs de moins en moins nombreux, une pression croissante sur ceux qui restent, des professions qui n'attirent plus et des soins dégradés. Il faut pouvoir dire "stop"!

Il faut rassurer le secteur, notamment en adoptant le budget 2025, qui est toujours bloqué par les libéraux. Il faut revaloriser le métier des soins, améliorer les conditions de travail des soignants, leur permettre de mieux concilier leur travail et leur vie privée, donner l'envie aux jeunes de s'engager dans la profession, donner du temps et des bras au secteur des soins.

Dans la rue, aujourd'hui, aux côtés des soignants défile tout le non-marchand. Je pense aux aides à domicile, aux puéricultrices, aux enseignants, mais aussi aux acteurs de la culture. Ces travailleurs sont le ciment de notre solidarité et le pilier de notre bien-être collectif. Il faut les entendre et pouvoir leur apporter des réponses concrètes. Je vous remercie.

Sofie Merckx:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, u bent vanochtend met directeurs van ziekenhuizen gaan praten. Misschien was u beter naar Brussel gekomen om in de straten te spreken met die 10.000, 20.000, 30.000 mensen die dagelijks aan het bed bij de patiënten en bij de ouderen werken en die de realiteit kennen. U zegt dat u van alles hebt gedaan waardoor alles beter is. Neen, mijnheer de minister, de situatie is vandaag niet beter in de zorgsector. Er werd geïnvesteerd maar er moeten veel meer middelen worden vrijgemaakt. U brengt ook een beetje een dubbel discours. U spreekt over besparen én investeren. Wat gaat u doen? Zult u besparen of zult u investeren in de zorg? De mensen in de zorgsector zien wat aangekondigd wordt. Er is sprake van 300 euro minder per maand voor een verpleegster, omdat ze niet meer goed betaald zal worden voor nachtwerk. Er zou een lager pensioen zijn voor de mensen in de zorgsector die geen volledige carrière hebben opgebouwd (…).

De strijd tegen hiv
De strijd tegen hiv
HIV-bestrijding

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De stijging van hiv-besmettingen (13% in 2023, 665 nieuwe gevallen) baart zorgen, ondanks beschikbare preventie zoals PrEP (preventiepil), die nu enkel via hiv-centra wordt voorgeschreven—een drempel voor kwetsbare groepen. Oppositie (Depoorter, Van Hoof) eist dat huisartsen PrEP mogen voorschrijven om toegankelijkheid te vergroten, wijzend op taboes, wachtlijsten en het succes van huisartsen bij hiv-diagnoses. Minister Vandenbroucke benadrukt dat PrEP-opvolging al versoepeld is (na eerste consult in hiv-centrum) en dat onverzekerden nu toegang krijgen via medische centra, maar erkent dat condoomgebruik daalt en sensibilisering cruciaal blijft. Hij wijst op het nationaal hiv-plan (tot 2026) met extra budget, maar ontwijkt een directe toezegging voor huisartsvoorschriften, wat de oppositie als vermijding van verantwoordelijkheid ziet.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, voor het derde jaar op rij stijgt het aantal nieuwe hiv-besmettingen en in 2023 moesten 665 patiënten horen dat ze met hiv besmet zijn. Dat zijn er 13 per week, 13 % meer dan het jaar ervoor. Dan kunnen we ons vragen stellen bij ons beleid, want een hiv-besmetting is niet niets. Die zet een leven immers on hold en zorgt ervoor dat men heel veel taboes moet doorbreken en levenslang medicatie moet nemen. We hebben een lange weg afgelegd en we hebben goede medicatie die de patiënten in leven houdt, maar we kunnen hiv niet genezen.

Wat zegt Sciensano in zijn rapport? Dat we nieuwe hiv-besmettingen moeten proberen te voorkomen. Ik ben ervan overtuigd dat u dat weet. Wat kunnen we daarvoor doen? We kunnen beter sensibiliseren, want de groepen die op dit moment worden getroffen zijn divers. We kunnen sensibiliseren om meer condooms te gebruiken en informeren over hoe een dergelijke seksueel overdraagbare aandoening wordt doorgegeven. Ook sneller testen is heel belangrijk, een vroege diagnose is er op vandaag nog niet. We kunnen ook zorgen voor een betere toegankelijkheid tot medicatie. Er bestaat medicatie die men profylactisch kan nemen en die terugbetaald wordt wanneer een hiv-centrum daarvoor een terugbetalingsattest verstrekt. Volgens Sciensano is die medicatie echter niet toegankelijk genoeg. Die zouden we breder aan onze patiënten moeten kunnen aanleveren. Onze patiënten zouden de weg naar de terugbetaling gemakkelijker moeten vinden.

Er is een objectieve en snelle weg voor terugbetaling en dat is via de huisarts. Bent u bereid om ervoor te zorgen dat meer patiënten een eerste voorschrift voor PrEP kunnen krijgen via de huisarts?

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, mijn collega heeft reeds de cijfers geciteerd.

Vorig jaar kregen 665 personen het verdict van hiv, wat neerkomt op maar liefst twee personen per dag. Dat is enorm, het is een stijging van 13 % en we zien dat die stijging zich de laatste drie jaar voortzet. Ook al is hiv niet langer een doodvonnis, het stigma blijft en de gevolgen zijn enorm. Het wordt een chronische ziekte en preventie blijft het codewoord. We horen dat er een preventiepil PrEP is, sinds 2017 terugbetaald, die al door bijna 9.000 personen wordt gebruikt. Dat is zeer goed.

Enerzijds stellen we vast dat er een condoommoeheid heerst, anderzijds blijkt dat de PrEP-pil te weinig toegankelijk is, zeker voor kwetsbare personen door praktische drempels. Het is ook een taboe, want men moet zich begeven naar een hiv-referentiecentrum. Zeker voor kwetsbare personen is dat een hoge drempel. Bovendien stellen we vast, dat lazen we ook al de vorige jaren, dat er regelmatig wachtlijsten zijn voor die hiv-referentiecentra.

Wat cd&v vraagt is heel gewoon: maak zorg nabij. Zorg dat het stigma wordt doorbroken. Daarom vinden we heel concreet dat de preventiepil PrEP moet kunnen worden voorgeschreven door de huisarts. Dit werd concreet al enkele keren gevraagd door collega Nawal Farih. Ook dit jaar werd een resolutie aangenomen, voorgesteld door cd&v en unaniem goedgekeurd in de Senaat, waarin dit ook heel concreet werd gevraagd en ondersteund door uw partij.

Mijn vraag is heel concreet. U kondigde op een bepaald moment aan dat soepele voorwaarden nodig zijn voor het voorschrijfgedrag, maak hier alstublieft werk van en zorg ervoor dat PrEP kan worden voorgeschreven door de huisarts. Hoe kan men er anders voor zorgen dat minder mensen met hiv besmet worden?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Depoorter, mevrouw Van Hoof, we hebben een aantal jaren een duidelijke daling gezien van het aantal hiv-infecties. Helaas is wat we de voorbije jaren zien niet goed, het aantal infecties stijgt opnieuw. We moeten dus absoluut opnieuw aanknopen met een actie die het mogelijk maakt dat de infecties dalen. We zien immers dat enerzijds het gebruik van PrEP aanzienlijk toeneemt, terwijl anderzijds andere soa’s, zoals gonorroe, toenemen. Daarover moeten we wel even nadenken.

Gezondheidsexperts stellen dat PrEP op dit ogenblik een succesverhaal is. Er zijn echter een paar andere problemen die zich steeds duidelijker manifesteren, zoals het dalende condoomgebruik. Daarop moeten wij dus inzetten.

Wij hebben samen met de deelstaten een nationaal hiv-plan uitgewerkt, dat tot 2026 loopt. Het gaat uit van de vaststelling dat elke besmetting er één te veel is. We hebben op federaal niveau een miljoen euro extra uitgetrokken voor dat plan, boven op het bedrag van 13 à 14 miljoen euro dat het RIZIV daarvoor al inschrijft. Het plan is twee jaar geleden helemaal op punt gesteld samen met alle betrokkenen, ook de patiënten. We hebben dat gedaan samen met de collega’s van de deelstaten, zoals mevrouw Crevits in Vlaanderen. Met een hele batterij acties zetten wij in op preventie, op testen, op goede zorg en op levenskwaliteit. Dat gaat van het blijvend sensibiliseren inzake seksuele gezondheid tot zelfs het systematisch contacteren en opnieuw oproepen van patiënten die niet voor hun follow-up opdagen.

PrEP is heel belangrijk als preventieve hiv-behandeling. PrEP wordt ook terugbetaald. De versoepelingen die zijn gevraagd, zijn ondertussen gerealiseerd, ze zijn er. Voor een intake gaat een patiënt naar een hiv-referentiecentrum. Dat is logisch, daar zit de expertise. Daarna kan die patiënt bij de huisarts terecht voor de hele opvolging. We hebben die versoepeling mogelijk gemaakt. Dat was daarvoor niet mogelijk, men moest altijd terug naar de specialist in het referentiecentrum. Die versoepeling is een groot succes, want het gebruik van PrEP neemt aanzienlijk toe.

Het volgende probleem, waarop mevrouw Van Hoof heeft gewezen, is het feit dat er bijzonder kwetsbare mensen zijn die zelfs niet verzekerd zijn. Ook daar kan ik u zeggen dat we eindelijk een oplossing hebben, want zeer recent heeft het Verzekeringscomité beslist om de medische en sociale centra voor sekswerkers een extra opdracht te geven, namelijk: PrEP ook toedienen aan mensen die niet verzekerd zijn. Dat is buitengewoon belangrijk. Daarmee is een laatste duidelijk drempel van financiële toegankelijkheid weggewerkt. Ik geloof dat de duidelijk stijgende cijfers van het gebruik van PrEP verder in die richting zullen evolueren.

Laten we het debat dus niet te veel toespitsten op PrEP. Dat is op zichzelf een succesverhaal, maar het volstaat absoluut niet. We moeten inzetten op seksuele en relationele vorming en op het gebruik van voorbehoedsmiddelen, want hiv is een ziekte die men kan vermijden, zoals u zegt, maar als men ze heeft, is het een levenslang probleem. Scholen, organisaties op het terrein, maar ook socialemediakanalen, moeten dus volop op sensibilisering blijven inzetten.

We hebben ter zake een goede samenwerking met de collega's in de deelstaten, die op het vlak van de sensibilisering hun rol spelen. Ik zal dat verder opvolgen en bespreken met de collega's in de deelstaten. In die zin zijn de cijfers die vandaag gepubliceerd zijn een belangrijk signaal en een wake-upcall.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, we hebben een plan nodig, maar u gaat in uw antwoord uw verantwoordelijkheid uit de weg. Als minister van Volksgezondheid bent u bevoegd voor de terugbetaling van het medicijn PrEP, dat een hiv-besmetting kan voorkomen. Zoals u hebt gezegd, moet een patiënt zich nu naar een hiv-centrum begeven. Dat is echter een drempel. Dat eerste contact, dat doorbreken van het taboe, nemelijk zeggen dat men tot een risicogroep behoort, willen die patiënten met hun huisarts bespreken.

Als u kijkt naar het aantal hiv-diagnoses, ziet u dat de helft door de huisarts wordt gesteld. Geloof dus in de huisarts, geef hem vertrouwen en geef uw patiënten de zorg die ze nodig hebben, dicht bij huis.

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, collega's, het hiv-actieplan is inderdaad heel belangrijk: we moeten opsporen, testen en behandelen. Preventie is echter het codewoord. PrEP speelt daarin een heel belangrijke rol. Er zijn inderdaad zaken versoepeld, maar de drempel blijft bestaan. Ik zie een jongere nog niet gemakkelijk naar een hiv-referentiecentrum gaan. De huisarts moet dus PrEP kunnen voorschrijven. Ik begrijp niet waarom dat niet mogelijk kan worden gemaakt. Het is het eerste middel dat men moet gebruiken ter preventie. De huisarts is daartoe de beste manier, zeker nu men vaststelt dat hiv-besmettingen zich niet beperken tot de homogemeenschap. Het is veel diverser geworden, er zijn nieuwe besmettingen in alle leeftijdscategorieën en ook de heterogemeenschap wordt ermee geconfronteerd. We moeten vanaf nu een dam oprichten. Op 1 december is het Wereldaidsdag. We moeten dat lintje met trots kunnen dragen. Zorg er dus voor dat ook de huisarts PrEP kan voorschrijven.

De vergoeding voor verpleegkundige stages

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 7 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

CD&V pleit voor een sterk statuut voor verpleegkundigen in opleiding, met onkostenvergoeding voor stages (nu vaak 20-30€ eigen kosten) en meetellen van stage-uren voor anciënniteit, om het beroep aantrekkelijker te maken gezien het tekort van 124.000 zorgkundigen tegen 2040. Minister Vandenbroucke wijst naar Vlaamse bevoegdheid (onkostenvergoeding bestaat al deels) en ziet geen meerwaarde in federaal statuut, maar benadrukt wel betere carrièremogelijkheden en valorisatie na de verlengde opleiding. CD&V vindt zijn antwoord onvoldoende concreet en dringt aan op federale afstemming met Vlaams minister Gennez, nu Vlaanderen al 1.000€ per student uitkeerde aan 3.800 verpleegkundigen in opleiding.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, verpleegkundigen hebben een heel dienstbaar beroep. Zij zetten zich in voor de samenleving door hun zorgende bijdrage. We staan echter voor enorm grote uitdagingen. Tegen 2040 hebben we maar liefst 124.000 extra zorgkundigen nodig. Dat is een gigantisch aantal, maar zoveel zijn er effectief nodig om dezelfde zorg als vandaag te kunnen aanbieden.

In dat verband wordt er wel vaker gesproken over maatregelen ter bevordering van de aantrekkelijkheid van het beroep. In de eerste plaats moeten we echter studenten mobiliseren om in het beroep van verpleegkundige in te stappen. Vandaag draaien studenten in hun vierde jaar verpleegkunde, die maar liefst 800 uren stage lopen, op voor de gemaakte onkosten. Dat kan voor cd&v niet. Het kan voor ons niet dat stagiairs die 800 uren meedraaien in een zorginstelling zelf voor hun werktenue moeten zorgen. Het kan voor ons niet dat stagiairs die meedraaien in een zorginstelling maar liefst 20 tot 30 euro verplaatsingskosten hebben om daar te geraken.

Voor cd&v is het heel belangrijk dat er een sterk statuut komt voor verpleegkundigen in opleiding. Dat wil zeggen dat wij moeten zorgen voor een onkostenvergoeding wanneer zij stage lopen. Daarnaast vinden wij als partij dat de 800 uren stage, waarmee studenten niet alleen bijleren maar ook bijdragen, moeten worden meegeteld bij de opbouw van hun anciënniteit zodra ze in de zorgsector instappen.

Mijnheer de minister, hoe kijkt u naar de kwestie? Hoe zult u ervoor zorgen dat niet enkel het beroep aantrekkelijk is, maar ook de opleiding en de stage?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Farih, we hebben samen met de mensen op het terrein een toekomstagenda over het werken in de zorg opgesteld. Dat is een grote oefening waarmee we een volgende ronde van sociaal overleg voor het zorgpersoneel willen voorbereiden, want daar moet opnieuw in geïnvesteerd worden.

Uit die toekomstagenda blijkt overduidelijk het belang van goede stages, met een goede begeleiding tijdens de stage en goede werkomstandigheden. Dat is onontbeerlijk. Dat is een uitermate belangrijke verantwoordelijkheid van de onderwijssector en van de verantwoordelijken van de werkplekken. De Vlaamse overheid voorziet naar aanleiding van de verlenging van de opleiding van drie naar vier jaar al enkele jaren inderdaad in een onkostenvergoeding voor de stagiairs in het vierde jaar verpleegkunde. Het debat over de verbetering daarvan moet worden gevoerd in het Vlaams Parlement, dat bevoegd is voor de opleiding.

De Vlaamse regering heeft wel gevraagd of we zouden kunnen onderzoeken of een statuut van verpleegkundige in opleiding, ter verankering van wat zij met die vergoeding doet, iets zou bijdragen aan onze wetgeving. We hebben dat onderzocht en het heeft geen meerwaarde om in onze wetgeving op zorgberoepen nog eens een statuut bij te schrijven. Het debat over de onkostenvergoeding moet mijns inziens dus in het Vlaams Parlement worden gevoerd.

Ik wil beklemtonen dat de kwestie belangrijk is en dat we zeer veel hebben geïnvesteerd in de zorg en in de verpleegkunde. Ik noem de verbetering van de carrièremogelijkheden die we voor de bachelors tot stand brengen, wat ook de echte valorisatie is die nodig was voor de studenten waarvan de studie van drie naar vier jaar werd verlengd. Daar lag en ligt nog altijd een zeer groot deel van onze verantwoordelijkheid hier, maar ik denk dat u die mening deelt.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U hebt verschillende facetten van de uitdagingen die voor ons liggen geschetst. Ik vind het wat jammer dat u verwijst naar de Vlaamse regering, het is u immers niet onbekend dat heel wat interfederale discussies nog niet uitgeklaard zijn. Wij denken met cd&v wel dat een statuut de verpleegkundigen in opleiding kan versterken. Toen er een groot gat dreigde omdat er geen zekerheid kon worden geboden aan verpleegkundigen in opleiding en we dus voor een enorme uitdaging stonden, koos cd&v in Vlaanderen ervoor om 1.000 euro voor elke student uit te trekken. Maar liefst 3.800 studenten hebben daarvan kunnen profiteren. Het is schitterend dat u dat toejuicht, maar in uw antwoord had ik dan wel willen horen dat u uw Vlaamse collega-minister, mevrouw Gennez, over de kwestie zou aanspreken.

Het doorgeven van de staat van invaliditeit aan het RIZIV

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 6 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt grote verschillen in laattijdige doorsturing van invaliditeitsdossiers (0% tot 18,4%) door verzekeringsinstellingen (VI’s), zonder duidelijke verklaring, en stelt dat het huidige VARAK-systeem (financiële correcties op administratiekosten) onvoldoende responsabiliseert—terugstortingen bedroegen maximaal €458K/jaar. Sancties via artikel 166 zijn niet van toepassing, maar hij onderzoekt strengere maatregelen (wetswijziging of zwaardere VARAK-wegingsfactor) en proactievere opvolging door het RIZIV. Vertragingen leiden niet tot rechtverlies voor patiënten, maar een tolerantiemarge van 7,5% neutraliseert gevallen buiten VI-controle (bv. late medische attesten). Gijbels pleit voor sancties via artikel 166 of openbare rapportage om druk te verhogen, omdat financiële boetes nu te laag zijn.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, na één jaar primaire arbeidsongeschiktheid kan worden beslist om de primaire arbeidsongeschiktheidsuitkering te laten overgaan naar een invaliditeitsuitkering. Bij die beslissing wordt ook het RIZIV betrokken. Het RIZIV is verantwoordelijk voor de controle en de erkenning van het recht op invaliditeit, op basis van een voorstel van de adviserend arts.

Via de informaticatoepassing IDES sturen de verzekeringsinstellingen in de regel tussen de eerste en de laatste dag van de elfde maand van de primaire arbeidsongeschiktheid de motivering van de staat van invaliditeit door naar het RIZIV.

In het recentste activiteitenverslag van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC) lezen we dat de verzekeringsinstellingen nogal wat van die dossiers laattijdig naar het RIZIV sturen, hoewel er veel variatie zou bestaan tussen de verzekeringsinstellingen onderling. Terwijl sommige verzekeringsinstellingen geen enkel dossier laattijdig zouden doorsturen naar het RIZIV, zou dat bij andere verzekeringsinstellingen oplopen tot meer dan 20 %.

Minstens één verzekeringsinstelling zou 20 % van de dossiers over de staat van de invaliditeit te laat doorsturen naar het RIZIV. Over welke verzekeringsinstelling gaat het? Hoe hoog was dat percentage bij de andere verzekeringsinstellingen? Wat verklaart de grote verschillen tussen de verzekeringsinstellingen?

Op welke manieren zullen de verzekeringsinstellingen die deze gegevens zo vaak laattijdig doorsturen daarvoor geresponsabiliseerd worden? Wat is de concrete invloed, in termen van verminderde bedragen, van die fouten op het variabele deel van de administratiekosten van de verzekeringsinstellingen in kwestie? Zijn de sancties zoals opgenomen in artikel 166 van de ZIV-wet van toepassing en worden ze toegepast? Zo ja, welke sancties werden er toegepast? Vindt u die sancties en de boetebedragen voldoende responsabiliserend?

Wat is het gevolg voor de Dienst voor uitkeringen indien de gegevens te laat worden doorgegeven? Loopt de toekenning van de invaliditeitsuitkering dan vertraging op? Zo ja, leidt dat dan tot terugvorderingen?

Omdat de verzekeringsinstellingen niet verantwoordelijk zouden zijn voor alle vertragingen, zou er rekening worden gehouden met een tolerantie- of immuniteitsmarge van 7,5 %. Kunt u toelichten in welke gevallen de vertragingen niet de fout van de verzekeringsinstelling zouden zijn en op basis waarvan die tolerantiemarge bepaald is?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Gijbels, ik kan het cijfer van 20 % niet bevestigen. Ik kan u de huidige cijfers geven. De raad van de Controledienst voor de ziekenfondsen moet die wel nog valideren, maar ik kan ze u toch al geven, ten voorlopigen titel.

Voor verzekeringsinstelling VI100 was het 14,7 %, voor de VI200 4 %, voor de VI300 18,4 %, voor de VI400 0,97 % en voor de VI500 en VI600 0 %. Dat zijn grote verschillen die niet aanvaardbaar zijn. Het RIZIV heeft mij daarvoor op dit ogenblik geen verklaring gegeven. Dat moet verder worden bekeken, maar dat is nog niet helemaal geanalyseerd.

Responsabilisering is hier inderdaad aan de orde. Dit thema is al sinds 2019 van toepassing in het VARAK-systeem, de variabele administratiekosten. Als de verzekeringsinstellingen hun wettelijke opdrachten niet correct uitvoeren, gebeurt er een negatieve correctie van de variabele administratiekosten en moet de VI dat geld terugstorten aan het RIZIV. De Controledienst bepaalt welk percentage van de variabele administratiekosten terugbetaald moet worden.

Het besluit van januari 2017 bepaalt de termijnen waarbinnen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinair team een voorstel tot intreding invaliditeit moet opsturen naar de Geneeskundige Raad voor invaliditeit. Dat is meer bepaald tussen de eerste en de laatste dag van de voorlaatste maand voor de aanvangsdatum van het tijdvak van invaliditeit.

Het RIZIV is niet in staat om de ontbrekende fluxen INV01 vroegtijdig te detecteren, maar kan enkel a posteriori vaststellen dat die laattijdig werd ontvangen. Zoals u zei, blijkt daaruit dat voor sommige VI's het aantal laattijdige fluxen heel groot is. Sinds 2018 is er wel al meermaals overleg geweest tussen de medische directies van de VI en het RIZIV om deze problematiek te bespreken. Om de verzekeringsinstellingen bijkomend te responsabiliseren, is het domein dus vanaf 2020 ingevoerd in VARAK.6 Ik moet echter met u vaststellen dat de vertragingen op zich en de verschillen tussen de instellingen onaanvaardbaar blijven.

Het huidige artikel 166 van de gecoördineerde wet, waarin sancties worden voorzien voor een aantal situaties, is niet van toepassing op situaties die verband houden met het laattijdig versturen van deze gegevens. Op dit moment is het alleen binnen het systeem van VARAK mogelijk om de verzekeringsinstellingen te responsabiliseren wegens laattijdige overdracht van de gegevens.

Ik heb daarom aan het RIZIV gevraagd te onderzoeken of er een betere manier bestaat om de tijdigheid van de verzending van de fluxen intrede in de invaliditeit te garanderen, rekening houdende dus met wat expliciet is bepaald in het koninklijk besluit ter zake, en vooral om de verzekeringsinstellingen, waarvan zij tussentijds constateren dat de fluxen systematisch met vertraging worden doorgegeven, preventief te contacteren en de redenen daarvoor te onderzoeken.

In het kader van die reflectie zal het RIZIV nagaan wat de beste optie is om deze doelstelling te bereiken, ofwel een aanpassing van artikel 166 van de ZIV-wet, waarover ik dadelijk iets meer zal vertellen, ofwel een aanpassing van het bestaande systeem van de VARAK, maar dan bijvoorbeeld met een hoger gewicht voor dat specifieke domein.

Ik verklaar dat nader. De wegingscoëfficiënt, die elk jaar wordt vastgelegd door de Controledienst, bepaalt het te recupereren bedrag van administratiekosten in overeenstemming met de geobserveerde fouten. In dat proces 2 van de VARAK – ik citeer even: "de correcte en uniforme toekenning van rechten binnen de geldende termijnen in de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en termijnen" – vertegenwoordigt dit 15 % van het variabele deel van de administratiekosten. Aan dat proces werd voor het evaluatiejaar 2023 inderdaad een groter gewicht toegekend aan de TNW-domeinen. Het domein adviserend arts en tijdigheid van overdracht van de flux INV01 kreeg in dat proces een gewicht van drie twintigsten, dus 15 %. Wanneer u even meerekent, kunt u vaststellen dat het domein in het evaluatiejaar 2023 in totaal 15 % van 15 % is, zijnde 2,25 % van het globale variabele deel van de administratiekosten.

De concrete financiële weerslag ervan in euro kan nu nog niet worden bepaald, aangezien de Controledienst die berekeningen momenteel uitvoert. De raad van de Controledienst moet de berekeningen van de terugstortingen eerst valideren vooraleer ze definitief zijn. Ik kan u wel de cijfers voor het laatste geconsolideerde jaar, 2022, geven. Het totale bedrag aan terugstortingen voor dit specifieke domein bedroeg dat jaar 458.816,90 euro. In 2021 bedroeg het totale bedrag aan terugstortingen 2.685.749,07 euro en in 2020 was dit bedrag 486.305,27 euro. Dat waren de terugstortingen van de laatste drie geconsolideerde jaren voor dat specifieke domein waarop die 15 % van 15 % van toepassing is.

Artikel 166 is niet van toepassing, maar ik heb het RIZIV wel gevraagd te onderzoeken of de opname ervan in dit artikel dan wel een verzwaring van dit domein in VARAK de beste weg is om wat niet aanvaardbaar is uit de wereld te helpen. Voor alle duidelijkheid, een eventuele vertraging in het nemen van deze beslissing over de erkenning heeft geen invloed op de rechten van de sociaal verzekerden. De verzekerden blijven erkend en dus gedekt zolang er geen beslissing tot einde arbeidsongeschiktheid wordt betekend.

Daarover hebt u ook andere vragen gesteld. Ik zal de regelgeving hier even herhalen. De arts van de Dienst voor uitkeringen, lid van de Geneeskundige Raad voor invaliditeit, neemt een beslissing om de staat van invaliditeit al dan niet te erkennen en om in voorkomend geval de duur ervan te bepalen. Die beslissing wordt genomen op basis van het voorstel ontvangen van de adviserend arts of van de medewerker van het multidisciplinair team. De verzekerde blijft verder arbeidsongeschikt erkend zolang er geen beslissing tot einde arbeidsongeschiktheid wordt betekend door de Geneeskundige Raad voor invaliditeit of door de adviserende arts van het ziekenfonds zelf. De uitkeringen ten gunste van die verzekerden blijven dan ook behouden tijdens die periode.

De beslissingen van de arts van de Dienst voor uitkeringen, waarbij het einde van de staat van invaliditeit wordt vastgesteld, hebben geen terugwerkende kracht. Een beslissing wordt steeds genomen voor de toekomst. Als het voorstel van de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team laattijdig wordt ontvangen en de beslissing dus pas laattijdig kan worden genomen, kan dat niet leiden tot een terugvordering van de al betaalde uitkeringen.

Vervolgens verwijst u naar de tolerantie- of immuniteitsmarge van 7,5 %. Inderdaad, in bepaalde gevallen kan de verzekeringsinstelling zelf niet verantwoordelijk gesteld worden voor het laattijdig versturen van het voorstel tot intreding in invaliditeit naar de Geneeskundige Raad voor invaliditeit. In het Algemeen Beheerscomité van het RIZIV werd daarom in 2019 beslist om voor de onvermijdelijke laattijdige overdrachten een tolerantiedrempel van 7,5 % in te voeren, om die dan als laattijdige overdracht te neutraliseren. Dat betekent dat van de geconstateerde foutenscore 7,5 % afgetrokken wordt ter neutralisatie van de dossiers waarin de verzekeringsinstellingen niet of moeilijk in staat waren om de flux INV01 op tijd te maken.

De factoren die aangehaald worden waarom die tolerantiemarge van 7,5 % wordt gehanteerd, zijn van toepassing voor alle VI's. Ik bezorg u de details hiervan op papier. Indien een getuigschrift van verlenging van arbeidsongeschiktheid opgestuurd wordt op het einde van de elfde maand, kan een aanvraag tot invaliditeit nog opgestuurd worden in het begin van de twaalfde maand van primaire arbeidsongeschiktheid. Indien de verlenging slechts tijdens de eerste week van de twaalfde maand opgestuurd wordt, zal de flux INV01 te laat doorgestuurd worden. Datzelfde probleem doet zich voor bij spontane werkhervatting op het einde van de tiende maand met herval binnen de twee weken.

Een tweede casus omvat oproepingen die door de verzekerde geannuleerd werden op het einde van de elfde maand met een valabel excuus. Sowieso moet in zulke gevallen op het einde van de elfde maand een aanvraag tot invaliditeit opgestuurd worden.

Een derde casus zijn laattijdige verklaringen van bepaalde arbeidsongevallen of beroepsziekten.

Een vierde casus omvat dossiers waarbij de adviserend arts een einde stelt aan de arbeidsongeschiktheid, die vervolgens gecontesteerd werden, waarbij de rechthebbende nadien door de arbeidsrechtbank of het arbeidshof in het gelijk gesteld werd.

Een vijfde casus zijn mutaties van de ene VI naar een andere. Die kunnen enkel aanleiding geven tot een vertraging in de periode van de opmaak van het invaliditeitsdossier. Die dossiers kunnen gedetecteerd worden door de VI via de flux primaire arbeidsongeschiktheid zevende maand, te vergelijken met de VI van de flux INV01.

Andere types van dossiers zullen door de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle al op voorhand gemerkt en uitgefilterd worden, zoals dossiers die door de Dienst voor uitkeringen geweigerd en nadien met vertraging opnieuw opgestuurd werden en internationale dossiers: buitenlanders, pro-ratadossiers.

Samengevat, er zijn expliciete termijnen waarbinnen de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team een voorstel tot intreding in de invaliditeit moet opsturen naar de Geneeskundige Raad voor invaliditeit. Er is op dit moment geen sanctie in het kader van artikel 166, maar het VARAK-systeem werkt hier responsabiliserend op in.

Ondanks de tolerantiemarge waarover ik het had, zien we bij sommige VI's nog grote vertragingen. Dat lijkt, zo zegt men mij, het gevolg van moeilijkheden om de werklast te absorberen omdat er heel veel dossiers zijn. Ik vind dat eigenlijk geen afdoende verklaring voor de blijvend grote verschillen tussen de VI's. Daarom heb ik aan het RIZIV de opdracht gegeven om sneller en proactief in contact te treden met de betrokken VI's. Ik heb ook gevraagd om na te denken over het sanctiesysteem.

Met de hervormingen die we van toepassing hebben gemaakt vanaf 1 januari 2024 dient de adviserend arts of de medewerker van het multidisciplinaire team het dossier op regelmatige basis op te volgen in de periode van primaire arbeidsongeschiktheid, met een contact in de vierde, de zevende en de elfde maand. Deze meer regelmatige opvolging moet leiden tot een efficiëntere en meer tijdige voorbereiding van het dossier bij de intrede in de invaliditeit. Dat zou ook een gunstig effect moeten hebben op wat we hier vaststellen.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Het feit dat sommige VI's erin slagen om geen vertraging op te lopen en andere stelselmatig enorm veel vertraging oplopen, maakt dat er geen goede reden kan zijn om dat te verklaren. Ik denk dat we moeten besluiten dat ingrijpen op de variabele administratiekosten te weinig effect heeft en dat de bedragen te laag zijn. Het werkt gewoon te weinig responsabiliserend. Uw voorstel om het als sanctie aan artikel 166 van de RIZIV-wet toe te voegen, lijkt me een goed voorstel. Het zal de VI's meer op hun verantwoordelijkheid wijzen. Een andere optie is om hen te verplichten om die resultaten openbaar raadpleegbaar te maken. Ik denk dat dat ook een goede incentive zou zijn om zich meer in te zetten.

De middelen voor de vroedvrouwen
De oproep van vroedvrouwen voor meer middelen
De vroedvrouwen
Het budget voor vroedvrouwen
De situatie van de vroedkundigen
De deconventionering van vroedvrouwen
De zorgelijke situatie van de vroedvrouwen
Uitdagingen en middelen voor vroedvrouwen in de zorgsector

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Vlaamse vroedvrouwen dreigen massaal te deconventioneren door chronisch onderfinanciering (netto-inkomen rond €1.400/maand), gebrek aan erkenning en uitblijvende budgettaire toezeggingen (o.a. €6-7 miljoen die niet werden vrijgemaakt in 2024-2025). Minister Vandenbroucke (lopende zaken) belooft indexering van honoraria in de RIZIV-begroting 2025 als *minimum*, maar structurele oplossingen (hogere verloning, herziening nomenclature, betere work-life balance) schuift hij door naar een toekomstige regering, wat tot woede leidt bij de sector en risico op tweedeling in zorgtoegang (kwetsbare gezinnen vallen uit de boot). Hij benadrukt wel het belang van geïntegreerde perinatale zorgtrajecten (o.a. €11 miljoen voor kwetsbare moeders, maar vertraagd door Vlaamse traagheid) en informeel overleg met vroedvrouwen over een breder zorgprogramma, maar concrete maatregelen ontbreken. Deconventie (zorg buiten terugbetalingssysteem) dreigt de toegankelijkheid te ondermijnen, terwijl de sector erkenning als volwaardige eerstelijnszorg eist, inclusief financiële herwaardering en meervoudige facturatie (moeder *en* kind).

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, de vraag over de vroedvrouwen was al langer hangende in onze commissie en het stemt mij tevreden dat we daar vandaag uitgebreid over kunnen discussiëren.

Een op de twee Vlaamse vroedvrouwen geeft aan te willen stoppen met het beroep. De verloning is zeer laag. Veel vroedvrouwen houden aan het einde van de maand slechts 1.400 euro netto over. Dat is echt niet veel. Bovendien worden hun noodkreten al jaren genegeerd, zo klagen zij. Er was in de RIZIV-begroting voor 2024 wel een voorstel voor extra budget, maar dat werd van tafel geveegd. Dat gebeurt ook nu voor 2025. De budgetten die in 2024 beloofd waren, bijvoorbeeld voor de inrichting van een perinataal zorgtraject voor kwetsbare vrouwen, werden ook nog steeds niet toegekend. In 2025 dreigen ze zelfs nog meer in te boeten, als ook de conventiepremie afgeschaft wordt.

Als reactie op de afkeuring van het RIZIV-budget zijn de vroedvrouwen samengekomen en hebben ze beslist dat ze massaal zullen deconventioneren. Dat is wel ernstig, want dan wordt de factuur naar de patiënten doorgeschoven. Er is minder terugbetaling wanneer de vroedvrouwen niet geconventioneerd zijn en de tarieven zullen ook stijgen. Zo krijgen wij echt een geneeskunde met twee snelheden. Wie het nog kan betalen, zal nog een beroep kunnen doen op een vroedvrouw, maar de meest kwetsbare gezinnen zullen uit de boot vallen.

Ik meen dat de visie precies moet zijn dat de eerstelijnszorg versterkt wordt. Wij hebben nu minder verpleegdagen in de ziekenhuizen. De vroedvrouwen zijn heel belangrijk voor de begeleiding van zwangere vrouwen en van pasgeborenen. We hebben dus wel een groot probleem. De vraag is: wat zult u eraan doen?

De regering in lopende zaken is nu aan zet voor de RIZIV-begroting. Die moet besproken worden in de ministerraad. Wat zult u doen, als bevoegd minister, om ervoor te zorgen dat de onderhandelingen over de RIZIV-begroting voor 2025 in orde komen?

Wat zult u specifiek voor de vroedvrouwen doen? Wat zult u doen om het werk aantrekkelijker te maken? Hoe zult u bewerkstelligen dat er meer collega's bij komen? Hoe zult u hun work-lifebalance verbeteren, nog een vraag van de vroedvrouwen?

Hoe zult u zwangere vrouwen en jonge moeders garanderen dat zij zich tot een vroedvrouw kunnen blijven wenden op een financieel toegankelijke manier?

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, les sages-femmes jouent un rôle important dans l'accompagnement des femmes et de leurs jeunes enfants durant la période périnatale, du désir de grossesse au premier anniversaire de l'enfant.

Elles ont une nouvelle fois interpellé le monde politique par rapport au manque de financement de leur profession et aux conséquences que cela risque d'entraîner: un nombre insuffisant de sages-femmes pour couvrir les besoins, des soins de qualité moins accessibles aux plus vulnérables, l'apparition de nouvelles travailleuses pauvres et une diminution de la qualité des soins.

On apprend en effet qu'en 2019, un emploi d'indépendante à temps plein pour la nomenclature des sages-femmes est assimilé à un montant brut de 24 977 euros dans le cadre de la nomenclature spécifique aux sages-femmes. Cette situation, qui empêche les sages-femmes de vivre leur profession en tant qu'indépendantes complètes, est interpellante.

Leur profession a également été fortement impactée par le raccourcissement du séjour en maternité en 2014 et par la fin, en 2018, de l'assimilation des sages-femmes aux infirmières.

En raison du manque de refinancement de leur profession, elles n'ont pas soutenu la proposition de budget des soins de santé 2025 au sein du Comité de l'assurance.

Monsieur le ministre, maintenant que la question du budget des soins de santé pour 2025 est entre les mains du gouvernement, comptez-vous agir en faveur des sages-femmes et refinancer cette profession? Comment envisagez-vous le risque de déconventionnement massif des sages-femmes et l'impact que cela aura pour les patientes? La problématique du manque de places de stage pour les sages-femmes est-elle discutée avec vos collègues des Communautés?

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, de federale regering heeft geen akkoord kunnen bereiken met de Algemene Raad van het RIZIV. De voorgestelde maatregelen konden niet worden goedgekeurd en was er geen verhoging van het budget voor de vroedvrouwen.

Vorig jaar heb ik u daar ook een aantal vragen over gesteld. De communicatie tussen uw kabinet en de zorgverstrekkers loopt al een tijdje moeilijk, maar leidt nu tot toestanden waarbij de vroedvrouwen beginnen te protesteren. Ze vrezen dat er volgend jaar opnieuw geen extra middelen beschikbaar zullen zijn om de levensvatbaarheid van hun beroep te waarborgen en dat de geplande indexering van de tarieven in gevaar komt.

In een algemene vergadering heeft 80 % van de leden van de VBOV gestemd voor het verlaten van het tariefakkoord en dus een deconventionering. We hebben al veel discussies gehad over de conventie en de aantrekkelijkheid ervan voor zorgverstrekkers, maar nu bereiken we wel een hoogtepunt.

Welke stappen zult u ondernemen om tariefzekerheid voor patiënten en vroedvrouwen te waarborgen en binnen welke tijdspanne? Hoe zult u uit deze impasse geraken? Hoe wenst u de relatie met de vroedvrouwen en de overheid te herstellen, gezien het herhaaldelijke protest en de bezorgdheid binnen de sector? Welke middelen en maatregelen zult u concreet inzetten om de financiële en professionele waardering voor vroedvrouwen te versterken, zodat zij essentiële zorg kunnen blijven bieden en de patiënten ook echt op een toegankelijke en kwalitatief goede zorg kunnen rekenen?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, les sages-femmes sont en colère. Comme elles l'ont indiqué dans la carte blanche qu'elles vous ont adressée, elles ne demandent plus seulement une rémunération qui leur permettrait d'être reconnues à la hauteur de leurs responsabilités mais bien une rémunération qui leur permettrait de survivre. Elles estiment que sans refinancement, leur secteur ne sera plus en mesure de garantir la qualité des accompagnements des femmes et de leurs enfants durant toute la période de périnatalité.

Dans un rapport INAMI publié en 2022, il apparaît ainsi qu'un emploi d'indépendante à temps plein pour la nomenclature des sages-femmes est assimilé à un montant brut de 24 977ؘ euros dans le cadre de la nomenclature spécifique aux sages-femmes contre un montant brut de 75 781 euros pour un emploi d'indépendante à temps plein dans la nomenclature en art infirmier.

Au-delà de ces revendications financières, les sages-femmes estiment également ne pas être suffisamment impliquées dans les différents projets et les différentes réformes qui les concernent. Les sages-femmes estiment qu'en étant formées de manière continue, elles font de la prévention, soutiennent la physiologie et dépistent la pathologie. Elles travaillent en collaboration avec les professionnels de la périnatalité, notamment avec les gynécologues, pédiatres, médecins généralistes et ONE, afin d'assurer un suivi des familles en suivant les dernières recommandations et données de la science.

Monsieur le ministre, quelles réponses pouvez-vous aujourd'hui apporter à la colère des sages-femmes? Celles-ci déplorent notamment de ne pouvoir facturer qu'une seule personne alors qu'elles prennent en soins au moins deux personnes en post-natal: la maman et son ou ses bébés. Une révision de la nomenclature doit-elle selon vous être envisagée à cet égard? Quelles avancées devraient être menées pour continuer à garantir un accompagnement périnatal de qualité à l'avenir?

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, de vorige sprekers hebben het onderwerp reeds duidelijk ingeleid, dus ik ga meteen naar de belangrijke vragen over de werkdruk, de verantwoordelijkheid van de vroedvrouwen en de noodzakelijke betere verloning. Welke stappen zult u ondernemen om dat aan te pakken? De VBOV vraagt 6 miljoen euro als oplossing. Houden de deconventionering en het cascadebeginsel dat hier zou kunnen spelen het risico in dat ook andere zorgberoepen hun tarieven zelf zullen willen bepalen? Bent u bereid om samen met de beroepsorganisaties te zoeken naar een structurele en duurzame oplossing?

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, les sages-femmes, ces gardiennes de la vie et de la santé, sont aujourd’hui en détresse. Elles vous l’ont exprimé de diverses manières et plus récemment encore dans une carte blanche, rappelant que leur demande ne se résume plus seulement à une juste reconnaissance mais bien à une question de survie. "Survivre", voilà le terme que ces professionnelles de la santé, pourtant dévouées et indispensables, sont contraintes d’utiliser face à des conditions financières et de travail qui deviennent intenables.

Comme les collègues l'ont dit, sans un refinancement digne de ce nom, elles craignent pour la pérennité de leur métier et, au-delà, pour la qualité des soins apportés aux femmes et aux familles durant la période périnatale. Comment en effet pourraient-elles garantir un accompagnement sûr et humain si, chaque jour, elles peinent à faire face aux exigences économiques et professionnelles de leur fonction?

Un rapport de l’Institut national d'assurance maladie-invalidité (INAMI) publié en 2022 est à cet égard assez édifiant. Il révèle que la place accordée aux sages-femmes, pourtant en première ligne de la santé, est encore trop loin de ce qu’elles méritent.

Or il ne s’agit pas uniquement de revenus. Les sages-femmes demandent à être écoutées et respectées dans les décisions et réformes qui les touchent, elles et leurs patientes et patients. Elles œuvrent au cœur de la prévention en partenariat avec toute l’équipe périnatale pour offrir un suivi complet et conforme aux recommandations les plus récentes.

Monsieur le ministre, que pouvez-vous dire à ces sages-femmes, à celles qui accompagnent la naissance avec autant de compétence que de passion? Elles déplorent notamment l’impossibilité de facturer pour deux patients qu’elles prennent en charge.

Quelles avancées comptez-vous entreprendre pour leur permettre de poursuivre cette mission essentielle, de donner un avenir au métier et de garantir un accompagnement périnatal humain et de qualité?

Je vous remercie pour l’attention que vous portez à ces questions cruciales pour la santé et la dignité de notre société.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, het gaat vandaag over de vroedvrouwen, die mee verantwoordelijk zijn voor de begeleiding van de eerste dagen, weken en maanden van een vrouw en haar pasgeboren baby. Vroedvrouwen zijn belangrijke personen in onze zorgsector, die elke dag hun best doen om gezinnen te begeleiden.

Ik heb wat vroedvrouwen gesproken en zij hebben echt wel wat verzuchtingen. In de vorige legislatuur werd er 7 miljoen euro voorzien in de begroting. Nadien ging dat niet meer door als gevolg van discussies in het Verzekeringscomité. Nu wordt er opnieuw gesproken over beloftes die niet worden gehonoreerd, voor het tweede jaar op rij. Men voelt dus wel een zeer grote frustratie binnen de beroepsverenigingen. Helaas uit zich dat in nog meer dreiging om te deconventioneren binnen die beroepstak en dat is iets waarover we moeten waken. De betaalbaarheid van de vroedvrouwen voor de patiënten moet een realiteit blijven. Het mag geen zorg met twee snelheden worden.

Het is belangrijk om hier opnieuw aan te kaarten dat de vroedvrouwen ook onder de discriminatoire 25 %-regel vallen. Dat is problematisch voor kwetsbare gezinnen, temeer omdat meer dan 80 % van de beroepsgroep vandaag zegt te willen deconventioneren. Dat betekent dat de meest kwetsbare patiënten hiervan de dupe zullen zijn. Cd&v wil daar alert voor blijven.

Kunt u zelf toelichten over welke belofte de vroedvrouwen het hebben als ze zeggen dat ze voor het tweede jaar op rij niet gehonoreerd wordt? Wat zult u zelf ondernemen om de massale deconventiegolf die vandaag wordt aangekondigd door de vroedvrouwen te voorkomen en de financiële toegankelijkheid van zorgverlening te vrijwaren?

Le p résident : Il y a deux autres demandes d'intervention dans le cadre de ce débat d'actualité.

Jan Bertels:

Ik zal aansluiten bij de replieken, mijnheer de voorzitter.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, je ne vais pas répéter tout ce qui vient d'être développé parce que nous sommes totalement en accord. Je trouve hallucinant qu'aujourd'hui, dans un pays comme le nôtre, nous nous retrouvions à devoir défendre les droits du corps médical. En l'occurrence, nous parlons de la place d'un métier qui est tout aussi important que le rôle du gynécologue. Nous parlons aussi de la survie du beau métier si précieux qui est celui de sage-femme.

Je vais vous poser directement mes questions, monsieur le ministre.

Il y a un an, une carte blanche vous a été adressée. Vous aviez parlé d'un changement pour la profession et d'une révision de la nomenclature. Je rappelle qu'une sage-femme indépendante gagne trois fois moins qu'une infirmière indépendante. Quel travail a-t-il été effectué ces derniers mois? Que répondez-vous à la colère de toutes ces sages-femmes?

Ma deuxième question porte sur la proposition du budget 2025, qui ne prévoit pour le moment aucune mesure favorable pour le secteur. Quel regard portez-vous donc sur ce faible budget qui est attribué aux sages-femmes?

Ma dernière question est la suivante: quelles seraient vos pistes pour mieux valoriser et reconnaître, comme ses membres le méritent, la profession de sage-femme? Prenons l'exemple de ce qui se passe juste à côté de chez nous, aux Pays-Bas, où elles sont vraiment considérées et impliquées pendant la grossesse, au moment de l'accouchement et pendant toute la période qui suit.

Voorzitter:

Vraagt nog iemand het woord? (Nee)

Dan krijgt de minister het woord.

Frank Vandenbroucke:

Monsieur le président, chers collègues, je comprends très bien l'inquiétude, le mécontentement et même la frustration des sages-femmes, que j'ai rencontrées à différentes reprises. Leur réaction est compréhensible. La question des solutions à apporter est absolument légitime. Je suis aussi absolument convaincu qu'il faut placer à l'avenir les sages-femmes à leur juste valeur, bien plus que ce n'est le cas aujourd'hui. En ce qui me concerne, c'est un sujet essentiel dans le chapitre des soins de santé que devra traiter un futur gouvernement. En effet, c'est là qu'il faudra agir sous la législature qui s'ouvre à présent. En tout cas, je vais inscrire ce point à l'agenda.

Par ailleurs, les sages-femmes, tout comme les parents évidemment, ont un rôle crucial à jouer dans une approche intégrée et multidisciplinaire des soins. Elles peuvent remplir une fonction plus importante dans le suivi des grossesses à faible risque, de sorte que les gynécologues peuvent se concentrer davantage sur les grossesses à risque. C'est un débat à creuser. Du reste, nous en avons discuté avec les sages-femmes.

En ce qui concerne le déconventionnement, c'est évidemment un grand risque pour les familles qui ont besoin des sages-femmes et qu'il convient donc d'éviter. Pour moi, c'est la pire des solutions.

J'en arrive maintenant à ce que nous pouvons faire à court terme.

Avant que je ne l'oublie, une question précise a été posée à propos des places de stage pour les sages-femmes. Contrairement aux médecins, aux dentistes et aux pharmaciens, pour lesquels la formation est scindée entre la formation de base et un stage professionnel, les sages-femmes disposent seulement d'un diplôme de base, dont le stage fait partie intégrante. Par conséquent, cela ressortit totalement aux Communautés. Bien entendu, je peux me renseigner auprès de mes homologues communautaires responsables de l'Enseignement pour en savoir plus, mais c'est un peu différent du genre de débat que nous pouvons avoir, par exemple, au sujet des médecins, puisqu'il s'agit d'une question entièrement tributaire de l'enseignement.

Ik wil even de historiek meegeven. De vertegenwoordigers van de vroedvrouwen zeggen inderdaad al geruime tijd dat ze een herwaardering van hun beroep willen, onder andere op financieel vlak. Zoals mevrouw Farih heeft gezegd, is er een eerste discussie geweest, waarbij men gewag had gemaakt van de mogelijkheid om structureel 7 miljoen euro extra te krijgen. Daar is niet aan tegemoetgekomen. Vervolgens hebben we aan de vroedvrouwen gezegd dat we graag in debat wilden gaan over hun rol in de toekomst, vertrekkende van de realisatie van een geïntegreerd zorgprogramma voor de eerste 1.000 dagen voor kwetsbare moeders en hun kinderen.

Il s'agit d'un trajet de soins intégrés lors des premiers mille jours pour des mères vulnérables et leurs enfants, avec les entités fédérées.

Ik heb inderdaad gezegd dat ik dat een heel belangrijke opstap vond naar een breder debat en ook bredere initiatieven om de positie van de vroedvrouwen te herwaarderen. Het is juist dat dat lang op zich heeft laten wachten. De reden daarvoor is dat we hebben moeten onderhandelen met de deelstaten. Het overleg is in Oost-België, in het Brusselse Gewest en in Wallonië reeds opgestart. In Vlaanderen heeft dat erg lang geduurd. Ik moet zeggen dat dat mij ook wel wat frustreerde. Ik wil echter altijd positief zijn en ik hoop dat we met de nieuwe Vlaamse regering erin zullen slagen om voor het einde van het jaar ook dat geïntegreerde zorgprogramma voor kwetsbare moeders en hun kinderen up and running te hebben. Dat is een federale investering van 11 miljoen euro.

Ik zal er wel meteen iets aan toevoegen omdat ik ook eerlijk wil zijn ten aanzien van de vroedvrouwen, die hier zelf het woord niet kunnen nemen. Ik zal zeggen wat zij daarover zeggen, want dat lijkt mij maar eerlijk en correct. Zij zeggen dat het interessant werk is. Het is een activiteit, het is werk, maar ze verdienen gewoon te weinig voor wat ze doen.

Ik zal dat zeker niet ontkennen. Vandaar dat ik mij ook ertoe had geëngageerd om in de slipstream van de lancering van een dergelijk perinataal zorgprogramma voor kwetsbare moeders een gesprek te vinden over een veel breder, universeel toegankelijk perinataal zorgprogramma voor alle moeders, pasgeborenen en gezinnen, waarbij vroedvrouwen een belangrijkere en structureel goede rol zouden kunnen spelen. Er zijn ook al ideeën geopperd in de contacten tussen de vroedvrouwen en mutualistische organisaties over welke vorm dat zou kunnen aannemen, bijvoorbeeld ook financieel. Dat gesprek is eigenlijk nog niet echt formeel opgestart, omdat de opstart van het perinatale zorgtraject voor kwetsbare moeders tot mijn teleurstelling meer tijd heeft genomen dan ik had gewild, en omdat de regering ondertussen in lopende zaken zit, een situatie die helaas aansleept.

Heel concreet hoop ik dus dat we niet alleen in Oost-België, Wallonië en Brussel dat perinatale zorgtraject voor kwetsbare moeders up and running hebben voor het einde van het jaar, maar ook in Vlaanderen. Dat lijkt mij belangrijk.

Ik wil ook samen met de vroedvrouwen informeel – we zitten nu eenmaal in een periode van lopende zaken – nadenken over een veel bredere stap, die ook een echte financiële herwaardering inhoudt, gekoppeld aan een geïntegreerd zorgprogramma waarin vroedvrouwen ook een belangrijke eigen en sterkere rol kunnen spelen. De echte uitwerking en de lancering van zo'n programma, met de te nemen beslissingen daarrond, is vanzelfsprekend materie voor een nieuwe regering.

Dat brengt me op het punt waar we vandaag staan. Ik had het niet toevallig over onrust bij de vroedvrouwen, waarin zij overigens jammer genoeg niet alleen staan. Het allereerste wat dient te gebeuren, vooraleer we eender wat in het vooruitzicht kunnen stellen voor de vroedvrouwen, is de opmaak van de begroting voor 2025. Ik vind dat ook een regering in lopende zaken een begroting moet maken.

Ik heb ter zake een eerste voorstel voorgelegd aan mijn collega-ministers van de regering in lopende zaken. Dat voorstel respecteert de grote principes en evenwichten van het voorstel dat geformuleerd werd door het Verzekeringscomité. Zoals het voorstel er nu uitziet, houdt het nog niet direct een bijkomend positief element in voor de vroedvrouwen, maar het houdt alleszins wel de garantie in van de indexering van alle honoraria. Dat lijkt mij wel een minimum minimorum voor de vroedvrouwen en ook voor andere zorgverleners.

Mijn eerste opzet, tevens mijn bede aan mijn regeringscollega's en leden van de meerderheid op alle banken, is dat we nu de discussie over de begroting 2025 van de ziekteverzekering in de regering voeren en besluiten. Door de opstelling van een begroting 2025 voor de ziekteverzekering kunnen we aan de vroedvrouwen de zekerheid bieden dat hun honoraria worden geïndexeerd, want zonder begroting is het zelfs onzeker hoe we de indexering kunnen toepassen. Mijn eerste punt is dus de vraag om het gesprek over de begroting in de regering op te starten en ook te besluiten. Ook een regering in lopende zaken draagt immers verantwoordelijkheden.

Ik zal niet vooruitlopen op wat we verder kunnen doen in 2025 en later, omdat ik nu moet ageren in een zeer onzekere politieke situatie: lopende zaken, uitzicht op onderhandelingen, onduidelijkheid over waar we staan. Dat is heel vervelend en frustrerend voor de vroedvrouwen. Ik wil ervoor pleiten, voor zowel de vroedvrouwen als de andere zorgverleners, dat wij in de eerste plaats de hele regeringsmeerderheid ervan proberen te overtuigen om de begroting af te kloppen, waarna we samen nadenken over mogelijke verbeteringen aan de situatie van de vroedvrouwen.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik hoor vooral dat een toekomstige regering erg veel zal moeten doen en dat uw inspanningen in lopende zaken er vooral op gericht zijn om de begroting in orde te krijgen, wat betekent het minimum minimorum, met name een indexering. Dat gaat niet over bijkomende middelen, noch krijgen de vroedvrouwen zekerheid over het behoud van de conventiepremie, terwijl het net dat is wat zij vragen.

De regering heeft de begroting verworpen en moet nu haar verantwoordelijk nemen. U zegt nu dat de regering het minimum minimorum zal doen, waarna een volgende regering de rest moet behartigen. U zegt de frustratie van de mensen te begrijpen, maar dat het nu eenmaal zo is. Dat is niet echt uw verantwoordelijkheid nemen, mijnheer de minister. Alle vroedvrouwen en de patiënten die de factuur voorgeschoteld krijgen, ontvangen het antwoord dat de regering helaas in lopende zaken is.

Nawal Farih:

Het zal een moeilijk debat worden in de komende weken, zeker nu we horen dat er een deconventioneringsgolf zal plaatsvinden. Mijnheer de minister, de vroedvrouwen zijn inderdaad zeer teleurgesteld. Hun brutoloon bedraagt soms maar 30.000 euro, terwijl het beroep van groot belang is om jonge gezinnen, moeders en pasgeborenen te begeleiden. Ik dring erop aan te onderzoeken welke stappen u kunt ondernemen, met de sector samen te zitten om naar de verzuchtingen te luisteren en daarna snel te schakelen.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je veux simplement rappeler que la fonction de sage-femme existe depuis la nuit des temps, bien avant la fonction de médecin et d'infirmière. Il me paraît donc impensable voire ridicule dans nos soins de santé, dans un questionnement sur leur efficience, tant en termes de qualité que d'analyse de leur coût, qu'on puisse se passer d'acteurs aussi importants dans la vie de notre population que sont nos accoucheuses.

