Over sociale zekerheid en armoede
92
plenaire vragen
0
voorstellen
meeste contributies
Het afglijden in armoede als gevolg van de werkloosheidshervorming
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 29 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Coenegrachts, Dermagne en Hedebouw bekritiseren de discriminerende btw-verhoging op cultuur (12% voor rock/rap vs. 6% voor opera/klassiek) als klassenjustitie en fiscale willekeur, terwijl de Voorzitter hun parlementaire vragen weigert omwille van eerdere commissiebehandeling – wat oppositieleiders als censuur en regeringsbescherming afschilderen. De Smet voegt daar aan toe dat nieuwe elementen (zoals de 12%-btw voor kermissen) onbehandeld blijven, wat de incoherentie van de regering-Jambon blootlegt. Schlitz valt minister Clarinval aan voor de werkloosheidshervorming, die volgens haar kwetsbare groepen (55-plussers, mantelzorgers, ALE-werkers) in de armoede duwt zonder voldoende noodmaatregelen, terwijl Clarinval de hervorming verdedigt als activatiebeleid met versterkte begeleiding en CPAS-steun – een antwoord dat Schlitz als ontwijkend en sociaal wreed bestempelt. Pas bekritiseert intussen de ontwijkende premier, die moeilijke vragen over regeringsconflicten delegeert.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de voorzitter, toen u hier begon als voorzitter en telkens als we aan ons politiek jaar beginnen, roept u ons op om onze controlerende functie ernstig te nemen en om van dit Huis opnieuw de eerste macht in onze democratie te maken. Toch hebt u een controlerende vraag van mij over het btw-circus, over de btw-quatsch van deze regering, onontvankelijk verklaard.
Nochtans geeft een nieuw actueel element in De Standaard meer inzicht in de redenen waarop deze regering zich heeft gebaseerd om het onderscheid te maken tussen degenen die zich het pluche van de opera kunnen permitteren en degenen die met de botten in de modder naar concerten of festivals gaan kijken. Toch hebt u geweigerd, mijnheer de voorzitter. U hebt de regering in bescherming genomen. U hebt gezegd: neen, moeilijke vragen gaan we hier vandaag niet behandelen.
Ik wil dat ten zeerste betreuren. Al uw citaten van Rousseau en Montesquieu ten spijt vind ik dat u moet opkomen voor de rechten van het Parlement, voor het recht om kritische vragen te stellen, ook als ze moeilijk zijn voor minister Jambon.
Voorzitter:
U legt mij citaten van Rousseau in de mond. Ik denk niet dat ik die ooit geciteerd heb. Montesquieu wel.
De ontvankelijkheid van vragen is geen wiskundeoefening. Ik probeer daar ruimhartig mee om te springen, maar er vond gisteren al een heel uitgebreide commissievergadering plaats, waar dat thema zeer uitgebreid werd behandeld. Er zijn zelfs fracties uit de oppositie die mij daarvan op de hoogte hebben gebracht.
Ik heb dus een overweging gemaakt, collega Coenegrachts. Ik probeer dat absoluut niet te doen om moeilijke vragen te weren, want ik denk dat hier nog een hele reeks moeilijke vragen aan de regering is gericht. Dat is niet mijn beoordeling geweest, wel de toepassing van het Reglement.
Ik herhaal echter dat ik geen wiskundeformule kan voorleggen om dat wit of zwart te beoordelen. Als u de indruk zou hebben dat u of uw fractie in het bijzonder wordt geviseerd, hoewel ik denk dat dat niet klopt, dan moeten we het daar zeker eens over hebben.
Pierre-Yves Dermagne:
Sur le même sujet, puisque j’avais également déposé une question au ministre Jambon après la mauvaise saga de la taxe sur la valeur ajoutée appliquée aux plats à emporter, où ce gouvernement et cette majorité ont choisi de taxer davantage le fait ‑ minute, le frais, l ’ artisanal, plut ô t que l ’ industriel, je voulais aussi obtenir des é claircissements et des r é ponses concernant ce qui constitue un nouveau mauvais sketch de la majorit é et du ministre Jambon, au sujet de la TVA dans le secteur culturel dans son ensemble. On ne comprend pas pourquoi le rock, le rap ou la musique électro seraient plus taxés demain que la musique classique ou l’opéra, pour ne citer que quelques exemples.
Vous évoquez le fait que le ministre Jambon s’est longuement penché sur ces questions hier en commission. Le problème avec le ministre Jambon, c’est que les éléments de réponse fournis à nos questions génèrent plus d’interrogations, d’incompréhension et de colère dans les secteurs concernés que d’apaisement, de réponses ou de justifications concrètes. Vous dites que l’examen de la recevabilité d’une question d’actualité n’est pas une science exacte. Certes, monsieur le ministre, mais en tout cas, ce qui n’est manifestement pas une science exacte ni juste, c’est la politique fiscale de ce gouvernement.
Raoul Hedebouw:
Monsieur le président, c'est la même incompréhension au sein de notre groupe. Nous avions également introduit une question sur cette décision absurde du gouvernement belge de vouloir taxer les concerts de musique classique: Mozart, Beethoven à 6 %, et tout ce qui est rock, hip ‑ hop, etc., à 12 %, soit deux fois plus!
Comment pouvez ‑ vous expliquer, franchement, que pour aller é couter du bon son: Disiz, Theodora ou du bon Booba, c'est 12 %, alors que pour aller é couter du Beethoven, ce sera 6 %? Comment pouvez ‑ vous expliquer cela? Que ferez ‑ vous, par exemple, lorsque Booba viendra en concert — du bon son, je vous le conseille, chers coll è gues – et qu ’ il d é barquera avec un orchestre philharmonique? Ce sera 6 % ou 12 %?
Wat gaan we doen met Helmut Lotti? Helmut Lotti Goes Classic valt onder 6 %. Als hij zijn rockversie brengt, is het echter 12 % btw. Hoe legt u dat uit? Dat heeft allemaal één reden: btw uit de zakken van de mensen halen. (…)
Voorzitter:
Mijnheer Hedebouw, ik wil u er nogmaals attent op maken dat die vragen gisteren gesteld zijn in de commissie. Ik zeg niet dat die vragen niet kunnen worden gesteld, want die vragen kunnen en moeten worden gesteld, maar ze zijn ook gesteld. Als ze niet gesteld zouden zijn, is er tussen gisteren en vandaag wat dat betreft weinig veranderd.
Barbara Pas:
Mijnheer de voorzitter, we hebben in de Conferentie al meermaals een discussie gevoerd over de beschikbaarheid van de premier in de plenaire zitting. Hij moet namelijk niet alleen langskomen als hij goed nieuws te melden heeft en om vragen over het buitenland te beantwoorden, maar ook om vragen te beantwoorden die voor hem misschien minder aangenaam of moeilijker zijn.
Hij was hier zojuist nog. Hij stond ook niet aangeduid als verontschuldigd. Ik heb een vraag aan hem ingediend met als duidelijke titel 'de onenigheid binnen de regering'. Hij staat aan het hoofd daarvan en moet zich er ook voor verantwoorden. Het gaat over de onenigheid binnen de regering en over het plan van de premier rond gratie. Dat is zijn eigen plan. Als dank schuift hij de hete aardappel door naar minister Verlinden, omdat zij dat plan al publiekelijk heeft afgeschoten. Haar mening hoef ik daarover dan ook niet meer te vragen, want die ken ik al. Mijn vragen waren dus specifiek aan de premier gericht.
Ik weet ook wel dat de regering zelf kiest wie de vragen beantwoordt. Ik zou u echter toch willen vragen, voorzitter – ik ben er namelijk van overtuigd dat u dit in mijn rol als fractievoorzitster in de oppositie ook absoluut niet zou hebben gepikt – om aan de premier - hij kan nog niet ver zijn want hij heeft de zaal net verlaten - te laten weten dat hij moet antwoorden op de vragen die over zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheden gaan.
Voorzitter:
Ik zou dit zonder enige twijfel hebben aangekaart wanneer ik in uw positie was. De voorzitter zou daarop echter heel correct hebben geantwoord dat hij daar geen macht over heeft. De premier en de regering beslissen en ik heb daarin geen bevoegdheid. Ik heb vastgesteld wat u hebt vastgesteld.
François De Smet:
Monsieur le président, je voudrais également intervenir à propos de la TVA. En effet, j'avais moi aussi une question sur ce sujet pour M. Jambon, que vous avez aussi frappée d'irrecevabilité! Je conteste toutefois une partie de votre raisonnement.
Vous nous dites que tout a été abordé en commission des Finances, hier. J'y étais, et je n'avais pas l'intention de parler de cette différence ubuesque de taxe entre l'opéra et le rock, etc. Mais le problème, avec le ministre Jambon, c'est que chaque nouvelle réponse engendre, comme des poupées russes, des sorties de lobbies dans la presse.
Aujourd'hui, je voulais parler des forains, qui vont continuer à être taxés à 12 %, alors que d'autres vont l'être à 6 %. Ce sont des éléments nouveaux qui n'ont pas été épuisés par la commission d'hier. Vous n'auriez donc pas dû déclarer cette question irrecevable, ni celles des collègues sans doute. Ce qu'il se passe est dû à l'incohérence du gouvernement et non à l'acharnement des parlementaires.
(Applaudissements)
(Applaus)
Voorzitter:
Ik vrees dat we bij toepassing van die logica de commissievergaderingen moeten afschaffen, want die blijken dan geen onderwerp van parlementaire behandeling te zijn. Het Reglement voorziet wat het voorziet.
Axel Ronse:
Ik stel voor dat we 21% btw invoeren op het politieke theater waarmee elke donderdag hier start. ( rumoer in de zaal )
Ik wil gerust toegeven dat mijn tussenkomsten ook veel btw zouden opbrengen.
Voorzitter:
Ik denk dat u het gat in de begroting nu hebt dichtgepraat.
Axel Ronse:
Ik stel voor om het toch een beetje ernstig te nemen. Gisteren heeft minister Jambon zeer ernstig geantwoord. Laat ons nu beginnen aan de plenaire vergadering. Ik ben benieuwd naar alle boeiende actuele vragen. Dank u wel.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, on ne peut pas dire qu'hier soir, c'était la soirée de votre vie. J'ai regardé l'émission QR le débat et, franchement, sur le plateau, le malaise était palpable.
Pour ce qui concerne votre réforme du chômage, plus le temps passe, plus les effets sont clairement visibles et concrets, plus on remarque que vous avez mis la charrue avant les bœufs. Et on voit également à quel point le soutien à votre réforme s'effrite. Hier soir, les téléspectateurs n'étaient plus qu'un tiers à vous soutenir.
Monsieur le ministre, cette façon de faire a des impacts terribles. Vous auriez dû les anticiper mais vous avez décidé de ne pas le faire. Aujourd'hui, ils sont d'une violence extrême pour certains groupes de la population. Il y a, par exemple, ces travailleuses ALE qui, en raison de votre réforme, vont perdre leur emploi et se retrouveront sans doute au CPAS. Et, puis, il y a ces travailleurs de plus de 55 ans qui, eux aussi, se retrouveront dans des grandes difficultés. On vous alerte depuis des mois à ce sujet. Pourtant, vous n'avez prévu aucune mesure d'accompagnement pour ce groupe-là. Et c'est pareil pour les jeunes. Même le soutien pour que les employeurs engagent des premiers emplois a été supprimé par votre gouvernement. Enfin, le plus scandaleux, c'est le cas des aidants proches, ces personnes qui, en relais de la société défaillante, prennent en charge un proche handicapé ou malade en lieu et place de la société.
Monsieur le ministre, hier soir, vous n'avez pas répondu à la question: prendrez-vous des mesures d'urgence pour qu'aucun aidant proche ne perde un seul euro avec votre réforme?
Par ailleurs, vous avez évoqué une prolongation d'un an. On n'a pas très bien compris la réponse. S'agissait-il d'un congé d'aidant proche ou de la dispense de travail?
Enfin, qu'en est-il de la création d'un vrai statut d'aidant proche?
David Clarinval:
Monsieur le président, madame et messieurs les députés, lorsqu'une personne arrive en fin de droit au chômage, ce n'est jamais une abstraction administrative; c'est une réalité humaine qui doit être regardée avec objectivité et empathie. Personne ne nie la difficulté de cette étape. Nous avons aussi le devoir de dire clairement les choses: le meilleur rempart contre la précarité et la pauvreté est l'emploi, pas l'inactivité prolongée. Le travail reste le premier facteur d'autonomie, de revenus stables, d'intégration sociale et de dignité.
La réforme repose sur un équilibre clair: responsabiliser, activer, mais aussi protéger au moment de la perte d'emploi. La durée des allocations est, certes, dorénavant encadrée, mais cela va de pair avec un devoir collectif d'accompagnement. Ce dernier est assuré en première ligne par les services régionaux de l'emploi. Les régions et les opérateurs se préparent activement. De plus, des dispositifs ont été renforcés. Les formations sont davantage ciblées vers les besoins réels du marché du travail, en particulier dans les métiers en pénurie. Des solutions existent également dans l'économie sociale et dans le travail adapté.
En dernier recours, car nous sommes conscients que tout le monde ne pourra pas retrouver du travail, les CPAS remplissement également un rôle essentiel de relais et de d'accompagnement social, au moyen d'une approche individualisée et orientée vers la réinsertion. Nous avons refinancé massivement les CPAS afin qu'ils puissent supporter cette charge supplémentaire.
Au regard de tous ces éléments, vous comprendrez donc, madame la députée, qu'il est faux de dire que la réforme du chômage mène à la précarité. La meilleure protection sociale est l'emploi. Notre ligne est cohérente: responsabiliser, accompagner et activer.
Je vous remercie de votre attention.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Toutefois, vous ne répondez pas à mes questions. À nouveau, vous n'apportez aucune garantie à ces personnes qui auraient dû être protégées par votre réforme. Vous auriez dû anticiper et créer des exceptions pour différents publics. Vous ne l'avez pas fait. À présent, nous assistons à un véritable carnage social. Nous entendons certains groupes tels Les Engagés nous dire: "C'est terrible! Nous aurions voulu obtenir, pendant les négociations relatives à cette réforme, une protection pour les aidants proches, mais nous ne l'avons pas obtenue." Il était bien temps de s'en rendre compte! À présent, on nous dit que Les Engagés ont déposé une proposition de résolution à ce sujet. C'est quand même la meilleure! Au lieu de négocier au sein du gouvernement afin de corriger cette réforme, des parlementaires déposent une proposition de résolution pour demander à leur propre gouvernement d'apporter une modification. De qui se moque-t-on, chers collègues! Monsieur le ministre, je vous demande, une dernière fois, de corriger (…)
De studie van UCL en Unia over 11 jaar antidiscriminatierechtspraak
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Ayse Yigit wijst op een UCL/Unia-studie die aantoont dat Belgische rechtbanken in slechts 38% van de discriminatiezaken het slachtoffer gelijk geven – met extreme verschillen per grond (bv. 20,4% bij raciale afkomst vs. ~50% bij gender) – en bekritiseert dat de wetgeving onnvoldoende effectief is, vooral zonder institutionele steun (bv. 70,6% succes met Unia vs. 36,6% alleen). Ze dringt aan op verplichte preventie op de werkvloer, versterkte arbeidsinspectie, proactieve praktijktesten en strengere sancties. Minister Rob Beenders erkent de structurele tekortkomingen (o.a. bewijslast, onderrapportering) en belooft drie actiesporen: (1) interministeriële afspraken via de Conferentie Gelijke Kansen, (2) evaluatie van antidiscriminatiewetten met focus op praktijktesten, en (3) drempelverlaging (beter toegankelijke meldpunten, studie in 2026 naar bewijslastverschuiving). Hij benadrukt wetenschappelijk onderbouwde oplossingen, maar concrete maatregelen blijven nog vaag. Yigit utiliseert het antwoord als "positief signaal", maar houdt de minister scherp aan op snelle implementatie van Unia’s adviezen, met name proactieve praktijktesten en bewijsverlichting voor slachtoffers.
Ayse Yigit:
Geachte minister, uit een recente studie van de UCL, in samenwerking met Unia, na 11 jaar Belgische antidiscriminatierechtspraak, blijkt een bijzonder ontnuchterend beeld.
In amper 38 % van de geanalyseerde uitspraken werd discriminatie daadwerkelijk erkend. Met andere woorden, minder dan een op de twee slachtoffers haalt zijn of haar gelijk voor de rechter. De slaagkansen verschillen bovendien sterk naargelang het discriminatiecriterium.
In dossiers rond genderdiscriminatie krijgt het slachtoffer in ongeveer de helft van de gevallen gelijk, terwijl dat bij discriminatie op basis van raciale of etnische afkomst maar 20,4 % bedraagt. Die cijfers staan in schril contrast met talrijke empirische studies, onder meer op basis van praktijktesten, die aantonen dat discriminatie, in het bijzonder op basis van origine, wijdverspreid blijft op de Belgische arbeidsmarkt. De onderzoekers besluiten dan ook dat de huidige antidiscriminatiewetgeving onvoldoende effectief is om slachtoffers een reële kans op rechtsbescherming te bieden.
Daarnaast onderstreept de studie het belang van collectieve en institutionele ondersteuning. Wanneer bijvoorbeeld Unia betrokken partij is, wordt in 70,6 % van de zaken discriminatie erkend. Bij bijstand door een vakbondsafgevaardigde is dat 64,6 %. Slachtoffers die alleen procederen, behalen in amper 36,6 % van de gevallen een gunstige beslissing.
Mijnheer de minister, hoe staat u tegenover de aanbevelingen van Unia en de UCL-onderzoekers, met name de invoering of versterking van een verplicht preventiebeleid tegen discriminatie op de werkvloer, de versterking van de arbeidsinspectiediensten, het voorzien in meer proactieve praktijktesten en de consequente toepassing van sancties bij vastgestelde discriminatie? Welke concrete stappen zult u zetten om de drempels voor slachtoffers te verlagen om discriminatie te melden en juridisch aan te vechten?
Rob Beenders:
Dank u wel voor uw vraag. Ik vind het ook een zeer goede vraag om dit debat in het Parlement te voeren. Ik wil daarbij verwijzen naar de studie die u aanhaalt, omdat die bijzonder waardevol is en voor ons kabinet ook een sterke basis vormt voor het beleid.
We beschikken vandaag over antidiscriminatiewetgeving, maar voor slachtoffers blijft de stap naar gerechtigheid bijzonder moeilijk en complex. Daar mogen we niet blind voor zijn. Mensen die met discriminatie te maken krijgen, moeten zo snel mogelijk stappen kunnen zetten om gehoord te worden en vooral om ervoor te zorgen dat het stopt.
Daarom werken we op verschillende sporen. Een eerste spoor is het werk binnen de interministeriële conferentie Gelijke Kansen en Racismebestrijding. De voorbije maanden zijn daar belangrijke mijlpalen bereikt en we zetten nu de stap naar de verdere ontwikkeling van concrete maatregelen tegen discriminatie. Die vergadering verloopt zeer constructief. Het is belangrijk om vertrouwen te hebben tussen alle bevoegde ministers om echt vooruitgang te boeken. De samenwerking verloopt daar zoals we het willen en dat geeft mij het perspectief dat concrete stappen kunnen worden gezet. Zo kunnen we gelijke toegang tot werk en de strijd tegen discriminatie op de werkvloer duidelijk als prioriteiten naar voren schuiven.
In die voorbereiding nemen we ook de aanbevelingen mee van de Commissie voor de evaluatie van de federale antidiscriminatiewetten, onder meer over verplichte preventie op de werkvloer en de versterking van de arbeidsinspectie. Zodra mijn administratie die voorbereiding heeft afgerond, ga ik hierover in overleg met de collega-ministers om de actieplannen tegen discriminatie concreet vorm te geven.
Een tweede spoor is de evaluatie van de drie federale antidiscriminatiewetten. In aanloop daarnaartoe heeft mijn administratie intussen de follow-up afgerond van de uitvoering van eerdere aanbevelingen. Een van de belangrijkste aanbevelingen betreft discriminatietesten, zoals praktijktesten, mysterycalls en mysteryshoppers. Uit die follow-up blijkt dat deze aanbeveling gedeeltelijk is uitgevoerd. We komen dus dichter bij een doeltreffende toepassing, maar ik vind dat we dit nog moeten versterken.
Een derde en laatste spoor is het verlagen van de drempels voor slachtoffers. Onderrapportering blijft een groot probleem, omdat te veel mensen geen melding doen of onderweg afhaken. Daarom wil ik de meldpunten beter bekend en toegankelijker maken en vereenvoudigen. Tegelijk moeten we het probleem van het verzamelen van bewijsmateriaal aanpakken, zeker bij wervingsprocedures, waar het voor slachtoffers vaak moeilijk is om een vermoeden van discriminatie hard te maken.
Mijn uitgangspunt is duidelijk: beleid moet gebaseerd zijn op feiten en wetenschap. Daarom financiert mijn administratie in 2026 een studie die in kaart brengt welke elementen in de praktijk aanleiding kunnen geven tot een vermoeden van discriminatie en tot de activering van het mechanisme van de verschuiving van de bewijslast. Het is die studie die moet leiden tot concrete operationele aanbevelingen om het mechanisme beter toe te kunnen passen en de slachtoffers sterker te maken in het afdwingen van hun rechten, in het bijzonder in arbeidsrelaties.
Ayse Yigit:
Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister, en voor de intentie van uw kabinet om deze waardevolle studie van dichtbij te bekijken en enkele aanbevelingen concreet vorm te geven in het beleid. De onderzoekers geven vele waardevolle inzichten en aanbevelingen, onder meer om de drempels voor juridische bescherming tegen discriminatie te verlagen voor de slachtoffers. Dat de stap om melding te doen voor vele groepen moeilijk blijft, onder meer omdat het vaak moeilijk is bewijzen aan te brengen bij een vermoeden van discriminatie bij een aanwervingsprocedure, is absoluut een aandachtspunt. Het is positief te horen dat ter zake een studie zal volgen. Unia raadt ook het verder implementeren van proactieve praktijktesten aan als instrument om discriminatie te detecteren. Het begeleidt meerdere lokale pilootprojecten. We zullen u blijven aanmoedigen om deze adviezen te implementeren in het beleid.
De forse premieverhogingen bij rechtsbijstandsverzekeringen
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Van Quickenborne bekritiseert dat de afschaffing van de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen (de "rechtsbijstandstaks") leidt tot premiestijgingen tot 300% (bv. DAS: van €324 naar €771) en beperkt aanbod, waardoor toegang tot justitie een "luxeproduct" wordt. Hij vraagt zich af of minister Jambon de belofte van premieverlagend overleg nakomt en pleit voor marktconcurrentie om consumenten te beschermen. Jambon bevestigt de afschaffing, geeft toe het overleg nog niet te hebben gevoerd (excuses) en wijst op een tweejaarlijkse evaluatie (met Assuralia en balies), maar stelt wel dat deregulering (à la Friedman) de oplossing is. Van Quickenborne dringt aan op transparantie (rapport delen met commissie) en betwijfelt of advocatenkosten de enige oorzaak zijn van de prijsstijgingen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, u weet dat de belastingvermindering voor rechtsbijstandsverzekeringen, met die premieaftrek, is afgeschaft. We noemen dat gemakshalve de rechtsbijstandstaks. We hebben daar een interessante, zeer boeiende discussie over gehad. U zei toen in de commissie dat u beleidsoverleg had gehad met de sector en dat dat overleg verder zou worden gezet, en ik citeer, “met het oog op de vermindering van de premies”.
Intussen blijkt het tegendeel te gebeuren, collega’s. In De Standaard van 8 november lezen we dat de premies van marktleider DAS, de rechtsbijstandsverzekeraar DAS, in twee jaar tijd meer dan verdubbeld zijn, van 324 euro naar 771 euro. Andere verzekeraars perken hun aanbod zelfs in. De zogenoemde polis-Geens, genoemd naar minister Geens, die de aftrek ooit heeft ingevoerd, verdwijnt. Echtscheidingen of bouwgeschillen worden in het nieuwe gamma niet langer gedekt, of enkel nog via bemiddeling.
Mijnheer de minister, de afschaffing van de belastingvermindering had volgens uw verklaring de bedoeling om het systeem te vereenvoudigen – minder koterijen. Het probleem is echter dat de consument twee keer betaalt. Ten eerste verliest hij de fiscale aftrek en ten tweede wordt de premie verhoogd. We betalen dus twee keer.
Mijnheer de minister, ten eerste, bevestigt u dat de voorziene afschaffing van de belastingvermindering in werking is getreden? Dat is intussen inderdaad het geval, dus die vraag is enigszins achterhaald. Ik ben vooral geïnteresseerd in het overleg dat u gepland had of hebt met de verzekeringssector. Wat heeft dat opgeleverd? Hoe verklaart u dat de premies vandaag zo sterk stijgen?
Ik had het geval van iemand die mij zijn factuur toonde. Die factuur was, denk ik, verdrievoudigd, van 500 euro naar 1.500 euro. Als men de toegang tot justitie wil democratiseren, collega’s … Er is het pro-Deosysteem, maar niet iedereen kan daarvan genieten. Als men dan tot 1.000 euro per jaar moet betalen om een rechtsbijstandsverzekering af te sluiten, wordt dat meer en meer een luxeproduct.
Mijnheer de minister, de vraag is dan ook – en ik moet dat als liberaal zeer terughoudend stellen, maar ik doe het toch – of u bereid bent te onderzoeken hoe we mensen kunnen beschermen tegen buitensporige premieverhogingen. Misschien is er nood aan meer concurrentie op de markt, ik weet het niet. Ik weet ook niet wat Milton Friedman daarover zou zeggen. We zijn in elk geval benieuwd wat u hierover te zeggen hebt. Dank u wel.
Jan Jambon:
Mijnheer Van Quickenborne, het antwoord op uw eerste vraag is duidelijk. Gelet op de publicatie van de wet diverse bepalingen in het Belgisch Staatsblad op 30 december 2025, is dit inderdaad het geval.
Wat uw tweede en derde vraag betreft, moet ik heel eerlijk zeggen dat dat overleg, dat ik inderdaad heb beloofd, gezien de workload van de voorbije weken en maanden nog niet heeft plaatsgevonden. Ik zal dat prioritair op mijn to-dolijst zetten. Op dat punt ben ik dus in gebreke gebleven, waarvoor mijn excuses.
Wat uw vierde vraag betreft, verwijs ik in eerste instantie naar artikel 23 van de wet betreffende het toegankelijker maken van de rechtsbijstandsverzekering. Dat artikel voorziet in een evaluatie waarbij de Orde van Vlaamse Balies, de Ordre des barreaux francophones et germanophones en de beroepsvereniging van de verzekeringsondernemingen, Assuralia, tweejaarlijks, en voor het eerst in 2021 op de datum van de verjaardag van de inwerkingtreding van deze wet, een gemeenschappelijk evaluatierapport bezorgen over de toepassing van deze wet door de Staat, de verzekeringsondernemingen en de advocaten. Dat rapport wordt overgemaakt aan de minister van Justitie, de minister bevoegd voor Consumentenzaken, de minister van Economie en aan mijzelf, de minister van Financiën, op initiatief van een van hen en via een paritair orgaan dat zij daartoe zullen aanwijzen.
U hebt uw vijfde vraag niet gesteld, maar ik ga er toch op ingaan. Ik verwijs daarbij naar mijn antwoord van daarnet en voeg eraan toe dat meer concurrentie natuurlijk kan zorgen voor lagere prijzen. Daarom probeer ik dat in toekomstige wetsontwerpen te doen door regels te schrappen en/of te versoepelen. Ik volg net als u in dezen Friedman en laat vooral de concurrentie op die markt toenemen.
Vincent Van Quickenborne:
Dank u wel, mijnheer de minister. En geen probleem, u hebt inderdaad heel wat werk, maar het is goed dat u alsnog van plan bent om het overleg met de sector te voeren. Ik ben dus heel benieuwd naar de resultaten daarvan, want die prijsstijgingen zijn werkelijk spectaculair. De prijzen zijn verdubbeld of verdrievoudigd. Er wordt verwezen naar de inflatie en naar het feit dat advocaten veel duurder zouden zijn geworden. Dat is de informatie die mij bereikt, maar de vraag is of dat wel klopt en of daar iets aan te doen is.
Ten tweede verwijst u ook naar het tweejaarlijkse gemeenschappelijke evaluatierapport. Mocht dat op de een of andere manier kunnen worden overgemaakt aan de commissie, aan het secretariaat, dan zouden we u daar zeer dankbaar voor zijn.
Voorzitter:
La question n° 56010662C de M. Hugues Bayet est reportée.
De 14 % zelfstandigen onder de armoedegrens en de aanpassingen van de beschermingsmechanismen
Het armoederisico bij zelfstandigen
Het grotere armoederisico bij zelfstandigen
Het armoederisico voor zelfstandigen
Armoederisico en beschermingsmechanismen bij zelfstandigen
Gesteld door
Les Engagés
Anne Pirson
Vooruit
Anja Vanrobaeys
CD&V
Nahima Lanjri
PS
Sophie Thémont
Gesteld aan
Eléonore Simonet (Minister van Middenstand, Zelfstandigen en KMO’s)
op 27 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de kwetsbaarheid van zelfstandigen in België, ondanks een algemene daling van armoede (van 15% naar 11,5% tussen 2019-2024). Volgens het SPF Sécurité Sociale loopt 14% van de zelfstandigen armoederisico – tegenover 2,8% bij werknemers – en kan 21% onverwachte uitgaven niet opvangen, hoewel slechts 1-1,5% ernstige materiële deprivatie ervaart door privébuffers (spaargeld, bedrijfsvermogen). Minister Lanjri benadrukt dat de sociale bescherming (overbruggingsrecht, ziekte-uitkeringen, pensioenherzieningen) het armoederisico al met 36% reduceert, maar kondigt versterkte preventieve maatregelen aan: 15 weken moederschapsverlof (vanaf 2026), ouderschapsverlof, en hogere ziekte-uitkeringen. Kritiek van Vanrobaeys (sp.a): zelfstandigen dragen te weinig bij aan solidariteit (geplafonneerde bijdragen, fiscale optimalisaties) en dreigen het systeem onbetaalbaar te maken, terwijl Lanjri en Lanjri (cd&v) pleiten voor meer rechten mits passende bijdragen (bv. harmonisering met werknemersstelsel). Hoofdconclusie: Er is consensus over nodige versterking van de sociale zekerheid voor zelfstandigen (met focus op starters, vrouwen en kleine ondernemingen), maar meningsverschil over hoe die te financieren – via hogere bijdragen (Vanrobaeys) of efficiënter ciblage (Lanjri).
Anne Pirson:
Madame la ministre, le nouveau rapport du SPF Sécurité sociale dresse un tableau globalement très positif pour la Belgique. Entre 2019 et 2024, le risque de pauvreté est passé de 15 % à 11,5 %, soit environ 350 000 personnes sorties de la pauvreté, plaçant notre pays au deuxième rang européen, juste derrière la Tchéquie.
Le rapport montre aussi que cette amélioration ne résulte pas d’un dérapage des dépenses, mais d’un meilleur ciblage des politiques sociales: revalorisation des revenus d’intégration, allocations de chômage et de maladie, pensions minimales. Le résultat est que seulement 4 % des travailleurs sont pauvres, un chiffre deux fois inférieur à la moyenne européenne, et que la pauvreté des pensionnés a reculé à 11 %.
Toutefois, derrière ces progrès, le rapport pointe une faiblesse structurelle importante: la vulnérabilité des travailleurs indépendants. Selon le SPF, 14 % des indépendants vivent sous le seuil de pauvreté, De plus, près d’un sur cinq ne peut pas faire face à une dépense imprévue de 1 300 euros, un indicateur central de privation matérielle. Les starters, les petites structures et les secteurs à faibles marges sont les plus exposés. Pourtant, ces indépendants constituent un moteur essentiel de notre économie. Leur fragilité constitue un frein direct à l’investissement, à la croissance et même à la stabilité de notre tissu entrepreneurial.
Dans ce contexte, madame la ministre, comment évaluez-vous l’efficacité actuelle des mécanismes fédéraux de protection sociale des indépendants – droit passerelle, indemnités d’incapacité – à la lumière des données du SPF montrant qu’environ 21 % d’entre eux restent en situation de privation matérielle? Envisagez-vous de renforcer ou d’adapter ces dispositifs, en particulier pour les starters et les indépendants aux revenus irréguliers, afin de réduire durablement la vulnérabilité financière qui touche encore 14 % d’entre eux ?
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, uit een recente studie over armoede bij zelfstandigen van de FOD Sociale Zekerheid leren we dat, terwijl onze sociale bescherming wel en buffer biedt, zelfstandigen een aanzienlijk hoger risico op inkomensarmoede lopen, ook al ervaren zij vaak minder ernstige sociale en materiële deprivatie ervan. Het armoederisico bij werknemers bedraagt 2,8 %, tegenover 14,2 % bij zelfstandigen.
Sociale bescherming blijkt cruciaal. In de laagste inkomensgroep ontvangt een op de vijf zelfstandigen inkomensondersteuning. Tijdens de coronacrisis liep dat op tot 70 %. Zonder sociale bescherming zou het armoederisico in 2020 dubbel zo hoog zijn geweest.
Gender en gezinstypen spelen een rol. Vrouwelijke zelfstandigen keren zichzelf een lager inkomen uit, hebben een groter armoederisico en vallen dan een stukje terug op het inkomen van hun partner of op aanvullende uitkeringen. Dat wijst voor een stuk op kwetsbaarheid en economische afhankelijkheid.
Ook opvallend is de kloof tussen gemeten inkomensarmoederisico en effectieve armoede-ervaring. Het armoederisico schommelt tussen 10 en 16 %, terwijl slechts 1,4 % van de zelfstandigen ernstige sociale en materiële deprivatie ervaart. Zo kan 10,6 % van de zelfstandigen zich geen week vakantie permitteren. Bij werknemers ligt dat percentage hoger, namelijk op 13 %. Dat toont voor mij aan dat zelfstandigen voor een deel terugvallen op privébuffers, zoals spaargeld, eigendom en hun private middelen door de verwevenheid van het privéleven en de zaak. Experts waarschuwen dat die buffers beperkt zijn en dat het snel vervallen in acute armoede daarmee niet voorkomen kan worden.
Hoe interpreteert u de kloof tussen het inkomensarmoederisico en de ervaring, die anders is bij zelfstandigen?
Acht u de armoedemonitoring voldoende om verborgen en uitgestelde armoede tijdig te detecteren?
Voorts kreeg ik graag cijfers over de opname van het overbruggingsrecht, dat in 2023 is hervormd.
Bent u bereid om de solidariteit in het stelsel en het sociaal statuut van de zelfstandigen te versterken, zodat ondersteuning nog beter preventief kan worden ingezet en niet pas volgt wanneer de buffers zijn opgesoupeerd?
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, zoals de collega’s al hebben aangehaald, is vorige week in de media een studie verschenen van de FOD Sociale Zekerheid die wees op het probleem van armoede bij zelfstandigen. Daaruit is gebleken dat een aanzienlijke groep zelfstandigen te maken heeft met armoede of een risico op armoede. Als men echter kijkt naar effectieve of reële armoede, blijkt dat zij gelukkig iets beter scoren.
In de studie wordt ook een vergelijking gemaakt tussen armoede bij werknemers en armoede bij zelfstandigen. Die vergelijking is op zich minder relevant, want elke persoon in armoede, of het nu een zelfstandige, een werknemer of iemand anders is, is er een te veel.
Het is wel belangrijk om op te merken dat zelfstandigen zelf aangeven dat de sociale zekerheid ook voor hen enorm belangrijk is. Dat brengt ons bij een aantal zaken die we daadwerkelijk moeten aanpakken. Uiteraard moet armoede worden bestreden, maar daarnaast moeten we ervoor zorgen dat de stelsels voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren, waartussen vandaag nog vaak verschillen bestaan, meer naar elkaar toegroeien en dat verder wordt ingezet op harmonisering.
Een van de domeinen waarop dat zeker moet gebeuren, is het verlofstelsel in het kader van de combinatie van werk en gezin. Zeker voor zelfstandigen, die vandaag slechts twaalf weken moederschapsrust hebben, is verdere harmonisering belangrijk. Dat voorstel hebben we trouwens ook opgenomen in het voorstel van familiekrediet dat cd&v heeft gelanceerd. We willen dat zelfstandigen evenveel verlof krijgen voor de opvoeding van hun kind. Op die manier kunnen we zelfstandigen, in het bijzonder zelfstandige vrouwen, een stuk vooruithelpen. Ik ben dan ook blij dat u in uw kmo-plan alvast de intentie uitspreekt om de vijftien weken moederschapsrust vanaf volgend jaar door te voeren voor zelfstandigen. Ik zal daar zo dadelijk nog een concrete vraag over stellen.
Tot slot stel ik vast dat UNIZO in haar rapport aangeeft dat België een sterke consumentenbescherming kent, maar dat het hoog tijd is om ook te evolueren naar een vorm van producentenbescherming, zodat ondernemers, zij die produceren in ons land, voldoende worden beschermd en niet wachten tot het niet meer gaat. Vaak wachten zij immers veel te lang om met ziekteverlof te gaan.
Mevrouw de minister, hoe staat het met de plannen inzake de vijftien weken moederschapsrust die u hebt aangekondigd in uw kmo-plan en wanneer denkt u daarmee naar het Parlement te kunnen komen?
Welke concrete maatregelen kan de regering nog nemen om de armoede bij zelfstandigen te bestrijden?
Kunt u toelichten waarin het verschil precies zit tussen armoede bij zelfstandigen en armoede bij andere doelgroepen? Zijn er bij de zelfstandigen specifieke groepen die meer dan andere met armoede worden geconfronteerd?
Tot slot, bent u bereid om in te gaan op de suggesties en voorstellen van UNIZO om te werken aan een sterkere sociale bescherming van zelfstandigen?
Eléonore Simonet:
Madame la présidente, chères collègues, je vous remercie pour vos questions qui s’appuient sur l’étude récente du SPF Sécurité sociale et qui mettent en lumière une réalité complexe du vécu des travailleurs indépendants.
En ce qui concerne la lecture des chiffres et l’interprétation du risque de pauvreté chez les indépendants, il est tout d’abord essentiel de rappeler que la mesure de la pauvreté dépend fortement de l’indicateur utilisé. Le risque de pauvreté monétaire et la privation matérielle et sociale sévère ne mesurent pas la même réalité.
S’agissant de la privation matérielle, il convient d’être précis. Le fait qu’environ 21 % des indépendants déclarent ne pas pouvoir faire face à une dépense imprévue ne signifie pas qu’ils se trouvent en situation de privation matérielle sévère. Selon Statbel et Eurostat, la part des indépendants confrontés à une privation matérielle et sociale sévère se situe plutôt entre 1 et 1,5 %, un taux inférieur à celui observé chez les travailleurs salariés.
Afin de répondre à la question de Mme Pirson et de Mme Vanrobaeys relative aux causes de cette différence entre un risque élevé de pauvreté monétaire et une faible pauvreté vécue, plusieurs facteurs, largement documentés dans la littérature internationale et repris dans l’étude du SPF Sécurité sociale, peuvent être soulignés.
Premièrement, les revenus des indépendants sont plus volatils que ceux des salariés. Ils ne perçoivent pas de salaire mensuel stable et leur chiffre d’affaires fluctue en fonction de la conjoncture, des marchés ou des cycles économiques.
Deuxièmement, les mécanismes fiscaux et sociaux jouent un rôle important. Les cotisations sociales sont provisoires et ne sont recalculées que deux à trois ans plus tard, lorsque le revenu réel est connu, ce qui peut temporairement fausser l’image du revenu disponible.
Troisièmement, il existe chez les indépendants une imbrication plus forte entre la sphère privée et la sphère professionnelle. Certains utilisent des actifs de l’entreprise à des fins privées, tandis que d’autres mobilisent des moyens personnels pour soutenir leur activité. Cette réalité complique une lecture strictement monétaire du niveau de vie. C’est précisément pour cette raison que l’étude du SPF Sécurité sociale a intégré, à juste titre, l’indicateur européen de privation matérielle et sociale sévère, qui mesure la capacité réelle à faire face aux dépenses essentielles.
L’ensemble de ces éléments démontre que les chiffres issus de l’étude du SPF Sécurité sociale doivent être interprétés avec nuance. Les faibles niveaux de privation matérielle nuancent le risque moyen élevé de pauvreté monétaire chez les indépendants. Cela montre qu'il est nécessaire de combiner différents indicateurs afin d'obtenir une image aussi fidèle que possible du niveau de vie, en particulier pour un groupe aussi hétérogène que celui des travailleurs indépendants.
Il convient toutefois de rester vigilant. En effet, les statistiques de pauvreté présentent toujours un certain décalage temporel puisqu'elles tiennent compte du revenu et du niveau de vie de l'ensemble du ménage. C'est pourquoi les données administratives liées aux prestations sociales constituent des signaux d'alerte importants pour détecter plus rapidement des situations de fragilité, en particulier lorsque les revenus restent durablement instables.
De lopende analyses bij de FOD Sociale Zekerheid bevestigen de doorslaggevende rol van de sociale bescherming bij het verminderen van het armoederisico bij zelfstandigen. Zo verminderen de sociale overdrachten, exclusief pensioenen, het armoederisico met 26,9 %. Wanneer ook de pensioenen in aanmerking worden genomen, daalt dat risico zelfs met 36,4 %. Zonder deze mechanismen zou het armoederisico bij zelfstandigen dus aanzienlijk hoger liggen.
De voorbije jaren werd de sociale bescherming van zelfstandigen geleidelijk versterkt, met inachtneming van hun specifieke situatie. Ik wens in het bijzonder te wijzen op de versterking van het overbruggingsrecht, zowel wat betreft de dekking als het toepassingsgebied, de afschaffing van de correctiecoëfficiënt voor de berekening van de pensioenen, die heeft geleid tot een aanzienlijke verbetering van de wettelijke pensioenen van zelfstandigen, en de afschaffing van de wachttijd bij ziekteperiodes van meer dan een week enzovoort.
Naar aanleiding van de vraag van mevrouw Vanrobaeys over het gebruik van het overbruggingsrecht heb ik het RSVZ bevraagd. Sinds de hervorming van het overbruggingsrecht, die op 1 januari 2023 in werking is getreden, hebben 3.062 zelfstandigen van minstens één uitkering kunnen genieten.
De gegevens van het RSVZ geven de volgende opsplitsing aan: 1.801 zelfstandigen hebben hun activiteit stopgezet naar aanleiding van een faillissement, voor een totaalbedrag van ongeveer 24 miljoen euro; 528 zelfstandigen hebben hun activiteit stopgezet wegens onvoldoende inkomsten, voor een bedrag van ongeveer 8 miljoen euro; 453 zelfstandigen hebben genoten van het overbruggingsrecht na een gedwongen onderbreking als gevolg van een beslissing van een derde of van een economische gebeurtenis, voor een bedrag van 5,5 miljoen euro.
Ik kan u gedetailleerde tabellen bezorgen met een opsplitsing naar geslacht en activiteitensector. Het RSVZ beschikt evenwel niet over informatie met betrekking tot een eventuele cumulatie met andere uitkeringen of met een beroepsactiviteit.
De vrijstelling van sociale bijdragen vormt eveneens een belangrijk instrument voor zelfstandigen in moeilijkheden. In 2023 hebben 5.052 zelfstandigen een vrijstelling genoten voor een bedrag van 20,4 miljoen euro. In 2024 ging het om 4.567 zelfstandigen voor 21,7 miljoen euro en in 2025 om 3.359 zelfstandigen voor 15,5 miljoen euro. Deze gegevens zijn opgesplitst naar geslacht, maar een sectorale opsplitsing is momenteel niet beschikbaar.
Daarnaast kunnen zelfstandigen die met financiële moeilijkheden worden geconfronteerd ook een beroep doen op een afbetalingsplan, een vermindering van de voorlopige bijdrage of een kwijtschelding van verhogingen bij laattijdige betaling. Deze maatregelen hebben hun nut bewezen, met name tijdens recente crisissen zoals de covidpandemie en de energiecrisis.
Les travailleurs indépendants sont par nature résilients et autonomes. Mais cette autonomie ne peut devenir un angle mort de notre protection sociale. C'est précisément – vous l'avez rappelé et je vous en remercie – la philosophie de mon plan PME qui vise à renforcer le filet de sécurité sociale de manière plus préventive, et non uniquement lorsque toutes les réserves ont été épuisées. Concrètement, cela se traduit notamment par la prolongation du congé de maternité à 15 semaines, l'introduction progressive d'un congé parental pour les travailleurs indépendants afin de réduire l'écart avec les salariés et les fonctionnaires en matière de droits familiaux, mais aussi la volonté de simplifier les procédures et de réduire le non-recours aux droits, notamment via l'automatisation de la transmission des certificats médicaux et de l'assimilation en cas d'incapacité de travail. Ces mesures sont en cours de préparation et seront soumises au gouvernement et au Parlement dès que les travaux préparatoires auront été finalisés.
Mevrouw Lanjri, voor de verlenging van het moederschapsverlof is er vanaf 2026 een budget voorzien. De ontwerpteksten moeten echter nog worden voorgelegd aan de verschillende adviesorganen.
Daarnaast zullen kwetsbare zelfstandigen tijdens de huidige legislatuur het voorwerp uitmaken van transversale initiatieven, met name in het kader van de welzijnsenveloppe die bestemd is voor de meest kwetsbare groepen en wordt ontwikkeld in samenwerking met mijn collega, de heer Vandenbroucke. In dat kader heb ik voorgesteld om de ziekte-uitkeringen voor zelfstandigen te verhogen, teneinde ze beter af te stemmen op de minima die gelden voor werknemers.
Enfin, mesdames, je partage l'analyse selon laquelle il est essentiel de permettre aux indépendants de demander de l'aide plus tôt, sans attendre que la situation devienne critique. Cela implique non seulement des instruments financiers adaptés, mais aussi un meilleur accompagnement, une information claire et une sensibilisation accrue, tant pour les indépendants eux-mêmes, en particulier les starters et les petites structures, que pour les acteurs avec lesquels ils sont en contact direct – caisses d'assurance sociale, curateurs, CPAS et créanciers.
Renforcer la solidarité au sein du statut social des indépendants, c'est donc mieux prévenir, mieux accompagner et mieux cibler, afin d'éviter que des difficultés temporaires ne se transforment en situation de pauvreté durable.
Ik dank u voor uw belangrijke vragen.
Anne Pirson:
Merci pour vos réponses, madame la ministre, et notamment pour les précisions apportées quant aux différents indicateurs de mesure de la pauvreté.
Pour Les Engagés, le ciblage a réellement fait ses preuves. L’enjeu n’est pas de dépenser plus demain, mais de mieux adapter nos mécanismes de protection sociale à la réalité spécifique des indépendants pour qu’ils soient en mesure d’entreprendre et ce, sans basculer dans la précarité au moindre choc.
Nous vous savons très sensible au sort des indépendants et nous serons attentifs aux suites concrètes que vous donnerez à ce chantier essentiel.
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, mijn dank voor de interessante cijfers en uw nuancering. In een welvaartsstaat zoals België moeten we steeds alles in het werk stellen om armoede te bestrijden, ongeacht het zelfstandigen of mensen in een ander statuut betreft. Mensen moeten op een goede manier kunnen leven en bijdragen aan onze samenleving.
U hebt gezegd dat men solidariteit kan versterken door middel van meer preventie. We moeten echter ook eerlijk durven te zijn. De sociale bescherming voor zelfstandigen is reeds uitgebreid, maar mijns inziens staat daar te weinig solidariteit van de zelfstandigen zelf tegenover. Ook de OESO heeft dat opgemerkt en geeft aan dat onze financiering in de problemen zal komen. Dat blijkt ook uit de cijfers over de alternatieve financiering.
De sterkste schouders dragen vandaag nog steeds te weinig bij. Zelfstandigen halen de meeste voordelen uit fiscale optimalisaties en door geplafonneerde bijdragen. Die cijfers tonen aan dat door de uitbreiding van de sociale bescherming het armoederisico aanzienlijk daalt. Om armoede te bestrijden, is er in dat statuut meer solidariteit nodig, met bijdragen volgens de draagkracht. Ik zie dat niet als een aanval op ondernemerschap, maar als een keuze voor een eerlijk en toekomstgericht sociaal systeem voor zelfstandigen. Bovendien zijn zelfstandigen zelf vragende partij voor rechten, zoals de moederschapsbescherming, het ouderschapsverlof en de uitbreiding van het rouwverlof voor zelfstandigen. Ook zelfstandigen moeten in de huidige samenleving de tijd hebben werk en gezin te combineren.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. U hebt aangehaald dat de zelfstandigen zelf zeggen dat we een goede sociale zekerheid en een goede sociale bescherming hebben. Dankzij die sociale bescherming wordt het armoederisico gelukkig getemperd en verminderd. Bij gepensioneerden gaat het zelfs om 36 % minder. Zonder die bescherming zou dus meer dan een derde van de mensen in armoede terechtkomen.
Er zijn in het verleden inderdaad al veel maatregelen genomen, maar het blijft belangrijk om te bekijken waar de hiaten zitten en waarop we verder bouwen. Ik denk dat we dat binnenkort, wanneer we uw kmo-plan in het Parlement bespreken, grondig kunnen doen. Het is goed om het te hebben over hoe we de sociale bescherming nog verder kunnen verbeteren, onder meer met voorstellen die vanuit de sector zelf komen, zoals die van UNIZO.
Uiteraard sluit ik mij aan bij de woorden van collega Anja Vanrobaeys dat sociale zekerheid ook solidariteit betekent, namelijk solidariteit tussen mensen die ziek zijn en mensen die kunnen werken, en tussen mensen met een hoger inkomen en mensen met een lager inkomen. Die solidariteit moet ingebakken zijn, zowel over de stelsels heen als bij de zelfstandigen zelf. Het is dus zeker goed om te bekijken hoe we meer rechten kunnen voorzien, maar dat moet gepaard gaan met voldoende bijdragen, zodat we die goede sociale zekerheid ook op lange termijn kunnen blijven betalen.
Al jarenlang ben ik pleitbezorger van een goede combinatie van werk en gezin, ook voor zelfstandigen. Collega Vanrobaeys heeft terecht aangestipt dat ook het rouwverlof via een wetsvoorstel werd ingevoerd, waardoor we ervoor gezorgd hebben dat het voor iedereen bestaat. Inzake moederschapsrust heb ik altijd gepleit dat die er voor iedereen moet zijn, ook voor zelfstandigen, maar daartegenover moeten ook bijdragen staan.
De regering heeft, onder meer na aandringen van cd&v, extra middelen voorzien voor iedereen. Belangrijk is dat er in 2026 al geld is voor één week extra geboorteverlof voor iedereen, ook voor zelfstandigen. Ik hoop dat u daar nu al de schouders onder zet. Vorige donderdag heb ik u gevraagd om alvast aan die extra week te werken. Het familiekrediet, waarvoor we een uitgebreid voorstel hebben uitgewerkt, met onder meer ouderschapsverlof en tijdskrediet, ook voor zelfstandigen en voor alle mensen, is complexer en zal meer tijd vergen. Dat kunnen we dan uitrollen vanaf de zomer. Nu moet er dringend worden ingezet op die extra week. In uw kmo-plan is ook een budget ingeschreven om een en ander voor zelfstandigen verder te harmoniseren, weliswaar pas vanaf 2027. Nu is er wel al geld voorzien voor die extra week voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen. Laten we daarvan een prioriteit maken. Ik zal mijn schouders daar onder zetten om dat mee te realiseren.
Anja Vanrobaeys:
(…)
De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en de voorbereiding van de OCMW’s
De late steun aan de OCMW's n.a.v. de hervorming van de werkloosheidsreglementering
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's
De compensatie voor de OCMW's n.a.v. de personen die hun inschakelingsuitkering zullen verliezen
De steun voor de OCMW's in het licht van de golf van werklozen die hun uitkering verliezen
De werkloosheidshervorming en de beperking in de tijd van het recht op een werkloosheidsuitkering
De steun aan de OCMW's
De steun voor de OCMW's
De toestroom bij de OCMW's van werklozen die hun werkloosheidsuitkering verliezen
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's
Financiële en operationele gevolgen van de werkloosheidshervorming voor OCMW's
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie), David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 21 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de impact van de tijdsbeperking op werkloosheidsuitkeringen (ingegaan op 1 januari 2026) en de overbelasting van OCMW’s, die massaal geconfronteerd worden met leefloonaanvragen van uitgesloten werklozen. Volgens OCMW-koepels (VVSG, Brusselse federatie) vraagt 36% tot 60% van de betrokkenen al een leefloon – veel hoger dan de governmentele inschatting van "één derde" – met complexe dossiers (schulden, gezondheid, huisvesting) die de werkdruk en behandelingsduur verdubbelen. Kritiekpunten: - Financiële tekorten: De beloofde 26 miljoen euro (2025) en 300 miljoen (2026) voor OCMW’s zijn nog niet uitbetaald, terwijl lokale besturen al voorschieten en dreigen om te vallen (bv. Charleroi, Luik). Oppositie (o.a. Meunier, Lanjri) noemt dit "onverantwoord" en wijst op structureel onderfinanciering, vooral voor niet-toeleidbaren (bv. chronisch zieken, personen met een handicap) die verkeerdelijk in werkloosheid zaten en nu tussen wal en schip vallen. - Slechte doorverwijzing: VDAB/FOREM screenden niet-toeleidbaren onvoldoende door naar RIZIV, DG Handicap of sociale economie, waardoor OCMW’s dubbel werk krijgen. Vanrobaeys en Lanjri eisen betere data-uitwisseling en een specifiek attest om heronderzoeken te vermijden. - Veiligheid & agressie: OCMW-medewerkers melden toenemend geweld (bv. Antwerpen: +324 incidenten in 2024), maar federale maatregelen (zoals koppeling agressie aan GPMI) blijven onduidelijk. Minister Van Bossuyt (CD&V) benadrukt dat de compensatiemechanismen (verhoogde RIS-terugbetaling, personeelskosten) wettelijk verankerd zijn en dat de 26 miljoen euro "eind januari" vrijkomt, maar ontkent systematisch onderfinanciering. Ze wijst op taskforces met OCMW’s en regio’s, maar oppositie en lokale besturen betwijfelen de effectiviteit, gezien de reële instroom (bv. Charleroi: 1.000 aanvragen vs. geraamde 430) en gebrek aan concrete oplossingen voor niet-toeleidbaren. Ducarme (MR) verdedigt het beleid als "voldoende gefinancierd", maar kritiek blijft hardnekkig.
Voorzitter:
Si vous voulez, nous pouvons garder les deux débats d'actualité, mais les tenir successivement. Nous allons procéder ainsi pour garder une cohérence et ne pas passer par le cumul des allocations. Nous tiendrons donc le premier et le troisième débat à la suite l’un de l’autre.
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik heb mijn vragen uiteraard aangepast aan de actualiteit. Ik had die vragen eigenlijk al ingediend midden november 2025.
Sinds de inwerkingtreding van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zagen wij in de media de eerste cijfers verschijnen over de impact op de OCMW’s. Volgens een recente bevraging van de VVSG blijkt dat 36 % van de werklozen die sinds 31 december 2025 hun werkloosheidsuitkering verloren, intussen een leefloonaanvraag indienden. Dat aandeel lag een week eerder nog lager. Wij zien dus een merkbare stijging in de tijd.
Voor Brussel wijzen voorlopige cijfers op een nog hogere instroom. De Brusselse federatie van OCMW’s schat dat in verschillende gemeenten meer dan de helft van de geschorste werkzoekenden zich tot het OCMW wendt. In gemeenten zoals Schaarbeek, Etterbeek en Elsene zou het zelfs om 50 % à 60 % gaan. Daarbij wordt expliciet aangegeven dat het om voorlopige cijfers gaat en dat een bijkomende stijging niet uitgesloten is, omdat niet iedereen onmiddellijk een aanvraag indient.
Wat wij uit de media vernemen, is dat de instroom van dossiers te maken zou hebben met meervoudige problematieken, waaronder gezondheid, schulden en huisvesting. Volgens de VVSG verhoogt dat automatisch de behandelingsduur en de intensiteit van elk dossier aangezien elk leefloondossier logischerwijze een volledig sociaal onderzoek vereist. Bovendien wordt in Brussel gewezen op de operationele gevolgen voor de OCMW’s. Sociaal assistenten beheren daar gemiddeld 140 dossiers terwijl in de sector 100 dossiers vaak al als bovengrens worden beschouwd.
Verschillende OCMW’s geven ook aan dat de anticipatie op verhoogde spanningen aan de loketten ertoe leidt dat bijkomende bewakingsmaatregelen zullen worden getroffen. Dat wordt onder meer gelinkt aan de toegenomen werkdruk en de onzekerheid bij cliënten. Ik heb een aantal vragen voor u.
Hoe worden de eerste resultaten opgevolgd en geëvalueerd op federaal niveau? Over welke actuele cijfers beschikt uw administratie?
Welke maatregelen worden getroffen om de operationele druk en de veiligheid van OCMW-medewerkers gedurende de overgangsperiode te ondersteunen? Over de veiligheid hebben wij het al meermaals gehad in het verleden. U zou met een maatregel komen waarmee agressie kon worden gekoppeld aan het GPMI. Kunt u daarvan een stand van zaken geven?
Marie Meunier:
Madame la ministre, voici quelques mois, la Fédération des CPAS bruxellois et plusieurs autres grandes villes ont demandé le report de la réforme du chômage prévue pour le 1 er janvier 2026 et qui est finalement intervenue à cette date.
Leur message est clair. À l’époque, les CPAS n’étaient pas prêts, faute de moyens et de visibilité budgétaire. Aujourd'hui, ils font face à un tsunami humain. L'enveloppe anticipative de 26 millions d'euros pour 2025 n'a toujours pas été débloquée et la compensation de 300 millions d'euros prévue pour 2026, bien qu’elle ait été votée, est retardée. Elle n’est pas arrivée au 1 er janvier 2026 en raison du régime des douzièmes provisoires.
Les CPAS bruxellois mais également les CPAS wallons se disent au bord de la rupture. Et certaines communes n'ont pas eu d'autre choix que d'éponger les coûts à la place du fédéral, ce qui est clairement intenable.
Madame la ministre, que répondez-vous à ces CPAS? Combien de temps sera-t-il nécessaire entre l'approbation de l'ajustement budgétaire déposé au Parlement le 13 novembre dernier et la libération des fonds effectifs au niveau des CPAS? Pourriez-vous nous transmettre une liste complète de la ventilation de ce budget par CPAS? Qu'en sera-t-il concrètement du budget 2026 au regard des douzièmes provisoires que vous imposez faute d'accord sur le budget 2026?
Ensuite, on s’est arrêté spécifiquement sur le public ciblé par les compensations que votre majorité a votées en décembre dernier. Il apparaît qu’est considéré comme bénéficiaire "celui qui n'a plus droit au bénéfice des allocations de chômage, conformément à l'article 169 de la loi-programme du 18 juillet 2025". Dès lors, ces compensations votées ne couvriraient que les personnes exclues des allocations de chômage et pas les personnes exclues des allocations d'insertion. Or ces exclusions sont intervenues également au 1 er janvier 2026.
Comme vous le savez, l'allocation de chômage est obtenue sur la base d'un travail salarié et l'allocation d'insertion est une allocation accessible après les études. Les CPAS ont donc accueilli, ce 1 er janvier 2026, non seulement le premier afflux de personnes exclues du chômage, mais aussi les personnes exclues de l’allocation d’insertion. C’est un nombre significatif de jeunes qui sortent des études et qui n'ont pas encore trouvé d'emploi.
Confirmez-vous que ces personnes exclues des allocations ne sont effectivement pas prises en compte dans le mécanisme de compensation? Si oui, pouvez-vous nous en indiquer les raisons? Comment justifiez-vous l’omission de ce public, alors que les CPAS sont déjà dans une situation de sous-financement? Envisagez-vous de corriger rapidement ce manque pour ne pas mettre les institutions encore plus en difficulté?
Enfin, comme je le disais, votre réforme est entrée en vigueur le 1 er janvier, en limitant dans le temps l'accès aux allocations de chômage. Cela devait, selon vos estimations, entraîner un report d'environ un tiers des personnes exclues vers les CPAS. C’est le fameux "un tiers, un tiers, un tiers": un tiers aux CPAS, un tiers allait retrouver du travail et un tiers allait "disparaître des radars". C'est sur cette hypothèse que vous avez déterminé les compensations qui, je le rappelle, d'une part sont insuffisantes et d'autre part n'ont toujours pas été versées pour 2025.
Il apparaît que les premiers constats de terrain semblent infirmer cette estimation. Lors du dépôt de ma question, le CPAS de Charleroi avait déjà reçu plus de 500 demandes. Comme cela a été révélé hier ou avant-hier, le CPAS de Charleroi a reçu plus de 1 000 demandes de personnes exclues du chômage en ce début janvier, alors que l'ONEM estimait à environ 1 300 le nombre total d'exclusions sur le territoire carolorégien. C’est vraiment bien plus d'un tiers des personnes concernées qui se sont déjà tournées vers le CPAS, en quelques jours à peine, et a priori , ce chiffre n'est appelé qu'à augmenter.
D'autres CPAS décrivent une dynamique comparable, avec un afflux massif de demandes, une pression accrue sur les services sociaux, et la nécessité de renforcer en urgence l'accueil, les enquêtes sociales et l'accompagnement des publics concernés. Cela, alors que, comme je vous l'ai dit, de nombreux CPAS alertaient déjà, avant même l'entrée en vigueur de la réforme, sur l'insuffisance des compensations financières prévues.
Madame la ministre, avez-vous eu des concertations avec les CPAS qui font face à l'arrivée de plus d'un tiers des exclus du chômage de leur territoire, comme par exemple le CPAS de Charleroi? Si oui, qu'en est-il ressorti? Un monitoring est-il mené par vos services dans ce cadre?
Compte tenu de ces éléments, envisagez-vous d’adapter le dispositif de soutien financier aux CPAS afin qu’il colle à la réalité du terrain? Autrement dit, envisagez-vous de modifier les budgets? Quelles garanties pouvez-vous donner aux CPAS pour qu’ils disposent des moyens humains et budgétaires nécessaires pour faire face à cette charge supplémentaire sans détériorer la qualité de l’accompagnement social?
J’ai essayé de globaliser mes trois questions en une seule dans le temps imparti.
Anja Vanrobaeys:
Ik heb mijn vraag een beetje geactualiseerd, omdat de VVSG op basis van haar steekproef vorige week nieuwe resultaten heeft bekendgemaakt. De VVSG geeft aan dat ondertussen 36 %, meer dan een derde, van de werklozen die uitgesloten zijn een leefloon heeft aangevraagd. De week ervoor was dat nog een kwart. De VVSG zegt ook dat dat aandeel week na week stijgt, maar dat het nog te vroeg is om de concrete impact van de werkloosheidshervorming op de lokale OCMW’s volledig in te schatten. Wat de VVSG wel meldt, is dat veel aanvragen betrekking hebben op mensen met meervoudige en complexe problemen: gezondheidsproblemen, zorgverantwoordelijkheden, zware schulden en ongeschikte huisvesting. Een leefloononderzoeker heeft dat tijdens de hoorzitting over fraude ook al gezegd. Dat onderzoek gaat natuurlijk heel breed en bestrijkt al die domeinen. Dat vergt tijd, expertise en voldoende personeel.
Mijn oorspronkelijke vraag was ingegeven door het feit dat de OCMW’s eind december ook al aan de alarmbel hadden getrokken. Zij wezen toen op een gebrekkige informatiedoorstroming tussen federale en regionale diensten en op het uitblijven van administratieve vereenvoudiging. Dat leidt tot dubbel werk. Vandaag heb ik twee vragen.
Ten eerste, welke concrete initiatieven neemt u om de administratieve lasten voor de OCMW’s structureel te verminderen, zeker met het oog op het toenemende aantal aanvragen? Werden daarover afspraken gemaakt binnen de taskforce met de regio’s en de OCMW’s? Hoe worden de uitvoering en de effectiviteit daarvan opgevolgd?
Mijn tweede vraag moet ik ook actualiseren naar aanleiding van het debat dat vanmorgen heeft plaatsgevonden in het Vlaams Parlement. Mijn vraag aan u was of u met de regionale ministers nog afspraken zou maken over de screening van de niet-toeleidbaren. Vorige week hebben we daar in de plenaire vergadering een debat over gehad en heeft onze minister daar een voorstel over gedaan. Vanmorgen heeft mijn collega in het Vlaams Parlement dezelfde vraag gesteld aan de Vlaamse minister van Werk, Zuhal Demir. Zij zegt dat die mensen al een screening hebben gehad en al het advies niet-toeleidbaar hebben gekregen. Zij zouden begeleid worden door het GBO. Goed, ons voorstel was - en ik dacht dat we daarvoor ook steun hadden van uw partij - om die mensen opnieuw op te roepen en effectief opnieuw te screenen, om hen naar de juiste plaats door te verwijzen en hen niet los te laten. De juiste plaats is de ziekteverzekering, de DG Personen met een handicap voor mensen met een handicap en vooral de sociale economie en het maatwerk, en dan eventueel het OCMW. Ik begrijp het standpunt van de Vlaamse minister dan ook niet goed.
Ik vraag me af of er daarover al overleg is gepleegd? Zijn daarover reeds afspraken gemaakt? Het is toch belangrijk dat we zeker die kwetsbare groep niet loslaten en de nodige zorg en begeleiding geven. Die taak mag niet volledig in de schuif van de OCMW’s worden geduwd. De VDAB moet zijn rol opnemen, zodanig dat die mensen naar de juiste plaats worden begeleid.
Ik kijk uit naar uw antwoord.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, uit de steekproef van de VVSG blijkt dat al meer dan een derde van de werklozen die op 1 januari hun uitkering verloren hebben, een leefloon hebben aangevraagd bij het OCMW. Vandaag lezen we in de krant een paar berichten van Waalse OCMW’s, onder meer van Luik en Charleroi. Daaruit blijkt dat inmiddels ook meer mensen een leefloon hebben aangevraagd bij het OCMW. Uiteraard weten we dat een aanvraag niet automatisch betekent dat het leefloon ook wordt toegekend. De nodige onderzoeken moeten nog worden gevoerd.
Tegelijkertijd weten we dat er mogelijk ook mensen zijn die vandaag nog niet bij het OCMW gaan aankloppen, omdat ze zich er nog niet volledig van bewust zijn dat ze hun uitkering verliezen. Dat besef komt er misschien pas op het einde van de maand of zelfs later, althans voor zover het gaat om behoeftige mensen.
Mevrouw de minister, wordt dat bevestigd door de cijfers waarover u beschikt? Hebt u al voorlopige cijfers over het aantal werklozen dat zich sinds het begin van dit jaar heeft aangemeld bij het OCMW? Hebt u zulke cijfers voor het hele land?
Welke knelpunten zijn er volgens u vandaag bij de OCMW’s en welke oplossingen ziet u daarvoor? Hebt u daarover al contact gehad met de VVSG, die uiteraard in nauw contact staat met de OCMW’s? Zijn er vragen binnengekomen bij de POD Maatschappelijke Integratie? Hoe voorziet u de informatiedoorstroming tussen de OCMW’s en de arbeidsbemiddelingsdiensten en hoe zal die vlot en correct verlopen?
Ik wil ook specifiek ingaan op de mensen die niet-toeleidbaar zijn. Dat is een punt waar we al maanden op hameren en waarover ik in de voorbije maanden ook aan verschillende bevoegde ministers in het Parlement vragen heb gesteld. Ik had daarbij ook het concrete voorstel gelanceerd om die mensen beter te begeleiden en toe te leiden.
Sommige mensen zullen bij het OCMW aankloppen, maar anderen zullen dat niet doen, bijvoorbeeld omdat ze een partner hebben met een inkomen. Er zijn ook mensen die een ziekte hebben waardoor ze niet kunnen werken en die eigenlijk al eerder in de ziekte-uitkering hadden moeten terechtkomen. Ik ken bovendien voorbeelden van mensen die eigenlijk nooit in de werkloosheid hadden mogen zitten, maar er toch in zaten en daar nu de dupe van zijn.
Andere mensen beschikten zelfs over een attest waarmee ze konden worden erkend als persoon met een handicap, maar zaten toch in de werkloosheid. Op zich was het dus al niet goed dat een aantal mensen zich in een verkeerd statuut bevond, maar de vraag is nu of die mensen de weg zullen vinden.
Wij hebben gevraagd dat zij de juiste begeleiding zouden krijgen. Jarenlang zijn ze door de VDAB met een briefje in de vergeethoek geduwd: ze beschikten over een attest en dus viel men hen niet lastig of riep men hen niet op, omdat men wist dat activering toch niet mogelijk was. Nu staan die mensen plots met lege handen. Van een deel van hen ben ik ervan overtuigd dat ze bij de OCMW’s zullen aankloppen en daar wellicht ook goed begeleid zullen worden, maar niet iedereen zal die stap zetten. Mevrouw de minister, u bent ook bevoegd voor de OCMW’s en daarom vraag ik u hoe het zit met de groep die wel bij de OCMW’s terechtkomt.
In een nota van onze Vlaamse collega’s lees ik dat het de bedoeling is om de informatie over te dragen over alle mensen die niet-toeleidbaar zijn en een advies Welzijn hebben gekregen. Volgens die nota zou een attest worden opgemaakt, specifiek bedoeld voor de OCMW’s, bruikbaar in het kader van de gezondheids- en billijkheidstoets en bestemd voor de OCMW’s, het RIZIV en de Directie-generaal Personen met een handicap.
Mijn vraag is of die mensen effectief met zo’n attest bij het OCMW aankomen en of dat attest alle nuttige en noodzakelijke informatie bevat, zodat de OCMW’s daarmee geholpen zijn. Die diensten hebben immers al meer dan voldoende werk en hoeven niet al het werk opnieuw te doen. Alle informatie waarover de VDAB al jarenlang beschikt, hoeft eigenlijk niet opnieuw te worden verzameld. Het OCMW kan wel ondersteuning bieden op andere domeinen, waarin die mensen blijkbaar niet geholpen werden door de VDAB, bijvoorbeeld op het vlak van huisvesting of andere problemen, maar niet opnieuw inzake informatie waarover al attesten beschikbaar zijn. Ik heb daar vragen bij.
We zijn er bovendien van overtuigd – ik heb dat ook expliciet gevraagd – dat er een screening moet komen van die doelgroep, met aansluitend een gerichte begeleiding naar de juiste instanties. Gaat het om iemand die recht heeft op een ziekte-uitkering, dan moet dat ook effectief een ziekte-uitkering zijn. Gaat het om een erkenning als persoon met een handicap, dan kan het OCMW daarin een rol spelen. Via het OCMW kan men immers, als men nog een zekere capaciteit om te werken heeft, eventueel terechtkomen in maatwerk, bijvoorbeeld in een maatwerkbedrijf binnen de sociale economie. Dat is dus zeker mogelijk. Ik geloof ook dat mensen die vandaag niet-toeleidbaar zijn, mits de juiste begeleiding en mits aangepaste jobs, wel degelijk een job kunnen uitoefenen. Daarvoor is echter begeleiding noodzakelijk.
Mijn vraag is dan ook of er kan worden afgestemd tussen u en de Vlaamse en andere ministers bevoegd voor Werk om de overdracht van niet-toeleidbare personen goed te organiseren. We kunnen ons immers niet permitteren dat een hele groep mensen aan de kant wordt gezet, nergens wordt opgevangen en uiteindelijk ook niet op de arbeidsmarkt terechtkomt. Dat zou een verlies zijn voor de arbeidsmarkt en voor onze samenleving. We moeten met die groep dus ook iets doen. Met de juiste begeleiding kunnen die mensen wellicht, misschien niet onmiddellijk maar wel op middellange termijn, nog geactiveerd worden naar werk, naar de sociale economie of desnoods naar vrijwilligerswerk. We mogen hen niet aan hun lot overlaten.
Mevrouw de minister, ik reken dan ook op u om contact op te nemen met uw daartoe bevoegde gewestelijke collega’s.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, de collega’s hebben het al voor een stuk geschetst. De beperking van de werkloosheid in de tijd is van start gegaan en de toeloop op de OCMW’s stijgt. De snelheid waarmee het beleid werd uitgevoerd en de werkdruk die ermee gepaard gaat, zet alvast kwaad bloed in Antwerpen. Ook in Gent gaat het bijvoorbeeld vaak om zeer complexe dossiers, niet alleen beperkt tot wie niet-toeleidbaar is, waarbij activering onwaarschijnlijk lijkt.
Om die mensen de gepaste aandacht te geven, aangezien de oorzaken van armoede en precariteit complexer zijn geworden, is meer tijd en aandacht nodig en dus ook financiering. Tot voor kort was er federaal wel het een en ander mogelijk, maar u schrapte bijvoorbeeld ook het participatiebudget en maakte het moeilijker voor samenwonenden om te voldoen aan de voorwaarden voor een leefloon. Lokale besturen vrezen dan ook dat er onvoldoende middelen zijn om die grondoorzaken duurzaam aan te pakken.
De beperking van de werkloosheid in de tijd wordt momenteel volop uitgerold. Bij het ene OCMW loopt dat al vlotter dan bij het andere. Hoe verloopt momenteel de feedbackloop naar uw diensten? Wanneer staat de eerste tussentijdse evaluatie gepland? Wanneer kunnen we daarover hier in het Parlement discussiëren?
De federale omkadering van de OCMW’s, of liever de extra omkadering, richt zich vooral op het financieren van het leefloon en het ondersteunen van extra personeel. De beperking van de werkloosheid in de tijd zal echter ook de vraag naar een aantal andere steunmechanismen verhogen. Mensen die geen recht hebben op een leefloon, kunnen bijvoorbeeld wel recht hebben op budgethulpverlening, maar daarvoor is geen extra federale ondersteuning voorzien. Gaat u dat ook herevalueren en zo nodig ingrijpen?
Ook de subrogaties kosten de OCMW’s zeer veel geld. Dat zal met het toestromen van nieuwe cliënten, waarvan er velen eigenlijk in een ander systeem van uitkeringen thuishoren, bijvoorbeeld omdat ze chronisch ziek zijn, toenemen. Zijn de subrogaties meegenomen in de berekening van de toelages voor de OCMW's, om de uitrol van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd in goede banen te leiden? Welke hefbomen heeft de federale overheid om ervoor te zorgen dat de subrogaties niet maandenlang dienen te worden uitbetaald?
Voorzitter:
Madame la ministre, je regarde d'une manière un peu plus approfondie le thème du premier débat d'actualité consacré au financement des CPAS dans le cadre de la réforme du chômage. Or, dans le troisième débat, par exemple, on trouve dans le point 3, la question de madame Schlitz sur le versement des montants prévus aux CPAS. Je ne sais pas comment la distinction a été opérée. Je propose, si cela vous convient, madame la ministre, de garder les débats tels quels.
J’ai une question, mais je vais clore la liste des interventions. Quelqu’un souhaite-t-il se joindre au débat d’actualité par une question?
Nadia Moscufo:
Bonjour, madame la ministre. Lorsque ces mesures d’exclusion du chômage ont été annoncées, et que vous aviez été interpellée à propos des CPAS, vous nous aviez indiqué qu’un tiers des personnes concernées retrouveraient du travail, qu’un tiers se dirigeraient probablement vers les CPAS et qu’un tiers se retrouveraient, selon votre expression – je ne sais pas si c’était la traduction exacte –, hors des radars. Ce n’était peut-être pas vous personnellement, mais au niveau du gouvernement, nos inquiétudes étaient alors qualifiées d’alarmistes. Malheureusement, la situation devient aujourd’hui réellement alarmante.
Vous aviez décidé d’allouer un budget de 26 millions d’euros dès 2025 afin d’aider les CPAS à renforcer leurs services pour faire face à l’afflux de nouvelles demandes. Les CPAS ont attendu. Or, au 31 décembre, il n’y avait toujours rien. Vous avez tenté de les rassurer en indiquant que les moyens arriveraient en fin de mois. Entre-temps, toujours rien, alors que les services doivent continuer à fonctionner.
Pouvez-vous nous annoncer une date crédible à laquelle les fonds seront effectivement et avec certitude versés sur les comptes des CPAS? Je vous remercie.
Voorzitter:
Quelqu’un d’autre souhaite-t-il se joindre au débat par une question? ( Non ).
Madame Samyn, pouvez-vous me remplacer le temps que je pose ma question?
Voorzitster: Ellen Samyn.
Présidente: Ellen Samyn.
Denis Ducarme:
Madame la ministre, je souhaiterais tout de même que vous puissiez… Je suis fatigué d’entendre systématiquement, dans un certain nombre de conseils communaux, dont celui de Charleroi, que l’on n’aurait pris aucune mesure financière pour accompagner la réforme du chômage. Je voudrais que vous rappeliez tout ce qui a trait au remboursement du RIS, au remboursement majoré du RIS, à ce que vous avez prévu en plus par dossier traité pour l’engagement de personnel. S’il vous plaît, que l’on remette la vérité à sa place par rapport aux mesures financières que vous avez prises pour accompagner la réforme du chômage.
Une question se pose ici. Elle sera encore posée dans le cadre du deuxième débat. Quand allez-vous liquider les 25 millions qui étaient prévus pour 2025? Il est en effet clair que les CPAS ont avancé la somme. Je vous demande de nous dire clairement ce qu’il en est et ce qu’il en sera, puisqu’une enveloppe de 300 millions, si je ne m’abuse, est prévue pour 2026, avec des prochaines étapes de soutien financier aux CPAS dans ce cadre.
Par ailleurs, je sais que vous n’êtes pas une ministre qui reste dans sa tour d’ivoire. Vous allez sur le terrain. Vous vous rendez dans un certain nombre de CPAS. Au-delà d’aller physiquement sur le terrain, avez-vous mis en place, au sein de vos départements, une antenne, afin d’accompagner opérationnellement un certain nombre de CPAS qui pourraient être en difficulté dans le cadre de la mise en œuvre de cette réforme du chômage? Je vous remercie.
De voorzitster : Wenst nog iemand aan te sluiten? (Nee)
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw de voorzitster, met uw goedkeuring zou ik graag eerst een algemene verklaring afleggen naar aanleiding van het debat dat we vorige week hebben gevoerd over de sociale fraude. In het kader van dat debat heb ik cijfers meegedeeld over personen die om billijkheidsredenen geen GPMI hebben. Bij de latere verificatie van die cijfers is gebleken dat twee percentages werden omgewisseld. We hebben dat onmiddellijk aan het commissiesecretariaat laten weten, dat die correctie ook heeft meegenomen. Ik acht het evenwel belangrijk om die rechtzetting ook hier mee te delen.
Vorige week heb ik dus gesteld dat in Vlaanderen 4 % van de leefloonbegunstigden geen GPMI had omwille van gezondheids- en billijkheidsredenen, tegenover 28 % in Brussel en 67 % in Wallonië. De correcte interpretatie is echter de volgende. Binnen de totale groep van personen met een GPMI-vrijstelling omwille van gezondheids- en billijkheidsredenen bevindt 28 % zich in Vlaanderen, 4 % in Brussel en 67 % in Wallonië. De percentages voor Vlaanderen en Brussel werden dus omgewisseld.
Zoals ik toen al heb aangegeven, gaat het om alle leefloonbegunstigden die in augustus 2025 in steun waren en die geen GPMI hadden omwille van gezondheids- of billijkheidsredenen. Die momentopname was op dat ogenblik de meest representatieve beschikbare foto. Ik heb toen ook al meegedeeld dat mijn administratie – de POD Maatschappelijke Integratie – geen zicht heeft op de concrete redenen voor die verschillen. Voor Brussel kan een mogelijke verklaring zijn dat die informatie niet, of niet correct, wordt doorgegeven.
Président: Denis Ducarme.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Mocht daarover verwarring zijn ontstaan, bied ik daarvoor mijn excuses aan. Ik heb de correcte informatie vorige week al aan het commissiesecretariaat bezorgd, maar ik vond het belangrijk om die ook hier mondeling toe te lichten.
Dan kom ik tot de vele vragen die zijn gesteld. De budgettaire inschattingen zijn gebaseerd op de cijfers van de RVA met betrekking tot de geraamde uitstroom uit de werkloosheid. Voor de betalingen met betrekking tot de eerste schijf van de voorlopige twaalfden betekent dit de betaling voor de personen die op 1 januari 2026 uitstromen. In de laatste raming waarover mijn diensten beschikten werd het aantal uitstromers op 1 januari op 22.000 geraamd. Dat cijfer ligt iets lager dan het cijfer van juni, toen de uitstroom nog op 25.000 werd geraamd.
Er waren heel wat vragen over de 26 miljoen euro. Het is zo dat die compensatie vervat zit in wet nr. 1117 houdende de eerste aanpassing van de algemene uitgavenbegroting voor het begrotingsjaar 2025. Die middelen werden inderdaad binnen de begrotingscontrole van 2025 naar de kredietlijnen van de POD MI overgezet. Mijn kabinet had daarover ook al gecommuniceerd.
Ik heb de lokale besturen ook aangeraden om de gecommuniceerde bedragen in hun meerjarenplanning op te nemen, want die bedragen zijn per gemeente of stad ook bekendgemaakt. Waarom Brussel dat niet doet, weet ik niet, maar die middelen worden nog voor het einde van deze maand aan de OCMW's bezorgd.
Mevrouw Samyn, de betaling zal juridisch wel door de wet worden gegarandeerd. Het Parlement heeft in de vergadering van 13 november het wetsontwerp goedgekeurd dat door de regering werd ingediend en dat de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie wijzigt wat de compensatie aan de OCMW's betreft, naar aanleiding van de tijdsbeperking van werkloosheidsuitkeringen. Het is die tekst die het terugbetalingstarief en ook de voorwaarden ervan bepaalt. Er is dus geen bijkomend koninklijk besluit betreffende de begroting nodig. Mijn administratie heeft de bijkomende middelen in het kader van de voorlopige twaalfden aangevraagd.
Er waren ook een aantal vragen over de gegevens van personen die uit de werkloosheid worden uitgesloten.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, is het mogelijk dat u op de vragen van het volgende actualiteitsdebat aan het antwoorden bent?
Voorzitter:
Excusez-moi, mais vous n'avez pas à interrompre la ministre lorsqu'elle est en train de répondre. Vous répliquerez tout à l'heure, monsieur Van Lysebettens. Les règles sont claires pour les questions orales. Dès lors, je vous demande d'attendre votre tour pour développer votre réplique.
Vous pouvez poursuivre, madame la ministre.
(...): (…)
Voorzitter:
Chers collègues, je ne pense pas que Mme la ministre vous ait interrompu pendant que vous l'interrogiez. Je demande donc que vous la laissiez répondre. Je n'ai jamais vu cela!
Anneleen Van Bossuyt:
Merci, monsieur le président. Je tiens à faire ce que les parlementaires attendent de moi. Nous étions tombés d'accord pour que ce premier débat d'actualité soit suivi du troisième, puis seulement du deuxième. Donc, je réponds à présent aux questions qui m'ont été posées à l'occasion du premier débat d'actualité. C'est ainsi que je l'avais compris.
Voorzitter:
En effet, c'est bien ce qui avait été convenu.
Anneleen Van Bossuyt:
En ce cas, je continue. Merci à vous!
Wat de gegevens over personen die uit de werkloosheid worden uitgesloten betreft, worden alle maatregelen door de POD MI beheerd. De OCMW's moeten geen bijkomende gegevens encoderen om het terugbetalingstarief te berekenen waarop zij recht hebben. Wat de samenwerking tussen de werkgelegenheidsdiensten en de OCMW's betreft, bestaat er momenteel al een gegevensuitwisseling. Mevrouw Lanjri, u hebt gelijk dat deze samenwerking moet worden versterkt, afhankelijk van de noden van elke regio. Mijn kabinet heeft in dit verband reeds vergaderingen gehad met de VDAB.
J'ai compris qu'au Parlement de Wallonie, un projet de décret était en cours d'élaboration en vue de renforcer les missions du FOREM et d'optimiser la collaboration avec les CPAS. Je ne vois aucune raison de suspendre la réforme de la réglementation relative au chômage ni les efforts supplémentaires du gouvernement en faveur des CPAS. Une concertation de crise n'est pas nécessaire. Au demeurant, le 19 novembre, une task force s'est encore réunie avec les fédérations de CPAS, y compris ceux de Bruxelles. À cette occasion, mon cabinet a clairement indiqué que le régime de compensation serait respecté et que nous verserions, comme je viens de le dire, les 26 millions d'euros avant la fin de ce mois.
Madame Meunier, l'allocation d'insertion est accessible après les études. Elle était déjà limitée dans le temps, à savoir pour une durée de trois ans. L'impact sur les CPAS existe, mais est moindre. Cette décision fut prise par le gouvernement Di Rupo, donc sous la direction de votre parti. À l'époque, aucune forme de compensation n'avait été prévue pour les CPAS. Il est donc difficile de comprendre que vous formuliez aujourd'hui des critiques envers une situation qui résulte d'un choix dont votre parti était lui-même responsable à l'époque. Le public est, par ailleurs, différent, puisqu'il est composé de jeunes gens qui peuvent se réinsérer rapidement.
Ik zal straks ingaan op de wijziging van artikel 34 van het koninklijke besluit, dat erop gericht is de cumulatie van leeflonen binnen hetzelfde gezin te verminderen, aangezien daar ook enkele vragen over werden ingediend.
Mevrouw Vanrobaeys, u had het in uw vragen voor dit actualiteitsdebat ook over de werkdruk, maar daar ben ik vorige week al uitgebreid op ingegaan.
La loi du 17 novembre 2025 modifiant la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale en ce qui concerne la compensation des CPAS suite à la limitation des allocations de chômage dans le temps a été publiée au Moniteur belge. Elle prévoit des mesures de financement supplémentaire des CPAS pour les soutenir dans la gestion des dossiers des personnes exclues du chômage suite à la loi-programme du 25 juillet 2025. Les CPAS bénéficieront d’un remboursement majoré du revenu d'intégration sociale et une allocation spécifique pour les frais de personnel concernant les dossiers des personnes exclues du chômage à partir du 1 er janvier 2026.
Comme M. Ducarme vient de le mentionner, et comme j’ai déjà explicité plusieurs fois au sein de la commission toute la réglementation concernant la compensation pour les CPAS, je pense que cela ne vaut pas la peine de le répéter.
Ik kom tot de vragen over het aantal aanmeldingen bij de OCMW's van personen wier werkloosheidsuitkering werd stopgezet. Sinds 1 januari zijn ik noch mijn kabinet rechtstreeks op de hoogte gebracht van problemen door extra leefloonaanvragen bij de OCMW's.
Il est encore trop tôt pour déterminer l’afflux. Le monitoring va s’établir sur la base des formulaires introduits pour le remboursement. Il est donc encore trop tôt pour établir des chiffres clairs.
De POD MI en mijn kabinet krijgen slechts zicht op de cijfers zodra een leefloon werd toegekend door het OCMW en dat in het Nova Primasysteem wordt ingevoegd. Alle dossiers worden momenteel nog behandeld door de OCMW's. De registratie ervan bij de POD MI gebeurt pas zodra het leefloon effectief wordt toegekend. In Charleroi zouden 1.000 mensen zich hebben aangemeld. Zolang het leefloon nog niet effectief werd toegekend, hebben wij daar geen zicht op, tenzij we bij elk OCMW individueel de cijfers zouden opvragen. Kortom, we beschikken momenteel nog niet over een algemeen overzicht. Zodra het sociaal onderzoek is afgerond en er een leefloon wordt toegekend, wordt dit in ons systeem geregistreerd en zullen wij daar meer zicht op krijgen. Er is trouwens wel al een taskforce opgericht, onder meer om de compensatieregeling uit te werken, waarin mijn kabinet, de OCMW-federaties en ook de activeringsdiensten zitten. Die taskforce komt regelmatig samen en monitort voortdurende de situatie in de OCMW's. Officiële cijfers kan ik u dus voorlopig nog niet meedelen.
Ensuite, je vais répéter les questions qui ont été posées ici. Comme je l’ai déjà plusieurs fois expliqué, plusieurs mesures sont mises en œuvre pour soutenir les CPAS dans la gestion des nouvelles demandes liées à la réforme du chômage. Une subvention exceptionnelle pour l’emploi sera également octroyée aux CPAS lorsqu’un PIIS aura permis à un bénéficiaire de trouver un emploi stable d’au moins douze mois continus. C’est le troisième pilier de la compensation, comme nous l’avons toujours dit. Pour aider les CPAS dans l’exercice de leurs missions, un flux passant par la BCSS, appelé unemployment data service , a été mis en place pour permettre de consulter la situation juridique de la personne au niveau de l'ONEM. La consultation peut porter aussi, bien sûr, sur la situation passée, présente et future.
Mijnheer Van Lysebettens, een onderwerp dat wel vaker voorkomt en waar we het hier trouwens ook al meermaals over gehad hebben in de commissie, is de werkdruk voor de OCMW-medewerkers. Mevrouw Vanrobaeys heeft daarover ook een vraag gesteld. Ik heb al meermaals gezegd op welke manier we daaraan proberen tegemoet te komen. Ze heeft zeker gelijk dat de voorschottenproblematiek een te hoge werkdruk legt op de OCMW’s.
Daarom hebben we, zoals eerder al aangekondigd, een werkgroep opgericht, met als doel een oplossing te vinden, of minstens de impact hiervan op de OCMW’s te beperken. Samen met het kabinet van minister Clarinval en minister Vandenbroucke is de werkgroep Administratieve Vereenvoudiging opgericht, waar die voorschottenproblematiek het eerste punt is dat we bespreken.
Wanneer een OCMW een voorschot toekent, opent dat het recht op maatschappelijke integratie voor die persoon, uiteraard op voorwaarde dat aan de voorwaarden is voldaan. Als dit voorschot in de vorm van een leefloon wordt toegekend aan iemand die van de werkloosheid is uitgesloten, zal het OCMW genieten van het verhoogde terugbetalingstarief.
Er waren ook nog een aantal vragen over de niet-toeleidbaren. Ik denk dat ook al is aangegeven, onder meer door minister Beenders, dat het niet de bedoeling is om nieuwe vergeetputten te creëren. Als men niet-toeleidbaar is naar werk en na een sociaal onderzoek door een OCMW recht heeft op een leefloon, dan zal dat worden toegekend. Als men geen recht heeft op een leefloon, betekent dit dat er voldoende middelen zijn en men niet behoeftig is.
Ik denk dat ik daarmee op de meeste van uw vragen heb geantwoord.
Ellen Samyn:
Dank u wel, mevrouw de minister.
U sprak daarnet over het zicht op de cijfers van de mensen die een leefloon hebben aangevraagd en zei dat u enkel zicht hebt op het leefloon dat werd toegekend. Als ik daar heel eerlijk in mag zijn, zou het toch niet zo moeilijk mogen zijn om enerzijds via het Nova Primasysteem zicht te hebben op wie een leefloon heeft aangevraagd en anderzijds op de toekenningen zelf. Ik denk dat dit op federaal niveau eigenlijk een en-enverhaal zou moeten zijn. Het aangevraagde dossier moet er zijn, maar ook het toegekende dossier. Vandaag beschikt eigenlijk niemand echt over cijfers, behalve uiteraard de lokale OCMW’s, en is er geen gecoördineerd systeem. De POD MI heeft vandaag immers enkel zicht op de toegekende dossiers en niet op de aanvragers. Dat lijkt mij voor een optimale werking toch aangewezen. Misschien moet daar eens over nagedacht worden.
Ik vermelde daarnet al wat wij van het werkveld horen. De mensen die nu bij het OCMW terechtkomen, dat zijn mensen met zwaardere dossiers. Zij kampen met meervoudige problemen, namelijk schulden, gezondheidsproblemen en huisvesting. Dat zijn intensieve dossiers. Het is dan ook meer dan terecht dat daarbij een volledig sociaal onderzoek gebeurt. Dat weegt natuurlijk wel op de werking.
Ik heb uw antwoord ook gehoord met betrekking tot de niet-toeleidbare mensen.
Anderzijds is het ook een uitgelezen kans voor de OCMW’s om te kijken naar en echt zorg te dragen voor die mensen en misschien ook voor mensen die in een verkeerde groep zijn beland, teneinde hen te begeleiden naar werk en naar de juiste categorie. Zeker wie kan werken, moet ook kunnen werken maar wie echt zorg nodig heeft, moet ook verzorgd worden. Dat moet duidelijk zijn.
Het enige waarop u niet echt hebt geantwoord, tenzij ik mij vergis, is de vraag over de agressie. U hebt wel op die vraag geantwoord maar u gaf mee dat er de voorbije weken geen grote problemen inzake agressiegevallen merkbaar waren. Dat was ook een vraag en een bezorgdheid. Wij zien dat die bezorgdheid bij de OCMW’s blijft bestaan. In dat kader hebt u aangekondigd dat u voorwaarden zou stellen in het kader van het GPMI. Ik had daar graag nog iets meer over geweten en de stand van zaken gekend. Ik weet immers dat dat nog altijd een grote bezorgdheid blijft. Het zou fijn zijn, mocht u eventueel op die vraag nog kunnen antwoorden.
Marie Meunier:
Madame la ministre, vous m’avez répondu en me disant: "À Charleroi, madame Meunier, ils sont 1 000 à avoir passé la porte du CPAS, mais ils ne seront pas 1 000 à bénéficier du RIS." Oui, probablement. C'est vrai, je vous le concède. Mais 1 000 personnes qui arrivent, ce sont 1 000 dossiers à traiter pour les agents, quoi qu'il arrive. C'est précisément ce que je vous reproche depuis des mois: c'est que vous êtes dans votre réalité, dans votre logique. On peut vous le reconnaître. C'est clairement la constance de votre ligne, qui est totalement antisociale. Mais 1 000 dossiers qui entrent, ce sont 1 000 dossiers à traiter pour les agents, que l'issue soit positive ou négative pour le potentiel bénéficiaire.
J’en reviens donc à mes deux problèmes. Le premier, qui reste le plus urgent, est l'enveloppe de 26 millions d'euros pour l'engagement du personnel. Cette enveloppe-là, où est-elle?
Comment doivent faire les travailleurs sociaux du CPAS de Charleroi? Comment doivent faire les travailleurs sociaux du CPAS de Liège? On y reviendra plus tard, mais comment doivent faire les travailleurs sociaux du CPAS de Tournai? Ils n’ont pas de moyens complémentaires. Dans les faits, il y a des estimations initiales, et la réalité du terrain qui se retrouve beaucoup plus haute. Vous ne leur apportez aucune solution.
Le deuxième problème, c’est la prise en charge du RIS. D'abord, sur les allocations d'insertion. Je vais reprendre l'exemple de Charleroi. L'ONEM estimait à 1 300 le nombre de personnes attendues. Il estimait aussi que 800 d'entre elles seraient exclues de l'allocation d'insertion.
Or, si on reprend votre logique "un tiers, un tiers, un tiers", sur l'estimation des 1 300 exclus du chômage au niveau de l'ONEM, 430 personnes seraient venues frapper à la porte du CPAS de Charleroi. Or, aujourd'hui, ce sont 1 000 personnes qui l'ont fait!
Dès lors, si l'ONEM estimait à 800 le nombre de personnes exclues de l'allocation d'insertion, dans les faits, ce nombre doit être plus élevé. Je n'ai pas encore les chiffres. Ils arriveront probablement dans les jours à venir.
Il y a donc une différence entre la théorie et la pratique. Ce que nous vous demandons ici, c'est de mettre des solutions en place, de rectifier le tir. Mais j'entends que cette volonté n'existe pas. La volonté est surtout de laisser les institutions sombrer et se débrouiller toutes seules, finalement.
Vous êtes la ministre chargée de ces institutions. Je le répète, les agents croulent sous le travail!
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, u zei dat er al gegevensuitwisseling is en dat u wilt bekijken hoe die kan worden versterkt. Dat is heel belangrijk, omdat de werkdruk, die al hoog was en nu nog is verhoogd, verder moet worden aangepakt.
U zei ook dat er een werkgroep is met betrekking tot de voorschotten. Het standpunt van de Vlaamse minister van Werk over die niet-toeleidbaren begrijp ik echter niet. Zij zegt dat de VDAB hen niet meer zal screenen. Wat gaan we dan doen met die mensen? Zij krijgen een standaardbrief, waarin staat dat ze worden uitgesloten van de werkloosheid. Vervolgens sturen we hen naar het OCMW, waar ze een voorschot krijgen, en daarna worden ze doorgestuurd naar het RIZIV of de DG HAN, wanneer ze daarvoor in aanmerking komen.
Die kwetsbare mensen worden van het kastje naar de muur gestuurd en dat is nu net hetgeen zij niet nodig hebben. Ik krijg massa’s berichten van mensen met autisme en van mensen met fibromyalgie die zeggen dat ze zo’n standaardbrief hebben gekregen en echt niet meer weten wat ze moeten doen. Zij hebben stress en zijn in paniek. Misschien kunnen zij ook nog geactiveerd worden, maar dan moeten ze naar de juiste plaats worden doorverwezen. De VDAB, de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten zijn de enige die dat kunnen. We mogen dat niet in de bak van de OCMW’s schuiven.
In die zin vind ik dat u ook vanuit het federale niveau er bij de regio’s zou op moeten aandringen dat voor mensen die hun werkloosheidsuitkering verliezen en het statuut niet-toeleidbaar hebben, die screening door de VDAB gebeurt. Zo kunnen die mensen worden geholpen en doorverwezen naar de plaats waar zij moeten zijn, waar hun statuut ook overeenkomt met hun situatie. Op die manier worden ze niet van hier naar daar gestuurd en is er een stuk zekerheid, ofwel via de ziekteverzekering, ofwel via een uitkering voor personen met een handicap, ofwel via een traject naar maatwerk en sociale economie.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, ik heb u reeds maanden geleden gezegd dat uw inschatting dat van de personen die hun werkloosheidsuitkering zouden verliezen één derde naar de OCMW's zou trekken, één derde werk zou vinden en één derde van de radar zou verdwijnen verkeerd was. Voorlopig is het nog even wachten vooraleer de volledige cijfers beschikbaar zijn
Ik ben het er wel mee eens dat men niet louter kan poneren dat er meer mensen van het OCMW steun zullen ontvangen. Wie bij het OCMW aanklopt, krijgt immers niet de facto een leefloon. Men moet daarvoor ook in aanmerking komen. Ik ben er ook van overtuigd dat de eerste groep personen die hun werkloosheidsuitkering verliezen sneller naar het OCMW zullen stappen dan zij die later hun werkloosheidsuitkering verliezen.
Ik heb u ook gevraagd naar het aantal mensen dat doorverwezen werd naar het RIZIV of naar het DG Personen met een handicap, maar ik neem aan dat u nog niet over die cijfers beschikt.
Ik heb aangedrongen op een goede data-uitwisseling en in verband daarmee sprak u over een consulteerbare databank. Waar blijft dat specifiek attest over de niet-toeleidbaren dat Vlaanderen de OCMW's beloofde? Het staat immers letterlijk in het actieplan van Vlaanderen. Daarmee kan dubbel werk vermeden worden en kan het werk voor onze maatschappelijk werkers verlicht worden.
U zou hebben aangedrongen op een oplossing voor die niet-toeleidbaren. De VDAB heeft deze mensen gescreend, maar blijkbaar niet correct doorverwezen naar de juiste diensten, want anders waren zij misschien al veel langer bij de juiste diensten terechtgekomen. U hebt overlegd met de VDAB, maar u zou ook moeten overleggen met de bevoegde minister, Zuhal Demir, en de andere regionale ministers voor Werk. Het is immers de taak van de arbeidsbemiddelingsdiensten om deze mensen, zelfs voor ze uitstromen, naar de juiste instellingen door te verwijzen, zodat zij bijvoorbeeld op tijd kunnen beginnen met een aanvraag voor een ziekte-uitkering. Er gelden namelijk aanvraagtermijnen om bepaalde uitkeringen aan te vragen. Als men na de stopzetting van de werkloosheidsuitkering niet binnen de maand een ziekte-uitkering aanvraagt, verliest men het recht daarop. Waar komen ze dan terecht, mevrouw de minister? Dan belanden ze bij het OCMW, terwijl ze een ziekte-uitkering zouden moeten krijgen. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Ze zaten al verkeerd. Ze zaten misschien al jarenlang onterecht in de werkloosheid waar ze steeds de stempel welzijn en niet-toeleidbaar meekregen, terwijl ze eigenlijk in de ziekte-uitkering thuishoorden. Zo kunnen ze nog lang bij het OCMW blijven zitten. Dat is niet de bedoeling.
Men moet er ook mee stoppen om telkens naar elkaar te verwijzen, van de ene minister naar de andere. Ga eens samenzitten. Zo kunt u dat wel oplossen. Ik dring er echt op aan om dit te doen.
Ik heb ook al aan minister Beenders en minister Vandenbroucke gevraagd om met de bevoegde ministers van Werk samen te zitten om dat probleem aan te pakken. Wat beslist is, is beslist. De werkloosheidshervorming willen wij ook niet terugdraaien, maar we willen niemand aan zijn lot overlaten. Dat mogen we niet doen. Ik ben ervan overtuigd dat u dat ook niet wil. Als we dat doen, geven we mensen op. We moeten mensen die nog enig potentieel hebben wel begeleiden naar de juiste diensten. De OCMW’s spelen daar ook een rol in.
U hebt gezegd dat degenen die bij het OCMW aankloppen een leefloon zullen krijgen en verder zullen worden begeleid, maar het OCMW kan ook perfect mensen begeleiden die geen recht op een leefloon hebben. Als men niet voor een leefloon in aanmerking komt, maar wel andere problemen heeft, dan kan het OCMW helpen bij de maatschappelijke integratie. Dat is ook een rol van het OCMW. Dat kan gaan om schuldbemiddeling of om oriëntatie.
Bekijk samen met de bevoegde ministers hoe u die mensen kunt begeleiden, mevrouw de minister. Degenen die reeds bij het OCMW hebben aangeklopt, kan het OCMW verder begeleiden.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ten eerste, ik was in de war, omdat u begon te antwoorden op vragen die straks bij het actualiteitsdebat aan bod zullen komen. Ik zal de vragen echter bij die gelegenheid nogmaals stellen en dan zullen wij wel zien. Ik dank u evenwel voor de antwoorden.
Inzake de cijfers begrijp ik de tekortkomingen van de systemen vandaag, waardoor u geen overkoepelend zicht kunt geven op wie het leefloon aanvraagt. Echter, mijnheer de voorzitter, wij hebben hier in de commissie beslist dat wij later dit jaar een hoorzitting zullen organiseren met de lokale koepels van OCMW’s om de evaluatie van het gegeven van de toekenning te doen. Er zou een inspanning moeten zijn van de federale regering om daar uniforme cijfers over te verzamelen. Dat kan uw beleid ook gewoon versterken, omdat wij dan allemaal over dezelfde cijfers spreken. Vandaag baseren wij ons noodgedwongen op wat in de media verschijnt. Mevrouw de minister, mij is in dat verband niet duidelijk hoe u zelf de impact zult evalueren.
Ik had ook een vraag gesteld over de budgethulp, veeleer gebruikmakend van dat voorbeeld. U hebt daar enigszins op geantwoord door te verwijzen naar de vragen over de werkdruk. Mijn vraag betrof echter veeleer het volgende. Mevrouw Lanjri verwees er ook naar. Mensen kunnen aankloppen bij het OCMW en geen recht hebben op een leefloon, maar wel andere ondersteuning nodig hebben. Budgethulp is daar een voorbeeld van, schuldhulp is een ander voorbeeld. Dat zijn natuurlijk ook allemaal medewerkers van het OCMW die daarmee bezig zijn. Mijn vraag daarbij was of een en ander financieel ook zal worden gecompenseerd. Volgens mij zit dat nu niet in de compensatie die is ingeschreven voor de OCMW’s, hoewel dat wel nodig zal zijn.
Neem het voorbeeld van budgethulp. Als mensen hun werkloosheidsuitkering verliezen, is dat voor het gezinsbudget natuurlijk een grote terugval. Voor mensen die geen recht hebben op een vervangingsinkomen, zal het ook voor hun dagelijkse uitgaven een heel grote uitdaging zijn om dat onder controle te houden. Mijn warme oproep is dan ook om wel budget daarvoor uit te trekken.
Voorzitster: Ellen Samyn.
Présidente: Ellen Samyn.
Denis Ducarme:
Je comprends que vous soyez fatiguée de répéter les mêmes éléments, madame la ministre, mais au vu de ce que nous avons encore entendu aujourd'hui, il n'est pas inutile de rappeler certains faits.
Il n'est pas inutile de rappeler que les nouveaux RIS sont majorés de 10 %. Il n'est pas inutile non plus de préciser que, pour les allocations d'insertion, il n'y a pas de majoration, mais que ces allocations sont bien remboursées par le fédéral à 100 %.
Il n'est pas inutile de rappeler que, pour les frais de dossier, le montant de base est de 518 euros par dossier et que ce montant est doublé pour les nouveaux RIS dans le cadre de la réforme du chômage. Il n'est peut-être pas inutile non plus de rappeler que, même pour les personnes issues des allocations d'insertion, puisque l'on passe en effet de trois ans maximum à un an dans le cadre de la réforme, il y a malgré tout 518 euros de frais d'ouverture de dossier pour les nouveaux RIS.
Enfin, il n'est pas inutile de rappeler que la dégressivité ne s'applique pas cette année et que l'on reste à 100 %.
Il y a là un certain nombre d'éléments de soutien à votre politique qu'il n'est pas inutile de rappeler. Je vous remercie.
Président : Denis Ducarme.
Voorzitter : Denis Ducarme.
Robin Tonniau:
Ik wil me aansluiten bij de repliek van het actualiteitsdebat.
Mevrouw de minister, vandaag zijn er steeds meer werkzoekenden. De werkloosheid stijgt in België, in Vlaanderen. Ook in onze provincie Oost-Vlaanderen is de werkloosheid het afgelopen jaar gestegen. Vorig jaar zijn er in Oost-Vlaanderen alleen al 3.000 werkzoekenden bijgekomen. Dat zijn cijfers van de VDAB. Het betreft een forse stijging, met 6%. Vandaag zijn er steeds minder vacatures. Het aantal vacatures daalt. Ze dalen in België, ze dalen in Vlaanderen en ze dalen ook in onze provincie Oost-Vlaanderen. In Oost-Vlaanderen zijn er op één jaar tijd 11,8% minder vacatures.
Bijna dagelijks worden fabriekssluitingen aangekondigd. Daarbovenop voeren jullie de beperking van de werkloosheid in, alsof er nog niet genoeg miserie is. De beperking van de werkloosheid zet lokale besturen onder druk, zet de OCMW’s onder druk en zet ook de werkzoekenden extra onder druk, net als de mensen die vandaag hun job verliezen. Zij worden daardoor nog meer onder druk gezet. Dat is in wezen een repressief sociaal beleid dat de mensen langzaamaan wurgt. Zo creëert men extra problemen. Dat hoort men nu ook al binnen de eigen meerderheid. De kritiek van mevrouw Lanjri komt wel degelijk fel aan. De kritiek van mevrouw Vanrobaeys is 100% terecht.
We zijn nog maar 21 januari en het spel begint al. “Zo hadden we het niet bedoeld. Dat probleem moet nog opgelost worden. Oei, een derde, een derde, een derde, dat lijkt toch niet te kloppen.” De theorie en de praktijk lijken niet te stroken. Wie heeft, om dat allemaal op te lossen, 26 miljoen euro beloofd aan de OCMW’s? U hebt daarop geantwoord dat men erop kan rekenen dat dat geld eind januari op de rekeningen van de lokale besturen zou staan. Dat moest er nog aan mankeren. We voeren dat debat al sinds juni 2025. Het geld zou er zijn in oktober. Het geld zou er zijn in december. Nu is het januari, hopelijk eind deze maand.
Mijnheer Ronse, fractieleider van de N-VA, heeft vorige week donderdag in Villa Politica nog verklaard dat hij blij is. Blijkbaar zijn er minder mensen die zich aanmelden bij de OCMW’s voor een leefloon dan gedacht. Al die paniek was nergens voor nodig, volgens hem. De dag erna lazen we in de kranten dan weer dat meer mensen dan gedacht zich aanmelden bij de OCMW’s. U voert een discussie terwijl u de cijfers niet hebt. Dat is ook logisch, want voorafgaand aan die maatregel, de beperking van de werkloosheid in de tijd, is er amper studie geweest. Er is geen reflectie geweest over de implicaties voor de lokale besturen. Al die problemen hebben jullie afgeschoven en proberen jullie nu ad hoc op te lossen, maar we zien dat dat niet lukt. Dat is een ideologische discussie. Ik voorspel dat dit heel veel miserie zal veroorzaken. De armoede in ons land zal toenemen. Het gaat vandaag niet zo goed met onze economie. Ik weet niet of jullie dat beseffen.
Mevrouw de minister, ik hoop dat jullie daarmee binnen de regering aan de slag zullen gaan en dat jullie alle zeilen zullen bijzetten om de OCMW's te ondersteunen en vooral de mensen niet aan hun lot over te laten. Het is waar, het is goedgekeurd, maar we kunnen nog veel aanpassingen doen. We kunnen nog een tandje bijsteken om de OCMW’s te ondersteunen. Ik vrees dat we hierop nog veel zullen moeten terugkomen.
Anneleen Van Bossuyt:
Misschien eerst dit. Mijnheer Tonniau, ik denk dat u zich vergist. Die 26 miljoen euro is niet de compensatie die we voorzien voor de OCMW’s. Dat zou inderdaad een zeer beperkt bedrag zijn. Het gaat om minstens 300 miljoen euro, met een open-endfinanciering, dus als het meer blijkt te zijn, zal dat worden bijgepast, voor alle duidelijkheid.
Wat de cijfers betreft, wil ik ingaan op de opmerkingen van mevrouw Samyn en de heer Van Lysebettens. In uw replieken vroeg u of het mogelijk zou zijn om niet alleen op het moment van de toekenning van het leefloon federale gegevens te hebben, maar ook reeds wanneer de aanvragen op lokaal niveau worden ingediend. De reden waarom die gegevens vandaag pas beschikbaar zijn bij de toekenning van het leefloon, is uiteraard dat pas op dat moment de federale tussenkomst plaatsvindt in het kader van de gedeeltelijke compensatie van het toegekende leefloon.
In het kader van de taskforce waar ik het eerder over had – die regelmatig samenkomt om de situatie te monitoren – is wel gevraagd om te kunnen werken met een soort dashboard. De OCMW-federaties maken deel uit van die taskforce. Op die manier hopen we een instrument te kunnen ontwikkelen dat zicht biedt op de aanvragen en dus niet enkel op de cijfers vanaf het moment waarop de leeflonen effectief zijn toegekend.
Tot slot, mevrouw Samyn, wil ik ingaan op uw vraag over agressie. Al vóór de invoering van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd moesten we jammer genoeg vaststellen dat het aantal agressie-incidenten tegen maatschappelijke werkers toeneemt. U hebt daar in de commissie al vragen over gesteld. Die cijfers worden niet federaal bijgehouden, maar de OCMW’s registreren die wel zelf. Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar het OCMW van Antwerpen, zien we dat er in 2022 191 agressiegevallen waren, terwijl dat aantal in 2024 al is opgelopen tot 324 gevallen, dus bijna één per dag. Het gaat dus om een zeer sterke toename.
Ik herinner mij een werkbezoek aan het OCMW van Namen, waar het letterlijk volhing met pamfletten met de boodschap “ Stop violence ”. Ik vond het onvoorstelbaar dat dat nodig is. De medewerkers gaven aan dat ze niet anders kunnen, omdat de agressie zo sterk toeneemt. Net op de dag van mijn bezoek hadden ze zelfs een nieuw loket ingericht met plexiglas tussen de cliënt en de maatschappelijk werker om rechtstreeks contact te vermijden. Er is bovendien een aparte vluchtweg voorzien, met twee deuren, zodat men elkaar niet hoeft te kruisen bij het buitengaan. Zo ver is het intussen gekomen.
Ik heb daarom zeer bewust de OCMW's voor de inwerkingtreding van die maatregel een omzendbrief gestuurd om aan te geven dat agressie absoluut ontoelaatbaar is en dat de veiligheid van de maatschappelijke werkers steeds voorop staat. Er treedt immers een zekere gewenning op en geweldincidenten worden zelfs niet meer altijd gemeld. De omzendbrief verduidelijkt dat agressie in ruime zin geïnterpreteerd kan worden, dus zowel fysiek en verbaal geweld als intimidatie, en een reden kan zijn om een leefloon niet toe te kennen of stop te zetten. De juridische basis daarvoor is dat het sociaal onderzoek niet op een objectieve manier kan gevoerd worden, wat essentieel is voor de toekenning van een leefloon. Verschillende maatschappelijke werkers, alsook de vakbonden hebben mij daar vorige week nog voor bedankt. Die laatsten zeiden dat het voor hen zelfs nog een stap verder mocht gaan. Dat is wel het minste dat we konden doen. Onze solidariteit eindigt waar agressie begint.
Nadia Moscufo:
Madame la ministre, ce premier débat d'actualité dévoile les nombreuses critiques non seulement sur le fondement même de votre réforme mais aussi sur les conséquences négatives réelles déjà perceptibles sur le terrain. Plusieurs collègues ont fait allusion à des expériences très concrètes au niveau local, et vous dites vous-même être consciente de la charge de travail trop élevée dans les CPAS. Mais, madame la ministre, cette surcharge de travail ne tombe pas du ciel; elle est le résultat de votre politique et de tout ce que vous n'avez pas encore réussi à mettre en pratique mais que vous aviez pourtant promis. Si vous deviez vous rendre à Charleroi ou à Liège, nous pourrions voir ensemble la réalité de cette surcharge de travail pour tous ces gens qui attendent encore les fameux millions que vous leur aviez promis.
De vertraagde uitbetaling voor OCMW's n.a.v. de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd
De uitblijvende compensatie voor de OCMW's
Het uitblijven van een federale compensatie voor de OCMW’s i.h.k.v. de werkloosheidshervorming
De compensatieregeling voor de OCMW's
De storting van de afgesproken bedragen aan de OCMW's
De ondersteuning van de OCMW's in het kader van de werkloosheidshervorming
De steun aan de OCMW's n.a.v. de werkloosheidshervorming
Financiële compensatie en ondersteuning voor OCMW's na werkloosheidshervorming
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 21 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de vertraagde uitbetaling van 26 miljoen euro compensatie (onderdeel van 300 miljoen over meerdere jaren) aan OCMW’s voor de extra lasten door de hervorming van de werkloosheidsuitkering (2025), die leidt tot meer leefloongerechtigden en hogere begeleidingskosten. Minister Van Bossuyt bevestigt dat het bedrag eind januari 2026 wordt overgemaakt door vertraging in parlementaire procedures, maar OCMW’s en oppositie (o.a. Lamarti, Schlitz, Moscufo) bekritiseren de gebrekkige communicatie, late uitbetaling – waardoor lokale besturen kosten voorschieten – en het ontbreken van concrete data of garanties voor toekomstige stiptheid. Kritiekpunt is ook dat de compensatie niet geldt voor 18.000 jongeren die hun inschakelingsuitkering verliezen (10 miljoen euro verlies in 2026), wat de minister ontkent ooit te hebben beloofd, maar waar OCMW-federaties stellen slecht over geïnformeerd te zijn. Tonniau (PVDA) en Moscufo beweren dat de regering ontransparant is en de impact bagatelliseert, terwijl Van Lysebettens (N-VA) benadrukt dat voorspelbare financiering cruciaal is voor vertrouwen in toekomstige hervormingen zoals het GPMI.
Fatima Lamarti:
Mevrouw de minister, ik zal toch mijn vraag stellen, hoewel ze al verschillende malen is gesteld en deels is beantwoord.
Begin 2025 werd de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd stapsgewijs ingevoerd. Die hervorming heeft een directe impact op de lokale besturen, met een aanzienlijke instroom van nieuwe gerechtigden op leefloon en een verhoogde druk op begeleidingstrajecten naar werk. Om die lokale lasten op te vangen en de OCMW’s, en niet in het minst alle maatschappelijk werkers, daarin bij te staan en te ondersteunen, heeft de federale regering in een compensatieregeling voorzien. Die zou oplopen tot 300 miljoen euro over de komende jaren.
Voor het werkingsjaar 2025 was een specifiek budget van 26 miljoen euro ingeschreven. Hoewel de begroting eind vorig jaar groen licht kreeg in de Kamer, luiden de OCMW’s en de VVSG nu de noodklok. Het geld is namelijk nog niet gestort, al hoorde ik daarjuist dat het binnenkort zal worden overgeschreven. De lokale besturen hebben die extra kosten het volledige afgelopen jaar zelf moeten voorschieten uit hun eigen werking.
Daarom heb ik de volgende vragen, mevrouw de minister.
Wat is de reden van de vertraging bij de storting van die 26 miljoen euro aan de OCMW’s, aangezien het budget al was goedgekeurd? Wanneer de storting effectief zal plaatsvinden, weten we ondertussen.
Kunt u garanderen dat de compensatie voor het lopende jaar 2026 wel tijdig en volgens het vastgelegde schema zal worden uitgekeerd, zodat die onzekerheid in de toekomst wordt vermeden?
Wanneer gaat u van start met het verminderen van het papierwerk voor de maatschappelijke werkers, onder meer via een versnelde toekenning van het leefloon op basis van KSZ-gegevens en een eenvoudiger en meer geharmoniseerd rapportagesysteem?
Hoever staat het met het bovenlokale afsprakenkader rond de toekenning van aanvullende financiële steun op basis van het REMI-systeem?
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, ik denk dat u in het vorige debat al op een aantal vragen hebt geantwoord.
Een andere vraag ging over de compensatie van 26 miljoen euro voor de OCMW’s voor 2025. Mijn collega, Eva Platteau, had daarover in het Vlaams Parlement ook een aantal vragen gesteld. Het bleek dat het bedrag nog niet naar de lokale besturen was doorgestort, waardoor zij met liquiditeitsproblemen werden geconfronteerd, bijvoorbeeld omdat men de nieuwe aanwervingen vanuit de lokale middelen moest voorschieten.
Waarom konden die middelen, waarin nochtans was voorzien, niet tijdig worden uitgekeerd? Ik denk dat u hebt geantwoord dat dit te maken had met de datum van de KB's.
Wanneer zal dat bedrag aan de OCMW's worden doorgestort? Ik denk dat u hebt geantwoord dat dat eind januari zal gebeuren, maar corrigeer mij gerust als dat niet zo is.
Mijn laatste vraag is meer proactief. Hoe zult u er in de toekomst voor zorgen dat de nog uit te betalen bedragen wel tijdig zullen worden betaald?
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar mijn ingediende tekst.
De federale regering heeft bij de invoering van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd uitdrukkelijk een compensatieregeling voorzien voor de OCMW's, die geconfronteerd worden met een bijkomende instroom richting leefloon en met extra activeringsopdrachten. Voor die regeling is in totaal 300 miljoen euro uitgetrokken voor de komende jaren.
Ook voor 2025 was een bedrag van 26 miljoen euro expliciet ingeschreven en goedgekeurd bij de begroting. Vandaag blijkt echter dat dit bedrag nog steeds niet werd doorgestort aan de OCMW's, waardoor lokale besturen deze kosten voorlopig zelf moeten voorschieten.
U gaf aan dat door verschuivingen in de parlementaire agenda het technisch niet meer mogelijk was om de middelen nog voor het einde van 2025 uit te keren, maar dat de betaling uiterlijk tegen het einde van deze maand zou gebeuren.
Graag verneem ik van u:
Heeft u op voorhand gecommuniceerd naar de OCMW's dat de middelen niet meer tijdig zouden worden uitgekeerd? Zo neen, waarom niet?
Kan u bevestigen dat het volledige bedrag van 26 miljoen euro effectief en integraal vóór het einde van deze maand wordt doorgestort aan de OCMW's?
Welke garanties kan u geven dat gelijkaardige vertragingen zich in de komende jaren niet opnieuw zullen voordoen, zeker gelet op de verdere impact van deze hervorming op de OCMW-werking?
Bent u bereid om, samen met de vertegenwoordigers van de lokale besturen, te evalueren of de voorziene compensatie volstaat om zowel de financiële als de personele druk op de OCMW's op te vangen?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, comme mentionné par mes collègues, les débats sont évidemment entremêlés. Ma question portait en effet spécifiquement sur le fait que les CPAS n'ont toujours pas reçu les montants qui devaient leur permettre de s'organiser pour accueillir dans les meilleures conditions les personnes exclues de l'assurance chômage au 1 er janvier 2026.
J'ai été alertée par le président du CPAS de ma commune, mais aussi par d'autres représentants de CPAS qui m'informent que les montants ne sont toujours pas parvenus aux CPAS, alors que cela fait maintenant des mois qu'ils tentent d'anticiper au mieux cette réforme, qu'ils ont déjà engagé des montants en décembre dernier, notamment pour des locations, des aménagements de locaux, du matériel et des recrutements.
Aujourd'hui, le 21 janvier, ils n'ont toujours pas reçu les montants qui devaient leur être alloués. Il s'agit, comme nous en avons déjà parlé, des 26 millions qui devaient être répartis entre les différents CPAS.
Madame la ministre, j'ai entendu dans votre première réponse que vous évoquiez la date de fin janvier. C'est évidemment très tard, trop tard. Pouvez-vous me dire si cela aura des conséquences sur certains CPAS qui auraient dû dès lors procéder à des emprunts pour pouvoir avancer ces montants? Allez-vous compenser le fait qu'ils aient dû contracter ces emprunts, avec des intérêts qu'ils vont devoir rembourser au détriment des finances publiques de leur commune?
Pouvez-vous nous en dire plus sur la date à laquelle ces montants seront versés? Nous sommes déjà le 21 janvier. Seront-ils versés dans deux jours ou le 31 janvier?
Voorzitster: Ellen Samyn.
Présidente: Ellen Samyn.
Nadia Moscufo:
Madame la ministre, depuis juillet 2025, vous annoncez un budget de 26 millions en 2025 pour aider les CPAS à renforcer leurs services pour anticiper l'afflux massif de nouveaux bénéficiaires à partir du 1 er janvier 2026.
Les CPAS ont attendu ce budget pendant des mois pour finalement constater au 31 décembre qu'ils n'avaient toujours pas reçu cette aide qu'ils étaient censés recvoir en 2025...
Le 7 janvier 2026, les CPAS n'avaient toujours pas reçu l'argent mais vous teniez à les rassurer: "les fonds seront versés au plus tard à la fin du mois".
Pouvez-vous enfin nous annnoncer une date crédible à laquelle les fonds seront, avec certitude, sur les comptes des CPAS?
Pour 2026 et les années suivantes, le taux de remboursement majoré du revenu d'intégration ne concernera que les personnes exclues des allocations de chômage, et non celles exclues des allocations d'insertion (soit environ 18 000 jeunes non comptabilisés). La différence peut sembler technique, mais elle est à priori importante en termes de financement. La perte serait de 10 millions dès 2026 et de 37 millions au total.
Confirmez-vous ces chiffres?
Vous avez manifestement mal communiqué avec les CPAS ou manqué de transparence car les CPAS disent ne l'avoir appris que le 2 décembre.
Comment justifiez-vous le fait de ne pas octroyer le taux de remboursement majoré du revenu d'intégration pour les personnes exclues des allocations d'insertion alors que le gouvernement s'était engagé à compenser l'impact de la réforme du chômage pour les CPAS et que vous prétendez que votre intention est que les CPAS disposent de moyens suffisants pour mieux accompagner les personnes vers un parcours professionnel positif ?
Enfin, dans les cas fréquents où une personne exclue du chômage entraîne le financement de plusieurs revenus d'intégration au sein de sa famille (les "RI dérivés"), le remboursement complémentaire ne sera accordé que pour la personne directement exclue. Tous les droits dérivés resteront donc à la charge des CPAS.
Comment justifiez-vous cela alors que le gouvernement s'était engagé à compenser l'impact de la réforme du chômage pour les CPAS?
Robin Tonniau:
Mevrouw de voorzitster, het eerste deel van mijn vraag is al beantwoord. Het tweede deel van mijn vraag wil ik wel stellen.
Mevrouw de minister, voor 2026 en de daaropvolgende jaren zal het verhoogde terugbetalingspercentage van het leefloon alleen gelden voor personen die zijn uitgesloten van de werkloosheidsuitkering en niet voor personen die zijn uitgesloten van de inschakelingsuitkering. Het gaat om ongeveer 18.000 jongeren die niet worden meegeteld. Dat verschil lijkt misschien technisch, maar is wel belangrijk in termen van financiering, want het verlies zou vanaf 2026 10 miljoen bedragen en in totaal 37 miljoen euro. Kunt u deze cijfers bevestigen?
U hebt duidelijk slecht gecommuniceerd met de OCMW’s of u bent niet transparant geweest, want zij geven aan dat ze pas op 2 december hebben vernomen dat ze geen financiering krijgen voor het schrappen van die inschakelingsuitkeringen.
Hoe rechtvaardigt u het feit dat u het verhoogde terugbetalingspercentage van het leefloon niet toekent aan personen die zijn uitgesloten van de inschakelingsuitkering, terwijl de regering zich ertoe had verbonden de gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW’s te compenseren en u beweert dat het uw bedoeling is dat de OCMW’s voldoende middelen krijgen om mensen beter te begeleiden naar een positief werktraject?
In veel voorkomende gevallen van een persoon die van de werkloosheidsuitkering is uitgesloten zal dit leiden tot de financiering van meerdere leeflonen binnen zijn gezin. We noemen dat de afgeleide leeflonen. De aanvullende terugbetaling zal dan alleen worden toegekend voor de persoon die rechtstreeks wordt uitgesloten. Alle afgeleide rechten blijven dus wel degelijk ten laste van de OCMW’s.
Hoe rechtvaardigt u dit, terwijl de regering zich ertoe had verbonden de gevolgen van de hervorming van de werkloosheid voor de OCMW’s te compenseren?
Anneleen Van Bossuyt:
Er is een rolverdeling binnen de PVDA-fractie, de ene stelt de vraag in het Nederlands en de andere in het Frans.
Ik zal nog eens herhalen wat ik daarnet al zei in verband met die 26 miljoen euro. Dat zal voor het einde van deze maand gebeuren.
Le fait que cela n'a pas été accompli avant la fin de l'année est entièrement lié aux travaux parlementaires applicables au projet de loi portant sur le contrôle budgétaire de 2025, dans lequel ces moyens étaient intégrés. Comme cela a déjà été indiqué à plusieurs reprises au sein de cette commission, ces moyens devaient être transférés des crédits de l'administration du ministre Clarinval vers le SPP Intégration sociale, lequel peut ensuite assurer le paiement aux CPAS.
De vraag was of dit zich in de toekomst nog zal herhalen. Dat zijn zaken die ik nooit voor honderd procent kan uitsluiten. Veel is ook afhankelijk van de parlementaire werkzaamheden, waarvan jullie zelf deel van uitmaken.
De uitbetalingen van de POD MI aan de OCMW’s verlopen vlot. Dat zal in de toekomst niet wijzigen.
Mevrouw Lamarti, u had een vraag over het gebruik van een automatisch systeem voor de toekenning van het leefloon. Daarbij wil ik toch graag benadrukken dat de OCMW's autonomie hebben in hun besluitvorming, uiteraard met inachtneming van het wettelijk kader. De invoering van een dergelijk systeem dat het sociaal werk zou ontmenselijken staat dan ook niet op de agenda.
Daarnaast had u ook vragen over de REMI-tool. Ook hier heb ik in het verleden al op geantwoord. Het is zo dat de REMI-tool een hulpmiddel is voor de maatschappelijke werkers om op maat van ieder gezinstype vast te stellen in welke mate het gezinsinkomen of het inkomen toereikend is om menswaardig te kunnen leven. Daarnaast geeft de REMI-tool een gestructureerd overzicht van inkomsten en noodzakelijke uitgaven. Zo ondersteunt de tool maatschappelijk werkers en hun cliënten bij het zoeken naar effectieve wegen om de koopkracht van financieel behoeftige gezinnen structureel te verbeteren.
De belangrijkste meerwaarde van de REMI-tool is dan ook dat het maatwerk toelaat, maar de REMI-tool zal er niet toe leiden dat alle aanvullende steunverlening door de OCMW's volgens uniforme toekenningsregels zal gebeuren. Het door de tool vastgestelde bedrag aan financiële steun is voor een OCMW niet bindend. Zo hebben we gezien dat OCMW's beslissen om dat niet toe te kennen of niet volledig toe te kennen. De analyse moet het OCMW wel toelaten om de toekenning van aanvullende steun binnen de eigen organisatie te objectiveren en te harmoniseren. Het is dus niet de REMI-tool op zich die de toekenningsvoorwaarden en de hoogte van de aanvullende bedragen zal bepalen, maar wel hoe het OCMW dat binnen de eigen werking zal implementeren.
In overeenstemming met het regeerakkoord werk ik aan een GPMI-hervorming waarbij het toepassingsgebied van het GPMI wordt uitgebreid naar alle leefloonbegunstigden en equivalent leefloonbegunstigden. Een verslavingsproblematiek kan dan bijvoorbeeld geen gezondheids- of billijkheidsreden meer vormen om geen GPMI te kunnen afsluiten.
Het is essentieel dat personen met verslavingsproblemen door een arts worden onderzocht om de juiste aanpak en ook de juiste medische aanpak te bepalen. Als uit het oordeel van de arts blijkt dat een behandeling noodzakelijk is voor de sociale integratie van de begunstigden en zij nog niet vrijwillig een behandeling volgen, moet die behandeling een integraal onderdeel vormen van het GPMI.
In verband met de compensatieregeling is een omzendbrief verstuurd vanuit het kabinet naar alle OCMW’s om de regels rond de compensatie te verduidelijken, meer bepaald de bepalingen van de wet van 17 november 2025. Die omzendbrief gaat dieper in op het beheer van de aanvragen en de fasering van de hervorming en legt daarnaast ook de financiering en de compensatiemaatregelen uitgebreid uit. De omzendbrief biedt een praktisch kader voor de OCMW’s om aanvragen te beheren, extra federale middelen te ontvangen en het GPMI te gebruiken als een instrument naar werk.
Ik hecht veel waarde aan het huisbezoek, dat een integraal deel uitmaakt van het sociaal onderzoek. Het huisbezoek is essentieel om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de steunaanvrager.
Ik besef dat de regelgeving een extra belasting betekent voor de OCMW’s. Jullie weten dat zij normaal binnen de 30 dagen een dossier moeten kunnen afronden. Daarom heb ik mijn administratie, dus de POD Maatschappelijke Integratie, gevraagd om soepel met die regel om te gaan. Wanneer een huisbezoek praktisch niet mogelijk is voor de eerste toekenning, mag dat geen reden zijn om mensen te laten wachten. OCMW’s moeten dus binnen de 30 dagen kunnen beslissen. Het huisbezoek volgt dan binnen de maand na de toekenning. Die regeling geldt voor heel 2026 en is ook in de omzendbrief opgenomen.
Mijn administratie, de POD Maatschappelijke Integratie, kan de cijfers uit de bevraging van de VVSG waarover wordt gesproken niet bevestigen. Wij moeten wachten tot de OCMW’s hun formulieren naar de POD Maatschappelijke Integratie doorsturen, zoals ik daarnet al aangaf. Dat gebeurt pas na het sociaal onderzoek en na de beslissing om al dan niet een leefloon toe te kennen.
Over de taskforce heb ik het daarnet ook al gehad. De OCMW-federaties maken deel uit van de taskforce samen met de regionale overheden, de betrokken federale administraties en de drie arbeidsbemiddelingskantoren.
Mevrouw Moscufo, mijnheer Tonniau, wat de inschakelingsuitkering betreft, heeft het regeerakkoord alleen betrekking op personen die worden uitgesloten van de werkloosheidsuitkering. Mijnheer Tonniau, zeggen dat er eerst verkeerde informatie is verspreid, klopt dus helemaal niet. Er is nooit enige informatie verspreid over het feit dat er een compensatie zou komen voor de inschakelingsuitkering, omdat daarvan ook nooit sprake is geweest. Ik heb er daarnet trouwens al op gewezen dat de beperking van de inschakelingsuitkering tot drie jaar geen beslissing is van deze regering, maar een beslissing van de regering-Di Rupo. Ook toen was daar geen compensatie voor voorzien. Er is dus nooit sprake van geweest.
Ik heb vorige week uw goede kameraden van de vakbonden ontmoet, meer bepaald die van de maatschappelijk werkers. Zij hebben mij daar zelfs niet over aangesproken. Er is dus nooit sprake van geweest dat er een compensatie zou komen. Ik weet niet wie u gezegd heeft dat wij daarover verkeerde informatie zouden hebben verspreid, maar dat klopt dus helemaal niet.
De begunstigden van inschakelingsuitkeringen zijn geen begunstigden van werkloosheidsuitkeringen. De inschakelingsuitkering is een uitkering die toegankelijk is na het afronden van de studies. Die was zoals gezegd al beperkt in de tijd, namelijk tot drie jaar. De impact op de OCMW’s bestaat, maar is wel geringer. Het gaat bovendien om een ander doelpubliek. Het betreft een jong publiek, waarvan kan worden verondersteld dat het makkelijker werk vindt.
Concernant les paiements dérivés, sur lesquels une question portait, il s’agit d’une personne qui, suite au fait que son conjoint n’a plus les allocations de chômage, a fait une demande de revenu d'intégration au CPAS. Il ne s’agit pas d’une personne qui est exclue, en tant que telle, du chômage, mais d’une personne qui subit les conséquences d’une autre exclusion, ce qui était déjà le cas auparavant, notamment dans les cas de suspension des allocations de chômage. Cette personne entre dans le public régulier du CPAS. Les règles et les taux de remboursement pour le public régulier du CPAS n’ont pas été modifiées.
Dan tot slot, mevrouw Samyn, over uw vraag met betrekking tot de bekommernissen van de lokale besturen. Zoals daarnet ook is gezegd, wordt dat nauwgezet gemonitord en geëvalueerd. Mocht blijken dat de voorziene middelen niet volstaan, dan zal er worden bijgepast. Ik heb al aangegeven dat het om een open-end financiering gaat.
Fatima Lamarti:
Mevrouw de minister. Ik denk ook aan de compensatie die er moet komen. De OCMW’s kunnen niet blijven wachten. Wij zouden dan ook heel graag hebben dat dat geld zo vlug mogelijk wordt gestort en dat in de toekomst heel duidelijk wordt aangegeven wanneer de OCMW’s hun middelen zullen krijgen. Zo moeten we niet opnieuw dergelijke taferelen meemaken. De personeelsleden van de OCMW’s moeten verder kunnen werken. Ik dring er dan ook op aan om het dossier op een degelijke manier op te volgen.
Jeroen Van Lysebettens:
Ik heb niet veel nieuwe informatie gehoord. Ik had de antwoorden op mijn vragen eigenlijk zelf al gegeven door ze te stellen. Ik wil er gewoon nog eens op drukken dat het cruciaal is voor de goede werking van onze OCMW’s en onze lokale besturen dat de financiering die zij in het vooruitzicht hebben ook voorspelbaar en op de afgesproken tijdstippen wordt doorgestort.
Er zijn nu een aantal kleinere problemen ontstaan met die financiering, waardoor men inderdaad uit eigen middelen heeft moeten voorschieten. Wanneer we straks die grote hervorming van de GPMI’s zullen doorvoeren, zal dat ook iets wijzigen aan de betalingsmodaliteiten van de OCMW’s. Het is cruciaal dat dat goed gebeurt, dat dat verloopt volgens het kader dat we uittekenen. Het is ook belangrijk dat dat tijdig gebeurt en dat de OCMW’s zich daarop kunnen voorbereiden. De beperking van de werkloosheid in de tijd is op dat vlak echt geen voorbeeld, niet alleen voor de OCMW’s, maar ook voor allerlei andere betrokken actoren, van hoe beleid holderdebolder wordt ingevoerd en vervolgens en cours de route van alles moet worden bijgesteld. Voor dat hervormingstraject hebt u twee jaar de tijd. De GPMI-hervorming treedt eigenlijk pas in werking in 2028. Ik ga er dus van uit dat die hervorming correct zal gebeuren.
Ellen Samyn:
Dank u voor uw antwoord. De debatten 1 en 3 liepen enigszins naast elkaar en door elkaar. Ik heb tijdens het eerste actualiteitsdebat een antwoord gekregen op mijn vragen.
Sarah Schlitz:
Je ne peux que regretter que les choses n’aient pas été mises en place pour que les montants soient versés plus tôt. La réforme du chômage figure dans le programme du gouvernement. Cela fait bientôt un an que nous savons qu’elle va avoir lieu; elle a été votée en juillet 2025.
Aujourd'hui, les CPAS font face à de graves difficultés parce qu'ils ont dû avancer des montants. Je regrette qu'un mois après le vote de l'ajustement budgétaire 2025, les montants ne sont toujours pas versés aux CPAS.
On nous parle de fin janvier. J'espère que ce sera le cas, mais nous n’avons pas de garantie par rapport à cela. Il n'y a toujours pas de date précise.
Nadia Moscufo:
Il y aura une répétition, mais cela vaut parfois la peine de répéter les mêmes choses. Ma collègue vient de vous le dire, mais je vais vous le redire aussi.
Ces 26 millions, dans le cadre d'une politique que vous aviez décidée, visaient à anticiper ce qui allait arriver suite à votre réforme d'exclusion des chômeurs. En juillet, vous faisiez voter votre réforme. Mi-décembre, vous votiez votre compensation. Quatre semaines après, l'argent n'est toujours pas sur les comptes des CPAS, et je ne comprends pas pourquoi.
Si un particulier attend quatre mois avant de payer ce qu'il doit, il reçoit directement un rappel. Vraiment, votre réponse ne nous convainc pas du tout!
"Fin du mois", cela ne veut rien dire. Quelle est la date exacte? Vous engagez-vous à venir au Parlement nous confirmer que l'argent a été versé le jour que vous nous aurez indiqué? Si vous nous dites que "l'argent sera versé le 26 janvier", vous engagez-vous à venir au Parlement le 26 janvier pour nous dire que "l'argent a été versé"?
Vous ne pouvez pas nous reprocher de ne pas vous faire confiance, puisque vous l'avez déjà promis deux fois.
Robin Tonniau:
Mevrouw de minister, we weten dat als het bedrag van 26 miljoen euro al zou toekomen, het sowieso te laat zal zijn. Ik heb u de vraag gesteld. De regering heeft beslist dat ze de OCMW's zoveel mogelijk wil helpen en compenseren. De heer Axel Ronse heeft ooit verklaard dat een een-op-eencompensatie voor de OCMW's geen probleem is. Jullie compenseren dus de mensen die uit de werkloosheid worden geschrapt, maar niet de mensen – vooral jongeren – die de inschakelingsuitkering verliezen. U zegt dat dat nooit beloofd is en valt mij daarop aan. Ik heb letterlijk in mijn vraag gezegd: "U hebt duidelijk slecht gecommuniceerd met de OCMW's of u bent niet transparant geweest, want de OCMW's zeggen dat ze dit pas op 2 december hebben vernomen". Dat zegt de PVDA niet. Ik verwijs naar de OCMW's, omdat de Waalse OCMW-federatie in december 2025 een persbericht heeft uitgestuurd waarin dat wordt gesteld. Het gaat uiteraard niet om de maatschappelijk werkers. Zij betalen de rekening niet. Het zijn de OCMW's van de lokale besturen die de rekening moeten betalen. Zij stellen wel degelijk zelf dat ze slecht geïnformeerd waren en gingen er althans van uit dat dat geen probleem zou zijn. Ik heb gevraagd om hoeveel geld het gaat voor 2026. U antwoordt daar niet op. U spreekt over een gering bedrag. Wat is een gering bedrag? Is dat 10 miljoen euro? Is dat 37 miljoen euro? Is dat 100 miljoen euro? Ik vraag een beetje sérieux. U belooft van alles aan die OCMW's: tranquille , we zullen jullie allemaal helpen. Intussen ligt 1 januari achter ons en ze hebben nog niet eens dat bedrag van 26 miljoen euro ontvangen om zich voor te bereiden, om personeel aan te werven om de massa nieuwe leefloonaanvragen te kunnen verwerken. Uiteindelijk stellen we vast dat de compensatie allesbehalve volledig is, dat ze tijdelijk is en vermindert, terwijl de problemen alleen maar vergroten. Dat is uw beleid.
De combinatie van groeipakket en leefloon
De nieuwe regels inzake de middelentoets voor de berekening van het leefloon
De nieuwe cumulatieregels en een billijk en consequent kader voor alle OCMW's
De status van samenwonende bij het OCMW en garanties voor een billijke toekenning van het leefloon
De cumulatie van een leefloon met het Groeipakket
Het advies van de RvS over de voorgenomen hervorming v.d. status van samenwonende voor het leefloon
Strengere regels voor samenwonenden doordat sociale voordelen niet meer gecumuleerd mogen worden
Hervormingen leefloon, groeipakket en samenwonendenstatus bij OCMW's
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 21 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De hervorming van het cohabitantstatuut door minister Van Bossuyt, die vanaf maart 2026 de inkomens van alle onderhoudsplichtige huisgenoten (inclusief schoonfamilie) verplicht meerekent bij leefloonberekeningen en het groeipakket van meerderjarige studenten als eigen inkomen beschouwt, wordt fel bekritiseerd als "inhumaan" (Meunier) en "armoedeverergerend" (Schlitz, Van Lysebettens). Critici wijzen op het Conseil d'État-avis dat de maatregel een "regressie" noemt, de risico’s voor vrouwen (economische afhankelijkheid, geweld) benadrukt, en solidariteit strafbaar maakt, terwijl OCMW’s een cruciaal hulpmiddel (leefloon + groeipakket) verliezen om kwetsbaren via opleiding uit armoede te halen. Voorstanders (Samyn, Raskin) juichen de hervorming toe als "logisch" en "nodig" om oneerlijke cumul (bv. leeflonen tot €7.000/maand) te stoppen, het draagvlak voor sociale bijstand te herstellen en werk te stimuleren. De minister verdedigt de maatregel als juridisch verankerd (Hof van Cassatie, Burgerlijk Wetboek) en benadrukt dat OCMW’s uitzonderingen kunnen toekennen, maar Meunier noemt dit "schandalig cynisch" en "solidariteit ondergeschikt maken aan staatsbesparingen". Kernconflict: Armoedebestrijding vs. fraudepreventie – critici vrezen massale uitsluiting (bv. mantelzorgers, alleenstaande moeders), voorstanders zien gerechtigheid voor werkenden. Geen impactstudie beschikbaar ondanks vragen.
Marie Meunier:
Madame la ministre, votre réforme du statut de cohabitant est profondément injuste et profondément inhumaine. Je ne suis pas la seule à le dire, puisque le Conseil d'État lui-même la considère comme une régression significative du niveau de protection sociale.
Dès mars prochain, lorsqu'une personne sollicitera un revenu d'intégration sociale auprès d'un CPAS, cette personne sera dans l'obligation de déduire tous les revenus des membres de la famille vivant sous le même toit: partenaires, parents, grands-parents, enfants majeurs, petits-enfants majeurs, beaux-parents, beaux-fils et belles-filles. Et, comme si cela ne suffisait pas, les allocations familiales des jeunes majeurs aux études seront aussi déduites. En faisant cela, vous attaquez frontalement le droit minimal à la dignité humaine. Vous enlevez des revenus à des familles qui n'ont déjà presque rien, à des familles qui peinent à sortir la tête de l'eau.
Madame la ministre, que dites-vous à cette jeune femme, par exemple, qui héberge sa maman qui est en perte d'autonomie et qui verra son revenu d'intégration sociale diminué, voire totalement retiré, parce que vous avez décidé que la pension de sa maman sera suffisante pour faire vivre sa famille? Que dites-vous à la maman solo qui s'occupe, de jour comme de nuit, de son enfant lourdement handicapé et qui héberge encore son grand garçon majeur qui, lui, vient de trouver son premier job?
D'abord, vous avez exclu cette aidante proche des allocations de chômage – c'est un autre projet – et, maintenant, vous allez dire à cette aidante proche que son fils peut subvenir aux besoins de la famille puisqu’il travaille et qu’elle perd totalement son revenu d'intégration sociale. Madame la ministre, c'est tout à fait dramatique car vous pénalisez, de manière honteuse, la solidarité familiale. On ne va en effet pas se leurrer; dans ces situations, la solidarité familiale ne relève pas d'un simple choix, elle relève souvent d'une nécessité. Et, au lieu de soutenir ces familles, vous leur imposez une double peine: la première, c'est de prendre en charge des proches parce qu'il n'y a pas d'autre choix et, la deuxième, c'est de réduire leurs ressources, ce qui finalement va les plonger davantage encore dans la précarité.
Pour avoir déjà eu l’occasion d’en discuter avec vous, je sais que vous vous fichez complètement d'augmenter la précarité, de taper finalement sur les plus vulnérables et de ne pas permettre à tout un chacun de vivre dignement. J'ai bien compris que c'était le cadet de vos soucis.
Mais, ce qui me révolte encore le plus, c'est que certains collègues de la majorité – je regrette qu’ils ne soient pas là –, notamment Les Engagés, s'offusquent des conséquences des réformes qu'eux-mêmes prennent au sein de cette majorité.
Je n'ai dès lors qu'une question, madame la ministre: pourquoi persister? Pourquoi persister dans cette voie, alors que les associations de terrain le dénoncent depuis des mois maintenant et que le Conseil d'État lui-même a rendu un avis assassin sur votre arrêté royal?
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, een kwart van alle mensen in onze samenleving heeft een laag opleidingsniveau, wat de drempel tot de arbeidsmarkt verhoogt en hun kwetsbaarheid bestendigt. Tal van studies tonen dan ook aan dat die cirkel kan worden doorbroken als die mensen opleidingskansen krijgen. Voor veel van die mensen blijkt uit onderzoek eveneens dat inkomenszekerheid, een inkomensgarantie, een noodzaak is om dat te kunnen doen.
Daarom is het volgens ons logisch dat het huidig beleid jongvolwassen studenten toelaat om het groeipakket te combineren met een leefloon. Dat gebeurt onder voorwaarden, maar die voorwaarden bestaan vandaag al, zoals een maximale studieduur en een minimumaantal studiepunten. Toch kondigt u samen met uw collega Frank Vandenbroucke aan dat die combinatie wordt ingeperkt.
In het vorig federaal armoedeplan lees ik onder actiepunt 48 dat de opleiding van uitkeringsgerechtigden aangemoedigd moet worden door de combinatie van opleidingsvergoedingen en sociale uitkeringen toe te staan. Waarom maakt u dat nu opnieuw moeilijker?
Ik lees ook dat er onderzoek zou worden gevoerd naar zowel de mogelijkheid om bij de berekening van het leefloon geen rekening te houden met middelen van meerderjarige verwanten in opgaande of neergaande lijn van de eerste graad met wie de begunstigde samenwoont, als naar de mogelijkheid om de gezinsbijslag vrij te stellen in de berekening van het leefloon wanneer de jongere de gezinsbijslag zelf ontvangt. Vloeit dat verbod op cumulatie voort uit dergelijk onderzoek? Zo ja, kunnen we dat onderzoek dan krijgen? Zo niet, waarom wordt die maatregel voortgezet? Zouden we niet beter dergelijk onderzoek afwachten?
Die uitkeringen, zowel het groeipakket als het leefloon, zijn natuurlijk bedoeld om armoede te voorkomen. Wij vermoeden dat die maatregel de kinder- en jongerenarmoede zal doen toenemen. In welke mate is uw plan compatibel met een dergelijk armoedebeleid?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, malgré un avis négatif particulièrement sévère du Conseil d'État, vous avez décidé d'adopter par arrêté royal votre réforme restreignant l'accès à l'aide sociale pour les cohabitants. Le texte a été publié au Moniteur belge et entrera en principe en vigueur le 1 er mars 2026.
Il prévoit que lorsqu'une personne cohabitante introduit une demande d'aide auprès d'un CPAS, celui-ci devra tenir compte de l'ensemble des revenus de toutes les personnes vivant sous le même toit: conjoint, parents, grands-parents, enfants majeurs, petits-enfants majeurs, beaux-fils et belles-filles, etc. Et ce, même en cas d'absence d'une solidarité financière entre les personnes concernées. Vous pénalisez véritablement les stratégies de mutualisation de certains aspects, notamment les dépenses énergétiques et les dépenses de loyer, en empêchant les personnes de vivre sous le même toit tout en ayant des vies des vies totalement séparées, chacun son niveau dans le frigo, etc.
Cette réforme constitue un durcissement du statut de cohabitant, déjà dénoncé depuis des années comme une législation injuste au regard des droits constitués par les personnes selon leur trajet professionnel individuel. Elle pénalise la solidarité et par ailleurs était conçue au départ comme une mesure de crise qui devait être limitée dans le temps, mais a perduré jusqu'en 2026. C'est par ailleurs une spécificité belge. Dans les autres pays, une personne égale un droit, une analyse de dossier, un point c'est tout. On ne s'amuse pas à savoir si la brosse à dents qui est dans le pot appartient bien à la personne qui vit sous ce toit, ou s'il y a deux brosses à dents dans la salle de bain. Ce sont des éléments qui nous semblent extrêmement intrusifs et ne sont pas utiles dans le cadre de la lutte contre la pauvreté, ou pour faire en sorte que chacun vive mieux dans ce pays.
Une évaluation de l'impact de cette mesure a-t-elle été réalisée, comme demandé par le Conseil d'État? Disposez-vous de chiffres? Combien de personnes vont-elles perdre leur revenu? Quels montants espérez-vous économiser via cette réforme? Parmi les 180 000 exclus du chômage, combien auraient pu prétendre à un revenu avant cette réforme et n'y auront plus droit?
Quel pourcentage de femmes vont perdre leur revenu? Comment justifiez-vous une disposition qui pénalise les personnes hébergeant un membre de leur famille ou partageant un logement sans contrepartie financière ni lien économique? Pourquoi n'avez-vous pas intégré les remarques fondamentales du Conseil d'État dans le texte? Enfin, pourquoi avoir choisi la voie de l'arrêté royal plutôt qu'un projet de loi, qui aurait permis un vrai débat?
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, binnenkort zal het niet meer mogelijk zijn om binnen één gezin onbeperkt leeflonen te cumuleren. Dat hebt u recentelijk aangekondigd.
Daarnaast hebt u ook een maatregel genomen waarbij het groeipakket en het leefloon niet meer gecumuleerd kunnen worden in geval van samenwoning. Enkele jaren geleden bleek immers dat meer dan 10.000 thuiswonende meerderjarigen het groeipakket combineerden met een leefloon, terwijl meerderjarige kinderen die op zichzelf woonden een dergelijke combinatie niet konden maken.
Mevrouw de minister, kunt u wat toelichting geven bij de geplande maatregel? Hoe gaat die precies in zijn werk?
Vanaf wanneer zal de maatregel van toepassing zijn?
De voorzitster : Wenst nog iemand aan te sluiten bij de vragen? ( Nee )
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, zoals u weet staat ook bij onze fractie de cumul van het leefloon en het groeipakket hoog op de agenda.
Zoals u zelf vorige week aangaf, is het moeilijk uit te leggen aan een maatschappelijk werker, die zelf misschien hooguit 2.400 euro verdient, dat er mensen bij het OCMW langskomen voor een leefloon en een bedrag tot 7.000 euro krijgen, en bovendien kunnen cumuleren. Dat was ook al langer onze bekommernis, zeker als we gedetailleerd bekijken hoe weinig van de leeflonen naar Vlamingen gaan.
Tijdens de gedachtewisseling vorige week gaf u aan dat door uw maatregel het maximumbedrag dat leefloners kunnen ontvangen een heel stuk lager zal liggen. In het voorbeeld dat u gaf van een gezin van een alleenstaande moeder en vier kinderen daalde het leefloon van 6.700 euro naar 4.668 euro per maand. Dat is alvast een stap in de goede richting, want heel veel Vlaamse gezinnen hebben nauwelijks zo’n inkomen.
Men krijgt het eenvoudigweg ook niet uitgelegd. Het kan niet de bedoeling zijn dat personen met een leefloon over meer financiële middelen beschikken dan veel gezinnen waarvan beide partners werken, om over andere sociale voordelen en tegemoetkomingen nog maar te zwijgen.
Onze fractie pleit daarvoor al langer en heeft vorig jaar zelfs een voorstel ingediend op Vlaams niveau om de gezinsbijlage aan meerderjarige kinderen die een leefloon ontvangen, stop te zetten. Dat voorstel werd jammer genoeg weggestemd. De andere partijen gaven aan dat ze wachtten op een signaal vanuit de federale regering inzake de begrenzing van de cumul van het leefloon met andere sociale voordelen en toelagen.
Mevrouw de minister, ik hoop dus dat dat signaal gehoord wordt en dat we binnenkort iets van u mogen verwachten, want zolang die cumul mogelijk blijft, is er geen enkele financiële prikkel voor leefloners om zich naar de arbeidsmarkt te begeven.
Anneleen Van Bossuyt:
Geachte Kamerleden, de wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 voorziet in een aantal zaken.
Ten eerste is er een verplichting om rekening te houden met de middelen van de samenwonenden. Het OCMW kon dat al doen, maar móet dat nu ook doen, tenzij er gegronde redenen zijn, die expliciet gemotiveerd moeten worden.
Ten tweede is er een uitbreiding van de samenwonenden die in aanmerking worden genomen bij de berekening van het inkomen van de aanvrager. Voorheen vielen naast de levenspartner alleen de descendenten en ascendenten in de eerste graad onder de bepaling. De huidige tekst bepaalt dat de middelen van alle onderhoudsplichtigen van de aanvrager in aanmerking worden genomen. Dat zijn naast de levenspartner ook de ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen, maar dus ook de schoonouders, schoonzonen en schoondochters.
Er werd een vraag gesteld over de stiefouders. Die zijn inderdaad niet altijd onderhoudsplichtig, uitzonderlijk zoals bepaald in artikel 203, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek, en vallen dus niet steeds onder de cumulregeling. Voor de terugvordering van het leefloon door het OCMW bij de onderhoudsplichtigen kon wel al worden gekeken naar de inkomsten van de stiefouders. Wanneer de biologische ouder na echtscheiding hertrouwt, wordt rekening gehouden met het gezamenlijk netto belastbaar inkomen van de ouder en de nieuwe echtgenoot of echtgenote.
Vrienden en kennissen met wie de leefloonaanvrager samenwoont, vallen niet onder de cumulregeling, aangezien zij geen onderhoudsplicht hebben.
Het derde element van de wijziging van dat artikel van het koninklijk besluit betreft het in aanmerking nemen van het groeipakket ten laste van de aanvrager. Het Hof van Cassatie heeft in een arrest van 19 januari 2015 al geoordeeld dat het groeipakket in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van het leefloon van het meerderjarige kind. Dat is dus geen bepaling die wij hebben bedacht, maar ze volgt uit een arrest van het Hof van Cassatie van 2015.
Concreet betekent dat het volgende. Wanneer de ouders een leefloon aanvragen en het meerderjarig kind nog thuis woont, wordt het groeipakket vrijgesteld. Vraagt het meerderjarig kind zelf een leefloon aan en wordt voor dat kind een groeipakket ontvangen, dan wordt dat groeipakket bij de berekening van het leefloon wel meegerekend. Het groeipakket is immers bedoeld om bij te dragen aan de kosten, opvoeding en verzorging van het kind. Daardoor kan het groeipakket niet volledig worden gecumuleerd met een leefloon als het meerderjarig kind het leefloon aanvraagt. Het groeipakket wordt als eigen middelen beschouwd en vermindert dus het bedrag van het leefloon.
Het was voor meerderjarige kinderen al niet mogelijk om het groeipakket te combineren met een leefloon als ze alleen wonen; daarnaar werd al verwezen. We sluiten nu dus ook dat achterpoortje voor de meerderjarige kinderen die nog thuis wonen.
Ik hoop dat we het er allemaal over eens zijn dat werk de beste bescherming tegen armoede is. Het is zeker in het belang van het meerderjarig kind om, wanneer mogelijk, aan de slag te gaan.
Ce sont des changements importants pour nos CPAS. J’ai donc prévu plusieurs mesures afin d’alléger au maximum la charge administrative. La nouvelle réglementation entrera en vigueur le 1 er mars 2026, afin que les CPAS disposent de suffisamment de temps pour intégrer les adaptations dans leur outil de calcul. L’arrêté royal a été publié la semaine passée, le 16 janvier, au Moniteur belge. La circulaire a également été publiée ce jour-là, mais, à la demande des CPAS, j’ai accordé un délai supplémentaire pour son entrée en vigueur. Comme je viens de le dire, celle-ci aura lieu le 1 er mars.
Pour les dossiers en cours, le nouvel article ne sera appliqué qu’à la prochaine révision du dossier ou à la révision annuelle des conditions d’octroi. Cela donne aux CPAS la marge nécessaire pour analyser soigneusement les dossiers et expliquer les modifications de manière claire et en temps utile aux personnes concernées, en tenant compte de la situation souvent précaire de ce public.
Sur le plan juridique, il s’agit d’un projet d’arrêté royal et non d’un projet de loi. Il est donc normal qu’aucun dossier législatif n’ait été déposé au Parlement. À la suite de la réception de l’avis du Conseil d’État, j’ai pris la décision de rédiger un rapport au Roi afin de préciser les détails et les objectifs de la réforme.
Des réponses ont été apportées à chacun des points soulevés par le Conseil d’État. En ce qui concerne ces points, une extension des personnes dont les revenus peuvent être pris en compte est effectivement prévue. Il s’agit des personnes qui ont une obligation alimentaire, au sens du Code civil, envers le bénéficiaire du droit à l’intégration sociale.
Il existe, dans le droit à l’intégration sociale, un principe de primauté de la solidarité familiale sur la solidarité étatique. Lorsque le bénéficiaire du revenu d’intégration cohabite avec ses débiteurs d’aliments, la solidarité familiale est organisée par l’article 34 de l’arrêté royal. Le projet d’arrêté royal étend cette solidarité familiale à tous les cohabitants tenus à un devoir d’aliments tel que déterminé par le Code civil.
Conform notificatie punt 68 bij de ministerraad van 18 juli 2025 werd het dossier niet opnieuw aan de regering voor een tweede lezing voorgelegd als de IKW-werkgroep tot een overeenkomst zou komen.
En outre, le projet d'arrêté royal maintient la possibilité, pour le CPAS, de tenir compte de raisons d'équité justifiant qu'il ne soit pas tenu compte des ressources des cohabitants dans le droit au revenu d'intégration du demandeur. Les CPAS disposeront donc toujours d'une marge de manœuvre et d'une liberté dans l'appréciation de la situation de la personne.
Dès lors, le projet d'arrêté royal ne comporte pas de risque de détérioration significative du niveau de protection. Par ailleurs, l'obligation alimentaire prévue par le Code civil à l'égard du demandeur est une justification raisonnable de la modification de l'article 34 de l'arrêté royal.
Parmi les autres modifications, il est également prévu que toutes les exonérations spécifiques telles que prévues à l'article 22, § 1 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 s'appliqueront aux ressources des cohabitants. Il s'agit là d'un renforcement conséquent de la sécurité juridique et d'une mesure qui protège les bénéficiaires.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. De maatregelen die u neemt of plant, onder meer inzake de cumul van een aantal uitkeringen, zijn eigenlijk de logica zelve.
Het is ook heel belangrijk dat die maatregelen vandaag worden genomen. De situaties die we veel te lang hebben gekend, ondermijnen het draagvlak voor de sociale bijstand. Wat al onder druk staat, wordt daardoor nog eens extra bedreigd.
Dat ongebreideld cumuleren van tal van uitkeringen maakt dat mensen die de pot moeten vullen door elke dag hun wekker te zetten, dat niet langer pikken. Het is bovendien niet fair tegenover bepaalde andere groepen, die een aantal voordelen niet kunnen hebben. Ik denk dus dat u ter zake goede stappen zet. U hebt daarvoor onze volle steun.
Marie Meunier:
Madame la présidente, la réponse de Mme la ministre m'a quelque peu scandalisée quand j'entends que "l'on protège juridiquement le bénéficiaire". Non! Vous le précarisez davantage encore, madame la ministre. Le summum est atteint lorsque j'entends que la solidarité familiale prime la solidarité étatique. Cette allégation entre dans mon Top 2 des phrases les plus infâmes de ce gouvernement avec le fameux "La fraude fiscale est moins problématique pour moi que la fraude sociale" de votre collègue Clarinval. Je ne comprends pas. Et tout cela est dit très calmement, avec un grand sourire. C'est consternant.
Écoutez, nous attendons la suite avec grande impatience. Nous nous demandons comment les bénéficiaires vont être mangés le mois prochain et quelles nouvelles mesures vous allez sortir de votre chapeau.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. U zegt dat arbeid de meest structurele uitweg uit armoede is. Ik ben het daar eigenlijk mee eens. Mijn punt was wel dat de combinatie van het groeipakket en het leefloon vandaag een instrument is voor OCMW’s om mensen in precaire situaties opleiding te laten volgen, zodat zij later veiliger op de arbeidsmarkt terecht kunnen. Vandaag zien we dat mensen met een laag opleidingsniveau van job naar job gaan en zeer moeilijk structureel te activeren zijn. Net daar kan men via opleiding een verschil maken. Net daar hadden OCMW’s met de cumulatie van het leefloon en het groeipakket een instrument. Dat neemt u weg.
U verwijst naar het arrest van Cassatie. Ik betwist dat arrest niet, maar ik zeg alleen dat men dat in regels had kunnen gieten. Daarbij had men ook de discriminatie van alleenstaanden kunnen rechttrekken, zodat dat wettelijk ook in orde was geweest.
Ik vind het jammer dat we daar op die manier mee omgaan. Onze eerste insteek zou moeten zijn om die mensen uit de vicieuze cirkel te halen en hen structureel te versterken. Dat gebeurt vandaag niet.
Sarah Schlitz:
Pour moi, ce que vous faites, c’est donner une réponse extrêmement cynique à une interpellation qui vous est adressée par des économistes, notamment sur le fait que les montants que vous avez prévus pour compenser la réforme du chômage, afin de prévenir l’afflux de personnes dans les CPAS, sont moins élevés et coûtent moins cher que les estimations. Vous vous assurez ainsi que des personnes qui vont être exclues ou qui ont déjà été exclues du chômage, et qui auparavant auraient peut-être eu droit à un revenu du CPAS, n’y aient finalement pas accès, en durcissant les conditions et en augmentant le seuil d’accès. Les conséquences ne sont pas anodines. Nous savons que ce sont majoritairement des femmes qui se trouvent dans des situations de cohabitation et donc de dépendance économique. Rendre des femmes dépendantes sur le plan économique de manière extrême, c’est aussi ouvrir la porte à des formes de violence, d’abord économiques, puis à d’autres violences, psychologiques notamment. Ces violences économiques peuvent se matérialiser de différentes manières, par le contrôle de la vie sociale et familiale de ces personnes. Ce sont ensuite des drames qui surviennent, et l’on se demande ce que l’on aurait pu faire. Ce que vous êtes en train de mettre en place, c’est un climat social d’une violence et d’une brutalité extrêmes, tant sur le plan symbolique – l’impossibilité d’avoir accès à des ressources suffisantes pour vivre, l’impossibilité de se soutenir mutuellement pour garder la tête hors de l’eau – que sur le plan de violences très concrètes. Nous savons à quel point les violences économiques constituent souvent la première marche vers d’autres formes de violences bien plus graves. Je vous remercie, madame la ministre. De voorzitster : Wensen nog leden aan te sluiten in het debat? ( Nee ) Collega’s, mevrouw de minister, gelet op de afgesproken tijd, sluit ik de vergadering. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.08 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 08.
Het welzijn op het werk van het treinpersoneel
De malaise bij het spoorwegpersoneel
Het welzijn en de uitdagingen van spoorwegmedewerkers
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 15 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Volgens Oskar Seuntjens (Vooruit) en Farah Jacquet (PTB) ontbreekt structurele psychologische ondersteuning voor treinbestuurders na traumatische incidenten zoals zelfmoorden op het spoor, wat bijdroeg aan het overlijden van Laurens Strubbe (29) en twee andere collega’s; getuigenissen wijzen op onvoldoende nazorg, bureaucratische obstakels (bv. geweigerd verlof) en een cultuur van verwaarlozing. Minister Jean-Luc Crucke belooft een strakke deadline (19/1) voor een anonymisé onderzoek door NMBS/Infrabel naar preventie, opvang en werkomstandigheden, inclusief evaluatie van acute psychologische hulp, maar benadrukt geen voorbarige oordelen over individuele gevallen. Seuntjens noemt Strubbes verhaal "het topje van de ijsberg" en wijst op systeemproblemen zoals overwerk, tijdsdruk en gebrek aan respect, waarvoor Vooruit nu hoorzittingen eist—wat Jacquet als te laat afdoet, aangezien PTB eerder al om een auditie vroeg die werd geblokkeerd; zij dringt aan op transparantie en roept: "Laurens moet de laatste zijn."
Oskar Seuntjens:
Laurens Strubbe was 29 jaar toen hij uit het leven stapte. Hij deed zijn job graag. Hij was een trotse treinbestuurder. Op een dag gebeurde de nachtmerrie van iedereen die ooit achter het stuur van een trein kruipt. Voor zijn ogen zag hij iemand die zich voor de trein wierp om er een einde aan te maken. Het was een dramatische gebeurtenis met een grote impact voor veel mensen, ook voor Laurens.
Collega’s, elke treinbestuurder maakt gemiddeld om de tien jaar een dergelijk drama mee. Men zou denken, of hopen, dat men na een dergelijk drama de nodige ondersteuning krijgt, dat men psychologische hulp krijgt en dat men begrip krijgt. Dat blijkt vandaag te weinig het geval. Dat is de reden waarom de familie van Laurens aan de alarmbel trekt. Velen volgden snel. Vandaag stonden in de krant meerdere getuigenissen. Van ondersteuning achteraf is niet echt sprake, zegt een collega. Een dag of twee thuisblijven en een brochure met hier en daar een telefoonnummer van een psycholoog die men misschien kan bellen, blijken niet voldoende. Dat vertelt het verhaal van Laurens. Hij is niet alleen. De afgelopen tijd zijn drie treinbestuurders uit het leven gestapt om gelijkaardige redenen.
Mijnheer de minister, ik wil dan ook heel graag mijn medeleven betuigen aan de vrienden en familie van Laurens, maar misschien nog belangrijker is te weten wat u zult doen met hun vraag om treinbestuurders beter te ondersteunen.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, aujourd'hui, j'ai le cœur lourd. Je vais commencer par présenter mes condoléances à la famille de Laurens, ce jeune conducteur de train de 29 ans qui a mis fin à ses jours et qui laisse derrière lui une famille brisée et des collègues vraiment marqués.
Ce drame ne peut pas être vu comme un fait isolé. Il y en a d'autres, dont celui intervenu chez Infrabel, dont on a déjà discuté ici. Ce drame s'inscrit dans un mal-être profond aux chemins de fer que mon groupe, le PTB, a déjà dénoncé à plusieurs reprises dans cette Assemblée. On a évoqué le stress, la fatigue, la pression constante, la souffrance psychologique.
Une collègue accompagnatrice me racontait justement, qu'après avoir vécu un accident de personne percutée par son train, son absence avait été refusée parce que le document qu'elle avait complété n'était pas le bon. Cela ne va pas du tout, c'est inhumain! Voilà pourquoi nous avons demandé qu'une audition soit organisée sur le sujet, ce que l'Arizona a refusé.
Aujourd'hui, ce refus fait mal, c'est un vrai désastre. Les témoignages de la famille et les articles de presse parlent de situations traumatisantes vécues en service, d'un besoin d'écoute, de repos, de soutien. La famille aurait même reçu un appel pour demander la restitution du GSM de service. Cela ne pouvait-il pas attendre? C'est vraiment inacceptable!
Être conducteur de train, cheminot, ce ne sont pas des métiers faciles. Ce sont des horaires difficiles avec des grosses responsabilités et parfois des scènes qui marquent à vie. Quand tout s'accumule, les dégâts peuvent être irréversibles.
Monsieur le ministre, quelles mesures comptez-vous mettre en place pour analyser et comprendre cette situation? Allons-nous enfin organiser une audition avec les responsables?
Jean-Luc Crucke:
Chers collègues, les événements dramatiques qui ont touché le personnel des chemins de fer dans la région de Bruges et d'Ostende requièrent gravité, humilité et détermination. Plusieurs situations de suicide au sein du personnel ferroviaire ont suscité une profonde émotion au sein des familles, des collègues et de l'ensemble du secteur.
Allereerst wil ik namens de regering en namens u allen onze steun en ons diep medeleven betuigen aan de families, naasten en collega's die een dierbare hebben verloren. Zij maken ongekend zware tijden door en onze gedachten gaan naar hen uit. Het is onze verantwoordelijkheid om beschikbaar te zijn, respectvol te blijven en niets overhaasts te doen wat betreft de begeleiding die zij wensen.
Il est de notre devoir d’agir avec sérieux et responsabilité. J’ai dès lors demandé à la SNCB, à Infrabel et à HR Rail de me transmettre pour le 19 janvier un état des lieux complet portant notamment sur les faits – de manière strictement anonymisée –, les dispositifs de prévention existants, l’accompagnement psychosocial des agents exposés, la gestion du travail et la prévention des expositions répétées, l’accompagnement des familles et les données permettant d’évaluer l’efficacité des mesures en place.
Ik heb ook gevraagd om duidelijkheid te verschaffen over de procedure die wordt gevolgd wanneer een personeelslid wordt getroffen door een dodelijk ongeval, om een evaluatie te maken in het licht van de huidige normen. De systematische psychologische begeleiding gedurende de eerste 24 uur zal worden onderzocht en er zullen concrete aanbevelingen worden gedaan.
Ik wil heel duidelijk zijn: het gaat hier geenszins om het voorbarig beoordelen van de individuele oorzaak van deze drama’s. Het is onze institutionele taak om elke werknemer een beschermend, humaan en aangepast kader te garanderen. In een context waarin België voor een grote uitdaging staat op het vlak van zelfmoordpreventie, moeten onze overheidsbedrijven het goede voorbeeld geven door extra waakzaam te zijn en effectieve menselijke steun te bieden.
J’informerai le Parlement des conclusions et proposerai, si nécessaire, des mesures complémentaires au gouvernement.
Ces drames nous rappellent que le service public ferroviaire repose avant tout sur des femmes et des hommes. Leur dignité, leur sécurité et leur accompagnement doivent rester au cœur de nos priorités. Je vous remercie pour votre écoute.
Oskar Seuntjens:
Mijnheer de minister, het is goed dat u de problemen erkent er ook mee aan de slag wilt gaan. Tegelijkertijd hoop ik dat u beseft dat het verhaal van Laurens maar het topje van de ijsberg is. Een aanrijding is het ergste wat een treinbestuurder kan meemaken. De getuigenissen in de krant vandaag geven aan dat er meer aan de hand is, waaronder lange shiften, afgekeurde verlofdagen en gigantische tijdsdruk. Mensen die voor het spoor en op de trein werken, verdienen respect voor het belangrijke werk dat zij doen. Zij verdienen ook perspectief op oplossingen. Daarom zal de Vooruitfractie vandaag nog een verzoek indienen om hoorzittingen te organiseren over welzijn op het werk bij het spoorwezen.
Farah Jacquet:
Merci monsieur le ministre pour vos réponses. J'entends que vous avez travaillé à quelque chose de concret et que vous avez demandé des comptes, ce qui est vraiment très bien. J'entends aussi cette demande de la part de Vooruit. À ce sujet, je voudrais leur dire qu'il aurait fallu le demander avant, et dire oui à notre demande d'audition. Vous le faites maintenant, mais cela arrive beaucoup trop tard. Dans ce cadre, le groupe PTB va à nouveau demander des auditions, pour que toute la lumière soit faite sur ce qu'il se passe réellement aux chemins de fer et sur les conditions de travail des agents. Laurens n'était pas le premier, hélas, mais il doit être le dernier!
De bestrijding van leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt, zoals ook gelaakt door Unia
Leeftijdsdiscriminatie
Leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt aanpakken
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson en Nahima Lanjri wijzen op structurele leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt: jongeren worden afgewezen omwille van gebrek aan (erkende) ervaring, 55-plussers door vermeende hoge kosten, digitale achterstand of slechte inzetbaarheid—wat volgens hen de hervorming van werkloosheidsuitkeringen risico’s op armoede doet inhouden. Minister Clarinval bevestigt dat discriminatie illegaal is en belooft versterkte controles (o.a. via mystery calls door sociale inspectie), samenwerking met Beenders (Gelijke Kansen) en Verlinden, en overleg met werkgevers, maar concrete maatregelen blijven vaag; hij verwijst naar bestaande CAO’s (bv. nr. 104 voor oudere werknemers) en een stijgende tewerkstelling bij 55-64-jarigen (al blijft die onder het gemiddelde). Pirson en Lanjri kritiseren dat wettelijke verboden onvoldoende werken en dringen aan op preventie (bewustmakingscampagnes, sectorconvenanten) én strenge handhaving (meer praktijktesten, ook door derden—waarvoor nog steeds een ontbrekend KB nodig is), met sancties als ultimatum.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, une nouvelle étude d'Unia met en évidence une réalité particulièrement préoccupante: la discrimination fondée sur l'âge. Elle reste profondément enracinée sur notre marché du travail. Elle frappe tant les jeunes que les travailleurs plus âgés.
Un jeune sur trois dit avoir été recalé parce que jugé trop jeune, pas assez fiable ou insuffisamment expérimenté, alors même que leurs emplois étudiants, souvent indispensables, ne sont pas reconnus comme une expérience pertinente.
À l’autre extrémité de la vie active, on retrouve les travailleurs plus âgés. Plus d’un travailleur sur cinq entre 51 et 60 ans se dit aussi discriminé en raison d’un coût salarial supposé trop élevé, d’un prétendu retard numérique ou encore d’une capacité d’intégration mise en doute. Ces témoignages montrent que des coaches emploi déconseillent parfois de poursuivre les démarches, tant les refus fondés sur l’âge se multiplient. Nous nous trouvons dans un contexte où notre majorité entend renforcer la participation au marché du travail, notamment via la limitation des allocations de chômage. Ces discriminations constituent un obstacle structurel majeur. Lorsqu’une personne licenciée à 50 ou 58 ans se retrouve d’emblée considérée comme trop âgée, la réforme risque de se transformer en trappe à pauvreté, ce qui n’est évidemment pas l’objectif poursuivi.
Nous avons le même cas de figure pour les jeunes.
Monsieur le ministre, au regard de ces constats, j’ai deux questions. Premièrement, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour lutter contre l’âgisme à l’embauche, qu’il s’agisse d’offres d’emploi illégales, de biais dans les recrutements ou encore de la non-valorisation de certaines expériences jugées non pertinentes?
Cette problématique étant interministérielle, travaillez-vous de concert avec votre homologue, le ministre Beenders, afin d’assurer une approche cohérente entre l’emploi, l’égalité des chances et la lutte contre les discriminations liées à l’âge?
Nahima Lanjri:
Mijnheer de minister, uit een rapport van Unia leren we dat ruim een op vijf bevraagden in de leeftijdscategorie 51 tot 60 jaar in het afgelopen jaar geconfronteerd werd met discriminatie op basis van leeftijd. Dat stelt niet alleen Unia vast, maar ook de Universiteit Gent in een eerder onderzoek. Ook Acerta moest concluderen dat die groep enorm vaak gediscrimineerd wordt.
Als een bedrijf werknemers ontslaat wegens herstructurering, zijn dat vaak de werknemers die het meest kosten en dat zijn meestal degenen met de meeste anciënniteit. Bovendien geraken zij moeilijker weer aan de slag door de vele vooroordelen ten opzichte van oudere werknemers. Men noemt die leeftijdscategorie – ik behoor daar ook toe, want ik ben ook al een 55-plusser – niet flexibel en te duur en meent dat ze niet meer mee met de tijd kunnen. Dat betekent een verlies voor henzelf, want ze zijn niet aan de slag en worden aan de kant gezet, ook al schuilt daar veel talent. Het betekent ook een verlies voor de maatschappij, want hun talent wordt niet ten volle benut. Bovendien brengt het extra kosten met zich mee, want men betaalt hen een werkloosheidsuitkering, terwijl ze eigenlijk winst zouden kunnen opbrengen en bijdragen betalen als ze kansen op tewerkstelling kregen. Leeftijdsdiscriminatie is niet nieuw en wij moeten dat probleem echt aanpakken.
Ten eerste, in het regeerakkoord is de aanpak van leeftijdsdiscriminatie een belangrijk punt, maar wat zult u concreet doen om discriminatie op basis van leeftijd aan te pakken en 55-plussers eerlijkere kansen te geven op de arbeidsmarkt?
Ten tweede, hebt u als minister van Werk daarover ook overleg met uw collega bevoegd voor gelijke kansen, minister Rob Beenders? Zo ja, wat is daaruit gekomen?
Hebt u eventueel ook al overleg gepleegd met werkgeversorganisaties over een plan van aanpak? Heeft de NAR daarover al adviezen geformuleerd? Hoe staat u daartegenover? Welke daarover wilt u realiseren?
Tot slot, we moeten ook werk maken van een mentaliteitswijziging bij de werkgevers. Misschien kunnen daarrond good practices worden gedeeld? Ziet u mogelijkheden om via positieve voorbeelden mee te werken aan de sensibilisering van werkgevers?
David Clarinval:
Mesdames les députées, la discrimination fondée sur l'âge est interdite et punie par la loi du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination. Cette législation relève toutefois de la compétence du ministre de la Justice.
La lutte contre les discriminations constitue un axe important d'une politique de plein emploi. Garantir l'égalité des chances est à la fois une exigence de justice sociale et une condition pour mobiliser les compétences nécessaires à notre économie. En collaboration avec la direction Contrôle des lois sociales du SPF Emploi, sur la base de l'article 42/1 du Code pénal social, et dans le cadre plus large du plan d'action contre la fraude, nous examinons comment agir de manière plus efficace et plus performante dans la lutte contre la discrimination, y compris en matière d'âge.
En vue de la recherche et de la constatation d'infractions relatives à la législation antidiscrimination et à ses arrêtés d'exécution, les inspecteurs sociaux ont le pouvoir – en présence d'indications objectives de discrimination, à la suite d'une plainte étayée ou d'un signalement, ou sur la base de résultats d'exploration de données (data mining et data searching) – de se présenter comme des clients, des clients potentiels, des travailleurs ou des travailleurs potentiels pour vérifier si une discrimination fondée sur un critère protégé légalement, notamment l'âge, a été ou est commise.
Par ailleurs, au-delà du volet répressif, nous suivons étroitement la dynamique internationale. La création d'un groupe de travail intergouvernemental de l'ONU, chargé de préparer une future convention relative aux droits des personnes âgées, confirme l'importance croissante de la lutte contre l'âgisme. Le gouvernement soutient ces travaux en cohérence avec notre accord de coalition.
Pour ce qui est de la discrimination sur le lieu de travail, nous collaborerons avec les cabinets et administrations des ministres Beenders et Verlinden. Nous évaluerons ensemble comment renforcer la cohérence des politiques de prévention et de lutte contre la discrimination fondée sur l'âge, afin de garantir une approche intégrée entre emploi, égalité des chances et respect des droits fondamentaux.
Het sociaal overleg vormt in die zin een essentiële hefboom. Ik zal dan ook bekijken of er op korte termijn overleg kan worden gepleegd met de werkgeversorganisaties over de problematiek.
Daarnaast hebben de NAR en de sociale partners al aanzienlijke bijdragen geleverd, met name via meerdere collectieve arbeidsovereenkomsten, zoals cao nr. 104 over de tewerkstelling van oudere werknemers, cao nr. 95 betreffende de gelijke behandeling en cao nr. 38 betreffende aanwerving en selectie.
Tot slot moet de vraag in een bredere context worden geplaatst. De werkzaamheidsgraad van 55- tot 64-jarigen is de afgelopen jaren voortdurend gestegen, vooral bij vrouwen, door langere loopbanen en een hoger opleidingsniveau. Die evolutie is positief, maar de werkzaamheidsgraad van de leeftijdsgroep blijft lager dan het algemeen gemiddelde. Dat toont aan dat er nog extra inspanningen nodig zijn om een duurzame inclusie van oudere werknemers te garanderen.
Wat daarentegen de min-25-jarigen betreft, kan de daling van de werkzaamheidsgraad in de afgelopen jaren grotendeels worden verklaard door de verlenging van de studieduur. De strijd tegen discriminatie op grond van leeftijd moet dus passen in een globaal werkgelegenheidsbeleid met aandacht voor de verschillende fases in het beroepsleven, beleid dat steunt op controle, preventie en overleg.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse.
Lutter contre l'âgisme à l'embauche revient à faire respecter la loi, comme vous l'avez bien rappelé, puisque la discrimination est interdite. Toutefois, nous savons que cette interdiction n'empêche pas les employeurs d'éviter les "trop jeunes" ou les "trop âgés".
Nous nous réjouissons de la tripartite constituée avec vos deux collègues Beenders et Verlinden pour essayer de réduire ces discriminations. Nous serons attentifs aux suites réservées à cet enjeu qui est plus essentiel que jamais à la suite de la réforme du chômage.
Nahima Lanjri:
Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ondanks dat discriminatie op basis van leeftijd wettelijk verboden is, blijft dat een probleem. Het wordt zelfs prangender, omdat de groep alleen maar groter wordt, zeker in het licht van onze hervorming van de werkloosheidsuitkering. We weten dat een vijfde van degenen die hun werkloosheidsuitkering tussen nu en eind juni 2026 zullen verliezen, 55-plusser is. Aangezien die groep nu al zo hard geconfronteerd wordt met discriminatie, moeten we ons zeker zorgen over leeftijdsdiscriminatie maken. We moeten daarom tijdig bijsturen en ervoor zorgen dat er niet meer gediscrimineerd wordt. Cd&v is ervan overtuigd dat we vooral moeten vermijden dat er gediscrimineerd wordt. Sancties, zoals gerechtelijke maatregelen of praktijktesten, zoals we er in het verleden mogelijk hebben gemaakt, dienen een stok achter de deur te zijn. Die stok moeten we ook gebruiken als dat nodig is, maar we moeten eerst en vooral inzetten op preventie. Daarom ben ik blij dat u de zaak verder zult bespreken en nagaan er extra sectorconvenanten kunnen worden gesloten. Er moet nog meer ingezet worden op bewustmakingscampagnes en positieve actieplannen. Die maatregelen kunnen ook samen met de werkgeversorganisaties nader worden uitgewerkt. Wie niet horen wil, moet voelen en daarom blijven praktijktesten door de Sociale Inspectie belangrijk. U moet ervoor zorgen dat die daadwerkelijk plaats kunnen vinden. Vandaag zien we dat dat instrument nauwelijks wordt gebruikt en dat er problemen zijn bij het inzetten van derden. Behalve de Sociale Inspectie mogen volgens de wet namelijk ook derden praktijktesten uitvoeren, maar daarvoor is nog steeds een koninklijk besluit nodig, dat momenteel ontbreekt. Ik roep u daarom op, mijnheer de minister, om werk te maken van de wettelijke mogelijkheid om derden in te schakelen wanneer de Sociale Inspectie niet kan ingrijpen. Voor ons blijft het belangrijk om op twee pijlers te werken: preventie en zo nodig sancties als laatste redmiddel. Wij willen uiteindelijk vooral dat er niet gediscrimineerd wordt.
De detentie van Lars De Smet
De consulaire bijstand aan een Belgische gevangene in Noord-Macedonië
De detentie van Lars De Smet
De detentie en consulaire bijstand aan een Belgische gevangene in Noord-Macedonië
Gesteld door
Open Vld
Sandro Di Nunzio
VB
Ellen Samyn
Vooruit
Annick Lambrecht
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Parlementsleden bekritiseren de onmenselijke detentieomstandigheden van Belg Lars De Smet in Noord-Macedonië (o.a. mishandeling, medische verwaarlozing, gebrek aan voedsel), bevestigd door de Raad van Europa, en dringen aan op snelle overbrenging naar België om zijn straf hier uit te zitten. Volgens hen blokkeert Noord-Macedonië een reeds goedgekeurde transfer (2025) zonder duidelijke reden, terwijl de familie radeloos is en gebrek aan coördinatie tussen Buitenlandse Zaken (Prévot) en Justitie (Verlinden) signaleert – beide ministers verwijzen naar elkaars bevoegdheid. Minister Prévot (BZ) bevestigt vijf consulaire bezoeken in vier jaar, financiële steun en diplomatieke druk voor betere omstandigheden, maar wijst voor de geblokkeerde overbrenging naar Justitie, dat het Verdrag van Straatsburg moet uitvoeren. Hij belooft samenwerking met Verlinden, maar parlementsleden noemen de inspanningen onvoldoende (te weinig bezoeken, trage actie) en eisen concrete stappen om de patstelling te doorbreken en de familie duidelijkheid te bieden.
Sandro Di Nunzio:
Mevrouw de voorzitster, ik wens deze vraag mondeling te stellen.
Mijnheer de minister, wanneer een Belgische burger in het buitenland wordt vastgehouden, mag België op zijn minst verwachten dat die detentie veilig en menswaardig verloopt.
Lars De Smet uit Aalst zit al drie jaar vast in Noord-Macedonië. Volgens zijn familie krijgt hij daar onvoldoende voedsel, wordt hij fysiek mishandeld en verblijft hij in onmenselijke omstandigheden.
Ik begrijp dat het vonnis in Noord-Macedonië juridisch definitief is en dat België een buitenlandse rechtsmacht moet respecteren. Dat spreekt voor zich met de scheiding der machten en het respect voor de soevereiniteit van andere staten.
Mijn vragen ter zake voor u zijn niettemin de volgende.
Ten eerste, welke concrete consulaire en diplomatieke demarches hebben uw diensten tot vandaag ondernomen bij de Noord-Macedonische autoriteiten naar aanleiding van de detentieomstandigheden van Lars?
Ten tweede, heeft België formeel aangedrongen op verbeterde detentieomstandigheden, wat toch ook al een belangrijke stap in de goede richting zou zijn? Indien ja, welke garanties en antwoorden hebt u daarop ontvangen?
Ten derde, is België bereid om bij de autoriteiten van Noord-Macedonië te pleiten voor een overbrenging van Lars naar België, zodat hij zijn straf dichter bij huis kan uitzitten?
Ik heb ook begrepen dat in 2025 initieel al een concrete datum voor overbrenging was goedgekeurd, maar dat de datum nadien, met naar ik mij laat vertellen weinig motivering, niet werd uitgevoerd.
Ten vierde, welke juridische stappen of diplomatieke obstakels staan vandaag een dergelijke transfer, dus van Lars naar ons land, nog in de weg? Wat kan België concreet doen om diee te helpen wegwerken? Welke stappen bent u dus bereid te zetten?
Mijn vraag is ondertussen al enigszins gedateerd. Van de familie heb ik ondertussen vernomen dat er mogelijk een rol te spelen is op het vlak van Justitie. In die zin zou ik ook durven vragen en aandringen dat u in overleg gaat met uw collega om Lars zo snel mogelijk verbeterde detentieomstandigheden te laten krijgen en hem, in het beste geval uiteraard, zo snel mogelijk naar ons land te kunnen laten overbrengen.
Ellen Samyn:
Mevrouw de voorzitster, ik wens mijn vraag mondeling te stellen.
Mijnheer de minister, de heer De Smet verblijft inmiddels bijna vier jaar in detentie in Noord-Macedonië, meer bepaald in de gevangenis van Idrizovo. Niet de schuldvraag staat hier centraal, maar wel de consulaire en diplomatieke verantwoordelijkheid van België ten aanzien van een eigen onderdaan. De detentieomstandigheden in die gevangenis werden door het Europees Comité ter Preventie van Foltering van de Raad van Europa herhaaldelijk omschreven als structureel onmenselijk, met ernstige tekorten op het vlak van veiligheid, medische zorg en basisrechten. Daarnaast is België sinds 2022 formeel op de hoogte van ernstige medische en psychologische problemen bij de heer De Smet, waarvoor volgens Belgische en universitaire medische expertises behandeling in België noodzakelijk is.
Naar verluidt werd een overbrenging naar België op basis van het Verdrag van Straatsburg inzake de overbrenging van gevonniste personen administratief volledig opgestart, door België aanvaard en zelfs vastgelegd op een concrete datum, maar nadien eenzijdig geblokkeerd door de Noord-Macedonische autoriteiten.
Mijnheer de minister, kunt u gedetailleerd toelichten welke consulaire bijstand de voorbije jaren aan de heer De Smet werd verleend? Hoeveel bezoeken, gesprekken of interventies vonden effectief plaats? Welke opvolging werd gegeven aan de signalen over mogelijke procedurefouten of problemen met de detentieomstandigheden?
Volgt de FOD Buitenlandse Zaken het dossier actief op bij de Noord-Macedonische autoriteiten? Uit communicatie blijkt dat Buitenlandse Zaken en Justitie het dossier samen opvolgen en verder bekijken welke stappen mogelijk zijn ten aanzien van de Noord-Macedonische autoriteiten. Wat is daarvan de stand van zaken? Hebt u of hebben uw diensten recent overleg gehad met uw collega of de diensten van uw collega van Justitie over het dossier? Werd het dossier formeel onder de aandacht gebracht van uw Noord-Macedonische ambtgenoot of van de Noord-Macedonische ambassadeur in Brussel?
Zoals uit de communicatie blijkt, beschikt België over een overbrengingsakkoord voor gedetineerden met Noord-Macedonië. Waarom blokkeert de Noord-Macedonische autoriteit de overbrenging van de heer De Smet? Wat kunt u daaraan doen?
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar de heer De Smet is gedetineerd in Noord-Macedonië in onmenselijke omstandigheden. Dat zeg niet enkel ik, dat zegt ook de Raad van Europa, toch niet de eerste de beste instelling. Er zijn meldingen van ernstige medische verwaarlozing en een gebrek aan adequate zorg.
Veel familieleden van de heer De Smet hebben ons gecontacteerd om te vragen dat we de druk opvoeren om de heer De Smet naar huis te krijgen, niet om thuis te zitten, maar om zijn straf in België uit te zitten. Dat is een noodkreet.
Ik ga onmiddellijk over tot mijn vragen. De eerste vind ik de belangrijkste. Als minister van Buitenlandse Zaken dient u zorg te dragen voor landgenoten in nood in het buitenland. In die hoedanigheid wil ik van u vernemen of u daarover al contact hebt gehad met minister Verlinden, dan wel of het nodig is dat we de vraag ook aan haar stellen.
Bent u het met me eens dat de inhumane situatie van de heer De Smet ons en u ertoe verplicht om onmiddellijk te handelen?
Welke hulp hebt u de familie en misschien ook de heer De Smet al geboden?
Kunt u een engagement aangaan om de familie duidelijkheid te verschaffen, en alle nodige diplomatieke middelen van België aanwenden om die situatie zo snel mogelijk te beëindigen?
Maxime Prévot:
Beste parlementsleden, dank u voor uw vragen over die Belgische gevangene in het buitenland.
Mijn diensten, zowel het hoofdbestuur, onze ambassade in Sofia bevoegd voor Noord-Macedonië, als onze ereconsul in Skopje, volgen de situatie van de heer De Smet nauw op sinds zijn arrestatie enkele jaren geleden. Onze collega's doen wat binnen hun bevoegdheden en mogelijkheden ligt om bijstand te verlenen aan onze landgenoot.
In het kader van de consulaire bijstand, mijnheer Di Nunzio, werden door mijn departement de volgende acties ondernomen: contact met en informeren van de familie in België, ter beschikking stellen van een lijst van advocaten, tussenkomsten bij de lokale overheid om de gerechtelijke procedure te verduidelijken, meer in het bijzonder het systeem van pro-Deoadvocaat.
De consul in Sofia en de ereconsul met basis te Skopje hebben vijf consulaire bezoeken gebracht en hebben met de directeur van de gevangenis gesproken over de detentieomstandigheden en hebben verbeteringen gevraagd. Door tussenkomst van het consulaat ontvangt de heer De Smet een financiële bijstand in de vorm van terugbetaalbare voorschotten. Die interventie heeft ervoor gezorgd dat de heer De Smet warme kleding, dekens en geneesmiddelen ontvangt.
Aangezien het om een individueel dossier gaat, kan ik hier geen verdere details over geven.
Mijn diensten staan regelmatig in contact met de diensten van de minister van Justitie over die zaak.
De blokkeringen die zich op dit ogenblik in de zaak voordoen, situeren zich op het niveau van de overbrengingsprocedure. België en Noord-Macedonië zijn beide partijen bij het Verdrag van de Raad van Europa inzake de overbrenging van gevonniste personen. De Federale Overheidsdienst Justitie is bevoegd voor de uitvoering van dat verdrag. Uw vragen betreffende overbrenging dient u daarom te richten aan de minister van Justitie.
Sandro Di Nunzio:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord en voor het feit u en uw diensten alle inspanningen leveren die noodzakelijk zijn en die mogelijk zijn.
Ik had de vraag al enige tijd geleden ingediend en heb intussen de informatie gekregen dat ook de FOD Justitie en de diensten van de minister van Justitie erbij betrokken zijn. We vernemen echter uit de omgeving van de familie dat men het gevoel heeft van het kastje naar de muur te worden gestuurd, aangezien Justitie op zijn beurt verwijst naar Buitenlandse Zaken. Uit die feedback blijkt toch dat er wat schort aan de afstemming tussen de diensten. Ik neem aan dat u daar niet persoonlijk mee bezig bent, maar op dienstniveau kan er toch wel wat verbeterd worden. Ik zal de vraag daarom ook stellen aan de minister van Justitie.
Ik roep u op om in gesprek te gaan met uw collega, de minister van Justitie, zodat de familie minstens weet dat u overeenkomt met uw collega en met één stem spreekt voor ons land en dat uw diensten er alles aan doen om het blokkeringspunt, volgens u gelegen bij het overleveringsverdrag, op te lossen. Als ik de berichten mag geloven, is men radeloos en weet men niet meer wat men moet doen of kan verwachten om Lars gunstige detentieomstandigheden te bieden en hem naar huis te krijgen.
Ik hoop dat dat een prioritair dossier blijft, waaraan u samen met minister Verlinden alle aandacht zult blijven besteden.
Ellen Samyn:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Mijn goede collega, Alexander Van Hoecke, zal de minister van Justitie ondervragen, maar hij heeft daar tot op heden de kans nog niet toe gehad.
Ik hoor dat Buitenlandse Zaken de situatie van nabij opvolgt. Sta mij echter toe om vijf consulaire bezoeken in vier jaar tijd weinig te vinden. Niet enkel de detentieomstandigheden zijn niet goed voor de heer De Smet, maar ook zijn medische situatie. Ik hoop dat erover wordt gewaakt dat hij ook de juiste medicatie kan krijgen en dat er een goede medische en adequate opvolging ter plaatse is.
Die situatie is natuurlijk niet alleen voor de heer De Smet onmenselijk, maar ook voor zijn familie, die momenteel al 1.350 dagen, om exact te zijn, in onzekerheid leeft.
We zullen zeker niet nalaten om ook uw collega van Justitie te bevragen. Wij hopen dat u samen met de minister van Justitie verder blijft nagaan welke bijkomende stappen mogelijk en aangewezen zijn ten aanzien van de Noord-Macedonische autoriteiten.
Annick Lambrecht:
Mijnheer de minister, dank voor het antwoord. De grootste gruwel die een ouder kan meemaken, is een kind dat in het buitenland in mensonwaardige omstandigheden wordt vastgehouden. Men wordt van het kastje naar de muur gestuurd. Dan vindt men een paar parlementsleden die daarover toch nog een keer een vraag willen stellen. Ik vraag begrip van uw kant voor het feit wij dat doen. We zijn het die familie verschuldigd. Er zijn nog dergelijke zaken in België. De uitwisselingen om de straf uit te zitten in het land waar men vandaan komt, zouden toch veel vlotter mogen verlopen. Ik treed mijn collega bij dat vijf consulaire bezoeken sinds 2022 zeer weinig zijn. Dat zijn bezoeken die de persoon ter plaatse moed zouden kunnen geven, maar ook de ouders een hart onder de riem zouden kunnen steken. Ik weet niet op basis waarvan men beslist over het aantal consulaire bezoeken, maar ik denk niet dat er heel veel mensen in Noord-Macedonië vastzitten. Dat aantal bezoeken zou toch wat meer kunnen zijn. Ik hoopte dat ik de vraag niet meer aan minister Verlinden hoefde te stellen, maar ik heb begrepen dat we dat wel nog moeten doen. Bij minister Verlinden zullen wij verwijzen naar de goede wil die wij in deze comissievergadering van u hebben gehoord. Ik hoop dat het met twee mensen van goede wil een beetje vooruitgaat. De voorzitster : De vragen nrs. 56011582C en 56011585C van de heer Boukili vervallen, aangezien hij niet aanwezig is. De vragen nrs. 56011597C en 56011599C van mevrouw Van Riet zijn uitgesteld.
De veiligheid van kinderen en het welzijn van het personeel in de opvangcentra
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 7 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Achraf El Yakhloufi waarschuwt op basis van het Odisee-onderzoek (Fournier) dat structurele overbezetting, gebrek aan privacy, personeelstekort en onveilige infrastructuur in opvangcentra leiden tot geweld, trauma’s bij kinderen en burn-outs bij medewerkers—terwijl plannen voor afbouw en besparingen (Fedasil/LOI’s) de crisis verergeren. Hij eist concrete maatregelen om veiligheid te garanderen en bekritiseert dat kinderen nu "nevenschade" zijn van een falend systeem. Minister Van Bossuyt erkent de problemen (o.a. lange verblijfsduren, druk door crisisopvang) maar ontkent structureel falen: ze wijst op bestaande protocollen, prioritaire opvang voor kinderen, een komend actieplan en investeringen in personeel/psychologische ondersteuning, zonder kwaliteitsnormen aan te tasten. Besparingen zijn volgens haar instroombeheer, niet kwaliteitsverlaging. El Yakhloufi blijft kritisch: protocollen volstaan niet als de terreinrealiteit (o.a. gebrek aan privacy/personeel) onveiligheid in stand houdt, en dringt aan op politieke durf—kinderen mogen geen slachtoffer worden van bezuinigingen, ook niet tijdens transitie.
Achraf El Yakhloufi:
Laten we beginnen bij iets waar iedereen het over eens is, kinderen horen veilig te zijn. Zo simpel is dat. Als de overheid kinderen niet kan beschermen in de opvang, faalt het systeem op het meest basale niveau. Het onderzoek van professor Katja Fournier van de Odisee Hogeschool, gebaseerd op vijf jaar terreinwerk in Belgische opvangcentra en gesprekken met honderden gezinnen, kinderen en medewerkers, leidt tot een bijzonder verontrustende conclusie. Die conclusie is hard om te lezen, niet omdat ze verrassend is, maar omdat ze bevestigt wat veel mensen al lang signaleren: overbezetting, te weinig privacy, gedeelde sanitaire voorzieningen die niet eens degelijk kunnen worden afgesloten, te weinig begeleiding en te weinig mensen op de vloer. Dat leidt onvermijdelijk tot spanningen, geweld en grensoverschrijdend gedrag. Niet omdat mensen slecht zijn, maar omdat kwetsbare groepen veel te lang in een context worden geplaatst die hen kwetsbaar maakt. Ik keur dat gedrag niet goed, integendeel.
Wij moeten ervoor zorgen dat zulke situaties kunnen worden vermeden. Tegelijk horen we spreken over plannen over afbouw en besparingen. We mogen discussiëren over aantallen, maar besparingen kunnen zeker niet ten koste gaan van veiligheid en menselijkheid. Dat zijn geen besparingsposten.
Mijn kernvraag is dan ook eenvoudig. Wat verandert u concreet, zodat kinderen niet langer mee moeten draaien in een systeem dat hen niet beschermt en zodat personeel niet opbrandt in een onmogelijke job?
Voor de verdere toelichting verwijs ik naar mijn schriftelijke voorbereiding.
Recent verscheen een uitgebreid onderzoek van professor Katja Fournier (Odisee Hogeschool), gebaseerd op vijf jaar terreinwerk in Belgische opvangcentra en gesprekken met honderden gezinnen, kinderen en medewerkers. De conclusies zijn bijzonder verontrustend.
Het onderzoek stelt vast dat de veiligheid van kinderen in opvangcentra vandaag niet kan worden gegarandeerd, noch op emotioneel, noch op fysiek of seksueel vlak. Er wordt melding gemaakt van intrafamiliaal geweld, vechtpartijen, pestgedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Een derde van de bewoners in opvangcentra zijn kinderen, waarvan twee derde jonger dan twaalf jaar, en zij verblijven gemiddeld achttien maanden in deze context. Dat is een zeer lange periode in een kinderleven.
Daarnaast wijst het onderzoek op structurele problemen zoals gebrek aan privacy, overbezetting, gedeeld sanitair dat niet veilig kan worden afgesloten, onvoldoende psychologische begeleiding en een schrijnend tekort aan personeel. Die omstandigheden leiden niet alleen tot verergering van trauma’s bij bewoners, maar ook tot secundaire traumatisering en burn-outs bij medewerkers. Medewerkers getuigen over situaties waarin zij ernstige incidenten probeerden te voorkomen, maar zelf onvoldoende ondersteuning kregen.
Tegen deze achtergrond maakt het mij bijzonder bezorgd dat er plannen circuleren om het aantal opvangplaatsen verder af te bouwen en dat er gesproken wordt over aanzienlijke besparingen bij Fedasil en de lokale opvanginitiatieven, terwijl net de kwaliteit en veiligheid van de opvang onder druk staan.
Daarom heb ik volgende vragen voor u, mevrouw de minister:
Hoe beoordeelt u de conclusies van dit onderzoek, in het bijzonder de vaststelling dat de veiligheid van kinderen in opvangcentra vandaag niet kan worden gegarandeerd?
Welke concrete maatregelen neemt of plant u om de bescherming van kinderen in opvangcentra te versterken, zowel op vlak van infrastructuur, privacy als begeleiding?
Hoe zorgt u ervoor dat opvangcentra voldoende personeel, psychologische ondersteuning en externe controle hebben om grensoverschrijdend gedrag en geweld preventief aan te pakken?
Hoe verhoudt de geplande afbouw van opvangplaatsen en de aangekondigde besparingen bij Fedasil en de LOI’s zich tot de nood aan meer kwalitatieve, veilige en kleinschalige opvang?
Bent u bereid om, op basis van deze bevindingen, het huidige opvangbeleid en de financiering ervan te herevalueren, met bijzondere aandacht voor kinderen en het welzijn van het personeel?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer El Yakhloufi, ik neem de veiligheid en het welzijn van kinderen in de opvang zeer ernstig. Elk signaal van onveiligheid of grensoverschrijdend gedrag wordt opgevolgd en leidt waar nodig tot een interventie.
Het onderzoek waarnaar u verwijst, toont terecht aan hoe overbezetting, lange verblijfsduren en noodopvang tijdens de opvangcrisis een zware druk hebben gelegd op kinderen en op medewerkers. Die analyse neem ik ter harte. Ik onderschrijf echter niet de conclusie dat de veiligheid van kinderen vandaag structureel niet kan worden gegarandeerd.
Er bestaan duidelijke procedures inzake kinderbescherming, meldingsplicht en samenwerking met jeugdhulp en Justitie, die ook effectief worden toegepast. Om de bescherming van kinderen te versterken, worden gezinnen met kinderen en niet-begeleide minderjarige vreemdelingen prioritair opgevangen op aangepaste plaatsen. Er wordt ingezet op meer privacy en betere infrastructuur, onder meer door de afbouw van tijdelijke crisisopvang. Preventie- en opvolgingsprotocollen worden verder versterkt en momenteel wordt een actieplan rond kinderen in de opvang gefinaliseerd, dat binnenkort wordt uitgerold. Wat personeel en begeleiding betreft, investeren we in bijkomende ondersteuning van teams, opleiding en psychologische begeleiding in samenwerking met externe partners, met blijvende externe controle en inspectie.
De geplande afbouw van opvangplaatsen en de bijbehorende financiering kaderen binnen de crisismaatregelen, die sinds augustus van kracht zijn en tot doel hebben de instroom te beheersen en zo de druk op het opvangnetwerk te verlagen. Deze maatregelen hebben geen impact op de geldende kwaliteits- en infrastructuurnormen, die onverkort van toepassing blijven. Er zijn drie pijlers essentieel in het beleid: de instroom verlagen, de uitstroom verhogen en zo een meer humane opvang bieden aan de mensen die het echt nodig hebben.
Het opvangbeleid en de financiering worden continu geëvalueerd, met bijzondere aandacht voor de bescherming van kinderen en werkbare omstandigheden voor het personeel.
Achraf El Yakhloufi:
Mevrouw de minister, in het regeerakkoord, dat we samen tot stand hebben gebracht en waarin veel elementen voorkomen waaromtrent we water in de wijn hebben moeten doen, zijn we het eens over het belang van de bescherming van het kind. Dat is een gigantische prioriteit. Ook voor Vooruit is de bescherming van het kind, in welke situatie dan ook, van essentieel belang. Ik ben dan ook blij met uw positieve analyse van het onderzoek, natuurlijk niet helemaal, want het zou politiek onverstandig zijn om het helemaal eens te zijn. Over het structurele aspect was u het niet helemaal eens. Ik ben deels gerustgesteld, maar, nogmaals, ik denk dat we dat rapport zeker moeten opvolgen. U zegt ook dat u de prioriteit bij minderjarigen blijft leggen. Er zijn toch enkele fundamentele bezorgdheden. We horen vaak dat richtlijnen, protocollen en monitoren bestaan. Het probleem vandaag ligt niet alleen in gebrekkige procedures, maar is soms de realiteit op het terrein, die lastig is. U hebt gelijk om de instroom te doen dalen en de uitstroom te doen stijgen, waarvoor ook de regering duidelijk heeft gekozen. Dat moet op een humane en correcte manier gebeuren, zodat we de betrokkenen kunnen beschermen. Als de veiligheid van kinderen niet kan worden gegarandeerd, dan volstaat het niet om te zeggen dat we het opvolgen, maar dan moeten we echt keuzes maken. Dat is heel belangrijk en dat doet deze regering ook. Ook in de tussentijd moeten we dat blijven garanderen. Er zijn meer begeleiding, meer privacy en meer personeel nodig en er mogen minder mensen te lang in dezelfde opvangcontext blijven zitten. Dus mijn punt blijft heel duidelijk: kinderen mogen geen nevenschade ondervinden van een overbelast systeem. Dat vraagt niet alleen beheer, maar dat vraagt ook politieke durf.
Cumulatie van sociale bijstand en het vermijden van drempels en administratieve tegenstrijdigheden
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 15 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson vraagt hoe minister Vandenbroucke de coherentie tussen de nieuwe cumulregels voor sociale hulp (gerichte op equiteit) en bestaande federale mechanismen (zoals gezondheidszorg, kinderbijslag en werkstimulansen) waarborgt, met name voor kwetsbare groepen (eenoudergezinnen, jongvolwassenen, personen met een beperking), en of een impactanalyse en interdepartementale afstemming gepland zijn om administratieve tegenstrijdigheden te vermijden. Vandenbroucke ontkent interactieproblemen: de hervorming verbreedt enkel de bestaande regel (reeds sinds 2002) door alle onderhoudsplichtige huisgenoten (niet enkel partners/ouders) in de berekening van het leefloon te betrekken, zonder de uitkering te verlagen voor wie in nood is; hij benadrukt dat het residuair karakter van het recht op maatschappelijke integratie (RMI) conflicten met andere sociale voorzieningen uitsluit, en wijst op structurele samenwerking binnen het armoedebeleid, maar ziet geen behoefte aan extra coördinatie. Pirson nuanceert zijn standpunt door te stellen dat goede bedoelingen (solidariteit en werkprikkels) onbedoelde effecten kunnen hebben op de leefsituatie van doelgroepen, en pleit voor een concreet, veilig en leesbaar systeem dat autonomie bevordert zonder kwetsbaren verder te marginaliseren.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, l’arrêté royal élaboré conjointement avec la ministre de l’Intégration sociale vise à renforcer l’équité dans les cumuls d’aides sociales. Cette réforme entrera naturellement en interaction avec plusieurs dispositifs relevant de votre compétence: assurance soins de santé et indemnités, allocations familiales majorées, règles de cumul avec allocations de remplacement et accompagnement social des personnes vulnérables. Du point de vue de la majorité, il est essentiel que cette évolution réglementaire s’articule de façon cohérente avec l’objectif fédéral de lutte contre la pauvreté, du soutien aux familles et de l’incitation au travail.
Monsieur le ministre, dans cette logique constructive, pouvez-vous nous préciser comment vos services ont assuré la cohérence entre cette réforme et les mécanismes fédéraux en vigueur, afin d’éviter des effets de seuil ou des situations administrativement contradictoires?
Une analyse d’impact entre les services est-elle prévue afin de mesurer les interactions entre cette réforme et les dispositifs de sécurité sociale, notamment pour les familles monoparentales, les jeunes adultes ou les personnes en incapacité?
Enfin, pouvez-vous préciser comment la coordination entre les Affaires sociales et l'Intégration sociale sera assurée au sein du gouvernement pour garantir une mise en œuvre fluide et éviter toute insécurité juridique pour les CPAS et les bénéficiaires?
Frank Vandenbroucke:
Madame Pirson, la mesure vise à renforcer la solidarité familiale avant la solidarité collective et à éviter les cumuls. Il ne s'agit absolument pas de diminuer le montant du revenu d'intégration si une personne est en difficulté, mais d'éviter des cumuls d'allocations au sein d'une même famille.
Deuxièmement, les interactions que vous mentionnez n'existent pas. En effet, d'une part, le régime du droit à l'intégration sociale est un régime résiduaire. Il n'a aucune influence sur les autres dispositifs de sécurité sociale du point de vue de l'octroi d'allocations. D'autre part, le dispositif existait déjà, il est simplement plus modulé. En effet, l'article 34 de l'arrêté royal du 11 juillet 2002 portant règlement général en matière de droit à l'intégration sociale prenait déjà en compte les ressources du conjoint et des ascendants ou descendants du premier degré vivant sous le même toit dans le calcul du demandeur d'aide.
La modification proposée vise à élargir la prise en compte des ressources non pas seulement aux conjoint, ascendant, descendant du premier degré, mais à tous les débiteurs alimentaires vivant sous le même toit que le demandeur d'aide. Dès lors, dans le cas de jeunes adultes, le CPAS pouvait déjà tenir compte des ressources de leurs parents pour le calcul du revenu d'intégration. Dans le cas d'une famille monoparentale, l'article ne s'applique pas puisqu 'a priori il n'y a ni conjoint ni cohabitant.
Troisièmement, comme mentionné ci-dessus, il n'y a pas lieu d'avoir une telle coordination pour ces questions spécifiques. Néanmoins, il existe une collaboration structurelle entre le SPF Sécurité sociale et le SPF Intégration sociale dans le cadre du plan de lutte contre la pauvreté.
Anne Pirson:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses et l'attention portée à la cohérence globale de cette réforme. C'est précisément là que se situe l'enjeu, à savoir que la politique sociale soit juste et ne juge pas uniquement l'intention mais aussi les effets concrets sur les parcours de vie. L'objectif commun doit rester clair. Il s'agit vraiment de simplifier, sécuriser et rendre le système plus lisible afin qu'il soutienne réellement l'autonomie et l'insertion sans fragiliser les publics qu'il entend protéger.
Armoedebestrijding en de maatregelen voor de nagenoeg jobloze gezinnen
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 15 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson (Les Engagés) benadrukt dat België met een sterke, gerichte sociale bescherming (risico op monetaire armoede: 11,5%, tweede laagste in EU) succes boekt, maar bekritiseert dat huishoudens zonder werk – waar armoede en kinderprecariteit geconcentreerd zijn – een structureel zwakke plek blijven; ze vraagt hoe de federale regering ciblage zal versterken, met name via de garantie voor de kinderarmoede en het nationaal actieplan. Minister Vandenbroucke antwoordt met concrete plannen: hervorming van het PIIS (individueel integratietraject) om duurzaam werk te stimuleren, aanpassing van fiscale voordelen zodat werken loont, en gerichte steun aan kwetsbare groepen (bv. geïsoleerden, gezinnen met beperkte tewerkstellingscapaciteit), gekoppeld aan vereenvoudigde administratie en een uniforme behoeftenanalyse. Voor kinderen belooft hij toegang tot basisdiensten (huisvesting, gezondheid, onderwijs) via een vernieuwd nationaal actieplan (doel: 93.000 kinderen uit armoede tegen 2030), in samenwerking met gewesten en het middenveld, met strikte opvolgingsindicatoren. Pirson reageert voorwaardelijk positief: ze verwelkomt de plannen maar waarschuwt dat de effectiviteit voor kwetsbare gezinnen kritisch zal worden gevolgd, met nadruk op het doorbreken van armoedecycli via gerichte maatregelen.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, le dernier rapport du SPF Sécurité sociale confirme un constat marquant. D'un côté la Belgique est l'un des pays les plus performants d'Europe dans la réduction de la pauvreté monétaire avec un risque ramené à 11,5 % – c'est le deuxième taux le plus bas de l'Union – et, d'un autre, l'efficacité de nos transferts sociaux dépasse 50 % – un niveau que seuls quelques pays atteignent.
Ces résultats valident une conviction que Les Engagés défendent depuis longtemps: une protection sociale solide, lorsqu'elle est ciblée et cohérente, produit des effets concrets. Les réformes engagées par l'Arizona vont dans le bon sens: mieux orienter les moyens fédéraux, renforcer la justice sociale et faire en sorte que chaque euro bénéficie réellement à ceux qui en ont le plus besoin, mais le rapport souligne aussi notre talon d'Achille qu'est la persistance d'un nombre élevé de ménages quasi sans emploi où se concentre la pauvreté matérielle et où les enfants sont exposés aux risques de précarité durable.
Pour nous, la lutte contre la pauvreté exige donc deux choses, à savoir maintenir une protection sociale solide et éviter d'élargir les dispositifs sans ciblage pour que les mécanismes fédéraux soutiennent prioritairement les familles les plus vulnérables. C'est ainsi que le plein emploi peut devenir un horizon réaliste et pas un objectif abstrait.
D è s lors, monsieur le ministre, comment les prochaines mesures fédérales renforceront-elles le ciblage des prestations sociales vers les ménages où les vulnérabilités sont les plus ancrées, en particulier les ménages quasi sans emploi identifiés par le SPF? Dans le cadre fédéral de la garantie pour l'enfance et du plan national de lutte contre la pauvreté que vous coordonnez, quelles actions spécifiques envisagez-vous pour améliorer les perspectives des enfants qui vivent dans ces ménages à haut risque de précarité?
Frank Vandenbroucke:
Madame Pirson, les chiffres que vous citez sont exactement la raison pour laquelle dans le projet de plan fédéral de lutte contre la pauvreté, je prévois des mesures de soutien ciblées aux ménages les plus vulnérables, en réservant une attention prioritaire à ceux qui présentent une très faible intensité de travail. Dans ce cadre, nous préparons plusieurs mesures visant explicitement ce groupe. Nous renforçons ainsi l'activation et l'accompagnement via une réforme du projet individualisé d'intégration sociale (PIIS) qui valorise l'emploi durable et place l'intégration sociale au centre. Nous rendons la transition vers le travail plus avantageuse en réformant l'exonération socioprofessionnelle et la diminution progressive des avantages sociaux, afin que travailler rapporte réellement.
Par ailleurs, le gouvernement fédéral s'attelle à un développement de l'économie sociale afin d'offrir de meilleures opportunités aux personnes dont la capacité de travail est limitée, ainsi qu'aux chercheurs d'emploi vulnérables. Au moyen d'une simplification administrative et d'un cadre uniforme d'analyses des besoins, nous prévoyons des mesures ciblées pour certains groupes à haut risque tels que les isolés bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus et les familles vulnérables. Toutes ces mesures poursuivent un même objectif: orienter les moyens et instruments vers les ménages où les vulnérabilités sont les plus ancrées, en vue de leur offrir durablement de meilleures perspectives en termes de revenus, de santé et de stabilité.
S'agissant de la garantie européenne pour l'enfance, je tiens à souligner que cette politique repose sur une ambition centrale: garantir à chaque enfant l'accès aux services essentiels, quelle que soit la précarité de sa situation familiale. Cela inclut un logement sûr et de qualité, l'accès aux soins de santé, à une alimentation saine et un enseignement inclusif. Les enfants ne peuvent être les victimes de la fragilité de leur environnement familial. La société a la responsabilité de leur offrir des chances réelles et équitables. Dans ce cadre, nous travaillons avec les entités fédérées à l'actualisation et au renforcement de la garantie pour l'enfance. Des concertations intensives sont en cours avec les entités fédérées et le vaste secteur associatif, afin de définir de nouvelles mesures ambitieuses et opérationnelles. Ces travaux seront finalisés encore ce mois-ci et serviront de base à un plan d'action national actualisé qui soutiendra notre objectif pour 2030: sortir 93 000 enfants de la pauvreté.
La coordination fédérale mise également sur un suivi renforcé. Le cadre de monitoring actualisé sera présenté plus tard ce mois-ci avec des indicateurs harmonisés permettant de mesurer précisément les progrès accomplis.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, je vous remercie. Nous serons attentifs à ce que toutes les prochaines mesures que vous venez d'évoquer renforcent réellement les perspectives des familles et des enfants concernés. Nous sommes en effet persuadés que lutter efficacement contre la pauvreté d'aujourd'hui, c'est empêcher qu'elle ne se transmette demain. J'ai aussi pris bonne note du travail en cours avec les entités fédérées et de la sortie d'un plan d'action national. Nous serons également très attentifs à la suite.
Het misnoegen bij de OCMW's over het achterhouden van informatie door de RVA
De klachten van OCMW's wegens het achterhouden van informatie door de RVA
Klachten van OCMW's over informatieachterhouding door de RVA
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sophie Thémont bekritiseert dat de CPAS’ onvoldoende voorbereid zijn op de uitsluiting van werkloosheidsuitkeringen per 2026, door gebrek aan nominatieve gegevens (geweigerd door ONEM), niet-uitbetaalde subsidies (26 miljoen euro) en verlaagde compensaties (37 miljoen euro minder), wat volgens haar leidt tot sociale chaos en drie maanden zonder inkomen voor kwetsbaren. Minister David Clarinval stelt dat juridische privacyregels nominatieve datadeling verbieden en dat ONEM wel gemeentelijke schattingen en een consultatietool (Unemployment Data) biedt, maar benadrukt dat veel uitkeringsgerechtigden geen CPAS-steun zullen nodig hebben. Thémont beschuldigt Clarinval van onrealistische aannames (niet iedereen vindt werk) en gebrek aan anticipatie, waarschuwt voor agressie tegen CPAS-medewerkers en noemt de aanpak "te gemakkelijk" zonder concrete oplossingen voor de dreigende inkomensloosheid per januari.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, à moins d'un mois de l'échéance, les CPAS affirment qu'ils ne disposent toujours d'aucune information nominative leur permettant d'anticiper l'arrivée des personnes qui seront exclues du chômage début 2026. Ils rappellent que l'ONEM refuse à ce stade de communiquer les noms des personnes concernées, alors même que les CPAS sont soumis au secret professionnel.
Sans ces données, ils ne peuvent ni organiser l'accueil, ni mobiliser leur personnel, ni contacter en amont les personnes pour les orienter vers une formation ou vers un accompagnement. Les inquiétudes se sont même accentuées ces dernières semaines. Les 26 millions d'euros annoncés pour aider les CPAS à se préparer, à l'heure actuelle, n'ont toujours pas été versés, bloquant des recrutements pourtant indispensables dans un secteur qui est déjà, je le rappelle, en pénurie.
Début décembre, douche froide, les CPAS ont appris que les compensations prévues pour 2026 seraient plus faibles que prévues, notamment parce que les bénéficiaires d'allocations d'insertion ne sont pas comptabilisés. Cela représente une perte de plus de 37 millions d'euros pour les CPAS à l'échelle du pays.
Monsieur le ministre, dans un peu plus de trois semaines, les premiers exclus arriveront dans des CPAS qui affirment clairement qu'ils ne sont pas en mesure d'anticiper les choses correctement. Dans ce cadre, l'ONEM transmettra-t-il aux CPAS les informations nominatives nécessaires à une réelle anticipation? Si cela reste impossible, quelles alternatives concrètes proposerez-vous à court terme, c'est-à-dire la semaine prochaine? Pouvez-vous garantir que les moyens promis, notamment les 26 millions d'euros, seront débloqués immédiatement, afin que les CPAS ne soient pas confrontés dès janvier à un sous-financement? Je vous prie de ne pas me renvoyer vers Mme Van Bossuyt
David Clarinval:
Madame la députée, le soutien que les CPAS attendent face à la hausse prévue des demandes de revenus d’intégration est légitime. Il est également utile qu’ils puissent effectuer cette estimation en temps utile et de manière anticipée.
Cependant, il n’existe aucun fondement juridique permettant de communiquer à l’avance aux CPAS, de manière nominative, les données des assurés sociaux dont le droit aux allocations est limité dans le temps. L’ONEM ne peut juridiquement transmettre proactivement des listes comprenant nom, prénom ou numéro de registre national. La réglementation actuelle ne prévoit aucune base pour un partage préalable, massif et non ciblé de données personnelles avec les CPAS. Une telle transmission serait en outre contraire au principe de protection des données.
La communication systématique de listes complètes de personnes dont le droit est limité dans le temps reviendrait en pratique à signaler presque tous les chômeurs, actuels et futurs, aux CPAS. Or, le fait que le droit aux allocations de chômage soit limité dans le temps ne garantit nullement qu’une personne demandera un revenu d’intégration ou qu’elle y aura droit. Beaucoup reprennent le travail, d’autres disposent de revenus. Nombre de ces personnes concernées ne souhaiteront donc pas introduire une demande auprès du CPAS ou savent d’avance qu’elles n’y auront pas droit. Elles n’accepteraient donc pas que leurs données soient partagées avec le CPAS de leur commune. Une transmission automatique de données personnelles serait dès lors juridiquement injustifiée.
De plus, le groupe de personnes dont le droit est limité dans le temps évolue constamment en raison des reprises de travail, des périodes non indemnisables, des formations ou des prolongations. Une liste nominative deviendrait donc rapidement obsolète et inutilisable sur le plan opérationnel. Ces éléments ont été expliqués par l’ONEM au sein de la taskforce CPAS, où sont représentés les trois fédérations de CPAS ainsi que le SPP Intégration sociale.
En conséquence, la seule action proactive que l’ONEM peut et est autorisé à entreprendre consiste à fournir à chaque CPAS une estimation du nombre de personnes dans la commune concernée, dont le droit aux allocations sera limité dans le temps. Cela a été fait: l’ONEM a transmis, via le SPP Intégration sociale et les fédérations de CPAS, des estimations par commune avec les dates de fin de droit. Les CPAS en ont été dûment informés.
Enfin, le flux Unemployment Data prévoit bien une possibilité de consultation: dès qu’une personne s’adresse au CPAS, celui-ci peut consulter immédiatement les données personnelles et la date de fin de droit.
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, j'entends votre réponse. Toutefois, les CPAS ne disposent ni des données, ni des moyens, ni du personnel pour faire face à ce problème. Je sais bien que, toutes et tous, nous avons reçu une liste reprenant le nombre d'exclus du chômage. Nous savons bien que la première vague sera constituée de gens qui ont complètement décroché. Tout le monde n'est pas remis au travail, comme vous le prétendez. Ce manque d'anticipation relève d'une impréparation dangereuse. Vous savez très bien que, lorsqu'on doit traiter un dossier et verser un complément d'allocation, une enquête est ouverte afin que les assistants sociaux puissent constituer un dossier. Cela signifie que, si l'on avait obtenu les coordonnées des intéressés, on aurait pu les convoquer. Que vont faire ceux qui débarqueront le 1 er janvier au CPAS? Vu le temps que nécessite l'instruction d'un dossier, ils devront alors rester trois mois sans revenu? Comment agir? Je me pose sincèrement la question. Je puis vous dire que les gens commencent à devenir tendus et agressifs vis-à-vis des personnels des CPAS. Des flux importants vont déferler. Ils se retrouveront sans filet, avec pour conséquence des tension sociales motivées par la détresse. Je trouve que c'est trop facile. Il était possible de trouver un modus vivendi , au moins, pour accompagner ces gens au préalable, et non dans l'urgence. L'objectif de cette réforme est d'agir vite en disant que tout le monde retrouvera du travail, alors que c'est complètement faux. Ce n'est pas vrai! Je vous ai demandé, dans une question ultérieure, combien d'emplois vous aviez créés. Vous ne pourrez pas me répondre. Je trouve cela quand même un peu aberrant de la part d'un ministre du Travail.
De recorduitval bij ambtenaren wegens ziekte
De toenemende uitval van federale ambtenaren
De steeds hogere uitval wegens ziekte van federale ambtenaren
De stijging van het aantal burn-outs en de stressgerelateerde uitval bij federale ambtenaren
De stijging van het ziekteverzuim en van burn-outs bij federale ambtenaren
Burn-outpreventie en de aanpak voor meer welzijn en minder ziekteverzuim bij de federale overheid
Ziekteverzuim, burn-outs en welzijn bij federale ambtenaren
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 3 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vanessa Matz erkent dat 43,7% van het ziekteverzuim bij federale ambtenaren psychisch gerelateerd is—een record—en wijt dit aan structurele problemen zoals starre hiërarchie, gebrek aan autonomie, werkdruk en slecht leidinggevendschap, verergerd door de nasleep van COVID-19. Ze kondigt verplichte vijfjaarlijkse psychosociale risicoanalyses, verplichte re-integratie-experts per organisatie (2028) en leiderschapstraining voor alle managers (2026) aan, naast uitbreiding van bestaande programma’s zoals Burnout Program en een netwerk van 41 re-integratiecoaches, maar benadrukt dat succes afhangt van betere implementatie en zichtbaarheid van bestaande hulpmiddelen (nu slechts 15-20% benut). Kritische parlementsleden (De Smet, Daenen, Hansez) bevestigen de alarmerende cijfers en prijzen de plannen als "promettend op papier", maar vragen concrete resultaten en harmonisatie tussen administraties; ze wijzen op cultuurproblemen (gebrek aan vertrouwen, late detectie) en dringen aan op versnelde preventie (vroegsignalering, betere communicatie) om langdurig verzuim te voorkomen. Hansez bekritiseert dat slechts 8-15% van de ondersteuningsdiensten (bv. psychologische consulten) daadwerkelijk wordt gebruikt door gebrek aan bekendheid.
Voorzitter:
Mevrouw Demesmaeker en mevrouw Hansez laten zich verontschuldigen omdat ze op dit ogenblik een andere commissievergadering bijwonen.
François De Smet:
Selon le dernier rapport de Medex, le service médical conseil chargé de contrôler les absences dans l’administration, il appert qu’ en 2024, le fonctionnaire fédéral a manqué en moyenne 18,2 jours de travail, la moyenne des absences monte même à 25 jours si l’on considère uniquement le personnel ayant été malade pendant au moins une journée. Seule la période de la pandémie de covid, avec ses quarantaines obligatoires en cas de contamination, a donné lieu à des chiffres d’absence plus élevés.
La part des jours d’absence attribués à des troubles liés au stress et à des maladies psychologiques ne cesse d’augmenter et en 2024, ce chiffre s’élève à 43,7% par rapport à 2015. Les maladies locomotrices, quant à elles, telles que les douleurs dorsales, musculaires, articulaires ou osseuses, diminuent sensiblement, passant de 24,8% à 18,1% sur une période similaire Les maladies respiratoires, les troubles du système nerveux et les cancers complètent le classement. Finalement , les fonctionnaires fédéraux totalisent de 1,5 million de jours d’absence pour maladie, ce qui constitue un record
En proportion du nombre de membres du personnel, exprimé en équivalents temps plein (ETP), l’absentéisme a légèrement baissé, passant de 6,71% à 6,42%. Cette baisse concerne uniquement les absences de courte et moyenne durée. En revanche, l’absentéisme de longue durée, c’est-à-dire les absences de plus d’un an, est en hausse.
Les premières analyses font état d’une structure hiérarchique rigide au sein de la fonction publique et d’une pression sociale accrue qui peuvent influencer de manière significative le bien-être au travail.
En conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:
quelles appréciation donne-t-elle sur ces chiffres qui sont inquiétants tant au niveau du bien être des fonctionnaires que de l’efficience de la gestion de la fonction publique?
quelles mesures entend-elle prendre pour endiguer cet absentéisme qui de conjoncturel pourrait devenir structurel ?
Nele Daenen:
Volgens recente cijfers van de medische dienst Medex kampt bijna één op vijf federale ambtenaren die ziek thuis zijn met psychische of stressgerelateerde problemen. Het aandeel van ziekteverzuim dat te maken heeft met mentale gezondheid, is ondertussen opgelopen tot bijna 44 % van alle ziektedagen, het hoogste cijfer ooit.
Experts, zoals professor Lode Godderis (KU Leuven), wijzen op structurele oorzaken binnen de overheid zelf: een hiërarchische en weinig flexibele werkorganisatie, een mismatch tussen competenties en functies, en een trage re-integratie bij terugkeer na ziekte.
Hoewel u reeds initiatieven hebt genomen, zoals het netwerk van re-integratie-experten, lijkt de mentale druk op de werkvloer van de overheid verder toe te nemen.
Mevrouw de minister,
Hoe verklaart u zelf deze aanhoudende stijging van het mentale ziekteverzuim bij federale ambtenaren, ondanks de lopende welzijnsinitiatieven?
Ziet u in de huidige organisatiecultuur van de federale overheid — met haar hiërarchie en beperkte autonomie — een structurele factor die burn-outs in de hand werkt?
Welke nieuwe maatregelen zult u nemen om de mentale belasting structureel te verminderen, met name op het vlak van werkorganisatie, leidinggevendenopleiding en preventiebeleid?
Hoe zult u ervoor zorgen dat re-integratie na langdurige afwezigheid niet alleen individueel begeleid wordt, maar ook leidt tot een meer flexibele en moderne overheidscultuur, zodat herval wordt voorkomen?
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, selon le dernier rapport de Medex, l'absentéisme dans la fonction publique fédérale a atteint en 2024 un niveau historique avec une moyenne de 18,2 jours d'absence par agent, un niveau comparable à celui qu'on observait lors de la pandémie, au moment le plus fort. Alors, si une part importante des agents n'a connu aucune absence, la tendance globale traduit néanmoins une hausse préoccupante des maladies de longue durée.
Le rapport souligne une évolution majeure, à savoir la forte progression des affections psychologiques qui représentent aujourd'hui près de 44 % des jours d'absence contre environ un tiers il y a 10 ans. Le stress, la dépression et le burn-out constituent aujourd'hui les principales causes d'arrêt de travail. Cette évolution confirme la conviction des Engagés que la souffrance mentale au travail est devenue un enjeu central de santé publique et un défi organisationnel majeur.
Je tiens à saluer votre engagement constant pour faire de la fonction publique un employeur responsable et attentif au bien-être de ses agents. Sous votre impulsion, plusieurs mesures importantes ont été initiées via Empreva: formation à la résilience, accompagnement des managers, nouvelles démarches de prévention et création d'un réseau d'experts en réintégration destiné à soutenir le retour progressif des agents après une absence prolongée. Ces initiatives vont clairement dans le bon sens, mais la situation montre qu'il faut poursuivre et renforcer les efforts engagés.
Madame la ministre, comment votre ministère entend-il consolider encore la prévention primaire du stress et du burn-out, alors que les risques psychosociaux représentent désormais la première cause d'incapacité dans la fonction publique fédérale? Une réflexion est à mener sur la prévention secondaire dans la continuité du projet Reborn, afin d'assurer un suivi précoce des agents fragilisés avant qu'ils ne soient en incapacité de travail de longue durée et d'éviter que les absences de moyenne durée ne se transforment en burn-out chroniques.
Une question qu'on m'a déjà posée dans les institutions publiques est de savoir si les plans de bien-être au travail sont suffisamment harmonisés entre les différentes administrations pour garantir une approche cohérente et réellement efficace? Enfin, pourriez-vous préciser le calendrier de déploiement du réseau d'experts en réintégration et les moyens qui leur seront alloués pour assurer un accompagnement solide et équitable des agents de retour au travail?
Vanessa Matz:
Als minister van Ambtenarenzaken hecht ik bijzonder veel aandacht aan mentaal welzijn en welzijn op het werk. Het recentste Medexrapport bevestigt dat het aantal afwezigheden om psychische redenen of stressgerelateerde oorzaken blijft stijgen.
Elles représentent désormais 43,7 % de l'ensemble des jours d'absence, soit le chiffre le plus élevé jamais enregistré. Les causes sont souvent multiples, entre charge émotionnelle, perte de sens et autonomie, charge de travail, exigences administratives et facteurs individuels, et varient d'une organisation à l'autre et d'une personne à l'autre.
Het is bovendien geen fenomeen dat beperkt blijft tot België of de overheid. De situatie is wereldwijd verslechterd sinds de COVID-19-pandemie.
Face à ce constat, dès 2022, le gouvernement a lancé le plan Bien-être mental au travail (BEMAT), qui constitue un cadre de référence pour la prévention, la détection et la réintégration dans l'administration fédérale. Je tiens aussi à rappeler cet élément important, qui est que chaque employeur et chaque organisation fédérale a la responsabilité de veiller au bien-être des membres de son personnel.
De FOD BOSA stelt heel wat hulpmiddelen ter beschikking, maar organisaties moeten deze ten volle benutten en zichtbaar en beschikbaar maken voor hun medewerkers. Uit de ReBornstudie blijkt dat 61 % van de bevraagde medewerkers met een burn-outverleden nooit gebruik heeft gemaakt van de bestaande instrumenten als gevolg van een gebrek aan informatie of vertrouwen.
L'étude ReBorn visait précisément à identifier des recommandations pour prévenir l'absentéisme lié au burn-out, accélérer les interventions lorsque des signaux apparaissent et garantir une réintégration durable après une absence prolongée. C'est surtout dans ces deux derniers domaines, la prévention secondaire et tertiaire, que des efforts supplémentaires sont attendus.
De FOD BOSA heeft mij deze maand het eindrapport bezorgd. Ik zal de aanbevelingen analyseren en een aanvullend actieplan voorstellen dat de maatregelen zal versterken die ik nu al uitvoer.
Ten eerste benadruk ik de verplichting voor elke federale organisatie om elke vijf jaar een volledige analyse van de psychosociale risico’s uit te voeren, gekoppeld aan een verplicht actieplan. Dat actieplan moet maatregelen bevatten rond autonomie, werkdruk en werkorganisatie, wanneer die factoren als risico’s worden geïdentificeerd.
Le SPF BOSA accompagnera activement les services dans la mise en œuvre et l'évaluation de ces plans. D'ici 2028, chaque organisation fédérale devra aussi disposer d'au moins un expert en réintégration. Je travaille sur une circulaire pour rendre cette exigence concrètement applicable aux organisations fédérales.
Le rôle des responsables hiérarchiques est également central. Les études confirment que le leadership influence directement la prévention du burn-out, la détection précoce et la qualité de la réintégration. C'est pourquoi je veux qu'avant fin 2026, chaque manager ait suivi une formation au leadership de soutien.
Die opleiding, gebaseerd op vertrouwen, dialoog en erkenning, komt bovenop een ambitieus vormingsaanbod dat al beschikbaar is voor alle medewerkers. Vroeg ingrijpen is essentieel. Het federale Administration Burnout Program heeft zijn effectiviteit aangetoond in het verminderen van stress-, depressie- en burn-outsymptomen. Ik zal concrete maatregelen voorstellen om het gebruik ervan te verhogen en de toegankelijkheid te verbeteren.
Finalement, je veux instaurer au sein de l'administration fédérale une politique de réintégration véritablement durable. Pour cela, un réseau de 41 coaches spécialisés est pleinement mobilisé pour accompagner les reprises progressives. Des experts en réintégration obligatoire dans chaque organisation devront assurer un suivi individuel et structurel.
Het verminderen van het aantal afwezigheden door burn-out is een van mijn doelstellingen. Het is ambitieus, maar we moeten ook realistisch zijn en erkennen dat er veel factoren meespelen en ik wil in de nodige middelen voorzien om dit te realiseren.
François De Smet:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous ne pouvons pas dire que vous ne faites rien. J'entends tout ce qui est mis en place. Nous en ferons avec vous le suivi.
Il n’empêche que 43 % d'absences pour des raisons psychosociales et de stress dans la fonction publique, c'est énorme. C'est considérable, d'autant que ce milieu professionnel a théoriquement pour lui l'avantage d'une certaine stabilité, d'une certaine sécurité d'emploi – même si elle n'est pas absolue. Cela veut donc dire que le manque de sens ou les difficultés managériales au sein de la fonction publique sont beaucoup plus grandes que ce que je pouvais soupçonner.
Les plans que vous mettez en place, objectivement, sur le papier, sont prometteurs et attrayants. Nous espérons que les résultats suivront, et nous vous interrogerons le moment venu. Nous ne pouvons, en toute honnêteté, que vous encourager pour le moment.
Nele Daenen:
Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw toelichting.
Het is inderdaad, zoals mijn collega al gezegd heeft, een zeer ambitieus plan dat u voor de toekomst voorziet. Er moet echt iets worden gedaan, want 44 % burn-out of uitval is aanzienlijk. Het re-integratietraject dat u voorziet, met de 41 coaches die u zult aanstellen, zal heel belangrijk zijn om federale ambtenaren te kunnen re-integreren. Voor veel mensen die met een burn-out uitvallen, is het immers niet evident om weer aan het werk te gaan. Ik hoop dat u slaagt in uw plan van aanpak. We zullen dat met Vooruit verder opvolgen.
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, je vous remercie de vos réponses. Plusieurs mesures sont donc prises pour prévenir la souffrance, soutenir les agents et construire une fonction publique plus humaine et exemplaire. Pour avoir participé au projet ReBorn et en avoir été l'un des promoteurs, je pense que plusieurs actions sont prises dans l'administration publique pour accompagner les agents. Comme vous l'avez dit, leur visibilité est insuffisante: hormis le suivi par un médecin du travail, par un service externe ou par Empreva, on constate que ce service est utilisé à hauteur de 15 %. BOSA rembourse, pour sa part, les consultations psychologiques, lesquelles sont utilisées à hauteur de 8 %. Une plus grande visibilité serait donc bénéfique dans la prise en charge des incapacités de travail.
De deal met Marokko
Een vernieuwd partnerschap met Marokko
Consulaire bijstand in Marokko
Samenwerking en consulaire ondersteuning met Marokko
Gesteld door
VB
Britt Huybrechts
Les Engagés
Benoît Lutgen
Les Engagés
Pierre Kompany
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Maxime Prévot bevestigde een nieuwe politieke verklaring met Marokko (23/10), gericht op versnelde terugkeer van illegale criminelen, versterkte veiligheids- en migratiesamenwerking (o.a. gestroomlijnde administratie, strijd tegen georganiseerde misdaad) en economische banden, zonder directe budgettaire impact. Hij schaarde België achter het Marokkaanse autonomieplan voor Westelijke Sahara als "meest realistische oplossing" (UN-resoluties) en kondigde diplomatieke/economische stappen (o.a. ambassadeursbezoek, missies) en consulaire bijstand in de regio aan – ook voor binationalen. Britt Huybrechts (kritisch) noemde eerdere akkoorden "dode letter" en eiste concrete resultaten (remigratie, gevangenisoverbevolking), dreigend met ontwikkelingshulp als drukmiddel als Marokko tekortschiet. Benoît Lutgen (cdH) en Pierre Kompany juichten de "versterkte banden" (o.a. staatsbezoek 2026, economische as) en Sahara-standpunt toe als "juiste, evenwichtige koers".
Britt Huybrechts:
Onlangs raakte bekend dat u een nieuw akkoord heeft afgesloten met het Koninkrijk Marokko om meer illegale criminelen die zich in ons land bevinden, effectief terug te sturen. Volgens berichten in de pers zou dit akkoord deel uitmaken van een ruimer diplomatiek pakket, waarbij België in ruil voor Marokkaanse medewerking steun verleent aan het Marokkaanse plan inzake de Westelijke Sahara.
Terugkeerakkoorden zijn nochtans geen nieuw gegeven: ook in het verleden werden met Marokko al afspraken gemaakt, maar die bleken weinig doeltreffend. Uit de cijfers blijkt immers dat de Dienst Vreemdelingenzaken in de eerste helft van dit jaar slechts 717 veroordeelde criminelen heeft kunnen terugsturen, waarvan 147 naar Marokko.
Daarom heb ik volgende vragen voor u:
1. Kunt u toelichten wat precies de inhoud is van het nieuwe akkoord met Marokko?
Gaat het om een bindende overeenkomst, een intentieverklaring of een bilaterale samenwerking op administratief niveau?
2. Wanneer zal dit akkoord concreet in werking treden en welke praktische afspraken zijn gemaakt om de uitvoering te versnellen?
3. Wat is de financiële impact van dit akkoord?
Werd er financiële of logistieke steun toegezegd aan Marokko in ruil voor de medewerking aan terugkeeroperaties?
Indien ja, om welke bedragen gaat het en onder welke budgetlijn worden deze gedekt?
4. Tot wanneer geldt dit akkoord?
Is er sprake van een vaste looptijd of automatische verlenging?
5. Welke concrete doelstellingen of quota werden afgesproken met de Marokkaanse autoriteiten?
Hoeveel illegale criminelen verwacht u dankzij dit akkoord jaarlijks te kunnen terugsturen naar Marokko?
6. Hoe zal u de opvolging van dit akkoord verzekeren, en op welke wijze zal het parlement hierover geïnformeerd worden?
Benoît Lutgen:
Monsieur le ministre, la Belgique et le Maroc, ainsi que leurs souverains respectifs, entretiennent des liens forts et des relations privilégiées depuis plusieurs générations. L'importante communauté belgo-marocaine présente dans notre pays fait vivre quotidiennement ces relations, tout comme les nombreux Belges qui résident au Maroc. Il s'agit d'un pays ami, qui mérite toute l'attention de notre action diplomatique pour investir toujours davantage dans ces relations. Il s'agit donc d'un pays fiable avec lequel nous entretenons de magnifiques rapports. Je me réjouis dès lors que vous ayez signé avec votre homologue marocain, le 23 octobre dernier, "animés par la volonté d'approfondir les relations d'amitié et de coopération entre les deux pays", une Déclaration conjointe.et je vous en félicite.
Monsieur le ministre, en quoi cette Déclaration consiste-t-elle exactement? Que contient-elle? Quels en sont les résultats concrets? Comment la position de la Belgique a-t-elle évolué au sujet de la question du Sahara occidental? Enfin, quel suivi est-il prévu de donner à cette Déclaration?
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, je parlerai de l'assistance consulaire au Maroc.
Nombre de nos ressortissants se rendent chaque année au Maroc. Pour nombre d'entre eux, la déclaration conjointe que vous avez signée avec votre homologue marocain, comme le disait mon collègue Benoît Lutgen, le 23 octobre dernier, n'est pas passé inaperçue. Elle a été accueillie très positivement.
Vous faites preuve d'une position plus volontaire à l'égard de la question du Sahara occidental. La déclaration est cependant muette quant à la possibilité pour nos ressortissants de faire appel à l'assistance consulaire depuis cette région. Monsieur le ministre, qu'en est-il de l'assistance consulaire aux Belges au Sahara occidental? Les ressortissants binationaux, belgo-marocains, peuvent-ils faire appel à l'assistance consulaire? Je vous remercie.
Maxime Prévot:
Geachte leden, op 23 oktober jongstleden had ik een ontmoeting met mijn Marokkaanse homoloog, minister Nasser Bourita. Bij die gelegenheid hebben we een politiek akkoord ondertekend dat gericht is op het versterken van de samenwerking tussen België en Marokko op tal van domeinen.
Het akkoord vormt een nieuwe belangrijke stap in een strategisch partnerschap gebaseerd op diepe menselijke, culturele en economische banden, mede dankzij de aanwezigheid van een grote Belgisch-Marokkaanse gemeenschap die dagelijks bijdraagt aan de toenadering tussen beide samenlevingen. Dit akkoord heeft de vorm van een gemeenschappelijke politieke verklaring over onze bredere bilaterale politieke en economische betrekkingen, met een administratieve annex inzake een versterkte samenwerking op het gebied van veiligheid, migratie en justitie.
Het akkoord voorziet onder meer in de oprichting van een bredere veiligheidsdialoog, de modernisering van de justitiële samenwerking via de herziening van het bilaterale verdrag inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, operationele samenwerking in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en het witwassen van inkomsten uit criminele activiteiten en een versterking van de migratiesamenwerking om de procedures voor terugname te vergemakkelijken.
L'objectif de cet accord, qui n'a pas d'impact budgétaire direct, est bel et bien d'approfondir la coopération bilatérale avec des résultats concrets et mesurables.
Concrètement, cela signifie notamment clarifier les processus administratifs avec des délais précis et établir des canaux efficaces pour l'échange de dossiers dans le domaine du crime organisé international ou du retour de personnes en situation irrégulière par exemple. Cela signifie également d'explorer plus en avant les nombreuses opportunités économiques qui s'offrent à nos entreprises au Maroc et inversement. Outre une consultation régulière avec mon homologue, l'accord prévoit un suivi étroit qui est d'ores et déjà en cours au niveau des administrations et un calendrier précis pour son exécution avec de brèves échéances. Les engagements pris le sont sans limite dans le temps et en ce qui concerne les statistiques des premiers résultats, je vous invite à vous adresser à mes collègues de la Justice et de l'Asile et de la Migration.
Il est prévu que plusieurs de mes collègues et moi-même, probablement sous la présidence du premier ministre dans une approche whole-of-government , nous nous rendions au Maroc au printemps prochain afin de faire le point sur la mise en œuvre de ce protocole. Je tiendrai volontiers cette commission informée.
C'est aussi pour célébrer les relations belgo-marocaines que nous travaillons à l'organisation dans le courant de cette législature d'une visite d'État, une visite de haut niveau avec présence royale au Maroc.
Plus fondamentalement, j'ai fait le choix d'envoyer un signal fort à nos amis marocains à propos du Sahara occidental.
C'est conscient de l'importance existentielle de la question du Sahara occidental pour le Maroc que j'ai décidé d'adopter une approche plus volontariste de la question en déclarant que l'initiative marocaine pour la négociation d'un statut d'autonomie de la région du Sahara, présentée en 2007 et qui prévoit que cette région s'inscrive dans le cadre de la souveraineté du Royaume du Maroc et de son unité nationale, constitue désormais pour la Belgique la base la plus adéquate, sérieuse, crédible et réaliste pour parvenir à une solution politique qui soit juste, durable et mutuellement acceptable par les parties, conformément aux résolutions du Conseil de sécurité des Nations Unies.
J'ai ajouté avec conviction que la Belgique agirait désormais, sur les plans diplomatiques et économiques, en phase avec cette position, toujours dans le respect du droit international. C'est pourquoi j'inviterai notre ambassadeur à Rabat à effectuer très prochainement une visite dans la région. Il s'agira notamment d'y préparer ou de soutenir plusieurs initiatives de nature économique, comme la visite d'entreprises belges, l'organisation de fora économiques en Belgique ou au Maroc, ou encore l'organisation d'une mission économique des trois agences régionales dans la région. Je veillerai ainsi, dans les semaines et mois qui viennent, à donner pleinement corps aux engagements pris par la Belgique.
Monsieur Kompany, sachez que le consulat général de Belgique à Rabat est compétent pour le Royaume du Maroc, sans distinction régionale, y compris donc pour le Sahara occidental. Les quelques Belges qui résident dans la région du Sahara occidental sont inscrits à Rabat et y bénéficient des services consulaires. L'assistance consulaire est par ailleurs offerte aux Belges de passage dans la région. En ce qui concerne les binationaux, le Code consulaire, en son article 79, prévoit explicitement, je cite, que "les Belges qui possèdent aussi la nationalité de l'État dans lequel l'assistance consulaire est demandée peuvent également prétendre à l'assistance consulaire, sauf lorsque le consentement des autorités locales est requis."
Britt Huybrechts:
Mijnheer de minister, elke stap die de terugkeer van illegale criminelen naar hun land van herkomst kan versnellen, moeten we uiteraard toejuichen, maar de vele akkoorden die we in het verleden hebben gesloten, zijn vaak dode letter gebleven. Daarom hoop ik oprecht dat het nieuwe akkoord niet op dezelfde stapel van goedbedoelde intenties belandt die nooit iets opleveren. De Vlaming verwacht immers resultaten. Er moet zo snel mogelijk werk worden gemaakt van de remigratie van illegalen en criminele Marokkanen. Dat is niet alleen noodzakelijk voor onze veiligheid, maar ook voor de aanpak van de overbevolking in de Belgische gevangenissen. De Marokkaanse gevangenen behoren vandaag immers tot de top drie van alle nationaliteiten in die gevangenissen.
Als ten slotte zou blijken, mijnheer de minister, dat dit akkoord opnieuw beperkt blijft tot papieren symboliek, omdat Marokko zijn engagementen niet nakomt, dan mag het voor België geen gratis verhaal zijn. Ons land geeft Marokko jaarlijks een aanzienlijk bedrag als ontwikkelingshulp. Ik verwacht dan ook dat u dat instrument zult – en durft te –gebruiken als hefboom om de naleving van het akkoord af te dwingen, want als Marokko dat niet wil, moet u het ertoe dwingen.
Benoît Lutgen:
Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.
Je ne peux que me réjouir que l'année 2026 verra encore s'intensifier les relations déjà solides entre la Belgique et le Maroc, à travers un programme riche comprenant notamment une visite royale. Je pense aussi à l'élaboration de l'axe économique avec les entreprises concernées. Je ne peux que m'en réjouir évidemment, car c'est essentiel pour le développement des relations économiques entre nos deux pays.
S'agissant du Sahara occidental, j'entends votre volontarisme qui me réjouit, s'inscrivant dans une approche juste, durable et mutuellement acceptable. Nous ne pouvons qu'y souscrire. Ce dossier nous occupe depuis plusieurs années, sans que nous puissions en régler les contours. Je ne souhaite qu'une chose, aller dans ce sens.
En tout cas, merci pour les différentes précisions et pour le solide programme qui sera développé l'année prochaine entre nos deux pays. C'est important, aussi bien pour la communauté belge présente au Maroc qu'à l'inverse, pour la communauté marocaine présente dans notre pays.
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, tous les signaux sont au vert pour une relation amicale et respectueuse entre nos deux pays. J'entends que cette visite royale va encore renforcer tout ce que vous êtes en train d'accomplir et qui va mettre en lumière la volonté de la Belgique d'aller de l'avant avec le Maroc. Que dire encore, si ce n'est qu'il faut poursuivre votre travail. Je sais que cela doit être épuisant. Au risque de me répéter, vous êtes le porte-parole de la Belgique tout entière. Les Congolais le répètent encore: vous êtes la voix autorisée de ce pays. Je vous remercie.
De in 2025 aan de OCMW's toegekende bedragen n.a.v. de hervorming van de werkloosheidsreglementering
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 20 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anne Pirson dringt aan op de onmiddellijke vrijgave van 26 miljoen euro voor CPAS in 2025, essentieel voor hun vertrouwen in de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen, en kritiseert het uitblijven van concrete actie ondanks eerdere toezeggingen. Minister Van Bossuyt bevestigt dat het geld technisch klaar ligt, maar wacht op een budgettaire overdracht (via controle 26/11) en parlementaire goedkeuring, met betaling direct daarna; de verdeling per CPAS is al bekendgemaakt. Pirson benadrukt dat snelheid cruciaal is om geloven in toekomstige compensaties (300 miljoen vanaf 2026) te behouden en gemeentelijke onzekerheid weg te nemen. Kernpunt: vertraging ondermijnt de geloofwaardigheid van de hervorming.
Anne Pirson:
Madame la ministre, je vais être directe. Si vous voulez avoir la confiance des citoyens de ce pays, vous devez tenir votre parole. Encore la semaine dernière, dans ce Parlement, on a assumé pleinement la réforme du chômage, parce qu'on la croit juste et responsabilisante. Mais une réforme, même la meilleure, ne tient pas debout si les fondations manquent. Aujourd'hui, il manque une brique essentielle à cette réforme, qui est un gage de bonne foi pour nous: les 26 millions prévus pour les CPAS pour 2025.
Alors, on peut difficilement parler de 2026 quand rien n'arrive pour 2025. On peut difficilement parler de la compensation de 300 millions d'euros pour 2026, quand 26 millions pour 2025 semblent rester coincés. Pour nous, cet argent n'est pas un bonus mais un réel engagement envers les pouvoirs locaux. Un engagement ne se reporte pas de semaine en semaine; vraiment, ça s'exécute.
Madame la ministre, les communes n'ont pas besoin de grands discours. Elles demandent simplement du concret, de la clarté. Elles veulent le signal que le fédéral avance à la même vitesse que les obligations qu'il crée parce que, "bientôt", cela ne rassure pas; "bientôt", cela ne finance rien; "bientôt", cela ne coupe pas l'opposition qui est en train d'instrumentaliser la population contre les réformes de ce gouvernement. Ce qui rassure, madame la ministre, c'est un mail qui donne des informations précises, un courrier ou encore des montants versés sur un compte.
Madame la ministre, quand les 26 millions seront-ils libérés? Quand les communes recevront-elles la ventilation officielle, CPAS par CPAS?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Pirson, je sais que vous êtes d’accord sur le fait qu’il est nécessaire de limiter les allocations de chômage dans le temps, vous venez de le réaffirmer.
Le but est de faire sortir les gens du système des prestations sociales. Nous devons mettre un maximum de personnes au travail. Nous savons toutefois qu’une partie de celles et ceux qui perdent leur allocation de chômage se tournera vers les CPAS. C’est pourquoi tant le montant de 26 millions d’euros prévu pour 2025 que le mécanisme de compensation applicable à partir de 2026 sont d'une grande importance dans le cadre du soutien aux CPAS, et en premier lieu à leurs collaborateurs.
L’arrêté royal visant à répartir les 26 millions d’euros entre les CPAS et à verser effectivement ce montant est prêt depuis longtemps. Comme je l’ai déjà expliqué à maintes reprises en commission – et encore la semaine dernière ici en plénière –, ces fonds doivent faire l’objet d’un transfert de crédits du ministre de l’Emploi – plus précisément de son administration, à savoir l’ONEM – vers mon administration – à savoir le SPP Intégration sociale. Le transfert des fonds aura lieu lors du contrôle budgétaire 2025. Le 26 novembre – la semaine prochaine –, ce contrôle budgétaire sera inscrit à l’ordre du jour de la commission des Finances, après quoi il devra encore être approuvé en séance plénière.
Mes services mettront tout en œuvre pour payer les CPAS au plus vite dès l’approbation définitive par le Parlement. Mon cabinet en a informé les fédérations des CPAS.
Les montants par CPAS ont déjà été communiqués il y a plusieurs semaines.
Dès que toutes les décisions finales auront été prises, nous les communiquerons dans le bulletin d'information de mon administration et dans la presse.
Anne Pirson:
Je vous remercie, madame la ministre, pour ces informations ainsi que pour ce calendrier. Je me permets d’insister à nouveau sur le fait que les communes ont besoin, non pas seulement de bonnes intentions, mais de certitudes. Nous sommes déjà le 20 novembre et le 31 décembre arrivera donc très vite. Plus rapidement l’argent sera versé, plus les communes seront rassurées. La crédibilité des compensations futures sera ainsi assurée. C’est vraiment important pour nous.
De begrotingsdeadlines en de voorlopige twaalfden
De voorlopige twaalfden
De kalender voor de financiewet en de voorlopige kredieten
De gevolgen van de voorlopige twaalfden
De voorlopige twaalfden
De OCMW’s en de leeflonen onder de voorlopige twaalfden
Financiële planning, voorlopige twaalfden en budgettaire gevolgen
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De regering-De Wever faalt in het tijdig indienen van een volwaardige begroting 2026 en schakelt over op voorlopige twaalfden voor januari-maart 2026, wat uitgaven bevriest op 2025-niveau en nieuw beleid (zoals de pensioenhervorming en OCMW-financiering) uitstelt. Minister Van Peteghem bevestigt dat de impact op tekort (1-2 miljard euro) en schuldgraad beperkt blijft volgens het Monitoringcomité, maar concrete cijfers ontbreken, terwijl kritiek klinkt op het gebrek aan transparantie en de structurele budgettaire risico’s (tekort richting 40 miljard in 2029). De OCMW’s krijgen wel 26 miljoen extra in 2025, maar garanties voor 2026 blijven vaag, net als de financiering van 300 miljoen euro aan extra werkloosheidskosten. Een volledige begroting wordt uiterlijk begin april 2026 verwacht, maar de haalbaarheid ervan blijft onzeker door vertraagde onderhandelingen.
Wouter Vermeersch:
Mevrouw de voorzitster, volgens de minister van Begroting zit er zeker een maand tussen de indiening van het wetsontwerp met betrekking tot de goedkeuring van de voorlopige kredieten en de uiteindelijke beslissing in de Kamer. Op de voorlopige agenda van onze commissie voor Financiën staat de behandeling van het ontwerp van de financiewet momenteel op 2 of 3 december geagendeerd. Wat acht de minister de uiterste datum voor de indiening van de financiewet? Wanneer beoogt de minister het ontwerp van financiewet precies in de Kamer in te dienen?
De regering-De Wever haalde de deadline voor een begrotingsakkoord voor 2026 en de komende jaren niet. Dat betekent dat er alvast enkele maanden met het systeem van voorlopige twaalfden zal worden gewerkt, ongezien voor een regering met volle bevoegdheid uiteraard. Voor hoeveel twaalfden, dus voor welke maanden, beoogt de regering voorlopige kredieten te openen? Ik schat het eerste kwartaal van 2026. Kunt u dat bevestigen?
In het beginsel blijven de uitgaven onder voorlopige twaalfden op het niveau van 2025. Eerder besliste regeringsmaatregelen zullen niet kunnen aanvangen op 1 januari 2026 en worden uitgesteld, tenzij men natuurlijk begrotingswijzigingen doorvoert. Wat is de geschatte budgettaire impact van de voorlopige twaalfden op het tekort van 2026 en op de schuldgraad in 2026? Ik hoorde mevrouw Bertrand, voormalig staatssecretaris van Begroting, een bedrag noemen van 1,2 miljard euro.
De voorzitter van de MR zei dat die voorlopige twaalfden niet zo erg zijn. Mijnheer de minister, kunt u zich vinden in die vaststelling?
Dan heb ik nog een vraag over de OCMW's en de leeflonen onder de voorlopige twaalfden.
Minister Van Bossuyt verklaarde afgelopen donderdag tijdens het vragenuurtje in de plenaire vergadering dat er bij de begrotingscontrole 2025 een overzetting zou gebeuren van de kredieten van minister Clarinval naar minister Van Bossuyt met het oog op het beschikbaar stellen van 26 miljoen euro aan bijkomende middelen voor de OCMW's in 2025.
Tegelijkertijd was er discussie over de mogelijkheid om de verwachte extra stroom van langdurig werklozen naar de OCMW's op te vangen en te financieren onder het regime van voorlopige twaalfden. Hierover zei de minister het volgende: "Zoals u weet, kunnen nieuwe of verhoogde uitgaven niet automatisch worden uitgevoerd onder de voorlopige twaalfden, zelfs wanneer de wet goedgekeurd is. Daarvoor moeten de nodige kredieten expliciet worden vrijgemaakt. Net daarom bereidt mijn administratie momenteel een dossier voor om te garanderen dat aan de wettelijke verplichtingen kan worden voldaan. Op die manier verzekeren wij dus dat de desbetreffende kredietlijnen voldoende aangezuiverd zullen worden, zodat er geen betaalproblemen zullen zijn van de POD MI naar de OCMW's bij het begin van 2026".
In het behandelde wetsontwerp inzake de begrotingsaanpassing zijn de volgende wijzigingen aan de kredieten van de OCMW's terug te vinden. De toelagen aan de OCMW's worden via een basisallocatie verhoogd met respectievelijk 56 en 6,3 miljoen euro. Volgens de toelichting zitten hierin zowel middelen vervat die bedoeld zijn voor het opvangen van de leeflonen en de extra werklast bij de OCMW's, alsook ter dekking van de eerder genoemde 26 miljoen euro die reeds in 2025 nodig zou zijn.
Mijnheer de minister, kunt u toelichten met betrekking tot hoeveel twaalfden de voorlopige twaalfden geopend zullen worden? Kunt u toelichten welke kredietverschuivingen er concreet verricht zijn ter financiering van de bijkomende 26 miljoen euro? Kunt u toelichten in hoeverre de budgetverhogingen van de OCMW's zullen volstaan om de door de regering verwachte 300 miljoen euro aan extra uitgaven ten gevolge van de beperking van de werkloosheid in de tijd te dekken? Kunt u toelichten hoeveel extra budget er momenteel per twaalfde beschikbaar is om die uitgaven te dekken? Tot slot, kunt u toelichten op welke wijze bijkomende kredieten zouden kunnen worden vrijgemaakt onder voorlopige twaalfden, daar er in beginsel geen nieuw beleid gefinancierd kan worden?
Uit besprekingen in de commissie is duidelijk geworden dat de begrotingsdiensten eigenlijk 12 weken nodig hebben voor de opmaak van een nieuwe, volwaardige begroting. Uit berichtgeving in de media bleek dat de onderhandelingen niet vlot lopen. Dat is ondertussen bevestigd. Naast het uitstellen van de verklaring van de regering op de tweede dinsdag van oktober en de indiening van het ontwerpbegrotingsplan voor 2026 aan de Europese Commissie, rijst de vraag naar de haalbaarheid van een volwaardige begroting voor 2026. Die vraag blijft natuurlijk overeind, zelfs als we Kerstmis als nieuwe richtdatum nemen. Uit verschillende hoeken kwam immers het signaal dat de regering er allicht niet in zal slagen tijdig de begrotingstabel in te dienen. Dat is ook zo gebleken.
Wanneer beoogt de regering haar begrotingstabellen met de Kamer te delen?
Wanneer beoogt de regering een volwaardige begroting voor 2026 in te dienen? Zal dat vanaf 1 april zijn, dus na het eerste kwartaal van volgend jaar?
Kunt u toelichten wat naar uw mening de laatst mogelijke datum is om een volwaardige begroting in te dienen om die nog goedgekeurd te krijgen voor 1 april 2026?
Wanneer zal de regering overwegen over te schakelen op voorlopige twaalfden? Ondertussen heeft ze dat uiteraard gedaan.
Wat zou volgens u de budgettaire impact van die overschakeling zijn?
Frédéric Daerden:
Monsieur le vice-premier ministre et ministre du Budget, j'ai vraiment le sentiment que cet après-midi, toutes les questions se recoupent un peu, et que tout cela est très lié.
Suite à l'échec des négociations sur un budget 2026, le premier ministre a annoncé que le budget fonctionnera en douzièmes provisoires pour les premiers mois de l'année 2026. Ceci, moins d'un an après la mise en place du gouvernement.
Ce manque d'anticipation de la part du gouvernement entraîne plusieurs conséquences en matière de recettes, de dépenses, de dettes, mais limite aussi la capacité du gouvernement à soutenir un ensemble de secteurs, et plus généralement l'activité économique.
Monsieur le ministre, quel est l'impact d'une première tranche de douzièmes provisoires sur les recettes et les dépenses de 2026? Quel serait l'impact pour une année entière, si jamais cela devait perdurer? Quel est l'impact d'une première tranche et d'une année entière sur notre dette et nos charges d'intérêt? C'est évidemment un élément important.
Quel est l'impact de ces douzièmes provisoires concernant la trajectoire pluriannuelle, les réformes et économies annoncées par ce gouvernement en matière de santé, de pensions et d'enveloppe bien-être?
Étant donné la situation actuelle, comment adapterez-vous votre méthode et le calendrier budgétaire pour éviter une telle situation dans les années à venir?
Sofie Merckx:
Mijnheer de minister, nu willen we allemaal weten wat de gevolgen zijn voor de kalender, nu er is aangekondigd dat u met voorlopige twaalfden gaat werken. Dat is inderdaad uitzonderlijk.
Kunt u iets zeggen over de geschatte maandelijks impact van de voorlopige twaalfden op het begrotingstekort? Kunt u de kalender al meedelen? Wanneer zult u de teksten neerleggen? Wanneer kunnen we het advies van het Rekenhof verwachten? Voor hoeveel maanden zult u voorlopige twaalfden aanvragen?
Hoe zal de financiering van de OCMW’s worden ingeschreven in de voorlopige twaalfden? Is alles in orde en zijn er nog andere belangrijke uitgaven of inkomsten die zullen worden ingeschreven in de voorlopige twaalfden die geen nieuw beleid vormen, maar mogelijk wel de uitvoering zijn van bepaalde beslissingen?
Daarnaast is er uiteraard de vraag die iedereen zich stelt. Er is niet enkel beslist dat er voorlopige twaalfden worden ingezet, er is ook bevestigd dat andere hervormingen die volgens het regeerakkoord op 1 januari 2026 moesten ingaan niet van start gaan, onder meer de pensioenhervorming. Die beslissing is al bevestigd. Er was een besparing van 410 miljoen ingeschreven op de pensioenen voor 2026. Kunnen we ervan uitgaan dat die 410 miljoen voor het volledige jaar niet zal worden gerealiseerd? Het lijkt mij immers bijzonder vreemd dat een pensioenhervorming bijvoorbeeld in maart nog zou kunnen worden gestemd, aangezien mensen per gewerkt jaar en per aantal gewerkte dagen rechten opbouwen. Kunt u bevestigen dat de pensioenhervorming hoe dan ook wordt uitgesteld tot 1 januari 2027?
Vincent Van Peteghem:
Zoals ik al veelvuldig heb aangegeven, is het gebruik van voorlopige twaalfden natuurlijk slechts een tijdelijk middel om de continuïteit van de openbare dienstverlening te verzekeren. Het is zeker geen wenselijke situatie. Zij die denken dat de voorlopige twaalfden helpen om de uitgaven structureel te verminderen, dwalen. We hopen dan ook op een zo spoedig mogelijk en goed akkoord over de volwaardige meerjarenbegroting, die we dan ook spoedig kunnen neerleggen hier in de Kamer.
Wat de voorlopige twaalfden betreft, beogen we daarbij de kalender te volgen die ook andere jaren werd gehanteerd. De nodige technische voorbereidingen worden momenteel afgerond, wanneer zo snel als mogelijk ook een ontwerp van financiewet voor het begrotingsjaar 2026 zal worden neergelegd. Ik beoog dit dan ook vervolgens begin december in deze commissie te bespreken.
Le calendrier est similaire à celui des années précédentes, où l'on travaillait avec des douzièmes provisoires. Pour rappel, l'année dernière, le dépôt avait eu lieu le 29 novembre, suivi d'une discussion au sein de la commission début décembre et d'un examen en séance plénière le jeudi précédent la trêve de Noël.
En 2013 également, lorsque le gouvernement Di Rupo n'était pas parvenu à présenter à temps un budget complet, la loi de finances avait été présentée le 27 novembre et avait été examinée en commission des Finances début décembre.
In het kader van deze technische voorbereidingen wordt als uitgangspunt de 3/12de van de laatst goedgekeurde begroting genomen. Daarop kunnen onvermijdelijke uitzonderingen worden voorzien. Het betreft dan uitzonderingen die absoluut noodzakelijk zijn, waarvan de wettelijke, reglementaire of bij overeenkomst bepaalde vervaldatum valt in de loop van het eerste trimester van 2026. Of er binnen de financiewet extra middelen aan de OCMW’s ter beschikking moeten worden gesteld, zal ook binnen dat kader geëvalueerd worden.
De exacte impact van de voorlopige twaalfden op het tekort en de schuldgraad kan pas worden bepaald zodra ook de afwijkingen bekend zijn. Zowel het tekort als de schuldgraad zullen echter niet in grote mate afwijken van deze opgenomen in het rapport van het Monitoringcomité van september 2025.
Ik wil ook nog even benadrukken dat zodra de volledige begroting voor 2026 hier is goedgekeurd, wanneer dat ook gebeurt, de begroting volledig van kracht is en de voorlopige twaalfden komen te vervallen. Als de bespreking afgerond is en een akkoord is bereikt en goedgekeurd, dan zal vanaf die datum de volledige begroting van toepassing zijn.
Wouter Vermeersch:
Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, ik noteer drie twaalfden, dus u voorziet al voorlopige twaalfden voor januari, februari en maart. Dat zou het volgende betekenen, aangezien de begrotingscyclus zich moet uitkristalliseren. We weten dat de administratie gemiddeld 12 weken nodig heeft. De parlementaire werking heeft ook enkele weken nodig. We zullen dan een volwaardige begroting hebben op 1 april, tenzij het sneller verloopt. Ik noteer ook uw zin “zo snel als mogelijk”. Ik vermoed dat we deze zin hier vandaag nog vaak zullen horen.
Voorlopige twaalfden bij een regering met volle bevoegdheid, dat is absoluut een rood licht. Dit is een absoluut falen van het begrotingswerk onder uw toeziend oog. U werkt maandenlang op automatische piloot, waarbij uitgaven worden vastgeklikt op het niveau van vorig jaar en nieuw beleid uiteindelijk in de koelkast gaat, omdat er geen middelen voorzien zijn. De gigantische rekening voor dit land tikt ondertussen gewoon verder. Dit gaat gepaard met een zekere kost. U hebt dat bedrag, dat miljardenbedrag, niet meegegeven, tenzij ik slecht heb geluisterd. Wat is nu de concrete impact van zoveel maanden uitstel, tot nu toe drie maanden? Dat is nochtans belangrijk. Deze discussie moet worden gevoerd. Ik had gehoopt dat u deze vraag zou beantwoorden. Wat is de impact? Uw voorganger spreekt van een impact van 1,2 miljard euro, dus een impact tussen 1 en 2 miljard euro.
Regeringspartij MR zegt ondertussen dat dit allemaal niet zo erg is, maar de feiten zeggen iets anders. Het tekort van entiteit 1 loopt richting 40 miljard euro in 2029. Dat is geen geruststelling, maar een absoluut noodscenario. Zonder een sluitend plan zal ook de schuld verder aangroeien. Niet alleen het tekort groeit aan, maar uiteraard ook schuld, die daaraan vasthangt. Uw eigen cijfers, evenals die van andere instellingen, bevestigen dit.
Ondertussen houdt u alle opties open voor nieuwe belastingen: een btw-verhoging, meerwaardebelasting, een mogelijke miljonairstaks en zelfs de term defensiebelasting circuleert binnen uw regering.
Er zijn geen taboes. Als u maanden met voorlopige twaalfden gaat werken, dan willen wij dat daarover duidelijkheid komt. Voorlopige twaalfden zijn immers geen beleid. Men koopt er louter tijd mee, op kap van de belastingbetaler.
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
Je comprends vos références antérieures. Chaque contexte est évidemment différent. Il faudra être attentif.
Je pense que la situation est préoccupante et ne partage pas votre forme d'optimisme. Les délais, le manque d'anticipation et la légèreté avec laquelle le gouvernement gère le budget – vous n'êtes bien entendu pas le seul responsable – sont alarmants. Je m'en tiendrai là à ce stade.
Sofie Merckx:
Mijnheer de minister, we kunnen u niet verplichten om te antwoorden op de gestelde vragen, maar ik stel toch vast dat uw antwoorden zeer summier waren, hoewel toch al meer dan twee weken bekend is dat we op voorlopige twaalfden overgaan. U zou dus al een vrij goed idee van de budgettaire impact daarvan moeten hebben. Het is vreemd dat u zegt dat u dat wel zult bekijken wanneer het moment zich aandient. Normaal gesproken zou u daarover vandaag al enige informatie moeten hebben. Ook inzake de OCMW's zegt u alleen dat dat zal worden ingeschreven of bekeken. Er bestaat veel ongerustheid in dat verband. Daarom had ik verwacht dat u de lokale besturen, die u belangrijk vindt, toch enigszins de geruststelling zou geven dat zij de nodige middelen zullen ontvangen, gelet op het feit dat de maatregelen inzake de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op 1 januari ingaan. Ook over de pensioenhervorming had ik graag een antwoord ontvangen. We weten nu dat die niet op 1 januari ingaat, maar wordt die hervorming bijgevolg met een jaar uitgesteld? Daarop had ik ook graag het antwoord vernomen, en ik overigens niet alleen, want veel burgers vragen zich momenteel af of zij op pensioen kunnen gaan en hoe het nu zit met de datum in MyPension. Wordt die hervorming al dan niet met een jaar uitgesteld? U hebt zelf in Terzake gezegd dat een invoering met terugwerkende kracht niet mogelijk is. Dat is al zeker. Kunnen wij er daarom van uitgaan dat de invoering wordt uitgesteld? Ook de regeling inzake de meerwaardebelasting moest voor 1 januari worden goedgekeurd. Ik denk dat u ook enkele berekeningen over de begrotingskosten van dat uitstel had kunnen meegeven. We kunnen u niet verplichten om te antwoorden, maar wij zullen onze vragen zeker opnieuw indienen.
Energiearmoede
Energiearmoede
Energieonzekerheid en toegankelijkheid
Gesteld door
Gesteld aan
Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de energiearmoede in België (20% van de huishoudens in 2024), waar de PTB prijscontrole voorstelt als oplossing, terwijl de minister bestaande maatregelen (tariefsociale energie, fondsen voor verwarming en schulden) benadrukt en wijst op nuancering van risicocijfers (14,8-19,7% risicogroep vs. werkelijke armoede). D’Amico kaart aan dat Frankrijk met prijscontrole de armoede daalde (van 13,7% naar 10,8%) en eist nieuwe structurele actie, maar de minister belooft enkel verfijning van huidige steun en gerichte analyses zonder concrete prijsmaatregelen.
Roberto D'Amico:
Monsieur le ministre, j'ai lu tout comme vous le rapport du SPF Économie concernant la précarité énergétique, où l'on apprend qu’un ménage sur cinq est exposé au risque de précarité énergétique en 2024. Cela concerne des familles qui peinent à payer leurs factures et à chauffer suffisamment leur logement ou qui consomment moins que leurs besoins essentiels. Pour être plus précis, ce sont 20 % des familles qui sont en précarité énergétique.
Ce chiffre, tout simplement inacceptable dans un pays aussi riche que la Belgique, s’explique notamment par le caractère bien trop élevé des prix de l’énergie et démontre la nécessité du contrôle des prix, que nous proposons avec le PTB.
Monsieur le ministre, quelles mesures structurelles envisagez-vous pour faire baisser les prix de l’énergie et pour lutter contre la précarité énergétique?
Mathieu Bihet:
Monsieur D'Amico, et madame Meunier, une transition énergétique durable et équitable nécessite une attention particulière à la question de la précarité énergétique dont nous avons déjà parlé un certain nombre de fois. Afin de pouvoir élaborer une politique ciblée, il est nécessaire d'identifier les ménages exposés à ce risque accru de précarité énergétique. Nous le faisons sur la base d'indicateurs fixés dans l'arrêté royal du 19 avril 2024. Depuis début 2025, la méthodologie qui sous-tend ces indicateurs est discutée au sein d'un groupe de travail créé par l'Institut interfédéral de Statistique dans le cadre du suivi des sustainable development goals. Il est important de souligner que la publication du SPF Économie porte sur des indicateurs qui mesurent le risque de précarité énergétique et non sur le nombre réel de ménages en situation de précarité énergétique. Il faut le préciser. Parmi ce groupe à risque, on trouve également des personnes qui déclarent ne pas rencontrer de difficultés financières pour joindre les deux bouts. Il convient donc de replacer ce risque dans son contexte. Cela vaut en particulier pour l'indicateur présentant la part la plus élevée, à savoir le groupe de ménages exposés à un risque de précarité énergétique mesuré, qui représente 14,8 % des familles.
Trois indicateurs sont élaborés pour refléter les différents types de risque de précarité énergétique. Tout d'abord, des factures énergétiques très élevées par rapport au revenu disponible indiquent un risque de précarité énergétique mesuré. Deuxièmement, des factures énergétiques très faibles par rapport à des ménages comparables indiquent un risque de précarité énergétique caché. Troisièmement, les difficultés financières pour se chauffer suffisamment, indiquent une pauvreté énergétique subjective.
Différentes analyses sont réalisées sur la profondeur de la pauvreté énergétique et sur le lien entre les indicateurs de pauvreté énergétique et d'autres indicateurs de pauvreté, afin de pouvoir identifier les principales causes du risque de pauvreté énergétique. Ces analyses visent à mieux comprendre les causes sous-jacentes de la précarité énergétique afin de pouvoir élaborer des mesures politiques ciblées et une vision holistique.
Dans le cadre des compétences fédérales, il existe déjà des instruments structurels pour soutenir les consommateurs vulnérables comme, notamment, le tarif social pour l'énergie et le fonds social pour le chauffage qui garantissent l'accessibilité financière de l'énergie aux ménages vulnérables; le fonds social pour l'énergie qui permet aux CPAS d'apporter un soutien financier en cas d'endettement lié au coût énergétique et de mener une politique énergétique préventive en soutenant les investissements qui réduisent la consommation énergétique.
Ces mesures offrent une protection importante à ceux qui peuvent en bénéficier. Le gouvernement vise à créer un marché de l'énergie transparent où les consommateurs sont protégés, peuvent faire des choix éclairés et ont un accès facile au soutien. Le gouvernement fédéral continue de s'engager à renforcer et à affiner ces instruments dans le but de réduire la précarité énergétique structurelle, de rendre la transition énergétique socialement équitable et de ne laisser personne dans la transition vers une société faible en intensité carbone.
Roberto D'Amico:
Merci, monsieur le ministre. J'ai bien compris que vous avez tenté de dissocier les risques de précarité. Vous nous les avez même énoncés. Or moi, je vous parlais de nouvelles mesures structurelles alors que vous parlez de l'existant. Je n'ai donc rien entendu de neuf. Pour vous donner des chiffres, un baromètre de la précarité énergétique établi en 2015 évaluait la précarité énergétique à 18,5 %. Aujourd'hui, ce taux a augmenté jusqu'à 19,7 %. Par contre, en France, là où une forme de contrôle des prix est appliquée, ces niveaux sont plus bas et ont même diminué en dix ans. De 13,7 % en 2012, c'est descendu à 10,8 % en 2022. On comprend aisément qu'avec une forme de contrôle des prix, on parvient à faire baisser le taux de précarité énergétique. Je vous demande donc de vous inspirer de cette initiative.