Je tiens également à rappeler que nous subissons déjà une pénurie médicale globale qui risque de s'aggraver dans les années à venir et que de nombreux gynécologues abandonnent la prise en charge obstétricale. Dans de nombreux pays européens, tels que l'Angleterre, ce sont les sages-femmes qui assurent la grande majorité des accouchements. Si nous ne trouvons pas une solution pour valoriser cette fonction de sage-femme, nous risquons aussi à très court terme d'avoir des services de maternité qui se ferment non plus à cause du manque de naissances mais bien du fait d'un manque de personnel qualifié que sont nos sages-femmes. Ne les oublions donc pas dans la future réforme des soins de santé et surtout dans la réforme de la nomenclature.

Kathleen Depoorter:

Mijnheer de minister, het is inderdaad frustrerend voor de vroedvrouwen. Eerst was er covid en daarna was het Vlaanderen dat ervoor zorgt dat u niet vooruit raakt in dit dossier. Het zal misschien ook aan de volgende regering liggen.

Waar draait het eigenlijk om? De vraag is gesteld. Zelfstandige zorgverstrekkers zeggen dat zij niet rondkomen en niet gewaardeerd worden in de materniteitszorg, die zo belangrijk is. Er zijn ook al vaak discussies geweest met de gynaecologen, voor wie de honoraria ook zeer precair zijn. Vragen zijn gesteld, beloftes zijn gedaan, hoop is gegeven – de perinatale zorg kan heel belangrijk zijn – maar er is gewoon niet geraakt aan het structurele kader voor de zorg die vroedvrouwen kunnen geven en dat zorgt voor frustratie. De N-VA heeft u al heel vaak gewaarschuwd voor deconventioneringsgolven en nu hebt u het zitten. Ga in dialoog, zorg ervoor dat de zorgverstrekker verzorgd wordt en dat hij of zij kan zorgen voor zijn of haar patiënten.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je ne suis malheureusement pas très rassurée par votre réponse même si je la comprends en partie vu votre position de membre d'un gouvernement en affaires courantes. En l'état, on voit que vous pouvez difficilement répondre à court terme aux défis qui se posent à cette profession à ce point importante qui est celle de sage-femme et ainsi redonner quelques perspectives au secteur.

De manière générale, on sait que la norme de croissance du budget actuel des soins de santé sera insuffisante pour faire face aux besoins de la population mais aussi à ceux des différents secteurs de la santé dans les prochaines années. Il est donc pour nous crucial de faire de ce budget une priorité afin que la qualité de nos soins ne se dégrade pas et que le personnel soignant puisse continuer à travailler dans de bonnes conditions. Or, aujourd'hui, nous en sommes bien loin: le budget des soins de santé est toujours bloqué, dans l'attente d'un gouvernement de plein exercice que l'on ne voit toujours pas venir. Je partage donc votre inquiétude à ce sujet vu les conséquences dramatiques pour le secteur qui risquent de survenir.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik had al enige tijd geleden een vraag gesteld over de stand van zaken in de uitrol van de interfederale perinatale zorg. Het ondersteuningsprogramma komt later vandaag nog aan bod. Dat is er hier nog niet door geraakt. U zegt dat Vlaanderen achterophinkt. Daarom is het gesprek over het universele programma voor alle mama's nog niet opgestart.

Ik ben het eens met wat de collega van cd&v zegt, het is zeer belangrijk om te doen wat u in lopende zaken al kunt doen, namelijk het gesprek aangaan en alle voorbereidingen treffen, zodat er later snel zal kunnen worden geschakeld.

Rajae Maouane:

Monsieur le ministre, je suis assez rassurée que vous comptiez mettre ce point à l'ordre du jour du prochain gouvernement. Cependant, je dois avouer que vos réponses me laissent un peu sur ma faim. En attendant le prochain gouvernement, les sages-femmes continuent à se sentir déconsidérées par rapport aux autres professions médicales, et les propositions que vous mettez sur la table n'apportent pas de solution rapide. Or, on connaît l'urgence de la situation. En effet, la réalité, aujourd'hui, est que pour permettre aux sages-femmes de s'en sortir et de vivre dans des conditions décentes, ce sont les patientes qui doivent trinquer.

Il faut aussi que le travail des sages-femmes soit respecté, valorisé. C'est d'ailleurs leur demande. Au niveau de la périnatalité, les sages-femmes sont au cœur de la première ligne de soins, tant physiques que mentaux, et ce tant pour la maman que pour les enfants, voire pour toute la famille. En fait, il y a un vrai souci avec la manière dont la maternité et la santé des femmes sont considérées dans ce pays, mais on compte sur vous puisque vous vous êtes engagé à porter ce point lors du prochain accord de gouvernement.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, collega’s, ik hoor hier in de commissie voor Gezondheid een heel breed draagvlak bij de commissieleden voor iets wat de Vooruitfractie wil blijven doen, namelijk investeren en hervormen. Dat betekent ook investeren in de vroedvrouwen, in hun rol in het zorgproces en in de erkenning en herwaardering van hun beroep. Mijnheer de minister, ik hoor hier ook een breed draagvlak voor hervormingen. We moeten komen tot een zorgpadfinanciering en de uitrol van een universeel perinataal zorgprogramma. Ik nodig u uit om daarover al overleg te starten met de organisaties van vroedvrouwen, die dat proces ook genegen zijn. Collega’s, ik hoop bovendien dat iedereen dat ook buiten zal vertellen, ook aan zijn collega’s in hetzij de regering in lopende zaken, hetzij in de eventuele volgende regering. Ik hoor hier een heel breed draagvlak voor het geven van perspectief aan de vroedvrouwen. Laten we, zoals door vele sprekers is aangehaald, dan ook beginnen met het weghalen van de onrust over de indexering en het goedkeuren van een begroting 2025 voor het RIZIV. Mijnheer de minister, de regering in lopende zaken is aan zet. Iedereen vraagt dat het hier vooruit zou gaan. Laat dus de regering in lopende zaken ook vooruitgaan. Geef die boodschap aan uw collega’s, die daar mee over beslissen. De Vooruitfractie is heel graag en met volle goesting bereid om de vroedvrouwen perspectief te geven, ook al voor de begroting 2025. Iedereen vraagt daarnaar. De Vooruitfractie zal die vraag volmondig steunen.

De stijging van de ereloonsupplementen bij ziekenhuisopnames
De ereloonsupplementen in ziekenhuizen
De ereloonsupplementen bij ziekenhuisopname
De supplementen bij ziekenhuisopname
De IMA-rapporten over gefactureerde ziekenhuiskosten en ereloonsupplementen (gegevens 2023)
Ereloonsupplementen en ziekenhuiskosten in 2023

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de explosieve stijging van ereloonsupplementen in Belgische ziekenhuizen (tot +300% in 2023), waarbij patiënten soms 10.000 à 30.000 euro extra moeten betalen, terwijl 2 miljoen Belgen geen hospitalisatieverzekering hebben. Kernproblemen: grote regionale verschillen (Brussel 32%, Vlaanderen 15%), willekeurige aanrekening door artsen/ziekenhuizen, en een tweesporenzorg (snelle zorg voor wie betaalt, wachtlijsten voor anderen). Minister Vandenbroucke erkent dat bevriezingsmaatregelen (standstill) onvoldoende werken en pleit voor structurele hervormingen: herziening van de nomenclatuur (betere vergoeding artsen), transparantieverplichtingen, en volledige overheidsfinanciering van ziekenhuizen om afhankelijkheid van supplementen te breken. Korte termijn: verlenging standstill in lopende zaken is moeilijk zonder gegarandeerd budget voor 2025; lange termijn: afschaffing supplementen en zuivere artsenlonen zijn noodzakelijk, maar vereisen politiek akkoord in een nieuwe legislatuur.

Nawal Farih:

Uit de nieuwe ziekenhuisbarometer van het Intermutualistisch Agentschap blijkt een grote toename van de ereloonsupplementen in 2023. Patiënten moesten soms tot 300 % meer aan supplementen betalen dan het effectieve bedrag van de ingreep. Voor bijvoorbeeld een ingreep die 150 euro kostte, betaalde de patiënt tot 450 euro extra aan ereloonsupplementen. In 2022 ging het om een gigantisch bedrag aan ereloonsupplementen dat alle patiënten samen hebben moeten betalen. In 2023 komt daar opnieuw een bedrag bij.

Ik wil enkele opvallende cijfers vermelden waarvan ik sterk onder de indruk was. 44.000 patiënten betaalden meer dan 3.000 euro aan ereloonsupplementen voor een klassieke opname. 3.000 patiënten moesten 10.000 euro bijbetalen. 26 van hen moesten zelfs meer dan 30.000 euro aan supplementen betalen. Dat zijn echt gigantische bedragen, zeker omdat 2 miljoen Belgen geen hospitalisatieverzekering hebben. Men moet maar eens een van die 2 miljoen Belgen zijn en een factuur van 30.000 euro voorgeschoteld krijgen! Niet iedereen heeft de portemonnee om dat te overleven. Kwaliteitsvolle gezondheidszorg is een basisrecht, maar betaalbare gezondheidszorg hoort er voor mij en de cd&v-fractie zeker bij.

Er zijn twee belangrijke vraagstukken of thema’s die we binnen deze problematiek moeten bespreken.

Ten eerste, de herijking van de nomenclatuur, om ervoor te zorgen dat die ereloonsupplementen overbodig worden. Mijnheer de minister, wij weten dat u zich hier de laatste jaren over hebt gebogen. Hoe ver staat men met die herziening? Wanneer zal men daarmee landen? Hoeveel tijd hebt u nog nodig?

Ten tweede, het KB rond de standstill van de maximumplafonds voor de ereloonsupplementen. Eind 2024 loopt die standstill af. Hoe zal daarmee worden omgegaan? Kunnen we dat met een regering in lopende zaken met een twaalfde verlengen? Het is belangrijk dat daarin de nodige stappen worden gezet, ook in lopende zaken. De patiënt is hier immers de dupe en zal de factuur moeten ophoesten. Ik weet niet of iedereen dat aankan.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, de standstill die in januari 2022 werd ingevoerd, zorgde ervoor dat het maximumpercentage van de ereloonsupplementen niet kon worden verhoogd. Toch is er volgens het IMA een stijging in de aangerekende supplementen ten opzichte van vorig jaar. Als we de beschikbare gegevens nader bekijken, zien we dat het percentage aan ereloonsupplementen in 2023 inderdaad hoger is dan in 2022, maar gelijk aan 2021. In 2020 was het percentage duidelijk lager, maar dat was wellicht toe te schrijven aan de coronapandemie. Toen werd er 17 % aangerekend als ereloonsupplement. In de jaren ervoor schommelden de ereloonsupplementen rond de 18 of 19 %. Daar lijkt er dus niet heel veel verandering te zijn.

Er zijn wel heel grote interhospitaalverschillen wat betreft de aangerekende ereloonsupplementen en ook duidelijke gewestelijke verschillen. In Brussel bedragen de supplementen gemiddeld 32 %, in Wallonië 20 % en in Vlaanderen 15 % van de totale erelonen. Voor de verblijven waar supplementen worden aangerekend, zijn die veel hoger in Brussel en Wallonië dan in Vlaanderen, met gemiddeld 150 % en 124 %, tegenover 88 %.

Aangezien het percentage van ereloonsupplementen niet echt veranderd is als we het over verschillende jaren bekijken, vraag ik me af welk effect die standstill volgens u precies heeft gehad. Is dat het gewenste effect? Kunt u dat überhaupt controleren?

Welk aandeel van de supplementen vloeit terug naar het ziekenhuis en dient dus voor de ziekenhuisfinanciering? Hoe groot is de totale massa aan supplementen voor de verschillende gewesten en hoeveel is dat gemiddeld per ziekenhuisopname? Welk aandeel van deze supplementen wordt vergoed via een verzekering? Hoe verklaart u de grote verschillen tussen ziekenhuizen en gewesten?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ook wij schrokken van de cijfers die werden aangehaald. Sommige mensen moesten meer dan 10.000 euro opleggen. Door die stijging van de supplementen nemen de uitgaven in de gezondheidszorg voor de patiënten enorm toe. In België komt een vijfde van de uitgaven uit de zak van de patiënt. Ons land is op dat vlak een uitschieter ten opzichte van andere Europese landen. Dat moet zeker aangepakt worden, want gezondheid moet inderdaad een basisrecht zijn. Er mag dus geen geneeskunde met twee snelheden zijn.

Het is ook een willekeurig systeem. Artsen en ziekenhuizen beslissen zelf of ze ereloonsupplementen aanrekenen en hoeveel. Sommige ziekenhuizen doen het zonder supplementen. Wij hebben echter absoluut geen zicht op hoeveel de artsen effectief afdragen aan de ziekenhuizen.

Dat zorgt voor een gezondheidszorg met twee snelheden. Er is een snelle geneeskunde voor wie de middelen heeft om supplementen te betalen of om een privéhospitalisatieverzekering te nemen. De 2 miljoen Belgen die er geen hebben, worden geconfronteerd met zorguitstel of ellenlange wachtlijsten.

De maatregelen die de regering al nam zijn onvoldoende, want we zien dat de ereloonsupplementen toenemen. Er is nog steeds ongelijke geneeskunde. Er zijn mensen die worden gepusht om 's nachts een scan te laten doen, omdat er dan nog wel supplementen zijn en omdat er lange wachtlijsten zijn.

Wat vindt u van de maatregelen die werden genomen de afgelopen legislatuur? In het regeerakkoord van Vivaldi stond dat de groei van ereloonsupplementen gereguleerd, gestabiliseerd en vervolgens afgebouwd zou worden. We zien nu echter alleen maar toenames.

Hoe wilt u vermijden dat de ereloonsupplementen in de toekomst verder stijgen?

Ziet u een oplossing in de volledige afschaffing van de ereloonsupplementen, zoals ook Zorgnet-Icuro voorstelt?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, selon la dernière étude de l'Agence InterMutualiste (AIM), les montants réclamés aux patients hospitalisés ont encore fortement augmenté en 2023. La part des suppléments d'honoraires des médecins y a encore davantage progressé alors que les suppléments d'honoraires ont été plafonnés en 2022. Le montant facturé aux patients est passé de 1,375 milliard d'euros en 2022 à 1,509 milliard d'euros en 2023, soit une augmentation de 9,7 %. Sur cette facture, la part des suppléments et des paiements non remboursables a augmenté plus rapidement que celle des tickets modérateurs. Ils représentent 70 % des montants facturés aux patients.

L'AIM relève que pour les hospitalisations classiques, un séjour sur cinq fait l'objet de suppléments d'honoraires. Quant aux hospitalisations de jour, seulement une sur quatorze fait l'objet de suppléments d'honoraires.

Au-delà de ces chiffres globaux, les montants à charge de certains patients en particulier sont spectaculaires. Je ne vais pas les citer à nouveau car ils ont déjà été parcourus par notre collègue Farih. Je tiens cependant à dire que nous relevons quand même des montants qui dépassent, dans certains cas, les 30 000 euros à charge du patient pour des hospitalisations classiques. Ces montants sont évidemment impossibles à prendre en charge quand le patient ne dispose pas d'une assurance complémentaire hospitalisation. C'est donc vraiment inquiétant en termes d'accessibilité aux soins.

Monsieur le ministre, comment expliquer cette hausse des suppléments au vu du plafonnement intervenu en 2022? Quelles nouvelles mesures devraient, selon-vous, être prises pour protéger les patients hospitalisés de ces suppléments d'honoraires et éviter ainsi le développement d'une médecine à deux vitesses, entre ceux disposant d'une assurance complémentaire et ceux qui n'en n'ont pas? Devrait-on imposer davantage de transparence sur les taux de rétrocession des médecins pour déterminer l'utilisation précise de ces suppléments? La situation financière difficile de nombreux hôpitaux peut-elle expliquer cette situation? Où en est-on aujourd'hui dans la réforme du financement hospitalier et dans la réforme de la nomenclature? Quelles seront les prochaines avancées à mener de toute urgence?

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van een ziekenhuis blijven voor onze fractie van essentieel belang. U hebt ongetwijfeld kennisgenomen van niet een, maar twee door het Intermutualistisch Agentschap opgestelde rapporten.

Het eerste rapport betreft de inventaris van de aan de patiënten gefactureerde ziekenhuiskosten. Het tweede rapport, waar de collega’s naar verwezen, handelt over de monitoring van de ereloonsupplementen op vergoedbare medische prestaties tijdens ziekenhuisopnames, gebaseerd op gegevens uit 2023.

De rapporten geven een inzicht in de bestaande verschillen in bedragen en percentages tussen de ziekenhuizen, maar ook naargelang van de ingrepen, die toch bijzonder verschillend zijn.

Er kan ook worden vastgesteld dat de zogenaamde standstill een effect heeft, maar niet een volledig nuleffect, zoals aangegeven.

Hoe kijkt u naar de gerapporteerde cijfers over het jaar 2023? Bent u het eens met de aanbevelingen die geformuleerd worden dat er nog meer transparantie moet komen ten voordele van de patiënt omtrent de factuur die hij uiteindelijk zal moeten betalen? Er bestaat nog veel onzekerheid over het finale bedrag dat hij zal moeten betalen. Hoe ver staat het met de verplichting voor de ziekenhuizen om meer gegevens bekend te maken daaromtrent? Die oefening was bezig. Zijn er nog gesprekken lopende tussen de betrokken actoren met betrekking tot een verdere verlenging van de standstill? Hebt u weet van een bevraging van de ziekenhuizen door de actoren omtrent de wijze van financiering van de ziekenhuizen en de zogenaamde afdrachten van de ziekenhuisartsen ten voordele van de ziekenhuizen?

Frank Vandenbroucke:

Chers collègues, je ne vais pas répéter le bilan qui a été fait par Mme Farih, Mme Gijbels, Mme Désir sur l’évolution – qui n’est pas acceptable –, la facture que cela représente pour une catégorie significative de patients, la disparité au niveau des suppléments présentés aux patients et la disparité entre hôpitaux, que Mme Gijbels a soulignée à juste titre. Cela met en évidence que demander des suppléments d’honoraires n’est pas une loi de la nature. Il y a des réalités très différentes, des cultures très différentes entre les hôpitaux.

Het eerste wat ik wil beklemtonen, is dat we in de voorbije legislatuur de eerste acties hebben gericht op het vragen van ereloonsupplementen in de ambulante sector. U zult dat weten. Wij hebben voor artsen, huisartsen en artsen-specialisten een bepaling laten goedkeuren en omgezet in besluiten in de ministerraad, waardoor er voor patiënten met een verhoogde tegemoetkoming in twee stappen – een stap volgend jaar en een volgende stap in 2026 – op geen enkele manier nog een ereloonsupplement zal kunnen worden gevraagd, of men nu geconventioneerd is of niet. Het is belangrijk dat we die acties nemen in de ambulante sector, omdat artsen-specialisten in de ziekenhuizen soms weleens kijken naar wat er aan supplementen kan worden gevraagd wanneer ze ambulant zouden werken.

Ten tweede, we hebben ook maatregelen genomen ten aanzien van het vragen van ereloonsupplementen bij zware medische beeldvorming. De gegevens die ik heb gekregen van alleszins één mutualiteit tonen aan dat dit globaal tot een daling van het aanrekenen van supplementen heeft geleid. Dat is op zich niet perfect, maar het is zeker wel een stap vooruit.

Ten derde, we hebben ook, zoals de heer Bertels heeft gezegd, een transparantieverplichting in de ambulante sector waaraan we verder moeten werken. Die laat ons immers toe om de gegevens over wat de supplementen precies zijn goed op een rijtje te krijgen. We hebben reeds een transparantieverplichting in de ziekenhuizen. Ook daar willen we een verdergaande analyse van wat die supplementen zijn en waarvoor ze worden gebruikt. Zo ver zijn we vandaag nog niet, dat is work in progress .

Voor de ziekenhuizen vind ik dat de evolutie niet aanvaardbaar is. De eerste vraag is inderdaad wat de impact is geweest van de bevriezing van het maximumpercentage per ziekenhuis, die we hebben doorgevoerd in onderlinge afspraak met de artsen, met de vertegenwoordigers van de ziekenhuisbeheerders en de mutualiteiten. Ik denk dat dit goed geweest is, maar dat sluit niet uit dat men binnen een ziekenhuis nog een verhoging van het gevraagde supplement krijgt, als men nog niet aan dat maximum zit. Mevrouw Gijbels, ik kan u niet heel precies zeggen wat de impact daarvan geweest is, omdat dit zeer verschillend zal zijn van ziekenhuis tot ziekenhuis. Men weet natuurlijk niet wat er gebeurd zou zijn als we die maximumpercentages niet zouden hebben bevroren.

Laten we het zeggen zoals men dat in het jargon doet: de counterfactual , het alternatieve scenario waarin we dat niet zouden hebben gedaan, hebben we niet aan het werk gezien. Ik ga ervan uit dat dit een remmende invloed heeft gehad, maar zoals u hebt gezegd heeft die remmende invloed niet belet dat het vragen van supplementen in ziekenhuizen nog is toegenomen. Ik denk dus dat we verder moeten gaan. Op dit ogenblik – ik herhaal het – is het mijn allereerste bekommernis dat men zowel de beheerder als de artsen-specialisten in de ziekenhuizen moet kunnen garanderen dat er een budget voor 2025 is. Ik vraag mijn collega’s in de regering om daarvoor te zorgen, op basis van de voorstellen die ik heb ingediend. Als ik de artsen-specialisten en de ziekenhuizen geen budget kan garanderen, hoe kan ik dan met hen spreken over de standstill inzake supplementen? U zult begrijpen dat dit wel bijzonder moeilijk is op dit moment.

Ten tweede, wat moeten we voor de toekomst doen? Mevrouw Farih, u hebt er terecht op gewezen dat sommige supplementen bij ziekenhuisopname echt wel exorbitant zijn. Er moet dus een beperking komen, ook in de ziekenhuizen, op de supplementen, zowel op de percentages als op de absolute bedragen. Dat is cruciaal voor een regeerprogramma in de volgende legislatuur. Mevrouw Farih, onderliggend is een hervorming van de financiering van de ziekenhuizen essentieel, opdat die op een rechtstreekse manier adequaat en volledig gefinancierd worden voor wat ze nodig hebben aan uitrusting, personeel en materieel, zonder dat ze afdrachten moeten vragen aan artsen die honoraria opstrijken. Zo wordt die carrousel stopgezet.

Daarnaast meen ik dat een herijking van de nomenclatuur, waarbij de vergoeding voor de arts-specialist louter een zuivere vergoeding is voor zijn intellectuele prestatie, het debat over het vragen van supplementen natuurlijk ook in een heel ander licht zal stellen. Die supplementen zullen dan immers uitsluitend op dat professionele gedeelte kunnen worden gevraagd. Als de nomenclatuur goed in evenwicht is gebracht, met een correcte vergoeding voor artsen-specialisten en een onderling billijk vergoedingssysteem, zal het bovendien wat moeilijker uit te leggen worden waarom men per se supplementen nodig heeft. Wat dat betreft hebt u helemaal gelijk.

Een verdere strenge aanpak van de supplementen is mede geconditioneerd door een fundamentele hervorming van de nomenclatuur, van het vergoedingssysteem en van de ziekenhuisfinanciering. Ik denk dat wij de weg die we ingeslagen zijn in de vorige legislatuur, waarin we ons vooral hebben toegespitst op de ambulante sector en op transparantie in de ambulante sector en de ziekenhuissector – met een standstill waarvan ik denk dat hij wel effect heeft gehad, maar die in de feiten inderdaad een stijging niet heeft tegengehouden – met dubbele kracht verder moeten bewandelen in de nieuwe legislatuur.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, ik was ook gecharmeerd door de vragen van mevrouw Gijbels. We moeten ons inderdaad afvragen of die standstillprincipes op het terrein effectief het resultaat dat we probeerden te bewerkstelligen, hebben opgeleverd.

Ik hoor u zeggen dat we vooral op die ambulante zorg hebben gewerkt, maar ik wil u toch herinneren aan het debat over de privéklinieken in de vorige legislatuur. We zien dat er daar nog steeds heel wat ereloonsupplementen aan de factuur worden toegevoegd. Ik heb toen ook een voorstel gedaan voor een gedifferentieerd terugbetalingssysteem tussen behandelingen die extramuraal plaatsvinden en behandelingen die in een algemeen ziekenhuis plaatsvinden, zodat we de patiënt kunnen helpen om de juiste keuze te maken. Ik weet echter niet of u daar iets mee hebt kunnen doen. Extramurale behandelingen brengen ook kosten met zich mee en we willen niet dat door de prijs te drukken aan de kwaliteit voor de patiënt wordt geraakt. Er moet dus een goed evenwicht worden gevonden. Ik herinner u dus graag aan mijn voorstel voor een gedifferentieerd terugbetalingssysteem, dat patiënten een kwaliteitsvolle zorg moet garanderen, zonder dat zij dat te zeer in hun portemonnee voelen.

We hebben nog heel wat werk te verrichten en ik hoop dat we kunnen landen met een goede nomenclatuurherijking die kan rekenen op de instemming van alle zorgverstrekkers en die zowel de zorgverstrekkers tevredenstelt als onze patiënten beschermt.

Ik heb van u geen timing gehoord, dus ik vermoed dat u daar nog druk mee bezig bent. Hoe dan ook, de druk op de ketel stijgt en we moeten zeker voortwerken aan de bescherming van de patiënten.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, we zijn het er allemaal over eens dat er iets moet geburen aan de supplementen in de ziekenhuizen, maar we zijn nooit een grote fan geweest van de bevriezing van de supplementen zonder dat er eerst transparantie is en zonder plan van aanpak voor de ziekenhuisfinanciering.

We kunnen besluiten dat de bevriezing van de supplementen op dit ogenblik geen objectief effect heeft en des te erger, niet controleerbaar is. We weten bijvoorbeeld nog steeds niet goed hoeveel supplementen er terugvloeien naar de ziekenhuizen. Om die redenen is die maatregel volgens mij problematisch en treft die bovendien vooral de ziekenhuizen die altijd zuinig zijn omgesprongen met hun supplementen, aangezien die op dit moment worden vastgezet.

De grote verschillen tussen de ziekenhuizen blijven onuitlegbaar. Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag naar de totale massa aan supplementen voor de verschillende gewesten.

Ik heb evenmin een antwoord gekregen op de vraag hoeveel van die supplementen door privéverzekeringen vergoed worden. Ook daar ligt een grote uitdaging om aan te pakken. Het gaat om honderden miljoenen die op dit moment via een alternatief circuit worden gefinancierd, via een privécircuit. Als we dat met gemeenschapsmiddelen, met belastinggeld, moeten financieren, dan zal er toch een groot plan van aanpak moeten komen, maar daarover heb ik tot nu toe maar heel weinig gehoord. Dat lijkt mij toch nog een uitdaging, terwijl ik had gehoopt dat dat probleem als eerste zou worden opgelost.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik denk dat het goed is om hier te benoemen wat het probleem is. Veel mensen zijn bezorgd over de toegankelijkheid van onze zorg. Er zijn wel enkele maatregelen genomen, maar volgens mij tonen de cijfers aan dat de opgelegde beperkingen, hoe goedbedoeld ook, het probleem niet fundamenteel hebben opgelost. We zien immers een verdere toename. Hetzelfde geldt voor de toegankelijkheid. U sprak bijvoorbeeld over de scans, waarvoor de supplementen zijn afgenomen. We zien nu echter dat de wachtlijsten langer worden. Wie nu belt voor een afspraak, moet maanden tot soms een jaar wachten om een scan te kunnen krijgen. Wie bereid is om 50 euro meer te betalen, kan sneller een scan krijgen, meer bepaald buiten de kantooruren.

De genomen maatregelen verhinderen de geneeskunde op twee snelheden dus niet. De enige weg om daaruit te raken, is volgens ons een volledige afschaffing van het systeem van ereloonsupplementen en de overgang naar zuivere artsenlonen, met daarnaast een volledige en rechtstreekse overheidsfinanciering voor de ziekenhuizen.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Je me réjouis évidemment d'entendre que pour vous, cette évolution n'est pas acceptable. Au sein du groupe PS, nous partageons vos préoccupations principales que sont l'approbation du budget 2025, la limitation de certains suppléments exorbitants pratiqués dans les hôpitaux ainsi que la nécessité de revoir le financement des hôpitaux. Si nous ne pouvons que vous rejoindre sur les propositions que vous faites ici, nous avons néanmoins quelques craintes sur le fait que certaines mesures décidées sous le précédent gouvernement que vous avez citées, telle la fin des suppléments en ambulatoire, ne soient détricotées par le gouvernement qui s'annonce.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, betaalbare, toegankelijke en kwalitatieve gezondheidszorg zal voor ons en voor de meerderheid van de commissieleden altijd een strijdpunt blijven.

U moet verdergaan op de ingeslagen weg om de ereloonsupplementen te beteugelen, af te bouwen en in de toekomst zelfs af te schaffen. Daartoe is een herijking van de nomenclatuur en een ziekenhuishervorming nodig. In tegenstelling tot mevrouw Gijbels stel ik voor dat nu te doen en op die weg verder te gaan.

Mevrouw Gijbels, wij hebben inderdaad transparantie nodig. Om transparantie tot stand te brengen, hebben wij echter ook de medewerking nodig van zowel ziekenhuizen als artsen, die nu soms weigeren transparantie te geven. Wij zullen niet kunnen wachten op transparantie om de strijd voort te zetten. Voor sommige ziekenhuizen zullen wij er anders nooit geraken, omdat er in die ziekenhuizen een soort geheimhouding is, die niet goed is voor een kwalitatieve gezondheidszorg.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je ne vais pas rappeler ce qui a été longuement dit. Il importe cependant de constater que l’augmentation croissante et inquiétante des suppléments d’honoraires dans les hôpitaux est l’indicateur que notre système de financement des hôpitaux est vraiment malade et qu’il est temps de s’en préoccuper. Par ailleurs, je me réjouis de vos annonces. Bien sûr, tout dépendra du budget 2025. Il est aussi très important d’insister, avant de régler tout cela, sur l’importance d’améliorer la transparence et l’information complète donnée aux patients, qui sont souvent dans le brouillard avant leur hospitalisation quant au montant qu’ils devront payer, surtout en cas de complications médicales. Il faut également pouvoir les protéger de ces suppléments en cas de complications médicales. Nous espérons, nous, Les Engagés, que la gestion des suppléments d’honoraires sera réglée grâce à la réforme de la nomenclature, qui offrira une rémunération juste à chaque prestataire, et que la réforme du financement des hôpitaux permettra de mettre fin au système des rétrocessions.

Het geneesmiddelengebruik bij jongeren

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke bevestigt de verontrustende stijging (60% in 10 jaar) van antidepressiva- en pijnstillergebruik bij jongeren, met pieken na de pandemie, maar benadrukt dat het absolute aandeel (1,6%) beperkt blijft. Hij zet in op preventie (mentale veerkracht, vroege detectie), gratis psychologische eerstelijnszorg (sinds 2024, 378.000 gebruikers) en samenwerking met scholen, naast een aankomend actieplan (2025) voor rationeel psychofarmacagebruik, gericht op *zorgverleners*. Bury dringt aan op directe patiëntinformatie over risico’s (verslaving, afbouwproblemen) en kortere wachtlijsten, en kritiseert dat huidige campagnes vooral artsgerichte voorschriftbeperking bevorderen in plaats van bewustmaking bij jongeren zelf.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, we zien in het gebruik van geneesmiddelen, zoals pijnstillers en antibiotica, verontrustend hoge cijfers bij de Belgische jongeren. We zien een opvallend hoog gebruik van voornamelijk pijnstillers zoals ibuprofen, mede omdat er geen voorschrift nodig is. Een bijkomende bezorgdheid is de stijging bij jongeren van het gebruik van psychofarmaca, zoals antidepressiva. In die groep blijkt het gebruik de afgelopen jaren met 60 % gestegen te zijn.

Zult u ervoor zorgen dat de jongeren beter geïnformeerd worden over de gevaren van overmatig gebruik van geneesmiddelen, met name de onstekingsremmers? Is er een plan van aanpak om het gebruik van antidepressiva bij jongeren aan te pakken? Zult u ook alternatieven promoten?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, ik maak eerst een kanttekening bij de cijfers. Het gaat hier over de leden van de onafhankelijke ziekenfondsen, wat dus iets minder dan 20 % van de totale Belgische bevolking is. Het is in ieder geval een ruime steekproef. We zijn niet 100 % zeker of die helemaal representatief is, maar het blijft een belangrijk en nuttig onderzoek.

Een correct gebruik van bijvoorbeeld onstekingsremmers bij jongeren wordt beïnvloed door verschillende factoren. Beter informeren van jongeren kan een opstap zijn. Daarnaast kunnen gezinnen gestimuleerd worden om steeds hun vaste apotheker te consulteren voor hun geneesmiddelen, die het gebruik van alle geneesmiddelen, met en zonder voorschrift, kan opvolgen en persoonlijk advies kan voorzien over het gebruik van geneesmiddelen aan jongeren. De huisarts heeft uiteraard ook een rol om het gebruik van ontstekingsremmers bij jongeren te limiteren en, waar mogelijk, niet-medicamenteuze alternatieven aan te raden.

Wat uw tweede en derde vraag betreft, de studie toont inderdaad aan dat het aandeel jonge antidepressivagebruikers in 10 jaar tijd met 60 % steeg. De stijging werd voornamelijk waargenomen na het begin van de pandemie in 2020. Het aandeel van de gebruikers blijft echter wel vrij laag, namelijk 1,6 % van alle gebruikers. Het gaat om cijfers uit 2022.

Ook de recente leerlingenbevraging 2022-2023 van het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs (VAD) toont dat het aantal leerlingen dat ooit slaap- en kalmeermiddelen gebruikte tussen 2011-2012 en 2022-2023 steeg van 12 % naar 17 %. Het zogenaamde laatstejaarsgebruik bedraagt 8 %.

Om het toenemende gebruik van psychofarmaca bij jongeren aan te pakken, moet op meerdere sporen gewerkt worden. Ten eerste, de preventie van het psychisch onwelbevinden bij jongeren of het versterken van de mentale veerkracht. Ten tweede, een vroege detectie en aanpak van psychisch onwelbevinden. Ten derde, het bevorderen van een adequate behandeling van psychische problemen, met aandacht voor een rationeel gebruik van psychofarmaca.

Er wordt jaarlijks meer dan 200 miljoen euro geïnvesteerd in psychologische zorg in de eerste lijn, ter bevordering van preventie en vroegdetectie en interventie bij mentale problemen. Daarbinnen werd de zorg voor kinderen en jongeren vanaf 1 februari 2024 gratis gemaakt.

De cijfers van het dashboard geestelijke gezondheidszorg tonen dat tot en met september 2024 378.000 mensen de weg hebben gevonden naar het nieuwe aanbod psychologische zorg in de eerste lijn, waarvan meer dan een derde kinderen en jongeren tot en met 23 jaar.

We organiseren ook samenwerkingen met overkophuizen en scholen, als vindplaatsen, zoals wij dat nu noemen, om psychologische problemen en moeilijkheden heel snel te kunnen oppikken.

Met betrekking tot het bevorderen van rationeel gebruik van psychofarmaca liep er van september 2023 tot juli 2024 een sensibiliseringscampagne, onder de noemer "Psychofarmaca. Welke risico's lopen uw patiënten? Samen zorgen voor gepast gebruik." De campagne zal de komende maanden geëvalueerd worden. Ook zal er begin 2025 een nieuw actieplan houdende psychofarmaca voorgelegd worden aan de federale minister van Volksgezondheid. Dat plan zal worden opgemaakt in samenspraak met het Belgian Psychotropics Expert Platform (BelPEP) en zal aandacht besteden aan jongeren, alsook volwassenen en kwetsbare ouderen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, dat was veel uitleg in een notendop. Ik hoor dat er een nieuw plan aankomt en dat het oude wordt geëvalueerd. Aan de titel te horen, was dat eerder gericht naar hulpverleners, als ik me niet vergis, en niet echt naar patiënten. Het was eerder gericht aan artsen bijvoorbeeld, die dan worden geadviseerd om minder voor te schrijven. Het is belangrijk om beter te informeren. Ook het begeleiden van jongeren met psychologische hulp is belangrijk, maar daar is er natuurlijk het probleem van de wachtlijsten. Ik zou echt hard willen inzetten op het beter informeren. In artikels leest men dat bepaalde producten heel verslavend en moeilijk af te bouwen zijn en dat men nog angstiger wordt als men ze lang neemt. Het verspreiden van dergelijke informatie zou toch ook een goed afremmend effect kunnen hebben.

De uitrol van het interfederale perinatale zorg- en ondersteuningsprogramma

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De uitrol van het interfederale perinatale zorgprogramma (al actief in Wallonië/Brussel) wordt in Vlaanderen verwacht voor eind 2023, met financiële afhandeling via zowel federale als Vlaamse ziekteverzekering. Vandenbroucke bevestigt dat zowel de operationele als administratieve voorbereidingen tegen dan moeten zijn afgerond. Bury toont zich positief afwachting. Het programma moet geïntegreerde zorg en vergoedingen voor alle betrokkenen mogelijk maken.

Katleen Bury:

We hebben het daarnet al even gehad over de uitrol van het interfederale perinatale zorg- en ondersteuningsprogramma, met name in Wallonië en Brussel. Wanneer wordt het uitgerold in Vlaanderen?

Frank Vandenbroucke:

Ik hoop dat we dat v oo r het einde van het jaar helemaal rond hebben en het programma in productie kan worden gezet v oo r het einde van het jaar. Dat betekent dan effectief dat prestaties van alle betrokkenen aangerekend zullen kunnen worden, deels bij de federale ziekteverzekering en deels op het Vlaamse niveau.

Katleen Bury:

Ik kijk ernaar uit.

Het nummer 1733 van de huisartsenwachtposten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om dysfunctioneren van het medisch triagesysteem 1733 in Wallonië, waar ondanks de toegevoegde waarde onvrede heerst bij huisartsen door onnodige oproepen (ook ’s nachts/weekend), onbetrouwbare patiëntgegevens en personeelstekort in de vier regionale callcenters. Minister Vandenbroucke benadrukt dat het dynamische Belgische regulatiehandboek (met input van huisartsen, spoedartsen en verplegers) strikt gevolgd moet worden en dat continue evaluatie en training (via medische leiding en klachtenopvolging) de kwaliteit verbeteren, maar erkent geen regionale aanpassingen. Bacquelaine relativiseert de "perfecte werking" en pleit voor prioritaire verbetering van het triagesysteem, niet alleen om overbelasting van huisartsen en spoeddiensten te verminderen, maar ook voor budgettaire efficiëntie door minder onnodige consulten.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, je vous ai déjà interrogé plusieurs fois au cours de la législature précédente au sujet du numéro d'appel de garde médicale 1733. Ce numéro permet de trier les demandes des patients en fonction de leur degré de gravité mais aussi de rediriger les urgences d'ordre vital vers les services d'urgence 112. Le 1733 apporte manifestement une réelle plus-value pour la population.

Pourtant, il règne un certain mécontentement parmi les médecins généralistes quant au fonctionnement de ce tri 1733. Plusieurs actions de sensibilisation ont été menées récemment pour dénoncer les problèmes rencontrés par rapport à l'efficacité du syst è me. Les médecins généralistes sont encore trop souvent appelés la nuit ou le week-end pour des problèmes qui ne sont pas vraiment urgents. Cela s'inscrit dans un contexte de pénurie de médecins généralistes, en particulier dans les zones rurales du sud du pays, où la pénibilité des gardes réparties entre un trop petit nombre rebute de plus en plus les praticiens et accroît le risque de déserts médicaux.

Un des problèmes récurrents est le manque de fiabilité des données. En effet, les données transmises sont incomplètes, voire incorrectes. Depuis la réforme, l'appel est pris par le premier préposé libre sur les quatre antennes en Wallonie (Arlon, Liège, Mons et Namur). En cas d'urgence vitale, le dispositif garde une certaine efficacité. Mais globalement, on se heurte à une méconnaissance du terrain. Et ce sans compter que ces centres de tri manquent de personnel. Si l'on compare à la situation dans d'autres pays, notre syst è me n'apparaît pas idéal.

Monsieur le ministre, qu'en est-il des discussions et groupes de travail organisés à ce sujet? Qu'est-il mis en place pour éviter que les médecins soient appelés durant leur garde pour des banalités qui peuvent très bien attendre le lendemain? Comment améliorer le tri des patients? Comment éviter la transmission de données incorrectes qui font perdre beaucoup de temps aux médecins sur place? Comment évaluez-vous l'efficacité du numéro 1733 et comment celle-ci peut-elle être améliorée?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Bacquelaine, il est vrai que nous avons déjà discuté à plusieurs reprises de ce problème important.

Au sein du Conseil fédéral des secours médicaux d'urgence, un groupe de travail se penche sur le manuel belge de la régulation médicale. Ce manuel décrit les protocoles et les indicateurs que l'opérateur dans la centrale d'urgence doit interroger. L'indicateur est également lié à un niveau de gravité. La détermination de ces protocoles, indicateurs et niveaux de gravité est effectuée par le groupe de travail Régulation. C'est un groupe de travail pluridisciplinaire qui comprend des représentants des médecins généralistes, des médecins urgentistes, des infirmières et d'autres acteurs importants dans ce domaine. Il y a d'ailleurs une représentation des différentes régions de chaque groupe professionnel.

Le manuel belge est un instrument dynamique. Des ajustements sont élaborés en continu en tenant compte des expériences acquises mais aussi des contributions des différents acteurs de terrain représentés dans le groupe de travail, y compris les médecins généralistes.

Les opérateurs 112/1733 sont tenus de suivre strictement le manuel belge. Une fois que le protocole a été déterminé, le niveau de gravité approprié est déterminé en recherchant les indicateurs. Pour le 1733, il peut s'agir d'un contact urgent dans les deux heures, d'un contact dans les douze heures ou d'une référence au médecin généraliste pendant les heures de travail, voire le lendemain. Ce flux de décisions doit être strictement suivi à tout moment de la journée. Toutes les informations recueillies sont prises en compte et évaluées selon les critères du manuel belge.

Le triage et la régulation des appels vers le niveau de gravité approprié sont surveillés en permanence et font l'objet d'un processus d'amélioration de la qualité sur le terrain, dans les centres d'urgence. Cela est principalement fait par la direction médicale, la direction médicale adjointe et les infirmiers régulateurs. D'une part, ces personnes peuvent former, superviser et suivre les opérateurs dans un triage de haute qualité. D'autre part, elles peuvent faire part de leur vécu au groupe de travail Régulation en vue d'améliorer le manuel belge. Le manuel belge de la régulation médicale est élaboré pour l'ensemble du territoire. Il n'y a pas de manuel belge de la régulation médicale régionale.

Une procédure de transmission des données a été convenue avec le SPF Intérieur. Certaines données sont toujours transmises: le protocole et le niveau de gravité déterminé, un numéro de téléphone, celui de l'appelant et celui de la personne s'il est différent, le nom de la personne. Lorsque le triage conduit à la nécessité d'une visite à domicile, l'adresse complète est transmise. Si le poste médical de garde souhaite recueillir d'autres informations ou fixer un rendez-vous, il peut contacter la personne concernée via le numéro de téléphone qui lui a été communiqué. Ce contact peut être pris par la fonction de secrétariat, qui est financée par l'INAMI, pour les postes médicaux de garde. Il n'y a pas lieu de demander au médecin de garde de perdre du temps avec la vérification administrative.

L'efficacité du 1733 est évaluée à la fois quantitativement et qualitativement.

Pour l'enregistrement quantitatif, le nombre d'appels est pris en compte, mais aussi le nombre de fois qu'un certain protocole et un certain niveau de gravité ont été attribués. Cela implique la répartition des visites à domicile par rapport aux renvois vers les postes de garde des médecins généralistes, l'augmentation à un niveau de gravité plus élevé ainsi que l'orientation vers des soins planifiables.

La qualité du traitement des appels est contrôlée et suivie par les fonctions médicales au sein de la centrale d'urgence. Cela inclut également le suivi des plaintes qui ont été déposées. Le recoupement de mesures qualitatives et quantitatives peut conduire, entre autres, à l'adaptation du manuel de la régulation médicale.

Daniel Bacquelaine:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse détaillée. À vous entendre, je pense qu'on peut considérer que le 1733 fonctionne magnifiquement bien. Cependant, il y a quand même beaucoup de plaintes des médecins sur le terrain. Une amélioration est donc possible et elle serait bénéfique. En effet, un bon système de tri permet d'éviter toute une série d'actes inutiles et peut-être aussi de diminuer le recours direct aux urgences. Si les patients reçoivent des conseils adaptés avec une transmission et une réponse tout à fait correctes, il y aura une tendance à aller moins facilement vers les services d'urgence. Cette fonction de tri devrait donc faire véritablement l'objet d'une priorité, aussi bien sur le plan de l'efficacité en tant que telle, mais aussi sur le plan budgétaire. Cela permettrait, à mon avis, de réaliser un certain nombre d'économies: plus le système est performant, plus il permet de réaliser des économies par un recours moins intensif aux services d'urgence.

De schadevergoeding voor besmetting met hepatitis C en hiv door bloedtransfusie

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Ondanks een KCE-rapport uit 2016 dat een forfaitaire vergoeding via het FMO voor 1.000 hiv/hepatitis C-slachtoffers van bloedtransfusies (jaren '80) voorstelt (kost: €67 mln/15 jaar), heeft minister Vandenbroucke nog geen concrete stappen gezet, omdat de huidige wet geen dekking biedt voor incidenten voor 2010 en bewijs lastig is. Farih bekritiseert het gebrek aan actie, benadrukt het vertrouwensprincipe (geen strikt causaal bewijs nodig) en dringt aan op politieke verantwoordelijkheid voor de erkenning en compensatie van deze slachtoffers.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, in de jaren 80 zijn heel wat mensen besmet geraakt met hepatitis C en hiv door bloedtransfusies. Op dat moment was er nog niet voldoende kennis over virussen, waardoor ze niet direct konden worden opgespoord. Mede daardoor kon er niemand juridisch aansprakelijk worden gesteld en konden de slachtoffers op basis van de toenmalige wetgeving dan ook geen aanspraak maken op een schadevergoeding.

Later kwamen er twee relevante wetten, in 1991 en 2010, maar voor incidenten die voor die tijd hebben plaatsgevonden, kan men geen beroep doen op deze wetten. Volgens een schatting gaat het over zo'n 1.000 bloedtransfusieslachtoffers die tot op heden in de kou staan.

Voorzitster: Frieda Gijbels.

Présidente: Frieda Gijbels.

In 2016 vroeg toenmalig minister van Volksgezondheid De Block aan het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) een rapport om te bekijken hoe wij verder kunnen omgaan met deze problematiek. Daaruit kwam als aanbeveling onder andere het Fonds voor de medische ongevallen (FMO) te activeren, zodat het aan de bloedtransfusieslachtoffers een forfaitaire vergoeding kan uitbetalen. De slachtoffers zouden hiervoor enkel moeten aantonen dat ze een bloedtransfusie hebben gekregen en dat ze besmet zijn met hepatitis C of hiv. Het KCE schat dat de kostprijs hiervan, gespreid over 15 jaar, 67 miljoen euro zou zijn.

Ik verwijs nog eens naar het rapport dat van 2016 dateert. U bent intussen een legislatuur minister geweest. Mijn vragen zijn dan ook heel concreet, mijnheer de minister. Hebt u al iets gedaan met de aanbevelingen van het KCE? Intussen zijn er immers al acht jaar verstreken. Hoe staat u hiertegenover in het algemeen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Farih, er is op dit ogenblik geen wet voorhanden die een oplossing voor dit probleem biedt. Het is ook duidelijk dat de huidige wet op de medische ongevallen niet voorziet in het behandelen van medische incidenten die zich voor 2 april 2010 hebben voorgedaan. Het FMO heeft ook nog geen aanvragen in dit verband ontvangen. Dat is een logisch gevolg van het feit dat er in het kader van bloedtransfusies sinds midden jaren 80 voor hiv en sinds begin jaren 90 voor hepatitis C strenge controles worden uitgevoerd om besmettingen via deze weg te vermijden.

Er is nog geen nieuwe opdracht uitgeschreven voor het FMO. Het is ook geen eenvoudig probleem, omdat de oorzaak van de besmetting weinig of niet gekend is. Het gaat vaak om oude incidenten, waardoor informatie over eventuele bloedtransfusies niet altijd terug te vinden is. Er mag ook niet uit het oog worden verloren dat een bloedtransfusie niet de enige besmettingsbron voor hepatitis C en hiv is.

Weliswaar staat vast dat de ziekteverzekering sinds meerdere jaren een behandeling in het kader van chronische hepatitis C terugbetaalt.

Nawal Farih:

Dat is niet echt het antwoord dat ik had verwacht, mijnheer de minister, zeker na het rapport van het KCE, waarin duidelijk wordt aanbevolen dat slachtoffers alleen moeten kunnen aantonen dat ze in België een bloedtransfusie hebben gehad en ze besmet zijn met het virus. U zegt dat men dat virus op verschillende manieren kan oplopen, maar we moeten uitgaan van vertrouwen in en niet van wantrouwen tegenover onze bevolking. Ik reken erop dat de volgende regering hieraan de nodige aandacht besteedt. Het gaat over slachtoffers van bloedtransfusies die volgens het KCE recht hebben op een forfaitaire vergoeding. De voorzitster : Vraag nr. 56000371C van mevrouw Depoorter wordt uitgesteld.

Ziekenhuisinfecties
Ziekenhuisbacteriën
De besmettingen met de ziekenhuisbacterie door besmet sanitair
Ziekenhuisinfecties en -bacteriën via besmet sanitair

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België scoort slecht in de bestrijding van ziekenhuisinfecties (157.000 gevallen/jaar), met antibiotica-resistente bacteriën en schimmelresistentie (bv. *Candida auris*, *Aspergillus fumigatus* met stijging van 4,6% naar 9,7%) als grote uitdagingen, verergerd door verouderde infrastructuur (wasbakken, afvoerleidingen) en onvoldoende verplichte registratie. Ziekenhuizen moeten wel MRSA, MRGN en bloedstroominfecties registreren via Sciensano, maar meldingsplicht ontbreekt voor schimmeluitbraken (behalve *Candida auris*) en virale infecties (bv. COVID-19), wat onderrapportage en gebrek aan transparantie veroorzaakt—slechts "goede" ziekenhuizen leveren gegevens aan. Maatregelen (handhygiëne, HOST-teams, infrastructuurinvesteringen via gemeenschappen) en financiering (€16,5M in 2024) zijn beschikbaar, maar naleving protocollen (bv. watervrije IC-zorg) en sancties bij non-compliance ontbreken, terwijl 1/3 van de infecties vermijdbaar blijft door structurele tekortkomingen. Een nieuw Nationaal Actieplan AMR (eind 2024) moet real-time monitoring, verplichte rapportage en betere samenwerking met gemeenschappen invoeren, maar bevoegdheidsversnippering (federale vs. gewestelijke verantwoordelijkheden) blijft een knelpunt.

Frieda Gijbels:

Mijnheer de minister, deze vragen heb ik ingediend naar aanleiding van de Panoreportage op 15 oktober, waarbij aan het licht kwam dat ziekenhuispathogenen blijkbaar jarenlang kunnen rondwaren en ook jarenlang slachtoffers kunnen maken. Het ECDC deed eerder al onderzoek naar ziekenhuisinfecties, gebaseerd op data van 2022 en 2023. Daaruit blijkt dat we in België naar Europese maatstaven niet goed scoren, al is het onduidelijk of alle landen op dezelfde manier en correct registreren. Toch zijn 157.000 ziekenhuisinfecties per jaar in België een bijzonder hoog aantal. Het hoog gebruik van antibiotica speelt eveneens een rol in het resistenter worden van bacteriën, waardoor ze natuurlijk ook moeilijker kunnen worden bestreden.

Mijnheer de minister, zijn de ziekenhuizen verplicht om ziekenhuisinfecties te registreren? Hoe gebeurt dat? Wat moet worden geregistreerd?

Moeten de ziekenhuizen bepaalde hygiëneprotocollen volgen? Op welke manier wordt dat opgevolgd? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Welke zijn de consequenties als er geen protocollen zijn of wanneer ze niet goed worden opgevolgd?

Zijn er cijfers over antibioticaresistente bacteriën? Waar kunnen we die vinden? Zijn er interhospitaalverschillen en kunt u die duiden?

In de vorige legislatuur stelde ik u al vragen over schimmelinfecties in ziekenhuizen, waarbij er ook sprake kan zijn van antimycoticaresistentie. Er zouden vaker schimmelsporen aanwezig zijn in ziekenhuizen waar gebouwd of verbouwd wordt. Wordt daarnaar verder onderzoek gedaan? Wordt dat überhaupt geregistreerd?

Ook stelde ik u eerder vragen over virale ziekenhuisinfecties, bijvoorbeeld een besmetting met covid opgelopen in een ziekenhuis. Worden die gegevens stelselmatig verzameld? Kunt u daar meer uitleg over geven?

Katleen Bury:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, 150.000 gevallen is echt wel een enorm hoog cijfer. We zien dat bacteriën zich blijven verspreiden ondanks bestaande protocollen, wat toch wijst op tekortkomingen in de huidige aanpak en een gebrek aan urgentie om die aanpak te verbeteren en patiënten beter te beschermen.

Mijnheer de minister, welke specifieke maatregelen worden genomen om de verspreiding van ziekenhuisbacteriën tegen te gaan? Hoe verklaart u dat ondanks bestaande protocollen een op de drie ziekenhuisinfecties vermijdbaar blijft?

Bent u bereid strengere richtlijnen op te leggen aan de ziekenhuizen inzake hygiëne rond waterpunten, zoals we gezien hebben in de reportage?

Welke middelen zullen beschikbaar worden gesteld om te investeren in betere infrastructuur en preventie tegen infecties veroorzaakt door ziekenhuisbacteriën?

Irina De Knop:

Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, een op de drie besmettingen in ziekenhuizen met de ziekenhuisbacterie is vermijdbaar. De aanwezigheid van de bacterie in wasbakken, meer bepaald in afvoerleidingen, blijkt een belangrijke bron van besmetting. Dat bleek onlangs ook nog in de aflevering van Pano op de VRT.

Een besmetting is uiteraard problematisch en soms zelfs dodelijk voor de patiënten, maar ze kost de maatschappij ook handenvol geld. Specialisten pleiten blijkbaar al langer om dergelijke waterpunten weg te halen op de afdelingen intensieve zorg, maar blijkbaar vinden ze niet altijd gehoor of toch niet zo snel als zij dat nodig vinden.

Naast het UZ Brussel hebben blijkbaar ook andere ziekenhuizen al te kampen gehad met dat probleem. Dat wijst erop dat het om een wijdverspreid probleem gaat. Dat stelt ook professor infectieziekten Isabel Leroux-Roels.

Mijnheer de minister, welke maatregelen stelt u voor om dat soort besmettingen in de toekomst tegen te gaan? Wat is er bijkomend nodig?

De subsidiëring van infrastructuurwerken in ziekenhuizen valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeenschappen. Kunt u met de gemeenschappen overleggen zodat al minstens bij verbouwingen of nieuwbouw in gevoelige diensten, zoals intensieve zorg, risico's worden vermeden?

Hoe is de overheid tot nog toe omgegaan met uitbraken? Werden die telkens gelinkt aan besmet sanitair?

Frank Vandenbroucke:

Er zijn al zeer uitgebreide antwoorden gegeven op die vragen.

Zijn ziekenhuizen verplicht te registeren? Ja, er is een verplichting om deel te nemen aan de surveillanceprojecten voor meticillineresistente staphylococcus aureus (MRSA), voor multiresistente gramnegatieve bacillen (MRGN) en bloedstroominfecties (BSI) in alle ziekenhuisdiensten. Ze moeten ook meewerken aan ten minste een van de volgende vier surveillanceprojecten: bloedstroominfectie en pneumonie op de intensive care unit, clostridioides difficile, postoperatieve wondinfecties of vancomycineresistente enterokokken.

Tevens dienen de ziekenhuizen deel te nemen aan de kwaliteitsindicatoren voor ziekenhuishygiëne, die gebeuren op basis van protocollen, door Sciensano ontworpen. Ik overleg met de vertegenwoordigers van het werkveld en BAPCOC.

Moeten ziekenhuizen bepaalde hygiëneprotocollen volgen? Richtlijnen voor ziekenhuishygiëne en -aanpak van multidrug resistente organismen en specifieke adviezen in het kader van nieuwbouw of renovatiewerken in de ziekenhuisomgeving werden door de Hoge Gezondheidsraad ontworpen en regelmatig aangepast. De uitwerking en de opvolging geschiedt door de ziekenhuishygiëneteams, zoals bij KB is vastgelegd.

Zijn er cijfers over antibioticaresistente bacteriën? Sinds meerdere jaren worden twee afzonderlijke surveillances omtrent AMR bij Sciensano georganiseerd: de AMR-surveillance op basis van het koninklijk besluit en het EARS-BE-programma, de Belgische tak van EARS-Net, dat een vrijwillig programma is. Gegevens van invasieve stalen en urinestalen worden gedetailleerd verzameld, uitgevoerd op het niveau van de gevoeligheidstest.