De versoepeling van de nachtarbeid en de impact op de sociale zekerheid
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Clarinval verdedigt de versoepeling van nachtarbeid als noodzakelijk voor jobcreatie (met name in logistiek/e-commerce) en concurrentiekracht, verwijzend naar achterblijvende groei vs. buurlanden, maar ontwijkt concrete vragen over fiscale loonsubsidies (€100.000/bedrijf) en evaluatie van hun effectiviteit. Van Lysebettens (ABVV) kaart aan dat de maatregel koopkracht aantast (lagere nachtpremies/pensioenen), geen echte jobgroei bewerkstelligt (alleen verschuiving naar ongezonder nachtwerk) en gebaseerd is op ongefundeerde aannames zonder onderbouwde studies. De minister benadrukt wel dat veiligheidsregels behouden blijven, maar biedt geen antwoord op de kritiek over ontbrekende monitoring of het risico op fiscale verspilling.
Jeroen Van Lysebettens:
Minister, het zomerakkoord had de ambitie om de nachtarbeid in een aantal sectoren af te schaffen en bovendien de definitie van nachtarbeid te beperken. Onvermijdelijk zal dat voor nachtarbeiders op lange termijn een loonsvermindering inhouden, omdat de nachtpremies enkel binnen dat beperkte tijdsbestek zullen worden uitgekeerd en omdat ook hun pensioenbedrag zal dalen. Terwijl een van de doelen van de regering was om de koopkracht te verhogen, gebeurt nu het omgekeerde. Anderzijds worden de fiscale voordelen voor bedrijven versoepeld of in stand gehouden. Met betrekking tot nachtarbeid bestaan er een aantal fiscale voordelen, zoals loonsubsidies en vrijstellingen van de bedrijfsvoorheffing voor ploeg- en/of nachtarbeid.
Volgens berekeningen van het ABVV wordt concreet een op de vijf werkdagen door de overheid gefinancierd, wanneer een bedrijf gebruikmaakt van nacht- en ploegenarbeid. Binnenkort komen we in de surrealistische situatie dat het voordeliger zal zijn om ’s nachts te werken. Volgens berichtgeving in De Tijd krijgen bedrijven gemiddeld 100.000 euro fiscaal voordeel via die subsidie. Hebt u zicht op de effectiviteit daarvan en pleit u ervoor die voordelen af te schaffen? We zoeken tenslotte middelen voor de begroting.
U stelt in uw beleidsnota dat afschaffing tot meer internationale concurrentie moet leiden, maar voor een aantal paritaire comités waarover het hier gaat, valt dat te betwijfelen. Ik denk aan wasserijen, auto-inspectie, kansspelen. Zelfs al willen we daar internationale concurrentie, wat op zich al te betwijfelen valt, zie ik dat praktisch niet gebeuren. Welk belang hebben die sectoren daar dan bij?
Net zoals bij de uitbreiding van flexi-jobs ontbreekt ook hier duidelijke monitoring en evaluatie. Het Rekenhof stelt ook dat de loonsubsidies onvoldoende gedefinieerd en geëvalueerd zijn. Hoe zult u dat onderzoek voeren? Is het niet aangewezen om de resultaten van die evaluatie af te wachten, alvorens de regeling inzake nachtwerk verder te versoepelen?
David Clarinval:
De hervorming inzake nachtarbeid passen in een bredere strategie om onze arbeidsmarkt toekomstbestendig te maken en de werkzaamheidsgraad tot 80 % op te trekken. Dat is noodzakelijk om de betaalbaarheid van ons sociaalzekerheidsstelsel op lange termijn te verzekeren.
Met name in de handel en de distributie, zowel in de e-commerce als in de klassieke kleinhandel, wordt van de uitbreiding van avond- en nachtwerk een positief tewerkstellingseffect verwacht. In ons land werkte in 2023 0,11 % van de werkenden in de sector van de detailhandel niet in winkels, maar aan huis of op markten, waarvan de e-commerce deel van uitmaakt, tegenover een EU-gemiddelde van 0,28 %. In Duitsland gaat het om 0,11 %, in Frankrijk om 0,40 % en in Nederland om 1,26 %. Als de sector in België op het EU-gemiddelde zou zitten, dan zouden er in ons land 8.464 mensen extra aan de slag zijn.
Uit het advies van de CRB van 30 september blijkt dat de groei van de werkgelegenheid in België in distributie en logistiek over de periode 2010-2019 negatief was, met een daling van 2,3 % of 12.000 jobs. In Duitsland was er in die periode en in dezelfde sector een jobgroei van 16 %, goed voor 700.000 jobs extra. In Nederland bedroeg de groei 11 %.
Gezien onze ligging, de rol die we kunnen spelen in logistieke ketens, en het Belgische consumentengedrag, bevestigen meerdere analyses en studies dat België in deze sector een tewerkstellingspotentieel laat liggen.
De afschaffing van de beperkingen op nachtarbeid draagt bij aan de benutting van dat potentieel. Evengoed draagt de maatregel bij tot het behoud van bestaande tewerkstelling door ervoor te zorgen dat ondernemingen minder de aandrang zullen voelen om hun activiteiten te verplaatsen naar buurlanden waar nachtarbeid soepeler is geregeld.
Het CRB-rapport wijst eveneens op een veelheid aan distributiecentra die er de jongste zeven jaar in onze buurlanden bij zijn gekomen, wat zorgde voor de creatie van bijna 20.000 jobs. De geplande hervormingen zullen dus leiden tot een gelijk speelveld met de buurlanden, investeringen aantrekken en bijkomende banen creëren.
Voorts is het belangrijk erop te wijzen dat de versoepeling van het verbod op nachtarbeid niets verandert aan de verplichtingen inzake gezondheid en veiligheid op het werk. Alle wettelijke en reglementaire bepalingen die nachtarbeiders tegen gezondheidsrisico's beschermen, blijven dus volledig van kracht, ook wanneer het algemeen verbod op nachtarbeid wordt afgeschaft. De creatie van bijkomende tewerkstelling zal een positieve impact hebben op de inkomsten van de overheid en dus op de financiering van de sociale zekerheid.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, ik stel vast dat uw antwoord het gewone promopraatje is, maar dat u niet ingaat op de kern van mijn vragen. Ik vroeg of de loonsubsidies via de fiscale bevoordeling van nachtarbeid overeind blijven, naast het initiatief om dat wettelijk te versoepelen, maar ik krijg daar geen antwoord op. Ik vroeg ook op basis van welke studie of inzichten u dat doet, maar u maakt enkel een statistische vergelijking met de Europese buurlanden en concludeert daaruit dan, heel kort door de bocht, dat we extra jobs zullen creëren. Doordat wij fiscale voordelen voor nachtarbeid laten bestaan, riskeren we vooral een shift van gewone arbeid naar nacht- en ploegenarbeid. Dat is geen jobcreatie. U zorgt er enkel voor dat bestaande jobs nog ongezonder worden en nog meer impact zullen hebben op het leven van de mensen. Ik vind het teleurstellend dat u op zo'n zwakke basis een dergelijk ingrijpend beleid probeert te voeren. De voorzitster : De heer Raskin is niet aanwezig; zijn vraag nr. 56008270C vervalt dus.
De Waalse reportage en de mistoestanden op het gebied van de sociale uitkeringen
De RTL-reportage en het belang van het kadaster van sociale bijstand
De Waalse reportage over werklozen
Onderzoeksreportages naar tekortkomingen, kadaster en uitdagingen in sociale bijstand en werkloosheidsuitkeringen
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 13 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een RTL-reportage onthult systematische sociale fraude in Wallonië (en Vlaanderen), waar uitkeringen zoals leefloon en ziektevergoedingen misbruikt worden als inkomen—soms hoger dan een mediane werknemer verdient—door perverse prikkels, zwakke controles en een cultuur van afhankelijkheid. Alle partijen (behalve N-VA/Vlaams Belang) worden beschuldigd het systeem jaren te hebben verdedigd en gefinancierd, terwijl de regering nu plannen aankondigt (centraal register, plafonds, sancties voor OCMW’s) om fraude te bestrijden zonder kwetsbaren te straffen. Kernconflict: Vlaamse partijen (N-VA, Vlaams Belang) eisen een radicale hervorming van het "Belgische ziekteverzuimsysteem" (dubbel zoveel langdurig zieken als buurlanden) en wijzen op communautaire verschillen (hogere fraude in Franstalig België, migratie-effect), terwijl Franstaligen (PS) en de minister structurele oplossingen beloven maar samenwerking tussen gewesten benadrukken als voorwaarde.
Ellen Samyn:
Wie dacht dat we vorig jaar met de Pano -reportage over het leefloondossier in Anderlecht alles wel gezien hadden, vergist zich. We krijgen opnieuw een schandaal van sociale fraude en perverse prikkels voorgeschoteld, dit keer in de armste straat van Wallonië. De reacties hier zijn voorspelbaar: alle partijen zijn verbijsterd en geschokt.
Laten we echter eerlijk zijn: iedereen hier, behalve mijn fractie, heeft boter op het hoofd, want iedereen heeft dat systeem niet alleen in stand gehouden, maar ook mee verdedigd, gefinancierd en vergoelijkt, en zo dat misbruik jarenlang mogelijk gemaakt.
Dit debat gaat niet over de luie Waal, maar over een Belgisch systeem dat mensen afhankelijk maakt en werk ontmoedigt. Het is een systeem dat verkeerde prikkels bevat, zwak gecontroleerd wordt en waar fraude te vaak zonder gevolg blijft. In de reportage van Christophe Deborsu wordt dat pijnlijk blootgelegd. Mensen vertellen openlijk dat ze een burn-out veinzen om zo 2.000 euro te krijgen of dat ze liever niet meer werken omdat het met hun uitkering ook goed gaat.
Wat we bij het OCMW van Anderlecht zagen, zien we nu opnieuw: uitkeringen die bedoeld zijn als vangnet, worden misbruikt als hangmat. De armste straat van Wallonië toont dat dat geen uitzondering is.
Mevrouw de minister, hoe rechtvaardigt u dat niet werken vandaag beter loont dan wel elke dag werken?
Erkent u dat sociale fraude een uitgesproken communautair probleem is, met veel hogere misbruikcijfers in Franstalig België, en dat dat bovendien versterkt wordt door massamigratie?
Hoe zorgt u ervoor dat de strijd tegen sociale fraude niet omslaat in wantrouwen tegenover wie echt ziek en echt kwetsbaar is?
Georges-Louis Bouchez:
Madame la ministre, en télévision, on a l'habitude d'avoir des reportages pour nous expliquer à quel point l'industrie c'est mal, le capitalisme une chose affreuse, le libéralisme quelque chose de destructeur. Et, pour une fois, on a eu droit à un reportage télévisé montrant une réalité malheureusement trop présente en Wallonie mais aussi en Flandre, parce que la question notamment des malades de longue durée n'est pas une question pour laquelle la Wallonie a une spécialité. C'est un problème généralisé dans tout le pays. Et, pour une fois, un reportage nous a montré ces réalités.
Quelle est la réaction aujourd'hui? Grande panique, grande panique à gauche, plainte au Conseil Supérieur de l'Audiovisuel (CSA), plein de posts en vue de décrédibiliser le journaliste. Vous savez, ceux qui sont tellement attachés à la liberté de la presse, du jour au lendemain, ont oublié leurs grands principes. Pourquoi? Parce que ce reportage met au jour un grand problème: le business model de la misère, le business model selon lequel les syndicats peuvent prospérer en payant les allocations de chômage, les mutualités peuvent prospérer en payant des incapacités de travail parfois imaginaires, des partis politiques peuvent prospérer électoralement et, bien évidemment, des allocataires sociaux, comme une certaine Jacqueline, peuvent en fait vivre mieux que la plupart des travailleurs dans ce pays, puisqu'avec 2 400 euros net par mois, Jacqueline est au-dessus du revenu médian. Cette situation n'est pas une caricature parce qu'on la retrouve à de nombreux endroits.
(…) : (…)
Georges-Louis Bouchez:
Oui, le revenu médian est à 2 400 euros net.
Dès lors, madame la ministre, la question est très simple. L'accord de gouvernement prévoit un plafond pour qu'on ne puisse pas cumuler les allocations sociales et se retrouver à mieux gagner qu'un travailleur. À quand ce plafond et selon quelles modalités?
Nahima Lanjri:
De RTL-reportage getuigt van een immense tristesse. Een alleenstaande moeder, Laetitia, 37 jaar, heeft nog geen dag van haar leven gewerkt, maar ontvangt toch 2.700 euro aan uitkeringen. Dat is slechts één voorbeeld, maar het illustreert volgens mij een mentaliteitsprobleem. Sommigen vinden het blijkbaar niet nodig om te gaan werken, omdat de uitkering volstaat om rond te komen.
Daarnaast is er ook een beleidsprobleem. Het advies van de OCMW-voorzitter van Verviers spreekt boekdelen, want die raadt haar cliënte aan om vooral niet te gaan samenwonen met haar vriend, omdat ze dan haar uitkering zou kunnen verliezen. Misbruik? Niet gezien. Dat dat allemaal mogelijk is, komt door een jarenlang laks beleid, een beleid van laissez-aller, laissez-passer. Dat die misbruiken vooral in Wallonië voorkomen, houdt ook verband met het feit dat de PS daar lange tijd aan de macht is geweest.
Gelukkig wil de regering de misbruiken kordaat aanpakken. Collega’s, we zullen straks een wetsontwerp goedkeuren om de OCMW’s te belonen die goed werk leveren, die mensen activeren naar werk, die mensen begeleiden en die misbruiken bestrijden. OCMW's die hun werk niet naar behoren doen, zullen worden gesanctioneerd.
Toch is dat voor ons niet voldoende, want misbruiken moeten volledig verdwijnen. Het leefloon is geen blanco cheque. Wie niet wil werken of te lui is om uit bed te komen, moet zijn uitkering verliezen. Ook domiciliefraude en fraude met ziektebriefjes moeten worden aangepakt. Iemand die acht jaar ziek blijft vanwege een gebroken (…)
Voorzitter:
Ik heb drie vragen ontvangen. Mevrouw de minister, u hebt vijf minuten spreektijd om daarop te antwoorden.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, bedankt voor uw gulheid.
Mevrouw Samyn, monsieur Bouchez, mevrouw Lanjri, de RTL-reportage schetst een onthutsend beeld. Sociale fraude kunnen we nooit tolereren. Dergelijk sociaal misbruik van belastinggeld heeft kunnen voortbestaan omdat er niet werd ingegrepen. Dergelijke reportages zijn niet nieuw. Om de zoveel jaar komen gelijkaardige verhalen aan het licht, maar de politiek deed niets. Met de huidige regering willen we daar eindelijk verandering in brengen. Wie onze solidariteit misbruikt, ondergraaft het hele systeem en laat mensen die echt steun nodig hebben in de kou staan.
U weet dat deze regering de excessen in het systeem wil aanpakken. Het regeerakkoord biedt ons daarvoor meerdere mogelijkheden. Heel binnenkort treedt mijn koninklijk besluit in werking om onrechtvaardige situaties inzake de leeflonen aan te pakken. Het opstapelen van leeflonen in een gezin zal beperkt worden en achterpoortjes worden gesloten. Sociale bijstand moet er immers zijn voor wie het echt nodig heeft.
Daarnaast werkt deze regering aan een ambitieus, maar ook noodzakelijk project, namelijk de uitbouw van een centraal register waarin alle vormen van sociale bijstand en voordelen worden gebundeld. Dat register geeft ons een volledig overzicht van de totale steun per persoon. Op die manier kunnen we opeenstapelingen opsporen, grenzen instellen en ervoor zorgen dat het systeem rechtvaardig blijft. Werken moet altijd meer opbrengen dan niet werken.
Le registre poursuit deux objectifs en ce sens. Le premier consiste à établir un inventaire complet de l’ensemble des avantages sociaux et des allocations. Le deuxième, le cas échéant, vise à plafonner certaines allocations afin d’éviter les pièges à l’inactivité et les excès, et à garantir que le travail soit plus rémunérateur que l’inactivité.
J'ai pris mes responsabilités en proposant la création d’un groupe de travail sur le registre central au sein de la Conférence interministérielle Intégration sociale. Soyons toutefois honnêtes, ma compétence se limite au revenu d’intégration. Sans l’implication des autres ministres et partenaires concernés, nous ne pourrons guère progresser. C’est pourquoi une collaboration étroite avec mes collègues ministres, tant au niveau fédéral que régional, est indispensable. Le registre central doit en effet regrouper l’ensemble des allocations et des avantages sociaux.
Er hebben al meerdere vergaderingen plaatsgevonden. De technische discussies zijn lopende. Het gaat om een ambitieus project, met vele partners rond de tafel.
Het regeerakkoord is duidelijk. De publieke verontwaardiging die we horen, is meer dan terecht. We moeten allemaal onze verantwoordelijkheid opnemen en vooruitgang boeken. Alleen zo zorgen we voor echte solidariteit en zeggen we neen tegen het profitariaat.
Ik reken daarbij ook op mijn collega-ministers om met evenveel ijver aan het werk te gaan. De geloofwaardigheid en het draagvlak van onze sociale zekerheid staan op het spel.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, welke uitleg we hier ook krijgen, het uitkerings- en controlesysteem zit fundamenteel fout. Meer nog, het Belgische systeem zelf is fundamenteel verkeerd. Het is tijd om er afscheid van te nemen. Vlamingen betalen al decennialang voor een systeem dat nooit zal werken, omdat het geen inspanning beloont, maar een hangmatcultuur in stand houdt die alleen maar verder scheeftrekt. Dat zien we op alle vlakken van onze sociale zekerheid. Het aantal arbeidsongeschikten en werklozen ligt in Wallonië en Brussel veel hoger dan in Vlaanderen. Van de uitkeringen in Vlaanderen, zoals het leefloon, gaat bovendien de helft naar mensen met een nationaliteit buiten de Europese Unie. Van alle leeflonen gaat amper 14 % naar Vlamingen.
U en uw partij weten dat, maar u wilt het niet toegeven. België is langdurig ziek en werkloos en wordt door uw N-VA kunstmatig in leven gehouden.
Georges-Louis Bouchez:
Merci, madame la ministre, pour votre réponse.
Je voudrais juste ajouter une chose à l'intention de ceux qui nous disent que ce reportage ne concerne que quelques cas exceptionnels. Apprenez qu'en Belgique, aujourd'hui, nous avons le double de travailleurs malades en pourcentage de population active par rapport à d'autres pays. En effet, un peu plus de 7% de notre population active est en maladie, contre entre 3,5 et 4,5% en France, aux Pays-Bas et en Allemagne. Rien ne peut expliquer une telle situation.
À ceux qui diront, puisque nous avons dénoncé cette situation pendant la campagne, que nous faisons preuve de mépris, je voudrais répondre que le vrai mépris, c'est cette situation de notre pays où des personnes se lèvent à cinq heures du matin pour aller travailler et donnent à l'État entre 60 et 70 % de leurs revenus via des impôts, des cotisations sociales et des taxes en tout genre, pour financer des personnes qui déclarent sans aucune honte n'avoir jamais travaillé et en fin de compte gagner mieux au quotidien. Cela doit changer. Le travail doit revenir au cœur de la société.
Nahima Lanjri:
We hebben een socialezekerheidssysteem waar we fier op mogen zijn, maar ik vergelijk het altijd met een kar. Iedereen die kan werken, moet werken en die kar trekken of duwen. Enkel wie de pech heeft tijdelijk werkloos te zijn of ziek te zijn, mag op de kar zitten. Natuurlijk, als mensen dat systeem misbruiken en als zelfs mensen die niet ziek zijn en fraudeurs op de kar gaan zitten, dan zal de kar van de sociale zekerheid niet meer bollen. Dat moeten we aanpakken. In Vlaanderen wordt dat al vrij goed gedaan. In Antwerpen zien we bijvoorbeeld dat meer dan 80 % van de leefloners een sociaal contract heeft, een GPMI. We zien dat niet overal. We zien dat niet overal in Wallonië. Het is tijd om daar een tandje bij te steken, zodat we de misbruiken kunnen aanpakken. Alleen als we de misbruiken aanpakken, kunnen we blijven rekenen op de solidariteit van de mensen die om 5 uur opstaan om te gaan werken en die effectief iets bijdragen voor zij die niet kunnen werken, met pensioen zijn of ziek zijn. Al degenen die wel kunnen werken, moeten echter ook gaan werken.
De loskoppeling van de sociale zekerheid van overeenkomsten voor beroepsomscholing en -opleiding
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De afschaffing van sociale zekerheidsbijdragen voor CAP/CFP-contracten (voor personen met een handicap) via het KB van 2017 ontneemt hen rechten (vakantiegeld, werkloosheid, pensioen) en ondermijnt hun arbeidsmarktintegratie, ondanks dat deze contracten als kruispunt tussen opleiding en werk fungeren. Minister Vandenbroucke verdedigt de maatregel door te benadrukken dat het om opleidingsvergoedingen (geen loon) gaat en wijst op technische belemmeringen (onduidelijk doelgroep, te lage uitkeringen voor rechtenopbouw), maar erkent wel accidentverzekering als alternatief. Hansez blijft staan op herstel van de bijdrageplicht als fundamentele voorwaarde voor gelijkheid en waardigheid, en noemt de huidige situatie een grijze zone die precariteit in stand houdt in plaats van een duurzame opstap naar werk. De kernspanning draait om rechten vs. juridische definities (opleiding vs. arbeid).
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, je vais vous parler du non-assujettissement à la sécurité sociale des contrats d'adaptation ou de réadaptation professionnelle (CAP) et des contrats de formation professionnelle (CFP) conclus par des personnes en situation de handicap qui ne sont, depuis l'arrêté royal du 15 octobre 2017, plus assujetties à la sécurité sociale.
Le Conseil National du Travail (CNT), appuyé par Unia, a clairement mis en évidence les conséquences négatives de cette mesure: perte de droit aux vacances annuelles, perte de droit au chômage, à l'invalidité, à la pension. Cela réduit l'attractivité de ces contrats et contribue à leur diminution, alors même qu'ils constituent souvent un levier indispensable pour l'inclusion de ces personnes en situation de handicap sur le marché du travail.
Au-delà des effets concrets, cette suppression interroge au regard des principes constitutionnels d'égalité et de non-discrimination, du principe de standstill en matière de droits sociaux (article 23 de la Constitution) et des engagements européens et internationaux de la Belgique, notamment la directive européenne 2000/78 et la convention des Nations Unies relative aux droits des personnes handicapées.
Monsieur le ministre, reconnaissez-vous que la suppression de l'arrêté royal de 2017 a entraîné un recul significatif des droits sociaux des personnes en situation de handicap, et qu'elle fragilise par là leurs chances d'insertion professionnelle? Êtes-vous disposé à rétablir l'assujettissement à la sécurité sociale pour ces contrats, au moins pour l'avenir, et, concrètement, pour quelle année?
Frank Vandenbroucke:
Madame Hansez, la suppression de 2017 connaît une longue histoire. Avant l'arrêté royal du 28 novembre 1969, pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté royal de décembre 1944, l'arrêté ONSS prévoyait à l'article 3, 6° et 7° une extension de l'application de la réglementation ONSS aux personnes en situation de handicap et aux personnes valides ayant signé un contrat de formation ou de réadaptation professionnelle. Ces dispositions ont causé des problèmes de perception pendant de nombreuses années. Sur la base de l'article 3, 6° de l'arrêté ONSS, l'ONSS a toujours réclamé le paiement des cotisations sociales sur les indemnités perçues par les personnes en situation de handicap dans le cadre de leur formation. Les institutions régionales pour les personnes en situation de handicap considéraient que seules celles qui ne bénéficiaient pas d'allocation de chômage, d'indemnité de maladie ou d'invalidité ou encore d'allocation aux personnes handicapées devaient payer des cotisations sociales.
À un stade ultérieur de ces litiges, ces institutions ont fait valoir que les travailleurs valides ayant un contrat de formation ou de reconversion professionnelle et les travailleurs non valides disposant d'un tel contrat n'étaient pas traités sur un pied d'égalité. En effet, depuis la régionalisation des services de l'emploi, l'ONSS ne perçoit plus de cotisations sociales pour les chômeurs valides ayant un contrat de formation professionnelle. L'ONSS a accepté cet argument, et toutes les poursuites en cours ont été abandonnées.
Afin de garantir une sécurité juridique, l'arrêté royal du 15 octobre 2017 a abrogé l'article 3, 6° et 7° de l'arrêté ONSS. Par conséquent, ces personnes ne sont plus soumises à la sécurité sociale. Leurs employeurs ne doivent plus payer de cotisations sociales sur les indemnités de formation versées, mais les intéressés ne se constituent plus de droits sociaux non plus. Toutefois, une assurance contre les accidents de travail a été prévue pour couvrir les éventuels accidents sur le lieu d'apprentissage.
Je tiens à souligner que le contrat d'adaptation professionnelle est avant tout une formation visant à permettre aux personnes de renforcer leurs compétences, ce qui facilite l'accès à l'emploi. Il s'agit d'une formation par la pratique, sous la responsabilité de l'entreprise, qui débouche idéalement sur un emploi par la suite. Les personnes concernées reçoivent une indemnité qui n'est pas considérée comme un salaire. Nous nous trouvons donc dans le contexte d'un contrat de formation et non pas dans le contexte d'un contrat de travail. Par conséquent, les personnes qui acquièrent une expérience pratique dans le cadre d'un contrat de formation ne sont pas assujetties à la sécurité sociale et ne se constituent pas de droits sociaux en tant que tels. En revanche, les personnes qui fournissent des prestations professionnelles dans le cadre de leur stage sont censées travailler avec un contrat de travail et ces activités sont en effet toujours soumises à la sécurité sociale.
La constitution ou non de droits sociaux est indépendante de la présence ou non d'un handicap chez les personnes. Elle est évaluée en fonction de l'existence d'un contrat de formation ou d'un contrat de travail. Si une personne handicapée ne sait pas travailler ou doit travailler moins, elle peut toujours demander une allocation de remplacement de revenus.
Le dossier a été examiné in extenso par le SPF Sécurité sociale en collaboration avec plusieurs institutions publiques de sécurité sociale (IPSS). Il a été étudié sous différents angles. Premièrement, les possibilités en matière d'assujettissement général ont été examinées. À cette fin, le SPF Sécurité sociale a collaboré avec l'ONSS. Par la suite, la question a été examinée sous un autre angle. On a cherché à savoir s'il était possible de préserver les droits de ce groupe d'assurés sociaux par le biais d'une couverture dans les différentes branches de la sécurité sociale.
De manière générale, on a dû constater, lors de ces examens, qu'il s'avère très difficile, voire impossible de déterminer le groupe cible en raison des dispositions en vigueur dans les Régions. Il en est de même pour la base de calcul. De plus, il apparaît que les employeurs concernés ont déjà estimé par le passé qu'il n'était pas question de travail ni de salaire et qu'aucune cotisation de sécurité sociale n'était due.
Enfin, il faut également remarquer que la base de calcul doit atteindre un niveau minimal afin de pouvoir acquérir des droits sociaux. Il semble que les indemnités octroyées n'atteignent pas ce niveau nécessaire.
Isabelle Hansez:
Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse et cet historique législatif, ainsi que pour l'attention que vous portez à cette problématique, qui est souvent méconnue. Les constats du CNT et d'Unia sont pourtant sans équivoque. La mesure de 2017 a pour effet de fragiliser les droits sociaux des personnes qui cherchent justement à s'insérer durablement sur le marché du travail, malgré toutes les difficultés qu'elles peuvent rencontrer de par leur situation de handicap. Rétablir l'assujettissement à la sécurité sociale pour les contrats d'adaptation et de formation n'est pas pour nous seulement une question technique, mais une question de dignité et d'égalité des chances pour ces personnes qui sont touchées par le handicap. Ces contrats doivent redevenir un tremplin vers l'emploi, vous l'avez précisé, mais ce serait bien que ce ne soit pas une zone grise entre formation et précarité.
De werkloosheidshervorming en het armoederisico voor mensen met een arbeidsbeperking
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Vanaf januari 2026 verliezen 25.000 langdurig werklozen (waarvan 10.000 niet-toeleidbaar door arbeidsbeperkingen) hun uitkering, wat armoederisico’s verergert. Minister Vandenbroucke bevestigde een tijdelijke uitzondering voor 2.000 niet-toeleidbaren met een beschermingsuitkering, maar streeft naar uitbreiding tot 2028, afhankelijk van onderhandelingen met collega Clarinval. OCMW’s en sociale economie (met slechts 1.000 extra Vlaamse plaatsen) kunnen de instroom niet opvangen, terwijl een structureel alternatief statuut ontbreekt. De minister erkent dat armoedebestrijding en systeemaanpassingen dringend nodig zijn, maar concrete oplossingen blijven onzeker.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, heeft uw collega Beenders vanochtend hier in de commissie al enige toelichting gegeven. Aangezien wij beiden toen in een andere commissie aanwezig waren, stel ik mijn vragen toch opnieuw.
In januari 2026 gaan de eerste hervormingen van start inzake de beperking van de werkloosheid in de tijd. Personen die langer dan twintig jaar werkloos zijn, zullen hun werkloosheidsuitkering verliezen. Volgens recente cijfers die minister Clarinval eveneens hier in de commissie deelde, gaat het om ongeveer 25.000 personen.
Voor Vlaanderen blijkt uit cijfers en verklaringen van de VDAB dat ongeveer de helft van hen een arbeidsbeperking heeft, waardoor velen van hen niet in staat zijn om te werken. Het is erg waarschijnlijk dat die ratio in andere regio’s vergelijkbaar is. Ik heb dan ook de hiernavolgende vragen.
Over hoeveel personen met een arbeidsbeperking gaat het in heel België?
Het OCMW zal voortaan worden gevraagd om mensen te activeren. Een deel van de financiering zal daarvan afhangen. In het wetsontwerp van uw collega Van Bossuyt wordt een bonus-malussysteem ingevoerd. Aangezien de VDAB die mensen niet heeft geactiveerd en nu zelf aangeeft dat velen niet in staat zijn om te werken, hoe groot acht u dan de kans dat het OCMW hen wel zal kunnen helpen om werk te vinden? Wat is de impact daarvan op hun financiering?
Kunt u met betrekking tot werk verduidelijken hoe die groep met een geïndiceerde arbeidsbeperking een job zal krijgen in de sociale economie? Zal het aantal beschikbare plaatsen daarvoor voldoende zijn? Het Vlaamse regeerakkoord voorziet immers slechts in 1.000 extra plaatsen in de sociale economie.
Hoeveel plaatsen zal de federale overheid helpen creëren bovenop die aangekondigde plaatsen? Hoe zit dat in Wallonië en Brussel?
Velen zijn, zoals ik al aangaf, zelfs niet-toeleidbaar naar maatwerk. In haar antwoord op een vraag van mijn collega Platteau antwoordde minister Demir dat zij hoopte dat de federale overheid dat zou vaststellen en een statuut zou uitwerken buiten de werkloosheid om. Hoe en wanneer zult u met die oproep aan de slag gaan?
Voorlopig bestaat er nog geen apart statuut. Vele betrokkenen zullen aangewezen zijn op een heel beperkt leefloon en dus inkomsten verliezen. Zij leven door hun arbeidsbeperking al in precaire omstandigheden. Ik vrees dan ook dat de armoede nog zal toenemen. Hoe zult u als minister van Armoedebestrijding met die uitdaging omgaan?
Frank Vandenbroucke:
De federale regering heeft inderdaad het recht op werkloosheidsuitkeringen tot maximaal 2 jaar beperkt. Mijn collega, Rob Beenders, en ik hebben bij de uitwerking van die hervorming echt wel gevochten om een uitzondering te krijgen voor wat men de niet-toeleidbare groep noemt. Ik meen dat we het daarnet al even over gehad hebben met mevrouw Lanjri, in het actuadebat. Mevrouw Lanjri heeft dat ook vanochtend aangekaart in een vraag aan de heer Beenders.
We hebben nu een uitzondering bekomen voor de niet-toeleidbaren die een beschermingsuitkering krijgen. Dat gaat over een heel specifieke, beperkte doelgroep van hoofdzakelijk jongeren die na een periode met een inschakelingsuitkering het statuut niet-toeleidbaar verkrijgen en die dus een zogenaamde beschermingsuitkering ontvangen. Dat zijn een 2.000-tal mensen. Er is een uitzondering voor die groep, in afwachting van een specifieke oplossing, die we zouden moeten kunnen ontwikkelen tegen 2028. We zijn samen aan het bekijken hoe die specifieke oplossing er zou kunnen uitzien.
Nu is er binnen de werkloosheidsuitkering inderdaad de grotere groep niet-toeleidbare mensen die het moeilijk hebben duurzaam aan het werk te gaan. Het gaat dan over mensen die recht hebben op een werkloosheidsuitkering, maar na een periode van tewerkstelling moeilijkheden ondervinden door een handicap, medisch of psychosociaal. Volgens de cijfers van de RVA gaat het over een 10.000-tal mensen. Vaak zitten die mensen in een specifiek begeleidingstraject binnen de bevoegde arbeidsbemiddelingsdienst.
Mevrouw Lanjri zei dat ze die cijfers niet zo goed begrijpt, omdat ze meent dat men op het Vlaamse niveau andere cijfers hanteert. Dat moet ik onderzoeken. Maar hoe dan ook, ik heb deze kwestie opnieuw ter sprake gebracht in de schoot van de federale regering, want ik deel die bezorgdheid.
Ik stel samen met mijn collega, Rob Beenders, voor de toegang tot de beschermingsuitkering uit te breiden tot de hele groep niet-toeleidbaren. Dit zou betekenen dat we die groep kunnen beschermen tot 2028 en dat we dan een globale oplossing voor de hele groep zullen kunnen toepassen. Dat is echter iets dat ik nog moet bespreken in de regering en met name met mijn collega bevoegd voor Werk, minister Clarinval.
Als er niets gebeurt, zal die groep geleidelijk instromen in de OCMW’s of in de arbeidsongeschiktheidsverzekering, afhankelijk van hun problematiek. Een deel van de groep kan misschien erkend worden als persoon met een handicap, maar voorspellingen of exacte inschattingen over de systemen waarin die mensen terecht zouden kunnen, heeft de RVA op dit ogenblik nog niet gemaakt. Er is dus nog werk aan de winkel, zoals u terecht zegt.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, als ik het goed begrijp, hebt u reeds een uitzondering bekomen voor een kleine groep van de niet-toeleidbaren die aan bepaalde voorwaarden voldoen. U zei dat de totale groep ongeveer 10.000 mensen telt. Hebt u cijfers over die kleine groep?
Frank Vandenbroucke:
Dat gaat over ongeveer 2.000 mensen.
Jeroen Van Lysebettens:
Ik volg het samen met u verder op. Zoals u zegt, er is nog werk aan de winkel. La réunion publique de commission est levée à 17 h 02. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.02 uur.
De hinderpalen voor het aanwerven van bijkomend personeel bij de OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Walloonse CPAS kampen met acute personeelstekorten door opgeheven regionale subsidie (subsidie Collignon) en blokkering van nieuwe aanwervingen door het CRAC, terwijl de federale hervorming van 2026 (uitsluiting werklozen) een extra druk zal leggen. Minister Van Bossuyt belooft 26 miljoen euro (nog niet vrijgegeven) en vereenvoudigde diplomavoorwaarden voor aanwerving, maar wijst de verantwoordelijkheid voor het CRAC-beleid af aan de Waalse Regie. Meunier benadrukt dat federale maatregelen nutteloos zijn zolang regionale blokkades en gebrek aan middelen aanwervingen onmogelijk maken, en dringt aan op samenwerking tussen gewesten en federale overheid om instorting van de CPAS te voorkomen.
Marie Meunier:
Madame la ministre, comme vous le savez, de nombreux CPAS wallons sont aujourd'hui sous tutelle régionale et donc dépendants du Centre régional d'Aide aux Communes (CRAC) pour engager du personnel.
Le problème qui m'amène à vous interpeller aujourd'hui est que, d'une part, le gouvernement wallon n'est pas en mesure de garantir les subventions nécessaires à l'engagement d'assistants sociaux. Nous avons d'ailleurs appris, lors de la présentation du budget du gouvernement wallon, que la subvention Collignon a été supprimée. Cette subvention avait été mise en place durant la période covid pour engager du personnel supplémentaire en temps de crise. Elle avait été prolongée pour deux années complémentaires, et ne le sera plus. D'autre part, l'administration de tutelle régionale, le CRAC, bloque les nouveaux engagements dans les CPAS, alors même que les besoins en personnel n'ont jamais été aussi cruciaux.
Je suis bien consciente que la tutelle des CPAS relève de la compétence régionale, et non de la vôtre, mais c'est bien la réforme de votre gouvernement fédéral qui va peser sur les CPAS dès janvier 2026. C'est bien à cause de cette réforme qu'ils devront absorber une vague importante de nouvelles demandes en raison des exclusions du chômage.
Si déjà aujourd'hui les CPAS ne peuvent pas maintenir leur personnel actuel faute de subventions régionales garanties, et qu'ils ne peuvent, en plus, pas anticiper les renforts nécessaires pour faire face à cette réforme fédérale, ce n'est plus dans le mur que nous courons, mais dans le lac.
Madame la ministre, comptez-vous débloquer dès à présent des moyens supplémentaires pour permettre aux CPAS de recruter et d'anticiper la surcharge qui arrive?
Comptez-vous vous coordonner immédiatement avec la Région wallonne afin que le CRAC cesse de bloquer les engagements de personnel? Si non, quelles mesures comptez-vous prendre et selon quel calendrier pour éviter que les CPAS, déjà en difficulté, ne soient totalement asphyxiés par vos réformes?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Meunier, en ce qui concerne votre première question, le contrôle budgétaire sera déposé très prochainement au Parlement. En juillet, un accord avait été trouvé pour verser en 2025, sous réserve de ce contrôle, 26 millions d'euros aux CPAS. Dès que ce transfert sur les comptes de mon administration sera effectif, ce montant sera versé aux CPAS.
En ce qui concerne votre deuxième question, comme vous le mentionnez, le CRAC fait partie des instances régionales. C'est donc à la Région wallonne d'intervenir.
Pour ce qui est de votre troisième question, certaines de mes réformes ont justement pour objet de soutenir les CPAS. C'est notamment le cas de l'arrêté royal qui a été publié le 7 octobre au Moniteur belge concernant les conditions de diplôme. Par cette mesure, je souhaite élargir les conditions de diplôme et offrir aux CPAS la possibilité de recruter plus largement. Il va de soi qu'il faut garantir que les formations concernées mènent à des profils de qualité. La Flandre a déjà terminé ce travail et publié une liste de diplômes complémentaires. J'espère donc que les autres Régions suivront cet exemple.
Par ailleurs, je travaille également à une amélioration des processus de travail; j'y ai déjà fait référence à plusieurs reprises. En outre, en collaboration avec les ministres Clarinval et Vandenbroucke, j'ai mis en place un groupe de travail afin de réduire les charges administratives. Un premier point d'attention important concerne la gestion des avances.
Marie Meunier:
Merci, madame la ministre, pour vos réponses. À peu près chaque fois que nous nous voyons, nous avons l'occasion de parler de ces 26 millions, et à peu près chaque fois, je vous demande ce qu'il en est. Nous sommes en novembre, et vous me confirmez que ce montant n'est pas encore débloqué pour les CPAS. Certes, il le sera dès que l'argent sera en possession de votre administration, mais cela ne permet donc pas actuellement aux CPAS d'engager qui que ce soit. Je comprends – et je vous l'ai dit dans ma question – que vous n'avez pas la tutelle du CRAC; c'est la Région wallonne qui est compétente en l'occurrence. Franchement, je vous invite à avoir des contacts avec vos collègues des différents gouvernements. J'en viens ainsi à votre réponse à ma troisième question. Vous pouvez faciliter l'accès à la profession de quelque manière que ce soit, si les CPAS ne sont pas en mesure et n'ont pas l'autorisation de la part de leur tutelle d'engager du personnel complémentaire, ils ne pourront pas le faire. Donc, les mesures que vous mettrez en place au niveau fédéral ne seront pas d'application au niveau régional. C'est un grave problème pour les institutions.
Het afschaffen van de subsidie voor de OCMW's voor participatie en sociale actie
Het participatiebudget voor de OCMW's
De impact van de afschaffing van de PSA-subsidie op de artikel 27-tickets
Impact van afschaffing PSA-subsidie en participatiebudget op OCMW's en sociale initiatieven
Gesteld door
PS
Marie Meunier
Groen
Jeroen Van Lysebettens
DéFI
François De Smet
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De minister bevestigt de afschaffing van het Fonds voor Participatie en Activatie (PAS) (11,8 miljoen in 2025, volledig stopgezet in 2026), omdat ze het als een *"usurpatie van federale bevoegdheden"* beschouwt, ondanks de sociale impact op kwetsbare groepen (kinderarmoede, cultuurtoegang, werkherintegratie). Het vrijgekomen budget (15 miljoen) wordt heringezet in *werkbevordering* als "beste armoedebestrijding", terwijl de verantwoordelijkheid voor sociale activering naar gewesten en OCMW’s verschuift—zonder garantie op compensatie of overleg. Kritiek van oppositie en sector (o.a. Article 27) benadrukt dat dit precaire gezinnen en CPAS extra belast, juist nu de werkloosheidshervorming de druk op lokale diensten vergroot. De minister blijft vasthouden aan haar standpunt, ondanks vragen over coördinatie met gewesten of alternatieven.
Marie Meunier:
Madame la ministre, à plusieurs reprises, vous avez indiqué que des mesures et initiatives clés dans le soutien à l'intégration sociale seraient abandonnées par le gouvernement fédéral, en invoquant encore une fois l'argument selon lequel elles constitueraient des compétences usurpées. Parmi celles-ci figure la subvention "Participation et action sociale". L'enveloppe de ce Fonds de participation et d'activation sociale est déjà passée de 19,1 millions d'euros en 2024 à 11,9 millions en 2025.
Ce Fonds est pourtant essentiel car il finance des initiatives fondamentales en matière d'épanouissement social et de remobilisation des publics éloignés de l'emploi. Avec l'afflux massif de personnes très éloignées de l'emploi en raison de la réforme des allocations de chômage, les CPAS risquent d'avoir plus que jamais besoin de moyens à allouer à la remobilisation de ces publics.
Ce Fonds permet aussi de lutter contre la pauvreté des enfants, en permettant par exemple aux familles précarisées de pouvoir bénéficier du strict nécessaire et même vital: du lait pour les enfants, des langes, etc.
Madame la ministre, qu'en est-il aujourd'hui concrètement de ce Fonds? À quelles politiques et initiatives spécifiques avez-vous décidé de mettre un terme dans ce cadre?
Confirmez-vous le maintien du budget de 11,3 millions à partir de 2026? Ou peut-on craindre une suppression pure et simple de ce Fonds dès 2026?
Une concertation avec l'ensemble du gouvernement a-t-elle eu lieu dans le cadre de ce désengagement?
Vos homologues et partenaires des gouvernements de Régions et Communautés partagent-ils votre analyse relative aux compétences usurpées dans le cadre de ce Fonds?
Des discussions préalables à votre décision de supprimer ce Fonds ont-elles été menées avec les entités fédérées? Pourront-elles compenser votre désinvestissement dans ce cadre, alors que les CPAS ont déjà engagé les projets, mobilisé les équipes et affecté les ressources?
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, u schrapt de participatie- en activeringssubsidies ten belope van 15 miljoen voor OCMW's, waardoor veel kansarmen voortaan nog minder kansen zullen krijgen om deel te nemen aan culturele of sociale activiteiten, en verantwoordt die beslissing door te stellen dat dergelijke activiteiten geen federale bevoegdheid zijn. Nochtans staat in de begrotingsverantwoording van de POD Maatschappelijke Integratie van dit jaar dat uw diensten wel bevoegd zijn om de maatschappelijke participatie te verhogen en isolement te doorbreken door middel van sociaal nuttige activiteiten. Zulke sociaal nuttige activiteiten worden net beschouwd als een middel voor verdere re-integratie op de arbeidsmarkt. U voorzag jaarlijks 11,3 miljoen aan subsidies voor participatie en sociale activering bij OCMW's tot en met 2029.
Waarom wordt de subsidie nu geschrapt? Waarom is dat domein plots geen federale bevoegdheid meer? Zijn zulke activiteiten niet nuttig voor maatschappelijke integratie? Indien ze wel nuttig zijn en u alleen vaststelt dat het hier geen federale bevoegdheid betreft, hebt u geprobeerd de werking en de budgetten over te hevelen naar de regionale overheden of andere bevoegde instanties?
U verklaarde in de media dat u het vrijgekomen budget wilt besteden aan zaken waarvoor u wel verantwoordelijk bent. Kunt u toelichten waaraan de 15 miljoen euro concreet zal worden besteed?
Ten slotte, uw collega-minister Jambon verklaarde enkele weken geleden in het plenum dat het doel van de regering was om armoede te verminderen. Ik deel misschien niet veel doelen van de regering, maar dat doel treed ik wel degelijk bij. Hoe draagt de schrapping daaraan bij volgens u?
François De Smet:
Madame la ministre, dans une autre vie, j'ai été vice-président d'une ASBL assez formidable, l'ASBL Article 27. Au départ, celle-ci a été fondée par des artistes. Elle vise à proposer à un public précarisé des tickets à 1,25 euro afin de leur permettre de participer à la vie culturelle (théâtres, cinémas). J'ai pu donc voir à quel point des dispositifs de ce genre fonctionnent. En arrivant à reconnecter un certain nombre de personnes à la vie sociale et culturelle, on arrive à les reconnecter à la vie économique et à les élever.
Il se trouve que ce dispositif est l'une des victimes collatérales probables de la suppression du fameux Fonds pour la Participation et l'Activation Sociale (PAS). La fin probable de ce soutien signifie que la charge financière estimée à 220 000 euros sera transférée vers les CPAS et les communes, ce qui inquiète légitimement les acteurs du secteur. On connaît tous l'état des finances des communes et des CPAS. La Fédération des CPAS bruxellois, par exemple, a mis en évidence que le PAS ne sert pas uniquement à financer l’accès à la culture mais vient aussi en appui d’aides sociales pour lutter contre la pauvreté et favoriser l’inclusion des personnes dans une dynamique d’activation. Pour les associations telles que Article 27, la suppression du soutien fédéral risque de creuser davantage ces inégalités notamment culturelles.
Madame la ministre, vos services ont-ils pris en considération ce genre de dommages collatéraux? Ce n'est plus simplement une ligne dans un budget mais cela a des conséquences très concrètes directement sur le terrain. Des contacts sont-ils envisagés avec notamment les fédérations des CPAS afin de limiter l’impact sur l’avenir du dispositif article 27?
Anneleen Van Bossuyt:
Monsieur le président, madame Meunier, meneer Van Lysebettens, monsieur De Smet, il est inexact d'affirmer que le budget du Fonds pour la Participation et l'Activation Sociale s'élevait à 19,1 millions d'euros en 2024.
En 2024, la loi du 22 décembre 2023, portant la loi de finances générale pour l'exercice 2024, prévoyait, en effet, que les crédits disponibles sur l'allocation de base 44.55.11.43.52.01 s'élevaient à 19,18 millions d'euros en crédit d'engagement. Cette allocation de base concerne notamment le financement de la subvention Participation et Activation Sociale mais également d'autres subventions.
En réalité, 15,5 millions d'euros ont été engagés en 2024 pour le financement de la subvention PAS, comme confirmé par l'arrêté royal du 21 mars 2024 fixant les mesures de promotion de la participation et de l'activation sociale des usagers des services des CPAS pour l'année 2024. Après correction du budget initial 2024, et sur la base de la décision d'économie adoptée par le Conseil des ministres du 28 mars 2025, le budget pour la subvention participation et activation sociale s'élève à 11,8 millions d'euros pour l'année2025.
À partir de 2026, je ne prolongerai plus cette subvention. Comme vous le soulignez vous-même, il s’agit d'une compétence usurpée. La participation et l'activation sociale ne relèvent pas des compétences fédérales. La notification du programme gouvernemental prévoit que les compétences usurpées doivent être progressivement supprimées. Dans ce cadre, je souhaite mettre fin à cette subvention.
L'Inspection des finances a spécifiquement qualifié la subvention PAS de subvention à caractère usurpateur. Cette appréciation repose sur les critères de compétences utilisés par la Cour constitutionnelle et le Conseil d'État. Il avait déjà été établi que l'autorité fédérale n'est pas compétente en la matière. Ainsi, en 2025, une proposition de loi a été déposée afin de promouvoir la participation sociale ainsi que l'épanouissement culturel et sportif des usagers des CPAS. Le Conseil d'État a alors clairement indiqué que l'autorité fédérale dépassait, en 2025 déjà, ce faisant, ses compétences. Les compétences fédérales concernent les droits fondamentaux en matière d'assistance sociale. Il s'agit d'un minimum garanti à toutes les personnes résidant en Belgique, c'est-à-dire des droits minimaux qui ne peuvent être différenciés entre les Communautés.
De OCMW’s beslissen zelf naar eigen goeddunken over het gebruik van de subsidie voor participatie en sociale activering.
Overigens – dit is geen onbelangrijk punt –, de participatie- en activeringssubsidies kwamen niet uitsluitend ten goede aan mensen in een precaire situatie. De PAS zal dan ook vanaf 2026 niet langer worden verleend. Het is voortaan aan de bevoegde deelentiteiten om, indien ze het wenselijk achten, dergelijke initiatieven voort te zetten of te versterken in het kader van de eigen bevoegdheden.
Het doel van de regering is werk te bevorderen – u verwees daarnaar, mijnheer Van Lysebettens – en mensen opnieuw zelfredzaam te maken. De vrijgekomen middelen zullen dan ook worden ingezet voor de versterking van die aanpak. Dat beantwoordt meteen uw vraag in welke mate dat bijdraagt aan het bestrijden van armoede. Wie niet werkt, heeft 32 % kans om in armoede te leven, terwijl dat voor werkenden 5,5 % is. Op die manier draagt dat bij aan de strijd tegen armoede.
Marie Meunier:
Madame la ministre, j’ai encore une question: que disent vos collègues? Vous me servez la même réponse robotique depuis des semaines. Ici, sur trois questions qui concernent les compétences dont vous avez décidé qu’elles sont usurpées, j'ai l'impression d'entendre systématiquement la même réponse.
Vous décidez (on l’a bien compris), les Régions subissent, et donc indirectement les communes et les CPAS. Qu'en disent vos collègues? Sont-ils d'accord avec ce procédé? À nouveau, vous vous débarrassez de la compétence, vous la refilez à vos collègues des Régions, sans savoir s'ils vont pouvoir débloquer les moyens eux-mêmes.
Je veux dire, nous parlons quand même ici d'aides à destination d'enfants! Cela vous va! Cela ne vous pose aucun souci! Vous nous annoncez, la fleur au fusil: "Hé bien oui, je les supprime; La responsabilité du travail en aval incombe aux Régions". Et si elles ne le font pas? Vous avez la responsabilité de ces citoyens-là, qui sont précarisés et qui ne seront peut-être plus aidés par les Régions par la suite!
Cela ne semble pas vous affecter outre mesure. Vous seriez un homme, j'aurais envie de vous dire: "Ça a l'air de vous en toucher une sans faire bouger l'autre". C'est quand même dingue!
Voorzitter:
S'il vous plaît, madame Meunier!
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, ik stel vast dat u projecten stopzet zonder de vraag te stellen of ze doeltreffend zijn. U overweegt ook niet om de betrokken overheden het budget te geven, zodat zij hun bevoegdheden kunnen uitoefenen. U zegt dat u die 15 miljoen euro wil gebruiken om uw aanpak te versterken, maar hoe blijft volledig onduidelijk.
De subsidie wordt in 2026 volledig geschrapt, net op het moment dat de OCMW's een massale toestroom van nieuwe mensen zullen moeten opvangen, als gevolg van de federale hervorming waarbij de werkloosheidsuitkering in de tijd wordt beperkt. Het is toch volstrekt onlogisch om net op dat moment van de OCMW's te verlangen dat ze meer uitkeringsgerechtigden activeren met minder budget. Hoe zullen ze dat doen? Dat kan toch niet?
François De Smet:
Madame la ministre, je vous remercie, même si je n'ai pas obtenu de réponse au cas précis de l'ASBL Article 27. En tout cas, vous avez répondu surtout au sujet du PAS. Vous confirmez, réponse après réponse, que l'action de ce gouvernement vise avant tout à développer une grande régionalisation de la pauvreté et de la précarité. Parmi les dispositifs, j'en ai cité un qui a fait ses preuves pour montrer que si l'on supprime les fonds qui leur étaient alloués et que l'on demande aux Régions et aux communes de se débrouiller, on doit le faire au minimum avec des évaluations, des préavis et la possibilité de voir si les autres pouvoirs peuvent reprendre la main. On sait bien que ce ne sera pas le cas ou, du moins, que ce sera extrêmement difficile à cause des problèmes de financement que ces CPAS et communes vont connaître afin de pouvoir absorber la réforme du chômage.
De situatie bij het OCMW van La Louvière
De druk op de OCMW's en het welzijn van het personeel
De uitdagingen binnen OCMW's en de impact op werknemerswelzijn
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De CPAS-medewerkers in La Louvière en elders waarschuwen voor onhoudbare werkomstandigheden: extreme werkdruk, agressie (inclusief doodsbedreigingen), gebrek aan middelen en veiligheid, verergerd door de aankomende hervorming die duizenden extra cliënten zonder voldoende extra budget of personeel op hen afstuurde. Minister Van Bossuyt erkent de problemen, wijst op gefaseerde compensatie (26 miljoen in 2025, mits parlementsgoedkeuring), vereenvoudiging van administratie (bv. direct betalen van voorschotten) en mogelijke sancties bij agressie, maar veel maatregelen (zoals veiligheidsprotocollen) vallen onder regionale bevoegdheden—wat Meunier onvoldoende en te traag vindt, gezien de acute crisis en het ontbreken van concrete, directe oplossingen.
Marie Meunier:
Madame la ministre, ces derniers jours, le personnel du CPAS de La Louvière s'est mobilisé pour dénoncer une situation devenue intenable.
Les travailleurs et travailleuses sociaux dénoncent une surcharge de travail, un manque de reconnaissance et un climat d'insécurité croissant. On a un personnel qui se dit non écouté, qui évoque une série de dégradations de ses conditions de travail, mais au-delà des aspects organisationnels, c'est surtout l'inquiétude face à l'avenir qui domine, puisque dès janvier, les CPAS devront absorber l'arrivée de nombreuses personnes exclues du chômage sans moyens supplémentaires suffisants.
Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter, ce sont les travailleurs et les travailleuses de première ligne qui sont bien souvent déjà aujourd'hui épuisés, et vos réformes ne vont faire qu'augmenter leur charge de travail. Ici, le personnel du CPAS de La Louvière redoute également une montée de la tension avec le public qui va arriver, alors que certains témoignent déjà de menaces, d'agressions verbales voire de menaces de mort. Et je ne reviendrai pas sur l'incident malheureux de cet été à Gand.
Avez-vous été informée de la situation du CPAS de la Louvière? Quelle a été votre réaction – si cela a été le cas – face à ces signaux alarmants? Quelles mesures comptez-vous prendre pour soutenir les travailleuses et les travailleurs du CPAS, que ce soit en matière de sécurité ou de renforcement des équipes? De grâce, ne me répondez pas que les 26 millions arrivent, parce que là, on parle de la sécurité physique du personnel des CPAS.
Le cas du CPAS de La Louvière n'est pas un cas isolé. Il y a un malaise similaire dans de nombreux CPAS du pays. Encore une fois, on a des travailleuses et des travailleurs sociaux qui font face à des conditions de plus en plus difficiles, une surcharge de travail, un épuisement, une agressivité du public et un sentiment d'insécurité.
Avec votre réforme, un afflux massif de nouvelles personnes va se produire dans ces CPAS. Ces décisions vont avoir des conséquences directes sur les services de première ligne, qui vont devoir traiter des centaines voire des milliers de nouveaux dossiers sans préparation ni renforcement suffisant. Et donc au-delà de celui de La Louvière, plusieurs CPAS alertent sur une tension insoutenable entre leurs missions croissantes et les moyens qui ne sont pas suffisamment alloués pour ces matières-là.
D'une manière plus générale, comment comptez-vous garantir le bien-être, la sécurité et la santé mentale des travailleuses et travailleurs des CPAS à l'approche des conséquences de vos réformes? Quels dispositifs comptez-vous mettre en place pour prévenir ces situations d'épuisement et de violences auxquelles le personnel va être de plus en plus confronté?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Meunier, je vous remercie pour vos questions qui évoquent la situation difficile vécue par le personnel du CPAS de La Louvière. J'ai beaucoup de respect, comme je l'ai déjà souligné à plusieurs reprises au sein de cette commission, pour l'expertise et l'engagement des assistants sociaux. Leur rôle est d'une valeur inestimable. Je suis pleinement consciente de la forte charge de travail qu'ils subissent, dans un climat souvent tendu et parfois peu sûr. Je comprends les préoccupations que vous exprimez. Je prends très au sérieux les signaux relatifs à la surcharge de travail.
Concernant les compensations octroyées aux CPAS à la suite de la limitation des allocations de chômage, c'est précisément la raison pour laquelle j'ai voulu anticiper les effets de la réforme du chômage. Celle-ci sera introduite progressivement – le 1 er janvier, le 1 er mars, le 1 er avril, etc. – et une compensation est prévue pour les CPAS.
Nous en avons déjà longuement discuté au sein de cette commission mais je peux vous rappeler brièvement les éléments de la compensation que nous venons de voter. Cette compensation comprend une augmentation du taux de remboursement du revenu d'intégration, un doublement des coûts personnels ainsi que des incitants financiers relatifs à l'activation et à la réintégration des bénéficiaires du revenu d'intégration. En outre, un budget supplémentaire de 26 millions, comme nous venons d'en parler, sera dégagé en 2025 dès que le contrôle budgétaire aura été approuvé par le Parlement. Concernant ces 26 millions, j'ai déjà indiqué que tous les CPAS avaient été informés du montant auquel ils avaient droit, selon une clé de répartition.
Nous avons mis en place une task force composée de notre cabinet, du cabinet du ministre Clarinval, des différents organismes de l'emploi, de l'ONEM, des fédérations de CPAS et du SPP Intégration sociale. Ce groupe de travail a pour objectif de préparer la communication nécessaire à destination des CPAS, des services de l'emploi et des personnes exclues des allocations de chômage.
D'autres aspects tels que l'amélioration des flux de données informatiques sont également abordés. Un système de suivi sera instauré afin de mesurer les effets de la réforme et d'ajuster les moyens, si nécessaire.
Pour ce qui concerne vos questions concernant les actions en matière de politique du personnel et de sécurité, je suis également attentive aux préoccupations concernant la pénurie d'assistants sociaux. Comme nous venons de le dire, l'arrêté royal relatif à l'équivalence des diplômes a été publié le 7 octobre au Moniteur belge et permet aux Régions d'élargir les conditions de diplômes à la profession d'assistant social. Il s'agit d'une mesure essentielle pour accroître l'attractivité de cette profession en pénurie. Grâce à cette modification, d'autres diplômes incluant une formation socio-éducative pertinente peuvent désormais donner accès à la profession d'assistant social, sous réserve de reconnaissance par les Régions compétentes.
Pour ce qui est du soutien administratif aux CPAS, afin de réduire la charge de travail et de trouver des solutions, nous avons lancé un groupe de travail sur la simplification administrative réunissant plusieurs cabinets et administrations concernés. Les fédérations de CPAS seront associées afin d'intégrer leurs propositions. Un premier chantier essentiel de ce groupe porte sur la problématique des avances. Il ressort des analyses que les assistants sociaux consacrent jusqu'à un cinquième de leur temps au paiement d'avances sur d'autres allocations.
Ce travail est non seulement peu motivant, mais entraîne également des transactions administratives complexes entre différents niveaux de pouvoir lorsqu'il apparaît ultérieurement que la personne concernée avait droit à une autre allocation. Mes collègues ministres de l'Emploi et des Affaires sociales ont exprimé leur plein soutien pour aborder cette question. Nous explorons plusieurs pistes, dont le paiement direct des avances par les organismes de paiement proprement dits, la numérisation de certains processus et la réduction des délais de traitement des allocations.
En ce qui concerne la violence croissante à l'égard des assistants sociaux, la politique du personnel et les protocoles de sécurité relèvent des compétences locales et communautaires, de même que l'enregistrement des incidents de violences envers les assistants sociaux. Heureusement, de tels accidents tragiques sont rares, mais je suis consciente que chaque incident est un incident de trop. Dans le cadre de mes compétences, nos inspecteurs réalisent au sein des CPAS des analyses de processus, en ce compris la gestion de l'accueil. Ils y discutent des difficultés rencontrées, formulent des conseils et encouragent l'échange de bonnes pratiques. J'examine actuellement dans quelle mesure il serait possible de suspendre le revenu d'intégration ou une partie de celui-ci lorsque des bénéficiaires adoptent un comportement agressif.
Quand j'ai dit au début de ma réponse que cette politique relevait des compétences locales et communautaires, vous avez réagi avec énervement. Mais j'agis là où je peux.
Une difficulté réside toutefois dans la définition juridique du "comportement agressif". Certaines formes de violence ne laissent place à aucun doute, mais les comportements verbaux agressifs sont parfois plus difficiles à qualifier. À cet égard, j'examine actuellement la mesure selon laquelle le comportement agressif, qu'il soit physique ou verbal, peut être considéré comme une obstruction à l'enquête sociale et dans quelle mesure un CPAS peut sanctionner ce type de comportement.
Enfin, je souhaite réitérer toute ma reconnaissance pour le travail quotidien des assistants sociaux sur le terrain. Ils constituent le cœur battant de notre protection sociale. Les défis sont nombreux, mais je m'engage sur plusieurs fronts pour alléger leur charge de travail et mieux les soutenir dans leurs missions essentielles.
Marie Meunier:
Merci madame la ministre pour cette réponse assez complète. Je vais me permettre de revenir sur le début de celle-ci. Vous nous expliquez que ce financement à partir du 1 er janvier sera mis en place dès que le contrôle budgétaire sera accepté par le Parlement. Il faudrait déjà qu'on vienne nous présenter ce budget au Parlement. Je veux bien que le Parlement doive à un moment donné poser un acte mais, ici, le budget n'a pas encore été présenté. Comment ferons-nous si le budget n'est pas voté d'ici le 1 er janvier, madame la ministre? Il n'y aura pas de moyens complémentaires pour les CPAS? Premier problème. On a déjà eu l'occasion de discuter au sujet de cette fameuse répartition et de ce phasage des piètres moyens que vous allez allouer aux CPAS par la suite. Ils ne sont clairement pas suffisants, pour commencer. Et les budgets que vous débloquez, c'est pour le remboursement des revenus d'intégration sociale (RIS) et pour les engagements complémentaires. Concrètement, cela représente l'engagement d'un assistant social pour la gestion de 100 dossiers. C'est aussi complètement insuffisant. Je ne vais pas revenir sur les auditions qu'on a eues en début de législature au sein de cette commission, mais 100 dossiers, 100 suivis sociaux sur la tête d'une seule et même personne, ce n'est pas possible. Ce sont les professionnels du secteur qui nous l'ont expliqué. Et donc, vos moyens ne sont pas suffisants. Alors, effectivement, comprenez mon mécontentement à chaque fois que je vous pose une question. En général, vous m'expliquez que ce n'est pas dans vos compétences, que ce sont des compétences usurpées, qu'il revient à vos collègues des Régions de s'en occuper. C'est à tout le moins énervant. La solution que vous apportez maintenant en termes de sécurité est une piste. Ce sont des solutions qui méritent discussion. Nous analyserons cela dès que vous nous proposerez quelque chose d’établi. Je vous amène encore une fois un problème concret. Nous avons eu plusieurs problèmes cette année. Ce sont des problèmes qui vont continuer à s’accentuer dès le début de l’année prochaine. De ce que j’entends, c’est que nous en sommes encore au stade de l’étude: "J’étudie ceci, je réfléchis à cela". Il serait quand même bien qu’à un moment donné, nous atterrissions avec des pistes de solutions concrètes pour les travailleurs.
De middelen voor aanwervingen bij de OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Marie Meunier kaart aan dat CPAS’ers acuut onderbemand zijn door wegvallende subsidies (o.a. Collignon in Luik) en gebrek aan coördinatie tussen ONEM/Actiris, terwijl een beloofde federale enveloppe van 26 miljoen euro (voor 2025) nog niet is vrijgegeven—wat dreigt te leiden tot een capaciteitscrisis per januari 2026. Minister Van Bossuyt bevestigt de 26 miljoen en benadrukt werk als beste oplossing, maar wijst op regionale bevoegdheden (o.a. flexibele diploma-eisen voor sociaal werkers) en efficiënter taakverdeling (administratief vs. sociaal). Concrete vrijgave ontbreekt echter, wat CPAS’ers dwingt eigen middelen in te zetten. Meunier dringt aan op onmiddellijke budgetuitvoering (niet wachten tot 2025) en betere afstemming met de Waalse tutel (CRAC blokkeert nu aanwervingen door onzekerheid over fondsen), terwijl de voorzitter oproept het CRAC schriftelijk te garanderen dat het geld komt. Kern: 26 miljoen euro staat op papier, maar vertraging en regionale knelpunten (personeelstekort, CRAC-bezwaren) ondermijnen de voorbereiding op een dreigende instroomgolf in 2026.
Marie Meunier:
Je vais en venir directement aux questions à madame la ministre. Je l'ai brièvement abordé tout à l'heure, c'est le fait qu'aujourd'hui les CPAS, une fois de plus, sont en première ligne face à la crise sociale qui s'annonce. Sur le terrain, ils tirent la sonnette d'alarme sur le manque d'informations de la part de l'ONEM et une absence de coordination avec Actiris.
J'avais, d'ailleurs, déjà eu l'occasion d'interpeller votre collègue ministre de l'Emploi sur le sujet pour que l'ONEM puisse à un moment donné collaborer avec les instances du CPAS. Il m'avait répondu, il y a six ou sept mois, que cela allait se mettre en place. Rien n'a été fait depuis!
Et je vous en parlais tout à l'heure, la fameuse suppression de la subvention Collignon qui à Liège – c'est le cas de Liège spécifiquement dont on parle –permettait localement de renforcer temporairement le personnel des CPAS depuis la crise covid, avec la création de 35 postes, ce qui est énorme vu la vague qui risque d'arriver dès le 1 er janvier prochain. Je reviens donc avec ma question habituelle: qu'en est-il de cette enveloppe de 26 millions d'euros que vous avez promise aux CPAS pour 2025?
Je reviens sur ce que vous m'avez dit tout à l'heure par rapport à l'étalement et aux compensations. Je pense que cela répondra en partie à la deuxième question: compte tenu de la suppression de la subvention Collignon, envisagez-vous une mesure fédérale de compensation pour permettre aux CPAS de conserver ces emplois précieux à l'approche du mois de janvier? Vous êtes revenu tout à l'heure avec l'enveloppe de compensation qui est prévue dans le budget, qui n'a pas encore été présenté au Parlement. Quelles sont vos solutions pour maintenir et renforcer l'emploi dans les CPAS?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Meunier, comme je l'ai mentionné à plusieurs reprises, les moyens dégagés par le gouvernement sont importants et permettront aux CPAS d'engager du personnel. J'ai, d'ailleurs, lu en début de semaine que la ville d'Anvers était à la recherche de 36 personnes et qu'elle les a trouvées entre-temps. En outre, un suivi sera mis en place pour évaluer les répercussions de la réforme du chômage sur les CPAS. Mentionnons également qu'en collaboration avec les Régions, un effort accru est consenti pour aider ces personnes à trouver de l'emploi et ainsi de ne pas dépendre des CPAS! Comme je l'ai indiqué à plusieurs reprises, le travail offre des perspectives et constitue la meilleure forme de protection sociale. Le travail n'est pas une punition mais une chance. En outre, le gouvernement s'est mis d'accord pour dégager un budget de 26 millions d'euros à destination des CPAS.
En ce qui concerne le métier d'assistant social dans un CPAS, j'ai offert la possibilité aux Régions d'élargir les diplômes qui permettaient l'accès à ce métier. À côté de cela, l'organisation même d'un CPAS ne repose pas uniquement sur les assistants sociaux, mais sur un nombre élevé d'autres métiers qui ne sont pas en pénurie, tels que les agents administratifs. En effet, à l'heure actuelle, des assistants sociaux font certaines tâches qui pourraient être confiées à un agent administratif. Cela permettrait aux assistants sociaux de consacrer davantage de temps aux tâches purement sociales. Mon administration a publié l'année dernière une circulaire portant sur les tâches assignées aux assistants sociaux dans les procédures CPAS. Il s'agit de la circulaire du 29 mars 2024.
Marie Meunier:
Madame la ministre, je me réjouis de votre réponse pour ce qui concerne le CPAS d'Anvers. Comme je vous le disais, quand les CPAS en ont la possibilité, ils anticipent. Encore faut-il trouver le personnel parce que c'est aussi un métier en pénurie. Néanmoins, ces CPAS comptent sur l'enveloppe des 26 millions d'euros. Ils comptent sur le fait que vous débloquez le budget cette année et pas l'année prochaine. Sinon, il s'agit d'un investissement sur fonds propres. Le calcul est donc vite fait: si on multiplie le nombre d'agents par leur salaire, je ne suis pas certaine qu'ils puissent engager tout le monde si vous ne débloquez pas les quelques millions d'euros pour le CPAS d'Anvers?
Mais je parle également de tous les autres CPAS, de tous ceux qui ne peuvent pas trouver d'emploi complémentaire, soit parce que la pénurie est là et qu'ils ne peuvent pas engager, soit parce qu'à nouveau, leur tutelle régionale ne les autorise pas à engager. Donc, une fois de plus, je vous sollicite et je vous conseille de prendre contact avec vos homologues des différentes Régions, et principalement ceux de la Région wallonne. Ceux-ci seront ainsi à même d'expliquer à leurs administrations que, vu le contexte dans lequel les CPAS vont être plongés à cause des mesures du gouvernement Arizona, elles doivent pouvoir engager du personnel complémentaire pour gérer l'arrivée massive de nouveaux bénéficiaires à partir du 1 er janvier 2026.
Voorzitter:
Je sais que cela ne se fait pas, madame Meunier, mais permettez-moi de vous demander pourquoi le Centre régional d'Aide aux Communes (CRAC) ferait obstacle si les nouveaux emplois sont financés?
Marie Meunier:
Parce qu'aujourd'hui, monsieur le président, étant donné que le budget de 26 millions d'euros n'est pas libéré, le CRAC estime qu'il n'existe pas. En réponse à certains CPAS qui demandaient une dérogation à leur plan d'embauche pour pouvoir engager anticipativement du personnel, le CRAC a répondu par la négative en arguant que, comme il ne pouvait pas être certain que les moyens seraient libérés, il n'accordait pas d'autorisation. C'est donc un véritable problème.
Voorzitter:
Alors, il faut rassurer le CRAC. Vous devriez écrire à ces gens-là, madame la ministre! Je vous remercie, madame Meunier, et pardonnez-moi pour cette demande de précision.
De toestroom bij de OCMW's van werklozen die hun werkloosheidsuitkering verliezen
De werkloosheidshervorming en het gebrek aan middelen voor de OCMW's
Een enveloppe voor de OCMW's van 26 miljoen in 2025
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's in de regio Centre
Impact van werkloosheidsherziening op OCMW-financiering en -druk
Gesteld door
DéFI
François De Smet
PS
Marie Meunier
Ecolo
Sarah Schlitz
PS
Patrick Prévot
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De reform van de werkloosheidsuitkeringen (ingang 2026) dreigt CPAS-overbelasting door gebrek aan proactieve gegevensdeling (ONEM weigert nominatieve lijsten omwille van privacywetgeving) en onvoldoende financiële middelen (26 miljoen euro nog niet uitbetaald, compensatiemechanisme gebrekkig). Minister Van Bossuyt benadrukt dat CPAS enkel dossiers mogen openen *na* een hulpvraag (geen preventieve actie mogelijk) en wijst naar eigen verantwoordelijkheid van gewesten voor personeelsbeleid, ondanks regionale bezuinigingen (bv. schrapping subventionering Collignon in Wallonië). Kritiek van oppositie (De Smet, Meunier) richt zich op realiteitszinloze planning (1 sociaal werker per 100 dossiers), ontbrekende coördinatie tussen federale/regionale overheden en risico’s op sociale noodsituaties door onvoorbereide instroom. De minister belooft webinars en richtlijnen, maar concrete oplossingen voor middelen of datadeling blijven uit.
François De Smet:
Madame la ministre, à quelques semaines de l'entrée en vigueur de la réforme du chômage portée par le gouvernement, les Centres publics d'action sociale (CPA) expriment une profonde inquiétude quant à leur capacité à préparer et accompagner l'arrivée des personnes exclues du chômage.
Selon de nombreux responsables locaux et fédérations de CPAS, l'ONEM – qui relève de votre compétence – refuse actuellement de communiquer aux CPAS les informations nominatives (noms, prénoms, numéros nationaux) des personnes concernées par la réforme, invoquant la législation liée à la protection des données.
Par ailleurs, la Fédération des CPAS bruxellois souligne que la compensation financière promise dépend du nombre de personnes se signalant avant le 30 juin, alors même que le manque d'informations empêche les CPAS de les contacter proactivement. Elle rappelle également que les 26 millions d'euros annoncés pour renforcer les CPAS n'ont toujours pas été versés, à quelques semaines de l'échéance.
Dès lors, je vous prie de répondre aux questions suivantes: Confirmez-vous que l'ONEM refuse de transmettre proactivement aux CPAS les listes nominatives des personnes concernées par l'exclusion du chômage? Quelles alternatives concrètes sont prévues pour garantir que les CPAS puissent anticiper l'arrivée de ces personnes? L'outil en ligne UnemploymentData, qui ne donne accès aux informations qu'après l'envoi de la lettre d'avertissement, peut-il réellement permettre un accompagnement préventif? Compte tenu du risque de désorganisation signalé par plusieurs responsables locaux, votre gouvernement envisage-t-il de modifier le cadre réglementaire afin de permettre un partage d'informations, sous conditions de confidentialité, avant l'exclusion effective?
Quelles mesures prenez-vous pour garantir que la compensation financière liée à la réforme reflètera la réalité du terrain, y compris pour les personnes qui ne se signaleront qu'après le 30 juin? Envisagez-vous d'adapter le mécanisme de calcul? Quand les CPAS recevront-ils concrètement les 26 millions d'euros annoncés pour renforcer leurs moyens avant l'entrée en vigueur de la réforme?
Dans un contexte où les CPAS sont déjà fortement sollicités, il est impératif que l'État leur fournisse les informations, les moyens et la visibilité nécessaires pour garantir un accompagnement digne et efficace des personnes concernées.
Marie Meunier:
Madame la ministre, les CPAS sont aujourd'hui en première ligne face à la crise sociale qui s'annonce. La réforme fédérale du chômage, décidée par votre gouvernement, va entraîner l'exclusion de milliers de personnes du régime des allocations dès le 1 er janvier 2026.
Sur le terrain, les CPAS tirent la sonnette d'alarme: manque d'informations de la part de l'ONEM, absence de coordination avec Actiris, incertitudes sur les compensations financières promises… Les fédérations de CPAS dénoncent des risques de dysfonctionnements majeurs, d'engorgement et de détresse sociale. À Liège, pour vous donner un exemple, un point central d'accueil sera ouvert exceptionnellement pour accueillir les exclus du chômage et des centaines de personnes y sont attendues.
À cela s'ajoute, au niveau régional, la suppression de la subvention Collignon, qui permettait de renforcer temporairement le personnel des CPAS depuis la crise du Covid. À Mons, cette suppression signifie la perte de 14 assistants sociaux; à Liège, elle concernait 35 postes.
Ces décisions conjuguées laissent les CPAS sans moyens pour faire face à un afflux massif de nouvelles demandes d'aide sociale. Les travailleurs sociaux parlent d'un non-sens complet, de votre politique qui demande "de faire plus avec moins".
Madame la ministre, les moyens promis par le fédéral pour 2025 ont-ils été effectivement débloqués? Comment ont-ils ou seront-ils répartis? Enfin, compte tenu de la suppression de la subvention "Collignon", envisagez-vous une mesure fédérale de compensation pour permettre aux CPAS de conserver ces emplois précieux à l'approche du mois de janvier?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Meunier, monsieur De Smet, concernant le partage de données, je souhaite d'emblée souligner que l'ONEM ne relève pas de mes compétences, contrairement à ce que votre question semble suggérer, monsieur De Smet.
En effet, les données ne peuvent pas être transmises aux CPAS. La raison est simple. Toutes les personnes exclues du chômage n'iront pas faire une demande d'aide au CPAS. Les estimations mentionnent que plus de deux tiers des personnes exclues du chômage n'auront pas droit à l'aide du CPAS. La législation concernant la protection des données permet à un CPAS de ne commencer son enquête sociale que lorsqu'une personne a fait une demande. Il ne peut pas enquêter sur des personnes qui, potentiellement, pourraient faire une demande. En outre, cela engendrerait pour les CPAS un surplus de travail, puisqu'ils devraient faire des enquêtes sociales pour des personnes qui n'introduiront pas de demande d'aide au CPAS.
Comme vous le savez, la réglementation relative au chômage n'est absolument pas basée sur les revenus du ménage. Une personne peut bénéficier du chômage, même si son conjoint a une très bonne situation financière. Par contre, dans la législation concernant le droit à l'intégration sociale, tous les revenus (mobiliers, immobiliers et cessions) sont pris en compte, y compris ceux du conjoint.
Le CPAS anticipe déjà cette arrivée de plusieurs manières. La première façon d'anticiper est de libérer de l'espace lors du premier trimestre 2026. Dans la législation concernant le droit à l'intégration sociale, le CPAS doit revoir la situation de la personne au moins une fois par an. En conséquence, les dossiers qui auraient dû être revus pendant le premier trimestre 2026 peuvent être revus dès maintenant.
La deuxième manière est de constituer un dossier pour la personne qui introduit déjà une demande d'aide alors qu'elle bénéficie toujours des allocations de chômage. Le CPAS acte la demande et l'analyse. Il prend une décision dans les 30 jours en fonction de la situation actuelle. En janvier, il peut d'initiative reprendre le dossier. Il vérifiera alors que les conditions d'octroi sont remplies. Sur base de son enquête sociale mise à jour, il pourra prendre d'initiative une décision d'octroi (article 18, § 2, de la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale).
Pour ce qui est des questions sur la compensation financière, nous en avons déjà beaucoup parlé aujourd'hui. Comme je viens de vous l'expliquer, madame Meunier, il appartient à chaque entité de prendre la responsabilité de sa politique. Il ne m'appartient donc pas de commenter des décisions prises par d'autres entités sur des compétences qui leur appartiennent. En conséquence, je n'envisage pas une mesure de compensation spécifique par rapport à la mesure envisagée par le gouvernement wallon.
Concernant les questions sur les 26 millions d'euros, j'ai déjà plusieurs fois répondu aujourd'hui.
En ce qui concerne la question sur la communication, je suis tout à fait d'accord avec vous: pour qu'une réforme fonctionne, il faut que l'ensemble des parties prenantes soient conscientes de ce qu'on attend. J'ai mis en place, comme je l'ai déjà aussi expliqué, un groupe de travail entre les différentes administrations et les fédérations de CPAS. Un premier webinaire a eu lieu visant à expliquer aux CPAS la réforme du chômage. Celui-ci a remporté un vif succès.
S'agissant plus spécifiquement des mesures de compensation, plusieurs articles expliquant les compensations ont été communiqués aux CPAS. J'ai également programmé un webinaire au début décembre, visant à expliquer les mesures de compensation. Une circulaire est également en cours d'élaboration. Les réunions concernant l'adaptation des programmes software sont en cours.
Par ailleurs, mon administration a travaillé avec les fédérations de CPAS pour proposer aux CPAS des documents à destination des personnes qui seront exclues du chômage. Les différents documents se trouvent sur le site du SPP Intégration sociale.
La question relative au budget pour la sécurité était de M. Prévot, mais je vais y répondre maintenant. Madame Meunier, je vous ai déjà répondu il y a quelques minutes, dans le cadre d’une autre de vos questions.
La politique du personnel et les protocoles de sécurité relèvent des compétences locales et communautaires. Dans le cadre de mes compétences, nos inspecteurs des CPAS effectuent des analyses de processus qui incluent également la gestion de la réception. Ils discutent des difficultés, fournissent des conseils et encouragent l’échange de bonnes pratiques. Comme je viens de le dire, j’examine actuellement différentes pistes, dans le cadre de mes compétences, qui pourraient contribuer à renforcer la sécurité du personnel social.
Lorsqu’un bénéficiaire du CPAS adopte un comportement agressif envers un assistant social, je suis d’avis que le revenu d’intégration ne peut pas être octroyé en raison de l’entrave à l’enquête sociale, ou qu’il doit pouvoir être suspendu totalement ou partiellement. Certains CPAS appliquent déjà ce principe aujourd’hui en cas d’agression. En règle générale, cette approche est confirmée par les tribunaux. Toutefois, certains points d’attention juridique subsistent. C’est pourquoi nous analysons actuellement en profondeur la faisabilité juridique de ces pistes.
François De Smet:
Madame la ministre, je vous remercie pour les différentes clarifications que vous avez apportées.
Voorzitter:
Madame Meunier, en faites-vous de même?
Marie Meunier:
Pas du tout, mais tout n'est pas négatif. Depuis les début, nous entendons votre fameuse logique du un tiers, un tiers, un tiers: un tiers des exclus vont passer la porte d'un CPAS, un tiers des exclus vont disparaître et un tiers des exclus vont retrouver du travail. Dans la pratique – c'est déjà le cas aujourd'hui et c'est humain –, plus d'un tiers des exclus vont passer la porte d'un CPAS. Je ne dis pas qu'ils vont avoir le droit de bénéficier d'un revenu d'intégration sociale, mais plus d'un tiers des exclus essayeront de trouver une solution et passeront la porte d'un CPAS. Comme j'ai déjà eu l'occasion de vous le dire lors d'une commission antérieure, cela engendrera une obligation d'ouverture et d'analyse du dossier pour l'assistante sociale. C'est donc une charge de travail complémentaire. Cela n’est pas pris en compte dans l’analyse des maigres budgets qui sont débloqués pour le suivi et pour faire face à la vague qui s’annonce. Vous me dites que la gestion des espaces complémentaires ne relève pas de vos compétences, mais que vous la recommandez aux CPAS pour gérer l’afflux. Dans mon exposé, je reprenais l'exemple de Liège, qui a annoncé l'ouverture d'un point central dans les semaines à venir, mais c'est aussi une dépense supplémentaire pour le CPAS de la Ville, puisqu'il doit louer un espace afin d'y installer des bureaux. Pour le financement, c'est pareil: c'est à sa charge. Autrement dit, c'est une double peine pour les CPAS – également du point de vue des infrastructures. Vous avez également indiqué qu'aucune compensation ne serait versée par vous en réponse aux mesures prises par les gouvernements régionaux relativement au personnel. La subvention Collignon, dont je vous parlais tout à l'heure, correspond à Liège à 35 emplois, à Charleroi à 38 emplois (de mémoire), à Mons (chez moi) à 14 emplois. Vous devez quand même vous rendre compte qu'entre les mesures que vous prenez et celles que prennent les gouvernements régionaux, vous allez permettre l'engagement d'un assistant social pour 100 dossiers. C'est ce que vous m'avez répondu tout à l'heure en parlant de la fameuse répartition à partir du 1 er janvier, si le budget est finalement voté. Grand seigneur! Un assistant social pour 100 dossiers… Pourtant, dans le même temps, vos homologues régionaux suppriment des postes d'assistant social. Nous savons qu'en Wallonie, on a besoin de plus de 800 assistants sociaux pour absorber la vague qui va déferler, mais des postes seront supprimés! Vous ne semblez pas vous en rendre compte. J'imagine quand même que vous parlez avec vos homologues. C'est indispensable. Il est impossible que, de ce côté, vous nous vendiez du rêve en promettant des moyens à destination des CPAS et que, de l'autre, on fasse tout le contraire. En tout cas, madame la ministre, vous savez que je ne manquerai pas de revenir vers vous afin de vous poser des questions complémentaires. À un certain moment, une concertation générale est nécessaire. J'y reviendrai tout à l'heure, mais il faut vous concerter avec vos homologues régionaux, car ce n'est plus possible.
De recente studie v.d. Onafhankelijke Ziekenfondsen en het mentale welzijn van jonge werknemers
Burn-outpreventie en een betere bescherming van vrouwen op dit gebied
Mentale gezondheid en burn-outpreventie bij jonge werknemers en vrouwen
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De alarmerende stijging van burn-outs (verdubbeld in 6 jaar, vooral bij jongeren <40 jaar en zelfstandigen +49%) en bijbehorende kosten (12 mjd €, 50% van arbeidsongeschiktheid) vraagt om dringend ingrijpen, stelt Isabelle Hansez, die pleit voor verplichte vroege opvolging via bedrijfsarts en versterkte preventie. Minister Vandenbroucke kondigt een geïntegreerd plan aan met vroegtijdige interventie (preventieve trajecten, digitale TRIO-platform voor multidisciplinair overleg), verplichte risicopreventie in bedrijven, toegankelijke psychologische zorg (gereduceerd tarief) en focus op kwetsbare groepen (jongeren, vrouwen via gendergerichte aanpak). Pilotprojecten (Fedris, IPS) moeten langdurige afwezigheid voorkomen, met uitrol in 2026. Hansez benadrukt de urgentie van primaire preventie: bedrijven analyseren risico’s wel, maar zetten te weinig concrete actieplannen op, terwijl secundaire preventie (via Fedris) pas ingrijpt bij eerste signalen van uitval. De kern: snel handelen met verplichte preventie, vroege detectie en sectoroverschrijdende samenwerking, gericht op jongeren en vrouwen, om zowel menselijk leed als socialezekerheidskosten te beperken.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, effectivement, les Mutualités Libres ont publié les résultats d'une enquête qui mettent en évidence une évolution alarmante: en six ans, les cas de burn-out ont quasiment doublé. Avec les autres troubles psychosociaux, ils représentent aujourd'hui près d'une incapacité sur deux. C'est particulièrement marqué – c'est un résultat qui m'interpelle – chez les indépendants (plus 49 % depuis 2018) et chez les jeunes actifs de moins de 40 ans.
Ces chiffres traduisent une double réalité: d'une part, un drame humain pour des milliers de familles; d'autre part, un défi tout de même majeur pour la soutenabilité de notre sécurité sociale puisque les dépenses liées aux incapacités de travail, comme vous le savez, ont doublé en dix ans pour atteindre 12 milliards d'euros.
Les Mutualités Libres recommandent d'agir rapidement: mise en place d'un suivi obligatoire par la médecine du travail après trois mois d'absence; prévention accrue des risques psychosociaux; responsabilité renforcée des employeurs; et recherche ciblée sur les causes de la hausse des troubles mentaux, notamment chez les jeunes travailleurs.
Dès lors, monsieur le ministre, comment le gouvernement entend-il répondre à cette explosion des burn-out et autres troubles psychosociaux, tant en matière de prévention que d'accompagnement des personnes touchées – en l'espèce surtout les jeunes? Êtes-vous favorable à l'instauration d'un suivi systématique et précoce via la médecine du travail pour les pathologies liées à la santé mentale, comme le suggère l'enquête réalisée par les Mutualités Libres? Enfin, quelles mesures spécifiques envisagez-vous pour mieux protéger un public particulièrement vulnérable par rapport à cette évolution: les jeunes travailleurs?
Frank Vandenbroucke:
Madame Hansez, les chiffres publiés récemment par les Mutualités Libres sont en effet sans appel. Face à de tels chiffres, je crois qu'il faut agir avec détermination. Nous considérons cette question comme un enjeu de santé publique qui appelle une approche intégrée. C'est le sens du plan global de prévention et de retour au travail prévu dans l'accord de gouvernement. Ce plan poursuit deux objectifs: prévenir autant que possible l'apparition des maladies et accompagner activement les personnes déjà touchées afin d'éviter un éloignement durable du marché du travail.
Voici ce que nous voulons faire concrètement.
1. Nous voulons intervenir plus tôt. Un salarié en difficulté pourra entamer un parcours préventif avec son médecin du travail pour adapter ses conditions avant qu'une absence prolongée ne devienne nécessaire.
2. Dès le début d'une incapacité, nous organiserons un dialogue structuré entre le travailleur, l'employeur et le trio de médecins (le médecin traitant, le médecin du travail, le médecin conseil).
3. La plateforme numérique TRIO, active depuis février, facilitera cette concertation sécurisée et multidisciplinaire.
4. En parallèle, nous renforçons la prévention primaire des risques psychosociaux en collaboration avec le ministre de l'Emploi. Le stress chronique au travail est un facteur majeur de burn-out et chaque entreprise doit prendre ses responsabilités.
Nous investissons aussi dans la santé mentale. Les soins psychologiques de première ligne sont désormais accessibles à tarif réduit. Nous développons des lignes directrices pour que psychologues et médecins généralistes puissent mieux identifier les signaux liés au travail et maintenir le lien professionnel. Un projet pilote dans trois régions associe médecins et psychologues autour du thème "santé mentale et travail". Il sera évalué en 2026 pour un éventuel déploiement national.
À ces actions s'ajoutent les initiatives de Fedris, l'Agence fédérale des risques professionnels. Depuis 2019, Fedris mène des projets pilotes de prévention du burn-out dans plusieurs entreprises et secteurs. Ces projets permettent aux travailleurs présentant des signaux précoces d'épuisement professionnel de bénéficier d'un trajet de coaching financé par Fedris.
Des centaines de travailleurs ont déjà été accompagnés avec succès, souvent avant qu'une incapacité de longue durée ne s'installe. Nous allons renforcer et étendre ces projets, en particulier dans les secteurs les plus exposés – soins de santé, enseignement, services sociaux – pour qu'un plus grand nombre de travailleurs puissent accéder à cette aide. Ces expériences inspirent aussi la politique générale. Elles démontrent qu'une intervention précoce, financée collectivement, peut réellement éviter des absences prolongées.
La réussite de notre stratégie passe aussi par une coopération entre le Fédéral et les Régions. Début 2026, nous conclurons un nouveau protocole d'accord avec les ministres régionaux de l'emploi. Des approches comme l'Individual Placement and Support (IPS), qui aide les personnes atteintes de troubles psychiques sévères à retrouver un emploi, seront généralisées.
Dans ce cadre, nous encourageons également la collaboration entre, par exemple, les werkwinkels et les psychologues de première ligne. Concrètement, les psychologues de la première ligne pourront travailler en lien direct avec les conseillers des werkwinkels afin de détecter précocement les difficultés, prévenir les ruptures de parcours professionnel et soutenir le retour progressif au travail dans des conditions adaptées.
Enfin, nous portons une attention particulière aux jeunes et aux femmes. Chez les jeunes actifs, les troubles psychiques augmentent fortement. Nous voulons comprendre les causes (la précarité, les nouvelles organisations du travail, l'équilibre vie privée et professionnelle,…) et adapter nos politiques.
Quant aux femmes, elles représentent près de 65 % des incapacités pour burn-out. C'est un reflet de la double charge professionnelle et familiale et d'une surreprésentation dans les métiers du care . Nous intégrons donc une dimension de genre dans toutes nos politiques de prévention et de réintégration, en nous appuyant sur l'étude sur la santé des femmes de Sciensano.
Notre stratégie, je crois, est claire: prévenir en amont, intervenir tôt, accompagner avec des outils adaptés, y compris via les projets de Fedris, et réintégrer durablement. Nous voulons protéger la santé mentale des travailleurs avec une attention particulière pour les jeunes et les femmes, et assurer la viabilité de notre modèle social.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. J’insiste un peu parce que je pense qu’il y a urgence à agir. Nous parlons d’un véritable enjeu de santé publique, mais aussi de la soutenabilité de notre sécurité sociale. Ces 12 milliards d’euros de dépenses sont autant de moyens qu’il faudrait investir en amont, dans la prévention. Vous me parlez du programme Fedris, que je connais évidemment bien. C’est de la prévention secondaire. On agit là quand les personnes manifestent déjà des premiers signes de burn-out. Nous devons réfléchir à nouveau à l’importance de la prévention primaire. Aujourd'hui, beaucoup d’entreprises font une analyse des risques, mais peu d’entreprises développent et appliquent des plans d’action. Je pense que nous devons revenir sur l’importance de la prévention primaire dans les entreprises. Je suis heureuse d’entendre que nous pouvons faire un focus sur des groupes à risque au sein de ces entreprises. Je vous remercie, monsieur le ministre.
Discriminatietests
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Beenders benadrukt dat discriminatiebestrijding cruciaal is, maar kritiseert Unia’s aanpak in Gent, waar 90 werkgevers zonder voorafgaand overleg een aanmaning kregen, wat volgens hem de steun voor discriminatietests ondermijnt. Schlitz weerlegt dit door te stellen dat Unia wel degelijk vooraf contact zoekt en vooral via dialoog en bemiddeling werkt, waardoor rechtszaken vaak vermeden worden. Zij verdedigt Unia als essentiële speler in preventie en stelt dat de Gentse actie deel uitmaakt van een langlopend, gefaseerd project met eerdere sensibilisering. De kern van het debat draait om de balans tussen handhaving (sancties) en preventie (dialoog) in discriminatiebestrijding.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, 90 employeurs de Gand ont été mis en demeure pour discrimination présumée dans le cadre d'un projet pluriannuel mis en place par la ville de Gand et Unia pour lutter contre la discrimination sur le marché du travail. Alors que les phases précédentes étaient axées sur des mesures de référence, la sensibilisation et la formation, la phase finale comprenait des actions en justice telles que la mise en demeure. Sur les 118 entreprises sélectionnées, 90 ont reçu une convocation.
Considérant que la lutte contre les discriminations fait partie intégrante des missions d'Unia, considérant que cette mission est essentielle pour garantir le principe d'égalité entre tous les citoyens de notre pays, considérant que s'adonner à des discriminations est illégal et considérant que les discriminations sont encore très présentes sur le marché de l'emploi, pour quelles raisons vous êtes-vous opposé au Centre de l' É galité des chances dans cette affaire?
Rob Beenders:
Madame Schlitz, la lutte contre la discrimination est une priorité majeure pour moi. Cependant, je m'oppose à la procédure qui a été suivie dans ce cas précis à Gand, où des mises en demeure ont été immédiatement émises sans consultation ni dialogue préalable. Cela compromet le soutien aux tests de discrimination, une méthode que je soutiens pleinement.
J'ai également exprimé cette préoccupation à Unia.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le ministre. Je suis un peu étonnée parce qu'il m'est revenu qu'il y avait bien eu des contacts en amont et que ce n'était ni une approche top down ni une méthode de la surprise qui avait été mise en œuvre. De ce que j'ai vu du travail effectué par Unia ces dernières années, c'est un catalyseur de tensions et un organe qui permet le dialogue et justement d'éviter des actions en justice, qui seraient beaucoup plus nombreuses si Unia n'existait pas. À ma connaissance, Unia, quand il effectue des tests de discrimination ou quand il reçoit une plainte ou un signalement de la part d'une victime, va dans un premier temps prendre des contacts en vue d'une médiation avec les entreprises concernées, ce qui, dans une très large portion des cas, dispense d'une action en justice. Je pense donc que c'est vraiment sur cet aspect-là qu'il faut miser et qu'il faut envisager l'action d'Unia.
De stopzetting van de federale subsidies voor de winteropvang
De afschaffing van de federale subsidies voor het winterplan
De afschaffing van het winterplan en de oproep van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding
Het winterplan en de oproep van het Belgisch Netwerk Armoedebestrijding
Afschaffing federale subsidies voor winteropvang en reacties armoedebestrijding
Gesteld door
PS
Marie Meunier
Les Engagés
Anne Pirson
PS
Marie Meunier
Ecolo
Sarah Schlitz
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De federale stopzetting van de Grand Froid-subsidies (€65.000 per stad voor vijf grote steden) zorgt voor acute ongerustheid over daklozenopvang deze winter, met name in Brussel, Wallonië en Vlaanderen, waar het aantal daklozen sterk stijgt. Minister Van Bossuyt (N-VA) handhaaft de beslissing, verwijzend naar "bevoegdheidsoverschrijding" en federale bezuinigingsdoelen, maar biedt Brussel eenmalig €1 miljoen als overgangsmaatregel; andere steden moeten zelf oplossingen vinden. Oppositie (PS, Les Engagés, Ecolo) bestempelt de maatregel als "wreed en onverantwoord", wijst op morale en internationale afspraken (EU-doel: daklozenopvang tegen 2030) en eist herstel van de financiële steun, dringend overleg in de CIM en een lijst van alle geschrapte "bevoegdheidsusurpaties". Critici linken de bezuinigingen aan breder sociaal beleid (uitsluiting werklozen, pensioenverlagingen) dat kwetsbaren en lokale overheden extra belast. De politieke polarisatie is scherp: de minister ontkent elke flexibiliteit, terwijl oppositie en veldorganisaties (o.a. Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté) structurele coördinatie en solidariteit eisen om een humanitaire crisis af te wenden.
Marie Meunier:
Madame la ministre, il y a quelques semaines, je vous ai interpellée en session plénière à propos de la suppression brutale et irresponsable des subventions fédérales au plan grand froid.
Je voudrais vous rappeler que l'accord de coopération concernant le sans-abrisme et l'absence de chez-soi du 12 mai 2014 précisait les compétences et les responsabilités des différents niveaux de gouvernement dans la lutte contre le sans-abrisme. Certes, ce sont les autorités locales qui, en premier lieu, ont la compétence pour l'accueil des sans-abris. Cependant, les autorités fédérales, par le biais du SPP Intégration sociale, fournissent depuis de nombreuses années les moyens supplémentaires nécessaires pour soutenir l'hébergement d'urgence aigu pendant la période hivernale. Il s'agissait d'un financement annuel accordé aux cinq grandes villes et destiné à la mise en place d'un accueil de jour, de soirée et de nuit pour les sans-abris présentant des besoins sociaux aigus.
Vous avez brutalement décidé de supprimer ce financement parce que vous considérez cette compétence, qui relève pourtant de votre responsabilité, comme une "compétence usurpée". Avec le groupe PS, nous avons dans la foulée déposé une motion demandant que vous communiquiez rapidement la liste des politiques que votre gouvernement ne financera plus au motif qu'elles sont des compétences usurpées, car nous voulons à tout prix éviter que vous puissiez mener d'autres politiques inhumaines pour ce motif.
Nous nous sommes alors rendu compte que nous étions loin d'être les seuls à nous alarmer puisque, depuis, le Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté a exprimé son inquiétude face aux conséquences de votre décision. Il rappelle que le nombre de personnes sans abri est bien plus élevé que prévu en Flandre et en Wallonie, et que ce nombre est en très forte croissance à Bruxelles. Il rappelle surtout que la fin du financement fédéral du plan grand froid menace directement la capacité d'accueil cet hiver. Il demande à ce qu'une consultation urgente soit organisée dans le cadre de la conférence interministérielle de l'Intégration sociale et de l'Économie sociale afin d'aboutir à des solutions structurelles à court et à long terme.
Par ailleurs, Madame la ministre, quand vous évoquez ces prétendues compétences usurpées, nous parlons, nous, de vies humaines avant tout. Le sans-abrisme, je vous l'ai déjà dit également, ne s'arrête pas aux frontières régionales et nécessite une coordination fédérale.
Avez-vous pu prendre connaissance de la lettre ouverte du Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté? Quelle est votre réponse à leurs préoccupations et à leur appel au réexamen de votre décision?
Y aura-t-il prochainement une conférence interministérielle à ce sujet et, si oui, à quelle échéance? Comptez-vous rétablir un financement de transition pour le plan grand froid cet hiver, afin d'éviter que des milliers de personnes ne se retrouvent sans solution d'accueil d'urgence? La réponse me paraît simple: oui ou non.
Enfin, quand le Parlement recevra-t-il la liste exhaustive des politiques que vous ne financerez plus pour cause de compétence usurpée?
Anne Pirson:
Madame la ministre, nous connaissons bien votre intention affirmée de mettre fin aux compétences dites usurpées au nom de la viabilité financière de l'entité fédérale. C'est conforme à votre note de politique générale ainsi qu’à l'accord de gouvernement. Cette orientation s'inscrit vraiment dans une volonté de clarification institutionnelle. On l'entend pleinement.
Malgré l'annonce récente de la suppression des subsides fédéraux destinés au plan grand froid, alors que nous sommes seulement à quelques semaines de l'arrivée de la période hivernale, Les Engagés soulèvent quand même de grandes inquiétudes. Ces plans ne sont pas pour nous des dispositifs secondaires. Ils constituent chaque année un filet de sécurité vital pour des milliers de personnes qui sont tombées sans abri. Ils permettent l'ouverture de lits supplémentaires, la mobilisation de services de première ligne et la coordination avec les CPAS et les associations. Cette décision un peu brutale de mettre un terme au financement fédéral intervient à un moment critique et suscite vraiment de vives interrogations, tant sur le plan pratique que sur le plan humain.
Madame la ministre, une concertation accrue avec les entités fédérées est-elle prévue pour garantir qu'aucune personne ne se retrouve à la rue sans solution durant cet hiver? Avez-vous déjà pris contact avec vos homologues régionaux? Même si nous avons déjà eu l'information par voie de presse, pouvez-vous préciser à la Chambre quelles sont les grandes villes concernées par cette suppression de subsides et à combien s'élève le montant total retiré?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, dans une lettre ouverte, le Réseau belge de lutte contre la pauvreté interpelle sur les conséquences possibles de la fin du financement fédéral du plan Grand Froid. À l’approche de l’hiver, les acteurs de terrain sont déjà très inquiets quant à la capacité d’accueil.
Selon le réseau, le nombre de personnes sans abri est beaucoup plus élevé que prévu en Flandre et en Wallonie, et en très forte croissance à Bruxelles. Face à ce constat, les signataires de la lettre ouverte appellent à un réexamen de la décision de mettre fin au financement annuel du plan Grand Froid par le gouvernement fédéral.
Les organisations à l’origine de l’appel demandent également qu’une consultation urgente soit organisée dans le cadre de la Conférence interministérielle de l’Intégration sociale et de l’ É conomie sociale (CIM) afin d’aboutir à « des solutions structurelles à court et à long terme ».
Madame la ministre, pouvez-vous m’indiquer combien de personnes sont sans abris aujourd’hui, région par région? Avez-vous évalué l’impact des mesures de votre gouvernement sur l’augmentation du sans-abrisme? Avez-vous mis ce sujet à l’ordre du jour de la CIM? Quand s’est-elle réunie? Quelles décisions ont été prises afin de coordonner efficacement la lutte contre le "sanschezsoirisme"? Vos collègues des Engagés ont exprimé leur indignation face à cette suppression. Ont-ils été en mesure de bloquer votre initiative? Quelles actions ont-ils entreprises pour y parvenir?
Anneleen Van Bossuyt:
Mesdames Meunier, Pirson et Schlitz, je vous remercie. Comme vous l'avez souligné dans vos questions, l'accueil des sans-abris relève avant tout de la compétence des pouvoirs locaux. Par le passé, un soutien fédéral a été débloqué pour les grandes villes à titre strictement supplétif.
En réponse à vos questions, au total, nous mettons fin aux subsides pour l'accueil hivernal dans cinq villes. Il s'agit de Liège, Charleroi, Bruxelles, Anvers et Gand, soit 65 000 euros par ville. Je considère évidemment que l'accueil hivernal est très précieux, mais l'accueil des sans-abris n'est pas une compétence fédérale. Depuis des années, des instances indépendantes, telles que le SPF BOSA et l'Inspection des Finances, soulignent qu'il n'est pas admissible que nous continuions à payer au niveau fédéral pour des compétences régionales ou locales.
Ce gouvernement fédéral a très clairement convenu dans l'accord de gouvernement que nous ne paierons plus pour des matières qui ne relèvent pas de la compétence fédérale. C'est notamment de cette manière que le gouffre de la dette est devenu si profond. Pour chaque problème, des subsides étaient accordés. Nous y mettons un terme.
Il est assez cynique que les partis qui nous ont conduit à ces difficultés crient aujourd'hui depuis les tribunes que cette politique est dure, alors que ce sont précisément eux qui ont détruit tout le système. Bien trop longtemps, on a omis de rétablir l'ordre. On a toujours demandé à quelqu'un d'autre de payer l'addition. Mais cela ne constitue pas une politique durable.
J'ai entre-temps appris qu'Anvers tout comme le ministre-président wallon reconnaissent la répartition des compétences et assumeront leurs responsabilités en prévoyant eux-mêmes le montant de 65 000 euros. Chacun doit jouer son rôle dans cette problématique très complexe du sans-abrisme.
J'ai bien reçu, le lundi 29 septembre, la lettre du Réseau Belge de Lutte contre la Pauvreté. Comme je viens de le dire, je reconnais que l'accueil hivernal est particulièrement précieux, mais l'accueil des personnes sans abri ne relève pas des compétences fédérales.
Dans le cadre de la Conférence interministérielle Politique des grandes villes, Intégration sociale et Lutte contre la pauvreté, une première réunion s'est tenue fin juin, au cours de laquelle une concertation a eu lieu avec mes collègues ministres des Régions et Communautés afin de délimiter les domaines d'action de chaque partie. Le 1 er octobre, voici deux semaines, s'est tenue la première réunion d'un groupe de travail sur le sans-abrisme. Nous y discuterons de la manière de mieux coordonner les efforts et de parvenir à une politique cohérente en matière de sans-abrisme dans le respect des compétences de chacun.
En ce qui concerne l'accueil hivernal dans la Région de Bruxelles-Capitale, bien que l'Inspection des finances évoque également ici un dépassement de compétences, nous comprenons évidemment la situation difficile dans laquelle se trouve la ville de Bruxelles. Je comprends que la suppression simultanée du soutien financier à la ville et à la Région aurait un impact important.
Dans son avis, l’Inspection des finances a laissé la possibilité de prolonger le soutien pour la Région Bruxelles-Capitale d'une année supplémentaire. Je cite l'avis de l'Inspection des finances: "(…) éventuellement permettre, à titre de mesure transitoire et afin de pouvoir communiquer préalablement, un dernier accueil hivernal en 2025-2026."
Je tiens également à souligner que ce soutien financier est d'une nature totalement différente du soutien apporté à la ville. Cet hiver, nous attribuons à la Région une aide financière d'environ un million d'euros.
Marie Meunier:
Merci, madame la ministre, mais vous n'avez que très partiellement, voire pas du tout, répondu à mes questions. Je n'ai toujours aucune nouvelle de la liste exhaustive des politiques que vous ne financerez plus pour cause de compétences dites usurpées. Nous l'attendons depuis quelques semaines maintenant. Je vous repose la question aujourd'hui. Je n'ai toujours pas de réponse.
Cela vous paraît un peu cynique que les partis, notamment de l'opposition, critiquent et qualifient la politique que vous menez de dure à l'égard de celles et ceux qui n'ont plus rien. Je rappelle qu’on ne parle pas de personnes qui ont les moyens, mais de personnes qui sont dans la rue.
Je suis désolée de vous le redire aussi: c'est une politique qui est dure et brutale. Nous continuerons à le dénoncer. Vous n'allez pas chercher l'argent là où il est réellement, c'est-à-dire dans la poche de ceux qui ont d'énormes moyens, des millionnaires, des milliardaires. Vous auriez pu le faire.
Vous faites le choix, qui est politique, d'aller chercher l'argent chez celles et ceux qui n'en ont déjà pas, chez celles et ceux qui dorment déjà dehors. Comme c'était le cas il y a quelques semaines, je constate que le choix est assumé, que vous n'avez aucune remise en question à ce sujet et qu'il n'y a manifestement pas moyen de négocier.
Par ailleurs, j'entends que Bruxelles doit assumer tout le fardeau du fédéral et que les partis francophones de votre majorité n'en ont que faire.
J'ai entendu notre collègue des Engagés soulever le fait qu'il s'inquiète quand même. Je vous rappelle que vous êtes à la table des négociations, que vous étiez là pour signer l'accord de gouvernement et que pour toutes les décisions qui sont prises par la ministre, bien qu'elle ne soit pas de votre parti aujourd'hui, vous vous trouvez quand même autour de la table. Il existe quand même une solidarité collective autour de ces décisions.
Madame la ministre, il en va de même pour les grandes villes que vous ciblez. Je vous rappelle quand même que Gand est votre ville. Elle-même souligne la difficulté dans laquelle vous êtes en train de la placer. Je le souligne.
Je continuerai, avec mon groupe, à faire entendre la voix de celles et de ceux que vous êtes en train de noyer. Pour notre part, nous continuerons à faire des propositions beaucoup plus constructives que celles-là, pour permettre à ces gens de voir un semblant de bout au tunnel dans lequel vous êtes en train de les enfoncer, madame la ministre.
Anne Pirson:
Madame la ministre, merci pour vos réponses et vos éclaircissements. Je suis contente d'entendre que des solutions ont été trouvées pour Bruxelles, à court terme en tout cas.
Permettez-moi néanmoins d'exprimer notre préoccupation. Notre président s'était aussi exprimé sur le sujet. Pour lui, une solidarité ne se rompt pas comme ça sans concertation. Nous devons quand même constater que c'est ce qui s'est produit. Une décision a été prise sans dialogue avec les Régions, les CPAS et même au sein du gouvernement. Le plan grand froid n'est pas seulement un choix politique, madame la ministre, c'est une obligation légale, un devoir moral. Depuis la déclaration de Lisbonne qui a été signée en 2021 par l'ensemble des pays de l'Union, c'est un engagement partagé de mettre fin au sans-abrisme à l'horizon 2030. Donc, rompre la chaîne de la solidarité à quelques semaines de l'hiver suscite franchement une inquiétude inutile, tant pour les personnes concernées que pour ceux qui les accompagnent sur le terrain.
Les Engagés vous demandent avec force de rétablir ou de poursuivre une véritable concertation avec les entités fédérées à l'avenir, dans la mise en œuvre dans l'accord de gouvernement. En effet, protéger les plus vulnérables contre le froid n'est pas option, c'est le cœur de notre solidarité; et nous vous savons aussi sensible à ce sujet, madame la ministre.
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, je vous remercie de vos réponses. Je n'en attendais pas plus de votre part, puisque nous avons déjà eu cette discussion. Au demeurant, je savais bien que le courrier envoyé par les associations qui tentent de vous alerter au sujet des graves difficultés auxquelles vont se heurter plusieurs personnes cet hiver n'allait pas vous faire bouger d'un iota. Bref, cela ne me surprend pas. Cela dit, je me demande parfois comment cela se passe dans votre cabinet. Un de vos collaborateurs est-il chargé d'identifier dans quelles politiques sociales il faut couper? Je suppose qu'il y a des points bonus quand cela peut toucher davantage les francophones ou des villes de gauche. Est-ce ainsi que cela fonctionne, madame la ministre? À la fin du mois, consulte-t-on un petit tableau pour voir qui a réussi à couper le plus pour emmerder les bourgmestres "rouges" en Wallonie?
Blague à part, ce que vous êtes en train d'accomplir est absolument catastrophique. Vous vous dissimulez derrière des arguments invoquant des compétences usurpées. Or, en réalité, votre gouvernement est en train de refourguer ses problèmes aux autres en excluant 180 000 personnes du chômage, en faisant la chasse aux malades, en réduisant le montant des pensions à tel point que certains vieilliront dans une précarité extrême avec une pension moyenne de 1 072 euros par mois. Que voulez-vous faire avec cela? En parallèle, ce sont les grandes villes qui vont trinquer, ce sont les CPAS qui vont devoir assumer certaines missions à votre place en accompagnant des personnes qui ont été exclues d'un système dont elles avaient le droit de bénéficier. Or vous n'assumez pas vos responsabilités. Les CPAS sont en train de licencier à cause des coupes que vous avez décidé d'opérer. Une de mes amies, Barbara, travaille dans un CPAS. Après 10 ans de travail, elle a été licenciée à quelques mois de l'exclusion des chômeurs. Les CPAS ne sont pas prêts à accueillir toutes ces personnes. Par conséquent, nous allons au-devant de très grandes difficultés, madame la ministre.
Anneleen Van Bossuyt:
Madame la présidente, je voudrais réagir. Madame Schlitz, si j'ai l'habitude que vous m'insultiez chaque fois que je prends la parole, je n'accepte pas du tout que vous insultiez mes collègues au sein du cabinet. Donc, vous pouvez m'insulter tout votre soûl, mais n'insultez pas des gens qui travaillent au quotidien avec sincérité! Voilà que vous riez, maintenant!
Sarah Schlitz:
Des gens qui travaillent avec sincérité pour exclure des personnes du chômage.
Anneleen Van Bossuyt:
J’ai l’habitude que vous m’insultiez. Insulter les gens, c'est ce que vous faites. Vous pouvez m'insulter, mais pas les gens qui travaillent dans mon cabinet. Merci.
De voorzitster : Nog een laatste woord, mevrouw Schlitz.
Sarah Schlitz:
Le dernier mot est au Parlement. Madame la ministre, je ne vous insulte pas, vous. Ce que je fais, c'est vous dire que les politiques que vous menez font le jeu du Vlaams Belang. C'est ce que je vous ai répondu la dernière fois. Est-ce que je vous insulte, vous? Regardez, ils se frottent les mains. Ils le savent. Qu'est-ce que je vous dis aujourd'hui? Qu'on dirait qu'en effet, vous êtes en train de faire en sorte avec vos équipes – vous ne travaillez pas toute seule – de rendre plus difficile le quotidien d'un certain nombre de personnes et de certains dirigeants au niveau wallon, au niveau des grandes villes en particulier. Voilà ce qui est en train de se passer. Ce n’est qu’un décryptage de la méthode politique que vous mettez en place. Et je n'insulte personne, madame la ministre. Je ne vous ai pas attaquée personnellement. Ce sont vos politiques que j'attaque et que je dénonce. De voorzitster : Misschien moeten we het laatste woord aan het Parlement laten, zoniet blijven we discussiëren. Ik denk niet dat jullie het met elkaar eens zullen worden.
Het schrappen van de subsidie voor advocatenpraktijk Casa legal, die juridische bijstand biedt
Het in het gedrang komen van de werking van Casa legal
De vzw Casa legal
De toekomst van Casa legal
De financiering van Casa legal, een prioriteit voor de toegang tot het gerecht
De federale ondersteuning van de vzw Casa legal en het beroep van de Orde van Vlaamse Balies
De financiering en toekomst van vzw Casa legal en haar juridische bijstand
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de dreigende stopzetting van de federale subsidie voor Casa Legal, een innovatief Brussels multidisciplinair advocatenkantoor dat holistische juridische en psychosociale hulp biedt aan kwetsbare groepen (o.a. 982 aanvragen in 2025, vooral vrouwen en slachtoffers van geweld). Kernpunt: minister Verlinden bevestigt dat de achterstallige betalingen voor 2024 (saldo) en 2025 (voorschot) in november worden vrijgegeven, maar de toekomst na 2026 blijft onzeker door een lopend beroep bij het Grondwettelijk Hof (ingediend door de *Orde van Vlaamse Balies*, OVB), dat de legaliteit van de subsidie betwist. Critici (meerdere partijen) wijzen op het risico dat politiek-communitaire druk (OVB vs. OBFG) en budgettaire onwil een succesvol pilootproject—met lopend wetenschappelijk onderzoek (ULB/UCL)—voortijdig doorkruisen, terwijl de aangekondigde studie pas in 2026 resultaten oplevert. Verlinden benadrukt dat ze geen budgettaire coupes plant in de tweede-lijns juridische bijstand, maar stelt geen garanties voor 2026—wel eist ze een gezamenlijk voorstel van OVB, OBFG en Casa Legal voor een landelijke oplossing, zonder dat dit een voorwaarde is voor verdere financiering. Belangrijkste bezwaar: het project dreigt te sneuvelen door procedurele vertraging en communautaire tegenstellingen, terwijl de maatschappelijke meerwaarde (toegankelijkheid, kostenefficiëntie) breed wordt erkend.
Voorzitter:
Dank u, mevrouw De Wit.
Je prends votre point en considération.
Minister Annelies Verlinden : (…)
Voorzitter:
Je pense qu’on a bien entendu la remarque de Mme De Wit. La ministre a déclaré hors micro qu’elle était disponible la semaine dernière mais que les travaux n’ont pu se tenir. Je crois effectivement qu’on doit essayer de veiller à avoir le plus régulièrement possible des séances de questions orales comme le prévoit l’esprit du Règlement. C’est aussi la volonté que nous avons, et c’est pour cette raison que nous avons organisé cette semaine deux sessions de questions orales: c’est pour être sûr d’avoir terminé les questions avant cette semaine de coupure.
Donc, j’entends la remarque de Mme De Wit. Je pense qu’on essaie de faire le maximum pour répondre le plus rapidement possible aux questions. Passons maintenant aux questions. Nous allons débuter par un débat d'actualité.
Voorzitter:
Pour rappel, les débats d'actualité permettent aux intervenants qui ne seraient pas inscrits de se joindre soit aux questions soit aux répliques.
Khalil Aouasti:
Monsieur le président, en guise de préambule, je sais que la ministre et moi-même ne sommes pas toujours d'accord, mais je dois reconnaître qu'elle est souvent, et même toujours, là. Il faut pouvoir le saluer. Elle reste même jusqu'au bout pour répondre aux questions. Il faut pouvoir reconnaître la disponibilité de la ministre pour cette commission. Et c'est fort heureux.
Madame la ministre, comme vous le savez, le groupe socialiste est un fervent défenseur du modèle de cabinet multidisciplinaire d'avocats dédiés à l'aide juridique. Ce type de structure permet d'offrir au public le plus précarisé une approche globale de ses difficultés où les questions juridiques et psychosociales s'entremêlent. Pour nous, ces cabinets à vocation holistique contribueront à rendre notre justice plus accessible pour ce public, en complément de l'aide juridique de seconde ligne traditionnelle. C'est pourquoi, sous la précédente législature, vos prédécesseurs, aussi bien M. Van Quickenborne que M. Van Tigchelt, ont lancé le projet pilote avec le cabinet d'avocats Casa legal, qui poursuit ce modèle. Or, il nous revient que, malheureusement le cabinet est en grande difficulté alors que ni le solde du budget 2024 ni l'avance 2025 ne lui ont été versés.
Par ailleurs, l'incertitude règne pour 2026 alors qu'une étude universitaire vient de débuter pour évaluer ce modèle, notamment sur le plan économique. En outre, il ressort de certaines informations que, malgré le soutien de la bâtonnière de Bruxelles (et, en partie de l'OBFG) et bien qu'il n'en dépende pas, vous céderiez aux pressions de l'OVB. Pour rappel, celui-ci a introduit un recours en annulation – non suspensif pour le budget 2025 – devant la Cour constitutionnelle, dont l'arrêt n'est pas attendu avant le second semestre 2026, au plus tôt.
Or couper la subvention, c'est avorter un projet et jeter à la poubelle deux ans de financement fédéral, ainsi qu'une étude économique d'ampleur (à savoir, le projet de recherche SCALA LEGAL, démarré en septembre 2025 et financé par la Région de Bruxelles-Capitale) poursuivie par quatre centres de recherche de l'ULB et de l'UCL.
Madame la ministre, quand les budgets 2024 et 2025 seront-ils libérés? Pour quelle raison, posez-vous de telles difficultés au projet Casa legal? Dans l'hypothèse où vous entendiez y mettre un terme, quelles sont les alternatives que vous allez offrir aux nombreux justiciables (982 sollicitations depuis janvier 2025, dont plus de 600 femmes) qui attendent ce suivi multidisciplinaire? D'autres coupes budgétaires sont-elles attendues dans le budget de l'aide juridique de deuxième ligne?
Alain Yzermans:
Mevrouw de minister, ik vind het belangrijk dat juridische innovaties die bijdragen tot globale benaderingen van rechtsproblemen , in dit geval de holistische benadering van kwetsbare rechtszoekenden, worden aangemoedigd. Dergelijke unieke proefprojecten dragen bij tot een grotere toegankelijkheid van onze rechtsbedeling en kunnen er in de 360°-benadering ook complexere juridische dossiers worden opgenomen. Dat gaat verder dan de klassieke aanpak.
Ik wil u enkele cijfers niet onthouden. Sinds de start van het pilootproject in 2023 werden meer dan duizend aanvragen ingediend. Ongeveer 300 dossiers werden begeleid; de overige aanvragen werden doorverwezen volgens het principe van complementariteit met de klassieke advocatuur. Elk dossier vertegenwoordigt een persoon met meerdere, multicomplexe, psychosociale problemen. Het is belangrijk dat aanvullend kan worden gewerkt, zodat organisaties de dossiers grondig kunnen uitspitten en de problematieken centraliseren. We moeten dergelijke organisaties, zoals Casa Legal, en hun methode appreciëren en verder ondersteunen.
Hoe zit het met de laatste schijf van de subsidie van 2024 en het voorschot dat voor 2025 was beloofd?
Is er nog enig langetermijnperspectief?
Tot slot, worden de binnenkort verwachte resultaten van de studie van de ULB en de UCLouvain eveneens meegenomen in de beoordeling?
Pierre Jadoul:
Madame la ministre, le cadre du projet ayant été bien tracé par mes collègues MM. Aouasti et Yzermans, je poserai simplement quelques questions sur le blocage des crédits. Quelle est la cause de ces retards? À quelle date concrète pensez-vous que la libération du solde des budgets 2024 et 2025 interviendra? Qu'est-il prévu concernant l'évaluation de ce projet pilote? Sur la base de quels critères cette évaluation sera-t-elle réalisée? Qu'en est-il de la pérennité du projet dans les années à venir? Quels sont les engagements qui ont été pris? Et enfin, quelle est votre position à propos du respect de ces engagements?
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, onze fractie is een vrij grote voorstander van een veel vlottere toegang tot justitie. Wij hebben in het verleden ter zake ook heel veel voorstellen gedaan. In samenwerking met de commissie voor Justitie hebben wij bijvoorbeeld ook gewerkt aan de verhoging van de inkomensgrenzen.
Wij ijveren er nu ook al enkele jaren voor om aan het model van holistische advocatenkantoren een juridische basis te geven vanuit de vaststelling, zoals sommige leden al hebben aangegeven, dat sommige rechtzoekenden worden geconfronteerd met een veelheid aan juridische problemen die vaak niet altijd door één advocaat of één advocatenkantoor kunnen worden opgenomen. Vaak worden zij geconfronteerd met een veelheid aan problemen zowel op juridisch als op sociaal vlak en die kunnen holistisch in een juridische context met sociale ondersteuning worden behandeld. Daarom is het project van Casa legal uniek en heel waardevol.
De problematiek is geschetst door de andere vraagstellers. Ik heb er moeite mee dat, terwijl er een pilootproject nog enkele jaren lopende is en een studie is opgestart om op een wetenschappelijk onderbouwde wijze de methodiek en het pilootproject te onderzoeken en te analyseren of het voldoet aan de noden en welke waardevolle lessen eruit kunnen worden getrokken, er wordt beslist om de ondersteuning stop te zetten en de werking te beëindigen. Dat wordt niet zomaar gedaan bij een pilootproject. Dat wordt zeker niet gedaan wanneer de evaluatie nog volop bezig is.
Ten eerste, hoe beoordeelt u de impasse rond Casa legal en de weigering van de OVB om deel te nemen aan een gezamenlijk pilootproject?
Ten tweede, is het correct dat een eventuele budgetlijn pas in 2026 kan worden ingeschreven en enkel op voorwaarde dat de OVB en de OBFG akkoord gaan met een gezamenlijke oplossing?
Ten derde, acht u het wenselijk om de voortzetting van een innovatief project als Casa legal afhankelijk te maken van de instemming van de balies?
Ten vierde, zult u stappen ondernemen om te waarborgen dat Casa legal minstens kan blijven bestaan tot de lopende studie is afgerond, zodat de resultaten effectief kunnen worden meegenomen in het beleid en de eventuele nieuwe oriëntaties nadien?
Ismaël Nuino:
Madame la ministre, je ne vais pas répéter l'ensemble des éléments qui ont déjà pu être donnés sur Casa legal. Par ailleurs, nous avons déjà eu l'occasion d'échanger à ce sujet. Au regard de ce qu'est Casa legal, de cette approche holistique de la justice et d'une prise en charge des personnes qui sont en grande difficulté, autrement que par le prisme étriqué parfois d'un simple cabinet d'avocats, je pense qu'un des grands objectifs de cet accord de gouvernement est de rendre la justice accessible. Ce genre de cabinet y participe activement.
Certes, cela a un coût, mais cela constitue aussi un apport sociétal important. Cela a été répété par plusieurs des collègues. Une étude est en cours, qui serait par ailleurs mise à mal si la pérennité de l'organisme n'était pas garantie, pour pouvoir vérifier l'apport même économique que cela peut représenter. Donc, on pourra avoir des éléments tangibles et concrets sur lesquels se reposer.
Aujourd’hui, je voulais attirer à nouveau l’attention sur le sujet et poser les mêmes questions que mes collègues sur le solde de 2024 et les paiements pour 2025 et 2026. De plus, cela peut être l’occasion pour vous de nous expliquer votre vision de ce cabinet et, de manière plus générale, les façons dont on peut participer de manière innovante à – c'est peut-être un peu galvaudé – démocratiser la justice et son accès. C'est un objectif qu'on devrait et qu'on pourrait toutes et tous poursuivre.
François De Smet:
Madame la ministre, en effet, c'est depuis 2023 que le SPF Justice soutient financièrement, à hauteur d'un peu plus d'un million d’euros, ce projet Casa legal – cette ASBL bruxelloise assez novatrice dans son genre, qui associe avocates, assistantes sociales, médiatrices, juristes de première ligne et psychologues. On a déjà souligné ici l’aide juridique holistique et multidisciplinaire. On devrait encore souligner que cette ASBL agit surtout pour les plus vulnérables. Je pense aux victimes de violences intrafamiliales et sexuelles.
Le projet pilote, lancé sous le précédent gouvernement, sur décision de votre prédécesseur, devait de toute façon être évalué sur plusieurs années, jusqu'en 2029. On le sait, on l'a dit, un suivi scientifique conjoint de l'ULB et de l'UCL est en cours.
L'Orde van Vlaamse Balies (Ordre des barreaux flamands) (OVB) a introduit un recours devant la Cour constitutionnelle, contestant la légalité du subside fédéral octroyé à Casa legal, au motif qu'il créerait une inégalité de traitement entre avocats et qu'il interférerait avec les compétences communautaires en matière d'aide juridique en première ligne.
Cette procédure, à son issue, n'interviendra pas avant 2026. Cela risque de compromettre la continuité d'un projet qui est unanimement souligné pour son impact social, en ce compris par des figures judiciaires et académiques d'importance.
Mes questions recoupent celles des collègues. Confirmez-vous votre soutien politique et institutionnel au projet Casa legal, malgré la procédure engagée par l'OVB? Le gouvernement fédéral entend-il maintenir la subvention annuelle prévue pour 2026, le temps que la Cour constitutionnelle se prononce, afin d'éviter la disparition prématurée du projet? Quelle est votre analyse de la compétence fédérale en la matière? Partagez-vous l'avis selon lequel Casa legal s'inscrit dans le cadre de l'aide juridique de seconde ligne, relevant donc bien du fédéral? Comptez-vous défendre le principe d'une approche multidisciplinaire de l'aide juridique, combinant droit, médiation et accompagnement psychosocial comme modèle d'avenir pour améliorer l'accès à la justice?
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, comme mes collègues l'ont déjà dit, Casa legal accomplit un travail très important, essentiel et unique dans notre pays. Ce cabinet réunit des avocats, des travailleurs sociaux, des médiateurs, des juristes, des psychologues afin d'offrir leurs services de manière très accessible. J'en veux pour preuve les 982 sollicitations depuis le début de l'année 2025. C'est un projet innovant, ayant une approche holistique et qui contribue à l'accessibilité de la justice.
En 2023, une subvention structurelle a été octroyée au projet jusqu'en 2029, qui doit être renouvelée chaque année. Entre-temps, des équipes de recherche de l'ULB et de l'UCL mènent une étude sur le fonctionnement de Casa legal qui pourrait faire la lumière scientifiquement sur les apports de ce projet. On a lu dans la presse que Advocaat.be a récemment introduit un recours devant la Cour constitutionnelle contre ces subventions. Ce recours met en péril la pérennité de l'ASBL Casa legal.
Madame la ministre, le recours introduit par Advocaat.be ne sera examiné que durant le deuxième trimestre 2026. Quelles seront les conséquences pour les subventions de 2026? Seront-elles tout de même accordées? Assurerez-vous la continuité des subventions qui avaient initialement été garanties jusqu'en 2029? Quelles seraient les conséquences pour la recherche qui est en cours? Confirmez-vous aujourd’hui votre soutien au projet Casa legal?
Annelies Verlinden:
Chers collègues, le projet Casa Legal nous est bien connu. Nous avons déjà eu plusieurs échanges avec ses représentants concernant leurs subventions.
Comme vous l’avez indiqué, messieurs Aouasti et De Smet, l’Orde van Vlaamse Balies (OVB) a formulé de sérieuses critiques sur la légalité et les aspects juridiques de ce projet, et a introduit une procédure devant la Cour constitutionnelle.
Je tiens à rappeler l’importance d’une aide juridique accessible et pluridisciplinaire pour les personnes confrontées à des problématiques complexes. C’est précisément pour cette raison que mes collaborateurs ont récemment convié Casa legal, l’OVB et l’Ordre des barreaux francophones et germanophone (OBFG) à une réunion. Nous leur avons demandé d'élaborer une proposition commune visant à mettre en place une approche pluridisciplinaire pour les personnes confrontées à des problématiques multiples, afin que chaque justiciable puisse y avoir accès. L’objectif est de favoriser une collaboration qui permette d’offrir des solutions à l’échelle de l’ensemble du territoire.
Monsieur Nuino, cette innovation juridique est ainsi mise en œuvre au bénéfice de tous les justiciables. Dans ce cadre, les questions liées à la répartition des compétences doivent évidemment être examinées.
Collega Van Hecke, ik heb zeker niet de indruk dat de OVB geen medewerking zou verlenen of zou willen verlenen aan de opstart van een gezamenlijk pilootproject. Wel integendeel, dat is immers exact wat tijdens het voorafgaand overleg, waarnaar ik daarnet al verwees, werd overeengekomen. Anders dan u laat uitschijnen, werd dat niet als voorwaarde gestipuleerd voor de eventuele toekenning van enige subsidie voor 2026.
Le système de subventions facultatives fait actuellement l'objet de discussions dans le cadre du conclave budgétaire en cours. Casa legal a été informée du fait que ces subventions seraient examinées lors des négociations budgétaires, et qu'aucune garantie ne pouvait être donnée à cet égard. Mon cabinet est donc pleinement informé de leur demande et reste en concertation avec eux.
En ce qui concerne l'aide juridique de deuxième ligne, qui relève de ma compétence et qui doit être distinguée des subventions facultatives, je peux vous confirmer, monsieur Aouasti, qu'aucune coupe budgétaire n'est envisagée pour l'instant. Nous souhaitons optimaliser son fonctionnement, ce qui pourrait se traduire par certaines économies. La qualité actuelle du service et l'accès à celui-ci seront maintenus. Ni les justiciables ni les avocats ne seront impactés.
Collega’s Yzermans, Jadoul en Nuino, ik kom tot uw bijkomende vragen over dit onderwerp. Wij informeerden Casa legal recent dat prioriteit wordt gegeven aan onder meer hun dossier om de middelen met betrekking tot het saldo voor 2024 en het voorschot voor 2025 vrij te geven. Er werd ons bevestigd dat de uitbetalingen in november zullen kunnen worden uitgevoerd. Door de verschillende overlegmomenten met Casa legal namen wij tot slot kennis van het universitair onderzoek dat door de UCLouvain en ULB werd opgestart. Zoals eerder toegelicht, dient dat te worden gekaderd in de hiervoor geschetste discussie.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je vous remercie déjà de nous indiquer qu'enfin les soldes de subsides 2024 et les subsides 2025 seront effectivement libérés en ce mois de novembre et qu'ils ne font pas l'objet des discussions relatives aux subventions facultatives. C'est en effet important de pouvoir respecter les conventions telles qu'elles ont été faites. Ceci rassurera certains acteurs.
Il n'en reste pas moins, madame la ministre, que je ne comprends pas certaines choses. C'est parce que l'OVB a introduit un recours en annulation qu'on réfléchit à changer un cadre. À vous écouter, dès que l'OBFG ou l'OVB introduira un recours en annulation devant la Cour constitutionnelle, que ce soit en Asile et Migration contre une loi jugée liberticide, que ce soit en Justice contre une loi où les droits fondamentaux reculent, que ce soit en Intérieur, notamment sur la future loi annoncée sur les organisations radicales parce qu'elle est considérée aussi liberticide, d'un seul coup, vous allez arrêter l'ensemble de la mécanique et attendre que la Cour constitutionnelle se prononce.
Est-ce une pratique que vous allez adopter de manière constante ou plutôt une pratique conjoncturelle parce qu'un organe, l'OVB, fait pression sur vous, ce dossier prenant des tournures très communautaires? Il faut pouvoir le dire.
Il est ici question d'accès à la justice, de la mise en place d'une étude scientifique pluriannuelle pour définir si cet accès à la justice peut être renforcé et à moindre coût pour les finances fédérales. On ne parle pas de répartition des compétences mais bien de deuxième ligne juridique qui jusqu'à présent – sauf s'il s'agit de "compétences usurpées", mots qui reviennent souvent ces derniers temps – est encore une compétence fédérale. C'est donc pleinement votre compétence que d'assurer en réalité le financement de cette deuxième ligne de l'aide juridique, en ce compris par des projets pilotes qui permettraient à terme peut-être de réduire le budget de l'aide juridique de deuxième ligne au global et au final.
Il ne faut donc pas céder aux pressions communautaires néerlandophones, qui ont des appétits voraces pour changer le modèle de l'aide juridique tel qu'ils nous l'avaient présenté il y a peu, mais il faut soutenir un projet qui a tout son sens et qui ne coûte pas si cher: 1 000 dossiers à 1 million d'euros, cela revient à 1 000 euros bruts le dossier. Ce n'est vraiment pas cher, croyez-moi! Pour avoir été avocate, vous le savez vous-même. Il s'agit donc de soutenir ce projet encore et toujours en 2026: 1 million sur 2,6 milliards d'euros, ce n'est vraiment pas grand-chose dans votre budget! Et, si vous faites ce choix, ce sera un choix conscient et il faudra en tirer des conclusions: vous aurez cédé à la pression du camp néerlandophone.
Alain Yzermans:
Mevrouw de minister, ik ben blij te horen dat de financiering van 2024 en 2025 gefaseerd zal worden afgehandeld. Wij blijven wel pleiten voor een multidisciplinaire thematiek en insteek. In een complexe wereld met complexe problemen is het belangrijk om die op een andere dan de klassieke manier aan te pakken. De tentoongespreide innovatie moet kansen krijgen en mogelijk ook behouden blijven, wat in een globaal kader dient te worden bekeken. Verder lijkt het mij belangrijk om dergelijke initiatieven, zoals dat van afgelopen vrijdag bij het bezoek aan het Vlinderpaleis, waarbij het welzijnsloket een geïnstitutionaliseerde vorm van een multicomplexe aanpak is, zeker te onderschrijven en te proberen mee te ondersteunen.
Pierre Jadoul:
Madame la ministre, je juge inutile de vous expliquer le soutien que je suis susceptible d'apporter à ce projet. Je me réjouis des informations que vous communiquez quant au paiement des soldes dus pour 2024 et 2025. Cela ne résout évidemment pas la situation pour le futur. J'en appelle donc à votre sens des responsabilités pour que ce projet puisse effectivement se poursuivre dans le temps de cette évaluation qui est en cours. Je vous remercie.
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. We zijn op de hoogte van het beroep bij het Grondwettelijk Hof, maar er is nog geen uitspraak, dus zolang er geen uitspraak is, lijkt het me voorbarig om te beslissen om die financiering voortijdig stop te zetten.
U zegt wel heel duidelijk in antwoord op een van de vragen dat voor het budget van 2026 er geen voorwaarde is dat er een akkoord moet zijn met OVB en Avocats.be. Dat is een belangrijk antwoord en verduidelijking.
Minder duidelijk bent u over hoe we nu verder gaan. Dat is ook het punt dat ik wil maken. Wanneer er beslist wordt om voor een pilootproject te gaan, omdat we er allemaal van overtuigd zijn – de vorige regering eveneens – dat het een waardevol initiatief kan zijn, moet men dat pilootproject toch enkele jaren laten lopen om de resultaten ervan te kunnen evalueren. Het is me niet duidelijk hoe u daarnaar kijkt, maar het lijkt mij niet logisch dat men, terwijl een pilootproject en de wetenschappelijke evaluatie daarvan nog lopende zijn, al besluit om de financiering stop te zetten. Dat wetenschappelijk onderzoek kan positief uitvallen, maar het kan ook opmerkingen opleveren. Vervolgens moeten we op basis van dat onderzoek beslissingen nemen en het debat voeren over de verdere aanpak.
Voor ons is een multidisciplinaire aanpak in ieder geval essentieel. Voor veel rechtszoekenden, die vaak verloren lopen in justitie en meer dan alleen juridische hulp nodig hebben, is het echt belangrijk dat een dergelijk systeem bestaat. Ik hoop dan ook dat u dat zeer grondig ter harte zult nemen, ook voor 2026.
Ismaël Nuino:
Madame la ministre, je vous remercie pour les réponses que avez pu apporter.
Je veux rappeler l'importance du modèle qui est proposé par Casa legal. S’agissant d’un projet pilote, il doit pouvoir être étudié. L'étude doit donc pouvoir continuer; en plus, elle est déjà financée.
Nous avons visité le palais de justice d'Anvers vendredi. Ils ont placé là aussi un hub qui permet aux justiciables de venir poser toutes leurs questions. Ils nous expliquaient l'utilité et le bien-fondé de ce genre de hub qui est super important, parce que chacun n'est pas armé face à la complexité de notre système judiciaire. Je pense que des modèles tels que Casa Legal doivent aussi nous permettre d'explorer ce qui est possible. C'était un simple rappel qu'il est très important de continuer à soutenir ce genre de projets.
Vous avez mentionné une tentative d'accord entre les différents acteurs. Je ne peux que la saluer. C'est un problème qui semble soluble. Pour moi, le compromis ne pourra pas être la disparition pure et simple de Casa legal. Si on doit trouver un compromis, chacun doit se demander là où il peut avancer ou reculer. Ce n'est pas à vous que je dois donner cette explication. Mais cela ne peut pas simplement se terminer pas un blocage d'un côté, qui mènera à l'impossibilité de poursuivre cette initiative, qui semble particulièrement importante pour un grand nombre d'acteurs du monde judiciaire également.
François De Smet:
Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses. Je prends note que vous laissez entendre que les soldes seront libérés pour le passé. Tant mieux. Je prends note de votre engagement à ce que la qualité du service soit maintenue, ce sont vos mots précis. Dont acte. C'est important, mais pour le reste et pour l'avenir, je pense que vous ne devez pas vous laisser impressionner par l'OVB et ses attaques juridiques en vue de faire évoluer le cadre, parce que c'est cela qui est en train de se passer. On connaît malheureusement cette technique.