Recent is een overkoepelend One Healthrapport BELMAP gemaakt, waarin de bovenstaande surveillances, alsook andere resistentiegegevens, sinds 2023, interactief worden opgelijst. Ziekenhuizen en deelnemende laboratoria krijgen een feedbackrapport, zowel voor AMR als voor EARS-BE, waarin ziekenhuisverschillen worden aangeduid, om verbeteracties te initiëren. Verschillen kunnen het gevolg zijn van onder andere de case mix, de specialisaties en diensten in het ziekenhuis, de teststrategie – met een al dan niet actieve opsporing van MRSA –, seizoens- en loco tempo regionaal gebonden factoren, de huidige en historische antibioticaselectiedruk, infectiepreventieaudits en interactie met communicerende zorginstellingen. Interregionale verschillen zijn te vinden in de nationale rapporten op onze website. U kunt daarvoor kijken op sciensano.be/nsih.

Wat schimmelinfecties betreft, nosocomiale mycosen zijn infecties veroorzaakt door fungi opgelopen in een ziekenhuisomgeving of een andere faciliteit van de gezondheidszorg. De aanwezigheid van fungi op de afdeling intensieve zorg, in een operatiezaal of zelfs een wachtkamer kan de bron zijn van een lokale uitbraak bij patiënten. Schuldige schimmels of gisten zijn afkomstig van onder meer de buitenlucht, verbouwingswerken in de buurt van de faciliteit, geïnfecteerde patiënten en het ziekenhuispersoneel. Constructiewerken in de nabije omgeving van een ziekenhuis kunnen de hoeveelheid aan schimmelsporen die mogelijk tot een infectie kunnen leiden, verhogen in de buitenlucht. Voor maatregelen voor ziekenhuizen verwijs ik naar het advies 8580 van de Hoge Gezondheidsraad omtrent infectiebeheersing tijdens constructiewerken in ziekenhuizen. Het ventilatie- en airconditioningsysteem en gecontamineerde instrumenten tot zelfs bloemen- en kamerplanten kunnen allemaal bronnen zijn van fungale verspreiding. Schimmels verbreiden zich vooral via de lucht, gisten doorgaans door fysiek contact.

Een nationale en een gecentraliseerde registratie van verbouwingen in ziekenhuisomgevingen wordt niet geïmplementeerd. In elk ziekenhuis volgt de dienst ziekenhuishygiëne dat echter nauwlettend op en neemt men specifieke maatregelen bij bouwwerken in de ziekenhuisomgeving.

De meeste ziekenhuizen voeren op regelmatige basis omgevingscontroles uit, vooral in de meest kritieke afdelingen met kwetsbare patiënten, om de mogelijke aanwezigheid van schimmels op te sporen. Ze kunnen ook een beroep doen op de unit Medische en Omgevingsmycologie van Sciensano om de ziekenhuisomgeving te controleren op schimmels. Ook in het geval van een nosocomiale schimmeluitbraak kan aan Sciensano gevraagd worden om een omgevingscontrole te houden en de bron van de uitbraak op te sporen.

De genoemde omgevingscontroles worden echter allemaal op vraag van het ziekenhuis uitgevoerd. Er zijn geen verplichtingen rond het aangeven van een schimmeluitbraak, afgezien van een uitbraak van candida auris. In woonzorgcentra is het niet standaard om omgevingscontroles uit te voeren.

Een belangrijk probleem is de alsmaar vaker voorkomende resistentie aan een of meer klassen antifungale middelen. Bekende voorbeelden daarvan zijn candida auris, waar al resistentie aan antifungale azolen en echinocandines is vastgesteld, en aspergillus fumigatus, dat een hoge resistentiegraad voor azolen vertoont.

Mogelijk resistente stammen afkomstig van klinische stalen kunnen worden opgestuurd naar het Nationaal Referentiecentrum voor Mycosis van het UZ Leuven om een antifungale gevoeligheidsbepaling te laten uitvoeren. Ziekenhuizen zijn echter niet verplicht om dat te doen en daarom is het niet eenvoudig om een cijfer te plakken op schimmelresistentie in België.

De uitvoering van longitudinale studies is van uiterst belang om een beter beeld te krijgen van de problematiek. Het UZ Leuven deed zo'n studie voor resistentie van aspergillus fumigatus aan azole antifungale middelen. De resultaten toonden aan dat de resistentiegraad in België op 9,7 % lag. Tien jaar eerder was dat nog maar 4,6 %.

De twee belangrijkste routes voor het ontstaan van azoolresistentie in stammen van aspergillus fumigatus zijn de patiëntenroute en de omgevingsroute. De antifungale middelen hebben chemisch een heel gelijkaardige structuur aan de medische antifungale middelen, waardoor we kruisresistentie tussen die groepen opmerken. De dienst Mycologie en Aërobiologie van Sciensano doet momenteel onderzoek naar resistentie via de omgevingsroute. De eerste resultaten werden reeds gepubliceerd.

In 2025 zal dezelfde dienst een studie opstarten waaraan vijf Belgische ziekenhuizen zullen deelnemen. Daarbij zal worden nagegaan wat de rol is van de omgeving van het ziekenhuis op de prevalentie van azoolresistente aspergillus fumigatus en of die eveneens de diensten van de ziekenhuizen met de meest kritische patiënten kunnen binnendringen en mogelijk nosocomiale infecties kunnen veroorzaken.

Ten vijfde, de informatie over virale ziekenhuisinfecties beperkt zich tot COVID-19, verkregen via de niet-exhaustieve Clinical Hospital Surveillance gestart in 2020, waarbij Belgische ziekenhuizen klinische informatie verstrekken over patiënten die zijn opgenomen met COVID-19. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen waarschijnlijke ziekenhuisinfecties en niet-ziekenhuisinfecties op basis van classificatiecriteria naargelang van de tijd tussen de opname en de startdatum van de symptomen. Aangezien die rapportering niet verplicht is en we ter zake een dalende trend vaststellen, zal het kleine aantal onvoldoende zicht geven op de werkelijke epidemiologie voor heel België.

Mevrouw Bury stelde nog aanverwante vragen naar specifieke maatregelen. Ik zou een onderscheid willen maken tussen het algemene beleid van infectiepreventie en de specifieke maatregelen genomen om de verspreiding via wasbakken en afvoerleidingen tegen te gaan. Wat infectiepreventie en controle (IPC) betreft, neemt op federaal niveau de FOD initiatieven om de ziekenhuizen te ondersteunen. Dat beleid omvat financiering voor taken gericht op het voorkomen en behandelen van infecties in de Belgische ziekenhuizen en deskundigheidsbevordering. Bovendien loopt sinds 2021 het grote pilootproject Hospital Outbreak Support Teams (HOST), dat in een bijkomende financiering voorziet om ziekenhuisnetwerken te ondersteunen in hun IPC-beleid. Die beleidsmaatregelen, met bijkomende financiering, ondersteunen de ziekenhuizen op het vlak van competentie, mogelijkheden en motivatie voor de aanpak van zorggerelateerde infecties. Het blijft een verantwoordelijkheid van de zorgverstrekkers en de ziekenhuizen om dat dagelijks in de klinische praktijk te brengen. We volgen indicatoren die meten of infectiepreventiemaatregelen worden uitgevoerd. Belgische acute ziekenhuizen nemen deel aan het project Kwaliteitsindicatoren voor infectiepreventie en -beheersing, dat gericht is op de verbetering van infectiepreventieprogramma’s en beleid in die ziekenhuizen. Momenteel loopt er een evaluatie van het IPC-beleid, met inbegrip van het HOST-project, waarin wordt onderzocht hoe de naleving van protocollen kan worden geoptimaliseerd en welke factoren daarin een positieve bijdrage kunnen leveren. Dat past ook allemaal in het bredere kader van AMR.

Wat de specifieke maatregelen betreft om de verspreiding via wasbakken en afvoerleidingen tegen te gaan, het probleem wordt alsmaar vaker erkend als een belangrijke uitdaging. De aanpak is niet makkelijk, aangezien er momenteel geen bewezen methode is die volledig en blijvend effectief is, of het nu gaat om chemische en thermische methodes of om het vervangen van sifons. Vooral oudere ziekenhuizen met minder aangepaste infrastructuur worden daardoor zwaar getroffen. Daarbij wordt er steeds vaker gekeken naar de mogelijkheid van watervrije zorg op kritieke diensten.

Wat infectie-uitbraken door resistente organismes betreft, werken de federale overheid, de deelstaten en Sciensano samen om de uitbraken nauw op te volgen en om ondersteuning te bieden bij de bestrijding ervan. Op preventief vlak zijn er aantal richtlijnen voor de infrastructuur, zoals infectiebeheersing tijdens de werken in zorginstellingen of bacteriologische controles. Er is echter geen nationale richtlijn voor IPC gelinkt met wasbakken. De ontwikkeling van een dergelijke richtlijn ligt momenteel voor als actie bij de voorbereiding van het nieuwe NAP AMR. De basisaanpak richt zich op de strikte naleving van preventieve maatregelen, met name handhygiëne en omgevingshygiëne. Daarnaast mogen er in de buurt van wasbakken geen materialen geplaatst worden die in contact kunnen komen met mogelijk besmet water en mogen lichaamsvochten of andere besmette stoffen niet door de lavabo worden gegoten. Voorts zijn er algemene maatregelen om ziekenhuisinfecties te voorkomen. Al die maatregelen zijn gericht op de vermindering van de impact van resistente bacteriën in het kader van het NAP AMR.

Waarom blijft een op de drie ziekenhuisinfecties toch vermijdbaar? Het ECDC schat dat een op de vijf infecties in Europa voorkomen kan worden. Gepubliceerde studies suggereren dat er aanhoudend potentieel bestaat voor een vermindering van de incidentie in de orde van 35 % tot 55 %, geassocieerd met multifaceted interventies. Zowel tussen ziekenhuizen onderling als op internationaal vlak is er aanzienlijke ruimte om meer infecties te voorkomen.

Waarom stellen we dat nog steeds vast? De complexiteit van ziekenhuizen als dynamische omgeving speelt hierin een rol. Factoren als het gebruik van invasieve hulpmiddelen, de aanwezigheid van kwetsbare patiënten en ingewikkelde zorgprocessen maken de naleving van protocollen uitdagend. Momenteel is er bij de FOD een evaluatie van het IPC-programma aan de gang. Hierin wordt onderzocht hoe de naleving van protocollen verder kan worden geoptimaliseerd.

U vroeg of ik bereid ben strengere hygiënerichtlijnen voor ziekenhuizen op te leggen en, zo ja, hoe die gecontroleerd zullen worden. De kwaliteitsevaluatie van zorginstellingen is de bevoegdheid van de deelstaten. Die voeren daartoe de nodige inspecties uit.

Welke middelen zullen beschikbaar worden gesteld om te investeren in betere infrastructuur? De FOD financiert het programma van ziekenhuizen inzake infectiepreventie en -controle. Via het hostpilootproject komt daar een jaarlijks stijgende financiering bij voor infectiepreventie- en antibioticabeleid van 10.580.000 euro in 2021 tot 16.470.000 euro in 2024. Bovendien is het de ambitie van het nieuwe NAP AMR om blijvend in te zetten op infectiepreventie en -controle. Echter, investeren in infrastructuur is een bevoegdheid van de deelstaten.

Er wordt ook gevraagd naar het sepsisplan. Dat is bezorgd aan het secretariaat van de commissie. Het plan omvat aanbevelingen over diverse thema’s. Het gaat deels ook over bevoegdheden van de deelstaten. Het document van professor Vlieghe is voorgesteld en in detail besproken in de Risk Management Group, waarin ook de deelstaten vertegenwoordigd zijn. Op federaal niveau zal de verdere opvolging gebeuren door BAPCOC, gezien het verband met IPC en de strijd tegen AMR. Ik verneem dat het sepsisplan ook zal worden geïntegreerd in het volgende NAP AMR, dat volop in ontwikkeling is, met als streefdatum eind 2024 voor de concrete voorstelling van het actieplan voor de komende jaren. De implementatie van het sepsisplan is een nieuw initiatief en vergt enkele investeringen.

Er zijn ook maatregelen om ziekenhuisinfecties met moeilijk te behandelen bacteriën te voorkomen: isolatiemaatregelen waar nodig, de implementatie van zorgbundels gericht op het voorkomen van infecties, zoals centrale lijn geassocieerde bloedbaaninfecties, CLABSI, katheter geassocieerde urineweginfecties, postoperatieve wondinfecties en ziekenhuis geassocieerde pneumonie. Er zijn ook regelmatig trainingen en bewustmakingen.

Om de transparantie rondom uitbraken te bevorderen, werkt de technische cel multidrug resistente organismen momenteel aan een conceptvoorstel. Het idee is om in België een systeem op te zetten dat vergelijkbaar is met dat van het RIVM in Nederland voor het delen van gegevens over uitbraken.

Een andere actie die voorligt bij de voorbereiding van het nieuwe NAP AMR, is de verbetering van de monitoring van multiresistente organismen met realtime genomische technologie.

U vroeg ook hoe de overheid tot nu toe is omgegaan met uitbraken gelinkt aan besmet sanitair. De gewestelijke gezondheidsautoriteiten, Sciensano en andere experten werken samen in het outbreak supportteam. Op 21 november 2013 verscheen in het Belgisch Staatsblad het protocolakkoord met betrekking tot het nationaal strategisch plan ter bestrijding van MDRO's. In dat kader werd het concept van outbreak supportteams geformaliseerd na verschillende jaren van informele samenwerking tussen de betrokken partners. Daardoor kan het team van deskundigen zorginstellingen bijstaan in geval van moeilijke uitbraken. Het outbreak supportteam staat onder leiding van deskundigen van de gewestelijke gezondheidsautoriteiten.

Mevrouw de voorzitster, ik excuseer mij voor het zeer lange antwoord. Ik heb zelfs nog lang niet alles gezegd wat in mijn voorbereiding stond. Ik stel voor dat mijn medewerkster, mevrouw Schellens, het hele antwoord bezorgt aan u en de verschillende vraagstellers, zodat u alle details hebt.

Frieda Gijbels:

Het was inderdaad een heel lang antwoord, maar het is natuurlijk ook een belangrijke problematiek. Als ik het wat samenvat, dan verzamelen wij op dit moment heel wat gegevens, maar nog veel te vrijblijvend en onvolledig. Er zijn ook adviezen en er is expertise bij de Hoge Gezondheidsraad en Sciensano, maar volgens mij zijn die ook te vrijblijvend. Wie levert dan de gegevens aan? Zijn dat de ziekenhuizen die al goed hun best doen of niet? In welke mate hebben wij echt een goed zicht op de zaak? Ik denk dat wij nog een beetje in het duister werken, terwijl het toch een heel belangrijke problematiek is.

U antwoordde ook uitgebreid over de mycoseproblematiek en gaf aan dat er al sprake is van resistentie en zelfs kruisresistentie. Ook daaromtrent mogen wij meer vragen van ziekenhuizen qua registreren, rapporteren en natuurlijk ook ingrijpen bij dergelijke problemen. Ik hoef u niet te herhalen dat ik voorstander ben van het openbaar maken van gegevens en rapporten, zodat duidelijk wordt wie gegevens aanlevert en wie niet. Dat zou ook een goede incentive kunnen zijn om gegevens te verzamelen en aan te leveren en zo om de cijfers zo laag mogelijk te houden.

Wanneer er een probleem wordt vastgesteld, is het vooral belangrijk om dat op te volgen en ervoor te zorgen dat het uit de wereld wordt geholpen, zodat we vermijden wat we nu hebben gezien, namelijk dat nosocomiale infecties in een bepaald ziekenhuis jarenlang kunnen aanhouden.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, u gaf een zeer uitgebreid antwoord, waarvoor u zich zeker niet hoeft te excuseren. Hoe meer info hierover, hoe liever.

U hebt uitvoerig uitgelegd welke algemene en specifieke maatregelen onder andere inzake de wasbakken en de afvoerleidingen er kunnen worden genomen en dat er een nieuw actieplan in de pijplijn zit. Ik juich dat toe. Ik kijk ook uit naar de studie over de uitbraken van Sciensano. U somde ook u een heel aantal pijnpunten op, zodat wij kunnen zien waar het probleem zich situeert. Er is geen verplichting een uitbraak te melden. Dat is eigenlijk hallucinant. Op die manier kan men niet monitoren en kan men niet weten waar het probleem zit.

De vorige collega merkte ook al op dat het altijd de goede ziekenhuizen zijn die het melden, terwijl ziekenhuizen waar dergelijke infecties woekeren dat niet doen. Het ontbreken van een meldingsplicht is echt wel een groot probleem.

Het zou ons zeer waardevolle cijfers kunnen opleveren, als we wisten waar de problemen juist zitten. U merkte op dat de resistentie tegen antifungale middelen is gestegen van 4,6 % naar 9,7 %. Dat is toch wel hallucinant. Het lijkt mij dat er inzake monitoring enorm veel werk aan de winkel is.

Voorzitter: Patrick Prévot.

Président: Patrick Prévot.

Irina De Knop:

Een uitgebreid antwoord is aangenaam en fijn, al bestaat het risico dat men zo de vis verdrinkt. Ik veronderstel dat dat zeker en vast niet uw intentie is geweest. Ook ik heb als rode draad onthouden dat er eigenlijk zeer veel vrijheid is voor de ziekenhuizen en dat er weinig verplichtingen zijn om dergelijke infecties te rapporteren. Ik leid uit uw antwoord ook af – ik zal het grondig nalezen – dat er ook een probleem is inzake de verdeling van de bevoegdheden. Een deel van de oplossing zou bij de gewesten kunnen liggen. Op die deelvraag heb ik niet meteen een antwoord gekregen. Ik kijk zeker ook uit naar het uitgebreide antwoord.

De opvolging van de wet over de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De wet van 18 mei 2024 verplicht gezondheidszorgbeoefenaars tot voldoende taalkennis, maar controles gelden enkel voor nieuwe visumaanvragers (via certificaten) en niet voor bestaande hulpverleners. Sancties (van verbeteringsplan tot visumintrekking) richten zich alleen tot individuen, niet tot instellingen zoals ziekenhuizen, en er is geen verplichte taaltest of communicatiecampagne naar actieve zorgverleners geweest. Bury kritiseert het ontbreken van afdwingbare maatregelen en proactieve informatieverspreiding, terwijl Vandenbroucke benadrukt dat de regels via de FOD-website worden gecommuniceerd. Vervolgvragen over handhaving en verplichtingen blijven onbeantwoord.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik kreeg graag een stand van zaken omtrent de uitvoering van de wet van 18 mei 2024 betreffende de taalbeheersing van gezondheidszorgbeoefenaars.

Ik hoef u niet te herhalen hoe belangrijk het is dat hulpverleners de taal van de patiënten kunnen spreken, zodat er geen misverstanden ontstaan of erger. Ik heb u al een aantal keren ondervraagd over gevallen waarbij het faliekant afliep.

Wordt de taalbeheersing effectief gecontroleerd? Is er sprake van een verplichte taaltest, bijvoorbeeld georganiseerd door de FOD Beleid en Ondersteuning?

Welke concrete stappen zijn gezet om ziekenhuizen, woonzorgcentra en gezondheidswerkers op de hoogte te brengen van de nieuwe regelgeving?

Zijn er specifieke sancties of maatregelen voor instellingen en zorgverleners die niet aan de taalvereisten voldoen?

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, sinds de invoering van de wet betreffende de taalbeheersing worden in eerste instantie de nieuwe visumaanvragen getoetst aan de wettelijke bepalingen. De aanvragers moeten bij hun visumaanvraag een certificaat kunnen aanleveren dat hun voldoende taalkennis bewijst, volgens de criteria van de wet.

Er is geen aparte communicatiecampagne gevoerd over die nieuwe wetgeving. De website van de FOD Volksgezondheid werd wel aangepast, zodat voornamelijk voor de buitenlandse aanvragers duidelijk is wat van hen wordt verwacht.

Conform de kwaliteitswet moeten alle gezondheidszorgbeoefenaars een van de drie landstalen voldoende beheersen om hun beroep op een kwalitatieve manier te kunnen uitoefenen. De Federale Toezichtscommissie kan een hele reeks maatregelen nemen die ze gepast acht ten aanzien van de gezondheidszorgbeoefenaars: een verbeteringsplan, een voorwaardelijk visum, een visumbeperking, een tijdelijke schorsing van het visum of intrekking van het visum. De commissie is alleen bevoegd voor individuele beroepsbeoefenaars uit de gezondheidszorg en kan geen maatregelen nemen ten opzichte van instellingen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik heb u niets horen zeggen over een verplichte taaltest, maar enkel over een toetsing. Er is geen campagne gevoerd bij de hulpverleners die nu hier al actief zijn. Ten slotte, uit uw antwoord dat specifieke sancties en maatregelen kunnen, leid ik af dat ze niet afdwingbaar zijn. Ik zal aan de hand van uw antwoord, dat ik nader zal bestuderen, daarover dus nog wat vervolgvragen stellen.

Zeldzame ziekten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 5 november 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische pilotconventie voor 4 zeldzame ziekten (o.a. epidermolyse bulleuse) is goedgekeurd, met 8 kandidaturen voor expertisecentra in behandeling bij het RIZIV, waarvan de eerste evaluatie (UZ Leuven) in november verwacht wordt en een tussentijdse beoordeling na 2,5 jaar. Dataregistratie blijft een urgente prioriteit ondanks technische problemen, terwijl het nieuwe nationale plan (in voorbereiding) patiëntenorganisatie RaDiOrg actief betrekt en hun aanbevelingen (bv. infolijn) integreert. Concentratie van expertise en multidisciplinaire samenwerking worden benadrukt als sleutel tot snellere diagnose en betere zorgkwaliteit.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, depuis 2013 et l'adoption du 1 er plan maladies rares, les choses ont beaucoup évolué, notamment au niveau des connaissances scientifiques et de la prise en charge des patients, mais aussi au niveau de la situation politique belge.

Mais les enjeux pour les patients souffrant de maladies rares (qui représentent tout de même entre 500 000 et 700 000 personnes en Belgique) concernent toujours la nécessité de réduire le délai de diagnostic et cette errance très difficilement vécue, la question de la qualité des soins et de l'accessibilité des traitements, ainsi que l'importance de la qualité de vie pour les patients concernés et leurs proches.

En mai dernier, vous annonciez l'approbation, par le Comité de l'assurance de l'INAMI, d'une convention pour les patients atteints de 4 maladies rares. Cette convention vise notamment à mettre en place des coordinateurs de soins dont la mission est de veiller à ce que les patients concernés bénéficient des soins nécessaires et soient guidés à travers les étapes du traitement prévues dans un plan de soins individualisé et vise aussi à renforcer la coopération multidisciplinaire autour de ces patients.

Monsieur le ministre, mes questions sont les suivantes: Pourriez-vous faire un état des lieux de la mise en œuvre de cette convention (nombre de patients impliqués,…)? Pourriez-vous nous éclairer sur la façon dont cette "phase pilote" relative à ces 4 maladies sera évaluée (selon quels critères? dans quel délai? par qui? …) Pourriez-vous nous éclairer quant aux liens entre la reconnaissance de centres d'expertise et cette convention? Pourriez-vous également nous éclairer quant à l'enregistrement des données et au Registre central des maladies rares? Est-il opérationnel? Quelle est l'évolution du nombre de données enregistrées? Pourriez-vous nous éclairer quant à la mise en œuvre des recommandations émises par Radiorg dans leur mémorandum (notamment la création d'une ligne d'information évoquée)? Est-ce que des mesures ont déjà été adoptées à ce sujet? Pourriez-vous, enfin, nous informer de la concertation que vous menez avec Radiorg, l'association faîtière belge des personnes atteintes de maladies rares?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Gatelier, apr è s l'approbation par le Comité de l'assurance de cette convention, les huit fonctions "maladies rares" étaient tenues d'introduire une candidature pour chacune des quatre maladies rares pilotes, à savoir l'épidermolyse bulleuse, l'immunodéficience primaire, l'atrophie multisystémique et la fibrose pulmonaire idiopathique, pour lesquelles elles se considéraient expertes.

Toutes les candidatures ont été introduites selon les modalités prévues dans la convention. En ce qui concerne l'épidermolyse bulleuse, seul un dossier a été introduit; six l'ont été pour l'immunodéficience primaire; trois pour l'atrophie multisystémique et cinq pour la fibrose pulmonaire idiopathique. Les dossiers de candidature sont encore en cours d'examen par l'INAMI. Leur analyse sera soumise en première instance au Collège des médecins-directeurs institué auprès du Service des soins de santé de l'INAMI.

L'intention est de soumettre l'analyse de la candidature transmise par l'UZ Leuven dans le cadre de l'épidermolyse bulleuse dans le courant du mois de novembre et de travailler à la rédaction d'un avenant qui règle la prise en charge spécifique des patients souffrant d'épidermolyse bulleuse.

Il est également dans l'intention d'évaluer la faisabilité, la mise en œuvre et la pertinence du modèle sur la base duquel la convention a été élaborée, avant le terme de la période de validité de la convention qui est de cinq ans. Dans l'intervalle, au terme de deux ans et demi d'application de la convention, celle-ci fera l'objet d'une évaluation.

Pour les centres d'expertise, j'estime qu'une concentration est nécessaire et importante étant donné qu'il n'y a qu'un nombre limité de spécialistes qui maîtrisent ce domaine des maladies rares. Ce grand principe sera inscrit dans le nouveau plan, actuellement en cours d'élaboration par le SPF.

Quant à l'enregistrement des maladies rares, il s'agit d'une priorité absolue. Il y a eu beaucoup de problèmes techniques. J'ai fait savoir clairement que cet enregistrement était urgent et qu'il devait donc être mis en ordre rapidement. Je suis l'évolution de ce dossier par l'intermédiaire de mon cabinet

Le nouveau plan de lutte contre les maladies rares inclura les recommandations formulées par RaDiOrg. Je pense qu'il est important que les patients puissent également faire entendre leur voix. Ils constituent le groupe vraiment concerné.

Les recommandations de RaDiOrg sont prises en compte dans le travail pour l'élaboration d'un nouveau plan belge pour les maladies rares. Ce travail avance et RaDiOrg, tout comme les autres parties prenantes, continuera à être régulièrement consultée pour permettre une élaboration commune de ce nouveau plan.

Jean-François Gatelier:

Ma réplique sera très courte. Merci, monsieur le ministre, car je suis un député comblé d'avoir eu la réponse précise et complète à chacune de mes questions. Voilà qui terminera positivement cet après-midi. Ma question était surtout destinée à connaître votre position par rapport au colloque qui aura lieu ici ce jeudi concernant les maladies rares. Je vous en remercie beaucoup. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.10 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 10.

Het regeringsstandpunt inzake de gezondheidszorgbegroting van het RIZIV
De RIZIV-begroting
De beslissing van de Algemene Raad van het RIZIV met betrekking tot het budget 2025
De weigering om de gezondheidszorgbegroting goed te keuren
De gezondheidszorgbegroting van het RIZIV
De RIZIV-begroting
De gezondheidszorgbegroting
RIZIV-begroting gezondheidszorg 2025

Gesteld aan

Alexander De Croo (Eerste minister)

op 24 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De blokkade van het RIZIV-budget 2025 door Open Vld (veto) en MR (onthouding) zorgt voor onzekerheid bij patiënten, zorgverleners en ziekenhuizen, ondanks een breed gedragen akkoord met 217 miljoen euro besparingen *zonder* lasten voor patiënten. Critici – waaronder zorgsector, mutualiteiten en oppositie – wijten het blockeerbeleid aan weerstand tegen bijdragen van de farmaceutische industrie (o.a. exorbitante medicijnprijzen) en politiek tactisch wachten op een rechtse opvolgregering (*"Arizona"*), terwijl premier De Croo stelt dat een globale begrotingsonderhandeling (inclusief hervormingen) voorrang heeft en de lopende-zaken-regering geen haast hoeft te maken. De kern van het conflict: Open Vld/N-VA eisen structurele hervormingen en willen geen *"automatische"* groeinorm (2,5%) of indexering zonder breder debat, terwijl de zorgsector acute zekerheid eist om financiële chaos (2 miljard euro tekort dreigt) en verdere uitstelkosten te voorkomen. De Croo schuift de verantwoordelijkheid door naar de toekomstige regering, maar wordt beschuldigd van verzuim en gebrek aan respect voor de concertatie die het akkoord bereikte.

François De Smet:

Monsieur le premier ministre, que se passe-t-il avec ce budget des soins de santé? Comme on le sait depuis ce lundi, il n'y aura pas de budget des soins de santé pour l'année 2025 pour l'instant parce que, lors du Comité de l'assurance de l'INAMI, un parti, le vôtre, a émis son veto et empêché qu'il y ait un consensus du gouvernement.

Voilà qui étonne et qui jette le désarroi pour des milliers de patients, des milliers de prestataires de soins et des centaines d'hôpitaux, d'autant plus que le projet de budget sur la table était équilibré. Il promettait une série d'économies mais pas à charge des patients. Il avait surtout le soutien de la grande majorité des acteurs de soins.

Ce veto, qui est une première depuis longtemps, jette dans l'incertitude un grand nombre de professionnels et un très grand nombre de patients. Votre ministre de la Santé lui-même s'est plus qu'étonné en vous exhortant par voie de presse qu'un kern ou un Conseil des ministres puisse se tenir pour corriger le tir le plus rapidement possible et en regrettant publiquement qu'un Conseil des ministres n'ait pas décidé en amont de mieux préparer cette échéance.

Les affaires courantes, monsieur le premier ministre, ne signifient pas que vous devez courir pour fuir vos responsabilités. Cela veut dire que vous devez continuer à assumer le service. En l'occurrence, nous sommes typiquement dans une matière urgente et vous aviez toute la légitimité de prendre ce projet de budget qui, je le rappelle, recueille une large adhésion des acteurs de soins.

Monsieur le premier ministre, pourquoi ce blocage qu'absolument personne ne comprend est-il intervenu? Quand ce blocage sera-t-il levé? Comptez-vous prochainement réunir un Conseil des ministres pour valider un projet de budget? Que pouvez-vous dire pour rassurer les prestataires de soins et les patients extrêmement nombreux qui sont inquiets de cette absence de budget des soins de santé de l'INAMI pour le moment?

Natalie Eggermont:

Mijnheer de premier, ik had wat er afgelopen maandag is gebeurd, niet verwacht. Ik had niet verwacht dat u het budget van de gezondheidszorg zou blokkeren. Ziekenfondsen, artsen en verzekeringsinstellingen kwamen tot een superbelangrijk akkoord over extra middelen in de zorg voor de patiënten, die willen weten hoeveel ze moeten betalen voor een bezoek aan de huisarts, logopedist of kinesist, en voor het personeel, dat extra middelen nodig heeft om zijn werk goed te doen. Maar wat gebeurde er afgelopen maandag? De liberalen blokkeren het akkoord: de MR onthoudt zich en Open Vld stelt zijn veto.

Ik weet niet of u de jongste tijd nog hebt gepraat met mensen die in de zorg werken, maar ik kan getuigen, want ik ben zelf spoedarts. Ik hoop dat u goed luistert, want het zit het zorgpersoneel tot hier. Zij smeken al jaren om extra middelen, maar hun vraag valt in dovemansoren. Afgelopen maandag kregen zij opnieuw een klap te verwerken en begrepen ze dat u niet luistert. De vraag is waarom. Wat hoor ik in de wandelgangen fluisteren en wat lees ik in de pers? De reden is dat u niet wilt dat de farmaceutische industrie een eerlijk steentje bijdraagt. Ik lees: Le MR en l'Open Vld n'étaient pas d'accord de faire peser l'effort sur le secteur pharmaceutique . U zegt van niet, maar het staat in de kranten. Ik ben dus heel benieuwd naar wat er maandag dan is gebeurd en wat de reden is waarom u het akkoord hebt geblokkeerd.

De farmaceutische industrie is wel verantwoordelijk voor de explosie van de uitgaven in de gezondheidszorg. Ze vraagt exuberante prijzen voor een aantal geneesmiddelen. Zo vraagt ze 194.000 euro per patiënt per jaar voor Kaftrio, een geneesmiddel voor mucoviscidosepatiënten, terwijl het de industrie zelf nog geen 6.000 euro kost om het te produceren. De farmasector gijzelt de gezondheidszorg en als daarop wil bespaard worden, dan kan hij rekenen op Open Vld om alles tegen te houden. Is dat echt uw visie? Waar wilt u dan het geld zoeken? Opnieuw bij de patiënten en het zorgpersoneel? Er moet duidelijkheid komen.

Irina De Knop:

Mijnheer de eerste minister, volgens de voorzitter van de Christelijke Mutualiteit is de situatie rond het RIZIV-budget ongezien en totaal onbegrijpelijk. Wat echter helemaal ongezien en onbegrijpelijk is, is dat de voorzitter aan stemmingmakerij doet. Hij maakt patiënten én zorgverstrekkers bang zonder dat daarvoor één gegronde reden is. Zoveel is duidelijk.

Ik wil even factchecken. We spreken over een budget van 40 miljard euro. De financiering van onze gezondheidszorg verdient dan ook een ernstig debat.

Als de huidige regering onder leiding van deze premier en de staatssecretaris voor Begroting dit budget had goedgekeurd, hadden we met een pennentrek de 2,5 % groeinorm vastgeklikt, net als de bijkomende indexeringen en hadden we de bijkomende overschrijdingen van een aantal sectoren aanvaard. Dat hebben we echter niet gedaan. We hebben daar een stokje voor gestoken.

Laat ons immers duidelijk zijn: er liggen een aantal partijen heel erg wakker van het budgettaire kader in dit land. Dat hebben we toch goed begrepen, want daarover ging het toch gedurende de hele campagne? De N-VA ligt er blijkbaar nog het meeste wakker van. Als er nu een grondig begrotingsdebat kan worden gevoerd omdat wij dit niet hebben goedgekeurd, hebben wij dit land en de begroting een dienst kunnen bewijzen. Mijn partij heeft tegengestemd op een voorstel om ervoor te zorgen dat er over het gezondheidsbudget een grondig debat kan worden gevoerd en dat er ook echte hervormingen kunnen komen in de gezondheidzorg.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le premier ministre, lundi, nous avons été informés du fait que les membres du gouvernement présents au Conseil général ont refusé d'adopter le budget 2025 pour les soins de santé proposé par le Comité de l'assurance de l'INAMI. Il nous est également revenu que vous n'avez pas voulu rassembler les membres du gouvernement préalablement à cette réunion pour délibérer sur le sujet. Cela provoque une grande incertitude et attire beaucoup de critiques, tant de la part des syndicats que de vos propres ministres de la Santé.

Je rappelle que le Comité de l'assurance de l'INAMI avait pourtant établi des propositions d'économie de l'ordre de 217 millions d'euros qui permettaient au budget de 2025 de rester sur les rails. Ceci avait été adopté à l'unanimité, sauf par les sages-femmes qui méritent une attention particulière.

En outre, le Comité a insisté sur le fait que si le budget n'était pas voté rapidement, ces mesures d'économie ainsi que la norme de croissance de 2,5 % et l'index santé de 3,34 % ne pourraient pas être appliqués à partir du 1 er janvier, ce qui occasionnerait d'emblée un déficit budgétaire de 2 milliards d'euros, qui serait bien entendu supporté par les patients et les prestataires de soins.

Monsieur le premier ministre, pourquoi n'avez-vous pas voulu délibérer préalablement à la réunion du 21 octobre avec l'ensemble du gouvernement afin de ne pas se retrouver dans la situation présente? Pourquoi votre parti, l'Open Vld, s'est-il opposé à ce budget et quelles modifications souhaite-t-il y voir apportées pour l'adopter?

Monsieur le premier ministre, il y a urgence et nous vous demandons de rassembler rapidement le gouvernement pour prendre une décision concernant ce budget 2025 des soins de santé.

Jan Bertels:

Mijnheer de eerste minister, hoeveel kost mijn behandeling? Hoeveel krijg ik terug? Hoeveel betaal ik zelf? Dat zijn vragen die iedere patiënt die zorg nodig heeft, moet kunnen beantwoorden. Dat zijn vragen voor 2025, die vandaag niet te beantwoorden zijn. Dat is een probleem.

Nog geen week geleden heb ik het hier gehad over het belang van betaalbare zorg. Uitgestelde zorg is altijd duurdere zorg. Onzekerheid leidt enkel tot grotere problemen. De basis voor die zekerheid, welke zorg men ook nodig heeft, zit in de jaarlijkse RIZIV-begroting. Het RIZIV zorgt er niet alleen voor dat patiënten weten waarop zij recht hebben, maar het geeft ook zorgverleners als artsen, tandartsen en verpleegkundigen zekerheid, over de indexering van hun honoraria bijvoorbeeld.

Vandaag staan die mensen in de kou. Waarom? Is er een akkoord voorbereid? Ja. Staan de budgetten klaar? Ja. Waar loopt het dan fout? De regering is nu aan zet. Het is wachten op overleg binnen de regering.

Socialisten maken werk van betaalbare en toegankelijke zorg, jaar na jaar. De gezondheid van mensen is immers onze grootste prioriteit. Dat is zij altijd geweest en dat zal zij altijd zijn, ook nu er een akkoord gesloten moet worden voor 2025.

De regering bevindt zich in lopende zaken. De wereld staat ondertussen evenwel niet stil. Een regering in lopende zaken moet zorgen voor stabiliteit en voor continuïteit. Voor die stabiliteit en voor die zekerheid moet de RIZIV-begroting worden vastgelegd, conform de wetgeving en de budgettaire mechanismen.

Mijnheer de eerste minister, hoe zult u ervoor zorgen dat de patiënten en de zorgverleners zo snel mogelijk weten waar zij aan toe zijn?

Sarah Schlitz:

Monsieur le premier ministre, je ne serai pas très originale. Comme vous le savez, les mutuelles, les syndicats de médecins, les professionnels du secteur – tous les membres de la concertation sociale en matière de soins de santé – se sont mis d'accord pour adopter un budget à la trajectoire raisonnable, qui permet de recadrer de sérieux dérapages – tels les suppléments d'honoraire, mais aussi les médicaments – sans toucher à l'accessibilité et à la qualité des soins de santé, donc sans pénaliser le patient. Or, cette semaine, nous avons appris qu'après des mois de discussion et de concertation, l'Open Vld a voté contre, tandis que le MR s'est abstenu, de sorte qu'ils ont bloqué l'adoption de ce budget.

Quelle en est la raison? La presse s'est livrée à de multiples spéculations. Apparemment, il s'agirait de tenter de remettre dans les mains d'un gouvernement plus à droite, c'est-à-dire plus cohérent avec votre idéologie, la décision portant sur le budget de l'INAMI. Pensez-vous sincèrement qu'en quelques jours, ce gouvernement qui n'est même pas encore formé, saura mieux que l'ensemble des professionnels ce qu'il convient de faire pour redresser le budget et adopter celui de 2025? Franchement! La conséquence de cette manœuvre est que nous risquons d'assister à un grave dérapage budgétaire sur le plan des soins de santé, tandis que carte blanche sera donnée au secteur pharmaceutique pour continuer à s'en mettre plein les poches. C'est un vrai problème!

Monsieur le premier ministre, expliquez-nous pourquoi vouloir imposer un point de vue sans respecter les partenaires sociaux, alors que ce modèle a fait ses preuves? En tant que premier ministre en affaires courantes, c'est précisément votre mission de faire en sorte que ce budget soit adopté. Allez-vous débloquer la situation? Allez-vous convoquer un Conseil des ministres avant le 6 décembre ou bien allez-vous continuer à protéger des secteurs qui sont en train de profiter véritablement du système?

Caroline Désir:

Monsieur le premier ministre, nous sommes aujourd'hui le 24 octobre et nous n’avons toujours pas d’accord sur le budget des soins de santé pour 2025. Ce lundi, votre parti, l’Open Vld, a voté contre l’accord obtenu en concertation sociale, tandis que le MR s’est abstenu.

Vous prenez ainsi en otage les patients, les soignants, mais aussi les hôpitaux. Surtout, vous balayez d’un revers de la main le travail mené par les mutualités et les dispensateurs de soins, par tous ceux qui étaient autour de la table et qui ont trouvé un accord pour présenter un budget en équilibre.

Ce budget contient pourtant les économies imposées. Il s'agit de 216 millions d’économies, sans nouvelle avancée pour 2025. C'était évidemment un travail compliqué. Et pourtant, la concertation a permis de dégager un accord, de dégager des solutions – j’insiste – sans toucher aux patients et en garantissant la viabilité de notre système de soins.

L’accord approuvé par une large majorité n’a pourtant pas été suivi. Pourquoi? Parce que, sans doute, le secteur pharmaceutique devait contribuer à l’effort. Je rappelle que le secteur pharmaceutique dépasse son cadre budgétaire et engrange des milliards d’euros de bénéfices chaque année.

Monsieur le premier ministre, vous êtes à la tête d’un gouvernement – en affaires courantes, certes, mais d’un gouvernement tout de même – qui doit prendre ses responsabilités. Vous ne pouvez pas simplement renvoyer la patate chaude à l’Arizona, qui peine à se former. Vous jouez avec le temps et avec le feu.

Monsieur le premier ministre, que voulez-vous? Voulez-vous d’autres économies pour protéger le Big Pharma? Préférez-vous faire payer davantage les patients, moins bien rémunérer les prestataires, ou compliquer plus encore la situation des hôpitaux? Ou bien, monsieur le premier ministre, comptez-vous enfin réunir votre gouvernement en affaires courantes pour mettre en œuvre l’accord conclu entre les mutualités et les prestataires de soins?

Voorzitter:

Monsieur le premier ministre, vous disposez de cinq minutes pour répondre.

Alexander De Croo:

Collega’s, ik wil beginnen met de patiënten, zorgverstrekkers en ziekenfondsen gerust te stellen. Er zal in 2025 een begroting van het RIZIV zijn. Men zal terugbetaald worden voor de behandelingen.

Ik betreur ten zeerste dat de voorbije dagen pertinente onwaarheden werden verkondigd, zelfs in het Parlement, louter met politieke motieven. Ik wil een aantal onder u vragen eerst uw dossiers te doorgronden en pas daarna commentaar te leveren. In 2019 was de situatie met de regering-Wilmès I vergelijkbaar. Aangezien men besefte dat er niet snel een nieuwe regering zou worden gevormd, besliste men op 22 november 2019 om de begroting voor het RIZIV goed te keuren. 22 november is over een maand. Er is dus geen enkele noodzaak voor de regering in lopende zaken om daarover vandaag een beslissing te nemen.

En effet, le budget de l'INAMI fait partie du budget global. C'est normal. Un budget global que, pour l'instant, cinq partis sont en train de négocier. Ils étaient d'ailleurs en train de négocier dans le bâtiment juste à côté. Un des grands défis qu'ils ont à relever est le budget global. L'INAMI fait partie de ce budget global. Décider maintenant, uniquement sur l'INAMI, sans regarder quelles sont les autres mesures, serait rendre le travail du formateur plus difficile.

Het laatste wat men van een regering in lopende zaken zou verwachten, is dat ze het werk hindert van een regering die zich aan het vormen is. Ook dat is democratie. Op basis van een verkiezingsuitslag proberen partijen een regering te vormen met een formateur die aangesteld is. Het is toch logisch dat een regering in lopende zaken aan de formateur en de vijf betreffende partijen alle ruimte geeft om een regering te vormen en een begroting aan te nemen. De begroting van het RIZIV maakt daar deel van uit. Daar nu al op een voorafname op doen, zou de zaken bemoeilijken. Vanuit een democratisch perspectief zou dat pertinent onjuist zijn.

Pour cette année 2024, ce gouvernement sortant avait fixé la norme de croissance dans les soins de santé à 2 %. Cela faisait partie d'un accord budgétaire global avec des choix politiques qui ont été faits dans les soins de santé ainsi que dans d'autres domaines, accompagnés de réformes. Des réformes sont des choix politiques, qui doivent se faire par ceux qui sont élus, par ceux qui sont mandatés par le Parlement et non pas par les partenaires sociaux.

Mocht de volgende regering vinden dat de uitgaven in de gezondheidszorg volgend jaar moeten stijgen ten opzichte van dit jaar, mocht zij stellen dat de 2 % van 2024 niet voldoende was en volgend jaar naar 2,5 of zelfs 3 % willen gaan, zoals ik in sommige nota's heb gelezen…

Monsieur Bertels, monsieur Gatelier, vous avez des représentants autour de cette table. Certains sont même ici dans ce Parlement.

In plaats van u dus tot mij te richten, stel ik voor dat u zich richt tot de onderhandelaars die voor u rond de tafel zitten. Indien u een groeinorm van 2,5 % tot 3 % wilt, richt u dan tot de heer Vandenbroucke en tot de heer Prévot. Zorg ervoor dat zij de uitgaven doen stijgen. Zorg er dan echter ook voor dat er hervormingen zijn op andere domeinen om de stijging betaalbaar te maken, zodat het mogelijk is over die stijging te beslissen.

Kom hier geen verhaaltjes vertellen. Een begroting van de gezondheidszorg maakt deel uit van een brede begroting. Die onderhandeling vindt nu plaats. Ik ga ervan uit dat de onderhandeling voor een volgende regering zal plaatsvinden in de komende maand en in de weken die daarop volgen.

Geef die ploeg de ruimte om te onderhandelen. Geef die ploeg de ruimte om een akkoord te maken. (…).

François De Smet:

Merci monsieur le premier ministre.

Votre réponse est complètement surréaliste, mais elle contient tout de même un élément rafraichissant: au moins une personne dans cette pièce pense qu'il y aura un gouvernement Arizona en novembre, et c'est vous. Or, pour le reste, vous êtes dans de la science-fiction politique et juridique. Soit il y a un gouvernement, soit il n'y en a pas. Mais l'idée que le premier ministre sortant puisse servir les plats à un formateur – mot qui n'existe même pas dans la Constitution – contre l'avis de ses propres partenaires, est irréelle.

Vous auriez raison contre tout le monde: contre l'INAMI, contre les prestataires de soins de santé, qui ont pourtant fait des efforts majeurs pour faire des économies, contre vos propres partenaires de majorité, dont un grand nombre se sont exprimés ici. Il est vraiment temps de sortir de cette période, parce que pour l'instant nous avons à la fois le pire de l'Arizona et le pire de la Vivaldi.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de premier, het is duidelijk dat u gewoonweg geen respect hebt voor de helden van de zorg. Ik vermoed dat u geapplaudisseerd hebt tijdens de coronacrisis. Collega's, u hebt allen geapplaudisseerd voor de helden van de zorg. Nu krijgen zij van ieder van u een klap in het gezicht. Ik hoor nu dat u wel in de zorg wilt besparen. U stelt bijvoorbeeld de groeinorm van 2,5 % voor de begroting ter discussie. Nochtans was die groeinorm aan het personeel beloofd! Dat is gewoon een klap in het gezicht van het personeel.

Hebt u allen de voorbije jaren de kreten van het zorgpersoneel niet gehoord? Die sector schreeuwt en smeekt om meer investeringen, want de personeelsleden zitten op hun tandvlees. Die boodschap wordt niet gehoord.

Mijnheer de premier, u hebt mij uitgenodigd om het dossier te bestuderen. Ik nodig u uit om mee te gaan naar een spoeddienst, zodat u aan mijn collega's kunt uitleggen wat u van plan bent.

U argumenteert dat er gewacht kan worden, dat er nog voldoende tijd rest voor onderhandelingen. Over twee weken vindt echter een betoging van het zorgpersoneel plaats met als titel 'Wachten kan niet meer'. Er moeten investeringen komen in de zorg. Niet morgen, maar vandaag.

Voorzitter:

Goede collega's, dat was de maidenspeech van collega Eggermont in het halfrond. (Applaus)

Irina De Knop:

Collega Bertels, het is van twee zaken één. Maar wat we hier zien, is in zekere zin de omgekeerde wereld. Partijen, waaronder de uwe, zijn aan zet om een regering te vormen. Welnu, doe dat dan. Neem zelf uw verantwoordelijkheid en misbruik de Algemene Raad niet om uw gezondheidsbudget te realiseren zonder hervormingen. Dat doet men aan de onderhandelingstafel, men laat dat niet louter aan de actoren over.

Ter attentie van uw toekomstige coalitiepartners heb ik één boodschap: boer, let op uw ganzen. Parallel aan de regeringsonderhandelingen wil Vooruit namelijk zomaar eventjes het gezondheidsbudget vastklikken zonder hervormingen door te voeren en zonder een globaal debat over de begroting. Welnu, collega's, Open Vld is geen handpop, niet van Vooruit en ook niet van een toekomstige regering.

Voorzitter:

Collega Bertels, u bent te snel. Ik geef u nog enkele momenten om over uw repliek na te denken, zodat die nog scherper en spitser is dan u die voorbereid hebt. Eerst is het de beurt aan collega Gatelier.

Jean-François Gatelier:

Merci, monsieur le premier ministre, pour votre réponse.

Excusez-moi, mais j'hallucine. J'ai l'impression d'être à l'école, où on reporte la faute les uns sur les autres. Je ne vois qu'une chose: il n'y a qu'un parti qui s'est opposé à ce budget et vous tentez de responsabiliser l'ensemble de ce Parlement. Je ne suis pas dans le secret des dieux de la future Arizona, je suis parlementaire et je défends l'avenir des patients, des soins de santé, des prestataires de soins et des hôpitaux.

Vous êtes encore le premier ministre de la Belgique. Vous êtes encore le capitaine de ce gouvernement, certes en affaires courantes. Il y a urgence et vous avez la responsabilité politique de prendre une décision avec l'ensemble du gouvernement, rapidement, pour rassurer le secteur. Le gouvernement Vivaldi a commencé la législature de 2020 en gérant une pandémie de covid 19 avec les blouses blanches. J'espère que le gouvernement Vivaldi va terminer en respectant les blouses blanches et tout le travail qu'elles ont fourni pendant cette pandémie.

Voorzitter:

Merci au collègue Gatelier qui s'est exprimé sans papier. C'était aussi sa première question dans cet hémicycle. (Applaudissements)

Jan Bertels:

Mevrouw De Knop, de eerste minister heeft ons uitgenodigd om de dossiers te lezen. Ik zou willen vragen dat u het investerings- en hervormingsprogramma dat wij samen in de vorige regering hebben doorgevoerd, er eens op naslaat.

Mijnheer de eerste minister, waar patiënten en zorgverleners nu nood aan hebben, is zekerheid. Er ligt een breed gedragen voorstel op tafel. Er is nood aan actie en niet aan vingerwijzingen en wegkijken. Jaar na jaar, keer op keer heeft de regering de RIZIV-begroting goedgekeurd. Wij moeten dat ook nu doen. De wetgeving bepaalt dat wij onze verantwoordelijkheid nemen. Alles staat klaar voor een beslissing. Ga dus zo snel mogelijk aan de slag. Laten we werk maken van dat akkoord, laten we onze verantwoordelijkheid nemen, laten we het algemeen belang vooropstellen en niet het partijbelang, mevrouw De Knop.

Sarah Schlitz:

Je vous remercie pour vos réponses, monsieur le premier ministre.

C'est à n'y rien comprendre: votre parti, qui n'est pas impliqué dans les négociations pour la formation du prochain gouvernement, bloque, alors que certains partis qui sont autour de la table à la fois de la Vivaldi et de la future Arizona ont voté pour. S'ils soutiennent ce budget qui est proposé par les partenaires sociaux, c'est encore une bonne raison de le soutenir.

Nous voyons ici encore une nouvelle manifestation de la volonté de la droite de contourner la concertation sociale. Nous l'avons vu à l'époque avec la ministre de la Santé Maggie De Block. Nous l'avons vu hier en commission des Affaires sociales où certains se sont empressés d'essayer de supprimer un acquis des travailleurs qui date d'il y a à peine quelques mois: le droit à la formation. Et cela s'est fait sans l'avis du Conseil National du Travail (CNT), donc sans l'avis des partenaires sociaux. C'est inacceptable.

Je vous enjoins, monsieur le premier ministre, à trouver une solution pour le 6 décembre en offrant aux partenaires sociaux, et en particulier aux travailleurs des soins de santé, le cadeau qu'ils méritent après tout ce qu'ils ont fait pour nous. (…)

Caroline Désir:

Monsieur le premier ministre, je dois vous dire que votre réponse m'inquiète au plus haut point. Refuser d'adopter le budget tel qu'il a été négocié en concertation revient à refuser l'équilibre. Notre santé est pourtant le bien le plus précieux et notre système de soins mérite bien mieux que des considérations partisanes ou que toutes ces tergiversations. Il me semble que vous vous retranchez ainsi derrière la formation du gouvernement. Vous vous dérobez donc à vos responsabilités et vous revenez sur une coutume qui veut que le gouvernement en affaires courantes respecte la continuité des institutions et, en particulier, de la concertation sociale qui a toujours rempli son rôle pendant les périodes d'incertitude politique qui sont parfois longues dans notre pays. Ce blocage est tout simplement inacceptable. C'est un manque de respect à l'égard des patients, des prestataires de soins et des hôpitaux. Enfin, qui peut nous garantir que nous aurons un gouvernement avant le 31 décembre? Sans doute pas vous en tout cas!

De zorgwekkende situatie in de gevangenis te Haren

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De gevangenis van Haren kampt met structurele veiligheidsrisico’s door personeelstekort (1 agent op 34 gedetineerden, 150 vacatures), gebrek aan beschermingsmateriaal, onervaren bewakers en ontbrekende procedures voor interventieteams (SICAR), wat agressie en onveiligheid verergert. Minister Van Tigchelt bevestigt de problemen maar wijst op lopende oplossingen: 258 nieuwe aanwervingen (met gerichte campagne), versnelde opleidingen (3 francophone groepen vanaf november) en bestaande juridische kaders voor interventies, met focus op de-escalatie en proportioneel geweld. De SICAR-teams (28 leden, waarvan 24 opgeleid) volgen een gestandaardiseerd 5-fasenmodel, maar formele statuten en duidelijke procedures ontbreken nog, ondanks beloftes van een circulaire. De Smet blijft alarm slaan over acute risico’s en hoopt op snelle resultaten, ondanks de genomen maatregelen.

François De Smet:

Monsieur le ministre, il me revient par voie de presse, mais également à travers certains contacts, que la situation au sein de la prison de Haren s’avère préoccupante sur le plan de la sécurité des agents pénitentiaires, mais aussi en raison d'un manque de personnel et de procédure d'encadrement.

Outre que le ratio serait d’un seul agent affecté pour la surveillance de 34 détenus, à ce sous-effectif (150 agents manqueraient, selon les syndicats) s’ajoute le manque de matériel de protection et de sécurité pour ces agents, sans parler d’un absentéisme grandissant au sein du personnel pénitentiaire. Rappelons que la prison de Haren a déjà atteint sa capacité maximale, à tel point que, depuis le 15 août, les nouveaux écrous se font à la prison de Saint-Gilles – qui devrait pourtant fermer à la fin de l'année.

Par ailleurs, s'agissant de la formation du personnel, ce sont désormais le plus souvent de jeunes agents peu expérimentés qui sont confrontés aux détenus, avec les risques de dérives et d’insécurité que cela peut engendrer.

Enfin, les équipes d’intervention (dites SICAR) se plaignent de travailler sans procédure réglementaire ni statut spécifique; ce qui devrait faire l’objet à tout le moins d’une circulaire du SPF Justice. Il en résulte donc une situation tendue qui peut mener à une recrudescence d’agressions envers le personnel et à une dégradation générale du climat de sécurité au sein de l’établissement.

En conséquence, monsieur le ministre, avez-vous déjà pris connaissance de ce problème structurel d’insécurité au sein de la prison de Haren? Des efforts d’engagement et de formation du personnel seront-ils intensifiés? Comptez-vous prendre une initiative afin d’assurer un statut aux équipes d’intervention SICAR et d'élaborer un cadre légal pour les procédures d’interventions sans costumes?

Paul Van Tigchelt:

Monsieur De Smet, la problématique de la prison de Haren est connue et a encore été évoquée lors du débat d’actualité en commission de la Justice le 18 septembre, si mon souvenir est correct.

En un mois, la situation n’a forcément pas pu évoluer énormément mais je vous rappelle que je soulignais à cette occasion de nombreux recrutements à venir, avec pas moins de 258 personnes. J’annonçais qu’une campagne spécifique de recrutement serait effectuée pour cet établissement. Il y a là vraiment un déficit de personnel bien formé.

En ce qui concerne la formation, comme déjà expliqué aussi le 18 septembre, l’arriéré est progressivement résorbé. À partir de novembre, trois groupes francophones – au lieu de deux – de 15 nouveaux collaborateurs par groupe, commenceront à suivre le module d’introduction de 17 jours.

Quant aux équipes d’intervention, l’équipe d’intervention compte actuellement 28 personnes. Sur les 28 personnes, 24 ont déjà reçu une formation spécifique intégrée dans le modèle en cinq phases utilisé dans toutes les prisons belges. Il s’agit d’un modèle visant à désamorcer les conflits, principalement par le biais de techniques de communication. Ce n’est qu’en cas d’escalade d’un conflit et d’agression ou de menace physique que l’intervention physique du personnel entre en jeu.