Cette initiative est saluée par le monde judiciaire et académique. Elle porte ses fruits et doit être soutenue. On parle d'un budget d'un million d'euros par an. C'est beaucoup et peu à la fois. Vous êtes en train de demander un milliard d'euros en conclave pour la Justice. On verra peut-être cette nuit si vous l'obtenez, ce que je vous souhaite. Mais dans tous les cas, un million est peu de choses en termes de leviers par rapport à tout ce que cela apporte, notamment pour les victimes qui sont accompagnées et qui, à mon avis, ne comprendraient pas que ceci s'arrête tout simplement, pour des conflits institutionnels et communautaires qui les dépasseront très vite. Je crois que l'aide offerte aux victimes accompagnées vaut bien plus que cela.
Je vous remercie d'avance d'essayer de continuer à soutenir ce projet autant que possible.
Voorzitter:
La question n° 56007206C de M. Gatelier est transformée en question écrite. La ministre peut rester jusqu’à 19 h 30. Si vous avez la possibilité ou la volonté de vous en référer à votre question écrite, n’hésitez jamais à le faire.
De toekomst van het Welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Welzijnsonthaal in Antwerpen (Vlinderpaleis), een succesvolle brug tussen Justitie en Welzijn, dreigt te sluiten door stopzetting van stadssubsidies (per juni 2025), omdat het CAW de werking nu structureel zou moeten dragen—wat de stad niet langer financiert. Minister Verlinden bevestigt logistieke en huisvestingssteun van Justitie (5 medewerkers) maar wijst financiering van CAW-personeel af, terwijl Dillen pleit voor behoud en uitrol naar andere rechtbanken, met koppeling aan griffies, parket en juridische hulp. *Besluit sluiting nog niet definitief*, maar stad en CAW blijven knelpunt; geen concrete plannen voor landelijke uitrol gemeld.
Marijke Dillen:
Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag.
Mevrouw de Minister,
Het Welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis te Antwerpen functioneert goed en beantwoordt aan een duidelijke nood. Er gaan geruchten dat door tekorten bij het CAW dit zou gesloten worden. Dit is allesbehalve wenselijk. Integendeel, een verdere rol is absoluut aangewezen om de noodzakelijke brug tussen Justitie en Welzijn te blijven leggen.
Ook een uitrol van een Welzijnsonthaal in elke hoofdplaats van een afdeling is wenselijk waarbij zowel een persoonsgerichte als een structurele werking moet worden beoogd en er een link moet zijn tussen de griffiers en de parketsecretariaten, de juridische eerste- en tweedelijnsbijstand en het lokale CAW.
Kan de Minister meer toelichting geven betreffende de mogelijke plannen om het Welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis te sluiten ? Heeft er overleg plaatsgevonden met het CAW ? Is deze beslissing reeds definitief ? Of gaat de Minister een initiatief nemen om de toekomst van dit Welzijnsonthaal te garanderen ?
Heeft de Minister reeds initiatieven genomen om ook in andere Rechtbanken een Welzijnsonthaal uit te rollen ? Zo ja, wat is de stand van zaken ? Welke stappen werden er reeds gezet ? Welke middelen worden er hiervoor vrijgemaakt ? Zo neen, gaat de Minister een initiatief nemen om ook in andere Rechtbanken een welzijnsonthaal te realiseren ?
Annelies Verlinden:
Het welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis in Antwerpen is ontstaan als een samenwerking tussen de rechtbank van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbank, de arbeidsrechtbank, het Openbaar Ministerie, de balie, het CAW Antwerpen en de stad. Financieel steunde het welzijnsonthaal op projectsubsidies van de stad. De logistieke ondersteuning werd geleverd door Justitie. De balie voorzag in eerstelijnsbijstand.
In juni 2025 gaf de stad aan dat zij de projectsubsidies wenste stop te zetten, omdat daarmee structureel medewerkers van het CAW werden betaald, wat volgens de stad niet tot haar bevoegdheden behoorde. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg organiseerde daarop een overleg met alle betrokken actoren. De stad benadrukte tijdens het overleg dat de projectsubsidie niet langer kan en moet worden betaald, aangezien het welzijnsonthaal ondertussen deel is gaan uitmaken van de reguliere werking van het CAW.
Hoewel de financiering van het CAW niet onder mijn bevoegdheid valt, blijven wij ons engageren om de logistieke ondersteuning door een vijftal medewerkers en de huisvesting van het welzijnsloket te verzekeren.
Marijke Dillen:
Mevrouw de minister, dat is positief nieuws. Ik heb al herhaaldelijk aangegeven dat het welzijnsonthaal in het Vlinderpaleis bijzonder goed functioneert en aan een aantal noden tegemoetkomt. Het zou dan ook bijzonder spijtig zijn, mocht dat gesloten worden. Ook de magistraten zullen u dankbaar zijn, want uit uw antwoord begrijp ik dat u de financiering van de medewerkers van het CAW naar Justitie zult overhevelen. Dat is een goede zaak.
Ik betreur alleen de beslissing van de stad, want zij had ook veel voordeel bij een goede werking van het welzijnsonthaal.
Voorzitter:
La question n° 56009398C de M. Van Hoecke est transformée en question écrite, tout comme les questions n° 56009433C de Mme De Wit et n° 56009445C de M. Ribaudo.
Marijke Dillen:
Mijnheer de voorzitter, graag wil ik de samengevoegde vragen nr. 56009502C van mevrouw De Wit en nr. 56009556C van mezelf uitstellen op vraag van collega De Wit.
Voorzitter:
Ces questions sont donc reportées. La question n° 56009503C de Mme De Wit est transformée en question écrite.
Het effect van nachtwerk op de gezondheid van vrouwen
De hervorming van de nachtpremies
De bepalingen inzake nachtarbeid uit het zomerakkoord
De bevraging van de sociale partners inzake nachtarbeid
De versoepeling van nachtarbeid en de verdere uitholling van de sociale zekerheid
De toepassing van de nieuwe regels inzake nachtarbeid
Nachtarbeid (1)
Nachtarbeid (2)
Nachtarbeid (3)
De hervorming van het nachtwerk
Nachtarbeid, hervormingen en gevolgen voor gezondheid en sociale zekerheid
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de hervorming van nachtarbeid en -premies, waarbij de regering het nachtwerk wil uitbreiden (van 20u-6u naar 00u-05u voor nieuwe contracten in 5 paritaire comités) om de concurrentiekracht van e-commerce en distributie te versterken, maar kritiek oogst op gezondheidsrisico’s (vooral voor vrouwen), loonsverlies (tot €560/maand voor nieuwe werknemers) en ondermijning van collectieve arbeidsovereenkomsten. De minister benadrukt geen loonsverlies voor bestaande werknemers, vrijwilligheid en preventiemaatregelen, maar oppositiepartijen wijzen op sociale dumping, gebrek aan evaluatie en tegenstrijdigheden met ILO-normen en eerdere toezeggingen. De focus ligt op 5 sectoren (o.a. detailhandel, logistiek), maar uitbreiding via koninklijk besluit blijft mogelijk.
Voorzitter:
Collega’s, ik wil meedelen dat de leden die een vraag zeker behandeld willen zien – er zijn namelijk heel veel vragen, ook vragen die al dateren van de maanden mei en juni – de minister kunnen vragen om het antwoord onmiddellijk te krijgen. Dat heeft het kabinet toegezegd. Op die manier kunt u uw vragen zeker stellen.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, une étude anglaise publiée par RG Open Research s'est penchée sur les conséquences du travail de nuit sur la santé des femmes. En conséquence, les femmes effectuant exclusivement du travail de nuit présentent 50 % plus de risques de développer un asthme modéré à sévère que les femmes travaillant de jour. Ce risque n'est pas observé chez les hommes, quels que soient leurs horaires de travail. Par ailleurs, chez les femmes ménopausées sans traitement hormonal de substitution, ce risque est presque deux fois plus élevé.
Monsieur le ministre, votre gouvernement a décidé d'intensifier le travail de nuit en l'étendant à tous les secteurs. Quelle politique de prévention va être mise en place? Les employeurs seront-ils sensibilisés et responsabilisés à cette problématique?
Une personne ménopausée actuellement au chômage sera-t-elle forcée d'accepter un travail de nuit au risque d'être sanctionnée si elle refuse? Quelles seront les potentielles répercussions de cette réforme sur la santé de la population? Ces répercussions feront-elles l'objet d'un suivi?
Par ailleurs, de manière plus générale, vous avez décidé de réduire l'application des primes de nuit au travail effectué entre minuit et 5 h du matin, alors qu'actuellement, ces primes sont dues pour tout travail effectué de 20 h à 6 h du matin. Je vous entends dire que c'est faux, de sorte que je me réjouis d'entendre votre réponse, monsieur le ministre.
Cette réforme concernait initialement 10 commissions paritaires. J'entends que vous auriez retiré cinq commissions paritaires, à savoir les commissions ouvrières. Il ne resterait donc aujourd'hui que les commissions paritaires 201, 202, 226, 311 et 312, qui couvrent le commerce de détail alimentaire, la logistique, les grandes entreprises de vente au détail et les grands magasins. Confirmez-vous cette information?
Si nous ne pouvons que nous réjouir pour les commissions paritaires épargnées, nos inquiétudes restent entières pour les cinq restantes. Pour nous – et les syndicats le soulignent également –, cette réforme entraînera une baisse de revenus pour les travailleurs, alors même que ces primes constituent une compensation équitable pour des conditions de travail reconnues comme pénibles, nocives pour la santé et compliquant la conciliation avec la vie de famille.
Cette politique pose également une question de cohérence par rapport à l’engagement du gouvernement de récompenser ceux qui travaillent. Dans les faits, nous constatons que vous allez réduire le pouvoir d'achat des travailleurs de nuit.
Vous avez rappelé que la réforme ne s’appliquerait qu’aux nouveaux contrats et qu’aucun travailleur en place aujourd’hui ne verrait sa prime diminuée. J'imagine que c'est pour cette raison que vous vous échinez à dire que c'est faux. Mais c'est pour nous précisément pour cela que les salaires de travail de nuit vont être réduits, car le rapport de force sera d'autant plus défavorable pour les travailleurs en raison de cette modification. Les employeurs auront tout intérêt à remplacer le plus vite possible les anciens travailleurs par de nouveaux contrats moins coûteux; et ces nouveaux travailleurs entreront de facto avec des conditions salariales moindres.
Monsieur le ministre, quelles sont les motivations qui ont conduit au retrait des commissions paritaires ouvrières de cette réforme? Ce retrait résulte-t-il d’un choix politique du gouvernement ou d’un ajustement lié au processus de concertation sociale? Le périmètre des commissions aujourd’hui limité à cinq doit-il être considéré comme définitif, ou est-il encore susceptible d’évoluer, notamment suite aux avis du Conseil d’État, du Conseil National du Travail (CNT) et du Conseil Central de l’Économie (CCE)?
Comment le gouvernement justifie-t-il la cohérence entre les objectifs affichés de valoriser le travail alors même que cette réforme, en introduisant une différence de traitement entre anciens et nouveaux contrats, risque de fragiliser encore davantage la position des travailleurs de nuit et de renforcer un rapport de force défavorable entre eux?
Sophie Thémont:
Monsieur le ministre, selon une étude de l’économiste Olivier Malay, la réforme des primes de nuit adoptée dans le cadre de l’accord d’été entraînera une perte de rémunération importante pour de nombreux travailleurs et travailleuses, en particulier dans le commerce alimentaire, sans pour autant renforcer de manière ciblée le secteur de l’e-commerce, qui est pourtant présenté comme la motivation de la réforme.
L’étude chiffre la perte potentielle pour certains ouvriers du commerce alimentaire jusqu’à 560 euros bruts par mois, tout en générant une perte nette estimée à 20 millions d’euros pour la sécurité sociale et les impôts. Dans le même temps, les économies réalisées bénéficieraient principalement aux entreprises du commerce alimentaire, secteur très peu exposé à la concurrence étrangère en matière d’e-commerce. En définitive, ce sont celles et ceux qui occupent déjà des emplois pénibles et essentiels qui vont être pénalisés.
Monsieur le ministre, allez-vous enfin reconnaître que vous allez faire perdre des centaines d’euros aux travailleurs de nuit? Vous pouvez encore répéter que celui qui travaille déjà en horaire de nuit ne perdra rien. Néanmoins, celui qui démarrera en 2026 perdra bien des centaines d’euros par rapport au salaire qu’il aurait dû recevoir aujourd’hui. Pouvez-vous me le confirmer enfin, monsieur le ministre?
Quelles sont les estimations du gouvernement relativement à la perte mensuelle de salaire que subiront concrètement les travailleurs concernés par secteur?
Votre projet de loi contient-il des dispositifs anti-abus pour éviter que, demain, les entreprises concernées ne remplacent les travailleurs bénéficiant encore des primes entre 20 h et minuit par de nouveaux travailleurs qui n’en recevront plus? Merci d'avance pour vos réponses, si vous m'avez écoutée, bien évidemment.
François De Smet:
Monsieur le ministre, l'Arizona, dont l'imagination est fertile, a donc inventé, uniquement pour le monde du travail, la nuit qui commence à minuit, et non plus à 20 h. Pourtant le mot même, "minuit", aurait pu donner un certain indice qu'à cette heure-là, en général, on est au milieu de la nuit.
Tant pis pour l'alternance naturelle des jours et des nuits qui régit l'humanité depuis des centaines de milliers d'années. Tant pis pour le rythme circadien qui régit le corps humain et sa santé. L'Arizona, le MR, les Engagés, vous êtes plus forts que tout cela et vous avez décidé que la santé des travailleurs devait devenir la variable d'ajustement de certains commerces, notamment de la distribution.
Votre accord gouvernemental estival, en effet, entérine la suppression de l'interdiction générale du travail de nuit, et ne conserve pour les nouveaux contrats que la possibilité de prime entre minuit et 5 h du matin, et non plus entre 20 h et 6 h.
Ce ne sont pas seulement les syndicats qui s'interrogent, monsieur le ministre. Ce ne sont pas seulement les médecins. Ce sont aussi les économistes. Je pense à Étienne de Callataÿ, évoquant les conséquences pour la santé des travailleurs et le manque de responsabilisation des entreprises; ou Bruno Colmant, s'interrogeant sur la pénalisation de certaines professions comme les infirmières, ainsi que la défiscalisation des heures supplémentaires qui ne créerait pas de nouveaux emplois. Les deux que je cite, ce n'est pas, a priori , l'Internationale communiste.
On comprend bien le dilemme, évidemment. D'un côté, la santé des travailleurs; de l'autre, la compétitivité de certaines entreprises.
Oui, bien sûr qu'on a besoin que des travailleurs travaillent de nuit. Sans cela, des secteurs essentiels ne pourraient pas fonctionner. Mais non, néanmoins, l'être humain, a priori , n'est pas fait pour travailler la nuit. Ceux qui le font ont droit à des primes et à des considérations particulières, car leur santé est en danger. Et pas qu'un peu! Rappelons-le, la littérature est claire: troubles du sommeil, de la digestion, limitation directe de l'espérance de vie. Coût direct pour les travailleurs concernés, mais aussi pour la collectivité.
Monsieur le ministre, une étude d'impact sera-t-elle menée quant aux conséquences de cette réforme sur la santé des travailleurs? Quelles sont les justifications de l'adoption de la période de minuit à 5 h? Cette réforme du travail va-t-elle vraiment être génératrice d'emplois comme vous l'affirmez?
Axel Ronse:
Mijnheer de voorzitter Ducarme, sta mij toe op te merken dat u er vandaag bijzonder goed uitziet.
Mijnheer de minister, over de nachtarbeid wil ik de zaken even schetsen zoals ze zijn, want over die nachtarbeid wordt al sinds het begin van de legislatuur veel onzin verteld.
Iedereen die vandaag nachtarbeid verricht, zal zijn of haar premie behouden wanneer hij of zij vanaf 20.00 uur begint te werken. Iedereen, in alle sectoren behalve de paritaire comités die daarnet zijn opgesomd, en dus ook nieuwkomers, zal vanaf 20.00 uur een premie ontvangen.
Het enige wat verandert, is dat werknemers die nachtarbeid verrichten in een aantal sectoren pas vanaf middernacht met een premie zullen worden vergoed en dat het vetorecht van de vakbond niet meer zal gelden. Wij doen dat, omdat wij heel veel e-commerce verliezen aan onze buurlanden, in het bijzonder aan Nederland.
Mijnheer de voorzitter, sta mij dus toe om het volgende voorstel te doen. Dit voorstel hoort misschien eerder thuis onder de regeling van de werkzaamheden, maar ik stel voor dat wij met de commissie een bezoek brengen aan een aantal e-commercebedrijven in Limburg en vervolgens aan vergelijkbare bedrijven net over de grens, zodat iedereen ziet hoeveel mensen en jobs wij ondertussen al verloren hebben aan Nederland omdat wij een dergelijke regeling niet hebben.
Mijnheer de minister Clarinval, ik wil u, ten eerste, feliciteren met uw initiatief om de uitzondering op nachtarbeid mogelijk te maken voor nieuwkomers in de e-commercesector, maar ik wil, ten tweede, ook een bezorgdheid uiten. Ik hoor immers in het werkveld dat het aantal paritaire comités onvoldoende zou zijn.
Er vindt nu een consultatie plaats. Welke potentiële paritaire comités zouden nog kunnen worden toegevoegd, zodat wij zeker zijn dat ons doel wordt behaald, namelijk jobs hier houden?
Voorzitter:
Mijnheer Ronse, vorige week hebben leden van de commissie voor Economie blijkbaar een bezoek gebracht aan de e-commercesector.
Axel Ronse:
Ik stel in dat geval voor om de commissie voor Economie naar onze commissie voor Sociale Zaken uit te nodigen om die ervaringen te delen.
Voorzitter:
We kunnen alvast het verslag lezen.
Mijnheer Van Lysebettens, u hebt ook een vraag voor de minister. U hebt daarvoor twee minuten spreektijd.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, proficiat met de afschaffing van nachtarbeid in een aantal sectoren en dus met de reële loonsvermindering die de arbeiders in de betrokken paritaire comités zullen moeten slikken. Terwijl de koopkracht van de werknemers zal dalen, worden de fiscale voordelen voor bedrijven versoepeld of behouden. Met betrekking tot nachtarbeid ondersteunt de overheid ondernemingen reeds via loonsubsidies, namelijk door een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing vrij te stellen voor ondernemingen die ploeg- of nachtarbeid verrichten. Volgens berekeningen van het ABVV wordt op die manier een op de vijf werkdagen door de overheid gefinancierd.
Volgens berichtgeving in De Tijd krijgen bedrijven gemiddeld ruim 100.000 euro fiscaal voordeel door die subsidie. Hebt u een zicht op de effectiviteit daarvan, gelet op de begrotingsdoelstellingen? Pleit u ervoor om die subsidies naar beneden bij te schaven?
U stelde in uw beleidsnota dat de afschaffing tot meer internationale concurrentie moet leiden. Tegelijkertijd zien we dat in de getroffen paritaire comités ook veel sectoren zitten die eigenlijk niet onderhevig zijn aan internationale concurrentie, of toch niet op het vlak van nachtarbeid, zoals kansspelen, wasserijen en dergelijke. Welk belang hebben die sectoren bij die hervorming?
Net zoals bij de uitbreiding van de flexi-jobs ontbreekt ook hier een systeem van duidelijke monitoring en evaluatie. Het Rekenhof stelt immers dat de doelstelling van die loonsubsidie onvoldoende gedefinieerd noch geëvalueerd wordt. Het blijft onduidelijk of die subsidie daadwerkelijk leidt tot een sterkere concurrentiekracht van onze ondernemingen en of die de positie van bepaalde doelgroepen op onze arbeidsmarkt versterkt. Wanneer mogen we daarover een sluitend antwoord verwachten? Is het bovendien niet aangewezen om die evaluatie af te wachten alvorens het nachtwerk verder te versoepelen?
Nadia Moscufo:
Monsieur le ministre, le travail de nuit est actuellement défini comme étant le travail exécuté entre 20 heures et 6 heures. Dans votre exposé d'orientation politique, vous indiquez que, désormais, cette définition va changer et ce sera à partir de minuit et non plus 20 heures. Dans votre avant-projet que vous avez soumis au Conseil National du Travail (CNT), vous dites que, désormais, le travail de nuit sera défini comme étant le travail exécuté entre minuit et 5 heures.
Or, selon l'article 1 er de la convention de l'Organisation internationale du Travail (OIT), le travail de nuit est prévu tel quel. Il s'agit donc de tout travail effectué au cours d'une période d'au moins sept heures consécutives, comprenant l'intervalle entre minuit et 5 heures, à déterminer par l'autorité compétente, après consultation des organisations les plus représentatives des employeurs et des travailleurs ou par la voie des conventions collectives de travail.
Dès lors, votre volonté de limiter la définition du travail de nuit pour certains secteurs à la période de minuit à 5 heures est contradictoire avec cette convention de l'OIT. Comment envisagez-vous de concilier votre volonté de changer cette définition et le respect de la convention de l'OIT?
J'en viens à ma deuxième question. Dans les journaux du groupe Sudpresse du 29 septembre, vous avez déclaré que la limitation du paiement des primes de nuit pour la période de minuit à 5 heures ne concernera que les travailleurs de cinq commissions paritaires et qu'il s'agit uniquement des magasins de nuit et des entreprises qui font de l'e-commerce, et qui n'existent pas aujourd'hui en Belgique parce qu'elles sont établies aux Pays-Bas ou en Allemagne.
Pouvez-vous préciser quelles sont exactement ces cinq commissions paritaires? Dans votre avant-projet de loi, que vous avez soumis au CNT, il est prévu de limiter l'application de la période de nuit à cinq commissions paritaires, étant entendu que le gouvernement pourra ajouter d'autres commissions supplémentaires par le biais d'un arrêté royal. Confirmez-vous cette information?
Vous avez déclaré également que, si une grande surface crée un centre d’e-commerce, seuls les travailleurs qui y seront employés seront concernés tandis que les caissières, les gens qui remplissent les rayons ou qui conduisent les camions ne seront pas concernés. Toutefois, l’avant-projet de loi ne prévoit pas de distinction à l’intérieur des commissions paritaires entre les travailleurs rattachés à un centre d’e-commerce et ceux qui ne le seraient pas. La limitation de la nuit à la période de minuit à 5 heures concernera donc bien tous les travailleurs de la commission paritaire qui entreront en service à partir au 1 er janvier 2026, indépendamment de leur appartenance éventuelle au secteur de l'e-commerce. Comment expliquez-vous cette contradiction entre l’avant-projet de loi et vos déclarations dans la presse?
Confirmez-vous que l’avant-projet de loi vient s’immiscer dans les conventions collectives de travail (CCT) existantes pour décider qu’elle ne s’appliqueront pas de la même manière aux travailleurs qui entreront en service à partir du 1 er janvier 2026? Confirmez-vous que, pour ces derniers, les primes de nuit prévues par les conventions collectives de travail ne pourront être payées que pour les heures prestées entre minuit et 5 heures, même si la CCT prévoit une plus grande amplitude?
J'en viens à présent à ma troisième question. Dans votre argumentation motivant votre souhait de modifier la législation sur le travail de nuit, à laquelle nous n'apportons aucun crédit, vous évoquez un déficit de compétitivité et un désavantage concurrentiel par rapport aux pays voisins. Cela expliquerait que des centres de distribution s’installent de l’autre côté de la frontière, entre autres aux Pays-Bas.
Actuellement, le travail de nuit est défini comme étant le travail exécuté entre 20 heures et 6 heures. Vous prévoyez que, pour les entreprises du secteur de la distribution et des secteurs annexes, y compris le commerce électronique, le travail de nuit serait désormais défini comme étant le travail exécuté entre minuit et 5 heures.
Président: Denis Ducarme.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Cette nouvelle définition s'appliquera donc à cinq commissions paritaires. Confirmez-vous que les commissions paritaires 201 et 202 font partie des cinq commissions paritaires concernés? Comment justifiez-vous cette définition? En effet, ces deux commissions paritaires ne sont pas confrontées à l'exposition à la concurrence internationale puisqu'il ne s'agit pas de centres d'e-commerce.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, de heer Ronse heeft daarnet verklaard dat er grote plannen zijn om de regels inzake nachtarbeid te versoepelen, om de nacht te laten starten om middernacht in de plaats van om 20.00 uur voor bepaalde sectoren.
J'ai toutefois constaté, monsieur le ministre, qu'un avant-projet provenant de votre cabinet reprenait dix secteurs, dix comités paritaires pouvant bénéficier de cette exception. Or, aujourd'hui, le texte présenté au CNT ne parle que de cinq secteurs? Que s'est-il passé, monsieur le ministre? Y a-t-il eu un changement? Il semblerait, que lors des discussions sur l'accord de l'été, des partis vous aient dit que les secteurs et comités paritaires pouvant en bénéficier étaient trop nombreux et qu'il fallait réduire leur nombre.
Mijnheer Ronse, eerst ging het om tien paritaire comités en nu nog slechts om vijf. Als we zo verdergaan, eindigen we misschien op nul.
Mijnheer de minister, wat is er gebeurd? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Hoe komt het dat het aantal is verminderd van tien naar vijf? Zo vallen de paritaire comités 119 en 140.03 daar bijvoorbeeld niet meer onder.
Dat betekent concreet, mijnheer Ronse, dat bijvoorbeeld supermarkten en supermarktdepots zoals Delhaize Collect of Collect & Go bij Colruyt daarvan helemaal geen gebruik kunnen maken. Wat met veel tromgeroffel was aangekondigd, namelijk dat de e-commerce eindelijk zou kunnen genieten van een versoepeling, blijkt dus een compleet lege doos te zijn. De vijf overblijvende paritaire comités betreffen in feite immers supermarkten, die sowieso de deuren sluiten om 20.00 uur. Het maakt dus helemaal geen verschil.
Mijnheer de minister, waarom werd beslist om terug te gaan van tien naar vijf paritaire comités? Wie heeft tot die aanpassing beslist? Ik weet wel dat u zult zeggen dat dit nu voorligt bij de Nationale Arbeidsraad, maar dat de vakbonden dat zullen weigeren. Hoe zult u er dus voor zorgen dat de e-commerce uiteindelijk toch kan genieten van die versoepeling?
Voorzitter:
Collègues, conformément au Règlement, et étant donné qu’il s’agit d’un débat d’actualité, les membres qui n’ont pas déposé de question peuvent encore y prendre part, soit en posant une question à la suite de celles déjà posées, soit en intervenant par voie de réplique. Il importe de rappeler que ces membres ne peuvent cumuler les deux modalités d’intervention: soit ils s'inscrivent pour la question, soit ils s'inscrivent pour la réplique.
Comme nous sommes au stade des questions, y a-t-il des parlementaires qui souhaitent se joindre au débat via la question?
Président: Vincent Van Quickenborne.
Voorzitter: Vincent Van Quickenborne.
Denis Ducarme:
Monsieur le ministre, je serai bref. Sur le plan socio-économique, j'ai parfois l'impression, que certains raisonnent comme si nous étions une île. Mais nous ne sommes pas Cuba. Nous faisons partie d’un ensemble interdépendant, et lorsque nous abordons la question du travail de nuit, il s’agit de ne pas l’envisager sous un prisme moralisateur, mais bien réaliste eu égard aux pratiques autorisées ou non chez nos voisins.
Donc moi, ce qui m'intéresserait tout de même, c'est que vous puissiez rappeler les réalités européennes en la matière, et nous dire si, avant votre réforme, on était en décalage par rapport aux réalités européennes en matière de travail de nuit.
L'autre élément – c'est comme ça que moi j'ai lu la réforme –, c'est qu'aujourd'hui – et c'est pour ça que je pense que la gauche devrait adhérer à cette réforme – on est un peu dans un flou artistique. En effet, le travail de nuit n'est pas autorisé – sans être interdit, puisqu'il y a des dérogations possibles. En ce sens, je pense que c'est une clarification importante. Actuellement, avant la réforme, on est quelque part un peu les fesses entre deux chaises.
Dernier point que je pense fondamental, la réforme – selon les analyses et les rapports produits – créera-t-elle de nouveaux emplois? Avons-nous des informations par rapport à une potentielle création d'emplois? Et si elle a été chiffrée, il serait intéressant naturellement qu'on puisse disposer de ces éléments.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Président: Denis Ducarme.
David Clarinval:
Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie évidemment pour toutes les questions. Permettez-moi tout d'abord de clarifier certains éléments concernant la question de la suppression de l'interdiction du travail de nuit, une mesure qui est actuellement en cours de préparation.
Il est exact qu'aujourd'hui, la loi sur le travail dispose que le travail de nuit est interdit. Dans le même temps, cette loi prévoit que des dérogations à cette interdiction sont possibles. Et elle énumère pas moins de 22 secteurs d'activité dans lesquels le travail de nuit est déjà autorisé. Ce sont, par exemple, l'horeca, les soins de santé ou les taxis.
Chers collègues, ce sont là des exceptions à l'interdiction du travail de nuit qui sont déjà en vigueur aujourd'hui et que nous trouvons toutes évidemment normales, mais pour lesquelles il avait fallu par le passé mettre en place des procédures lourdes pour les autoriser.
C'est pourquoi le gouvernement veut s'atteler à la suppression de l'interdiction du travail de nuit et définir clairement ce qu'est le travail de nuit dans les différents secteurs, en particulier le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce, des secteurs qui souffrent aujourd'hui fortement de la concurrence des pays voisins. Dans l'e-commerce, le travail de nuit commencera à minuit et se terminera à 5 heures. Nous nous plaçons ainsi sur la même ligne que les pays voisins tels que les Pays-Bas, où le travail de nuit commence à minuit, et l'Allemagne, où il débute à 23 heures.
Dans le projet de loi approuvé dans le cadre de l'accord d'été, l'interdiction du travail de nuit est supprimée, et les procédures d'introduction du travail de nuit sont assouplies. Ce projet de loi a été transmis pour avis au Conseil National du Travail (CNT) et au Conseil Central de l’Économie (CCE).
Une étude de la Fédération des Entreprises de Belgique (FEB) montre qu'entre 2009 et 2019, le chiffre d'affaires de la vente à distance en Belgique a augmenté de 95 % alors qu'aux Pays-Bas il a augmenté de 253 % et en Allemagne de 269 %, ce qui correspond environ à 40 à 50 000 emplois non créés pendant cette période en Belgique. Nous sommes donc trois fois moins en croissance que ces deux pays voisins. Ce sont en quelque sorte entre 40 et 50 000 emplois qui ont été perdus dans notre pays.
Il est en outre absolument nécessaire d'assouplir les procédures permettant d'introduire effectivement le travail de nuit dans l'entreprise. Si la réalité économique exige le recours au travail de nuit dans une entreprise, il ne peut pas être question qu'il ne puisse pas être mis en place ou uniquement moyennant des coûts excessifs. C'est jouer avec l'emploi et les jobs de nombreuses personnes, alors que ce gouvernement a fait de la création et du maintien de l'emploi une priorité. Je mettrai donc pleinement en œuvre cette mesure.
La suppression de l'interdiction du travail de nuit et l'introduction d'une nouvelle définition alignée sur celle de nos pays voisins renforceront la compétitivité de nos entreprises. Elles disposeront ainsi de la flexibilité nécessaire pour réagir plus rapidement aux marchés internationaux et créer de nouveaux emplois. De cette manière, nous évitons que la production et l'innovation ne soient délocalisées à l'étranger. Il ne s'agit pas d'un démantèlement des droits, mais d'une modernisation nécessaire pour simplement rendre notre économie pérenne.
Ik ga nu dieper in op uw vragen.
Met betrekking tot de impact van nachtarbeid op de gezondheid van werknemers, wil ik benadrukken dat de regering zich hiervan ten volle bewust is, maar in het huidige ontwerp wordt geen afbreuk aan de welzijnswetgeving gedaan. De codex over het welzijn op het werk bevat immers reeds specifieke beschermingsmaatregelen inzake nachtarbeid. Zo moet de werkgever een risicoanalyse uitvoeren voor de werknemers die nacht- of ploegenarbeid verrichten. Deze werknemers worden, omwille van de risico’s, aan het verplichte gezondheidstoezicht onderworpen.
Een voorafgaande gezondheidsbeoordeling moet nagaan of de betrokken werknemer geschikt is om in het nachtregime te werken. Wanneer uit de resultaten van deze onderzoeken en analyses blijkt dat nachtarbeid een bijzonder risico van geestelijke of lichamelijke spanningen met zich meebrengt, moet de werkgever de nodige preventiemaatregelen nemen. Daartoe behoort onder meer een jaarlijkse periodieke gezondheidsbeoordeling die specifiek op nachtarbeid gericht is. Als zou blijken dat er geen andere bijzondere risico’s bestaan dan deze die eigen zijn aan nachtarbeid, worden de werknemers aan een driejaarlijkse algemene periodieke gezondheidsbeoordeling onderworpen.
L'employeur doit en outre veiller à ce que les services de prévention et de protection du travail soient suffisamment disponibles, à ce que les premiers secours et les soins d'urgence puissent être dispensés, à ce que les travailleurs effectuant un travail de nuit ou en équipes soient informés de tous les risques inhérents à leur travail, des mesures de prévention prises ainsi que de l'organisation des services de prévention et de protection au travail et des premiers secours. Le travail de nuit ne sera donc pas instauré du jour au lendemain, mais uniquement après la réalisation d'analyses de risques et la mise en place de mesures préventives. Grâce à des évaluations de santé périodiques, l'impact sera également suivi et, le cas échéant, des mesures supplémentaires pourront être proposées. L'impact est donc bel et bien suivi, tant au niveau de l'entreprise qu'au niveau du travailleur individuel.
En outre, la proposition actuelle ne remet nullement en cause le principe du volontariat pour le travail de nuit. Ainsi même une demandeuse d'emploi en période de ménopause, madame Schlitz, ne sera en aucun cas contrainte de travailler la nuit.
Dan kom ik bij de vraag naar de zogenaamde subsidies die de ondernemingen ontvangen. Deze maatregel is in feite geen subsidie, maar een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid, en vormt een essentieel instrument van ons beleid ter ondersteuning van de werkgelegenheid en de competitiviteit van de ondernemingen.
En effet, ces activités se caractérisent par des conditions de travail particulières, souvent contraintes et peu attractives. Sans ce mécanisme, de nombreuses entreprises actives dans des secteurs stratégiques tels que la logistique, la production industrielle, la santé ou encore certaines branches de la distribution rencontreraient de graves difficultés à recruter et à maintenir du personnel.
Le régime actuel agit donc comme une compensation légitime pour des travailleurs qui assurent la continuité du service essentiel et le maintien d'emploi en Belgique. Supprimer brutalement cette disposition, comme proposé, représenterait un choc compétitif majeur. Cela pèserait directement sur le coût du travail, mettrait en péril des milliers d'emplois et renforcerait la délocalisation d'activités vers des pays voisins où des dispositifs comparables existent déjà. L'impact budgétaire brut ne doit donc pas être isolé de ces effets économiques et sociaux qui pourraient s'avérer négatifs tant pour l'État que pour la collectivité. Une suppression n'entraînerait pas une augmentation des recettes de l'État de 2,5 milliards mais aurait un effet négatif compte tenu des destructions d'emplois que cela engendrerait.
Notre objectif n'est pas d'encourager le travail de nuit en soi mais d'en atténuer les conséquences financières et organisationnelles là où il s'avère indispensable. C'est pourquoi le gouvernement estime qu'il est opportun de maintenir ce régime tout en poursuivant parallèlement des politiques de santé et de prévention afin de limiter les effets négatifs du travail de nuit et en équipe sur les travailleurs.
En ce qui concerne les primes pour le travail de nuit, l'accord de gouvernement prévoit expressément qu'il ne peut y avoir aucune perte de pouvoir d'achat pour le travailleur qui est aujourd'hui déjà actif entre 20 h et minuit. Je répète: aucune perte de pouvoir d'achat pour les travailleurs qui sont aujourd'hui déjà actifs entre 20 h et minuit! Je déplore qu'il y ait vraiment une propagation de fake news à l'égard du fait que certains perdraient leurs primes de nuit.
Dans la plupart des secteurs où le travail de nuit est déjà en vigueur, la procédure d'introduction du travail de nuit sera assouplie sans que les primes ne soient modifiées. De même, le travailleur qui est aujourd'hui déjà actif dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce, ne subira aucune perte de pouvoir d'achat. Aucune perte de pouvoir d'achat! Seuls les nouveaux travailleurs de ces secteurs seront soumis à la nouvelle définition du travail de nuit et percevront une prime correspondante.
Une telle réforme dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes se fonde sur la nécessité de rétablir la compétitivité des entreprises belges actives dans le secteur de la distribution et les secteurs connexes, y compris l'e-commerce, qui est mis à mal par rapport aux entreprises des pays voisins exerçant le même type d'activité.
En outre, et corrélativement, il est important de souligner que les gains de compétitivité obtenus sur base de la réduction des coûts pour les employeurs, induite par les réformes précitées, seront eux-mêmes susceptibles d'avoir un impact positif sur le taux d'emploi, en permettant l'engagement de travailleurs supplémentaires dans les secteurs précités, et de contribuer ainsi à l'objectif du gouvernement d'augmenter le taux d'emploi en Belgique à 80 %.
Un rapport récent du CCE statue qu'avec une part de 11,8 %, le secteur de la distribution contribue de manière significative à l'emploi en Belgique. Entre 1997 et 2022, l'emploi y a progressé de 8,7 %.
La croissance de l'emploi dans le secteur est toutefois nettement inférieure à celle enregistrée en Belgique au cours de la même période, de 30,5 % entre 1997 et 2022.
Selon une étude de Comeos, seuls 27 % des colis commandés par les Belges proviennent de Belgique – à peine un quart –, tandis que 41 % proviennent des Pays-Bas, 14 % d'Allemagne et 6 % de France. Le handicap salarial est l'une des causes qui expliquent ce gros retard.
Wat de definitie van distributiesector en aanverwante sectoren, met inbegrip van e-commerce betreft, het ontwerp bevat inderdaad slechts vijf paritaire comités. In het kader van de vraag om advies van 28 juli 2025 met betrekking tot het wetsontwerp in voorbereiding heb ik de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven dan ook verzocht om op gefundeerde en objectieve wijze de paritaire comités die tot de distributiesector en aanverwante sectoren behoren, te identificeren. Die analyse moet zich specifiek richten op de kwalificatie van ondernemingen en sectoren waarvoor met bewijzen kan worden aangetoond dat er sprake is van een concurrentieel nadeel inzake nachtarbeid ten opzichte van de buurlanden. Op basis van die analyse zal worden nagegaan welke sectoren aan de lijst moeten worden toegevoegd.
Zonder dat ik op de analyse vooruit wil lopen, lijkt het mij dat onder andere ook de paritaire comités 119 en 140 wegvervoer en logistiek voor rekening van derden op de lijst thuishoren.
Voorzitter:
Monsieur le ministre, je vous prie de m'excuser. Mme Schlitz veut absolument que vous concluiez. Je demanderai également aux parlementaires de respecter le Règlement dès qu'ils dépassent un peu trop leur temps de parole. Ne vous en inquiétez pas, monsieur le ministre. Voulez-vous conclure?
David Clarinval:
Monsieur le président, je veux bien répondre à toutes les interpellations, mais si on ne me laisse pas le temps de le faire…
Voorzitter:
Voyant Mme Schlitz s'activer et bondir sur son siège, monsieur le ministre, j'espère que vous comprenez que j'ai pris peur. Je vous demande dès lors, compte tenu du Règlement, d'aller au bout de votre propos le plus rapidement possible.
David Clarinval:
We moeten een oneerlijke behandeling tussen paritaire comités of bij ondernemingen vermijden.
Madame Moscufo, ce projet de loi actuel prévoit en effet la possibilité d'élargir la liste par arrêté royal et – pour que vous ayez des réponses à vos questions – je vais vous préciser exactement les 5 commissions paritaires qui sont actuellement dans l'avant-projet de texte. Il s'agit de la CP 201 (commerces de détail alimentaires), de la CP 202 (moyennes entreprises d'alimentation), de la CP 226 (employés de commerce international, du transport et de la logistique), de la CP 311 (grandes entreprises de vente au détail) et de la CP 312 (grands magasins). Il s'agit effectivement d'une liste provisoire qui est arrêtée dans l'arrêté, qui est mise à consultation et qui pourra être élargie le cas échéant.
We kunnen er ook voor opteren om te werken met een definitie van activiteiten waarvoor men een beroep op de nieuwe regeling kan doen, in plaats van met een lijst van paritaire comités. Op die manier benadelen we geen sectoren en behandelen we ondernemingen die dezelfde activiteiten uitoefenen maar in verschillende sectoren, op dezelfde manier, dus ook de ondernemingen die voor de activiteit onder paritair comité 100 of 200 vallen.
Pour faire bref, je vais résumer la suite. J'aurais pu répondre aux questions sur les dispositions anti-abus. Je rappellerai simplement que la convention collective de travail 109 concernant la motivation du licenciement, et notamment la procédure prévue en cas de licenciement manifestement déraisonnable ainsi que les mécanismes de protection prévus pour certains travailleurs et travailleuses, s'applique. Par ailleurs, en lieu et place de la procédure relative aux licenciements manifestement déraisonnables prévue par la convention collective de travail 109, le travailleur qui estime que son licenciement est dépourvu de fondement peut toujours demander réparation du préjudice subi.
Je passe rapidement des réponses. En ce qui concerne la question des primes pour le travail de nuit, je me réfère volontiers aux dispositions de l'accord de gouvernement reprises dans le projet de loi. Je voudrais quand même rappeler clairement que pour les nouveaux travailleurs, une prime de nuit restera toujours due, soit sur la base de la convention collective de travail 49, soit sur la base d'une convention sectorielle ou d'entreprise. Mme Meunier notamment m'a posé cette question. Cette CCT 49 s'appliquera toujours. Elle est transversale. Il est donc faux de dire que les nouveaux travailleurs ne bénéficieront pas de primes de nuit. Au contraire, la CCT 49 s'applique.
Monsieur le président, je ne serai pas plus long. Je ne voudrais pas irriter certains collègues.
Voorzitter:
Non, il ne faut pas, dans cette commission, monsieur le ministre. Je vous remercie d'avoir conclu. La parole est donc aux parlementaires pour les répliques.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
Vous évoquez souvent la compétitivité comme le moteur principal de cette réforme. Or, ce qui transparaît de votre discours, c'est un nivellement par le bas des salaires et des conditions de travail, pour correspondre à des standards moins exigeants pratiqués ailleurs.
Au sein de l'Union européenne – cette Europe dans laquelle nous devrions renforcer notre coopération en matière de migration – ne serait-il pas temps d'avoir une discussion sur les conditions de travail et la qualité des emplois, notamment avec nos partenaires des Pays-Bas et de la France, plutôt que de niveler par le bas des salaires et des conditions de travail de travailleurs qui sont déjà parmi les plus précaires de notre pays? Je ne peux concevoir que la réforme du marché du travail ait pour boussole une course après des pays moins-disant.
J'entends dire que le recours au travail de nuit dans le cadre de cette réforme serait fondé sur le volontariat. Vous le confirmez d’ailleurs: une personne au chômage qui refuse un emploi de nuit ne sera pas sanctionnée. Mais vous évoquez également le caractère "indispensable" du travail de nuit pour certains secteurs. Quelle est la définition de ce terme? Existe-t-il une liste limitative, exhaustive des métiers ou des missions considérés comme indispensables au bon fonctionnement d’un secteur? À partir de quand estime-t-on qu'un emploi de nuit est indispensable? Dans le secteur de la santé, évidemment, nul ne contestera que le travail de nuit est indispensable, mais qu'en est-il lorsqu'il s'agit de se faire livrer une chaîne hi-fi à minuit? Est-ce cela, pour vous, l'indispensable? Ce flou persiste et nous inquiète.
Lorsque vous affirmez qu'il n'y aura pas de perte de salaire pour les travailleurs déjà actifs, nous vous entendons. En revanche, pour les nouveaux travailleurs, nous sommes quand même d'accord pour dire que la prime pour travail de nuit presté entre 20 heures et minuit et entre 5 h et 6 heures ne sera plus versée. Dès lors, en quoi consiste votre réforme si ce n'est pas de cela qu'il s'agit?
Trop de flou subsiste encore en la matière, raison pour laquelle nous continuerons à vous interroger sur le sujet.
Sophie Thémont:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses.
Nous savons que les nouvelles règles du travail de nuit vont toucher principalement le secteur de la grande distribution. Une étude a été publiée en août dernier sur le sujet. Nous savons également que ce secteur est en pleine vague de licenciements. Tout ce secteur est en train de fermer. Soyons réalistes.
Vous parlez de la santé. Le travail de nuit est reconnu comme un facteur de risque. On parle de troubles du sommeil, de maladies chroniques. La réduction des primes représente une diminution des compensations pour un travail nettement plus pénible. Vous dites que les travailleurs qui bénéficient aujourd'hui de cette prime la conserveront. Mais, pour les nouveaux travailleurs, la prime ne sera plus payée entre 20 heures et minuit et entre 5 et 6 heures.
Vous brandissez sans cesse l'objectif de 80 % de taux d'emploi. Je me demande bien comment vous allez pouvoir relever le taux d'emploi en accentuant systématiquement les flexi-jobs, le travail de nuit et les contrats "zéro heure". Vous prenez des mesures sans pour autant avoir créé sur le côté un seul emploi. Nous étions à 7 780 emplois perdus au premier trimestre; aujourd'hui nous sommes à plus de 10 000 et les entreprises n'arrêtent pas de fermer.
Nous savons aussi quel impact cela a sur la gent féminine. Vous avez dit tout à l'heure qu'il n'y aurait pas d'obligation, surtout pour les femmes qui sont en ménopause. J'ai trouvé cela un peu fort de café. Une femme qui travaille régulièrement entre minuit et 5 heures a 26 % de risque en plus de développer un cancer du sein. Et ce risque peut tripler après 10 ans de travail de nuit trois fois par semaine. Je pense vraiment que vous devriez parfois faire attention à vos propos.
David Clarinval:
Madame Thémont, j'ai donné l'exemple de la femme ménopausée en réponse à une question spécifique de Mme Schlitz.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.
Il y a donc bien une perte de pouvoir d'achat, non pour les anciens travailleurs – vous l'avez répété à plusieurs reprises –, mais bien pour les nouveaux contrats. Dès lors, nous verrons deux types de travailleurs, qui ne percevront pas la même rémunération selon leurs conditions de travail. Surtout, il reste le coût de ces mesures pour la santé. Vous avez bien fait de rappeler les mesures déjà en vigueur en matière de prévention, d'accompagnement et d'analyse de risque. Tout cela est vrai. Néanmoins, malgré tout, nous savons que l'impact du travail de nuit sur la santé est inévitable et considérable. C'est évidemment une entourloupe. En effet, en facilitant le travail nocturne, votre gouvernement va mutualiser les coûts engendrés par ces problèmes de santé qui seront pris en charge par la collectivité, tout en permettant des bénéfices qui, dans une large mesure, resteront privés et seront réalisés par des entreprises telles qu'Amazon, Zalando ou Shein.
Enfin, j'entends l'argument que c'est nécessaire parce que nous vivons dans un monde dur et que les Pays-Bas le font déjà. Cela ne me semble pas vraiment un bon argument. Je sais que votre premier ministre préfèrerait que nos amis néerlandais et nous-mêmes formions un seul et même pays, mais il n'est quand même pas scandaleux d'imaginer que, dans certains secteurs, les choses s'organisent différemment. En matière de santé des travailleurs, l'alignement ne devrait-il pas plutôt s'orienter vers davantage de protection pour tous que vers davantage de travail de nuit pour chacun?
Axel Ronse:
Ik heb begrepen dat de minister het helemaal eens is met het feit dat het huidig aantal paritaire comités te beperkt is. De minister heeft er een aantal opgesomd die er zeker bij zouden moeten komen. Ik wens de minister veel moed en doorzettingsvermogen en ik steun hem volledig in de verdere bespreking van dat wetsontwerp.
Ik vermoed dat de NAR en de CRB geen eenduidig advies zullen uitbrengen, aangezien de spelers diametraal tegenover elkaar staan, maar althans aan de hand van onderdelen van die adviezen zal een verstandige keuze gemaakt moeten worden, zodat we de e-commerce hier kunnen houden, waaruit extra jobs kunnen voortkomen.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Eens te meer moet ik echter vaststellen dat deze regering vooral voor grote bedrijven en werkgevers rijdt. De bedrijven behouden de vrijstelling van belastingen voor nachtarbeid. Op die manier zou ik ook geen subsidies meer behoeven. Dat is een puur ideologische beslissing, zonder enige onderbouwing en zonder na te gaan of uw doelstelling daarmee zal worden bereikt. Dat is niet mijn stelling, maar die van het Rekenhof.
Tegelijkertijd dwingt u de toekomstige werknemers om voor minder loon meer belastend werk te verrichten, dag en nacht, terwijl u zich goed bewust bent van de gezondheidseffecten die dat met zich meebrengt. Ongezond, onrechtvaardig en ondoelmatig; een mooie slogan voor deze arizonaregering.
Nadia Moscufo:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses, même si vous n'avez pas pu aller au bout.
Ces réponses me permettent de confirmer ce que je vous ai dit au début, à savoir que les arguments que vous avancez pour supprimer une partie des primes de nuit ne sont pas convaincants. Je ne vous crois pas, parce que votre volonté profonde, votre vision de la société, votre obsession, comme vous le dites dans la presse, c'est de sauvegarder et d'améliorer la compétitivité des entreprises. Vous ajoutez, dans votre verbiage, que vous voulez atteindre cet objectif en conciliation avec la santé des travailleurs.
Je ne dois pas vous rappeler que la santé des travailleurs de ce pays – et du monde entier – ne dépend jamais de la volonté du grand patronat de protéger la santé des gens, et encore moins de la volonté de n'importe quel politicien représentant de ce grand capital, dont vous faites partie. Vous avez dit que vous alliez organiser des surveillances spécifiques, mais ces surveillances existent déjà. Vous n'apportez donc rien. Et vos réponses me confirment que vous appliquez ce que j'appellerais la "tactique du saucisson".
Cette suppression de primes vous met mal à l'aise parce que vous sentez la pression dans la rue, une pression qui sera encore là le 14 octobre, parce que les travailleurs vous ont bien compris. Vous commencez par une petite partie des travailleurs, à savoir cinq commissions paritaires. Vous en avez enlevé 10. Vous êtes poussé par la N-VA – enfin, poussé est un bien grand mot parce que vous êtes du même avis – et savez pertinemment qu'il faudra un arrêté royal pour élargir la mesure à tout le monde.
Pire que ça, vous vous obstinez dans vos mensonges en prétendant vouloir sauver le pouvoir d'achat des citoyens, en disant que ce sont ceux qui travaillent qui gagneront du pouvoir d'achat, mais que les nouveaux perdront, ce qui n'est pas grave, selon vous. Nous ne vous croyons plus, et d'ailleurs, vous n'êtes même plus un gouvernement légitime.
Les enquêtes prouvent que s’il y avait des élections demain, vous ne seriez plus à ce poste. Entretemps, avant les élections, la rue va continuer à décider. Le 14 octobre, nous serons à leurs côtés, parce que vous voulez aussi, à travers cela, casser la concertation sociale.
Il n’y a jamais eu, dans ce pays, une loi qui veut imposer des conditions de travail et des conditions financières, qui normalement sont décidées dans les conventions collectives de travail. C’est cela que vous voulez faire à travers cela: casser le mouvement syndical.
Voorzitter:
Je ne connaissais pas la "technique du saucisson", madame Moscufo. J’adore le saucisson.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, u zegt dat die 5 te weinig is en de heer Ronse zegt dat ook.
Mais vous n'avez pas répondu à ma question. Initialement il y avait dix comités paritaires.
Waarom hebt u toegelaten dat het van 10 naar 5 paritaire comités is gegaan?
Vous n'avez pas répondu à cette question-là. Dans votre texte original vous parliez de dix comités paritaires. Pourquoi vous êtes passé à cinq?
David Clarinval:
(…)
Vincent Van Quickenborne:
Vous dites que c'est le choix du gouvernement. Vous faites partie de ce gouvernement, alors ça veut dire que vous avez accepté ce choix.
Mijnheer Ronse, men is van 10 naar 5 paritaire comités gegaan en de minister zegt dat het de keuze van de regering is geweest.
Die regering wordt geleid door de N-VA. De heer De Wever heeft dat dus toegelaten. Hoe komt dat? Omdat u geplooid bent voor de druk van Vooruit en van de linkse partijen, die niet willen dat nachtarbeid wordt versoepeld. Dat is het probleem, mijnheer Ronse.
Men is dus van 10 naar 5 sectoren gegaan, maar u geeft mij geen antwoord. Ofwel lag u dus te slapen, ofwel hebt u niet goed opgelet, ofwel dacht u dat alle toeleveranciers van de supermarkten ervan zouden kunnen genieten. Dat is echter niet het geval.
Mijnheer de minister, we staan op een keerpunt. We zien dat de druk overal aan het stijgen is. De flexi-jobs komen onder vuur te liggen door de heer Van Peteghem. Studentenarbeid komt onder druk te staan door Vooruit. Hetzelfde gebeurt met de managementvennootschappen. Wat ik u voorspel, mijnheer de minister, is dat veel partijen beginnen te twijfelen aan die flexibiliteit onder druk van links, Groen, de communisten en Vooruit. Als u daaraan toegeeft, zal er van uw grote plannen niet veel overschieten. Er is sprake van uitzonderingen en uithollingen.
De grote beloften, waar mijnheer Ronse altijd de mond vol van heeft, het zogenaamd historische karakter, blijkt meer en meer een lege doos te zijn. Daarom zou ik zeggen, mijnheer de minister: ga terug naar de tekentafel en zorg dat uw originele plannen de effectieve plannen zijn. Ik wens u veel succes. Ik wil u daarin trouwens bijstaan. Geef echter niet toe aan die linkse partijen, want dan blijft er niets over. Dan zult u niets overhouden.
Voorzitter:
Je vous remercie, monsieur Van Quickenborne. Voici qui clôture ce premier débat d'actualité.
Avant d'entamer le second débat d'actualité, chers collègues, je tiens préalablement à faire une petite remarque. Je m'interroge, parce que c'est un peu nouveau et c'est déjà arrivé hier, sur le fait de voir, dans le cadre d'un débat d'actualité ou de questions jointes, des parlementaires déposer des questions avec le même intitulé, en gros pour gagner du temps, multiplier le temps. En effet, qu'est-ce qui va m'empêcher demain de déposer dix questions au ministre du gouvernement que j'apprécie le moins, puisqu'il y en a un que j'apprécie moins que les autres, et ainsi bénéficier de 25 minutes de temps de parole? Je pense qu'il y a quand même un dévoiement du Règlement dans ce cadre-là et je vais, même si elle s'est déjà penchée sur cette question, interroger la Conférence des présidents pour savoir où on met le curseur.
Madame Moscufo, votre exemple n'est pas le seul. On a eu d'autres cas, même au niveau des parlementaires de la majorité, qui multipliaient les questions avec le même intitulé, sur le même thème, dans les mêmes débats, pour avoir plus de temps. Je m'interroge donc par rapport à cela et, en toute objectivité, je vous transmettrai la note que j'enverrai dans ce cadre à la Conférence des présidents pour attirer davantage sa réflexion sur le sujet.
Vincent Van Quickenborne:
Monsieur le président, il faut savoir qu'en juillet, la Conférence des présidents a déjà traité cette question.
Voorzitter:
Oui, mais ils étaient fatigués, c'était juillet, ils n'avaient pas eu de vacances, ils étaient fatigués en juillet.
Vincent Van Quickenborne:
Un débat d'actualité a été organisé en commission des Finances sur le sujet de la taxe sur les plus-values. Différents parlementaires de l'opposition et même de la majorité avaient posé pas mal de questions, parce qu'il y avait quand même beaucoup d'éléments qui nécessitaient d'être éclaircis.
À un certain moment, le président de cette commission – pas vous, monsieur. le président, parce que vous êtes un bon président – des Finances a dit que, puisqu'il s'agit d'un débat d'actualité, tout le monde a deux minutes et pas plus. J'ai alors objecté que cela revenait à raboter le débat démocratique en commission, et M. Piedboeuf – que je connais très bien, qui est chef de groupe du MR – a rappelé que la logique d'un débat d'actualité qui est d'élargir, de permettre à d'autres parlementaires d'intervenir et non de raccourcir le débat pour les parlementaires qui ont déjà déposé une question.
Et le président de cette Chambre – que nous connaissons tous très bien, M. Peter De Roover – a convenu que c'était exact et que si, dans un débat d'actualité, une personne a par exemple trois questions, elle a droit à autant de fois le temps de parole alloué à une question.
C'était la conclusion de la Conférence des présidents, mais si d'autres veulent en tirer d'autres conclusions, c'est à eux de décider, monsieur le président, cela ne me pose aucun problème. Je pense toutefois qu'il faut respecter le travail fait par les parlementaires, tant de la majorité que de l'opposition, parce que, sur les flexi-jobs – ce sera le prochain débat, monsieur le ministre –, j'ai deux questions complètement différentes et j'espère quand même que je pourrai les poser sans être limité quant au temps de parole.
Voorzitter:
Vos deux questions sont-elles différentes?
Vincent Van Quickenborne:
Oui, elles le sont.
Voorzitter:
Avez-vous des intitulés différents?
Vincent Van Quickenborne:
Oui, tout à fait.
Voorzitter:
Je me retrouve dans des situations dans lesquelles nous avons des questions avec les mêmes intitulés et portant sur le même point. Je demande simplement de voir où nous devons nous arrêter. En effet, en suivant ce principe, il n'y aurait aucun problème pour déposer 10 questions et parler 50 minutes pour interroger le ministre. La question est donc de savoir où nous devons mettre le curseur. Pour être totalement transparent, je vous tiendrai au courant de l'échange que j'aurai par rapport à cela. Je vous le garantis.
Nadia Moscufo:
Je m'exprime pour que cela figure dans le compte rendu. En effet, si je ne dis rien, cela ferait penser que je suis d'accord avec ce que vous avez dit. Je ne suis pas d'accord avec votre interprétation. Si j'ai bien compris, je ne suis pas la seule, sans quoi cela ne serait pas un problème du tout alors. Sur le principe, je ne suis pas d’accord avec votre interprétation selon laquelle nous introduirions plusieurs questions dans le but de gagner du temps, de prolonger nos interventions et de monopoliser la parole pendant 50 minutes pour interroger M. le ministre. Ce n’est pas ainsi que mon groupe entend faire de la politique.
Voorzitter:
Je m'en doute.
Nadia Moscufo:
Effectivement, certaines questions peuvent porter sur la même thématique. Dans ce cas précis, nous avions un débat qui portait sur le travail de nuit. C’est une thématique commune, mais vous conviendrez sans doute que celle-ci est si riche qu’elle permet d’aborder des sujets très différents, tout en restant dans le même cadre.
Ici, mes trois questions portaient sur des éléments assez spécifiques et pour lesquels je souhaitais vraiment des réponses. Je les ai eues pour une partie. Ce n'était pas juste pour faire du show. Je ne sais pas si vous étiez déjà là au moment où j'ai commencé mes questions, mais cela a peu d'importance.
Ma première question portait sur la contradiction entre la volonté du ministre et la Convention de l'Organisation internationale du Travail (OIT). Ma deuxième question portait sur la contradiction qu'on interprète entre l'avant-projet de loi et les déclarations du ministre dans la presse. Ma troisième question, quant à elle, portait sur l'argumentation du ministre qui consistait à dire qu'il faut faire des réformes, sans quoi, le travail se fait aux Pays-Bas, au détriment de la Belgique, alors qu'il s'agit de commissions paritaires pour lesquelles il n'y a pas, selon nous, de concurrence internationale.
Je dois vous dire que nous avons discuté en équipe afin de se limiter à ces trois questions, parce que nous aurions effectivement très bien pu en introduire encore 12 autres, ce que nous n'allons pas manquer de faire par la suite. Et les 12, monsieur le président, sont probablement maintenant devenues 18, à la lumière de la réponse du ministre.
Je veux quand même rejoindre mon collègue qui dit que c'est quand même ici que nous avons le meilleur espace démocratique pour un débat d'idées. Vous n'avez pas dit que vous vouliez supprimer cela.
Si vous dites que vous avez un problème avec l'intitulé, nous serons attentifs à cela. Par exemple, au lieu de mettre "Travail de nuit 1", "Travail de nuit 2", "Travail de nuit 3", nous pourrions mettre – j'invente – "contradictions avec la convention", "contradictions dans les dires du ministre". Si cela vous fait plaisir, nous ferons attention à cela.
Voorzitter:
Ce n'est pas une question de plaisir, c'est aussi une question d'équité entre parlementaires. Un certain nombre de parlementaires, qu’ils soient de l'opposition ou de la majorité, ont abordé dans les questions qu'ils ont déposées, plusieurs thèmes dans la même question. Ce que j'essaie simplement...
J'ai bien vu votre bras, madame Schlitz, mais je vais terminer. En toute objectivité, j’essaie d'éviter qu'à l'inverse de vous, qui n'êtes pas mal intentionnée, madame Moscufo, je le sais, et qui travaillez vos dossiers avec beaucoup de sincérité, qu'on ait des manipulations de l'ordre du jour, avec des questions déposées simplement pour prendre plus de temps, de manière un peu artificielle, par l'un ou l'autre parlementaire mal intentionné, là où d'autres parlementaires ne déposeront qu'une ou deux questions pour faire porter le débat sur cinq thématiques, qui seront abordées par un autre parlementaire à travers cinq questions. Vous voyez?
Nadia Moscufo:
Je vous entends bien, mais je vais aussi clôturer avec cela. Je n'ai pas été élue par mes électeurs pour tenir compte ici d'une certaine équité avec mes autres collègues d'autres partis. J'ai été élue pour dire ma vérité ici et défendre les intérêts de la classe travailleuse. S'il y a d'autres députés qui ont écrit une question abordant quatre thèmes différents, je les invite la prochaine fois à envoyer quatre questions. Qu'est-ce que vous voulez que je vous dise ?
Voorzitter:
Écoutez, je n'ai naturellement pas de problème par rapport à ce que vous dites et par rapport à votre mission.
Je dis donc simplement: la prochaine fois, travaillez sur l'intitulé de vos questions, afin que nous comprenions bien que ce sont trois questions distinctes. Si nous regardons simplement l'ordre du jour, nous lisons: "le travail de nuit 1", "le travail de nuit 2" et "le travail de nuit 3". Vous n'êtes pas la seule à avoir introduit des questions comportant des intitulés identiques. Pour des questions jointes ou un débat d'actualité, je demande simplement – et j'en informerai par écrit la Conférence des présidents – aux parlementaires de bien expliciter que leurs questions portent sur des aspects différents d'un même thème.
Sarah Schlitz:
Monsieur le président, vous nous indiquez que rien n'empêche de déposer dix questions sur un même thème. Le Règlement ne l'empêche pas. C'est bien notre droit, en tant que parlementaires de l'opposition, mais aussi de la majorité, d'être actifs en commission et de déposer plusieurs questions.
Je n'ai pas l'impression que vous ayez reçu une plainte du cabinet du ministre au sujet des questions. Si vous aviez consulté le site, vous auriez constaté que leurs contenus étaient différents. Donc, je ne comprends pas très bien la raison de cet ordre des travaux soudain.
Voorzitter:
É coutez, c'est…
Sarah Schlitz:
Je vais terminer ce que j'ai commencé à dire, monsieur le président.
Voorzitter:
Faites donc, madame Schlitz.
Sarah Schlitz:
Cela vous agace un peu, les femmes parlementaires de gauche qui s'expriment? Cela vous fait bouillonner?
Voorzitter:
Non, pas du tout. Je vous demande simplement de me parler autrement et de rester courtoise, s'il vous plaît. Désolé de vous avoir interrompue.
Sarah Schlitz:
D'accord, continuons ainsi.
Grâce au dépôt de plusieurs questions, M. le ministre dispose de plus de temps pour répondre, vu qu'il a du mal à tenir son temps de parole. Je ne comprends pas pourquoi on crée un incident. (…) Si, vous créez un incident! Vous dites: "Cela va remonter à la Conférence des présidents!" Franchement… Le niveau est incroyable…
Voorzitter:
Madame Schlitz, c'est vous qui faites baisser le niveau plus bas que terre.
La question est simplement de…
Sarah Schlitz:
C'est vous qui parlez de respect, monsieur le président?
Voorzitter:
Madame Schlitz, je ne vais pas… Je tiens seulement à souligner un problème. Je constate que vous n'êtes pas d'accord. Si nous persistons dans un schéma sans limite, et je parle simplement dans la perspective de la bonne tenue des travaux, nous allons nous retrouver avec des débats d'actualité dans lesquels chacun va déposer cinq à sept questions, au point que cela deviendra ingérable. En effet, c'est la liberté de chaque parlementaire de déposer autant de questions qu'il le veut, mais j'attire simplement votre attention sur le fait que chacun pourrait déposer trois, quatre ou cinq questions au risque que nous débouchions sur des difficultés dans l'organisation de nos travaux. C'était le seul aspect de ma remarque. Il ne s'agissait pas de créer un incident, mais de partager une réflexion avec vous, que nous avions débutée hier puisque nous avons déjà vécu cette situation. Si je vois que ma réflexion n'est pas rejointe par un certain nombre d'entre vous, je n'écrirai pas à la présidence ni à la Conférence des présidents. Je n'écrirais dès lors que si j'étais rejoint dans ces interrogations par l'ensemble des membres. Je vois que ce n'est pas le cas, donc je ne vais pas le faire. Je ne vais pas perdre de temps. Nous allons donc continuer les travaux et entamer le deuxième débat d'actualité sur les flexi-jobs.
De compenserende financiering van de OCMW's n.a.v. de werkloosheidshervorming
De compensatieregeling voor OCMW's
De steun voor de OCMW's in het kader van de hervorming van de werkloosheidsreglementering
De compensatie voor OCMW's in het kader van de hervorming van de werkloosheidsreglementering
De SPW-studie over de impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's en gemeenten
De beperking van de werkloosheidsuitkering en de doelgerichte compensaties voor lokale besturen
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op de OCMW’s
De impact van de beperking van de werkloosheid in de tijd op de lokale besturen en hun OCMW's
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's en hun actiemiddelen tegen januari 2026
De hervorming van de werkloosheidsreglementering en de compensaties voor de OCMW's (1)
De hervorming van de werkloosheidsreglementering en de compensaties voor de OCMW's (2)
De hervorming van de werkloosheidsreglementering en de compensaties voor de OCMW's (3)
Het anticiperen op de gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's in de regio Le Centre
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's en de financiering van de SPI-diensten
De gevolgen van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's in de provincie Luik
Financiële impact en compensaties voor OCMW's na de werkloosheidshervorming
Gesteld door
PTB
Sofie Merckx
N-VA
Wouter Raskin
PS
Marie Meunier
PS
Marie Meunier
PS
Marie Meunier
Open Vld
Katja Gabriëls
VB
Ellen Samyn
CD&V
Nahima Lanjri
PS
Marie Meunier
PTB
Sofie Merckx
PTB
Sofie Merckx
PTB
Sofie Merckx
MR
Victoria Vandeberg
PS
Patrick Prévot
PS
Marie Meunier
PS
Sophie Thémont
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking tot 2 jaar) leidt vanaf 1 januari 2026 tot een massale instroom van 180.000 exclus bij de OCMW’s, met name in Waalse en Brusselse gemeenten, waar financiële en personele tekorten dreigen. De federale overheid belooft 300 miljoen euro compensatie in 2026 (stijgend tot 342,6 miljoen in 2029), met 100% terugbetaling van leeflonen in 2026 (afnemend tot 75% in 2029) en een bonus-malussysteem voor activering via GPMI’s, maar critici (SP, PS) wijzen op een tekort van 500 miljoen (SPW-studie) en onvoldoende voorbereiding (veiligheid, personeel, administratieve last). Minister Van Bossuyt benadrukt dat de compensatie dynamisch is (bijsturing bij overschrijding) en dat werk de beste armoedebestrijding is, maar oppositie en OCMW’s vrezen sociale ontwrichting, met name voor langdurig werklozen, zieken en 55-plussers, en eisen snelheid, transparantie en structurele oplossingen in plaats van tijdelijke maatregelen.
Voorzitter:
Bonjour à tous. Nous commencerons par un débat d'actualité sur la réforme du chômage.
J'ai une demande de M. Patrick Prévot, qui doit rejoindre une autre commission. Il souhaite intervenir le premier. Je pense que cela ne pose de problème à personne. Pour rappel, dans le cadre des débats d'actualité, si vous n'avez pas déposé de question, vous pouvez vous joindre, soit aux questions, soit aux répliques, mais pas les deux, si vous n'avez pas déposé de question. Il vous revient donc de nous dire si vous voulez vous joindre, et de demander la parole à la fin des questions, ou à la fin des répliques.
La parole est à M. Prévot.
Patrick Prévot:
Madame la ministre, à partir du 1 er janvier 2026, vous le savez, nous le savons, un tsunami de personnes exclues du chômage va déferler dans les CPAS de notre pays.
Mes collègues Marie Meunier et Sophie Thémont reviendront plus largement sur la problématique, mais c'est un poids de la charge qui est renvoyé du fédéral vers d'autres entités, en l'occurrence ici les communes, des localités majoritairement francophones. Votre premier ministre, Bart De Wever, ne s'en est d'ailleurs jamais caché et n'a jamais caché le volet communautaire d'une telle réforme.
C'est parce que, justement, toutes les communes ne sont pas logées à la même enseigne qu'il existe des iniquités entre différentes zones. Je tenais évidemment à vous interpeller par rapport à cela, plus spécifiquement par rapport à une région que je connais bien, l'arrondissement du Centre. Une région qui regroupe des communes comme Soignies, qui est ma ville, La Louvière ou Binche, mais j'en oublie et j'en m'en excuse. C'est une fédération qui comporterait à elle seule 75 000 personnes exclues.
Dès lors, au-delà du drame social, les agents des CPAS craignent pour leur sécurité. Ce sont eux qui sont face au public dans le désespoir. Pour garantir leur sécurité, certains CPAS ont mis en place des mesures, qui ont un coût supplémentaire pour les finances communales.
Le fédéral compte une enveloppe budgétaire pour dédommager ce transfert de compétences. Pourriez-vous nous communiquer précisément sa répartition et l'impact de cette réforme pour les différentes Régions? Le fédéral compte-t-il prendre en compte la question de la sécurité des agents des CPAS à assurer dès la première vague de personnes exclues, ce 1 er janvier 2026?
Voorzitter:
Madame Merckx, vous allez prendre la parole en deuxième. Vous avez quatre questions. En accord avec la Conférence des présidents qui a étudié le cas des débats d'actualité et des questions jointes, vous avez huit minutes.
Sofie Merckx:
Merci beaucoup. Je vais essayer de ne pas utiliser mes huit minutes afin de ne pas rallonger le débat, mais nous avons déposé des questions précises qui exigent, forcément, des réponses précises également.
Madame la ministre, j'ai demandé au CPAS et au Conseil communal de Charleroi comment la ville se préparait à l'afflux des personnes exclues du chômage qui émargeraient au CPAS, et les représentants du CPAS de Charleroi m'ont dit être dans le flou artistique le plus total. Vous nous avez déjà fourni des informations sur les moyens que vous comptez utiliser pour compenser les exclus du chômage. Je ne vais pas revenir sur les différentes catégories, 100 %, ensuite 90 % et 80 % pour arriver à 75 % à partir de 2029.
Le taux de remboursement, quant à lui, sera augmenté de 15 % à partir de juillet 2026 seulement. Vous dites aussi qu'il y aura un soutien supplémentaire au travers des projets individualisés d'intégration sociale (PIIS) à hauteur de 5 à 15 %, mais uniquement à partir de 2028. En réalité ce soutien viendra en remplacement de la subvention PIIS qui est déjà octroyée actuellement.
La subvention pour frais de dossier sera doublée pendant deux ans, et nous voyons donc que dès 2026, la compensation sera insuffisante par rapport aux moyens que les CPAS devront déployer. Le Soir , par contre, a révélé que les compensations seront en partie financées par des économies sur d'autres aides fédérales. Selon vos propres propos, tenus le 18 juillet 2025, la différence de 66 millions – le montant initial s'élevait à 234 millions, ensuite à 300 millions après les discussions au sein du gouvernement cet été – devra être compensée par des économies dans les départements sociaux de l'État, les plans de cohésion et le budget complémentaire des CPAS, par exemple.
Premièrement, confirmez-vous que vous allez compenser en partie les mécanismes de soutien par des économies dans les départements sociaux de l'État?
Quel sera le montant de ces économies pour les années 2026, 2027, 2028 et 2029, et quels sont les postes budgétaires qui seront affectés par les compensations?
Les gens sur le terrain se posent bien sûr la question.
Concrètement, comment cela va-t-il se passer pour les CPAS? Existe-t-il aujourd'hui une répartition par villes, par exemple? Êtes-vous en contact avec les différents CPAS ou les fédérations de CPAS, ou avec les ministres, même régionaux, qui ont aussi les CPAS dans leurs compétences? Vous vous amusez, pour parler un peu cyniquement, à barrer les compétences usurpées. Vous comprenez aussi que ce problème-là n’est pas le seul qui arrive ainsi aux CPAS. Il y a aussi d'autres fonds que vous venez de supprimer, comme le fonds qui était utilisé pour combattre la pauvreté infantile. Les CPAS sont face à tous ces différents défis.
Suivant l'étude de Belfius sur les finances communales et les estimations des fédérations de CPAS, on peut estimer qu'au moins 180 millions d’euros par an resteront à charge des CPAS. Mais une étude du Service public de Wallonie récente dit que, pour la période 2026-2030, la charge nette totale cumulée sera entre 497 et 558 millions d'euros. C'est une pression très forte dans les grandes villes, mais l'étude met aussi en lumière la vulnérabilité des plus petites communes, où le coût de la réforme, à l'horizon 2030, se situe entre 40 et 65 % de la dotation communale du CPAS inscrite dans le budget initial 2025.
Allez-vous revoir votre copie afin de garantir une compensation intégrale? Il me semble que, dans l'accord de gouvernement, c'était ce qui avait été promis: que les charges supplémentaires allaient être compensées aux CPAS. Là, on ne le voit pas.
Un soutien est nécessaire dès 2025. J’ai parlé de 2026 et la suite. Il est indispensable d'anticiper le flux de possibles nouveaux bénéficiaires et de recruter les assistants sociaux. Former une assistante sociale prend du temps.
Nous sommes le 1 er octobre. Au 1 er janvier, les personnes vont venir au CPAS. Vous annoncez un budget de 26 millions en 2026. Comment avez-vous déterminé ce budget? Quelle sera la clé de répartition de ce budget entre les différents CPAS? À quelle date ces fonds seront-ils effectivement versés sur les comptes des CPAS? Voilà mes questions. Merci.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, er is al heel wat inkt gevloeid over de te verwachten impact van de historische beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd op de OCMW’s. Het grote aantal vragen dat vandaag is gesteld, is daar een teken van. Bij heel wat lokale besturen leeft de vrees dat de werkdruk, die vandaag al hoog ligt, nog verder zal toenemen wanneer een groep werklozen een aanvraag zal indienen voor een leefloon.
U bent zich daarvan bewust en u hebt zich in het verleden al uitgesproken over de mogelijke impact. U maakt bovendien werk van een compensatieregeling. Aanvankelijk was gepland om vanaf 2027 een budget ter beschikking te stellen, zoals overeengekomen in het regeerakkoord, maar intussen is beslist om al eerder middelen vrij te maken. Uiteraard is het niet de bedoeling, of kan het toch niet de bedoeling zijn, om blanco cheques uit te keren. Daarom wilde u de financiering baseren op drie pijlers: compensatie voor de instroom vanuit de werkloosheid, ten tweede een vergoeding op basis van de inspanningen die OCMW’s leveren op het vlak van activering, waarbij het GPMI heel belangrijk is, en ten derde een vergoeding op basis van de effectieve uitstroom naar werk.
Ik heb twee concrete vragen. Wat is vandaag de stand van zaken van die compensatieregeling en hoe zal die eruitzien qua omvang en modaliteiten?
Voorzitter:
Madame Meunier, vous avez déposé cinq questions dans le cadre de ce débat d'actualité et disposez donc de dix minutes de temps de parole.
Marie Meunier:
Merci monsieur le président. Vous aurez noté que nos questions ont des titres différents.
Madame la ministre, le 18 juillet dernier, votre cabinet a communiqué aux fédérations des CPAS les compensations prévues pour faire face à l'afflux de personnes qui seront exclues du chômage à partir de 2026. Ces mesures prévoient notamment: une intervention fédérale modulée, dans le cadre du revenu d'intégration, selon la date d'exclusion du chômage; un doublement temporaire des frais de dossier uniquement pour les premiers entrants et entre 2026 et 2028; la mise en place d'un système de bonus-malus lié à la mise à l'emploi durable ainsi qu'un budget de 26 millions d'euros pour 2025. Au-delà des nombreuses interrogations que ces compensations suscitent, ça va clairement être la douche froide pour les CPAS et les pouvoirs locaux – ça on le sait –, parce que, clairement, ces compensations seront largement insuffisantes, contrairement à ce que certains veulent nous faire croire. Ce n'est pas moi qui le dit mais le service public de Wallonie, le SPW qui a mené une étude à la demande de votre collègue des Engagés à la Région, monsieur François Desquesnes, étude fort intéressante et qui tire des constats extrêmement alarmants.
Environ 85 000 personnes devraient perdre leurs allocations dès 2026 en Wallonie, près de 28 500 se tourneront, a priori, vers les CPAS pour solliciter un revenu d'intégration sociale et, selon le SPW, même avec un mécanisme de compensation fédéral partiel et dégressif, la charge nette pour les communes wallonnes atteindra entre 110 et 127 millions d'euros par an à l'horizon 2030.
Sur la période 2026-2030, cela représenterait près d'un demi-milliard d'euros. C'est un coût colossal, directement supporté par les finances communales et donc les grandes villes comme Liège, Charleroi, Mons ou la Louvière devraient assumer à elles seules près d'un tiers de ce poids. Cet énorme transfert de charges se doublera d'une tension accrue sur les services des CPAS qui devront financer davantage de revenus d'intégration tout en recrutant du personnel supplémentaire, alors qu'aujourd'hui ils peinent déjà à en trouver.
Les services de l'insertion socioprofessionnelle, eux, vont se voir fragilisés par des mobilités internes et un déficit de moyens alors qu'ils devraient être un levier majeur de remise en parcours. La fédération Wallonne des CPAS insiste d'ailleurs sur la nécessité d'un soutien financier spécifique aux ISP, faute de quoi on demandera aux CPAS d'assurer l'insertion tout en réduisant leur capacité d'action.
Enfin, au-delà des aspects budgétaires qui sont, somme toute, déjà fort inquiétants, je m'inquiète aussi de la situation des personnes directement concernées: les exclus du chômage, lesquels recevront – certains l'ont déjà reçu – un courrier leur notifiant leur fin de droit. Mais ces exclus du chômage ne sont absolument pas informés des démarches à effectuer dans la suite de leur parcours.
Plusieurs questions se posent, madame la ministre. Tout d'abord, concernant les compensations dédiées, pourquoi avoir choisi une intervention différenciée en fonction des dates d'exclusion? Sur quelle base les différentes catégories ont-elles été décidées? Concernant le mécanisme de bonus-malus: quelles en seront les modalités concrètes, les calculs concrets, les conditions relatives au type d'emploi – temps plein, temps partiel, article 60, article 61 –, la durée du maintien, les sources authentiques utilisées? Quelles seront les conséquences en cas de malus pour les CPAS?
Par ailleurs, il y a des compensations financières qui sont prévues jusqu'en 2029, mais elles reposent sur des hypothèses de report élaborées par le gouvernement. Donc, est-ce qu'une réévaluation de ces montants est envisagée au vu des risques d'écart important avec la réalité?
L'augmentation des frais de dossier limitée aux premières vagues d'exclus et pour une période restreinte, quant à elle, ne suffira clairement pas à absorber la charge. Selon la fédération des CPAS, cela correspond à un engagement de 600 à 800 ETP jusque 2028, soit environ un travailleur social pour une centaine de dossiers. Je ne sais pas si vous vous rendez compte; 100 dossiers ainsi que leur suivi, soit 100 personnes sur la tête d'une seule personne, c'est énorme! Cela risque de mettre en péril tant la qualité de l'accueil des personnes que les conditions de travail des professionnels, qui sont déjà, comme je vous l'indiquais, sous pression.
Est-ce qu'une adaptation de ces moyens est envisagée? Qu'est-ce que vous pouvez nous dire? Quelles garanties pouvez-vous offrir aux travailleurs sociaux quant au maintien de leurs conditions de travail, quant à la qualité du service rendu aux citoyens les plus fragiles et quant à leur sécurité, afin d'éviter des drames comme celui survenu à Gand cet été? Un collègue est en effet décédé cet été, alors qu'il effectuait son travail de travailleur social.
Vous annoncez un budget de 26 millions d'euros pour 2025. Comment ce budget sera-t-il réparti concrètement? Quelles dépenses seront éligibles et à quelle échéance les CPAS pourront-ils en disposer?
Nous voyons aujourd'hui que vous avez légèrement augmenté la compensation par rapport aux premiers chiffres donnés. Sur quels postes précis comptez-vous faire des économies pour dégager ces montants? Parlons-nous ici à nouveau des politiques que vous considérez comme des compétences usurpées, ou d’autres postes sont-ils concernés?
Concernant le transfert de charges, plusieurs questions se posent également. Comment justifier un transfert d’une telle ampleur vers des pouvoirs locaux qui, déjà aujourd’hui, ne disposent ni des moyens budgétaires ni des effectifs humains nécessaires? Comme je vous l'ai déjà dit, les conséquences seront dramatiques, non seulement pour l'ensemble des bénéficiaires qui ne seront pas suivis correctement, mais également pour l'ensemble des citoyens. Comptez-vous mobiliser de nouveaux moyens pour protéger les CPAS et les communes et pour soutenir financièrement les services d'insertion socioprofessionnelle? Des concertations ont-elles été menées dans ce cadre avec vos collègues des Régions et, en particulier, avec le ministre François Desquesnes?
En ce qui concerne les personnes qui seront exclues du chômage et des allocations d'insertion dans le futur, elles devraient recevoir un courrier – si elle ne l'ont pas déjà reçu – leur indiquant leur fin de droit. Une information leur est-elle communiquée par rapport aux démarches administratives à envisager, notamment auprès des CPAS? Est-ce indiqué? Savent-ils vers où se tourner?
De quels outils concrets disposent aujourd’hui les CPAS pour anticiper la gestion de milliers de nouvelles demandes, mais aussi pour éviter que les potentiels bénéficiaires d’un RIS ou d’une aide sociale ne se retrouvent sans aucun revenu pendant plusieurs mois – le temps de leur enquête – au risque d’accentuer le cercle vicieux de la pauvreté?
Finalement, comme vous avez augmenté le montant de la compensation, sur quel poste précis allez-vous faire des économies?
J’ai donc ici un certain nombre de questions qui, jusqu’à présent, sont restées sans réponse. J’espère qu’aujourd’hui, nous pourrons y voir un peu plus clair avec vous. Je vous remercie.
Voorzitter:
Mme Katja Gabriëls est absente pour sa question n° 56007901C.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, vanaf januari 2026 verliezen in Brussel alleen al meer dan 40.000 mensen hun werkloosheidsuitkering. De RVA is ondertussen gestart met het uitsturen van verwittigingsbrieven. OCMW's bereiden zich voor op een stormloop aan hun loketten en voelen zich verplicht om extra stewards, bewakingspersoneel en zelfs politiepatrouilles in te zetten. Dat zegt veel over de gespannen situatie waarin maatschappelijke werkers vandaag al functioneren.
In Brussel beheert een sociaal assistent gemiddeld 140 dossiers, terwijl 100 eigenlijk het maximum zou moeten zijn. OCMW's hebben dringend honderden extra maatschappelijke werkers nodig. Recent werd door u aangekondigd dat er extra financiële middelen zullen worden vrijgemaakt. Diplomavoorwaarden voor maatschappelijke werkers worden uitgebreid, zodat OCMW's zelf kunnen beslissen welke diploma's in aanmerking zullen komen. Er wordt ook nog nagedacht over hoe de werklast van de maatschappelijke werkers kan worden verminderd.
Ik heb hierover een aantal vragen, mevrouw de minister. In het verleden hebben we het al gehad over de financiële middelen voor het veiligheidspersoneel. U verwees toen naar de deelstaten. OCMW's voelen zich genoodzaakt om in veiligheid te investeren, maar wordt hiervoor op federaal niveau ook een bedrag uitgetrokken? Worden er vanuit de POD MI richtlijnen aan OCMW's gegeven, om bijvoorbeeld na te gaan hoe er met de gevallen van agressie kan worden omgegaan? In welke extra middelen wordt er voorzien om de werklast van de maatschappelijke werkers te verminderen?
Los van die extra middelen waarin u nu voorziet, hoe garandeert u dat deze hervorming niet leidt tot extra financiële en ook menselijke druk op de gemeentes?
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, in het regeerakkoord is afgesproken dat de werkloosheidsuitkering in de tijd zou worden beperkt. De maatregelen zijn al in werking getreden. Afgelopen weken kregen duizenden mensen al een brief dat zij hun uitkering vanaf 1 januari zouden verliezen. In de loop van volgend jaar zal men starten met de eerste groepen, mensen die 20 jaar of langer werkloos zijn geweest en mensen met een wachtuitkering. Nadien komen de mensen aan bod die tussen de 8 jaar en de 20 jaar werkloos zijn. In de loop van het jaar volgen diegenen die langer dan 2 jaar werkloos zijn.
Het is te hopen dat deze mensen de weg vinden naar de VDAB, Actiris of de Forem voor een goede begeleiding.
Een deel van hen zal echter niet aankloppen bij het OCMW, indien zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken, bijvoorbeeld via een partner met een eigen inkomen. Een ander deel van deze mensen, dat geen bestaansmiddelen heeft, zal wel aankloppen bij het OCMW. Dit zorgt uiteraard voor extra druk op de OCMW's, die vandaag al overbevraagd zijn. Daarop kom ik straks in een andere vraag terug.
De OCMW's worden geconfronteerd met twee problemen, namelijk personeelsgebrek en middelengebrek. Voor beide zaken heeft de regering beslist om hen tegemoet te komen. Voor dit jaar is namelijk besloten 26 miljoen euro extra toe te kennen en voor volgend jaar 300 miljoen euro. Dit geld zal dienen ter ondersteuning van de OCMW's en zal worden toegekend in functie van de instroom uit de werkloosheid en de manier waarop mensen begeleid worden via een GPMI en de effecten op duurzame tewerkstelling. Die begeleiding moet er dus zijn vanuit de OCMW's.
Mijn eerste vraag betreft de verdeling van de 300 miljoen voor volgend jaar. Hoe worden deze middelen verdeeld? Kunt u ons deze verdeelsleutel geven en kunnen de OCMW's hiervan op de hoogte worden gebracht?
Ten tweede is het niet eenvoudig om personeel te vinden, zeker gezien de loonvoorwaarden en de aard van het werk. Het werk is namelijk niet altijd gemakkelijk. Daarom is er aangedrongen om de diplomavereisten aan te passen. In Vlaanderen deed men dat de facto al. In de nieuwsbrief van de POD Maatschappelijke Integratie, die wij vrijdag hebben ontvangen, lezen we dat het KB ondertussen klaar is, zodat de regio's de mogelijkheid hebben de diplomavereisten aan te passen. Hierdoor kunnen ook andere mensen dan maatschappelijk werkers worden aangeworven. Dit is positief en in Vlaanderen werd hiermee al gewerkt. Hoe ziet u de effecten hiervan op het terrein, ook in Brussel en Wallonië? Hebben de regio's al interesse getoond om de diplomavereisten aan te passen, zodat ze ook andere personeelsleden kunnen aantrekken met een ander diploma dat ook op de lijst staat, om de werkdruk bij de maatschappelijke werkers te verlichten?
Dat is immers nodig, want het is niet de bedoeling mensen voor onbepaalde tijd met een leefloon te laten leven. Het doel is hen verder te begeleiden naar werk, maatschappelijke integratie, vrijwilligerswerk of deels vrijwilligerswerk en deeltijds werk indien nodig. Dat vergt voldoende mensen en middelen om hen effectief te begeleiden en hen, indien nodig, tijdelijk van een leefloon te voorzien.
Victoria Vandeberg:
Madame la ministre, je ne reviens pas sur tout l'historique, que l'on connaît évidemment déjà, sur les décisions qui ont déjà été prises et sur les débats qui ont déjà eu lieu ici.
J'ai une question plus pratique. En tant que bourgmestre, je suis confrontée à l'incertitude et aux inquiétudes de certains travailleurs au sein des CPAS, que ce soit dans ma commune, dans les communes voisines ou les communes que je côtoie. Ces personnes se posent des questions sur la mise en œuvre et sur le timing.
Des enveloppes seront débloquées, parce qu'on est bien conscient de l'impact que cela pourra avoir sur les CPAS. Bien que l'esprit premier soit évidemment la remise au travail, les CPAS locaux seront évidemment impactés et souhaitent dès lors avoir un timing plus précis – nous sommes déjà fin septembre – sur la manière dont ces fonds seront débloqués, et savoir ce que chaque CPAS, chaque commune pourra percevoir. Ils souhaitent vraiment être rassurés. Une communication claire envers les pouvoirs locaux est très importante, le but étant aussi évidemment pour eux de pouvoir ramener ces personnes au travail. Un accompagnement me semble très important.
Madame la ministre, quelles réponses pouvez-vous leur donner par rapport à ce timing? Comment assurer, précisément, que les moyens complémentaires qui ont été annoncés et qui seront mobilisés seront affectés, et permettront d'éviter l'engorgement des CPAS et, comme je le disais, de relancer ces personnes sur le chemin du travail, le but n'étant pas qu'elles restent au CPAS.
Sophie Thémont:
Madame la ministre, comme on l'a dit, la réforme limitant les allocations de chômage à deux ans entrera en vigueur en janvier 2026. Progressivement, c'est quand même environ 180 000 personnes qui perdront leurs allocations et se tourneront vers les CPAS, lesquels craignent de ne pas avoir les moyens suffisants pour répondre à cette nouvelle charge.
La province de Liège sera particulièrement touchée par cette réforme. Une étude de l'administration wallonne prévoit un déficit de 497 à 558 millions d'euros, dont un tiers à charge des grandes villes comme Liège, Seraing ou encore Herstal. À Liège, cela représente près de 2 800 nouveaux bénéficiaires et un surcoût de 36 millions d'euros d'ici 2030. Cela représente une hausse de 19 % de la dotation communale, alors que le fonds de réserve du CPAS ne dispose plus que de 51 000 euros.
Dans les communes plus petites, l'impact sera tout aussi lourd. Je pense, par exemple, à ma commune, Flémalle, où 752 personnes perdront leurs allocations entre janvier 2026 et juillet 2027, ce qui va entraîner, selon le Service public de Wallonie, 252 bénéficiaires supplémentaires pour le CPAS.
Partout, cette réforme exercera une pression insoutenable, comme on vient de le dire, notamment sur les capacités financières, mais aussi sur les capacités humaines. Vous avez annoncé deux mesures d'accompagnement: le remboursement de 100 % des dossiers exclus et une enveloppe de 26 millions d'euros dès 2025 pour préparer l'arrivée des nouveaux bénéficiaires. Cependant, plusieurs questions se posent.
On vient de le dire: comment cette enveloppe se répartira-t-elle entre les CPAS et selon quels critères? Quelles dépenses seront-elles éligibles? S'agira-t-il uniquement des dépenses en personnel, ou aussi des investissements pour faire face à l'afflux de dossiers? Surtout, à quelle échéance ces moyens seront-ils réellement disponibles, alors que les exclusions commencent déjà à produire leurs effets?
Madame la ministre, pouvez-vous garantir que le gouvernement fournira aux CPAS, notamment ceux de la province de Liège, des ressources suffisantes et rapidement disponibles, afin qu'ils puissent continuer à remplir leurs missions sans être mis en difficulté par les conséquences directes de cette réforme?
Voorzitter:
Merci, madame Thémont. Nous avons une question surprise qui est remontée du fond du tableau, parce qu'elle était en fait liée à la thématique.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, het is goed om hier een Gents gezicht te zien. Eindelijk, zou ik zeggen. Ik heb nog geen whatsappje met felicitaties ontvangen.
In verband met de compensatieregeling voor de OCMW's hebben mijn collega's de problematiek al voldoende geschetst, dus ik zal me beperken tot mijn vragen. De OCMW’s gaan ervan uit dat er minstens 460 nieuwe maatschappelijk werkers nodig zijn om enkel en alleen de aanvragen te kunnen verwerken. Dan hebben we het nog niet over de activering van de mensen die zullen instromen. Voor hoeveel maatschappelijk werkers hebt u eigenlijk extra financiering voorzien? Acht u het realistisch dat zij allemaal tijdig kunnen worden aangeworven?
Mevrouw Lanjri verwees al naar de versoepeling van de diplomavereisten. Welke impact heeft dat op de kwaliteit van het werk, in het bijzonder voor Vlaanderen? Ik denk namelijk dat dat voor Vlaanderen eigenlijk niet zo veel verandert.
U stelt dat de compensaties voor de OCMW’s doelgericht zullen zijn. Welke criteria zullen worden gehanteerd om die compensaties toe te kennen?
Veel van de compenserende maatregelen zijn slechts tijdelijk. Hoe duurzaam is uw aanpak? Aangezien de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd een permanente maatregel is, dreigt er op lange termijn immers stelselmatig extra instroom bij de OCMW’s. Hoe groot schat u die instroom op lange termijn in en welke financiering voorziet u daarvoor?
De OCMW’s moeten eigenlijk tegen 1 januari over volledige informatie beschikken en bij voorkeur ook volledig zijn versterkt. Hoe zult u de lokale besturen helpen om zich daarop voor te bereiden?
Ten slotte, die aanpassingen worden zeer snel en versneld uitgerold. Hoe zult u die uitrol evalueren?
Voorzitter:
Quelqu'un souhaite-t-il se joindre au débat d'actualité? Non? Moi bien!
Voorzitster: Ellen Samyn.
Présidente: Ellen Samyn.
Denis Ducarme:
Madame la ministre, l'occasion était trop belle pour vous remercier de tout le travail que vous accomplissez dans cette réforme extrêmement importante. Quand on consultera les livres d'Histoire politique de la Belgique, ce gouvernement restera probablement dans les annales comme celui qui aura enfin mis fin aux allocations de chômage illimitées dans le temps. Pour rappel, nous restons l'un des seuls pays dans l'Union européenne, sinon au monde, à encore procéder de la sorte.
Bien entendu, une telle réforme peut effrayer. Soit on souffle sur les braises pour effrayer davantage, comme le font certains représentants de gauche, soit on assume qu'une réforme implique toujours du changement; et cela en impliquera, en l'occurrence, dans les CPAS. Je me réjouis donc de vous voir ici, afin d'apporter des éclaircissements quant au soutien dont les CPAS vont pouvoir bénéficier, notamment pour la prise en charge à 100 % du RIS au cours de la première année, à 90 % la deuxième, et ainsi de suite. De même, les taux de remboursement du RIS vont augmenter. Un soutien financier sera également apporté pour les frais de fonctionnement, par exemple sous forme d'un forfait de 1 036 euros par dossier d'exclu du chômage pendant les six premiers mois. Cela vaut également pour le Projet Individualisé d'Intégration Sociale (PIIS): 10 % de prime pour les personnes qui resteraient à l'emploi.
Pour conclure, il est faux de répéter à satiété que nous allons assister à un transfert automatique, semblable à un tsunami, des personnes qui recevaient des allocations de chômage vers les CPAS. Nous parlons d'un tiers des cas. Le ministre Clarinval nous a indiqué, encore récemment, qu'en six mois 9 % des personnes percevant des allocations de chômage depuis 20 ans avaient trouvé un emploi et que c'était aussi le cas pour 37 % des gens bénéficiant d'une allocation d'insertion.
En tout cas, il est utile de vous entendre nous dire, ici au Parlement, combien, pour que cette réforme soit un succès tant dans le changement attendu que du point de vue de la capacité de gestion des CPAS, vous êtes pleinement à leurs côtés pour la transition importante liée à cette réforme. Je vous remercie, madame la ministre.
Anneleen Van Bossuyt:
Eerst wens ik de heer Van Lysebettens te feliciteren met zijn eedaflegging op 18 september in de Kamer. U bent een Gents gezicht dat een niet-Gents gezicht vervangt, want Petra De Sutter is niet van Gent. Welkom in de Kamer.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Président: Denis Ducarme.
Le régime de compensation à la suite de la réforme des allocations de chômage est très important pour les CPAS, car ils sont confrontés à une lourde charge de travail. Je me réjouis donc que nous soyons parvenus à un accord avant les vacances d'été afin que les CPAS obtiennent la clarté et la sécurité auxquelles ils ont droit. Comme M. Ducarme l'a indiqué, nous sommes à leurs côtés.
Le vendredi 19 septembre, le gouvernement fédéral a pris une décision définitive à ce sujet. Le projet de loi sera bientôt déposé au Parlement. Le régime de compensation reposera sur les mêmes paramètres pour chaque CPAS et se déroulera en trois phases. Tout a également été communiqué par le SPP Intégration sociale dans sa newsletter Écho aux CPAS. Je pense que Mme Meunier y a fait référence.
De eerste fase betreft de onmiddellijke ondersteuning bij de behandeling van de aanvragen, ten eerste, door een verdubbeling van de bijdrage voor personeelskosten van 518 euro naar 1.036 euro per dossier voor de personen die in de periode tussen 1 januari 2026 en 30 juni 2026 vanuit de werkloosheid instromen, en ten tweede, door een verhoogde, gefaseerde terugbetaling van het leefloon.
Voor wie uit de werkloosheid uitstromen in de periode tussen 1 januari en 30 juni 2026 zal de terugbetaling van het leefloon 100 % bedragen in 2026, 90 % in 2027, 80 % in 2028 en 75 % vanaf het jaar 2029. Daarbij wil ik erop duiden dat het verschil tussen grote en kleine OCMW's hier totaal niet speelt. Nu bestaat er een systeem van terugbetaling tussen 55 en 70 %, afhankelijk van de grootte van de OCMW. Voortaan zal voor alle OCMW's voor die categorie gelden wat ik net heb toegelicht. Voor mensen die na 30 juni 2026 uit de werkloosheid uitstromen, zal er nog een verhoging zijn met 15 %.
Nu kom ik tot de tweede van de drie fases. Na de eerste fase, de onmiddellijke ondersteuning bij de behandeling van de aanvragen, vindt in de tweede fase een gewijzigde subsidiëring plaats van het GPMI, voor alle leefloonbegunstigden. Het gaat dus niet enkel voor mensen die uitstromen uit de werkloosheid, maar om alle leefloongerechtigden.
Vanaf 1 januari 2028 komt er een bonus-malussysteem waarbij de bijzondere toelage voor het GPMI afhankelijk zal zijn van het aantal GPMI's. Met andere woorden, hoe meer GPMI's er worden afgesloten, hoe hoger de toelage, volgens de hiernavolgende ratio. Als ten minste 80 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, zal dat 15 % zijn. Dat wordt 12,5% indien tussen 60 en 80 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, 10 %, zoals de huidige situatie, als tussen 40 en 60 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, 7,5 % als tussen 20 en 40 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten, en 5 % indien minder dan 20 % van de begunstigden een GPMI heeft afgesloten. Daarmee willen we de inspanningen belonen die de OCMW's leveren om mensen te activeren.
Dan komen we tot de derde fase. De derde fase betreft een stimulans van 1.776 euro. In de eerste ontwerpen was sprake van 10 %, maar dat is gewijzigd naar een forfaitair bedrag van 1.776 euro omdat er anders een extra administratieve last bij de OCMW's en de POD Maatschappelijke Integratie zou terechtkomen. Het forfaitair bedrag van 1.776 euro is gelijk aan een twaalfde van het jaarlijks leefloonbedrag categorie 3, bedoeld voor personen met gezinslast, als de OCMW's erin slagen om de personen naar duurzame tewerkstelling toe te leiden. Met duurzame tewerkstelling wordt bedoeld dat de persoon minstens één jaar aan het werk moet blijven na de toekenning van het leefloon en de persoon moet hebben deelgenomen aan een GPMI toen hij een leefloon ontving.
Nu kom ik tot de vragen over de budgetten. In de budgetten wordt niets geschrapt, aangezien we een compensatie voorzien. Bij de begrotingsopmaak 2026 wordt een compensatiebudget voor de OCMW's uitgetrokken van 300 miljoen euro in 2026 en 2027, 302,3 miljoen euro in 2028 en 342,6 miljoen euro in 2029. Niet onbelangrijk, bij mogelijke overschrijding van die budgetten engageert de federale overheid zich ertoe om de tekorten bij te passen.
Daarnaast zal in 2025 nog een budget van 26 miljoen euro worden uitgetrokken, waar de meesten van u al naar verwezen. De verdeling van die 26 miljoen euro gebeurt op basis van de verwachte instroom bij de OCMW’s, zodat dit jaar nog voorbereidende maatregelen genomen kunnen worden. De verdeling gebeurt volgens de verwachte uitstroomcijfers per gemeente. Met andere woorden: door de regel van drie toe te passen op de 26 miljoen euro kan het bedrag per gemeente bepaald worden. De cijfers zijn bekend en werden al verspreid.
Madame Vandeberg, vous avez demandé quand ce budget sera libéré pour 2025.
Welnu, wanneer de RVA het geld overmaakt aan de POD Maatschappelijke Integratie, zal de POD MI het doorstorten aan de desbetreffende OCMW’s.
À partir de 2026, le montant dépendra de plusieurs paramètres, notamment le nombre de PIIS, le nombre d'emplois durables, etc. Le choix a été fait délibérément de différencier l'intervention en fonction de la date d'exclusion des allocations de chômage. En effet, la première vague, avec des exclusions au 1 er janvier, au 1 er mars et au 1 er avril, concerne le public le plus difficile à activer. Il s'agit respectivement des personnes étant au chômage depuis plus de 20 ans, plus de 8 ans et au moins 2 ans. C'est pourquoi le pourcentage de remboursement y est plus élevé. Pour la prime liée à l'emploi durable, l'emploi dans le cadre des articles 60 et 61 est pris en compte.
La charge administrative ne reposera pas sur les CPAS, mais sur le SPP Intégration sociale, qui se chargera de la vérification des conditions et de l'octroi de cette prime aux CPAS.
We hebben een taskforce opgericht die is samengesteld uit ons kabinet, het kabinet van minister Clarinval, de verschillende tewerkstellingsorganisaties, de RVA, de OCMW-federaties en de POD MI. Die werkgroep heeft tot doel om de nodige communicatie voor te bereiden voor de OCMW's, de arbeidsbemiddelingskantoren en de personen die van de werkloosheidsuitkering worden uitgesloten. Er wordt ook gewerkt aan andere aspecten, zoals de verbetering van de IT-gegevensstromen.
Er is ook gevraagd naar de diplomavoorwaarden. Het ontwerp van koninklijk besluit inzake de gelijkwaardigheid van diploma's is klaar voor publicatie in het Belgisch Staatsblad . Het is ondertekend en alles is rond. Enkel de publicatie in het Belgisch Staatsblad moet nog gebeuren.
Wat de taken betreft die door andere profielen kunnen worden uitgevoerd, vermeldt een omzendbrief van 29 maart 2024 de taken die door een administratief medewerker of een andere persoon kunnen worden vervuld. Het gaat om een tabel die de volledige procedure weergeeft. Het is voor een OCMW dus perfect mogelijk om zijn administratieve structuur beter te organiseren.
Er werd gevraagd naar de mogelijkheid van een voorlopige toekenning van een leefloon als tijdelijke oplossing om te vermijden dat mensen zonder inkomen zouden vallen. Wettelijk is het niet mogelijk om van de vastgestelde wettelijke procedure af te wijken. We kunnen geen discriminatie creëren tussen steunaanvragers. Het zou onrechtvaardig zijn dat personen die uitgesloten zijn van de werkloosheidsuitkering, onmiddellijk een leefloon zouden krijgen zonder een sociaal onderzoek, terwijl anderen die in een gelijkaardige situatie steun aanvragen bij het OCMW, wel de volledige onderzoeksprocedure moeten doorlopen. Dat voorstel vind ik trouwens ook niet wenselijk.
Ik werf zelf geen enkele maatschappelijk werker aan. Dat doen de lokale besturen natuurlijk. Ik lees dagelijks de kranten, net als u. Ik heb al heel veel verschillende extrapolaties en simulaties gezien en die lopen eerlijk gezegd nogal uiteen. Extra maatschappelijk werkers zullen nodig zijn, daar ben ik absoluut zeker van. Op basis van de cijfers van de RVA over de uitstromers per gemeente weten we dat onze lokale besturen zich voorbereiden en dat er veel vacatures openstaan. Ik heb ze niet geteld, maar als het om 460 gaat – de heer Van Lysebettens vernoemde dat getal – dan betekent dat niet per se 460 voltijdsequivalenten per OCMW.
We monitoren de uitstroom en de werkdruk bij de OCMW's via de POD MI, meer bepaald via het NOVA PRIMA-systeem.
Le budget de compensation destiné aux CPAS ne constitue en aucun cas un transfert de compétences. Le niveau fédéral souhaite, au contraire, indemniser les CPAS en raison des réformes en matière de chômage. J'ai déjà souligné que les montants prévus sont considérables.
Si le coût réel, comme je viens de le dire aussi, devait s'avérer supérieur au budget de compensation, des ajustements seront effectués. Il est toutefois impossible aujourd'hui de calculer ce budget de manière précise par région, par ville ou par commune. La répartition dépend en effet de plusieurs paramètres qu'il n'est pas possible d'anticiper. Par exemple, il faudra tenir compte du nombre de personnes qui, suite aux réformes, s'adresseront au CPAS entre le 1 er janvier et le 1 er juillet 2026, ainsi que de celles qui le feront après le 1 er juillet 2026.
Comme je viens de le mentionner, l'impact final dépendra également du nombre de PIIS que les CPAS concluront à partir de 2028, ainsi que du nombre de personnes durablement mises à l'emploi.
Chers collègues, le point de départ de cette réforme est très clair: il faut accompagner les personnes vers l'emploi. Celui qui, après un certain temps, perd son allocation de chômage ne doit pas considérer cela comme une perte, mais comme un stimulant. Notre société ne peut pas enfermer les gens dans une allocation, mais doit les soutenir et les accompagner vers le travail. Car le travail offre des perspectives et constitue la meilleure forme de protection sociale.
De cijfers tonen dat trouwens aan. Het risico om in armoede te belanden is voor mensen zonder werk 32 %, terwijl dat voor werkenden 5,5 % is. Het is dus overduidelijk dat een job de beste garantie is tegen armoede.
Le travail n'est pas une punition, mais bien une chance. Pour utiliser les propos d'Adrien Dolimont, la règle n'est pas là pour exclure les gens mais bien pour les inclure.
Sofie Merckx:
Merci pour les explications. Si je comprends bien, vous démentez ce qui était écrit dans Le Soir , qui disait que les 300 millions prévus, il faudrait aller les puiser dans d'autres économies. Et vous dites même que vous allez ajuster le budget à la hausse si les compensations ne sont pas suffisantes.
Mais logiquement, elles ne seront pas suffisantes, étant donné que vous utilisez un taux dégressif par rapport aux années d'exclusion. Donc oui, forcément, les CPAS devront combler une partie, sauf si à un moment donné, il n'y a plus un exclu du chômage qui se présente dans un CPAS. Mais ça, je pense quand même qu'il y a peu de chances.
Donc, il va falloir compenser cela. Maintenant, je suis un peu stupéfaite par votre discours ou celui de M. Ducarme. Vous reprenez l'idée que 9 % ont trouvé un emploi – chiffre que M. Clarinval a avancé hier –, mais cela signifie que 91 % n'ont toujours pas de travail. C'est une très grande majorité. On est à trois mois de l'exclusion définitive pour 90 % des cas qui n'ont pas trouvé de travail.
Je trouve aussi qu'il y a une vraie contradiction avec le fait de dire qu'on va voir un "article 60" comme un emploi durable. Moi, je veux bien, tant mieux pour la compensation temporaire alors. Mais un "article 60" n'est en rien un emploi durable. C'est bien ça le problème: un petit intérim à gauche, quelques jours de travail par là.
On voit aujourd'hui que beaucoup de gens qui cherchent un emploi sont loin de la caricature que vous mettez tout le temps en avant. Et je pense précisément à la personne qui a témoigné sur les réseaux sociaux, qui a repris aujourd'hui des études de sage-femme. Elle va voir son allocation coupée du jour au lendemain, alors qu'elle a réellement entamé ses études avec succès pour son avenir.
Je pense qu'il faut revoir cette réforme. Sur le terrain, il y a quand même énormément de panique face à ce qui va arriver. Et de l'autre côté, l'exclusion que vous organisez, elle est vraiment massive.
Je crains que le pire n'arrive.
Voorzitter:
Madame Merckx, en un mot, puisque vous m'avez interpellé directement, le chiffre est de 9 %. Ce sont 9 % des personnes qui sont au chômage depuis plus de 20 ans qui, en six mois, ont retrouvé un travail. C'est précisément de ces personnes-là dont on parle.
Sofie Merckx:
Cela signifie que 91 % n'ont pas trouvé de travail aujourd'hui.
Voorzitter:
Ce sont des gens qui étaient au chômage depuis 20 ans.
Sofie Merckx:
Je croyais que tout le monde allait trouver du travail, conformément au discours qui dit: "Il y a des emplois et tout le monde va trouver du travail". Ce chiffre de 9 % me semble très limité!
Voorzitter:
Moi, je trouve extraordinaire qu'en six mois, grâce à la réforme, des gens qui étaient au chômage depuis 20 ans retrouvent un travail. Je m'arrête là, sauf si vous souhaitez encore réagir. Non? Très bien.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik wil u danken voor uw antwoorden.
Wat u zegt, klopt natuurlijk helemaal. De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd was noodzakelijk. Het was een verantwoorde keuze. België was zowat het enige land waar nog een onbepaalde werkloosheidsperiode bestond.
De beperking past in het heel duidelijke doel om mensen richting werk te bewegen. Dat is immers, zoals u zei, de allerbeste garantie tegen armoede. Het is een remedie tegen financiële problemen, maar komt ook tegemoet aan de latente functies van arbeid, die op menselijk vlak superbelangrijk zijn. De krappe arbeidsmarkt van vandaag biedt daar effectief mogelijkheden toe, mits een goede activering en een goede trajectbegeleiding. Ik wil uitgaan van het potentieel van die mensen, in plaats van hen af te schilderen als sukkelaars die nooit meer aan de slag kunnen gaan.
Voor de groep die toch nog bij het OCMW terechtkomt, is duidelijk in middelen voorzien om de trajecten naar werk kwalitatief vorm te geven via de GPMI's. Als die GPMI's succesvol zijn, zullen die mensen extra beloond worden. In de extra middelen zitten ook de verhoging van de terugbetalingspercentages en de verhoogde toelagen voor de personeelskosten. Ik weet wel dat het voor sommige mensen nooit genoeg zal zijn, maar dit zijn aanzienlijke verhogingen.
U bent goed voorbereid op een weliswaar grote uitdaging, maar deze operatie moet en zal slagen.
Marie Meunier:
Madame la ministre, merci pour vos réponses.
Vous avez commencé par dire qu'il y a de la clarté, que vous êtes aux côtés des CPAS. Moi, je voudrais commencer en vous disant qu'à ce stade, il n'y a ni sécurité, ni clarté pour les CPAS. Si vous croyez ce que vous dites, je vous invite vraiment à retourner sur le terrain. Ce n'est pas du tout ce qui est en train de se passer. Les institutions ne se sentent pas du tout en sécurité et les travailleurs sociaux ne voient aucune clarté dans tout ce qui est en train de se mettre en place.
Sur plusieurs questions que je vous ai posées, vous m'avez indiqué qu'à ce stade, on ne sait pas, on attend, on doit attendre de voir. On ne sait pas, mais on sait quand même que 85 000 personnes seront exclues du chômage. On sait que 28 500 d'entre elles passeront la porte des CPAS. Et je vous annonce déjà que d'autres viendront toquer à la porte des CPAS, qui n'auront droit à rien, mais pour lesquelles les travailleurs sociaux devront effectuer un travail administratif, parce qu'on ne peut refuser aucune demande d'initiative. Si une personne passe la porte d'un CPAS, un dossier social doit être introduit. Ce travail devra être fait.
Aucune information non plus concernant l'accompagnement des exclus. Je vous parlais du fameux courrier qui leur a été envoyé, que certains ont déjà reçu. Quid d'une information sur leurs droits ou d'une démarche proactive à leur égard? Pas de réponse. Peut-être le faites-vous exprès. Vous avez raison: laissons-les dans l'ignorance, évitons de les aider! Si en plus, ils peuvent éviter, après avoir été exclus, de passer la porte d'un CPAS, j'imagine que ça vous arrange.
Pour ce qui est de la compensation, vous dites que vous allez l'augmenter si nécessaire, mais le Service public de Wallonie (SPW) parle déjà d'un manque de 500 millions d'euros à horizon 2030. Je vous l'annonce déjà aussi: cela sera nécessaire. Pourquoi attend-on? Faites-le maintenant!
S'agissant des 26 millions, je suis désolée, mais je n'ai pas compris comment ils seront octroyés. Je vous ai entendu parler de l'ONEM. Nous sommes en octobre. C'est maintenant que les CPAS ont besoin de moyens. Ce n'est pas le 31 décembre pour les arrivées à partir du 1 er janvier. Un travail en amont est déjà par les CPAS.
Un collègue nous parlait des livres d'histoire tout à l'heure. Je ne crois pas que les livres d'histoire retiendront vos atrocités. Par contre, ce que les citoyens, eux, retiendront, c'est que ce gouvernement a augmenté la grande précarité au sein de sa population. Que ce gouvernement a préféré favoriser le 0,01 % de sa population contre les 99,99 % autres. Que ce gouvernement a préféré appliquer une politique d'austérité sur ses citoyens les plus fragiles: les pensionnés, les femmes, les enfants… Bref, ce qu'on retiendra de tout ça, je pense, c'est qu'à l'inverse de créer de l'emploi et de l'espoir, vous aurez créé de l'angoisse et de la misère. Et ça, je suis désolée, pour moi ça ne mérite aucune fierté!
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zal onvermijdelijk leiden tot een grotere instroom bij de OCMW's. Dat betekent dat de werkdruk voor maatschappelijk werkers, die vandaag al bijzonder hoog is, nog verder zal toenemen. U ziet vermoedelijk ook in dat het belangrijk is oog te hebben voor de realiteit en voldoende maatregelen te nemen om die werkdruk werkbaar te houden. U geeft aan dat er extra middelen zullen vrijkomen, maar ik hoop ook dat er tijdig een evaluatie plaatsvindt om na te gaan of de financiële middelen en het aantal personeelsleden toereikend zijn.
Een tweede punt, waarop ik blijf hameren, betreft de veiligheid. Maatschappelijk werkers worden in hun dagelijkse praktijk helaas geconfronteerd met verbale en soms ook fysieke agressie – in Gent zagen we recent op pijnlijke wijze welke dramatische gevolgen dat kan hebben. Het is essentieel dat er duidelijke richtlijnen komen om dergelijke situaties te voorkomen en aan te pakken, alsook dat OCMW's over de nodige middelen beschikken om hun personeel goed te beschermen.
Daarnaast is heldere communicatie naar de betrokken burgers cruciaal. Wie zijn uitkering verliest en zich tot het OCMW moet wenden, moet tijdig en duidelijk geïnformeerd worden over zijn rechten en plichten. Onduidelijkheid leidt alleen maar tot frustraties en spanningen aan de loketten, en dat is voor niemand wenselijk.
Ik besluit dus dat garanties voor de bescherming en ondersteuning van maatschappelijk werkers, evenals duidelijke communicatie naar de betrokken burgers van cruciaal belang zijn.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, dank u wel voor uw antwoord.
Het is goed dat de regering in extra middelen heeft voorzien, zowel voor de leeflonen, niet alleen nu maar ook op langere termijn, als voor extra personeel. Er worden de komende jaren extra middelen vrijgemaakt. Dit jaar gaat het al om 26 miljoen euro. De regering heeft dat engagement genomen.
Het is eveneens positief dat gemeenten een hogere financiële bijdrage zullen ontvangen, ook in de toekomst. Op termijn zullen zelfs kleine gemeenten, die normaal gezien 55 % krijgen, voor deze groep een financiële bijdrage van 75 % blijven ontvangen. Dat is op zich al positief.
We moeten afwachten wie werkelijk zal instromen bij de OCMW's en daar zal aankloppen voor een leefloon, en wie daarvoor aan de voorwaarden zal voldoen en behoeftig is. Indien zou blijken dat de middelen – bijvoorbeeld het bedrag van 300 miljoen euro waarin voor volgend jaar voorzien is – niet volstaan, engageert de regering zich om bij te passen. Dat engagement is heel belangrijk en onthoud ik zeker uit uw antwoord.
Ik heb echter geen antwoord gekregen op mijn concrete vraag of u me de verdeling kunt geven over de gemeentebesturen van de 300 miljoen euro die voor volgend jaar voorzien is. Die gemeenten wachten daarop, of minstens op een raming van het bedrag dat ze kunnen verwachten. Daar heb ik geen antwoord op gekregen.
Ik wil ook een kanttekening maken. Er wordt gekeken naar het aantal GPMI’s dat men afsluit. Dat zal immers mee bepalen hoeveel tussenkomst men krijgt. Een GPMI afsluiten is één ding, zorgen voor een effectieve en goede begeleiding is iets heel anders. Ik hoop dat we niet alleen streven naar het afsluiten van GPMI’s zonder dat de begeleiding voldoende kwalitatief is.
Tot slot wil ik benadrukken dat het hier gaat om de moeilijkste doelgroep, mensen bij wie de VDAB, Actiris en de Forem er niet in geslaagd zijn ze te activeren. Mensen die soms 20 jaar of langer werkloos zijn en die nu door de OCMW’s geactiveerd zouden moeten worden. Ik hoop dat dat lukt, maar men zal daarvoor de handen in elkaar moeten slaan en versterking moeten vragen aan andere bevoegde diensten.
In die doelgroep zitten namelijk mensen die niet onmiddellijk toeleidbaar zijn naar werk. Er zijn mensen die te ziek zijn om te werken, maar niet ziek genoeg om een invaliditeitsuitkering te krijgen. Er zijn mensen met een handicap die vandaag geen IVT ontvangen, en er zijn mensen die misschien wel kunnen werken maar bij wie dat progressief zou moeten gebeuren.
Mevrouw de minister, u gaf aan dat er werkgroepen actief zijn en dat er overleg is met andere ministers, onder andere minister Vandenbroucke, verantwoordelijk voor de invaliditeitsuitkeringen, minister Clarinval, de bevoegde ministers voor de regio’s en ook minister Beenders, bevoegd voor personen met een handicap. De VDAB heeft al eens aangegeven dat 10.000 mensen niet toeleidbaar zijn naar werk. Als men dat weet, dan zal het OCMW dat ook niet zomaar kunnen.
Hier zal maatwerk moeten worden geleverd. Die mensen moeten naar een specifiek statuut worden geleid. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat zij toch recht krijgen op een erkenning als persoon met een handicap en bijvoorbeeld een inkomensvervangende tegemoetkoming. Ik vraag u om dat eens te bekijken, geval per geval. Het is maatwerk, maar ik hoop dat u oog hebt voor deze groep. Samen met de andere bevoegde ministers en de regionale ministers moet dat werk ook gebeuren.
Het zou heel jammer zijn over tien jaar vast te stellen dat de OCMW's nog altijd met die doelgroepen zitten. Het is niet de bedoeling dat we die mensen een uitkering geven en ze verder aan hun lot overlaten. Nee, het is echt wel de bedoeling die mensen op één of andere manier te activeren. Kan dat niet voor regulier werk, dan eventueel voor vrijwilligerswerk, voor maatwerk of nog iets anders.
Victoria Vandeberg:
Je vous remercie , madame la ministre, pour vos réponses.
Complémentairement à cela, je pense qu’une communication – qu’elle soit ciblée ou plus large – à destination des CPAS et des pouvoirs locaux pourrait être utile. Elle permettrait de réaffirmer que vous êtes à leurs côtés – ce qui est bien le cas – et de mettre fin aux fausses informations qui circulent, ici ou ailleurs, laissant entendre que vous ne soutiendriez pas les CPAS.
Par ailleurs, lorsque nous parlons d’atrocités, je me demande si la véritable atrocité ne consiste pas à maintenir certaines personnes dépendantes de l’État, à vie pour certains et depuis plus de 20 ans pour d'autres. Aujourd’hui, nous avançons vers une politique qui vise à rendre les personnes actrices de leur vie, dans une logique d’émancipation.
Alors, je pense que quand on entend parler d'atrocités, il faut vraiment pouvoir peser ses mots, parce que le vocabulaire est important, et surtout mensonger, dans ce cas-ci.
Sophie Thémont:
Je vous remercie, madame la ministre, pour vos réponses.
Étant bourgmestre de la commune de Flémalle, je dois bien vous dire que les retours et les inquiétudes de ma présidente de CPAS, mais aussi de mon directeur général, portent notamment sur le courrier de l’ONEM, qui délivre, en effet, de simples informations en application de la loi. Ce courrier a pourtant toute son importance, car s’il contient une décision individuelle à l’encontre d’un citoyen, il faut aussi pouvoir mentionner les délais et les voies de recours auxquels cette personne peut prétendre.
Nahima Lanjri:
(…)
Sophie Thémont:
Je m'excuse, mais, franchement, madame Lanjri, ce n'est pas sympathique de me couper la parole.
Voorzitter:
Vous avez raison, madame Thémont. Je vous laisse donc plus de temps pour vous exprimer.
Sophie Thémont:
Je poursuis.
Au-delà de cela, avec le RGPD, les CPAS n'ont pas accès aux noms des personnes qui vont se retrouver demain sur leurs listes. Ne pas pouvoir anticiper ou prendre contact avec ces personnes est aussi un handicap. En effet, comme cela a été dit tout à l’heure, lorsque la personne se retrouvera sans revenu au 1 er janvier, elle ne commencera les démarches qu’à ce moment-là, ce qui entraînera un laps de temps durant lequel elle sera sans allocation. C'est inadmissible. Il faudrait également trouver une solution permettant d’améliorer l’information à destination des citoyens.
Concernant la répartition, vous avez donné un chiffre global, mais nous ne dites pas quel montant aura chaque CPAS, en fonction de quels critères.
Par ailleurs, vous dites que l'emploi est une garantie contre la pauvreté. Évidemment! Je peux vous rejoindre sur cette idée, mais dans quelles conditions? On en a parlé lors des débats précédents avec M. Clarinval. Quand on voit aujourd'hui la réforme du marché du travail dans laquelle on va privilégier les flexi-jobs et annualiser le temps de travail, comment voulez-vous que les gens retrouvent un travail stable et s'épanouissent?
On stigmatise systématiquement la gauche, surtout le Parti Socialiste, en disant que nous sommes le parti des fainéants. Mais non! Nous avons aussi envie que les gens retrouvent du travail, mais du travail dans de bonnes conditions. Pour cela il faut leur donner un bon salaire, et des heures normales. Trouvez-vous normal qu'aujourd'hui, dans une zone de police mono-communale, des policiers doivent trouver un flexi-job pour clôturer la fin du mois? Ce n'est quand même pas normal, et vous n'en disconviendrez pas.
On n'a pas parlé non plus des personnes âgées de plus de 55 ans. Que vont faire les femmes, principalement? Elles vont se retrouver sur le carreau. Je ne vais pas reprendre l'exemple de Cora. Ces femmes-là qui aujourd'hui ont un complément de chômage ne l'auront plus non plus. C'est là que vous touchez à la classe moyenne aussi. Cela signifie que si mon époux travaille et que je travaillais chez Cora, sans avoir un temps plein, je n'ai plus le droit à une allocation. Cela signifie qu'aujourd'hui, d'autres publics cibles vont également frapper à la porte du CPAS, et notamment la classe moyenne.
Jeroen Van Lysebettens:
Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoorden. Die antwoorden bieden veel informatie en stof tot nadenken. Ik kijk ernaar uit om dat hier in de toekomst verder te bespreken wanneer er wetsvoorstellen worden ingediend. Het is positief dat u duidelijk stelt dat budgetoverschrijdingen door de federale overheid zullen worden bijgepast en niet door de lokale besturen. U zegt echter ook dat de beste bescherming tegen armoede werk is en daar schuilt precies de denkfout van de regering. De beste bescherming tegen armoede is niet werk, maar een inkomen. Dat zeg ik niet zelf, dat stelt de FOD Sociale Zekerheid, eergisteren in De Tijd . Het inkomen van veel mensen wordt echter door de regering afgenomen, zonder de garantie dat ze een vervangingsinkomen zullen krijgen. In de ideale wereld zouden al die mensen aan de slag kunnen. Tegelijkertijd zijn het precies die mensen waarop de VDAB, Actiris en de Forem al jaren inzetten. Nu wordt van de OCMW's gevraagd om die mensen te activeren. De OCMW's zullen daar ook financieel op worden gestuurd, terwijl zij slechts in beperkte mate over de benodigde expertise beschikken. De werkdruk op de OCMW's neemt toe. U stelt zelf dat er veel vacatures openstaan. Ik merk daarbij op dat die vacatures niet worden ingevuld. Waarschijnlijk zal het op korte termijn erg moeilijk zijn om die in te vullen. Ik ben blij dat u in een taskforce voorziet, maar ik vraag me af waarom minister Vandenbroucke als minister van Sociale Zaken daar niet bij is betrokken. Het zal noodzakelijk zijn dat er op korte termijn veel gebeurt om het ergste te voorkomen. Het is van belang dat de OCMW's zo snel mogelijk gedetailleerd worden geïnformeerd over de financiering en het aantal mensen dat specifiek op hen afkomt. Zoals mevrouw Lanjri aangeeft, zijn er een aantal groepen die zeer moeilijk te activeren zullen zijn. Een plan om daarmee aan de slag te gaan ontbreekt vooralsnog, maar is absoluut noodzakelijk.
De toekomst van het MIRIAM-project bij de OCMW's
De stopzetting van het MIRIAM-project
De toekomst en stopzetting van het MIRIAM-project bij OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt wijst de vraag over de stopzetting van federale financiering voor MIRIAM—een succesvol begeleidingsproject voor kwetsbare eenoudergezinnen—door naar minister Vandenbroucke (Armoedebestrijding), omdat het niet onder haar bevoegdheid valt. Pirson kaart aan dat het project wetenschappelijk bewezen positieve effecten heeft, maar dreigt te verdwijnen door een ongefundeerd budgettair besluit en een onbetaalbaar overdrachtsrisico naar de gewesten, zonder alternatief voor deze kwetsbare groep. De discussie onthult een bevoegdheidsvacuüm en gebrek aan zekerheid over de toekomst van sociaal waardevolle initiatieven. Geen concreet antwoord of oplossing wordt geboden.
Anne Pirson:
Madame la ministre, depuis 2015, le projet MIRIAM constitue une innovation sociale majeure en matière d’accompagnement des femmes monoparentales en situation de précarité. Ce projet a permis, dans de nombreux CPAS partout en Belgique, de développer un suivi intensif et volontaire de ces femmes, en rupture avec les pratiques classiques centrées sur le contrôle et les obligations contractuelles.
Plusieurs évaluations scientifiques ont démontré l’impact significatif de ce projet, tant sur l’émancipation et l’inclusion sociale que sur l’accès à l’emploi ou à la formation pour les participantes. De plus, peu de dispositifs spécifiques destinés à ces publics existent.
Nous avons appris votre volonté de mettre fin au financement fédéral du projet MIRIAM et de transférer sa responsabilité vers les entités fédérées. Or, dans le contexte budgétaire particulièrement tendu que connaissent aujourd’hui les Régions et Communautés, ce transfert, qui devrait s’opérer sans compensation financière, pose de vraies questions de faisabilité.
Confirmez-vous votre intention de supprimer le financement fédéral du projet MIRIAM et de transférer cette compétence aux Régions au nom du principe des compétences usurpées? Sur quelle base d’évaluation repose cette décision, alors que les rapports scientifiques pointent les effets positifs du projet, tant pour les participantes que pour les CPAS eux-mêmes? Au vu des effets potentiels d’un tel transfert, pouvez-vous nous en dire plus sur ce que vous comptez mettre en place pour répondre aux parents isolés, un groupe particulièrement vulnérable au sein des CPAS? Plus largement, comment éviter que des projets à forte valeur ajoutée sociale, comme MIRIAM, ne soient fragilisés par des arbitrages budgétaires qui ne tiennent pas toujours compte des impacts humains à long terme?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Pirson, je suis désolée, parce que vous avez une longue question, mais la poursuite du programme MIRIAM relève de la compétence du ministre en charge de la Lutte contre la pauvreté, c'est mon collègue Vandenbroucke, donc je ne puis que vous inviter à vous adresser directement à lui pour plus d'informations.
Anne Pirson:
Merci pour la précision. Désolée, je ne sais pas comment cette question est arrivée au mauvais endroit. Voorzitter: Wouter Raskin. Président: Wouter Raskin.
De audit van het OCMW van Anderlecht
De audit van de POD Maatschappelijke Integratie over het OCMW van Anderlecht
Controle van het OCMW Anderlecht door auditdiensten
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De audit van POD MI onthult zware structurele tekortkomingen bij OCMW Anderlecht: ontbrekende procedures, fraude met fictieve data, gebrek aan toezicht, overbelaste maatschappelijk werkers en onterechte uitkeringen, wat 18.000 kwetsbare cliënten en het vertrouwen in het sociale systeem ondermijnt. Minister Van Bossuyt bevestigt drastische maatregelen (extra controles, samenwerking met justitie, uitbreiding inspectieteam) en dringt aan op versnelde gewestelijke audits (nu bij GGC, maar te traag) naar Vlaams model, maar benadrukt dat herstel jarenwerk vraagt en samenhangend optreden met Brussel en Wallonië essentieel is. Parlementsleden Samyn en Raskin eisen snelle, transparante opvolging van de auditbevindingen—met duidelijke deadlines—en een breed preventief onderzoek naar andere OCMW’s om herhaling te voorkomen, terwijl het gerechtelijk onderzoek (arbeidsauditoraat) en politieke verantwoordelijkheid (cliëntelisme, wanbeheer) centraal staan. De crisis in Anderlecht dient als waarschuwing voor het hele land, met vertrouwenherstel en betere dienstverlening als absolute prioriteit.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, uit een recent gepubliceerde audit van de POD MI over het OCMW van Anderlecht blijkt dat er ernstige tekortkomingen zijn in de werking. Interne procedures ontbreken of zijn verouderd. Maatschappelijk werkers worden onvoldoende begeleid. Dossiers worden niet of gebrekkig opgevolgd. Fictieve data zouden zelfs worden gebruikt om wettelijke termijnen te omzeilen.
Hoewel het OCMW maatregelen aankondigt en de minister van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest oproept om in te grijpen, blijft de situatie bijzonder zorgwekkend, zeker in een gemeente waar 18.000 mensen afhankelijk zijn van het OCMW.
Mevrouw de minister, ik heb een aantal vragen voor u. Hoe beoordeelt u de huidige situatie in Anderlecht in het licht van goed bestuur en een correcte besteding van federale middelen? Acht u het aangewezen dat er bijkomende federale controlemechanismen komen om herhaling elders te voorkomen? U stelde zich enkele maanden geleden burgerlijke partij in het onderzoek naar mogelijke fraude bij het OCMW van Anderlecht. Wat is daar de stand van zaken en overweegt u naar aanleiding van de audit van de POD MI bijkomende stappen? En ten slotte, hoe garandeert u dat kwetsbare burgers in Anderlecht ondanks deze problemen de steun krijgen waarop ze recht hebben?
Wouter Raskin:
Indien er geen bezwaar is, sluit ik hier vanop deze stoel aan. (Instemming)
Ik verwijs naar dezelfde audit van de POD MI, die bevestigt wat wij eigenlijk al langer wisten, namelijk dat er bij het OCMW van Anderlecht heel wat misloopt.
Dat gaat van verouderde tot onbestaande procedures, slechte begeleiding van maatschappelijke assistenten en gebrekkige controle op de besteding van de middelen – en dan blijf ik nog beleefd door mij daartoe te beperken. Eén vraag, welk gevolg hebt u al gegeven of zult u nog geven aan de ernstige tekortkomingen die daarin naar voren komen?
Alvast dank voor uw antwoord.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Raskin, mevrouw Samyn, de opvolging van het OCMW van Anderlecht blijft een absolute prioriteit. Specifiek voor dit OCMW zijn binnen mijn bevoegdheidsdomein al verschillende maatregelen genomen.
De inspectiedienst van de POD MI heeft bijkomende inspecties van sociale dossiers uitgevoerd, die een aantal tekortkomingen bevestigen die in de VRT-reportage aan het licht werden gebracht. Er werden controles uitgevoerd op de sociale dossiers van het Sociaal Gas- en Elektriciteitsfonds en op het gebruik van de begeleidingssubsidie voor mensen onder tijdelijke bescherming. In maart werd bovendien een audit uitgevoerd op de interne processen met betrekking tot subsidies van de federale overheid. Ook deze audit bracht tekortkomingen aan het licht, zoals een gebrek aan transparantie bij aanvragen en slordigheden in de verwerking van dossiers van eerste aanvragers. Daarnaast worden de wettelijke termijnen niet altijd gerespecteerd. De continuïteit van de dienstverlening is niet gewaarborgd door de afwezigheid van maatschappelijk werkers en er bestaat geen overzicht van het aantal dossiers dat elke maatschappelijk werker beheert, waardoor een gelijkmatige verdeling van de werklast ontbreekt.
De auditors constateerden eveneens een gebrek aan interne controle en toezicht, waardoor fouten worden gemaakt bij de verwerking van dossiers. Er is een tekort aan leidinggevenden die toezicht houden op de maatschappelijk werkers, die bovendien gebukt gaan onder een enorme werklast. De maatschappelijke werkers beschikken niet over de middelen die nodig zijn voor een goed dossierbeheer en voor het delen van kennis.
Président: Denis Ducarme.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Naast deze risico's rond het interne beheer, constateerden de auditeurs ook een gebrek aan opvolging van waarschuwingen, herinneringen, mutaties en knipperlichten, waardoor begunstigden mogelijk onterecht worden betaald. Met andere woorden, het OCMW in Anderlecht functioneert niet. De POD Maatschappelijke Integratie benadrukte dat het OCMW moet werken aan betere interne procedures, het beheren van de werkdruk door het aantal dossiers per maatschappelijk werker in de gaten te houden, hun betere ondersteuning te bieden in de aanloop naar het bijzonder comité en te zorgen voor continuïteit van de dienstverlening met tijdschema's en een beter zicht op aanvragen. Dit moet gepaard gaan met een grotere betrokkenheid van het management bij de taken van de maatschappelijk werkers.
Er werd aangedrongen op onmiddellijke, corrigerende maatregelen door het OCMW. De POD MI volgt het OCMW intensief op, maar handelt uiteraard binnen de eigen beperkte bevoegdheden. We kunnen de bevindingen van de parlementaire werkgroep, die na meer dan 60 uur aan intensieve getuigenissen spreekt over politiek cliëntelisme en fraude, niet negeren.
Ik heb minister-president Rudi Vervoort, als voorzitter van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC), die toezicht houdt op de Brusselse OCMW's, gewezen op de vaststellingen van de inspecties, de audits en de parlementaire werkgroep. Ik heb hem verzocht om passende maatregelen te nemen ten aanzien van het OCMW van Anderlecht.
Na overleg tussen onze kabinetten blijkt dat de GGC nu zelf een audit heeft besteld bij een extern bureau. Ik heb vernomen dat die audit één jaar zou lopen. Dat vind ik bijzonder lang. Ik twijfel niet aan de capaciteiten van het bureau in kwestie, maar zij hebben niet het mandaat om verregaande onderzoeksdaden te stellen, zoals het uitlezen van mailboxen. Ik pleit er dan ook voor dat in Brussel, maar ook in Wallonië, de gewestelijke auditinstanties hun activiteiten eveneens kunnen toespitsen op de lokale besturen en met verregaande onderzoeksmogelijkheden, net zoals Audit Vlaanderen dat kan in Vlaanderen.
De voorzitter van de parlementaire werkgroep, de heer Ducarme, heeft het parket ingelicht over uw bevindingen. Ik heb mij onmiddellijk burgerlijke partij gesteld, mocht het tot een gerechtelijk onderzoek komen. Mijn kabinet nam onlangs contact op met het parket, omdat onze brieven daarover onbeantwoord bleven.
Men kan zich slechts burgerlijke partij stellen als er daadwerkelijk een onderzoek loopt. De procureur van Brussel, Julien Moinil, liet daarop weten dat het dossier inmiddels bij het arbeidsauditoraat zit. We hebben met de procureur zelf contact opgenomen, die onmiddellijk antwoordde en meldde dat het dossier is overgedragen aan het arbeidsauditoraat.
Zoals u weet, ga ik aan de slag met de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep en zal ik de controle- en sanctieketen versterken, onder meer door vroegtijdige waarschuwingsmechanismen te ontwikkelen. Ik heb ook voorgesteld om het inspectieteam uit te breiden in de begroting van 2026, die momenteel in opmaak is. Er zijn contacten gelegd met de federale audit- en controleorganen – in het bijzonder de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD) –, maar ook met regionale instanties zoals de GGC en Audit Vlaanderen, om synergiën tussen de verschillende diensten te ontwikkelen. De samenwerkingen zijn erop gericht de informatie-uitwisseling tussen de diensten te versterken, zodat er sneller kan worden geschakeld bij signalen.
Mevrouw Samyn, in antwoord op uw vraag over de toegang tot maatschappelijke dienstverlening voor kwetsbare groepen in de gemeente Anderlecht, wijs ik erop dat de gegevens van maart 2025 aangeven dat 5.875 personen recht hebben op maatschappelijke integratie. Onder hen ontvangen 5.407 personen een leefloon en 1.777 personen maatschappelijke hulp van het OCMW van Anderlecht. Die gegevens vindt u ook online terug op de Barometer voor Maatschappelijke Integratie.
Die gegevens zijn ook online terug te vinden op de Barometer voor Maatschappelijke Integratie. Er worden ook initiatieven genomen voor de aanwerving en opleiding van maatschappelijke werkers en dat volgen we uiteraard van nabij op.
De situatie binnen het OCMW van Anderlecht kan niet langer voortduren, noch voor de aanvragers die steun nodig hebben van het OCMW, noch voor de maatschappelijk werkers die werken in een boot zonder kapitein aan boord, noch voor de subsidiërende overheden, zoals de federale overheid, die een gebrek aan opvolging van dossiers vaststelt, met betalingen van nutteloze subsidies aan het OCMW tot gevolg, die tijdens een controle achteraf door de inspectie moeten worden gerecupereerd.
Met zijn wanbeheer brengt het OCMW van Anderlecht bovendien alle OCMW's in diskrediet en heeft het het gebrek aan vertrouwen van onze burgers in de overheid vergroot. Daarom wil ik streng optreden en samen met andere bevoegde overheden de nodige maatregelen nemen, zodat de interne tekortkomingen, waarvan sommige nauw verband houden met de gewestelijke bevoegdheden, onmiddellijk kunnen worden gecorrigeerd.
Ik sta uiteraard tot uw beschikking voor een regelmatige opvolging van het dossier.
Wouter Raskin:
U hebt veel zaken aangegeven waarmee ik het eens ben. Ik ga die niet allemaal overlopen en bevestigen. Hoe schandelijk en pijnlijk is echter de conclusie van de audit van de POD MI dat het OCMW van Anderlecht niet functioneert? Ik zou mijn gezicht niet meer durven laten zien op straat. Het is een pure schande dat dat de conclusie moet zijn.
U koppelt daar uw eigen conclusie aan, namelijk dat de opvolging van het OCMW van Anderlecht prioritair blijft. Ik ben blij dat u dat zegt. Dat zal grondig moeten gebeuren. We hebben allemaal geleerd tijdens de vele uren hoorzitting dat het daar grondig en structureel fout zit en dat lost men natuurlijk niet in één, twee, drie op.
Ik ben verheugd te horen dat de GGC nu zelf ook een audit gaat uitvoeren. Ik ben echter even verbaasd als u dat die een jaar moet duren. Wat daarachter zit, is mij niet helemaal duidelijk.
U houdt een terecht pleidooi – ik heb enige ervaring, ook met het lezen van auditverslagen van Audit Vlaanderen – ten aanzien van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en Wallonië om de werkwijze van Audit Vlaanderen over te nemen, want dat is echt top en vakwerk.
Ik ben vooral blij voor alle cliënten die door de gebrekkige werking zijn benadeeld en voor de maatschappelijke assistenten die moesten functioneren op een toxische werkvloer. Het is dan ook positief dat het parket bevestigt dat er nu een onderzoek bij het arbeidsauditoraat loopt. Ik hoop dat gerechtigheid zal geschieden. Er zijn mensen die een serieuze straf of een blaam verdienen.
Verder zal ik opvolgen in welke mate u de aanbevelingen van de parlementaire werkgroep opvolgt.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw zeer duidelijke en volledige antwoord.
We zijn bijna een jaar na de onwaarschijnlijke reportage van Pano en de audit naar het OCMW van Anderlecht onthult opnieuw welke bijzondere en ernstige problemen er bestaan in Anderlecht. We spraken eerder over een gebrek aan interne controle, onvoldoende transparantie en fouten bij de toekenning van steun. Dat ondermijnt niet alleen het vertrouwen in dat OCMW, maar ook in het hele sociale vangnet. U wees daar in uw antwoord ook op. Het is daarom essentieel dat de aanbevelingen uit de audit niet in een lade verdwijnen, maar daadwerkelijk worden opgevolgd met duidelijke termijnen. Ik reken op uw engagement.
Ik hoop tevens dat bij andere OCMW's preventief wordt nagegaan of soortgelijke tekortkomingen bestaan. De audit mag geen op zichzelf staand geval blijven, maar moet een wake-upcall zijn om overal transparantie en correcte procedures af te dwingen. Het is positief dat u aandringt op audits in Wallonië en Brussel, zoals in Vlaanderen. Ik deel uw mening. Het is goed dat we op regelmatige basis overleggen over de toestand bij het OCMW van Anderlecht. Net zoals de heer Raskin en uzelf vind ik het onwaarschijnlijk dat een audit een jaar moet duren. Beter een audit dan geen audit natuurlijk. Hopelijk wordt er ook echt iets gedaan met onze aanbevelingen vanuit dit Parlement. Ik reken erop dat we hier op regelmatige basis over kunnen blijven overleggen.
Voorzitter:
Madame la ministre, si vous êtes d'accord, je propose que votre réponse soit transmise à l'ensemble des membres du groupe de travail.
De OCMW-medewerker die tijdens de uitoefening van zijn werk met geweld om het leven werd gebracht
Meer veiligheid voor maatschappelijk werkers
Veiligheid en bescherming van maatschappelijk werkers tegen geweld
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Na de moord op een 56-jarige OCMW-maatschappelijk werker in Gent tijdens een huisbezoek eisen parlementsleden structurele federale maatregelen om geweld tegen hulpverleners te bestrijden, met name in probleemwijken waar agressie vaker voorkomt. Minister Van Bossuyt benadrukt dat veiligheid lokaal wordt geregeld (bv. noodknoppen, bezoeken met twee, registratie van locaties), maar bevestigt nultolerantie en steun voor lokale initiatieven via kennisdeling en inspecties—zonder centrale federale cijfers over incidenten. Kritiekpunten zijn het ontbreken van een nationaal actieplan, gebrek aan gecentraliseerde data over agressie, en de dringende nood aan betere preventie (bv. beveiliging, psychologische ondersteuning) om hulpverleners in kwetsbare wijken te beschermen, terwijl het regeerakkoord te vaag blijft in uitvoering.
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
In Gent werd woensdagavond een 56-jarige maatschappelijk werker van het OCMW dood teruggevonden in een sociaal appartement in de wijk Nieuw Gent, na een huisbezoek aan een 38-jarige bewoner. De vermoedelijke dader werd later opgepakt in de binnenstad.
Dit is helaas niet het eerste incident van geweld tegen OCMW-medewerkers. Midden maart ondervroeg ik u nog over agressie tegen OCMW-medewerkers in onder meer Molenbeek. Toen stelde u dat agressie tegen OCMW-medewerkers tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort en dat meldingen niet aan uw administratie dienen te worden overgemaakt. U voegde er wel aan toe dat de regering de problematiek ernstig neemt en in het regeerakkoord maatregelen heeft opgenomen om de veiligheid van overheidspersoneel en maatschappelijke werkers te versterken.
Graag verneem ik van de minister:
Hoe reageert u op dit tragische incident in Gent, en welke concrete federale initiatieven ziet u mogelijk om geweld tegen OCMW-medewerkers en andere maatschappelijke hulpverleners – waar ook in dit land – te voorkomen?
Nieuw Gent is één van de vele probleemwijken die door immigratie zijn verworden tot no go-zones voor hulpverleners, net zoals Anderlecht of de Noordwijk in Brussel. Zal er een speciale aanpak worden voorzien voor probleemwijken?
Bestaan er op federaal niveau cijfers of een overzicht van geweldincidenten tegen maatschappelijk werkers, en zo niet, welke stappen zal u ondernemen om die te verzamelen en te centraliseren?
Wordt er nagedacht om -in overleg met de gewesten en gemeenschappen- te komen tot een nationaal actieplan ter bescherming van hulpverleners, zodat slachtoffers van agressie niet louter afhankelijk zijn van lokale veiligheidsafspraken?
Hoe garandeert u dat de maatregelen uit het regeerakkoord -waarnaar u eerder verwees- ook daadwerkelijk en uniform in de praktijk worden toegepast?
Anne Pirson:
Madame la ministre, le décès tragique d’un assistant social du CPAS de Gand, agressé lors d’une visite à domicile, a profondément ébranlé la profession. Cet événement dramatique s’ajoute malheureusement à d’autres agressions récentes survenues dans la capitale et ailleurs, et rappelle la vulnérabilité de ces femmes et de ces hommes qui sont en première ligne auprès des plus fragiles.
Si la grande majorité des visites et enquêtes sociales se déroulent sans incident, ce drame met en évidence des conditions de travail tendues en certains endroits: surcharge de dossiers, situations de détresse extrême, manque de soutien psychologique et de protocoles clairs de sécurité. À cela s’ajoute un problème de manque d’attractivité croissant: la fonction d’assistant social au CPAS souffre de recrutements difficiles, d’un taux élevé de burn-out et d’un déficit de reconnaissance.
Dans ce contexte, quelles mesures le gouvernement envisage-t-il afin de renforcer la sécurité des assistants sociaux, en particulier lors des visites à domicile, et ce en collaboration avec le ministre de l’Intérieur et les autorités locales?
Une concertation est-elle prévue avec les CPAS et les organisations représentatives du personnel afin d’élaborer un plan fédéral de prévention des violences à l’encontre des travailleurs sociaux et de renforcer l’attractivité de la fonction?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, mevrouw Pirson, het tragische overlijden van een maatschappelijk werker in Nieuw Gent heeft mij diep geraakt; niet alleen omdat het in mijn eigen stad is gebeurd, dus heel dichtbij, maar ook in het algemeen. Mijn gedachten gaan uit naar de familie, de collega’s en het OCMW-team van Gent, dat ik ook meteen heb aangeschreven om hen veel steun te betuigen.
Ik kan me voorstellen dat, wanneer een van uw collega’s vertrekt voor een huisbezoek en niet terugkeert, dit een enorme impact heeft op alle maatschappelijk werkers. Dit herinnert ons eraan hoe kwetsbaar maatschappelijk werkers soms zijn, terwijl zij onmisbaar werk verrichten voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Dat maakt het misschien nog des te tragischer.
Het personeelsbeleid en de veiligheidsprotocollen behoren tot de lokale en gemeenschapsbevoegdheden, net zoals het registreren van geweldincidenten tegen maatschappelijk werkers. Op federaal niveau worden deze cijfers niet centraal bijgehouden. Elk incident is er een te veel en ik ondersteun vanzelfsprekend de initiatieven van de bevoegde instanties ter zake.
Binnen mijn bevoegdheid voeren onze inspecteurs bij de OCMW’s procesanalyses uit, waarbij ook het onthaalbeheer aan bod komt. Zij bespreken de moeilijkheden, geven advies en stimuleren de uitwisseling van goede praktijken. De doeltreffendste aanpak gebeurt lokaal, in nauwe samenwerking met OCMW-verenigingen en partners. Vanuit mijn bevoegdheid ondersteun ik dergelijke initiatieven en help ik mee succesvolle praktijken breder uit te rollen.
Des mesures de prévention peuvent être prises au niveau des équipes, telles que la présence de personnel de sécurité lors des permanences, la possibilité d'effectuer des visites à domicile à deux ou accompagné d'un responsable, la mise à disposition de téléphones de service pour les assistants sociaux ou encore la tenue d'un registre permettant de savoir où se trouvent les assistants sociaux lorsqu'ils effectuent une visite à domicile.
Daarenboven nemen OCMW's ook het initiatief om hun maatschappelijk werkers uit te rusten met een uurwerk met noodknop wanneer zij op huisbezoek gaan.
De omzendbrief van 14 maart 2014 betreffende de minimumvoorwaarden voor het sociaal onderzoek bepaalt dat wanneer de veiligheid van de maatschappelijk werker niet kan worden gegarandeerd, de maatschappelijk werker in zijn sociaal verslag kan rechtvaardigen waarom het bezoek niet kon plaatsvinden. Sommige OCMW's hebben ook een mechanisme opgezet om met moeilijke situaties om te gaan, zoals supervisie en regelmatig contact met vertrouwenspersonen binnen de instelling.
Il est en effet prévu dans l'accord de gouvernement qu'une agression à l'égard de membres du personnel des services publics est inacceptable et doit être poursuivie.
La tolérance zéro à l'égard de la violence envers les aidants doit en être le principe directeur. Toute personne qui s'engage pour l'intérêt général doit pouvoir exercer son travail en toute sécurité et dans le respect.
Dans mon rôle fédéral, je continuerai à contribuer là où cela est possible. Merci.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Het drama in Gent, waarbij een maatschappelijk werker tijdens de uitoefening van zijn job met geweld om het leven werd gebracht, heeft ons allemaal diep geschokt. Zoiets is onaanvaardbaar. Die mensen staan elke dag in de frontlinie van onze sociale dienstverlening, vaak in moeilijke omstandigheden en in probleemwijken. Zij verdienen dan ook ons respect en onze bescherming.
U verwees naar maatregelen in het regeerakkoord, maar de realiteit leert ons dat er dringend meer nodig is. We moeten niet alleen zorgen voor betere preventie en veiligheidsafspraken, maar ook voor een duidelijke registratie, in samenwerking met de regio's, van agressie-incidenten, zodat we de omvang van het probleem in kaart kunnen brengen en structureel kunnen aanpakken.
Daarnaast lijkt het me belangrijk dat er een actieplan komt, opnieuw in overleg met de gewesten en de gemeenschappen, om hulpverleners te beschermen. U had het over een noodknop, wat ik een goed initiatief vind. Of het nu in Gent, Anderlecht of elders gebeurt, we moeten de veiligheid van maatschappelijk werkers overal kunnen waarborgen en ervoor zorgen dat zij niet worden aangevallen.
Anne Pirson:
Merci madame la ministre pour vos réponses. Je pense effectivement que cet événement à Gand a créé un choc dans la profession. J'ai entendu ce qui figurait dans les plans de prévention.
Je pense qu'il est très important de prendre d'autres mesures. On sait que dans les mois à venir, les assistants sociaux seront sans doute plus sous tension que jamais. Il y a le problème des visites domiciliaires, puis il y a la sécurité à l'intérieur des CPAS. Elle n'est pas non plus toujours optimale et il ne faut pas perdre cela de vue.
Je pense que centraliser les chiffres concernant les différents incidents est aussi capital pour avoir une meilleure vision et pour pouvoir prendre les mesures adéquates quant à la tolérance zéro reprise dans l'accord de gouvernement. On ne peut évidemment que se féliciter de cette volonté. On doit pouvoir mettre tous les moyens en place pour y arriver ainsi que communiquer sur l'intransigeance à l'égard des violences envers les assistants sociaux.
Voorzitter:
Tout à fait.
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Lanjri had gevraagd of het mogelijk was om onze samengevoegde vragen, nrs. 56007338C en 56008633, om te zetten in schriftelijke vragen. (Instemming)
Voorzitter:
La question n° 56007722C de M. Legasse est reportée.
De OCMW's en de verlaging van de middelen van het Gas- en Elektriciteitsfonds voor 2025
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz kaart aan dat het Fonds Gaz en Elektriciteit in 2025 6 miljoen € minder krijgt voor Brussel—terwijl energiefacturen structureel hoger blijven—en waarschuwt voor verzwakte CPAS-steun door schrapping van subsidies (REDI, PAS) en de chomagehervorming 2026, die meer armen naar de CPAS zal drijven. Minister Van Bossuyt benadrukt dat de basisbedragen geïndexeerd blijven (72,4 mln € in 2025) maar dat extra federale middelen (zoals 20 mln € in 2024) wegvallen, omdat regio’s complementaire hulp moeten regelen—wat Schlitz regionalisering onder mom noemt, zonder zekerheid dat regio’s het gat dichten. Kernpunt: dreigende energiearmoede door bezuinigingen terwijl de nood stijgt, met onduidelijke opvang door regio’s.
Sarah Schlitz:
Pour l'efficacité de nos travaux, je m'en réfère au texte de ma question.
Madame la Ministre, le Fonds Gaz et Electricité, créé en 2002, est un outil indispensable pour lutter contre la précarité énergétique. Il permet aux CPAS de financer du personnel, d’intervenir pour apurer des factures ou développer des actions de prévention. Ces dernières années, grâce à des moyens exceptionnels, ce Fonds a permis d’éviter à des milliers de familles de se retrouver dans le noir ou dans le froid.
Or, les montants pour 2025 marquent un recul brutal: rien qu’à Bruxelles, les CPAS perdent près de 6 millions € par rapport à 2024. Alors que les factures d’énergie restent structurellement plus élevées qu’avant la crise : un ménage médian bruxellois paie en moyenne 654 € de plus par an qu’en 2021 pour son gaz et son électricité.
Cette diminution des moyens s’ajoute à d’autres signaux inquiétants. Depuis le début de l’année, le subside REDI n’est plus disponible. Et demain, le Plan d’Activation Sociale subira lui aussi un définancement. Les CPAS, déjà fragilisés, voient ainsi se multiplier les coupes dans les leviers qui leur permettaient de soutenir efficacement les ménages les plus précarisés.
Par ailleurs, la réforme du chômage qui entrera en vigueur en 2026 aura des effets mécaniques sur la pauvreté : des personnes exclues du chômage viendront frapper à la porte des CPAS, avec des situations d’endettement accrues, notamment pour payer leurs factures d’énergie.
Dans ce contexte, la Fédération des CPAS bruxellois plaide pour un refinancement structurel du Fonds Gaz et Electricité dès 2026. Car garantir l’accès à l’énergie n’est pas seulement une réponse sociale, c’est aussi une question de santé publique et de justice climatique: sans soutien, ce sont les ménages les plus fragiles qui resteront enfermés dans des logements mal isolés, exposés au froid et aux dettes.
Madame la Ministre, pourquoi cette baisse en 2025, alors que la demande reste élevée et que les prix demeurent supérieurs à ceux d’avant-crise?
Quelles solutions envisagez-vous pour compenser la disparition du subside REDI et le définancement annoncé du PAS, deux leviers essentiels pour l’action sociale des CPAS ?
Vous engagez-vous à garantir, dès 2026, un refinancement structurel du Fonds Gaz-Electricité, tenant compte de l’urgence sociale et de la nécessaire transition énergétique?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Schlitz, les moyens du Fonds gaz et électricité sont prévus dans la loi du 4 septembre 2002 qui mentionne que les moyens sont prélevés sur les fonds prévus à l'article 21 de la loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité et à l'article 15/11 de la loi du 12 avril 1965 relative au transport de produits gazeux et autres par canalisations. Le montant de base pour l'électricité est 24 789 350 euros, et pour le gaz de 17 848 333 euros. Ce montant est indexé chaque année, sauf entre 2012 et 2018 mais le montant a été récupéré en 2020. En 2024, le montant du Fonds indexé est de 70 132 354 euros. En 2025, le montant du Fonds indexé est de 72 374 151 euros. À ces montants sont ajoutés les montants non utilisés par les CPAS l'année précédente et les récupérations faites les années antérieures par l'Inspection.
À côté de ces montants de base, les gouvernements précédents ont injecté un financement supplémentaire. Suite à l'après-covid et au début de la crise énergétique, 16 millions d'euros ont été ajoutés en 2022 et 20 millions d'euros en 2024. Le Fonds gaz et électricité n'a donc pas diminué puisque les montants de base ont été indexés. Toutefois, le gouvernement fédéral n'ajoutera pas de montant supplémentaire à l'allocation de base en 2025, étant donné qu'il revient aux Régions d'octroyer une aide sociale complémentaire.
Les compétences fédérales se limitent donc à la définition des droits fondamentaux en matière d'aide sociale. Il s'agit de droits minimaux qui ne peuvent varier d'une Communauté à l'autre. Les autres domaines relèvent de la compétence des Communautés.
En ce qui concerne l'outil REDI, il s'agissait d'une subvention temporaire accordée par le gouvernement précédent pour les années 2023 et 2024, dans le cadre de l'octroi d'un soutien complémentaire. Les CPAS sont actuellement libres d'utiliser cet outil. J'ai reçu entre-temps une étude d'évaluation que mon cabinet se charge actuellement d'analyser.
En ce qui concerne la subvention pour la participation et l'activation sociale (PAS), l'Inspection des finances a explicitement jugé que la subvention PAS revêtait un caractère usurpatoire. Cette appréciation s'appuie sur les critères de compétences appliqués tant par la Cour constitutionnelle que par le Conseil d'État.
Sarah Schlitz:
Merci, madame la ministre, pour cette réponse complète.
En effet, vos prédécesseurs avaient décidé d'accorder des montants supplémentaires pour le Fonds gaz et électricité en raison de l'augmentation de la précarité énergétique et de l'augmentation des factures. Aujourd'hui, ce soutien n'est plus là. Cela veut dire que techniquement, les CPAS ont moins de ressources pour soutenir des familles qui en ont besoin, dans une période critique où ils seraient censés augmenter leurs capacités et leurs effectifs, notamment humains, pour pouvoir faire face à l'exclusion des chômeurs au 1 er janvier.
Vous nous parlez du caractère usurpatoire des subventions PAS. Pourriez-vous nous transmettre l'avis de l'Inspection des finances à ce sujet? (Oui)
Ce que je remarque, c'est que systématiquement, vous allez supprimer des subventions qui aujourd'hui permettent de soutenir les CPAS en disant que ce sont les Régions et les Communautés qui n'ont qu'à les assumer. Ce sont de nouveau des régionalisations déguisées, des transferts de financements qui sont déguisés dans ces politiques. Donc aujourd'hui, vous demandez aux Régions et aux Communautés d'assumer à votre place. Ou alors, cela signifie que les personnes qui ont besoin d'être aidées ne le seront plus.
Les Communautés et les Régions ont-elles pu prendre le relais pour pallier ces diminutions ou bien va-t-on simplement couper, avec moins de soutien alors que nous approchons de l'hiver et que des familles ont du mal à se chauffer? Ce sera encore plus vrai puisque certaines personnes vont perdre des revenus, vu l'exclusion du chômage.
En tout cas, merci pour vos réponses.
Voorzitter:
Nous vous remercions pour la transmission du document, madame la ministre. Mme Meunier a demandé la report de ses questions n° 56007957C et n° 56008598C. Mme Samyn transforme sa question n° 56008477C en question écrite.
Het zomerakkoord en de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid
Het zomerakkoord en de belastingvrije som
Het zomerakkoord en het minimumloon
Het zomerakkoord en de jobbonus
Het zomerakkoord en hervormingen in sociale zekerheid, belastingen en arbeidsmarkt
Gesteld door
PVDA
Kemal Bilmez
PVDA
Kemal Bilmez
PVDA
Kemal Bilmez
PVDA
Kemal Bilmez
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Jan Jambon kondigt een hervorming van de bijzondere sociale bijdrage (2029) aan: berekening per individu (niet per huishouden), halvering van het maximumbedrag, hogere inkomensdrempel en lagere percentages voor de eerste schijf, om de arbeidsval voor laagste inkomens te verminderen. Het minimumloon stijgt netto met 109€/maand in 2029 door fiscale maatregelen (exclusief indexering en sociale partners-akkoorden), terwijl de werkbonus versterkt wordt (van 33,14%→35% en 52,54%→72%). Kemal Bilmez kritiseert de selectieve communicatie naar pers (bv. *VRT*, *L’Express*) terwijl het parlement onvolledige antwoorden krijgt, en wijst op politiek misbruik van voorlopige cijfers door partijen zoals MR. De definitieve tekst staat nog open voor wijzigingen.
Kemal Bilmez:
Hier, on a reçu une série de réponses à nos questions écrites, mais il me reste quand même quelques questions.
La première porte sur la cotisation spéciale de sécurité sociale. Vous proposez non seulement de la diminuer de 50 % pour le revenu des isolés, mais aussi de – je cite – "augmenter le seuil de revenu pour le calcul de la cotisation spéciale et réduire le pourcentage applicable à la première tranche de revenu". Pourriez-vous très concrètement préciser quel sera le nouveau seuil de revenu à partir duquel s'appliquera la cotisation spéciale de sécurité sociale? Quel sera le pourcentage applicable à la première tranche? Quels revenus seront inclus dans cette première tranche? Sur la quotité exemptée, vous dites: "Le gouvernement propose toutefois de geler temporairement l'indexation de tous les suppléments à la quotité du revenu exempté d'impôts mentionnés aux articles 132 et 133 du Code des impôts sur le revenu 1992". Ceci avait aussi été évoqué par votre chef de cabinet lors de sa célèbre conférence de mai dernier.
Mes questions sont les suivantes: jusqu'à quelle année avez-vous prévu de geler le montant supplémentaire de la quotité exemptée pour enfant à charge?
Deuxièmement, vous parlez aussi d'une augmentation de la quotité pour un ou deux enfants à charge en quatre étapes. L'augmentation sera-t-elle répartie en tranches égales à chaque étape ou non? Et pour ce qui est du salaire minimum et le bonus emploi, je me réfère à ma question écrite.
Monsieur le ministre, le 22 juillet dernier, sur le site de la VRT, on peut lire que - pour un isolé au salaire minimum - il y aura une augmentation de 109 euros du net mensuel en 2029 suite à votre réforme fiscale.
Cependant, concernant le salaire minimum, deux augmentations sont déjà prévues sur cette même période suite aux accord avec les interlocuteurs sociaux: une de 35 euros bruts en avril 2026 et une en 2028 (dont le montant doit encore être précisé).
Voici donc mes questions:
Dans vos projections sur l’augmentation du salaire minimum, est-ce que vous avez déjà intégré ces deux augmentations du salaire minimum?
Si oui, quelle est donc la part attribuable aux accords avec les interlocuteurs sociaux qui précède la réforme de ce gouvernement et quelle est la part attribuable à la réforme fiscale même?
Monsieur le ministre, le gouvernement veut renforcer le bonus à l’emploi, mais à l’heure actuelle il n’y a pas de détails à ce sujet.
À présent, le volet fiscal du bonus emploi est calculé comme suit:
- 33,14 p.c. du montant du volet A du bonus à l'emploi social réellement accordé (pour les salaires allant du salaire minimum à 2 669 par mois);
- 52,54 p.c. du montant du volet B du bonus à l'emploi réellement accordé (pour les salaires allant de 2 669 à 3 144 euros par mois).
Voici donc mes questions:
Est-ce que lors de l'accord d’été vous avez déjà décidé comment modifier le volet fiscal du bonus emploi?
Si ceci est le cas, pourriez-vous nous indiquer si et dans quelle mesure vous allez augmenter les pourcentages actuels de 33,14% et 52,54%?
Jan Jambon:
La réforme de 2022 de la cotisation spéciale de sécurité sociale a déjà conduit à une réduction de cette cotisation pour les bas et moyens revenus. Toutefois, la cotisation spéciale de sécurité sociale est toujours calculée par imposition et donc par ménage fiscal. Le calcul actuel peut conduire à une taxation plus lourde pour les contribuables imposés isolément.
Le gouvernement proposera donc de calculer la cotisation spéciale par contribuable et donc par conjoint en cas d'une imposition commune et en même temps de diviser par deux le montant maximum de la cotisation. La cotisation spéciale contribue également au piège à l'emploi et augmente la pression fiscale marginale pour les revenus les plus faibles. C'est pourquoi il sera également proposé d'augmenter le seuil de revenu pour le calcul de la cotisation spéciale et de réduire le pourcentage applicable à la première tranche de revenu.
Ainsi, non seulement les contribuables imposés isolément bénéficieront de la réforme proposée, mais par exemple aussi les contribuables à bas revenu et les ménages à un seul revenu. Il est prévu que cette réforme sera mise en œuvre à partir de l'année de revenu 2029.
S'agissant de votre question concernant la quotité exemptée, vos questions sont identiques aux questions écrites n° 397 et n° 43 de votre collègue, M. Raoul Hedebouw. C'est la raison pour laquelle je vous renvoie aux réponses que j'ai fournies à ces deux questions écrites.
Je tiens à souligner une nouvelle fois que le projet de loi relatif à la réforme de l'impôt des personnes physiques doit encore être soumis à une deuxième lecture. Des modifications peuvent donc encore intervenir qui pourraient influencer le champ d'application et, par conséquent, le coût des différentes mesures.
Wat uw vraag over het minimumloon betreft, de berekening die u vermeldt omvat enkel de parafiscale en fiscale maatregelen die de regering neemt in het kader van de fiscale hervorming. De inflatie – een blijvende onzekere factor in de huidige economische context, die jaarlijks wordt gecorrigeerd via de automatische indexering van de fiscale bedragen – is daarbij niet in rekenschap genomen. Het bedrag in 2029 kan daarom hoger uitvallen.
Door de aanpassing van de modaliteiten van de sociale werkbonus, waarbij in het geval van het minimumloon de forfaitaire bedragen voor lage en zeer lage lonen hoger uitvallen dan de in eerste instantie verschuldigde RSZ-bijdragen, en door de versterking van de fiscale werkbonus die de regering met de fiscale hervorming beoogt, zullen de verhogingen die de sociale partners hebben beslist in principe worden vertaald in een nettoverhoging die gelijk is aan de bruto loonsverhoging.
Concernant le bonus emploi, le texte à l'examen prévoit un relèvement de 33,14 % à 35 % et de 52,54 % à 72 %. L'adaptation vise à garantir qu'un salaire minimum sera égal brut et net. Je le rappelle, il s'agit d'un projet de loi qui doit encore être soumis à une deuxième lecture, des modifications peuvent donc toujours intervenir. Mais le but est un relèvement de 33,14 % à 35 % et de 52,54 % à 72 %.
Kemal Bilmez:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Sur la CSSS, j'aurais voulu quelques précisions complémentaires. J'entends très bien qu'il y aura encore une deuxième lecture mais, en même temps, je regrette qu'il y ait déjà des choses qui fuitent dans la presse. Vous donnez au Vif-L'Express un chapitre de 17 pages sur la réforme fiscale; à la VRT vous donnez une simulation; il y a en parallèle M. Bouchez qui raconte n'importe quoi sur les réseaux sociaux. Et ici, vous nous dites que vous ne pouvez pas encore donner de réponse définitive puisque c'est encore sujet à modifications éventuelles. J'en conviens mais, dans ce cas, ne donnez pas non plus à la presse ces infos que nous ne pouvons pas recevoir. J'espère que vous comprenez ce que j'essaie de dire. Nous trouvons ça dommage, parce que cette réforme fiscale est très importante et nous voudrions, nous aussi, déjà pouvoir faire notre analyse et pas juste nous baser sur des chiffres entendus dans la presse et qui, apparemment, changeront peut-être dans deux semaines, alors qu'un certain président de parti fait déjà une campagne totale sur des chiffres qui ne reposent, en fait, sur rien du tout.
Het toekennen van de nodige middelen aan de OCMW's
De impact van de uitstroom van langdurig werklozen op de werking van de OCMW’s
Financiële en operationele uitdagingen voor OCMW's door middentoewijzing en werklozenuitstroom
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 18 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De hervorming van werkloosheidsuitkeringen (met overstap naar leefloon vanaf 2026) dreigt OCMW’s te overbelasten door een toestroom aan aanvragen, gebrek aan personeel, infrastructuur en middelen, en risico’s op vertragingen (burgers zonder inkomen) en veiligheidsproblemen voor maatschappelijk werkers. Minister Van Bossuyt belooft 300+ miljoen euro compensatie (2026-2029), 26 miljoen extra in 2024, vereenvoudigde aanwerving en samenwerking met VVSG, maar critici (o.a. Samyn) wijzen op acute onvoorbereidheid en eisen tijdelijke oplossingen (voorschot leefloon) en veiligheidsmaatregelen. Kernpunt: Financiële steun is toegezegd, maar uitvoering en veiligheid blijven kritieke knelpunten.
Aurore Tourneur:
Madame la ministre, grâce à l'action de notre vice-premier ministre, Les Engagés ont obtenu que la réforme des allocations de chômage soit indissociablement liée à un soutien massif du fédéral aux CPAS. Pour nous, c'était une condition essentielle. La solidarité ne peut pas être décrétée sans être financée et il aurait été irresponsable de demander davantage aux CPAS sans leur donner les moyens d'y parvenir.
Car vous le savez, dès janvier 2026, une frange importante de nos concitoyens basculera du chômage vers le revenu d'intégration sociale. Derrière ces chiffres, il y a des parcours de vie, des familles monoparentales, des jeunes parfois sans diplôme, des personnes fragilisées qui devront être accompagnées dans la dignité et orientées vers l'insertion. Et ce défi, ce sont nos CPAS qui les porteront en première ligne au quotidien.
Or, dans le même temps, la Fédération des CPAS nous alerte sur un double risque. D'un côté, le manque d'attractivité et la surcharge de travail des assistants sociaux et de l'autre, le manque criant de moyens matériels et structurels pour mener à bien leur mission. Nous vous savons, madame la ministre, attentive à ces signaux et motivée à trouver des solutions, mais il y a urgence. Il n'appartient pas aux communes d'assumer seules, en infrastructure et en matériel, le poids de notre aide sociale.
Madame la ministre, dans le cadre du prochain Conseil des ministres consacré à cela, un soutien flexible et ouvert pourrait-il être mobilisé, non seulement pour du personnel mais aussi pour du matériel et de l'infrastructure? Quand allez-vous améliorer durablement l'attractivité du métier d'assistant social, pilier de notre état social actif?
Vandaag staat niet enkel het beheer van de OCMW’s op het spel. Een instabiel OCMW betekent immers dat de fundamenten van onze solidariteit zelf onder druk staan. Dank u bij voorbaat voor uw antwoorden.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, vanaf 1 januari verliezen duizenden langdurig werklozen hun recht op een werkloosheidsuitkering. Velen onder hen zullen zich vervolgens tot het OCMW wenden om een leefloon aan te vragen.
Sociale partners en de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten waarschuwen voor de praktische gevolgen. In grote steden zoals Antwerpen en Gent gaat het om honderden bijkomende aanvragen tegelijk. Omdat een leefloon enkel na een sociaal onderzoek, inclusief huisbezoek, kan worden toegekend, dreigt de behandeling weken of zelfs maanden te duren. Dat betekent dat burgers in de praktijk tijdelijk zonder bestaansmiddelen zouden vallen.
De VVSG benadrukt dat het een erezaak is voor lokale besturen om beslissingen binnen de wettelijke termijn van 30 dagen te nemen, maar dat dit alleen lukt als ze tijdig worden versterkt met personeel en opleiding. Zonder bijkomende middelen dreigt het systeem vast te lopen, met nefaste gevolgen voor zowel de maatschappelijk werkers als de betrokken leefloonaanvragers.
Mevrouw de minister, welke maatregelen hebt u reeds genomen of gepland om OCMW’s voor te bereiden op deze toestroom? Zijn er afspraken over financiering en personeelsversterking, zodat besturen ook effectief voor 1 januari extra krachten kunnen aanwerven en opleiden? Overweegt u bijvoorbeeld een tijdelijke oplossing, zodat de voorlopige toekenning van een leefloon kan worden voorzien om te vermijden dat mensen tijdens de wachttijd zonder inkomen vallen? Zal er ook op korte termijn overleg plaatsvinden met de VVSG, de sociale partners en de betrokken steden en gemeenten om de uitvoeringsproblemen op te vangen?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Tourneur en mevrouw Samyn, onze OCMW-medewerkers zetten zich elke dag in voor het welzijn van anderen. Hun werk verdient absoluut onze steun.
Dans le cadre de la réforme visant à limiter la durée de l'allocation de chômage, le gouvernement fédéral a décidé de mettre en place un mécanisme de compensation pour les CPAS. Nous ne les laissons pas tomber. Au contraire, nous les renforçons afin qu'ils puissent continuer à remplir leur mission sociale de manière qualitative.
Un budget de compensation est prévu cette législature. Il s'élève à 300 millions d'euros en 2026 et 2027, 302,3 millions en 2028 et 342,6 millions en 2029. La compensation débutera en 2026 à 100 % et sera encore augmentée, notamment en multipliant par deux les frais de dossier.
Les CPAS bénéficieront également d'un soutien supplémentaire via le projet individualisé d’intégration sociale (PIIS), un contrat de coopération entre le bénéficiaire du revenu d'intégration et le CPAS, comprenant des engagements concrets permettant de se rapprocher d'un emploi et d'une intégration sociale pleine et entière.
Mevrouw Samyn, nog dit jaar zal er 26 miljoen euro supplementair naar de OCMW's gaan.
Les CPAS pourront utiliser ce budget pour renforcer leurs services.
Nous facilitons également l'entrée de nouveaux collaborateurs, puisque vous avez parlé de la lourdeur administrative, en offrant aux Régions la possibilité d'identifier elles-mêmes les diplômes qui donnent accès à un emploi au sein d'un CPAS. Aujourd'hui encore, les assistants sociaux traitent trop souvent des dossiers qui ne relèvent pas de leurs missions essentielles, comme l'avance sur les allocations de chômage et de maladie. Cet aspect est également en cours d'examen.
Mevrouw Samyn, mijn kabinet staat regelmatig in contact met het werkveld. U vernoemde de VVSG en de OCMW’s. Met hen staan wij regelmatig in contact. Dat kan ik u verzekeren.
Wie een brief krijgt van de RVA met de boodschap dat zijn of haar werkloosheidsuitkering wordt stopgezet, behoort zich in eerste instantie te wenden tot de VDAB, Forem of Actiris om te zoeken naar werk.
Laat me heel duidelijk zijn, het verlies van een werkloosheidsuitkering geeft natuurlijk niet automatisch recht op een leefloon. De voorwaarden voor een leefloon zijn veel strenger dan de voorwaarden voor een werkloosheidsuitkering. Wie kan werken, moet de stap naar werk ook effectief zetten. Werken is geen straf. Sommigen denken dat, maar werken is absoluut geen straf. Werken is een kans om zich te ontplooien en zelfredzaam te worden. Dat is het beleid waar deze regering voor staat.
Aurore Tourneur:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et vos éclaircissements mais si nous voulons réussir la réinsertion et l'activation des milliers de bénéficiaires sur notre marché de l'emploi, nos CPAS devront être pleinement soutenus.
Cela suppose non seulement du personnel – comme vous l'avez bien stipulé – mais également des moyens matériels, des infrastructures et des outils modernes pour accompagner dignement chaque parcours.
De uitdaging is eenvoudig: de OCMW's moeten de concrete middelen hebben om hun taken te kunnen vervullen.
Madame la ministre, Les Engagés seront à votre côté. Vous pourrez compter sur nous.
Ellen Samyn:
Medio september zijn we slechts enkele maanden verwijderd van de invoering en toch bestaat er nog steeds zeer grote onduidelijkheid. Hoe kan dat, mevrouw de minister? De VVSG en de OCMW's lieten gisteren nog weten niet klaar te zijn voor de extra instroom. Zonder bijkomende middelen en personeel dreigt de behandeling van leefloonaanvragen te vertragen, met het risico dat burgers tijdelijk zonder inkomen vallen. Dat is niet alleen zorgwekkend, maar ook vermijdbaar.
De extra werkdruk en lange wachtrijen zorgen er bovendien voor dat maatschappelijk werkers vrezen voor hun veiligheid. We hebben gezien wat er in Gent is gebeurd. Zult u voorzien in veiligheidspersoneel om onze hulpverleners te beschermen tegen agressieve cliënten? Werk zeker samen met steden en gemeenten, zorg voor tijdelijke versterking en voor duidelijkheid. Garandeer dat niemand zonder bestaansmiddelen komt te zitten en dat de veiligheid van onze OCMW-medewerkers verzekerd is.
Voorzitter:
Einde van de mondelinge vragen.
Transparantie, communicatie en beleidsopvolging in het dossier Aalter
Transparantie, communicatie en beleidsopvolging in het dossier Aalter
De hervorming van de antidiscriminatiewetten en de racistische praktijken in Aalter
Transparantie, communicatie, beleidsopvolging en antidiscriminatie in Aalter
Gesteld door
Groen
Matti Vandemaele
Groen
Matti Vandemaele
PS
Khalil Aouasti
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 17 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Matti Vandemaele eist herhaaldelijk transparantie over het structurele dossier-Aalter (discriminatie bij inschrijvingen), inclusief tijdlijnen, verantwoordelijken en interne communicatie binnen de FOD Binnenlandse Zaken en haar kabinet, maar minister Verlinden ontwijkt concrete antwoorden en verwijst naar eerdere, onvolledige documenten. Khalil Aouasti dringt aan op aangescherpte antidiscriminatiewetgeving na schandalen zoals Aalter en Brusselmans, maar Verlinden schuift de verantwoordelijkheid door naar minister Beenders (Gelijke Kansen), zonder duidelijke juridische follow-up te beloven. Vandemaele beschuldigt Verlinden van opzettelijke vertraging en weigering om cruciale informatie vrij te geven, terwijl Aouasti kritiseert dat justitiële instrumenten (zoals omzendbrieven voor parketten) ontbreken in het beleid. De minister houdt vol dat alle beschikbare gegevens al zijn gedeeld, maar beide parlementsleden betwijfelen de volledigheid en oprechtheid daarvan.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de minister, ik kom eigenlijk niet vaak in deze commissie. Ik ben echter op zoek naar antwoorden. Die antwoorden heb ik al verschillende keren en op verschillende manieren gevraagd, zowel in de plenaire vergadering als schriftelijk. Toch krijg ik nooit een concreet antwoord. U komt telkens met een emotioneel betoog, maar de concrete antwoorden op mijn vragen blijven uit. Daarom stel ik mijn vragen vandaag opnieuw.
Wanneer werd binnen de administratie, namelijk de FOD Binnenlandse Zaken, vastgesteld dat er sprake was van een structureel probleem in Aalter, dat het niveau van de individuele klachten overstijgt? Wie binnen de administratie heeft die vaststellingen gedaan? Wie werd daarvan op de hoogte gebracht? Kunt u mij een tijdlijn bezorgen met alle contacten tussen de FOD Binnenlandse Zaken en de gemeente Aalter met betrekking tot dit dossier, telkens met datum en aanwezigen? Graag ontvang ik die documenten ook schriftelijk.
Werd dat dossier besproken op vergaderingen of overlegmomenten binnen de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) of de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken? Zo ja, op welke overlegmomenten, met welke diensten, en wie was daarbij aanwezig? Kunnen wij een verslag krijgen van die vergaderingen?
Wie werd op welk moment geïnformeerd binnen de FOD Binnenlandse Zaken? Graag kreeg ik ook daar een tijdlijn van alle contacten tussen de Dienst Vreemdelingenzaken en de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken; tussen die directie en hun hiërarchie binnen de FOD Binnenlandse Zaken; tussen de DVZ, de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken en andere diensten van de FOD; en, heel specifiek, tussen al die diensten en uw kabinet. Welke interacties waren er precies tussen uw kabinet en de verschillende onderdelen van de FOD Binnenlandse Zaken over dit dossier?
Half februari 2024 zou er een ontwerpbrief aan uw kabinet zijn bezorgd. Kunt u een kopie bezorgen van die brief? Wie heeft die e-mail op uw kabinet ontvangen? Werden er reminders gestuurd? Zo ja, wanneer en aan wie? Met wie op het kabinet namen de medewerkers van de FOD Binnenlandse Zaken contact op over het dossier-Aalter?
Wanneer was u zelf op de hoogte? Welke contacten waren er – wie en wanneer? – tussen Aalter en uw kabinet; tussen het kabinet-de Moor en uw kabinet; tussen de gemeente Aalter en uw kabinet; tussen de – ondertussen toenmalige – burgemeester van Aalter en uw kabinet; of tussen andere leden van het college van burgemeester en schepenen, en de gemeenteraad en uw kabinet?
Klopt het dat er een wetgevend initiatief werd voorbereid om praktijken zoals in Aalter onmogelijk te maken? Zo ja, wat was de bedoeling van dat initiatief? Ging het om een automatische inschrijving bij het uitblijven van een lokale beslissing? Was het dat wat voorbereid werd?
Wie heeft dat initiatief genomen en wanneer? Welke contacten zijn er hieromtrent geweest tussen de FOD Binnenlandse Zaken, het kabinet-de Moor en uw kabinet? Is daar formeel overleg over georganiseerd? Wie was aanwezig en wat zijn de verslagen van die overlegmomenten? Wie binnen de FOD Binnenlandse Zaken werkte aan dat wetgevend voorstel en wie op uw kabinet was erbij betrokken?
Dat zijn mijn vragen. Ik heb ze allemaal voorgelezen. Het spijt me, mevrouw de minister. U zult wellicht zeggen dat u daarop al hebt geantwoord. Ik heb die vragen inderdaad al eerder gesteld. Wanneer we echter de geluidsfragmenten herbeluisteren en de verslagen erop nalezen, blijkt dat u altijd om de hete brij heen draait. Concrete antwoorden hebt u tot nu toe niet gegeven. Daarom vraag ik u, mevrouw de minister, wees transparant en geef ons die informatie.
Ondertussen is de audit van Audit Vlaanderen over het dossier-Aalter beschikbaar. De FOD Binnenlandse Zaken wordt daarin 89 keer vermeld, waaruit duidelijk blijkt dat de FOD geen decorstuk vormt in die audit. Integendeel, de FOD Binnenlandse Zaken staat daarin vrij centraal. Het gaat uiteraard over de gemeente Aalter, maar er zijn heel veel contacten geweest tussen de FOD en de gemeente Aalter.
Daarom vraag ik u nogmaals, mevrouw de minister, om in alle transparantie antwoord te geven op de gestelde vragen. Als u die vandaag niet kunt geven, mag u ze mij gerust achteraf schriftelijk bezorgen; de manier waarop doet er niet toe. Ik zal die vragen blijven stellen tot we er een antwoord op krijgen. Dank u wel.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, ma question est un peu différente. Je vous avais interrogée il y a plusieurs mois, dans le cadre de la lutte antiraciste et de la lutte anti-discrimination, sur les conséquences de l'affaire Brusselmans. J’avais pointé à l'époque, et vous aviez également souscrit à cela, la nécessité d'adapter les lois anti-discrimination pour les rendre plus opérantes et pour faire en sorte qu’elles ne puissent être détournées de leur objectif. Elles devraient donc être revues.
Les exemples d'incitation à la haine et de pratiques discriminatoires sont malheureusement légion. L'exemple qui a été cité par le collègue Vandemaele est la récente démission de M. De Crem, bourgmestre d'Aalter, ancien membre de votre parti. Les pratiques, aujourd'hui avérées suite à un audit de l'administration flamande, démontrent en réalité la nécessité de cette lutte antiraciste et de poursuivre de manière effective toute discrimination sur notre territoire.
Vous m'aviez alors indiqué que vous alliez travailler avec le collègue Beenders sur ces questions. Vous aviez même évoqué la possibilité de réfléchir à une modification des lois anti-discrimination à l'été 2025, donc l'été qui vient de passer.
Madame la ministre, mes questions sont simples. Où en êtes-vous? Quelles leçons tirez-vous de l'ensemble de ces faits – l'affaire Brusselmans, l'affaire Aalter? Quand pouvons-nous nous attendre à un projet de loi qui permette, de manière opérative, plus directe et plus efficace, de lutter contre tout acte de racisme et contre toute discrimination sur notre territoire?
Voorzitter:
Madame la ministre, pour votre réponse, vous disposez de six minutes.
Annelies Verlinden:
Collega's, op 18 juni hebben de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en ikzelf in een gezamenlijke brief alle door de Kamervoorzitter gevraagde beschikbare informatie bezorgd aan de Kamer door middel van een digitale drager. Hierdoor kon u kennisnemen van die informatie naar aanleiding van de vraag, in het schrijven van de Kamervoorzitter van 5 juni, gericht aan de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken en ook aan mij. Verder heb ik in de Kamer op 28 mei, 19 juni en 17 juli uitgebreid geantwoord op alle vragen.
Als voormalig minister van Binnenlandse Zaken kan ik zeggen dat er intussen geen nieuwe gegevens noch nieuwe feiten zijn.
Audit Vlaanderen, het agentschap van de Vlaamse overheid dat instaat voor het uitvoeren van audits bij lokale besturen, heeft inmiddels het administratief onderzoek afgerond en de bevindingen bezorgd aan de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur. Wij hebben daarvan kunnen kennisnemen.
Monsieur Aouasti, mon collègue Beenders est responsable de l’évaluation des législations anti-discrimination ainsi que de l’agenda et de la méthode pour y parvenir. Je suis volontaire pour collaborer avec lui dans ce projet puisqu’il concerne mes domaines de compétence. Mon administration doit lui fournir des réponses relatives au suivi des recommandations présentes dans le précédent rapport d’évaluation pour le 30 septembre au plus tard.
En ce qui concerne la suite qu’il réservera à ces réponses et à l’agenda qu’il a prévu, je me permets de vous renvoyer vers lui.
Matti Vandemaele:
Ik ben natuurlijk ontgoocheld over het antwoord, maar ik ben uiteraard niet verwonderd, want dit is het antwoord dat we al maanden krijgen. De ambitie lijkt te zijn om het dossier zo snel mogelijk te begraven, in de verwachting dat het zal overgaan.
Mevrouw de minister, u hebt mij eens aangesproken op straat. De manier waarop laat ik terzijde; het leek op een gesprek, ik weet niet hoe ik die gebeurtenis moet omschrijven. Ik heb u daar gezegd dat transparantie de kortste weg is. Ik begrijp niet waarom u niet wilt antwoorden op die vragen, tenzij u iets te verbergen hebt. U blijft verwijzen naar uw antwoord in plenum. U hebt in plenum twee keer niets gezegd. Op alle vragen die we stelden, hebt u niet geantwoord. Hetzelfde geldt voor de brief. Met die brief hebben we wel wat documenten gekregen, maar als we in het kader van de openbaarheid van bestuur documenten opvragen bij de DVZ, krijgen we een pak meer documenten. Ik heb nu eenzelfde vraag gesteld aan de FOD Binnenlandse Zaken. Ik zal bekijken wat eruit komt.
Het blijft me verwonderen dat u ervoor kiest om geen klaarheid te scheppen en geen informatie te delen, die wel degelijk beschikbaar is. U doet er alles aan om dit te begraven. Ik heb deze zomer een goede spade gekocht, dus ik blijf spitten totdat de antwoorden op onze vragen er komen.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse mais je vous avouerai qu'elle m'étonne par sa brièveté. Je comprends que le SPF Justice a fait à ce moment-là un travail d'analyse, qu'il l'a communiqué – si j'entends bien – au cabinet Beenders et qu'il appartient à ce dernier de prendre la main. Mon interrogation réside dans le fait de savoir s'il s'agira d'un travail commun entre M. Beenders – qui est responsable de l' É galité des chances – et vous, qui êtes responsable de la Justice, parce que la lutte anti-discrimination et la lutte antiraciste sont avant tout un outil judiciaire. Donc, si M. Beenders n'a pas les outils que constituent les parquets, les procureurs et ainsi de suite pour assurer que tout cela soit traduit par des circulaires du Collège des procureurs généraux; par des directives concrètes à destination des agents de police et des tribunaux, quelle sera la valeur de cette nouvelle lutte anti-discrimination et antiraciste? Ce n'est pas une politique d' égalité des chances, c'est une politique de poursuite judiciaire d'un acte qui est qualifié de délit ou de crime en fonction des circonstances. D'autant plus lorsqu'entrera en vigueur le nouveau Code pénal en avril prochain, qui érige en facteur aggravant général le facteur discriminant pour toute infraction. Je suis donc un peu étonné, voire ébahi, que vous considériez que cela ne vous concerne pas.
Het bijna verdubbelde aantal gevallen van agressie tegen OCMW-medewerkers in Antwerpen
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 17 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden veroordeelt de verdubbeling van agressie (324 meldingen in 2024) tegen OCMW-medewerkers in Antwerpen en benadrukt dat het nieuwe Strafwetboek (reeds gedeeltelijk actief) strafverzwaring biedt voor geweld tegen hulpverleners als "personen met maatschappelijke functie". Van Rooy betwist de effectiviteit hiervan, wijst op culturele factoren (allochtone daders) als oorzaak en kritiseert tekortschietende strafvervolging bij verbale agressie en intimidatie, die volgens hem onvoldoende worden aangepakt.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, de agressie tegenover OCMW-medewerkers in Antwerpen is bijna verdubbeld. In 2024 waren er 324 meldingen, waarvan het gros komt van de afdeling maatschappelijke hulp, OCMW-gebouwen, sociale centra en schuldhulpverlening. In 2023 waren er 'maar' 217 meldingen en in 2022 bedroeg het aantal meldingen van agressie 191. In twee jaar tijd zijn de meldingen van agressie in Antwerpen dus bijna verdubbeld. Vandaag gaat het gemiddeld om bijna één melding van verbale of fysieke agressie per dag.
Wat is uw reactie hierop? Hoe wilt u dat torenhoge en stijgende aantal gevallen van agressie doen afnemen? Bent u bereid een initiatief te nemen, zodat intimidatie, belaging en geweldsdelicten tegen OCMW-medewerkers en hulpverleners worden beschouwd als misdrijven tegen personen met een maatschappelijke functie, waardoor in het nieuwe Strafwetboek de strafverzwaring van toepassing zal zijn? Bent u bereid op korte termijn, in afwachting van de inwerkingtreding van het nieuwe Strafwetboek, een gelijkaardige regeling uit te werken?
Annelies Verlinden:
Collega Van Rooy, ik veroordeel uiteraard ten strengste gewelddaden tegen personen die in de uitoefening van hun beroep hun kennis en inzet ten dienste stellen van anderen. Zij vervullen een essentiële opdracht voor de samenleving en het is onaanvaardbaar dat zij worden blootgesteld aan agressie of intimidatie louter wegens hun functie.
Het toekomstige Strafwetboek biedt specifieke bescherming aan de leden van het OCMW die tijdens hun werk het risico lopen op geweld. Het is belangrijk te onderstrepen dat de leden van het OCMW zijn opgenomen in de definitie van personen die een maatschappelijke functie uitoefenen, zoals bedoeld in artikel 79, 4° van het nieuwe Strafwetboek. Die definitie omvat personen die een functionele openbare dienst vervullen of een opdracht van algemeen belang en die in het kader van hun functie in contact komen met het publiek dat van hun diensten gebruikmaakt.
Wegens de aard van hun functie zijn die personen bijzonder blootgesteld aan geweld, vaak gepleegd door de begunstigde aan wie zij hulp of dienstverlening verlenen. Daarom voorziet het nieuwe Strafwetboek in een strafverzwaring in geval van moord, foltering, onmenselijke behandeling of andere geweldsdelicten gepleegd tegen die personen. Het is echter belangrijk te beklemtonen dat die bescherming reeds is opgenomen in het huidige Strafwetboek. De wet van 18 januari 2024 heeft die bepaling al vervroegd in werking doen treden. De vorige regering achtte het eveneens noodzakelijk om die bescherming zonder uitstel in te voeren.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, dank u voor uw antwoord. Ik betwijfel of uw goede intenties, die zich vertalen in dat soort wetgeving, daadwerkelijk zullen leiden tot minder gevallen van agressie en geweld. Ik heb daarvoor twee redenen. Ten eerste merk ik in een stad als Antwerpen dat het bij het merendeel van de meldingen en daders om allochtonen gaat. De regering importeert agressie en geweld, ook tegen hulpverleners. Het gaat om totaal andere culturen die veel minder scrupules hebben om agressief of gewelddadig te werk te gaan en die ook niet worden afgeschrikt door verzwarende straffen. Ten tweede blijven hulpverleners die geconfronteerd worden met verbale agressie, intimidatie of bedreiging, vaak in de kou staan. De straffen en vervolging voor dergelijke misdrijven, die een grote impact hebben, laten volgens mij absoluut te wensen over.
De aanpak van discriminatie in de dienstenchequesector
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Tien jaar na de eerste signalen blijkt discriminatie in de dienstenschequesector nog altijd wijdverspreid (60% van de bedrijven gaat in op discriminerende klantenvragen), met directe gevolgen voor kansen, inkomen en sociale rechten van poetshulpen. Minister Beenders benadrukt dat federale inspectiediensten (TSW) enkel discriminatie binnen arbeidsrelaties kunnen onderzoeken—geen mystery calls als "klant"—maar wel samenwerken met regionale diensten en sectorpartners, terwijl slechts 21 praktijktesten (geen in deze sector) werden uitgevoerd sinds 2022. Lanjri dringt aan op concrete actie: gerichte telefonische controles bij klachten, verscherpte samenwerking met regio’s (via interministeriële conferenties), en snellere sancties, omdat sensibilisering alone onvoldoende is en discriminatie economisch *en* moreel onaanvaardbaar blijft.
Nahima Lanjri:
Mijnheer de minister, tien jaar geleden kwam de discriminatie in de dienstenschequesector voor het eerst aan het licht. Nu heeft Factcheckers aangetoond dat er nog altijd sprake is van wijdverspreide discriminatie in die sector. Zes op de tien dienstenchequebedrijven blijken in te gaan op discriminerende vragen van klanten. Dat is bijzonder zorgwekkend, niet alleen vanuit mensenrechtenperspectief, maar ook vanuit het oogpunt van het arbeidsrecht, de sociale bescherming en eerlijke concurrentie. Het ingaan op discriminerende verzoeken van klanten vormt immers niet enkel een inbreuk op de regionale erkenningsvoorwaarden, maar ook op de federale antidiscriminatiewetgeving.
Poetshulpen met een bepaald kenmerk, een bepaalde huidskleur, religie of afkomst, worden ten onrechte uitgesloten. Niemand mag worden gediscrimineerd. Toch gebeurt dat, waardoor zij minder opdrachten en dus ook minder kansen op de arbeidsmarkt krijgen. Dat heeft directe gevolgen voor hun inkomen, hun sociale rechten en hun welzijn. Als er voldoende bewijs is van discriminatie, kunnen de deelstaten overgaan tot het intrekken van de erkenning van betrokken dienstenchequebedrijven.
Daarnaast blijven wij op federaal niveau via de federale arbeidsinspectie bevoegd voor de opvolging en evaluatie van de arbeidsrelatie tussen het dienstenscheckbedrijf en de werknemer. Dat betreft dus ook de rechtsbescherming van de betrokken poetshulpen. De vraag rijst dan ook hoe we deze discriminatie structureel kunnen aanpakken en eindelijk een halt kunnen toeroepen. Tien jaar geleden stond ik in het Parlement mee aan de wieg van de praktijktesten, die werden ingevoerd omdat het probleem toen al hardnekkig bleek. Helaas is dat vandaag nog steeds een wijdverspreid probleem.
Welke concrete maatregelen zult u nemen om die hardnekkige vorm van arbeidsgerelateerde discriminatie in de dienstensector aan te pakken? Zult u in die sector ook inzetten op een ruimer gebruik van praktijktesten, bijvoorbeeld via mystery calls door sociale inspecteurs die zich als klant voordoen? Hoe zult u de samenwerking tussen de federale en gewestelijke niveaus versterken om de testen gecoördineerd aan te pakken en waar nodig ook te sanctioneren?
Sensibiliseren blijft nodig. U kunt sensibiliseren, u kunt bemiddelen, maar als men toch hardnekkig blijft discrimineren, zult u op een bepaald moment moeten sanctioneren. Op welke manier wordt discriminatie bovendien meegenomen in de gezamenlijke aanpak en controles door de inspectiediensten, waarnaar wordt verwezen in actie 18 van het SIOD-actieplan 2025-2026?
Zal het aantal controles in de dienstensector worden opgedreven naar aanleiding van de reportage van Factcheckers ? Komt er eventueel een specifieke doelstelling voor controles op discriminatie in die sector?
Het lijkt mij echt belangrijk, minister, dat hier wordt ingegrepen en dat we niet opnieuw tien jaar moeten wachten om vast te stellen dat er weinig beweegt.
Rob Beenders:
Mevrouw Lanjri, mijn antwoord is redelijk uitgebreid, maar ik denk dat dat voor deze materie ook noodzakelijk is.
De inspectie Toezicht op de Sociale Wetten, TSW genaamd, van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO) is bevoegd voor de drie federale antidiscriminatiewetten. Dat zijn, ten eerste, de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de zogenaamde antiracismewet; ten tweede, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, de zogenaamde antidiscriminatiewet en ten derde, de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, de zogenaamde genderwet. De drie wetten zijn ingevoerd vóór het Sociaal Strafwetboek.
De specifieke aanpak van discriminatie door de FOD WASO behoort tot de bevoegdheid van de minister van Werk, de heer Clarinval. Het is dus niet onbelangrijk om deze vragen ook aan hem te richten. Dat neemt niet weg dat ik wel degelijk kan antwoorden op uw vragen over de acties die we ondernemen in het kader van de strijd tegen sociale fraude.
Een inclusieve arbeidsmarkt, die toch ons doel is, die de veiligheid en de gezondheid op het werk garandeert voor alle werknemers, vormt een van de strategische doelstellingen van het actieplan sociale fraudebestrijding 2025-2026 van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). Ik vestig de aandacht erop dat daarnaast ook regionale antidiscriminatieregelgeving bestaat, waarvoor de betrokken regionale inspectiediensten bevoegd zijn. Wat de samenwerking en wisselwerking betreft tussen het federale en het regionale niveau, vallen sommige sectoren onder de exclusieve bevoegdheid van de regionale diensten, zoals het onderwijs, terwijl er voor andere sectoren sprake is van een overlappende bevoegdheid, bijvoorbeeld dienstenchequebedrijven.
Het bestaan van mogelijke arbeidsgerelateerde discriminatie wordt onderzocht door de arbeidsinspecteur van onze federale inspectiedienst. Daarbij moet er natuurlijk sprake zijn van een gezagsrelatie tussen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. De inspectie Toezicht op de Sociale Wetten is dus niet bevoegd voor discriminatie tussen collega’s of voor discriminatie van klanten van een dienstenchequebedrijf. Daarom kan de inspectie Toezicht op de Sociale Wetten geen praktijktest uitvoeren bij een dienstenchequebedrijf waarbij zij zich voordoet als klant, aangezien er dan geen sprake is van een arbeidsrelatie.
Toezicht op de Sociale Wetten kan wel nagaan of een dienstenschequebedrijf eventueel is ingegaan op een door een klant gevraagde discriminatie. Voor dergelijk onderzoek worden andere controlemethodieken gehanteerd en dus geen praktijktesten. De praktijktesten betreffen contacten via telefoon, e-mail of andere onlinekanalen. Fysieke contacten zijn niet opgenomen in de tekst.
Daardoor kunnen praktijktesten hoofdzakelijk zijn beperkt tot de fase van aanwerving en sollicitatie. Voor een praktijktest heeft de inspectie voorafgaande toestemming nodig van het arbeidsauditoraat. Nadien worden de vaststellingen van de praktijktest bezorgd aan de betrokken arbeidsauditeur of referentiemagistraat, die vervolgens beslist welke bijkomende stappen dienen te worden ondernomen.
Sinds de aanpassing van het Sociaal Strafwetboek in april 2022, die het uitvoeren van praktijktesten vergemakkelijkte, werden 21 praktijktesten inzake discriminatie uitgevoerd. Geen daarvan vond plaats in de dienstenschequesector. TSW deelt ook zijn terreinervaring met andere relevante actoren, zoals de regionale inspectiediensten, maatschappelijke organisaties en andere om op die manier bij te dragen aan de totstandkoming van aangepaste of nieuwe regelgeving en methodologieën. TSW verbindt zich er ook toe om aangepaste of nieuwe regelgeving in de praktijk toe te passen en nuttige feedback te geven om de antidiscriminatiewetgeving te helpen optimaliseren.
Er is regelmatig informeel en formeel overleg met de regionale inspectiediensten alsook een vruchtbare samenwerking bij gezamenlijke onderzoeken in de dienstenschequesector. Het samenwerkingsprotocol tussen de Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk (TWW), de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg en de sociale inspectiediensten van de gewesten en van de Duitstalige Gemeenschap en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst werd met dat doel afgesloten op 16 december 2020.
Wanneer uit een melding of klacht bij een regionale inspectiedienst of tijdens een lopend onderzoek van een regionale inspectiedienst blijkt dat er mogelijk sprake is van discriminatie waarvoor het Toezicht op de Sociale Wetten bevoegd is, wordt deze materie meegenomen in een gezamenlijk onderzoek.
Daarnaast heb ik aan de SIOD gevraagd om het samenwerkingsakkoord van 1 juni 2011, afgesloten tussen de federale Staat, de gewesten en de gemeenschappen, betreffende de coördinatie van de controles inzake illegale arbeid en sociale fraude, te actualiseren. Dit akkoord uit 2011 is ruimer dan het samenwerkingsprotocol en omvat alle sociale inspectiediensten. Ik heb dan ook gevraagd dat deze problematiek hierin wordt opgenomen.
Binnen het huidige actieplan van de SIOD wordt via actie 18, de multidisciplinaire controles van de dienstenchequeondernemingen, de sociale inspecteur alert gemaakt op deze problematiek. Elk feit of gedrag dat door een sociaal inspecteur tijdens een controle in het kader van zijn kernactiviteiten als discriminerend wordt beschouwd, wordt onmiddellijk opgevolgd.
Daarnaast sta ik met mijn beleidscel in contact met de sector en met de sociale partners om ervaringen en problemen binnen de sector uit te wisselen. We nemen deze ter harte en bekijken hoe we oplossingen kunnen integreren in onze toekomstige plannen, onder andere binnen de SIOD.
Nahima Lanjri:
Bedankt, mijnheer de minister. Discriminatie is een hardnekkig probleem. Het zal helaas niet volstaan om enkel te sensibiliseren en via de sociale partners iedereen te wijzen op zijn verantwoordelijkheden en op het verbod op elke vorm van discriminatie. We zullen echt ook een stok achter de deur moeten blijven houden, die we hopelijk zo weinig mogelijk moeten gebruiken. U zegt dat het uiteraard slechts deels mogelijk is om praktijktests in te zetten in de strijd tegen discriminatie. U kunt wel – en dat is ook wat ik heb gevraagd – de TSW-inspecteurs inzetten, die zich als klant kunnen voordoen en telefonisch contact opnemen met een dienstenchequebedrijf om te bekijken of zij al dan niet ingaan op een discriminerende vraag. Bijvoorbeeld als men zegt dat men een poetshulp wil, maar dat die niet zwart mag zijn. Men kan dat doen naar aanleiding van klachten die zijn binnengekomen. Men moet dat niet lukraak doen, maar wel wanneer er klachten zijn binnengekomen. Mijnheer de minister, ik reken er dan ook op dat u zult doen wat u zelf kunt doen. U zegt ook de wetgeving te evalueren en te kijken waar er aanpassingen nodig zijn. Ik kan dat alleen maar toejuichen. Tot slot, het overleg met de regio's is bezig. Het is dringend tijd voor een grondige evaluatie en er moet ook op het vlak van samenwerking worden bekeken wie wat doet. Als wij vanuit het federale niveau slechts een beperkt aantal praktijktesten kunnen doen en de andere voor de regio's zijn, dan is dit ook een vraag aan hen om effectief op te treden. Het lijkt mij nuttig om dit punt te agenderen, eventueel op een volgende interministeriële conferentie waar u zelf agendapunten kunt agenderen, zoals de aanpak van discriminatie. We kunnen niet jarenlang blijven tolereren dat groepen mensen gediscrimineerd blijven op de arbeidsmarkt. Dat is niet alleen onethisch en onmenselijk, maar vanuit het mensenrechtenperspectief not done . Bovendien verliezen wij talenten op de arbeidsmarkt die we nodig hebben. We hebben elk talent op de arbeidsmarkt nodig en op deze manier geven wij mensen geen kansen, maar verspillen we talent op de arbeidsmarkt.
De ontwikkeling van datamining voor antidiscriminatie
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het dataminingproject voor gerichte discriminatiecontroles bij hoogrisicobedrijven ligt al twee jaar stil, ondanks een bestaand prototype en een lijst van 118 ondernemingen, zonder dat deze daadwerkelijk voor controles zijn gebruikt. Minister Beenders bevestigt dat het systeem nog in startfase verkeert, maar belooft verdere ontwikkeling door dataverrijking (o.a. met justitiële gegevens, diversiteitsdata en regionale input) en samenwerking met regio’s en andere overheidsdiensten, hoewel concrete stappen ontbreken. Lanjri benadrukt de noodzaak van urgente actie, wijst op bevoegdheidsversnippering (Werk vs. Gelijke Kansen) en eist gecoördineerde inzet van beide ministers om discriminatie effectief aan te pakken, met name door gerichtere controles wegens beperkte inspectiecapaciteit. De focus ligt op praktische implementatie in plaats van beleidsafschuiving.
Nahima Lanjri:
Mijnheer de minister, u kondigde fors meer controles op zwartwerk, domiciliefraude en sociale dumping aan. Daarnaast wordt ook geïnvesteerd in bijkomende data-uitwisseling tussen overheidsdiensten, waardoor gerichtere controles mogelijk worden en meer overtredingen kunnen worden opgespoord. Dezelfde werkwijze zou ook kunnen worden gebruikt om op basis van serieuze aanwijzingen gericht te screenen op discriminatie bij hoogrisicobedrijven. Ook het SIOD-actieplan 2025-2026 vermeldt datamining voor de aanpak van discriminatie door de bevoegde sociale inspectiediensten.
In opdracht van de FOD WASO ontwikkelden enkele dataminers van de RSZ in 2023 een eerste prototype van een machinelearningsystem, gebaseerd op dossiers van Unia en de Arbeidsinspectie. De lijst van 118 hoogrisico-ondernemingen werd aan AD Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) doorgegeven, zodat het zelflerende systeem aan de hand van feedback uit die controles kon worden verfijnd. Er zijn echter geen aanwijzingen dat die data nadien ook bij controles zijn gebruikt. Het project zou al bijna twee jaar stil liggen.
Mijnheer de minister, hoe ver staat het met het gebruik van datamining als hulpmiddel voor gerichte discriminatiecontroles? Worden de lijsten van ondernemingen die daaruit voortkomen, ook daadwerkelijk voor proactieve discriminatiecontroles door TSW ingezet? Of klopt het dat het project en de gegenereerde lijsten al twee jaar stilliggen?
Staat u ervoor open om juridische gegevens van ondernemingen waartegen een vordering of strafklacht wegens discriminatie, pesterijen of haatspraak werd ingediend, in het systeem van datamining te integreren?
Zult u ook de data over de diversiteit van het personeelsbestand betrekken als mogelijke indicatie van discriminatie, bijvoorbeeld wanneer die in negatieve zin afwijken van het sectorgemiddelde? Academische onderzoeksresultaten, bijvoorbeeld op basis van correspondentietesten, zouden eveneens kunnen worden geïntegreerd.
Zult u in overleg gaan met de deelstaten om ook regionale data in de dataminingprocessen te integreren? Het lijkt immers heel nuttig om bijvoorbeeld gegevens van de regionale inspectiediensten en van de publieke arbeidsbemiddelingsdiensten, zoals de VDAB, Forem of Actiris, mee op te nemen in het systeem.
Zult u ook gegevens van andere overheidsorganen integreren om discriminatierisico’s bij ondernemingen in kaart te brengen? Ik denk dan bijvoorbeeld aan het RIZIV, Fedris, DG Personen met een handicap, de RVA en de gelijkheidsorganen, aangezien ook zij over relevante gegevens beschikken. Alvast dank voor uw antwoorden.
Rob Beenders:
AD Toezicht op de Sociale Wetten (TSW) van de FOD WASO is bevoegd voor de controle op de naleving van de federale antiracismewet, de antidiscriminatiewet en de genderwet. De specifieke aanpak van discriminatie via datamining door de FOD WASO behoort bovendien tot de bevoegdheid van de minister van Werk, de heer Clarinval. Het zou dus aangewezen zijn om de discussie ook met hem te voeren. De RSZ heeft het dataminingproject onder zijn controle, in samenwerking met de Arbeidsinspectie, TSW en andere relevante partners. Als minister van Gelijke Kansen én Sociale Fraudebestrijding strijd ik uiteraard tegen elke vorm van discriminatie. Elke vorm van geweld, discriminatie of intimidatie wegens iemands eigenheid blijft onaanvaardbaar.
Voor de NAR is de bestrijding van discriminatie een van de manieren om de toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen. Er bestaat een duidelijk verband tussen de bestrijding van discriminatie en van sociale fraude. In dat kader maken de bevoegde sociale inspectiediensten binnen de budgettaire en juridische mogelijkheden gebruik van datamining om discriminatie op te sporen en aan te pakken. Dat datamodel is echter nog relatief nieuw. Er is nog overleg nodig met alle betrokken partijen om het nader te ontwikkelen en vooral te verrijken met andere nuttige gegevens. Het systeem geeft momenteel enkel een aanduiding van de kans op discriminatie bij een onderneming. Het geeft geen informatie over welke vorm van discriminatie het zou gaan.
Wat de dataverzameling betreft, de Sociale Inspectie onderzoekt samen met de FOD Justitie hoe zij kan nagaan in welke bedrijven eerder al inbreuken inzake discriminatie werden vastgesteld.
Ook andere pistes zullen we verder onderzoeken, in samenwerking met de gespecialiseerde diensten en de academische wereld. Zoals voorzien in het regeerakkoord zal de samenwerking met de regio’s worden versterkt door een actualisering van het samenwerkingsakkoord. Alle suggesties zullen worden geanalyseerd om na te gaan hoe het systeem van datamining kan worden verrijkt en zo optimaal mogelijk ingezet. De ambities zijn groot.
We bevinden ons momenteel in de startfase. Ik denk dat dit onderwerp nog geregeld in deze commissie zal terugkeren, aangezien blijkt dat datamining bijzonder efficiënt kan werken. Door op eenvoudige wijze data uit te wisselen, kunnen we tot resultaten komen die misschien sneller tot beleidswijzigingen bij ondernemingen leiden dan met inspecteurs op het terrein. De combinatie van datamining met de bestaande werking zal de komende jaren ongetwijfeld veel winst opleveren.
Nahima Lanjri:
Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. Ik ben blij dat u zegt dat u met de suggesties die ik heb gedaan aan de slag wilt gaan. Uit uw antwoord blijkt ook dat het hele proces van datamining – we weten dit – geen eenvoudig proces is. Dat verantwoordt mijns inziens echter niet dat het proces twee jaar stilgelegen heeft. Ik heb daar niet onmiddellijk een verklaring voor gekregen, maar ik hoop wel dat u, onder meer met mijn suggestie om de data te verrijken met gegevens van verschillende overheidsdiensten, effectief aan de slag gaat. Ook hoop ik dat u opnieuw zult samenwerken met de bevoegde regio’s om die gegevens – en dus het dataminingproces – te verrijken. Datamining is namelijk een hulpmiddel in de strijd tegen discriminatie. Op basis daarvan kan men veel gerichter controles uitvoeren in bedrijven of sectoren waar het risico groter is. Laten we dat dan ook vooral doen, want we weten dat het aantal sociale inspecteurs vandaag vrij beperkt is. We moeten dit dus onderbouwen met datamining. Zeker als we weten dat de inzet van derden – dus van testpersonen als aanvulling op de sociale inspecteurs – er vandaag nog niet is. Het is belangrijk dat we daar werk van maken. Ik zal u hierover in de toekomst verder ondervragen. U hebt gezegd dat u er werk wilt van maken. Tegelijk is dit de tweede keer dat ik een vraag stel over discriminatie, en de tweede keer dat u verwijst naar de bevoegdheid van een andere minister, namelijk minister Clarinval, die bevoegd is voor Werk. Dat weet ik en ik heb hem daar ook al vragen over gesteld, ook over de praktijktesten. Ik zal niet nalaten ook deze vragen, die ik nu aan u stel, aan hem te stellen. Laten we er echter van uitgaan dat het niet de bedoeling kan zijn dat men de hete aardappel naar elkaar doorschuift. Jullie maken als ministers deel uit van dezelfde regering. Het is essentieel dat jullie ook samen werk maken van de aanpak van discriminatie. Discriminatie mag niet en we verspelen er talent mee op de arbeidsmarkt.
De aanpak van discriminatie
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De federale arbeidsinspectie kan geen administratieve boetes opleggen bij arbeidsdiscriminatie, ondanks dat dit voor 2010 wel mogelijk was, en moet nu vertrouwen op strafrechtelijke of burgerrechtelijke routes (via Unia/IGVM) of remediërende maatregelen zoals checklists en opleidingen. Minister Beenders bevestigt dat sancties alleen als laatste redmiddel komen, na preventie en overleg, en belooft een grondige opvolging van de bestaande 73 aanbevelingen uit de vorige evaluatie van de antidiscriminatiewet, met overleg tussen bevoegde ministers en extra opleidingen voor inspectiediensten. Lanjri dringt aan op snelle implementatie van de bestaande aanbevelingen in plaats van nieuwe evaluaties, en biedt politieke steun om concrete sancties (zoals boetes, beroepsverboden) af te stemmen op andere sociale fraude en de handhaving te versterken.
Nahima Lanjri:
In uw beleidsverklaring onderstreept u terecht dat een effectief sanctioneringsbeleid het noodzakelijke sluitstuk vormt van de handhavingsketen tegen sociale fraude. Ik wil verwijzen naar het feit dat discriminatie in arbeidszaken ook sociale fraude is (cf art 1§1 van het Sociaal Strafwetboek en het Samenwerkingsakkoord van 1 juni tussen de federale staat, gewesten en gemeenschappen betreffende de coördinatie van controles inzake illegale arbeid en sociale fraude). In het regeerakkoord (p. 25-27) lezen we bovendien dat:
“een effectief sanctioneringsbeleid essentieel is om valsspelers te ontmoedigen en de sociale bescherming van werknemers, zelfstandigen een eerlijke burgers te waarborgen."
“Om de strijd tegen sociale fraude en sociale dumping te versterken moeten we ook de bestraffing ervan verstrengen."
Desondanks kan de federale arbeidsinspectie nog altijd geen administratieve boetes opleggen, zelfs niet wanneer proactieve discriminatietesten duidelijke inbreuken aantonen.
Mijn vragen:
1. Kan u bevestigen dat de inspectie momenteel geen administratieve geldboetes kan opleggen bij vaststellingen van arbeidsdiscriminatie (noch op eigen initiatief, noch nadat de arbeidsauditeur beslist om niet tot vervolging over te gaan)? Klopt het dat dit voor invoering van het Sociaal Strafwetboek in 2010 wel mogelijk was?
2. Welke sanctionerende en of remediërende mogelijkheden heeft de inspectie om op te treden bij niet-strafrechtelijke vaststellingen van discriminatie?
3. Zijn er al concrete stappen gezet richting een aanpassing van het Sociaal Strafwetboek of de antidiscriminatiewetten?
4. Wat zullen die sancties inhouden, hoe ziet u die sancties concreet ingevuld? Zal u deze sancties aligneren aan het bestaande sanctieniveau voor pesterijen (met een discriminerend motief) op het werk (art 119 SSW)?
5. Wil u bestaande sancties uit boek II van het Sociaal Strafwetboek ook mogelijk maken bij discriminatie, zoals administratieve boetes, een beroepsverbod, een exploitatieverbod, een schorsing van de vergunning of uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten?
6. Hoe zal u ervoor zorgen dat inspectiediensten, eenmaal het nieuwe sanctiekader er is, ook daadwerkelijk in staat zijn om dit toe te passen? Wordt er voorzien in opleiding, duidelijke instructies of aangepaste procedures om dit beleid effectief te operationaliseren?
Ik dank u voor uw antwoorden.
Rob Beenders:
Mevrouw Lanjri, de specifieke aanpak van discriminatie door de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (FOD WASO) is opnieuw een gemeenschappelijke bevoegdheid, samen met minister Clarinval.
Ik moet dus herhalen wat ik bij mijn vorige antwoorden zei, maar ik heb uw boodschap goed begrepen en ben het eigenlijk met u eens. Ik vind het namelijk zelf ook altijd wat onwennig als we voortdurend naar elkaar moeten verwijzen. Het lijkt alsof we niet samenwerken, maar dat is echt niet het geval.
Ik wil daarnaast even aangeven dat we een zeer goed protocol hebben gesloten met minister Clarinval om duidelijke afspraken te maken in de dossiers die we opvolgen en waarin we het voortouw nemen. De samenwerking verloopt echt zeer goed. Ook op dit vlak mag u erop rekenen dat we dit samen aanpakken. Ik vermeld dit omdat het nu eenmaal wettelijk zo is geregeld qua bevoegdheidsverdeling, maar dat betekent niet dat ik de paraplu opentrek.
Ik verwijs naar de antiracismewet, de antidiscriminatiewet en de genderwet. Daarin zijn de strafrechtelijke bepalingen en sancties voor inbreuken opgenomen, zonder dat ze administratieve geldboetes bevatten. Deze administratieve geldboetes werden geheven door voormelde wetten van 10 mei 2007, omdat de voorkeur werd gegeven aan het burgerrechtelijke luik inzake de handhaving. De Directie van de Administratieve Geldboeten van de FOD WASO kan zo geen administratieve geldboeten opleggen bij vaststelling van arbeidsgerelateerde discriminatie.
Bij niet-strafrechtelijke vaststellingen van discriminatie kan de federale inspectiedienst zijn relevante bevindingen overmaken aan de bevoegde regionale inspectiediensten, aan Unia of aan het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM) voor verdere juridische opvolging die zij dan behartigen. De inspectie heeft daartoe samenwerkingsakkoorden afgesloten met Unia sinds oktober 2010 en met het IGVM sinds juni 2014. De bevoegde inspectiedienst kan verder remediërend optreden door de overtreder door te wijzen naar Unia of het IGVM voor meer duiding, uitleg of hulp bij de implementatie van maatregelen. Zo kan verwezen worden naar een online opleiding discriminatie op de website van Unia. Er is ook een standaard checklist die aan de betrokken onderneming overgemaakt kan worden, zodat deze een beter beeld kan krijgen van welke discriminatieproblematiek er eventueel heerst.
Ik ben niet alleen bevoegd voor Sociale Fraudebestrijding maar ik ben ook minister van Gelijke Kansen en de strijd tegen discriminatie staat binnen deze bevoegdheid hoog op de agenda. Ik zal deze legislatuur werk maken van een grondige evaluatie van de antidiscriminatiewet, overeenkomstig artikel 52 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. De eerste evaluatiecommissie publiceerde haar eindrapport tijdens de vorige legislatuur en formuleerde 73 aanbevelingen. Terwijl sommige aanbevelingen al zijn uitgevoerd, moeten andere nog worden geconcretiseerd.
Alvorens eventueel over te gaan tot aanpassingen aan het Sociaal Strafwetboek of het sanctiekader, zal ik een stand van zaken opmaken van de toepassing van deze aanbevelingen binnen elk relevant federaal bevoegdheidsdomein. Ik zal erop toezien dat elke betrokken administratie de haalbaarheid van de nog uit te voeren aanbevelingen beoordeelt. Hiervoor plan ik uiteraard overleg met al mijn bevoegde collega-ministers.
In eerste instantie pleit ik voor preventie, overleg en remediëring en pas voor sancties als het echt moet. Indien nieuwe wet- en regelgeving wordt voorzien, zal een samenwerking met de SIOD worden uitgewerkt, evenals de nodige opleidingen voor de sociale inspectiediensten en mogelijk ook voor hun ketenpartners, zoals de politie en justitie.
Ik pleit zelf voor meer dan voldoende aandacht voor vorming en het op peil houden van de kennis van de sociale inspecteurs in het bijzonder en de expertise van de sociale inspectiediensten in hun geheel.
Nahima Lanjri:
Dank u wel, mijnheer de minister. Dank ook dat u ingaat op een aantal suggesties die ik heb gedaan, onder meer om opleidingen en instructies te voorzien. Dat is zeker nuttig en nodig. U haalde zelf al aan dat de antidiscriminatiewetten tijdens de vorige legislatuur geëvalueerd zijn. Die evaluatie leverde heel wat aanbevelingen op, maar nog niet alle aanbevelingen zijn in de praktijk omgezet. Misschien is dat bij sommige omwille van een bepaalde reden. Dat kan uiteraard, maar ik denk dat het nuttig is om dat werk eerst verder te zetten, vooraleer we opnieuw alles gaan evalueren. De evaluatie is gebeurd. U kunt die eventueel deels actualiseren, maar ik denk niet dat we opnieuw vijf jaar moeten wachten om dan weer met een rapport van 73 aanbevelingen te komen, waarvan er vervolgens weer een groot deel niet wordt uitgevoerd. Ik zou dan ook heel graag hebben dat u aan de slag gaat met wat al op tafel ligt en dat u bijstuurt waar nodig. U zult daarbij op onze steun kunnen rekenen.
De onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleidingen en trainingen
De angstcultuur bij de Securailagenten
De persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel
De ontevredenheid binnen Securail
De arbeidsomstandigheden en de toekomst van de Securailagenten
Het slechte werkklimaat bij Securail
De toestand bij Securail
De welzijnsenquête bij de NMBS
De enquête over de werkomstandigheden van het spoorwegpersoneel
De zorgwekkende situatie bij Securail
Uitdagingen en werkomstandigheden binnen Securail en NMBS-spoorwegpersoneel
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De zorgwekkende enquêteresultaten bij Securail en de NMBS tonen diepgewortelde problemen: onveilige werkomstandigheden (verouderde steekwerende vesten – volgens de minister *technisch nog veilig* tot 2027, maar door personeel betwist), toxisch management (angstcultuur, slechte communicatie, gebrek aan overleg), werkdruk (burn-outrisico’s, onvoorspelbare plannings) en structureel wantrouwen tussen leiding en vakbonden. De minister belooft kortetermijnacties (overleg voor de zomer, vierpijlersplan voor welzijn) en streng toezicht, maar parlementsleden benadrukken dat eerdere beloftes faliekant tekortschoten en eisen concrete, meetbare verbeteringen—niet enkel pr-middelen—met verantwoordelijkheid voor het management en betrokkenheid van syndicalisten bij hervormingen. Kernpunt: Het veiligheids- en welzijnsbeleid voor frontlijnpersoneel (Securail) is acut disfunctioneel, terwijl de NMBS als werkgever juridisch en moreel verantwoordelijk is—de minister moet dwingend ingrijpen om vertrouwen, transparantie en basisveiligheid (materieel, training, mentale ondersteuning) te herstellen. Dringendheid: Vertraging is geen optie—personeel en reizigersveiligheid staan op het spel.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, ik zal het kort houden, want ik heb u hierover vorige week al ondervraagd in de plenaire vergadering. U weet dus in grote lijnen waarover het gaat. De enquête van de spoorwegbonden bij het Securailpersoneel leverde namelijk verrassend slechte resultaten op, die ik toen kort heb samengevat.
Over de ontevredenheid bij het Securailpersoneel heb ik nog een korte vraag. Op welke wijze evalueert u de nieuwe organisatiestructuur, Securail 2.0 genoemd? Welke maatregelen zullen er genomen worden om de onvrede bij het Securailpersoneel daarover weg te nemen?
Over de angstcultuur bij het Securailpersoneel heb ik het vorige week al met u gehad. Daarvoor verwijs ik naar mijn ingediende vraag.
Een volgende belangrijke punt zijn de persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel. Het gaat over de steekwerende vesten die de Securailagenten ter bescherming dragen. Van veel vesten blijkt de houdbaarheidsdatum al lang overschreden. Dat betekent dat de kwaliteit van die vesten in twijfel kan worden getrokken, dus ook de bescherming van het personeel zelf. Bovendien heerst er ontevredenheid over het feit dat ze niet over een persoonlijke zaklamp beschikken, die ze nodig hebben voor de uitoefening van hun job.
Hebt u kennis van het feit dat de houdbaarheidsdatum van de steekwerende beschermingsvesten van de Securailagenten verstreken zou zijn? Erkent u dat het laten dragen van steekwerende vesten waarvan de houdbaarheidsdatum overschreden is, afbreuk doet aan de veiligheid van het Securailpersoneel? Om welke redenen is er niet tijdig voorzien in nieuwe steekwerende vesten? Hoe is dat mogelijk? Wat is de huidige stand van zaken van dit dossier? Is men aan de slag om ervoor te zorgen dat dat probleem snel wordt opgelost en er dus snel in degelijke, nieuwe vesten wordt voorzien?
Wie zal de verantwoordelijkheid dragen wanneer vandaag een Securailagent wordt neergestoken, die een steekwerend vest draagt waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden?
Een volgende aspect is de onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleiding en training. Ze vinden namelijk dat ze meer praktijkgerichte trainingen moeten volgen, omdat de theorie soms heel ver verwijderd is van de praktijk op de werkvloer. Hoe zult u gevolg geven aan hun vraag?
Ten slotte heb ik nog een extra vraag over een welzijnsenquête bij de NMBS. De NMBS zelf heeft IDW, de externe dienst voor preventie en welzijn op het werk, gevraagd een personeelsenquête te houden over tevredenheid, risico's op stress, burn-out, werkdruk en ongewenst gedrag. Ook daarvan waren de resultaten niet goed, zelfs zorgwekkend. Het is een goede zaak dat de NMBS zelf zo'n enquête organiseert. Ik verwijs daarvoor naar mijn ingediende vraag. Daarin vraag ik hoe u dat evalueert en welke acties daartegen zullen worden ondernomen.
Farah Jacquet:
Je vous ai déjà interpellé jeudi dernier sur une enquête précédente, mais je vais aujourd’hui concentrer ma question sur la plus récente, tout aussi interpellante, réalisée par IDEWE. Cette enquête, menée auprès de l’ensemble du personnel de la SNCB, révèle un profond malaise puisque 43 % des agents déclarent être épuisés par leur travail, et une large part d’entre eux est en risque de burn-out. La moitié pense que les conditions de travail vont encore se détériorer.
L’enquête pointe un management déconnecté, un manque d’écoute, d’empathie, et une pression constante exercée sur les travailleurs. J’ai aussi relevé un chiffre alarmant: 16 % des agents déclarent avoir subi du harcèlement sexuel dans certaines entités. Nous sommes en 2025, monsieur le ministre. Cela ne devrait plus exister. Nulle part.
Ces chiffres doivent vous interpeller. En effet, ils décrivent un système qui use les travailleurs jusqu’à l’épuisement, qui les rend malades. Vous ne pouvez pas rester sans réagir. La semaine dernière déjà, je vous ai parlé des propositions syndicales concrètes qui visent à améliorer ces conditions de travail.
Aujourd’hui, mes questions sont simples: Avez-vous pris connaissance personnellement des résultats de cette enquête? Qu’allez-vous faire pour que les recommandations syndicales soient appliquées à l’ensemble des cheminots? Avez-vous consulté les syndicats, et quels engagements concrets avez-vous pris?
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, les résultats d'une enquête récente menée par les deux principaux syndicats ferroviaires auprès de 376 agents de Securail révèlent une situation particulièrement préoccupante en matière de conditions de travail et de climat organisationnel. Les témoignages collectés font état d'un management toxique, d'une communication autoritaire et inefficace ainsi que d'une culture de la peur généralisée. Les agents ont utilisé des termes forts tels que régime de terreur, leadership toxique, chasse aux sorcières… Ils traduisent donc un profond mal-être au sein du service chargé pourtant d'assurer la sécurité du réseau ferroviaire. À cela s'ajoutent des dysfonctionnements dans la gestion des plannings, avec des horaires communiqués tardivement ou peu adaptés aux contraintes individuelles, et qui compromettent fortement l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée.
La SNCB dit s'engager à prendre des initiatives afin de remédier à cette situation. Pourriez-vous préciser la nature concrète de ces initiatives?
La SNCB prévoit-elle de mener une enquête interne au sein de Securail pour vérifier les faits signalés? Envisage-t-elle de confier cette enquête à un organe indépendant?
Enfin, un accompagnement psychologique ou des dispositifs de soutien spécifiques pour les agents concernés sont-ils mis en place à la SNCB ou chez Securail? Je vous remercie d'avance pour vos réponses, monsieur le ministre.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, que se passe-t-il chez Securail? Nous sommes en droit de nous poser la question à la lecture des résultats de l'enquête menée par la CGSP et par la CSC Transcom auprès des agents de sécurité. Ce sont tout de même 80 % des agents interrogés qui disent être insatisfaits de la communication avec le management. Visiblement, votre vision d’un "Securail 2.0" ressemble plutôt à un "Securail 0 point t" (zéro pointé).
Comment un management peut-il ne pas se rendre compte d'un tel malaise qui règne au sein de son entreprise? La gestion des ressources humaines est essentielle dans toute organisation, et singulièrement dans une entreprise publique, me semble-t-il. Encore plus lorsqu’il s’agit d’une entreprise publique dont les agents doivent œuvrer à la sécurité des voyageurs et du personnel de la SNCB.
Est-il normal, à vos yeux, qu’un management attende le résultat d’une enquête menée par les syndicats pour se rendre compte de la situation déplorable dénoncée par les travailleurs? Non, bien sûr! Il s’agit ici d’une mauvaise gestion, de plannings flous, d’un manque de clarté concernant les congés, de la suppression de primes et de bien d’autres dérives encore.
Monsieur le ministre, comptez-vous rencontrer la direction de Securail et les syndicats afin de faire la lumière sur les dysfonctionnements mis en évidence par cette enquête? En plus de l’enquête menée à Securail, nous disposons aussi de l’enquête IDEWE – indépendante – qui révèle un climat social déplorable et des tensions croissantes. Les agents dénoncent une ambiance de travail pesante et un dialogue quasi inexistant avec leur hiérarchie. Il est question de climat tendu, voire critique et de pression croissante.
Monsieur le ministre, comment allons-nous améliorer le rail belge avec des travailleurs qui n’en peuvent plus? Cela nous ramène aux deux débats d'actualité précédents, dans lesquels l’ensemble des groupes vous ont houspillé. Certes, la SNCB est une entreprise publique autonome, mais cela ne dispense pas le ministre de s’en préoccuper activement – de préférence avec les syndicats – et sans attendre des mois pour reporter à une date ultérieure, afin de revenir à un débat précédent.
Que comptez-vous faire, monsieur le ministre, pour améliorer la situation chez Securail? Je vous remercie.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, de resultaten van de welzijnsbevraging waren inderdaad zeer slecht en vergis u niet: een welzijnsbevraging is verplicht. Organisaties moeten dat doen. De NMBS feliciteren voor iets wat ze verplicht moet doen… Het is maar logisch dat de NMBS dat doet. Blijkbaar is het trouwens pas gebeurd na heel wat druk van de vakbonden.
Daardoor zijn de betreurenswaardige problemen bij Securail naar boven gekomen, waar mijn collega's al uitgebreid naar hebben verwezen. Ik denk dat dit eens te meer pijnlijk is, omdat het gaat over mensen die dagelijks instaan voor de veiligheid in onze stations, voor de reizigers en voor het personeel. Zij verdienen duidelijke communicatie, respect voor hun tijd en vertrouwen in hun professionaliteit. Wat ze vandaag echter krijgen, is juist het omgekeerde. Het feit dat ondertussen herstructureringen worden aangekondigd door teamleiders zonder enig sociaal overleg, is gewoonweg geen manier van werken. Integendeel, het zorgt er alleen voor dat het wantrouwen tussen het management van de organisatie en de werknemers alleen verder zal toenemen. Daarom heb ik enkele vragen voor u, mijnheer de minister.
Hoe kijkt u naar de huidige situatie bij Securail? Acht u de afspraken die tot heden al zijn gemaakt voldoende om de huidige problematiek bij te sturen? Hoe ziet u zelf de rol van de NMBS en van uzelf in het opvolgen en bijsturen van die knelpunten? Op welke manier zult u erop toezien dat hervormingen binnen Securail niet langer zonder overleg worden doorgevoerd, maar dat het personeel daarbij wordt betrokken? Tot slot, heeft deze erbarmelijke situatie ook gevolgen voor de verantwoordelijken en het management van Securail? Hoe kijkt u daarnaar?
Ik ben ervan overtuigd dat de mensen van Securail duidelijkheid en respect verdienen. Vooruit rekent op u om daarvoor te zorgen. Dank u wel.
Voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Tas. Ik kijk rond in de zaal om te zien of er fracties zijn die niet deelnemen aan het actualiteitsdebat en wensen aan te sluiten.
Mevrouw De Knop, u hebt het woord.
Irina De Knop:
Uiteraard hebben wij ook kennisgenomen van de resultaten van de heel zorgwekkende enquête. Dat meer dan 70 % van de medewerkers aangeeft dat zij niet vrijuit kunnen spreken, moet zeker zorgen baren.
Mijnheer de minister, daarom hebben wij een aantal vragen die gelijklopend zijn met de vragen van de andere vraagstellers. Bent u op de hoogte van de resultaten van de enquête? Wat is uw reactie daarop?
Welke stappen zullen er worden ondernomen door de NMBS en specifiek door Securail om de geconstateerde problemen aan te pakken?
Hoe wordt de betrokkenheid van externe preventiediensten zoals IDW gewaarborgd in het vervolgtraject?
Ik dank u alvast voor de bijkomende antwoorden.
Voorzitter:
Wensen nog andere fracties aan te sluiten? (Neen)
Jean-Luc Crucke:
Comme je l'ai récemment dit en séance plénière, je souhaite à nouveau exprimer ma considération pour le travail essentiel accompli par les agents de Securail qui veillent à la sécurité des usagers du rail chaque jour et souvent dans des conditions exigeantes. Leur engagement mérite d'être reconnu et leurs préoccupations doivent être entendues avec sérieux et respect. J'ai encore eu l'occasion de le leur dire ce matin dans la gare de Liège-Guillemins.
Voici les mesures concernant la sécurité des agents Securail.
Securail beschikt over kogelwerende vesten die zowel steek- als snijwerend zijn. De houdbaarheidsdatum waarvan sprake, verwijst naar de garantieperiode van de fabrikant op de beschermingsplaten in de vesten. De garantie dekt een periode van 10 jaar voor het behoud van de kogelwerende eigenschappen van de platen. Het overschrijden van de garantietermijn betekent niet automatisch dat de bescherming onvoldoende wordt. Bovendien loopt de garantieperiode voor de betreffende Securailvesten tot 2027. Er is dus geen sprake van vervallen vesten, noch van afbreuk aan de veiligheid van het Securailpersoneel.
In de zomer van 2024 werd een controle uitgevoerd op de garantiedatum van elke kogelwerende vest. Alle agenten beschikken over vesten die nog onder garantie vallen, op enkele uitzonderlijke gevallen na. De uitzonderlijke gevallen werden onmiddellijk aangepakt. Na analyse bleek dat oude platen van de vorige leverancier werden gebruikt, die door de betrokken agent op eigen initiatief in een nieuwe vest waren geplaatst. Om dergelijke situaties te vermijden, werd de procedure met betrekking tot uniformen en beschermingsmiddelen aangepast, met een strengere controle op het teruggeven van het materiaal.
De huidige kogelwerende vesten hoeven momenteel niet vervangen te worden. Het huidige raamcontract en de garantieperiode voor de kogelwerende vesten lopen tot 2027 en bevatten een optie tot verlenging met twee jaar. In het najaar van 2025 zijn ballistische testen gepland om na te gaan of het gebruik van de huidige kogelwerende vesten ook na 2026 nog conform de standaard van de betrokken firma is. De Securailagenten beschikken vandaag over kogelwerende vesten waarvan de garantie niet is verlopen. De geplande ballistische testen zullen uitwijzen of de garantieperiode verlengd kan worden. Indien niet zullen de gebruikte platen worden vervangen.
Met betrekking tot de zaklampen, de Securailagenten beschikken vandaag over collectieve zaklampen, die zij aan het begin van hun shift kunnen plaatsen in hun individuele lampenhouder. Per werkzetel is het aantal zaklampen afgestemd op het aantal agenten per shift. De jongste inventaris werd opgemaakt begin 2025 en eventueel ontbrekende lampen werden aangevuld.
Begin dit jaar heeft NMBS in het kader van haar welzijnsbeleid het initiatief genomen om een nieuwe enquête te lanceren via idewe, een erkende en onafhankelijke preventiedienst, om de risico’s die het welzijn in de onderneming kunnen beïnvloeden, te identificeren.
Er wordt conform de wet regelmatig een extern onderzoek uitgevoerd.
À partir des résultats de cette enquête, tous les départements de la SNCB ont été mobilisés pour travailler sur un plan d'action concret, basé sur quatre piliers essentiels: une culture d'entreprise ouverte, des conditions et des lieux de travail inclusifs, une collaboration renforcée entre départements et davantage d'opportunités de formation et d'apprentissage pour que les compétences de chacun puissent être pleinement développées. Ce programme d'action sera suivi de près par le comité de direction en coordination avec les partenaires sociaux au sein des comités de bien-être concernés.
Suite à plusieurs problématiques soulevées auprès des organisations syndicales par des agents de Securail, les organisations syndicales ont mené également une enquête auprès de ce personnel afin d'obtenir une vision plus globale de la situation. Cette enquête portait sur cinq thématiques: la planification et l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée, Securail 2.0, la réorganisation de 2021-2022, la gestion des incidents et la communication, la culture managériale et les équipements de protection individuelle dont j'ai déjà parlé.
De resultaten van die enqu ê te werden op maandag 2 juni voorgesteld aan en besproken met het management van de NMBS.
Les constats qui en ressortent sont préoccupants. Je répète ce qui a été dit: climat de travail dégradé, difficultés de communication avec la hiérarchie, gestion des plannings affectant l’équilibre entre vie professionnelle et vie privée, et sentiment d’un manque de soutien et d’écoute.
Het management waardeert het initiatief en gaat aan de slag met de resultaten en conclusies die werden voorgesteld. Het management zal de resultaten ook nader analyseren en vergelijken met zijn eigen analyses van de resultaten van de uitgevoerde welzijnsenqu ête.
Er is afgesproken om net vóór de vakantie een eerste vervolgoverleg te organiseren waar mogelijke acties voor de belangrijkste thema’s gezamenlijk zullen worden besproken. Daarna zullen er zeker nog andere overlegmomenten met betrekking tot de verschillende thema’s tussen het management en de vakbonden volgen. De doelstelling van het management van Securail en van de vakbonden is tot verbeteringen in de verschillende domeinen te komen.
Un travail est en train d'être mené pour essayer de résoudre les problèmes auxquels se heurtent les agents de Securail. La direction va travailler sur la base des résultats et des conclusions présentés, enrichis de ses propres analyses. L'objectif, tant de la direction de Securail que des syndicats, est d'aboutir à des améliorations dans les différents domaines.
Comme je l'ai également indiqué en séance plénière, je suis en contact étroit avec la direction générale des ressources humaines de la SNCB. Celle-ci et les syndicats m'ont confirmé que des réunions se tenaient régulièrement et que les premiers échanges ont été constructifs. Je serai particulièrement attentif à ce que ces discussions débouchent sur des mesures concrètes, visibles et durables pour le personnel.
Het belang van de geestelijke gezondheid en het welzijn van de werknemers staat niet ter discussie. Het gaat om hun veiligheid en inzet, maar ook om de kwaliteit van de openbare dienstverlening, die we aan onze burgers verschuldigd zijn. Als de dialoog vastloopt, zal ik niet aarzelen om in te grijpen. De NMBS heeft een verantwoordelijkheid als werkgever en ik zal erop toezien dat ze die ten volle opneemt.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, men gaat dus aan de slag en de resultaten vergelijken met die uit eigen onderzoeken. Het zou er nog aan moeten mankeren! Alleszins ben ik tevreden dat er op korte termijn, nog voor de vakantie, al een eerste overleg plaatsvindt. Misschien kunnen daar al beslissingen met het oog op quick wins worden genomen. We zullen het verdere verloop van het proces uiteraard opvolgen.
Ik ben wel enigszins verbaasd over het verhaal rond de steekwerende vesten, vesten waarvan het Securailpersoneel klaagt dat er problemen mee zijn, terwijl u hier argumenteert dat er technisch gezien, dus wat de werking en de garantie- en houdbaarheidsdatum betreft, geen vuiltje aan de lucht is. We volgen het verder op.
Het feit is dat er in het verleden al kansen gemist zijn. Al sinds de vorige legislatuur is er sprake van een toename van criminele feiten op het spoor. We hebben herhaaldelijk aangedrongen op actie daaromtrent. Er zijn meerdere noodkreten geweest. Het Securailpersoneel heeft al vaker acties gevoerd, onder andere aan het station Brussel-Zuid; er is al herhaaldelijk overleg gepleegd. Kortom, er is al heel wat water door de zee gevloeid, maar uiteindelijk zijn er nog steeds geen concrete, doorgedreven acties op het getouw gezet of het beleid hervormd, althans niet op een manier die gedragen en gesteund wordt door het personeel. Ik mag dan ook hopen dat, hoe slecht de resultaten ook zijn, de enquête de aanzet mag zijn voor een degelijk en gedragen veiligheidsbeleid en beleid onder andere inzake welzijn, rust, stress en burn-voor het NMBS-personeel.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
J'entends que plusieurs concertations auront lieu en interne à la SNCB. C'est bien, mais je pense qu’il serait vraiment très intéressant que vous y participiez aussi, ou, en tout cas, que vous ayez un œil là-dessus.
Les cheminots comptent encore sur vous, pour le moment. Beaucoup de promesses leur ayant été faites par le passé n'ont pas été tenues. Beaucoup de choses sont restées lettre morte. Les travailleurs ont un peu été négligés à ce niveau. Cela se ressent dans les différentes enquêtes réalisées, parmi lesquelles celle de Securail, mais aussi celle d’IDEWE, qui est une entreprise externe. Il n'est pas anodin de le souligner, parce qu'il y a une tendance à faire croire que les cheminots se plaignent facilement, alors que ce n'est pas le cas.
Ils attendent vraiment des résultats ainsi que des mesures dont vous pourriez être à la source. On sait que vous êtes partisan des concertations, etc. Je vous demande de rester particulièrement vigilant à ce que fera la SNCB à ce niveau-là, afin d'éviter qu'il s'agisse d'une opération de communication, avec la présentation de très beaux slides, qui finalement n'aboutira à rien du tout. Je vous remercie.
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses qui font montre d'une prise en main de la problématique. Il est en effet important de prendre soin de ceux qui prennent soin des autres.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, comme vous venez de le dire, la SNCB va déployer un vaste plan d'action pour améliorer le bien-être du personnel autour de quatre piliers. On nous annonce dans ce cadre une attention particulière pour Securail. Parfait! J'espère sincèrement que vous vous assurerez que, cette fois, des mesures concrètes seront prises de manière globale. On ne parle pas que de vestes ou de lampes, même si c'est important.
J'espère que vous vous rendez réellement compte de la situation et de la dureté du travail assumé par les cheminots et des économies, par ailleurs, qu'on leur demande de faire. Il y a là un hiatus, vraiment.
Vous voulez assumer des réformes en termes d'économies, très bien, mais mettez en balance tout ce qu'on vient d'évoquer dans les questions précédentes et celle-ci par rapport au personnel et les économies. Comme déjà évoqué lors du premier débat d'actualité relatif au préaccord social, ce n'est pas au personnel de prendre en charge et de supporter les économies. La démonstration est encore faite ici.
Monsieur le ministre, vous fixerez sans doute une date limite et un calendrier. Nous comptons sur vous pour avoir un dialogue constant avec le personnel et ses représentants. Je vous remercie.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het siert u dat u de problematiek erkent, maar dat kan duidelijk ook niet anders, want de resultaten zijn zodanig onrustwekkend dat ze ook fundamenteel moeten worden aangepakt. Ik vind het wel vreemd dat het duurde tot de resultaten van een welzijnsbevraging bekend waren, vóór de NMBS en Securail inzagen dat er iets fundamenteel fout is. Mijns inziens draagt het management een grote verantwoordelijkheid dat het zover is kunnen komen. Het is dus belangrijk dat er twee zaken gebeuren. Ten eerste, er moet een bijsturing komen van het beleid en er moet structureel overleg komen tussen het management en de werknemersorganisaties over wat er vandaag is misgelopen. Ik begrijp uit uw antwoorden dat dat momenteel aan het gebeuren is. Ik hoop dat dat goed verloopt, omdat uit de bevraging immers duidelijk blijkt dat er een zeker spanningsveld bestaat. Dat is mijn eerste bezorgdheid, die ik wil delen. Ten tweede, ik hoop ook dat u als toezichtsminister het management hierover aanspreekt en vraagt op welke manier een en ander vanuit de organisatie in de toekomst kan worden voorkomen en of het beleid inzicht heeft in hoe de situatie tot stand is gekomen. Ik zal de evolutie van de situatie blijven opvolgen en hoop dat er daar snel beterschap komt, want die personeelsleden staan in voor de veiligheid in de stations. Ze staan vaak op de eerste lijn in moeilijke omstandigheden en verdienen dus onze steun.
De Brussels Pride en de strijd tegen discriminatie
Gesteld door
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Défense bevestigt haar actieve steun aan LGBTQIA+-inclusie, met BELDEFRAC als officiële partner (budget, communicatiekanalen, personeelsinzet) en een specifieke beleidslijn sinds 2021, versterkt door een nieuwe diversiteitsexpert in 2025. Ze was aanwezig op Belgian Pride (Rainbow Village) en zal deelnemen aan Antwerp Pride, met ad-hocparticipatie aan andere evenementen afhankelijk van middelen, plus jaarlijks regenboogvlaggen op 17 mei. Lacroix prijst de continuïteit in het beleid (onder Dedonder) en moedigt Francken aan om zelf naar Antwerp Pride te gaan. Kernpunt: zichtbare inzet tegen discriminatie, zowel symbolisch (vlaggen) als structureel (beleid, associaties).
Christophe Lacroix:
Monsieur le président, je vais poser ma question oralement parce que M. le ministre n'avait pas répondu dans les délais à ma question écrite. Par conséquent, je vais prendre un peu la parole. La question date du 27 mars, et nous sommes au mois de juillet.
Monsieur le ministre, la lutte contre toutes les formes de discriminations au sein de la Défense est une priorité absolue. Elle s'impose afin que la Défense constitue un environnement de travail où chacune et chacun puissent s'épanouir, mais aussi pour répondre aux impératifs en termes de recrutement et de lutte contre l'attrition.
La Belgian Pride a eu lieu dans les rues de Bruxelles le 17 mai dernier. Cet événement a véhiculé, comme d'habitude, son message de tolérance et a rappelé, surtout, l'importance des droits des personnes LGBTQIA+ dans l'ensemble de notre société. De même, il a rappelé que leur accorder des droits n'en ôte aucun à personne.
Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer si, comme en 2024, la Défense a été représentée au sein du Rainbow Village? Le cas échéant, sous quelle forme et avec quels moyens? Pouvez-vous m'indiquer les nouvelles initiatives éventuelles que vous avez prises au sein de la Défense afin de lutter contre les discriminations visant spécifiquement les personnes LGBTQIA+, mais aussi afin de soutenir les associations internes telles que la Belgian Defence Rainbow Community (BELDEFRAC), qui sont actives au sein de la communauté LGBTQIA+ de la Défense?
D'autres participations de la Défense à des évènements de lutte contre les discriminations visant les personnes LGBTQIA+ organisées par des autorités publiques, coupoles, réseaux ou associations dans les différentes Régions, Communautés et provinces de notre pays sont-elles envisagées?
Theo Francken:
Monsieur Lacroix, merci beaucoup pour votre question.
L'ASBL BELDEFRAC est reconnue comme le partenaire représentatif et l'interlocuteur privilégié de la Défense en ce qui concerne les personnes LGBTQIA+. La Défense met à sa disposition un budget de fonctionnement depuis 2024, plus des salles de réunions, et permet, si nécessaire, le déploiement du personnel pendant les heures de service. Par ailleurs, BELDEFRAC est autorisée à utiliser les canaux de communication de la Défense pour diffuser des informations relatives à ses activités.
Au-delà de sa politique de diversité au sens large, la Défense dispose également d'une politique spécifiquement consacrée aux personnes LGBTQIA+ et à l'orientation sexuelle, conformément à la politique de diversité mise à jour en 2021.
Elle comprend notamment les domaines d'action visés, les instruments et acteurs impliqués pour leur mise en œuvre, ainsi que la procédure de plainte. Début 2025, un expert de la thématique diversité et inclusion a également été recruté pour coordonner la plateforme inclusion, développer au sein de celle-ci une politique d'inclusion et soutenir les associations internes telles que l'ASBL.
La Défense a été représentée par l'ASBL à la Belgian Pride et le sera à nouveau à l'Antwerp Pride. Elle a également tenu un stand au Rainbow Village à Bruxelles. De façon générale, la Défense est ouverte à la participation à d'autres événements sur la base d'une analyse au cas par cas de ceux-ci et dans la mesure des moyens et des ressources disponibles.
Chaque année, autour du 17 mai – la Journée mondiale contre l'homophobie, la transphobie et la biphobie –, le drapeau arc-en-ciel est hissé devant le quartier général d'Evere en signe de soutien au personnel LGBTQIA+ de la Défense. Une note a été diffusée au sein de la Défense autorisant les unités à hisser le drapeau arc-en-ciel dans le quartier militaire entre le 12 et le 18 mai 2025.
Christophe Lacroix:
Merci monsieur le ministre pour ces informations. Merci pour votre soutien à la politique qui a été effectivement menée par vos prédécesseurs et qui a été accentuée par Mme Dedonder. Je vous remercie également pour l'information selon laquelle la Défense sera présente à l'Antwerp Pride, qui aura bien lieu le 9 août. Je ne pourrai pas y aller parce que je serai en vacances à l'étranger. Si vous êtes au pays, je vous invite à vous rendre à Anvers, qui est une ville que vous connaissez bien et dont le premier ministre a été le bourgmestre. Je suis sûr que des collègues ici présents pourront en être les ambassadeurs, vous introduire dans l'Antwerp Pride et vous servir effectivement de facilitateur dans les contacts avec les personnes LGBTQIA+.
De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd en het leefloon
Het door de GGC ingeroepen belangenconflict en het uitstel van de werkloosheidsbeperking in de tijd
Het door de GGC ingeroepen belangenconflict
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd en de financiële compensatie voor de OCMW’s
De impact van de hervorming van de werkloosheid op de OCMW's en de middelen van de federale overheid
De compensatieregeling voor OCMW's n.a.v. de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Beperking werkloosheidsuitkeringen, compensatieregelingen en impact op OCMW's en federale middelen
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking tot 2 jaar) dreigt 180.000 mensen uit te sluiten, waarvan 30-50% naar de OCMW’s zal uitwijken, wat zware druk legt op hun budgetten, personeel en administratie. Minister Van Bossuyt belooft 234 miljoen euro compensatie (mogelijk verhoogd) via een driedelig systeem: verhoogde terugbetaling voor instroom, beloning van inspannings- *en* resultaatgerichte activering, maar concrete cijfers en verdeling ontbreken nog—OCMW’s klagen over gebrek aan duidelijkheid voor hun 2025-begroting. Critici (o.a. Schlitz, Merckx) waarschuwen voor verergerde armoede, huisuitzettingen en overbelaste sociale diensten, terwijl voorstanders (Raskin) de focus op activering verdedigen. De minister streeft naar een akkoord voor de zomer, maar OCMW’s en oppositie eisen snellere, transparantere plannen om chaos per 2026 te voorkomen.
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, la réforme de l'assurance chômage du gouvernement Arizona prévoit l'exclusion de demandeurs d'emploi après un maximum de deux ans. Cela équivaudrait à plus de 180 000 personnes exclues des allocations de chômage.
Or on sait déjà que tout le monde ne retrouvera pas un emploi dans ce délai, tout simplement parce que l'offre d'emplois n'est pas suffisante et que l'accompagnement reste largement insuffisant pour les personnes les plus éloignées du marché du travail, qu'il s'agisse de mamans solos, de personnes âgées ou de personnes d'origine non belge, qui sont encore aujourd'hui largement exclues et discriminées sur le marché de l'emploi.
Votre collègue le ministre Clarinval nous répète régulièrement qu'au moins un tiers des personnes exclues vont se tourner vers les CPAS. Certains CPAS estiment même que ce pourcentage pourrait monter jusqu'à 50 %, au vu des caractéristiques socioéconomiques de leur population. Cette mesure aura donc un impact majeur sur leur fonctionnement, en particulier en termes de charge administrative, d'accompagnement des personnes et de pression budgétaire.
Madame la ministre, avez-vous à ce stade réalisé une estimation précise des conséquences financières pour les communes et les CPAS concernés? Comment votre gouvernement entend-il soutenir ces CPAS afin qu'ils puissent faire face à l'arrivée de bénéficiaires et relever un défi que, jusqu'ici, le Forem n'est pas parvenu à relever? Aujourd'hui, votre gouvernement demande aux CPAS de faire le travail que le Forem n'est pas parvenu à réaliser.
Comment voyez-vous les choses sur le terrain? Certaines missions vont-elles être en réalité allouées au Forem ou aux organismes comme Actiris pour soutenir les CPAS?
Par ailleurs, votre gouvernement a annoncé le déblocage de 234 millions d'euros pour accompagner cette réforme. Sur quelle base ce montant a-t-il été calculé? Quels indicateurs ou quelles projections ont guidé cette décision? Comment ces moyens seront-ils répartis entre les CPAS? Quelle sera la clé de répartition? En d'autres termes, à combien un CPAS comme celui d'Anvers ou celui de Huy peut-il concrètement s'attendre, en termes de montant?
Je vous remercie pour les réponses que vous pourrez apporter, parce qu'aujourd'hui, le terrain est très inquiet concernant ce qui en train de se produire et n'a à ce stade pas suffisamment d'informations pour pouvoir s'organiser correctement en vue de la mise en place de cette réforme.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, enkele weken geleden zette onze commissie vrijdagnacht na urenlang debat het licht op groen voor een hervorming van de werkloosheid, namelijk de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Op het gevaar af een beetje te klinken als de heer Ronse, het is een historische hervorming die in verschillende fases uitgevoerd zal worden om de OCMW's voldoende ademruimte te geven. Desondanks leeft bij heel wat OCMW's ongerustheid over de precieze impact van de hervorming. Ze vrezen dat de werkdruk, die ook vandaag al behoorlijk hoog is, nog zal toenemen door een grote instroom van werklozen die een aanvraag zullen doen. De federale regering is zich bewust van de mogelijke impact. Dat hebben we u hier al horen verklaren. Ze maakt werk van een compensatieregeling.
Wat is de stand van zaken? Zal de regeling tijdig goedgekeurd worden in de regering?
Kunt u iets meer vertellen over de regeling? Welke onderdelen omvat ze?
In welk bijkomend budget zal de regering voorzien om de lasten van de OCMW's te compenseren? Hoe zal dat geld verdeeld worden?
Voorts verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag over het belangenconflict dat de Gemeenschapscommissie van Brussel opgestart heeft vanuit dezelfde bezorgdheid.
Mevrouw de minister,
Gisterenavond maakt de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) in Brussel bekend dat ze een procedure van belangenconflict opstart tegen de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd. Naar eigen zeggen wil de GGC tijd kopen om garanties te krijgen dat de federale regering de Brusselse OCMW's voldoende ondersteuning zal bieden. De OCMW's dreigen immers – als gevolg van de maatregel van de federale regering - geconfronteerd te worden met een toename van het aantal leefloondossiers.
Mijn vragen aan u:
1. Hoe staat u tegenover dit belangenconflict? Is de bezorgdheid over de ondersteuning van de OCMW’s terecht?
2. Hoe zal deze federale regering de impact van beperking van de werkloosheid in de tijd op de OCMW’s trachten te milderen?
Met dank voor uw antwoord.
Sofie Merckx:
Mevrouw de minister, de afgelopen weken hebben we heel wat discussies gevoerd over de hervorming van de werkloosheid. Wat is er intussen gebeurd? Enerzijds hebben Les Engagés het standpunt geformuleerd dat 234 miljoen euro echt te weinig is en dat er 400 miljoen euro nodig is. Anderzijds zijn er misschien ook andere dossiers besproken tijdens de fameuze vergadering van het kernkabinet over de meerwaardebelasting.
Hoe dan ook, er is nog steeds ongerustheid bij alle burgemeesters en lokale besturen over wat hen nu te wachten staat, wanneer de werkloosheidsuitkeringen in de tijd zullen worden beperkt, waardoor 180.000 werklozen op termijn hun werkloosheidsuitkering zullen verliezen. De vraag blijft hoeveel van die personen zich tot het OCMW zullen wenden. U bleef de voorbije weken vasthouden aan een verhouding van driemaal een derde. In zijn economische vooruitzichten raamt het Federaal Planbureau het percentage op 39 %. Dat is toch een aanzienlijk verschil. Blijft u vasthouden aan het verhaal van driemaal een derde, ook al toont de verhouding tussen samenwonenden, alleenstaanden en gezinshoofden aan dat het om een groot aantal personen gaat?
U argumenteerde ook dat u voortgaat op de redenering van Di Rupo, maar kunnen we die redenering wel helemaal overnemen? Degenen die een inschakelingsuitkering krijgen, vormen immers een heel ander publiek dan degenen die al lang een werkloosheidsuitkering ontvangen.
Blijft het steunbedrag 234 miljoen euro? Hebt u dat verhoogd? Hoe wordt dat bedrag berekend? Wat staat de lokale besturen te wachten? Vandaag wordt ongeveer 55 % door de federale overheid terugbetaald. In sommige gevallen is dat zelfs 70 %. Zult u voor 100 % compenseren, zoals de heer Ronse hier liet uitschijnen, of niet? Hoe zit dat concreet in elkaar?
We zouden hierover graag meer duidelijkheid krijgen, mevrouw de minister
Anneleen Van Bossuyt:
Collega's, dank u voor uw vragen.
Vooreerst begrijp ik dat er veel vragen en bezorgdheden zijn. Het gaat om een ingrijpende wijziging, die absoluut nodig is in ons land en die uiteraard heel wat gevolgen heeft.
Ik geef u een aantal elementen mee. Ten eerste, wat het budget voor de OCMW’s betreft, ik probeer zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over zowel de omvang als de compensatieregeling voor de OCMW’s. Ik hoop dat echt nog voor het zomerreces te kunnen doen, zodat de OCMW’s en de lokale besturen tijdig geïnformeerd zijn. In de zomer wordt immers vaak de begroting voor het volgende jaar opgesteld. Zo zullen ze weten waar ze voor staan, welke uitdagingen hen wachten en over welke budgetten ze zullen beschikken.
Ik vind het belangrijk dat de OCMW’s voor de bijkomende werklast gecompenseerd worden. Er was initieel gepland om vanaf 2027 een budget ter beschikking te stellen. Dat was zo overeengekomen in het regeerakkoord. In juni hebben we echter een akkoord bereikt om al vanaf 2026 middelen vrij te maken. Voorts bekijken we eveneens de mogelijkheid om ook al voor dit jaar een budget vrij te maken.
Nous nous trouvons maintenant dans la dernière ligne droite en ce qui concerne la manière dont ce montant sera réparti entre les CPAS. Comme je l'ai déjà dit à plusieurs reprises, il ne s'agit pas simplement de leur transférer cet argent, mais bien d'élaborer une politique responsable en collaboration avec eux. L'objectif est de soutenir les CPAS en trois phases.
Die drie pijlers heb ik al toegelicht tijdens een interpellatie in de plenaire vergadering. De eerste pijler is een compensatie voor de instroom vanuit de werkloosheid. OCMW's die extra leeflonen toekennen aan mensen die hun uitkering verliezen door de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd, zullen een verhoogd terugbetalingspercentage krijgen. De tweede pijler zijn de inspanningen van de OCMW's op het vlak van activering, dus het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI). Wie actief inzet op begeleiding en activering via het GPMI, zal daarvoor beloond worden.
Ik vond het heel belangrijk om ook een inspanningsverbintenis te compenseren, dus niet enkel het resultaat te compenseren maar ook de inspanningen. We weten immers allemaal dat er soms OCMW-cliënten zijn waarin heel veel tijd en energie wordt gestoken, maar die nooit zullen doorstromen. Ik vond het dus heel belangrijk om ook die inspanningen te belonen.
De derde pijler is de resultaatgerichtheid, dus het resultaat. Daarmee bedoel ik natuurlijk de uitstroom naar werk, die daarbij in rekening wordt genomen. Dat zullen de drie criteria zijn op basis waarvan die compensatie voorzien zal worden voor de OCMW's.
Wat betreft de vragen over het overleg tussen het kabinet, de gewesten en de werkgelegenheidsdiensten, kan ik zeggen dat er echt veel overleg plaatsvindt. Ik vind dat trouwens ook belangrijk. Het is immers samen met die diensten dat de uitvoering zal moeten gebeuren. Mijn kabinet zit maandelijks samen met de OCMW-federaties en neemt ook deel aan de interministeriële conferentie Werk, die wordt georganiseerd door het kabinet van minister Clarinval, samen met de OCMW-federaties, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) en de bevoegde ministers van Werk van de deelstaten. Een eerste interministeriële conferentie vond plaats op 16 juni en er volgen nog enkele vergaderingen waarbij mijn kabinet telkens betrokken zal zijn.
Concreet inzake de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd en de compensatie van de OCMW's, werd er een taskforce opgericht met mijn kabinet, de POD Maatschappelijke Integratie, het kabinet van minister Clarinval, de RVA en de OCMW-federaties. Deze taskforce kwam een eerste keer samen op mijn kabinet op 24 juni en het spreekt voor zich dat er nog vergaderingen zullen plaatsvinden.
Ten slotte werd er gevraagd naar de procedure inzake het belangenconflict dat de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) heeft opgestart en de eventuele budgettaire impact daarvan. Dat heeft mijns inziens geen invloed op de parlementaire werkzaamheden in de Kamer. Het Verenigd College, dit is de Brusselse regering inzake de GGC-bevoegdheden, is niet bevoegd om een belangenconflict in te roepen tegen een wetsontwerp dat in de Kamer voorligt. Ik heb begrip voor de bezorgdheden van de GGC inzake de impact van de hervormingen op de Brusselse OCMW's, maar ik wil in constructief overleg met het veld een degelijke regelgeving uitwerken om de OCMW's te compenseren en samen met hen een verantwoord beleid uit te werken. Zoals ik heb gezegd, vindt daarover regelmatig overleg plaats.
Sarah Schlitz:
Merci pour les réponses apportées. Néanmoins, je constate que l'Arizona veut aller très vite dans la mise en place de la réforme parce que c'est une victoire au sein de l'Arizona. C'est une réforme historique. Il est donc très important pour vous, au niveau de votre communication, d'annoncer avant l'été que l'Arizona compte à son actif la limitation des allocations de chômage dans le temps, quand bien même nous constatons qu'on n'a pas le début d'une idée de la façon dont cela se traduira concrètement sur le terrain.
Vous nous parlez de la Conférence interministérielle et d'une task force. Les CPAS sont en panique car ils ne reçoivent aucune information sur la façon dont cela va se dérouler. Vous avez interrompu les subsides pour l'insertion et la participation, qui étaient utiles pour soutenir des personnes sur le terrain. En raison de ces limitations budgétaires, les CPAS sont aujourd'hui obligés de licencier. Vous leur demanderez de réembaucher en janvier, alors que les assistants sociaux vivent une détresse terrible, que cette filière souffre d'une désaffection, et que le métier en pénurie.
Aujourd'hui, il faudrait aux CPAS de la clarté quant au cap et aux objectifs ainsi que sur le moment auquel ils pourront embaucher. Il faudrait envoyer un signal clair aux assistants sociaux pour leur dire qu'il y aura du boulot à partir de janvier. Aujourd'hui, on navigue complètement à vue dans ce dossier. Vous ne savez pas où vous allez, vous agissez aujourd'hui et vous verrez après. Cela ne va pas! Vous êtes en train de créer une panique tant auprès des professionnels que des personnes concernées.
On sait que les personnes qui cherchent du travail, qui sont âgées, n'en retrouveront pas. Certaines redoutent de perdre le seul revenu auquel elles ont accès. Ma crainte profonde est que des personnes se retrouvent privées de ressources pendant une certaine période car leur dossier ne sera pas traité dans les temps parce que les CPAS seront dans l'incapacité de le faire. Ces personnes se retrouveront alors avec des arriérés de loyer, ce qui les amènera à perdre leur logement. Cela créera une spirale infernale vers la descente aux enfers.
Je suis extrêmement inquiète des conséquences tangibles sur l'aggravation de la pauvreté dans notre pays en raison de ce manque d'anticipation et de professionnalisme dans le suivi de ce dossier. Je demande donc que ce gouvernement se ressaisisse et ralentisse sa réforme tant qu'il ne sait pas exactement où il va. C'est en effet une bonne chose que nous ayons pu exiger un ralentissement du dossier lors de la séance plénière de la semaine dernière car tout ce que j'entends ici ne fait que me conforter dans la nécessité de mettre cette réforme sur pause parce que vous ne savez pas où vous allez.
Nous suivrons évidemment l'évolution de ce dossier de près.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik hoor opnieuw, voor de zoveelste keer, de bevestiging dat u zich zeer bewust bent van de uitdaging die op de OCMW’s afkomt. U bereidt zich ook zeer goed voor op wat komen zal. Ik ben het dan ook helemaal oneens met de vorige spreker. U hebt overleg met het brede middenveld, in de ruimste betekenis van het woord, en dat zelfs op zeer regelmatige basis, zoals u aangeeft.
U engageert zich ertoe de middelen vrij te maken. U gaat zelfs verder dan het regeerakkoord, door ook in middelen te voorzien voor 2026 in plaats van 2027, en mogelijk zelfs al voor later dit jaar, in 2025. Er is nog iets wat u nu niet gezegd hebt, maar wat ik toch altijd meeneem als het gaat over uw engagement tegenover de OCMW’s. U zei in het verleden meermaals dat u zich bewust bent van de werkdruk, ook als voorportaal van de sociale zekerheid. U zult op dat vlak aan de werkdruk werken. U zult tevens een aantal initiatieven nemen inzake de diplomavoorwaarden. Het is heel goed dat u daarnaast eerst grondig nadenkt over de verdeling van de middelen.
U hebt de criteria heel duidelijk opgesomd. De grootte van de instroom lijkt mij duidelijk en logisch. Door de inspanningsverbintenis toont u opnieuw empathie voor de OCMW’s. Wij zijn ons immers zeer goed bewust van het feit dat de opdracht om mensen die al langdurig inactief zijn, vaak met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, te activeren, geen wandeling door het park zal zijn. Door te werken met onder andere een inspanningsverbintenis toont u begrip voor die realiteit.
Daarnaast is er uiteraard ook sprake van een resultaatsverbintenis inzake activering. Het is dan ook superbelangrijk dat die afwegingen allemaal samen worden genomen, want de geest van het regeerakkoord is natuurlijk heel erg belangrijk. De meerderheid heeft ervoor gekozen om de switch te maken van een uitkeringsafhankelijkheidspolitiek naar een activeringsbeleid. Elke incentive tot activering wegnemen door ondoordacht te gaan financieren: dat mag niet gebeuren.
Mevrouw de voorzitster, ik wil de zaken positief bekijken. Ik stel mij vragen bij het mensbeeld dat sommigen hanteren over steuntrekkers. Ja, de uitdaging is zeer groot. De afstand tot de arbeidsmarkt is vaak zeer groot. Ik wil deze mensen echter niet zien als mensen die voor de rest van hun leven zijn veroordeeld als "hopeloze gevallen", die voor altijd in de "vergeetput" van het leefloon blijven hangen. Ik wil mensen positief bejegenen en benaderen. Ik ben ervan overtuigd dat we de ingeslagen weg moeten blijven volgen.
Sofie Merckx:
Madame la ministre, j'entends que vous avez constitué plusieurs task forces . Pourrions-nous prendre connaissance de certains de leurs rapports et comptes rendus? La question est très concrète. Or, aujourd'hui à nouveau, vous ne venez avec rien de tangible. J'en suis quand même étonnée. Cela fait des semaines que nous vous rappelons que les CPAS espèrent prévoir ce qui va leur arriver, puisque "gouverner, c'est prévoir". Vous n'apportez aucune nouvelle réponse. M. Raskin dit que c'est sciemment qu'on ne nous informe pas du pourcentage de compensation pour les RIS. Dans une ville telle que Charleroi, 1 000 personnes seront exclues au moment de la première vague, sans que les CPAS sachent le nombre d'isolés concernés par les allocations d'insertion ni celui des personnes qui se trouvent depuis très longtemps au chômage. Bref, ils ne peuvent pas travailler dans de telles conditions.
Les Engagés ont parlé d'un montant nécessaire de 400 millions, au regard de l'étude du Bureau fédéral du Plan, lequel estime que 39 % de gens concernés s'adresseront au CPAS. En tout cas, vous ne répondez pas, mais vous vous contentez de reprendre des mesures décidées sous le gouvernement Di Rupo à propos des allocations d'insertion. Pourtant, nous ne sommes pas dans le même cas de figure. En l'occurrence, ce sont des gens qui sont depuis beaucoup plus longtemps au chômage et qui s'adresseront au CPAS. À un certain moment, il faut que ces derniers puissent engager du personnel. Vous prétendez ne pas pouvoir nous informer aujourd'hui. Cela signifie que, peut-être au mois de septembre, nous saurons de quoi il retourne. Entre-temps, un ajustement budgétaire devra être voté. Ce n'est pas en novembre qu'on va engager une assistante sociale qui sera formée au 1 er janvier afin d'informer quelqu'un correctement. C'est aussi le problème, puisqu'il faut respecter le délai de 30 jours pour l'introduction de la demande à partir de la date fatidique. Énormément de problèmes pourront apparaître sur le terrain. Je pense ainsi à l'agressivité qui pourrait être dirigée contre le personnel des CPAS lorsqu'il devra traiter ce genre de cas et qu'il ne sera pas en mesure de répondre.
C'est donc absolument irresponsable. Vous devez venir rapidement nous présenter des chiffres précis et nous expliquer la manière dont vous avez prévu le financement permettant aux CPAS de prendre les mesures adéquates. Il ne s'agit pas de travailler à partir d'hypothèses sans que soient prévus les moyens devant accompagner ces décisions. Madame la ministre, vous avez dit que ce serait fait avant le 21 juillet. L'été a débuté le 21 juin. Vous aviez dit: "Avant l'été." En tout cas, il y a vraiment urgence. Vous devez, par conséquent, débloquer des moyens supplémentaires parce que vous êtes aussi responsable de ce qui va se passer à partir du 1 er janvier.
Fatima Lamarti:
Ik sluit mij aan bij de vragen van onder andere mevrouw Merckx en zal straks mijn vragen over de taskforce aankaarten. De voorzitster : De vragen nrs. 56004303C, 56004304C, 56004305C, 56004306C, 56004307C, 564308C, 56004309, C56004310C, 56004311C, 56004312C, 564313C en 56004473C van mevrouw Meunier en de vragen nrs. 56004335C, 56004336C en 56004337C van mevrouw Thémont worden omgezet in schriftelijke vragen.
Vervroegde middelen voor OCMW’s
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De vervroegde budgetverhoging (2026 ipv 2027) voor OCMW’s om ex-werklozen op te vangen wordt weliswaar verwelkomd, maar praktische onduidelijkheid en noodkreten uit het veld blijven: verdeelsleutels en concrete toewijzing volgen *voor het zomerreces*, gekoppeld aan drie pijlers (instroom, activering, resultaatgerichtheid). Diplomavereisten (KB) en profielinformatie van instromers moeten dringend verduidelijkt worden, terwijl de RVA betrokkenen informeert over stopzetting uitkeringen—niet automatisch recht op leefloon—maar communicatiemethode (aangetekend? meertalig? telefonisch?) blijft kritiek punt, ondergebracht in de lopende taskforce met OCMW-federaties.
Fatima Lamarti:
Mevrouw de minister, vorige week werd in de kern beslist dat de middelen die oorspronkelijk waren ingeschreven voor 2027, worden vervroegd naar 2026. Er wordt dus een extra budget vrijgemaakt voor de OCMW’s met de bedoeling de opvangcapaciteit te versterken voor mensen die uit de werkloosheid stromen. Dat is uiteraard een goede zaak en een belangrijke stap vooruit.
Ook minister Clarinval bevestigde op 17 juni 2025 tijdens de bespreking van de programmawet dat daarmee wordt ingegaan op de signalen uit het lokale werkveld. Tegelijk ontvangen wij echter andere signalen.
De OCMW’s, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de Federatie van Brusselse OCMW’s sturen al maandenlang noodkreten uit. Ze willen hun rol opnemen, maar hebben dringend nood aan duidelijkheid over de praktische uitwerking. Daarom heb ik een aantal vragen daarover.
Zijn de verdeelsleutels voor de middelen al bepaald? Hoe zal het beschikbare budget concreet worden verdeeld over de OCMW’s?
Kunnen OCMW’s al in 2025 een voorafname doen, bijvoorbeeld om personeel aan te werven en zich organisatorisch voor te bereiden?
Wat is de stand van zaken in het koninklijk besluit over de diplomavereisten, dat cruciaal is om meer diverse profielen aan te werven?
Er loopt ook een taskforce, waarnaar u daarnet verwees. Zal er daarover spoedig worden gecommuniceerd naar het werkveld?
Krijgen de OCMW’s ook inzicht in de profielen van de mensen die ze binnenkort zullen moeten opvangen, bijvoorbeeld qua leeftijd, gezinssituatie, gender of beschermingsstatuut?
Wie verwittigt de betrokken burgers van wie het recht op een werkloosheidsuitkering stopt dat zij zich eventueel tot het OCMW moeten wenden voor bijstand? Wie brengt hen daarvan op de hoogte? Is dat de RVA zelf of moet dat via het OCMW gebeuren?
Mevrouw de minister, dat waren mijn vragen.
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Lamarti, op uw eerste vraag heb ik daarnet al geantwoord in het kader van het actualiteitsdebat. We bevinden ons nu in de laatste rechte lijn met betrekking tot de manier waarop de compensatie voor de OCMW’s zal gebeuren. We willen daarover voor het zomerreces duidelijkheid geven, zoals ik eerder al zei. We willen niet zomaar geld naar de OCMW’s doorsluizen, maar samen met hen een verantwoord beleid uitwerken, gebaseerd op drie pijlers: de instroom vanuit de werkloosheid, de inspanningen tot activering en de resultaatgerichtheid. Daarover heb ik het daarnet uitgebreid gehad.
U vroeg ook naar de stand van zaken van het koninklijk besluit met betrekking tot de diplomavereisten. Het is nog steeds mijn ambitie om het KB voor het zomerreces bij de Raad van State in te dienen. Ik geef straks ook antwoord op een vraag van mevrouw Pirson, waarin ik daarop verder inga.
De eerste taskforce vond plaats op 24 juni. Er zullen nog verschillende vergaderingen volgen. De OCMW-federaties brengen praktische bezorgdheden en suggesties aan, die door de betrokken administraties worden opgenomen. Het gaat dan zowel over de POD Maatschappelijke Integratie als de RVA, mijn kabinet en het kabinet van de minister van Werk.
Krijgen de OCMW’s inzicht in de profielen van de mensen die ze binnenkort moeten opvangen? Ik vind het belangrijk dat de betrokken instellingen, dus de RVA en ook de tewerkstellingsdiensten, tijdig communiceren over de correcte cijfers van de te verwachten instroom en de profielen van die instroom, zodat de OCMW’s zich goed kunnen voorbereiden. Dat heeft mijn kabinet tijdens de eerste taskforce ook gezegd.
Zoals u weet, zijn de regels voor het recht op maatschappelijke integratie en sociale hulp strenger dan die voor de werkloosheidsuitkering, aangezien daarbij rekening wordt gehouden met het volledige vermogen van de persoon en zijn leefsituatie.
Ten slotte vroeg u wie de betrokken burgers zal verwittigen. De RVA zal de betrokken burgers informeren dat hun recht op een werkloosheidsuitkering stopt. Het is daarbij belangrijk dat in die brief niet vrijblijvend wordt vermeld dat ze zich tot het OCMW kunnen wenden voor hulp. De voorwaarden voor het recht op maatschappelijke integratie en hulp zijn namelijk strenger dan die voor een werkloosheidsuitkering, zoals ik daarnet vermeldde. Als men zijn werkloosheidsuitkering verliest, heeft men dus niet automatisch recht op een leefloon. De manier waarop hierover wordt gecommuniceerd, is dan ook cruciaal om mensen correct te informeren over hun rechten en om te vermijden dat de OCMW’s onnodig overbelast zouden geraken. Ik zal dat punt verder opnemen met de minister van Werk, de heer Clarinval.
Fatima Lamarti:
Mevrouw de minister, ik wil nog even terugkomen op de communicatie. Als de communicatie per brief gebeurt, zal dat dan een aangetekend schrijven zijn? Mensen die een brief ontvangen – zeker met een RVA-logo – raken soms in paniek en leggen die brief gewoon opzij. Dat kan dan verstrekkende gevolgen hebben. Gaat het dus om een aangetekend schrijven? Of worden mensen ook telefonisch gecontacteerd? Hoe wordt er omgegaan met mensen die de taal niet machtig zijn – ook in Vlaanderen – en de taal dus moeilijk beheersen? Die taskforce zal dat dus allemaal bekijken?