Enfin, quant au cadre légal, il est bien présent via des directives spécifiques liées aux fouilles, aux mesures coercitives et au matériel d’intervention. La formation spécifique insiste également sur les principes du droit pénal relatifs à la légitime défense et à la proportionnalité.

François De Smet:

Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. Je voudrais juste insister sur le fait que les signaux qui nous parviennent par des membres du personnel sont alarmants et nous font vraiment craindre la possibilité d'incidents et de débordements à court terme. Je prends bonne note des réponses et des efforts mis en place, en espérant que ceux-ci portent leurs fruits le plus rapidement possible.

De aanpak van drugsgeweld in Brussel
De toename van het aantal drugsgerelateerde schietpartijen in Brussel
Drugsgerelateerd geweld en schietincidenten in Brussel

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 23 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De recordaantal schietpartijen in Brussel (74 in 2024), vooral gelinkt aan drugscriminaliteit en bendeoorlogen (o.a. Peterbos, Anderlecht) met internationale netwerken (Marseille), leidt tot vragen over federale actie. Minister Verlinden benadrukt versterkte inzet—digitale opsporing (cybercriminaliteit, open-source intelligence), extra middelen (Fonds Drogues, CIK-renforts, drones, Plan Canal) en multidisciplinaire aanpak (politie, justitie, fiscale diensten)—maar wijst op beperkingen door lopende onderzoeken en de nood aan samenwerking met EU-partners. Nuino erkent de technologische vooruitgang (online opsporing) en federale steun, maar hamert op structurele onderfinanciering van lokale politiezones (tekort aan personeel/middelen in Brussel, Wallonië, Vlaanderen) en pleit voor langetermijninvesteringen in preventie (verslaving, jeugd, wijkwerk) naast repressie, met focus op refinanciering de komende vijf jaar.

Ismaël Nuino:

Madame la ministre, en 2024, nous rappelle la presse encore ce weekend, Bruxelles a déjà enregistré 74 fusillades, soit un triste record qui bat celui de l'année précédente. La plupart de ces incidents sont liés au trafic de stupéfiants: des quartiers tels que le Peterbos à Anderlecht sont devenus des zones de guerre entre gangs, souvent influencés par des réseaux internationaux comme celui de Marseille. Malgré les nombreux efforts déployés par les polices locales et fédérale sur ce plan, la situation sur le terrain ne cesse de se détériorer.

Quelles mesures concrètes le gouvernement fédéral a-t-il déjà prises pour renforcer les moyens des forces de police dans les zones particulièrement touchées – Anderlecht, par exemple – mais aussi, de manière plus large, à Bruxelles, et pour lutter contre la criminalité liée à la drogue? Je sais que vous avez déjà pris de nombreuses mesures, mais j’aimerais, si possible, obtenir un état des lieux de la situation ainsi qu’un détail des efforts qu’il reste à entreprendre.

Comment le gouvernement fédéral travaille-t-il avec les partenaires européens pour lutter contre ces réseaux criminels transnationaux qui gangrènent la capitale belge, notamment ceux impliqués dans le trafic de drogue à partir de Marseille et d'autres régions?

Annelies Verlinden:

Monsieur Nuino, pour que je puisse vous fournir une vue détaillée des chiffres, je vous suggère de m'adresser une question écrite. De la sorte, nous pourrons vous répondre en détail.

Les organisations criminelles liées au trafic de drogue à Bruxelles, tout comme les problèmes de drogue en général, semblent revêtir une dimension internationale. Les enquêtes judiciaires en cours concernant la criminalité violente en ce domaine sont menées de manière intensive. Je ne peux donc pas livrer de commentaire à ce sujet. Les forces de police constatent que les organisations criminelles n'hésitent pas à étendre agressivement leur sphère d'influence dans certains quartiers. Cela implique des intimidations, des règlements de compte et le recrutement de jeunes vulnérables afin de s'en servir comme pions dans le commerce de la drogue, comme cela se passe également à Marseille.

La police judiciaire fédérale a développé une stratégie Digital Investigation afin de relever les défis liés à la conduite d'enquêtes dans le monde virtuel. Cette approche est basée sur l' open source intelligence , les enquêtes sur la cybercriminalité, la criminalistique numérique, etc. et s'appuie sur une collaboration avec divers partenaires. À cette fin, la police judiciaire fédérale a été considérablement renforcée sous cette législature, notamment par le recrutement d'enquêteurs hautement spécialisés tels que des experts en cybercriminalité, par le biais d'un recrutement latéral. Des moyens supplémentaires ont également été mis à disposition par le Fonds des drogues, par exemple à travers des licences de logiciels d'analyse plus performants, notamment pour les enquêtes en ligne et en vue d'un matériel plus puissant nécessaire à cet effet.

On se réfère de temps en temps au Plan canal, mais je tiens à insister sur le fait que sa priorité était et reste la lutte contre le terrorisme. Il est bon que nous puissions profiter du soutien qui a été apporté aux zones de police bruxelloises pour combattre d'autres phénomènes criminels. Cependant, notre approche se veut plus large, car il ne faut pas se limiter à la répression, mais agir également en ce qui concerne le logement, les sans-abris, les infrastructures, comme c'est le cas à la gare de Bruxelles-Midi.

En ce qui concerne les mesures concrètes prises par le gouvernement fédéral pour endiguer la problématique de la drogue à Bruxelles, je peux également vous indiquer que la police fédérale, outre bien sûr les enquêtes judiciaires, envoie aussi régulièrement des renforts du Corps d’intervention d’arrondissement (CIK) dans les quartiers sensibles et les hotspots identifiés à Bruxelles.

Outre ces actions, la police fédérale de Bruxelles fournit également des renforts dans le cadre des opérations Belfi en matière d’approche administrative de la criminalité, et ceci en collaboration avec les Inspections sociale et du travail, le Forem et la section Ecofin de la PJF.

L’unité drones de la police fédérale est aussi mobilisée régulièrement pour soutenir les perquisitions renforcées dans les six zones de police locale bruxelloises, principalement dans les affaires de stupéfiants.

Enfin, permettez-moi de mentionner qu’un plan policier spécifique de lutte contre la drogue a également été élaboré pour Bruxelles. Ce plan met l’accent sur une approche multidisciplinaire, c'est-à-dire policière, pénale, financière et fiscale. Il implique également la police judiciaire fédérale de Bruxelles et la direction de coordination et d’appui du directeur coordinateur de Bruxelles de la police fédérale, ainsi que les six zones de police bruxelloises. Je vous remercie.

Ismaël Nuino:

Je vous remercie, madame la ministre pour ces réponses complètes. Je ne manquerai pas de vous envoyer une question écrite afin d'avoir des chiffres plus précis sur tous ces phénomènes. Je salue effectivement le fait qu'on puisse faire appel à des enquêtes en ligne ainsi qu'à toutes les nouvelles technologies pour lutter contre ces phénomènes qui se servent beaucoup des plateformes numériques pour sévir. Je vous rejoins aussi concernant la nécessité d'une prévention. Nous ne sommes donc pas toujours seulement dans une politique avec de la police et seulement de la police. Il faut évidemment qu'on puisse avoir du travail de terrain en matière de santé aussi, afin de lutter contre les assuétudes en matière de drogue. Quand je parle de travail de terrain, je pense – ça a toujours été une priorité des Engagés et ça en restera une – que nous devons aussi être capables de réinvestir dans les zones de police locales. Je vois vraiment que la police fédérale soutient énormément la police de Bruxelles et c'est très important. Ce qui reste important pour nous toutefois, c'est qu'on puisse assurer aux zones de police locales d'avoir le nombre de policiers suffisant à l'exercice complet, et dans de bonnes conditions, de leur mission. Il faudra donc qu'on puisse travailler dans les cinq prochaines années à ce refinancement: nous savons que les zones de police locales manquent malheureusement de moyens et donc d'effectifs, à la fois à Bruxelles mais aussi en Wallonie – et en Flandre certainement aussi. Je ne manquerai pas de me pencher sur le sujet, spécifiquement à Bruxelles, et nous ne manquerons pas d'y travailler dans les cinq années à venir. Je vous remercie madame la ministre et merci monsieur le président.

Het dubbelbelastingverdrag voor Franse verpleegkundigen

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 22 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De conventie tegen dubbele belasting (2021) tussen België en Frankrijk voor zorgpersoneel in publieke ziekenhuizen is nog niet geratificeerd en treedt earliest in 2026 in werking, ondanks eerdere vrees voor een deadline in 2024. Een overgangsperiode voor publieksectorwerkers is onderhandeld, maar de definitieve ondertekening van het bijkomend protocol is geblokkeerd door de regeringsvorming (affaires courantes). Van Peteghem bevestigt dat de conventie pas geldt na parlementaire goedkeuring van beide teksten, wat vertraging tot 1 januari 2026 betekent. Piedboeuf stelt gerust: geen impact in 2025, wat kritieke tekorten in met name Luxemburgse ziekenhuizen tijdelijk ontlast.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, cher monsieur Van Peteghem, dans le cadre de la convention préventive de double imposition pour les professionnels en soins infirmiers dans les hôpitaux publics et pour laquelle je vous ai déjà interrogé plusieurs fois, un moratoire a été établi à votre demande et à celle du ministre de la santé jusqu'au 31 décembre 2024. Et les conventions n'ont, à ce jour, pas encore été ratifiées ni par la France ni par la Belgique.

Compte tenu de la pression qui demeure sur le nombre de prestataires dans le domaine de la santé, pourriez-vous me dire si un accord du maintien du délai initial (2033, si je ne me trompe pas) est intervenu? Sinon, peut-on compter sur une prolongation du moratoire pour les professionnels de la santé? Le risque pour certains hôpitaux, notamment en province de Luxembourg est énorme.

Je vous remercie de vos réponses.

Vincent Van Peteghem:

Monsieur Piedboeuf, il n’y a pas eu de moratoire concernant l’entrée en vigueur de la convention du 9 novembre 2021 entre la Belgique et la France, ni jusqu’au 31 décembre 2024, ni jusqu’à une autre date.

En revanche, il y a bien eu des négociations entre les administrations fiscales belge et française afin de prévoir une période transitoire pour l’application de la disposition de la convention du 9 novembre 2021 relative aux revenus des travailleurs du secteur public.

Ces négociations sont à présent terminées. Cependant, la finalisation de l’avenant prévoyant cette période transitoire est en attente de la signature du ministre des Finances. Toutefois, les lignes directrices sur les affaires courantes stipulent que la signature de nouveaux avenants ne peut se faire pendant les périodes des affaires courantes, de sorte que la signature sera du ressort du prochain gouvernement.

La convention du 9 novembre 2021 ne sera soumise à l’assentiment du Parlement fédéral qu’une fois l’avenant approuvé et dûment signé. L’intention est en effet de déposer au Parlement fédéral les deux textes en même temps. Dans ces conditions, la prise d’effet de la convention du 9 novembre 2021 et de l’avenant ne devrait vraisemblablement pas intervenir avant le 1 er janvier 2026.

Benoît Piedboeuf:

Monsieur le ministre, j’en déduis donc que ce n’est pas encore d’application pour 2025. (Assentiment du ministre) Cela correspond dès lors à ce que je voulais entendre. Je vous remercie.

De Werelddag van het verzet tegen armoede en toegankelijke gezondheidszorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Op de Dag tegen Kanker benadrukte Vooruit dat betaalbare zorg essentieel is, vooral voor mensen in armoede die zorg vaak uitstellen door financiële drempels. Minister Vandenbroucke wees op het succes van de derde-betalersregeling: 90% van de huisartsen en 80% van de tandartsen passen dit nu toe, waardoor patiënten enkel het remgeld (max. 4€) betalen in plaats van voorschieten. Bertels bevestigde dit als een socialistische overwinning maar drong aan op verdere uitbreiding naar alle behandelingen en overtuiging van de overgebleven zorgverleners die nog niet deelnemen. De oproep: verder bouwen op dit systeem om zorg toegankelijk voor iedereen te maken.

Jan Bertels:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, het is vandaag Dag tegen kanker. Dat is ook voor de Vooruitfractie enorm belangrijk. Kanker draag je niet alleen. Ook voor wie kanker heeft, moet een sterke overheid klaarstaan die zorgt voor de beste en betaalbare zorg. Zonder zorgen naar de huisarts gaan is voor velen vanzelfsprekend, maar lang niet voor iedereen. Op de Werelddag van het verzet tegen armoede is het belangrijk om stil te staan bij mensen voor wie zorg in dit land te vaak nog een luxe is.

Collega's, armoede betekent niet alleen dat men zich zorgen maakt om de kosten die men maakt, maar ook om bedragen die men moet voorschieten. Als men van week tot week leeft, kan men niet zomaar geld opzijzetten voor een doktersbezoek of een tandartsbezoek. En – we weten het allemaal – uitgestelde zorg is dure zorg. Net als men kwetsbaar is, moet een doktersbezoek steeds mogelijk zijn.

Vooruit staat voor een betaalbare en sterke zorg. Als men een dokter nodig heeft, mag de dikte van de portefeuille geen rol spelen. Wij maakten daarvan werk: voor 4 euro of minder naar de huisarts. Dat is voor veel mensen de praktijk. Socialisten regelden dat.

Mijnheer de minister, u maakte het mogelijk voor zorgverleners om gebruik te maken van de derde-betalersregeling. Dat is iets waar zij ook om vroegen, want als zorgverlener wil men patiënten helpen en ze niet naar huis sturen om financiële redenen. Hoe effectief is die genomen maatregel? Hoeveel mensen betalen vandaag al effectief alleen het remgeld bij huisarts en tandarts?

Frank Vandenbroucke:

Betaalbare zorg is ontzettend belangrijk, zeker voor mensen die in armoede leven. Daarom moeten we er inderdaad voor zorgen dat mensen alleen het remgeld uit hun portemonnee moeten halen en niet de hele rekening moeten voorschieten. Tot in 2021 was het voor sommige prestaties verboden om alleen maar het remgeld te betalen. We hebben een revolutionaire beslissing genomen door aan elke zorgverstrekker de toepassing van het systeem van de derde-betaler toe te staan.

Het resultaat van die beslissing is spectaculair. Vandaag past 90 % van de huisartsen het systeem van de derde-betaler toe voor bijna al hun verstrekkingen. Zo’n 80 % van de tandartsen gebruikt al de derde-betalersregeling en vraagt alleen het remgeld voor een belangrijk deel van hun prestaties. Dat is een zeer sterke vooruitgang, dankzij de wetswijziging die de uittredende regering mogelijk heeft gemaakt. We hebben op de achtergrond ook gezorgd voor een vlotte, elektronische facturatie waardoor artsen en tandartsen ervan verzekerd zijn dat de betaling waar zij recht op hebben effectief op hun rekening komt.

Ik denk dat dit succes bewijst dat het een goede maatregel was. Ik denk dat we het later moeilijk zullen hebben om aan onze kinderen of kleinkinderen uit te leggen dat de toepassing van het systeem van de derde-betaler ooit verboden was in dit land. Hoe zullen we dat kunnen uitleggen? We hebben er lang voor gevochten om de veralgemening van het systeem van de derde-betaler mogelijk te maken en het succes is spectaculair. De strijd voor een betaalbare gezondheidszorg is daarmee niet afgelopen. Er is ongetwijfeld nog veel werk te doen, maar daar willen we verder voor gaan.

Jan Bertels:

Mijnheer de minister, dat zijn mooie cijfers, dat is een mooi succes. Dat toont dat socialisten waarmaken wat ze beloven. Het is tijd om verder te gaan. We mogen niet loslaten en we moeten het gesprek ook aangaan met de laatste artsen en tandartsen die nog niet meedoen. Daarnaast moeten we ook verder kijken. Er zijn nog te veel behandelingen waarvoor de derde-betalersregeling nog niet geldt. Het is aan de volgende regering om verder te bouwen aan dit succes, want zo helpen we iedereen vooruit en daarvoor zijn socialisten nodig, mijnheer Francken.

De Dag tegen kanker en het recht om vergeten te worden
De Dag tegen kanker en het recht om vergeten te worden
Roze oktober en oncologische zorg
Breast Kanker Bewustzijn en Zorg

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Op de Dag tegen Kanker benadrukken parlementsleden de noodzaak om het ‘recht om vergeten te worden’ voor ex-kankerpatiënten verder uit te breiden, met name naar reisannulerings- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, en de meldingsplicht af te schaffen (zoals in Frankrijk/Nederland). Minister Vandenbroucke bevestigt de verkorting van wachttijden (van 10 naar 5 jaar) en wetenschappelijke studies voor ziekte-specifieke termijnen (bv. borst-/schildklierkanker), maar stelt verdere uitbreiding afhankelijk van nieuwe regering en KCE-onderzoek (2025). Critici vragen snellere actie, betere toegang tot vroege opsporing (bv. mammografie tot 74 jaar) en financiële steun (protheses, hoofdbedekking). Kernpunt: rechtvaardigheid en herintegratie van ex-patiënten blijft onvoldoende gerealiseerd.

Anneleen Van Bossuyt:

Collega Bertels verwees er al naar, het is vandaag de Dag tegen kanker. We kennen wel allemaal iemand die op dit moment tegen kanker aan het vechten is, of die eraan gestorven is.

Jammer genoeg worden mensen nadat ze kanker overwonnen hebben, toch nog met problemen geconfronteerd. Bijvoorbeeld, als ze een bepaalde verzekering willen aangaan, is dat soms heel moeilijk. Vandaar dat in 2019 het recht om vergeten te worden is ingevoerd, waardoor ex-kankerpatiënten bijvoorbeeld een schuldsaldoverzekering kunnen aangaan zonder dat ze een extra medische premie moeten betalen.

In de vorige legislatuur hebben we dit recht om vergeten te worden kunnen uitbreiden, onder meer naar de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ook hebben we de termijn waarbinnen het recht om vergeten te worden ingaat, teruggebracht van 10 jaar naar 5 jaar. Vandaag willen wij een pleidooi houden om het recht om vergeten te worden nog verder uit te breiden. We hebben ter zake een concreet wetsvoorstel op tafel gelegd. Gisteren hebben we het nog in de commissie voor Economie toegelicht.

We willen het recht om vergeten te worden graag uitbreiden naar de reisannuleringsverzekering, opdat ex-kankerpatiënten zorgeloos op vakantie kunnen gaan. Daarnaast willen we van het recht om vergeten te worden een echt recht om vergeten te worden maken door de meldingsplicht af te schaffen. Nu zijn zij nog steeds verplicht te melden dat ze ooit kanker hebben gehad.

In Frankrijk, Nederland en Luxemburg is die afschaffing al het geval. Vandaar onze vraag, mijnheer de minister: bent u bereid die uitbreiding te onderzoeken?

Irina De Knop:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, zoals hier net terecht vermeld is, krijgen elke dag negen mensen in ons land het moeilijke nieuws en verdict dat ze kanker hebben. Niet alleen is de ziekte zelf heel slecht nieuws, ingrijpend op het leven van mensen en hun familie, minstens even erg is het feit dat wanneer men genezen wordt verklaard die ziekte de patiënt jarenlang blijft achtervolgen. Dat merken bijvoorbeeld personen die een verzekering willen afsluiten.

Mede onder impuls van onze fractie is in de vorige legislatuur de zogenaamde wet betreffende het recht om vergeten te worden ingevoerd. Dat heeft ervoor gezorgd dat mensen opnieuw een schuldsaldoverzekering kunnen afsluiten na een bepaalde termijn. In een volgende stap hebben we er samen in het Parlement voor gezorgd dat het recht om vergeten te worden ook kan worden ingevoerd voor de verzekering gewaarborgd inkomen.

Natuurlijk is het werk niet af. We vernemen dat bij bepaalde vormen van kanker, onder meer borstkanker, de verzekering gewaarborgd inkomen nog steeds niet afgesloten kan worden. Ook horen we dat er nog heel wat issues bestaan over de termijn, meer in het bijzonder over de datum waarop de termijn eigenlijk ingaat. Dat is voor mensen na hun ziekte natuurlijk bepalend.

Mijnheer de minister, wij vragen dan ook heel duidelijk hoe u de wet van 2022 evalueert. Welke bijsturingen zijn volgens u nog nodig? Kunt u meedelen hoeveel mensen reeds konden gebruikmaken van die regeling, waardoor zij dus opnieuw een verzekering konden afsluiten? Waar zitten er nog hiaten?

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, chaque année, 11 000 femmes sont touchées par le cancer du sein en Belgique. Au total, une femme sur huit sera concernée au cours de sa vie. Heureusement, le taux de guérison est de plus en plus élevé, surtout lorsque la maladie est diagnostiquée à un stade précoce. Néanmoins, c'est une annonce qui bouleverse leur vie quotidienne: traitements médicaux, effets secondaires, conséquences sur la vie privée et professionnelle, craintes pour l'avenir et j'en passe.

Il est évidemment nécessaire de garantir aux milliers de femmes touchées par le cancer du sein l'accès aux meilleurs soins. Si la qualité des soins est indispensable, leur accessibilité géographique et financière l'est tout autant. En effet, il n'est pas rare qu'il faille attendre plusieurs semaines, voire plusieurs mois, avant d'obtenir un rendez-vous pour une mammographie. Or, comme vous le savez, plus le délai est long, plus les chances de guérison s'amenuisent.

Monsieur le ministre, mon groupe se réjouit évidemment du développement des cliniques du sein et d'avoir obtenu la diminution de la TVA sur les soutiens-gorges et maillots de bain adaptés aux prothèses mammaires. Il se félicite également, et j'ai travaillé sur ce sujet sous la précédente législature, d'avoir mis fin aux surprimes des assurances. Cela dit, il faut naturellement aller plus loin.

Monsieur le ministre, selon vous, quelles mesures doivent-elles être prises pour garantir une prise en charge de qualité à toutes ces femmes et diminuer les délais d'attente pour une mammographie? Un nouveau Plan cancer, contenant un volet spécialement dédié au cancer du sein, est-il envisagé?

Et puis, monsieur le ministre, il faut dépister plus tôt et à plus grande fréquence. Nous savons que 30 % des cancers du sein sont détectés chez des femmes de plus de 70 ans. Elles non plus ne doivent pas être oubliées. La France, l'Espagne, la Suède et les Pays-Bas prévoient déjà depuis plusieurs années un dépistage jusqu'à 74 ans accomplis. Notre pays compte-t-il suivre cet exemple?

Frank Vandenbroucke:

Geachte leden, tijdens mijn bezoek aan het UZ Brussel vanmiddag, kon ik het belang ervaren niet alleen van een goed georganiseerde en betaalbare ziekteverzekering voor patiënten met kanker, maar ook van de warme solidariteit van de hele samenleving, omdat de gevolgen van kanker natuurlijk niet stoppen als de behandeling stopt. Men draagt de ziekte vaak een leven lang mee. Zo getuigden mensen vanmiddag en ik neem die getuigenissen echt mee.

Dat betekent dat we nog meer moeten doen rond het recht om een ziekte te laten vergeten. U wees er al op, mevrouw Van Bossuyt, dat we daaromtrent in de vorige legislatuur belangrijke stappen vooruit hebben gezet. Zo hebben we het in de praktijk gemakkelijker gemaakt voor patiënten die een chronische ziekte hebben gehad, om toegang te krijgen tot een schuldsaldoverzekering voor een hypotheek of een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ietwat concreter, in 2022 hebben we een algemene verbetering tot stand gebracht. Het komt erop neer dat de termijn al is verkort tot 8 jaar voor de schuldsaldo- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Vanaf 1 januari zal die termijn maximaal 5 jaar zijn voor iedereen. Die is voor mensen jonger dan 21 jaar vandaag al maximaal 5 jaar. Dat is een heel belangrijke stap vooruit.

Daarnaast hebben we een programma ontwikkeld waarbij we, op basis van wat de wetenschap ons leert, geval per geval, in specifieke, kortere termijnen voorzien. We hebben, bijvoorbeeld, voor bepaalde borstkankers een onderzoek laten doen waaruit duidelijk bleek dat de termijnen konden worden ingekort, en dat is ook zo sinds 2023. Daardoor hebben jaarlijks zowat 5.000 vrouwen gemakkelijker toegang tot een lening voor een woning.

We gaan verder op die weg. Er loopt nu bij het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg een studie over schildklierkanker en ik hoop dat die studie wetenschappelijk de uitspraak dat de ziekte na een aantal jaar achter de rug is, zal ondersteunen, zodat de betrokkenen toegang krijgen tot een schuldsaldo- en een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Mevrouw Van Bossuyt, mevrouw De Knop, ik ben echt heel blij met uw verklaring dat u verdere vooruitgang wilt. Ik ben absoluut zelf ook vragende partij van een uitbreiding, zowel wat het type verzekering als wat de algemene termijnen betreft, en dus de voortzetting van het wetenschappelijke programma waarbij we ziekte per ziekte en soort kanker per soort kanker bekijken. Zodra het Parlement onder een nieuwe regering aan de slag gaat, sta ik daar helemaal voor open.

Monsieur Prévot, plusieurs mesures récentes ont été importantes en ce qui concerne la prise en compte du cancer du sein. Vous savez que nous avons décidé de concentrer en partie les épisodes les plus délicats en matière de traitement du cancer du sein, particulièrement la mise au point d'un plan de traitement et les interventions chirurgicales, en garantissant la proximité pour le suivi des traitements. Nous avons également décidé de mieux rembourser les soins dentaires des personnes atteintes d'un cancer ainsi qu'un remboursement allant jusqu' à 120 euros pour l'achat d'un accessoire couvrant la tête pour les personnes qui perdent leurs cheveux.

La prévention est évidemment essentielle, et à ce sujet, le dépistage est crucial. La Commission européenne a renforcé ce débat en disant qu'il fallait considérer un élargissement des groupes cibles du dépistage. Il y a à vrai dire des arguments pour et contre, c'est un débat nuancé. Afin de mettre en balance les avantages et inconvénients d'une telle extension, une étude du KCE a été lancée pour évaluer l'efficacité clinique et le rapport coût/efficacité d'un dépistage élargi. Cette étude portera d'ailleurs aussi sur la nomenclature, ce qui a également une importance concrète en la matière. La publication de cette étude est attendue pour la fin de l'année 2025. Il faudra donc patienter car le KCE a beaucoup de pain sur la planche. Cette étude fournira une base cruciale au prochain gouvernement, tant au niveau fédéral qu'aux entités fédérées, pour décider de l'opportunité d'une telle extension.

Anneleen Van Bossuyt:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U toont bereidheid om het toepassingsgebied van het recht om vergeten te worden uit te breiden naar andere verzekeringsvormen, zoals de reisannulatieverzekering, die wij genoemd hebben.

Ik had graag de openheid gezien om er een echt recht om vergeten te worden van te maken door de meldingsplicht af te schaffen, zoals dat in onze buurlanden is gebeurd. Het gaat niet alleen om een aanpassing van de regels, maar ook om rechtvaardigheid en menselijkheid. Ex-kankerpatiënten hebben gevochten en overwonnen. Zij moeten alle kansen krijgen om hun leven opnieuw op te bouwen.

Irina De Knop:

Dank u voor uw antwoord, waar veel goede elementen in zitten. U hebt onderstreept wat de wetgeving vandaag reeds toelaat. Ik onthoud dat we opnieuw moeten kijken naar het moment waarop de wachttermijn ingaat, aangezien dat voor mensen cruciaal is. Ik onthoud dat uitbreiding naar andere kankervormen mogelijk moet zijn en dat daartoe een versnelling binnen het gevoerde kankeronderzoek nodig is. De mensen die nu ziek zijn of ziek geweest zijn, willen nu een oplossing.

Tot slot moeten we bekijken hoe we er samen voor kunnen zorgen dat ook andere verzekeringen, zoals het gewaarborgd inkomen voor mensen die borstkanker hebben gehad, opnieuw gewaarborgd kunnen worden. Op deze Dag tegen kanker blijft er jammer genoeg nog werk aan de winkel.

Patrick Prévot:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Je vous remercie également pour avoir refait un instantané de la situation et rappelé surtout ce qui a pu être fait singulièrement sous le précédent gouvernement. Néanmoins, la lutte contre le cancer doit demeurer une priorité de l'agenda politique à tous les niveaux de pouvoir. On doit dépister plus. On doit dépister mieux. On doit garantir le remboursement des traitements les plus innovants. On doit réduire les temps d'attente pour réaliser une mammographie mais on doit aussi rembourser davantage les prothèses capillaires, les chapeaux, les bandeaux, etc. Pour cela, monsieur le ministre, il faut des moyens. J'espère dès lors que le gouvernement Arizona décidera de faire de nos soins de santé une réelle priorité en fixant une norme de croissance qui répond véritablement aux besoins des patients et du secteur.

De Dag tegen kanker en nabije zorg

Gesteld door

lijst: CD&V Nawal Farih

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

cd&v steunt centralisatie van complexe kankerzorg (chirurgie) voor betere kwaliteit, maar verwerpt verplichte centralisatie van niet-complexe zorg (chemo/radiotherapie), die volgens hen lokaal en kwaliteitsvol kan blijven om patiënten onnodige reistijd te besparen. Minister Vandenbroucke benadrukt dat wetenschap en patiëntenbelang (niet ziekenhuislobby’s) leiden tot selectieve centralisatie, vooral bij complexe hoofd-halstumoren waar expertisebundeling cruciaal is—zelfs voor radiotherapie—maar erkent dat niet alles gecentraliseerd hoeft. Farih wijst erop dat oncologen zelf tegen zijn plan zijn en eist dat hij lokaal aanbod behoudt voor niet-complexe zorg, ondanks zijn claim "minister van de patiënt" te zijn.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, er zijn 75.000 diagnoses van kankerpatiënten in ons land. Dat zijn 75.000 vechters, die rekenen op kwaliteitsvolle, betaalbare maar ook nabije zorg. Daarvoor verhopen zij ook op de politieke wereld.

Mijnheer de minister, tijdens de veelvuldige debatten over kwaliteit versus nabijheid, vond u steeds een partner in ons als u het had over de noodzaak van kwaliteitsvolle zorg te allen tijde. Voor complexe zorg, zoals chirurgische ingrepen, pleit ook cd&v voor centralisering. We moeten dat soort zorg centraliseren om de kwaliteit voor de patiënten te verhogen.

Wanneer het echter over niet-complexe zorg gaat – een zorgtraject heeft meerdere componenten: na de chirurgische ingreep is er de radio- en chemotherapie of niet-complexe zorg –, moeten patiënten onzes inziens nabij kunnen worden behandeld.

Er zijn voldoende ziekenhuizen met enorm veel expertise die vandaag al goed werk leveren. Ik hoor van de sector dat u de ambitie hebt om het volledige zorgtraject, dus de chirurgische ingreep inclusief de radio- en chemotherapie, te centraliseren in expertisecentra. Waarom wilt u dat in godsnaam?

De betrokken patiënten zijn verzwakt. Voor de centralisering van een chirurgische ingreep vindt u in ons een partner. Maar cd&v zegt neen tegen de beleidsmaatregel die ertoe leidt dat patiënten voor hun behandeling met chemo- en of radiotherapie nog 38 keer gedurende twee à drie uur in de auto moeten zitten.

Klopt het dat u de ambitie hebt om het volledige zorgtraject voor hoofd- en halstumoren te centraliseren, net zoals u hebt gedaan voor de jonge kankerpatiënten?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Farih, te algemenen titel laat ik opmerken dat het voor de volksgezondheid niet de vraag is wat cd&v zegt, maar wat de wetenschap zegt. Daarover gaat het. Het gaat over de volksgezondheid. Het gaat over de vraag wat oncologen zelf daarover zeggen. Men moet kiezen voor de bundeling van expertise en het dicht bij de mensen brengen wat men dicht bij de mensen kan brengen. Dat laatste betreft inderdaad vervolgtherapieën in een aantal omstandigheden.

Men kan evenwel niet zomaar alles over dezelfde kam scheren, waarmee ik het debat hier niet wil sluiten. Het betreft hier mensen met een bijzonder type van kanker, namelijk hoofd- en halstumoren. Dat type van kanker is bijzonder complex wat het oppuntstellen van de diagnose en het behandelplan betreft. Zelfs wat de radiotherapie betreft, vraagt de behandeling van die kanker de nabijheid van andere experts. Men kan niet zomaar zeggen dat men dat overal doet. Dat vragen ook de patiënten niet.

Er is voor mij slechts één belang, namelijk dat van de patiënt. Ik ben niet de minister van talloze lobbyende ziekenhuizen. Ik ben de minister van de patiënt. Ik hoor van patiëntenorganisaties dat zij vooral de kwaliteit van de zorg belangrijk vinden. Dat wil zeggen dat men de zorg concentreert waar nodig en dicht bij de patiënt brengt zodra het mogelijk is. Dat moet ons leiden.

In het debat over onder andere hoofd- en halstumoren, net als slokdarm- en pancreaskanker, moeten we steeds opnieuw die afweging maken. Ik zou willen dat we die kunnen maken los van de belangen van de ziekenhuizen en met alleen het belang van de patiënt voor ogen, op basis van wetenschap.

Nawal Farih:

Mijnheer de minister, u zegt dat u een beslissing op basis van de wetenschap wilt. U hebt op 5 september een brief ontvangen van de federatie van de oncologen. Die federatie zegt tegen het plan te zijn dat u voorstelt. U hoeft niet te luisteren naar cd&v, maar u kunt misschien wel luisteren naar een volksvertegenwoordiger die vraagt dat patiënten op de eerste plaats gezet worden. Zij moeten centraal behandeld worden, waar nodig. U hebt dus onze steun voor de centralisatie van complexe zorg. Maar wij passen voor het weghalen van de zorg uit de nabijheid van patiënten die 30 sessies radio- en chemotherapie moeten volgen, terwijl onze radio- en chemotherapeuten internationaal als de beste geboekstaafd staan. Ik reken erop dat u effectief de minister van de patiënten wordt, want op het moment bent u veeleer de minister van de lobby.

De Panoreportage over ziekenhuisinfecties

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 17 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België kampt met 157.000 jaarlijkse ziekenhuisinfecties (waarvan 30.000 door resistente bacteriën), vaak veroorzaakt door slechte hygiëne (o.a. besmette wasbakken op intensieve zorg), met dodelijke gevolgen voor kwetsbare patiënten. Hoewel er federale initiatieven lopen (bv. HOST-project, handhygiënecampagnes), vraagt Muylle om strengere nationale richtlijnen (zoals bij sepsis) en financiële druk via ziekenhuisfinanciering, gezien de grote verschillen in hygiënebeleid tussen ziekenhuizen. Vandenbroucke benadrukt samenwerking met deelstaten (via IMC) en een grondige evaluatie van bestaande maatregelen, maar wijst op de complexiteit door bevoegdheidsverdeling en antibiotica-resistentie. Kernpunt: levensreddende hygiënemaatregelen vereisen dwingendere afspraken en betere coördinatie, zonder bevoegdheidsconflicten.

Nathalie Muylle:

Collega's, 157.000 mensen lopen in ons land jaarlijks een ziekenhuisinfectie op. Een grootschalig Europees onderzoek, waaraan ook 49 Belgische ziekenhuizen deelnamen, toonde dat aan. Dat is heel veel, namelijk acht op de tien patiënten. We zitten op dat gebied wat achteraan het peloton en we weten dat ook. Een op de vijf van die patiënten, zo'n 30.000 onder hen, heeft te maken met resistente bacteriën. Dat zijn vooral fel verzwakte patiënten. Hen behandelen is ook heel moeilijk.

Er was deze week een reportage van Pano over dit onderwerp. Daarin werd toegelicht dat sanitaire voorzieningen in ziekenhuizen een bron kunnen zijn van heel veel miserie. Wastafels op bijvoorbeeld intensieve zorgen en neonatologie, waar heel wat kwetsbare patiënten liggen, zorgen soms voor heel zware infecties die leiden tot heel wat zorg, revalidatie en soms zelfs een overlijden.

We zien ook dat sommige ziekenhuizen daarmee heel goed aan de slag gaan. Ze schakelen hun zorgorganisatie dan om. Er waren ook een aantal getuigenissen in de reportage van ziekenhuizen die meldden dat ze niet au sérieux genomen worden. U hebt vandaag ook een bezoek gebracht aan een van die ziekenhuizen. Er moeten dus heel wat maatregelen genomen worden.

Ik weet dat ik mij hiermee op glad ijs begeef. Veel bevoegdheden rond kwaliteit en zorginspectie liggen namelijk bij de deelstaten. U hebt echter ook al heel wat initiatieven genomen rond handhygiëne en katheters. Ik wil u dus vragen of u hierover samen met uw collega's van de IMC wilt spreken. Men vraagt immers een nationale richtlijn op te stellen, zoals bij sepsis. Wilt u hiervoor het initiatief nemen?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Muylle, u hebt in het verleden terecht al op dit probleem gewezen en het is goed dat u daar nog eens op terugkomt. De Pano -uitzending toont inderdaad dat zeer elementaire hygiëne belangrijk is. Het gaat over handhygiëne, maar ook over wat men al dan niet in een lavabo vindt. Er zijn richtlijnen rond de afstand tussen de lavabo en het medisch materiaal. De naleving van die richtlijnen is zeer belangrijk en we ondersteunen die ook.

Sinds 2021 is er bijvoorbeeld een zeer groot project, het Hospital Outbreak Support Team (HOST), waarin de federale regering 13 miljoen euro investeert. We nemen ook andere initiatieven, maar de vraag is inderdaad of dit al voldoende oplevert. De jury is nog aan het wachten en we moeten ons de vraag stellen hoe we die inspanningen moeten evalueren. De evaluatie wordt al deels gemaakt, maar die zal grondig moeten worden uitgevoerd.

U hebt gelijk dat dit onderwerp met de deelstaten besproken zou moeten worden. De inspectie op de hygiëne is immers een bevoegdheid van de deelstaten. We moeten elkaar echter niet met de vinger wijzen. Zoals u hebt gesuggereerd, is het belangrijker om op het niveau van de interministeriële conferentie samen na te denken over hoe we enerzijds de ziekenhuizen kunnen helpen en ondersteunen, ook financieel, en anderzijds alle neuzen in de goede richting kunnen krijgen.

U hebt hier vroeger sterk gepleit voor een nationaal sepsisplan. Dat wordt momenteel ontwikkeld en daar verwacht ik wel wat van. Laatst maar niet het minst, op de achtergrond speelt ook de resistentie tegen antibiotica bij bepaalde bacteriën en dat is het verschil tussen de lavabo thuis en de lavabo in het ziekenhuis. De resistentie ten aanzien van antibiotica blijft ook een cruciaal iets waar we samen aan moeten werken.

Nathalie Muylle:

Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. U hebt gelijk, er zijn al heel wat initiatieven genomen. Maar het viel mij toch op hoe bepaalde ziekenhuizen hiermee aan de slag gaan, samen met de ziekenhuishygiënist, terwijl andere ziekenhuizen dat vandaag veel minder doen. Het gaat hier echt om levens. Het gaat ook om de immense kosten die het gevolg kunnen zijn van een slecht hygiënebeleid. De vraag is of we op federaal niveau, gelet op het pay-for-performancebeleid, niet een stuk strenger moeten zijn op de ziekenhuisfinanciering. Moeten we in de teksten waarover nu samen aan tafel zitten geen verdere initiatieven nemen? Het gaat hier echt om levens. U zegt dat u de minister bent van de patiënt. Wel, hier gaat het om patiënten. Hier moeten we echt wel een oplossing voor vinden.

De terugbetaling van kosten voor logopedie
De terugbetaling van kosten voor logopedie
De niet-terugbetaling van logopediekosten voor een bepaalde groep kinderen
De terugbetaling van monodisciplinaire logopediesessies voor kinderen met een IQ lager dan 70
Terugbetaling en uitsluitingen van logopediekosten voor kinderen

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de tijdelijke uitbreiding (tot 30/06/2025) van logopedie-vergoedingen voor kinderen met een mentale beperking, maar met uitsluiting van autistische kinderen en leerlingen in het buitengewoon onderwijs—een maatregel die als discriminerend en onpraktisch wordt bekritiseerd. Vanaf juli 2025 geldt een QI-drempel (<70) met verplichte multidisciplinaire evaluatie in revalidatiecentra (CRA), wat capaciteitsproblemen en wachtlijsten verergert, terwijl het QI-criterium als achterhaald wordt gezien. Minister Vandenbroucke benadrukt dat de regeling tijdelijk is in afwachting van een KCE-studie (resultaten: lente 2025) en wijst op bevoegdheidsverdeling met de gemeenschappen, maar parlementariërs eisen structurele oplossingen, inclusie voor *alle* kinderen met taalstoornissen, en snellere toegang tot zorg zonder financiële drempels. Kernpunt: het huidige systeem creëert gaten in de zorg door bureaucratie, competentiegeschillen en onvoldoende capaciteit.

François De Smet:

Monsieur le ministre, depuis le 1 er septembre, le remboursement des frais de logopédie est temporairement élargi à tous les enfants présentant une déficience mentale, quel que soit leur niveau de quotient intellectuel (QI), à l’exception regrettable des enfants autistes et de ceux qui fréquentent l’enseignement spécialisé.

Le 1 er juillet 2025, les conditions changeront à nouveau pour les enfants présentant un QI inférieur à 70, et le remboursement des séances sera conditionné à un bilan multidisciplinaire réalisé dans un centre de revalidation ambulatoire. À cet égard, les associations estiment que les centres de revalidation sont trop peu nombreux pour gérer l’ensemble des cas. Les délais sont importants et le test pourrait être réalisé dans des cabinets de psychologues.

Rappelons par ailleurs que la pose d’un diagnostic d’autisme passe déjà par un centre de référence. Le bilan multidisciplinaire obligatoire dans un centre de revalidation apparaît dès lors comme répétitif, voire redondant. Mais surtout, monsieur le ministre, la question se pose de l’impraticabilité d’un test de QI pour des enfants autistes petits et non verbaux. Cette condition devrait, selon nous, être purement et simplement abolie parce qu’elle va à l’encontre du bon sens.

Monsieur le ministre, mes questions sont simples. Pourquoi continuer à exclure du remboursement de logopédie les enfants autistes et les enfants qui fréquentent l’enseignement spécialisé? Je ne comprends pas la logique sous-tendant ce raisonnement. Pourquoi le régime actuel connaît-il une période transitoire aussi courte? Un test de QI sera-t-il bien maintenu durant la période transitoire?

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, déjà en 2015, le Délégué général aux droits de l’enfant, Inclusion ASBL et Unia attiraient l’attention des autorités publiques concernant la problématique du non-remboursement des soins de logopédie pour les enfants ayant un QI inférieur à 86 dans le cadre de la pratique logopédique monodisciplinaire.

Des recommandations, également soutenues par un avis du Conseil supérieur National des Personnes Handicapées (CSNPH), avaient alors été émises. Ce critère du QI n’a pourtant jamais été supprimé ni modifié depuis.

Plusieurs fois au cours de la précédente législature, votre collègue la ministre Lalieux vous a interpellé dans ce cadre, tout comme les familles des enfants concernés et des dizaines d’associations qui ont continué de dénoncer avec force ce qu’elles considèrent à juste titre comme une discrimination.

Un accord au sein du gouvernement a finalement pu voir le jour en mars dernier prévoyant que le facteur QI ne soit plus un facteur d’exclusion automatique pour l’accès au remboursement. La logopédie sera remboursée pour tous les enfants indépendamment de leur QI jusqu’au 30 juin 2025. Les enfants se voyant prescrire un tel traitement jusqu’au 30 juin 2025 bénéficieront du remboursement pendant les deux ans de traitement, jusqu’au 30 juin 2027.

Les conditions changeront toutefois à partir du 1 er juillet 2025 pour les enfants dont le QI est inférieur à 70 puisqu’ils ne pourront bénéficier d’un remboursement que si l’analyse dans un centre pluridisciplinaire atteste que la logopédie est la meilleure thérapie pour l’enfant.

Monsieur le ministre, comme nous l’avons indiqué à plusieurs reprises, notre groupe estime que le critère du QI demeure discriminant et doit à terme disparaître. Les mesures prises en mars 2024 ne sont évidemment que temporaires et une recherche multidisciplinaire doit être menée pour les évaluer et surtout faire évoluer la législation et la nomenclature.

Qu’en est-il de cette étude menée par le KCE? Qui devrait être consulté dans ce cadre? Quand les résultats et conclusions devraient-ils être disponibles?

Il sera évidemment indispensable que ceux-ci fassent le plus rapidement possible l’objet d’un échange de vues en commission de la Santé.

Sofie Merckx:

Monsieur le président, monsieur le ministre, les collègues ont déjà bien dressé le tableau. Tous ceux qui étaient là la législature passée se souviennent de la mobilisation massive des parents d'enfants porteurs d'un QI inférieur à 85 et qui se battaient depuis plusieurs années contre ce critère discriminant. Cela a entre autres été relayé par Mme Fonck en premier lieu. Je tiens à le rappeler. On avait finalement obtenu une victoire: le critère du QI inférieur à 85 était enlevé du remboursement de la logopédie monodisciplinaire.

Mais, malheureusement, le constat est amer. En effet, si le critère du QI n'est plus d'application depuis le 1 er septembre 2024, deux nouveaux critères d'exclusion ont été ajoutés: le fait que les enfants fréquentant l'enseignement spécialisé sont exclus ainsi que les enfants porteurs d'autisme. Combien d'enfants ayant un QI inférieur à 85 ne fréquentent-ils pas l'enseignement spécialisé? Je ne sais pas. Cela me semble quand même assez rare.

Monsieur le ministre, pourquoi avoir ajouté deux nouveaux critères d'exclusion alors qu'il s'agissait justement d'offrir plus de soins à des enfants qui bénéficient aujourd'hui de séances de logopédie en monodisciplinaire et qui en ont besoin? Je rappelle le non-remboursement représente pour les parents un énorme coût de plusieurs centaines d'euros par semaine. C'est dire que, par exemple dans la région où je vis, à Charleroi, ce n'est pas accessible pour beaucoup de parents.

Par ailleurs, le compromis trouvé est uniquement valable jusqu'au 1 er juillet 2025. Ensuite, un bilan multidisciplinaire sera imposé en CRA pour les enfants porteurs d'un QI inférieur à 70. Monsieur le ministre, pourquoi avez-vous décidé de la sorte pour l'exécution de la décision qui a été prise ici, au Parlement?

Julie Taton:

Monsieur le président, monsieur le ministre, je suis vraiment ravie et heureuse de savoir que nous sommes tous dans la même direction avec les collègues.

Depuis le 1 er septembre, le remboursement des séances de logopédie monodisciplinaire est temporairement élargi à tous les enfants présentant une déficience mentale, quel que soit leur niveau de quotient intellectuel, à l'exception toutefois des enfants autistes et de ceux fréquentant l'enseignement spécialisé.

Malgré l'accord trouvé en mars 2024 sur le remboursement INAMI, il nous revient du terrain que le ressenti est très mitigé. Après avoir échangé avec des professionnels de la santé et des personnes directement concernées, comme les parents, on se rend effectivement compte que trop de critères d'exclusion demeurent. Je prends pour exemple les enfants ayant un trouble envahissant du développement ou un trouble autistique, pour lesquels il faudrait prouver qu'ils sont l'origine du trouble du développement du langage.

À côté de cela, je pense également à la pression supplémentaire mise sur les CRA, déjà pas suffisamment nombreux sur le territoire francophone, et pour lesquels il y a toujours de longues files d'attentes.

Je relève, à ce propos, qu'à partir du 1 er juillet 2025, les enfants ayant un QI inférieur à 70 devront effectuer un bilan multi dans un CRA pour éventuellement obtenir une autorisation de remboursement de logopédie. Je doute fortement que les CRA – dont je ne mets pas le professionnalisme en doute – puissent réaliser ce bilan rapidement, alors qu'il s'agit d'un processus assez lourd qui demande de nombreux rendez-vous.

Vous l'aurez compris, au vu des critères d'exclusion de ce remboursement encore en vigueur aujourd'hui, il s'agit ici d'un dossier qu'il faudra garder à l'œil lors de cette législature.

Monsieur le ministre, combien de patients supplémentaires ont pu bénéficier d'un remboursement des séances de logopédie depuis l'accord survenu en mars 2024? Depuis cet accord, quels retours avez-vous du terrain, notamment de la part des logopèdes?

Que pouvez-vous nous dire au sujet du temps d'attente pour un bilan multi qui devra être réalisé en CRA à partir du 1 er juillet 2025?

Envisagez-vous d'ouvrir la possibilité de faire ce bilan ailleurs que dans un CRA, notamment chez des logopèdes indépendants ou via un mécanisme de coordination pluridisciplinaire de prestataires indépendants? Pour quels motifs?

Frank Vandenbroucke:

Je donnerai tout d'abord une réponse à l'une des questions de Mme Désir, concernant le KCE et l'implication des parties prenantes. Le KCE mène actuellement une étude sur le sujet qui est en discussion ici. Les résultats et les conclusions sont attendus au printemps 2025. Dans ses études, le KCE prévoit toujours une consultation avec toutes les parties prenantes clés. De plus, madame Désir, je peux également vous informer que la Logomut suit évidemment ce dossier et tout ce qui est concerné par l'arrêté royal. Toutes les parties concernées participeront à l'évaluation de la réglementation actuelle et seront entendues dans le cadre de l'avis plus général du KCE en la matière.

Ensuite, je donnerai quelques réponses ponctuelles à M. De Smet et Mme Merckx. Quelles sont les justifications liées à l'exclusion de ce régime des enfants autistes et de ceux fréquentant l'enseignement spécialisé? Les enfants atteints d'un trouble du spectre de l'autisme ainsi que les enfants fréquentant l'enseignement spécialisé ne peuvent en effet pas bénéficier du remboursement du traitement logopédique pour troubles de la parole et dysphasie via la nomenclature. Il s'agit d'une règle tout à fait indépendante des critères en matière de QI. C'est une règle qui existe depuis longtemps.

En ce qui concerne les patients atteints d'un trouble du spectre de l'autisme, la nomenclature exclut actuellement le remboursement d'un traitement logopédique en cas de trouble secondaire dû à des affections psychiatriques. Des accords de traitement peuvent dans certains cas être octroyés par les mutuelles à la condition que le logopède ou le prescripteur du traitement déclare clairement qu'il n'y a pas de lien de causalité entre le TSA et le trouble logopédique.

Les soins de santé mentale faisant partie des compétences des entités fédérées depuis la sixième réforme de l'État, les patients porteurs d'un TSA sont donc orientés vers une prise en charge multidisciplinaire incluant la logopédie dans des centres de revalidation ambulatoires.

En ce qui concerne les enfants qui fréquentent l’enseignement spécialisé, la prise en charge par l’assurance soins de santé obligatoire de certains traitements logopédiques (troubles du langage, dyslexie, dysorthographie et dysphasie) est exclue, parce que dans ces cas-là, les soins logopédiques sont financés et organisés par le système éducatif, qui relève de la compétence des Communautés, et non de l’assurance soins de santé.

S’agissant de la brièveté de la période transitoire du régime, j’estime qu’un délai de 10 mois est suffisant pour laisser aux centres de revalidation ambulatoires le temps d’effectuer les ajustements nécessaires pour organiser ces bilans, sachant que des bilans multidisciplinaires sont déjà réalisés dans ces centres à l’heure actuelle. Je rappelle également que, si un accord a été obtenu avant cette date, l’admission pour la période où elle a été accordée reste valable.

Enfin, je confirme que la réalisation d’un test QI en soi reste nécessaire à l’obtention d’un accord logopédique entre le 1 er septembre de cette année et le 1 er juillet 2025. C’est prévu dans la réglementation et c’est une disposition qui permettra de suivre en particulier l’impact de la mesure prise.

Les questions de Mme Taton se focalisent sur la décision qui a été prise. Je confirme que, depuis le 1 er septembre, la prise en charge par l’assurance soins de santé obligatoire du traitement logopédique pour les troubles du développement du langage et la dysphasie est en effet autorisée pour tous les enfants, quel que soit leur QI, alors que ce traitement était auparavant réservé aux enfants dont le QI était supérieur ou égal à 86.

En réponse à la première de vos quatre questions précises, sachez qu’étant donné que la réglementation est entrée en vigueur le 1 er septembre, les données concernant le nombre de patients ayant pu bénéficier de cette mesure ne sont pas encore connues. Un suivi de la mesure est toutefois prévu au sein de chaque mutualité. Les données seront transmises à l’Institut national d’assurance maladie-invalidité (INAMI) à intervalle régulier dès qu’elles seront disponibles.

Par rapport à votre deuxième question, je puis dire que les organisations professionnelles des logopèdes réagissent positivement aux changements intervenus maintenant. Toutefois, une partie des logopèdes sur le terrain devront se former afin de pouvoir assumer la prise en charge de patients en situation de handicap mental car l'approche thérapeutique n'est pas la même que pour les autres patients.

Quant à votre troisième question, des contacts ont déjà été pris avec les entités fédérées concernant la mise en place de ces bilans et de nouvelles discussions pourront encore avoir lieu. Il a été prévu de ne faire entrer cette mesure en vigueur qu'à partir du 1 er juillet 2025 afin de laisser du temps aux centres de revalidation ambulatoire pour se préparer et effectuer les ajustements nécessaires. Ces centres relèvent de la compétence des entités fédérées et la problématique des temps d'attente ne peut pas être solutionnée par le niveau de pouvoir fédéral.

En réponse à votre quatrième question, il a été décidé que ces bilans devaient être réalisés dans des centres CRA car l'expertise de ces centres en matière de prise en charge multidisciplinaire des personnes en situation de handicap est reconnue. Les logopèdes ne sont pas tous spécialisés en la matière. La coordination pluridisciplinaire des prestataires indépendants que vous mentionnez est par ailleurs complexe à mettre en œuvre et ne couvre pas l'aspect collaboratif présent dans les CRA.

Pour conclure, en général, il va de soi que le régime que nous avons décidé, mais aussi les différentes incompatibilités et conditions, pourront évoluer en fonction des avis qui seront émis en la matière et que les réflexions sur le sujet pourront donner lieu à des modifications. Cependant, il est évident que je ne peux pas anticiper sur ces évolutions.

Voilà, monsieur le président, ma réponse aux différentes questions.

François De Smet:

Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse. Nous sommes confrontés à un nœud administratif ainsi qu'à un manque de volonté politique. Lorsque l'on connaît la nature de l'autisme, il est difficile pour les parents qui entendent votre réponse d'être renvoyés à une répartition de compétences entre Communautés et État fédéral. Dans la plupart des cas, un bilan pluridisciplinaire et un diagnostic d'autisme ne mènent pas les enfants à une prise en charge par un centre spécialisé. Ceux-ci sont même de plus en plus poussés à être pris en charge par l'enseignement traditionnel ordinaire, en tous les cas, en maternelle et en primaire. Et ce l'est à juste titre, puisque c'est par imitation et fréquentation du milieu ordinaire que les enfants autistes peuvent le plus facilement être soignés.

Donc, cette décision, quelle qu'en soit l'origine, incite les parents d'enfants autistes qui se trouvent dans l'enseignement ordinaire et traditionnel à ne pas être aidés par le système assurantiel et par la société. Cela ne va pas et cela ne peut plus durer.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses concernant plus spécifiquement l'étude menée par le KCE et l'implication des parties prenantes. J'ai bien noté que les conclusions sont attendues vers le printemps. Nous continuerons donc à suivre ce dossier qui est particulièrement important pour bon nombre de familles. Je rappelle que pour nous, à terme, ce critère devrait simplement disparaître. Mais j'entends évidemment qu'il faut quelques mois supplémentaires pour pouvoir mener l'évaluation à bien. Comme je l'ai indiqué dans ma question, nous devrons avoir cet échange de vues en commission à ce moment-là. Nous interpellerons à nouveau le gouvernement en temps opportun.

Sofie Merckx:

Monsieur le ministre, j'ai l'impression que vous vivez un peu en théorie, parce qu'en théorie, un enfant atteint d'autisme sera soigné dans un centre multidisciplinaire, et un enfant fréquentant l'enseignement spécialisé aura des soins logopédiques à l'école. Mais la réalité, monsieur le ministre, est différente et multiple. Oui, il y a des logopèdes dans les écoles spécialisées, qui parfois ne peuvent pas prendre en charge les enfants parce qu'il y en a trop. Il y a des enfants sur liste d'attente pour les centres multidisciplinaires, et pas qu'un peu. Que font-ils en attendant? Il y a peut-être un an d'attente pour être pris en charge. Un an sans logopédie pour ces enfants, c'est énorme et cela signifie une absence de soins.

Donc je crois qu'ici, on est face à la répartition des compétences dans notre pays, qui est très mal gérée, et à des ministres qui se renvoient la balle. Je suis désolée, monsieur le ministre, mais vous êtes ministre de tous les enfants. Oui, s'il n'y a pas suffisamment de places dans les centres multidisciplinaires et de revalidation, il faut que ces enfants puissent bénéficier de soins de logopédie. En tout cas, nous attendons les conclusions de l'étude du KCE, mais nous continuerons à être du côté des parents. En effet, je constate finalement qu'il n'y a pas de solution pour la plupart des enfants qui devraient bénéficier de ces soins de logopédie.