De herziening van de diplomavoorwaarden om bij een OCMW te kunnen werken
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 1 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt wil de diplomavereisten voor sociaal werkers in OCMW’s volledig regionaliseren om flexibeler niet-gediplomeerde profielen in te zetten als ondersteuning, zonder de kernrol van gediplomeerde assistenten aan te tasten. Pirson (Les Engagés) vreest echter regionale verschillen die de professionele integriteit en uniformiteit van sociale dienstverlening—met name in grensgebieden—ondermijnen, en benadrukt dat enkel gediplomeerden deontologische taken mogen uitvoeren. De minister bevestigt dat structurele ontlasting (via administratieve vereenvoudiging en bijkomende profielen) prioriteit heeft, maar garandeert geen gemeenschappelijk kader om divergentie te voorkomen. Concertatie met andere bevoegde ministers (bv. Werk) blijft vaag, terwijl de druk op OCMW’s door hervormingen (zoals het nieuwe werkloosheidsstelsel) verder toeneemt.
Anne Pirson:
Madame la ministre, vous avez annoncé votre intention de modifier avant le 21 juillet l’arrêté royal fixant les conditions de diplôme pour les travailleurs sociaux dans les CPAS, notamment en envisageant un transfert de cette compétence aux Régions. L'objectif est d'améliorer les possibilités de recrutement pour faire face aux demandes qui seront croissantes dans les CPAS.
Si la volonté de renforcer les équipes de première ligne dans les CPAS est évidemment vitale, nous sommes inquiets quant à la préservation de l’intégrité d’une profession réglementée, en évitant toute confusion entre travailleur social diplômé et personnel administratif ou de soutien.
Les Engagés sont profondément attachés à la reconnaissance, à la qualification et à la valorisation des métiers de première ligne. On ne s’improvise pas assistant social, tant ce métier requiert des compétences spécifiques, un cadre éthique rigoureux et un lien de confiance très étroit avec les bénéficiaires.
Dans ce cadre, madame la ministre, nous voudrions vous entendre sur les garanties qui sont prises pour que seules les personnes disposant du diplôme requis puissent vraiment continuer à effectuer les missions, à exercer la profession d’assistant social au sens strict du code de déontologie et des différents actes qui leur sont réservés.
Comptez-vous encourager ou encadrer l’intégration de profils non diplômés dans le travail social dans certaines fonctions de support administratif, afin de soulager les assistants sociaux sans compromettre les exigences professionnelles qui entourent leur métier?
Pourriez-vous nous dire s'il s'agit d'une régionalisation totale ou partielle des conditions d'accès? Comment comptez-vous garantir une certaine cohérence entre les Régions en matière de reconnaissance, de qualité de l’accompagnement social et de continuité des services publics, notamment dans les zones frontalières ou bilingues? Avez-vous prévu un cadre commun ou des balises minimales pour éviter une trop grande disparité d’approche entre les différentes entités?
Enfin, pouvez-vous nous indiquer dans quelle mesure cette réforme a fait ou fera l’objet d’une concertation approfondie avec vos collègues de l’Emploi et des Affaires sociales, étant donné les impacts croisés que la réforme du chômage pourrait engendrer sur la charge de travail des CPAS?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Pirson, dans le but d’alléger la charge de travail des assistants sociaux, j’examine plusieurs propositions parmi lesquelles la modification de l’arrêté royal relatif aux conditions de diplôme pour les assistants sociaux. En outre, je souhaite m’attaquer à la problématique des avances en collaboration avec les ministres compétents et examiner de manière générale quelles propositions de simplification administrative peuvent être mises en œuvre.
Concernant la modification des conditions du diplôme, mon intention est de donner aux Régions une pleine compétence en la matière et de finaliser cela avant la pause estivale.
La modification de l'arrêté royal a été expliquée lors des groupes de travail interministériels sur les mesures de compensation pour les CPAS.
J'ai beaucoup de respect pour l'expertise et l'engagement des assistants sociaux. Leur rôle est inestimable, en particulier lorsqu'il s'agit de personnes nécessitant un accompagnement intensif, comme les anciens chômeurs devant s'orienter dans le nouveau système. En même temps, je suis consciente de la pression professionnelle à laquelle sont soumis les assistants sociaux. Elle est importante et doit être prise au sérieux. C'est pourquoi je souhaite œuvrer à des solutions structurelles. Modifier l'arrêté royal sur les conditions de diplôme des assistants sociaux ne signifie en aucun cas que le diplôme d'assistant social perd de son importance. Au contraire, la mission principale reste entre les mains des professionnels qualifiés.
Je souhaite donner aux Régions plus d'espace et de flexibilité pour faire appel à des profils complémentaires lorsque cela est nécessaire et justifié. Ainsi, nous pourrons alléger la pression sur les assistants sociaux actuels sans compromettre la qualité ni l'accompagnement.
Anne Pirson:
Merci madame la ministre pour vos réponses. J'ai bien entendu que la pleine compétence serait donnée aux Régions pour engager les profils complémentaires. Nous nous inquiétons de la possibilité que les règles soient très différentes d'une Région à l'autre et que cela complique la situation pour les personnes diplômées. Nous suivrons cela de près. Concernant les profils complémentaires qui pourraient être engagés, je suppose que certains d'entre eux seront plus administratifs et que d'autres professions pourraient aussi jouer le rôle d'assistants sociaux, si cette déontologie fait déjà partie de leur métier.
De inbreuken op het dierenwelzijn naar aanleiding van het islamitische Offerfeest
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sophie De Wit kaart illegale thuisslachtingen en dierenmishandeling tijdens het islamitisch Offerfeest in Brussel aan, met name levende schapen in autostoeten bestemd voor onverdoofde slachting, ondanks bestaande verboden en regelgeving. Ze vraagt minister Verlinden om concrete cijfers, betere handhaving en strengere prioritering van dierenwelzijn in het vervolgingsbeleid. Verlinden bevestigt dat dierenwelzijn strafrechtelijk prioriteit heeft via bestaande omzendbrieven (COL 4/2019 en COL 9/2023) en belooft verdere versterking via samenwerking met gewesten, actualisering van richtlijnen en opname in de Kadernota Integrale Veiligheid, maar concrete maatregelen moeten nog worden uitgewerkt. De minister wijst erop dat recente cijfers ontbreken en verwijst De Wit naar een schriftelijke aanvraag, terwijl ze benadrukt dat federale en regionale samenwerking cruciaal is voor effectievere handhaving. De Wit sluit af met de dringende oproep om vervolging van dierenmishandeling te verscherpen, erkent justitiële uitdagingen maar blijft aandringen op actie.
Sophie De Wit:
Mevrouw Schlitz, sta me toe om nog kort te reageren, zonder een persoonlijk feit in te roepen. Wat in Lantin gebeurd is, vinden wij natuurlijk heel erg; dat staat buiten kijf. Ik zou niet graag hebben dat er een ander idee ontstaat. Over het islamitisch Offerfeest, het onderwerp van mijn mondelinge vraag, zullen door Ecolo vermoedelijk geen vragen worden gesteld, maar met zulke opmerkingen blijven we de bal heen en weer spelen.
Mevrouw de minister, heel recent is het islamitisch Offerfeest gevierd en in onze hoofdstad zijn opnieuw verschillende gevallen van dierenmishandeling vastgesteld. Zo zijn er in een luidruchtige autostoet twee levende schapen in beslag genomen. Vermoedelijk waren die bestemd voor het vreselijk lot van een illegale thuisslachting via een meststeek in de nek. Dergelijke praktijken zijn in strijd met zowel de Europese als de regionale regelgeving, die vereisen dat religieuze slachtingen plaatsvinden in erkende slachthuizen en met de nodige verdoving.
In Brussel is onverdoofd slachten helaas nog steeds mogelijk in het slachthuis van Anderlecht, maar thuisslachting is er wel verboden. We kunnen slechts vermoeden waarnaar die schapen onderweg waren. Ondanks de duidelijke regelgeving vinden er jaarlijks, met name tijdens het Offerfeest, talrijke inbreuken op het dierenwelzijn plaats, wat ook blijkt uit eerdere incidenten waarbij tientallen schapen in beslag werden genomen.
Dierenwelzijn is voor veel burgers nochtans een prioriteit in onze samenleving. Barbaarse praktijken zoals onverdoofde thuisslachting kunnen we gewoonweg niet meer tolereren.
Mevrouw de minister, hoeveel inbreuken werden er tijdens het voorbije Offerfeest vastgesteld, welke inbreuken en in welke arrondissementen?
Hebt u in de aanloop naar het Offerfeest overlegd met de gewesten en de politiezones, met name om hen op te roepen om streng toe te zien op de naleving van het dierenwelzijn tijdens die gevoelige periode? Zo nee, waarom niet?
Hoe wilt u aan dierenmishandeling een hogere prioriteit geven in het vervolgingsbeleid en de gerechtelijke macht bewuster maken van de effectiviteit van gepaste sancties?
Annelies Verlinden:
Mevrouw De Wit, wat betreft de gedetailleerde statistische gegevens verzoek ik u om die schriftelijk op te vragen, zodat wij u die schriftelijk kunnen bezorgen. De meest recent beschikbare politiële criminaliteitsstatistieken reiken tot de eerste drie trimesters van 2024. De criminaliteitsstatistieken van de voorbije weken of maanden, in casu het meest recente Offerfeest, zijn momenteel nog niet beschikbaar.
Wat betreft handhaving en vervolging, worden al inspanningen geleverd om elke vorm van dierenmishandeling te vervolgen en te bestraffen. Zo kan worden verwezen naar de gemeenschappelijke omzendbrief COL 4/2019 van de minister van Justitie, het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de Vlaamse minister-president, bevoegd voor Justitie. In die omzendbrief werden de strafrechtelijke prioriteiten vastgesteld die op grond van de Vlaamse regelgeving gesanctioneerd kunnen worden. Dierenwelzijn is in die omzendbrief opgenomen als een van de feiten die op basis van de Vlaamse dierenwelzijnsregelgeving strafrechtelijk vervolgd en bestraft kunnen worden. Daarnaast wijs ik ook op de gemeenschappelijke omzendbrief COL 9/2023 van de minister van Justitie, het College van procureurs-generaal en de voor Justitie bevoegde Waalse minister-president, waarin de prioriteiten inzake het strafrechtelijk beleid betreffende leefmilieu en dierenwelzijn op grond van de Waalse regelgeving werden opgenomen.
Zoals bepaald in het regeerakkoord, zal de federale regering verdere inspanningen leveren om op het vlak van handhaving en vervolging van inbreuken tegen dierenwelzijn het regionaal beleid ter zake te versterken. Daarbij zal onder meer op vraag van de regionale overheden worden nagegaan hoe aan dierenmishandeling een hogere prioriteit in het vervolgingsbeleid kan worden toegekend. Dat kan bijvoorbeeld worden geconcretiseerd via de evaluatie en actualisering van voormelde omzendbrieven, maar die piste moet nog in detail worden bestudeerd voordat ik daar uitspraken over kan doen.
Daarnaast zal ook in overleg met de regionale overheden worden bekeken hoe het thema dierenwelzijn kan worden opgenomen in de nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid. Ook zullen vanuit de federale regering de nodige inspanningen worden geleverd om de samenwerking tussen de verschillende bevoegde federale en regionale diensten verder te bevorderen.
Sophie De Wit:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik zal de cijfers opvragen. Het is inderdaad belangrijk om de vervolging van inbreuken tegen regionale regelgeving te versterken. Ik weet dat Justitie veel uitdagingen kent en dat is er een van.
De inzet van bijzondere bijstandsteams tegen vreedzame betogers
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Gentse antiterreureenheid COPS werd ingezet bij geweldloze protesten (studentenbezetting UGent, bosactie Wondelgem), wat volgens kritiek disproportioneel en buiten hun mandaat valt, terwijl cijfers tonen dat ze massaal voor niet-terrorismegerelateerde zaken worden deployed. Minister Quintin verdedigt de inzet met een driedelig escalatiemodel gebaseerd op risicoanalyses (veiligheid, dreiging, locatie), benadrukt dat betogingsrecht niet werd beperkt, en wijst op autonome onderzoeken door Comité P bij klachten, maar ontkent structurele problemen. PVDA kaart aan dat de inzet juridisch twijfelachtig is en dat de-escalatietraining ontbreekt (volgens Algemene Inspectie), en dringt aan op federale garanties om protestrecht en proportioneel politieoptreden te waarborgen, binnen een duidelijk wettelijk kader.
Greet Daems:
Uit een recent onderzoek van het onafhankelijk nieuwsmedium Apache blijkt dat de Gentse politie haar eliteteam COPS heeft ingezet bij twee geweldloze acties: een studentenbezetting aan de UGent en de bosbezetting van de Wondelgemse Meersen. Volgens getuigen droegen de agenten zwarte maskers, gingen ze hardhandig te werk en gebruikten ze technieken die we eerder zouden verwachten bij een antiterreuroperatie dan bij een protestactie. COPS is bedoeld voor zware situaties: gewapende overvallen, gijzelingen, terrorisme. Toch werden zij in Gent ingezet tegen jonge activisten die zich aan bomen vastmaakten of in een auditorium protesteerden tegen de situatie in Palestina.
Wat nog straffer is, volgens cijfers van de Algemene Inspectie (AIG) worden deze eliteteams in steden als Gent en Antwerpen duizenden keren per jaar ingezet, terwijl maar een fractie daarvan echt iets te maken heeft met wat in de regels omschreven staat als bijzondere bijstand. Deze speciale eenheden die zijn opgeleid voor de zwaarste misdaad lijken vandaag te worden ingezet als een soort snelle en harde interventiedienst.
Hoe verklaart u dat eenheden zoals team COPS massaal worden ingezet in situaties waarvoor ze eigenlijk niet bedoeld zijn? Vindt u het verantwoord dat antiterreureenheden worden ingezet tegen geweldloze actievoerders?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat het protestrecht gerespecteerd blijft en dat politieoptreden proportioneel blijft, ook bij burgerlijke ongehoorzaamheid? Bent u bereid het gebruik van deze teams tegen actievoerders te laten onderzoeken, bijvoorbeeld door het Comité P of de Algemene Inspectie van de politie?
Overweegt u maatregelen om te vermijden dat deze repressieve aanpak zich verder normaliseert in ons land?
Bernard Quintin:
Mevrouw Daems, naar aanleiding van het optreden van de politiedienst COPS tijdens de studentenprotesten, wil ik graag uw vragen beantwoorden en de functie van deze dienst toelichten. De politiedienst COPS heeft inderdaad opgetreden na de bezetting van een gebouw van de Universiteit Gent. Deze interventie bestond uit drie operationele niveaus, die tot doel hadden de veiligheid van burgers, demonstranten en politiemensen te waarborgen.
Het eerste niveau, georganiseerd door inspecteurs met een basiscompetentieprofiel in het kader van GPI 48, vormt de eerste fase van de interventie. Het tweede niveau doet een beroep op gespecialiseerde inspecteurs die voldoen aan het profiel van GPI 81. Deze inspecteurs beschikken dankzij hun specialisatie en opleiding over instrumenten en tactieken die beter zijn afgestemd op de situatie. Bovendien zijn deze teams opgeleid in de-escalatie tijdens interventies. Het derde niveau betreft ten slotte de ondersteuning door de federale politie voor een genegotieerd beheer van de openbare ruimte.
Deze operationele orde werd ingesteld na een risicoanalyse door de gold commander . Deze analyse is gebaseerd op de te bereiken doelstellingen, de potentiële dreiging, de plaats van het incident – in dit geval een gebouw – en het profiel van de deelnemers, rekening houdend met hun ingesteldheid, hun intentie en de OCAD-analyse. Ik wil benadrukken dat het recht op betogen in geen geval werd ingeperkt. Elke aanvraag voor de organisatie van een betoging moet echter worden ingediend bij de bevoegde administratieve overheid en elke vorm van geweld wordt niet getolereerd.
De onderzoeken van het Comité P worden na elke klacht autonoom uitgevoerd. De politiezone Gent verleent in dit kader haar volledige medewerking. Bovendien wordt elk geval van geweld, overeenkomstig GPI 62ter, systematisch door de politiezone gemeld.
Tot slot, om uw laatste vraag te beantwoorden, de politiezone zet haar inspecteurs in op basis van de risicoanalyses die voor elke opdracht worden opgesteld, rekening houdend met het profiel van de inspecteurs die voor de interventie nodig zijn. Ik dank u.
Greet Daems:
Bedankt, mijnheer de minister, voor uw antwoorden. Wij zijn met de PVDA natuurlijk niet tegen deze bijzondere bijstandsteams, maar stellen vast dat hun huidige inzet in Gent toch wel disproportioneel is, buiten hun mandaat valt en schadelijk kan zijn voor het democratische recht op betogen. U zegt dat de eenheden professioneel getraind zijn, ook voor de-escalatie. Uit het rapport van de Algemene Inspectie blijkt echter net dat er onvoldoende opleiding is voor vreedzame crowdcontrol en de-escalatie. We kijken dan uiteraard naar u als federaal minister, om erop toe te zien dat de inzet van deze bijzondere bijstandsteams gebeurt binnen een wettelijk en democratisch kader.
De oproep van de OCMW’s tot meer duidelijkheid over de beloofde extra steun
De impact op de OCMW's van de beperking van de werkloosheid in de tijd
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Impact van beleid op OCMW's en werkloosheidsuitkeringen
Gesteld door
Vooruit
Anja Vanrobaeys
CD&V
Nahima Lanjri
N-VA
Wouter Raskin
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 22 mei 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De OCMW’s waarschuwen voor een overbelasting door de gefaseerde beperking van werkloosheidsuitkeringen (vanaf 2026), die naar schatting 113.000 werklozen (waaronder 35.000+ bij OCMW’s) zonder inkomen dreigt achter te laten, terwijl ze al kampen met te veel administratie, voorschotten op uitgestelde federale uitkeringen en een tekort aan personeel. Minister Van Bossuyt belooft extra middelen vanaf 2026 (geen 2027), gekoppeld aan instroomcompensatie en activeringsresultaten, en wil quick wins zoals versoepelde diplomavereisten voor maatschappelijk werkers en oplossingen voor voorschotproblemen met Vandenbroucke, maar concrete verdeelsleutels en timing ontbreken nog, wat onrust zaait. Kritiekpunt: OCMW’s vrezen onhaalbare begeleidingsdoelen voor een moeilijke doelgroep (die VDAB/Actiris niet activeerde) en eisen meer tijd, geld en mankracht om verdrinking te voorkomen, terwijl oppositie en meerderheid vertrouwen in de hervorming benadrukken maar praktische uitvoering onzeker blijft.
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, de noodkreet van maatschappelijk werkers klinkt steeds luider. Dat kunnen we vaststellen na zestig uren hoorzittingen over de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht, maar ik concludeer dat ook uit mijn gesprekken met maatschappelijk werkers, want ze zeggen mij allemaal dat ze echt aan hun limiet zitten. Ze krijgen steeds meer aanvragen te verwerken. Er is heel veel administratief werk. Ze moeten voorschotten uitbetalen op uitkeringen terwijl er onduidelijkheid blijft bestaan over federale steun. Het water komt hen niet tot aan de lippen, maar ver erboven, zo zeggen ze.
Die situatie raakt de maatschappelijk werkers in het diepste van hun zijn. Zij hebben bewust voor hun job gekozen en ze willen niets liever dan hulp en perspectief bieden aan mensen in armoede. Maar wie zelf aan het verdrinken is, kan anderen niet redden.
In alle steden en gemeenten botsen de OCMW's op hun limieten, op dezelfde structurele problemen. Onze Vooruitschepenen in Gent, Brugge en Turnhout trokken al aan de alarmbel. Zij staan klaar om hun verantwoordelijkheid op te nemen. Ze willen niets liever dan mensen in armoede te begeleiden naar werk. Dat kan echter alleen maar als ze daarvoor extra tijd, middelen en personeel hebben. Alleen op die manier kunnen we er ook voor zorgen dat mensen in armoede de begeleiding krijgen waar ze recht op hebben.
De regering heeft afgelopen nacht beslissingen genomen over de gefaseerde uitrol van de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ik vind het heel verstandig om dat gefaseerd in te voeren. Mevrouw de minister, de vraag die overblijft is of u vandaag duidelijkheid kunt geven over de middelen en de timing die aan de OCMW's beloofd zijn, zodat zij zich tijdig en deftig kunnen voorbereiden op die (…)
Nahima Lanjri:
Collega's, er is een akkoord, de werkloosheidsuitkeringen zullen vanaf 1 januari 2026 beperkt worden in de tijd. Dat is een goede zaak, want werken moet lonen voor cd&v. Deze maatregel wordt ook breed gedragen, in deze regering, maar ook bij de publieke opinie.
Mevrouw de minister, ik vraag me wel af of dit werkbaar zal zijn voor onze OCMW's. Zij zetten zich dag in dag uit in voor de kwetsbaarsten in onze samenleving, en zo hoort het ook. Binnenkort zullen zij echter overspoeld worden met extra werk. We mogen hen en al die maatschappelijk werkers niet laten verdrinken. We weten vandaag al dat er ongeveer 113.000 werklozen zullen uitstromen en dat ongeveer een derde van hen zal aankloppen bij het OCMW. En waarschijnlijk is dat zelfs nog een onderschatting en zullen het er meer zijn in de praktijk.
De OCMW's zeggen dat het onmogelijk is om dan alle sociale onderzoeken binnen de maand te doen. En dus trekken zij aan de alarmbel. Het is dan ook heel goed dat de regering vannacht heeft beslist om die maatregel gefaseerd in te voeren, zodat ze niet allemaal op 1 januari aan de deur van het OCMW staan.
Extra leefloners betekent uiteraard ook extra begeleiding, extra mankracht, extra geld voor al die leeflonen. In het regeerakkoord staat dat er vanaf 2027 ook extra geld zal gaan naar de OCMW's. Al vanaf januari 2026 is er echter nood aan extra geld, want dan zal de eerste groep langdurig werklozen die geen bestaansmiddelen hebben, aankloppen bij het OCMW.
Vanaf dan zullen er meer handen nodig zijn aan het loket om al die mensen te begeleiden. Zullen die extra middelen er zijn vanaf begin 2026 en niet pas vanaf 2027? Ik hoop dat dat zo zal zijn en wij steunen u daarin.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, de beperking van de werkloosheid in de tijd zal een impact hebben op de OCMW's. We moeten daar heel veel begrip voor hebben. Laat dat heel duidelijk zijn.
Het is een maatregel die niet op zichzelf staat, maar die samenhangt met een aantal andere zaken waarin het regeerakkoord van Arizona voorziet, zoals de responsabilisering van de OCMW's. Zij die zullen doen wat ze horen te doen, namelijk inzetten op maatschappelijke integratie en activering, zullen royaler ondersteund worden. Ik lees in het regeerakkoord ook dat het sanctioneren en het schorsen wordt vergemakkelijkt indien niet voldaan wordt aan de belangrijke voorwaarde van werkbereidheid.
We moeten het grote plaatje bekijken en ik durf hier de suggestie te doen om te kijken naar een aantal oorzaken van de toegenomen werkdruk die losstaan van de beperking van de werkloosheid in de tijd. Ik zie vandaag dat heel veel OCMW's een soort voorportaal van de sociale zekerheid zijn geworden, waardoor heel wat mensen die wachten op een invaliditeits- of werkloosheidsuitkering noodgedwongen tijdelijk bij het OCMW terechtkomen. De uitbetalingsinstellingen van de sociale zekerheid hebben ten tijde van corona immers hun dienstverlening moeten downsizen, maar die is vandaag nog altijd niet tot hetzelfde niveau teruggebracht. Volgens mij bestaan er nog quick wins die losstaan van de beperking van de werkloosheid in de tijd.
Mevrouw de minister, hebt u begrip voor de terechte bezorgdheden van de OCMW's? Komt er een concreet antwoord? Bent u het met me eens dat er nog andere quick wins zijn die mee de werkdruk kunnen verlagen?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Vanrobaeys, mevrouw Lanjri, mijnheer Raskin, ik heb absoluut begrip voor de bezorgdheden in de sector. Net als bij alle andere noodzakelijke grote hervormingen leidt verandering nu tot ongerustheid. Met de gefaseerde invoering, waarover vannacht een akkoord bereikt is, komen we voor een stuk tegemoet aan die bezorgdheden. Bovendien, mevrouw Lanjri, hebben we ervoor gezorgd dat de hervorming van de werkloosheidsuitkering door de beperking in de tijd gelijke tred houdt met de compensatie van de OCMW's voor de instroom aan nieuwe klanten vanaf januari 2026.
Mijn kabinet en ik zijn dagelijks in gesprek met de sector en met de lokale besturen om de impact van de maatregel in kaart te brengen, en ook om te zorgen voor een tijdige communicatie aan de OCMW's wanneer er een akkoord wordt bereikt over de verdeling van de middelen.
De beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd blijft inderdaad – u hebt er allemaal naar verwezen – een van de belangrijkste maatregelen van de regering voor de arbeidsmarkt. Er moeten zoveel mogelijk mensen aan het werk om ons systeem betaalbaar te houden.
Dat betekent dat ook zoveel mogelijk leefloners worden geactiveerd. Dat is in hun belang, maar ook in het belang van de samenleving.
Kan ik al een tip van de sluier oplichten over de verdeling van de middelen? We zullen het terugbetalingspercentage voor leeflonen die toegekend zijn aan personen die als gevolg van de hervorming uitgesloten worden van werkloosheidsuitkeringen, verhogen. Met andere woorden, de compensatie zal deels gebaseerd zijn op de instroom uit de werkloosheid.
Daarnaast voorzien we in een compensatie op basis van de inspanningen die de OCMW's via het GPMI leveren, dat is het contract tussen het OCMW en de cliënt, en op basis van de resultaten van de zoektocht naar een duurzame tewerkstelling. We vragen van de OCMW's dus een maximale inzet om die doelgroep te begeleiden en te activeren.
Ik besef dat het om een kwetsbare groep gaat. Precies daarom is de inspannings- en resultaatsverbintenis zo belangrijk. We laten niemand los. Dat is de boodschap die ik aan de OCMW's wil geven.
Verschillende vraagstellers hebben verwezen naar de hoge werkdruk bij de OCMW-medewerkers, onder wie de maatschappelijk werkers. Een van de oorzaken is, zoals de heer Raskin aangaf, het groeiende aantal dossiers waarbij het OCMW een voorschot moet geven op onder andere werkloosheids- of ziekte-uitkeringen, uitkeringen waarvoor OCMW's eigenlijk niet bevoegd zijn.
OCMW’s mogen inderdaad niet, zoals u het terecht noemt, het voorportaal worden, omdat allerlei uitkeringen niet tijdig worden uitbetaald. Dat kost de maatschappelijk werkers heel veel tijd. Die tijd kunnen ze niet besteden aan begeleiding en activering. Samen met bevoegd minister Vandenbroucke bekijk ik in de regering momenteel op welke manier we dat probleem structureel kunnen verlichten.
Voorts wil ik werk maken van een zogenaamde quick win, zoals de heer Raskin het noemt. Ik wil namelijk nog voor de zomer het koninklijk besluit over de diplomavoorwaarden voor maatschappelijk werkers wijzigen. Daardoor zullen de regio’s daarvoor de volle bevoegdheid krijgen. Op die manier wordt een verruiming van de diplomavoorwaarden mogelijk, wat het eenvoudiger moet maken om goede maatschappelijk werkers aan te trekken.
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, het staat vast dat er vanaf 2026 een rechtstreekse compensatie komt en dat er nog een aantal andere maatregelen op til zijn. Daarmee zijn de OCMW’s echter nog niet volledig geholpen. Zij wachten echt op de verdeelsleutel.
Vorige week kondigde u aan dat u 35 miljoen euro aan broodnodige middelen voor de REMI-tool om mensen aan een menswaardig inkomen te helpen, zou bevriezen.
Mevrouw de minister, de cijfers zijn bekend: er zullen duizenden mensen instromen bij het OCMW. Daarom doe ik een warme oproep: pak het dossier vast en leg de verdeelsleutel vast, zodat de OCMW’s weten waar ze aan toe zijn. Dat is ook belangrijk voor alle maatschappelijk werkers, die elke dag keihard hun best doen. Als zij hun werk goed kunnen doen, kunnen ze de broodnodige ondersteuning bieden aan mensen in armoede. Dus pak het dossier vast en maak werk van de verdeelsleutel.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, ik ben blij dat u zegt dat u zult ingaan op de vraag en al vanaf begin 2026 in extra middelen zult voorzien zodat de OCMW's hun werk kunnen doen. Het is wel belangrijk te weten dat het hier over de moeilijkste doelgroep van werklozen gaat, waarbij de VDAB, Actiris en Forem er niet in zijn geslaagd om hen te activeren. We vragen dat nu aan de OCMW's. Ik hoop dat men enige clementie heeft en dat men hen ook de nodige middelen geeft om die mensen te activeren. Ik hoop dat ze later op de resultaten worden afgerekend en dat dat niet onmiddellijk gebeurt. De VDAB is hier na 20 jaar niet in geslaagd. Het kan niet zo zijn dat men de OCMW's daar dan onmiddellijk op afrekent.
Ik ben blij dat u ook initiatieven neemt om de werkdruk te verlichten. Ik heb al eerder gevraagd om de voorschotregeling op te lossen en om iets aan de diplomavereiste te doen. Mevrouw de minister, hou de vinger aan de pols en overleg met de OCMW's. Zo komen we er wel.
Wouter Raskin:
Dank u wel voor uw antwoord, mevrouw de minister. U beseft de impact, u hebt begrip voor de ongerustheid en er is contact. Ik blijf ervoor pleiten om het ruimere plaatje te bekijken. Het gaat hier om een combinatie van verschillende arizonamaatregelen, waardoor er een beleid zal worden gevoerd dat, in tegenstelling tot het verleden, activeert in plaats van mensen uitkeringsafhankelijk te maken. Ik heb al vaak moeten terugdenken aan de discussie van destijds over de inschakelingsuitkering voor jongeren. Ongerustheid alom, want al die jongeren gingen bij het OCMW terechtkomen. Wat hebben we gezien, collega's? Veel minder mensen dan toen gevreesd zijn bij het OCMW terechtgekomen. Veel meer jongeren dan we hadden gedacht zijn geactiveerd en zijn aan het werk gegaan. Houd koers, mevrouw de minister. Wij hebben er alle vertrouwen in.
De belastingvermindering voor de rechtsbijstandsverzekering
De mogelijke daling van de premies voor rechtsbijstandverzekeringen
Fiscale voordelen en premieontwikkelingen van rechtsbijstandverzekeringen
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 29 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De belastingvermindering voor rechtsbijstandverzekeringen wordt per 1 januari 2026 afgeschaft, zonder definitieve beslissing over overgangsmaatregelen, maar met lopend overleg met de sector om premiedalingen af te dwingen—na eerdere stijgingen na de introductie van de aftrek in 2019. Van Quickenborne kritiseert de inconsistentie in transparantie tussen dit dossier en andere fiscale maatregelen (bv. DBI). Jambon bevestigt dat de tekst nog kan wijzigen na advies van de Raad van State. De toegankelijkheid van justitie blijft onbesproken als direct gevolg van de maatregel.
Steven Matheï:
Het regeerakkoord stelt een vermindering van de personenbelastingen en een vereenvoudiging van de fiscaliteit in het verschiet en kondigt een hervorming van het fiscaal stelsel aan. Zo zal de belastingvermindering voor de rechtsbijstandverzekering worden afgeschaft. Nu is er een beetje verwarring, in de zin dat er her en der werd geopperd dat de belastingvermindering vanaf 1 juli dan wel 1 januari wordt afgeschaft. Wanneer wordt die belastingvermindering nu eigenlijk afgeschaft? Over welke dossiers gaat het dan? Is er voorzien in overgangsmaatregelen voor lopende dossiers?
Wat is het effect van de maatregel op de toegankelijkheid van Justitie?
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, toen toenmalige minister van Justitie Koen Geens in de Zweedse regering de belastingvermindering voor de rechtsbijstandverzekering had ingevoerd, gingen de premies voor de rechtsbijstandverzekering omhoog. Zo verhoogde volgens een bericht dat ik op de VRT-website terugvond, op 1 augustus 2019; mijn verjaardag, rechtsbijstandsverzekeraar DAS de premie met 120 euro en Arces, een merk binnen P&V Verzekering, met 75 euro. De regering geeft dus een voordeel aan de klant en het eerste wat de verzekeraars doen, is dat voordeel aan de klant in de zakken van hun maatschappij steken. Dat is toch ongelooflijk.
Nu zijn we zovele jaren later, en wat gebeurt er? Minister Jambon zegt het als minister van Financiën anders te zullen aanpakken. Hij heeft daarin groot gelijk. De fameuze belastingaftrek wordt afgeschaft. Het gebeurt pas 7 jaar later, of 6 jaar later, maar goed. Dan rijst wel de vraag of de premies nu opnieuw zullen dalen. We mogen toch hopen dat de mensen geen twee keren moeten betalen, de eerste keer onder Geens en de tweede keer onder Jambon?
Mijnheer de minister, zult u samenzitten met de sector, zodat de consument ook effectief een voordeel haalt uit de fiscale hervorming en dus niet twee keer het nadeel draagt?
Jan Jambon:
Collega's, afschaffing van de belastingvermindering voor de rechtsbijstandverzekering maakt inderdaad deel uit van het voorontwerp van wet houdende diverse fiscale bepalingen, dat onlangs door de ministerraad is goedgekeurd en dat ter advies zal worden voorgelegd aan de Raad van State. Daarin is inderdaad 1 januari als datum van inwerkingtreding opgenomen, net zoals trouwens voor de schrapping van alle andere aftrekposten.
Mijn beleidscel heeft overleg gehad met de sector en mijn administratie analyseert eventuele overgangsmaatregelen in het Wetboek diverse rechten en taksen om aan sommige bezorgdheden tegemoet te komen.
Ik wil alvast beklemtonen dat de tekst nog niet definitief is en nog kan worden aangepast naar aanleiding van eventuele opmerkingen van de Raad van State. We zullen daarover nog een discussie ten gronde voeren. Samenvattend, het overleg wordt vervolgd en de maatregel gaat in op 1 januari 2026.
Steven Matheï:
Bedankt voor uw antwoord.
Vincent Van Quickenborne:
Ik had ook een vraag gesteld, mijnheer de minister, maar u hebt enkel geantwoord op de vragen van de heer Matheï.
Jan Jambon:
Nee, u hebt gevraagd of er overleg geweest is met de sector en ik heb gezegd dat er overleg was met de sector.
Vincent Van Quickenborne:
Dat was toch met het oog op de vermindering van de premies?
Jan Jambon:
Dat was met het oog op de vermindering van de premies en we zullen het nog verder opvolgen.
Vincent Van Quickenborne:
Dat apprecieer ik.
Ten tweede apprecieer ik ook dat u naar aanleiding van de vraag met betrekking tot de rechtsbijstandverzekering wel al een en ander uit de tekst in eerste lezing deelt. Misschien is dat omdat de collega van cd&v de vraag stelt. U hebt het namelijk over 1 januari en overgangsmaatregelen. Als ik echter een gelijkaardige vraag over de DBI stel, luidt uw antwoord dat u nog niets kunt vertellen, aangezien het gaat om een tekst in eerste lezing. Dat zijn toch twee maten en twee gewichten? Of vindt u dat ik overdrijf?
Voorzitter:
De minister hoeft daarop niet te antwoorden.
Vincent Van Quickenborne:
Nee, maar hij zegt wel iets en het zijn interessante dingen.
Hoe dan ook, mijnheer de minister, ik vind het top en apprecieer het dat u wat openheid toont, maar ik had dat graag ook gezien als het over de andere maatregelen gaat. Ik vraag dat niet om mijn collega van de PVDA een plezier te doen, want dat is het laatste wat ik zou doen, maar om een debat te hebben.
Voorzitter:
Het lijkt wel één strijd, mijnheer Van Quickenborne.
Vincent Van Quickenborne:
We zijn verenigd in de methode, maar niet in de inhoud.
De verhoging van het defensiebudget
Het defensiebudget
Het percentage van het bbp dat aan Defensie besteed wordt
De begroting en het defensie-akkoord
Het paasakkoord en de hervorming van de werkloosheidsregeling
De vervanging van de DAB-agenten door militairen voor de bewaking van de kerncentrales
Het paasakkoord
Het paasakkoord en de beslissingen inzake asiel en migratie
Het paasakkoord, de hervorming van de werkloosheidsregeling en de uitgaven voor herbewapening
Het uitstellen van de indexering van de sociale uitkeringen
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen en de impact ervan op de OCMW's
De toepassing van het recht op een loopbaandoorstart
De plannen voor de hervorming van de pensioenen van de magistraten
De hervormingen in het gevangeniswezen en de middelen voor Justitie
De hervorming van het DBI-stelsel en de verduidelijking van het begrip 'financiële vaste activa'
Het gebruik van het systeem van de flexi-jobs per sector
Het opvangbeleid van de regering
De data-analyse inzake doktersattesten voor langdurig zieken
De beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd
Defensiebegroting, paasakkoord, sociale hervormingen en justitiehervormingen
Gesteld door
VB
Annick Ponthier
PTB
Raoul Hedebouw
PS
Philippe Courard
VB
Wouter Vermeersch
DéFI
François De Smet
Les Engagés
Benoît Lutgen
PS
Pierre-Yves Dermagne
VB
Francesca Van Belleghem
Ecolo
Sarah Schlitz
PS
Caroline Désir
PS
Marie Meunier
Les Engagés
Aurore Tourneur
Les Engagés
Aurore Tourneur
Les Engagés
Xavier Dubois
Les Engagés
Xavier Dubois
Les Engagés
Xavier Dubois
Les Engagés
Xavier Dubois
N-VA
Eva Demesmaeker
N-VA
Eva Demesmaeker
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draaide rond het paasakkoord van de regering, met als kernpunten: hervormingen in sociale zekerheid (werkloosheid, pensioenen, langdurige ziekte), defensie-investeringen (NAVO-norm van 2% BBP), migratiebeleid en fiscaliteit. De regering (Arizona-coalitie) verdedigde het akkoord als noodzakelijk voor economische groei, concurrentievermogen en begrotingsdiscipline, met maatregelen zoals tijdsbeperking werkloosheidsuitkeringen, verhoogde defensie-uitgaven (gefiancieerd via Russische tegoeden en Belfius-dividend), en strengere asielregels. Oppositiepartijen (PTB, Groen, PS, Vlaams Belang) bekritiseerden het als sociaal onrechtvaardig (lasten op middenklasse, pensioenen, zieken) en budgettair onverantwoord (onvoldoende structurele financiering, schuldenopbouw). MR en Les Engagés steunden selectieve maatregelen (bv. "droit au rebond"), maar stelden vragen bij uitvoering en financiering. Kernconflicten: sociale rechtvaardigheid vs. economische hervormingen en korte-termijnmaatregelen vs. structurele oplossingen.
Voorzitter:
Goedemorgen, collega's. Ik dank de eerste minister voor zijn aanwezigheid.
De beslissing om een commissievergadering over het paasakkoord te organiseren, kwam er naar aanleiding van het verzoek van Open Vld en de PS op 12 april. Ik heb de beschikbaarheid van de eerste minister door het commissiesecretariaat doen nagaan en vandaag kunnen wij er dus van gedachten over wisselen.
Wij hebben voor de gedachtewisseling tijd tot 12 uur, de tijd die de agenda van de eerste minister hem toelaat. Er komt een integraal verslag en er kan dus dus achteraf daar geen discussie over zijn.
Ik stel voor dat de eerste minister zelf eerst een korte inleiding geeft en dat daarna de fracties binnen een tijdsspanne van 10 minuten, te verdelen onder de fractieleden, de eerste minister in een eerste ronde ondervragen.
We zullen zien of de tijd het toelaat alsnog een tweede ronde in te lassen, maar ik vrees, gelet op het grote aantal fracties, dat we onze best zullen moeten doen alles op 3 uur klaar te krijgen.
Ik wil de fractieleden die mondelinge vragen hebben ingediend, vragen ze te incorporeren in hun interventie. De toegevoegde vragen zullen na de vergadering als behandeld worden beschouwd.
Bart De Wever:
Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, we zullen het vandaag hebben over het paasakkoord dat dateert van de vergadering van de regering van 11 april. De teksten van het akkoord zijn momenteel bij de Raad van State en zullen nog voor een tweede lezing terugkomen. Uiteraard zullen ze daarna in het Parlement worden ingediend en zal er dus nog ampel gelegenheid zijn om ten gronde over de definitieve teksten te discussiëren. Uiteraard ben ik erover verheugd dat u niet zo lang wilt wachten en dat u stond te popelen om uw licht hierover al te laten schijnen. Ik stel mij dan ook graag te uwer beschikking om dat te doen.
De bedoeling is dat het akkoord uiteindelijk uitmondt in een programmawet met een aantal sociaal-economische hervormingen. De defensie-uitgaven zullen ook worden verhoogd om dit jaar reeds de NAVO-norm van 2 % te halen, wat ondertussen ongeveer alle Europese landen gezegd hebben te trachten te doen, voor zover ze die norm nog niet haalden. Het akkoord omvat ook maatregelen ter versterking van de interne veiligheid en maatregelen op het vlak van asiel en migratie.
U hebt mij uitgenodigd – en ik heb uw woorden goed begrepen, mijnheer de voorzitter – om daarover zeer kort iets te zeggen. Dat is natuurlijk wel een uitdaging. We hebben immers 300 bladzijden wetgeving voorbereid met 500 artikelen. Probeer daarover maar eens zeer kort iets te zeggen. Ik heb daartoe gisteren een poging gewaagd, maar ik vrees dat die zeer lang is uitgevallen. Ik zal er dus stevig in wieden en schrappen en proberen enkel bij de essentie stil te staan.
Hoofdstuk 1 omvat de programmawet zelf met de sociaal-economische hervormingen in het kader van de begroting van 2025. Het gaat daarin over een eerste golf maatregelen. Er zullen er uiteraard nog volgen, want niet alles van het regeerakkoord is omgezet. Het was bijvoorbeeld niet gepland dat sommige zaken al in 2025 effect zouden hebben en die zijn dus uiteraard nog niet opgenomen in de komende programmawet. Dat is ook logisch.
Er zit wel nu al meer dan voldoende in om een serieuze kluif aan het Parlement te kunnen geven. Het gaat over maatregelen om de concurrentiehandicaps weg te werken, de arbeidsmarkt te hervormen en de fiscaliteit te verduurzamen en hopelijk ook rechtvaardig te maken. Dat is dus een eerste vertaalslag van het regeerakkoord en de ambities daarin. We plannen ook een aantal hervormingen te doen, waar dit land al heel lang op zit te wachten.
Over de hervorming van de werkloosheid is veel gesproken. Ik heb die het koninginnenstuk genoemd. Ik denk dat ik dat ook wel mag zeggen, omdat we nu eindelijk in een situatie zullen komen die de rest van de westerse wereld altijd heeft gekend of minstens al zeer lang kent en die dus mag gelden als de situatie van het gezond verstand.
Dat gezond verstand geeft het signaal dat werken loont en dat het een antwoord biedt op de vraag van de ondernemingen, waarvoor ondanks de moeilijke economische toestand nog altijd tienduizenden vacatures openstaan. Het is een verhaal waarin wordt ingezet op economische groei. Daarvoor is die maatregel noodzakelijk maar uiteraard zijn er nog vele andere maatregelen, zoals het aanpakken van de loonkostenhandicap, het uitbreiden van de flexibiliteit en het stimuleren van investeringen.
Ik overloop de belangrijkste punten. Het eerste luik gaat over het concurrentievermogen. Het concurrentievermogen van onze bedrijven moet een absolute prioriteit zijn. Ondernemers zijn de spil van onze economie. Zij scheppen de banen en de welvaart. Dat doet niet de politiek; dat doen zij. Zoals bepaald in het regeerakkoord, versterken wij het concurrentievermogen door de loonkosten te verlagen met de focus op de lage en de middelhoge lonen. Voor de hogere lonen herstellen wij een plafond om de patronale bijdragen, de kosten van de hoge lonen voor werkgevers, te verlagen. Die maatregelen zullen hopelijk helpen om de loonhandicap van onze bedrijven ten opzichte van onze buurlanden te verminderen en internationaal concurrerende sectoren te ondersteunen, teneinde opnieuw en gemakkelijker talent naar België te halen. Zeker met alles wat nu in de wereld gebeurt, is het pertinent dat wij daarop inzetten.
Behalve de loonkosten zijn er ook de hoge energieprijzen, die zeker voor de energie-intensieve bedrijven, met name onze industrie, een strop rond de nek zijn. Voor hen zal werk worden gemaakt van een korting op de transmissienettarieven. De bedoeling is die nog dit jaar, dus in 2025, in te voeren, zoals dat is vastgelegd in het regeerakkoord, teneinde hen zuurstof te geven en het concurrentienadeel in te perken waaronder zij vandaag lijden.
De regering wil ook investeringen stimuleren en aanmoedigen. Daarom wordt de aftrekbeperking van de overgedragen investeringsaftrek geschrapt. Dat zal investeren aantrekkelijker maken. Ook worden de tarieven van 30 % voor de grote ondernemingen en 40 % voor de kleine ondernemingen voor duurzame investeringen geharmoniseerd naar 40 % voor iedereen. Op die manier worden die tarieven eenduidiger.
Wij steunen niet alleen de grote en middelgrote bedrijven. Er is ook aandacht voor de zelfstandigen, die uiteraard een cruciale rol spelen in de economie en zeker ook in de lokale werkgelegenheid. Daarom zullen wij hen extra ondersteunen door een verdubbeling van de bestaande incentive voor eigen middelen, zijnde het belastingkrediet dat ondernemers met een eenmanszaak kunnen krijgen bij de verhoging van de eigen middelen. Dat belastingkrediet wordt verrekend met de verschuldigde personenbelasting, waarbij een eventueel positief saldo terugbetaalbaar is.
Tot slot, wat de mobiliteit betreft, is een overstap naar 100 % elektrische wagens nog niet voor iedereen mogelijk. De daarvoor opgestelde timetable was iets te optimistisch. Er stellen zich nog heel wat problemen met het opladen van die wagens. Vaak zijn ze niet handig voor werknemers, ondernemers en zelfstandigen die lange afstanden moeten afleggen.
Volledig elektrische auto's zijn fiscaal aantrekkelijk, wat ook zo zal blijven, maar zijn helaas niet voor iedereen nu al een oplossing. Om de vernieuwing van het wagenpark te stimuleren, zullen daarom de meest milieuvriendelijke hybride auto's tot eind 2027 voor 75 % fiscaal aftrekbaar blijven. Daarna wordt die aftrekbaarheid geleidelijk afgebouwd om in 2030 pas te verdwijnen.
Voilà pour le volet compétitivité. J'en viens au marché du travail. Nous prenons une série de mesures pour activer le plus grand nombre possible de personnes en bonne santé qui sont en capacité de travailler. La limitation des allocations de chômage à deux ans est probablement la réforme la plus marquante de l'ensemble de ces mesures. Elle vise à faire des allocations de chômage un véritable système assurantiel et un instrument de remise rapide à l'emploi. Elle entrera en vigueur le 1 er juillet 2025 pour livrer ses effets à partir du 1 er janvier 2026. Une exception est prévue pour les personnes âgées de plus de 55 ans ayant déjà une carrière de plus de 30 ans derrière elles. Afin de lutter contre la pénurie dans les soins de santé, une exception sera également prévue pour certaines formations.
Nous avons également concrétisé le droit au rebond. Un travailleur qui souhaite se réorienter sur le marché du travail pourra, une fois dans sa carrière et après un minimum de 10 ans de carrière, démissionner sans être financièrement sanctionné.
Concernant la dispense existante d'un certificat médical pour le premier jour d'incapacité de travail, nous limitons cette possibilité à deux fois par année civile, au lieu de trois. Par ailleurs, la question des malades de longue durée constitue aujourd'hui le plus grand défi de notre marché du travail: plus de 500 000 personnes sont concernées, et le coût pour la collectivité devient insoutenable. C'est pourquoi nous mettons en œuvre le plan le plus ambitieux jamais élaboré en la matière. L'objectif est clair: accompagner ces personnes de la manière la plus rapide et la plus efficace vers un retour à l'emploi. Ce plan repose sur la responsabilisation de tous les acteurs concernés: employeurs, employés, médecins et mutualités, chacun devant prendre pleinement sa part. La responsabilité constitue le fil rouge de cette nouvelle approche renforcée.
Enfin, nous rendons le marché du travail plus flexible et accessible, notamment via l'extension des flexi-jobs. Le plafond non indexé de 12 000 euros par an passe ainsi à 18 000 euros – montant qui, lui, sera indexé.
Le troisième volet est le coût du vieillissement de la population. Pour en maîtriser l'explosion, nous plafonnons l'indexation des pensions les plus élevées, permettant de la sorte une économie d'environ 200 millions d'euros d'ici 2029. À partir de l'année prochaine, nous remplacerons le bonus pension par un bonus-malus pension.
En ce qui concerne les soins de santé, la norme de croissance est fixée à 2,5 % au-dessus de l'index en 2025 pour atteindre 3 % en 2029, afin de pouvoir continuer à répondre à la demande croissante de soins de qualité.
Dans tous les domaines de la sécurité sociale, des réformes sont nécessaires, y compris dans les soins de santé. Le vieillissement de la population nous impose une sérieuse dose de réalisme. Malgré une situation budgétaire extrêmement difficile, des investissements supplémentaires seront indispensables dans les années à venir.
Ce gouvernement fait toutefois le choix délibéré de ne pas couper dans les dépenses qui protègent les plus vulnérables de notre société. Cela ne signifie pas pour autant un laisser-aller. La facture du vieillissement est immense et l'absence de réformes durant des décennies nous oblige aujourd'hui à agir. Le secteur des soins de santé n'échappera donc pas non plus à une réforme en profondeur.
Le quatrième volet concerne la fiscalité. Ce gouvernement accorde également une grande importance à la justice fiscale. Nous partons du principe de la bonne foi. Lorsqu'une irrégularité est constatée lors d'un contrôle, le contribuable ne sera plus automatiquement sanctionné par une majoration d'impôts. Nous intensifions la lutte contre la fraude fiscale. Grâce au datamining , les inspecteurs pourront mieux détecter et analyser les irrégularités flagrantes.
Par ailleurs, nous réduisons la TVA de 21 % à 6 % à partir du 1 er juillet 2025 pour la livraison d'une habitation propre et unique d'une superficie maximale de 175 m² dans le cadre de la démolition et de la reconstruction. Cela permet notamment de répondre à la crise du logement, à la crise du secteur de la construction et d'accélérer la transition vers un parc immobilier plus durable.
Enfin, acquérir la nationalité belge deviendra plus coûteux. La taxe pour l'obtention de la nationalité passera de 150 euros à 1 000 euros.
Hoofdstuk 1 was de programmawet.
Nu kom ik tot hoofdstuk 2, het defensieplan. Ook dat is een belangrijk onderdeel geworden van het paasakkoord. U weet dat wij ambitie hadden om de 2 % te bereiken in 2029, maar dat de geopolitieke realiteit ons dwingt om dat dit jaar al te doen. Daarmee zullen wij de belofte om de NAVO-norm te halen, meer dan tien jaar nadat die in Wales door toenmalig premier Di Rupo werd uitgesproken, eindelijk realiseren. Vooral ook geven we een signaal aan de internationale gemeenschap, en met name aan onze Europese bondgenoten, dat men op ons kan rekenen en dat wij naast onze bondgenoten staan. We laten zien dat wij ook pro-Oekraïne blijven en in staat willen zijn om aan alle initiatieven deel te nemen om dat land te ondersteunen en alle initiatieven om onze westerse wereld en onze Europese hemisfeer veilig te houden.
Het vergt wel een serieuze extra inspanning. Voor dit jaar gaat het over 3,9 miljard euro. Dat zullen we bereiken via bijkomende financiering, gebaseerd op de vennootschapsbelasting op de bevroren Russische tegoeden. Dat schatten we op ongeveer 1,2 miljard euro aan inkomsten, die we uiteraard zullen omzetten in bilaterale militaire hulp voor Oekraïne. Het lijkt me ook maar logisch dat dat geld naar Oekraïne gaat. Daarnaast is er een dividend van Belfius van 500 miljoen euro dat zal worden gevraagd en waarvan de bank ons garandeert dat dit geen probleem betekent. Tot slot zal een deel buiten de begrotingsdoelstelling worden gehouden, binnen de marges die ons door Europa in het kader van de ReArm Europe-beslissingen zijn toegestaan. Het is natuurlijk de bedoeling dat dit aandeel, dat eigenlijk niet in de begroting is voorzien, in loop van de legislatuur wordt afgebouwd en omgezet in structurele financiering om zo naar een nulpunt te dalen tegen 2029. Een gezonde begroting blijft immers een absolute prioriteit voor deze regering.
De extra defensie-uitgaven zijn noodzakelijk, maar uiteraard beschouwen we dat niet alsof ons cadeaus worden gegeven. We zullen dus de financiering zoeken om die tijdelijke hogere tekorten op te lossen via optimalisering van onze overheidsactiva, maar altijd met het oog op goed huisvaderschap. Er is ruim en uiteraard ook terecht op gewezen dat het weinig zin heeft om activa te verkopen die ons op lange termijn meer kosten dan we er op korte termijn opbrengsten uit kunnen halen; dat is uiteraard niet de bedoeling.
De minister van Financiën krijgt de opdracht om voor 1 juli een Defensiefonds op te starten dat op termijn gefinancierd kan worden met publieke activa, maar ook met private middelen. Dat moet een instrument worden dat toelaat om strategisch te investeren in hightech, innovatie en industrie. Ik denk dat hier ook echt wel opportuniteiten voor ons land liggen die we op korte termijn kunnen grijpen.
De regering is zich ervan bewust dat de kans reëel is dat de norm van 2 % binnen de NAVO op korte termijn zal worden verhoogd. Daarom zullen we na de NAVO-top in Den Haag in juni bekijken wat het nieuwe traject zal zijn, welke termijnen er aan gebonden zijn en welke gevolgen we daaraan moeten geven.
Ondertussen zal de minister van Defensie voor 1 juli ook met een strategisch plan komen over hoe de bijkomende uitgaven in 2025 precies zullen worden besteed. In grote lijnen zullen de extra investeringen worden gebruikt om vorm te geven aan de Europese defensiepilaar en de capaciteitsdoelstellingen te bereiken die ons door de NAVO worden opgelegd. Het is blijkbaar nog de illusie in veel fracties dat men een soort vrije beschikking heeft. Dat is uiteraard niet waar. Er zijn capabilities die de NAVO ons oplegt en die we zullen moeten realiseren.
Tegelijk met deze internationale inspanningen en verplichtingen zal Defensie ook een rol opnemen in de binnenlandse veiligheid. Dat was ook altijd zo voorzien in het regeerakkoord. Op korte termijn zal zich dat vertalen in de beveiliging van gevoelige nucleaire sites. Gezien dreigingsniveau 3 is dat conform het regeerakkoord ook perfect mogelijk en kunnen we daarmee de politiediensten ontlasten, wat uiteraard ook een bonus is voor onze binnenlandse veiligheid. De bedoeling is dat Defensie daarover tegen 1 mei – dat is dus zeer binnenkort – een protocol met Binnenlandse Zaken zal sluiten om dat praktisch op te nemen.
Le troisième chapitre concerne la sécurité intérieure. Pour garantir les investissements nécessaires en matière de sécurité intérieure, le budget prévu dans l'accord de gouvernement pour le renforcement des services de sécurité et de la politique de retour sera utilisé de manière flexible. Cela signifie que les crédits d'engagement et de liquidation disponibles pourront être transférés entre les exercices budgétaires 2025, 2026, 2027, 2028 et 2029 en fonction des besoins budgétaires concrets par exercice budgétaire sans dépasser l'enveloppe totale cumulée à la fois par service de sécurité et au total. Concrètement, cela permettra de dégager plus de 150 millions d'euros supplémentaires cette année pour renforcer nos services de sécurité et notre politique de retour, notamment aussi pour accélérer les investissements dans la cybersécurité.
Les task forces chargées de lutter contre la surpopulation carcérale poursuivront leurs travaux et élaboreront conformément à l'accord de gouvernement un plan d'action qui sera soumis à l'appropriation du Conseil des ministres d'ici la mi-mai 2025.
L'une des principales priorités sera de renvoyer dans leur pays d'origine les détenus qui n'ont pas le droit de rester sur notre territoire. Le gouvernement a également l'intention de prendre des mesures concrètes à court terme pour utiliser la capacité des prisons à l'étranger.
Pour mettre en œuvre ce plan d'action global, une enveloppe unique, avec un minimum de 55 millions d'euros en 2025, sera libérée en crédits d'engagement et de liquidation. La ministre de la Justice, en concertation avec les ministres responsables des différents groupes de travail, joindra une proposition de répartition de cette enveloppe au plan d'action. La mise en œuvre de ce plan fera l'objet d'un suivi semestriel et d'un rapport au Conseil des ministres.
Het vierde en laatste hoofdstuk gaat over asiel en migratie. Er is een maatregelenpakket inzake asiel en migratie goedgekeurd. Het gaat om ingrepen die de instroom naar ons land zou moeten laten dalen. Asielzoekers die in een ander Europees land bescherming hebben gekregen, zullen geen recht op opvang in dit land meer hebben. Het misbruik van de asielprocedure via minderjarigen wordt aangepakt. Wie na een eerdere afwijzing via zijn kind een nieuwe aanvraag zonder nieuwe elementen indient, zal geen opvang meer krijgen.
De inkomensgrens waaraan een gezinshereniger moet voldoen, zal worden omhooggetrokken en verder stijgen naargelang het aantal betrokken personen. Wie zijn gezin wil laten overkomen, moet dus bewijzen dat hij of zij daarvoor zelf financieel kan instaan. Ook zullen er wachttijden van 1 tot 2 jaar gelden voor gezinshereniging of gezinsvorming, afhankelijk van het verblijfstatuut. Tot slot zorgen we ervoor dat een asielaanvraag geen toegangsticket tot de sociale bijstand is. Wie geen opvang krijgt, zal geen aanspraak op leefloon kunnen maken.
Deze maatregelen zijn getoetst aan de Europese rechtspraak. Volgens ons voldoen ze daaraan. Hopelijk zullen ze de druk op het asielsysteem verlagen, zodat wij kunnen voldoen aan de plichten jegens asielaanvragers die wel voldoen aan de voorwaarden om hier te mogen verblijven en van opvang te kunnen genieten.
Tot zover de belangrijkste punten van het akkoord van 11 april. Het was maar een grabbel uit het geheel. Ik luister graag naar uw opmerkingen. Ik zal alvast zeggen dat precieze, gedetailleerde, concrete vragen een beetje vroeg komen. U moet die ook stellen aan de bevoegde ministers in de commissies. Ik luister uiteraard wel graag naar uw algemene bedenkingen. Ik zal in de mate van het mogelijke repliceren. Ik ben uiteraard zeer benieuwd of u zich iets zal aantrekken van deze laatste woorden. Ik maak mij daarover geen enkele illusie, maar ik dank u voor uw aandacht.
Voorzitter:
Dank u wel voor uw bondige uitleg over het paasakkoord, mijnheer de eerste minister.
Axel Ronse:
Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn spreektijd delen met collega De Vreese.
Ik vergelijk de situatie van het land bij de start van de arizonaregering met die van het bijbelse Egypte dat te maken kreeg met tien plagen: hoge schulden, heel veel uitkeringen, korte loopbanen, de kortste van Europa, veel langdurig zieken en dus ongelooflijk veel ziekteverzuim, evenveel als in Duitsland, hoge loonkosten, hoge energiekosten, sterke vergrijzing, die een bom legt onder onze pensioenen, een spilzucht van jewelste, migratie die druk legt, heel veel ondernemers en werknemers die tevergeefs op zoek zijn naar collega's, ongeacht een relatief lage werkzaamheidsgraad, waardoor economische groei gefnuikt wordt, zeker in het zuiden van het land. Dan hebben we nog de ontzettend grote geopolitieke uitdagingen, die forse investeringen vragen in ons veiligheidsapparaat en defensie. Het is dus bijna onmogelijk – we hebben het hierover al een tijdje geleden gehad – om dit land in vijf jaar tijd op orde te krijgen.
We bevinden ons in een immense crisissituatie. Als we het politiek landschap van vandaag bekijken, dan kan men nog moeilijk over rechts en links spreken. Als wij hier de keuze zouden mogen maken tussen een Amerikaans systeem van sociale zekerheid, waarbij alles verzekerd, peperduur en moeilijk toegankelijk is, en ons systeem, dat gebaseerd is op herverdeling, dan denk ik dat iedereen voor ons systeem zou kiezen.
De vraag die vandaag moet worden beantwoord, is hoe we de sociale zekerheid kunnen redden, wat meteen ook een politieke keuze inhoudt. Er zijn dan drie politieke stromingen. Volgens de eerste politieke stroming, vertegenwoordigd door de PS, de PTB, Groen en Ecolo, die van de sociale strijd, moeten we maar de ogen sluiten voor de tien plagen, vooral op zoek gaan naar een Vlaamse liberaal die dat bootje, de Titanic wil leiden en laten doorvaren, en zullen we wel zien – après nous le déluge –, de volgende generaties zullen de schuld wel aflossen.
Ten tweede is er het team kookwekkertje, dat zegt om vooral te applaudisseren voor dat team, en te zien hoe de boel verder verziekt wordt en hoe welvaart en ondernemerschap nog eens vijf jaar lang verder vernietigd wordt, zeker in Vlaanderen.
En dan is er, ten derde, het arizonateam. Dat behoort tot de politieke generatie die wil verbinden en verenigen om de sociale zekerheid te redden, om dit land en wie hier geboren wordt, nog een deftige toekomst te geven, hopelijk een toekomst die beter is dan de onze.
Het regeerakkoord overtrof al mijn verwachtingen, maar het paasakkoord is werkelijk fenomenaal. Het paasakkoord betekent de verrijzenis van onze welvaart. Na 25 jaar nauwelijks deftige hervormingen hebben we nu eindelijk een regering, die doorpakt. Eerlijk gezegd, ik was bang. Toen ik het regeerakkoord verdedigde, vroeg ik mij af hoe we dat allemaal konden waarmaken en of we wel voor de zomer al die maatregelen en hervormingen konden rondkrijgen. Kijk eens aan, hier is een paasakkoord dat onze verwachtingen overtreft.
Het is het arizonateam op zijn best. Met betrekking tot de loonkosten gaan we naar een ongeziene lastenverlaging op de patronale RSZ. Met betrekking tot de uitkeringen, we beperken de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. We flexibiliseren onze arbeidsmarkt. Het plafond voor flexijobs wordt opgetrokken. We breiden ook het toepassingsgebied uit. Met betrekking tot energie, om de energiekosten te verlagen, komen er transmissienettarieven. Met betrekking tot korte loopbanen en vergrijzing wordt een pensioenmalus ingevoerd. We hervormen onze pensioenen grondig. We zorgen ervoor dat mensen in de toekomst ook nog een deftig pensioen krijgen. Met betrekking tot zieken is het pakket maatregelen ongezien. Er komt responsabilisering voor huisartsen, werkgevers en werknemers. Eindelijk wordt er echt werk gemaakt van de re-integratie van langdurig zieken op onze arbeidsmarkt. Eindelijk sluiten we onze ogen daar niet meer voor. Tegelijk is de coalitie in zeer moeilijke tijden, budgettair vreselijke tijden, erin geslaagd om via moeilijke maatregelen toch middelen te vinden om minstens op vlak van defensie ons al te verzekeren van vrede en om op de veiligheidsdepartementen het nodige te doen.
Mijnheer de eerste minister, kortom, onze fractie is ongelooflijk trots op het vele werk dat u en uw regering hebben verricht. Wij zullen met veel aandacht de programmawetten en alle andere wetgevende initiatieven doornemen, bespreken en natuurlijk ook goedkeuren, zodat de sociale zekerheid en de toekomst van dit land verzekerd blijven.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de eerste minister, het is niet voor niets dat een aantal toppers binnen onze partij het boek Puinhopen van Vivaldi hebben geschreven. Op die puinhopen moet Arizona nu het moeilijke werk doen.
Als we kijken naar de geopolitieke toestand en naar de interne veiligheid, dan zien we dat we daar voor enorme uitdagingen staan, eerst en vooral inzake Defensie. Wat een prestatie, eindelijk zullen we na zoveel jaar de NAVO-norm van 2 % halen. Bovendien, gelet op de belofte die we net hoorden, zullen we die norm waarschijnlijk ook moeten herzien. Er komt dus een nieuwe, moeilijke oefening aan, collega's, maar één ding is zeker: we staan naast onze bondgenoten en we houden onze broek zelf op.
Dat is ook waar wij als partij en als regering voor staan: investeren in de veiligheidsdepartementen. Net zoals in de Zweedse regering gaan we eindelijk weer van veiligheid en van een strikt asiel- en migratiebeleid een topprioriteit maken. Iedere week spreken we in de commissie voor Binnenlandse Zaken over de grote uitdaging waar we voor staan. Denk maar aan de strijd tegen de georganiseerde drugscriminaliteit. Ik kan eigenlijk al niet meer benoemen hoeveel feiten er zich de voorbije dagen in Brussel hebben voorgedaan. We zullen de budgetten dus flexibel, gericht en efficiënt moeten inzetten op het moment en op de plaats waar ze nodig zijn.
Kijken we dan naar de erfenis die we inzake Justitie hebben gekregen met de overbevolking in de gevangenissen. Ik zie de collega's Van Tigchelt en Van Quickenborne zitten, maar ik zou eigenlijk stilletjes vol schaamte thuisblijven, want de erfenis die we daar krijgen, is dramatisch. Dat horen we ook van de mensen die daar werken. Ook in Brugge is er een overbevolkte gevangenis. De werkomstandigheden daar voor het personeel zijn niet houdbaar. Dat is de erfenis van onze twee collega's.
Nu zullen we terecht maatregelen nemen tegen de overbevolking van de gevangenissen, bijvoorbeeld door in te zetten op de repatriëring van mensen in illegaal verblijf, van criminelen die in onze gevangenis zitten. Dat is ook wat ik hoor van de mensen op de straat. Zij vragen om dat prioritair aan te pakken.
Bovendien, mijnheer de eerste minister, moet u ook eens bekijken waar er nog marges zijn, want we focussen in dit paasakkoord voornamelijk op de mensen die hun straf uitgezeten hebben, maar er is ook een mogelijkheid om de straf uit te zitten in het land van herkomst. Daarom zou ik u willen vragen om te bekijken welke marges er daar nog zijn, bijvoorbeeld voor onderdanen van de Europese Unie en onderdanen van visumvrije landen, waarmee we toch hele goede terugnameakkoorden hebben. Misschien kunnen we daarmee nog goede overeenkomsten sluiten.
U spreekt ook over de gevangeniscapaciteit in het buitenland. Dat is een piste die we in het verleden ook hebben bekeken. Zijn die pistes al onderzocht? Kunt u daar al een tipje van de sluier oplichten?
Interne veiligheid heeft niet alleen betrekking op politionele veiligheid, maar ook op strategische autonomie, weerbaarheid, energie, mobiliteit. Zijn er ook op dat vlak plannen?
Dan kom ik bij asiel en migratie. Het is ongelooflijk. Twee maanden na de eedaflegging komen we al met crisismaatregelen om de instroom werkelijk in te perken. De prognose is dat we dit jaar naar 50.000 asielzoekers gaan. Dat betekent dat we daadwerkelijk zullen moeten optreden. Communicatie is daarbij zeer belangrijk, mijnheer de premier. Dit nieuws gaat in de diaspora als een lopend vuurtje rond. Het is belangrijk dat we maatregelen nemen die we werkelijk kunnen uitvoeren en die ook de rechterlijke toets doorstaan. Ook dat zou in de diaspora als een lopend vuurtje rondgaan. Dit zijn dus geen losse flodders. Daarop zetten we met Arizona in: een realistisch, streng, zeer streng migratiebeleid.
Ik wil ook een dikke pluim geven aan de cabinetards achter de schermen, die hier heel hard voor gewerkt hebben, en natuurlijk aan de hele arizonaregering.
Barbara Pas:
Mijnheer de eerste minister, voor een regering die er haar prioriteit van maakt om de cijfers op orde te hebben, vind ik het wel bijzonder opmerkelijk dat we nog geen enkel budgettair kader hebben gezien, op dat ene A4'tje bij uw regeringsverklaring na, die ene begrotingstabel, waar het Vlaams Belang trouwens nog fouten uit heeft gehaald.
We hebben nadien de beleidsverklaringen per minister gehad. Zij waren reglementair verplicht om daar een budgettair kader bij te geven. Geen van hen heeft dat gedaan. Toen kregen we te horen: u zult de beleidsnota's bij de begroting krijgen. Uiteraard is dat niet hetzelfde. Beleidsnota's bij de begroting gaan over één jaar. Bij de beleidsverklaringen zou dat budgettair kader de hele legislatuur moeten omvatten. Maar goed, wij keken dus reikhalzend uit naar die beleidsnota's.
Ik weet niet of u het weet, maar de deadline voor al die beleidsnota's is reeds verstreken, want die verviel op 11 april. Ik weet dat u niet graag detailvragen krijgt, maar ik zal u meteen het antwoord geven op de vraag hoeveel beleidsnota's vandaag al ter beschikking zijn voor de Kamerleden. Het zijn er welgeteld drie: Administratieve Vereenvoudiging, Begroting en Mobiliteit. Voor een premier die orde op zaken ging stellen, ook budgettair, maar bij wie het budgettair kader al maanden uit blijft, kunnen we niet anders dan vaststellen dat het een financieel rookgordijn is. Collega Ronse mag dan wel bijzonder lyrisch zijn over wat hij een fenomenaal paasakkoord noemt, maar het is niet gefinancierd, want de financiering is een rookgordijn.
Inzake de defensie-uitgaven zegt u dat eindelijk de 2 %-norm van het bbp behaald zal worden. Daar pleiten wij al heel lang voor. Het is wel heel kort door de bocht om de terechtwijzing voor die puinhoop alleen naar de vivaldiregering te richten, zoals collega De Vreese doet, want er wordt al veel langer bespaard op Defensie. Het historisch dieptepunt was 0,9 % van het bbp onder de Zweedse regering, onder toenmalig N-VA-minister Steven Vandeput. Het is dus goed dat die uitgaven eindelijk naar die 2%-norm gaan, maar op welke manier haalt u dat? Niet door een structurele financiering, want u houdt 2 miljard buiten de begroting, met andere woorden: schulden maken, doorschuiven naar de volgende Vlaamse generatie. Dat is exact waarvan uw minister van Begroting enkele weken geleden nog zei dat hij uitgerekend dat niet wilde doen.
Ik permitteer het me om nog een detailvraag te stellen, al is het misschien geen vraag naar een detail. Ik wil namelijk graag weten of het klopt dat u camouflagetechnieken toepast, mijnheer de eerste minister. In de pers lees ik namelijk dat heel wat normale uitgaven nu plots in een militair jasje worden gestoken om toch maar aan die 2 % te geraken. Voorbeelden zijn uitgaven voor de Veiligheid van de Staat, voor het Europees Ruimtevaartagentschap, voor onze beveiligde datanetwerken en voor normale infrastructuurwerken aan bruggen. Dat zouden nu plots allemaal defensie-uitgaven zijn. De pers lees ik altijd met voorbehoud, vandaar dat ik u vraag of dat überhaupt klopt.
Mijnheer de eerste minister, uw paasakkoord is alleszins geen verrijzenis van politieke moed. U hebt niet de politieke moed gehad om voor een structurele financiering en structurele hervormingen te kiezen, maar dat wisten we al. Daarvoor hebt u institutionele hervormingen nodig, maar die weigert u door te voeren.
Over de eigenlijke pensioenhervorming hebt u niet gesproken. Blijkbaar is die pas voor het najaar. Omtrent de maatregelen inzake de pensioenhervorming die al voor de zomer goedgekeurd zouden moeten worden, konden we vandaag plots lezen dat uw coalitiepartner Vooruit nu eerst nog bijkomende eisen stelt vooraleer die te steunen.
Los van het feit dat wij van de pensioenmaatregelen ook nog geen budgettair kader kennen, dat het Federaal Planbureau alle plannen nog helemaal moet doorrekenen en dat u zich volledig stoelt op hypotheses, had ik graag – dit is geen detailvraag – uw reactie gekregen op het feit dat coalitiepartners tachtig dagen na het sluiten van het regeerakkoord plots nog bijkomende eisen vaststellen.
U hebt het kort over asiel gehad. Daarover kan ik ook heel kort zijn. U hebt enkele maatregelen genoemd om de instroom te beperken. U had er veel meer moeten noemen indien u werkelijk de instroom deftig zou willen tegenhouden. U hebt bovendien vooral geen enkele maatregel genoemd die de uitstroom zal opkrikken, mijnheer de eerste minister. Geen woonstbetredingen, geen heropening van terugkeercentra voor gezinnen en geen druk op derdelanden om hun illegale en criminele onderdanen terug te nemen. Dat is nochtans exact wat wij nodig hebben voor Justitie en de overbevolkte gevangenissen. Dat ontbreekt echter volledig.
Het enige dat met het paasakkoord lijkt te zijn verrezen, is Vivaldi, Verhofstadt en De Croo. U gebruikt extra leningen, lucky shots en eenmalige inkomsten als begrotingstrucs. U schuift de problemen door. Ondertussen stijgt de staatsschuld nog en beweert u dat de regering dat zal oplossen tegen 2029. Tegen dat jaar zou er een structurele financiering komen. Ik weet niet wie u daarmee in het ootje meent te nemen. Door alle daadkrachtige maatregelen uit te stellen, alsof het vijgen na Pasen zijn, maakt u zich allerminst geloofwaardig.
Voorzitter:
Neemt nog iemand het woord namens het Vlaams Belang?
Annick Ponthier:
Mijnheer de premier, ik zal mij beperken tot het segment Defensie. Zoals reeds gezegd, is deze regering aangetreden met de doelstelling om orde op zaken te stellen. Als parlementsleden beschikken wij op dit moment over geen enkel budgettair kader, ook niet voor het segment Defensie.
U weet dat het Vlaams Belang al jaren pleit voor het optrekken van het Defensiebudget tot de 2 %-norm. We zijn uiteraard blij dat die norm in dit paasakkoord vervat zit. Wat echter de financiering daarvan betreft, hebt u een aantal cijfers opgesomd, maar die gaan voornamelijk over de financiering voor dit jaar. Wat betreft de structurele inspanningen voor Defensie, daar blijft u luchtkastelen bouwen en blijven wij op onze honger met betrekking tot een deftige financiering.
Mevrouw De Vreese vindt die 2 % een ongelooflijke prestatie. Ik wil haar vragen hoe lang die euforie zal aanhouden. Ik denk dat dat maar tot juni zal zijn, tot de NAVO-top in Den Haag. Dan zullen wij onze broek al niet meer zelf kunnen ophouden, dan zal die 2 %-norm meteen achterhaald zijn en zullen onze capaciteitsdoelstellingen door de NAVO hoger worden gelegd.
Mijnheer de premier, ik wil u dus vragen hoe u die structurele inspanningen op het vlak van Defensie in de toekomst zult behalen en onderbouwen. U rekent ook op de deelstaatregeringen. Uw coalitiepartner, de MR, heeft zich altijd sterk gemaakt dat deze regering geen nieuwe belastingen zou heffen. Nochtans zien we dat u zou rekenen op de inspanningen van de deelstaten, meer bepaald van de Vlaamse regering, inzake de kilometerheffing. Als dat klopt, dan moet u het met mij eens zijn dat opnieuw de Vlaming het gelag zal moeten betalen. Ook op dat vlak vraag ik u dus om duidelijkheid te verschaffen.
Ik zal het hierbij houden en het woord laten aan mijn collega, mevrouw Van Belleghem.
Francesca Van Belleghem:
Mijnheer de premier, vorig jaar telden we 50.000 gezinsmigranten, 40.000 asielmigranten en regularisatie van bijna 5.000 illegalen. 80 % van de Vlamingen is het ermee eens dat u de toestroom van die mensen moet stoppen.
Hoe doe u dat? Eerst neemt u een pakket van snelle maatregelen, nu dus. Ondertussen werkt u verder aan een langetermijnoplossing. Voor de snelle crisismaatregelen hebt u twee opties. Optie een is een bazooka van makkelijke maatregelen. Ik heb er een boek over geschreven met 106 mogelijke voorstellen, gebaseerd op wat Zweden al twee jaar doet en wat werkt. Voor het eerst zullen er in Zweden immers meer mensen vertrekken uit Zweden dan er immigreren naar Zweden.
Uw tweede optie, een nieuwe mogelijkheid en mijn favoriet, is aankloppen bij de EU, bij uw vriendin Ursula von der Leyen. U kunt haar zeggen, verwijzend naar artikel 72 van het Werkingsverdrag van de EU dat stelt dat als de openbare orde en de nationale veiligheid in gevaar zijn, men EU-regels buitenspel kan zetten, dat we nu een asiel- en gezinsherenigingsstop nodig hebben, aangezien onze openbare orde en de nationale veiligheid door de massa-immigratie in gevaar zijn. Dan bent u in de EU de voortrekker om massa-immigratie te stoppen. We zien nu echter dat het paasakkoord helemaal geen maatregelen in die zin bevat.
Premier, zult u dus tot bezinning komen en nog zo'n maatregel invoeren?
Voorzitter:
U bleef mooi binnen de tijd.
Le groupe MR dispose de 10 minutes.
Catherine Delcourt:
Monsieur le premier ministre, le groupe MR se réjouit de cet accord historique que l'Arizona a conclu très récemment. Nous aurons évidemment aussi quelques questions. Nous sommes conscients que certains de vos ministres devront répondre, mais nous voudrions avoir votre position sur toute une série d'aspects que nous allons relever ici.
Nous nous félicitons de l'accord capital qui fait aboutir, sous notre impulsion, une mesure phare et essentielle pour ce gouvernement. Il s'agit de la limitation du chômage dans le temps. Cette mesure clé permettra de porter l'économie belge, ses travailleurs, ses entreprises et son modèle social.
Cette décision n'a pas été prise à la légère. Elle marque un tournant décisif dans notre politique sociale et économique. Elle est le fruit d'une volonté commune de renforcer notre économie tout en protégeant notre modèle social. Cette réforme vise à encourager le retour à l'emploi et à responsabiliser les acteurs impliqués dans la réintégration des chômeurs de longue durée.
Le gouvernement a adopté des mesures concrètes pour soutenir nos entreprises, avec un investissement de près de 1 milliard d'euros à l'horizon 2029. L'objectif, que le MR partage résolument, est de stimuler l'embauche et de renforcer la compétitivité de nos entreprises.
Sur le plan fiscal, le gouvernement prend des mesures ciblées pour soutenir l'investissement, encourager le travail et accompagner la transition écologique. Les indépendants, moteurs de notre économie, bénéficieront d'un crédit d'impôt renforcé lorsqu'ils investissent dans leurs fonds propres. Il s'agit d'une mesure concrète pour renforcer leur résilience.
En matière de logement, le taux de la TVA est ramené à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction destinés à devenir des habitations principales, ce qui favorise l'accès à un logement durable et performant sur le plan énergétique.
Le gouvernement oriente aussi sa fiscalité vers une mobilité plus propre. La déductibilité fiscale des voitures hybrides les plus écologiques est prolongée jusqu'en 2027. Cela permettra un renouvellement progressif du parc automobile.
En outre, le plafond de revenus dans le cadre des flexi-jobs est augmenté et désormais fixé à 18 000 euros par an. Enfin, le relèvement du plafond des revenus autorisés pour rester fiscalement à charge permettra aux étudiants de travailler davantage sans que leurs parents perdent leurs avantages fiscaux.
Ce changement s'inscrit dans la volonté de favoriser le travail étudiant tout en tenant compte des réalités économiques.
La sécurité est une priorité absolue de l'Arizona comme elle l'est pour le MR. Là encore, l'accord de Pâques prévoit des mesures importantes comme la sécurisation des sites nucléaires par des militaires, ce qui libère de la capacité opérationnelle, à savoir 350 policiers qui pourront se recentrer sur leurs tâches essentielles.
L'enveloppe supplémentaire de 1,2 milliard pour l'ensemble des départements de sécurité prévue en marge de l'accord prévoit une enveloppe d'un milliard supplémentaire. Elle est maintenant annoncée sur l'ensemble de la législature. Ce serait évidemment intéressant de déterminer les postes qui seront visés à court et moyen terme par ces budgets conséquents.
Je veux également souligner l'engagement de concrétiser prioritairement certaines mesures primordiales pour le MR en termes de lutte contre l'impunité et le renforcement de la sécurité, notamment l'élargissement de la sanction de déchéance de nationalité ou l'alourdissement des peines liées au trafic de drogue et d'armes, au blanchiment d'argent et à la criminalité organisée, en particulier lorsqu'elle implique des mineurs.
S'agissant du dossier de la surpopulation carcérale, la ministre Verlinden a obtenu un budget de 150 millions d'euros, qui seront notamment investis dans des unités modulaires.
En matière migratoire, la politique sera renforcée afin de sortir la Belgique du rôle de maillon faible de l'Europe. En effet, l'accord de Pâques prévoit un durcissement des conditions de regroupement familial et un recentrage de l'aide sur l'essentiel, dans le but de réduire la pression constante de l'accueil.
Personne ne l'ignore, les dépenses de la défense atteindront les 2 % du PIB. Ce renforcement structurel est fondamental pour assurer notre souveraineté et contribuer à la sécurité collective au sein de l'OTAN. Nous devons confirmer la fiabilité de la Belgique comme partenaire de sécurité sur la scène internationale.
En ce qui concerne les finances, monsieur le premier, nous saluons pleinement l'ambition de cette loi-programme, des mesures fortes qu'elle porte, notamment en matière fiscale. Nous relevons plusieurs avancées en faveur de la transition. La baisse du taux de la TVA à 6 % est un point majeur. Nous souhaiterions savoir si des mesures transitoires sont prévues, tant pour la hausse de la TVA sur les chaudières que pour la baisse à 6 % pour les projets de démolition-reconstruction, afin de sécuriser les contrats et les devis déjà établis avant le 1 er juillet 2025. Pouvons-nous nous attendre à une circulaire ou à un arrêté d'exécution qui précise la date déterminante pour l'application du taux?
Par ailleurs, nous souhaiterions connaître la clé de répartition du 1,2 milliard alloué aux services de sécurité. Quel pourcentage ira-t-il à la Justice et surtout à quels postes? Mme Verlinden annonce notamment l'achat de modules cellulaires. Pouvez-vous nous en dire plus quant à la concrétisation de ces mesures? Comment les montants seront-ils répartis ?
Ces derniers jours, nous avons entendu le mécontentement de la magistrature debout, qui exprime des revendications par rapport à la pénurie de personnel et à ce que les magistrats considèrent comme des atteintes à leur carrière et à leurs pensions. Des dispositions sont-elles envisagées à court terme pour redorer cette fonction qui est essentielle dans un État de droit et éviter que le magistrat devienne le prochain métier en pénurie?
Concernant le retour au travail des personnes malades de longue durée, nous aurions souhaité connaître le regard que vous portez sur les contrôles des certificats médicaux. Sont-ils suffisants à vos yeux? Dès le 1 er juillet, il est prévu de passer aux certificats électroniques. Des moyens supplémentaires seront-ils prévus pour renforcer ces contrôles?
Concernant l'emploi, il y aura une limitation du chômage à deux ans avec une progressivité. On passe dans un système assurantiel. Si nous pouvons vraiment applaudir cette mesure, une question subsiste sur l'exception pour les travailleurs des arts. Le statut des artistes est particulier. Votre gouvernement a choisi de le maintenir en l'état pour l'instant tout en luttant contre les abus. Pouvez-vous dire comment vous comptez lutter contre ces abus?
En ce qui concerne la fiscalité, une augmentation du plafond des flexi-jobs aura lieu. Celui-ci passera à 18 000 euros. Nous applaudissons encore une fois cette mesure, mais allez-vous étendre les flexi-jobs à l'ensemble des secteurs dès maintenant ou dans un second temps?
Enfin, votre accord de Pâques comprend une avancée majeure pour la pension des indépendants, que mon parti soutient résolument. A partir du 1 e juillet 2025, les indépendants qui poursuivent leurs activités après l'âge légal de la pension auront la possibilité de se constituer des droits supplémentaires à la pension.
Ceux qui préfèrent rester soumis au régime actuel à cotisation réduite conserveront cette option sans ouverture de nouveaux droits. Dès lors, les indépendants qui souhaitent continuer à travailler plus tard continueront à se constituer des droits. Avez-vous déjà une idée du nombre d'indépendants qui pourraient bénéficier de ce système?
Voorzitter:
Je donne la parole aux membres du groupe PS qui dispose de 10 minutes.
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le président, je partagerai mon temps de parole avec M. Courard, Mme Désir et Mme Meunier, de sorte que j'essaierai d'être bref.
Monsieur le premier ministre, chers collègues, vous ne serez pas étonnés que je ne partage pas l'euphorie qui est celle de votre premier apôtre. Un accord historique, comme cela a été souligné à maintes reprises. Alors oui, il est historique. Je pense effectivement que cet accord de Pâques, qui n'est jamais que la transposition d'une partie de votre accord de gouvernement, est historique, puisque jamais dans l'histoire de notre pays, un effort n'a été consenti par une si grande partie de la population. En effet, 95 % de l'effort vont être supportés par la classe moyenne. C'était déjà ce qu'on pouvait déduire de votre accord de gouvernement, et c'est confirmé aujourd'hui avec ce prétendu accord de Pâques.
Vous allez précariser la classe moyenne avec – même si vous n'osez pas le dire – une augmentation des impôts, avec une augmentation de la fiscalité pour cette classe moyenne, notamment par la suppression de toute une série d'avantages. Je pense à la réduction de la déductibilité pour les dons aux associations, je pense à la réduction de la déductibilité pour les pensions alimentaires, la hausse de la TVA sur les chaudières à mazout ou au gaz, et je pourrais en citer toute une série d'autres.
Un affaiblissement de la classe moyenne, qui va devoir payer les efforts que vous lui imposez alors que les 5 % les plus riches de la population sont, quant à eux, majoritairement épargnés. Un affaiblissement de la classe moyenne, un affaiblissement des travailleurs et des travailleuses, un affaiblissement des pensionnés, ainsi qu'un affaiblissement des malades de longue durée, alors que vous immunisez à nouveau les plus grosses fortunes de ce pays, les multinationales ou encore le secteur bancaire, dont on sait qu'il se porte particulièrement bien chez nous après des années de bénéfices records.
Vous donnez les premiers coups de griffe au mécanisme d'indexation automatique des salaires et des allocations. Vous définancez le secteur des soins de santé, alors que des partis de votre majorité avaient sanctuarisé ce secteur en assurant le respect de cette norme de croissance des soins de santé et en prenant même l'engagement d'aller au-delà. Vous irez en-deçà, et vous économiserez donc sur le dos des soignants et des patients.
Vous supprimez les prépensions, malgré la situation économique actuelle et le choc vécu par toute une série de travailleuses et de travailleurs comme ceux de Cora ou d'Audi Forest. Vous augmentez la TVA sur l'installation des chaudières à gaz et à mazout. Et vous allez aussi, par toute une série de mesures, renforcer les inégalités qui frappent encore aujourd'hui de manière scandaleuse les femmes dans notre société, notamment avec la suppression de la pension de survie.
C'est un accord historique, aussi, car il y a quelque chose qu'on ne trouve pas dans cet accord de Pâques. Je pensais pourtant très sincèrement que nos camarades de Vooruit allaient exiger que cela figure dans cet accord. Il s'agit de la taxation des plus-values. Elle a déjà fait couler beaucoup d'encre et on a perçu que les approches étaient très différentes selon les partis de votre majorité. Elle ne figure pas dans cet accord de Pâques. Pour nous, ce n'est pas totalement une surprise, puisque vous faites peser 95 % de l'effort sur la classe moyenne et vous épargnez les épaules les plus larges.
On nous avait promis un gouvernement d'ingénieurs et plus de poètes. Constatons ici que nous sommes dans un flou artistique total. Un flou artistique sur la trajectoire budgétaire. Nous ne savons toujours pas quelle est la trajectoire budgétaire de ce gouvernement. Nous avions compris, avec M. Ronse, que la fin de la législature ne constituerait pas le bout du chemin s'agissant de l'effort que vous allez imposer à 95 % de la population, mais bien la deuxième ou la troisième législature.
Vous utilisez le contexte géopolitique international pour repousser systématiquement l'engagement et la crédibilité budgétaire de votre gouvernement. Du flou artistique pour un gouvernement impressionniste! Du flou au niveau du financement de la Défense, de la pérennisation de ces éléments et sur toute une série de mesures. Un gouvernement à côté de la plaque, dont les mesures en matière d'économie et de compétitivité tirent à côté et dont la réduction linéaire des cotisations sociales laisse les fédérations patronales relativement circonspectes.
Ces mesures ont en outre prouvé leur inutilité par le passé. Je vous renvoie vers l'analyse de la Cour des comptes sur la mesure "zéro cotisation" ou sur les études universitaires.
Au final, l'accord jette à nouveau à la poubelle les engagements de campagne et les promesses des partis de l'Arizona. Il n'y a toujours rien sur l'augmentation de 500 euros nets pour les travailleurs, qu'ils soient salariés, indépendants ou fonctionnaires. Il n'y a pas de trace de cette norme de croissance XXL dans les soins de santé. Que du contraire, des économies à fournir dans le secteur!
Monsieur le premier ministre, cet accord est historique dans les déséquilibres qu'il porte et qui ne sont que la transcription de votre accord de gouvernement. Cet accord laisse toute une série de personnes et d'acteurs dans le flou artistique.
Monsieur le premier ministre, je vous donne rendez-vous dans quelques semaines lorsque nous aurons les tableaux budgétaires et les notes de politiques générales de l'ensemble des membres du gouvernement.
Philippe Courard:
Monsieur le premier ministre, j'aborderai rapidement la Défense. Vous avez-vous-même indiqué "qu'il faut aller chercher le financement". C'est fort inquiétant. On peut vous rejoindre sur cette norme de 2 % mais pour quoi faire, avec quel argent? Au sein de votre majorité, il subsiste un désaccord total quant aux secteurs où trouver l'argent pour mener à bien ces 2 %. Où comptez-vous trouver cet argent?
Pourquoi ne pas vous inspirer du ministre espagnol S á nchez qui a dit qu'il ne toucherait pas aux impôts ni aux dépenses sociales et qu'il n'augmenterait pas le déficit public. Quand j'entends M. Francken dire qu'il veut acheter de F-35, je pense que ce sont plutôt des mirages dont il parle!
Caroline Désir:
Monsieur le premier ministre, j'interviens sur un point spécifique de votre accord de Pâques, le report d'un ou deux mois de l'indexation des prestations sociales et des traitements des fonctionnaires. Au total, vous annonciez dans le budget présenté au Parlement en février dernier 956 millions d'efforts sur l'ensemble de la législature. Pourriez-vous nous dire de quelles prestations sociales il s'agit précisément?
Contrairement à ce qui avait été soutenu par plusieurs partis de la majorité, vous vous attaquez bien au principe même de l'indexation automatique. On le voit par exemple au travers de la limitation de l'indexation des plus hautes pensions publiques. Vous vous attaquez directement à différents secteurs, en menaçant leur attractivité et la spécificité de certaines professions, notamment les magistrats, professeurs d'université et chercheurs.
Pour ce qui est des allocations, cela ne vous suffit pas de les limiter dans le temps, vous allez en plus faire perdre des revenus aux plus fragiles en reportant l'indexation.
Monsieur le premier ministre, avez-vous calculé l'impact de cette mesure sur les allocations et traitements des fonctionnaires? Avez-vous estimé la perte de recettes que le report de l'index pourrait engendrer en matière de cotisations sociales et de précompte professionnel?
Marie Meunier:
Monsieur le premier ministre, je ne reviendrai pas sur le ton de vainqueur de votre gouvernement pour annoncer l'exclusion de 100 000 personnes du chômage en janvier mais plutôt sur votre silence quant à la manière dont vous allez réellement accompagner ces personnes à trouver un emploi. Comment allez-vous aider les CPAS à accueillir ces personnes dans huit mois? Concrètement, comment pourront-ils matériellement recevoir et aider ces personnes? Où est la compensation que vous promettiez? Savez-vous qu'il n'y a aujourd'hui déjà pas assez d'assistants sociaux pour faire face au travail et savez-vous qu'il s'agit d'un métier en pénurie? Quelles mesures concrètes prendrez-vous pour aider ces institutions qui sont fondamentales?
Raoul Hedebouw:
Mijnheer de premier, u hebt jarenlang in alle politieke debatten verklaard dat er geen alternatief was, dat er geen geld meer was en dat de begroting in orde moest zijn. Besparingen waren geen politieke keuze, maar het was gewoon een objectief gegeven dat budgettaire maatregelen van de Europese Commissie op alle sociale uitgaven in ons land moeten worden toegepast. U hebt uw hele verkiezingscampagne gevoerd met de verklaring: "There is no alternative." Nu vindt u in vijf minuten 4 miljard euro voor defensie. Het was dus toch wel een politieke keuze. U verklaarde dat er geen geld was voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten, maar eigenlijk was er wel geld. De arizonaregering heeft vier miljard euro in vijf minuten gevonden. Het was dus wel politiek, mijnheer de premier.
Ik ga er op politiek vlak natuurlijk niet mee akkoord dat u geld haalt bij de gepensioneerden om miljarden te investeren in defensie. Dat is de keuze van de arizonaregering. Vandaag moeten gepensioneerden in België al rondkomen met een klein pensioentje. Ze kunnen nu al hun rusthuis niet betalen. In vergelijking met Duitsland, Nederland en Frankrijk zijn de Belgische pensioenen al heel laag.
De arizonaregering beslist nu om de indexering van de pensioenen drie maanden uit te stellen. HOGent en het ACV berekenden dat de gepensioneerden 68 euro minder pensioen krijgen. Het is logisch dat de N-VA met dat plan komt, want het is een koude, asociale partij, maar hoe durven de collega's van Vooruit de gepensioneerden zo aanvallen! Het is gemakkelijk om op de sociale media de boodschap te verspreiden dat Vooruit de index redt. Voor de gepensioneerden wordt de indexering echter drie maanden uitgesteld. Voor de ambtenaren geldt hetzelfde, de indexering wordt drie maanden uitgesteld. Is dat linkse politiek? Kom aan!
Collega's van Vooruit, hoe kunt u meegaan met zo'n verhaal in dat paasakkoord? Hoe durft u! In dat akkoord gaat het over de pensioenen, beste collega's. Hoe zit het nu met de maluspensioenen? Er zal een malus worden ingevoerd die oploopt tot 5 % minder pensioen per jaar dat men vroeger stopt met werken. Wat is er nu beslist, mijnheer de eerste minister? U legt tegenstrijdige verklaringen af in interviews. Worden ziekteperiodes nu meegerekend? Wordt technische werkloosheid meegerekend voor de malus? Geef daarop eens een duidelijk antwoord, mijnheer de eerste minister.
Er is eindelijk een blokkering in de regering. Een van uw regeringspartners, Vooruit, blokkeert de pensioenhervorming als men niet aan de privileges van de politici raakt. Dat gebeurt nu eindelijk, het was tijd. Dat klaagt de PVDA al maanden aan. Vindt u het logisch, collega’s, dat het pensioen van parlementsleden berekend wordt op hun laatste jaarloon? Voor de ambtenaren is het 45 jaar, geen probleem, maar voor de politici – open bar – op het laatste jaar. De afscheidspremie wordt gewoon meegerekend in de pensioenberekening: geen probleem, politici, open bar . Bepaalde collega's kunnen hier nog op hun 62e vertrekken: geen probleem, open bar .
Eindelijk, eindelijk worden die privileges een probleem. Nu wil ik dus weten, mijnheer de minister, hebt u nog een akkoord rond de pensioenmalus of niet? Hebt u nog een akkoord rond de pensioenen? Vanmiddag vergadert het Bureau, en ik hoop dat Vooruit woord houdt.
Blokkering van de matiging op pensioenen, dat gaan we van heel dichtbij volgen, mijnheer de premier, van heel dichtbij. De PVDA vindt het namelijk niet juist dat er vandaag miljarden voor de wapenindustrie gezocht worden bij de pensioenen, bij de langdurig zieken, bij de werklozen, bij al die mensen in onze samenleving die het nodig hebben. Daar gaat het over in dit paasakkoord.
Parce que la question, monsieur le premier ministre, c'est cela! C'est cela, la question! Qu'allez-vous faire avec ces milliards? J'entends ici, aujourd'hui, que dans les plans, c'est décidé: nous allons acheter du F-35 américain.
Pendant des semaines, nous avons entendu que l'Europe devait être autonome. L’Europe devait tracer son propre chemin indépendant des intérêts américains. Et puis, que décide-t-on aujourd'hui? On va prendre des milliards pour investir dans le F-35. Un avion dont les Américains peuvent décider du jour au lendemain qu'il ne décollera plus. Il suffit que l’update informatique ne soit plus transmis à la Défense belge pour que tous ces avions restent sur le tarmac. Mais nous voulons notre indépendance.
C'est cela, chers collègues, la vision stratégique de l'Union européenne! C'est cela, aujourd'hui, ce qu'on nous avait promis. Allez, arrêtez un petit peu de rigoler, s'il vous plaît!
Au niveau du chômage, monsieur le premier ministre, ah, on est fiers! On va exclure 100 000 travailleurs sans emploi. Quelle fierté! Que vont-ils devenir, ces gens-là? Un tiers dans la nature, un tiers au CPAS. Qu'aura-t-on résolu ainsi? Rien!
Les CPAS, vous le savez très bien, ne sont pas mieux outillés que le Forem et l’ONEM aujourd'hui pour remettre les gens au travail. Que du contraire! Ce n'est pas leur job, normalement. Donc, on ne va pas réactiver les gens. La seule volonté ici, monsieur le premier ministre, c'est d'exclure des gens, pour des raisons budgétaires. C'est pousser les gens dans la misère. Cela ne va rien résoudre.
Vous le savez en plus: les gens qui sont dans la misère pensent à une seule chose: survivre, pas à chercher un boulot. Les études internationales le montrent. Quand on survit, on n'a plus d'énergie pour encore aller chercher un boulot en dehors.
Ma dernière question porte sur le niveau budgétaire. Je ne comprends pas, monsieur le premier ministre.
U zegt, mijnheer de eerste minister, dat er geen geld is voor de pensioenen. Dat ze niet meer betaalbaar zijn. Onze sociale zekerheid zou het niet meer zien zitten… En wat beslist u een week geleden? Om 1 miljard euro minder in de pensioenkas te storten, 1 miljard minder sociale bijdragen… Waar hebben jullie het besef gehad dat 1 miljard euro minder in de sociale zekerheid de pensioenproblematiek zal oplossen?
Ça ne tient pas la route, mathématiquement.
Jarenlang gaat u 16 miljard euro uit de sociale zekerheid halen, met heel veel kortingen enzovoort, en dan zegt u dat er geen geld meer is om de pensioenen te betalen. Als er niet genoeg geld is, zou ik behouden wat er nu naar de sociale zekerheid gaat.
Monsieur le premier ministre, vous l'aurez compris: en ce qui concerne votre accord de gouvernement de Pâques, je ne rejoins pas du tout l'enthousiasme de votre groupe. La chasse contre la fraude fiscale est une cinquième DLU. Pour les auditeurs qui nous écoutent aujourd'hui, une DLU est une déclaration libératoire unique. Cela permet aux fraudeurs de dire après quelques années: "J'ai fraudé, mais je vais trouver le fisc pour voir s'il y a moyen d'un peu régulariser le bazar". Et Didier Reynders, un homme doté d'une grande éthique en politique, qui aime jouer au Lotto, – mais chacun ses hobbies, on ne va pas juger ici les hobbies de chacun –, avait dit, il y a quelques années: "On va faire une déclaration libératoire unique". Unique, cela signifiait qu'elle aurait lieu une seule fois. Chers collègues, cette déclaration libératoire unique a déjà eu lieu cinq fois.
En fait, elle est permanente! En Belgique, c'est open bar! Quand vous êtes un petit indépendant, vous avez droit à un contrôle fiscal et à un contrôle TVA. Clac, on vous coince. Mais quand vous êtes un grand fraudeur et que vous avez des milliards, pas de problème! Installez-vous, prenez un petit café au SPF Finances, on va discuter tranquillement de la manière dont on peut régulariser cela. Il n'y a pas de problème, détendez-vous, monsieur, la Belgique est un pays qui va régulariser tout cela sans problème! C'est cela, le deux poids, deux mesures, d'un point de vue fiscal, dans ce pays. Les gros poissons sont tranquilles, les déclarations sont libératoires à répétition, mais on va contrôler le petit indépendant sur sa TVA. Et quoi, chers collègues, qu'est-ce que cela signifie au MR? Le MR aide-t-il les petits avec de telle mesures?
Voici mon dernier point sur cet accord de Pâques. Le MR, pendant toute la campagne électorale, a promis 500 euros de différence de pouvoir d'achat. Il n'y a rien dans cet accord, monsieur Georges-Louis Bouchez! Vous avez menti. Vous êtes un minteu comme on dit chez nous. Vous avez menti. Qu'avez-vous dit? Que vous alliez diminuer les allocations de chômage. Cela, oui, vous l'avez dit! Il y aura 500 euros de différence. On va pousser les chômeurs dans la misère. Mais les travailleurs qui ont un emploi? Niks ! C'est cela, la politique belge, c'est cela le mensonge! Tout cela, chers collègues, avec des ministres dont le salaire de 11 000 euros par mois leur permet de vivre tranquilles. La vie, elle est peinarde! Mais chez les malades de longue durée, clac, on prend!
En dan mijn laatste punt, beste collega’s, over de langdurig zieken. Hoe durven jullie? Hoe durven jullie afkomen met die kliklijn voor dokters door werkgevers? Cd&v, hoe hebben jullie daar mee kunnen instemmen? Vooruit, hoe hebben jullie daarmee kunnen instemmen? Dokters die vinden dat hun patiënten om medische redenen niet terug aan het werk mogen, kunnen via een kliklijn aangeduid worden door werkgevers als ze vinden dat bepaalde dokters hun job niet goed doen. U gaat druk leggen op dokters en mutualiteiten om mensen gedwongen terug aan het werk te zetten. Is dat een linkse, sociale politiek? Ik had van mijnheer Vandenbroucke toch iets anders verwacht.
Mijnheer de eerste minister, ik heb heel concrete vragen gesteld rond uw akkoord. Ik stel voor dat jullie op dat paasakkoord terugkomen. Het heeft niks, helemaal niks met sociale politiek te maken, maar alleen met koude, budgettaire maatregelen om de militaire uitgaven te kunnen opkrikken in de volgende maanden. Die gaan helemaal geen vrede brengen, maar oorlog. Wie oorlog voorbereidt, krijgt ook oorlog. En wie vrede voorbereidt, krijgt vrede.
Voorzitter:
Le groupe Les Engagés dispose de 10 minutes.
Aurore Tourneur:
Monsieur le premier ministre, le gouvernement est en place depuis trois mois. C'est le premier accord, et nous avons déjà le sentiment qu'on fait le bilan de toute l'année. Laissons les ministres travailler! Et en effet, dans ce nouveau gouvernement, on travaille, on n'est pas d'accord, ça frotte et puis on trouve des solutions. Selon moi, c'est bien cette mission qui nous a été confiée par le citoyen. Soyons donc à la hauteur des enjeux!
Au rayon des bonnes nouvelles tant attendues, nous avons un réinvestissement dans la santé avec une norme de croissance de 2,5 % en 2025 et assurée d'atteindre 3 % en 2029 avec 4 milliards supplémentaires au-delà de l'inflation. Nous avons aussi une valorisation du travail et une pérennisation de la sécurité sociale et de nos pensions avec une limitation des allocations de chômage à deux ans mais aussi avec une augmentation des montants perçus les six premiers mois; avec un statut des artistes qui est intégralement préservé; avec un renforcement du budget de notre Justice et de notre Défense; avec une politique de transition énergétique et climatique avec une baisse de la TVA sur la démolition-reconstruction et une feuille de route pour réduire l'impact environnemental et carbone de nos bâtiments.
Parmi ces avancées que je viens de citer, une nous tient particulièrement à cœur car elle constitue un des marqueurs forts des Engagés; il s'agit du droit au rebond qui incarne une mesure socialement utile, économiquement responsable et humainement moderne. Permettre à un travailleur de quitter son emploi de manière encadrée tout en bénéficiant temporairement des allocations de chômage, c'est reconnaître la réalité de parcours professionnels qui peuvent à certains moments s'essouffler, sans pour autant sombrer. Ce mécanisme vise à éviter les situations de rupture brutale, comme les arrêts maladie de longue durée ou les licenciements conflictuels, tout en encourageant la mobilité professionnelle dans un cadre clair et limité.
C'est une solution que les Engagés ont toujours défendue et portée haut et fort. C'est une mesure de santé mentale au travail, de fluidité sur les marchés de l'emploi et de respect mutuel entre travailleur et employeur. Loin d'être une brèche dans notre sécurité sociale, c'est une véritable soupape intelligente pour la renforcer. Alors, nous soutenons cette orientation, mais des clarifications s'imposent pour s'assurer que cette mesure tienne ses promesses sans créer de déséquilibre ou d'effet pervers.
Monsieur le premier ministre, j'ai plusieurs questions relatives à ce beau projet. Au niveau de l'encadrement du dispositif, quelles balises concrètes seront-elles mises en place pour éviter les détournements ou les démissions de convenance? Un accompagnement systématique des bénéficiaires est-il prévu, notamment en matière de formation, d'orientation ou de reconversion?
Au niveau de l'impact sectoriel et des métiers en tension, ce droit est-il modulé ou adaptable en fonction de la situation dans les secteurs en pénurie? Quels dispositifs d'anticipation ou de concertation sont-ils prévus pour éviter que des secteurs déjà sous pression ne voient partir leurs talents sans aucune relève?
Monsieur le premier ministre, depuis la semaine dernière, une fronde profonde agite le pouvoir judiciaire. La réforme des pensions a agi comme un détonateur. Et il ne s'agit pas d'un simple sursaut corporatiste, mais bien d'un signal d'alarme qui est lancé par un pouvoir constitué de notre État de droit démocratique. Il est de notre responsabilité collective de ne pas l'ignorer.
Les Engagés reconnaissent pleinement, comme je l'ai déjà souligné, la nécessité d'une réforme des pensions dans un souci d'équilibre budgétaire et de solidarité pour les générations futures. Nous rappelons que toute réforme doit être menée avec nuance et proportionnalité. Une justice sous contraintes économiques ne peut être ni sereine ni solide.
Par ailleurs, face à une criminalité de plus en plus organisée et décomplexée, il est essentiel que cette dernière perçoive que le monde politique se soucie de bâtir une magistrature forte. L'autorité de la Justice se construit aussi à travers des signaux envoyés par le pouvoir politique. Indépendance et qualité ne peuvent rester de simples déclarations de principes. Elles doivent s'incarner dans des actes concrets et visibles.
En outre, un magistrat sur quatre va partir à la retraite dans les dix prochaines années. Or, comme le souligne le Conseil supérieur de la Justice, le processus de nomination est long et le recrutement déjà difficile, malgré les campagnes ambitieuses telles que la semaine de la magistrature. Il convient aussi de rappeler que, contrairement à d'autres fonctions, les magistrats sont soumis à une interdiction stricte d'exercer toute activité professionnelle parallèle. La perspective d'une pension stable reste donc l'un des rares leviers d'attractivité pour une fonction essentielle mais peu concurrentielle face au secteur privé.
Nous saluons les engagements pris dans l'accord de gouvernement visant à renforcer l'attractivité de la magistrature, notamment par la création d'un deuxième pilier. Mais force est de constater que la réforme en projet risque de potentiellement contrarier ces objectifs en tarissant les vocations, en asséchant les recrutements et en fragilisant dès lors nos piliers démocratiques.
Monsieur le premier ministre, mes questions sont peut-être trop précises et seront ultérieurement posées aux ministres compétents s'il échoit. Pouvez-vous confirmer que les magistrats retraités et futurs retraités pourraient perdre jusqu'à 40 % de leur pouvoir d'achat? La réforme des pensions s'appliquera-t-elle également aux juges de la Cour constitutionnelle ainsi qu'aux magistrats du Conseil d' É tat? Une étude d'impact a-t-elle été menée concernant les effets pervers de ces mesures sur l'indépendance du pouvoir judiciaire et sur l'attrait de la magistrature, notamment en tenant compte des effets cumulatifs des différentes dispositions? À la suite de la concertation sociale du 22 avril avec les représentants du pouvoir judiciaire, pouvez-vous faire état à la Chambre des conclusions et du suivi qui est prévu? Entendez-vous poursuivre un dialogue structuré et approfondi avec les instances représentatives telles que le Conseil consultatif de la magistrature, l'entité de cassation, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public? Enfin, pouvez-vous confirmer que les ministres des Pensions et de la Justice travaillent en étroite coordination afin d'appréhender la magistrature non comme une simple variable d'ajustement budgétaire, mais bien comme un pilier fondamental de notre É tat de droit qu'il convient de préserver, de valoriser et de renforcer dans un esprit de dialogue et de concertation véritable? Je vous remercie déjà, monsieur le premier ministre.
Brent Meuleman:
Mijnheer de premier, bedankt voor uw toelichting bij het paasakkoord. Deze regering neemt een volgende noodzakelijke etappe met een akkoord dat verre van evident, maar wel noodzakelijk was.
Vooruit stapte in deze regering met een heel duidelijke opdracht: verantwoordelijkheid nemen. Niet aan de zijlijn staan roepen, maar mee beslissen. Niet weglopen van de uitdagingen, zoals sommigen doen, maar er recht op afgaan, omdat de toekomst van onze welvaart op het spel staat, omdat de wereld in brand staat. Als het brandt, dan moet er geblust worden. Ik stel vast dat aan de linkerzijde enkel de socialisten hun laarzen aantrekken en de mouwen opstropen.
Collega's, dit paasakkoord is een compromis in moeilijke omstandigheden. Het zijn moeilijke tijden. Mensen zijn bezorgd om hun job, om hun pensioen, om betaalbare zorg en om hun energiefactuur. Meer dan ooit heeft ons land nood aan daadkracht en aan politici die verantwoordelijkheid nemen. Meer dan ooit is het nodig om het verschil te maken voor gewone mensen die elke dag hun stinkende best doen.
Ik licht graag vier concrete zaken uit het paasakkoord toe die voor Vooruit heel belangrijk zijn.
Ten eerste, meer mensen in de zorg. De zorgsector kreunt onder de druk. Iedereen ziet het. Meer dan ooit hebben we mensen nodig die willen en kunnen zorgen. Daarom zorgen we ervoor dat wie een opleiding tot zorgkundige of verpleegkundige volgt, zijn of haar werkloosheidsuitkering behoudt. Zo zorgen we niet alleen voor het zorgpersoneel van vandaag, maar ook voor dat van morgen.
Ten tweede, alle pensioenen krijgen een index. In plaats van helemaal geen index komt er dan toch een indexering voor de sterkere pensioenen. Het is niet meer dan fair om ook de koopkracht van die mensen te beschermen. Pensioenen worden geïndexeerd. Punt. Zo investeren we in de koopkracht van onze gepensioneerden.
Ten derde, de fiscale fraude strenger aanpakken. Wie fraudeert, die raakt aan onze samenleving. Daarom komt er een turbo op de strijd tegen fraude van grote vermogens. Door datamining op het vermogenskadaster van financiële vermogens mogelijk te maken, zullen inspecteurs fiscale fraude sneller kunnen opsporen en aanpakken.
Ten vierde is het heel belangrijk voor Vooruit dat het kunstenaarsstatuut gered is, of dat het kunstwerkattest, zoals het vandaag heet, behouden blijft. Daar hebben we met Vooruit keihard voor gestreden. Met het kunstwerkattest bieden we kunstenaars een volwaardige sociale bescherming. Onze cultuursector heeft al zeer zware klappen gekregen en toch bleef die overeind en bleef die verbinden. Vandaag zorgen we voor sociale bescherming, voor waardering en voor zekerheid voor mensen die onze samenleving verrijken met creativiteit en schoonheid. Dat is geen detail, collega's, dat is beschaving.
Collega's, de keuze die wij maken, is een keuze voor vooruitgang. We maken het verschil, niet met grote woorden, maar met concrete maatregelen, niet door slogans, maar met inhoud. In deze onzekere tijden hebben mensen veel vragen.
Omdat er helaas ook veel fake news wordt verspreid, maak ik nog eens heel duidelijk dat we investeren in zorg en opleidingen, dat we mensen hun pensioenen beschermen, dat we fiscale fraude aanpakken en dat we cultuur niet laten vallen.
Collega's, de volgende jaren beloven moeilijk te worden – niemand ontkent dat – maar wij kiezen ervoor om niet te verzinken in cynisme of in stilstand. Wij geloven dat we samen vooruit kunnen. Laat dat ook het kompas blijven voor iedereen hier, niet de waan van de dag volgen, maar op een duurzame manier het verschil maken in het leven van de gewone mensen.
Franky Demon:
Mijnheer de eerste minister, de regering is van start gegaan met de belofte een hervormingsregering te zullen worden. Het regeerakkoord bevat daartoe ons inziens absoluut de nodige krachtlijnen.
Met het zogenaamde paasakkoord dat u en uw regering vlak voor het reces konden bereiken, worden nu ook enorm belangrijke stappen gezet om die ambities uit het regeerakkoord te vertalen in effectief beleid. Als we onze welvaart en sociale zekerheid voor de lange termijn willen beschermen, moeten we actie ondernemen.
De regering wil daarom zoveel mogelijk mensen aan de slag krijgen. Dat doen we door de werkloosheidsuitkering te beperken in de tijd. Daarbij was het voor cd&v wel belangrijk dat oudere werknemers beschermd zouden worden. Daarom voorziet het akkoord dat 55-plussers hun uitkering niet in de tijd beperkt zien, op voorwaarde natuurlijk dat ze 30 jaar beroepsverleden hebben kunnen aantonen.
Wie wil werken en bijdragen aan de maatschappij en een opleiding volgt voor een knelpuntberoep, mag wat onze fractie betreft evenmin worden afgestraft. Daarom hebben we ervoor gestreden dat die mensen hun opleiding kunnen afmaken.
Met het paasakkoord werken we ook een aantal ongelijkheden weg. Pleegouders verdienen ons allergrootste respect. Hun inzet en toewijding zijn exemplarisch.
Cd&v heeft er dan ook voor gestreden dat ook zij voortaan aanspraak kunnen maken op ouderschapsverlof. Het eerste wetsvoorstel ter zake van mevrouw Lanjri ligt hier al een tijdje voor, namelijk sinds het jaar 2000.
Ook inzake pensioenen nemen wij onze verantwoordelijkheid. Cd&v kwam reeds tijdens de vorige legislatuur met een pensioenplan dat langer werken aanmoedigde zonder de pensioenleeftijd te verhogen. Dat is exact wat deze regering ook doet, onder meer door zelfstandigen die na hun pensioen doorwerken de mogelijkheid te geven om verder pensioen op te bouwen.
Als partij van de lokale besturen zijn wij voorts tevreden dat alle besturen ondersteuning zullen blijven krijgen voor het betalen van de responsabiliteitsbijdragen indien zij in aanvullend pensioen voorzien voor hun contractuele ambtenaren.
Het paasakkoord voorziet tevens in een investering in nabije zorg. In totaal voorzien wij daarvoor tijdens deze legislatuur 5 miljard euro extra. Collega’s, ik herhaal het, 5 miljard euro extra.
De regering focust ook op een betere work-life balance . Daarom worden grotere bedrijven ertoe aangezet om in te zetten op werkbaar werk, zodat het aantal langdurig zieken daalt. Onze fractie is daarom tevreden met de maatregel dat werkgevers, uitgezonderd kmo’s, een bijdrage van 30 % moeten betalen op de ZIV-uitkering in de tweede en derde maand ziekte van de werknemers, uitgezonderd voor de oudere werknemers.
Mijnheer de eerste minister, een eerlijke fiscaliteit is voor cd&v steeds een topprioriteit geweest. Wij zorgen er met het paasakkoord voor dat grotere vermogens een extra bijdrage betalen. Er wordt een antimisbruikbepaling ingevoerd om de ontwijkingsmogelijkheden voor de effectentaks in te perken. De belastingaangifte wordt vereenvoudigd. Er komen minder codes, minder absurde aftrekposten en er komt meer duidelijkheid voor de burger.
De keuze tussen slopen of renoveren moet afhangen van de staat en het potentieel van de woning en niet van het fiscale regime. Daarom wordt het verlaagde btw-tarief op sloop en heropbouw uitgebreid naar sleutel-op-de-deurwoningen.
In een internationaal gespannen context en met een oorlog op het Europese continent neemt ons land zijn verantwoordelijkheid en versterkt het zijn inspanningen voor het waarborgen van de Europese veiligheid.
We honoreren onze verplichtingen ten aanzien van de NAVO en gaan versneld richting de 2 %, maar we doen dat op een realistische manier die zowel op het vlak van investeringen als schuldimpact op maat van ons land is.
Voor onze partij was het enorm belangrijk om naast buitenlandse veiligheid ook in binnenlandse veiligheid te investeren. Minister van Justitie Annelies Verlinden streed daarom succesvol voor bijkomende middelen voor haar departement om de overbevolking in de gevangenissen te kunnen aanpakken en om de georganiseerde criminaliteit een halt te kunnen toeroepen. Deze regering maakt werk van effectieve strafuitvoering en een correcte reclassering van gedetineerden en zet in op een beperking van recidive. Minister Verlinden wil investeren in jammers, zodat drugscriminelen hun activiteiten niet meer kunnen verderzetten vanuit de gevangenis.
Het plaatstekort in onze gevangenissen is geen nieuw probleem. Voorgaande ministers van Justitie wisten dat er onvoldoende ruimte was om straffen korter dan drie jaar volledig uit te voeren, maar toch lieten ze toe om die extra capaciteit te creëren, waardoor ons inziens in het verleden straffeloosheid toenam. Met haar extra middelen kan minister Verlinden voorzien in containercellen, oude gevangenissen langer openhouden en versneld werk maken van een ketenaanpak om gedetineerden in onwettig verblijf sneller het land uit te zetten. Het siert gewezen minister Van Tigchelt dan ook dat hij in een krant gisteren nog zei: we hebben ons voor een stukje mispakt aan de strafuitvoeringsrechters. Dat siert hem.
Last but not least wil ik ook stilstaan bij de afspraken die gemaakt werden aangaande het beleidsdomein Asiel en Migratie. We zijn tevreden dat er snel werk gemaakt zal worden van het wetgevend werk, dat gunstig moet bijdragen aan de instroom en waardoor ook het steeds hoger aantal verzoekers om internationale bescherming verder kan worden ingeperkt.
Dit kan onder meer door de toegang tot het opvangnet te beperken voor asielzoekers die reeds in een andere EU-lidstaat bescherming genieten en door de verzoeken van aanvragers die in een andere lidstaat reeds een definitieve beslissing kregen als een volgend verzoek te beschouwen. Ook inzake gezinshereniging worden er nieuwe maatregelen genomen. Denk bijvoorbeeld aan de inperking van de grace period voor erkende vluchtelingen, waarvoor ik zelf nog een wetsvoorstel had ingediend.
Hervormingen op korte termijn volstaan voor ons echter niet. We moeten nog een stap verder gaan. We waren heel verbaasd dat we in de eerste documenten van de minister van Asiel en Migratie niets zagen staan over het Migratiewetboek. We hebben in deze commissie meerdere keren aan minister Van Bossuyt gevraagd om dat daarin op te nemen en het siert u en uw regering dan ook dat u daarrond nu duidelijke afspraken hebt gemaakt. Voor cd&v is het duidelijk. Wij vragen u om erover te waken dat het nieuwe Migratiewetboek zeker tegen begin 2027 naar dit Parlement komt. Dit is een instrument waarmee we verder kunnen werken. We zullen erop toezien dat het engagement dat werd aangegaan in het paasakkoord ook geremunereerd wordt.
Mijnheer de premier, er ligt een ambitieus akkoord voor dat werk maakt van de hervormingen waaraan ons land grote nood heeft. U zult in cd&v een constructieve partner vinden om deze hervormingen de komende weken en maanden te vertalen in concrete wetteksten. We kijken alvast uit naar de verdere behandeling van de programmawet, de begrotingswet en de diverse beleidsnota's.
Voorzitter:
Ik geef nu tien minuten spreektijd aan de Ecolo-Groenfractie. Mijnheer Van Hecke, u hebt het woord.
Stefaan Van Hecke:
Mijnheer de premier, bedankt voor de toelichting en uw komst naar de commissie. Ik zie en ik hoor dat sommigen superenthousiast zijn, zoals van nature uit de heer Ronse, die het een fenomenaal akkoord vindt. En natuurlijk was ook de heer Francken superenthousiast, want de minister van Defensie en Oorlog kreeg 21,3 miljard euro extra investeringen, waarvan 16,8 miljard via dit paasakkoord.
De heer Francken schuwde de grote woorden niet. Het ging om de “grootste investering in Defensie in veertig jaar”. Maar dit budget lijkt eerder de slechtst gefinancierde begroting in veertig jaar, als we naar de cijfers kijken, die eigenlijk luchtkastelen zijn.
Collega's, die 4 miljard euro, die 2 % die we normaal over verschillende jaren zouden bereiken, moet dit jaar al gehaald worden. Om dat even in perspectief te brengen: dat is acht keer het werkbudget van Buitenlandse Zaken, dat is vier keer het federaal budget voor Ontwikkelingssamenwerking. En dat bedrag komt er elk jaar bij.
Wat gaan jullie doen met die 4 miljard euro dit jaar? Dat zouden jullie pas weten tegen 1 juli. Maar de markten, collega's, zijn oververhit geraakt. De prijzen van het militair materieel zijn zeer hoog. Gaan jullie dus vlug enkele aankopen doen? Vlug enkele bestellingen plaatsen? Ik denk niet dat dat echt heel slim zou zijn.
De grote vraag blijft hoe de regering dit gaat betalen? Hoe gaat dit gefinancierd worden? Volgens de cijfers en de tabellen rekent u in de eerste plaats op Euroclear en Belfius. Op Euroclear rekent u tot in 2029. In 2025, in 2026, in 2027, in 2028, in 2029: elk jaar 1,2 à 1,3 miljard euro. Rekent u er dan op dat de oorlog in Oekraïne gaat duren tot 2029? Als er een vredesakkoord zou zijn in 2025 of in 2026, en een aantal maatregelen wordt opgeheven, wat gaat u dan doen met die voorgenomen inkomsten uit Euroclear? Via Belfius rekent u tweemaal op 500 miljoen euro.
Dan moet u nog op zoek gaan naar welke uitgaven eventueel onder die NAVO-norm kunnen vallen. En dat loopt op: in 2028 tot 500 miljoen en in 2029 tot 750 miljoen. Dat is echt nattevingerwerk. Hoe komt u daarbij? Hoe hebt u dat berekend? Er is geen enkele garantie dat de uitgaven van bijvoorbeeld gewesten of andere departementen door de NAVO zullen worden erkend.
Er is ook nog de post 'structurele financiering'. Daar bent u nog niet uitgeraakt, maar die loopt op tot 1 miljard euro in 2029. Waar zal de regering die structurele financiering vinden? Zelfs met die structurele financiering van 1 miljard euro komt u nog altijd 5 miljard euro tekort. Dat is nog een zeer optimistische schatting. Dat zijn budgettaire luchtkastelen die u aan dit Parlement voorstelt, maar volgens de heer Ronse van de N-VA is het 'fenomenaal'. Waar zal de regering die 5 miljard euro vinden? Het zal trouwens veel meer zijn.
Zal de regering dan opnieuw besparen op ontwikkelingssamenwerking, de sociale zekerheid – zoals bepaalde coalitiepartners wensen –, de pensioenen, de gezondheidszorg? Het zou heel dom zijn om overheidsparticipaties te verkopen, omdat ze ons soms flink wat geld opbrengen. De premier klinkt toch wel voorzichtig. Het heeft inderdaad geen zin om die participaties te verkopen die geld opbrengen. Of gaat de regering toch nog extra schulden aan? In dat financieringsverhaal horen we niets over de bijdrage van de grootste vermogens. De regering kijkt daar niet naar, maar wel naar de sociale zekerheid.
Het gaat niet alleen over dat bedrag van 16,8 miljard euro. De regering zal in totaal 21,3 miljard euro moeten vinden. In juni kan de NAVO beslissen om de norm van 2 % van het bnp te wijzigen in 3 % of 3,5 %. Hoe zullen we dat dan kunnen klaren? Dat is nog eens 6 à 7 miljard euro per jaar extra die zal moeten worden gevonden.
Het spijt me dat ik altijd naar dezelfde persoon verwijs, maar minister Francken communiceert heel veel. Het lijkt wel of hij de uitgaven voor defensie gebruikt als een hefboom om zaken die hem niet bevallen, weg te besparen. Hogere defensie-uitgaven worden gebruikt als een soort breekijzer om zaken af te breken, die sommigen om ideologische redenen willen afschaffen: deftige pensioenen, ontwikkelingssamenwerking, zelfs betaalbare tandzorg. Hij vond het nodig om een vergelijking te maken met de Verenigde Staten, waar men jarenlang fors heeft geïnvesteerd in de defensie-uitgaven, maar de mensen wel 1.000 euro voor tandzorg betalen. Is dat het beeld van onze sociale zekerheid dat bij sommige mensen van de N-VA leeft? Willen ze dat verwezenlijken? Men wil meer geld voor defensie. Als tandzorg 1.000 euro kost, dan is dat zo, in de Verenigde Staten doet men dat ook. Dat is niet het beeld dat wij willen. Het is duidelijk waar sommigen naartoe willen gaan. De budgettaire ruimte, collega's, is beperkt. Volgens de laatste cijfers bedroeg die in 2023 op federaal niveau ruim 14 miljard euro. Hoe zult u dan nog 6 miljard extra vinden als we naar 3 % moeten gaan? Waar zult u dat geld dan vinden? Dit zal een sociaal bloedbad worden, collega's.
Ik zal proberen af te ronden, want mijn collega zal ook nog een aantal zaken zeggen. Ook voor andere zaken is het akkoord immers heel ontgoochelend, bijvoorbeeld wat de klimaatambities van deze regering betreft. Er is geen klimaatstrategie, geen groene taxshift. De vliegtaks bedraagt ocharme 5 of 10 euro per vlucht. In andere landen is dat een pak meer. Er is ook een inconsistent btw-beleid op het vlak van verwarming. Over Justitie zullen we nog wel een apart debat hebben met de minister van Justitie, want het extra geld dat ze gekregen heeft, heeft ze ondertussen al vijf keer uitgegeven.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le président. Monsieur le premier ministre, je vais intervenir en complément de ce que vient de dire mon collègue. Je vous ai entendu parler de la compétitivité des entreprises et dire à quel point ce sont les entreprises qui font la prospérité de notre pays. En fait, monsieur le premier ministre, vous n'êtes pas un CEO. Vous êtes justement le premier ministre. Ce qu'on attend de vous, c'est d'être le garant de cet équilibre entre les droits des travailleurs et cette fameuse compétitivité, pas de faire des cadeaux aux entreprises et d'accéder à toutes leurs demandes sans respecter le bien-être de votre population.
Par ailleurs, qui travaille dans les entreprises? Des chats? Sont-ce des chats qui travaillent dans les entreprises? Monsieur le premier ministre, ce sont des travailleurs et des travailleuses qui font la prospérité de ces entreprises. Donc, aujourd'hui, ce qui est important d'après vous, c'est d'atteindre un taux d'emploi de 80 %. Mais pourtant, ici, on ne voit pas le début d'une mesure qui va permettre d'atteindre ce taux d'emploi. En effet, quand on crée des flexi-jobs, quand on continue à étendre le travail étudiant, on crée des emplois qui ne rentrent pas dans le cadre des 80 % et vous le savez très bien, étant donné qu'il s'agit d'emplois qui ne financent pas la sécurité sociale. Ce sont des travailleurs qui ne cotisent pas pour leur sécurité et leur pension. C'est donc un vrai problème à long terme.
Monsieur le premier ministre, j'ai quelques questions précises. Je commencerai par le droit à la démission. C'est évidemment une bonne idée. Nous portons d'ailleurs une proposition en la matière depuis des années. Mais des balises importantes sont à mettre en place, notamment pour éviter que des travailleurs soient poussés à la démission pour éviter à l'employeur de payer un préavis. Allez-vous mettre en place des balises par rapport à cela?
Dans le cadre de la réforme qui limite l'accès aux allocations de chômage à deux ans, qu'en est-il des personnes qui sont actuellement en formation pour un métier en pénurie, avec une allocation de l'ONEM? Pourront-elles terminer leur cursus sans perte de revenu, même si la formation dépasse deux ans? Par ailleurs, selon quels critères les formations autorisées seront-elles sélectionnées? Comment garantissez-vous que l'accès à ces dispenses reste effectif et équitable à travers les Régions? Allez-vous, de manière explicite, vous baser sur les listes établies par les services régionaux de l'Emploi?
Toujours par rapport à l'exclusion des chômeurs, quelles compensations sont-elles prévues pour les CPAS et, surtout, à partir de quelle date? J'ai lu comme nous tous, que l'exclusion des chômeurs aurait lieu dès le 1 er janvier 2026, mais par contre, ce qui m'inquiète fortement est que le financement compensatoire pour les CPAS ne viendrait qu'à partir du 1 er janvier 2027. Confirmez-vous cette information?
Par ailleurs, le président d'un parti de votre majorité a déclaré que les personnes qui possèdent une seconde résidence et qui bénéficient d'allocations de chômage seront sanctionnées et contrôlées. Pouvez-vous être un peu plus explicite sur cette mesure, monsieur le premier ministre? Seules les personnes qui possèdent une maison au Maroc seront-elles passées au screening? Ou bien celles qui possèdent une maison dans les Ardennes le seront-elles aussi? On aimerait bien avoir un peu plus d'informations par rapport à cela.
Pour ce qui concerne le statut des travailleurs des arts, on a aussi entendu votre ministre de l'Emploi nous dire à quel point il y avait des abus et qu'il fallait lutter contre ces abus. Pouvez-vous nous en dire un peu plus sur les abus auxquels vous pensez? Quels montants souhaitez-vous récupérer de cette manière-là?
Quant aux périodes de maladie, confirmez-vous qu'elles ne seront plus assimilées dans le calcul de la pension? Par exemple, les personnes qui ont été atteintes du covid ou du covid long ne pourront-elles pas assimiler ces périodes-là dans le calcul de leur pension?
Qu'en est-il des dates "P"? Elles ne sont toujours pas disponibles sur le site. Or les écoles doivent s'organiser, notamment par rapport à la DPPR, savoir quels profs seront disponibles ou pas. Cela devient extrêmement urgent d'avoir une réponse pour toutes ces personnes qui sont dans l'expectative.
Enfin, on n'a toujours pas de fumée blanche concernant la taxation des plus-values. On ne comprend donc vraiment plus où se trouve, chers collègues des groupes Les Engagés et Vooruit, l'équilibre dans cet accord de Pâques. Je vous remercie.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn tijd delen met mijn collega, Paul Van Tigchelt.
Mijnheer de premier, dank u voor uw aanwezigheid vandaag, op onze aanvraag. Het was tijd dat u uw paasakkoord kwam toelichten. Ik ben blij dat u de primeur van uw persconferentie voor het Parlement hebt voorbehouden. Jammer genoeg moet ik vaststellen dat het een bisnummer is of misschien zelfs wel een ternummer, want eigenlijk zijn al de delen die u hebt toegelicht, puur de uitvoering van uw regeerakkoord met onder andere de beperking van de werkloosheid in de tijd, de aanpassing van de pensioenen, de fiscaliteit. U hebt die maatregelen al een paar keer verkocht.
Wat wel nieuw is, is uw defensieplan om de 2 %-norm te halen. Wij staan achter de 2 %-norm, zoals wij altijd hebben gezegd. U zwijgt echter over de financiering ervan, mijnheer de premier, en dat is natuurlijk de kern van het verhaal, jammer genoeg.
U vindt zogezegd 4 miljard euro extra voor defensie, maar eigenlijk is een deel daarvan, 2 miljard euro, gewoon niet gefinancierd. U zult die lenen. U zult extra schulden opbouwen. U zult de kosten dus doorschuiven naar de volgende generatie. Dat zijn geen structurele maatregelen. Uw defensieplan is dus niet gefinancierd. Dat zegt de heer Bouchez ook. Het is niet structureel.
Het is uw eerste daad op het vlak van de begroting, mijnheer de premier. Het is 100 % uw beleid. Het beste bewijs is dat er een zomerakkoord moet komen. Dat lezen wij al in de pers. Uw lenteakkoord is net achter de rug en we zien al dat er nood is aan een zomerakkoord. Dat is het beste bewijs dat het plan niet gefinancierd is.
Wat is uw balans na tien weken arizonaregering? Ik ben het ermee eens dat het paasakkoord historisch is, zoals sommigen proclameren. Het is inderdaad historisch op sommige vlakken en zeker op het vlak van de begroting. U hebt namelijk op tien weken tijd een extra begrotingstekort van meer dan 7 miljard euro gecreëerd, mijnheer de premier. Ik licht dat even toe. U hebt geen enkele structurele maatregel ter financiering gevonden.
U hebt opnieuw het beeld gecreëerd dat de overheid de meest onbetrouwbare aandeelhouder ooit is. Er is geen enkel overleg met Belfius en tot nu toe geen steun van haar raad van bestuur. U hebt totale onzekerheid bij de burgers gecreëerd. Zij weten niet hoe uw plan gefinancierd zal worden. Misschien doet u dat via extra belastingen, zoals uw coalitiepartners dat nu al aangeven. Onder andere de heren Mahdi en Seuntjens zeggen dat het plan door extra belastingen moet worden gefinancierd.
Waar komt de 7,5 miljard extra tekort vandaan? Ik licht dat toe op basis van een aantal documenten. Bij de aanvang van uw regering overhandigde u uw begrotingstabellen. U gaf zelf toe dat u begon met een gat van 2,2 miljard euro in 2025. U verslechtert dus uw basis met 2,2 miljard. In maart kregen wij het rapport van het Monitoringcomité. Dat zegt dat de situatie verslechterd is en dat het tekort verder oploopt met 2,4 miljard euro, maar dat hebt u niet rechtgezet met extra maatregelen.
Ik ga verder met uw tabellen voor Defensie. Hoe financiert u dat? U financiert dat met een defensiefonds van een kleine 800 miljoen euro. Dat staat in het paars, omdat het buiten begroting is, wat dus extra schulden betekent. Dat defensiefonds bestaat echter nog niet. Er zijn nog geen overheidsparticipaties verkocht en zelfs als dat gebeurt tegen het einde van het jaar – we zullen nog wel zien -, dan nog is dat niet structureel. Dat zijn oneshotmaatregelen.
En dan, the cherry on the cake , uw paasakkoord is een ongedekte cheque voor Defensie van 2 miljard euro, terwijl uw minister van Begroting een paar weken geleden er nog op hamerde dat alles gecompenseerd moest zijn. U wil het dividend van Belfius ten belope van tweemaal 500 miljoen euro, maar dat is zeker geen structurele maatregel. Dat moet bovendien nog goedgekeurd worden door de ECB en de raad van bestuur van Belfius. Het blijft een tijdelijke maatregel.
Ik ben eigenlijk nog terughoudend wanneer ik zeg dat u een bijkomend tekort van 7,5 miljard hebt gecreëerd, want waarschijnlijk is het nog meer.
U houdt rekening met de Russische tegoeden, maar in het verslag van het Monitoringcomité lezen we op pagina 27 dat die opbrengsten al meegenomen waren in de basisberekening van het Monitoringcomité. U bent het geld dus gewoon twee keer aan het uitgeven, mijnheer de premier. Het Monitoringcomité heeft daar wel rekening mee gehouden, in tegenstelling tot de FOD Financiën. Dat geld moest dienen voor andere uitgaven.
U hebt dus absoluut geen 1,2 miljard euro gevonden, u hebt een niet-gefinancierd defensieplan. Onze grote bezorgdheid – en die werd al gedeeld door uw coalitiepartners en is ook mijn enige vraag – is wie ervoor zal betalen. Bevestigt u wat uw coalitiepartners, cd&v, Vooruit, Les Engagés, in de pers vertellen, namelijk dat de factuur door de belastingbetaler, de hardwerkende en ondernemende mensen, de spaarders zal worden betaald?
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de premier, ik zal de komende minuten proberen voorbij de slogans te kijken. We hebben het namelijk allebei goed voor met Justitie.
Ik heb mij de afgelopen maanden koest gehouden. Dat hoort ook zo voor een voormalige minister van Justitie. Dat is intussen meer dan een jaar geleden – time flies when you’re having fun –, toen de vorige regering volheid van bevoegdheden had. Nu neem ik echter het woord, omdat ik mij zorgen begin te maken. Ik maak mij zorgen over het justitiebeleid, want ik zie stilaan een kloof tussen de woorden van de arizonaregering – het moest strenger, het moest kordater en wel meteen – en de daden.
Laten we eerlijk zijn: de sense of urgency , waar veel arizonapartijen het over hadden, was niet terug te vinden in het regeerakkoord. Er komen amper extra middelen voor Justitie in 2025. Er komen geen dringende investeringen in meer gevangeniscapaciteit. Nochtans werd daarover heel luid geroepen. Dat de nieuwe minister van Justitie na enkele weken naar extra middelen kwam vragen, is het bewijs van het gebrek aan een sense of urgency bij de arizonapartijen.
Men zal nu investeren in unitbouw, in modulaire units, een dossier dat werd voorbereid door de vorige regering. Dat is goed, want dat is realistischer dan een gevangenis bouwen in het buitenland. Een gevangenis bouwen in het buitenland of capaciteit huren in het buitenland klinkt stoer, maar, geloof me, zal aankondigingspolitiek blijven.
Voor het dossier van de unitbouw worden nu via frontloading extra middelen vrijgemaakt. Wat ik daarbij mis, is een concreet plan binnen welke termijn de extra capaciteit ter beschikking zal zijn. Daarentegen zie ik wel een concreet plan om de uitstroom te verhogen via de zogenaamde noodwet.
We hebben ons de moeite getroost om die noodwet en de beslissingen van het paasakkoord uit te vlooien. Overigens was dat niet gemakkelijk, want de communicatie daarover was nogal warrig, wazig en fragmentarisch, maar dat is nu eenmaal de taak van de oppositie en die hebben we ter harte genomen. Wat stellen wij daarin vast? We zien dat het de bedoeling is dat gedetineerden die tot drie jaar gevangenisstraf krijgen, na een derde automatisch vervroegd in vrijheid worden gesteld en dat ze zes maanden daarvoor nog elektronisch toezicht kunnen krijgen.
Premier, ik heb begrip voor die noodmaatregelen. Ik moest immers soortgelijke noodmaatregelen nemen. Een schoonheidsprijs verdienen die maatregelen niet, maar een mirakeloplossing bestaat ook niet. Wat wij echter niet hebben gedaan, maar wat u wel zult doen, is dezelfde maatregel van vervroegde invrijheidstelling toepassen op illegale criminelen. Dat is prima als ze kunnen worden uitgewezen, naar Marokko bijvoorbeeld, dankzij het akkoord dat wij in 2023 met dat land sloten. De voorlopige in vrijheidstelling – ik heb het goed gelezen – zal echter ook plaatsvinden, als de gedwongen uitwijzing niet mogelijk is. Die illegalen komen met andere woorden vrij met een bevel om het grondgebied te verlaten en we weten dat dat papier geen garantie is dat ze het land zullen verlaten. Dat, premier, vinden wij een gevaarlijke maatregel. Ze komen vrij na één derde, verdwijnen in de natuur en we verliezen elke controle. Dat staat bovendien haaks op al wat uw partij de voorbije jaren en maanden heeft gezegd en aangekondigd. U hebt het gezegd in uw uiteenzetting: u bent streng voor asielzoekers, maar blijkbaar niet voor illegale criminelen. Nogmaals, dat hebben wij niet gedaan.