Julie Taton:

Monsieur le ministre, je ne vais pas répéter ce qui vient d'être dit parce que je suis assez en accord avec ce que viennent de dire mes collègues Mme Merckx, M. De Smet et Mme Désir. Je suis la maman d'un petit garçon extraordinaire; je suis donc complètement concernée par la situation. J'échange beaucoup avec les parents et je pense que l'on oublie quelque chose de très important. Sans le remboursement de l'INAMI, certains parents doivent choisir entre remplir leur frigo ou stimuler leur enfant; il ne faut vraiment pas oublier cela.

Sur le terrain, la situation n'est pas très claire. Les parents ne savent pas trop ce qui va se passer par rapport à ce fameux seuil de 70 de QI. Je veux rappeler que ce seuil va à l'encontre des conventions des Nations Unies relatives aux droits des personnes en situation de handicap et aux droits de l'enfant (article 19, droit à l'autonomie de vie et droit à l'inclusion dans la société).

Je pense qu'il faut poursuivre et se serrer les coudes à ce niveau. Pour continuer la demande de 2019 de David Clarinval, je me joins à de nombreuses familles pour vous demander beaucoup plus de soutien, beaucoup moins d'obstacles, beaucoup plus de compréhension, moins d'exclusion et, surtout, beaucoup plus de douceur pour toutes ces familles. Merci, monsieur le ministre.

Voorzitter:

Je vous informe que M. le ministre sera présent avec nous jusque 15 h 45. N’hésitez pas à respecter les temps de parole afin que nous puissions traiter le maximum de questions.

De ziekenhuizen die als kritieke infrastructuur worden aangemerkt

Gesteld door

lijst: PS Caroline Désir

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 15 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Negen Belgische ziekenhuizen (geheimgehouden om veiligheidsredenen) moeten als kritieke infrastructuur binnen één jaar een veiligheidsplan uitwerken – met autonome afsluiting binnen 30 minuten en 96-uurs lockdown-capaciteit – maar krijgen geen structurele federale financiën, slechts een mogelijke *startsubsidie*; verdere investeringen moeten via regionale fondsen lopen. Minister Vandenbroucke benadrukt maatwerk per ziekenhuis (bestaande covid-maatregelen kunnen volstaan) en geen overleg met sectorfederaties, alleen met betrokken instellingen en crisisdiensten. Désir uit zorgen over de financiële haalbaarheid, vooral voor parkingsbeveiliging en infrastructuur, en hamert op onduidelijkheid over lockdown-regie bij interne dreigingen.

Caroline Désir:

Monsieur le ministre, je souhaite vous interroger sur la mise en œuvre de l'arrêté royal du 21 mars 2024 portant exécution de la loi relative à la sécurité et la protection des infrastructures critiques pour le secteur de la santé publique et, en particulier, sur les difficultés rencontrées par les hôpitaux concernés dans ce cadre.

Selon cet arrêté royal, chaque hôpital considéré comme infrastructure critique doit être capable, en cas de menace, de danger immédiat ou sur ordre des autorités compétentes, dans un délai de 30 minutes, de fermer toutes les entrées de chaque bâtiment, de fermer le périmètre autour du site d'une façon autonome (c'est-à-dire sans renfort des services policiers) et d'activer une équipe pour la gestion de crise – qui peut prendre des mesures de sécurité supplémentaires sans qu'elle ne doive être sur place dans cet intervalle de temps.

Le plan d'urgence interne, connu comme plan d'urgence hospitalier, doit également comprendre des mesures pour le maintien des activités critiques pendant au moins 96 heures, soit avec ses propres moyens, soit avec des moyens des tiers qui étaient consignés d'avance.

Monsieur le ministre, combien d'hôpitaux sont-ils considérés comme infrastructures critiques dans notre pays? Pourriez-vous m'indiquer si des concertations ont été menées avec les fédérations hospitalières dans ce cadre au vu des implications juridiques, financières, opérationnelles et organisationnelles liées à la mise en œuvre de cet arrêté?

Quels sont les délais de mise en œuvre prévus? Comment les hôpitaux seront-ils épaulés et financés pour la mise en œuvre de ces mesures?

Dans le cadre de la fermeture du périmètre autour du site, il sera, par exemple, nécessaire pour les hôpitaux de prévoir une sécurisation des parkings extérieurs. Sachant la situation financière difficile que connaissent beaucoup d'hôpitaux, un financement est-il prévu dans ce cadre?

Enfin, il est envisagé le maintien d'un lockdown pendant 96 heures au sein de l'hôpital en cas de menace. Qui devra se charger de la régulation et du maintien de ce lockdown ? Par ailleurs, qu'en est-il si la menace provient de l'intérieur, sachant qu'un lockdown pourrait empêcher toute évacuation depuis l'intérieur?

Frank Vandenbroucke:

Madame Désir, neuf institutions hospitali è res ont été désignées comme infrastructures critiques mais vu que la désignation est tenue secr è te pour des raisons de sécurité, il n'y a pas lieu de discuter des spécifications de ces hôpitaux avec des tiers. Il n'y a donc pas de concertation avec les fédérations hospitali è res. Il y a en revanche une concertation active entre les institutions concernées et mon administration.

Les institutions ont un an pour élaborer le plan de sécurité. La mise en œuvre de ce plan devra être évaluée durant l'année qui suit son élaboration. À cette fin, mon administration, le Centre de crise national et l'administration communale sont mobilisés afin de soutenir les institutions. Mon administration examine la possibilité d'octroyer un budget de démarrage aux institutions. Si des budgets d'investissement en infrastructure sont nécessaires, il revient aux institutions de faire appel aux fonds régionaux qui y sont dédiés.

Enfin, chaque institution ayant une infrastructure différente, il ne m'est pas possible de détailler les pistes de soutien générique; certains hôpitaux ont déj à pris des mesures de sécurisation lors de la crise du covid et du confinement que nous avons connu à l'époque tandis que d'autres devront procéder à des investissements dans l'infrastructure afin de faciliter et de réduire les efforts lors de périodes de confinement.

Les questions que vous posez concernant l'opérationnalisation du plan et les éléments tels que menaces internes vs. menaces externes devront être pris en compte dans le plan sécuritaire qui incombe aux institutions.

Caroline Désir:

Merci, monsieur le ministre, pour ces réponses. Je ne suis évidemment pas encore pleinement rassurée sur le soutien financier car nous connaissons les difficultés financi è res rencontrées par les institutions hospitali è res et, dans certains cas, la mise en œuvre de cet arrêté royal nécessitera des investissements. Nous resterons attentifs à ce dossier.

Het toenemende gebruik van e-sigaretten onder minderjarigen
Het groeiende gebruik van e-sigaretten
Het groeiende gebruik van e-sigaretten
Toenemend e-sigarettengebruik onder jongeren

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende stijging van vapen onder jongeren, met name door agressieve marketing (smaakjes, kleuren, goedkope wegwerpproducten) die nicotineverslaving normaliseert en verdoezelt als "gezond alternatief". Minister Vandenbroucke kondigt verstrengde maatregelen aan (verbod op wegwerpe-sigaretten per 2025, uitstalverbod, verkoopbeperkingen op festivals/supermarkten) en belooft hardere handhaving (sancties, winkelSluitingen), maar erkent dat smaakbeperking (geïnspireerd door Nederland) en betere controle op onlineverkoop/reclame nog nodig zijn. Oppositie (Vooruit, CD&V) dringt aan op snellere actie, met name reductie van 7.000+ smaakjes en betere bescherming tegen verslaving, terwijl cijfers tonen dat 25% van de minderjarigen al vapet.

Funda Oru:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, de geur van wafels, watermeloen of zelfs suikerspin in de slaapkamer van je kind, elke week ruikt men wel iets anders, niet omdat je twaalfjarige heeft besloten om in de slaapkamer te snoepen – dat komt ook wel voor –, maar omdat hij of zij vapet. De realiteit vandaag is dat steeds meer jongeren en zelfs kinderen vapen, jongens en meisjes. Uit het vandaag gepubliceerde onderzoek blijkt dat meisjes een inhaalbeweging hebben gemaakt en dat zij zelfs meer vapen dan jongens.

De eerste genderkloof die we in ons land aanpakken, is die van de nicotineverslaving. Dat kan tellen. De tabakslobby hanteert zeer sluwe praktijken met onder andere vrolijke kleuren, feestlichtjes en goedkope producten die niet zijn bedacht om vijftigers van hun sigaretten af te helpen, maar om onze kinderen en jongeren voor de rest van hun leven verslaafd te maken.

Wij socialisten bij Vooruit, wij staan voor de bescherming van onze kinderen, zij aan zij met ouders, die zich zorgen maken, en zij aan zij met jongeren en kinderen die onbewust in de val trappen en voor de rest van hun leven verslaafd geraken.

Mijnheer de minister, u pakte de voorbije jaren al die valstrikken van de tabaksindustrie aan. We zijn zelfs voorloper in Europa door geen vrolijke kleuren en geen goedkope wegwerpproducten te aanvaarden. Als een twaalfjarige een wegwerpvape kan kopen met zijn zakgeld, is er iets grondig mis in onze samenleving.

Het onderzoek toont dat er nog werk aan de winkel is en dat veel jongeren het vapen associëren met een gezond alternatief voor het roken. Helaas heeft vapen een schoon en veilig imago. Dat toont nogmaals aan hoe sluw de tabaksindustrie is. Mijnheer de minister, wat is de volgende stap? Wat kunnen we nog meer doen om onze kinderen te beschermen?

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, als voormalig leerkracht had ik de indruk dat alsmaar meer jongeren begonnen te vapen. Die indruk werd gisteren bevestigd door het resultaat van de leerlingenbevraging van het VAD. Daaruit bleek dat het klassieke roken gelukkig is afgenomen – dat kunnen wij alleen maar toejuichen –, maar dat het gebruik van vapes bij jongeren opnieuw toeneemt.

Het gebruik van e-sigaretten is een groot gevaar voor onze jongeren, zoals collega Oru daarnet al aangaf, en moet aan banden worden gelegd. In de bevraging las ik dat negen op de tien Vlaamse jongeren wel degelijk de wetgeving rond de verkoop van tabaksproducten kennen, maar dat ze toch nog aan die middelen raken.

Ik heb vandaag dan ook een concrete vraag voor u, mijnheer de minister. Welke extra maatregelen zult u nemen opdat jongeren die middelen niet meer kunnen aankopen?

Els Van Hoof:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, de cijfers van het VAD zijn wederom onrustwekkend, want bijna 25 % van de jongeren onder de 18 heeft reeds gevapet.

Dat is geen verrassing voor mij. Reeds meer dan vijf jaar geleden heb ik een wetsvoorstel ingediend om de smaakjes van de vapes, een rage die overgewaaid is uit de VS en de UK, te beperken. Verslaving werkt overal en dat weet de sector perfect. Vapes worden voorgesteld als een rookstopmiddel om mensen te helpen met het stoppen met roken, maar niets is minder waar. We merken heel duidelijk dat het voor jongeren een cool gadget is, een soort modeaccessoire dat past of moet passen bij de outfit.

Al lang geleden heb ik gepleit voor maatregelen. U hebt al enkele maatregelen uitgevaardigd om dat sluipend gif tegen te gaan. Een van de maatregelen is een verbod op de wegwerpsigaret vanaf 2025. Dat is een goede maatregel, maar toch blijkt in de UK dat die maatregel wordt omzeild. Neem toch een effectieve maatregel, bijvoorbeeld door het aantal smaakjes te beperken. In een kamer kan het naar wafels en pannenkoeken ruiken, terwijl er in realiteit iemand vapet. Waarom moeten er 7.000 smaakjes bestaan? We weten heel goed dat vapes worden verkocht als een soort snoepgoed om het aantrekkelijk te maken bij jongeren. Samen met dat zogenaamd snoepgoed wordt ook een nicotineverslaving verkocht. Dat is toxisch, zowel voor lichaam als geest. Dat is voor ons onaanvaardbaar.

Mijnheer de minister, daarom vraag ik u wanneer u cd&v zult volgen in de vraag naar een beperking van het aantal smaakjes. De Stichting Tegen Kanker stelt dat eveneens voor. Ik denk dat we in gang moeten schieten, ofwel aan de onderhandelingstafel, ofwel in het Parlement.

Frank Vandenbroucke:

Mijnheer de voorzitter, collega's, roken maakt ziek en roken veroorzaakt heel veel overlijdens. In de voorbije jaren hebben we daarom bijkomende maatregelen genomen, eigenlijk in een voortdurende strijd tegen de tabakslobby en tegenwoordig ook tegen de vapelobby, om ervoor te zorgen dat meer mensen worden aangezet om te stoppen met roken en daarnaast om ervoor te zorgen dat minder jonge mensen beginnen te roken. Dat is bijzonder belangrijk.

Vapes zijn inderdaad ongezond vanwege de nicotine, die erin zit, die verslavend is voor jonge mensen en ook schadelijk voor hun ontwikkeling. We willen vapes inderdaad krachtig aanpakken.

Om te beginnen hebben we al de gewone vapes minder aantrekkelijk gemaakt door het verbod dat we hebben ingevoerd op lichtjes en andere accessoires die deze producten aantrekkelijk moeten maken. We hebben verder ook de marketing rond de smaakjes en geurtjes aangepakt.

Op 1 januari 2025 zal België het eerste land van de Europese Unie zijn waar wegwerpvapes verboden zullen worden. Op diezelfde datum gaat er ook een verkoopverbod in op sigaretten en vapes bij tijdelijke evenementen, zoals festivals. Op 1 april 2025 gaat een verkoopverbod in van sigaretten en vapes in supermarkten die groter zijn dan 400 m², alsook een volledig uitstalverbod, zowel voor sigaretten als vapes, in eender welk soort winkel. Dat is bijzonder belangrijk.

Wat moeten we verder doen? We moeten deze strijd zeker verderzetten. Om te beginnen moeten we handhaving doen. Ik ben ontsteld door de onverantwoordelijkheid van wat er helaas gebeurt in winkels en cafés, waar ondanks verbodsbepalingen toch nog sigaretten en vapes aan minderjarigen worden verkocht. Ik hoorde gisteren mevrouw De Greve van Comeos op VTM zeggen dat het toch niet zo simpel is om te zien wie jonger is dan 18 jaar. De wet is echter bijzonder duidelijk voor de leden van Comeos. Als men denkt dat iemand jonger dan 25 is, dan is men verplicht om een identiteitskaart te vragen en te checken of die persoon meerder- of minderjarig is. Dat zegt de wet en dat is dus wat men moet doen. Ik zal Comeos tot de orde roepen omdat ik wil dat men ook enige maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt in winkels, supermarkten en eender waar dergelijke producten nog verkocht kunnen worden.

Moeten we nog verdere maatregelen nemen? Absoluut, daar ben ik ten zeerste van overtuigd, ook wat betreft de plaatsen waar gerookt wordt. Wat de smaakjes betreft, mevrouw Van Hoof, heb ik in een eerste beweging het advies van de experts van de Hoge Gezondheidsraad gevolgd, die zeiden dat we die smaakjes zo moesten laten. Wat nu in Nederland gebeurt, is inspirerend en ik denk dat we dat opnieuw moeten bekijken. Ik ben dus absoluut voorstander om daarin verder te gaan.

Wij hebben de strijd opgevoerd, zowel tegen tabak als tegen vapes. Er is echter nog een hele weg te gaan. Het is een strijd die ook op het terrein gevoerd moet worden. Wie niet horen wil, zal voelen. We zullen verder gaan met de inspecties en we gaan de inspecties versterken. We gaan ook krachtiger optreden, met sancties, tot en met het sluiten van winkels die de wet overtreden.

Funda Oru:

Mijnheer de minister, zolang jongeren kunnen zeggen dat het lekker smaakt, mogen wij niet verbaasd zijn dat vapen populair blijft. We hadden de trend van de sigaretten gekeerd. Vandaag slaat de tabakslobby opnieuw toe.

Vooruit zal steeds de kant kiezen van onze jongeren, dus ook als het gaat over nicotineverslaving. We namen al tal van maatregelen, maar wij laten dit onderwerp niet los. Stilstand in dit dossier leidt tot meer verslaving. En dus gaan we voort. Ik weet het als moeder, dit kan men als ouder niet alleen oplossen en als kind ook niet. Wij hebben onze keuze gemaakt, nu is het aan de volgende regering om verder te gaan.

Voorzitter:

Mevrouw Oru, ik feliciteer u met uw maidenspeech. (Applaus)

Lotte Peeters:

Mijnheer de minister, er is inderdaad heel wat wetgevend werk voorafgegaan aan deze jongerenproblematiek, maar 26 % is in mijn ogen toch nog te veel. 26 % van de jongeren komt voor 18 jaar in contact met een e-sigaret. Dat moet veranderen. Ik ben blij om hier vandaag te vernemen dat er extra ingezet zal worden op controle en handhaving. Waarvoor dank.

Voorzitter:

Mevrouw Peeters, ik feliciteer u met uw maidenspeech. Den bompa zal trots zijn. (Applaus)

Els Van Hoof:

Mijnheer de minister, inderdaad, heel wat maatregelen zijn al genomen onder de vorige regering. Het schort echter nog aan handhaving en controle, en zeker de onlinereclame is een groot probleem. Ook aan de onlineverkoop schort er iets. Wij moeten daar zeker iets aan doen. Cd&v pleit uiteindelijk voor wat echt nodig is, namelijk het beperken van het aantal exotische smaakjes. U zegt dat België in de EU het eerste land is met maatregelen. Dat klopt, maar eigenlijk weten wij al uit het Verenigd Koninkrijk dat de reglementering inzake de wegwerp-e-sigaret gemakkelijk omzeild wordt. We moeten dus drastischere maatregelen nemen. We moeten het aantal smaakjes beperken en we moeten ervoor zorgen dat jongeren niet verslaafd raken. We zien immers dat er vandaag heel wat chemicaliën in zitten waarvan we het resultaat nog niet kennen. Dat moet verder worden onderzocht. Laten we dus gaan voor het verder beperken van het aantal smaakjes, ook onder de volgende regering, en nu aan de onderhandelingstafel, om onze jongeren te beschermen.

Het akkoord artsen-ziekenfondsen over het RIZIV-budget
De overschrijding van het RIZIV-budget
De ontsporing van de begroting van de ziekteverzekering
RIZIV-budget en ziekteverzekeringsbegroting

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De ontspoorde gezondheidszorgbegroting (153 miljoen overschrijding in 2024, 217 miljoen maatregelen voor 2025) staat centraal, met kritiek op het uitblijven van structurele hervormingen en ad-hocbesparingen (tandartsen, radiologen) die de echte oorzaken—vergrijzing, technologische kosten en regionale verschillen—negeren. Minister Vandenbroucke benadrukt de noodzaak van een 2025-begroting binnen de 2,5%-groeinorm (via overleg ziekenfondsen/zorgverstrekkers) en waarschuwt voor politiek falen, terwijl oppositiepartijen efficiëntiewinsten, migratiebeperking en betere arbeidsomstandigheden eisen. De zorgsector dreigt met protest (7/11) tegen besparingen, terwijl onderhandelingen voor een nieuwe regering de toekomstige groeinorm (3% vs. 3,2%) en duurzame financiering onder druk zetten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, we hebben in ons land een uitstekende gezondheidszorg, die bovendien betaalbaar is voor de patiënt. Dat is absoluut iets wat we moeten koesteren, want dat is helemaal niet in alle landen het geval.

Er gaat echter ook een gigantisch budget mee gepaard: 40 miljard euro op jaarbasis, plus nog 2,5 %, boven op de inflatie. Dat betekent dus ook, mijnheer de minister, dat elke ontsporing van dat budget meteen belangrijke financiële gevolgen heeft.

Laten we eerlijk zijn, we weten al een tijdje dat het budget ontspoort. We hebben nu echter ook een concreet cijfer. Voor 2024 gaat het over 153 miljoen euro.

Tot nu toe, mijnheer de minister, hebt u geen maatregelen afgekondigd, ook al wist u dat die overschrijdingen er waren. Gisteren vernamen we echter dat de artsen en mutualiteiten een voorstel klaar hebben voor 2025. Het zou gaan over 217 miljoen euro, maar dat is nog geen besparing. Dat is gewoon een maatregel die ervoor moet voor zorgen dat het budget niet nog verder ontspoort.

We weten allemaal dat de uitdagingen voor de begroting in het algemeen, maar voor de gezondheidszorg in het bijzonder, echt enorm zijn. Dit voorstel is dus maar een eerste stap van vele andere belangrijke stappen die moeten worden genomen.

Waarom nam u tot nu toe geen maatregelen voor 2024? U bent namelijk nog altijd in volheid van bevoegdheid. Wat denkt u over het besparingsvoorstel dat de artsen en mutualiteiten op tafel hebben gelegd?

Sofie Merckx:

Mijnheer de minister, de ziekenfondsen en de artsen hebben een voorlopig akkoord bereikt over het budget van het RIZIV voor 2025. Daarin wordt een aantal besparingen voorgesteld, maar de groeinorm van 2,5 % zou worden behouden.

Mijn bezorgdheid betreft niet alleen volgend jaar, maar ook de jaren nadien. In De Standaard hebben we gelezen dat er bij de onderhandelingen voor de nieuwe arizonaregering sprake zou zijn van 300 miljoen euro besparingen in de zorg en een groeinorm van 3 % in 2029, maar u weet ook dat er volgens het Federaal Planbureau eigenlijk een groeinorm van 3,2 % nodig is vanaf 2025 tot 2029. Als men die groeinorm niet toepast, komt dat eigenlijk neer op besparingen. Dat weet u ook.

In de zorgsector is de situatie echt dramatisch. De groeinorm is nodig om tegemoet te komen aan de noden van de verouderende bevolking en de technologische ontwikkeling. Het zal u voorts ook niet ontgaan zijn dat er een crisis in de zorgsector is. Op 7 november zal het zorgpersoneel opnieuw op straat komen, omdat het betere werkvoorwaarden wil en ook gekant is tegen mogelijke besparingen. Hoe kunt u dan ook meestappen in een verhaal van besparingen in de gezondheidszorg?

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, het budget van de ziekteverzekering dreigt te ontsporen. In juni bedroeg de overschrijding nog 79 miljoen euro, nu zou het al bijna drie keer zoveel zijn. Het is vooral de versnelling van die toename die ons zorgen moet baren.

De grote boosdoeners zouden volgens u vooral tandartsen, radiologen en implantaten zijn. Blijkbaar zitten die sectoren in uw vizier, want ook in de vorige legislatuur had u uw pijlen al daarop gericht. Weet u echter wat de echte oorzaak is van deze ontsporing, mijnheer de minister? Het is gemakkelijk om bepaalde sectoren met de vinger te wijzen en als boeman naar voren te schuiven, maar wij hebben de indruk dat er slechts wat gemorreld wordt in de marge: hier wordt er wat afgesnoept van de tandartsen, daar wat van de radiologen en dan wordt er nog wat bespaard op de oncologie.

Er zijn inderdaad misbruiken, mijnheer de minister, maar dat heeft men in alle sectoren en niet alleen bij tandartsen of radiologen. Is het dan niet beter om de rotte appels eruit te halen in de plaats van de hele sector te straffen?

Een beetje eerlijkheid gebiedt u toch om toe te geven dat de vergrijzing daar ook voor iets tussen zit, mijnheer de minister. Vergrijzing betekent meer polypathologieën, meer werk en dus meer kosten.

De vraag die we ons moeten stellen, is of het budget van de ziekteverzekering nog aan die vergrijzing aangepast is, en ook aan de technologische innovatie die ook een grote hap uit het budget pakt. Hoe wordt daarmee, in deze besparingsronde, rekening gehouden? Denkt u het budget van de ziekteverzekering op lange termijn onder controle te houden, met een dergelijk gemorrel in de marge?

Voorzitter:

Mijnheer de minister, u hebt vijf minuten repliektijd.

Frank Vandenbroucke:

Collega's, we hebben de voorbije jaren zeer veel in gezondheidszorg geïnvesteerd. We hebben ook de noodzakelijke hervormingen voorbereid. Dat is de weg die we verder moeten gaan.

Het is wel absoluut cruciaal voor de patiënten, voor de zorgverstrekkers, voor de ziekenhuizen, dat er nog deze maand oktober een begroting voor de ziekteverzekering voor volgend jaar op punt wordt gesteld. Dat wordt zo door de wet opgelegd. Alleen als er een begroting wordt afgeklopt, kunnen we ervoor zorgen dat de ziekteverzekering doet wat ze moet doen, namelijk de zorgverstrekkers eerlijk vergoeden en de patiënten een betaalbare, solidaire gezondheidszorg aanbieden.

Het zou getuigen van een zeer groot gebrek aan verantwoordelijkheidszin – zelfs al zijn we in lopende zaken – mochten we deze maand oktober geen begroting voor 2025 voor de ziekteverzekering kunnen afkloppen. Dat zou een ernstig gebrek aan verantwoordelijkheidszin tonen ten aanzien van patiënten, zorgverstrekkers, ziekenhuizen, van iedereen die deze gezondheidszorg nodig heeft.

Dat betekent ook dat men de overschrijding, die onlangs werd aangekondigd en waarbij de uitgaven hoger zouden zijn dan de groeinorm van 2,5 %, in de hand houdt en corrigeert.

De wet bepaalt ook hoe dat in de hand houden moet gebeuren. In een eerste stap is het Verzekeringscomité van het RIZIV aan zet, op basis van overleg tussen de ziekenfondsen en alle zorgverstrekkers. Die eerste stap werd gisteren gezet.

Toen duidelijk werd dat er overschrijdingen zouden komen van de 2,5 %-groeinorm, heb ik meteen aan de ziekenfondsen gevraagd om maatregelen voor te stellen om het budget op het goede spoor te houden binnen die norm van 2,5 %, niet minder, maar ook niet meer.

Ik ben tevreden dat ziekenfondsen en zorgverstrekkers gehoor hebben gegeven aan mijn vraag en gisteren op het Verzekeringscomité een reeks maatregelen hebben voorgesteld. Dat is de eerste stap die moet worden genomen. Dat lijkt mij bijzonder belangrijk. Collega’s, ik wil duidelijk zijn: dat is slechts de eerste stap.

De tweede stap wordt gezet op 21 oktober 2024, namelijk de derde maandag van oktober. Op die datum zijn uiteindelijk de sociale partners en de regering aan zet. Op dat moment moet de begroting 2025 voor de ziekteverzekering worden afgeklopt en moet de zekerheid worden geboden aan patiënten, zorgverstrekkers en ziekenhuizen dat de ziekteverzekering haar werk zal doen.

Ik roep dus ook niet alleen de sociale partners, maar ook mijn collega’s in de regering op die verantwoordelijkheid te nemen. Het voorstel dat uit het Verzekeringscomité komt, is een eerste aanzet en is nooit wat uiteindelijk wordt beslist. Dat voorstel wordt altijd nog bekeken. De regering gaat altijd met dat voorstel aan de slag, bekijkt het ook politiek en zal er vervolgens voor zorgen dat de begroting kan worden opgesteld. Ik roep dus mijn collega’s op om ter zake ook hun verantwoordelijkheid te nemen, ook al is de regering in lopende zaken.

We moeten ervoor zorgen dat er een robuuste, duurzame, correcte basis is, opdat patiënten worden terugbetaald op een correcte manier en opdat zorgverstrekkers de vergoedingen krijgen waarop ze recht hebben en die op een correcte manier zijn afgesproken. Daarvoor moeten de betrokken partijen de begroting op het goede spoor houden, en blijven investeren in die groeinorm van 2,5 %, maar moeten zij tegelijkertijd ook dat spoor nauwkeurig bewaken. Dat is de inzet voor de komende weken. Daar ga ik ook voor.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, dit thema is een debat waard. Een minuut is te kort om ten gronde te kunnen reageren.

Eerst en vooral wil ik zeggen dat ook voor Open Vld gezondheidszorg een echte kerntaak is voor de overheid en dat onze mensen het verdienen dat we daar ernstig mee omgaan. Wel is het natuurlijk zo dat de budgettaire impact enorm is en dat het zomaar toepassen van de groeinorm niet voor structurele efficiëntiewinsten zorgt. Nochtans is dat wat we nodig hebben.

Ik stel aan de arizonapartijen hier aanwezig dus voor om werk te maken van een regeringsakkoord en ervoor te zorgen dat er echte hervormingen komen in de gezondheidszorg, zodat die ook in de toekomst gewaarborgd blijft. Wij zullen vooralsnog, zoals we dat altijd gedaan hebben, onze verantwoordelijkheid nemen. Het moet dan wel om echte efficiëntiewinsten gaan; we willen niet alleen maar meer geld uitgeven.

Sofie Merckx:

Effectivement, un accord est proposé. C'est positif dans un premier temps. Mais l'avenir des soins de santé nous inquiète. Le personnel est à bout. Quand vous parlez avec des patients, des médecins, des infirmières, tous évoquent des temps d'attente trop longs. On nous avait promis d'investir dans les soins de santé. Vous aviez dit que vous faisiez de la santé une priorité. Or, quand je vois les plans de l'Arizona ou ceux du parti Les Engagés qui est en train de négocier, je constate qu'aujourd'hui, vous mangez votre parole. Ce qui se trouve dans la super note de M. De Wever, c'est une norme de croissance de 3 % seulement en 2029. C'est inacceptable! Le 7 novembre 2024, le personnel des soins de santé sera dans la rue et le PTB sera là pour le soutenir car nous disons non aux économies dans les soins de santé!

Dominiek Sneppe:

Mijnheer de minister, als de kosten de pan uit swingen, moet er inderdaad naar oplossingen worden gezocht. Wij hebben echter de indruk dat u niet zoekt naar de echte oorzaak van de problemen. U morrelt wat in de marge. Ik vermeldde al de vergrijzing als mogelijke oorzaak van de overschrijding. Daarop kunnen en mogen we uiteraard niet besparen. Een andere oorzaak is volgens ons de grote discrepantie tussen het noorden en het zuiden van dit land. Dat wordt al te vaak vergeten. Vlaanderen mag dan nog zo zuinig omspringen met de budgetten als het wil, het betaalt toch mee de factuur van het verspillende zuiden. Een derde oorzaak is de migratie. Niemand hier in het halfrond durft erop te wijzen dat de migratietsunami ervoor zorgt dat onze sociale zekerheid op springen staat. De hele wereld heeft toegang tot onze sociale zekerheid en dus ook tot onze gezondheidszorg. Daarop kan heel wat worden bespaard. Splits onze sociale zekerheid en sluit ze af voor gelukzoekers. Bespaar daarop, maar niet op de kap (…).

Het stijgende aantal eendagszieken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De afschaffing van het verplichte ziekenbriefje bij eendaagse afwezigheid leidde tot 67% meer eendagsziekten en hogere werkdruk, volgens werkgevers (42% ziet stijging), terwijl minister Vandenbroucke benadrukt dat het algemeen kortverzuim niet toenam (huisartsen schreven voorheen vaak langer voorzorgsbriefjes). Hij wil de maatregel evalueren en mogelijk uitbreiden, maar Coenegrachts dringt aan op een brede analyse met werkgevers, artsen en werknemers om onevenredige belasting van aanwezig personeel te voorkomen. Kern: effectiviteit van de regeling staat ter discussie, met focus op balans tussen administratieve verlichting en praktische gevolgen op de werkvloer.

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de minister, een jaar of twee geleden werd het verplichte ziekenbriefje afgeschaft voor werknemers die slechts één dag ziek zijn. Zoals elke hervorming was ook die er een vol goede bedoelingen. Ze moest dokters meer tijd te gunnen om zich bezig te houden met patiënten met andere noden. Ze moest het ziekteverzuim terugdringen en een administratieve vereenvoudiging voor de bedrijven betekenen.

Maar wat tonen de cijfers die afgelopen week gepubliceerd werden? In bedrijven met 50 werknemers of meer is het aantal eendagszieken met meer dan 67 % gestegen. Ook al maken de meeste werknemers geen misbruik van de regeling, wij kennen allemaal verhalen van mensen die het spijtig vonden dat het concert van Taylor Swift afgelast was, aangezien ze zich al ziek gemeld hadden voor de dag erna.

Het feit is dat de werkgevers steen en been klagen. VOKA Limburg bevroeg zijn leden en 42 % ziet meer afwezigheden van één dag. Dat maakt de organisatie op de werkvloer natuurlijk moeilijker. Dat zorgt ervoor dat het andere personeel moet inspringen en het zorgt voor extra werkdruk op de werkvloer.

Elke werkplek is anders. De vraag is dus, mijnheer de minister, of die one-size-fits-alloplossing nog altijd een goed idee is. Is het geen tijd die te evalueren en desgevallend bij te sturen?

Frank Vandenbroucke:

Collega's, de bedoeling van de maatregel was de administratieve lasten van de huisartsen te verminderen, zodat zij zinvollere dingen kunnen doen, en tegelijkertijd het kortverzuim te verminderen.

Wij moeten de maatregel evalueren. Let wel, tot nu toe laten alle rapporten zien dat het aantal afwezigheden voor één dag toeneemt, maar het algemene kortverzuim niet, integendeel. Dat is tot nu toe de indicatie. Dat is ook logisch. Als iemand naar een huisarts stapt voor iets van misschien één dag, schrijft de huisarts drie tot vier dagen of zelfs een week voor, uit voorzichtigheid. Ik verwijt hem dat niet. Het blijft dus nog altijd mijn mening dat men voor één dag ziekte beter niet bij de huisarts kan gaan.

Hoe dan ook, wij zullen het systeem evalueren, maar laten wij dan kijken naar alle cijfers. Het meest relevante cijfer is het algemene kortverzuim. Ik heb nog geen rapport gezien waaruit blijkt dat dat zou toenemen.

Na een ernstige evaluatie zullen we misschien moeten besluiten dat we die maatregel veeleer moeten uitbreiden en versterken dan af te bouwen. Laten we dat eens objectief bekijken.

Steven Coenegrachts:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.

Ik ben het er helemaal mee eens dat we een en ander objectief moeten analyseren en evalueren. Dat moet wel gebeuren samen met de werkgevers, degenen die het werk op de werkvloer organiseren, de huisartsen en de werknemers. Zodoende krijgen we inzicht in de nadelen. Het systeem biedt veel voordelen, maar doet tegelijk de werkdruk toenemen. Het systeem mag er niet toe leiden dat wie wel werkt, extra belast wordt en op termijn uitvalt. Dat heeft geen zin. Ik kijk uit naar het rapport met een samen met alle betrokkenen, inclusief de werkgevers, gemaakte objectieve, eerlijke analyse.

Voorzitter:

Collega Coenegrachts, u bent ruimschoots binnen de toegelaten spreektijd gebleven. Dat is zeer keurig.

De pensioenhervorming
De pensioenhervorming
Het vergrijzingsrapport, de pensioenhervorming en het relancegeld
Pensioenen, vergrijzing en relancegelden

Gesteld aan

Karine Lalieux

op 8 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de dreigende pensioen- en arbeidsmarkthervormingen ("Arizona-akkoord") die vrouwen onevenredig hard treffen: 320 euro pensioenverlies per maand voor de helft van de vrouwen door strengere voorwaarden (35 jaar effectief werken), afschaffing van voordelen zoals nachttoeslagen en pensioenminima, en extra sancties op deeltijdwerk. Minister Lalieux (PS) bevestigt dat 80% van de nieuwe gepensioneerden de minimumpensioen zou verliezen en waarschuwt voor verergering van vrouwenarmoede, vooral bij zorgberoepen (verpleegsters, leerkrachten) die nu al vaker deeltijds werken of loopbaanonderbrekingen nemen. Critici (Meunier, Hedebouw) hameren op de hypocrisie van onderhandelende partijen (Vooruit, CD&V, N-VA, MR, Les Engagés) die vrouwenrechten en sociale rechtvaardigheid ondermijnen, terwijl Samyn (N-VA) de schuld bij "socialistisch wanbeheer" legt en pleit voor regionalisering van pensioenen. De kern: het akkoord verergert bestaande ongelijkheid en dreigt vrouwen terug te werpen in financiële afhankelijkheid.

Marie Meunier:

Madame la ministre, être une femme aujourd'hui, malgré toutes les avancées obtenues ces dernières années, c'est encore gagner moins qu'un homme: 23 % de différence entre un homme et une femme pour un même job. C'est devoir travailler plus dur pour accéder à des postes dirigeants. Nous ne sommes que 17 % dans le top management en Belgique. C'est une heure et demie de travail en plus par jour pour s'occuper des enfants et du ménage. Et c'est presque une salariée sur deux qui est à temps partiel, rarement par choix, vous vous en doutez.

Les combats féministes et les combats pour l'égalité sont toujours nécessaires car, si les mesures qui fuitent dans la presse se concrétisent, ce sont bien les femmes qui vont trinquer avec l'Arizona. Je pense aux infirmières et aux soignantes. La suppression du sursalaire entre 20 h 00 et minuit pour le travail de nuit va leur coûter très cher. Je pense aussi aux institutrices qui, avec les mesures des Engagés et du MR, ne pourront plus être nommées et toucheront 50 % de moins sur leur pension. Je pense aux travailleuses des titres-services, qui ont un travail pénible, qui seront les premières victimes des sanctions de l'Arizona.

Puis, comme vous, madame la ministre, je suis effarée de lire qu'il faudrait demain trente-cinq ans de travail effectif pour avoir accès à la pension minimale. À nouveau, ce seront les femmes qui trinqueront car, oui, ce sont encore et toujours les femmes qui réduisent leur temps de travail et qui interrompent leur carrière pour s'occuper soit de leurs enfants, soit de leurs aînés. Et puis, il y a toutes celles qui sont épuisées et incapables de travailler jusqu'au bout car elles ont des métiers pénibles.

L'Arizona s'en prend même récemment à la représentation des femmes à des postes de direction dans les entreprises. Pensez-vous, madame la ministre, qu'on serait autant de représentantes féminines dans cet hémicycle si, à un moment donné, on n'avait pas imposé des quotas en politique? C'est ce qui arrive encore en 2024 quand cinq hommes négocient entre eux les questions des droits des femmes.

Madame la ministre, vous avez récemment fait part de vos craintes dans la presse. Où va-t-on? Quelles régressions nous attendent, nous les femmes?

Raoul Hedebouw:

Madame la ministre, je pense sincèrement que les pensionnés figurent parmi les oubliés dans notre pays. Par rapport aux pays voisins, quand nous comparons avec la France et l'Allemagne, nos pensions sont les plus basses.

De gepensioneerden zijn echt wel de dupe in ons land. Wij hebben de laagste pensioenen in de regio, in vergelijking met Frankrijk en Duitsland. Het is gewoon niet genoeg om te leven. Ik vind het erg dat mensen in België naar een rusthuis willen gaan, maar dat niet kunnen betalen met hun pensioen. Dat kan toch niet, normaliter moet het pensioen toch hoog genoeg zijn om naar een rusthuis te kunnen gaan?

Il faudrait disposer d'une pension suffisamment élevée en Belgique pour pouvoir aller dans une maison de repos, car le problème est que c'est impayable. Or qu'apprenons-nous aujourd'hui? Les partis qui négocient l'Arizona, c'est-à-dire Les Engagés, présents ici, le MR – mais nous en avions évidemment l'habitude –, Vooruit, le cd&v et la N-VA…

Vooruit, cd&v en N-VA willen nog een malus op de pensioenen indienen. Dat zijn dus weer sancties. Ze willen weer de pensioenen verminderen. Dat is gewoon crazy!

De vrouwen zullen daarvan het eerste slachtoffer zijn. Zij hebben immers misschien niet een volledige carrière gewerkt omdat ze deeltijds hebben gewerkt of voor de familie hebben gezorgd.

Ce sont une nouvelle fois les femmes qui vont être victimes de cette politique antisociale qui va être menée par le MR, Les Engagés et tutti quanti .

Madame la ministre, j'ai entendu dire que vos services ont calculé les conséquences de cette super note de De Wever pour laquelle tout le monde autour de la table a marqué son accord. Cette dernière est déjà signée mais ils attendent les élections pour pouvoir la faire passer.

Quels sont, madame la ministre, les chiffres qui ont été calculés par votre administration? Vous avez dit dans la presse que 52 % des femmes pourraient en être victimes, avec un malus de 320 euros par mois. Cette somme est quand même énorme! Pouvez-vous confirmer ces chiffres et éventuellement me dire ce que vous en pensez?

Ellen Samyn:

Het is weinig verbazend dat ook dit jaar het rapport van de Vergrijzingscommissie weinig geruststellend is, wat de impact van de vergrijzing op de overheidsfinanciën betreft. Zelfs na de zogenaamde pensioenhervorming van de vivaldiregering zijn de vooruitzichten van de Vergrijzingscommissie nog pessimistischer dan in 2023. Bij ongewijzigd beleid zullen tegen 2050 de kosten van de vergrijzing 30 % van het bbp uitmaken.

U zou zich een beetje kunnen verschuilen achter de lopende zaken, maar uw partij zit al decennialang aan de knoppen. De afgelopen 35 jaar leverden de socialisten maar liefst 12 ministers van Pensioenen. Dan weet u hoe laat het is. Jullie, socialisten, zijn verantwoordelijk voor het wanbeheer, de financiële puinhoop en het achterlaten van een oeverloos ingewikkeld pensioenstelsel, met verschillende statuten, pijlers, berekeningswijzen en gunstregimes.

Mevrouw de minister, u weet net als ik dat die pensioenhervorming van Vivaldi slechts een druppel op een hete plaat was. Er is niets gedaan om de betaalbaarheid van onze pensioenen te garanderen. Er is niet geluisterd naar de experten. De jaarlijkse rapporten van de Vergrijzingscommissie zijn ergens verdwenen in een lade waar ze stof vergaren.

U bleef zoals steeds positief, ook wat het relancegeld betrof. België kreeg recent een eerste schijf uitbetaald, maar een deel daarvan, 26 miljoen euro, wordt bevroren omdat de gevraagde pensioenhervorming tekortschiet.

De huidige Commissie geeft België zes maanden de tijd om de financiële houdbaarheid van het pensioenstelsel te verbeteren. Ik ben benieuwd naar uw plan van aanpak.

Voorzitter:

Madame la ministre, vous disposez de cinq minutes pour votre réponse.

Karine Lalieux:

Monsieur le président, chers collègues, je vous remercie pour l'ensemble de vos questions qui me permettront de partager vos inquiétudes.

Il est vrai que ces quatre dernières années, le gouvernement de la Vivaldi a voulu des réformes des pensions positives. Positives pour les travailleurs, pour améliorer la qualité de vie des aînés, pour soutenir l'emploi et surtout pour réduire le gap entre les pensions des femmes et celles des hommes. C'était un vrai combat contre les inégalités persistantes dont les femmes sont encore victimes aujourd'hui. Ces femmes ont des carrières plus irrégulières, parce qu'elles travaillent à temps partiel, parce qu'elles s'occupent des enfants et des personnes en situation de handicap. Ce n'est pas moi qui le dis, ce sont les statistiques de Statbel. Et c'est le cas partout en Europe.

J'ai pu lire avec effroi les nouvelles conditions qui seraient imposées par les partis de la Vivaldi: 35 années effectives de travail pour l'accès à la pension anticipée et à la pension minimum; suppression de la pension de survie; suppression des tantièmes préférentiels. Mon administration, sur la base de questions parlementaires, monsieur Hedebouw, a calculé et estimé les conséquences de ce type de décisions. Il en ressort que 80 % des nouvelles retraitées, du train de retraitées de cette année, auraient été exclues de la pension minimum s'il fallait 35 années de carrière effective, c'est-à-dire une perte de 500 euros par an. Une femme sur deux, comme vous l'avez dit, verrait sa pension réduite de 320 euros par mois si elle prenait sa pension anticipée; en effet, en plus des 35 années de carrière effective, un malus est introduit – il était voulu d'ailleurs, même quand j'ai voulu faire ma réforme des pensions. Donc même si on travaille 42 ou 43 ans, avec la pension anticipée et le malus, on a 320 euros par mois en moins.

Une institutrice, statutaire, perdrait un tiers de sa pension tout en devant travailler deux années supplémentaires. Attention, je ne parle pas ici de femmes oisives, mais de femmes qui ont travaillé, sans doute à temps partiel, des femmes qui ont fait des pauses-carrières, qui ont eu des métiers pénibles comme les aides-soignantes, les infirmières, nos institutrices, nos puéricultrices, qui perdront effectivement beaucoup de leur pension.

Les conséquences seront catastrophiques pour les femmes, amenant à une pauvreté de nos aînées, surtout si elles se retrouvent seules.

Mevrouw Samyn, eerst en vooral wil ik erop wijzen dat de Europese Commissie 627 miljoen euro aan België heeft betaald in het kader van het relanceplan. In dit stadium wordt 31 miljoen euro opgeschort omdat Europa van oordeel is dat de pensioenhervorming niet de verwachte resultaten oplevert, in tegenstelling tot de analyse die de regering hun heeft bezorgd op basis van de cijfers van het Federaal Planbureau.

Hoe het ook zij, dit bedrag is niet verloren en het is aan de volgende regering om de nodige maatregelen te nemen, maar ik hoop dat dat zal gebeuren zonder dat dat ten koste gaat van de werknemers. U weet dat de regering in lopende zaken geen nieuwe maatregelen kan nemen.

Marie Meunier:

Madame la ministre, nous sommes malheureusement bien d’accord. L’Arizona sera un gouvernement qui méprise les femmes, un gouvernement qui va faire table rase des avancées que vous aviez obtenues pour les femmes. Bref, ce sera un gouvernement qui n’entendra pas les femmes, alors que nous, nous savons ce que les femmes veulent.

Elles veulent un salaire égal. Elles veulent des pensions égales à celles des hommes. Elles veulent concilier leur vie privée et leur vie professionnelle. Elles veulent disposer librement de leur corps. Elles veulent que cessent toutes les violences à leur encontre. Comptez sur nous pour les défendre!

Voorzitter:

Madame, merci pour votre première intervention dans cet hémicycle. (Applaudissements)

Raoul Hedebouw:

Mevrouw de minister, ik dank u voor de cijfers. U zegt hier duidelijk dat het akkoord tussen Vooruit, cd&v en de N-VA voor 50 % van de vrouwen een verlies van 320 euro per maand aan pensioen zal betekenen. Ik kan dat niet begrijpen. Ik begrijp dat van de N-VA. Bij de N-VA moeten de gepensioneerden steeds betalen. Dat is logisch, want de N-VA rijdt voor de rijksten. Collega's van cd&v en Vooruit, daarmee kunt u toch niet akkoord gaan? Het gaat over 320 euro minder voor de vrouwen. Zij zijn de eerste slachtoffers van dergelijke maatregelen.

Het akkoord ligt op tafel, het is bijna ondertekend. Wij kunnen nog druk uitoefenen zodat het arizona-akkoord in de vuilnisbak gegooid wordt. Komende zondag is een belangrijk moment. Dan kunnen mensen zeggen dat ze dat arizona-akkoord niet willen. Het werd voor een paar weken in de frigo gestoken. Als er zondag een duidelijk linkse stem uit de bus komt, dan is dat een signaal dat een dergelijk negatief akkoord er niet mag komen.

Ellen Samyn:

Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, het is een beetje bizar dat u niet echt wakker ligt van dat relancegeld, aangezien België slechts zes maanden tijd heeft. De pensioenhervorming had een hoofdstuk kunnen zijn uit Kroniek van een aangekondigde dood . U kent onze mening, deze hervorming biedt geen enkele garantie aan de jeugd op een degelijk pensioen. En de ouderen, die heel hun leven keihard hebben gewerkt, krijgen een aalmoes van een pensioen en kunnen zelfs hun rusthuisfactuur niet betalen. Ik hoop dat de huidige Vlaamse onderhandelaars voor een federale regering hebben geluisterd naar wat de Vlamingen echt willen, namelijk een ander en beter beleid, dus een beleid zonder socialisten. Zij willen een degelijke pensioenhervorming. Zij willen dat er eindelijk werk wordt gemaakt van een fiscale en arbeidsmarkthervorming. Zij willen Vlaams geld in Vlaamse handen, met een eigen sociale zekerheid.

De uitspraken van het staatshoofd van Vaticaanstad
De uitspraken van de paus over de Belgische wetgeving inzake zwangerschapsafbreking
De uitspraken van de paus over vrijwillige zwangerschapsafbreking
Het bezoek en de uitspraken van de paus
Uitspraken paus, Vaticaanstad, abortuswetgeving België

Gesteld aan

Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen), Alexander De Croo (Eerste minister)

op 3 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Tijdens het bezoek van de paus aan België veroorzaakte hij opschudding door abortuswetten "moorddadig" en artsen "huurmoordenaars" te noemen, vrouwenrechten te denigreren (o.a. *"het is lelijk als een vrouw een man wil zijn"*) en zich onacceptabel te bemoeien met Belgische democratische wetgeving. Premier De Croo veroordeelde de uitspraken scherp, bevestigde de scheiding kerk-staat, riep de pauselijke nuntius op het matje en benadrukte respect voor vrouwenautonomie en medische beroepsethiek. Parlementsleden drongen aan op versterking van abortusrechten (o.a. verlenging termijn) en constitutionele verankering van staatsneutraliteit, terwijl ze de inmenging van conservatieve externe krachten in Belgische debatten afwezen. De maatschappelijke verontwaardiging (o.a. van universiteiten en slachtoffers van kerkelijk misbruik) onderstreepte de nood aan verdediging van seculiere waarden en gendergelijkheid.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, chers collègues, j'aurais moi aussi voulu pouvoir poser ma question à la ministre des Affaires étrangères. Même en affaires courantes, même en partance pour la Commission européenne, c'est en effet toujours elle qui est responsable de la diplomatie belge. En son absence, je vous adresserai mes questions, monsieur le premier ministre.

Le week-end dernier, la Belgique a accueilli le chef d'État du Vatican. Cette visite était très attendue par les victimes de violences sexuelles. Mais, visiblement, le pape avait un double agenda pour cette visite officielle. Cela n'a échappé à personne, cette visite a été ponctuée de propos problématiques sur les femmes et leurs droits.

Il a ainsi estimé que les lois qui permettent l'avortement sont des lois "criminelles" et que les médecins qui les pratiquent sont des " sicarii ", des tueurs à gages. Une provocation totalement déplacée, le jour de la Journée internationale pour le droit à l'avortement. Par ailleurs, à travers ces propos, il décide de s'immiscer dans un débat national qui fait l'objet de discussions intenses au Parlement fédéral. C'est totalement inacceptable!

Il a aussi promu une vision plus que dépassée de la femme, estimant que "la femme est accueil fécond, soin et dévouement vital". Je ne comprends pas très bien ce que cela veut dire, mais, dans l'idée, cela me semble extrêmement problématique. Il a aussi ajouté que "c'est moche quand la femme veut faire l'homme". Je vais m'en tenir là sur les propos du pape, qui m'ont choquée et ont choqué de nombreux Belges, bien au-delà des convictions philosophiques et religieuses.

Le recteur de la VUB estime que ces propos relèvent de l'incitation à la haine et qu'il s'agit donc d'un grave incident diplomatique.

Monsieur le premier ministre, que pensez-vous des propos tenus par le chef d'État du Vatican? Ne trouvez-vous pas que cette séquence implique une ingérence inacceptable dans les lois de notre pays? La ministre des Affaires étrangères va-t-elle convoquer le nonce apostolique?

Katja Gabriëls:

Mijnheer de eerste minister, vorige week was de paus inderdaad, na 29 jaar, nog eens terug in ons land. Er werd door velen naar dat bezoek uitgekeken. De paus ging namelijk 15 slachtoffers van seksueel misbruik ontmoeten. Er was echt wel nood aan een signaal, want het seksueel misbruik binnen de kerk en de totaal ontoereikende reactie vanuit Rome hebben in ons land voor veel leed gezorgd. Dat leed is er vandaag nog steeds.

Mijnheer de eerste minister, u gaf een opgemerkte speech. U hebt het voor de slachtoffers opgenomen en hebt hun een stem gegeven. Wij vroegen een signaal en wij hebben er ook een gekregen – helaas, zou ik zeggen. In een eerste aanval op de abortuswet prees de paus koning Boudewijn voor zijn moed bij het verzet tegen "een moorddadige wet". Dat blijkt zelfs voldoende te zijn voor een zaligverklaring. Daarmee was de kous echter nog niet af. Op de terugvlucht naar Rome was het opnieuw raak: "Abortus is moord en artsen die de ingreep uitvoeren, zijn huurmoordenaars", zei de paus.

Collega's, dat is geen mening, dat is gewoon waanzin. Artsen zijn geen misdadigers, de vele geestelijken die mensen seksueel hebben misbruikt zijn dat wel. Woorden doen er echt wel toe. De paus mag vinden wat hij wil – meningen zijn vrij in dit land – maar hij heeft zich niet te moeien met democratisch gestemde wetten. Daar stopt het en daar zat ook niemand op te wachten, trouwens.

Als staatshoofd moet men respect hebben voor een democratie, maar voor mij vooral respect voor mannen en vrouwen die hun job uitoefenen, respect voor vrouwen die in dit land zelf keuzes kunnen maken.

Mijnheer de eerste minister, zult u nog actie ondernemen om dit staatshoofd ter verantwoording te roepen?

Charlotte Deborsu:

Mijnheer de eerste minister, chers collègues, la visite pontificale est désormais terminée. Elle aura bien fait du bruit, on l’a entendu.

En tant que jeune députée, je peux le dire, j’ai été profondément choquée par les propos du pape, en particulier: "La femme reste une femme. C’est moche, une femme qui fait l’homme."

J’imagine que je dois avoir bien l’air moche aux yeux du pape en ce moment même, vu que, à l’époque, devant cette tribune, seuls les hommes pouvaient défiler. Je n’aurais certainement pas droit à l’avortement si le pape était notre premier ministre. Heureusement, ce n’est pas le cas.

Jamais je n’aimerais que la religion ne s’immisce dans la gestion de l’État.

Monsieur le premier ministre, j’aimerais dès lors être rassurée. Pouvez-vous me confirmer que, pour le gouvernement, la séparation entre les Églises et l’État reste fondamentale, pour quelque religion que ce soit?

Caroline Désir:

Monsieur le président, monsieur le premier ministre, chers collègues, "une loi meurtrière", "des tueurs à gages": voilà les propos tenus par un chef d’État au sujet de notre loi sur l’avortement et des médecins qui le pratiquent.

Un chef d’État en visite officielle dans notre pays, mais un chef d’État visiblement venu avec une double casquette, voire une double calotte. On peut légitimement se demander, monsieur le premier ministre, à qui la Belgique a déroulé le tapis rouge: à un chef d’État ou plutôt à un chef religieux?

Pour moi, en tout cas, la réponse est claire: vous avez accueilli un chef religieux qui a instrumentalisé sa visite pour déverser ses positions les plus rétrogrades et patriarcales au sujet des femmes.

Les propos qui ont été tenus sont une insulte aux femmes et à leurs libertés. Ils sont une injure aux médecins et à leur déontologie. Comme femmes, nous refusons d’être réduites aux fonctions "d’accueil fécond, soin et dévouement vital". Ces propos sont abjects et ils sont véritablement du pain bénit pour les thèses des partis d’extrême droite et des partis les plus conservateurs.

Pour moi, ces provocations sont délibérément politiques et destinées à peser sur l’opinion du monde entier, au moment où on sait que l’IVG est menacée partout, même chez nous, et quand on sait que l’émancipation des femmes reste un enjeu partout, même chez nous. Cette visite aura été une véritable croisade contre les femmes.

Monsieur le premier ministre, aucun chef d'État n'aurait pu s'immiscer ainsi dans notre vie démocratique, dans nos valeurs fondamentales sans susciter les plus vives réactions politiques. Avez-vous dès lors demandé à votre ministre des Affaires étrangères de convoquer le nonce apostolique pour dénoncer les propos du chef de l'Église?

Alexander De Croo:

La visite du pape François avait été préparée par les services des Affaires étrangères, par le Palais, par les universités de Louvain et par la nonciature. Le programme officiel avait été établi quelques semaines à l'avance, mais aucune visite de la crypte de Laeken n'était prévue.

Selon mes informations, c'est le pape qui, lui-même, a insisté pour avoir cette visite de dernière minute afin de pouvoir se recueillir sur la tombe du roi Baudouin. J'ai été informé après coup du fait que cette visite avait eu lieu. On m'a expliqué que cette visite était purement privée. Je prends acte du fait qu'après cette visite, il y a eu des communications officielles du côté du Vatican. Il s'agissait donc clairement d'une visite un peu moins privée que prévu.

De paus heeft inderdaad een aantal verklaringen gedaan die niet aanvaardbaar zijn. Hij zei dat artsen die abortus uitvoeren huurmoordenaars zijn. Hij zei letterlijk dat de wet uit 1990 een moorddadige wet is. Dat een buitenlands staatshoofd zulke verklaringen doet over democratische besluitvorming in ons land, is volstrekt onaanvaardbaar. Wij hebben geen lessen te krijgen over hoe onze parlementsleden op democratische wijze over wetten stemmen. De tijd dat de kerk in ons land de wet dicteerde, ligt gelukkig lang achter ons.

Ik vraag respect. Respect voor artsen die hun job uitoefenen, in eer en geweten, binnen een wettelijk kader. Over dat wettelijk kader wordt trouwens gedebatteerd in de Kamer, om te bekijken of dat kan worden uitgebreid. Ik ga er dan ook van uit dat die debatten ook zullen kunnen plaatsvinden zonder inmenging van de kerk. Ik vraag ook respect voor vrouwen, die vrij moeten kunnen beslissen over hun eigen lichaam. Dat moet ook gebeuren zonder inmenging van de kerk.

Ik heb de pauselijke nuntius dan ook uitgenodigd voor een gesprek. Het is trouwens niet de eerste keer dat ik dat doe. Ik heb dat vorige legislatuur twee keer gedaan met betrekking tot de zaak-Vangheluwe. Ook nu zal mijn boodschap aan de pauselijke nuntius bijzonder duidelijk zijn. Hetgeen daar gebeurd is, is onaanvaardbaar.

Als er ergens verontwaardiging over moet zijn, dan is het over degenen die feiten van seksuele intimidatie hebben laten plaatsvinden, degenen die niet opgetreden hebben op het moment dat men had moeten optreden. Daaromtrent moet er verontwaardiging zijn en niet ten opzichte van degenen die hun job uitvoeren in eer en geweten en binnen de wetten waarover democratisch werd beslist.

Sarah Schlitz:

Merci monsieur le premier ministre pour vos propos très clairs.

J'aimerais m'adresser maintenant à messieurs les présidents qui négocient en ce moment un accord de majorité pour les cinq prochaines années. Messieurs Bouchez, Mahdi et Prévot, alors même que des chefs d' É tats étrangers se permettent d'intervenir dans nos débats sur le corps des femmes et qu'une étude a montré cette semaine encore à quel point des mouvements étrangers conservateurs s'immiscent de plus en plus dans notre débat démocratique, ne voyez-vous pas l'urgence d'avancer pour légiférer afin de bétonner et étendre notre droit à l'IVG? Plus globalement, je compte aussi sur votre maturité pour poursuivre le travail que nous avons engagé avec la Vivaldi pour garantir à chacune et à chacun les mêmes chances et opportunités.

Katja Gabriëls:

Mijnheer de premier, dank u voor uw duidelijke woorden. Het is inderdaad echt nodig dat ons land officieel reageert. De paus heeft de focus tijdens zijn bezoek wel handig verlegd.

Het moet duidelijk zijn. Wij aanvaarden hier niet dat artsen als huurmoordenaars worden weggezet, artsen die elke dag zorg dragen en hulp bieden aan vrouwen in hun meest kwetsbare positie. Wij aanvaarden niet dat parlementsleden als criminelen worden weggezet omdat ze 34 jaar geleden al in een democratisch verkozen parlement een volledig legitieme wet hebben goedgekeurd, een wet die ervoor zorgt dat in ons land dagelijks talrijke vrouwen in zeer moeilijke situaties kunnen worden geholpen.

Ik wil hier vandaag de moed van iemand anders prijzen, voor haar inzet en volharding, jaren geleden. Mevrouw Herman-Michielsens, dank u wel, oprecht dank u wel, in de naam van heel veel vrouwen in dit land.

Charlotte Deborsu:

Je vous remercie pour vos éclaircissements, monsieur le premier ministre. Vu la polémique que cela soulève, notre groupe estime urgente l'inscription de la neutralité de l'État dans la Constitution. Nous tenons également à rappeler toute l'importance de la défense des droits des femmes. C'est pour cette raison que nous réaffirmons notre volonté de remettre sur la table des négociations le prolongement du délai pour l'avortement.

Voorzitter:

C’était la première prise de parole de Mme Deborsu dans cet hémicycle. (Applaudissements)

Caroline Désir:

Merci, monsieur le premier ministre, d'avoir condamné, dans cet hémicycle, de manière extrêmement claire, les propos qui ont été tenus par le pape le week-end dernier. Je veux en profiter pour saluer les réactions vives émanant de la société civile. Le monde académique, l'Université catholique de Louvain en tête, s'est indigné. La presse s'est également indignée. Les droits des femmes ne sont pas affaire de religion. C'est ici, au cœur de la démocratie, que les droits des femmes doivent être protégés et défendus contre des attaques toujours plus virulentes, qu'elles viennent d'hommes religieux ou d'hommes politiques, comme nous l'avons encore vécu en commission la semaine passée, sur injonction de cinq présidents de partis masculins.

Het recht om vergeten te worden bij bepaalde chronische ziekten

Gesteld aan

Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Wet van 30 oktober 2022 verankert het "recht op vergetelheid" voor chronische ziekten, waarbij verzekeraars geen opslagen meer mogen aanrekenen voor aandoeningen in een referentiegroep (sinds 2020), maar wel een geplafonde premie mogen hanteren. Het KCE evalueert deze lijst om de twee jaar en onderzoekt momenteel diabetes type 1, gevolgd door schildklierkanker, melanoom type I en hiv, maar aanpassingen hangen af van medisch-technische rechtvaardiging en het advies van het Tariferingsbureau. Concrete uitbreidingen staan nog niet vast, maar volgen na goedkeuring door de bevoegde ministers.

Ismaël Nuino:

Monsieur le président, monsieur le ministre, la loi du 30 octobre 2022 modifiant la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances en vue d'étendre le droit à l'oubli consacre en son article 7 certains principes sur les maladies chroniques. Elle prévoit que le législateur peut interdire ou permettre les surprimes selon certaines conditions et en prévoir les niveaux.

Elle prévoit aussi que le Roi peut déterminer, sur proposition du Centre Fédéral d'Expertise des Soins de Santé (KCE) et après avis du Bureau du suivi de la tarification, les délais et modalités de ce droit à l'oubli. Cette loi prévoit également que le KCE puisse évaluer la grille de référence tous les deux ans.

Monsieur le ministre, pourriez-vous m'éclairer quant à la mise en œuvre concrète de ce droit à l'oubli pour certaines maladies chroniques?

Quel est le programme de travail du KCE à ce sujet? Quelles sont les maladies chroniques qui sont étudiées actuellement et celles qui le seront prochainement?

Quand peut-on attendre les premières mises en œuvre concrètes de ce droit à l'oubli pour certaines maladies chroniques? Je vous remercie.

Pierre-Yves Dermagne:

Monsieur le président, monsieur le député, merci pour votre question.

Effectivement, la possibilité de définir certaines maladies chroniques dans une grille de référence a d’ores et déjà été mise en œuvre. Pour les maladies chroniques reprises dans la grille de référence, les assureurs ne peuvent plus imputer de surprime depuis le 1 er avril 2020, ni prévoir une exclusion ou refuser le contrat en vertu des conditions qui y sont mentionnées. Seule une prime plafonnée peut être imposée en raison de cette affection.

Cette grille de référence est en effet évaluée tous les deux ans par le KCE en fonction du progrès médical et des données scientifiques et statistiques disponibles.

En ce qui concerne une éventuelle adaptation de la grille de référence par rapport à un certain nombre de types de maladies chroniques, le KCE a publié sur son site internet une étude sur une éventuelle reprise du diabète de type I. J'attends actuellement toujours l’avis du Bureau de suivi de la tarification.

Après que mon collègue, le ministre chargé des Affaires sociales, et moi-même aurons reçu la proposition du centre d’expertise accompagnée de l’avis du bureau de tarification, le contenu de la grille de référence pourra éventuellement être modifié, pour autant que cette modification soit jugée comme objectivement et raisonnablement justifiée au regard de la technique médicale et assurantielle.

Il est ensuite prévu que le KCE se penche, après l’étude sur le diabète de type 1, sur les trois pathologies suivantes: cancer de la thyroïde, mélanome de type I et VIH.

Ismaël Nuino:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses, qui répondent en l’occurrence à mes questions. Je resterai attentif à la suite des travaux du KCE.

Medische bijstand

Gesteld door

Unknown Eric Thiébaut

Gesteld aan

Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Verlinden bevestigt dat de Kamer in januari een resolutie aannam om medische bijstand in politiecelcomplexen (bij administratieve en gerechtelijke vrijheidsberoving) te versterken, met name via een uitvoeringsbesluit voor artikelen 33quinquies en 33septies van de politiewet. Zij heeft de federale politiecommissaris opdracht gegeven dit samen met betrokken partners uit te werken, maar concrete stappen of timing ontbreken nog. Verlinden belooft later updates te geven. Thiébaut aanvaardt dit zonder verdere vragen.

Éric Thiébaut:

Madame la ministre, en janvier dernier, la Chambre a adopté une résolution – qui était portée par mon groupe – visant à garantir et à améliorer l’application du droit à l’assistance médicale dans le cadre des privations de liberté administratives et judiciaires dans les lieux de détention de la police. Madame la ministre, pourriez-vous me faire l’état des lieux des initiatives déjà prises ou qui le seront prochainement en suivi de cette résolution?

Annelies Verlinden:

Monsieur Thiébaut, le 11 janvier dernier, la Chambre prenait une résolution visant à garantir et à améliorer l’application du droit à l’assistance médicale dans le cadre des privations de liberté administratives et judiciaires dans les lieux de détention de la police. Ce texte demandait notamment au gouvernement fédér a l d'adopter, concernant les arrestations administratives, l'arrêté royal de mise en œuvre des articles 33 quinquies, alinéa 1 er , et 33 septies de la loi sur la fonction de police afin de rendre effectif le droit à l’assistance médicale dans un cadre clair.

Je puis vous confirmer que j’ai chargé le commissaire général de la police fédérale de se pencher sur cette problématique, et ce, en concertation avec l’ensemble des partenaires concernés. Dès lors, je ne manquerai pas de vous tenir informé de l’état d’avancement de ces travaux en temps utile.

Éric Thiébaut:

Je vous remercie, madame la ministre.

De strijd tegen de drugshandel in de havengebieden

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 2 oktober 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

België voert stapsgewijs verplichte veiligheidscontroles in voor 16.000 portuair medewerkers in kritieke functies (volgens de aangepaste *Maritieme Veiligheidswet*), met volledige afronding tegen 2027: vanaf november 2024 vrijwillig, vanaf januari 2025 verplicht voor nieuwe werknemers, gevolgd door bestaand personeel. Controles beperken zich tot databankchecks (geen sociale media, tenzij bij diepgaande *veiligheidsonderzoeken* voor toegang tot geheim materiaal), met recht op beroep bij weigering en kost voor werkgevers; negatieve adviezen blokkeren toegang tot kritieke posten. Drie extra federale politieagenten ondersteunen het proces, gecoördineerd door het SPF Mobiliteit, met gestandaardiseerde meldingsprocedures (via veiligheidsverantwoordelijken) en garanties voor privacyrechten, analoog aan luchthaven- en nucleaire sectoren.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je fais référence à une de vos dernières interviews et au fait que vous y marquiez, une fois de plus, votre volonté de renforcer les contrôles sur le personnel des zones portuaires, de manière à rendre les zones portuaires hermétiques au trafic de stupéfiants. Pour avoir été très récemment au port d'Anvers, on y a très bien expliqué la manière dont les choses se passaient. Il faut pouvoir tenir compte de la grandeur de ce port pour pouvoir comprendre les facilités que certains ont sur ce lieu, mais ce n'est pas pour cela qu'il ne faut pas tenter d'y remédier. Il y a eu un phase de test. Nous sommes passés à une phase à plus grande échelle. Tout devrait être terminé pour 2027. Ce n'est pas que le port d'Anvers; l'ensemble des ports sera visité.

Monsieur le ministre, quel est votre agenda jusque 2027 et quelles sont les étapes qui permettent de définir le calendrier des interventions? Des renforts supplémentaires au sein de la police judiciaire fédérale sont-ils prévus? Si oui, quels sont ces renforts, quelle est leur importance et quel est le délai prévu pour leur intégration? Est-il exact que le screening effectué sur le personnel – on évoque 16 000 personnes – ne portera pas sur les médias sociaux? A priori, je pense que ces réseaux peuvent être une source d'information importante. On sait qu'il y a là des sources de communication et parfois un laisser-aller qui permet de mieux calibrer la personnalité et la dangerosité des personnes. Quelle est l'étendue de ce contrôle de screening et le type d'information recherchée? Comment garantit-on le respect des droits des personnes concernées? Enfin, en dehors du coût budgétaire, quelle est la procédure de signalement? Quand on a une information, qu'en fait-on? Va-t-elle à l'employeur ou vers les autorités judiciaires? Quel est le circuit que parcourra l'information?

Paul Van Tigchelt:

Je vous remercie pour vos questions pertinentes. Nous avons voté la loi sur la sûreté maritime en commission de la Mobilité en 2021 et on l'a adaptée juste avant la dissolution du Parlement. Cette loi prévoit qu'un avis de sécurité positif est requis pour l'exercice de fonctions critiques dans le secteur maritime. Cette liste de fonctions critiques a été définie au sein de l'autorité nationale pour la sécurité maritime et publiée au Moniteur belge en août dernier. Elle concerne actuellement un grand nombre de personnes qui ne peuvent pas toutes être contrôlées en même temps.

Nous procédons donc étape par étape, et c'est au sein de l'autorité nationale que des mesures transitoires sont définies pour les différents secteurs. Pour que le screening puisse débuter, il est indispensable qu'un agent de sécurité ou un responsable de la vérification de sécurité ait été désigné au sein de l'entreprise et que la personne concernée ait marqué son accord.

En règle générale, le screening volontaire peut être demandé à partir du 1 er novembre 2024. À partir du 1 er janvier 2025, nous commencerons par les candidats nouvellement sélectionnés et mettrons en place un système progressif pour les employés existants. Chaque phase sera bien entendu suivie d'une évaluation. Notre objectif est d'avoir contrôlé tout le monde d'ici 2027. Au total, ce sont 16 000 personnes qui seront contrôlées.

En réponse à votre deuxième question, les vérifications sont effectuées par la police fédérale, qui a engagé trois personnes supplémentaires à cette fin. Des renforts ont été prévus au sein de l'administration sectorielle compétente, à savoir le directorat général Navigation du SPF Mobilité.

Pour ce qui concerne votre troisième question, il convient de faire la distinction entre la vérification de sécurité et l'enquête de sécurité, qui sont deux choses différentes. Dans le cas de la vérification, la réglementation prévoit la consultation d'un certain nombre de bases de données bien définies. C'est cette vérification qui est prévue pour le personnel occupant des postes critiques. L'enquête de sécurité est une enquête beaucoup plus approfondie, qui dure nettement plus longtemps et au cours de laquelle toutes les informations peuvent être consultées, en ce compris les réseaux sociaux. Le résultat de cette enquête est une habilitation de sécurité qui donne également accès à des informations classifiées.

J'en viens à votre quatrième question. Concrètement, une vérification de sécurité est une enquête menée par la police et les services de renseignement en vue de déterminer s'ils disposent d'informations susceptibles d'empêcher une personne d'être employée à des postes critiques déterminés. Les vérifications ne sont toutefois pas une nouveauté puisqu'elles sont prescrites depuis des années pour le personnel travaillant dans les aéroports et les centres nucléaires ainsi que pour les agents de sécurité. La procédure et les garanties qui s'appliquent à ces secteurs sont également d'application ici, avec une possibilité d'appel lorsque l'avis est négatif.

Pour votre cinquième question, le coût d'une vérification de sécurité est à la charge de l'employeur. En cas d'avis négatif, le responsable des vérifications et la personne concernée en sont toutes deux informées. Dès lors, l'employeur ne pourrait pas faire travailler cette personne à un poste critique.

J'espère ainsi avoir répondu à vos questions.

Jean-Luc Crucke:

Monsieur le ministre, je vous remercie d'avoir qualifié ma question de pertinente, mais votre réponse l'est tout autant. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.29 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 29.

De door de Nationale Loterij veroorzaakte gokproblematiek

Gesteld aan

Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Jean-Marie Dedecker kritiseert minister Van Peteghem voor het monopolie en kindgerichte reclame van de Nationale Loterij, die ondanks de nieuwe kansspelwetgeving buiten regulering valt en gokverslaving bij minderjarigen stimuleert (12-jarigen kopen krasloten, 1/3 speelt al). De minister belooft beperkende maatregelen (stop nieuwe Woohoo-spelen, afstoten sportweddenschappen, verlieslimieten) en strengere controles, maar Dedecker noemt dit dode beloftes: de Loterij blijft voorkeursbehandeling genieten, terwijl 1.083 illegale online gokkers actief zijn en kindreclame ongestraft doorgaat. Kern: gelijke regulering en reclameverbod eist Dedecker, minister wijst op geleidelijke stappen zonder concrete actie op reclame.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, een half jaar geleden stond ik hier in het kader van de wijziging van de kansspelwetgeving. De aanleiding daartoe was dat Jannie Haek, de toxische leider van de Nationale Loterij, 30 miljoen euro extra in de bodemloze put van de vorige vivaldiregering had gestort. De regering begon natuurlijk te dansen op de tonen van de Nationale Loterij.

De Nationale Loterij kreeg allereerst het monopolie voor het maken van reclame. Ze deden dat zeer goed, ze richtten zich zelfs tot de kinderen. Mijnheer Van Hecke, u herinnert zich dat ik toen heb gezwaaid met de reclame waarmee de Loterij kinderen intoxiceert om te gokken. Ik heb daarvoor gewaarschuwd. Vorige week trok het VAD, het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs, aan de alarmbel. Zelfs kinderen van 12 jaar beginnen namelijk al krasloten te kopen. Een derde van alle minderjarigen heeft al gespeeld met dat verslavende product.

Wanneer stopt dat monopolie van de Nationale Loterij en mag ze niet langer reclame maken, net zoals de rest?

Ten tweede heb ik er eveneens op gewezen dat de Nationale Loterij onder de kansspelwetgeving moest vallen. Wat hebben u en alle andere ministers gedaan? Ervoor gezorgd dat de Nationale Loterij niet onder de kansspelwetgeving valt, hoewel ze allerhande kansspelen online organiseert. Op 17 september heeft de Brusselse raadkamer de toxische leider en de Nationale Loterij doorverwezen naar de correctionele rechtbank voor het organiseren van gokspelen.

Mijnheer de minister, u bent bevoegd voor de Nationale Loterij. Wat gaat u hiermee doen?

Vincent Van Peteghem:

Mijnheer Dedecker, ik stel uw aandacht voor de Nationale Loterij en voor de gokproblematiek bijzonder op prijs. Het is dan ook belangrijk om het evenwicht tussen de kanaliserende opdracht van de Nationale Loterij en het beperken van het risico van gokverslaving in het oog te blijven houden. Daarom zijn we dan ook continu in overleg met de Nationale Loterij om dat evenwicht te beschermen en te versterken.

Wat de Woohoospelen betreft, heb ik al eerder laten weten mij heel wat vragen te stellen bij de look-and-feel ervan en bij de manier waarop die spelen in de markt werden en worden gezet. Het resultaat van dat overleg leidde tot een aantal beperkende maatregelen, onder andere een stop op nieuwe spelvarianten, de halvering van het maximale aantal speelbeurten, de detectie van problematisch spelgedrag en ook een beperking van het maximale verliesbedrag.

Voor Scooore heb ik een traject laten opstarten om alle sportweddenschappen van de Nationale Loterij af te stoten. Sportweddenschappen zijn gokspelen, geen loterijspelen en die horen dus niet thuis bij de Nationale Loterij.

Tot slot blijven we ook hameren en focussen op een strenge en regelmatige controle van de verkoop van loterijproducten, zowel fysiek als online.

Mijnheer Dedecker, u vindt in mij dus een bondgenoot in de strijd tegen de gokverslaving. We hebben daarvoor al stappen gezet. Ik ben er ook van overtuigd dat een volgende regering nog verdere stappen kan zetten, zowel bij de Nationale Loterij als bij de private goksector.

Jean-Marie Dedecker:

Mijnheer de minister, u spreekt een beetje zoals de paus: "Het zal veranderen." We hebben net de kansspelwetgeving veranderd. We hebben erover gefulmineerd. We hebben gevraagd om de Nationale Loterij te behandelen zoals alle anderen, maar ze kreeg een voorkeursbehandeling. Nu zegt u echter dat u het gaat veranderen en dat er iets zal gedaan worden aan de Woohoo games. Het zijn er 64. Sedert de invoering van de wet zijn er al 1.083 nieuwe zwarte onlinegokkers. Wat doet u echter? U belooft om verder te doen. Ik heb hier de dagvaarding bij van de toxische leider van de Nationale Loterij, de heer Jannie Haek. Hij werd gedagvaard omdat hij tot vandaag onlinegokspelen organiseert. Wat zegt u dan? U zegt dat u er iets aan gaat doen. U gaat het beperken. Ik heb u echter niets horen zeggen over de beperking van de reclame. Ik heb ze hier bij, de reclame bestemd voor kinderen, gemaakt door onze Nationale Loterij, waarvoor u verantwoordelijk bent. Stop dit en behandel ze zoals de rest!

De drugstrafiek via de haven van Antwerpen

Gesteld door

lijst: PTB Raoul Hedebouw

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Raoul Hedebouw kaart de escalerende drugscrisis in België aan, met name de massale drugshandel via de haven van Antwerpen (slechts 1 op 42 containers gecontroleerd) en tekort aan middelen bij douane en federale politie door bezuinigingen van 200 miljoen, wat de bestrijding ondermijnt. Minister Van Tigchelt verdedigt de genomen maatregelen (versterking parket, scheepvaartpolitie en FGP, stijging inbeslagnames) en benadrukt de hardere aanpak van geweld, corruptie en witwaspraktijken, maar erkent dat de strijd nog lang niet gewonnen is. Hedebouw ontkent vooruitgang, wijst op trage aanwervingen (650 douaniers beloofd) en onvoldoende capaciteit bij de gerechtelijke politie, en eist structurele versterking van deze diensten. De kern van het conflict ligt in de effectiviteit van de bestrijding: de minister ziet deels resultaat, Hedebouw ziet falend beleid en verergerende straatcrisis.

Raoul Hedebouw:

Monsieur le ministre de la Justice, je vous interpelle aujourd'hui sur une question importante, un fléau majeur en Belgique: l'explosion de la toxicomanie et du trafic de drogues. Le problème apparaît dans de très nombreuses villes et communes. La situation devient vraiment incontrôlable. Je pense aux villes de Bruxelles, Charleroi et Liège où je vous invite à aller voir le centre-ville – notamment la place Saint-Lambert – dans lequel la toxicomanie a pris des proportions que nous ne pouvons plus accepter.

Het is ook een probleem in Kortrijk en natuurlijk ook in Antwerpen en Gent. Mijnheer de minister, wat doen wij daaraan?

C'est la question que tout le monde se pose. Il est temps de prendre des mesures. Comme vous le savez, monsieur le ministre, le grand problème, c'est l'entrée de la drogue, de la cocaïne, de l'héroïne par le port d'Anvers. C'est une des raisons pour lesquelles la problématique a pris une telle ampleur dans notre pays.

Het komt binnen via de haven van Antwerpen.

Et combien de conteneurs entrant par le port d'Anvers sont-ils contrôlés par nos services de douane? Je vais vous le dire: 1 sur 42!

Eén container op 42 wordt gecontroleerd.

C'est quoi cette affaire? C'est une passoire! C'est là qu'il faut mettre des moyens. Seule la police judiciaire fédérale peut mener les enquêtes mais elle nous dit qu'elle manque de moyens et que ses programmes informatiques sont obsolètes. Qu'ont décidé les gouvernements de droite, la N-VA, le MR de Georges-Louis Bouchez?

Mijnheer de minister, Open Vld zat er toen ook nog bij. U hebt besloten 200 miljoen weg te halen bij de federale politie.

Deux cents millions d'économies sur le service public! Comment pouvez-vous laisser passer cela? Dès lors, monsieur le ministre, comptez-vous prendre des mesures au niveau du port d'Anvers pour renforcer les services de douane et évidemment ceux de la police judiciaire fédérale?

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer Hedebouw, ik weet niet of ik het allemaal correct heb gehoord, maar ik meen te mogen stellen, met veel overtuiging zelfs, dat er in de voorbije legislatuur met betrekking tot de problematiek in de Antwerpse haven serieuze maatregelen zijn genomen. Het parket is versterkt, de FGP is versterkt en de scheepvaartpolitie is versterkt. Zij waren twee jaar geleden met 90, ook voor de bewaking van de buitengrenzen. Ze zijn nu met 207. Ze moeten naar 312. Die maatregelen zijn genomen.

Goed beseffend dat we drugs nooit volledig uit onze maatschappij zullen kunnen bannen, is het is evident onze verantwoordelijkheid om de uitwassen te bestrijden. Dat hebben we gedaan en dat doen we met veel overtuiging. Ik spreek over geweld in Antwerpen. Ik spreek over afrekeningen in Brussel. Ik spreek over intimidatie van ons havenpersoneel, maar ook van magistraten, politieambtenaren, politici en journalisten. Vraag maar in Nederland, daar zijn er gedood. Ik heb het ook over corruptie. Ik heb het over infiltratie in onze legale economie, over de vergiftiging van de legale economie. Spookbedrijven die in het straatbeeld opduiken, blijken witwasmachines te zijn. We voeren daartegen een vastberaden en verbeten strijd.

Ik zal u het overzicht bezorgen van alle maatregelen, die ook effect ressorteren. Waarom is er zo'n overbevolking in de gevangenis? Er zijn 12.300 gedetineerden, waarvan er bijna 5.000 vastzitten voor drugsmisdrijven. Die komen daar niet vanzelf. We proberen de verantwoordelijken van hoog tot laag te straffen. We nemen maatregelen om de Antwerpse haven zo goed mogelijk dicht te metselen voor de drugscriminelen. We zullen zien wat het oplevert op termijn. Ik stel vast dat de hoeveelheid cocaïne die in beslag is genomen in de eerste helft van dit jaar gedaald is. U zult van mij geen euforische conclusies daarover horen, er is inderdaad nog veel werk aan de winkel.

Raoul Hedebouw:

Mijnheer de minister, u bent blijkbaar heel blij met uw prestaties. U vindt dat er al veel gebeurd is. Ik vind dat niet. U hebt niet geantwoord op mijn vraag over de federale gerechtelijke politie. U weet dat de versterking daarvan voor de enquêtes heel belangrijk is. U zou ook 650 douaniers aanwerven, maar dat komt allemaal heel traag op gang. Dat is het probleem, mijnheer de minister. Daarvoor zijn middelen nodig. Die middelen moeten natuurlijk geconcentreerd zijn, maar de besparingspolitiek die u in de jongste jaren toegepast hebt in dit dossier was gewoon fout. Je ne partage donc pas votre satisfecit quand vous dites qu'on a déjà bien travaillé et que des mesures ont été prises. Non, monsieur le ministre, vous savez que, sur le terrain, dans les grandes villes, le problème est bien plus grave! C'est quand même fou! Je croyais que vous auriez commencé en disant que vous étiez d'accord sur le fait que la situation s'aggrave et qu'on n'agit pas suffisamment. Au contraire, vous me dites qu'il y a eu des avancées. C'est quand même fou, monsieur le ministre! Nous nous battrons donc pour le renforcement de ce service public parce que tant les douanes que la police judiciaire fédérale doivent être renforcées.

De onveiligheid in en rond het station Brussel-Zuid
De drugsproblematiek in de steden
De veiligheid in het station Brussel-Zuid
Veiligheidsproblemen in Brussel-Zuid en stedelijke drugsproblematiek

Gesteld aan

Georges Gilkinet, Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)

op 26 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De politiepost in Brussel-Zuid, beloofd na geweldsincidenten en drugsoverlast, is na een jaar nog steeds niet gerealiseerd, ondanks 22 aangekondigde maatregelen, wat kritiek uitlokt op trage uitvoering en gebrek aan concrete planning. Minister Verlinden benadrukt een multidisciplinaire aanpak (repressie, preventie, nazorg) met 500 miljoen extra investeringen in veiligheid, versterkte politiecapaciteit en internationale samenwerking, maar erkent dat lokale besturen en regionale overheden hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor structurele oplossingen (huisvesting, gezondheidszorg, armoedebestrijding). Drugsoverlast en geweld in stationsomgevingen (o.a. openlijke drugshandel, messenincidenten) blijven acute problemen, ondanks cijfermatige successen (recordinbeslagnames cocaïne, 2.130 gevangenisjaren voor drugscriminaliteit in 2023), terwijl lokale besturen om meer bevoegdheden en financiering vragen voor ketenaanpak en bestuurlijke handhaving. Vertraging en coördinatietekorten tussen federale, regionale en lokale overheden ondermijnen het vertrouwen in de beloften, met name bij NMBS-personeel en reizigers die dagelijks met onveiligheid geconfronteerd worden.

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, ik neem u mee naar een dik jaar geleden in de tijd. Toen strandde een Antwerps gezin 's avonds laat met de trein in het station Brussel-Zuid. Bij het verlaten van het station werd het gezin geconfronteerd met zeer harde feiten van geweld, waarbij de messen in het rond vlogen.

Daarover ontstond toen heel veel ophef in de pers. Daar was veel over te doen, en bij uitbreiding ook over de criminaliteit in dat station en over de verloedering errond. Het bleef voor de politici dit keer niet bij het spreekwoordelijk veroordelen van de daders en bij gespeelde verontwaardiging, er zou eindelijk iets gebeuren. Het was de eerste minister, Alexander De Croo, die het dossier naar zich toe trok. Hij verzamelde iedereen die iets met het dossier te maken had rond zich en men kwam tot een groot actieplan.

Er werden 22 maatregelen aangekondigd. Eén essentiële maatregel was dat in het station Brussel-Zuid een politiepost zou worden opgericht. Vlaams Belang was daar heel blij mee. Wij zijn absoluut voorstander van handhaving. Wij zijn voorstander van een harde aanpak van criminaliteit. We hebben in het Parlement zeer veel vragen gesteld over de onveiligheid bij het spoor. Ik heb u regelmatig bevraagd over de spoorwegpolitie.

We waren dus blij en we keken hoopvol uit naar die politiepost. Nu, een dik jaar later, stellen we echter vast dat die politiepost er nog steeds niet is. We zijn daar uiteraard niet vrolijk om. We vinden het een beetje jammer. Dat is de reden waarom ik van u, mevrouw de minister, wil horen hoe dat komt. Waarom is die politiepost er nog niet? Wat zijn de redenen voor de vertraging?

Wanneer zal die post er wel zijn? De NMBS kondigde hem eerst aan voor het einde van de zomer, maar geeft nu geen duidelijkheid meer. De NMBS spreekt nu van "over enkele weken." Kortom, wanneer komt die post er?

Tot slot, wat voor post zal dat zijn? Gaat het echt om een volwaardige post, die liefst permanent bemand wordt, of zal het eerder een soort onthaalpost van de politie zijn?

Franky Demon:

Mevrouw de minister, mannen staan op de Brusselse pleintjes aan te schuiven om drugs te kopen, zoals u en ik ’s zondags staan aan te schuiven bij de bakker. Ook de stationspleinen in onze steden worden geteisterd door drugsdealers, die als het ware van het ene naar het andere station gaan. Er is overlast door gebruikers en er zijn veel te goedkope en diverse drugs. Al die zaken gebeuren aan de stations in onze steden.

Dit zette de cd&v-burgemeester van Roeselare, Kris Declercq, ertoe aan een brief te schrijven aan de formateur. Daarin vroeg hij een betere toepassing van het snelrecht, meer bestuurlijke bevoegdheden voor de burgemeesters, een adequatere financiering van de lokale politie, een betere aanpak van wachtlijsten voor verslavingszorg en een betere spreiding van dag- en nachtopvang. Cd&v vindt een ketenaanpak met samenwerking tussen politie, Justitie en gezondheidszorg belangrijk. Dat is de afgelopen legislatuur zeer veel gebeurd, bijvoorbeeld door de toename van het aantal politiemensen, de bestuurlijke handhaving en de oprichting van het nationaal drugscommissariaat.

Ook onze burgemeesters zijn creatief. In mijn stad, Brugge, werd deze week beslist om een alcoholverbod voor de volledige stationsomgeving in te voeren. De ingeslagen weg moet verder worden gevolgd. Cd&v pleit dan ook voor een soort toolbox voor de lokale besturen om krachtdadiger te kunnen optreden. In de tijd van lopende zaken, terwijl we op een nieuwe regering wachten, heb ik hierover maar één vraag.

Mevrouw de minister, hoe kunt u er samen met uw collega-ministers voor zorgen dat de lokale besturen beter worden geholpen in de strijd tegen drugs?

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, la gare du Midi occupe tristement l'actualité depuis plusieurs mois. Je ne vous ferai pas l'affront ici de vous rappeler quelles sont les compétences de l'État fédéral et de la ministre de l'Intérieur que vous êtes pour garantir la sécurité au sein des gares, qu'elles soient à Bruxelles ou ailleurs. Malheureusement, l'État fédéral a abandonné la gare du Midi; il n'y a aujourd'hui quasi aucune présence de l'État fédéral au sein de la gare du Midi.

Madame la ministre, il y a quelques mois, le premier ministre a réuni un certain nombre d'acteurs pour apporter des solutions afin de garantir la sécurité au sein de la gare du Midi. Quelles sont les suites de cette initiative et des mesures qui ont été annoncées? Quels moyens humains et financiers avez-vous débloqués afin d'apporter des solutions structurelles pour garantir la sécurité au sein de la gare du Midi? Qu'en est-il du commissariat sur place et du recrutement?

Enfin, on dit que la gare du Midi a un statut international, tout comme l'aéroport de Bruxelles-National. Quand allez-vous mettre les mêmes moyens qu'à Bruxelles-National pour garantir la sécurité au sein de la gare du Midi?

Voorzitter:

Dan geef ik het woord aan de minister, die vijf minuten de tijd krijgt voor haar antwoord omdat er drie vraagstellers zijn.

Annelies Verlinden:

Mijnheer de voorzitter, dank u voor uw generositeit.

Uiteraard is de aanpak van overlast en drugsgeweld breder dan alleen de stationsomgevingen. Ik zal zo volledig mogelijk proberen te antwoorden.

U weet dat de strijd tegen drugshandel en drugsgerelateerd geweld in de voorbije legislatuur een absolute prioriteit voor de regering is geweest. Ik vind dat ook de volgende regering voldoende middelen en capaciteit moet vrijmaken om die strijd te blijven voeren, zowel voor de versterking van de federale politie als voor de versterking van de lokale politie, om ervoor te zorgen dat ook die lokale politiekorpsen voldoende mensen en middelen hebben om de overlast tegen te gaan. Dat is ook de reden waarom we het voorbereidend werk voor een herfinanciering van de lokale politiezones hebben gedaan. Voor mij maken de budgetten en de nieuwe tabellen voor een volgende legislatuur zeker deel uit van die afspraken.

Er is in de hele problematiek van drugs en overlast voor mij maar één aanpak die kans van slagen heeft en dat is een multidisciplinaire aanpak, want met meer repressie alleen zullen we er niet komen. Er moet ook preventie zijn en er moet nazorg gebeuren. Dat betekent dat alle verschillende beleidsdomeinen, ook die van de regionale en de gemeenschapsbevoegdheden, mee aan boord moeten zijn in de aanpak van dat grootstedenbeleid. Het gaat over huisvesting, over armoede, over kansarmoede, over jeugdzorg, over onderwijs, over gezondheidszorg. Alle aspecten zijn nodig om die verslavingsproblematiek aan te pakken.

Het is misschien af en toe stoer om te praten over strengere straffen, maar ik denk dat we dweilen met de kraan open als we niet ook die andere elementen bekijken en als lokale en regionale besturen daarin hun verantwoordelijkheid niet nemen. Het is niet alleen de federale politie die bijvoorbeeld de problematiek in Brussel-Zuid kan oplossen.

We hebben er ook een speerpunt van gemaakt. België heeft dit punt tevens hoog op de internationale agenda gezet. We hebben met Justitie en Binnenlandse Zaken maar liefst 500 miljoen euro extra in veiligheid geïnvesteerd. We hebben zeer kordaat opgetreden tegen onder meer de internationale drugscriminaliteit.

We hebben eveneens de federale gerechtelijke politie versterkt en het Havenbeveiligingskorps opgericht, om ervoor te zorgen dat de instroom vanuit een logistieke hub in Antwerpen beter kan worden tegengehouden. We hebben het Nationaal Drugscommissariaat opgericht, dat al met enkele concrete projecten gekomen is. Daarnaast hebben we geïnvesteerd op het gebied van cryptocurrency, zoals bitcoins, om ervoor te zorgen dat we die follow-the-value -aanpak kunnen waarmaken.

We hebben daarenboven geïnvesteerd in internationale samenwerking – de Ports Alliance – om ook te kunnen samenwerken met de private sector. Dat is ontzettend belangrijk, want zij hebben natuurlijk ook veel informatie die ons kan helpen. We hebben meer verbindingsofficieren van de politie in het buitenland, zodat we boots on the ground hebben, ook in Latijns-Amerika, en kunnen samenwerken met de verschillende veiligheidsdiensten en alle mogelijke relevante informatie te delen.

Tot slot hebben we – dat heeft bloed, zweet en tranen gekost, dat moet ik niet verhullen – de wet houdende bestuurlijke handhaving goedgekeurd. Die is nu beschikbaar voor onze lokale besturen, waardoor zij ook op die manier preventief meer tools in handen hebben om overlastzaken of zaken waar crimineel geld wordt witgewassen te kunnen sluiten of minstens de activiteiten te kunnen schorsen.

We hebben met de cijfers van 2023 gezien dat al die inspanningen lonen. De cijfers voor 2023, bijvoorbeeld van de inbeslagname van cocaïne, zijn eerder indrukwekkend, net als de cijfers van het aantal arrestaties en de uitgesproken celstraffen. Zo zijn er in 2023 maar liefst 4.087 nieuwe onderzoeken gestart, gericht op de georganiseerde criminaliteit. Er werd in totaal 213.670.000 euro in beslag genomen in lopende onderzoeken. Verder is 24,8 % van de onderzoekscapaciteit van de federale politie gegaan naar dossiers met betrekking tot de georganiseerde drugscriminaliteit. Dat wil zeggen dat vandaag in ons land één speurder op vier bij de federale politie zich bezighoudt met drugscriminaliteit en georganiseerde misdaad. Er zijn in totaal 2.130 jaren gevangenisstraf uitgesproken voor drugsgerelateerde feiten, wat overeenkomt met ongeveer 45 % van het aantal opgelegde jaren gevangenisstraf voor onderzoeken uitgevoerd door de federale politie.

Ik ben het helemaal met u eens, mijnheer Demon, dat we daarmee moeten voortgaan. Lokale besturen moeten goed worden uitgerust en daarom moeten de korpsen ook voldoende groot en gefinancierd zijn. Dat is belangrijk.

Ik wil ook nog even ingaan op het Zuidstation. We hebben de leefbaarheid vorig jaar aangepakt omdat het duidelijk werd dat de gemeente en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een noodkreet slaakten binnen hun bevoegdheden om de leefbaarheid te garanderen. We hebben onmiddellijk gehandeld. We hebben niet geaarzeld. Het Nationaal Crisiscentrum heeft actieplannen gemaakt op verschillende domeinen. (…)

Frank Troosters:

Mevrouw de minister, een jaar geleden ondervroeg ik uw collega van Mobiliteit, minister Gilkinet, hier over een steekincident op de trein in Brussel-Zuid. Op het moment waarop ik hier de vraag stelde, vond er een nieuw incident plaats in het station Antwerpen-Centraal, waarbij een vrouw werd neergestoken. Dat gebeurde enkele weken na een steekincident dat had plaatsgevonden in het station van Hasselt.

Wat is er op een jaar tijd veranderd? De feiten zijn veelzeggend. In Brussel-Zuid heeft er minder dan een week geleden een incident met een mes plaatsgevonden. Het NMBS-personeel heeft uit protest de loketten een tijd gesloten. Er zijn daar daklozen, illegalen, mensen met een drugsproblematiek. Er gebeuren diefstallen, al dan niet met fysiek geweld. Dat is daar schering en inslag. De mensen staan erbij en kijken ernaar. Zoals het spreekwoord zegt, veel beloven en weinig geven, doet de zotten in vreugde leven. Dat is wat de vivaldiregering heeft gedaan. Het NMBS-personeel en de treinreizigers hebben daar niets aan.

Franky Demon:

Mevrouw de minister, de drie recepten zijn duidelijk. Eerst en vooral gaat het om de ketenaanpak, waarbij gezondheidszorg, politie en Justitie samenwerken. Een tweede punt is de lokale besturen meer slagkracht en meer bestuurlijke handhaving geven. Het derde punt is de financiering waarover u het hebt gehad. Het is uiterst belangrijk dat die kan worden doorgevoerd, want kleine steden smeken bijna om hulp voor acties tegen geweld en drugsgeweld.

Ridouane Chahid:

Madame la ministre, je vous remercie d'avoir essayé d'apporter des réponses à mes questions, même si je n'en ai pas obtenu.

Je vous rappellerai simplement que nous nous étions rencontrés en novembre 2022 dans ma commune, puisqu'un de nos policiers avait été lâchement abattu alors qu'il effectuait sa ronde à la gare du Nord. Je n'ai pas envie que cela se reproduise à la gare du Midi. Oui, les communes doivent disposer de moyens parce que ce sont elles qui, aujourd'hui, suppléent au manque d'investissement de l' É tat fédéral.

Voorzitter:

Je précise que le collègue Chahid a, lui aussi, posé sa première question en séance plénière. (Applaudissements) (Applaus)

De hoge artsenlonen
De hoge artsenlonen
Hoge medische beroepsinkomens

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Samenvatting: Natalie Eggermont (spoedarts) kritiseert het prestatiegebonden financieringssysteem voor artsen, dat leidt tot overconsumptie, hoge kosten (10 miljard/jaar) en slechte zorg, en pleit voor vaste lonen zoals in Noorse of universitaire ziekenhuizen. Minister Vandenbroucke erkent het probleem en wil ziekenhuisfinanciering scheiden van artsenvergoedingen (70% nomenclatuur geanalyseerd), maar verwijdert prestatiegeneeskunde niet volledig—alleen voor beeldvorming en huisartsen ziet hij alternatieven. Eggermont blijft pushen voor een systeemwijziging (bv. "cappuccinomodel" met basisloon + prestatiebonussen), terwijl Vandenbroucke geleidelijke hervorming voorstaat, zonder radicale breuk. Kernpunt: prestatiedruk ondermijnt kwaliteit, maar politiek ontbreekt draagvlak voor volledige afschaffing.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik wil het graag hebben over het budget van de gezondheidszorg, meer bepaald over de hoge uitgaven voor de prestaties van artsen. Aan het einde van de zomervakantie kopte De Standaard dat bijna 11.000 artsen meer dan 250.000 euro per jaar aan de gezondheidszorg factureren, een serieuze hap uit het budget. Ongeveer 30 % van de uitgaven voor de gezondheidszorg gaat naar artsenlonen. Er is een stijgende trend, die onder uw beleid een hoogtepunt bereikte. Het RIZIV gaf in 2023 meer dan 10 miljoen euro uit aan artsenlonen.

Aangezien het budget van de sociale zekerheid onder druk staat, is het zeer belangrijk om daarover een maatschappelijk debat te voeren. Het probleem is de prestatiegeneeskunde, met de gebrekkige ziekenhuisfinanciering. Artsen worden nu per prestatie betaald, dus hoe meer scans, operaties en controles, hoe meer inkomsten. Ik ben zelf spoedarts en ik kan getuigen dat de ziekenhuizen te weinig geld van de overheid krijgen, waardoor ze de artsen onder druk zetten om meer prestaties te verrichten om meer geld in het laatje te brengen. Dit resulteert in zeer hoge facturen voor de sociale zekerheid, overconsumptie in de zorg, dure facturen voor de patiënten en wachtlijsten; kortom, slechte geneeskunde.

Voor ons is het duidelijk dat we van dit systeem moeten afstappen. Wij willen een deftige financiering voor de ziekenhuizen enerzijds en anderzijds een goede verloning voor de artsen, geen verloning per prestatie, maar een vast loon, zoals in de universitaire ziekenhuizen. Ik was dus ook teleurgesteld door uw reactie op het in De Standaard gepubliceerde onderzoek. U verklaarde de nomenclatuur te willen herzien en laat dit onderzoeken, maar u stelt de prestatiegeneeskunde op zich niet in vraag. U hebt ook niets gezegd over de sterke toename van de totale uitgaven aan artsen in de voorbije jaren en de grote hap uit het budget die dit vormt. Ondertussen onderhandelt de toekomstige arizonacoalitie over een besparing van 320 miljoen euro in de zorg.

Ik heb dan ook enkele vragen voor u. Is het onderzoek om de nomenclatuur in kaart te brengen al gestart? Wie voert dat uit en wat zult u met de resultaten doen? Bent u bereid om ook verder dan de nomenclaturen te kijken? Gelooft u dat de prestatiegebonden financiering in de zorg een duurzame toekomst biedt voor de ziekenhuizen en de sociale zekerheid? Bent u bereid alternatieven te overwegen? Wat is uw mening over een financieringssysteem dat losstaat van het aantal prestaties, waarin dokters een vast, weliswaar zeer goed loon wordt uitbetaald, zoals dat vandaag bijvoorbeeld al in Noorwegen en in onze universitaire ziekenhuizen gebeurt?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Eggermont, welkom in deze commissie. Ik zal kort reageren op uw vraag, die eigenlijk het onderwerp is van een breed debat dat wij hier al heel vaak gevoerd hebben.

Ik meen dat wij de financiering van de gezondheidszorg, met name in de ziekenhuizen, en de ziekenhuisfinanciering zeer grondig moeten herzien. De reden is dat de huidige ziekenhuisfinanciering niet alleen totaal ondoorzichtig is, maar ook dat zij aanzet tot overconsumptie en overproductie. Dat ligt in de aard van het financieringssysteem. Bovendien is het financieringssysteem nu vaak ook de bron van conflicten tussen artsen en ziekenhuisbeheerders, terwijl ik meen dat wij naar een model van samenwerking en echt overleg moeten gaan.

Waarom is dit vandaag het geval? Wel, omdat wij in de nomenclatuur van de medische prestaties eigenlijk een vergoedingssysteem hanteren dat zowel voor de werkingskosten van het ziekenhuis als voor de vergoeding van de artsen instaat. Daar moeten wij van af. Wij moeten dat opsplitsen. Wij moeten een zuivere verloning hebben voor het intellectuele werk, de inzet en de verantwoordelijkheid van de artsen, en los daarvan een correcte, transparante en voldoende financiering van de werking van het ziekenhuis, voor de uitrusting die nodig is, de materialen die verbruikt worden en de omkadering met ander personeel, bijvoorbeeld de verpleegkundigen, de technologen enzovoort.

De financiering van de ziekenhuizen moet gebaseerd zijn op de behoeften van de patiënten, niet op het aantal prestaties. Als wij slagen in die hervorming zullen wij paal en perk stellen aan de heersende prestatiedruk door de nood aan betaling van de uitrusting in de ziekenhuizen en de werkingskosten.

Bovendien, als wij een zuivere nomenclatuur maken waarbij men via de nomenclatuur louter het werk van de artsen vergoedt en niet de uitrusting die nodig is, zal de vraag rijzen wat de correcte vergoeding is voor een pediater, een psychiater, een nefroloog, een radioloog, een orthopedisch chirurg enzovoort. Dat debat zal dan open en bloot op tafel komen. Ik meen dat dat debat moet leiden tot een correctere, billijkere en transparante vergoeding van de artsen.

Het gaat ook over rechtvaardigheid tussen artsen onderling. Wij moeten dat bereiken via deze zuivere nomenclatuur. Alle artsen in loondienst nemen, is niet het antwoord. Dat is in België niet mogelijk en wenselijk. Het antwoord is een correct en zuiver vergoedingssysteem.

Er loopt daaromtrent een zeer grondige analyse. Die werd opgestart in 2019. Wij doorploegen alle nummertjes van de medische nomenclatuur en hebben al meer dan 70 % ervan behandeld. Wij hebben ook een werkgroep die zich bezighoudt met correcte vergoedingen voor consultaties. Wij voeren zeer grondig onderzoek naar de werkelijke kosten van de ziekenhuizen.

Al dat analytisch materiaal moet op tafel liggen tegen het einde van dit jaar. Dan moeten wij in staat zijn om eindelijk de overgang te maken. Dat zal nog een intensief en moeilijk onderhandelingsproces zijn en het zal een lange implementatie vragen. Wij moeten dan de overgang kunnen maken naar een ziekenhuisfinanciering gebaseerd op de behoeften van de patiënten die er verblijven en een correcte vergoeding van de artsen-specialisten, op basis van de intellectuele inzet, de arbeid, de verantwoordelijkheidszin en de tijd die ze nemen voor hun werk.

Die analyse zal in principe tegen het einde van het jaar klaarliggen. Wij hebben er drie jaar aan gewerkt. Dan start een zeer omvangrijke hervorming, die ook het probleem van de enorme verschillen in verloning tussen artsen moet aanpakken.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, ik ben blij te horen dat u de ziekenhuisfinanciering wilt herzien. Wij vragen ook om de financiering van de ziekenhuizen effectief te versterken, zodat zij niet meer afhankelijk zijn van die hoge artsenlonen.

Het is wel jammer dat u het prestatiesysteem niet in vraag stelt en alleen zegt dat u denkt dat het niet mogelijk is om dat te herzien in België. U geeft daar eigenlijk geen echte redenen voor. In de universitaire ziekenhuizen werken artsen nu al voor een vast loon. Waarom wilt u dat niet toepassen in de rest van België? Dat is mij niet duidelijk. In andere Europese landen wordt dat wel toegepast.

U blijft vasthangen aan dat prestatiesysteem. Dat is zeer jammer, want artsen willen gewoon samen met andere artsen goed zorgen voor hun patiënten. Ons financieringssysteem duwt artsen naar prestaties, prestaties, prestaties. Dat is slechte geneeskunde. De politiek moet ervoor zorgen dat preventie centraal staat en dat de uitgaven binnen de perken blijven. Wij moeten af van die prestatiegeneeskunde.

Voorzitter:

Je ne serai pas coutumier du fait, mais, vu que M. le ministre demande à ajouter un élément de précision, je lui accorde. Vous aurez ensuite, madame la députée, le dernier mot, si vous le souhaitez.

Frank Vandenbroucke:

Ik moest inderdaad nog een deel van mijn antwoord geven, waarvoor mijn verontschuldigingen.

Ik wil dus nog iets zeggen over de prestatiegeneeskunde as such . Ik geloof niet dat er een keuze moet worden gemaakt tussen alle artsen in loondienst laten werken of een zuivere prestatiegeneeskunde. De prestatiegeneeskunde moet wel geëvalueerd worden, omdat ze geen goed antwoord geeft op een aantal uitdagingen. Dat betekent echter niet dat die volledig van tafel geveegd moet worden.

Voor de zware medische beeldvorming wil ik inderdaad naar een populatiegebaseerde financiering, geen prestatiegeneeskunde meer. Voor de huisartsengeneeskunde pleit ik voor een vrijwillige verschuiving naar een model waarin er een veel groter deel praktijkondersteuning is, dat dus minder afhankelijk is van het aantal prestaties. Ik volg u daar dus in, maar het doen evolueren van de prestatiegeneeskunde is niet synoniem aan artsen in loondienst nemen. Dat is nog iets anders.

Natalie Eggermont:

Mijnheer de minister, het is fijn om te zien dat we elkaar tegemoetkomen. Het grote debat gaat echter over de basis van de financiering van de artsen. Sommige mensen stellen ook een soort cappuccinomodel voor, waarin de basis een vast loon is en er nog extra lagen bovenop komen. Artsen kunnen bijvoorbeeld extra verloond worden indien hun patiënten gezonder blijven. Dat is ook een systeem waarnaar we kunnen evolueren. De betaling per prestatie leidt nu echter tot overconsumptie en slechte geneeskunde. Ik hoop dus dat we in die zin kunnen evolueren.

Voorzitter:

La question n° 56000076C de Mme Désir est reportée.

Het zorgcongres en het globaal plan van aanpak

Gesteld door

lijst: VB Katleen Bury

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

Minister Vandenbroucke beantwoordt kritieke zorgthema’s door te wijzen op bestaande maatregelen zoals het Zorgpersoneelsfonds (extra personeel, betere arbeidsvoorwaarden via IFIC), digitalisering (eGezondheidsplan, BIHR, 40 miljoen euro voor innovatie) en preventie (focus op leefstijl). Administratieve lasten worden verminderd via gestroomlijnde registraties en ondersteunend personeel, maar kwaliteit van patiëntendossiers blijft cruciaal. Financiering van ziekenhuizen vereist hervorming (niet woonzorgcentra), met nadruk op samenwerking (interoperabele systemen, Europese gezondheidsdata) en schaalvergroting voor kleine instellingen. Burn-outpreventie gebeurt via Fedris-projecten en taakdifferentiatie, terwijl interim-afhankelijkheid moet dalen door structurele hervormingen in zorgberoepen.

Katleen Bury:

Mijnheer de minister, ik verwijs naar de ingediende vraag.

Op het recente jaarlijkse zorgcongres werden zeven kritieke thema's aangekaart, waarbij de zorgsector de alarmbel luidde. Deze thema's omvatten onder andere het nijpende personeelstekort, de toename van de administratieve lasten, de financiële druk op zorginstellingen, en de vraag naar betere samenwerking tussen verschillende zorgactoren. Daarnaast werd gewezen op de noodzaak van een efficiëntere zorgorganisatie, meer focus op preventieve zorg en digitalisering, en de hoge werkdruk die het risico van burn-out verhoogt binnen de sector.

1. Welke concrete maatregelen neemt de overheid om het personeelstekort in de zorg op te lossen en het beroep aantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld door betere arbeidsvoorwaarden?

2. Hoe gaat de overheid de administratieve last in de zorgsector verminderen, zodat zorgverleners meer tijd kunnen besteden aan patiënten in plaats van papierwerk?

3. Gezien de financiële druk op veel zorginstellingen, is de overheid van plan om de financiering van ziekenhuizen en woonzorgcentra te herzien om hen duurzamer te ondersteunen?

4. Welke stappen onderneemt de overheid om de samenwerking tussen ziekenhuizen, thuiszorg en andere zorgactoren te verbeteren en zorgprocessen efficiënter te maken?

5. Op welke manier kan de overheden meer investeren in preventieve gezondheidszorg, om zo op lange termijn de druk op de ziekenhuizen te verlichten?

6. Wat zijn de plannen van de overheid om de digitalisering van zorginstellingen te versnellen, zodat de zorg efficiënter wordt en de administratieve last wordt verlaagd?

7. Gezien de toenemende werkdruk in de zorg, welke initiatieven worden genomen om burn-outs te voorkomen en de mentale gezondheid van zorgverleners te ondersteunen?

8. Zorgnet-Icuro stelt dat meer dan de helft van de ziekenhuizen afhankelijk is van dure interim-krachten. Welke structurele maatregelen wilt de overheid nemen om dit probleem op te lossen?

9. Zijn er specifieke acties gepland om de lasten van registraties en bureaucratie te verlagen, zoals het terugdringen van onnodige regelgeving?

10. Hoe denkt u de financiële levensvatbaarheid van kleinere zorginstellingen te waarborgen, gezien hun kwetsbaarheid binnen het huidige zorgsysteem?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw Bury, het gaat om een lange lijst van heel erg brede vragen, waarvoor ik eigenlijk een hele beleidsnota op tafel zou moeten leggen. U zult begrijpen dat ik een en ander relatief kort en samenvattend zal doen teneinde binnen de spreektijd te blijven.

Op de eerste vraag zou ik willen antwoorden dat wij in de voorbije regeerperiode belangrijke initiatieven hebben genomen om de personeelsomkadering rond het bed in de ziekenhuizen te verbeteren, namelijk via het Zorgpersoneelsfonds. Wij hebben echter ook de aantrekkelijkheid van het zorgberoep verbeterd. Ik denk daarbij aan het sociaal akkoord, waarbij wij het IFIC zijn beginnen te implementeren, en aan maatregelen die in het IFIC zaten en die meer op de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden waren gericht. Ik denk bijkomend aan de invoering van een complement voor gespecialiseerde verpleegkundigen. Ik denk echter ook aan wat wij zijn gestart als een heel breed hervormingsverhaal rond de hervorming en herwaardering van het verpleegkundig beroep. Ik ga niet in detail, maar dat is, kort samengevat, een deel van het antwoord op uw eerste vraag.

Ik heb samen met de sociale partners van de gezondheidssector en in overleg met de beroepsorganisaties ook een toekomstagenda voor de zorgsector uitgewerkt, die gericht is op initiatieven die op middellange termijn de voorspelde nood aan zorgpersoneel moeten opvangen. U vindt daarover elders meer details.

Uw tweede vraag ging over administratieve lasten. Sta mij toe mij eerst te concentreren op wat wij federaal doen op het niveau van de ziekenhuizen. Wij zetten al tien jaar in op het verminderen van de administratie in de verschillende registraties die door onze federale FOD worden gevraagd.

In het kader van het eGezondheidsplan worden de projecten uitgewerkt. Wij werken er ook aan om informatie op een veel meer gestructureerde manier in de elektronische patiëntendossiers te krijgen, zodat de administratie vervolgens tot een minimum kan worden beperkt. Wij kijken in dat verband naar het Only Once-principe.