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, votre accord de Pâques est la parfaite transcription de votre accord de gouvernement, et donc nous ne pouvons vous prendre en délit d'incohérence. On a compris l'idée: remettre tout le monde au travail, y compris les chômeurs, les vieux, les malades, tout le monde, même ceux qui ne veulent pas travailler – pourquoi pas – et ceux qui ne peuvent pas travailler – ça c'est plus problématique, avec une seule injonction, la responsabilisation, comme si tout était question de bonne volonté, comme si tous nos problèmes venaient de la paresse et que les conditions macroéconomiques qui gouvernent notre monde n'existaient pas.
On connaît votre logique arithmétique, 100 000 personnes exclues prochainement du système, comme l'exprimait avec une fierté quand même un peu étrange votre ministre de l'Emploi, et 175 000 emplois dans les métiers en pénurie. On connaît votre recette: on va couper le robinet, et ces personnes sans emploi vont, par magie, se transformer en enseignants, en infirmières, en chauffeurs de bus, etc.
Dans le vrai monde, ce n'est pas comme ça que ça va marcher. Bien sûr, il y a des fraudeurs et des profiteurs, mais il y a aussi, dans ces 100 000 personnes que vous allez exclure, des gens qui cherchent du travail et n'en trouvent pas ou n'ont pas les bonnes qualifications. Sans doute, allez-vous pousser quelques fraudeurs à se prendre en main, très bien, mais avec cette même arme aussi peu nuancée, vous allez aussi envoyer des personnes vers la précarité, sans leur donner les outils pour rebondir.
Vous allez faire exploser le taux de pauvreté avant de faire grimper le taux d'emploi. Pour une seule raison, vous renoncez quasi structurellement à toute politique ambitieuse en termes de formation, d'orientation et d'innovation, parce que l'angle mort de votre politique de l'emploi, c'est la formation. Vos partenaires pourtant, le cd&v ou Vooruit, avaient proposé qu'on fasse exception à votre limitation pour les personnes qui choisissent un métier en pénurie.
Vous limitez cette possibilité au 1 er janvier 2026, sauf pour les métiers du secteur de la santé. Mais on ne manque pas que de gens dans les métiers de la santé, on manque aussi d'enseignants et de gens dans des tas d'autres fonctions. Et donc – la question reste pendante –, comment allez-vous transformer des dizaines de milliers de personnes, par exemple, en chauffeurs de bus?
Vous préservez le statut d'artiste – Vooruit vient de confirmer qu'il a fallu se battre et que nombreux étaient ceux qui voulaient purement et simplement le supprimer autour de la table –, mais vous annoncez vouloir lutter contre les abus. Mais quels abus, grands dieux? Le système est déjà conçu comme un système anti-abus. Votre ministre de l'Emploi a pris l'exemple d'un emploi de barman dans un théâtre, ce qui ne ressortit pas du tout au statut d'artiste. Et donc, outre la question de la maîtrise du dossier par le gouvernement, j'ai une question toute simple: pourriez-vous me citer un exemple d'abus de statut d'artiste contre lequel le gouvernement entend lutter?
Une inquiétude a été soulevée par une autre collègue quant aux compensations pour les pouvoirs locaux. Le président du CPAS de Liège, par exemple, affirme que, d'après ses tableaux budgétaires, le soutien aux CPAS en compensation de ces mesures n'interviendrait qu'en 2027, ce qui voudrait dire que, durant un an, les CPAS de ce pays devraient accueillir un public nouveau sans recevoir de moyens. Le confirmez-vous?
Alors, à propos des 526 000 personnes en arrêt maladie, on ne peut que vous rejoindre dans l'idée d'une responsabilisation générale, même si la manière dont vous comptez contrôler les médecins laisse perplexe. Il est d'ailleurs frappant de voir que vous pariez sur la bonne foi et le droit à l'erreur pour le contribuable, à raison, mais pas pour le malade ni pour le médecin.
Voilà qui m'amène au point commun entre vos mesures sur les demandeurs d'emploi et sur les malades. C'est qu'il s'agit d'un contrat de méfiance entre le gouvernement et le citoyen. À part la bonne foi du contribuable, vous ne pariez sur la bonne foi de personne, ni des demandeurs d'emploi, ni des médecins, ni des malades.
Vous ne pariez pas non plus sur l'énergie des citoyens. Sur les allocations de chômage, la presse a pu trouver facilement l'exemple d'une série de citoyens que vos mesures vont toucher de plein fouet et qui, pourtant, n'ont rien à se reprocher. Des accidentés de la vie, des mères célibataires, parfois des personnes qui se forment à un métier en pénurie. Et c'est là que le bât blesse. Une économie qui tourne, une société qui fonctionne, ça réclame de la confiance de la part des entreprises, des travailleurs et du gouvernement. Et vous avez décidé d'être un gouvernement de la défiance.
Si nous avons autant de personnes sans emploi, si nous avons un demi-million de personnes en arrêt maladie, c'est pas parce que nous serions un pays de fainéants, c'est parce qu'il y a une crise sur le sens du travail, c'est parce que de nombreux citoyens ne sont pas heureux de ce qu'ils font. À tout ceux-là, parce que vous ne misez ni sur la formation, ni sur l'orientation, ni sur l'innovation, vous ne dites rien. Vous dites en gros "bougez-vous et allez faire quelque chose que vous détestez, vous réfléchirez au sens de la vie quand vous serez morts".
Avant de conclure, j'aimerais revenir sur deux éléments. Tout d'abord, vous avez mis en avant avec une certaine fierté la taxe de 1 000 euros sur l'accès à la nationalité. Moi, je regrette que l'Arizona ait inventé la nationalité censitaire. On pourrait se réjouir de voir l'accès à la nationalité belge acquérir subitement une si grande valeur pour la N-VA, vous qui avez un jour déclaré que, si vous pouviez mourir en tant que Néerlandais du Sud, vous mourriez plus heureux qu'en tant que Belge.
Or, nous savons qu'en fait, il s'agit d'un argument purement dissuasif. Pourquoi faire payer 1 000 euros l'accès à la nationalité? C'est là une vraie question, que j'ai d'ailleurs déjà posée à Mme Van Bossuyt et je n'ai jamais obtenu de réponse. Qu'on demande la réussite d'un parcours d'intégration ou la maîtrise d'une ou plusieurs langues nationales, pourquoi pas, je le comprends et je trouve même cela très bien. Mais je ne comprends pas bien la philosophie qui consiste à demander des sommes exorbitantes à quelqu'un qui remplit toutes les conditions pour rejoindre notre communauté nationale. C'est purement dissuasif et, là encore, c'est tout l'inverse d'un contrat de confiance.
Enfin, sur la Défense, c'est le grand flou. Vous allez chercher 2 milliards d'euros sur un emprunt hors budget à rembourser ensuite par la vente d'actifs. Je crois que nous avons tous compris que c'est un tour de passe-passe que vous êtes obligé de faire parce que vous ne pourrez vendre des actifs que pour diminuer un endettement. Dès lors, vous êtes obligé de commencer par l'endettement. Nous sommes en droit de comprendre ce que va nous coûter réellement cet endettement.
Par ailleurs, vous placez dans l'équation un dividende exceptionnel de Belfius qui, par définition, ne peut pourtant pas être structurel. Cela manque de transparence.
En ce qui concerne la manière de dépenser cet argent, je ne peux que vous encourager, une fois encore, à ne pas investir dans de nouveaux F-35. Si vous n'êtes pas convaincu par les arguments de dépendance technologique vis-à-vis des USA, qui sont pourtant évidents, tenez compte de la fragilité logistique. Vous êtes allé à Kiev et vous êtes donc bien placé pour savoir que, si nous sommes incapables de livrer nos vieux F-16, c'est parce que nous courons après des pièces détachées qu'il est impossible de trouver. Ces difficultés logistiques vont être multipliées si vous vous engagez encore sur des F-35. S'il vous plaît, ne continuez pas dans cette folie financière et stratégique.
J'en ai fini, monsieur le président.
Voorzitter:
Merci, monsieur De Smet, d'avoir été aussi bref.
Mijnheer de eerste minister, het is gebruikelijk dat het Parlement het laatste woord krijgt, dus ik zou u willen vragen om bondig te antwoorden, zodat er nog tijd rest om te repliceren.
Bart De Wever:
Monsieur le président, j'essayerai d'être bref, mais ce ne sera pas facile, étant donné qu'on m'a posé des centaines de questions.
Ik zal proberen zo snel mogelijk door die vragen te lopen.
Met betrekking tot het budgettair kader kan ik u zeggen dat ten laatste in de week van 28 april de begroting zal worden ingediend. Ik heb uiteraard alle begrip voor uw ongeduld, maar we werken zo snel als we kunnen. De regering is helaas pas na acht maanden tot stand gekomen, in een lopend budgetjaar. Het is niet dat wij per se cijfers willen achterhouden, we werken zo snel we kunnen. Het komt eraan.
Er werden veel vragen gesteld over de NAVO-normering. Voor alle duidelijkheid, er is geen camouflage van uitgaven. Het gaat over de regels die de NAVO zelf hanteert met betrekking tot wat militaire uitgaven zijn, wat binnen die normering valt. Het betreft ook vragen die de NAVO stelt. De NAVO is geen organisatie van amateurs. Het is niet zo dat men allerlei kosten kan labelen en dan kan zeggen dat die kosten nu militair zijn.
Er zijn echter wel mogelijkheden om in die NAVO-normering bijvoorbeeld enablement te schuiven. Daarover werden ook heel concrete vragen gesteld. In die zin moet men natuurlijk ook de betrokkenheid van de deelstaten lezen. Mevrouw Ponthier, u sprak over die kilometerheffing. Dat is totaal nieuw voor mij, ik weet niet waarover het gaat. Als een deelstaat bijvoorbeeld in infrastructuur investeert, die ook op het vlak van enablement , dus de mobiliteit van de NAVO-troepen, aangerekend kan worden, zou het eigenlijk dwaas zijn om het niet in het defensiebudget te stoppen. Dat staat nog los van het feit of men daarmee naar 2 % of zelfs voorbij 2 % zou gaan.
Het is zelfs een opportuniteit om de 3RX, de IJzeren Rijn, voor wie hier al wat langer zit, te realiseren, aangezien de NAVO die ook als kritieke infrastructuur voor de west-oostbeweging, de snelle beweging van troepen, heeft aangemerkt. Dat geldt ook voor bijvoorbeeld de investering in haveninfrastructuur. Dat zit op het niveau van de deelstaten en dat zou dan NAVO-aanrekenbaar zijn. Andere inspanningen van de deelstaten, laat staan fiscale inspanningen, hebben wij niet gevraagd en zijn niet bekend.
Ook medische weerbaarheid zou dan NAVO-aanrekenbaar kunnen zijn. Er zitten daarin twee elementen. Men kan de begroting navlooien. Collega's hebben opgemerkt dat het een stijgende lijn is. Men kan ze navlooien op welke dingen die we doen, NAVO-aanrekenbaar zijn. Let op, het betreft geen nieuw geld. Het is gewoon een uitgave die al gepland en gebudgetteerd is, die dan NAVO-aanrekenbaar wordt. Er zit echter ook een tweede element in. Onder het stijgende budget van Defensie worden uitgaven mogelijk die niet gebudgetteerd zijn, waarvoor geen centen waren, maar die met defensiegeld kunnen worden gefinancierd.
Dat is natuurlijk heel interessant, zeker als zaken daarvan ook voor civiel gebruik nuttig kunnen zijn. Daarbij denk ik aan bijvoorbeeld een stock inzake medisch materiaal of medische capaciteit, die in geval van militaire conflicten militair aangewend kan worden, maar die nu niet voorzien is in de begroting. In mijn ogen zou het nogal dwaas zijn om dat nu, in een stijgend defensiebudget, niet te voorzien. Ook denk ik aan zaken waarbij defensie voor binnenlandse veiligheid kan worden ingezet. In veel Europese landen bestaat die traditie, maar wij kennen die minder, al hebben we dat incidenteel gedaan. Het is onze intentie, zoals in het regeerakkoord is voorzien, om defensie daarvoor structureel in te zetten, in een welbepaald in het regeerakkoord omschreven kader, en het zou desgevallend raar zijn om de NAVO-norm, die voorzien is, daarvoor niet te gebruiken.
Misschien weet u het niet, maar een van de grootste achteruitgangen in de Belgische defensie, puur budgettair bekeken, qua comptabiliteit, was de afschaffing van de rijkswacht, aangezien dat een militaire uitgave was. Met de afschaffing van de rijkswacht zijn we tienden gezakt in de NAVO-ranking. Ik pleit niet voor de militarisering van de politie, don't worry , dat is niet voorzien, ik zeg alleen dat het over zulke dingen gaat inzake de NAVO-norm. Ik vrees dus dat u daar dingen in leest waardoor uw fantasie een beetje op hol is geslagen.
Ik spring enigszins van de hak op de tak, waarvoor mijn excuses, maar nu kom ik tot de pensioenhervorming voor de parlementsleden. Het is een traditie en ook onvermijdelijk dat de wetgever de pensioenen van de samenleving reguleert en dat het Parlement zich daaraan vervolgens confirmeert. In de periode dat ik parlementslid was, is dat nooit anders geweest, en ik heb al wel wat pensioenhervormingen in het statuut meegemaakt. Toen ik begon, was het stelsel echt nog zeer gunstig, want met de tantièmes had men na twintig jaar als parlementslid een volledig pensioen. Ik heb op die manier met mijn eerste tien jaar als parlementslid al de helft van mijn pensioen. Dat dit niet echt meer evident is in onze samenleving, aangezien wij helaas door de stijging van de sociale uitgaven maatregelen moeten nemen, is een logica die niemand zal ontkennen. Ook de nu op handen zijnde pensioenhervorming zal doorgetrokken moeten worden en een vertaalslag moeten krijgen in de parlementaire pensioenen. Dat kan een grote ontdekking genoemd worden of men kan er grote controverse rond maken, maar ik zie dat niet. Wel dient het Parlement zichzelf te reguleren, niet de regering of een regeerakkoord. Het komt u als parlementsleden toe.
Maak dus alstublieft geen grote populistische controverse – dat is niet nodig – van de sequens waarbij het Parlement de samenleving volgt en zich schikt naar de inspanningen die we van de samenleving vragen, met de nodige moeilijkheden, want het statuut is een statuut sui generis. Dat is dus altijd een beetje schipperen. Het lijkt me de logica zelve, maar het is aan u om dat te doen. Ik denk dat de nodige werkzaamheden daarvoor ook al lang gepland zijn. Het is eigen aan eenieder om zich te profileren in dat soort zaken – dat begrijp ik – maar laat ons toch een beetje sereen blijven in dat soort dingen. Ik heb hier niemand, tenzij u me nu gaat tegenspreken, horen zeggen dat parlementsleden geen inspanningen moeten doen, dat ze niet gaan volgen en dat ze alles wat ze hebben, linea recta willen behouden. Het andere uiterste is de race to the bottom . Die vind ik ook verwerpelijk en daar heb ik ook wel echo's van gehoord in deze commissie.
Wat asiel en migratie betreft – sorry voor de hak op de tak –, maatregelen inzake de uitstroom ontbreken inderdaad. Dit is uiteraard de eerste uitvoering van het regeerakkoord. De maatregelen op korte termijn die ik kan nemen, zijn uiteraard bij uitstek op de instroom gericht. Er staat in het regeerakkoord heel wat over de uitstroom en dat zal heus nog wel worden gerealiseerd, maar dat zijn, als men realistisch is, maatregelen die niet evident zijn, die tijd vergen en die geen toverstokje zijn. Sommigen zeggen om gewoon naar de Europese Commissie of naar Ursula, zoals sommigen het nogal kinderlijk voorstellen, te gaan met de boodschap dat het een noodgeval is en alles dan opgelost is. Als men dat wil geloven, doe dat dan gerust, maar dat is niet de realiteit. Als het zo eenvoudig was, dan zouden heus wel wat Europese landen dat hebben gedaan.
Wij zijn ondertussen als België op basis van ons regeerakkoord uitgenodigd bij de club van de eerder kritische landen over het Europese migratiemodel, die bij elkaar komen en die met name inzake de uitstroom ideeën uitwerken en die trachten om van die ideeën Europese beslissingen te maken. Zeggen dat dat een proces is dat met een vingerknip verloopt, is helaas echter niet waar. Ik wou dat het waar was.
Madame Delcourt, vos questions sur le contrôle des certificats médicaux sont précises et je vous invite à les poser aux ministres responsables. M. Vandenbrouke a annoncé qu'il créerait une banque de données et qu'il organiserait un datamining sur la politique de prescription. Mais il doit encore travailler sur ce sujet et devra présenter son projet avant le 1 er juillet de cette année, si je ne m'abuse. L'affaire est donc à suivre.
De nombreuses questions ont été posées sur le statut d'artiste, notamment par les collègues francophones. Nous avons parlé des abus et de la façon de lutter contre ceux-ci. M. De Smet a même prétendu qu'il n'y en avait pas. C'est possible! La lutte contre les abus est une compétence régionale. Ce débat doit être mené au sein des parlements régionaux. Dire qu'il n'y a pas d'abus, c'est possible, mais je suis étonné par les chiffres. Il y a de grosses différences entre les Régions, notamment en Région de Bruxelles-Capitale où, si je ne me trompe, 50 % d'entre eux résident. La ville est peut-être très artistique, je ne l'exclus pas, mais nous avons peut-être aussi découvert des brèches dans le système qui pourraient correspondre à ce que l'on nomme des abus. Je n'en sais rien et c'est aux Régions de travailler sur ce thème.
Madame Delcourt, vous avez demandé quand nous comptions élargir le systèmes des flexi-jobs à d'autres secteurs? Ce n'est pas prévu dans l'accord de Pâques, mais bien dans l'accord de gouvernement.
En ce qui concerne les indépendants, nous estimons que 356 indépendants sont intéressés chaque année par le paiement de cotisations plus élevées afin d'obtenir des droits à la pension plus élevés.
Monsieur Dermagne, vous avez beaucoup mentionné la classe moyenne et cela m'étonne un peu.
Si nous regardons le bilan du gouvernement Vivaldi, je pense qu'il est difficile de dire que c'était un gouvernement qui a défendu la classe moyenne.
Pierre-Yves Dermagne:
(…)
Bart De Wever:
Je ne vous ai pas interrompu! Je pense que cela relève même du non-sens.
Vous avez évoqué les impôts qui pèsent sur les épaules de la classe moyenne. Das Wahre ist das Ganze , comme on le dit en allemand. L'accord de gouvernement est très clair. Il y a du positif et du négatif mais au final, la pression fiscale sur la classe moyenne va fortement diminuer à l'horizon 2029.
Vous avez parlé d'économies dans les soins de santé, ce qui m'étonne, car nous avons encore prévu une norme de croissance au-dessus de l'index. Cela ne semble pas être de véritables économies. Si nous parvenons à maintenir une norme de croissance supérieure à l'index, il ne faut pas, selon moi, parler d'économies.
Vous avez affirmé que nous épargnions les épaules les plus larges alors que plus de deux milliards de revenus proviendront de leur part. C'est tout de même considérable. Il faut examiner ces chiffres au prorata. Il n'y a pas tant d'épaules larges dans notre pays. Je dirais donc que deux milliards de revenus supportés par leurs épaules ne sont pas négligeables.
Vous avez évoqué la crédibilité budgétaire. J'espère que vous ne m'en voudrez pas, mais c'est un peu l'hôpital qui se moque de la charité. Le PS parle de crédibilité budgétaire alors qu'il a dominé le gouvernement Vivaldi et a toujours géré la Région bruxelloise. À votre place, j'éviterais de parler de crédibilité budgétaire.
Monsieur Courard, vous avez demandé d'où proviendront les 2 % pour la défense. M. Di Rupo aurait peut-être dû se poser cette question lorsqu'il a fait cette promesse au Pays de Galles en 2014. Dans l'intervalle, nous n'avons jamais eu de réponse du PS.
Mme Désir a demandé si le report de l'index était une mesure nécessaire. C'est en effet le cas. Il est inévitable de prendre des mesures comme celle-ci, notamment sur les pensions les plus élevées. Nous prévoyons également une mesure qui pèse sur l'indexation des pensions les plus élevées, donc sur les épaules les plus larges. Il est injuste de me reprocher de ne rien faire à l'égard des épaules les plus larges pour ensuite nous critiquer lorsque nous mettons en place une mesure qui affecte les plus hautes pensions. Il s'agit de pensions atteignant 7 000 ou 8 000 euros par mois.
C’est l’un ou l’autre!
Mijnheer Hedebouw, u hebt Frans en Nederlands door elkaar gesproken. Ik noteer alleen in het Nederlands, ik ben een slechte tweetalige.
Je ne me souviens plus de ce que vous avez dit en néerlandais ou en français.
Dus zal ik antwoorden in de taal die in mij opkomt.
Raoul Hedebouw:
Un vrai Belge.
Bart De Wever:
Ik kan daar veel op zeggen, maar ik zal zwijgen. (Hilariteit)
Op vijf minuten tijd hebben we 4 miljard euro voor defensie gevonden, zegt u. Ik wou dat het waar was. Ik weet niet of u de collega's hebt gehoord die ons net hebben verweten dat we dat niet hebben gedaan en dat het allemaal een groot mysterie is waar dit vandaan moet komen. De waarheid heeft haar rechten. Er is in een pad voorzien, met een opdrachtentabel, begroting per begroting. Het zal niet gemakkelijk zijn om die middelen te vinden.
Uiteraard zijn er collega's die zullen zeggen om dat niet uit de sociale zekerheid te halen. Er zijn collega's die zullen zeggen om dat niet uit de belastingen te halen. Er zijn collega's van de N-VA die zullen zeggen om geen extra schulden te maken. Iedereen heeft daar zijn waarheid. De optelsom van dat alles is uiteraard onmogelijk. A l'impossible nul n'est tenu . Dat wordt dus niet gemakkelijk. Dat zal ik niet ontkennen, maar zeg niet: u hebt dat zo gevonden, dus u gaat dat voor de sociale zekerheid ook zo kunnen vinden.
Ik vind die vergelijking trouwens nogal grotesk. De sociale uitgaven in dit land evolueren naar 200 miljard euro bij een ongewijzigd beleid in 2030. U weegt dat af tegen de defensie-uitgaven. Dat is bijna een cijfer achter de komma, zoals wij onze defensie hebben verwaarloosd. Zeggen dat als defensie kan groeien, dat dan de sociale zekerheid op hetzelfde ritme kan groeien, is populisme. Dat is onzin.
Wat telt mee in de pensioenmalus? Het regeerakkoord is duidelijk over wat erin zit en wat er niet in zit. Op de vraag over de privileges voor parlementaire pensioenen heb ik geantwoord.
Zullen we nieuwe F-35's kopen?
Je vous ai expliqué que les capacités imposées par l’OTAN ne nous laissent pas le choix. Je suis sûr que nous devrons encore élargir notre flotte d’avions de chasse. Puisque nous avons déjà acheté les F-35, nous devrons acheter des avions de ce type. Ce seront des avions construits en Italie. Ce n’est pas parce que M. Trump pense qu’il peut mener une guerre de droits de douane contre tout le monde qu’il peut d’un coup faire disparaître la globalisation de l’économie. Le F-35 est devenu un projet multilatéral.
U zegt dan dat men voor die technologie militair afhankelijk is van wie men ze koopt. Dat is echter voor elke militaire technologie zo. Dat is evenzeer het geval voor wapensystemen die we in Europa kopen of elders in de wereld. Men is altijd deels afhankelijk van de producent. Dat is een reden te meer om in Europa de juiste beslissingen te nemen over de consolidatie van een Europese defensie-industrie. Wij hebben dat verwaarloosd, maar daar bent u ook altijd tegen. Dat is ook van twee zaken een. U wilt dat niet, want we moeten in vrede investeren. Volgens u moeten we bloemenperken aanleggen aan de grenzen met Rusland. We hebben bloemenperken, regenbogen en eenhorens nodig, die de Russen zullen overtuigen van onze goede intenties. Dan zullen ze zeker hun agressie stoppen.
Ik ben het daarmee helemaal eens. Als men in een fantasiewereld leeft, kan dat allemaal wel lukken. Als men echter in wapensystemen moet investeren, heeft men ook een militair industrieel complex nodig. Maar daar bent u ook tegen. U zegt dat we dan nu de F-35 moeten kopen. Misschien hebben we die echter moeten kopen omdat we in het verleden net dat niet gedaan hebben in Europa. Dat zijn dure lessen die we nu moeten trekken, maar dat zijn geen lessen die we op vijf minuten opgelost krijgen.
En ce qui concerne les chômeurs de longue durée et les CPAS, un montant a été prévu dans le budget pour compenser les CPAS. En effet, on sait qu'ils auront plus de travail en raison de la limitation dans le temps des allocations de chômage.
M. Hedebouw, je pense, a dit que les CPAS n'ont pas comme tâche d'activer les chômeurs. Je ne suis pas d'accord. J'ai un autre avis. Dans ma ville, le CPAS fait beaucoup d'efforts pour activer les gens. Je pense que c'est leur tâche de le faire, qu'ils sont même mieux placés que les services régionaux d'accompagnement pour activer les gens qui sont à une certaine distance du marché du travail.
Si des gens disparaissent dans la nature, c'est peut-être qu'ils n'ont pas besoin d'allocations de chômage, qu'ils ont assez de revenus pour vivre et n'ont pas besoin de la sécurité sociale.
Dat is dus een maatregel die ik altijd zal blijven verdedigen. Dat is trouwens in de hele wereld de normaalste zaak. Waarom zou dat dan bij ons onmogelijk en een sociaal drama zijn? Overal in de wereld, in Frankrijk en overal, wordt dat op die manier toegepast.
Wij zullen 1 miljard euro minder in de pensioenkas storten. Dat is een heel rare manier om competitiviteitsmaatregelen voor te stellen. Dat is natuurlijk een ideologisch verschil. Ik ga ervan uit dat, wanneer onze ondernemingen qua competitiviteit niet worden versterkt, de effecten op de pensioenkas veel erger zullen zijn. Dat is een kwestie van wakker worden en koffie ruiken, zoals dat in het Engels wordt genoemd, over onze economische situatie en over de situatie van onze industrie, die in heel Europa maar zeker in ons land krimpt terwijl wij ernaar kijken. Mensen zonder job betalen geen bijdragen. Dat zou voor de sociale zekerheid de catastrofe zijn die wij nu moeten vermijden.
Het paasakkoord bevat inderdaad honderden miljoenen euro aan competitiviteitsmaatregelen. U stelt dat voor als minderopbrengsten voor de sociale zekerheid. Dat is een ideologisch verschil. Daarover zullen wij het nooit eens worden. Dat is misschien maar goed ook. De fiscale regularisatie stelt u voor als straffeloosheid. Ik ben het daar niet mee eens. Dat is geen straffeloosheid. Ik moet echter wat opschieten.
"Les 500 euros de différence, net ou brut, pour ceux qui bossent est un mensonge." Ce n'est pas vrai. Il faut consulter le calendrier des mesures tel qu'il a toujours été prévu dans l'accord de gouvernement, avec la baisse des impôts en faveur de ceux qui travaillent, et dont la vitesse de croisière sera atteinte en 2029.
Volgens mij zullen we dan die 500 euro zeker halen en misschien zelfs overschrijden.
“Een kliklijn voor langdurig zieken, hoe durft u?”, zegt u. U noemt dat een kliklijn, wij noemen dat responsabilisering.
Nous avons autant de malades de longue durée que l'Allemagne. Or celle-ci est un tout petit peu plus grande que la Belgique. Donc, je pense que la question de la responsabilisation est à l'ordre du jour.
Alle actoren, ook de werkgevers, zullen geresponsabiliseerd worden. Dat zijn dan extra inkomsten voor de sociale zekerheid, mijnheer Hedebouw. Het lijkt mij evenwel evident dat ook de dokters, ook de ziekenfondsen en dus ook de langdurig zieken zelf aangesproken kunnen worden.
Madame Tourneur, vous m'avez posé une question concernant le droit au rebond et le risque d'abus. Ce risque est relativement limité en raison de la nature de la mesure. Il s'agit d'un droit unique. Cette allocation de chômage dure six mois et s'adresse à des salariés ayant travaillé au moins dix ans. Le droit au rebond s'inscrit dans un ensemble cohérent de mesures mises en place par le gouvernement pour soutenir les individus dans leur recherche d'emploi. Le risque d'abus est donc très faible, voire quasiment inexistant.
Votre deuxième question porte sur les pensions des magistrats. D'autres collègues ont également posé des questions à ce sujet. Je vais être clair: il n'est absolument pas question d'une perte de 40 % du pouvoir d'achat des magistrats retraités en conséquence de la réforme des retraites menée par ce gouvernement. Les calculs publiés par la magistrature la semaine passée reposent sur l'hypothèse de prolongation indéfinie de l'indexation limitée des pensions les plus élevées alors que cette mesure est explicitement définie comme temporaire, tant dans l'accord de gouvernement que dans l'avant-projet de loi-programme. Elle est prévue uniquement pour cette législature, c'est-à-dire jusqu'en 2029. La Cour constitutionnelle et le Conseil d'État, étant indépendants des pouvoirs exécutif, législatif et judiciaire, sont également concernés par cette réforme, leur régime de retraite étant également réglementé par la loi.
Troisièmement, la réforme des retraites n’a aucun impact sur l’indépendance du pouvoir judiciaire. Monsieur Dermagne, cela a été confirmé par la Cour constitutionnelle dans un arrêt de 2013, suite à un recours déposé par les magistrats contre une précédente réforme des retraites, menée notamment sous le gouvernement Di Rupo.
Quatrièmement, une réunion constructive s’est tenue hier entre les représentants des magistrats et les ministres des Pensions. Cette rencontre a permis d’éclaircir plusieurs points, notamment en ce qui concerne les calculs d’impact des différentes réformes des retraites et la nature temporaire de l’indexation limitée des pensions les plus élevées. Il a été établi que les estimations d’une perte de pension de 30 à 40 % reposaient sur des hypothèses d’indexations limitées pour une durée indéterminée.
Mijnheer Van Hecke, u vroeg naar de gelden van de Russische tegoeden. U wilt weten wat er gebeurt als er vrede komt in Oekraïne en de Euroclearmiddelen wegvallen. Ook daarmee is rekening gehouden in het paasakkoord en dat zal dan inderdaad een extra inspanning vergen.
Ik denk wel dat als er morgen vrede wordt gesloten in Oekraïne, dat nog niet betekent dat morgen ook die Russische tegoeden vrijgemaakt worden. Dat is een bijzonder, bijzonder complexe aangelegenheid. Er zijn wel andere hypotheses die internationaal besproken worden over wat er met die sovereign assets moet gebeuren. Er zijn namelijk de sovereign assets en de andere assets, die bevroren zijn. De sovereign assets zijn in feite geïmmobiliseerd. Het gaat in deze context vooral over die gelden van de Russische Centrale Bank.
Mogelijk worden er multilateraal andere beslissingen genomen en dat zou dan op iets kortere termijn op ons af kunnen komen, maar dat valt nog af te wachten. In alle contacten die ik hierover heb en dat zijn vooral internationale contacten met de buurlanden en met Oekraïne zelf, gaat het in elk geval steeds weer over een buitengewoon riskante en juridisch ingewikkelde zaak met enorm grote repercussies, zelfs op de euro als munteenheid. Mijn persoonlijke inschatting – maar ik kan mij vergissen – is dat we daar op korte termijn niet heel veel beweging in zullen zien. Het lijkt mij heel ingewikkeld.
Uiteraard zullen we dat monitoren en we zullen ons ook niet verzetten tegen andere multilaterale oplossingen, ook al stelt zich dan voor onze bilaterale militaire hulp aan Oekraïne wel een bijkomend budgettair probleem. Aangezien dit ook in de NAVO-norm ingecalculeerd is, zal dat dan sowieso gecompenseerd moeten worden.
Over de oplopende NAVO-norm en over de structurele financiering heb ik geantwoord.
Madame Schlitz, vous avez dit: "Les efforts pour la compétitivité sont des cadeaux aux entreprises." À mon humble avis, cela témoigne d'un certain manque de connaissance de la réalité économique, mais c'est peut-être une différence idéologique que nous n'allons pas résoudre aujourd'hui ni même jamais.
J'en viens aux formations pour les emplois en pénurie. Tous ceux qui commenceront une formation avant le 1 er janvier 2026 seront exemptés de la mesure. S'agissant des soins de santé, il incombe au ministre de présenter une liste de formations qu'il veut exclure. Donc, je vous propose de développer cette discussion en commission de la Santé.
Quant au contrôle des ressources, je pense que vous confondez celui qui vise le chômage avec celui qui s'intéresse au revenu d'intégration.
Sarah Schlitz:
(…)
Bart De Wever:
Je pense que oui. Je ne vous ai pas interrompue. Vous pourrez encore répliquer.
Vous avez cité un président de parti – je suppose qu'il s'agit de M. Bouchez – qui avait parlé d'un contrôle des ressources, mais il évoquait un contrôle visant ceux qui ont des biens à l'étranger et qui touchent un revenu d'intégration, pas une allocation de chômage. Pour les allocations de chômage, aucun contrôle des ressources n'est ni ne sera prévu dans cet accord de gouvernement.
Pour la taxation sur les plus-values, vous avez dit: "Nous n'en savons rien." C'est normal, puisque l'impact de cette mesure a toujours été prévu en 2026. Notre intention n'a jamais été de l'intégrer dans la loi-programme relative au budget 2025.
Mevrouw Bertrand, u zegt dat er geen overleg met Belfius is geweest. Er is wel degelijk informeel geverifieerd of de zaken die wij plannen realistisch zijn, dus ik maak mij daar niet te veel zorgen over. U zegt dat er paniek ontstaat bij de burgers die zich afvragen hoe we dit allemaal zullen betalen. Ik moet toegeven dat post-Vivaldi paniek budgettair gewettigd is. Toen ik de realiteit van de cijfers zag die ú hebt achtergelaten, was paniek ook de eerste emotie die ik voelde.
Ik vind het sterk dat u zegt dat het Monitoringcomité stelt dat het tekort oploopt tot 2,4 miljard. Dat is uw beleid, dat is het gevolg van het ongewijzigd beleid van Vivaldi, waarbij de put alsmaar dieper werd, tot hallucinante bedragen. U kent die bedragen, want u was er verantwoordelijk voor. Nu zeggen dat we u in vrije val hebben achtergelaten en dat u uw vleugels niet op tijd kunt uitslaan, u bent toch de slechtst denkbare persoon om die kritiek te uiten, zelfs binnen uw eigen partij. Ik zou iemand anders zoeken om die kritiek te uiten. Dat de cheque voor Defensie ongedekt is…
Alexia Bertrand:
Dat is gemakkelijk.
Bart De Wever:
Gemakkelijk, zegt u. Wat u hebt nagelaten, is alleszins niet gemakkelijk, ook niet op het vlak van Defensie. U doet nu alsof die 2 % uit de lucht komt vallen. Het Russisch geld dat dubbel besteed wordt, dat is een foute lezing. Die zit in de basishypothese, maar die was niet bestemd. Wij hebben die gelden nu bestemd, dus er is geen sprake van een dubbeltelling.
Wat het betoog van de heer Van Tigchelt betreft, geen slogans over Justitie, dat ondersteun ik ten volle. Wat dat betreft, hebben wij bijna eenheid van inzicht en beseffen we allebei dat die situatie altijd heel moeilijk is geweest en vandaag nog steeds heel moeilijk is. Roepen wat er allemaal met één vingerknip moet gebeuren, heeft weinig zin. Als u zegt dat u zich als oud-minister koest moet houden, dan vraag ik mij af of dat dan ook niet geldt voor de oud-staatssecretaris bevoegd voor Begroting. U moet het binnen uw fractie misschien eens hebben over wie zich koest moet houden en wie niet.
Het gebrek aan urgentie van Arizona, dat mag u zeggen, maar ik ben het daar niet mee eens. Er is bij alle besparingen die aan de departementen worden opgelegd altijd voorzien in een uitzondering voor de veiligheidsdepartementen en zelfs een groeipad. Is dat groeipad niet groot genoeg? Ik ben zelfs geneigd om het daarmee eens te zijn, gezien de grote noden, maar men kan niet enerzijds zeggen dat we budgettair in vrije val zijn en anderzijds dat we nog een berg aan nieuwe middelen moeten voorzien.
We hebben ons uiterste best gedaan en nog een extra inspanning geleverd, gezien de acute situaties die er bestaan. Het volgende moet mij echter van het hart wat betreft het gebrek aan urgentie dat ons vandaag wordt verweten. Iedereen moet in de spiegel kijken wat dat betreft, ook zij die in vorige legislaturen de zaken hebben waargenomen.
Zo veel nieuw opgestarte bouwdossiers onder Vivaldi heb ik ook niet echt gevonden. Wat er nog van dossiers is, is van de regering daarvoor. De detentiecentra die Vivaldi voor de kortgestraften heeft uitgebouwd, hebben niet bepaald een verschroeiend tempo aangenomen. Dat is geen verwijt. Ik weet hoe moeilijk dat is en hoeveel tijd dat vergt, maar vandaag komen zeggen dat ik de urgentie niet zie, vind ik iets te gemakkelijk.
Ik apprecieer wel dat u zegt dat u begrip hebt voor de noodmaatregelen die op korte termijn moeten worden genomen omdat er geen oplossingen zijn, tenzij oplossingen die binnen de gevangenis aanleiding geven tot toestanden die ons in een structurele overtreding brengen van de mensenrechten die vandaag al bestaan. U kent de situatie. Ik ken ze ook. Wie dat ooit met eigen ogen heeft gezien, kan dat heel moeilijk vergeten en is hopelijk bevrijd van alle populistische neigingen ter zake. Dit gaat niet over u, voor alle duidelijkheid.
J'ai déjà répondu à la question concernant le statut d'artiste, monsieur De Smet. Le fait de dire que nous sommes un gouvernement de méfiance m'étonne, d'autant plus que c'est dit de la part d'un Bruxellois! Quand on connait la situation budgétaire à Bruxelles et celle du CPAS d'Anderlecht, il me semble que ce n'est pas la vérité.
Notre gouvernement n'est pas un gouvernement de méfiance mais se veut être un gouvernement de responsabilisation, et celle-ci est nécessaire si l'on tient compte de la réalité budgétaire à laquelle nous sommes confrontés.
Le prix pour obtenir la nationalité belge est de 1 000 euros et vous dites que ce prix est exorbitant. Je pense que l'inverse est vrai! Les 150 euros demandés par le passé étaient exorbitants quand on sait qu'au Royaume-Uni, le montant est quasiment de 2 000 euros tandis qu'aux Pays-Bas, il est de 1 091 euros. Si vous voulez mourir en tant qu'Hollandais, c'est encore plus cher! Nous sommes restés en dessous du niveau hollandais! C'est un minimum. Si pour devenir Hollandais, il faut payer 1 100 euros, on peut bien devenir Belge pour 1 000 euros! Cela me semble raisonnable.
Voorzitter:
Er resten ons nog een goede 20 minuten voor de replieken. Ik vraag dus om het bij korte replieken te houden, want de debatten zullen in de toekomst ongetwijfeld nog worden gevoerd met de vakministers wanneer de uiteindelijke teksten in het Parlement verschijnen. Ik stel dus twee minuten per fractie voor de replieken voor.
Axel Ronse:
Mijnheer de voorzitter, ik voel mij ongelooflijk dankbaar. Ik kwam hier met een open blik. Ik vond het paasakkoord fenomenaal en na zeer aandachtig luisteren, vooral naar alle oppositiepartijen, vind ik het nog fenomenaler. Na de repliek van de eerste minister, met uitzondering van het verhaal over de Hollandais , vind ik het nog fenomenaler. Onze fractie is dus alleszins enorm overtuigd.
Wat heb ik gehoord van de oppositie? PTB, Groen, Ecolo en de PS hebben heel veel kritiek op het feit dat het paasakkoord de tien plagen de wereld uit tracht te helpen, want het is allemaal onmenselijk, maar ik hoor geen enkel alternatief. Het betreft allemaal maatregelen om onze sociale zekerheid en ons systeem van herverdeling stand te doen houden. We zijn ook ontzettend fier dat we dat met de arizonacoalitie kunnen verwezenlijken. We zijn heel dicht bij de concretisering en de stemming ervan. Als u systemen die alleen hier nog bestaan, zoals de onbeperkte werkloosheidsuitkering in de tijd, nog voor de generatie van vandaag wilt behouden, dan maakt u de sociale zekerheid kapot en blaast u ze op voor de toekomstige generaties. Uw kritiek daarover overtuigt dus allerminst.
Andere partijen hadden het vooral over de effecten van hun beleid van de voorbije vijf jaar, met de verwoestende budgettaire koers, die gevaren werd – dank ook aan collega Bertrand om dat nog een keer op slides te tonen – en die wij nu aan het omkeren zijn. Ze hebben bovendien dan ook nog eens kritiek op het feit dat we 4 miljard euro op een bbp van 600 miljard euro investeren in defensie, in vrede. Mocht ik aan mijn overleden grootmoeder vertellen dat daar kritiek op komt, zou ze het niet geloven. Ze heeft de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog meegemaakt en zou zeggen dat dat budget om de vrede te bewaren, een badje is.
Francesca Van Belleghem:
Premier, tijdens de verkiezingen was het uw prioriteit om budgettair alles op orde te zetten, maar we hebben nog altijd geen budgettair kader gezien. Door eenmalige begrotingstrucs toe te passen, bevestigen jullie alleen maar dat jullie Vivaldi 2.0 zijn. Deze regering zorgt niet voor een structurele financiering van onder meer Defensie. Het enige structurele zijn nieuwe belastingen, zoals de vliegtaks en de meerwaardebelasting.
De zes kleine migratiemaatregelen in het paasakkoord zijn echte tjevenmaatregelen, echte vivaldimaatregelen. U zegt dat het kinderlijk is om naar de Europese Commissie te gaan en een asielstop en een gezinsherenigingsstop te onderhandelen. Vindt u Oostenrijk dan kinderlijk? Zij stoppen gezinshereniging met erkende asielzoekers tegen alle Europese richtlijnen in. Ze dwingen het af bij de EU. Vindt u Polen kinderlijk? Zij hebben een asielstop afgedwongen en de toestroom van asielzoekers in Polen is zelfs niet de helft zo hoog als hier. Als dat allemaal kinderlijk is, dan ben ik graag kinderlijk.
U zegt dat u deel uitmaakt van het clubje migratiekritische landen, maar u hinkt zwaar achterop, want Polen en Oostenrijk steken u vlot langs rechts voorbij. Uw crisismaatregelen hebben als doelstelling de categorie van asielzoekers die recht hebben op opvang te beperken. Maar asielzoekers zijn hier niet voor de asielopvang, ze zijn hier omdat illegalen niet teruggestuurd worden, ze zijn hier voor onze sociale woningen, ze zijn hier voor onze leeflonen zodra ze die verblijfstitel binnen hebben.
Uw vijgen-na-Pasen-akkoord bevat geen deftige maatregelen om die asielinstroom te doen dalen en om de terugkeer van illegalen te verhogen. Integendeel, u laat criminele illegalen na een derde van hun gevangenisstraf vrij, zonder dat u de druk verhoogt op derde landen om hun illegalen terug te nemen. Heel jammer.
Catherine Delcourt:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour vos réponses. Je ne manquerai évidemment pas d'interroger les ministres compétents.
Cet accord de Pâques, à travers la loi-programme, comprend des éléments forts que le MR a soutenus: des moyens en plus pour la sécurité, pour la Défense, la Justice, pour lutter contre la surpopulation carcérale; des militaires sur les sites sensibles, libérant 300 policiers. C'est aussi le chômage limité à deux ans, un milliard pour la compétitivité de nos entreprises, des éléments fiscaux intéressants, notamment pour les indépendants, et un durcissement des règles de migration.
Nous le soutenons pleinement et nous vous remercions pour votre intervention.
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le premier ministre, merci pour les quelques éléments d'information que vous avez daigné nous donner.
Vous aviez annoncé la couleur. Vous aviez d'ores et déjà renvoyé vers les ministres compétents en commission, vers le budget qui devrait arriver un jour ou l'autre. On espère toujours. Cela recule de semaine en semaine. Je pense que ce sera effectivement le juge de paix.
Vous avez balayé d'un revers de la main les questions sur la crédibilité budgétaire de cet exercice, sur la trajectoire budgétaire, sur l'endroit où vous irez effectivement chercher l'argent. Comme on l'a dit, ce sera en toute grande majorité auprès de la classe moyenne, dans les poches de la classe moyenne, sur les comptes en banque de la classe moyenne, que vous irez chercher cet argent, qui s'inscrit dans un exercice qui ne tient pas la route d'un point de vue budgétaire.
Vous pouvez utiliser un argument d'autorité renversée en disant: "Mais comment le PS peut-il parler de crédibilité budgétaire?" Nous attendions mieux de vous, monsieur le premier ministre. Vous, non pas l'historien, mais l'ingénieur, l'homme de chiffres, l'homme de précision, de détails. Nous avons uniquement des éléments, des effets de manche. Vous êtes assez disert sur les éléments idéologiques qui vous tiennent à cœur, mais sur tout le reste, sur tous les détails, pas une seule réponse concrète.
Peut-être un point quand même. Sur le statut d'artiste, vous n'avez pas pu vous empêcher d'avoir une lecture communautaire. Chassez le nationaliste, il revient au galop! Et c'est le cas ici. Vous avez une lecture communautaire sur ce dossier, notamment sur la répartition du nombre de bénéficiaires du statut d'artiste. Il n'est pas anormal que dans un pays, la capitale, qui compte toute une série d'institutions culturelles importantes, voie le nombre de bénéficiaires de ce statut plus important que dans d'autres Régions. Cela n'a rien d'insupportable! Cela n'a rien de surprenant, monsieur le premier ministre du Royaume de Belgique! C'est effectivement une ville capitale qui vit, qui choie sa scène culturelle, ses secteurs culturels. Il n'est donc pas anormal qu'il y ait plus de bénéficiaires de ce statut.
Bart De Wever:
Il n'y a pas d'artiste à Anvers?
Pierre-Yves Dermagne:
Je n'ai pas dit cela.
Ayez une vision plus large. Vous n'êtes plus le bourgmestre de la belle Ville d'Anvers, monsieur le premier ministre. Vous êtes le premier ministre du Royaume de Belgique. Et, à ce titre, vous devez traiter les Flamands, les Bruxellois et les Wallons sur un même pied d'égalité.
Bart De Wever:
(…)
Pierre-Yves Dermagne:
Je ne vous ai pas interrompu tout à l'heure, monsieur le premier ministre. S'il vous plaît, laissez-moi terminer!
En ce qui concerne le statut d'artiste, votre ministre de l'Emploi a évoqué des abus. Cela transparaissait d'ailleurs très clairement à travers l'exposé des motifs et sa première mouture de la loi-programme qui a fuité dans la presse, avec effectivement uniquement un regard budgétaire qui partait du principe de mauvaise foi de la part de celles et ceux qui bénéficient de ce statut réformé.
Vous avez dit qu'il s'agissait d'une responsabilité des Régions, monsieur le premier ministre. Mais non, la réforme du statut d'artiste de 2022 a précisé que la disponibilité active, passive et adaptée était spécifique pour les travailleurs et les travailleuses du secteur des arts. Et, justement parce qu'on les considèrent comme travailleurs à part entière, quand ils bénéficient du statut, le Forem, le VDAB et Actiris ne doivent pas les considérer comme des chercheurs ou des demandeurs d'emploi. C'était un des éléments fondamentaux et centraux de la réforme.
Par vos propos, monsieur le premier ministre, qui confirment la crainte que nous avons et que les artistes ont par rapport au maintien du statut, vous évoquez effectivement une réforme de ce statut, un durcissement des règles et des conditions, faisant en sorte que celles et ceux qui bénéficient aujourd'hui de ce statut dont on doit être fiers seront demain menacés. Nous y reviendrons, monsieur le premier ministre.
Raoul Hedebouw:
Mijnheer de eerste minister, ik vind het wel interessant. U probeert gewoon om het hele debat weg te wuiven. Ideologisch bestond uw hele denkwijze op budgettair vlak in begrotingsdiscipline, begrotingsdiscipline en nog eens begrotingsdiscipline. Dat wordt nu volledig aan de kant geschoven in vijf minuten. Dat toont aan dat het ging om begrotingsdiscipline voor de gepensioneerden, de langdurig zieken, de openbare diensten. Als het echter om andere uitgaven, militaire uitgaven gaat, dan geldt er geen begrotingsdiscipline. Dat is gewoon waar. Dat is in vijf minuten politiek beslist. Het moet binnen de N-VA moeilijk zijn, omdat uw denkwijze de laatste jaren alleen maar focuste op het Duitse model en begrotingsdiscipline. Dat wordt volledig aan de kant geschoven, mijnheer Ronse. Op de vragen daarover wordt gewoon niet geantwoord.
Ten tweede, antwoordt u niet op de vragen over de pensioenmalus, mijnheer de eerste minister. In het regeerakkoord staat dat ziektedagen niet meetellen. Er zijn sancties. De minister van Pensioenen antwoordt het tegenovergestelde in de plenaire vergadering. Wat is het nu juist?
Troisièmement, monsieur le premier ministre, vous n'avez pas répondu à ma question sur les pensionnés. En Belgique, nous vivons déjà avec des pensions relativement faibles par rapport à la France, l'Allemagne et les Pays-Bas. Les pensionnés ont du mal à payer leur maison de repos. Et vous décidez – vous n'avez pas répondu à cette question – de postposer l'indexation des pensions de trois mois. Cela va coûter 68 euros à un pensionné qui reçoit 1 700 euros bruts, 68 euros que vous retirez des pensions!
Je m'y attendais de la part de la N-VA. Mais Les Engagés? Vous qui deviez être un parti qui allait faire du social, vous trouvez cela logique de viser une nouvelle fois les pensionnés? De postposer l'indexation des pensions? Cela vous amuse d'aller chercher l'argent chez les pensionnés? Pourquoi n'allez-vous pas le chercher chez les super riches? Pourquoi n'allez-vous pas chercher l'argent vers le haut pourquoi sont-ce une nouvelle fois les pensionnés qui doivent payer? Dans votre programme électoral, vous promettiez d'aider les pensionnés. Mensonge! Mensonge!
Le MR allait sauver les travailleurs, allait sauver le pouvoir d'achat. On ne retrouve rien de tout ça! J'ai demandé au premier ministre combien cette mesure allait rapporter et il n'a pas répondu, parce que vous êtes tous mal à l'aise à cet égard. Répondez! Combien cela va-t-il rapporter, monsieur le premier ministre? Eh bien voilà, cela ne répond pas! Je le dis, c'est parce que vous avez honte de toucher une nouvelle fois les pensionnés. C'est facile d'aller chercher l'argent chez ces gens-là, mais vous n'osez pas aller le chercher chez les gens qui ont des grands patrimoines, parce que vous n'avez aucun courage politique.
Aurore Tourneur:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour les précisions apportées à nos questions et votre calme face aux propos populistes.
Le droit au rebond représente une nouvelle philosophie de chômage, qui n'est plus seulement un filet de sécurité passif, mais aussi un outil actif de reconversion au service de l'épanouissement professionnel et du maintien en emplois. Nous continuerons de suivre la mise en œuvre de ce droit au rebond avec une attention particulière, car nous croyons profondément en son potentiel – j'ai entendu que d'autres collègues de l'opposition y croyaient aussi, et cela me fait très plaisir – pour renforcer le bien-être au travail, encourager les transitions professionnelles choisies et soutenir une sécurité sociale durable et moderne.
Quant au suivi des demandes légitimes des magistrats, nous serons aussi présents pour veiller à ce qu'une véritable concertation sociale soit menée et que la réforme, certes nécessaire, ne se fasse jamais au prix d'un affaiblissement de notre É tat de droit.
Comme toujours, nous serons au rendez-vous pour faire vivre les ambitions de l'accord de gouvernement dans l'esprit constructif de dialogue, de vigilance, de cohérence et de responsabilité qui nous anime.
Brent Meuleman:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw toelichting. Ik zal het korter houden. De collega’s van de PS hebben hun spreektijd verdubbeld. Ik zal de mijne halveren.
Voor Vooruit is het heel belangrijk dat wij met het paasakkoord investeren in zorg en opleiding, dat wij de pensioenen van de mensen beschermen, dat wij de fiscale fraude aanpakken en dat wij zorgen voor een volwaardige sociale bescherming voor de kunstenaars.
Mijnheer de voorzitter, voor het overige verwijs ik naar mijn eerdere uiteenzetting.
Voorzitter:
Ik dank u. De heer Demon is ook al vertrokken. Dat bespaart ons ook al twee minuten.
Wij komen nu bij de replieken van Ecolo-Groen.
Sarah Schlitz:
Monsieur le premier ministre, vous le dites vous-même: un milliard pour les entreprises afin de stimuler leur compétitivité. Si ce n'est pas un cadeau, alors je ne sais pas ce qu'il faut aux entreprises pour qu'on puisse parler de cadeau!
Par ailleurs, j'ai très bien compris où vous vouliez en venir. Votre projet est d'acculer les gens pour qu'ils acceptent n'importe quel boulot à n'importe quel prix. C'est le projet de l'Arizona. En revanche, ce qui est vrai c'est que les matières sociales sont extrêmement techniques. Vous faites de l'enfumage et jouez sur l'incapacité des gens à comprendre à quelle sauce ils vont être mangés pour avancer à un rythme effréné dans vos réformes. Laissez-moi vous dire que nous ne vous laisserons pas faire et que nous continuerons à mettre en exergue les mesures antisociales que vous êtes en train de prendre au détriment des plus fragiles et en faisant des cadeaux aux plus riches.
Vous nous dites que vous voulez responsabiliser tous les acteurs, mais il en est un que vous oubliez: ce sont justement les employeurs. Vous prétendez que toute la chaîne va s'activer pour contrôler. Mais à quel moment vous tracassez-vous du bien-être au travail et du travail qui rend malade? Vos mesures vont amplifier les maladies, avec la flexibilisation, l'appauvrissement, l'insécurité de l'emploi, le travail de nuit et le travail dominical. Monsieur le premier ministre, ce sont des conditions de travail qui rendent malade et qui constituent une véritable bombe à retardement pour notre système.
Stefaan Van Hecke:
Mijnheer de premier, u was absoluut niet duidelijk over de budgetten, maar u was wel heel duidelijk over de pensioenen van de parlementsleden. U hebt verklaard dat als die wetgeving voor iedereen wordt gewijzigd, het logisch is dat die wijzigingen ook worden doorgevoerd voor de parlementsleden. Dat is helder. Is dat uw persoonlijk standpunt of het standpunt van de meerderheid? Dat is niet duidelijk.
Bart De Wever:
Mijnheer Van Hecke, het Parlement is autonoom.
Stefaan Van Hecke:
Mijnheer de eerste minister, dat is juist, maar ik sprak over de meerderheidspartijen.
Ten slotte was u over Euroclear ook helder. U geeft toe dat uw budget niet sluitend is, want als er een vredesakkoord zou komen in 2026, 2027 of 2028, kampt u met een budgettair probleem. U geeft ook aan dat u dan nieuwe budgettaire maatregelen zult moeten nemen. Zelfs als u de inkomsten vijf jaar lang op 1,2 à 1,3 miljard euro zou kunnen houden – meer dan 6 miljard euro – zult u dat niveau van inkomsten niet kunnen aanhouden, want de intresten zijn aan het dalen. De conclusie is nog altijd dat uw regering een paasakkoord aflevert met een 'fenomenaal' gat in de begroting, mijnheer Ronse. Dat zal binnen enkele maanden en jaren blijken.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de premier, ik vrees dat president Trump ook al een invloed heeft op ons land en ons beleid, want feiten zijn blijkbaar minder van belang. Ik zal u drie feiten geven. Het gaat niet over mij, maar over de feiten. Ten eerste, ik heb één begroting opgesteld als staatssecretaris voor Begroting. Dat was de begroting voor 2024. Ik ben op zoek gegaan naar een extra budget van 3 miljard euro. Ik heb een extra structurele inspanning gedaan. Ik had meer willen doen en we zaten op dezelfde golflengte op dat vlak, maar de coalitie liet dat niet toe. Het resultaat was dat we in 2024 op 2,7 % zijn geland voor entiteit 1. Dat is een feit. Uw ambitie is om tegen het einde van de legislatuur minder dan 3 % voor entiteit 1 te halen. Als dat uw ambitie is, dan moet u of uw minister van Begroting zich vragen stellen.
Ik geef u een tweede feit. Met voormalig minister van Defensie Vandeput zaten we op 0,9 % voor defensie-uitgaven, het laagste niveau ooit. U bent vergeten dat u zelf een minister van Defensie hebt geleverd.
Dan kom ik aan het derde feit. U hebt niet geantwoord op de vragen die u lastig vindt. Het gaat dan over de 2,2 miljard, die put in uw eigen tabel, over de 770 miljoen euro, over de 2 miljard van uw paasakkoord. U kunt achteruit blijven kijken en u zult dat nog een tijdje doen, maar dit zijn uw eigen gaten. U bent uw eigen gaten aan het creëren in de begroting, mijnheer De Wever. Dat is een feit.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw eerlijke antwoorden maar u bent één zaak uit de weg gegaan, namelijk het feit van de illegale criminelen die vervroegd vrijkomen op beslissing van de administratie na een derde van hun straf. Dat doet de leuze "het strengste migratiebeleid ooit" wel een beetje als een holle slogan klinken, als ik mij dat mag permitteren.
Ik vraag mij dan af of u dat niet gezien hebt. Heeft uw kabinet dat niet gezien? Kwatongen beweren dat u de minister van Justitie hebt laten staan op de binnenkoer van de Wetstraat. Misschien moet u haar nog eens in de ogen kijken en daarover een gesprek voeren met haar. Die maatregel is namelijk gevaarlijk. Ik herhaal dat.
François De Smet:
Monsieur le premier ministre, s'agissant du statut d'artiste, je n'ai pas dit qu'il n'y avait aucun abus. J'ai dit que le système protégeait déjà énormément contre les abus et la preuve en est que le seul exemple d'abus sorti de la bouche de votre ministre de l'Emploi était au minimum fantaisiste – l'histoire du barman dans le théâtre. Pour le reste, une information pour vous: l'activation est certes régionale mais sauf erreur, la politique de sanction revient toujours à l'ONEM. À moins que l'Arizona ait régionalisé l'ONEM sans nous le dire, ce que je ne pense pas, le fédéral reste compétent pour ce qui concerne les abus. Il n'est pas anormal de trouver 50 % des artistes vivant à Bruxelles vu l'importance de la vie culturelle. Même si vous l'avez dit sous l'angle de l'humour, il est douteux de vouloir installer un rapport permanent entre Bruxelles et la fraude. Cette musique ne sonne pas. En ce qui concerne les F-35, il y a des pays qui combinent l'achat de F-35 avec d'autres appareils tels que des Rafale. La Grèce le fait! Je ne vois pas pourquoi vous êtes condamnés à réinvestir dans des F-35. Enfin, s'agissant de la taxe à 1 000 euros, je suis ravi d'entendre que vous voulez rester belge puisque cela coûtera 91 euros de moins que de mourir en Hollandais. Parfait, c'est une information. Mais l'argument de dire qu'on le fait parce que d'autres le font ne tient pas. La vraie réponse est que vous souhaitez décourager le plus d'étrangers possible de rejoindre notre communauté nationale. Autant l'accès à la nationalité doit être rationalisé par des arguments de parcours d'intégration et de maîtrise de langue, autant le fait de diviser l'accès entre les plus riches et les plus pauvres est vraiment dommage. C'est un message réducteur. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 11.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 11 h 59.
De vergoeding van de advocaten die juridische bijstand verlenen
De tijdige uitbetaling van de vergoedingen voor tweedelijnsbijstand
De uitbetaling van de vergoedingen voor juridische tweedelijnsbijstand
De laattijdige uitbetaling van pro-Deogelden
De betalingsachterstand voor de juridische tweedelijnsbijstand van 3.700 advocaten
Financiële vergoedingen en betalingsachterstanden in juridische bijstand
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de chronische vertraging en onvolledige uitbetaling van pro-Deo-vergoedingen aan advocaten in tweedelijnsbijstand, die soms jaren moeten wachten op betaling voor hun werk. Minister Verlinden bevestigt dat slechts 60% van de verschuldigde bedragen (tegen een verlaagd puntentarief van 66€) eind mei 2025 zal worden uitbetaald, door budgettaire beperkingen en administratieve vertragingen, ondanks structurele afspraken en eerdere uitbetalingsdata. Advocaten, vaak afhankelijk van deze inkomsten, dreigen in financiële nood te komen, terwijl de toegang tot rechtvaardigheid voor kwetsbare groepen in gevaar komt door hun mogelijke afhaken. De oppositie eist een snelle, volledige uitbetaling en structurele hervormingen, maar de minister wijst op afhankelijkheid van begrotingsgoedkeuring en de Inspectie van Financiën, zonder concrete oplossing op korte termijn.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, ma question était peut-être un peu prémonitoire même si elle ne concerne pas exactement le même objet que celles des autres collègues dont les questions sont jointes dans le débat d'actualité. Elle avait pour objectif de revenir sur la manière dont sont rémunérés les avocats dans le cadre de l'aide juridique de deuxième ligne.
En effet, des évolutions notables ont eu lieu ces dernières années en ce qui concerne l'augmentation des seuils de revenus, l'indexation du point, la fin de l'enveloppe fermée, le soutien à des projets pilotes de cabinets d'avocats dédiés, etc. Mais il reste malheureusement encore beaucoup à faire pour améliorer l'accès à la justice mais aussi pour assurer aux avocats que l'on appelle vulgairement ou communément "BAJistes" des conditions de rémunération qui soient dignes.
À ce sujet, encore actuellement, le système de contrôle mutuel de l'aide juridique par les deux ordres impose de différer le paiement des rémunérations des avocats. Ceux-ci obtiennent le paiement de leurs indemnités au minimum un an après la clôture de leur prestation, prestation qui elle-même dure parfois plus années. Ceci signifie que dans certains dossiers, le paiement est seulement effectif plusieurs années après la réalisation du premier devoir. Cette situation, vous l'admettrez madame la ministre, n'est pas acceptable. Personne n'accepterait d'être payé au minimum deux ans après avoir commencé à travailler sur un dossier. Cela s'aggrave si on ajoute encore les lourdeurs administratives qui découragent bon nombre d'avocats.
Dans son mémorandum 2024, avocats.be demandait "la mise en place d'un mécanisme d'avances sur indemnités dès la clôture du dossier, ou même annuellement, sur la base des prestations déjà effectuées – pour ne pas avoir à attendre la clôture du dossier –, si celui-ci devait durer au moins un an". Aujourd'hui, et c'est l'actualité, on nous annonce que les avocats qui ont clôturé leurs dossiers l'an dernier ne seraient pas totalement rémunérés fin mai ou début juin comme ce devrait être le cas et que seule une rémunération à tout le moins partielle serait au mieux accordée.
Madame la ministre, comment travaillez-vous sur la réforme des modalités de paiement de la rémunération des avocats pour qu'ils n'aient pas à attendre un an au minimum après la clôture pour pouvoir être rémunérés? Comment améliorer ces conditions de rémunération? Pouvez-vous assurer aux avocats qui ont commencé à travailler il y a au moins deux ans sur des dossiers qu'ils seront effectivement rémunérés au mois de juin, et ce intégralement?
Marijke Dillen:
Mevrouw de minister, kwalitatieve tweedelijnsbijstand verdient respect. Als advocaten hun engagement opnemen, mag worden verwacht dat ook de minister van Justitie de afspraken correct naleeft. Dit betekent concreet het tijdig en volledig uitbetalen van alle vergoedingen op het afgesproken tijdstip. Op een vergadering met de FOD Justitie, meer bepaald met de Cel Subsidies, op 9 april, hebben de Orde van Vlaamse Balies en de OBFG vernomen dat er geen mogelijkheid zou zijn om eind mei 2025 over te gaan tot betaling van de vergoedingen voor tweedelijnsbijstand conform de puntenlijst van 1 februari.
Mevrouw de minister, dit is onaanvaardbaar. Advocaten in tweedelijnsbijstand zijn zeer loyaal ten opzichte van Justitie. Maandenlang, soms jarenlang, worden er prestaties geleverd waarvoor de betaling pas in het vooruitzicht wordt gesteld ongeveer één jaar na de datum van afsluiting van het dossier.
"De genoemde loyauteit is groot maar wordt ook beperkt door de noodzakelijke leefbaarheid en de economische wetmatigheden waaraan elke onderneming onderhevig is. Uitstel in betaling leidt dan ook ontegensprekelijk tot grote problemen voor vele advocaten die bijkomende kredieten zullen moeten afsluiten indien de overheid in gebreke blijft." Zo lezen we terecht in het schrijven van de Orde van Vlaamse Balies dat aan u gericht werd.
U weet, mevrouw de minister, dat advocaten hoge kantoorkosten hebben. Ze moeten hun rekeningen betalen, sociale zekerheid, belastingen enzovoort. Ik meen niet dat uw collega, de minister van Financiën, bereid zal zijn om hen uitstel van betaling te geven voor de btw enzovoort tot Justitie de nodige initiatieven neemt om de tweedelijnsvergoeding te betalen.
Daarenboven wordt u er door de OVB op gewezen dat in uitvoering van het koninklijk besluit van 21 februari 2024 de OVB samen met alle lokale BJB's bijzondere inspanningen heeft geleverd op het gebied van ontwikkeling en implementatie van werkingsprocessen en managementsystemen. Er is een intens proces van professionalisering en objectiveerbare kwaliteitsmeting aangevat.
Mevrouw de minister, u bent verplicht om respect aan de dag te leggen voor het grote engagement dat advocaten leveren om te zorgen voor die kwalitatieve tweedelijnsbijstand. Nogmaals, uitstel van betaling is onaanvaardbaar.
Welke initiatieven zult u nemen om ervoor te zorgen dat er voldoende fondsen aanwezig zijn zodat de pro-Deogelden volledig en tijdig zullen worden uitbetaald, dus ten laatste op 31 mei van dit jaar? Wat gaat u doen om een concrete uitbetalingsdatum te garanderen?
Kristien Van Vaerenbergh:
Mevrouw de minister, heel veel advocaten werken pro Deo. Zij ontvangen daarvoor erelonen, normaliter een jaar na datum. Het systeem van betaling is intussen al een beetje gewijzigd, in die zin dat het nu verschillende keren per jaar gebeurt. Voor heel veel advocaten is dit echter de enige bron van inkomsten.
Op 9 april vond een vergadering plaats waar de Orde van Vlaamse Balies en Avocats.be aanwezig waren, evenals de dienst van de subsidies van de FOD Justitie en een vertegenwoordiger van uw kabinet. Daar bleek dat de uitbetaling dit jaar niet zou plaatsvinden in de maand mei, vanwege onvoldoende beschikbare fondsen. Blijkbaar zou er slechts 100 miljoen ter beschikking zijn, terwijl er eigenlijk 150 miljoen nodig zou zijn om tot uitbetaling van alle vergoedingen te kunnen overgaan.
U hebt hieromtrent een schrijven ontvangen van de OVB en de acht voorzitters van de verschillende bureaus voor juridische bijstand. Zij dringen aan op een tijdige betaling. Eveneens vragen zij of het mogelijk is om het koninklijk besluit aan te vullen met nog duidelijker engagementen over de timing van de betaling.
Mevrouw de minister, op welke manier zult u ervoor zorgen dat een tijdige betaling van die pro-Deogelden wordt gegarandeerd? Welke initiatieven zult u nemen? Zult u overgaan tot de aanpassing van dat koninklijk besluit, zodat er toch meer zekerheid kan worden geboden aan de advocaten die in de tweedelijnsbijstand werken?
Welke fiscale gevolgen zal dit hebben voor de gelden die eventueel later dan gepland door de advocaten in ontvangst zullen worden genomen?
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, vanuit de advocatuur klinken verontrustende signalen over de laattijdige uitbetaling van de pro-Deogelden. Die onzekerheid zorgt voor financiële kopzorgen bij honderden advocaten, die met hun sociaal engagement tweedelijnsbijstand aan kwetsbare burgers verlenen.
Zij dreigen hierdoor niet alleen financieel in de problemen te komen, zij hebben ook leningen die moeten worden afbetaald. Zij zitten ook met hoge kantoorkosten. Dit zijn heel vaak ook niet de grootverdieners onder de advocaten. Dat is misschien het beeld dat leeft bij de publieke opinie, maar deze mensen moeten echt keihard werken om elke maand een leefbaar of deftig loon te hebben.
Sommigen overwegen zelfs om te stoppen met hun deelname aan het pro-Deosysteem, wat te betreuren zou zijn, want dat betekent dat de toegang tot het recht voor kwetsbaren kan worden ondermijnd en dat er te veel werk voor te weinig pro-Deo-advocaten zal zijn.
Er is nood aan een betrouwbare overheid. Justitie kan niet functioneren met uitgestelde en onvoorspelbare betalingen. We zien dit ook bij de tolken, de deskundigen en andere dienstverleners bij justitie.
Mevrouw de minister, klopt het dat de uitbetaling van de pro-Deogelden in mei onzeker is? Wat is de concrete stand van zaken? Welke stappen onderneemt u om te garanderen dat deze betaling alsnog tijdig gebeurt? Wanneer zal die uitbetaling kunnen gebeuren? Hoeveel budget is er dit jaar daadwerkelijk voorzien voor de uitbetaling van de pro-Deogelden? Hoe groot is de achterstand die moet worden weggewerkt?
Julien Ribaudo:
Madame la Ministre, nous avons appris que près de 3 700 avocats ayant assuré l'aide juridique de deuxième ligne (pro Deo) doivent attendre encore plus longtemps leur rémunération par l'État. Cette situation, dénoncée par l'Ordre des Barreaux flamands, est d'une gravité extrême. Non seulement elle met en péril les conditions de travail de ces avocats – souvent jeunes, précaires ou engagés dans les matières les plus sensibles comme le droit familial, le droit du logement ou la protection de la jeunesse, le droit des étrangers –, mais elle menace surtout l'accès à la justice pour les publics les plus vulnérables: femmes victimes de violences conjugales, chômeurs, petits locataires, réfugiés, mineurs, détenus... d’avoir un accès à la justice.
Les avocats qui acceptent de travailler dans le "système pro deo", qui permettent à ces personnes d'exercer leurs droits fondamentaux, sont aujourd'hui maintenus dans l'incertitude: ils sont informés de possibles retards supplémentaires, sans aucune garantie concrète de paiement ni de calendrier précis. Pourtant, certains ont dû contracter des emprunts personnels pour survivre en attendant ces paiements.
Vous avez évoqué des moyens supplémentaires issus des négociations budgétaires, mais sans préciser ni les montants exacts, ni la répartition prévue. Ce flou est inacceptable. En agissant ainsi, votre gouvernement déstabilise volontairement un pilier de l'État de droit: l'accès effectif à la justice pour tous, sans condition de fortune.
Dès lors, voici nos questions:
Avez-vous envisagé d'autres solutions pour éviter ces retards de paiement et garantir la continuité du système d'aide juridique? Par exemple, le déblocage d'une enveloppe provisoire, une avance sur paiements, ou une procédure d'urgence?
Pouvez-vous indiquer avec précision à quelle date les avocats pro Deo seront effectivement payés pour les dossiers clôturés en 2024?
Quelle garantie pouvez-vous offrir pour que l'ensemble des montants dus soient versés en intégralité, et non partiellement, comme certains le craignent?
Si une limitation des paiements devait survenir, comment sera-t-elle organisée? Est-il envisagé de réduire proportionnellement les montants pour tous les avocats, ou de différer entièrement le paiement de certains dossiers ou de certains avocats?
Annelies Verlinden:
Merci, chers collègues. Tout d'abord, je suis ravie que ces réformes positives soient reconnues, monsieur Aouasti. Elles ont effectivement nécessité beaucoup de travail et sont l'aboutissement d'un bel effort de coordination entre les ordres des avocats et le SPF Justice. Je souhaite poursuivre ces efforts pour améliorer le système de contrôle et de paiement des avocats. L'ensemble des acteurs souhaite aboutir à un système qui permette d'atteindre l'objectif du paiement des avocats dans un délai raisonnable, tout en présentant des garanties de contrôle suffisantes et de respect des contraintes budgétaires.
Nous devons prochainement entamer le travail de réflexion autour d'une réforme, car, premièrement, le récent système de deuxième paiement annuel des indemnités des avocats requiert des précisions techniques et, deuxièmement, la Cour des comptes exige davantage de garanties sur le contrôle des indemnités à payer. Nous en profiterons pour essayer d'améliorer plus largement le système. Ce travail doit être réalisé en coordination avec les ordres. À ce stade, il n'est pas encore possible de déterminer les modalités auxquelles ce travail de réflexion aboutira.
Wat de uitbetaling van de pro-Deogelden betreft, het is uiteraard mijn streven om de voorwaarden van de geldende regelgeving na te leven. De advocaten worden voor hun prestaties vergoed tegen het in het koninklijk besluit van 20 december 1999 vastgelegde tarief. Overigens is de waarde van een punt nog nooit zo hoog geweest, momenteel 97,37 euro, wat er mede voor zorgt dat de diensten van de advocaten en bureaus voor juridische bijstand billijk worden vergoed.
De regelgeving maakt evenwel geen gewag van enige specifieke betalingstermijn. Om die reden heeft de inspecteur van Financiën geweigerd om af te wijken van het huidige systeem van budgettaire behoedzaamheid, waarbij de kredieten onderverdeeld zijn in vier gelijke schijven, en een groter deel van het budget beschikbaar te stellen om zo over te gaan tot de volledige betaling in mei van dit jaar. Onze inspanning om de kredieten in mei van dit jaar volledig beschikbaar te stellen, hebben op die manier dus niet tot het verhoopte resultaat kunnen leiden.
Daarom hebben we de ordes tijdens de vergadering van 9 april voorgesteld om de reeds beschikbare enveloppes zo snel mogelijk te vereffenen, waardoor de advocaten tegen eind mei een betaling van ongeveer 60 % zouden ontvangen, met een punt dat voorlopig op 66 euro wordt vastgelegd.
Omdat de liquidatieprocedure uit meerdere fases bestaat en dus gepaard gaat met veel onzekerheden, is het moeilijk om een precieze uitbetalingsdatum te bepalen. Er moet bijvoorbeeld advies worden gevraagd aan de inspecteur van Financiën. Indien het advies van de inspecteur negatief is, dient beroep te worden aangetekend of moeten verdere stappen worden ondernomen overeenkomstig het advies van de inspecteur. Zo werkt het federaal liquidatiesysteem nu eenmaal.
Zodra de wet houdende algemene uitgavenbegroting voor het jaar 2025 goedgekeurd is in de Kamer en de budgetten beschikbaar zijn gesteld, kunnen de advocaten en bureaus voor juridische bijstand volledig worden uitbetaald.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.
J'organiserai ma réplique en deux temps. Tout d'abord, vos intentions sont positives. Vous voulez modifier et améliorer le système global de paiement. Vous avez la volonté de collaborer avec les ordres et de réformer positivement ce système de paiement en permettant à chaque avocat qui se dévoue et se dédie dans le cadre de l'aide juridique de deuxième ligne d'être payé en fonction de son travail, et ce, le plus rapidement possible. Je pense que c'est sain et qu'il est possible d'y arriver puisque nous sommes un des rares pays européens où le paiement est si différé. Si parmi nos voisins, certains ont des systèmes plus perfectionnés que le nôtre, il est alors possible de faire mieux nous-mêmes. Nos regards sont souvent dirigés vers les Pays-Bas ou la France. Or, leurs modèles sont bien meilleurs que les nôtres.
Ensuite, s'agissant des paiements, il y a quelque chose d'inadmissible. L'avis de l'Inspection des finances peut être dépassé par celui du ministre du Budget. Ce dernier est de votre formation politique. Il ne s'agit pas d'éléments nouveaux. Les dépenses liées à l'aide juridique sont des dépenses structurelles prévisibles annoncées année après année. Il ne faut pas se cacher derrière l'avis de l'Inspection des finances pour refuser d'offrir un paiement dans un cadre légal et qui est convenu depuis des années avec la profession d'avocats.
Le ministre du Budget a la possibilité de dépasser et d'outrepasser l'avis de l'Inspection des finances. S'il n'entend pas le faire, il n'est pas impossible, dès lors qu'il s'agit d'une prévisibilité budgétaire structurelle, de fonctionner à travers un système d'avances automatiquement régularisées via les trimestres ultérieurs de douzièmes provisoires ou à travers le budget qui devrait être voté avant l'été.
Marijke Dillen:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, iedereen in commissie heeft zich altijd positief uitgesproken over de hervormingen op het vlak van de tweedelijnsbijstand, die tijdens de vorige legislatuur dankzij de heer Van Hecke werden goedgekeurd. Het gaat nu eenmaal om bijstand voor de meest kwetsbaren in onze samenleving. Zij moeten kunnen rekenen op een juridische bijstand.
Wie die juridische bijstand levert, moet echter ook op een degelijke betaling kunnen rekenen. Mevrouw de minister, uw antwoord ontgoochelt mij bijzonder. Ik sta daarin ongetwijfeld niet alleen. Het zal ook de meer dan 4.000 advocaten die, naar ik heb begrepen, in het systeem pro Deo optreden en dat met een heel groot engagement doen, teleurstellen.
U geeft aan dat u op een redelijke termijn voor een oplossing zult zorgen. U streeft ernaar te betalen onder de geldende voorwaarden, maar u voegt er in een adem aan toe dat er geen specifieke betalingstermijn is bepaald in de vigerende regels. Dat klopt niet. Het is in het verleden en tijdens de vorige legislatuur de gewoonte geweest de uitbetaling altijd eind mei te doen.
U en ik krijgen op het einde van iedere maand onze uitbetaling op onze rekening. Voor ons zijn er geen zorgen om onze rekeningen te betalen. Echter, een hoop pro-Deoadvocaten leeft van pro-Deovergoedingen. Zij moeten nu al een of twee jaar na de verrichte prestaties wachten op hun centen.
U stelt wel dat de vergoedingen zijn gestegen. Er wordt nu 98 euro per punt toegekend. Het leven is echter ook duurder geworden, om nog maar te zwijgen van de indexering die iedereen in de samenleving krijgt. Het is dus niet meer dan normaal dat de waarde van een punt ook aanzienlijk stijgt.
In uw antwoord wijst u erop dat het de bedoeling is om 60 % aan een waarde van 66 euro per punt uit te betalen, indien ik u goed heb begrepen, anders verbetert u mij maar.
Uit uw antwoord heb ik evenwel begrepen dat die uitbetaling niet zal plaatsvinden voor 31 mei, aangezien u op de goedkeuring van de begroting dient te wachten. Het is geen geheim dat de Kamer de begroting niet voor het einde van de maand juni zal goedkeuren. Samen met meer dan 4.000 pro-Deoadvocaten ben ik zeer ontgoocheld dat u geen precieze uitbetalingsdatum bepaalt. Dat is Justitie onwaardig. Het is absoluut onaanvaardbaar dat de betrokkenen, die hun prestaties soms reeds één, twee tot drie jaar geleden hebben verricht en afgesloten, zo lang op hun geld moeten wachten.
Mijnheer de voorzitter, tot besluit van mijn interpellatie dien ik dan ook een motie in.
Kristien Van Vaerenbergh:
Mevrouw de minister, het is uiteraard een goede zaak dat er verder wordt gewerkt aan een verbetering van het pro-Deosysteem. Ik ben ook tevreden dat advocaten in normale omstandigheden vandaag ook een billijke vergoeding krijgen voor hun geleverde de prestaties.
Gelukkig is de situatie iets minder problematisch dan initieel was aangekondigd. Er wordt 60 % uitbetaald weliswaar tegen een tarief van 66 euro per punt. Dat neemt niet weg dat advocaten die prestaties leveren, op een correcte manier vergoed moeten worden. Het is zoals bij vele beroepsgroepen die werken voor justitie. De betaling blijft vaak achterwege, ook voor de pro-Deoadvocaten.
Voor sommige advocaten is die vergoeding de enige bron van inkomsten. Zij leven nu eenmaal van het systeem van de tweedelijnsbijstand, omdat zij vanuit hun sociale ingesteldheid daar specifiek voor hebben gekozen. Ik hoop dat er bij goedkeuring van de begroting snel zal kunnen worden overgegaan tot de uitbetaling aan de betrokken advocaten.
Stefaan Van Hecke:
Mevrouw de minister, uw antwoord ontgoochelt mij: 60 % van het bedrag wordt als voorschot uitbetaald. Dat is al iets, maar het blijft betreurenswaardig dat de betalingen in de soep lopen. Men weet immers dat elk jaar die betalingen eraan komen; men kan zich daar goed op voorbereiden.
Pro-Deoadvocaten verrichten heel belangrijk werk en moeten sowieso al heel lang wachten op hun geld: als een dossier afgesloten is, is nog een jaar wachten, maar die dossiers kunnen wel drie jaar of langer aanslepen! Het is dus al een hele opgave voor pro-Deoadvocaten om goed betaald te worden.
Hoeveel u precies tekortkomt, is niet heel duidelijk. Er wordt gesproken over 50 miljoen euro. U hebt extra middelen gekregen in het paasakkoord, maar het is maar de vraag of die zullen volstaan. Het lijkt er namelijk op dat dat geld al vier of vijf keer is uitgegeven. U hebt extra middelen nodig voor de modulaire units in die gevangenissen; u hebt extra middelen nodig om de achterstand weg te werken in de facturen van de takeldiensten, voor de achterstallige facturen van tolken en vertalers, van gerechtsexperten en pro-Deoadvocaten.
Zal uiteindelijk de rekening kloppen? Zullen alle achterstallen voldaan kunnen worden met de extra middelen die u kreeg in het paasakkoord? Dat is in feite de vraag van 1 miljoen.
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse. Comme l’ont dit mes collègues, elle ne nous rassure pas. Et je ne pense pas qu’elle va rassurer les avocats, parce que l’incertitude reste le maître-mot de votre réponse.
Dans votre exposé de politique générale, vous parliez d'"une justice équitable qui resserre les liens". C'est joli sur papier, mais dans ce dossier, on voit qu'on est loin du compte.
Retarder les paiements des avocats pro deo, ce n'est pas juste un bug de procédure ou un bug administratif, c'est mettre en péril l'accès à la justice pour celles et ceux qui en ont le plus besoin. La plupart des 3 700 avocats qui bossent comme avocats pro deo le font par conviction. Mais même les plus engagés finissent par fatiguer quand on leur demande d'attendre, quand on leur impose de l'incertitude, sans leur dire quand ils seront payés.
L'an dernier, ils ont accepté un paiement en juin, alors qu'auparavant ce paiement avait toujours lieu en mai. L'année passée, ils ont accepté un paiement en juin en précisant que cela ne devait pas devenir la norme. Et un an plus tard, rebelote: paiement à 60 % en juin! L’enveloppe est déjà trop juste. On parle d'un trou de 50 millions. Et pour la suite, mystère, on ne sait pas! Mais qui peut se contenter d'un salaire à 60 % aujourd'hui? En tout cas, pas eux.
Bref, on est loin d'une justice qui resserre les liens. Cette politique que vous menez déstabilise un pilier essentiel de notre démocratie, qui est celui d'une justice accessible pour tous, et pas seulement pour ceux qui peuvent se payer un avocat.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Marijke Dillen en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, overwegende dat: - kwalitatieve tweedelijnsbijstand alle respect verdient; - advocaten in tweedelijnsbijstand zeer loyaal zijn t.o.v. Justitie: maandenlang, soms jarenlang, worden er prestaties geleverd waarbij betaling pas in het vooruitzicht wordt gesteld ongeveer één jaar na datum van afsluiting van het dossier; - uitstel in betaling ontegensprekelijk leidt tot grote problemen voor vele advocaten die bijkomende kredieten zullen moeten afsluiten indien de overheid in gebreke blijft; - als advocaten dit groot engagement opnemen, er mag worden verwacht dat ook de minister van Justitie de afspraken correct naleeft; - dit betekent dat alle vergoedingen op het afgesproken tijdstip, zijnde einde mei 2025 volledig zullen worden uitbetaald; - op een vergadering van 9 april jongstleden met de FOD Justitie, Cel Subsidies, de Orde van Vlaamse Balies en OBFG hebben vernomen dat er geen mogelijkheid zou zijn om einde mei 2025 over te gaan tot betaling van de vergoedingen in tweedelijnsbijstand conform de puntenlijst van 1 februari; - dit echter onaanvaardbaar is; vraagt de regering onmiddellijk de nodige initiatieven te nemen om ervoor te zorgen dat alle vergoedingen in tweedelijnsbijstand (de pro Deo-gelden) volledig zullen worden uitbetaald op het afgesproken tijdstip, zijnde uiterlijk einde mei 2025, en hiervoor voldoende budgetten vrij te maken. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Marijke Dillen et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Marijke Dillen et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, considérant que: - l'aide juridique de deuxième ligne qualitative mérite tout le respect; - les avocats de l'aide juridique de deuxième ligne sont très loyaux vis-à-vis de la Justice: durant des mois voire des années, des prestations sont fournies alors que la perspective de paiement n'apparaît qu'environ un an après la date de clôture du dossier; - les reports de paiement entraînent indéniablement des problèmes majeurs pour de nombreux avocats qui devront contracter des crédits supplémentaires si l'État reste en défaut; - si les avocats prennent cet engagement majeur, on peut s'attendre à ce que la ministre de la Justice respecte également correctement les accords; - cela signifie que toutes les indemnités devront être payées intégralement au moment convenu, c'est-à-dire fin mai 2025; - lors d'une réunion organisée le 9 avril dernier avec le SPF Justice, cellule Subsides, l'Orde van Vlaamse Balies et l'OBFG ont été informés qu'il n'existerait aucune possibilité de procéder d'ici fin mai 2025 au paiement des indemnités pour l'aide juridique de deuxième ligne conformément à la liste de points du 1 er février; - cette situation est toutefois inacceptable; demande au gouvernement de prendre sans délai les initiatives nécessaires pour faire en sorte que toutes les indemnités pour l'aide juridique de deuxième ligne (les montants pro Deo) soient intégralement versées au moment convenu, c'est-à-dire fin mai 2025 au plus tard, et de débloquer les budgets nécessaires à cet effet. " Een eenvoudige motie werd ingediend door de heer Steven Matheï. Une motion pure et simple a été déposée par M. Steven Matheï . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
De samenwerking tussen arbeidsauditoraten en OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden bevestigde een fout in de gerapporteerde cijfers over samenwerkingsprotocollen tussen OCMW’s en arbeidsauditoraten (Leuven had wél een protocol), veroorzaakt door een administratieve vergissing bij het bundelen van gegevens. Zij moedigt intensievere samenwerking en sensibilisering aan om sociale fraude beter te bestrijden, maar ontweek de vraag of OCMW’s verplicht zijn mee te werken met auditoraten en hoe het beroepsgeheim van maatschappelijk werkers dit bemoeilijkt. Raskin drong aan op een antwoord hierover, maar kreeg dit niet en kondigde een terugkommoment aan.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, u bezorgde mij onlangs cijfers over het aantal samenwerkingsprotocollen tussen OCMW's en de arbeidsauditoraten. Daaruit blijkt dat vooral in de provincies Limburg en Antwerpen dergelijke protocollen gangbare praktijk zijn. Zij zijn de goede leerlingen uit de klas.
Helaas lijken de cijfers niet helemaal correct te zijn. Zo zou volgens uw antwoord het arbeidsauditoraat van Leuven geen protocollen hebben gesloten, maar ik deed wat opzoekwerk en botste op een website die het tegendeel lijkt te beweren. Ik stel dat wel voorwaardelijk.
Wat is de reden waarom de door u bezorgde informatie niet lijkt te kloppen? Kunt u mij alsnog volledige en actuele informatie bezorgen? Lijkt het u een goed idee om in te zetten op meer sensibilisering en zowel OCMW’s als arbeidsauditoraten aan te moedigen om werk te maken van een intensievere samenwerking? Zijn OCMW’s vandaag verplicht om mee te werken met het arbeidsauditoraat wanneer dat een onderzoek voert naar sociale fraude? In welke mate verzet het beroepsgeheim van de maatschappelijk assistenten zich hiertegen?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Raskin, de informatie die werd gevraagd in uw schriftelijke vraag nr. 14 van 20 februari 2025 werd niet statistisch geregistreerd. De arbeidsauditoraten werden individueel bevraagd en gaven ook een antwoord. Bij het samenvoegen van de verschillende antwoorden werd een vergissing begaan in het antwoord met betrekking tot het Leuvense arbeidsauditoraat, dat had geantwoord dat er slechts één protocol was afgesloten met het OCMW Leuven. De antwoorden van de arbeidsauditoraten werden nogmaals gecontroleerd en komen overeen met het gegeven antwoord.
Bewustmaking en samenwerking vormen altijd positieve elementen wanneer overheidsinstellingen met elkaar interageren en hetzelfde doel nastreven, namelijk, zoals ook in dit geval, het algemeen welzijn. Ik kan het intensiever samenwerken tussen OCMW's en arbeidsauditoraten dan ook alleen aanmoedigen.
Wouter Raskin:
Ik dank u voor de rechtzetting, mevrouw de minister. Het kan gebeuren dat er hier en daar eens een vergissing in bepaalde cijfers sluipt. Dat is geen enkel probleem. Ik hoor u graag zeggen dat u het idee genegen bent om daarover te sensibiliseren. Ik heb helaas geen antwoord op mijn derde vraag gekregen. In welke mate zijn OCMW's vandaag verplicht om met het arbeidsauditoraat mee te werken als het effectief een onderzoek naar sociale fraude voert? We zitten daar met het beroepsgeheim van de maatschappelijk assistenten. In welke mate vormt dat een probleem? Ik heb daarop helaas geen antwoord gekregen. Ik weet niet of u mij dat zo kunt zeggen? Anders zal ik daarop moeten terugkomen.
De bijstand van deskundigen voor magistraten
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden bevestigt dat deskundigenadvies bij straftoemeting al deels is verankerd in het huidige en toekomstige Strafwetboek (o.a. verplichte rapporten bij seksuele/terroristische misdrijven, psychologische risicotaxaties en probatie-adviezen), maar benadrukt dat de eindbeslissing bij de rechter blijft. Ze onderschrijft het belang van individuele, onderbouwde straftoemeting met input van psychologen/forensische experts, zonder de rechterlijke autonomie aan te tasten. Nieuw is de veralgemening van voorlichtingsrapporten (art. 31-32 nieuw SW) en vroegtijdige psychologische screening (sinds jan. 2024). Onderzoek naar meerwaarde bestaat, maar concrete resultaten worden niet genoemd.
Marijke Dillen:
Mevrouw de minister, volgens het nieuw Strafwetboek, dat in april 2026 in werking treedt, zal een rechter meer toelichting moeten geven bij de strafmaat en de motivering beter moeten beargumenteren. Een straf moet niet alleen anticiperen op de publieke verontwaardiging, maar moet ook nog drie andere doelen hebben: herstel van de onrust in de samenleving, wat een verhaal van de slachtoffers is, de bescherming van de maatschappij en de re-integratie van de dader.
In een toch wel merkwaardig interview afgelopen weekend, waarvan ik aanneem dat u het ook gelezen hebt, van mevrouw Evelien de Kezel, raadsheer bij het hof van beroep te Brussel, lezen we: "Justitie is niet populair en kan ook niet populair zijn. We moeten uitleggen waarom we de beslissingen nemen die we nemen en waarom we aan bepaalde verwachtingen niet tegemoetkomen, waarom een verkrachter nog vrij op straat kan lopen, waarom een veroordeelde met elektronisch toezicht er niet gemakkelijk van afkomt, waarom iemand al dan niet schuldig is." De raadsheer pleit daarbij om meer bijstand van deskundigen in te roepen, bijvoorbeeld psychologen of forensische artsen, die de magistraten adviseren over de straftoemeting.
Ik citeer verder: "Wat zijn straffen die werken in een concreet geval? Justitie is veel te belangrijk om alleen aan magistraten over te laten." Ook lezen we: "We moeten niet naar een situatie evolueren waarin een vonnis of arrest kan weggezet worden als 'ook maar de mening van iemand'."
Mevrouw de minister, wat is uw standpunt betreffende dat toch wel opmerkelijk pleidooi voor bijstand van deskundigen? Bent u bereid om ter zake een initiatief te nemen? Dat zal weliswaar opnieuw erg veel kosten, daarvan hoef ik u niet te overtuigen.
Heeft er ooit reeds onderzoek plaatsgevonden naar de meerwaarde van de bijstand van deskundigen voor magistraten? Zo ja, wat waren de resultaten daarvan?
Annelies Verlinden:
Collega Dillen, dergelijke insteek is niet nieuw. In het huidige Strafwetboek is nu al voorzien dat magistraten zich kunnen laten informeren over de opportuniteit van de straf die zij overwegen op te leggen. Zij kunnen zich hiertoe richten tot de bevoegde diensten van de gemeenschappen, met de vraag om een beknopt voorlichtingsrapport of een maatschappelijke enquête op te stellen. Ik verwijs daarvoor naar de wettelijke kaders inzake de straf onder elektronisch toezicht, de werkstraf, de probatieopschorting en het probatie-uitstel. In het kader van de probatiewetgeving is tevens voorzien in de verplichting om het met reden omkleed advies in te winnen van een dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele delinquenten, alvorens een probatiemaatregel op te leggen. In het nieuwe Strafwetboek is deze mogelijkheid veralgemeend tot het in artikel 31 voorziene voorlichtingsrapport. Artikel 32 voorziet eveneens in de verplichting van een advies van een deskundige of dienst gespecialiseerd in de begeleiding of behandeling van seksuele of terroristische delinquenten indien de beklaagde of de beschuldigde wordt vervolgd voor een terroristisch misdrijf of een misdrijf tegen de seksuele integriteit of het seksuele zelfbeschikkingsrecht. Het nieuwe Strafwetboek voorziet ook in de verstrekking van een gespecialiseerd deskundigenadvies in het kader van behandeling onder vrijheidsberoving en de verlengde opvolging. Met de wet van 18 januari 2024 werd de mogelijkheid voor de procureur des Konings ingeschreven in artikel 43 van het Wetboek van strafvordering om een psychologisch onderzoek te bevelen door een deskundige, houder van de beroepstitel klinisch psycholoog, waarbij minstens een risicotaxatie wordt verricht, teneinde zich te vergewissen van het psychisch functioneren van een verdachte. Hierbij werd gesteld dat psychologisch onderzoek in een vroeg stadium inzicht kan geven in de verdachte, in zijn handelen, het gevaar, hoe dat te ondervangen en de nood aan behandeling. Het geeft de rechter adequate handvaten. Ik kan dus het pleidooi bijtreden dat het van groot belang is dat het OM in zijn vordering en de rechter in zijn beslissing kan worden bijgestaan door deskundigen en deskundige diensten die pertinente informatie verstrekken, waardoor tot een individuele straftoemeting kan worden gekomen. Vanzelfsprekend moet dit beperkt blijven tot handvaten en adviezen en is het aan de rechter om een gepaste straf op te leggen, rekening houdend met alle elementen en in het kader van het toekomstig Strafwetboek, met de strafdoelen zoals omschreven in artikel 27.
De voorgestelde besparingen op de sociale zekerheid voor de financiering van de defensieuitgaven
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 10 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz kritiseert het plan om 4 miljard uit sociale zekerheid en gezondheidszorg te halen voor herbewapening, terwijl de sector al onder druk staat en pensioenen/kwaliteit zorg erop achteruitgaan. Minister Vandenbroucke benadrukt dat verdediging nodig is, maar bevestigt dat de sociale zekerheid (kern van de democratie) *niet* mag worden uitgekleed voor wapenaankopen, en pleit voor *parallelle investeringen* in beide domeinen. Schlitz stelt voor om eerst efficiënter te besteden (Europese samenwerking, geen F-35’s) en belastingen op vermogen/kapitaal in te voeren (tot 6 miljard opbrengst) in plaats van "altijd dezelfde" te laten opdraaien. Kernpunt: conflict tussen defensie-urgentie en behoud welvaartsstaat, met tegenstrijdige financiële prioriteiten.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, on nage en plein délire. Hier soir, nous avons entendu Theo Francken expliquer tranquillement qu'il suffirait d'aller chercher l'argent dans les caisses de la sécurité sociale et des soins de santé pour financer le réarmement de la Belgique. Eh bien, c'est vraiment une super idée! Alors que votre gouvernement va déjà chercher deux milliards dans les soins de santé, il en puiserait à présent quatre milliards. Allons-y! Pendant ce temps, les pensionnés tirent le diable par la queue; il n'y a pas moins d'obtenir un rendez-vous médical parfois avant un an; on ne parvient pas à recruter des infirmières parce que les salaires de misère proposés ne le permettent pas. Tandis qu'on n'arrête pas de dire à tout bout de champ qu'il n'y a pas d'argent, que les économies sont nécessaires, que ce sera difficile pour tout le monde, que nous allons nous mettre au régime tous ensemble, tout à coup on va chercher l'argent dans les soins de santé et la sécurité sociale.
Professeur Vandenbroucke, vous savez comme moi que la sécurité sociale n'est pas un Bancontact. Il faudrait peut-être expliquer à votre collègue Theo Francken qu'en réalité, c'est une caisse à laquelle les Belges contribuent pour pallier les risques de la vie. Par exemple, les travailleurs et travailleuses de Cora qui vont perdre leur boulot vont pouvoir percevoir un revenu de remplacement grâce à la sécurité sociale et donc pouvoir continuer à rembourser leur emprunt, à payer leur loyer et ne pas se retrouver sans logement. C'est à cela que sert la sécurité sociale, et non à acheter des F-35 américains pour Theo Francken.
Monsieur le ministre, demain, vous en discuterez en kern. Me confirmez-vous que l'argent de la sécurité sociale et des soins de santé va servir de variable d'ajustement pour financer le réarmement de la Belgique ou bien allez-vous défendre une autre position?
Frank Vandenbroucke:
Madame Schlitz, pour assurer notre sécurité, notre liberté, il faut renforcer notre défense et donc augmenter les dépenses. C'est une évidence, hélas.
Vous me connaissez, on en discute en kern, mais je n'anticipe jamais les discussions du gouvernement fédéral. Permettez-moi quand même une question. Que défendons-nous contre Poutine? Nous défendons notre démocratie, qui est politique et sociale, qui est basée intrinsèquement sur la sécurité sociale, sur des soins accessibles à tout le monde, sur des valeurs de justice. C'est ce que nous défendons. Je crois donc que la réponse est évidente. Nous n'allons tout de même pas renoncer à ce que nous défendons en démantelant notre État-providence.
Michael De Cock l'a dit dans De Standaard , avec des mots absolument justes: "Nous ne pouvons pas arrêter la course à l'armement en Europe, mais nous pouvons éviter qu'elle se fasse au détriment de ce qui nous distingue en tant qu'êtres humains". Voilà la réponse. En même temps, nous investissons et nous réformons dans le domaine de la protection sociale, pour la préserver, pour la renforcer. Pas pour l'armement.
Voilà le défi de taille de ce gouvernement dans lequel je me suis engagé.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le ministre. Le contexte international nous oblige aujourd'hui à agir pour travailler à notre autonomie. C'est une évidence. Mais ce que nous devons faire en priorité, c'est mieux dépenser l'argent. On doit travailler à des économies d'échelle. Nous devons mutualiser avec les autres États européens notre matériel en vue de la défense. Aujourd'hui, il y a à travers tous les pays européens 15 modèles différents de chars. C'est complètement absurde. Et par ailleurs, nous devons aussi acheter européen. Acheter des F-35 américains n'a aucun sens. Monsieur le ministre, j'entends votre réponse et j'espère que vous arriverez à protéger notre sécurité sociale. Mais ce que je n'entends pas, c'est que vous irez chercher l'argent là où il est. Parce qu'aujourd'hui, vous allez à nouveau mettre les mêmes au régime, plutôt que d'aller chercher l'argent en mettant en place une vraie taxation des plus-values, qui peut rapporter jusqu'à deux milliards, en taxant les plus gros patrimoines, qui peuvent rapporter jusqu'à quatre milliards, ou encore en taxant un euro des revenus du capital comme un euro (...)
De controlecampagne van de welzijnsinspectie bij dienstenchequebedrijven
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De controlecampagne 2024 bij dienstenchequebedrijven toont opnieuw massale overtredingen: 80-85% faalt in risicoanalyses (chemische stoffen, MSK-aandoeningen, moederschapsbescherming), 60% mist voorafgaand en 40% periodiek gezondheidstoezicht, met enkel lichte verbetering in thuiscontroles (40% → dalend). Minister Clarinval belooft het rapport spoedig te publiceren, externe preventiediensten aan te pakken en de sociale partners te betrekken, maar wacht hun reactie af voor verdere maatregelen. Vanrobaeys hekelt het gebrek aan vooruitgang en benadrukt de cruciale rol van poetshulpen, eist structurele verbeteringen en kondigt vervolgvragen aan. Blokkade bij sociale partners (loon, arbeidsomstandigheden) blijft een knelpunt.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, ik heb u een schriftelijke vraag gesteld naar de resultaten van de controlecampagne 2024 van de Welzijnsinspectie bij de dienstenchequebedrijven. Uw voorganger heeft die campagne opgestart in 2022 en in 2023 herhaald omdat de resultaten echt bar slecht waren. Er bleek namelijk dat 9 op 10 bedrijven in de dienstenchequesector de welzijnswetgeving gewoon niet naleefden. U antwoordde dat de campagne pas in het najaar van 2024 werd opgestart, omdat er andere prioriteiten waren - daar heb ik alle begrip voor – en dat uiterlijk op 31 maart de resultaten op de website van de FOD WASO zouden worden gepubliceerd.
Op de website van de FOD WASO heb ik alleen een algemeen rapport van de Welzijnsinspectie gevonden. De Welzijnsinspectie doet zowat overal controles, wat weliswaar ook belangrijk is, maar mijn vraag ging specifiek over de dienstenchequebedrijven. Daarom herhaal ik mijn vragen.
Wanneer werden de controles van de dienstenchequesector in 2024 voortgezet? Wanneer wordt het rapport gepubliceerd?
Wat zijn de resultaten van de controlecampagne? Wat zijn de meest voorkomende overtredingen? Is er een verbetering zichtbaar ten opzichte van 2022 en 2023?
Zult u de campagne voortzetten in 2025?
Overweegt u bijkomende maatregelen voor een veilige werkvloer voor de poetshulpen?
Dan heb ik ook nog een aantal vragen over het gezondheidstoezicht. In vele bedrijven is er geen periodiek gezondheidstoezicht, terwijl dat toch superbelangrijk is. Blijkt uit de campagne dat er daar nog steeds een probleem is? Als het nog een probleem is, hoe zult u het aanpakken?
De sociale partners blijken nog steeds geen akkoord bereikt te hebben over de arbeidsomstandigheden en over de loonsverhoging, die door de Vlaamse overheid toegezegd werd. Ik meen dat dat nochtans cruciaal is om de werkomstandigheden van poetshulpen te verbeteren. Als die blokkering blijft aanslepen, zult u aan de kar trekken om de arbeidsomstandigheden van de poetshulpen en een gezonde werkvloer te garanderen?
David Clarinval:
De Algemene Directie Toezicht op het Welzijn op het Werk van de Arbeidsinspectie legt momenteel de laatste hand aan de eindredactie van het rapport over de nationale inspectiecampagne 2024 in de sector van de dienstencheques. Dat rapport zal, met enige vertraging, op de website van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg worden gepubliceerd.
Voor die inspectiecampagne werden 40 dienstenchequesondernemingen steekproefgewijs geselecteerd. Net zoals bij de vorige twee campagnes, die in 2022 en 2023 werden gevoerd, blijft de top 3 van vastgestelde inbreuken ongewijzigd. Het percentage tussen haakjes geeft het aantal dienstenchequesondernemingen weer dat in overtreding was.
Punt A betreft het ontbreken van een risicoanalyse met betrekking tot moederschapsbescherming in samenwerking met de preventieadviseur en arbeidsarts, het ontbreken van een risicoanalyse met betrekking tot chemische agentia (80 %) en het ontbreken van een risicoanalyse met betrekking tot musculoskeletale aandoeningen (85 %).
Punt B betreft het ontbreken van voorafgaand gezondheidstoezicht (60 %) en het ontbreken van periodiek gezondheidstoezicht (40 %).
Punt C betreft onvoldoende toezicht door de hiërarchische lijnen bij de gebruiker thuis, teneinde na te gaan of het ter beschikking gestelde materiaal voldoende aangepast is aan het uit te voeren werk, zodat de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens het gebruik ervan kan worden gewaarborgd (40 %). Alleen bij dat laatste punt is verbetering vast te stellen ten opzichte van de resultaten van de eerdere campagnes.
Dan kom ik aan uw tweede vraag. Tijdens de campagne 2024 werd wederom vastgesteld dat sommige dienstenchequesondernemingen hun verplichtingen inzake het gezondheidstoezicht niet kunnen naleven, omdat de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk bij wie ze zijn aangesloten, geen gezondheidstoezicht wil organiseren voor die specifieke categorie van werknemers, gebruikmakend van een correcte methode voor de risico-evaluatie.
Ik zal dat nader laten onderzoeken door de Arbeidsinspectie en de externe diensten responsabiliseren.
Ten derde, zodra het eindrapport van de inspectiecampagne 2024 in de dienstenchequesector gevalideerd is, zal ik het bezorgen aan de voorzitter van de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het Werk, alsook aan de voorzitter van het paritair subcomité voor de erkende ondernemingen die buurtwerken of -diensten leveren, met de vraag de bespreking ervan op de agenda te plaatsen. Ik zal dan eerst de reactie van de sociale partners afwachten alvorens eventueel bijkomende maatregelen te nemen.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, ik dank u voor dat eerste overzicht van de resultaten. Ik vind het echt schrijnend dat er alleen maar een verbetering wordt vastgesteld in verband met het toezicht van de hiërarchische lijn bij klanten thuis hoe de veiligheid van poetshulpen op de werkvloer kan worden verbeterd. Voor mij zijn poetshulpen een onmisbare schakel. Zij zorgen ervoor dat andere gezinnen kunnen gaan werken en dat senioren thuis kunnen blijven wonen. Ik vind het ongelooflijk dat er na inspectiecampagnes in 2022, 2023 en 2024 nog steeds wordt gespeeld met de gezondheid en de veiligheid van poetshulpen op de werkvloer. Ik kijk uit naar het volledige rapport en zal daarover zeker vervolgvragen stellen, want ik vind dat poetshulpen veel meer respect en waardering verdienen. Ik hoop dat u daarmee verder aan de slag zult gaan na het advies van de hoge raad.
De hervorming van de werkloosheidsregeling en de gegevensuitwisseling met de OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking tot 2 jaar) dreigt langdurig werklozen massaal naar het OCMW (CPAS) te duwen, wat onvoorziene druk op hun budget en capaciteit veroorzaakt. Minister Clarinval bevestigt dat gefaseerde informatie-uitwisseling (geaggregeerde data) en extra federale financiën voor OCMW’s gepland zijn om de overgang op te vangen, maar concrete data, afspraken met entiteiten en uitvoeringsdetails ontbreken nog—onderhandelingen lopen nog en vallen deels onder collega Van Bossuyt (bevoegd voor OCMW-steun). Meunier dringt aan op urgente planning om een "tsunami" aan nieuwe hulpvragen te voorkomen, wijzend op bestaande studies die precieze profielen en aantallen (320.000 werklozen vs. 176.000 vacatures) al blootleggen, maar krijgt geen duidelijke tijdlijn—alleen de belofte van overleg *na* definitieve regelgeving.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, votre réforme du dispositif d'indemnisation des chômeurs de longue durée aura, comme vous le savez, des conséquences directes pour un grand nombre de personnes en fin de droits, qui se tourneront très probablement vers les CPAS pour solliciter une aide sociale. Cependant, les CPAS, ne disposent aujourd'hui d'aucun mécanisme systématique d'information en amont au sujet des bénéficiaires potentiels qui perdront leur droit aux allocations de chômage. Dans ce contexte, j'ai trois questions.
Premièrement, le gouvernement prévoit-il de mettre en place un mécanisme permettant aux CPAS d'être informés en amont des exclusions liées à la réforme, afin d'anticiper l'afflux massif de nouvelles demandes d'aides sociales? Comme vous le savez, cet afflux sera massif.
Deuxièmement, auront-ils accès à des données concernant les profils socioéconomiques des personnes concernées, sous une forme agrégée ou individualisée, afin d'adapter leur accompagnement?
Enfin, plus largement, quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour éviter un transfert de charges non anticipé et non compensé vers les CPAS, qui sont déjà fortement sollicités sur le terrain?
David Clarinval:
Madame la députée, je vous remercie pour votre question qui touche avec justesse une préoccupation réelle, celle de l'accompagnement des personnes en fin de droits et du rôle que joueront les CPAS à l'avenir.
Je tiens à vous répondre avec toute l'empathie qu'exige ce sujet, en tenant compte à la fois de notre responsabilité sociale et des principes de bonne gouvernance.
Nos réformes sont guidées par un objectif clair: encourager l'emploi tout en protégeant les plus vulnérables. La réforme de l'assurance chômage décidée par le gouvernement a pour objectif de transformer le système en un régime assurantiel, garantissant une protection temporaire tout en dynamisant le retour à l'emploi.
Le gouvernement poursuivra une politique d'activation ambitieuse. Les personnes en bonne santé et capables de travailler ne pourront plus bénéficier de systèmes trop avantageux et prolongés dans le temps, qui les découragent d'entrer sur le marché du travail. Dans ce cadre, le gouvernement a décidé de limiter dans le temps le droit aux allocations de chômage, avec une durée maximale de deux ans.
Votre inquiétude est légitime. Ce type de réforme peut entraîner une pression accrue sur les CPAS si rien n'est fait en amont. C'est précisément pourquoi les mesures d'anticipation et de coordination interfédérale sont intégrées dans notre approche.
En ce sens, le gouvernement prévoit de travailler en coordination avec les entités fédérées pour permettre aux CPAS d'être informés en amont, via une mise à disposition systématique de données agrégées sur les sorties prévues du système de l'assurance chômage, dans le respect des règles de protection de la vie privée. Cela permettra aux CPAS de préparer leur dispositif d'accompagnement et d'adapter leurs ressources.
Notre objectif est clair. Nous voulons anticiper et éviter un effet domino sur les CPAS.
Conformément au principe du fédéralisme de réforme mis en avant par l’accord Arizona, le gouvernement fédéral a prévu une enveloppe de refinancement ciblé des CPAS, notamment pour absorber l'impact des réformes du marché du travail, un refinancement des pouvoirs locaux pour absorber l'impact des réformes du marché du travail et rendre la facture des pensions plus supportable dans les années à venir.
Cette mesure répond à une volonté d'éviter un transfert de charges non compensé. Selon les dernières données du SPF Emploi et du Bureau fédéral du Plan, la Belgique compte encore près de 320 000 demandeurs d'emploi inoccupés au troisième trimestre 2024, alors que plus de 176 000 postes restent vacants. Dans un tel contexte, l'inadéquation entre l'offre et la demande exige une politique qui encourage l'insertion sans négliger ceux qui se heurtent à de vraies difficultés.
Je vous informe par ailleurs que la question portant sur la mesure relative à l'aide au CPAS est à poser à ma collègue Van Bossuyt, qui est compétente en la matière.
Notre ligne directrice est claire: la dignité passe par l'emploi, et nous devons éviter à tout prix la désinformation prolongée. Toutefois, cela ne signifie pas l'abandon. Les orientations et les textes étant encore au stade de projets ne faisant pas l'objet d'un arbitrage politique, il est prématuré à ce stade d'apporter des réponses relatives à un dossier qui n'est pas encore stabilisé politiquement et qui se trouve, de surcroît, dans les mains de ma collègue Van Bossuyt. Néanmoins, l'information suivante peut être transmise: le SPF ETCS et le SPP Intégration sociale ont pris contact afin d'organiser, une fois que le texte réglementaire de la réforme sera définitif, une réunion entre eux pour examiner les conséquences de celle-ci sur l'organisation des CPAS. Voilà, madame la députée, ma réponse – qui fut très rapide, je vous le concède.
Voorzitter:
Oui, nous l'avions constaté, monsieur le ministre!
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, c'était effectivement rapide. J'irai revoir la vidéo pour récupérer quelques éléments que je n'ai pas forcément compris dans un premier temps. Par contre, je tiens à vous signaler que je dépose la question également chez votre collègue. Il est quand même ici question de chômeurs de longue durée. Comme cela relève de vos compétences, je vous ai posé la question. J'entends que vous comptez mener une concertation pour faciliter justement l'arrivée de ces chômeurs de longue durée au niveau des CPAS. J'aurais dès lors une sous-question. Avez une date à nous communiquer? En effet, depuis le temps que vous annoncez ce transfert des chômeurs de longue durée vers les CPAS, j'imagine que vous avez quand même pu anticiper et discuter avec les différentes institutions pour que cette arrivée se fasse de manière un petit peu plus souple que le tsunami qui est prévu. Des chiffres nous sont donnés via différentes études. On sait donc quels citoyens se cachent derrière ces chiffres. En ayant ces différents profils, les CPAS peuvent déjà entamer en amont différentes démarches pour que cette insertion se passe de manière plus souple. Monsieur le ministre, je reviendrai potentiellement avec des questions complémentaires à ce sujet.
De verdediging van het diversiteitsbeleid tegen Amerikaanse druk
De verdediging van het diversiteits- en inclusiebeleid tegen de druk vanuit de regering-Trump
De brief van de Amerikaanse overheid aan bedrijven inzake het stopzetten van positieve discriminatie
Het afkalvende diversiteitsbeleid en de aanmaning van de Trump-administratie aan onze bedrijven
Verzet tegen Amerikaanse druk op diversiteits- en inclusiebeleid in bedrijven
Gesteld door
Les Engagés
Anne Pirson
PS
Ludivine Dedonder
VB
Sam Van Rooy
Ecolo
Sarah Schlitz
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Amerikaanse druk op Europese bedrijven (o.a. GSK) om DEI-beleid (diversiteit, gelijkheid, inclusie) te schrappen, gebaseerd op een decreet van Trump dat dergelijke programma’s als "discriminatie" bestempelt. Minister Beenders (Gelijke Kansen) verdedigt DEI als economische en sociale troef, gesteund door wetenschappelijk bewijs, en belooft juridische stappen, Europese coördinatie en versterking van Belgische antidiscriminatiewetten, terwijl kritiek komt van regeringspartijen die DEI als "woke-dogma" afwijzen (Van Rooy, N-VA) en oppositieleden (Dedonder, Schlitz) vrezen voor een terugval in gelijkheid door economische chantage en ideologische invloed. Kernconflict: soevereiniteit en waarden (gelijkheid vs. "meritocratie") tegenover economische afhankelijkheid, met een oproep tot verzet tegen buitenlandse inmenging en versterking van Europese samenwerking.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, ces derniers jours, plusieurs entreprises européennes ont reçu un courrier officiel de l'administration américaine leur demandant de renoncer à leurs programmes de diversité, d'égalité et d'inclusion. Ce courrier fait référence au décret, signé par Donald Trump, qui interdit ce type de programme dans l'administration fédérale américaine et impose cette interdiction à tous les prestataires et fournisseurs du gouvernement américain. Autrement dit, des entreprises présentes sur notre sol sont aujourd'hui sommées par Donald Trump de renoncer à des engagements en faveur de l'égalité des chances pour ne pas compromettre leurs relations commerciales avec les États-Unis. J'ai envie de vous dire: "Dans quel monde vit-on?" Certaines entreprises semblent avoir plié. GSK, par exemple, a modifié sa communication et a suspendu des initiatives liées à la diversité, à l'équité et à l'inclusion. D'autres font preuve de discrétion mais l'effet dissuasif est bien réel.
Ce qui se joue ici est grave. Il s'agit d'une tentative d'ingérence idéologique dans nos politiques d'égalité via des pressions économiques. Nos entreprises ne devraient jamais être contraintes de choisir entre le respect de nos valeurs fondamentales et leurs activités commerciales.
Voici mes questions. Quelle analyse faites-vous de cette pression exercée sur les entreprises belges? Avez-vous pris contact avec les entreprises concernées pour connaître l'ampleur des retraits ou modification de leurs programmes d'égalité et de diversité? Quelles mesures comptez-vous prendre, en concertation avec vos collègues du gouvernement pour faire respecter nos principes fondamentaux sur notre territoire, y compris par des entreprises soumises à des pressions étrangères. Il est clair que notre pays ne peut pas tolérer qu'un décret étranger vienne effacer les progrès concrets que nous avons accompli. Il en va de notre souveraineté démocratique autant que de nos valeurs.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, verschillende Europese bedrijven hebben van de Amerikaanse overheid een brief gekregen met de vraag of ze binnen het bedrijf aan positieve discriminatie doen. Bedrijven worden gevraagd te erkennen dat ze geen programma's uitvoeren die DEI – diversity, equality, inclusion (diversiteit, gelijkheid en inclusie) – stimuleren, die in strijd zijn met de toepasselijke antidiscriminatiewetten.
Die bedrijven moeten met andere woorden aantonen dat ze niet aan zogeheten positieve discriminatie doen. De Amerikaanse president Trump stelt terecht dat zogenaamde positieve discriminatie ook discriminatie is. Hij noemt het een onwettelijk en verderfelijk identiteitsgericht systeem en wil dat het bedrijfsleven voortaan weer hard werken, excelleren en goed presteren vooropstelt.
Niet minder dan drie regeringsleden, ministers Jambon, Prévot en uzelf, reageerden afwijzend met een typisch politiek correct pleidooi voor gelijkheid, non-discriminatie, inclusie en uiteraard diversiteit. Deze regering stelt: "Diversiteit is geen bedreiging, maar een essentiële troef voor economische groei, concurrentiekracht en sociale cohesie." Deze politiek correcte prietpraat lijkt wel van de vorige vivaldiregering te komen.
Mijnheer de minister, ik krijg van u graag een toelichting over de brief van de Amerikaanse overheid en over de reactie van deze regering aan de Verenigde Staten. Waarom is deze regering het niet gewoon eens met de Verenigde Staten dat de zogenaamde positieve discriminatie ook discriminatie is en dat niet diversiteit en inclusie, maar wel talent, hard werken en excelleren de boventoon moeten voeren?
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, c'est avec effroi que nous avons découvert que le gouvernement de Trump avait osé interpeller nos entreprises en Belgique sur leur politique d'inclusion et de diversité.
Ce qu'il se passe outre-Atlantique est terrible, mais que cela puisse avoir des répercussions sur notre territoire et saper les progrès réalisés depuis des années, et qui ne sont pas encore suffisants au vu de l'état des discriminations qui existent encore en Belgique, est simplement inacceptable.
Votre gouvernement a réagi et c'était la moindre des choses. Ces entreprises vont être privées de talents et on sait que leur compétitivité sera impactée aussi, au regard d'une série d’études en management et en psychologie sociale qui montrent que les entreprises qui adoptent des politiques de diversité sont plus créatives et plus productives.
Pire, des citoyennes et citoyens vont subir des discriminations et passer à côté d'opportunités auxquelles ils et elles ont droit. C'est inacceptable.
Monsieur le ministre, quelles actions, y compris législatives, avez-vous prises ou allez-vous prendre pour contrer ces attaques? Une rencontre avec les fédération patronales est-elle prévue afin d'annihiler l'effet domino que peut entraîner cette action du gouvernement américain? Allez-vous mandater Unia pour monitorer la situation des discriminations au regard de ce phénomène de backlash sur les questions d'égalité?
Rob Beenders:
Collega's, wat betreft uw vragen over de brief van de Amerikaanse ambassade gericht aan de bedrijven in de Europese Unie kan ik u het volgende meedelen.
Le signal envoyé par cette lettre est clair et absolument inquiétant: l’égalité des chances ne compte plus pour les États-Unis. Les pressions utilisées sont inacceptables.
En tant que ministre de l’Égalité des chances, je ferai tout ce qui est en mon pouvoir pour défendre ces valeurs en Belgique, mais aussi au niveau européen et international.
Mijnheer Van Rooy, u kan daarover een andere mening hebben. Ik zou het standpunt dat wij hebben gecommuniceerd echt niet als prietpraat wegzetten. Dat standpunt is gebaseerd op feiten en wetenschappelijk onderzoek. Ondernemingen die divers zijn samengesteld, zijn gewoon gezondere ondernemingen. U kan dat prietpraat noemen. Dat zijn echter gewoon feiten. Dat is gewoon zo. U kan dat politiek correct of incorrect vinden. Dat is echter gewoon zo. U vindt massa’s studies die aangeven dat een diverse samenstelling van bijvoorbeeld een raad van bestuur betere beslissingen neemt en economisch gezondere resultaten boekt.
Op dat vlak zeggen wij dus niks verkeerd. Integendeel, het standpunt van de regering is duidelijk. Diversiteit is geen bedreiging, maar is een essentiële troef voor economische groei, concurrentiekracht en sociale cohesie. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat talent en hard werken daarmee in tegenstrijd zijn. Integendeel, wij beweren niet dat niet de beste persoon op de beste plaats moet staan. Dat moet echter wel gebeuren binnen een visie en strategie van diversiteit.
Daarom onderzoeken wij op dit moment de juridische gevolgen van de brief aan de bedrijven. Mijn collega-minister van Buitenlandse Zaken kan u daarover nadere antwoorden geven, aangezien zijn departement daarvoor verantwoordelijk is.
Je suis d'avis qu'une coordination européenne est nécessaire en la matière. Je soutiens toute initiative qui permettrait d'aboutir à une position commune.
Je participerai le 16 avril prochain au Conseil informel des ministres de l'Égalité organisé par la présidence polonaise, où j'aurai l'occasion de rappeler l'engagement de la Belgique en faveur de l'égalité, mais aussi l'importance de veiller à contrer tout recul dans ce domaine.
Je rappellerai que la Belgique poursuivra la défense des droits à l'égalité et à la non-discrimination. Ceux-ci font partie intégrante des droits de la personne humaine, dont tous et toutes, dans toute leur diversité, doivent pouvoir jouir.
Comme vous le savez, la Commission européenne a récemment adopté la Feuille de route pour les droits des femmes . Au travers de celle-ci, elle réaffirme et renforce son engagement en faveur de l'autonomisation des femmes et des filles et de la pleine réalisation d'une société garantissant l'égalité des genres en Europe et dans le monde. Un des axes porte d'ailleurs spécifiquement sur l'égalité des chances en matière d'emploi.
La Belgique souscrit aux principes et valeurs de celle-ci. Il est important de soutenir la Commission européenne dans les mesures qu'elle prendra en faveur de l'égalité et dans les stratégies qu'elle sera amenée à développer dans les mois à venir, notamment la stratégie européenne en faveur de l'égalité entre les hommes et les femmes, la stratégie européenne LGBTIQ+, et la stratégie de lutte contre le racisme.
En ce qui concerne la législation belge, je veillerai à finaliser le suivi et la mise en œuvre des recommandations de la Commission d'évaluation des trois lois antidiscrimination, dont le rapport est sorti sous la précédente législature, en collaboration avec les différents collègues compétents.
Dans un second temps, je lancerai une nouvelle évaluation de ces législations. Je veillerai bien sûr à la mise en œuvre effective de ces législations qui protègent largement les victimes de discriminations.
Je transposerai aussi les directives de l'Union européenne dans le domaine de l'égalité. Celles-ci constituent aussi un cadre législatif important qui garantit une protection des politiques d'égalité.
La Belgique soutient les entreprises dans le développement des politiques de diversité. Ce gouvernement souhaite prendre des mesures pour rendre le marché du travail plus accessible et accroître la diversité. Les entreprises qui embrassent la diversité bénéficient d'une plus grande créativité, d'une innovation accrue et d'une meilleure relation avec leurs clients.
Nous continuerons à investir dans une société inclusive, où chacun bénéficie de l'égalité des chances, indépendamment de son origine, de son sexe, de sa religion ou de ses croyances. La liberté d'entreprendre signifie également celle d'attirer des talents, de les cultiver et de leur permettre de se développer.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, je vous remercie de vos réponses.
Vous confirmez que la diversité est un atout. Merci. Vous confirmez également que les pressions sont inacceptables. Merci. Vous dites que vous ferez tout ce qui est en votre pouvoir pour trouver une solution et faire respecter nos valeurs démocratiques. Je m'en réjouis.
Le mot a été prononcé ici. Quand nous avons pris connaissance de cette déclaration et que nous avons vu les différentes entreprises qui se pliaient aux desideratas de Donald Trump, nous avons eu froid dans le dos. Devoir choisir entre ses valeurs et des retours économiques, c'est totalement inadmissible. J'ai l'impression que ce monde régresse de jour en jour. C'est pourquoi je vous dis que cela fait froid dans le dos.
J'ai aussi parfois l'impression que, dans ce gouvernement, on maltraite jour après jour nos valeurs et nos droits. J'espère que vous serez le garant de notre politique de diversité au sein de ce gouvernement. Quand nous voyons le premier ministre qui s'aligne sur la politique d'Orban, quand nous le voyons s'afficher avec des leaders d'extrême droite européens, quand nous voyons les libéraux s'opposer aux quotas de genre dans les entreprises et que nous les voyons s'afficher avec des groupements anti-EVRAS et anti-genre, nous avons évidemment les pires craintes. Il nous faut un garant. Je compte sur vous pour réaffirmer notre position au sein du Conseil des ministres européens. J'interrogerai évidemment aussi le ministre des Affaires étrangères sur les aspects juridiques, pour savoir s'il n'y a pas lieu d'aller plus loin et ainsi ne pas se laisser dicter sa conduite par Donald Trump. Merci.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de voorzitster, mijnheer de minister, het gaat om een orwelliaans debat. Ook zogenaamd positieve discriminatie is immers discriminatie. Helaas is dat al jaren een politiek correcte vorm van discriminatie. Wat de Verenigde Staten gewoon willen, is dat ook die discriminatie wordt gestopt en dat er een einde komt aan de diversiteitsfetisj, die de keuzevrijheid ondergraaft.
Wat de Amerikaanse president Donald Trump wil, is dat wij opnieuw naar een samenleving gaan waarin niet geslacht, geaardheid of huidskleur een rol moeten spelen, maar waarin alleen talent, presteren en excelleren tellen. België zou dat eindelijk eens moeten leren. Alleen op die manier kan een maatschappij immers vrij en dus welvarend worden en blijven.
Dat de huidige regering diversiteit niet alleen toejuicht, maar zelfs een essentiële troef noemt voor economische groei, concurrentiekracht en zelfs voor sociale cohesie, is gewoonweg potsierlijk. Dat standpunt laat zien dat de regering-De Wever in hetzelfde wokebedje ziek is als de vorige vivaldiregering.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je vous avoue que j'ai du mal à faire confiance à un pyromane pour éteindre un feu. Quand je vois certains membres de votre gouvernement ou certains présidents des partis de votre gouvernement s'opposer timidement aux injonctions de Donald Trump au sujet des politiques de diversité de nos entreprises, j'ai un peu du mal à croire à leur sincérité quand, la même semaine, ils s'affichent avec des groupements d'extrême droite anti-EVRAS ou quand ils ont eux-mêmes rédigés des pamphlets remplis d'énormités et de préjugés sur certains groupes de la population. Ils ont jeté l'opprobre sur les personnes LGBT. Ils ont tourné en dérision les militants antiracistes et pour les droits humains. J'ai donc du mal à faire confiance à ces mêmes individus pour défendre nos politiques de diversité et nos concitoyens et concitoyennes qui pourraient être victimes de la disparition de ces politiques.
Je m'inquiète également de l'effet domino, au-delà d'une application stricte d'une fin des politiques de diversité au sein des entreprises, qui aurait pour conséquence qu'il n'y ait plus vraiment d'efforts qui soit fait, qu'une sorte de paresse prenne le pas sur la volonté de mettre en place des politiques de diversité dans les entreprises. Et, au-delà des politiques strictes de recrutement et de gestion des ressources humaines, c'est aussi la façon dont ces entreprises vont s'impliquer sociétalement.
On parlait tout à l'heure de GSK, qui a déjà accepté de changer son langage dans la façon dont ils présentent l'inclusion en entreprise. Qu'en sera-t-il lorsqu'ils devront mener des recherches pour certains médicaments? Les mèneront-ils en incluant les femmes? Nous savons que la santé des femmes est menacée par le fait que les tests cliniques ne sont pas réalisés sur des femmes, mais sur des hommes, considérés comme individus neutres. Mais la santé des femmes en pâtit, et cet exemple peut se décliner dans beaucoup d'autres domaines. Cela fait froid dans le dos.
Je vous remercie pour votre détermination, et je vous souhaite beaucoup de courage avec vos partenaires de majorité.
Funda Oru:
Ik heb aandachtig geluisterd naar de tussenkomsten van de collega's en naar het antwoord van de minister. Het is duidelijk dat dit debat geen theoretisch debat is, want diversiteit op de werkvloer is geen modetrend en is ook geen ideologische keuze. Het is gewoon de realiteit en vooral een noodzaak. Iemand uitsluiten op basis van huidskleur, gender, leeftijd, fysieke beperking, geaardheid is eigenlijk hetzelfde als zeggen dat men er niet bij hoort. Dat kunnen we als samenleving niet aanvaarden. Voor Vooruit is het duidelijk dat diversiteit een versterking is. De minister heeft het ook al gezegd: diverse teams presteren beter. Dat is geen slogan, dat is wetenschap. Ondernemingen die mensen van verschillende achtergronden aanwerven, nemen betere beslissingen, begrijpen hun klanten beter en zijn innovatiever. Dat geldt niet alleen voor onze bedrijven, maar ook voor onze overheid. Bovenal zegt diversiteit op de werkvloer zoveel over wie we willen zijn als samenleving. We hebben elk talent nodig en dat betekent dat we iedereen moeten meenemen. Ik ben zelf een vrouw met migratieroots en het was geen toeval dat mij vooruit heeft geholpen in het leven, maar het waren kansen die anderen mij wel durfden geven. Daar gaat het vandaag in dit debat over diversiteit en gelijke kansen immers over. Het gaat over de eenvoudige menselijke overtuiging dat iedereen recht heeft op gelijke kansen om te groeien, om te werken en om bij te dragen aan onze samenleving. Laat het duidelijk zijn dat wat er vandaag gebeurt onder Amerikaanse druk bij bedrijven zoals GSK niet alleen fout, maar ook gevaarlijk is. We kunnen als land alleen vooruit als we elk talent benutten en als we iedereen meenemen. Het vraagt moed om tegen de stroom in te gaan wanneer andere landen, zoals de VS onder Trump vandaag, diversiteit plots opnieuw framen als een bedreiging. Het is zeker gevaarlijk als we dat frame hier in Europa, in België, ook zouden overnemen. Voor Vooruit is het ook zeer duidelijk dat gelijke kansen erg belangrijk zijn, maar het is ook een discussie over gezond verstand en verbondenheid. We willen geen samenleving waar mensen tegen elkaar uitgespeeld worden. We zijn allemaal Belgen met gedeelde rechten, gedeelde plichten en gedeelde verantwoordelijkheden. Precies daarom moeten we pal achter diversiteit blijven staan, niet als ideologisch project, maar als realistisch en rechtvaardig beleid. Daarom wil ik de minister ook danken voor zijn duidelijk standpunt en engagement, omdat hij ook duidelijk gelooft in het talent dat vandaag nog te vaak onopgemerkt blijft - er zijn jongeren met dromen, maar zonder kansen – en ook omdat hij gelooft in werkgevers die wel het verschil maken.
De discriminatie van vaders op grond van de afkomst van hun ex
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz kritiseert het Arizona-akkoord dat alimentatiekortingen voor vaders beperkt tot 50% (binnen EER) of afschaft (daarbuiten), wat zij ziet als discriminatie op basis van herkomst en een racistisch bijsmaakje geeft, vooral omdat moeders de alimentatie wel als inkomen moeten aangeven. Minister Beenders benadrukt dat de maatregel gebaseerd is op woonplaats (niet afkomst), conform aanbevelingen van het CSF om fiscale druk te verlagen, en wijst door naar Financiën. Schlitz blijft bij haar standpunt dat de regel oneerlijk en structureel discriminerend is, met name voor vrouwen en kinderen wier situatie ze niet zelf kozen.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, l'accord de majorité Arizona prévoit de créer une distinction de traitement entre les pères qui doivent verser une créance alimentaire pour leurs enfants, selon que leur ex-compagne vit en dehors de l'Union européenne ou en Europe. Je cite: "La déduction des pensions alimentaires passera graduellement de 80 % à 50 %. Les paiements vers des pays hors de l’Espace économique européen ne seront plus déductibles."
Cela constitue, à mon sens, une discrimination fondée sur l'origine, qui contrevient au principe supérieur de l'intérêt de l'enfant. Quelle est votre analyse de la situation, monsieur le ministre?
Rob Beenders:
Madame Schlitz, il n'est aucunement question de distinction fondée sur l'origine dans le passage que vous évoquez. C'est la résidence effective du bénéficiaire qui est déterminante.
Pour les bénéficiaires qui résident dans l'Espace économique européen, il n'y a pas grand-chose qui change. Les pensions alimentaires versées resteront déductibles, mais le pourcentage de déductibilité passera à terme de 80 % à 50 %. Le versement de pensions alimentaires à des bénéficiaires qui résident en dehors de l'Espace économique européen restera possible, mais ces pensions ne seront plus déductibles fiscalement.
Cette question sort quelque peu du cadre de mes compétences en matière d'égalité des chances, mais il ressort des informations que j'ai recueillies que cette mesure de l'accord de gouvernement est parfaitement conforme aux recommandations du Conseil supérieur des Finances (CSF). En effet, dans son rapport de mai 2020, le CSF recommandait la fiscalisation des pensions alimentaires dans le cadre de la réduction de la charge sur le travail et de ses possibilités de financement. Cette mesure a un effet supplémentaire, à savoir que le bénéficiaire n'est plus imposé sur la pension alimentaire perçue.
Pour obtenir plus d'informations sur cette mesure fiscale, je vous renvoie au ministre des Finances.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le ministre. Je pense qu'il subsiste un véritable problème de traitement différencié entre deux publics en raison de l'origine de leur ex-compagne ou du choix de localisation de leur ex-compagne. Le fait que les créances alimentaires versées par les p è res pour subvenir aux besoins de leurs enfants soient déductibles a toujours agacé les mouvements féministes et les femmes concernées. En effet, les montants qu'elles perçoivent comme créances alimentaires sont globalisés dans leurs revenus; ces femmes sont donc imposées sur ces pensions alimentaires perçues comme s'il s'agissait d'argent qu'elles ont gagné, tandis que les pères, eux, peuvent les déduire. En l'occurrence, le but n'était pas de réduire cette déductibilité sans permettre la déductibilité du côté des femmes. Cette différence de traitement entre deux situations que la personne n'a pas choisie me semble parfaitement discriminatoire. Ce n'est pas de la faute d'un ex-partenaire si sa compagne a décidé de s'établir hors-Union européenne. Par ailleurs, cette mesure a un relent raciste, je suis désolée. Le fait qu'une femme aille s'installer dans un pays hors-Union européenne s'explique sans doute par le fait qu'elle en est originaire. D è s lors, décider de traiter différemment un père qui a épousé une femme originaire d'un pays hors-Union européenne plutôt qu'une femme habitant dans l'Union européenne me semble véritablement problématique. Je ne manquerai pas de revenir sur ce dossier avec des questions de suivi.
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: De discussie belicht discriminatie door (tand)artsen die patiënten met een verhoogde tegemoetkoming (VT) weigeren, wat directe discriminatie op basis van socio-economische status vormt en strijdig is met antidiscriminatiewetgeving. Minister Beenders bevestigt de ernst, meldt de praktijken bij Unia en de Federale Toezichtcommissie, en roept slachtoffers op klacht in te dienen, terwijl Unia juridische stappen of bemiddeling kan ondernemen. Samenwerking met Volksgezondheid en Unia wordt benadrukt om het wettelijk kader strikt te handhaven, met nadruk op de ethische plicht van artsen om gelijke zorg te garanderen. Oru onderstreept dat financiële uitsluiting onaanvaardbaar is en dringt aan op structurele aanpak.
Funda Oru:
Ik verwijs naar de ingediende vraag.
Recente berichtgeving, onder meer in Het Belang van Limburg, alsook een communicatie van de Christelijke Mutualiteit (CM), signaleren een zorgwekkende problematiek waarbij artsen en voornamelijk tandartsen patiënten weigeren louter op basis van hun recht op een verhoogde tegemoetkoming (VT).
CM meldt reeds 45 klachten te hebben ontvangen van patiënten die geweigerd worden of van wie de behandeling werd stopgezet, en geeft aan dat dit wellicht slechts het topje van de ijsberg is. Deze weigeringen lijken direct gelinkt aan de socio-financiële status van de patiënt.
CM heeft aangekondigd klacht te zullen neerleggen bij de Federale Toezichtcommissie en overweegt stappen te ondernemen bij Unia wegens discriminatie. Het weigeren van een patiënt op basis van zijn of haar financiële toestand of sociale situatie raakt immers direct aan het principe van gelijke kansen en non-discriminatie.
1. Hoe evalueert u de omvang en de ernst van de signalen dat patiënten met een verhoogde tegemoetkoming geweigerd worden door (tand)artsen, specifiek in het licht van het recht op gelijke toegang tot maatschappelijke diensten zoals gezondheidszorg?
2. Bevestigt u dat het weigeren van zorg aan patiënten louter omwille van hun VT-statuut, en dus hun socio-financiële situatie, een vorm van discriminatie op grond van sociale afkomst of vermogen vormt, wat verboden is door de antidiscriminatiewetgeving?
3. Welke concrete stappen onderneemt u, vanuit uw bevoegdheid voor Gelijke Kansen, om deze discriminerende praktijken in de toegang tot de zorg tegen te gaan? Hoe werkt u hierbij samen met de Minister van Volksgezondheid om ervoor te zorgen dat de antidiscriminatiewetgeving gerespecteerd wordt binnen de gezondheidszorgsector?
4. Gezien CM expliciet overweegt om Unia te betrekken wegens discriminatie, wat is uw standpunt hierover? Acht u een proactieve betrokkenheid van of samenwerking met Unia wenselijk of noodzakelijk in de aanpak van dit probleem, en zijn er hierover reeds contacten geweest tussen uw diensten en Unia?
5. Hoe zal u er, in samenwerking met de bevoegde ministers, op toezien dat het bestaande wettelijke en reglementaire kader effectief wordt ingezet om discriminatie van patiënten met verhoogde tegemoetkoming te voorkomen en hun gelijke toegang tot zorg te waarborgen?