Ik wil echter wel opmerken dat, zelfs al wordt geprobeerd een en ander te rationaliseren en eenvoudiger te maken, een goed ingevuld elektronisch patiëntendossier noodzakelijk blijft voor de kwaliteit van de zorg. Ik begrijp natuurlijk dat door een verpleegkundige het registreren van de gegevens als een administratieve last wordt gezien. Dat is echter niet een last voor de overheid maar voor de zorg van de patiënt. Dat is dus een moeilijke evenwichtsoefening.

Het Zorgpersoneelsfonds heeft ook toegelaten bijkomend mensen aan te werven die het zorgpersoneel en ook ander personeel ondersteunen, zodat bijvoorbeeld verplegenden meer tijd kunnen besteden aan het daadwerkelijk verzorgen van patiënten en minder tijd moeten spenderen aan administratieve taken.

We hebben de voorbije regeerperiode ook gezocht naar andere hervormingen die meer ruimte creëren voor het inzetten van zorgondersteuners. Ik denk onder meer aan wat we hebben gedaan rond het concept Activiteiten van het dagelijks leven (ADL).

Wat betreft het verhaal van de digitalisering, we hebben een groep laten werken aan het concept Belgian Integrated Health Record (BIHR). Dat is een opvatting over hoe een medisch dossier er moet uitzien. Onze vraag daarbij was om het concept van medische dossiers zodanig uit te werken dat er heel tastbare voordelen zijn voor iedereen die bij de zorg is betrokken, onder wie de zorgverleners en natuurlijk ook de burgers.

Wat betreft uw derde vraag over de financiering van de ziekenhuizen en de woonzorgcentra, woonzorgcentra vallen niet onder mijn bevoegdheid, ziekenhuizen wel. Ik denk dat wij moeten hervormen in de financiering. Ik heb het daarover al gehad met uw collega Eggermont, maar het is ook hervormen en investeren. We hebben de voorbije jaren een heel sterke expansie van de ziekenhuisbudgetten mogelijk gemaakt. We zullen daarin verder moeten blijven investeren, maar de wijze waarop die financiering wordt verdeeld over en toekomt in de ziekenhuizen, zal heel grondig moet worden hervormd.

Wat betreft de samenwerking, mevrouw De Knop heeft nog een vraag over de netwerken en de samenwerkingsverbanden tussen ziekenhuizen, dus ik zal daar straks op terugkomen. Heel concreet en in het verlengde van wat ik daarnet zei over het elektronisch patiëntendossier, in het kader van de digitalisering van ons actieplan eGezondheid, van onze plannen rond health data , het gebruik onder meer van Belgian Meaningful Use Criteria (BMUC) en van de data capabilities en innovatieprojecten, zetten we heel sterk in op samenwerking en integratie tussen zorglijnen en het functioneren van multidisciplinaire equipes.

Dat betekent onder andere dat men systemen interoperabel moet maken en dat gestandaardiseerde structurering en codering van gezondheidsdata nodig zijn en er uitwisselingsmechanismen moeten worden voorzien.

Het ontwerp van samenwerkingsakkoord tussen eHealth en BelRAI, waarvoor al een advies van de GBA en de Raad van State is ontvangen, legt daarvoor de interfederale basis. Het is ook heel belangrijk dat we nu op Europees niveau een principieel akkoord hebben en er wetgeving komt rond de Europese ruimte voor gezondheidsdata. We maken zo vlot, goed en veilig gebruik van gezondheidsdata op Europees niveau mogelijk.

Uw vijfde vraag ging over preventie. Ik zal daar zeer kort op antwoorden. Ja, ik ben zelf steeds meer overtuigd. We moeten veel kordater en forser inzetten op preventie. Voeding, tabak, alcohol en gokken zijn allerlei zaken waaraan mensen verslaafd kunnen raken. Ze kunnen zich ook een zeer ongezonde levensstijl eigen maken. Indien men daarop inwerkt, zal men in de toekomst veel minder druk hebben op de zorg. Daar ben ik diep van overtuigd.

U vroeg ook of ik de digitalisering van de zorg ondersteun en wil versnellen. Ja, ik wil dat. Ik verwijs ook naar de 15 data capabilities projects die geselecteerd zijn. De resultaten daarvan moeten voor eind 2025 beschikbaar zijn en we trekken daarvoor 20 miljoen euro uit. Ik verwijs eveneens naar de 26 projecten die geselecteerd zijn om innovatie in de ziekenhuizen te bevorderen. Daarvoor trekken we ook nog eens 20 miljoen euro uit. We ondersteunen die noodzakelijke digitalisering en innovatie dus ook daadwerkelijk met budgettaire middelen.

Ik zal nu antwoorden op uw zevende vraag over burn-out. Ik heb daarnet al aangegeven dat het verbeteren van werkomstandigheden en het verminderen van werkdruk ter harte worden genomen via het Zorgpersoneelsfonds en de hervorming van het verpleegkundig beroep, maar ook door de visie die we ontwikkelen rond digitalisering. Daarnaast hebben we een initiatief genomen om burn-out, met name van personeel in de ziekenhuissector, preventiever aan te pakken. We willen er namelijk voor zorgen dat burn-out snel wordt opgepikt en niet ernstiger wordt. Dat is een interessant project van Fedris.

Wat interims betreft, wij moeten er gewoon voor zorgen dat ziekenhuizen op een soepele manier kunnen omgaan met het zorgpersoneel. Dat vereist hervormingen op het vlak van taakdifferentiatie, taakverschuiving en samenwerking binnen het zorgpersoneel. Dat is dan ook precies de hervormingsagenda van het verpleegkundig beroep waarnaar ik verwees.

U stelde opnieuw vragen over bureaucratie en registraties. Daar heb ik eigenlijk al op geantwoord.

U stelde ook een vraag over kleine zorginstellingen. Ik meen dat wij vooral moeten nadenken over samenwerking tussen de instellingen. De vraag is dus of samenwerking tussen de instellingen ook de leefbaarheid van kleine instellingen kan verhogen. Dat zou een van de doelstellingen moeten zijn. Ziekenhuizen moeten anderzijds hoe dan ook wel een minimale schaal hebben om efficiënt en kwaliteitsvol te kunnen werken.

Ziedaar in vogelvlucht mijn antwoorden op de vele vragen.

Voorzitter:

Merci, monsieur le ministre. Je sais que nous nous mettons tous en jambes lors de cette première commission. Je voudrais cependant demander aussi bien au ministre qu'aux députés de bien vouloir respecter le temps de parole, c'est-à-dire deux minutes par question et deux minutes par réponse.

Je sais, monsieur le ministre, qu'il y avait à l'instant beaucoup de sous-questions mais je pense que nous en ressortirons tous gagnants. Cela permettra à la fois d'éviter des frustrations, mais aussi pour vous, monsieur le ministre, un arriéré de questions comme vous l'avez connu lors de la précédente législature à cause de ces longs débats. Essayons donc de respecter le plus possible ces débats.

Katleen Bury:

Mijnheer de voorzitter, ik ben het er niet helemaal mee eens dat u vanaf de eerste commissievergadering de regels zo streng wilt toepassen. U moet wel weten dat het om belangrijke vragen gaat, zoals bijvoorbeeld over het zorgcongres, die het geheel overspannen.

Wij steken daar tijd in. Ik moet samen met veel collega’s een inhaalbeweging maken met betrekking tot een aantal zaken die ik gewoon nog niet weet. Ik zal mij zo vlug mogelijk inwerken in de zaken uit de vorige regeerperiode. Ik dank daarom de minister ook om alles eventjes kort te overlopen, de belangrijkste punten aan te halen en een aantal deadlines te vermelden waarmee ik aan de slag kan. Zeker in de eerste vergaderingen is het niet gemakkelijk om meteen in te pikken op onderwerpen die toch wat uitleg behoeven.

Dank u wel, mijnheer de minister.

Voorzitter:

Vraag nr. 56000145C van mevrouw Nawal Farih wordt uitgesteld.

De gezondheidswaarschuwing bij reclame voor alcoholische dranken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De interfederale alcoholstrategie 2023-2028 voorziet verplichte gezondheidswaarschuwingen in alcoholreclame vanaf 2024, maar de uitvoering is opgeschort tot na de regeringvorming, ondanks een klaar ontwerp-KB gebaseerd op het CSS-advies (maart 2024) dat alle alcoholconsumptie (niet enkel misbruik) als schadelijk bestempelt en autoregulering afwijst. Intussen hanteert de sector een eigen, zwakkere waarschuwing ("L'abus d'alcool nuit à la santé") via zelfregulering, wat indruist tegen het CSS-standpunt. De minister bevestigt dat strengere regels (inclusief roterende waarschuwingen) pas na politieke goedkeuring zullen gelden.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, il y a plus d'un an, la stratégie interfédérale en matière d'usage nocif d'alcool 2023-2028 et le plan d'action qui l'accompagne ont été adoptés. Le vingt-deuxième point de ce plan prévoit que, lorsqu'il est autorisé de faire du marketing pour l'alcool, il est obligatoire d'ajouter à chaque message un avis sanitaire rédigé par le SPF Santé publique sur la base de données probantes. L'entrée en vigueur de la réglementation et le contrôle sont prévus dès 2024.

Vous avez sollicité le Conseil Supérieur de la Santé (CSS) pour qu'il donne un avis sur plusieurs mesures contenues dans le plan. Dans cet avis qui date de mars 2024, le CSS recommande d'interdire complètement le marketing lié à l'alcool et, en attendant cette interdiction, il préconise l'ajout d'un message d'avertissement sanitaire afin de mieux faire connaître les risques de la consommation d'alcool. Il donne des recommandations sur la forme et le contenu de ces messages d'avertissement et estime que les avertissements sanitaires ne peuvent en aucun cas être élaborés par ou avec l'ingérence de l'industrie de l'alcool (pas d'autorégulation).

Or, on peut lire sur le site du Jury d' é thique Publicitaire (JEP) qu'en février 2024, les signataires de la convention en matière de publicité et de commercialisation des boissons contenant de l'alcool (c'est-à-dire notamment les acteurs du secteur de l'alcool) ont lancé un nouveau message qui doit figurer dans les communications commerciales pour les boissons contenant de l'alcool depuis le 1 er juillet 2024 (avec une période d'adaptation jusqu'au 1 er janvier 2025).

Monsieur le ministre, pourriez-vous faire un état des lieux de la situation? Où en est la mise en œuvre du plan alcool au sujet des messages sanitaires? Quelles suites avez-vous données ou comptez-vous encore donner à l'avis du CSS? Est-ce que la date de 2024 prévue dans la stratégie interfédérale pour cette réglementation et les contrôles sera bien respectée? Comment s'articulent l'engagement du plan alcool et la démarche prise par le secteur des alcooliers, sachant que le CSS refuse toute autorégulation?

Frank Vandenbroucke:

Monsieur Gatelier, à l'issue de la stratégie interfédérale en matière d'usage nocif d'alcool 2023-2028 et du plan d'action qui l'accompagne, un projet d'arrêté royal a été rédigé intégrant les points suivants: les quatre dispositions prévues à l'article 11, § 2 de la convention qui concerne les mineurs, le contrôle de ces dispositions par le SPF Santé publique, l'interdiction d'offrir gratuitement des boissons contenant de l'alcool dans le cadre d'une campagne promotionnelle, sauf lorsque le consommateur achète une boisson contenant de l'alcool et dans le cadre de dégustations, et une disposition relative à l'obligation de prévoir des messages sanitaires pour toute publicité pour l'alcool.

À l'issue de l'avis du Conseil Supérieur de la Santé (CSS) de mars 2024 proposant plusieurs avis sanitaires et un système de rotation de ces avis, un projet d'arrêté ministériel reprenant les messages sanitaires et le système de rotation tel qu'identifié par le CSS a également été rédigé.

À la suite des discussions au sein du gouvernement, le dossier concernant la publicité pour l'alcool, c'est-à-dire le projet d'arrêté royal et d'arrêté ministériel, a été temporairement mis en suspens. Une fois le nouveau gouvernement formé, ce dossier sera remis sur la table. Le timing pour la reprise des discussions et la prise de décision sur ce dossier est donc dans les mains du prochain gouvernement.

Actuellement, le système d'autorégulation régit la publicité en matière d'alcool via la convention en matière de publicité et commercialisation des boissons contenant de l'alcool. L'adoption du nouveau slogan par le secteur des alcooliers relève de leur propre initiative et a été prise de façon indépendante en vue du remplacement du slogan actuel "Notre savoir-faire se déguste avec sagesse." Le slogan "L'abus d'alcool nuit à la santé" est basé sur l'avis du CSS de 2018. Dans son avis de mars 2024, le CSS a clairement indiqué qu'il souhaitait réviser la recommandation concernant le slogan tel que proposé en 2018. Le CSS dit que ce n'est pas seulement l'abus d'alcool qui est nocif mais toutes les formes de consommation d'alcool, y compris la consommation légère et modérée d'alcool.

Tant que le projet d'arrêté ministériel relatif aux messages sanitaires et le projet d'arrêté royal concernant la publicité ne seront pas adoptés, seuls le système d'autorégulation et le message des alcooliers sont d'application.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Comme vous le savez, chez Les Engagés, la santé est une priorité et je sais que vous nous rejoignez sur cette longueur d'onde. Nous tenons vraiment à réduire les méfaits de l'alcool sur la santé de notre population, surtout des plus jeunes. Nous espérons donc qu'en attendant cette interdiction, une mesure d'information au consommateur sera bien évidemment respectée dans les plus brefs délais. Nous reviendrons certainement sur ce sujet ultérieurement, en particulier en ce qui concerne l'interdiction de toute vente de boissons alcoolisées aux personnes de moins de 18 ans.

De rechten van minderjarige patiënten

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De Belgische studie naar de rechten van kwetsbare patiëntengroepen—met focus op minderjarige patiënten en personen met psychische problemen (met name bij gedwongen opname)—is in maart 2024 gestart bij de Universiteit Gent (Quality & Safety Ghent) en moet eind 2024 concrete beleidsaanbevelingen opleveren, gebaseerd op een eerdere parlementaire resolutie en de nieuwe wetgeving. Minister Vandenbroucke bevestigde dat de aanbesteding (met deadline 17 november 2023) voortvloeit uit de noodzaak om praktische aanpassingen te vinden waar directe wetstranspositie ontbreekt. Gatelier benadrukte het belang van betrokkenheid van veldactoren en blijvende aandacht voor de specifieke rechten van minderjarigen, die nu vaak als "mini-volwassenen" worden behandeld.

Jean-François Gatelier:

Monsieur le ministre, la loi du 6 février 2024 modifiant la loi du 22 août 2002 relative aux droits du patient prévoit en son article 6 § 2 que "Le Roi peut, sur avis de la commission visée à l'article 16, préciser les règles relatives à l'application de la loi ou à l'application de droits spécifiques définis dans la présente loi à des professionnels des soins de santé et à des prestations de soins de santé à fixer par Lui afin de tenir compte de la nécessité d'une protection spécifique".

Lors des débats sur ce projet de loi, Mme Catherine Fonck avait regretté l'absence de réforme en matière de prise en considération des spécificités des patients mineurs, lesquels sont malheureusement trop souvent considérés comme des adultes en miniature. Vous aviez alors annoncé le lancement d'une étude universitaire sur les droits des enfants et des jeunes en tant que patients et aviez indiqué que vous alliez demander à la Commission fédérale Droits du patient d'examiner la question en se fondant sur cette étude universitaire.

Monsieur le ministre, je souhaite faire un état des lieux de la situation. Pourriez-vous nous éclairer quant à l'étude universitaire sur les droits des enfants et des jeunes en tant que patients? Cette étude a-t-elle été lancée? Si oui, à qui a-t-elle été confiée? Quelle est la mission précise des auteurs de cette étude? Comment va-t-elle se dérouler? Quelles en sont les modalités? Quand peut-on en espérer les résultats? Dans la négative, comptez-vous lancer cette étude dans les semaines qui viennent?

Frank Vandenbroucke:

Un marché d'étude sur l'application des droits du patient à des groupes de patients vulnérables a bien été lancé avec un appel d'offres à remettre pour le 17 novembre 2023. Le marché d'étude s'inscrit dans le cadre de l'évaluation de la loi du 22 août 2022 relative aux droits du patient et porte en particulier sur la manière dont les droits du patient peuvent être mieux adaptés aux besoins de certains groupes de patients vulnérables. Le marché d'étude est parti du constat selon lequel les recommandations de la résolution parlementaire du 15 décembre 2022 en matière de droits du patient n'étaient à première vue pas toutes transposables en législation.

Afin de pouvoir quand même tenir compte de ces recommandations et commentaires, notamment en ce qui concerne les groupes de patients vulnérables, et compte tenu de l'article 3 § 2 de la loi relative aux droits du patient, il a été demandé dans le marché d'étude d'identifier la problématique exacte et de déboucher ensuite sur un certain nombre de recommandations politiques concrètes. Ceci doit avoir lieu au moins en ce qui concerne les patients mineurs et les personnes souffrant de problèmes de santé mentale, avec une attention particulière pour les patients concernés par le contexte de l'admission forcée.

La mission d'étude a été confiée à l'université de Gand, au centre d'expertise interdisciplinaire Quality & Safety Ghent , et a débuté en mars 2024. Le rapport final est attendu encore pour cette année.

Jean-François Gatelier:

Merci, monsieur le ministre. C'est un sujet qui nous tient à cœur et je suis sûr qu'il en est de même pour vous. Nous resterons attentifs à cette question des droits des patients mineurs, qui doivent faire l'objet d'une attention particulière. Cette réflexion doit être menée en concertation avec les acteurs de terrain concernés.

De ziekenhuisnetwerken

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De ziekenhuisnetwerken, opgericht voor efficiëntie en kostbeheersing via samenwerking, halen hun klinische doelen niet door te zware structuren en rigide overheidsregels, terwijl financiering per ziekenhuis blijft en niet via netwerken loopt, aldus een UGent-studie. Minister Vandenbroucke erkent regionale verschillen en beperkte klinische samenwerking, maar ziet wel vooruitgang in *shared services* en supraregionale specialisatie; hij pleit voor grondige hervorming met focus op samenwerking, digitalisering en gefaseerde financiering om kwaliteit en betaalbaarheid te garanderen. De Knop benadrukt dat de netwerken niet moeten worden afgeschaft, maar dat succesvolle elementen moeten worden behouden in toekomstige hervormingen. Beide partijen zien dringende nood aan structuurwijzigingen, met behoud van lokaal aanbod waar mogelijk en concentratie waar nodig.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, de ziekenhuisnetwerken kwamen vorige week in de media. Wij hebben er een aantal krantenartikelen over kunnen lezen.

Ik hoef u natuurlijk niet uit te leggen dat de ziekenhuisnetwerken opgericht zijn om de samenwerking tussen ziekenhuizen te stimuleren met het oog op efficiëntie en op het beperken van de kosten. Wij weten al langer dat het door de gigantische technologische evolutie totaal niet realistisch is dat elk ziekenhuis alles blijft doen en daarvoor alle technologie in huis heeft. Dan zou de gezondheidszorg nog meer onbetaalbaar worden.

Het onderzoek van de UGent en van het UZ Gent ter zake maakt duidelijk dat de doelstellingen die vooropgesteld werden door de ziekenhuisnetwerken niet gehaald worden. Het zou blijken dat die netwerken geen motor voor klinische samenwerking zijn, maar eerder voor samenwerking op het vlak van niet-klinische activiteiten. Het onderzoek wijt dit aan het feit dat de ziekenhuisnetwerken te log en te zwaar zouden zijn en aan het feit dat de overheid een te gedetailleerde en rigide structuur zou opleggen.

De financiering gebeurt vandaag nog steeds per ziekenhuis, want de beloofde financiering van de netwerken is in de vorige legislatuur niet gerealiseerd. Men mag echter niet vergeten dat de ziekenhuizen het financieel moeilijk blijven hebben, ondanks een bepaalde overconsumptie, volgens verschillende nieuwsberichten. Samenwerking en efficiëntie zijn natuurlijk nodig om de gezondheidszorg betaalbaar en duurzaam te houden.

Ik las dat Zorgnet-Icuro de netwerken bijna afserveert, terwijl ikzelf hoop dat het kind niet met het badwater weggegooid wordt.

Mijnheer de minister, welke lessen leert u uit deze studie? Welke maatregelen wilt u nemen om de efficiëntie en de samenwerking tussen ziekenhuizen te verbeteren? Hoe ziet u de evolutie van de ziekenhuisnetwerken?

Frank Vandenbroucke:

Mevrouw De Knop, het onderzoek leert dat de ziekenhuizen de noodzaak van samenwerking duidelijk inzien. Samenwerken was natuurlijk het doel van de netwerken. Ik denk dat de resultaten genuanceerd zijn. Als we kijken naar de studie van professor Voets, zien we dat het invoeren van de netwerken in een aantal regio's wel degelijk heeft geleid tot een verbeterde samenwerking en overleg tussen de ziekenhuizen.

We zien wel grote verschillen tussen de regio's en een samenwerking op verschillende snelheden. Dat kan te wijten zijn aan de toch wel moeilijke geografische organisatie van bepaalde netwerken, waardoor planning en afstemming tussen de ziekenhuizen van het netwerk onderling en met de eerstelijnszones niet altijd optimaal is.

Als men kijkt naar de klinische samenwerking, waar het doel van de locoregionale netwerken is om de kwaliteitsvolle locoregionale zorg zo dicht mogelijk bij huis en met een efficiënte inzet van middelen te garanderen, dan ziet men dat in meerdere netwerken diensten zijn samengebracht door middel van shared services .

We zijn ook bezig geweest met het definiëren van de supraregionale zorgopdrachten, die dus niet in elk locoregionaal netwerk moeten worden aangeboden, maar waar concentratie aangewezen is. We hebben een beweging op gang gebracht van erkenning van supergespecialiseerde zorg op supraregionaal vlak, maar daar is inderdaad nog heel veel werk aan de winkel. De studie stelt vast dat de samenwerking voor de locoregionale klinische zorg verder moet worden bevorderd. Dat betekent ook dat de huidige omkadering en regelgeving mee moet evolueren.

Wil ik deze samenwerking verbeteren? Ja, absoluut. Ik denk dat we in de volgende legislatuur een grondige hervorming van het ziekenhuislandschap op de agenda moeten zetten, gebaseerd op samenwerking en rationeler aanbod, en ook concentratie waar nodig en nabijheid waar mogelijk.

Ik denk dat netwerken ten dienste daarvan moeten staan en dat men in het werkveld aanvoelt dat samenwerking tussen de ziekenhuizen, maar ook met de eerste lijn, een must is omwille van de kwaliteit. Dat vraagt investeren in digitalisering en hervorming van de financiering van de ziekenhuizen. We moeten de weg van samenwerking verder inslaan. Dat vraagt brede hervormingen. We zullen dat met de sector moeten aanpakken.

Welke de beste vorm van netwerking is, is inderdaad een punt dat ik ingevolge deze studie verder wil bekijken, vanzelfsprekend in overleg met de deelstaten.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, uw antwoord bevatte heel wat elementen, ik kan nu niet op alle elementen ingaan. Ik ben blij dat u zegt dat het ziekenhuislandschap absoluut aan hervorming toe is en dat dat voor u prioriteit heeft in deze legislatuur. U verwees ook naar de studie. Ik zal ze zelf proberen op te vragen, maar mocht dat niet lukken, hoop ik dat wij die via parlementaire weg kunnen opvragen bij uw kabinet. Ik hoop dat u de grote omwenteling van die netwerken niet zomaar in de papiermand zult gooien, maar er de benefits of goede resultaten uit zult halen en deze zult meenemen in uw toekomstige hervorming.

Het schrijven van het RIZIV aan huisartsen m.b.t. hun voorschrijfgedrag inzake antibiotica

Gesteld aan

Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)

op 24 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om antibiotica-resistentie en het voorschrijfgedrag van Belgische huisartsen, waarvoor het RIZIV hen confronteert met hun cijfers en straks boetes kan opleggen bij onverantwoord gebruik. Point-of-care-tests (CRP)—die virale en bacteriële infecties onderscheiden—zouden huisartsen helpen minder antibiotica voor te schrijven, maar een beslissing over terugbetaling wacht op een rapport (eind september 2024) dat nu wordt afgerond. Doelstellingen zijn een 43% daling in antibiotica-voorschriften tegen 2025 en minstens 80% eerstelijnsantibiotica, met extra ondersteuning (budget, platform) voor de eerste lijn. Domus Medica benadrukt dat investeringen cruciaal zijn, zoals in buurlanden.

Irina De Knop:

Mijnheer de voorzitter, allereerst wil ik nog zeggen dat ik een aantal mondelinge vragen had ingediend, maar dat ik geen idee had dat die allemaal in één commissievergadering zouden worden geagendeerd. Ik wil hier dus zeker niemand ophouden, maar het zijn wel allemaal inhoudelijk interessante vragen.

Ik stel voor dat ik deels verwijs naar de schriftelijk ingediende vraag en dat ik niet de volledige uiteenzetting herneem. Ik zal enkel mijn vraag stellen.

Afgelopen juli kregen 25.000 huisartsen een brief van het RIZIV waarin staat of ze al dan niet te veel antibiotica voorschrijven. Hiermee worden huisartsen geconfronteerd met hun voorschrijfgedrag. Er wordt ook gemeld hoe vaak het gaat om klassieke antibiotica of om antibiotica die niet wordt aangeraden. Het is belangrijk dat de tweedelijnsantibiotica enkel wordt voorgeschreven in uitzonderlijke gevallen om erover te waken dat er nog een antibioticum rest als er resistentie is tegen alle andere antibiotica.

In 2019 bleek dat Belgische huisartsen gemiddeld per tien mensen zeven keer antibiotica voorschrijven. Tegen 2025 moet dat cijfer met 43 procent dalen. Maximaal 23 procent van de patiënten boven de vijftien jaar mag een voorschrift krijgen voor antibiotica. Minimaal 80 procent van die voorschriften moet voor aangeraden antibiotica zijn, ook wel eerstelijnsantibiotica genoemd.

De resistentie tegen antibiotica is één van de belangrijke gezondheidsuitdagingen van de komende decennia. Nu al zouden er elk jaar in Europa meer dan 35.000 mensen aan een infectie met een bacterie die bestand is tegen antibiotica. Op termijn zullen huisartsen die te veel antibiotica blijven voorschrijven hiervoor een boete kunnen krijgen indien ze hun voorschrijfgedrag niet kunnen verantwoorden.

Het Riziv ontwikkelt ook een platform dat artsen moet helpen om juister en met minder veiligheidsrisico's medicatie voor te schrijven. Het gaat dan vooral over behandelingen of onderzoeken die risico's meebrengen, zoals antibiotica en radiologische onderzoeken. Het platform moet ook het aantal nutteloze laboratoriumonderzoeken helpen verminderen.

Jeroen van den Brandt van Domus Medica wijst erop dat ook de Vlaamse huisartsenvereniging al heel wat werk heeft verzet om huisartsen te ondersteunen in hun voorschrijfgedrag. “Maar de eerste lijn heeft ook investeringen nodig om dat voorschrijfgedrag aan te pakken. In onze buurlanden gaat er meer budget naar de eerste lijn om die doelstellingen te realiseren."

Open Vld diende vorige legislatuur een wetsvoorstel in om ook point-of-care -tests terug te betalen. Zo'n test laat toe met meer zekerheid te bepalen of het gaat om een virale dan wel bacteriële infectie. Al jaren wordt geprobeerd om die test terugbetaalbaar te maken in de eerste lijn zodat huisartsen die kunnen gebruiken. Het zou voor hen zeker een belangrijke ondersteuning zijn in de beslissing om al dan niet antibiotica voor te schrijven. We weten ook dat het voorschrijven van antibiotica nog steeds te hoog ligt in België. Inmiddels is een proefproject gestart. Kunt u ons een stand van zaken geven van dat proefproject? Wanneer kan er rond dit dossier een beslissing worden genomen?

Frank Vandenbroucke:

Een implementatiestudie rond het gebruik van de CRP point-of-care -test in de eerste lijn werd gevraagd vanuit de FOD Volksgezondheid in het kader van het nationaal actieplan tegen antimicrobiële resistentie 2021-2024. Volgens de jongste informatie wordt het rapport gefinaliseerd en zal het eind september worden gepubliceerd.

Zodra het RIZIV over dat rapport beschikt, kan een discussie over een eventuele terugbetaling van de CRP point-of-care -test binnen de Technisch Geneeskundige Raad worden opgestart.

Irina De Knop:

Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. We gaan daarmee aan de slag zodra het rapport voorhanden is.

De aanval op en poging tot verkrachting v.e. maatschappelijk assistente in de Antwerpse gevangenis
De strijd tegen drugs in de gevangenissen
Het gebruik van smartphones in de gevangenissen
De verkrachting van een maatschappelijk assistente in de gevangenis van Antwerpen
De gevangenis van Antwerpen (overbevolking, personeelstekort, gebrekkige veiligheidssystemen)
Een ontsnappingspoging in de gevangenis van Wortel
De gevangenis van Haren
De toestand in de gevangenissen
De alarmerende toestand in de gevangenis van Antwerpen
De hallucinante beelden over de gevangenis van Haren die op TikTok circuleren
De situatie in de Belgische gevangenissen
De schrijnende situatie en de onveiligheid in onze gevangenissen en arresthuizen
De zelfmoorden in gevangenissen
De toepassing van de 'guidelines' inzake zelfmoordpreventie in gevangenissen
De geestelijke gezondheid van het gevangenispersoneel
Veiligheids- en leefomstandigheden in Belgische gevangenissen

Gesteld aan

Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)

op 18 september 2024

Bekijk antwoord

AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.

De discussie draait om de alarmerende toestand in Belgische gevangenissen, met focus op veiligheidsfalingen, overbevolking, drugs- en smartphoneproblematiek, en structurele tekorten. Na een brutale aanval op een maatschappelijk werkster in Antwerpen (met falende alarmsystemen en gebrek aan dossierinformatie) benadrukken parlementsleden de urgentie van betere veiligheidsprocedures, infrastructuurinvesteringen en personeelsopleiding, terwijl minister Van Tigchelt (lopende zaken) wijst op beperkte actiemarge maar belooft bestaande systemen te testen en herstellen. Kernproblemen zoals overbevolking (13% te veel gedetineerden, waaronder 1.054 geïnterneerden en 3.800 illegalen), drugs- en gsm-smokkel, en mensonwaardige omstandigheden (gezondheidszorg, hygiëne) blijven onopgelost, met kritiek op gebrek aan langetermijnvisie en slechte coördinatie tussen departementen. Vakbonden en oppositie eisen quota, snellere uitwijzingen, en betere preventie, maar concrete oplossingen ontbreken door de politieke patstelling.

Marijke Dillen:

Mijnheer de voorzitter, er zijn grote problemen in de gevangenissen en het voorval in Antwerpen is onaanvaardbaar. Alle vragen over de gevangenissen werden echter in een actualiteitsdebat geclusterd, hoewel een aantal van die vragen geen betrekking heeft op die problematiek, bijvoorbeeld vraag nr. 55000087C over de strijd tegen drugs in de gevangenissen en vraag nr. 55000088C over het gebruik van smartphones in de gevangenissen. Die vragen gaan niet over de totaliteit van de problematiek. Een aantal van de samengevoegde vragen zou beter apart worden gesteld. Wat denkt u, mijnheer de minister? Ik vrees dat ik anders een aantal onbeantwoorde vragen opnieuw zal moeten indienen.

Voorzitter:

Mevrouw Dillen, normaliter zal de minister een antwoord kunnen geven op al uw vragen. Ik stel daarom voor dat u al uw vragen samen stelt, waarna de andere leden hun vragen kunnen stellen. De minister zal uw acht vragen beantwoorden. Hij is een superminister.

Marijke Dillen:

Dank u wel, mijnheer de voorzitter.

Mijnheer de minister, ik begin met het bijzonder tragische voorval afgelopen week in de gevangenis van Antwerpen, namelijk de agressieve aanval op en poging tot verkrachting van een maatschappelijk assistente. Op maandag 2 september heeft een gedetineerde op zeer agressieve wijze iemand van de PSD aangevallen in het gesprekslokaal. Deze man stond bekend om agressie, maar dit was niet opgenomen in zijn dossier. Het gesprek kende een gewelddadige escalatie en de gedetineerde heeft de fysieke integriteit van het slachtoffer zwaar aangetast, onder meer met een poging tot verkrachting.

Bijzonder verontrust het mij dat de noodknop, die de dame in kwestie probeerde in te drukken, niet bleek te werken, waardoor er geen hulp kwam. Het slachtoffer had ook het walkietalkiesysteem bij zich, waarbij gedurende drie seconden de noodknop moest worden ingedrukt, maar ook daarmee was er een probleem, want de bediening van die knop was niet mogelijk door de agressieve houding van de gedetineerde. Het toestel viel op de grond en ook het alarmsysteem daarvan bleek niet te werken. Toen de centrale eindelijk kennis kreeg van het alarm, werd de verkeerde locatie opgegeven, nog een fout erbovenop.

De overbevolking in de gevangenissen is een reeds lang aanslepend probleem. In de vorige legislatuur hebben we daarover zeer uitvoerig kunnen debatteren. Die overbevolking mag echter geen excuus zijn voor het feit dat de veiligheidsinstallaties niet werken. Ik denk dat wij het er beiden over eens zijn dat de veiligheid in alle omstandigheden een absolute prioriteit moet blijven.

Mijnheer de minister, over die feiten heb ik enkele vragen. Vooreerst had ik graag vernomen hoe het met de dame in kwestie gaat. Wat zij heeft meegemaakt, is bijzonder traumatisch. Ik hoop dat zij goed ondersteund wordt en dat het met haar, ongeacht de omstandigheden, toch al beter gaat.

Graag kreeg ik toelichting betreffende die feiten. De directrice, mevrouw Janssens, heeft een analyse aangekondigd. Wat zijn daarvan de resultaten?

Tegen de betrokken gedetineerde liep een bijzondere voorzorgsmaatregel naar aanleiding van eerdere accidenten die hebben plaatsgevonden. Hoe is het mogelijk, in tijden van informatisering, dat dit niet werd gemeld in het elektronisch dossier en dat het personeel dus niet op de hoogte was van het gewelddadige karakter van de betrokken gedetineerde?

Door de falende infrastructuur is de veiligheid van alle medewerkers in de gevangenis van Antwerpen niet langer gegarandeerd. Wat zult u nu eindelijk doen om ervoor te zorgen dat dergelijke feiten zich in de toekomst niet meer kunnen voordoen?

Dan kom ik bij de problematiek van drugs in de gevangenissen. Dat is een ware plaag, met alle gevolgen van dien. Het is geen nieuwe problematiek, maar de bestrijding ervan moet worden geïntensifieerd. Wij pleiten al jaren voor een volledige nultolerantie tegenover drugs in de gevangenissen. Wij hebben in het verleden – u weet dat – ook al verschillende voorstellen gedaan, onder andere met betrekking tot het systematisch inzetten van drugshonden bij de controle van de bezoekers.

Via de media vernamen we dat de vakbonden van het gevangeniswezen vorig jaar nog met heel veel poeha aankondigden dat zij deze problematiek met betrekking tot drugsopsporing zouden aanpakken. Bij de voorstelling in maart bleek echter dat onder meer het wettelijk kader niet goed genoeg was uitgewerkt om het personeel en de vakbonden die mogelijkheid te geven.

De vakbonden spraken over een toestel om drugs op te sporen. Kunt u hierover wat toelichting geven? Hoe werkt dat toestel? Hoeveel dergelijke toestellen zullen worden aangekocht? Is daar budget voor? Is daar opleiding voor nodig?

Vorig jaar werd gezegd dat het wettelijk kader niet goed is uitgewerkt; dat betreft een kritiek van de vakbonden. Hebt u inmiddels het nodige gedaan om ervoor te zorgen dat er een wettelijk kader komt, zodat dit in orde is?

Bent u bereid om andere initiatieven op te schalen om het gebruik en de aanwezigheid van drugs in onze gevangenissen tegen te gaan?

Een ander probleem betreft de smartphones in de gevangenissen. Uit cijfers blijkt dat in onze gevangenissen honderden, zoniet duizenden gsm's en smartphones circuleren. In 2023 werden in Antwerpen 445 gsm's ontdekt. De vraag is dan hoeveel er niet ontdekt werden, maar dat is een ander verhaal. U kent die cijfers, ze komen uit het jaarverslag van de commissie van toezicht dat verscheen in maart.

Wij weten allemaal dat een gsm in de gevangenis niet zelden gebruikt wordt om illegale activiteiten, in het bijzonder de drugshandel, vanuit de cel voort te zetten of om vluchtpogingen te faciliteren.

Mijnheer de minister, u weet dat wij ons in het verleden regelmatig heel kritisch hebben uitgelaten over het gebruik van smartphones in de gevangenis. Wij kunnen ons er alleen maar over verheugen dat het gevangeniswezen zelf deze problematiek eindelijk erkent en bereid is ertegen op te treden.

Ik zal straks uw antwoord horen, maar als wij de media kunnen geloven, zoekt Justitie naar een verkoper van hoogtechnologische toestellen van een nieuwe generatie die gsm's, smartphones en randapparatuur kunnen opsporen. Het zou gaan om toestellen die een alarmsignaal afgeven, ongeacht of de telefoon in stand-by staat, een sms verstuurt, belt of mobiele data uitwisselt. Volgens de media wil Justitie nog dit jaar een zestal van dergelijke toestellen aankopen en volgend jaar zelfs zestien. Op termijn zou elke bestaande en toekomstige vestiging zo'n operationeel toestel moeten hebben.

De reactie van de vakbonden was onmiddellijk heel sceptisch. Ik citeer er slechts een: "Vorig jaar werd ook met veel bombarie een toestel aangekondigd om drugs op te sporen, maar bij de voorstelling in maart bleek onder meer het wettelijk kader nog niet goed uitgewerkt." Opnieuw: problemen met het wettelijk kader.

Nu, de cijfers inzake het aantal aangetroffen toestellen in alle gevangenissen samen zouden blijkbaar niet structureel bijgehouden worden. De FOD Justitie geeft alleen mee dat de dienst die nationale sweepings uitvoert vorig jaar 340 gsm's aantrof en 237 stuks randapparatuur zoals opladers, USB-sticks of draagbare wifihotspots.

Vandaar een aantal vragen.

Zijn de hoogtechnologische toestellen waarvan sprake aangekocht? Wanneer zullen die in gebruik genomen worden?

Mochten ze al in gebruik zijn, hebt u al tussentijdse resultaten?

Het gebruik van smartphones in de gevangenissen wordt de laatste jaren eigenlijk meer en meer getolereerd. Wij moeten daar niet flauw over doen. Nu wordt een ander beleid vooropgesteld. Betekent dit dat men nu elke smartphone die men vindt in beslag zal nemen? Met andere woorden, is er een nieuw beleid ten aanzien van smartphones in de gevangenissen? Graag had ik daarover wat meer toelichting gekregen.

Tot slot van dit onderwerp, waarom worden er geen cijfers bijgehouden van het aantal aangetroffen toestellen per gevangenis? Zal daarin verandering komen?

Mijn volgende vraag staat eigenlijk los van het algemene thema, maar de voorzitter heeft gezegd dat ik ook deze vraag nu mag stellen. Ze gaat over de ontsnappingspoging in de gevangenis van Wortel.

Op het laatste nippertje is behoorlijk wat weken geleden een spectaculaire ontsnapping uit de gevangenis van Wortel vermeden. Vier gedetineerden braken in alle discretie, steen per steen, hun celmuren af zonder dat de penitentiaire beambten iets merkten. Ze probeerden daarna – gelukkig vergeefs – hun lakens aan elkaar te knopen om over de gevangenismuur te klimmen. Rond drie uur 's nachts ging het alarm van de gevangenis af. Op het laatste nippertje konden de “vier Daltons van Wortel" alsnog door toegesnelde agenten onderschept worden.

Het viertal, volgens de media allen van Marokkaanse afkomst, had geen recht op een wettig verblijf in België en kijkt nog aan tegen enkele jaren celstraf. De onderhandelde deal met Marokko van maart dit jaar, die heel veel aandacht kreeg in de media, om meer veroordeelde onderdanen op te nemen, zou ook meegespeeld hebben bij het bedenken van het ontsnappingsplan.

Ik heb dan ook een aantal vragen hierover.

Hoe is het mogelijk, mijnheer de minister, dat criminelen in de gevangenis van Wortel dagen aan een stuk een celmuur steen per steen kunnen uitbreken zonder dat penitentiaire beambten dit merken? Is er dan te weinig controle?

Is er inmiddels een onderzoek gestart? Zijn er maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat dit in de toekomst niet meer kan gebeuren?

Naar verluidt zou een mogelijke uitlevering aan Marokko een oorzaak geweest zijn van de ontsnappingspoging. Kwamen deze criminelen in aanmerking voor een uitlevering aan Marokko?

Zullen zij daar hun volledige celstraf verder moeten uitzitten? Dat is geen onbelangrijke vraag. Indien dat niet het geval zou zijn, waarom niet?

De volgende vraag kan ik, indien gewenst, ook schriftelijk indienen. Hoeveel criminele, veroordeelde Marokkanen werden sinds het verdrag reeds uitgeleverd aan Marokko om daar hun celstraf uit te zitten?

Mijn volgende vraag betreft de gevangenis van Haren. Personeelsleden daar zeggen dat ze niet genoeg opgeleid zijn om in die gevangenis te werken. Dat staat te lezen in het jaarrapport 2023 van de Toezichtsraad. Volgens het rapport zegt het personeel dat de opening van de gevangenis overhaast was en dat de toenmalige minister van Justitie, uw voorganger Vincent Van Quickenborne, “op de opening had aangedrongen".

Het tekort aan opgeleid personeel in de gevangenis van Haren is een structureel probleem. Nieuwkomers zouden maar twee weken kunnen dubbellopen met een ervaren collega. De opleidingen zouden pas veel later volgen. “Vroeger werd je als ancien beschouwd als je vier jaar ervaring had, hier ben je al ancien na zes maanden", zei een teamleider aan de Toezichtsraad. “Het grootste probleem is dat we hier werken met 10 % ervaren mensen en 90 % nieuwe mensen zonder enige opleiding of stageperiode."

Cipiers die voor de functie detentiebegeleider hadden gekozen, uitten volgens het rapport hun teleurstelling omdat de functie een lege huls blijkt te zijn: “Het gebrek aan personeel heeft ervoor gezorgd dat detentieassistenten geen socialere rol meer kunnen spelen."

Volgens de vakbonden, in het bijzonder de ACOD, ontbreken er op dit ogenblik nog altijd 150 personeelsleden in Haren. Niettegenstaande deze problematiek altijd werd geminimaliseerd door uw voorganger, is de geschetste situatie inderdaad zeer precair. Een familielid van een persoon die zelfmoord pleegde in de gevangenis dreigt nu zelfs de Belgische Staat te dagvaarden wegens het personeelsgebrek.

Kunt u toelichting geven over de situatie vandaag? Hoeveel personeelsleden moeten nog worden aangeworven om tot een volledige bezetting te komen? Hebt u een plan om de capaciteit uit te breiden en bij prioriteit te investeren in opleidingen voor het personeel? Welke middelen zult u daarvoor inzetten?

Ik kom nu tot een vraag in het kader van het hele actualiteitsdebat over de toestand in de gevangenissen. Ik verwijs in het bijzonder naar de jaarverslagen van de toezichtscommissies waarin sprake is van ratten, schurft, stank… Er wordt een zeer ontluisterend beeld geschetst van het leven binnen onze gevangenissen.

Bijna de helft van de 34 commissies waarschuwt voor de gevolgen van de gebrekkige gezondheidszorg. Dat zou u toch na aan het hart moet liggen. 15 commissies waarschuwen ervoor dat de mentale en fysieke gezondheidszorg in hun gevangenis de bodem heeft bereikt. Gedetineerden en geïnterneerden hebben recht op dezelfde kwaliteitsvolle gezondheidszorg als iedereen. Daarover zijn we het waarschijnlijk eens. Volgens dat jaarverslag blijkt dat echter niet te lukken.

Zo kreeg een gedetineerde in Antwerpen geregeld medicatie tegen psychose terwijl hij eigenlijk spierontspanners nodig had. In Leuven is er één tandarts voor ongeveer 500 mensen. Sommige gedetineerden hebben daar blijkbaar wekenlang zware tandpijn zonder dat enige hulpverlening wordt geboden. Eind 2023 bevonden zich in Gent 140 geïnterneerden, hoewel er in de interneringswet van uitgegaan wordt dat de gevangenis geen geschikte inrichting voor geïnterneerden is. In de vorige legislatuur hebben we daar al uitvoerig over gedebatteerd. Gent heeft een psychiatrische afdeling, maar daar is blijkbaar maar één psychiater gedurende twee halve dagen per week beschikbaar. Zo kan onmogelijk aan alle noden worden beantwoord.

De infrastructuur helpt de gezondheid van de gevangenen niet vooruit. Cellen zonder ramen, kapot sanitair en ongewenste huisdieren, het zijn al lang geen uitzonderingen meer. Gent kampt met invasies van muggen en zilvervisjes, in Antwerpen en Sint-Gillis zijn er ratten die via de riolering uit het toilet naar boven zouden komen. Ook in de keuken worden ze waargenomen. Het cachot in Gent stinkt permanent door slechtwerkende toiletten en een gebrek aan verluchting.

Mijnheer de minister, een samenleving wordt beoordeeld door de staat van haar gevangenissen. Met dat citaat opende de Gentse commissie van toezicht vorig jaar haar jaarverslag over de gevangenis van Gent. Uit hetgeen voorafgaat kan niet anders dan worden besloten dat de samenleving er bijzonder slecht aan toe is.

Ik heb dan ook een aantal vragen. Graag krijg ik een reactie op al die uitgebrachte jaarverslagen waarin deze wantoestanden worden aangeklaagd. Wat zult u doen op korte, middellange of lange termijn? Ik weet dat u minister in lopende zaken bent, maar deze problematiek mag niet langer onder de radar blijven. Daar moet dringend iets aan worden gedaan. Wat zult u doen om een einde te maken aan deze mensonwaardige omstandigheden, of dient België eerst opnieuw te worden gedagvaard voor en veroordeeld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens? Tegen wanneer zult u maatregelen nemen? Ik heb nog een cijfervraag, maar die kan ik indien nodig schriftelijk indienen. Kunt u mij een overzicht geven van het aantal veroordelingen de laatste tien jaar door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wegens de wantoestanden in onze gevangenissen?

Ik kom dan tot de alarmerende situatie in de gevangenis van Antwerpen, die losstaat van de gebrekkige veiligheidsinfrastructuur waarmee ik daarnet ben begonnen. Uit de verslagen, verklaringen en getuigenissen van medewerkers blijkt namelijk ook dat de situatie in Antwerpen ronduit alarmerend is. Met personeelstekorten, constante bedreigingen en een verouderde infrastructuur lijkt het systeem op instorten te staan.

Ik citeer: “Het voelt alsof hier permanent iemand met een kettingzaag achter ons aanloopt. Thuis zijn wij bang. Er was al een gevangene die te weten gekomen was welke route wij naar huis nemen.” Dat zijn slechts enkele citaten. Ze zijn werkelijk onbegrijpelijk.

Mijnheer de minister, het tekort aan personeel is een probleem dat al herhaaldelijk werd aangekaart, zowel door de vakbonden als door de gevangenisleiding. Voor de mensen op de werkvloer is de situatie echter ronduit ondraaglijk geworden. Cipiers krijgen de hele zomer geen dag vakantie. Collega’s vallen uit door stress en burn-out. Zij moeten de hele dag brandjes blussen. Een cipier loopt de hele dag rond om de toiletten te ontstoppen, omdat gedetineerden hun kledij doorspoelen. Onlangs waren er vier zelfmoordpogingen op één dag. Dat zijn maar enkele klachten die wij hebben gehoord.

Mijnheer de minister, behalve de zorg voor gedetineerden moeten de cipiers ook de gevangenis opruimen voor de wandelingen, waaronder de koer, die bezaaid ligt met drugs en gsm’s. Zij krijgen te maken met agressieve gedetineerden onder invloed van drugs. De dagelijkse realiteit in de gevangenis van Antwerpen is hard. Het gebrek aan veiligheid is er heel groot. Iedereen hier in de zaal is het er denkelijk mee eens dat die situatie werkelijk onhoudbaar is.

Wat zult u doen om de situatie voor het personeel bij hoogdringendheid te verbeteren en opnieuw draaglijk te maken? Wat zult u doen om de veiligheid opnieuw te waarborgen?

Zult u laten onderzoeken hoe het mogelijk is dat gedetineerden de route van het personeel naar huis te weten komen? Dat is immers bijzonder verontrustend.

Kunt u een overzicht geven van het personeelstekort in Antwerpen? Kunt u mij een overzicht geven van het aantal cipiers dat tijdens de voorbije zomer zijn vakantie niet heeft kunnen opnemen? Mijnheer de minister, iedereen heeft na een jaar hard werken recht op vakantie, zeker tijdens de zomer, om met de kinderen of de familie op vakantie te gaan. Wat zult u doen om ervoor te zorgen dat dit gecompenseerd wordt en dat het personeel in de toekomst zijn vakantie wel kan opnemen?

Collega’s, ik heb nog een laatste vraag in het kader van dit debat.

Ze gaat met name over de hallucinante beelden die deze week op TikTok hebben gecirculeerd over de gevangenis van Haren. Gevangenen kunnen er over de daken lopen of muren beklimmen. Drugspakketjes worden van buiten de gevangenismuren naar gedetineerden gekatapulteerd. Gedetineerden die rondlopen op de daken vangen de pakjes op en werpen ze eenvoudigweg naar de medegevangenen op het recreatieplein. Dat is toch totaal onaanvaardbaar? Nochtans gaan dergelijke beelden over de gevangenis van Haren rond op TikTok. Ik neem aan dat ook u ze gezien hebt. Het is absoluut surrealistisch. Terecht wordt in de media gesteld dat de gedetineerden daar blijkbaar de gevangenis hebben overgenomen.

Mijnheer de minister, kunt u die choquerende en surrealistische beelden toelichten?

De betrokken gedetineerden zijn meer dan waarschijnlijk gekend, aangezien zij zeer herkenbaar in beeld komen. Kunt u een gedetailleerd overzicht geven van de tuchtmaatregelen die werden genomen? Werd er een onderzoek geopend naar de overgooiers? Zijn er vaststellingen gedaan met betrekking tot de daders?

De gevangenis van Haren is een recente gevangenis, gebouwd toen de overgooiproblematiek reeds bekend was. Waarom werd daar bij het ontwerp van de plannen geen rekening mee gehouden?

Welke initiatieven worden er genomen om die overgooiproblematiek in de toekomst te voorkomen? Zullen er bij hoogdringendheid aanpassingen gebeuren?

Voorzitter:

Collega's, ik wens eraan te herinneren – ik had dit misschien voorafgaand aan het debat moeten doen – dat in een actualiteitsdebat een spreektijd van twee minuten per vraag geldt.

Het woord is aan mevrouw De Wit voor de N-VA-fractie.

Sophie De Wit:

Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, voor mij zal twee minuten spreektijd wel volstaan. Collega Dillen schetste de context al.

In de gevangenis van Antwerpen werd een maatschappelijk assistente aangevallen door een gedetineerde. Ze kreeg niet op tijd hulp aangezien de alarmknoppen niet werkten. Een aantal zaken liepen daar grondig fout, met heel zware gevolgen. Het bleek ook om een niet-ongevaarlijke gedetineerde te gaan, maar die informatie was niet doorgegeven. Uiteindelijk zit de persoon die daar kwam om te helpen nu zwaar geschaad thuis. Bovendien zijn de andere maatschappelijk assistenten nu uiteraard weigerachtig om hun werk binnen de gevangenismuren voort te zetten. Nochtans is dat werk cruciaal met betrekking tot reclassering. De overheid heeft hier gefaald, de systemen hebben gefaald.

Waarom werkten die alarmsystemen niet? Waren ze te oud en onvoldoende nagekeken? Is hetgeen wij daarover in de pers lezen juist? Ik neem aan dat er procedures zouden moeten zijn om dergelijke zaken regelmatig te testen. Als dat niet gebeurt, lijkt mij dat nalatigheid.

Is dat trouwens enkel een probleem in Antwerpen of bestaat dat ook in andere gevangenissen? Ik neem aan dat u dan al lang een ordemotie hebt uitgestuurd om te controleren hoe de situatie elders is. Hebt u dat gedaan?

Hoe zal het nu verder lopen in de praktijk? Reclassering is belangrijk, evenals de gesprekken van maatschappelijk assistenten met gedetineerden. Hoe verloopt het verder met betrekking tot alle organisaties die hebben laten weten dat ze geen gesprekken meer willen voeren in de gevangenissen?

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, de problematiek werd al geschetst.

Veel leden van deze commissie zijn al eens in een of andere hoedanigheid, de meesten als advocaat, in een gevangenis geweest. Ze hebben toen gesproken met gedetineerden, vaak alleen en in een klein en kaal lokaal. De penitentiaire beambten staan buiten. Er is alleen een tafel, een stoel en een noodknop.

Ik zal eerlijk zijn: toen ik als jonge advocaat voor de eerste keer in zo'n lokaal binnenkwam en een relatief zware cliënt voor mij had, was ik niet echt op mijn gemak. Heel veel mensen hebben waarschijnlijk hetzelfde gevoel, niet alleen advocaten maar ook andere mensen die in welke hoedanigheid dan ook een afspraak hebben met een gedetineerde. Na de feiten die zich hebben voorgedaan, kan ik me voorstellen dat er wel een en ander door het hoofd gaat wanneer men vandaag alleen in zo'n lokaal binnengaat. Zit ik hier veilig? Zullen de penitentiaire beambten mij horen als er iets gebeurt? Zal de noodknop werken als ik die nodig heb? Dat overstijgt de gruwelijke feiten die zich hebben voorgedaan, maar illustreert wel hoe moeilijk de situatie is voor mensen die dagelijks in dergelijke situaties moeten werken.

Ik heb daarom een aantal heel concrete vragen ingediend. Een deel ervan werd reeds door de collega's gesteld.

Hoe kunnen dergelijke incidenten in de toekomst worden vermeden?

Gebeurt het vaak dat er door een personeelstekort veiligheidsprocedures niet kunnen worden nageleefd, zoals het aantal cipiers in de gang?

Wie is er verantwoordelijk voor de controle en het onderhoud van de veiligheidssystemen?

De PSD neemt in Antwerpen geen nieuwe dossiers meer aan. Wat zijn de eisen van het personeel? Hoe zult u daaraan tegemoetkomen?

Is de psychosociale begeleiding van gedetineerden gegarandeerd? Heeft de PSD voldoende capaciteit om de begeleiding, zoals wettelijk bepaald, te kunnen uitvoeren?

Greet Daems:

Mijnheer de minister, wat er op 2 september gebeurd is in de gevangenis van Antwerpen is vreselijk. Mijn gedachten gaan dan ook uit naar die maatschappelijk werkster. Ik denk ook aan haar familie, vrienden en collega's van de Begijnenstraat en daarbuiten. We weten ondertussen dat er drie technische zaken misgelopen zijn: de alarmknop was niet aangesloten, het mobiele alarm gaf de foute locatie aan en niet alle informatie stond in het digitale systeem. Het is helaas geen probleem van Antwerpen alleen. Veel inrichtingen hebben ermee te kampen. De vakbonden hebben daarom aangedrongen op veiligheidsinstructies voor alle gevangenissen. Zijn die instructies overal uitgestuurd? Over welke instructies gaat het specifiek?

De problemen gaan natuurlijk veel verder dan alleen de falende infrastructuurproblemen. Ook de personeelstekorten en de overbevolking van de gevangenissen zijn een verklaring voor dit drama. Het gaat om problemen die u en uw voorgangers nooit structureel hebben aangepakt. U schuift het verlengde penitentiaire verlof naar voren als oplossing, maar dat is onvoldoende. Andere voorstellen van de vakbonden hebt u afgeschoten.

Mijnheer de minister, wat zult u, in de tijd die u rest in lopende zaken, nog doen om de overbevolking echt aan te pakken?

Mijn laatste vraag gaat over de verstrenging van de minimale dienstverlening. Het KB zou sinds 22 augustus al terug zijn van de Raad van State. Er was beloofd dat de vakbonden de conclusies van de Raad van State meteen mochten inkijken. Dat is niet gebeurd. Nu blijkt dat ze pas over een paar dagen inzage zullen krijgen. Dat is niet alleen een gebroken belofte, maar ook misprijzen ten opzichte van de vakbonden en het gevangenispersoneel.

Mijnheer de minister, vanwaar komt het gebrek aan respect voor de vakbonden? Waarom geeft u hun niet meteen inzage?

Jinnih Beels:

Mijnheer de minister, het arresthuis in Antwerpen werd dit jaar geteisterd door meerdere incidenten, waaronder dagenlange foltering, vechtpartijen en onlangs de fysieke mishandeling en aanranding van een maatschappelijk werkster. We weten intussen ook dat de alarmsystemen in verschillende gevangenissen en arresthuizen niet naar behoren werken. Het personeel op het terrein kan dus niet in veilige omstandigheden functioneren.

Er zijn verschillende noodkreten uit het veld gekomen, maar de regering is er niet in geslaagd om het personeel van de gevangenissen en arresthuizen voldoende te beschermen, wat een grove nalatigheid is. De structurele overbevolking in de gevangenissen en arresthuizen is onder meer het onderliggende probleem van veel incidenten. Dit wordt ook door verschillende mensen in het werkveld beaamd.

Ik ben mij ervan bewust dat u en de huidige regering een aantal initiatieven hebben genomen, zoals de uitrol van detentiehuizen en de bouw van een nieuw arresthuis in Antwerpen en de creatie van 1.200 extra plaatsen. Helaas zijn dat druppels op een hete plaat.

Wat voor mij echter van fundamenteel belang is, is dat het personeel op het terrein te allen tijde zijn werk veilig kan uitvoeren. Naast het risico dat we opnieuw met opstanden in de gevangenissen te maken zullen krijgen, zoals ik zelf als ex-politiecommissaris al heb mogen ondervinden, is het slechts een kwestie van tijd – laten we hopen van niet – vooraleer de volgende maatschappelijk werkster of cipier misschien niet meer in staat zal zijn om het na te vertellen.

Ondanks het feit dat de regering in lopende zaken zit, heb ik toch nog de volgende vier vragen voor u.

Welke maatregelen zult u nemen om de veiligheid van het personeel op zeer korte termijn, het liefst vanaf morgen, te verbeteren?

Welke initiatieven zult u nemen om ervoor te zorgen dat iedere gevangenis en ieder arresthuis effectief uitgerust is met de juiste en functionerende alarmsystemen?

Wat is uw onderbouwde mening, met zowel de pro’s als de contra’s, over het voorstel om in gevangenissen en arresthuizen, net zoals in de FPC’s of ziekenhuizen, met quota’s te werken, zoals de sector al jarenlang vraagt?

Welke concrete initiatieven zult u nemen om de alternatieve pistes van detentiecentra en transitiehuizen ook effectief verder uit te rollen?

Voorzitter:

Les trois questions suivantes sont posées par notre collègue Sarah Schlitz. Elles portent sur les suicides en prison, la mise en œuvre du guide sur la politique de prévention du suicide en milieu carcéral et la santé mentale du personnel pénitentiaire. Je rappelle aussi que ceci a lieu dans le cadre d'un débat d'actualité et que deux minutes sont allouées par question. Chère collègue, vous avez la parole.

Sarah Schlitz:

Monsieur le président, je vais en référer à mes questions écrites, si c'est possible. Ce sera plus simple.

Voorzitter:

C'est toujours possible, et c'est encore plus rapide.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je suis alertée sur la question très préoccupante des nombreux suicides dans nos prisons.

Mes questions sont les suivantes:

- Combien de personnes se sont suicidées en 2023 et depuis le début de l'année 2024 dans les prisons belges? Pouvez-vous me donner ce décompte par prison.

- Comment ce décompte est-il fait: est-ce que toutes les personnes ainsi décédées sont prises en considération dans le décompte ou, si la personne décède à l'hôpital, est-elle exclue de ce décompte?

- Un guide adressé à l'administration pénitentiaire demande qu'un décompte des tentatives de suicide soit réalisé: est-ce que cela est effectivement fait? Si oui, selon quels critères et quels sont les chiffres?

- Qu'est-ce qui est prévu en termes de prise en charge pour les personnes détenues avant un passage à l'acte? Comment le choix de l'affectation dans une cellule/une unité/à un étage se fait-elle?

Monsieur le Ministre, un guide sur la politique de prévention du suicide a été diffusé par la DG-EPI en 2023. Le guide liste une série de recommandations, parmi lesquelles:

- Les numéros de téléphone doivent être affichés de manière visible dans les sections (idéalement, à côté des téléphones s’il n’y a pas de téléphone en cellule).

- Dans les établissements disposant d’une plateforme numérique ou d’un canal d'information, des informations sur l’offre sont présentées par cette voie.

- Des dépliants de Télé-Accueil et de la prévention du suicide sont mis à disposition.

- Des ouvrages sur la prévention du suicide sont mis à la disposition des détenus à la bibliothèque.

- La disponibilité d’un téléphone d’urgence et la procédure permettant d'appeler le centre de prévention du suicide et Télé-Accueil, par exemple via un téléphone sans fil, doivent être examinées s’il n’y a pas de téléphone en cellule ou s’il s'agit d'une cellule collective.

- La création d’un groupe de messagerie consacré à la prévention du suicide regroupant les acteurs suivants: direction, AP, SPS, équipe soins et service médical.

Pourriez-vous m'indiquer si ces recommandations ont été mises en œuvre dans l’ensemble des établissements pénitentiaires? Comment ce contrôle est-il effectué? Je vous remercie pour vos réponses.

Monsieur le Ministre, les conditions de travail sont de plus en plus difficiles pour le personnel pénitentiaire. En témoignent les grèves qui ont été nombreuses en début d’année.

- Comment les agents sont-ils informés des ressources et procédures à sa disposition pour faire face à des difficultés psychologiques?

- En début d’année, vous avez évoqué la mise en place d’une politique de gestion des conflits active dans 24 établissements. Pourriez-vous m'indiquer dans lesquels?

- Dans ce cadre, les agents peuvent-ils bénéficier d’un accompagnement en termes de santé mentale?

- Qu'en est-il dans les établissements dans lesquels cette politique n’est pas mise en place? Je vous remercie pour vos réponses.

Voorzitter:

Zijn er collega's van andere fracties die in dit debat vragen wensen te stellen? ( Neen )

Paul Van Tigchelt:

Mijnheer de voorzitter, Wat op 2 september gebeurd is in de Begijnenstraat, is inderdaad vreselijk. Jullie hebben het gezegd en wij kunnen het inderdaad niet anders omschrijven. Als minister van Justitie voel ik mij daar dan ook echt verantwoordelijk voor.

Het is misschien niet de gewoonte, maar ik wil eerst de oude en de nieuwe leden, en zeker ook de nieuwe voorzitter van de commissie voor Justitie gelukwensen. Ik zou normaal gezien ook tussen jullie zetelen, maar ik zit nu nog hier. Dat is vrij eigenaardig, moet ik eerlijk toegeven.

De commissie voor Justitie – en dit zeg ik voor de nieuwe leden – heeft een goede reputatie. Zij die hier al langer zetelen, kunnen daarvan beter getuigen dan ik. De commissie voor Justitie is actief, kritisch en zeer actief bezig met wetgeving. Daar kan ik van getuigen. Als ik even chauvinistisch mag zijn, merk ik op dat de nieuwe leden van de commissie voor Justitie vooral uit de provincie Antwerpen komen. Ik meen dus dat de toekomst van de commissie voor Justitie gegarandeerd is.

Ik zei het al, het is een beetje bizar dat ik hier nog zetel als minister in lopende zaken. Ik moet u niet uitleggen dat dit betekent dat ik terughoudend moet zijn. Dat neemt niet weg dat ik mijn verantwoordelijkheid wel wil opnemen en dat ik in alle transparantie zoveel mogelijk wil antwoorden op de gestelde vragen. Maar u weet dat de bevoegdheden van de regering in lopende zaken – in het Engels de caretaker government – zeer beperkt zijn. Ik moet vanuit democratisch oogpunt zeer terughoudend zijn in het nemen van nieuwe beleidsinitiatieven.

Er is één fractie, de Vlaams Belangfractie, die mij vandaag vele vragen stelt als: wat zult u doen, welke initiatieven zult u nemen, welke middelen zult u vrijmaken voor probleem X of voor probleem Y? Wel, ik zal u wat dat betreft moeten ontgoochelen. Dat is niet aangenaam voor u, maar dat is voor mij ook niet zo aangenaam. Lopende zaken zijn echter wat ze zijn. Het is goed dat wij hier kunnen samenzitten en ik hoop dat wij ons goed zullen kunnen vinden in het begrip "lopende zaken".

En ce qui concerne les problèmes dans les prisons, nous avons déjà eu ce débat à de nombreuses reprises, dernièrement le 26 mars 2024 après l'incident dramatique dans la cellule 1311 de la Begijnenstraat. Comme vous le savez, nous avons toujours essayé d'être ouverts au débat et, comme je l'ai déjà dit, je reste disponible pour cette commission. J'essaie dans la mesure du possible de répondre à toutes vos questions.

Er zijn een aantal heel terechte vragen gesteld. Ik wil niet te veel doceren. Ik probeer het kort te houden, maar ik wil het eerst nog even over de overbevolking hebben. Dat is een oud fenomeen, waarvoor verschillende oorzaken kunnen worden aangehaald. Ik wil enkele elementen nog eens heel specifiek aanhalen, omdat er misverstanden over bestaan en blijven bestaan.

Ten eerste, meer dan 50 % van de veroordeelden blijft tot de laatste dag van het strafeinde in de cel. Er is daarover dus nog steeds een misverstand, dat door sommigen bewust wordt opgepookt, namelijk dat gedetineerden d’office na een tweede of een derde van hun straf vrijkomen. Niets is minder waar. Dat is vooral een evolutie, die u positief of negatief mag noemen, maar die merkbaar is sinds die bevoegdheid is weggehaald bij de uitvoerende macht en aan de rechterlijke macht gegeven werd. De strafuitvoeringsrechters blijken in de praktijk – dat is een feit, waarover ik geen oordeel heb – vrij streng te zijn in het vrijlaten van gedetineerden. Er is uiteraard ook een categorie gedetineerden die er bewust voor kiest tot het strafeinde in de gevangenis te blijven zitten, om aldus aan het moeilijke toezicht van politie en justitieassistenten te ontsnappen, maar meer dan 50 % van de gevangenen blijft dus tot het strafeinde in de gevangenis.

We weten ook dat er een probleem is dat vaak terecht is aangehaald door leden van de commissie voor Justitie, met name het hoge recidivecijfer in ons land. Ik moet eerlijk bekennen dat de cijfers waarover justitie beschikt niet altijd erg actueel en pertinent zijn. We weten echter, uit de recentste cijfers waarover wij beschikken, dat meer dan 70 % van de veroordeelden die vrijkomen, binnen de vijf jaar na vrijlating nieuwe feiten pleegt en dus opnieuw voor een rechter verschijnt. Collega’s, meer dan 70 %, dat is ook een politieke verantwoordelijkheid. Ik wil in dat verband twee specifieke problemen aanhalen, die eigenlijk vreemd zijn aan justitie, maar waarmee justitie wel wordt geconfronteerd en die goeddeels de historische overbevolking mee verklaren.

Momenteel zitten 1.054 geïnterneerden in onze gevangenissen. Dat is opnieuw een verdubbeling ten opzichte van tien jaar geleden. Wij weten allemaal – ik hoef dit niet mee te geven aan dit gespecialiseerde publiek – dat geïnterneerden mensen zijn met psychische problemen, die niet in de gevangenis thuishoren. Zij hebben specifieke zorg nodig, die hun geboden moet worden in de FPC’s, in het forensische zorgcircuit of in het reguliere psychiatrische circuit. Daar werkt men inderdaad met quota, mevrouw Beels.

Ook bij de DVZ werkt men met quota. Vandaag zitten er immers niet alleen 1.000 geïnterneerden in onze gevangenissen, maar ook meer dan 3.800 mensen zonder papieren. Het gevangeniswezen werkt niet met quota, maar – ik druk mij oneerbiedig uit, maar ik wil het duidelijk stellen – het is al jaren de vergaarbak voor alle problemen die zich in onze samenleving voordoen. Haal die 1.000 geïnterneerden en die 3.800 mensen zonder papieren eruit en er is geen sprake van overbevolking. Dat is een redenering die heel kort door de bocht gaat, maar ik wilde dat punt toch even maken. Aan wie blijft beweren dat justitie een fout heeft gemaakt door de korte straffen uit te voeren, zeg ik dat dit de wereld op zijn kop is, want justitie moet haar eigen straffen uitvoeren. Voor mij zijn straffen tot drie jaar geen korte straffen.

Als laatste element wat de overbevolking betreft, wil ik nog het volgende zeggen aan collega Van Hoecke. In sommige vragen laat u uitschijnen dat justitie en politie in dit land niets zouden doen. Welnu, de ongeveer 12.400 gedetineerden komen niet zomaar in de gevangenissen. Dat is dankzij het werk van justitie en politie. We hebben het de voorbije maanden vaak gehad over Sky ECC en de 'successen'. De problemen met de georganiseerde criminaliteit en drugs zijn nog verre van opgelost, maar het is wel een feit dat politie en justitie successen hebben geboekt en dat 4.500 van de meer dan 12.000 gedetineerden in de gevangenis zitten voor drugsmisdrijven. Dat zijn enkele randbemerkingen die ik toch wilde maken.

On sait tous qu'il n'y a pas de solution miracle aux problèmes de nos prisons. Si cette solution existait, les problèmes seraient résolus depuis des années.

Verschillende sprekers hebben aangehaald dat er in de afgelopen legislatuur 1.260 plaatsen bij gekomen zijn. Vaak gaat het ook over beslissingen van de voorgaande regering die in de afgelopen legislatuur uitgerold werden, net zoals de toekomstige regering hopelijk plaatsen zal kunnen openen die door de huidige – thans in lopende zaken – regering zijn beslist. Zo verloopt het nu eenmaal, al frustreert dat ons allemaal. Het gaat traag. Voor een stuk kijk ik daartoe naar de Regie der Gebouwen, maar die bevoegdheid komt mij niet toe in de periode van lopende zaken. Het is nu eenmaal zo.

De capaciteit zal tegen het einde van het jaar 11.100 bedragen. Ik heb de cijfers nog eens nagekeken die ik meegedeeld heb in de vergadering van de commissie voor Justitie van 26 maart 2024. Ik kan vaststellen dat wat ik toen heb gezegd op een tiental na klopt. De huidige capaciteit is 11.010 en tegen het einde van het jaar zal die 11.100 bedragen. Op het moment van de commissievergadering van 26 maart bedroeg de capaciteit 10.760. Naast de toename tot 11.010 en tot 11.100, op het einde van het jaar, staan nog tal van projecten in de steigers die in de loop van 2025 en in het voorjaar van 2026 hopelijk de capaciteit zullen doen toenemen met zowat 400 plaatsen, waardoor de capaciteit op 11.500 gebracht zal worden. Draai of keer het zoals u wilt, ofwel halen we er een aantal mensen uit, bijvoorbeeld geïnterneerden, bijvoorbeeld illegalen, ofwel creëren we capaciteit bij. Ik meen dat we op verschillende sporen moeten inzetten. Een van de zaken is dat de capaciteit toeneemt. Dat is gepland. Het komt de volgende regering toe om daar al dan niet een andere richting aan te geven.

Investeren in bijkomende plaatsen betekent ook investeringen in bijkomend personeel, zoals u wel weet. Er is wat mij betreft geen misprijzen voor de vakbonden, mevrouw Daems. Die spelen hun rol. We hebben geïnvesteerd in extra personeel. Dat is u allen bekend, want op de versnelde aanwerving van personeel is er ook kritiek geuit, aangezien er een spanningsveld ontstaat tussen de snelheid van aanwerving en voldoende opleiding. Dat probleem manifesteert zich voor een stuk in Haren, maar we hebben dus wel extra personeel aangeworven. In de afgelopen vier jaar zijn in totaal maar liefst 4.000 personeelsleden aangeworven voor de gevangenissen. De medische teams en de zorgteams hebben we versterkt. Nogmaals, daarmee breng ik geen hoeraverhaal, ik geef gewoon de feiten. We zijn er nog niet, dat weet ik ook wel.

Wij hebben het bewakings- en administratief kader versterkt, zowel in de nieuwe als in de bestaande gevangenissen. Op vele vlakken was er effectief een inhaalbeweging nodig. Collega Daems, ik geef het toe, ondanks die inspanningen blijft er in sommige inrichtingen, niet in alle maar in sommige, effectief een personeelstekort.

De overbevolking is gedaald. Het kan vreemd klinken als ik dat zeg, maar ze is gedaald ten opzichte van 10 jaar geleden. Ze bedraagt nu 13 %, 10 jaar geleden bedroeg ze 24 %. Dat is onder meer het gevolg van het optrekken van het aantal plaatsen in onze gevangenissen.

Ik wil daaraan toevoegen dat de capaciteit die ik net vermeldde nog steeds onvoldoende is voor de meer dan 12.300 gedetineerden. In commissie en plenum heb ik al vaak gezegd dat de eerste ambitie moet zijn om nul grondslapers te hebben. Ik kan u in alle eerlijkheid zeggen dat dit tijdens de vakantie niet gelukt is. Zeker in de Begijnenstraat worden wij opnieuw geconfronteerd met tientallen grondslapers.

Het aantal gedetineerden blijft nog stijgen, tot onze verbazing. Wij hebben het zelf niet in de hand. Net zoals wij de uitstroom niet in de hand hebben – dat is een beslissing van strafuitvoeringsrechters – hebben wij de instroom ook niet in de hand, want die ligt in handen van parketmagistraten en onderzoeksrechters. Traditioneel zien wij tijdens de zomer een daling van het aantal gedetineerden. Nu is het aantal blijven stijgen. Justitie en politie zitten blijkbaar niet stil, ook niet tijdens de zomer. Die gedetineerden komen er niet vanzelf.

De gevangenissen zijn inderdaad verplicht om elke inkomende gedetineerde op te nemen. Collega Beels, de voorzitter ad interim van de FOD Justitie, mevrouw Sarah Blancke, die zal vertrekken op 1 oktober, pleit inderdaad voor quota in de gevangenissen. In tegenstelling tot gesloten centra, FPC's en centra voor illegalen zijn er voor de gevangenissen geen quota. Het gevangeniswezen kan vandaag niet zeggen dat de gevangenissen vol zitten en dat er een stop is.

Dat maakt dan inderdaad ook dat de gevangenissen een beetje – dit is een unconvenient truth, maar het is wel een waarheid – een vergaarbak worden voor problemen die elders niet worden opgelost. Het resultaat is dat gevangenissen problemen van andere departementen ondervangen. Er zijn meer dan 1.000 geïnterneerden en meer dan 3.800 gedetineerden zonder recht op verblijf. Het resultaat is inderdaad – dat is correct, collega Daems – dat het personeel gebukt gaat onder een grote werklast, dat de veiligheid onder druk staat en dat we hier nu in de commissie voor Justitie zitten om al die problemen te bespreken. De overbevolking, het personeelstekort, de veiligheid binnen onze inrichtingen en de staat van de gebouwen blijven inderdaad problemen die bijkomende initiatieven en maatregelen vergen.

Collega Beels, u sprak over het beleid van de huidige regering tijdens de vorige legislatuur. Ik denk dat ik het zo juridisch correct zeg, want het is nog de huidige regering. Het zouden druppels op een hete plaat zijn. Daar ben ik het niet mee eens. We hebben het geweer van schouder veranderd en dat is eigenlijk al gebeurd onder de Zweedse regering. Een derde van de infrastructuur is vervangen. Tegen dit tempo is tegen 2031 de helft van de verouderde infrastructuur vervangen. Ik ben het met u eens dat dat veel te traag gaat. Koken kost geld, maar nu is dus een derde van de infrastructuur up-to-date en tegen 2031 de helft. We investeren in bijkomende capaciteit en we nemen ook maatregelen om anders te straffen. Ik kom daar nog op terug. We willen alternatieven voor de gevangenisstraf meer 'promoten'. Ik vind dus wel dat dat meer is dan druppels op een hete plaat. Ook de initiatieven die we hebben genomen voor de detentiehuizen en detentiebegeleiders mogen hier aangehaald worden.

Voor bijkomende initiatieven en maatregelen moet ik als ontslagnemend minister in een regering in lopende zaken een zekere terughoudendheid aan de dag leggen. Nieuwe initiatieven kan ik niet nemen. Ik ben ook niet in de mogelijkheid om in extra financiële middelen te voorzien. Normaal zijn we nu bezig met beleidsnota's, beleidsverklaringen en de begrotingsopmaak, maar er is dus niets van dat alles. Ik hoef u de omzendbrief over de lopende zaken niet te citeren.

Ik hoop, en ik ga ervan uit, dat de volgende regering de ingeslagen weg zal volgen. Wat is die ingeslagen weg?

Ten eerste, alle straffen moeten worden uitgevoerd. Een justitie die dat niet doet, is geen geloofwaardige justitie. Een justitie waarbij de uitvoerende macht zomaar beslissingen van rechters aan de kant schuift, is niet ernstig in een rechtsstaat. Alle straffen moeten worden uitgevoerd.

Ten tweede, wij moeten straffen op maat hebben. Dat punt heb ik daarnet ook gemaakt. Wij hebben in de commissie voor Justitie hard gewerkt aan het nieuwe Strafwetboek, waarin de gevangenisstraf een ultimum remedium is. We spraken daar al lang over. Wij hebben dat nu effectief verankerd in ons Strafwetboek. Een rechter die een straf van niveau 2 wil uitspreken, moet motiveren waarom hij een gevangenisstraf oplegt en waarom een andere straf dan een gevangenisstraf niet gepast is.

Ten derde, als er dan toch een gevangenisstraf opgelegd wordt, moet die zinvol zijn. Ik heb het recidivecijfer aangehaald, namelijk 70 %. Een zinvolle gevangenisstraf is een straf waarbij de gedetineerde wordt begeleid, vandaar de detentiehuizen. Dat is geen Belgische uitvinding, dat is iets dat uit Scandinavië komt, vandaar ook de detentiebegeleiders.

Zinvol straffen moeten wij doen vanuit een menselijk oogpunt. Gedetineerden zijn mensen. Wij moeten dat doen vanuit een maatschappelijk oogpunt, want onze maatschappij wordt daardoor veiliger. En wij moeten dat ook doen vanuit een economisch oogpunt, want hoewel ik het niet kan berekenen, ben ik ervan overtuigd dat zinvol straffen op termijn ook budgettair zal lonen. Als wij niet investeren in gedetineerden, blijft het recidivecijfer hoog. De maatschappelijke kosten zijn dan ook bijzonder hoog. Kortom, wij moeten aan begeleiding doen.

Wij botsen echter ook voor een deel op onze staatsstructuur. Ik leg de bal niet in het kamp van de gemeenschappen, dat is niet mijn bedoeling, maar u weet dat de begeleiding al voor een goed deel geregionaliseerd is en dat de gemeenschappen dus ook hun duit in het zakje moeten doen.

Chers collègues, j'ai regroupé vos nombreuses questions en différents thèmes afin d'essayer de vous répondre de manière structurée.

Het is vreselijk wat er in de gevangenis van Antwerpen gebeurd is. Er werd expliciet gevraagd hoe het met het slachtoffer gaat. Ze heeft echter via haar hiërarchie laten weten dat ze op haar privacy gesteld is. U zult mij dat niet kwalijk nemen, maar ik zal dus op haar vraag geen informatie verstrekken.

Er loopt een gerechtelijk onderzoek. De zaken die daarover gezegd en geschreven zijn in de pers zijn grotendeels juist. Het slachtoffer werd dus brutaal betast en seksueel aangerand. Het parket voert een onderzoek ter zake. De verdachte is een man die vastzat voor diefstallen. Hij zat in eerste instantie in voorlopige hechtenis en is na zijn veroordeling door de correctionele rechtbank in strafuitvoering gebleven. Op het ogenblik van de feiten, namelijk op 2 september, zat hij dus in strafuitvoering.

De man bleek ook – en ik zeg dat met de nodige voorzichtigheid – mentale problemen te hebben. Dat is een algemene term en dat zal dus verder bevestigd moeten worden. We zien dat echter vaak in de gevangenissen. Ik heb immers nog niet gezegd dat een derde van de geweldsincidenten door geïnterneerden wordt gepleegd. Dat zijn dus mensen die psychische zorg nodig hebben. Zij zijn extra vatbaar voor het plegen van geweld tegen ons penitentiair personeel.

Ik zal het nu hebben over de veiligheidsprocedures, de noodknop en het mobiele alarm. Ik vat het samen, want u hebt het goed gelezen in de pers. De noodknop, die aan de muur hing, functioneerde niet. Elk personeelslid is ook uitgerust met een gsm met een mobiel alarm, en dat heeft wel gewerkt. Volgens de gevangenisdirectie en de informatie die mij verstrekt werd, was er na ongeveer één minuut bijstand aanwezig. In dergelijke verschrikkelijke omstandigheden zijn 60 seconden echter een eeuwigheid. Dat waren dus 60 seconden te veel.

Het incident heeft problemen blootgelegd. De vaste alarmknop werkte niet en bleek zelfs niet aangesloten te zijn. Hoewel dergelijke alarmknoppen niet het primaire alarmsysteem binnen de gevangenissen zijn, is zoiets onaanvaardbaar. Die knop wordt geacht te functioneren. Inmiddels zijn die alarmknoppen – niet alleen in de Begijnenstraat, maar ook in alle andere gevangenissen – gecontroleerd, aangesloten en getest. Technische mankementen zijn altijd mogelijk, maar dan moeten die aan het licht komen tijdens de testen.

Het mobiele alarm werkte wel. Zoals collega Dillen al zei, kon het slachtoffer de knop wel indrukken, maar duurde het te lang voor men haar wist te lokaliseren. Het DG EPI heeft mij laten weten dat nieuwe testen van het systeem worden uitgevoerd en maatregelen worden genomen om dat probleem te verhelpen. Er waren veiligheidsmedewerkers op de gang, maar zij waren inderdaad pas na een minuut ter plaatse om hulp te bieden. Er wordt ook geëvalueerd of het wel aangewezen is om iemand in zo'n lokaal alleen te laten met een gedetineerde.

Ik herhaal dat naar aanleiding van het incident met de noodknop in de Begijnenstraat ook in de andere gevangenissen de veiligheidsprocedures worden herbekeken en testen worden uitgevoerd.

Ik zeg dit met heel veel schroom, want ik vind het moeilijk om dat te zeggen, maar in de gevangenis zitten geen koorknapen. Daarom moeten de veiligheidsprocedures functioneren. Het is moeilijk te aanvaarden dat die noodknop niet functioneerde, maar zelfs als we ervoor zorgen dat alle veiligheidsprocedures 100 % werken, dan nog kunnen wij geen absolute veiligheid garanderen. Het spijt me dat ik dit moet zeggen, maar ik denk dat ik dat hier wel moet doen. U moet mij die kritische vragen stellen, maar ik kan niet garanderen dat er nooit meer iets zal gebeuren in de gevangenis als alle veiligheidsprocedures 100 % worden nageleefd. Dat is niet zo in de buitenwereld en dat zal intra muros ook niet zo zijn. Dat neemt echter niet weg dat we er alles aan moeten doen om die veiligheidsprocedures correct toe te passen en te controleren.

De werkdruk van het personeel is hoog. Collega Daems, wij hebben respect voor elk personeelslid dat dagelijks in die moeilijke omstandigheden moet werken. Ik hoed mij er echter voor om het personeelstekort of de overbevolking als verschoningsgrond aan te wenden om de veiligheidsprocedures niet te respecteren. We moeten ook in die situaties kunnen vertrouwen op die procedures en die worden nu op scherp gezet. Ik twijfel er niet aan dat u dit zult opvolgen. Zolang ik minister in lopende zaken blijf, zal ik dat ook opvolgen en mij hierover laten rapporteren.

De videobeelden uit de gevangenis van Haren op TikTok zijn door de politie en het gevangeniswezen bekeken. Het overgooien door middel van een katapult, zowel in Haren, in de Begijnenstraat in Antwerpen als in andere gevangenissen, is de voorbije jaren een plaag geworden. De overgooiproblematiek heeft altijd bestaan, maar de laatste jaren is dit exponentieel toegenomen. Nooit eerder kregen gevangenen zoveel luchtpost als in de afgelopen maanden. Het gaat dan over drugs, smartphones en andere vaak onschadelijke en soms schadelijke zaken.

Er worden maatregelen genomen en in het nieuwe Strafwetboek werd deze praktijk strafbaar gemaakt. We hebben het artikel met betrekking tot het overgooien ook vervroegd in werking laten treden, waardoor ook niet meer bewezen hoeft te worden dat iets dat wordt overgeworpen een illegaal goed betreft. Het overgooien op zich is nu immers een strafbaar feit, wat het werk van politie en justitie vergemakkelijkt.

Er komt een geldboete voor wie dat één keer doet. Daarna kan dat een celstraf worden.

Het strafbaar maken is uiteraard onvoldoende. Er moeten ook aanpassingen zijn aan de infrastructuur om dat tegen te gaan. Ik kan u melden dat er op dat vlak momenteel door de Regie der Gebouwen en de bevoegde staatssecretaris een studie wordt uitgevoerd in de gevangenis van Mechelen over de overgooiproblematiek. De resultaten van de studie worden afgewacht, om te bekijken welke specifieke algemene maatregelen eventueel kunnen worden getroffen. Ik hoor u denken en opwerpen dat het niet zo moeilijk kan zijn om gewoon een net te spannen. Blijkbaar is dat echter niet erg evident.

Inzake het beklimmen van daken, dus gedetineerden die op daken zouden zijn gezien, kan ik meegeven dat in samenspraak tussen de gevangenis en de privépartners een oplossing wordt uitgewerkt die maakt dat gedetineerden niet langer op de daken kunnen klimmen. As we speak wordt daaraan gewerkt.

Inzake het personeelstekort in de gevangenis van Haren kan ik melden dat daar 258 nieuwe personeelsleden zijn aangeworven, waarvan 221 in de bewaking. Wij starten binnenkort opnieuw met een aanwervingscampagne. Ik weet immers dat er nog een personeelstekort is in de gevangenis van Haren. Er komt dus een aanwervingscampagne, specifiek voor de gevangenis van Haren.

Wij zullen voor die rekrutering, zoals hier in het verleden al is toegelicht, de procedure Fast Lane hanteren. Dat doen wij samen met BOSA en de minister van Ambtenarenzaken. Met die versnelde procedure menen wij op korte termijn opnieuw extra personeel te kunnen aanwerven.

De grote aanwervingsgolven hebben voor een achterstand in de opleiding van het personeel gezorgd. Die achterstand wordt weggewerkt. Binnenkort zullen de personeelsleden de eerste module van de basisopleiding hebben gevolgd. In afwachting van die basisopleiding krijgen de nieuwe personeelsleden een opleiding op de werkvloer vooraleer zij op een sectie worden geplaatst.

Over de ontsnappingspoging uit de gevangenis van Wortel, wat een vraag van mevrouw Dillen was, kan ik meegeven dat het om vier gedetineerden met de Marokkaanse nationaliteit ging.

Mevrouw Dillen, u hebt een verklaring voor de ontsnappingspoging gezocht in het feit dat er nu een akkoord is met Marokko om gedetineerden te repatriëren. Dat akkoord is er wel degelijk. De aantallen zijn in juli en augustus 2024 een beetje gedaald. Ik hoop en het zal ook zo zijn dat ze in september 2024 opnieuw zullen stijgen. Ze zijn in juli en augustus 2024 namelijk gedaald, omdat die maanden vakantiemaanden zijn en omdat het ook van Marokkaanse zijde moeilijker was om tot samenwerking te komen.

Wij hebben dit jaar al 165 Marokkaanse onderdanen zonder papieren kunnen repatriëren, waarvan 90 gedetineerden. Marokko aanvaardde geen eigen onderdanen meer sinds 2017, nu gebeurt dat opnieuw. Ik was op 1 november 2023 in Marokko, samen met andere mensen uit de veiligheidswereld, om daarover te praten. Marokko aanvaardt nu opnieuw de eigen onderdanen. Dat is belangrijk, maar ik geef u meteen mee dat er nog veel Marokkaanse onderdanen zonder geldige papieren in onze gevangenissen zitten, onder andere de verdachte van de feiten op 2 september.

Die overbrengingen naar Marokko zijn geen sinecure, dat is een open deur intrappen. Marokkaanse gedetineerden gaan zelden akkoord met hun overbrenging. Ze weten nu ook dat ze repatriëring riskeren. Het wordt de omgekeerde wereld, want ik hoor dat ze zich nu voordoen als Algerijn of Tunesiër, om aan uitwijzing naar Marokko te ontsnappen. U weet dat het onze taak is, de taak van DVZ en de overheid, om te bewijzen welke nationaliteit zij hebben, waarna wij inderdaad een laissez-passer kunnen aanvragen en bekomen in Marokko. Ze doen echter hun best om hun ware identiteit te verhullen.

Er is ook de nieuwe wet – het wetsontwerp werd behandeld in de commissie voor Binnenlandse Zaken – die mensen van de dienst Vreemdelingenzaken de bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie geeft om gsm-toestellen uit te lezen, om de identificatie en de juiste identiteit van personen te achterhalen.

In totaal werden in 2024 165 Marokkaanse onderdanen teruggestuurd, waarvan 90 gedetineerden. Dat is een goed resultaat in vergelijking met de vorige jaren. Het is echter nog niet voldoende om de overbevolkingsproblematiek in onze gevangenissen aan te pakken en om de overlast in onze steden, die gepaard gaat met die illegaliteit, aan te pakken. Justitie kan dat niet alleen. Dat weet u.

In geval van overbrenging is Marokko in principe verplicht de tenuitvoerlegging van de straf voort te zetten. Derhalve is Marokko gebonden door de juridische aard en de duur van de sanctie. Dat is een algemeen principe bij overbrengingen. Er is echter een mogelijkheid om daarvan af te wijken, met name wanneer de straf naar de aard of de duur onverenigbaar is met het Marokkaanse recht. In dat geval kan Marokko de sanctie aanpassen aan de straf of maatregel die door zijn eigen wet voor een soortgelijk strafbaar feit is voorgeschreven. België wordt tijdens die overbrengingsprocedure ook ingelicht over de wijze waarop de tenuitvoerlegging van de Belgische veroordeling in Marokko plaatsvindt.

Wat de vier gedetineerden met Marokkaanse nationaliteit in de gevangenis van Wortel betreft, voor een van hen loopt een dossier met het oog op een overbrenging naar Marokko. De betrokkene gaat akkoord met zijn overbrenging. Voor de drie andere personen zal in samenwerking met de Dienst Vreemdelingenzaken de terugkeer georganiseerd worden op het ogenblik waarop ze hun strafeinde naderen.

U hebt heel concrete cijfers gevraagd, maar ik raad u aan om daarvoor een schriftelijke vraag in te dienen.

Nu kom ik tot de vragen over de strijd tegen drugs in de gevangenissen. Ook dat is een oud zeer. Drugs bevinden zich in de maatschappij en dus ook in de gevangenissen. U weet dat wij tien toestellen aankopen om drugs te detecteren in de gevangenissen. Eén toestel is momenteel in testfase en roteert tussen de verschillende gevangenissen.

Tegen het gebruik van smartphones in de gevangenissen wordt nog steeds streng opgetreden. Het beleid op dat vlak is vernieuwd. Gevonden smartphones worden in beslag genomen. We hebben ook opsporingstoestellen aangekocht die helpen in de zoektocht naar verboden smartphones. Vijf dergelijke toestellen zijn aangekocht. Ze worden momenteel getest en ingezet bij zoekacties in diverse gevangenissen. De resultaten daarvan zijn voorlopig positief, zo zegt het gevangeniswezen mij. Een overheidsopdracht wordt voorbereid voor de aankoop van meer van die toestellen, zodat ze in meerdere gevangenissen ingezet kunnen worden.

We hebben eveneens kennisgenomen van het jaarverslag van de Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen. Daat stonden een aantal aanbevelingen en opmerkingen in die bestudeerd worden door de administratie van het gevangeniswezen. Ik kan u trouwens ook nog aangeven dat het gevangeniswezen een nieuwe directeur-generaal heeft. Dat is een dame die u goed kent, want ze was kabinetschef van de minister van Justitie, namelijk Mathilde Steenbergen. Het lijkt me dus een zegen voor de volgende minister van Justitie om met zo'n directeur-generaal te kunnen samenwerken.

Ik zal niet aarzelen om operationele knelpunten aan te pakken in deze periode van lopende zaken. Ik had vorige week bijvoorbeeld nog een ontmoeting met de Centrale toezichtsraad in het kader van de evaluatie van zijn eigen werking. Ook wat zijn eigen werking betreft, hangt de CTRG namelijk af van het Parlement. Ook daar kan echter nog een aantal zaken worden verbeterd.

Wat de vraag van collega Daems over de minimale dienstverlening betreft, klopt het dat er een advies van de Raad van State is binnengekomen op 22 augustus. De administratie is dat advies aan het analyseren. Er werd afgesproken dat het advies uiterlijk op 22 september aan de vakbonden wordt overgemaakt. Dat is één maand na ontvangst, dus dat lijkt me redelijk. Dat is geen kwestie van misprijzen van de gevangenissen.

Je vais maintenant répondre à la question de notre collègue Sarah Schlitz concernant les suicides en prison. En 2023, il y a eu 15 suicides dans les prisons belges. Il va de soi que c'est un état de choses déplorable. Je vous invite à poser une question écrite si vous souhaitez obtenir des chiffres plus détaillés à ce sujet.

Le nombre de suicides et de tentatives de suicides sont également une des conséquences de l'augmentation du nombre de détenus souffrant de maladies psychiatriques. C'est une constatation indéniable et je pense que l'on peut constater un phénomène similaire au sein de la société en général. Le personnel est formé pour reconnaitre les signes avant-coureurs du suicide parmi les détenus. Un groupe de travail se penche sur le sujet dans le Sud du pays. Ce groupe travaille à une simplification des instructions à destination des agents pour le Nord du pays. Un projet pilote va démarrer le 1 er octobre et sera mené par le VLESP ( Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie ) au sein de quatre prisons, à savoir Bruges, Malines, Ypres et Merksplas. J'espère, monsieur le président, avoir répondu aux questions.

Marijke Dillen:

Mijnheer de minister, ik begrijp dat u, doordat de regering in lopende zaken is, terughoudend moet zijn en dat u geen nieuwe initiatieven kunt nemen. Hier gaat het echter over problemen die al decennialang aanslepen en die in de voorbije legislatuur al herhaaldelijk zijn aangekaart. Dan is het toch belangrijk dat u uw verantwoordelijkheid opneemt?

U hebt een aantal cijfers gegeven, waarvoor dank. 50 % van de veroordeelden blijft in de cel tot het strafeinde. We weten allemaal waarom, mijnheer de minister. We moeten daar niet flauw over doen. De gedetineerde is dan namelijk niet langer gebonden aan voorwaarden en moet die voorwaarden dan ook niet respecteren.

Helaas klopt het recidivecijfer dat u vermeldde. 70 % van de vrijgelaten gevangenen pleegt nieuwe feiten binnen de 5 jaar. Hoe komt dat, mijnheer de minister? Ik ben er eerlijk in, het is niet hoofdzakelijk uw verantwoordelijkheid, maar het mag wel gezegd worden, dat komt doordat er vandaag van een zinvolle detentie amper sprake is.

Het is heel belangrijk gedetineerden gedurende hun gevangenisstraf, hoe lang die ook mag zijn, te begeleiden naar hun terugkeer in de maatschappij. Op een bepaald ogenblik zullen zij immers vervroegd vrijkomen of vrijkomen na het einde van hun straftijd. Men moet hen dus begeleiden. Die begeleiding is bijzonder belangrijk, vanuit menselijk oogpunt, maar vooral ook vanuit maatschappelijk oogpunt. Nu laat die begeleiding werkelijk te wensen over. Nogmaals, dat is hoofdzakelijk een bevoegdheid van de gemeenschappen. Die mogen toch ook gewezen worden op hun verantwoordelijkheid?

Mijnheer de minister, u hebt het cijfer gegeven van het huidige aantal gedetineerden: 12.400, waarvan 1.054 geïnterneerden en 3.800 gedetineerden zonder papieren. Ik ben het volledig met u eens, geïnterneerden horen niet thuis in de gevangenis. Daar zitten zij als gevolg van een falend beleid voor het inzetten van FPC's, enzovoort.

Wat de 3.800 gedetineerden zonder papieren betreft, mijnheer de minister, zorg ervoor dat de nodige initiatieven genomen worden om hen uit de gevangenis te halen. Er is het verdrag met Marokko, dat met veel poeha is voorgesteld in de media. U zult zich de beelden wel herinneren. Mijnheer de minister, er moet meer op uitwijzing ingezet worden. Het gaat toch niet op dat een gedetineerde zijn akkoord moet geven? Nee, wie in ons land strafbare feiten pleegt, moet zonder pardon worden uitgewezen naar het land van herkomst.

U hebt gezegd dat die verantwoordelijkheden onder andere departementen ressorteren, dat klopt deels. Dring er bij de bevoegde collega’s op aan dat zij hun verantwoordelijkheid nemen.

Het aantal gedetineerden is deze zomer verder gestegen. Dat verbaast u. Mij verbaast dat eerlijk gezegd niet. Dat is immers het gevolg van de stijgende drugscriminaliteit, vooral in Antwerpen, maar waarschijnlijk ook in andere provincies. Alle respect voor de inspanningen van politie en justitie om deze criminelen – hoofdzakelijk mannen – te vatten, want daar wordt hard op ingezet, maar het gevolg is wel dat het aantal gedetineerden stijgt. We moeten daarover dus niet verwonderd zijn. De Vlaams Belangfractie steunt de aanpak van deze criminaliteit ten volle.

Wat de bijzonder trieste feiten in de gevangenis van Antwerpen betreft, hebt u aangegeven dat hierdoor de veiligheidsprocedure werd blootgelegd. De alarmknop was blijkbaar niet aangesloten en werd zelfs nooit getest. Mijnheer de minister, dat heeft niets te maken met de overbevolking in de gevangenissen. Het feit dat zaken niet getest worden, moet worden losgekoppeld van de problematiek van de overbevolking. U hebt gezegd dat er maatregelen werden genomen om de juiste locatie te laten vinden door EPI. Wanneer wordt die maatregel van kracht?

Mijnheer de minister, u hebt gelijk dat er geen 100 % garantie geboden kan worden dat er nooit meer incidenten zullen plaatsvinden, zelfs met perfect werkende systemen. In alle gevangenissen moeten echter de nodige initiatieven worden genomen om alles te testen.

Mijnheer de minister, wat de gevangenis van Antwerpen betreft, hoop ik dat de lokalen voor advocaten inmiddels ook getest werden en dat er daar niets misloopt. Dat is immers niet onbelangrijk.

Wat betreft de beelden van de gevangenis van Haren die op TikTok circuleren, net als u zit ik niet op TikTok. Ik denk dat ik daar net iets te oud voor ben. Ik heb die gegevens niet gekregen via TikTok, die zijn in alle media verschenen. De problematiek van het overgooien is de laatste jaren exponentieel gegroeid en er moeten heel dringend maatregelen worden genomen om de infrastructuur aan te passen. Ik weet dat dit niet uw bevoegdheid is, maar u kunt toch wel bij uw collega aandringen om daarvan bij hoogdringendheid werk te maken.

U zegt dat er een project komt in de gevangenis van Mechelen. Ik vind de keuze voor Mechelen bizar. Waarom begint men niet met een project in Antwerpen of Haren, waar de problematiek heel zwaar aanwezig is? We hebben daarover al herhaaldelijk gediscussieerd. We kennen het nieuwe fenomeen van de drones, maar in Antwerpen gebeurt het niet met drones en weet men toch perfect vanwaar dat overgooien gebeurt? Dat kan met een paar kleine ingrepen of maatregelen worden vermeden. Ik geef een voorbeeld. U kent de situatie evengoed als ik. Ga eens kijken naar de parking van het ACV in de Nationalestraat of vraag uw collega van de Regie der Gebouwen om daar te gaan kijken. Met een paar kleine ingrepen zijn er al belangrijke verbeteringen mogelijk.

Wat Wortel betreft, u hebt daarnet geantwoord dat ik de verantwoording hiervan zou hebben gezocht in het akkoord met Marokko. Ik heb dat niet gezocht, dat zijn verantwoordingen die ik in de media heb kunnen lezen. U hebt gezegd dat Marokko een deel van de gedetineerden terugneemt. Nu hebben ze ineens allemaal andere nationaliteiten. Ik dring erop aan dat er op dat vlak meer inspanningen worden geleverd.

Tot slot, in uw antwoord op mijn vragen in verband met drugs en smartphones in de gevangenissen hebt u verwezen naar de toestellen die aangekocht zijn en hebt u gezegd dat de resultaten positief zijn. Ik zal daarover nog een schriftelijke vraag indienen, maar ik krijg toch nog graag een antwoord op één vraag.

Volgens de vakbonden – het zijn niet mijn woorden – zouden er problemen zijn met het wettelijk kader, dat niet voldoende uitgewerkt is om die toestellen in te zetten. U zegt dat ze blijkbaar wel goed werken en dat de resultaten goed zijn. Vergissen de vakbonden zich dan en is het wettelijk kader wel afdoend?

Tot slot, mijnheer de minister, ik begrijp dat een aantal van de vragen die ik gesteld heb cijfervragen zijn. Die zal ik uiteraard schriftelijk stellen.

Sophie De Wit:

Mijnheer de minister, u hebt veel beantwoord, maar ik had u enkele heel concrete vragen over het probleem in Antwerpen gesteld en daar heb ik eigenlijk geen concrete antwoorden op gekregen. Ik hoop dus maar dat u, ook al bent u aan het werk in lopende zaken, er wel voor zult zorgen dat alles voortaan gecontroleerd wordt en goed werkt, in elke gevangenis en niet alleen in de Antwerpse. Waaraan het dan lag, daar heb ik geen concreet antwoord op gekregen. Werd dat dan niet regelmatig gecontroleerd? Ik heb alleen gehoord dat u in lopende zaken niet veel kunt doen. Veiligheid is echter een kerntaak. Lopende zaken of niet, u bent nog steeds verantwoordelijk. Dat de infrastructuur zich in die toestand bevindt, is ook een gevolg van het gevoerde beleid. Ik meen dat u daar ook in lopende zaken nog steeds aandacht voor moet hebben en dat u ervoor moet zorgen dat alles werkt.

Paul Van Tigchelt:

Excuseer, maar dat antwoord heb ik wel degelijk gegeven. De noodknop was niet aangesloten en wordt nu in alle gevangenissen getest. Dat heb ik meermaals gezegd.

Sophie De Wit:

Het is niet meer dan logisch dat dit gebeurt, ook al hebt u enige schroom, aangezien u in lopende zaken werkt.

Ten tweede, ik heb u veel horen zeggen over de overbevolking. Welnu, de overbevolking is één zaak en een heikel punt, maar ook de veiligheid is belangrijk. Of dat alarm kan werken, valt of staat niet met de overbevolking in de gevangenissen.

Ik heb u horen zeggen dat de huidige regering iets zal achterlaten voor de volgende. Laat ons hopen dat er inderdaad iets gebeurt in Antwerpen. Ik moet u niet herinneren aan de 720 beloofde detentieplaatsen en detentiehuizen die er niet zijn gekomen. Haren was een uitvoering van.... Ik meen dat er voor te weinig capaciteit is gezorgd voor een zinvolle detentie.

Het is cruciaal dat het masterplan weer onder handen wordt genomen, want dat is stiefmoederlijk behandeld. Dit is één incident, maar er zijn er al vele andere geweest. Veiligheid kan men nooit voor honderd procent bereiken maar u moet er alles aan doen, u in lopende zaken en de toekomstige minister, om die veiligheid te allen tijde te garanderen, buiten de cel en binnen de cel, voor het personeel, voor de gedetineerden en voor elke medewerker die in de gevangenis komt.

Stefaan Van Hecke:

Mijnheer de minister, u zei dat veiligheid nooit voor honderd procent kan worden gegarandeerd. Dat is juist, maar laten wij ervoor zorgen dat de veiligheidsprocedures en de veiligheidssystemen die er zijn wel degelijk werken. Het gaat dan om de noodknop, het mobiele alarm, voldoende personeel in de buurt enzovoort. Dat zal het percentage richting honderd procent brengen. Wij weten dat men nooit de honderd procent kan bereiken, maar wij kunnen grote stappen zetten richting die honderd procent.

U zegt dat de noodknoppen nu overal werden getest. Ik vraag mij dan af of er echt eerst zoiets moet gebeuren alvorens men test of die noodknoppen wel effectief werken. Dat zou men op regelmatige basis moeten doen. Als men in een chemisch bedrijf de alarmsystemen alleen zou testen na een ongeval, zou men grote ogen trekken.

Het fundamentele debat over de overbevolking is belangrijk. Het is een complex probleem, het is geen evidente zaak. Er zijn heel veel oorzaken. Er zijn ook heel veel maatregelen en voorstellen van oplossing mogelijk. U hebt er een aantal aangehaald. U wees naar het aantal mensen zonder papieren in de gevangenissen en naar de 1.000 geïnterneerden, die daar ook absoluut geen plaats hebben en die elders zouden moeten worden opgevangen. Wij moeten voor oplossingen naar de psychiatrie en Volksgezondheid kijken.

Er zitten echter ook heel veel mensen in voorlopige hechtenis, meer dan gemiddeld in andere landen. Ook dat debat moeten wij aangaan. Er is het pleidooi om met quota te werken. Er zijn ideeën met betrekking tot een maximale termijn voor bepaalde categorieën van misdrijven. Die ideeën hebben allemaal voor- en nadelen, ze zijn heel moeilijk. Op een bepaald moment zullen wij die discussie echter grondig moeten voeren.

Veel gedetineerden blijven tot het einde van hun straf, omdat het misschien moeilijke beslissingen zijn voor de strafuitvoeringsrechtbanken, maar ook omdat gedetineerden zelf die beslissing nemen. Dat veroorzaakt ook problemen en zorgt mede voor de complexiteit van het probleem.

Wonderoplossingen op korte termijn zijn er niet. Wel staan wij voor een mix van oplossingen. Die maatregelen zijn nodig, want het is een tikkende tijdbom. Ik zal het daarbij laten, maar ik denk dat we nog geregeld over de gevangenissen zullen debatteren in de commissie voor Justitie.

Greet Daems:

Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb het gevoel dat de sense of urgency nog altijd niet genoeg tot u doorgedrongen is. U zegt wel dat u zich verantwoordelijk voelt, maar tegelijkertijd trekt u een paraplu open en verstopt u zich achter het feit dat de regering in lopende zaken is. U moet eerlijk toegeven dat de vivaldiregering ook in volle bevoegdheid te weinig heeft gedaan, ondanks al die verschrikkelijke voorvallen in de gevangenissen.

U zegt dat we nooit alle incidenten kunnen vermijden, maar er had wel meer kunnen gebeuren om de recente incidenten te verhinderen, bijvoorbeeld investeringen in infrastructuur, een verbetering van het personeelsstatuut en een structurele aanpak van de overbevolking. Zolang dat niet gebeurt, is het gewoon bang afwachten tot het volgende drama.

U zegt dat u de vakbonden niet misprijst, maar dat er respect is voor het personeel. U stuurt echter uw kat naar bijna elk overleg. De beloofde loonsopslag is er niet gekomen, u valt het stakingsrecht aan en nu houdt u de conclusies van de Raad van State een maand achter, terwijl het anders beloofd was. Ik noem dat respectloos, mijnheer de minister.

Jinnih Beels:

Mijnheer de minister, ik wil ten eerste de blijk van waardering die u aan het begin van uw betoog hebt gegeven op mijn beurt aan u geven. Wij kennen elkaar uit het verre verleden. Ik twijfel er dus absoluut niet aan – laat dit duidelijk zijn – dat u en de vorige of huidige regering enorm jullie best hebben gedaan om aan een aantal zaken op het terrein tegemoet te komen.

U hebt heel wat informatie gegeven. Een aantal zaken is voor mij letterlijk verzopen in de hele massa. Neem mij dat niet kwalijk.

Mijnheer de minister, het is voor alle duidelijkheid niet uit leedvermaak dat ik over druppels op een hete plaat spreek. Dat is ook niet uit gebrek aan respect. Ik ken het terrein, waarop ik jaren heb doorgebracht. Het is vooral uit bezorgdheid, met name bezorgdheid over het personeel dat elke dag zijn leven moet riskeren.

Mijnheer de minister, op dat vlak blijf ik op mijn honger. Ik reis straks terug naar Antwerpen, terug naar de straten. Ik weet niet wat ik het personeel zal moeten vertellen. Ik bestrijd het feit dat u moeite hebt gedaan absoluut niet, maar op bijvoorbeeld mijn vraag naar quota hebt u geen antwoord gegeven.

Mijnheer de minister, het gegeven ‘vol is vol’ leeft al jaren op het terrein. Doe ook daar iets aan. Aangezien FPC’s, ziekenhuizen en de DVZ met quota werken, begrijp ik niet waarom wij geen werk maken van minstens een onderzoek om het werken met quota een kans te geven.

Ook over de alarmsystemen ben ik bezorgd. Mevrouw De Wit heeft daarnet al opgemerkt dat die systemen altijd moeten werken. Het feit dat die nu worden getest, is eigenlijk schandalig. Dat betekent immers dat ze de voorbije jaren niet getest zijn. Ik hoop dat wij daaruit een les leren en dat wij in de toekomst de systemen op regelmatige basis zullen testen. Het risico van het vak is er natuurlijk altijd voor een politiebeambte, een cipier, een advocaat maar ook een maatschappelijk werker. Het is een feit dat zij elke dag hun leven riskeren. Dat is het risico van het vak. Wij mogen dan echter absoluut garanderen en in de plaats geven dat de betrokkenen kunnen rekenen op systemen die werken.

U zult in mij sowieso een partner vinden. Ik wil ter zake heel constructief zijn. Het is echter hoog tijd om de visie op het uitvoeren van korte straffen, die ik trouwens ondersteun, te herbekijken. Moeten ze per se worden uitgevoerd in de gevangenissen, die momenteel bomvol zitten?

Zoals ook de heer Van Hecke heeft aangegeven, zullen wij in de toekomst nog nader op het thema ingaan. Het zou echter van respect voor de mensen op het terrein getuigen om met concrete oplossingen te komen.

Sarah Schlitz:

Monsieur le ministre, je ne sais pas trop comment répliquer à vos réponses extrêmement réduites. S'agissant des chiffres, je vais déposer des questions écrites, mais sans doute vais-je aussi vous réinterroger, puisque je n'ai pas obtenu de réponse à mes trois questions. En tout cas, je vous remercie.

Wetsontwerp (1164)

Wetsontwerp betreffende het afnemen van drugstesten in de transitiehuizen en de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit

Wetsontwerp aangenomen op 29 januari 2026

Wetsontwerp (1206)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake gezondheidszorg

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsvoorstel (1195)

Wetsvoorstel houdende diverse dringende begrotingsbepalingen inzake gezondheidszorg

Wetsvoorstel aangenomen op 18 december 2025

Wetsontwerp (986)

Wetsontwerp houdende de strafbaarstelling van de ontsnapping van gedetineerden de strafbaarstelling en van de beschadiging of verduistering van het elektronisch toezichtsmateriaal en betreffende het afnemen van drugstesten in de gevangenis en de herroeping van het elektronisch toezicht in het kader van de strafuitvoering

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsvoorstel (267)

Wetsvoorstel tot wijziging van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden wat de drugstesten bij gedetineerden betreft

Wetsvoorstel

Wetsontwerp (1105)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsontwerp (1180)

Wetsontwerp tot verlenging van bepaalde maatregelen voorzien in de wet van 20 november 2022 houdende maatregelen aangaande de personeelsschaarste in de zorgsector Wetsontwerp ter verlenging van maatregelen tegen personeelstekort in zorgsector

Wetsontwerp aangenomen op 18 december 2025

Wetsontwerp (1076)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen inzake gezondheid Wetsontwerp ter aanpassing en verbetering van gezondheidsregelgeving en -zorgvoorzieningen

Wetsontwerp aangenomen op 20 november 2025

Wetsvoorstel (944)

Wetsvoorstel tot verlenging van bepaalde maatregelen voorzien in de wet van 20 november 2022 houdende maatregelen aangaande de personeelsschaarste in de zorgsector

Wetsvoorstel aangenomen op 17 juli 2025

Voorstel van resolutie (145)

Voorstel van resolutie met betrekking tot de atherosclerotische harten vaatziekten (ASCVD's)

Voorstel van resolutie aangenomen op 23 januari 2025

Wetsontwerp (484)

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van koninklijke besluiten betreffende de verplichte bijdragen aan het Begrotingsfonds voor de gezondheid en de kwaliteit van de dieren en de dierlijke producten en de retributies en bijdragen aan het Begrotingsfonds voor de grondstoffen en de producten Wetsontwerp ter bekrachtiging van bijdragen aan gezondheids- en kwaliteitsfondsen voor dieren en grondstoffen.

Wetsontwerp aangenomen op 12 december 2024

Wetsvoorstel (433)

Wetsvoorstel tot verlenging van bepaalde maatregelen voorzien in de wet van 20 november 2022 houdende maatregelen aangaande de personeelsschaarste in de zorgsector

Wetsvoorstel aangenomen op 28 november 2024

Wetsvoorstel (168)

Wetsvoorstel tot wijziging van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen om het toedienen van het griepvaccin door apothekers mogelijk te maken

Wetsvoorstel aangenomen op 7 november 2024

Wetsvoorstel (231)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 9 oktober 2023 tot wijziging van de wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen voor wat betreft het verduurzamen van de griepvaccinatie door de officina-apothekers van publiek opengestelde apotheken Wetsontwerp ter verduurzaming griepvaccinatie door apothekers.

Wetsvoorstel zonder onderwerp