Rob Beenders:
Ik heb het artikel ook gelezen in de krant en ik was uiteraard even verontwaardigd als u over de praktijken waarbij mensen die recht hebben op een verhoogde tegemoetkoming worden uitgesloten van zorg. Het gaat om een groep mensen die toch wel de meest kwetsbaren zijn in onze samenleving en die als gevolg van hun financiële situatie, hun financiële draagkracht, geen toegang krijgen tot medische zorg, in dit geval tandzorg.
Samen met mijn collega bevoegd voor Volksgezondheid Vandenbroucke hebben we dit dossier onder handen genomen en hebben we een aantal acties genomen. Zo hebben we onder andere de praktijken die vastgesteld werden bij de Federale Toezichtcommissie maar ook bij Unia gemeld. Ondertussen heeft Unia ons laten weten dat ze zelf nog geen recente klachten hebben ontvangen. Het is daarom ook goed dat de CM overweegt klacht in te dienen bij Unia. We roepen ook iedereen op om hetzelfde te doen wanneer ze getroffen zijn in deze situatie: dien klacht in bij Unia over dit verhaal.
Uiteraard is het finaal aan de rechter om te beoordelen of deze praktijken de antidiscriminatiewetgeving schenden. Unia meent echter nu al dat een weigering van zorg voor de betreffende doelgroep als een mogelijke directe discriminatie op grond van sociale afkomst kan worden beschouwd.
Wanneer patiënten die met een dergelijke weigering worden geconfronteerd melding maken bij Unia, zal Unia de feiten analyseren in het licht van de antidiscriminatiewet en desgevallend ook bijstand bieden aan vermeende slachtoffers. Als melders daarmee instemmen, kan Unia elke bemiddeling of verzoeningsopdracht uitvoeren die het nodig acht. Indien het nodig zou blijken, kan Unia bovendien in rechte optreden en het bevoegde rechtscollege verzoeken om een vermeende discriminatie vast te stellen en/of deze te laten staken.
Helaas is dit niet het enige verhaal over discriminatie in onze samenleving. We zien de laatste weken andere verhalen in de pers over discriminatie, onder andere bij de inschrijvingen in de gemeente Aalter, bij poetsbedrijven die op basis van afkomst discrimineren of op basis van leeftijd en ga zo maar door. Al deze verhalen tonen aan dat de strijd tegen discriminatie elke dag moet worden gestreden. Als minister van Gelijke Kansen kunt u hiervoor op mij rekenen. Ik ben ook tevreden dat we op de blijvende expertise van partners als een gelijkheidsorgaan als Unia of het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen kunnen rekenen.
Funda Oru:
Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoord en voor het sterk veroordelen van deze vorm van discriminatie. Wij hebben het vandaag over heel veel vormen van discriminatie gehad en gesteld dat het onaanvaardbaar is dat mensen worden uitgesloten op basis van hun afkomst, gender, geaardheid, leeftijd of fysieke beperking. Zij mogen zeker ook niet worden uitgesloten op basis van hun financiële mogelijkheden. Wat de zaak extra pijnlijk maakt, is dat het in het dossier over artsen gaat. Arts is immers niet zomaar een beroep, het is een ethische roeping. Ik ben dus blij dat u die vorm van discriminatie sterk veroordeelt en de aanpak ervan de komende jaren ter harte neemt. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.34 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 34.
Energiearmoede
Het jaarrapport 2024 van het Sociaal Verwarmingsfonds
De energiearmoede van gezinnen die hun woning verwarmen met stookolie
Energiearmoede en steunmaatregelen voor huishoudens
Gesteld door
Gesteld aan
Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de nijpende energiewarmtearmoede in België, met name bij 70.000 huishoudens op stookolie, waarvan de kosten sinds 2021 met 64% stegen—drie keer sneller dan de lonen—terwijl steunmaatregelen (Sociaal Verwarmingsfonds, tarif social) ontoereikend zijn en men consumptie vermindert uit financiële noodzaak, ten koste van gezondheid. Minister Bihet belooft harmonisatie van criteria, automatisering van steun (zoals bij gas/elektriciteit), betere gewestelijke samenwerking voor woningisolatie en versterkte CPAS-begeleiding, maar concrete, directe maatregelen ontbreken, evenals een antwoord op de dreigende ETS2-kostenstijging in 2027. Kritiek blijft dat de politieke prioritering ontbreekt: de TVA-verhoging op fossiele ketels (federale bevoegdheid) en gebrek aan structurele oplossingen verdiepen de crisis, terwijl dringend compenserende actie wordt geëist voor kwetsbare gezinnen.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, lors de votre exposé d'orientation politique, vous n'avez annoncé aucune mesure visant à lutter efficacement contre la précarité énergétique, et n'aviez aucune intention d'étendre le tarif social comme cela avait été fait durant la crise du covid. Pourtant, l'efficacité et surtout l'utilité de celui-ci est prouvée. Les chiffres récents de l'Institut wallon de l’évaluation, de la prospective et de la statistique (IWEPS) sont sans appel: en 2023, 11,6 % des ménages wallons déclaraient avoir des difficultés à chauffer correctement leur logement.
Contrairement à ce qu'on peut parfois entendre, ce ne sont pas uniquement les ménages vivant dans des logements mal isolés qui sont en difficulté. L'impact du coût de l'énergie sur le budget des ménages dépend également des choix financiers que doivent faire les ménages les plus précaires, qui réduisent souvent leur consommation au prix de leur confort et de leur santé.
En sachant cela, l'absence d'initiatives pour lutter contre cette précarité énergétique dans votre note d'intention était frappante et inquiétante. Je vous avais interpellé à ce sujet, et suis dans l'obligation de vous reposer la question puisque vos réponses ne m'avaient pas rassurée.
Monsieur le ministre, comptez-vous enfin reconnaître l'urgence de la situation pour de nombreux ménages et mettre en place des mesures concrètes pour lutter contre la précarité énergétique?
Kurt Ravyts:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, mijn vraag gaat over het Sociaal Verwarmingsfonds. Het federaal regeerakkoord stelt dat men de tussenkomsten van het sociaal energietarief en het Sociaal Verwarmingsfonds gaat bekijken en dat men ter zake wil evolueren naar een inkomensgebaseerde, vermogensgebaseerde en technologieneutrale forfaitaire tussenkomst.
Het Sociaal Verwarmingsfonds trekt nu echter aan de alarmbel met betrekking tot de kostprijs voor de gezinnen in energiearmoede die zich verwarmen met stookolie. Vandaag is misschien een beetje een ongelukkige dag, omdat de olieprijzen gedaald zijn, de stookolieprijs is vandaag stevig gedaald, maar het gaat natuurlijk over de voorbije jaren. Vandaag is slechts een momentopname. Vorig jaar was er een prijsstijging van maar liefst 64 %, terwijl in dezelfde periode de gezondheidsindex gestegen is met 21 %. De kosten om een woning te verwarmen met stookolie, en als Vlaming kijk ik dan ook naar Wallonië, waar vaker met stookolie verwarmd wordt, zijn drie maal sterker gestegen dan de salarissen in België. Het gaat hier toch over 70.000 gezinnen.
Het jaarrapport 2024 doet de directeur van het Sociaal Verwarmingsfonds aan de alarmbel trekken. Gezinnen kopen zelfs minder brandstof aan, omdat ze die gewoonweg niet meer kunnen betalen. ETS 2 komt eraan in 2027, maar de situatie met betrekking tot dat Sociaal Verwarmingsfonds is nu al ernstig. De directeur pleitte trouwens vorig jaar al, voor de verkiezingen, voor een stevige aanpak en een verandering van het berekeningssysteem, want met de geëvolueerde stookolieprijs blijft het deel dat gezinnen in financiële moeilijkheden zelf moeten betalen, te groot. Volgens de directeur zou de toelage idealiter een kwart van de aankoopprijs moeten zijn.
Hoe reageert u op de door het Sociaal Verwarmingsfonds geformuleerde bezorgdheden?
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, le dernier rapport annuel du Fonds Social Chauffage dresse un constat inquiétant sur la précarité énergétique des ménages belges, et en particulier pour ceux qui se chauffent au mazout. Entre 2021 et 2024, leur coût de chauffage a doublé, même avec les primes mazout ou les allocations du Fonds Social Chauffage. La hausse des prix entre 2021 et 2024 a atteint 64 %, alors que l'indice santé n'a augmenté que de 21 %. Le coût du chauffage a donc augmenté trois fois plus que les salaires en Belgique.
Face à cette explosion des coûts, les ménages les plus modestes sont obligés de réduire leur consommation, non pas pour l'efficacité énergétique, mais tout simplement parce qu'ils n'ont plus les moyens de se chauffer correctement. Cette situation est d'autant plus inquiétante qu'une nouvelle augmentation des prix est attendue en 2027 avec l'entrée en vigueur du système ETS2, sans aucune mesure compensatoire prévue à ce stade.
Je ne reviens pas sur votre note d'orientation politique où on a pu constater que la précarité énergétique était à peine abordée. Aucun dispositif structurel ne semble envisagé pour protéger ces citoyens qui sont déjà en difficulté. Par contre, on retrouve la volonté, confirmée par votre gouvernement, d'augmenter la TVA sur les chaudières à gaz et à mazout. C'est une donnée que nous n'avions pas durant la présentation de votre note d'orientation politique. Nous en avons évidemment pris bonne note depuis.
Ne pas réagir à la précarité énergétique, c'est pousser des milliers de familles vers des conditions de vie moins dignes, avec de nombreuses conséquences sur leur santé et sur leur bien-être.
Monsieur le ministre, êtes-vous vraiment conscient de l'ampleur du problème de précarité énergétique? Quelles mesures concrètes envisagez-vous pour les années à venir afin de protéger les ménages vulnérables face à ces hausses des coûts? Pourquoi votre note d'orientation prend-elle si peu en compte cette problématique?
Mathieu Bihet:
Chers collègues, la précarité énergétique est une problématique, malheureusement croissante en Belgique. L'analyse réalisée par le Fonds Social Chauffage montre qu'entre le 1 er janvier 2021 et le 31 décembre 2024, le coût pour un ménage qui vit dans la précarité énergétique et se chauffe au mazout a doublé, même après l'octroi d'une allocation sous forme de prime mazout ou d'allocation du Fonds Social Chauffage.
Cette situation est évidemment préoccupante. La hausse est liée à l'augmentation de l'énergie pour tous les ménages. Cependant, l'étude du Fonds Social met en évidence que la part consacrée à l'énergie pour les ménages en situation de précarité énergétique s'accroît. Les fonds sociaux sont utiles mais nécessitent des améliorations pour une lutte plus efficace et plus équitable contre la précarité énergétique.
Madame Meunier, pour ce qui est notamment de la question de la fiscalité, il n'est pas anormal que vous ne l'ayez pas retrouvée dans ma note, étant entendu que cela ne fait pas partie des compétences qui sont les miennes. Dès lors, en ce qui concerne la fiscalité des chaudières et l'augmentation de la TVA, il faudra vous adresser à mes collègues, comme certains parlementaires l'ont fait.
Comme recommandé par le Service public fédéral de programmation (SPP) Intégration sociale dans son étude d'évaluation des fonds sociaux en matière d'énergie, j'examinerai les points suivants avec mon administration. Il y a, tout d'abord, l'harmonisation des critères d'octroi et de subventionnement entre les différents fonds. Une harmonisation des critères serait une modification parfaitement logique du fait que les deux aides visent le même objectif: lutter contre la précarité énergétique, en ciblant le même groupe en général et, de la même manière, en accordant un droit objectif à une aide financière. Il est dès lors important de noter que ceci ne doit pas impliquer un nivellement vers le bas des critères.
Ten tweede, deze harmonisering van de toekenningscriteria van het Sociaal Verwarmingsfonds en van het sociale tarief zou trouwens gepaard kunnen gaan met een automatisering van de toekenning van de hulp, net zoals het sociale tarief voor gas en elektriciteit werkt. Dat kan met name leiden tot een grote administratieve vereenvoudiging en heel wat meer efficiëntie en tijdswinst voor de OCMW's.
Ten derde is er de samenwerking met de gewesten om de woningen aan te passen en een betere energie-efficiëntie te halen wanneer dat mogelijk is. De belangrijkste boodschap is dat de steun van de fondsen meer inherent deel zou moeten zijn van het globale beleid.
Quatrièmement enfin, le renforcement de l'encadrement par les CPAS, en collaboration, évidemment, avec le SPP Intégration Sociale (Service public fédéral de programmation Intégration Sociale).
Marie Meunier:
Merci monsieur le ministre. Je ne suis pas complètement inattentive! Je parlais tout à l'heure évidemment de la note de votre collègue, le ministre Jambon. Si on avait toutefois eu l'information dans le cadre de sa présentation à lui, cela aurait bien évidemment eu des répercussions sur les questions que j'aurais pu vous poser à vous par la suite. Merci donc d'avoir été précis à ce sujet-là, mais j'étais bien consciente que ça ne devait pas être présent dans la note. Dans la sienne, ça ne l'était pas, et ça aurait effectivement eu un impact chez vous.
Pour le reste, vous ne nous parlez que d'harmonisation. Je l'entends. Comme pas mal de choses, on a des lignes qui sont tirées et on n'a pas vraiment de fond derrière. J'attendrai de voir la suite mais je tiens tout de même à souligner, encore une fois, que des milliers de familles sont dans des conditions compliquées, des situations de précarité énergétique importante. Or nous n'avons aujourd'hui aucune réponse à nos questions, aucune ligne claire de votre part pour des aides potentielles à mettre en place et ça, c'est réellement problématique.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Harmonisering van de toekenningscriteria, samenwerking met de gewesten, meer integratie, daarmee zijn wij het allemaal eens, maar desalniettemin maakt ook onze fractie zich zeer ernstig zorgen over een aantal fiscale maatregelen – dat is inderdaad niet uw bevoegdheid, maar ik zeg het hier toch maar – die het gebruik van fossiele brandstoffen nog duurder zal maken voor mensen die nu al in moeilijke energieomstandigheden leven. De stookolie is een voorbeeld. ETS2 komt eraan. Ik denk dat u in juni bij de Europese Commissie een plan zult moeten indienen om de compensatie in België te organiseren. Het zal meer dan ooit nodig zijn. Wij zullen daarop aandachtig toekijken.
De begrotingstabel en de 'onderbenutting primair en sociale zekerheid'
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 2 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De budgettaire onderbenutting (50 miljoen in 2025, 250 miljoen in 2029) wordt doelbewust verhoogd door de regering, met 77% bij federale diensten (SPF/SPP), 14% bij sociale zekerheid en 9% bij openbare instellingen, aldus Van Peteghem, die monitoring en blokkades aankondigt bij tekortschieten. Daerden betwist de haalbaarheid van deze "optimistische" doelen en belooft verdere discussie met de Rekenhof tijdens toekomstige budgetbesprekingen.
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, le tableau budgétaire transmis à la Chambre des représentants reprend une ligne comportant l'augmentation de la sous-utilisation primaire et en sécurité sociale: 50 millions en 2025 et 250 millions en 2029.
Comment l'augmentation de cette sous-utilisation a-t-elle été estimée?
Quelles dépenses supplémentaires seront selon vous davantage sous-utilisées par rapport aux précédents exercices budgétaires?
Quelles sont les moyennes des sous-utilisations des dernières années qui permettraient d'envisager une hausse de la sous-utilisation tant au niveau primaire que de la sécurité sociale?
Comment comptez-vous réaliser cette économie en 2025, vu le timing dans lequel nous sommes?
Vincent Van Peteghem:
Le gouvernement a convenu d'augmenter chaque année l'objectif de sous-utilisation.
D'ici 2025, cette sous-utilisation devrait conduire à une réduction des dépenses de l'ordre de 50 millions d'euros.
La sous-utilisation se répartit comme suit: 77 % pour le Collège des services publics fédéraux (SPF) et services publics de programmation (SPP); 14 % pour Collège des institutions publiques de sécurité sociale (IPSS); 9 % pour le Collège des organismes d'intérêt public (OIP).
En tant que ministre du Budget, le gouvernement m'a également chargé du monitoring régulier des dépenses et de la communication de ces informations au Conseil des ministres. Si le monitoring montre que l'objectif de sous-utilisation ne sera pas atteint, des blocages seront imposés après reporting préalable au Conseil des ministres.
Frédéric Daerden:
Je vous remercie pour ces réponses que j'aurais tendance à qualifier d'optimistes. J'ai l'impression que ces objectifs seront difficilement atteignables. Nous aurons l'occasion évidemment d'en reparler lors des discussions budgétaires à venir, notamment avec la Cour des comptes.
De rechtspraak met betrekking tot het aanzetten tot haat, discriminatie en geweld
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 2 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Khalil Aouasti kritiseert de vrijspraak van Herman Brusselmans—die via "humoristische satire" opriep tot geweld tegen Joden—als een gevaarlijk precedent dat haatzaaien tegen beschermde groepen normaliseert, ondanks bestaande antidiscriminatiewetten. Minister Verlinden benadrukt dat ze de rechterlijke onafhankelijkheid respecteert, maar wijst op verstrengingen in het nieuwe Wetboek van Strafrecht (2026), waar discriminatoire motieven strakker bestraft zullen worden, en verwijst naar een lopende evaluatie van antidiscriminatieregels door collega-Beenders. Aouasti stelt dat de kernkwestie—de grens tussen satire en haatzaaien—onbeantwoord blijft, omdat de huidige wetgeving (ook met aangescherpte straffen) geen soelaas biedt als humor als dekmantel voor geweldsopruiing dient. De discussie draait om de noodzaak om juridische kaders te herzien om satirescherm misbruik voor haatdiscours tegen te gaan, zonder de expressievrijheid aan te tasten.
Khalil Aouasti:
Madame la ministre, dans une chronique publiée dans le magazine flamand Humo, l'écrivain Herman Brusselmans a écrit que la vue d'un enfant palestinien hurlant devant sa mère ensevelie sous des décombres le mettait tellement en colère qu'il souhaitait "enfoncer un couteau pointu dans la gorge de chaque Juif qu'il rencontre". M. Brusselmans, au terme d'une procédure judiciaire, a été acquitté au motif que son écrit serait qualifié de critique humoristique. S'il convient de respecter cette décision de justice, il convient également, à mon sens, de l'analyser et d'en effectuer la critique.
En effet, le jugement rendu renvoie un signal préoccupant. La satire, qui doit pouvoir être défendue en démocratie, pourrait admettre un appel explicite à la violence contre un groupe protégé par la loi. Une extrapolation de cette jurisprudence pourrait nous amener à considérer que malgré les textes qui protègent contre le racisme, le sexisme et les autres formes de discrimination, de tels propos couverts par la satire pourraient être tenus, et nous pourrions remplacer le mot "Juif" par "des femmes", "des homosexuels" ou d'autres porteurs de convictions confessionnelles ou philosophiques.
Madame la ministre, si un jugement doit être respecté et exécuté, il doit aussi nous permettre de nous interroger sur le cadre législatif protecteur que nous avons souhaité mettre en œuvre démocratiquement, dès lors que celui-ci ne semble plus assuré. Nous ne pouvons donc pas rester silencieux face à ce précédent, face à cette décision de justice. Il y va de la protection de toutes les composantes de notre société, qu'il s'agisse de Juifs ou non.
Madame la ministre, quelle analyse faites-vous de cette décision de justice et quelle suite – éventuellement législative – entendez-vous y donner afin de garantir qu'il n'y aura aucune impunité face à l'incitation à la haine et à la violence ici en Belgique? Je vous remercie.
Annelies Verlinden:
Cher collègue, le principe de la séparation des pouvoirs, un principe fondamental de l'État de droit, m'empêche de commenter les décisions de fond du pouvoir judiciaire. En tant que ministre de la Justice, je ne peux interférer avec l'ordre judiciaire et je m'abstiens, de ce fait, de toute opinion sur le jugement en question.
Cependant, je tiens à souligner que le droit à la liberté d'expression, garanti par la Convention européenne des droits de l'homme, n'est pas absolu et peut être soumis à certaines restrictions moyennant le respect de conditions. Il existe en Belgique un cadre juridique solide visant à protéger les citoyens contre toute forme de discours de haine ou d'incitation à la discrimination, à la haine ou la violence, qui est appliqué de manière indépendante par les tribunaux. Je vous informe également que le nouveau Code pénal, qui entrera en vigueur le 8 avril 2026, prévoit, pour certaines infractions, que le mobile discriminatoire sera considéré comme un élément aggravant. De ce fait, l'infraction est sanctionnée d'une peine plus élevée. Cette peine passe donc à un niveau supérieur de peine. Pour toutes les autres infractions, un mobile discriminatoire pourra être considéré comme un facteur aggravant que le juge devra prendre en considération lors du choix de la peine ou de la mesure, et de la sévérité de celle-ci, sans pouvoir prononcer une peine supérieure à la peine maximale prévue pour l'infraction.
Le nouveau Code pénal prévoit une section spécifique concernant les infractions relatives à la répression de la discrimination, c'est-à-dire aux incitations à la haine et au négationnisme. Conformément à l'article 250 du nouveau Code pénal, l'incitation à la discrimination et à la haine raciale sera sanctionnée par une peine de niveau 2.
Enfin, je précise que mon collègue, le ministre de l'Égalité des chances, prévoit de lancer, au cours de la présente législature, une évaluation des législations fédérales anti-discrimination. Je vous renvoie vers lui pour davantage d'informations à cet égard.
Khalil Aouasti:
Je vous remercie pour votre réponse, madame la ministre. L'objectif, comme je le disais, n'était pas de critiquer une décision de justice. Celle-ci est prise et doit être respectée pour ce qu'elle est. L'objectif était une analyse critique du cadre de la décision de justice, comme cela se fait tous les jours et toutes les semaines dans une série de revues de doctrine où des décisions de justice sont commentées et critiquées. Une décision de justice n'est en effet pas sacrée ni intouchable. Or, ici, nous devons constater, et vous prenez appui sur le Code pénal, que les incriminations du Code pénal ne sont pas mises en cause. Je pense que la réponse passe à côté de la question. En effet, ces incriminations n'auraient pas pu mener à la condamnation de M. Brusselmans puisqu'elles sont les mêmes que celles qui existent aujourd'hui. Si le mobile discriminant constitue effectivement un facteur aggravant pour toute une série d'infractions, et c'est une avancée dont on peut se réjouir, cela n'aurait pas amené ici à une décision distincte.
Ici, l'angle qui a été pris est de considérer que le droit à l'humour et à la satire, qui sont des dérivés du droit à la liberté d'expression et qui doivent pouvoir être protégés en démocratie, permettent dans un cas tout à fait problématique et singulier de propager des discours de haine et des appels à la violence. C'est là où, à mon sens, il peut être nécessaire d'évaluer ces législations. J'entends que vous renvoyez vers votre collègue Beenders à ce sujet. Je l'interrogerai donc sur le sens de cette évaluation et sur la manière dont il entend analyser l'affaire Brusselmans et, en tout cas je l'espère, lui donner des effets concrets. Je vous remercie.
Voorzitter:
Comme je vois que les trois orateurs suivants ne sont pas encore présents, je déplace leurs questions à la fin de notre ordre du jour.
De vraag om bijstand van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
De inzet van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
Optreden van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 2 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Brugse burgemeester kritiseerde de scheepvaartpolitie Zeebrugge omdat zij weigert in te grijpen bij lokale overlast (bv. jongeren) ondanks hun 24/7-beschikbaarheid, terwijl de lokale politie te traag ter plaatse is. Minister Quintin bevestigde dat de scheepvaartpolitie enkel bevoegd is voor havenzaken, maar dat er sinds 2002 een samenwerkingsprotocol met Brugge geldt—laatst geëvalueerd op 8 oktober 2024 zonder aanpassingen—waarin dringende hulp wel verplicht is. De Vreese vindt de burgemeesterskritiek onterecht als het protocol ongewijzigd blijft en benadrukt de toekomstige uitdagingen (bv. Russische schepen) voor de scheepvaartpolitie. Conclusie: de taakverdeling staat, maar de communicatie tussen partijen faalt.
Voorzitter:
De heer Demon is afwezig.
Maaike De Vreese:
Minister, in de Brugse gemeenteraad werd op 16 december 2024 het fenomeen van overlast door jongeren in de Zeebrugse woonkern aangekaart. De lokale politie is bereid om de wijkwerking uit te breiden, maar heeft 's nachts geen permanentie in Zeebrugge. De rijtijd van het Brugse politiehuis naar Zeebrugge voor een interventie bedraagt 20 minuten.
De Brugse burgemeester was tijdens die gemeenteraadszitting opvallend kritisch over de werking van de scheepvaartpolitie in Zeebrugge: “Er staat daar een zeer uitgebreide en mooie kazerne in Zeebrugge van de scheepvaartpolitie, die dag en nacht beschikbaar is met perfecte voertuigen en manschappen. Maar als de mensen zelf - de buurtbewoners - binnenlopen om te zeggen dat er iets gebeurt, is het antwoord van de scheepvaartpolitie 'Dat is niet onze taak. Wij dienen voor de haven en voor niets anders dan de haven'. Ze hebben een tijdlang rond transmigranten hun deel gedaan, maar er zijn quasi geen transmigranten meer in Zeebrugge, dus dat probleem is van de baan. En in andere zaken komen zij gewoon niet tussen… Die scheepvaartpolitie heeft uiteraard een aantal taken die met de haven te maken hebben, maar die hebben ook wel wat tijd, zeker 's nachts."
Ik citeer hem letterlijk omdat ik aangedaan was door de manier waarop de burgemeester van de op twee na grootste stad in Vlaanderen, die op een constructieve manier zou moeten samenwerken met de federale politie, met een zekere minachting over die dienst spreekt. Nochtans is hij vragende partij voor bijstand van de scheepvaartpolitie bij incidenten, in afwachting van de komst ter plaatse van de lokale politie.
Ik vind dat de belangrijkste taak van een burgemeester is om ervoor te zorgen dat de veiligheid op zijn grondgebied gegarandeerd is en dat zijn politiediensten op tijd ter plaatse kunnen zijn, waar zij zich ook bevinden. Het grondgebied is misschien iets groter, maar hij moet ervoor zorgen dat de politiemensen op tijd bij de inwoners van Brugge geraken. Dat is zijn eerste prioriteit als burgemeester.
Mijnheer de minister, hoe is de verstandhouding tussen de verschillende diensten en niveaus met betrekking tot de situatie in Zeebrugge? Wanneer ging er overleg door met de verschillende actoren? Wat was de conclusie van dit overleg?
Bent u bereid om te bekijken hoe de samenwerking tussen de scheepvaartpolitie en de lokale politie beter kan, zodat er in moeilijke situaties bijstand kan worden verleend? Wat is de huidige personeelscapaciteit van de Zeebrugse afdeling van de scheepvaartpolitie? In welke mate kan die 24/7 ingrijpen? Zitten zij daar 's nachts inderdaad met hun vingers te draaien of hebben ze iets te doen? Ik vind de toon van de burgemeester namelijk echt niet kunnen.
Bernard Quintin:
Mevrouw De Vreese, ik was daar niet, maar ik ben het met u eens. De toon is belangrijk, net als de dienstverlening.
Het voorzien in een gelijkwaardige en kwaliteitsvolle politiezorg over het volledige grondgebied is een van de kernwaarden van de geïntegreerde politie en dit al sinds de oprichting, meer dan 20 jaar geleden. Het concept van onze geïntegreerde politie voorziet twee niveaus. De lokale politie is verantwoordelijkheid voor de basispolitiezorg op het grondgebied van de politiezone, terwijl de federale politie met toepassing van de beginselen van subsidiariteit en specialiteit de gespecialiseerde politiezorg en -steun waarborgt.
De scheepvaartpolitie is in principe inderdaad alleen actief op de waterwegen en in de havens. De politiezone Brugge is verantwoordelijk voor de politionele dienstverlening op haar territorium. Omwille van de specifieke plaatsgesteldheid in Zeebrugge, waar de woonkern met het havengebied verweven is, heeft de scheepvaartpolitie echter sinds 1 januari 2002 een samenwerkingsprotocol met de politiezone Brugge, waarin onder meer de territoriale verdeling is opgenomen. Dit protocol werd op 1 januari 2023 nog vernieuwd en wordt regelmatig geëvalueerd. De laatste evaluatie dateert van 8 oktober jongsleden, waarbij werd geconcludeerd dat er geen aanpassingen of bijsturingen nodig waren. De volgende evaluatie van deze structurele samenwerking is voor 20 mei 2025 gepland.
Los van dit protocol moet natuurlijk elke politiedienst en elke politieman of -vrouw optreden voor dringende noodhulp, tot en met het moment waarop de relevante diensten ter plaatse kunnen komen. Ook voor het onthaal van hulpzoekende burgers volgt het protocol het geldende juridische kader. Personen die zich met een dringende vraag om hulp bij hun politiepost aanbieden, worden onmiddellijk geholpen. Indien de hulpvraag niet dringend is, wordt de persoon naar de meest adequate dienst doorgestuurd. Bij de volgende evaluatie van het protocol zal deze taakverdeling opnieuw kunnen worden besproken indien ze niet naar wens van een of meerdere stakeholders is.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de minister, ik vind het dan nog frappanter dat als er op 8 oktober 2024 nog overleg geweest is over het protocol en de conclusie van beide partijen daar luidde dat er niets hoeft te worden veranderd, er op 16 december op die manier zo'n sneer wordt uitgedeeld. Als men rond de tafel zit, moeten de problemen op dat moment besproken worden en niet in de gemeenteraad van Brugge. De scheepvaartpolitie staat nog voor grote, nieuwe uitdagingen om controle uit te oefenen op de kritieke infrastructuur en de Russische schepen die in de buurt daarvan varen. Ik hoop dat u die politiemensen volop ondersteunt.
De Jambontaks: belasting voor de federale overheid of bijdrage aan de sociale zekerheid
De meerwaardebelasting en het belang van de A- en B-aandelen bij een 'aanmerkelijk belang'
Belastingen, aandelen en bijdragen aan overheid en sociale zekerheid
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting), Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Lode Vereeck vraagt of bij de meerwaardebelasting op aanmerkelijke belangen (10% voor kleine, progressief tot 10% voor grote beleggers) rekening wordt gehouden met verschillen in stemrecht en winstaandeel tussen A- en B-aandelen onder het nieuwe vennootschapsrecht. Minister Jambon wijst elke gedetailleerde discussie af, verwijzend naar nog lopende regeringsonderhandelingen en toekomstige parlementaire behandeling. Vereeck benadrukt dat de complexiteit van de regeling (met name rond aandelenrechten) onvoldoende is doordacht, gegeven eerdere strubbelingen in het regeerakkoord. De concrete invulling blijft onduidelijk, met uitstel van verdere vragen.
Voorzitter:
De heer Vermeersch is verontschuldigd.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, we kennen ongeveer het grote schema van de meerwaardebelasting: kleine beleggers zullen 10 % taks betalen op de gerealiseerde meerwaarde op alle financiële activa vanaf 10.000 euro en grote beleggers met een aanmerkelijk belang van 20 % in een vennootschap worden onderworpen aan een progressief tarief tussen 0 % en 10 %.
In principe is ieder aandeel evenveel waard, met een gelijk winstaandeel en stemrecht. Sinds het nieuwe vennootschapsrecht kunnen aandeelhouders hiervan echter afwijken en kiezen welke rechten ze aan welke aandelen koppelen. Er zijn nu zogenaamde A- en B-aandelen met minder of meer winstdeelname respectievelijk minder beslissingsbevoegdheden.
Wordt bij de waardering van het aanmerkelijk belang in een vennootschap rekening gehouden met het belang van de rechten verbonden aan de verschillende soorten aandelen? Zo ja, welke parameters worden in rekening gebracht bij de waardering van een aanmerkelijk belang in een vennootschap? Is dat het aantal stemmen of het winstaandeel van de verschillende soorten aandelen?
Jan Jambon:
Mijnheer Vereeck, u kunt iedere week proberen om op alle mogelijke details in te gaan. Ik zeg niet dat uw vragen onbelangrijk zijn, maar ik zal er niet op antwoorden. De grote lijnen staan in het regeerakkoord en de rest zullen we eerst in de regering bespreken. Daarna zullen we de teksten hier in het Parlement indienen. Dan zullen we zoveel tijd als u wenst spenderen om op elke lijn van de nieuwe wet in te gaan.
Vandaag zal ik dus niet op uw vragen kunnen antwoorden. Eerst moet de regering de teksten goedkeuren en dan komen die ter bespreking in het Parlement. Dan zullen we heel uitgebreid over alle modaliteiten van gedachten wisselen hier in commissie. Ik kijk daar absoluut naar uit.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, oorspronkelijk was ik heel verbaasd dat de regeling van de algemene solidariteitsbijdrage niet beter was uitgewerkt, terwijl andere onderdelen van het regeerakkoord dat wel zijn, bijvoorbeeld de pensioenbijdrage.
Die bijdrage is nu eenmaal een gevoelige aangelegenheid. Aangezien uw regering zich al bijna twee keer de nek heeft gebroken bij de onderhandelingen over haar totstandkoming, zou ik denken dat daarover toch heldere, gedetailleerde afspraken bestaan.
Intussen kennen wij uw antwoord. Als u niet kunt antwoorden, dan wil ik met mijn vraag alvast u en uw kabinet meegeven dat het niet eenvoudig zal zijn om een wetsontwerp ter zake op te stellen en u verzoeken bij de opmaak rekening te houden met het onderscheid tussen A- en B-aandelen.
Voorzitter:
Les questions jointes n° s 56003059C, 56003060C et 56003063C de M. Hugues Bayet et n° 56003062C de M. Dimitri Legasse sont reportées à la demande des auteurs.
De rechtsbijstandsverzekering bij alternatieve geschillenbeslechting
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 26 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Clarinval bevestigt dat rechtsbijstandsverzekeringen wettelijk verplicht zijn om zowel gerechtelijke als buitengerechtelijke procedures (zoals minnelijke schikkingen) te dekken, maar erkent dat individuele gevallen (zoals een gemelde weigering) onnodige obstakels creëren voor consumenten. Van Lommel wijst op een structureel probleem in de praktijk en dringt aan op strengere opvolging via de Ombudsman en eventuele sancties, mochten dergelijke klachten vaker voorkomen. Controlemechanismen (FSMA, sancties, gedragscodes) bestaan al, maar handhaving en bewustmaking bij verzekeraars blijven cruciaal. EU-regels verplichten dekking van minnelijke oplossingen, maar nationale uitvoering verschilt.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, rechtsbijstandsverzekeringen voorzien vaak slechts een tussenkomst indien een gerechtelijke procedure wordt opgestart. Een gerechtelijke procedure brengt aanzienlijke kosten met zich mee: gerechtskosten, advocatenhonoraria en andere kosten. Een rechtszaak is vaak een procedure van lange adem en draagt niet altijd de voorkeur weg voor slachtoffers. Het is daarom jammer vast te moeten stellen dat rechtsbijstandverzekeringen geen tussenkomst voorzien bij het streven naar een minnelijke schikking. Nochtans is iedere partij gebaat bij een minnelijke schikking. Het is trouwens ook veel goedkoper voor de verzekering an sich om een minnelijke schikking te kunnen treffen.
Erkent u de problematiek waarbij consumenten die streven naar een minnelijke schikking worden gestraft, hoewel dit kostenbesparend en efficiënt is? Zult u de verzekeraars verplichten om alternatieve geschillenbeslechting, waaronder dadingen, te dekken? Hebt u een timing daarvoor? Welke controlemechanismen bestaan er om verzekeraars te dwingen hun verplichtingen na te komen? Zijn er EU-landen waar verzekeraars verplicht zijn om alternatieve geschillenbeslechting te dekken?
David Clarinval:
Mijnheer Van Lommel, in antwoord op uw eerste en uw tweede vraag kan ik zeggen dat de verzekeringssector me meedeelt dat ze het niet eens is met de stelling dat rechtsbijstandsverzekeraars alternatieve geschilbeslechting niet zouden dekken.
Voor de rechtsbijstandverzekeringen die in aanmerking komen voor een belastingvermindering bepaalt de wet dat de waarborg zowel de kosten van gerechtelijke als van buitengerechtelijke acties moet dekken. Volgens Assuralia worden bijna drie op vier dossiers die ingediend worden bij rechtsbijstandsverzekeraars afgehandeld zonder advocatenkosten en buiten de rechtbank om. Ik beschik ook niet over informatie waaruit blijkt dat rechtsbijstandsverzekeraars systematisch weigeren tussenbeide te komen in alternatieve geschillenbeslechting.
De wetgeving voorziet in verschillende controlemechanismen om de verzekeraars te verplichten hun verplichtingen na te komen. Zo is de rechtsbijstandsverzekeraar onderworpen aan bepaalde termijnen en aan sancties, bij de afhandeling van schadegevallen. Bovendien gelden er gedragsregels waarop de FSMA, als toezichthouder, toeziet. Als verzekerde kan men ook met klachten over een verzekeraar terecht bij de Ombudsman van de verzekeringen, die een rol van bemiddelaar speelt en gratis advies biedt.
De administratie beschikt nu niet over een overzicht van de specifieke nationale wetgeving inzake de rechtsbijstandsverzekering in andere EU-landen. Ik kan u echter meedelen dat conform de Europese richtlijn inzake de toegang tot en de uitoefening van een verzekerings- en een herverzekeringsbedrijf, de rechtsbijstandsverzekering wordt gedefinieerd als een verzekering die de kosten van gerechtelijke procedures dekt en die andere diensten aanbiedt, met name om een schadevergoeding te verkrijgen na een schade die geleden is door de verzekerde, ongeacht of dit gebeurt via een minnelijke schikking of bij een burgerlijkrechtelijke of strafrechtelijke procedure. De regeling van zaken via minnelijke schikking is dus inherent aan de definitie van rechtsbijstandsverzekeringen.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, buitengerechtelijke procedures, zoals dadingen, horen dus wel gedekt te zijn in een rechtsbijstandsverzekering. Het moet hier een heel specifiek geval betreffen, want er is een heel specifieke aanmelding geweest van iemand, waarbij de verzekering effectief oordeelde om niet mee te gaan in een minnelijke schikking, maar wel tussen te komen bij een eventuele rechtszaak of andere gerechtelijke procedure.
Dat blijkt dus helemaal niet correct te zijn. Dat maakt dat we de consument in dit geval moeten verwijzen naar de ombudsdienst. De verzekeringsmaatschappij heeft hier onterecht geoordeeld dat een minnelijke schikking niet gedekt zou worden. Dat is hetgeen ik begrijp uit uw antwoord.
Mijnheer de minister, we moeten dit opvolgen. Het blijkt immers een praktijk die gangbaar is in de verzekeringswereld. Als we meer dergelijke meldingen krijgen, moeten ook gepaste maatregelen worden genomen.
Voorzitter:
Les questions n ° 56003672C de M. Patrick Prévot et n° 56003694C de M. Van Hecke sont transformées en questions écrites. La réunion publique de commission est levée à 14 h 54. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.54 uur.
De discriminatie bij domicilieaanvragen in Aalter
De inschrijving in een gemeente
Discriminatie en inschrijving Gemeentelijke Dienstverlening
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 20 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie onthult systematische discriminatie in Aalter, waar mensen met niet-Belgische namen tot 9x langer (gemiddeld 300 vs. 15 dagen) wachten op domiciliëring door selectieve woonstcontroles (73/77 gevallen betroffen niet-Belgische namen) en illegale praktijken zoals opstellen eisen of ongeoorloofde informatieopvraging door de burgemeester. Minister Quintin bevestigt procedurele schendingen (geen voorlopige inschrijving, vertraging door schepencollege-goedkeuring) en 110 klachten (90% van Dienst Vreemdelingenzaken), maar wijst sancties af wegens bevoegdheidsversnippering (FOD vs. Vlaams ABB), terwijl geen van beide instanties ingrijpt. Van Hoecke framet het als migratieprobleem: gemeenten, overbelast door "ongecontroleerde migratie" (44% niet-EU’ers werkloos, 40% leeflonen naar hen), eisen herinvoering van vestigingsstops voor niet-EU’ers—een afgeschaft instrument uit de Verhofstadt-era—maar de minister ontwijkt steun. Vandemaele eist daadkracht tegen de "rechtsstaatundermijerende" praktijken en wijst op partijpolitieke verantwoordelijkheid (burgemeester is CD&V-lid), terwijl beide partijen elkaar de schuld geven zonder concrete oplossing.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, voor Bert Janssens 15 dagen, voor Mieke Vandenbroucke 16 dagen. Dat is de tijd die men nodig heeft in Aalter om met een Vlaamse naam gedomicilieerd te geraken. Voor Youssef El Yakhloufi 307 dagen en voor Mayada El Kaddouri 299 dagen. Opvallend toch dat mensen die geen Belgisch klinkende naam hebben, negen keer langer moeten wachten voor ze gedomicilieerd geraken in Aalter. Is dat toeval? De steekproef die Pano en De Morgen gedaan hebben, maakt alvast duidelijk dat er een patroon is. Het heeft er alle schijn van dat in Aalter gediscrimineerd wordt op basis van afkomst bij het toekennen van domicilie.
Voor mensen met een niet-Belgische naam wordt er consequent een woonstkwaliteitscontrole gekoppeld aan het verkrijgen van die domicilie. Vier van de 77 controles vorig jaar waren voor mensen met een Belgische naam. Alle andere waren voor mensen met een naam die niet-Belgisch klinkt.
Is het toeval? Zoveel toeval dat er 110 klachten binnengekomen zijn bij de FOD Binnenlandse Zaken? Er was zelfs iemand die een opstel moest schrijven over waarom hij het verdiende om inwoner van Aalter te worden voor hij de nodige documenten kreeg. Collega's, daar is een woord voor: discriminatie.
We horen van medewerkers bij het OCMW ook dat er op een illegale manier informatie werd opgevraagd door de burgemeester, dat er sturing is bij het toekennen van sociale steun en dergelijke meer. Collega's, we waren vorig jaar allemaal verontwaardigd over wat er gebeurd is in een andere gemeente. Ik moet zeggen dat ik die verontwaardiging vandaag mis.
Mijnheer de minister, wat zult u daaraan doen? Ik hoor immers dat het Vlaamse ABB kijkt naar de FOD Binnenlandse Zaken (…)
Alexander Van Hoecke:
Mijnheer de minister, al jarenlang kampt onze samenleving met de verschrikkelijke gevolgen van massale en ongecontroleerde migratie. Ook onder de regering-De Wever blijft die voortduren. Weet u, mijnheer de minister, aan dit tempo zal tegen 2044 maar liefst de helft van de inwoners van dit land van niet-Belgische herkomst zijn. Onze samenleving kreunt daaronder. Onze burgemeesters kreunen daaronder. Onze lokale besturen kreunen daaronder.
Het zijn die lokale besturen, die in de praktijk vaak het eerst te maken krijgen met dat probleem, die daarmee geconfronteerd worden, die vandaag wanhopig op zoek zijn naar oplossingen om dat probleem het hoofd te bieden. Oplossingen die ze vandaag niet hebben. U weet het, mijnheer de minister, maar liefst 44,2 % van de niet-EU-vreemdelingen in dit land werkt niet. In dit land gaat meer dan 40 % van de leeflonen naar niet-EU-vreemdelingen. Beseft u wat voor impact dat heeft op de samenleving? Beseft u wat voor impact dat heeft op een kleine gemeente?
Mijnheer de minister, we hebben in de vorige legislatuur een wetsvoorstel ingediend, een wetsvoorstel dat we onmiddellijk opnieuw zullen indienen. Eigenlijk gaat het om een oude wet die is afgeschaft onder de regering-Verhofstadt. Die wet maakte het voor gemeenten mogelijk zelf te zeggen: genoeg is genoeg. Die wet reikte gemeenten de tools aan om ervoor te zorgen dat ze een vestigingstop konden invoeren voor niet-EU-vreemdelingen als zij die niet langer kunnen absorberen.
Mijn vraag aan u, mijnheer de minister, is eigenlijk heel eenvoudig. Bent u bereid ons daarin te steunen? Bent u bereid onze gemeenten daarin te steunen? Of maakt u deel uit van het probleem en laat u het probleem gewoon voort etteren?
Bernard Quintin:
Mijnheer Vandemaele, mijnheer Van Hoecke, ik heb kennisgenomen van de problemen met de inschrijvingen in het bevolkingsregister in Aalter. Ik licht eerst de procedure en de termijnen toe. Een burger moet binnen de acht dagen een nieuwe adreswijziging aan de gemeente melden. Binnen de vijftien dagen vindt dan een woonstcontrole plaats. Dat betekent dat een inschrijving in het bevolkingsregister ongeveer drie weken in beslag neemt.
Naar aanleiding van de vragen heb ik informatie bij mijn diensten opgevraagd. Ik kan u het volgende meedelen. Sinds eind 2023 werden er 110 klachten bij de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken ingediend, waarvan 90 % afkomstig is van de Dienst Vreemdelingenzaken. Hoewel het merendeel van de dossier inmiddels is afgehandeld, blijven er nog vier openstaande dossiers van augustus 2024 en een van juli 2024 over.
Wanneer de FOD Binnenlandse Zaken een klacht via de Dienst Vreemdelingenzaken of rechtstreeks van een burger ontvangt, wordt de gemeente Aalter onmiddellijk gevraagd om een onderzoek in te stellen. Uit analyse blijkt dat de procedure voor adreswijziging en registratie in het Rijksregister in Aalter lang duurt. Dat komt vooral omdat elke aanvraag voor een adreswijziging eerst door het schepencollege moet worden goedgekeurd voordat een controle van de woonkwaliteit en domiciliecontrole kan plaatsvinden. Daarnaast past de gemeente Aalter het systeem van de voorlopige inschrijving in het bevolkingsregister niet toe, zoals voorgeschreven door de FOD Binnenlandse Zaken. De FOD Binnenlandse Zaken heeft de problematiek al bij de gemeente Aalter aangekaart.
Op 13 mei 2024 vond hierover een overleg plaats tussen de bevoegde schepen en de directeur Bevolking van Aalter en de Algemene Directie Identiteit en Burgerzaken van de FOD Binnenlandse Zaken. De FOD Binnenlandse Zaken heeft echter geen bevoegdheid om sancties aan gemeenten op te leggen, dat behoort tot de verantwoordelijkheid van de regionale overheden, in dit geval het Vlaams Agentschap Binnenlands Bestuur (ABB). Het sanctioneren van een lokaal bestuur behoort tot de bevoegdheid van de regio's. De FOD kan alleen een dossier opstarten wanneer een gemeente een negatieve beslissing neemt.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, men wijst mekaar met de vinger. Het ABB zegt dat de FOD Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is. De FOD Binnenlandse Zaken zegt dat het de verantwoordelijkheid van het ABB is. Mijnheer de minister, het is uw verantwoordelijkheid om echte oplossingen te bieden.
U wees er gisteren in de commissie op dat u te veel regimes had gezien die de principes van de rechtsstaat niet ernstig nemen om niet als eerste op de barricades te staan. Welnu, u hebt hier de kans om niet alleen in woorden – paroles, paroles, paroles –, maar ook in daden te tonen dat u de rechtsstaat ernstig neemt, en om, eventueel samen met uw collega's van de Vlaamse overheid, in te grijpen. Hetgeen hier gebeurt, begrijp ik immers niet.
Mijnheer Mahdi, u kunt ook ingrijpen. U zou bijvoorbeeld de betrokken burgemeester, die lid is van uw partij, kunnen herinneren aan het principe van christelijke barmhartigheid.
Alexander Van Hoecke:
Mijnheer de minister, ik had er een beetje voor gevreesd, maar u behandelt een enorm samenlevingsprobleem als een juridisch probleem. De gevolgen van migratie op onze gemeenten zijn geen juridisch probleem. De regering blijft gewoon het licht van de zon ontkennen. Ik ben heel benieuwd wat de Vlaamse regering zal doen. Zal zij bijvoorbeeld boetes uitschrijven, omdat burgemeesters initiatieven nemen? Het probleem is niet dat die inschrijvingsprocedures te lang duren. Dat is het symptoom. Het probleem is dat onze gemeenten overspoeld worden en dat onze burgemeesters wanhopig op zoek zijn naar een oplossing. Het probleem is dat onze gemeenten het slachtoffer zijn van uw wanbeleid. Ik wil iedereen in het halfrond nogmaals oproepen om ons wetsvoorstel te steunen. Schrijf het desnoods klakkeloos over, u hebt mijn toestemming. Dien het in onder uw eigen naam als u wilt, maar steun het en zorg ervoor dat onze gemeenten, onze burgemeesters het hoofd kunnen bieden aan die problemen.
Het schrappen van steun voor projecten rond mentaal welzijn voor jongeren in de grote steden
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 13 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De 3 miljoen euro subsidie voor mentale ondersteuning van kwetsbare jongeren in vijf grote steden (een tijdelijke coronamaatregel 2022-2024) werd stopgezet door de regering-De Croo, ondanks dringende oproepen van steden, organisaties en oppositie, met als argument budgettaire beperkingen en bevoegdheidsvragen. Open Vld blokkeerde eerder de verlenging, maar nu weigert de N-VA-regering (met ex-burgemeester De Croo als premier) de herinvoering, ondanks eerdere beloftes, wat Vanbesien als prioriteitsgebrek aanwijst: *"miljarden voor wapens, maar geen cent voor jongerenwelzijn"*. Minister Van Bossuyt beaamt de noodzaak maar wijst op federale bevoegdheidsgrenzen en het ontbreken van een nieuw koninklijk besluit, terwijl lokale organisaties zoals TEJO nu zonder middelen vallen.
Dieter Vanbesien:
Mevrouw de minister, eergisteren zag ik op tv de documentaire Lockdown 2020, blijf in uw kot . Dat is ondertussen vijf jaar geleden, maar de schrijnende beelden brachten alles wel snel terug.
Zoals we allemaal weten, hebben de coronajaren er hard ingehakt, niet in het minst bij jongeren, die gedurende twee jaar verstoken zijn gebleven van sociale contacten en dus te lijden hebben gehad in hun sociale ontwikkeling. De vivaldiregering had daarom een project opgestart in samenwerking met de vijf grote steden in ons land, waaronder Gent, mevrouw de minister, met een jaarlijkse subsidie van 3 miljoen euro voor projecten met kwetsbare jongeren. Tot onze ontzetting werd die subsidie vanaf januari geschrapt in de voorlopige twaalfden. Het is Open Vld die erin geslaagd is om die subsidie alsnog tegen te houden, ondanks aandringen van Groen en onder andere ook Vooruit.
Vandaag moet men drie maanden wachten op een eerste afspraak bij een psycholoog en organisaties die daar een verschil in kunnen maken, werden op droog zaad gezet. Twee weken later was er echter licht aan het eind van de tunnel. De toenmalige burgemeester van Antwerpen ondertekende een brief waarin het terugkeren van die subsidie geëist werd, in het belang van het mentale welzijn van de jongeren.
De partij van die burgemeester is ondertussen de grootste partij van de regering, de burgemeester zelf is nu eerste minister en Open Vld zit in de oppositie. Bij de bespreking dinsdag hebben wij die subsidie dan ook opnieuw op tafel gelegd, maar wat blijkt? De partij van de burgemeester is van gedacht veranderd. Het bleken praatjes te zijn. Veel woorden, maar geen daden bij de N-VA.
Mevrouw de minister, het gaat hier om een heel klein bedrag. Open Vld is er niet meer om het tegen te houden. Waarom wordt de subsidie niet opnieuw geactiveerd? Hebt u die vraag op de ministerraad gebracht en wie heeft dat dan tegengehouden? Dank u wel.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Vanbesien, bedankt voor uw vraag.
Ik onderschrijf absoluut uw bezorgdheid en het feit dat de uitdagingen op het vlak van mentaal welzijn bij jongeren groot zijn. Ik ben het er ook absoluut mee eens dat het noodzakelijk is om blijvend te investeren in preventieve en ondersteunende maatregelen. Het is evenwel essentieel om de kwestie waarover u het hier specifiek hebt, in de juiste context te plaatsen.
U hebt die context zelf ook al deels geschetst. In de nasleep van de COVID-19-crisis heeft de regering-De Croo, onder impuls van voormalig minister Lalieu, in een tijdelijke toelage van jaarlijks 3 miljoen euro voorzien voor de OCMW's van de vijf grote steden. Dat betrof een tijdelijke crisismaatregel. Het bedrag werd expliciet toegekend voor een periode van 3 jaar, van 2022 tot en met 2024, en diende om pilootprojecten te financieren ter bevordering van het psychologisch welzijn van jongeren onder de 25 jaar. Het is essentieel te vermelden dat de uitbetaling van die toelage afhing van de jaarlijkse goedkeuring van een koninklijk besluit. Voor het jaar 2024, dus subsidiejaar 2025, heeft de regering-De Croo echter beslist om geen nieuw KB uit te vaardigen, terwijl zoals gezegd, dat KB een noodzakelijke voorwaarde was. Dat betekent concreet dat er voor de toelage in kwestie geen middelen werden voorzien in de begroting en de uitbetaling dus niet mogelijk is.
Ik betreur dat. Het ging om een beslissing van de regering waarvan uw partij deel uitmaakte. Ik heb mij over het vraagstuk gebogen of de maatregel al dan niet kon worden voortgezet. Preventie valt onder de bevoegdheid van de deelstaten. Men kan zich de vraag stellen of de kwestie onder de bevoegdheid van de federale overheid valt. De nieuwe regeringsploeg wordt geconfronteerd met aanzienlijke budgettaire uitdagingen. In die context is het onmogelijk om crisismaatregelen die altijd van een tijdelijke (...)
Dieter Vanbesien:
Mevrouw de minister, het belangrijkste stuk van uw antwoord zat in de staart. De budgettaire uitdagingen doen u de keuze maken om het niet te verlengen. We hebben het amendement dinsdag op tafel gelegd en er werd gekozen om het niet goed te keuren. Verschillende van de organisaties die hier getroffen worden, hebben mij ook gecontacteerd. De echte slachtoffers zijn de mentaal kwetsbare jongeren. Een van die organisaties, ook actief in Gent, is Therapeuten voor Jongeren, afgekort TEJO. Bij TEJO werken professionele therapeuten die jongeren gratis begeleiden en zorgen voor mentaal welzijn. Deze werking hangt af van een paar tienduizend euro. Wanneer de vzw TEJO roept, wordt er echter niet geluisterd. Daarentegen, als minister Theo roept dat hij meer en meer miljarden nodig heeft om bommen te kopen en een oorlogsmachine in gang te zetten, dan springt Arizona in het gelid. Miljarden voor wapens is geen probleem, als het gaat over 3 miljoen voor het mentaal welzijn van onze jongeren, dan is er een budgettair probleem. Collega's, het is duidelijk, de ene Theo is de andere niet.
Het vermoeden van sociale fraude bij het OCMW van Anderlecht
De wanpraktijken bij het OCMW van Anderlecht
Fraude en cliëntelisme bij het toekennen van een leefloon in het OCMW van Anderlecht
Misstanden bij het OCMW van Anderlecht
Gesteld door
N-VA
Wouter Raskin
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
VB
Ellen Samyn
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om het OCMW-schandaal in Anderlecht, waar fraude, wanbeheer en cliëntelisme aan het licht kwamen via *Pano*-reportages en hoorzittingen. Vincent Van Quickenborne stelt vier juridische kernvragen (o.a. over 1-op-1-ontvangsten zonder maatschappelijk werker, terugdraaien van beslissingen zonder nieuwe elementen, en druk op medewerkers), maar minister Anneleen Van Bossuyt geeft geen directe antwoorden, verwijst naar toekomstige sancties (bonus-malussysteem), strengere controles (inspectie zomer 2025) en belooft schriftelijke verduidelijking. Ellen Samyn benadrukt structurele tekortkomingen (werkdruk, gebrek aan verantwoordelijkheidscultuur) en eist transparantie en verantwoording, terwijl de oppositie concrete wettelijke kaders blijft afdwingen. De minister erkent de ernst van de zaak maar blijft vaag over directe oplossingen, wat tot kritiek en scepsis leidt over effectieve verandering.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, de commissie voor Sociale Zaken heeft zich de voorbije maanden gebogen over wat in Anderlecht is gebeurd en wat aan het licht kwam door een reportage van het VRT-programma Pano . Helaas hebben de getuigenissen tijdens de recente hoorzittingen niet altijd concrete antwoorden opgeleverd, maar het is duidelijk dat er heel wat speelt in Anderlecht.
Zijn er sinds het losbarsten van het schandaal nog bijkomende wanpraktijken aan het licht gekomen of onregelmatigheden aan u gemeld? Zo ja, welke? Hebt u reeds acties gepland naar aanleiding van dit dossier? U hebt daarover daarnet al een tipje van de sluier gelicht met uw antwoord op de eerste vraag.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, ik ben blij u te mogen verwelkomen in deze commissie.
Dit is de eerste keer dat we u kunnen horen over het schandaal in Anderlecht, dat u, uw diensten en uw kabinet ongetwijfeld hebben gevolgd. Dankzij de inspanningen van de voorzitter en deze commissie hebben we daarover al heel wat hoorzittingen kunnen organiseren. Ik heb daarover straks nog een aantal andere vragen.
We zijn heel benieuwd naar de houding van de regering, maar ook naar uw houding ten aanzien van wat daar is gebeurd. We hebben intussen gedurende meer dan 60 uur hoorzittingen gehouden en een werkgroep zal de werkzaamheden voortzetten en met aanbevelingen komen voor de commissie voor Sociale Zaken en de regering. Vanuit de oppositie werken we daar graag aan mee.
Ik heb een aantal specifieke en concrete vragen naar aanleiding van het schandaal in Anderlecht. Het zijn er maar vier, maar ik wil er graag een concreet antwoord op krijgen.
Ten eerste, de toenmalige OCMW-voorzitters hebben mensen ontvangen zonder aanwezigheid van een maatschappelijk werker. Kan dat of niet?
Ten tweede, blijkbaar bestond er in Anderlecht een systeem waarbij er hoorzittingen werden georganiseerd nadat het bijzonder comité voor de sociale dienst (BCSD) beslissingen had genomen en dat zonder dat er nieuwe elementen waren opgedoken. Kan dat of niet?
Ten derde, kan het dat na de hoorzittingen die werden georganiseerd door het BCSD een beslissing van het BCSD wordt teruggedraaid zonder nieuwe elementen? In een openbare vergadering werd het voorbeeld gegeven van iemand die 28.000 euro aan leefloon moet terugbetalen en waar er uiteindelijk slechts 534 euro is teruggevorderd. Dat is een van de vele voorbeelden die we hebben gehoord.
Ten vierde, kan het dat medewerkers onder druk worden gezet om documenten te ondertekenen waarin ze beschuldigd worden van insuffisance professionelle (professionele onbekwaamheid)? Kan dat of niet?
Dat zijn vier eenvoudige vragen waarop ik hopelijk vier duidelijke antwoorden krijg.
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.
De OCMW-Anderlecht saga komt maar niet ten einde. Eerst bleek dat er reeds in mei een stijging van onterecht uitgekeerde steun was. En zelfs in 2021 werd er al gesuggereerd een anti-fraude cel op te richten. Er was al langer sprake van mogelijke fraude. “Wel fouten, geen fraude" luidt de verklaring van de ex-voorzitters van het Anderlechts OCMW. Als er duidelijke signalen komen vanuit de organisatie dat er belastinggeld onterecht wordt toegekend, en er wordt geen actie ondernomen, dan is dat verhindering van de oplossing, niet zomaar 'een fout'. Daarbovenop blijkt dat de ex-voorzitter in de hoorzitting tegenstrijdige antwoorden gaf die niet kloppen met wat medewerkers en andere geïnterviewden zeggen. De ex-voorzitter verklaarde dat “er niet de intentie was te frauderen", waarmee hij enerzijds niet ontkent dat er sprake is van fraude en anderzijds lijkt te geloven dat je onvrijwillig kan frauderen. Het verschil tussen een 'technische fout' waarbij je geld stort naar de verkeerde persoon en 'fraude' is dat het ene per ongeluk is, en het andere moedwillig.
Is het toegestaan dat de OCMW-voorzitter leefloonaanvragers 1-op-1 ontvangt?
Bestaat er een controlemechanisme zodat een medewerker of voorzitter niet mag beslissen over de uitkering aan familie of vrienden?
Welke stappen kunnen er genomen worden om de interne werking van het OCMW efficiënter en transparanter te maken, alsook om een verantwoordelijkheidszin in te bouwen en gepaste sancties bij misbruik?
Neemt de minister genoegen met het antwoord 'Er was niet de intentie te frauderen'?
Zijn er responsabiliseringsmechanismen of incentive-structuren die opgezet kunnen worden om ervoor te zorgen dat de OCMW's en hun voorzitters doelgericht werken naar het activeren en integreren van leefloners?
Als er sprake is van fouten door hoge werkdruk, hoe is de situatie zo ver kunnen komen? M.a.w. hoe komt het dat de werkdruk verhoogd is, door grote instroom, of door wegvloeien personeel, en waarom is hier eerder niets aan gedaan?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, mijnheer Raskin, mijnheer Van Quickenborne, ik dank u voor de interessante vragen.
Naar aanleiding van de verschillende onthullingen die door de VRT zijn gedaan in de aangehaalde reportage, zijn er aanvullende controles uitgevoerd bij het OCMW van Anderlecht. Ik heb naar aanleiding van uw vragen nogmaals navraag gedaan bij de POD MI, die mij heeft gemeld dat er sindsdien geen bijkomende meldingen zijn geweest.
Ik blijf de evolutie van de situatie vanzelfsprekend van dichtbij volgen. De onthulde wantoestanden omtrent de individuele dossiers en het politieke cliëntelisme bij het OCMW van Anderlecht zijn immers onverantwoord en schandalig. Ik zou nog een hele reeks andere woorden daaraan kunnen toevoegen.
Ik zal daarom werk maken van een duidelijke responsabilisering van de OCMW’s via een bonus-malussysteem waarmee we via in- en outputgerichte financiële prikkels OCMW’s zullen stimuleren maximaal in te zetten op intensieve, aanklampende begeleiding, activering en maatschappelijke integratie van de leefloongerechtigden.
Ik werk ook een strenger controle- en sanctiekader uit, zoals al in de vorige antwoorden is meegegeven. Mijnheer Van Quickenborne, de details in het antwoord op uw vragen zullen in het kader van de verdere uitwerking meer duidelijkheid krijgen.
Een volgende periodieke inspectie zal plaatsvinden tijdens de zomer van 2025. De diensten van de POD MI, met name de inspectie, zijn in regelmatig contact met het OCMW van Anderlecht.
Er komen nog een aantal vragen over de kwestie. Ik ben ervan overtuigd dat zeker niet het laatste woord daarover is verteld. U hebt zelf een werkgroep opgericht, waaruit een aantal zaken onze richting zullen uitkomen. Ik hoop vooral dat we ter zake kunnen samenwerken om dergelijke toestanden in de toekomst te vermijden.
Wouter Raskin:
Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister.
Naast het strengere sanctiekader dat u wilt uittekenen, zoals u al antwoordde op de eerste vraag, verwijst u nu naar responsabilisering. Ik denk dat dat nodig is. Het slechte voorbeeld van Anderlecht heeft bewezen dat er op zijn minst één OCMW geresponsabiliseerd moet worden, en wellicht meerdere. Op die manier zullen ze gedwongen worden om correcter met openbare middelen om te springen.
Ik zie ook dat men van plan is om deze zomer opnieuw een grondige inspectie te organiseren in Anderlecht. Dat is een goed idee. Het klopt, mevrouw de minister: de werkgroep die wij gisteren opgericht hebben, zal u niet alleen nogmaals wijzen op de maatregelen die in het regeerakkoord staan, maar zal ook met andere stevige aanbevelingen komen. Daar mag u van op aan. Dank u wel.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, ik begrijp en deel uw verontwaardiging. U verwijst ook naar een aantal zaken uit het regeerakkoord, maar ik heb u vier duidelijke vragen gesteld. Die hangen niet af van wat u al dan niet wilt doen met het regeerakkoord.
Als ik u de vraag stel: "Kan het dat een OCMW-voorzitter mensen ontvangt zonder maatschappelijk werker erbij?", dan hangt het antwoord niet af van een toekomstig sanctiepakket, wel van de vraag of het volgens de wet kan of niet kan. Ik heb dezelfde vraag gesteld over het organiseren van hoorzittingen na een bijzonder comité zonder nieuwe elementen. De heer Van Schuylenbergh – die u misschien kunt consulteren voor uw kabinet – is komen zeggen dat dat eigenlijk niet kan.
Ik zou dus van u willen weten: kan dat of kan dat niet? Het is toch normaal dat een parlementslid die vraag stelt aan een minister, die de wetgeving moet uitvoeren. U antwoordt daar niet op. Het hangt niet af van een strenger sanctiepakket; de vraag is eenvoudigweg: "Kan het of kan het niet?" Hetzelfde geldt voor de vraag over beslissingen die teruggedraaid worden en het feit dat medewerkers onder druk worden gezet. Ik denk dat u zelf ook wel inziet dat uw antwoord gebrekkig is en tekortschiet. Het zijn vier concrete vragen over vier vaststellingen: kan het of kan het niet? Ik blijf die vraag herhalen en ik hoop dat u mij zo meteen antwoordt.
Voorzitter:
Madame la ministre, je vous propose de répondre par écrit.
Vincent Van Quickenborne:
Ik begrijp dat u de antwoorden niet onmiddellijk kunt geven, al komen de vragen niet bepaald uit de lucht vallen, want ik had ze u op voorhand bezorgd. Ze gaan overigens over het wetgevend kader: "Kan het of kan het niet?" Ik zou het dus zeer appreciëren als u mij de antwoorden schriftelijk kunt bezorgen.
Voorzitter:
C’est toujours le problème des questions jointes. Ce que je vous propose, madame la ministre, c’est que vous vous engagiez à répondre par écrit précisément aux questions posées.
Ellen Samyn:
Ik zou inderdaad ook graag een schriftelijk antwoord krijgen op een deel van mijn vragen. Mevrouw de minister, ik begrijp u. U hebt dit dossier geërfd. Indien het een echte erfenis was, had ik ze verworpen, want ik zou er niet blij mee zijn. U zit er echter mee opgezadeld. Ik hoor in uw antwoord dat er momenteel geen bijkomende meldingen zijn. Waarover ik mij wel nog zorgen maak, is de werksfeer en de werkdruk op die maatschappelijke assistenten. Daaraan is namelijk weinig veranderd. Ik hoor ook dat er een periodieke inspectie zal plaatsvinden in de zomer van 2025. Ik ben echter niet zo opgetogen over de werkgroep. Ik hoop dat die zoden aan de dijk zal brengen, maar ik sta er eerder wat sceptisch tegenover. Ik zal mij echter zeker inzetten en hoop dat we goede aanbevelingen zullen kunnen formuleren. Wat ik echter zeker hoop, is dat de aanbevelingen van de commissie echt zullen worden uitgevoerd en effectief zullen leiden tot een positief resultaat. We moeten immers niet alleen naar de cliënten kijken, maar ook naar degenen die daar werken. U kunt zich namelijk niet voorstellen in welke sfeer die mensen moeten werken. Ik hoop dus dat heel die stal wordt uitgemest en dat er opnieuw kan worden begonnen met een propere lei. Ik hoop eveneens dat zoiets in de toekomst niet meer kan gebeuren, niet in Anderlecht en ook niet in de andere Brusselse OCMW's of elders. Hopelijk haalt het dus ook iets uit.
Het geweld tegen medewerkers van het Molenbeekse OCMW
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
OCMW-medewerkers worden steeds vaker slachtoffer van agressie, zoals een recent azijnincident in Molenbeek aantoont, wat vragen oproept over hun veiligheid en werkomstandigheden—met name door mogelijke federale besparingen op uitkeringen die het geweld kunnen verergeren. Minister Van Bossuyt deelt de bezorgdheid maar wijst de verantwoordelijkheid af: veiligheidsmaatregelen en agressiebeheer vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen, niet onder haar federale portefeuille. Ze verwijst naar algemene regeerakkoordmaatregelen tegen agressie op hulpverleners, maar biedt geen concrete oplossingen of budgetten. Samyn benadrukt dat structurele bescherming dringend is, maar moet de kwestie nu bij de gemeenschapsministers neerleggen.
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn mondelinge vraag.
De minister van Maatschappelijke Integratie is verantwoordelijk voor het Openbare Centrum voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), de werking ervan en de medewerkers. Het aantal agressiegevallen naar medewerkers van de OCMW's is ernstig. Vandaag legden medewerkers van het Molenbeekse OCMW het werk neer nadat een collega op straat werd gevolgd door een misnoegde leefloonaanvrager, ze kreeg azijn over zich heen en werd uitgescholden, aldus de VRT. De mensen die bij het OCMW werken proberen mensen te helpen in moeilijke situaties, ze zetten zich in voor diegenen die minder hebben of kunnen in deze maatschappij. Zij verdienen niet alleen een veilige werkomgeving maar ook respect. De mogelijkheid bestaat dat de plannen van de federale regering om te besparen op uitkeringen nog een verdere stijging in het aantal geweldplegingen naar OCMW-personeel kan teweegbrengen.
Acht de minister het werkbaar dat de OCMW-medewerkers in zulke werkomstandigheden moeten werken?
Heeft de minister plannen om de veiligheid van OCMW-kantoren te verhogen door het inzetten van (private) veiligheidspersoneel?
Zal de minister budgetten vrijmaken om de veiligheid en werksituatie van OCMW-medewerkers te versterken?
Welke maatregelen zal de minister nemen ter preventie van een stijging van geweld tegenover het OCMW-personeel?
Welke gevolgen en sanctionering kunnen de OCMW's opleggen aan klanten die geweld plegen, of disruptief zijn?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Samyn, net als u ben ik getroffen door het geweld dat de medewerkers van het OCMW van Molenbeek hebben moeten ondergaan. Nu ging het over één specifiek zwaar geval daar. Dit soort incidenten zijn absoluut onaanvaardbaar. Geweld tegen medewerkers die zich dagelijks hard inzetten is nooit gerechtvaardigd. Mijn medeleven gaat dan ook uit naar het slachtoffer en de naasten.
De regering neemt deze problematiek ernstig en heeft in het regeerakkoord ook maatregelen opgenomen om de veiligheid van het overheidspersoneel en van de maatschappelijke werkers te versterken en misbruik en agressie tegen hulpverleners tegen te gaan. U kunt gerust mijn collega die hiervoor bevoegd is ondervragen, want dit valt niet onder mijn bevoegdheid.
Agressie tegen medewerkers van OCMW's dient niet aan mijn administratie te worden gemeld, aangezien de werking van het OCMW, inclusief het beheersen van agressie tegen het personeel van het OCMW, een aangelegenheid is die tot de bevoegdheid van de respectieve gemeenschappen behoort.
Ik heb alle begrip voor uw vraag en voor uw bezorgdheid en ik deel die ook, maar ik raad u aan om de vragen aan de bevoegde gemeenschapsministers te stellen.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, dank u voor uw duidelijke antwoord. Ik zal dat zeker doen, als er vanmiddag al geen plenaire vragen in het Vlaams Parlement over zijn gesteld. Zeker in een omgeving waar men mensen helpt, zou men veilig moeten zijn. Dit is niet het eerste incident en het zal helaas ook niet het laatste incident zijn. Ik hoop dat bij de gemeenschappen ook wordt bekeken hoe we die OCMW-medewerkers het best kunnen beschermen.
De jaarverslagen van de OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alle OCMW’s moeten jaarlijks een *uniek jaarverslag* (eigenlijk een budgettaire controle-applicatie voor facultatieve subsidies) invullen en ondertekenen, anders verliezen ze recht op subsidies—wat volgens de minister nooit is voorgekomen. De gegevens worden niet gepubliceerd als statistiek, maar de minister onderzoekt of relevante data later kunnen worden geïntegreerd. Ze biedt wel maatwerkstatistieken aan voor specifieke subsidievragen, zoals eerder gebeurde. De term *"uniek jaarverslag"* is misleidend, aangezien het enkel gaat om uitgavenverantwoording.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik zal bondig zijn. Elk jaar in januari moeten de OCMW’s een uniek jaarverslag indienen.
Voeren alle gemeenten die gegevens jaarlijks in? Zo niet, zijn daar bepaalde redenen voor? Bestaan er sancties voor gemeenten die niets invoeren? Waarom worden de gegevens niet gepubliceerd onder de statistieken? Bent u bereid om de unieke jaarverslagen van de afgelopen vijf jaar met ons te delen?
Anneleen Van Bossuyt:
De extra anderhalve minuut van de heer Raskin kan ik gebruiken voor het antwoord.
Voorzitter:
Dat is altijd interessant, mevrouw de minister. U mag dat zeker doen.
Anneleen Van Bossuyt:
Ik probeer in elk geval binnen de toegestane 2,5 minuten te blijven.
Collega Raskin, elke OCMW dient inderdaad jaarlijks zijn jaarverslag in orde te maken voor de afgesproken datum waarop de coderingen in het uniek jaarverslag worden afgesloten. Als een OCMW niets rapporteert voor een specifiek gebruik, een subsidie bijvoorbeeld, dan vraagt de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding, Sociale Economie en Grootstedenbeleid een bevestiging van het niet-gebruik van subsidiegeld om na te gaan of er zich geen technisch probleem heeft voorgedaan bij het opslaan van de gegevens. Ook een OCMW dat geen uitgaven op een subsidie wenst in te voeren, wordt geacht om het uniek jaarverslag in te vullen, maar dan zonder uitgaven, en te ondertekenen als bewijs dat het een specifieke steun niet heeft gebruikt. De finale rapportage dient ook ondertekend te zijn door de verantwoordelijken binnen het OCMW.
Het jaarrapport moet worden ondertekend door alle OCMW’s voor sluiting. Soms wordt de specifieke deadline kort verlengd, maar elk OCMW tekent. Indien een OCMW het uniek jaarrapport niet zou invullen, dan zou het geen recht hebben op de betrokken subsidies, aangezien de uitgaven niet gerechtvaardigd worden. Dit is volgens de POD Maatschappelijke Integratie nog nooit gebeurd.
Het uniek jaarrapport dient niet voor de opmaak van statistieken, het is een budgettaire verantwoording. De keuze werd gemaakt om voor de statistieken te werken met een aparte subsite die wordt gevoed met gegevens vanuit het infocentrum van de POD. Het uniek jaarrapport zit daar – nog – niet in. Ik bekijk nu met mijn administratie de mogelijkheid om op termijn een aantal gegevens uit dat unieke rapport te integreren als die een significante betekenis hebben en als ze structureel zijn.
De term uniek jaarverslag is evenwel een beetje misleidend. Het gaat hier niet om een echt verslag, maar wel om een applicatie ter controle van de uitgaven van de OCMW rond facultatieve subsidies
Het gaat hier dus slechts om data over de rechtvaardiging van uitgaven die on desk worden gecontroleerd. Indien u specifieke vragen hebt over bepaalde subsidies, dan ben ik bereid om specifieke data in statistische vorm aan te leveren. Dit werd in het verleden reeds meerdere keren gedaan voor specifieke vragen over bepaalde subsidies.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het aanbod dat u doet bij het beantwoorden van de laatste subvraag. De term unieke jaarverslagen was inderdaad ietwat misleidend.
Voorzitter:
Dan kunnen we misschien de titel van de jaarverslagen wijzigen, zodat duidelijk wordt waarvoor ze dienen.
De terugbetaling van de ziekenfondsbijdrage door het OCMW
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Wouter Raskin vraagt waarom OCMW’s ziekenfondsbijdragen terugbetalen aan behoeftigen, terwijl deze gratis kunnen aansluiten bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, wat verplichte ziektekostenverzekering garandeert. Minister Van Bossuyt benadrukt dat OCMW’s autonoom beslissen om (gedeeltelijk) in te staan voor bijdragen—inclusief aanvullende kosten—na een sociaal onderzoek, maar niet voor facultatieve verzekeringen zoals hospitalisatie. Ze bevestigt dat OCMW’s moeten informeren over de gratis Hulpkas, maar deze biedt geen extra voordelen. Raskin pleit voor een efficiëntere inzet van beperkte middelen en een grondige discussie over mogelijke regelherziening, zonder overhaaste wetswijzigingen.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, het gebeurt regelmatig dat een OCMW de ziekenfondsbijdrage van steunaanvragers terugbetaalt. Nochtans kunnen die personen gratis aansluiten bij de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering. Die aansluiting garandeert de aansluiting bij de verplichte ziekteverzekering.
Mevrouw de minister, bent u op de hoogte van de mogelijkheid voor OCMW’s om de ziekenfondsbijdrage van steunaanvragers terug te betalen? Vindt u het logisch dat OCMW’s die bijdrage terugbetalen, terwijl de betrokkenen gratis toegang hebben tot de terugbetaling van de medische verzorging die voor iedereen verplicht is?
Voorzitter:
Dat is een boeiende vraag.
Anneleen Van Bossuyt:
Hier worden alleen maar boeiende vragen gesteld, mijnheer de voorzitter.
Mijnheer Raskin, er dient te worden opgemerkt dat het OCMW de kosten van de ziekenfondsbijdrage niet terugbetaalt, want als de persoon in staat was om die zelf te betalen, dan was hij of zij op dat moment misschien niet behoeftig. In de praktijk zal het OCMW, als het tussenkomt in de ziekenfondsbijdrage, de bijdragekosten rechtstreeks aan het ziekenfonds betalen, in naam van de betrokkene.
Het OCMW komt tussen in de kosten van de ziekenfondsbijdrage wanneer, na het sociaal onderzoek, de staat van behoeftigheid is aangetoond en ook de tussenkomst in de ziekenfondskosten het meest geschikte middel is om de betrokkene te helpen. Deze regel is van toepassing, ongeacht of het OCMW stappen heeft ondernomen om een persoon aan te sluiten bij het ziekenfonds van zijn keuze, zoals bepaald in artikel 60, § 5, van de wet, of dat de persoon reeds bij het ziekenfonds is aangesloten.
Het OCMW bepaalt volledig autonoom, door middel van zijn sociaal onderzoek, of een persoon al dat niet in staat is om een menswaardig leven te leiden en hoe het zal tussenkomen in de ziekenfondsbijdragen. Afhankelijk van de staat van behoeftigheid kan het OCMW beslissen om slechts in een deel van de kosten van de ziekenfondsbijdragen tussen te komen.
Aangezien de keuze van het ziekenfonds in België gewaarborgd is en de ziekenfondsen, met uitzondering van de hulpkas die u vermeldde, altijd de betaling van aanvullende bijdragen vereisen, zal het OCMW de kosten van die aanvullende bijdragen ten laste nemen als de staat van behoeftigheid bewezen is. Daarnaast zal het OCMW nooit de andere facultatieve verzekeringen ten laste nemen, zoals een hospitalisatieverzekering.
Het lijkt me inderdaad opportuun dat een OCMW de aanvrager altijd informeert dat er in België een openbaar ziekenfonds bestaat dat geen betaling van aanvullende bijdragen vereist, maar ook geen extra voordelen biedt.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik dank u om de regelgeving duidelijk te schetsen. Ik ben blij dat de waarnemend voorzitter dit een boeiende vraag vindt. Ik denk dat het thema boeiend genoeg is om grondig van gedachten te wisselen. Gezien de beperkte middelen en de budgettaire toestand waarin dit land verzeild is geraakt en de nood aan het efficiënt inzetten van de beperkte middelen is het nodig die regelgeving te herzien of daarover op zijn minst grondig van gedachten te wisselen. Ik weet dat het soms veel gemakkelijker is om te denken aan een wetsaanpassing. Dat is allemaal goed bedoeld, maar dat kan nog heel wat gevolgen hebben, dus ik pleit er hier zeker niet voor om als een olifant door de porseleinwinkel te lopen. Aangezien er een instantie is waar mensen gratis kunnen aansluiten, denk ik dat dit een thema is waar op zijn minst over mag worden doorgeboomd.
De ondersteuning van de OCMW's
De federale compensatie voor OCMW’s na de beperking van de werkloosheidsuitkeringen
Financiering en ondersteuning van OCMW's na hervormingen in werkloosheidsuitkeringen
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de onvoldoende federale compensatie (527 miljoen in 2029) voor gemeenten en OCMW’s door de beperking van werkloosheidsuitkeringen tot 2 jaar, wat naar verwachting 44.000 extra leefloongerechtigden zal creëren (kost: ~700 miljoen/jaar). Minister Van Bossuyt belooft voorwaardelijke federale steun (afhankelijk van tewerkstellingsresultaten via GPMI), maar geeft geen concrete bedragen of methodiek, wat tot scherpe kritiek leidt: de maatregel zou OCMW’s structureel onderfinancieren en hen oneigenlijke taken (reïntegratie) opleggen. Kritiekpunten zijn gebrek aan transparantie, regionale verschillen, en het ontbreken van een automatische aanpassingsmechanisme bij hogere instroom.
Marie Meunier:
Madame la ministre, au sein de l'accord présenté aux membres de la Chambre des représentants, le gouvernement prévoit une réforme fiscale et une réforme du marché du travail et des pensions. Ces réformes entraîneront des charges supplémentaires pour les pouvoirs locaux. Le tableau budgétaire qui a été transmis aux membres de la Chambre reprend d'ailleurs une ligne en dépenses concernant le "soutien aux administrations locales: compensation des réformes du marché du travail et des pensions" avec un impact de 527 millions en 2029. Une compensation qui semble bien faible au regard des charges qui vont peser sur les finances locales et plus singulièrement sur les charges liées au RIS dans les CPAS.
Madame la ministre, que recouvre la ligne budgétaire "Soutien aux administrations locales", qui est reprise dans le tableau budgétaire transmis aux membres? Cette ligne budgétaire intègre-t-elle une compensation pour les CPAS qui devront faire face à une augmentation des demandes à la suite de la limitation dans le temps des allocations de chômage? Si oui, à quelle hauteur? Si une partie de l'enveloppe est destinée aux CPAS, une compensation est-elle prévue pour l'augmentation des frais de gestion qui sont liés à l'augmentation du nombre de dossiers à traiter? Si oui, à quelle hauteur? Un budget est-il prévu afin de relever le taux de remboursement du RIS par le fédéral? Si oui, à quelle hauteur? Ce relèvement concernera-t-il l'ensemble des RIS ou certaines catégories de bénéficiaires en particulier?
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, mijn vragen gaan in dezelfde richting.
U weet als geen ander dat het regeerakkoord bepaalt dat de werkloosheidsuitkeringen na twee jaar stoppen en dat mensen dan desgevallend naar het OCMW worden verwezen. Uit statistieken blijkt dat toen wij met de regering-Di Rupo hadden beslist om de wachtuitkering voor jongeren in de tijd te beperken, een derde van de jongeren naar het OCMW stapte, een derde aan de slag ging en een derde uit de statistieken verdween.
Ik heb een aantal vragen in dezelfde zin.
Ten eerste, hoeveel extra middelen worden er van 2025 tot en met 2029 precies voorzien voor de OCMW's om de instroom op te vangen van de ex-werklozen die na twee jaar zonder uitkering vallen?
Ten tweede, hoe komt men concreet tot die bedragen? Welke berekeningen en parameters zijn daarbij gebruikt?
Ten derde, werd er rekening gehouden met de regionale verschillen in de impact op OCMW's, gezien de variërende werkloosheidsgraad per gewest?
Zal de financiering structureel of tijdelijk zijn? Wordt er voorzien in een automatische aanpassing indien de instroom hoger blijkt dan verwacht? Met andere woorden, als de bedragen onvoldoende zijn om de werklozen op te vangen die naar het leefloon doorschuiven, worden die bedragen dan aangepast of houdt u daaraan vast?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Quickenborne, u sprak over de beperking van de inschakelingsuitkering in de tijd. Daarop kom ik terug in de laatste vraag, van de heer Tonniau.
Madame Meunier, monsieur Van Quickenborne, la Belgique était un des derniers pays au monde où les allocations de chômage étaient versées de manière illimitée dans le temps. Le fait que ce gouvernement mette fin à cette situation est une avancée positive.
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd op een extra instroom van leefloongerechtigden wordt voor de OCMW's gecompenseerd via een verhoging van het gedeelte van de financiering van het leefloon vanuit de federale overheid. Die verhoogde financiering zal afhankelijk zijn van het afsluiten van een GPMI en van de resultaten inzake de uitstroom van leefloongerechtigden naar duurzame tewerkstelling. De bedragen zullen dan ook in functie daarvan worden aangepast. U begrijpt dat ik daarop nu geen concreet bedrag kan plakken. Tot nog toe werden nog geen concrete maatregelen en werkwijze uitgewerkt.
La ligne budgétaire soutient les autorités locales dans la compensation des réformes du marché du travail et des pensions, et couvre en partie la compensation prévue pour les CPAS et en partie la facture de responsabilité pour les autorités locales, de manière à faire face à la hausse des dépenses de pension. Il est encore trop tôt pour entrer dans les détails de cette mesure.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Président: Denis Ducarme.
Marie Meunier:
Merci, madame la ministre, mais vous vous doutez bien que je suis assez déçue parce que je n'ai pas vraiment obtenu de réponse à mes questions. Au contraire, mes interrogations subsistent.
J'entends que le futur financement des CPAS est conditionné à la remise au travail. En d'autres termes, on va demander aux CPAS de faire un travail qui, à la base, n'est pas le leur, c'est-à-dire remettre à l'emploi des bénéficiaires parfois très éloignés de l'emploi. Cette mesure ne me semble pas être de bon augure, mais j'imagine que nous aurons l'occasion d'en reparler lors de votre présentation de note politique.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, u verwijst naar de cijfers die in de budgettaire tabel staan, maar u zegt dat u daarover eigenlijk niets meer kunt zeggen. Sta mij toe dat toch zeer vreemd te vinden. Ofwel heeft men dus darts gespeeld tijdens de opmaak van het regeerakkoord en heeft men gewoon wat cijfers ingeschreven, ofwel zijn de cijfers onderbouwd. Blijkbaar is er echter geen onderbouwing. U zegt immers dat u niet op de details kunt ingaan. Blijkbaar weet u dus niet wat er precies achter die cijfers schuilgaat. Dat is bedroevend en bewijst opnieuw dat het budgettaire werk dat de regerering plant niet bijzonder ernstig is, net als de terugverdieneffecten en dergelijke meer. Er zijn 133.000 werklozen die al langer dan twee jaar zonder baan zitten. Dat blijkt uit de jongste statistieken van de RVA. Stel dat een derde daarvan naar het OCMW gaat – wat ongeveer de inschatting is, zoals ik daarnet heb verteld – dan zouden 44.000 mensen bij het OCMW aanbellen. Ik heb de statistieken opgevraagd van de aantallen alleenstaanden, samenwonenden en mensen met een gezinslast, maar de RVA kan mij die op dit ogenblik niet geven. De schriftelijke vraag is echter onderweg naar de juiste minister. Als we stellen dat die mensen gemiddeld ongeveer 15.000 euro per persoon per jaar kosten, dan zou de totale factuur voor de OCMW's 700 miljoen euro bedragen. 700 miljoen euro! Ik begrijp dat u niet kunt antwoorden op de vragen over de cijfers, want de cijfers zijn bedroevend. Eigenlijk kan ik alleen concluderen dat de OCMW's een bijkomende factuur zullen krijgen, die groter is dan wat de federale overheid voorziet. Ik vind dat bedroevend en teleurstellend. Ik hoop dat de VVSG goed meeluistert, want dat is niet wat de steden en gemeenten verwachten, zeker niet in Antwerpen, maar zelfs niet in Gent. Dat zal echter misschien minder een zorg zijn.
Het register voor sociale bijstand
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het centraal register voor sociale bijstand (inclusief federale, regionale en lokale voordelen) moet excessen en inactiviteitsvallen bestrijden door een plafond in te voeren en werken aantrekkelijker te maken (doel: 500 euro netto verschil met niet-werken). Modaliteiten en inhoud (welke uitkeringen, wie raadpleegt) zijn nog onder overleg, met focus op inkomensgebonden steun en harmonisatie van berekeningsmethodes, terwijl gemeentespecifieke maatregelen (bv. sportkortingen) complexer zijn. Toegang is voorbehouden aan instanties die steun toekennen of financieren, maar concrete afstemming met deelstaten en lokale besturen staat nog open. Raskin onderschrijft het doel (draagvlak behouden, excessen vermijden) maar benadrukt de complexiteit en geleidelijkheid van de uitvoering.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, volgens het regeerakkoord zal er een centraal register met alle sociale bijstand en voordelen worden bijgehouden, met het oog op de berekening van het geheel aan sociale bijstand en voordelen. Dat register zal raadpleegbaar zijn en moet ingevuld en aangevuld worden door alle instanties die deze bijstand en voordelen toekennen.
Welke uitkeringen en vrijstellingen zullen worden opgenomen? Zal aan de deelstaten, de steden en gemeenten ook gevraagd worden om dat register te gebruiken? Door welke instanties zal dat register daarna geconsulteerd kunnen worden? Hebt u eventueel ook al een zicht op wat federaal afgetopt zou kunnen worden?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Raskin, het regeerakkoord voorziet inderdaad in de oprichting van een centraal register waarin alle sociale bijstand en voordelen zullen worden opgenomen. Dat moet ons in staat stellen om bij de berekening van het totale pakket aan sociale bijstand en voordelen rekening te houden met alle relevante gegevens. Het is de bedoeling dat het register kan worden gebruikt om excessen te vermijden en om het geheel aan sociale bijstand en voordelen te plafonneren. Op die manier willen we inactiviteitsvallen voorkomen. We zien vandaag dat het nog vaak weinig aantrekkelijk is om te gaan werken.
Onze prioriteit is om het verschil tussen werken en niet werken aanzienlijk te vergroten met als doel een kloof van minstens 500 euro netto per maand te bereiken. Dit betekent dan ook dat de sociale voordelen vanuit de deelstaten zullen moeten worden opgenomen in dit register. Dat is onze ambitie, maar ik wil erop wijzen dat een dergelijk register nog niet bestaat en dat de modaliteiten en de inhoud hiervan nog afgestemd moeten worden binnen de regering.
Op federaal vlak moet de sociale bijstand evenwel ruim worden geïnterpreteerd. Het betreft alle steun in het kader van de sociale zekerheid en de sociale bescherming, met uitzondering van de voordelen in het kader van de ziekteverzekering. We bekijken nader welke steun concreet kan worden opgenomen in het centraal register en wat opportuun en haalbaar is.
Voor steun die algemeen wordt toegekend op basis van dezelfde parameters, zoals de hoogte van het inkomen of de gezins- of leefsituatie, is dat natuurlijk eenvoudiger dan voor individuele steun die een persoon krijgt op basis van zijn zeer specifieke situatie. Lokaal bestaan er specifieke maatregelen die van gemeente tot gemeente sterk verschillen, zoals de korting op het inschrijvingsgeld bij een sportclub. Uiteraard zal ik hierover overleggen met mijn collega-ministers binnen de federale regering en de regio’s, alsook met de lokale besturen.
De toegang tot het register moet in ieder geval worden verzekerd voor diegenen die gemachtigd zijn om steun of sociale voordelen toe te kennen of voor diegenen die die steun of sociale voordelen al dan niet gedeeltelijk ten laste nemen.
Wat de plafonnering van de sociale bijstand en de sociale voordelen betreft, zien we dat niet los van de geplande hervorming van de bijstand waarbij we over de verschillende stelsels heen enerzijds de middelentoets en berekeningswijzen optimaliseren en harmoniseren en anderzijds het begrip gezins- of leefsituatie herbekijken. Het is de bedoeling om excessen of scheeftrekkingen aan te pakken en finaal ervoor te zorgen dat werken altijd aantrekkelijker is dan niet werken.
Wouter Raskin:
Ik ondersteun wat er in het regeerakkoord is opgenomen. U zegt dat het een heel complexe oefening zal zijn. Dat is ook zo, men kan die zaak niet eensklaps realiseren. De regering is nog maar net uit de startblokken geschoten. Het lijkt me vanzelfsprekend dat de regering nog moet spreken over de modaliteiten, de juiste inhoud en de afstemming. Ondanks de grote uitdaging en de complexe oefening die u te wachten staan, ben ik het volledig met u eens. Indien wij onze sociale zekerheid en de sociale bijstand overeind willen houden, indien wij ook het draagvlak daarvoor willen behouden, dan moeten we excessen vermijden en inactiviteit voorkomen.
De aanpassing van de OCMW-wet
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de nodige federale aanpassing van de OCMW-wet (met name artikel 2 en de bijzondere wet van 1980) om volledige fusie tussen gemeenten en OCMW’s mogelijk te maken, wat nu wordt geblokkeerd door de afzonderlijke rechtspersoonlijkheid van OCMW’s en activa-kwesties. Minister Van Bossuyt bevestigt dat een tweederdemeerderheid (omwille van faciliteitengemeenten) vereist is en belooft verdere afstemming met de deelstaten, terwijl Van Quickenborne (Open Vld) benadrukt dat Vlaanderen klaar is voor integratie en zijn fractie de nodige steun toezegt. De institutionele hervorming staat in het regeerakkoord, maar vereist federale actie, met name voor grondwettelijke bevoegdheidsaanpassingen. Wallonië loopt achter op Vlaanderen, waar fusies al plaatsvonden, wat de urgentie voor wettelijke aanpassing onderstreept.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, in het regeerakkoord staat een zin die eerder administratief lijkt, maar toch belangrijk is voor de stads- en gemeentebesturen, met name dat de deelstaten de mogelijkheid krijgen om het bestuurlijk landschap te vereenvoudigen door een aanpassing van de wetgeving betreffende de OCMW's. Een tijd geleden heeft Vlaanderen beslist om steden en gemeenten toe te laten om OCMW's en de stad of de gemeente te fusioneren. Artikel 2 van de OCMW-wet is evenwel nog steeds van kracht en stelt uitdrukkelijk dat het OCMW beschikt over een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid. Het gevolg is dat activa behorend tot de OCMW's op dit ogenblik nog niet tot de steden en de gemeenten toebehoren. Soms leidt dat tot interessante lokale politieke discussies, of tot opbrengsten, aangezien verkopen door het OCMW kunnen worden aangewend voor stedelijke doeleinden. Bepaalde partijen interpreteren dat alsof activa die eigendom zijn van het OCMW, alleen kunnen worden gebruikt voor OCMW-doeleinden.
In het regeerakkoord staat dus dat de regering die wet zou willen aanpassen, maar de bepaling van artikel 2 van die wet ligt ook vast in de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Om een volledige integratie van OCMW's en gemeenten mogelijk te maken, is dus een wijziging van die wet nodig en dat moet op federaal niveau gebeuren, meer bepaald door u, mevrouw de minister. In bepaalde gevallen, met name waar de wijzigingen aan de grondwettelijke bevoegdheidsverdeling raken, zal daarvoor een tweederdemeerderheid nodig zijn.
Mevrouw de minister, gaat u akkoord met mijn bewering dat voor bepaalde wijzigingen een tweederdemeerderheid nodig zal zijn? Hoe denkt u aan die tweederdemeerderheid te geraken? Ik wil alvast duidelijk maken dat wij bereid zijn om die tweederdemeerderheid te leveren, zonder verpinken, maar ik kijk eerst uit naar uw antwoord.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Quickenborne, u gaf een lange inleiding gevolgd door twee korte vragen.
Omwille van de faciliteitengemeenten zou er inderdaad een bijzondere meerderheid nodig zijn. Die regeling is opgenomen in de pacificatiewet. We zullen het nu verder onderzoeken en bekijken. Het betreft een institutionele hervorming. Het is belangrijk om die hervorming goed voor te bereiden, in samenwerking met de deelstaten. We hebben alvast goed genoteerd dat uw fractie bereid zou zijn om daaraan mee te werken.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, u bevestigt dat er wel degelijk een tweederdemeerderheid nodig is. Het staat in het regeerakkoord ook vermeld onder het institutionele hoofdstuk. Zeker in Vlaanderen is men daarvoor vragende partij. Ik vermoed dat in Wallonië de fusieoefening tussen stad en OCMW nog niet is gebeurd. In Vlaanderen is dat natuurlijk wel al het geval. Het zou dus inderdaad goed zijn mocht de federale wetgeving zo worden georganiseerd dat die volledige fusie mogelijk wordt gemaakt. Nogmaals, wij zijn bereid daartoe de nodige stemmen te leveren.
De hervorming v.h. OCMW-beleid (minder papierlast, efficiënter maatwerk, minder politieke inmenging)
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Professor Marjolijn De Wilde (KU Leuven) signaleerde drie structurele OCMW-problemen: overbelaste maatschappelijk werkers door te veel dossiers, een onhoudbaar maatwerksysteem voor leefloon (176.000 begunstigden vs. oorspronkelijk kleine doelgroep), en politieke inmenging in individuele dossiers. Minister Van Bossuyt belooft administratieve vereenvoudiging (digitale verwerking, Only Once-wet) en uitbreiding van GPMI-begeleiding, maar verdedigt politieke vertegenwoordiging in BCSD’s als democratische legitimatie—al pleit ze wel voor betere expertise. Van Quickenborne dringt aan op een 50/50-mix van politici en onafhankelijke experts (naar model Grondwettelijk Hof) en kritiseert gebrek aan digitalisering en cliëntelisme in lokale OCMW’s. Huisbezoeken blijven verplicht bij dossieropening, maar jaarlijks volstaat.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, u weet dat wij hoorzittingen hebben georganiseerd naar aanleiding van de gebeurtenissen in het OCMW van Anderlecht. Mevrouw Marjolijn De Wilde was een van onze gasten. Mevrouw Marjolijn De Wilde is professor aan de KU Leuven. Naar mijn persoonlijke mening was dat een heel interessante dame, die een uiteenzetting kwam geven over het OCMW-beleid, niet alleen over de problematiek van Anderlecht maar ook over een bredere kijk op de dossiers.
Zij kaartte drie fundamentele problemen aan waarmee OCMW’s worden geconfronteerd, ten eerste de overbelasting van maatschappelijk werkers, een fenomeen dat niet alleen in Anderlecht opduikt maar op vele plaatsen. Er is ten tweede wat zij de onhoudbaarheid van het maatwerksysteem voor het leefloon noemt. Er is ten derde de politieke inmenging in individuele dossiers.
Ik heb voor u een vijftal vragen.
Ten eerste, de hoge werkdruk bij maatschappelijk werkers is er volgens mevrouw De Wilde omdat maatschappelijk werkers te veel dossiers moeten behandelen en vaak enkel brandjes moeten blussen. Voor trajectbegeleiding is er nauwelijks tijd. Hoe wilt u ervoor zorgen dat de maatschappelijk werkers zich vooral met begeleiding kunnen bezighouden en minder met de administratieve afhandeling?
Ten tweede, over het maatwerksysteem gaf ze in een interessante beschouwing mee dat het huidige leefloonstelsel oorspronkelijk voor een kleine groep mensen was bedoeld. Toen het stelsel decennia geleden werd ingevoerd, ging het over een kleine groep mensen. Vandaag gaat het echter over ongeveer 176.000 mensen die een leefloon genieten. Het kunnen er ook meer zijn. Volgens haar is een aanpak op maat daardoor onhoudbaar geworden. Zij pleit dan ook voor meer administratieve verwerking van dossiers, teneinde tijd vrij te maken voor de moeilijkste gevallen. Steunt u dat voorstel? Hoe zou u dat willen aanpakken?
Ten derde, er was ook een heel interessant debat over de mogelijke politieke inmenging in socialesteundossiers. U weet dat het bijzonder comité voor de sociale dienst is samengesteld door politici. Zij stelde voor dat af te schaffen en een ander systeem in te voeren. Nederland werkt blijkbaar met een systeem met ambtenaren. Ik moet echter bekennen dat die vraag veeleer een vraag voor de deelstaten is en niet voor u, maar misschien hebt u daarover een beschouwing. Ik zie u twijfelen. Dat wordt dus interessant.
Ten vierde, mevrouw De Wilde pleit ook voor enige vereenvoudiging. Bijvoorbeeld, een dossier voor een aanvullend leefloon moet vandaag verplicht maandelijks worden voorgelegd aan het bijzonder comité. Zij geeft aan dat mocht worden bepaald dat in dergelijke dossiers een princiepsbeslissing zou kunnen worden genomen en dat de inkomsten na een bepaalde tijd zouden worden verrekend, dit een pak minder rompslomp zou betekenen. Wat is uw mening daarover?
Ten slotte, mevrouw De Wilde pleit ook voor minder huisbezoeken. Ze zegt dat een huisbezoek niet meer verplicht zou worden voorgeschreven voorafgaand aan de beslissing over de aanvraag, maar enkel afhankelijk wordt van de inschatting van de maatschappelijk werker. Uiteraard zou een jaarlijks huisbezoek nog steeds verplicht zijn. Wat vindt u van dit voorstel?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Quickenborne, het klopt dat de werkdruk voor maatschappelijk werkers hoog is. We hebben het daarover al gehad bij het begin van deze vergadering. Situaties zoals bij het OCMW van Anderlecht, waar maatschappelijk werkers soms elk 200 dossiers behandelen, zijn niet houdbaar. Door de administratieve vereenvoudiging verder te zetten, wil ik ervoor zorgen dat er kostbare tijd wordt gewonnen, die dan kan worden gebruikt voor de begeleiding van de begunstigden van het OCMW.
Ik zal bijzondere aandacht hebben voor de maatschappelijk werkers en in overleg gaan met de deelstaten wat betreft de diplomavoorwaarden voor hen. Dat zal ook gepaard gaan met een betere toegang tot gegevens die noodzakelijk zijn voor het sociaal onderzoek. Het is immers noodzakelijk dat de OCMW's toegang hebben tot de verschillende gegevens, meer bepaald in het kader van de Only Once-wet.
Wat betreft de hervorming van het maatwerksysteem, begeleiding op maat is essentieel. Zo vind ik het geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie (GPMI), dat een persoonlijk begeleidingstraject is, een goed instrument. Het moet OCMW-gerechtigden activeren, hen helpen volwaardig deel te nemen aan de samenleving en hen begeleiden naar werk. Daarom zal ik het GPMI dan ook uitbreiden naar alle begunstigden die een leefloon of een equivalent ontvangen, met uitzondering van degenen die niet kunnen werken om billijkheids- of gezondheidsredenen.
Ik begrijp dat er vragen rijzen over de rol van lokale politici in individuele steundossiers, zeker gezien de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht, waar er sprake is van cliëntelisme. Nogmaals, dat is onaanvaardbaar. Natuurlijk roept deze situatie vragen op over de politieke vertegenwoordiging in het BCSD, maar laten we het kind niet met het badwater weggooien. Er zetelen ook heel wat competente en alerte mensen in die bijzondere comités, ongetwijfeld ook van uw partij.
Het zou niet correct zijn om hen over dezelfde kam te scheren.
Die politieke vertegenwoordiging zorgt er eveneens voor dat de lokale gemeenschap via haar politieke vertegenwoordigers betrokken blijft bij de sociale hulpverlening. Hierdoor wordt vermeden dat de sociale steun verder gebureaucratiseerd wordt, terwijl er tegelijk toch een democratische legitimatie blijft bestaan.
Ik pleit ook voor administratieve vereenvoudiging. Die brengt ook een snellere digitale verwerking met zich mee, maar begeleiding op maat blijft essentieel.
U had ook een vraag over huisbezoeken. Het huisbezoek maakt deel uit van het sociaal onderzoek. Het is een essentieel element om een inschatting te kunnen maken van de behoeftigheid van de hulpaanvrager. Via een huisbezoek kan het OCMW een totaalbeeld krijgen van de situatie van de hulpaanvrager en zijn verklaring toetsen aan de realiteit, teneinde te kunnen beslissen over de meest geschikte maatschappelijke dienstverlening.
Het huisbezoek wordt uitgevoerd bij de opening van het sociaal dossier en daarna telkens wanneer het OCMW dat nodig acht, maar ten minste eenmaal per jaar.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.
Het is wel opvallend dat men in vele OCMW's vandaag heel moeilijk een antwoord krijgt als men als lid van het bijzonder comité voor de sociale dienst vragen stelt, bijvoorbeeld over statistieken. Dat is natuurlijk een lokale verantwoordelijkheid, maar ik wil erop wijzen dat er in veel OCMW's voor dossiers en dossierbehandeling nog altijd maar weinig gedigitaliseerd is. Als men vandaag wil weten hoe de zaken evolueren, is men vaak aangewezen op handmatige tellingen. Dat heb ik vernomen van onze leden van het bijzonder comité. De voormalige voorzitter van het OCMW van Kortrijk, de heer De Coene van Vooruit, zal dat ook kunnen bevestigen.
Wat betreft de politieke vertegenwoordiging, zegt u dat we het kind niet met het badwater mogen weggooien, maar het is toch opvallend dat vandaag bijna uitsluitend politici zetelen in het bijzonder comité voor de sociale dienst.
Ik heb in 2018 voor mijn partij iemand afgevaardigd die geen politicus was, een professor bestuursrecht uit Gent. Hij heeft op basis van zijn ervaringen in het bijzonder comité trouwens een aantal interessante artikels geschreven in het tijdschrift Lokaal .
Ik denk dat een goede mix van politici en niet-politici, van politici en experts op het vlak van maatschappelijke integratie en armoedebestrijding, veel beter zou zijn dan de nu vaak voorkomende samenstelling van – excusez le mot – gebuisde politici die net niet verkozen zijn in de gemeenteraad en die dan een plaatsje krijgen in die bijzondere comités. Ik wil ze natuurlijk niet allemaal over dezelfde kam scheren, maar het zou goed zijn als u samen met de collega’s voor de deelstaten voor een goede mix zou pleiten, opdat de expertise in die bijzondere comités toeneemt. Dat zal de leefloners zeker ten goede komen.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Quickenborne, ik vermoed dat uw interpretatie van het begrip politicus beperkt is. U bedoelt met politici waarschijnlijk mensen die zowel in de gemeenteraad als in het BCSD zitten. Dat hoeft echter niet zo te zijn.
In Gent heeft de N-VA bijvoorbeeld ook geen gemeenteraadsleden in het BCSD. Namens de N-VA zetelen er een persoon die twee hotels heeft in Gent en iemand die in de sociale sector werkt. Dat wordt mijns inziens dus al zeer vaak op die manier gedaan.
Vincent Van Quickenborne:
Politici zijn voor mij mensen die weliswaar aan de gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen, maar die niet verkozen zijn. Politici zijn voor mij een breder begrip dan enkel gemeenteraadsleden. Ik spreek dus over mensen die niet aan een politieke partij verbonden zijn, maar die over een bepaalde expertise beschikken. Dat kan dan bijvoorbeeld iemand met veel kennis van armoede en armoedebestrijding zijn. Men zou bijvoorbeeld de helft van de leden van zulk bijzonder comité uit experts kunnen laten bestaan, naar analogie van het Grondwettelijk Hof, waar de ene helft van het Hof uit voormalige politici bestaat en de andere helft uit mensen met een juridische achtergrond. Door een verdeling in een helft politici en een helft experts vergroot men het draagvlak. Het is vergelijkbaar met onafhankelijke bestuurders in een raad van bestuur. Die onafhankelijke bestuurders zijn vaak interessanter dan de bestuurders zelf. Dat zou volgens mij het debat in een bijzonder comité veel interessanter maken dan nu het geval is. Het is maar een suggestie. Piet Van Schuylenbergh en mevrouw De Wilde hebben die suggestie ook gedaan.
De voorstellen van de VVSG voor een betere OCMW-werking
De voorschotregelingen
Verbeterde OCMW-werking en voorschotregelingen
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
OCMW’s behandelen 25% voorschotten op vertraagde werkloosheids- en ziekte-uitkeringen (lokaal tot 35%), wat hun kerntaak als *laatste vangnet* ondermijnt en de werkdruk verhoogt. Minister Van Bossuyt belooft strengere controles (systematische audits, sancties, bonus-malussysteem) en onderzoekt werkdrukverlichting voor maatschappelijk werkers, maar erkent dat de wettelijke termijnen voor uitkeringen (RVA, ziekteverzekering) de echte oplossing zijn—daarvoor moet ze samenwerken met Vandenbroucke (Sociale Zaken) en Clarinval (Werk). Lanjri en Van Quickenborne dringen aan op structurele hervorming: uitkeringsinstanties moeten verplichte beslissingstermijnen krijgen (zoals OCMW’s nu hebben) om voorschotten overbodig te maken en fraude/vertragingen bij de bron aan te pakken.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, mevrouw Marjolijn De Wilde en de heer Piet Van Schuylenbergh van de VVSG – een heel boeiende man, die onlangs in het tijdschrift Lokaal een opiniestuk over het OCMW van Anderlecht heeft geschreven dat u zeker eens moet lezen – zijn voor onze commissie verschenen.
De heer Van Schuylenbergh had een aantal interessante opmerkingen over de werking van onze OCMW's. Hij zei iets zeer frappants. U weet dat OCMW's verplicht zijn om binnen de maand een beslissing te nemen, maar gemiddeld 23 % van de dossiers van OCMW's betreffen voorschotten op werkloosheidsuitkeringen en ziekte-uitkeringen. Dat betekent dat 75 % van de OCMW-dossiers echte OCMW-dossiers zijn en afgerond 25 % van de dossiers voorschotten betreffen, omdat de werkloosheids- en ziekte-uitkeringen te lang op zich laten wachten. Hij zei dat het beter zou zijn dat die instanties zelf voorschotten zouden uitkeren in plaats van daarvoor een beroep te doen op het OCMW.
Wat vindt u van dat voorstel, mevrouw de minister? Vandaag moet het OCMW – de lokale overheid en de maatschappelijk werkers – immers in een kwart van de dossiers handelingen stellen die eigenlijk de verantwoordelijkheid zijn van de werkloosheids- of ziekte-uitkering. Ik vond dat zeer frappant en ben zeer benieuwd of u bereid bent om dat, samen met uw collega-ministers, aan te passen.
De heer Van Schuylenbergh zei ook dat er een gebrek is aan systematische controle op de werking van de OCMW's en dat fraude enkel via sporadische audits wordt opgespoord. Bent u bereid een strikter controlesysteem uit te werken om systematisch na te gaan of OCMW’s de wetgeving correct naleven?
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, mensen kloppen steeds vaker aan bij het OCMW omdat de uitbetaling van hun werkloosheidsuitkering of hun ziekte-uitkering te lang op zich laat wachten. Als oplossing geven OCMW’s dan een voorschot via het leefloon. Volgens de VVSG is inderdaad meer dan een op de vijf leefloondossiers een steunaanvraag in afwachting van een werkloosheidsuitkering – die via de vakbond, mutualiteit of Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen werd aangevraagd – of een voorschot op een ziekte-uitkering. Meestal moeten OCMW's dat voorschot gedurende maanden uitbetalen. De percentages verschillen wat. Er zijn zelfs OCMW's waar dat nog hoger ligt. In Balen gaat het bijvoorbeeld over 35 % van de dossiers.
Dat is problematisch, want mensen die jarenlang aan de sociale zekerheid hebben bijgedragen en die met pech worden geconfronteerd, bijvoorbeeld ziekte of werkloosheid, kunnen dan niet terugvallen op de uitkering waarop ze recht hebben en moeten bijna gaan bedelen bij het OCMW. Dat geeft hun het gevoel dat ze nergens terechtkunnen en dat de overheid niet goed functioneert. Die instanties zijn immers uiteindelijk wel het gezicht van onze samenleving.
Burgers geven ook aan dat het gebrek aan toegankelijkheid van bepaalde diensten een probleem vormt. Men komt vaak terecht op een onlineklantendienst waar men nummertjes moet intoetsen, maar dat is niet hetzelfde als een echte persoon aan een loket. Ook dat is vaak een probleem en daarom is het goed dat in het regeerakkoord staat dat de fysieke dienstverlening gegarandeerd moet worden.
Mevrouw de minister, op deze manier zien we dus dat de OCMW's steeds meer de toegangspoort tot de sociale zekerheid worden in plaats van een laatste vangnet, hun initiële doel. Daar moet absoluut iets aan gedaan worden, temeer omdat door de hervorming van de werkloosheidsuitkering binnenkort nog veel meer mensen bij het OCMW zullen aankloppen.
Hebt u al overleg gepleegd met minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke over die voorschotbetalingen? Het zou immers geregeld moeten worden bij de ziekte-uitkering en bij de RVA-uitkeringen. Zijn de drempels daarvoor in kaart gebracht? Hebt u enig idee in welke mate voorschotten op een ziekte-uitkering of een werkloosheidsuitkering al dan niet worden terugbetaald aan het OCMW? Steeds vaker ziet men dat bepaalde OCMW’s geen leefloon meer geven, maar meteen financiële steun. Aan de klant die dan voor hen zit, wordt gevraagd om een soort van afbetalingsplan aan te gaan. Die klant moet die steun terugbetalen, terwijl dat eigenlijk niet de bedoeling is.
Volgens de VVSG kan men de situatie enkel structureel aanpakken door ervoor te zorgen dat men die vorm van instroom niet heeft en dat het OCMW opnieuw wordt herleid tot dat waarvoor het echt is bedoeld, met name als allerlaatste vangnet voor mensen die geen recht hebben op een werkloosheidsuitkering of op een ziekte-uitkering.
Welke structurele maatregelen wilt u samen met uw collega Vandenbroucke nemen om dat probleem aan te pakken?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Lanjri, mijnheer Van Quickenborne, wat het transparante controlemechanisme op de werking van de OCMW's betreft, heeft de POD Maatschappelijke Integratie 387 audits en 175 opvolgaudits uitgevoerd in de OCMW's. De administratie werkt momenteel aan een verdere verfijning van haar methodologie om de opvolging van de audits te verzekeren en de interne procedures binnen de OCMW's te verbeteren. Daarnaast worden er contacten gelegd met andere instanties, waaronder Audit Vlaanderen, om de mogelijkheden van complementariteit tussen de verschillende bestuursniveaus te onderzoeken. Dat werk is aan de gang en zal verder worden versterkt.
Zoals ik eerder in deze commissie zei, in antwoord op de vragen van de heer Raskin en mevrouw Samyn, biedt het juridische kader vandaag geen mogelijkheid om een OCMW te sanctioneren als dat herhaaldelijk niet voldoet aan de wettelijke bepalingen of geen goed financieel beheer voert. Op basis van de wettelijke bepalingen zijn de bevoegdheden van de administratie dus beperkt. Daarom zal ik in samenwerking met de administratie en de betrokken diensten de mogelijkheid onderzoeken om de controles te versterken, zoals dat ook opgenomen is in het regeerakkoord. Nogmaals, er wordt een strenger controle- en sanctiekader uitgewerkt. Daarbij zal de POD Maatschappelijke Integratie stapsgewijs en systematisch meer controles uitvoeren met een grotere steekproef en krijgt hij meer sanctiemogelijkheden.
Vervolgens wil ik het hebben over de bescherming tegen politieke inmenging. De wantoestanden die aan het licht zijn gekomen bij het OCMW van Anderlecht zijn schrijnend. Het cliëntelisme dat aan de dag wordt gelegd, is onaanvaardbaar en doet ook afbreuk aan de vele OCMW's die wel correct werken en goede resultaten boeken. Het is ook mede daarom dat ik een bonus-malussysteem voor de OCMW's invoer, alsook een strenger controle- en sanctiekader, waar ik al enkele keren naar heb verwezen.
Bij vermoeden van misbruik kan een OCMW onderworpen worden aan een audit, die bij ernstige tekortkomingen kan leiden tot een tijdelijke ondercuratelestelling. Het wettelijk kader is ook duidelijk. Zowel bij sociale bijstand als bij het leefloon moet een toekenningsbeslissing voorafgegaan worden door een sociaal onderzoek, uitgevoerd door een maatschappelijk werker. Dat onderzoek moet resulteren in een precieze diagnose van de behoeften en een voorstel van beslissing.
Op basis daarvan neemt het bevoegde orgaan een beslissing die zowel juridisch als feitelijk gemotiveerd moet worden op basis van die diagnose.
De VVSG heeft inderdaad ook aan de alarmbel getrokken in verband met het leefloon als voorschot op de uitkering. Momenteel zou meer dan een op de vijf leefloondossiers een voorschot op een werkloosheidsuitkering of een ziektevergoeding betreffen, terwijl dat eigenlijk niet onder de verantwoordelijkheid van de OCMW’s valt, zoals u ook hebt vermeld. Ik deel oprecht uw bezorgdheid dat hierdoor de druk op de OCMW’s groter wordt en dat maatschappelijk werkers kostbare tijd verliezen om te focussen op de begeleiding van hun cliënten.
Ik zal dat dossier met mijn administratie nader bekijken in het kader van de verlichting van de werklast van de maatschappelijk werkers. Momenteel loopt er daarnaast ook een studie binnen BELSPO in opdracht van de POD MI over de werkdruk van maatschappelijk werkers. Die studie heeft tot doel pragmatische oplossingen te vinden met het oog op de verlichting van de administratieve lasten en op de realisatie van efficiëntiewinsten.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, we kaarten die situatie aan omdat die ons na aan het hart ligt. Het kan niet dat mensen die jarenlang hebben gewerkt en bijgedragen en dan een tegenslag meemaken en ziek worden, niet worden geholpen als zij aankloppen voor een ziekte-uitkering of een werkloosheidsuitkering waarop ze recht hebben. Daar knelt het schoentje. Ze worden niet geholpen of toch niet snel genoeg, waardoor ze in financiële problemen belanden en bij het OCMW moeten aankloppen.
Die situatie zal niet verholpen worden door enkel de werkdruk van de maatschappelijk werkers bij het OCMW aan te pakken, hoewel dat nodig is. Dan zou men immers aangeven dat zoveel voorschotten toekennen oké is. Ik vind dat niet oké.
Dat moet in een ultiem geval kunnen, maar niet in een op de vijf dossiers. Dat is nooit de bedoeling geweest van de leeflonen van het OCMW. Het probleem moet dus ook worden aangepakt waar het zit, bij de uitkeringen voor ziekte en bij de uitkeringen voor werkloosheid.
Ik vraag u ook om er bij uw collega-minister Frank Vandenbroucke op aan te dringen om samen een oplossing te zoeken, zodat mensen niet naar het OCMW moeten gaan. Mensen gaan immers het liefst niet naar het OCMW. Ze willen gewoon datgene krijgen waarop ze recht hebben. Ze hebben jarenlang gewerkt. Dan zijn ze een tijd ziek. Waarom moeten ze dan naar het OCMW? Daarvoor bestaat de ziekte-uitkering en die moet dus beter functioneren. Los het dus alstublieft samen met uw collega op. Ik hoop dat we dat binnenkort nog verder kunnen bespreken.
Vincent Van Quickenborne:
In uw antwoord in verband met de inspecties verwijst u naar Audit Vlaanderen. Ik kan getuigen dat Audit Vlaanderen een zeer goede organisatie is, die helaas alleen in Vlaanderen actief is. Ze is ook bij ons in de stad actief, weliswaar niet voor het OCMW, maar voor andere dossiers. Een goede samenwerking tussen Audit Vlaanderen en de POD MI is dus ook voor OCMW's en controles op OCMW's een zeer aan te raden piste. Ik wens u daar veel succes mee. In verband met het probleem dat we aangekaart hebben, waarnaar mevrouw Lanjri ook verwijst, ben ik iets positiever dan mevrouw Lanjri. Ik hoor uw bereidheid om daar zeker iets aan te doen en ik denk dat er inderdaad een structurele oplossing kan bestaan: doen wat vandaag OCMW's moeten doen. Vandaag zijn OCMW's verplicht om binnen de maand een beslissing te nemen. Mocht er voor die andere instanties, namelijk de werkloosheid en ziekte-uitkering, ook een vaste termijn zijn om beslissingen te nemen, dan kunnen we daar uit raken. Wat er met andere woorden van u wordt verwacht, is dat u in overleg gaat met de heer Vandenbroucke voor de ziekte-uitkering en met de heer Clarinval voor de werkloosheidsuitkering en dat u met hen een structurele oplossing uitwerkt, waardoor die dossiers blijven bij die instanties die ze veroorzaken. Als u dat doet, dan zult u in één klap de werkdruk van alle maatschappelijk werkers verlichten. De cijfers zijn spectaculair, namelijk meer dan een op de vijf dossiers. Als u dat doet, zult u waarschijnlijk de geschiedenis ingaan als de minister die voor de OCMW’s het meest heeft gedaan. Ik wens u veel succes met die opdracht. Uiteraard zullen wij binnenkort nog eens op de zaak terugkomen. Als ik dat zeg, dan volgen wij dat op.
De impact op de OCMW's van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen en het armoederisico
De OCMW's
De uitdagingen voor OCMW's door werkloosheidsbeperkingen en armoede
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt verdedigt de tijdsbeperking van werkloosheidsuitkeringen (na 2 jaar voor <55-jarigen) als noodzakelijk om werk aantrekkelijker te maken, wijzend op studies waar 54% na beperking een job vond (vs. 24% voorheen), terwijl slechts 13% naar leefloon stroomde. Critici (Tonniau, Schlitz) waarschuwen voor massale armoedestijging, OCMW-overbelasting (tot 90.000 extra leefloontrekkers volgens ABVV) en falende begeleiding, vooral voor kwetsbare groepen, en pleiten voor grondige armoedetoetsen en betere trajectbegeleiding in plaats van sancties. De minister belooft compensatie voor OCMW’s vanaf 2027 (afhankelijk van instroom/uitstroom naar werk), maar concrete maatregelen ontbreken nog, terwijl OCMW’s vrezen voor onhaalbare reïntegratiedoelstellingen zonder extra middelen of expertise. Schlitz benadrukt dat armoedebestrijding vraagt om vertrouwen, vorming en materiële zekerheid—niet om dwang—terwijl Van Bossuyt blijft hameren op *"werk als beste armoedebestrijding"*.
Robin Tonniau:
Mevrouw de minister, het beperken van de werkloosheidsuitkering in de tijd loopt een beetje als een rode draad door deze vragensessie.
Eigenlijk weten we al uit wetenschappelijk onderzoek, internationale studies, maar ook vergelijkingen binnen Europa, dat die maatregel allesbehalve doeltreffend is. Ze is puur ideologisch. Stampen we naar beneden of stampen we naar boven? U hebt ervoor gekozen om naar beneden te stampen. De beperking van die uitkeringen in de tijd zal de armoede en de werkdruk en de lasten bij de OCMW's verhogen. Dat weten we nu al zeker en ik ben daarover zeer bezorgd.
De helft van de Belgische werkzoekenden met een uitkering moet vandaag al rondkomen met een inkomen onder de armoedegrens. Uit eerdere beleidsmaatregelen, zoals de beperking in de tijd van de inschakelingsuitkering, blijkt bovendien dat werkzoekenden hierdoor vaak doorstromen naar andere bijstandsstelsels met een nog lagere uitkering of zelfs volledig uit de sociale bescherming verdwijnen. Volgens een studie van de RVA was dat effect duidelijk zichtbaar.
Hebt u een raming van het aantal personen dat als gevolg van deze beperkingen in de tijd een beroep zal moeten doen op het OCMW? Het ABVV berekende alvast dat een dergelijke maatregel de instroom naar het leefloon kan doen stijgen met maar liefst 90.000 extra personen voor heel België. Kunt u deze cijfers of tenminste de grootteorde ervan bevestigen?
Beschikt u over gegevens of onderzoek waarmee u kunt inschatten wat de impact hiervan zal zijn op het inkomen en bijgevolg het armoederisico van de betrokken werkzoekenden? Voor velen zal deze kille beperking in de tijd immers niet zomaar een job opleveren. Zou het daarom niet aangewezen zijn om een grondige armoedetoets uit te voeren met wetenschappelijke onderbouwing en inspraak van verenigingen waar armen het woord nemen? Welke maatregelen voorziet u om de OCMW's te ondersteunen bij de onverwachte toename van aanvragen? Worden er extra financiële middelen voorzien? Zo ja, op basis van welke criteria worden die dan berekend?
Er komt een specifieke ondersteuning voor de begeleiding van personen die na twee jaar werkloosheid extra hulp nodig hebben om opnieuw toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt. Zeker kleinere OCMW’s beschikken vaak niet over de nodige budgetten, expertise of personeelscapaciteit om daarin voldoende te voorzien.
Ten slotte wil ik ook nog uw mening vragen over het voorstel van uw N-VA-collega Axel Ronse, die werkweigeraars nog sneller wil kunnen uitsluiten van OCMW's. Hoe staat u daartegenover?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, les estimations de Brulocalis sont sans appel: la limitation des allocations de chômage après deux ans pour les travailleurs de moins de 55 ans pourrait provoquer un afflux massif vers les CPAS bruxellois avec une augmentation de 27 000 bénéficiaires du revenu d'intégration sociale (RIS). Ce report va entraîner des coûts supplémentaires qui sont estimés à près de 100 millions d'euros par an pour les CPAS, et c'est sans compter les coûts et les besoins en personnel supplémentaire pour gérer cette explosion des demandes. Or, à ce stade, aucune garantie de compensation budgétaire n'a été clairement annoncée.
De plus, le financement des CPAS, selon l'accord de majorité Arizona, sera conditionné à un plan de retour à l'emploi marquant un changement profond de logique. Les CPAS qui sont traditionnellement liés à une obligation de moyens, devront désormais atteindre des résultats en matière de réintégration socioprofessionnelle. Pourtant, la Région bruxelloise compte une part importante de demandeurs d'emploi de longue durée, dont beaucoup sont éloignés du marché du travail depuis plus de cinq ans. Ce nouveau cadre risque donc de fragiliser encore davantage ce public, tout en mettant sous pression les CPAS, contraints d'assurer un double rôle d'accompagnement social d'une part, et de se faire un nouveau métier de l'insertion socioprofessionnelle, d'autre part.
Alors, madame la ministre, quelles garanties pouvez-vous donner quant au financement structurel des CPAS afin qu'ils puissent faire face à cette hausse des demandes d'aide sociale? Quelles mesures seront mises en place pour leur permettre de remplir leur nouvelle mission d'insertion socioprofessionnelle alors même que ce rôle dépasse largement leur cadre actuel de compétences? Enfin, comment le gouvernement entend-il assurer une concertation avec les CPAS et les pouvoirs locaux afin d'anticiper l'impact de cette réforme et d'éviter un engorgement du dispositif d'aide sociale? Comment allez-vous concrètement mettre en place ce soutien aux CPAS? Comptez-vous externaliser la gestion des dossiers ou bien va-t-on renforcer les équipes? Va-t-on pousser les murs dans les CPAS pour installer le nouveau personnel dans ces locaux? Voilà, c'est vraiment très compliqué de se projeter dans ce changement de paradigme. Pouvez-vous nous éclairer sur la façon dont cela va se dérouler?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Schlitz, mijnheer Tonniau, België is het enige land ter wereld waar een werkloosheidsuitkering onbeperkt in de tijd bestaat. Ik ben heel blij dat wij met deze regering daaraan eindelijk een einde zullen maken.
Mijnheer Tonniau, u verwijst naar de beperking van de inschakelingsuitkering in de tijd en naar de studie van de RVA die daaromtrent werd gevoerd. U haalt er een bepaald stukje uit, maar uit diezelfde studie blijkt dat de beperking in de tijd van die inschakelingsuitkering tot gevolg had dat 54 % doorstroomde naar werk. U weet evengoed als ik dat een job hebben de beste garantie is tegen armoede. Het is dus meer dan dubbel zoveel als voor de beperking in de tijd, meer dan dubbel zoveel mensen waren aan het werk als voor de beperking in de tijd. Toen stroomde slechts 24 % door naar werk. Slechts 13 % stroomt door naar het leefloon en in Vlaanderen is dat zelfs slechts 3 %. Het is dus een goede maatregel.
Uit eerdere studies blijkt – de heer Van Quickenborne verwees er daarnet naar – dat een derde een beroep zou moeten doen op het OCMW, dat een derde geen recht heeft op leefloon en dat een derde richting werk gaat. Dat zijn natuurlijk ramingen, we zullen moeten zien in de praktijk hoe het zal uitdraaien.
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd op een extra instroom van leefloongerechtigden wordt voor de OCMW's gecompenseerd vanaf 2027 via een verhoging van de financiering van het leefloon vanuit de federale overheid. De bedragen zullen evenwel afhankelijk zijn van het afsluiten van een GPMI, van de reële instroom en van de mate van uitstroom naar een duurzame tewerkstelling. Ze zullen dan ook in functie daarvan worden aangepast. Hiertoe werden echter nog geen concrete maatregelen en werkwijze uitgewerkt. Het spreekt voor zich dat we daarmee bezig zijn.
Les modalités concrètes doivent encore être élaborées, madame Schlitz. Je vais en discuter avec les CPAS et avec les autorités locales.
Aujourd'hui, nous constatons qu’il est encore souvent peu attrayant de travailler. Notre priorité est de faire en sorte que le travail soit toujours plus attrayant que l’absence de travail. C’est dans cette optique que cette mesure a été proposée.
Mijnheer Tonniau, u vraagt naar mijn mening over het voorstel om werkweigeraars te kunnen uitsluiten. Ik wil erop wijzen dat de werkbereidheid vandaag een van de zes cumulatieve voorwaarden is om recht op een leefloon te hebben, tenzij gezondheids- of billijkheidsredenen dat verhinderen. Wat het recht op maatschappelijke integratie betreft, wordt de werkbereidheid van de betrokkene nagegaan aan de hand van het sociaal onderzoek.
Robin Tonniau:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.
We moeten niet per se de werklozen aanpakken, maar wel de werkloosheid. De begeleiding naar werk is primordiaal.
We weten ook, als ik over Vlaanderen mag spreken, dat de werking van de VDAB veel beter kan. De VDAB moet evenwel besparen. Begeleidingstrajecten worden geprivatiseerd. Dat is een slechte zaak.
We zullen de werkloosheid niet oplossen door de uitkeringen na twee jaar te stoppen. Mensen komen dan bij een OCMW terecht en dan stopt de begeleiding naar werk. Mensen moeten al kenbaar maken dat ze werkbereid zijn vooraleer ze recht op een leefloon hebben.
Als we naar de individuele gevallen kijken, zien we vaak een grote sociale ongelijkheid qua opleiding of qua gezondheidstoestand. Soms zijn er verslavingen in het spel. Dat is een heel complex dossier waarmee de maatschappelijke werkers aan de slag moeten. Het is echt niet zo simpel om gewoon de dop af te nemen en hen te verplichten om aan het werk gaan. We zien in het buitenland dat dat niet leidt tot meer werkbereidheid. We moeten die mensen naar werk begeleiden, stap voor stap, met respect voor hen.
Sarah Schlitz:
Merci pour vos réponses, madame la ministre.
Franchement, nous dire que parce qu'on serait le dernier pays d'Europe, c'est une bonne mesure, cela a vraiment ses limites. Ce n'est pas parce que certains pays font des choses qu'on doit forcément faire la même chose et parfois, on peut être exemplaire sur des politiques sans que d'autres les fassent pour autant. Je trouve que c'est vraiment un argument qui n'en est pas un.
Par contre, ce qui est très problématique en Belgique, c'est l'explosion de la pauvreté. Les inégalités explosent: 1 % des plus riches possède désormais un quart des richesses ici en Belgique. C'est là qu'il faut aller chercher de l'argent. Aujourd'hui, il existe déjà un écart de 500 euros entre ceux qui travaillent et ceux qui ne travaillent pas. Par contre, pousser dans la grande précarité des individus, des parents, des enfants, ce sont des coûts cachés dont vous ne tenez pas compte aujourd'hui dans vos politiques. En effet, quand vous devez aider des personnes à retrouver un logement quand elles se trouvent dans la rue, il faut déployer beaucoup plus d'énergie que quand on doit soutenir une personne qui bénéficie d'une allocation. En fait, ce dont elles ont besoin, c'est qu'on leur donne confiance en elles, qu'on les accompagne, comme c'est le cas dans d'autres pays.
Si la politique comparée vous intéresse, je vous encourage à regarder ce qui se fait à l'étranger, notamment en matière de remise à l'emploi de personnes qui sont en totale perte de confiance en elles. Elles ont besoin qu'on croie en elles, qu'on leur redonne confiance, qu'on leur propose une formation pas trop loin de chez elles correspondant à leurs envies. Là, on va pouvoir reconstruire des choses. Mais ce n'est pas en continuant à sanctionner, en engorgeant les CPAS et en mettant une charge de travail immense sur le dos des travailleurs qui n'en peuvent déjà plus que nous allons réussir à résoudre le problème de la grande pauvreté en Belgique.
Anneleen Van Bossuyt:
Vous évoquez le risque de pauvreté. Les chiffres démontrent que le risque de pauvreté est de 32 % pour les gens qui ne travaillent pas et qu'il est de 5,5 % pour les gens qui travaillent. Je pense que les chiffres sont clairs. C'est pourquoi on veut aider les gens à travailler.
Sarah Schlitz:
En effet. Mais ce n'est pas en poussant les gens dans le retranchement, dans la grande précarité qu'on va les aider à travailler. Comment voulez-vous trouver un boulot quand vous n'avez pas de quoi vous acheter un vêtement convenable, quand vous n'avez pas un toit sur la tête, quand vous ne savez pas ce que vous allez manger à midi ou le soir ni comment vous allez faire pour nourrir vos enfants? Il faut donner des conditions matérielles convenables aux gens pour qu'ils puissent avoir confiance en eux et trouver du boulot. Ce n'est pas en les acculant qu'on va y arriver. Ce n'est pas en demandant aux CPAS, dont ce n'est pas le métier, de tout à coup se réinventer pour aider des personnes qu'on va y arriver. L'insertion socioprofessionnelle n'a jamais été le métier des CPAS. Ils ne sont pas en capacité de le faire. Écoutez les travailleurs sociaux! On l'entend à longueur de journée en commission des Affaires sociales. On se trompe. Si vous voulez vraiment aider les personnes qui ne travaillent pas à retrouver un boulot, ce ne sont pas les bonnes solutions. La réunion publique de commission est levée à 16 h 13. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.13 uur.
De voor mindervalide personen niet waargemaakte minimale dienstverlening van de NMBS
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 20 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de uitgesloten minimale dienstverlening voor mensen met mobiliteitsbeperkingen tijdens de NMBS-staking, waarbij de NMBS assistentie weigert en honderden reizigers negen dagen zonder vervoer vallen. Minister Beenders erkent het probleem, belooft samen met collega Crucke en vakbonden een oplossing af te dwingen en benadrukt dat de minimale dienstverlening voor iedereen moet gelden, maar concrete maatregelen ontbreken nog. Fatima Lamarti (Vooruit) vindt de situatie onacceptabel en discriminerend, omdat basisverplaatsing een recht is en de NMBS deze groep negeert met een "kom over negen dagen terug"-houding. Een losstaand urgentieverzoek van Sofie Merckx (PTB) eist afschaffing van parlementaire vertrekvergoedingen als symbool van politieke zuinigheidsmaatregelen, maar wordt verworpen.
Fatima Lamarti:
Mijnheer de minister, we hebben het daarnet gehad over de stakingen bij de NMBS. Ik zal het nu hebben over een doelgroep die in de kou dreigt te blijven staan. Zich kunnen verplaatsen naar zijn werk en terug naar huis na een lange dag is geen luxe, het is een basis. Voor niet iedereen is dat echter evident. Vele mensen hebben hulp nodig van anderen om ergens te geraken, anders geraken ze er niet.
Vanaf morgen wordt er gestaakt. Dat is een recht. Dat moet men respecteren. Wat we echter ook respecteren in dit land is de minimale dienstverlening bij een staking. Niet iedereen heeft de luxe om voor negen dagen een taxi te boeken. Niet iedereen kan zich überhaupt zelfstandig verplaatsen per wagen.
De minimale dienstverlening moet gelden voor iedereen. Of men goed te been is, of hulp nodig heeft, zich verplaatsen is een basisrecht. De NMBS zegt nu tegen honderden mensen: niet voor u, verplaats u maar niet, blijf maar negen dagen aan de kant staan.
Voor Vooruit is dit onacceptabel. Met meer dan 130 aanvragen per dag is deze dienstverlening essentieel. Ze moet worden gegarandeerd. Mijnheer de minister, de wet is duidelijk. Het vervoer moet worden gegarandeerd. Als we solidair zijn met de stakers, moeten we ook solidair zijn met de mensen die nergens heen kunnen. Voor ons van Vooruit is het essentieel dat ook hun recht gegarandeerd wordt. Wat zult u daarvoor doen als minister van Gelijke Kansen?
Rob Beenders:
Collega Lamarti, de afgelopen dagen kwamen er verschillende reacties van mensen die assistentie nodig hebben bij het nemen van de trein. De NMBS antwoordde hen dat er tijdens de staking geen reservaties voor assistentie mogelijk zullen zijn. Dat heeft een grote impact op die mensen. Er is het grondrecht om te staken, maar daar bestaan een aantal uitzonderingsprincipes op. Daarom is er bij de NMBS de minimale dienstverlening. Het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat die minimale dienstverlening weer een uitzondering op zichzelf gaat realiseren, waardoor de grondrechten van andere mensen in het gedrang komen.
Wat ons betreft is het zeer duidelijk dat de minimale dienstverlening voor iedereen moet gelden, ook voor mensen die assistentie nodig hebben. Het feit dat die verhalen de voorbije dagen vrij talrijk naar buiten zijn gekomen, betekent dat dit een groot probleem is. Ik heb intussen de eerste contacten gelegd met mijn collega-minister Crucke, die bevoegd is voor Mobiliteit. Ik heb ook reeds samengezeten met de administratie.
We zullen effectief stappen moeten ondernemen met de NMBS om aan te geven dat de minimale dienstverlening voor iedereen geldt en niet voor een bepaalde groep. Dat lijkt me een kwestie van gezond verstand. We zullen dit de volgende dagen bovenaan de agenda plaatsen en we hopen op de korte termijn een oplossing te vinden. Ik reken ook op het gezond verstand van de vakbonden. We hebben de eerste contacten met hen gehad. Zij zullen ook inspanningen moeten doen om bij die minimale dienstverlening deze oproep te ondersteunen, opdat mensen die assistentie nodig hebben die ook effectief zullen krijgen.
Fatima Lamarti:
Negen dagen lang, negen dagen niet mee mogen doen, negen dagen voelen dat je er niet bij hoort. Een persbericht van de NMBS is snel geschreven, maar het leed dat het veroorzaakt wordt nu langzaam verwerkt. Wel of geen handicap, iedereen doet ertoe. Vooruit staat voor een samenleving waarin iedereen mee kan, waarin iedereen die zijn best doet, moet worden gezien en beloond. Deze mensen verdienen het ook om op hun bestemming te raken. Zij verdienen meer dan een simpel persbericht. "Kom over negen dagen maar weer terug." Niet voor ons. Goed dat u er werk van maakt, mijnheer de minister. Dank u.
Voorzitter:
Dank u wel, collega's. Dit is het einde van de mondelinge vragen.
In de laatst rondgedeelde agenda komt een lijst van voorstellen voor waarvan de inoverwegingneming is gevraagd.
Vous avez pris connaissance dans l'ordre du jour qui vous a été distribué de la liste des propositions dont la prise en considération est demandée.
Indien er geen bezwaar is, beschouw ik de inoverwegingneming van die voorstellen als aangenomen. Overeenkomstig het Reglement worden die voorstellen naar de bevoegde commissies verzonden.
S'il n'y a pas d'observations à ce sujet, je considère la prise en considération de ces propositions comme acquise. Je renvoie les propositions aux commissions compétentes conformément au Règlement.
Geen bezwaar? (Nee)
Aldus zal geschieden.
Pas d'observation? (Non)
Il en sera ainsi.
Urgentieverzoek
Demande d'urgence
Sofie Merckx:
Monsieur le président, nous demandons l'urgence pour la proposition de modification du Règlement de la Chambre des représentants en ce qui concerne la suppression de l'indemnité parlementaire de sortie et de départ, n° 712/1.
Nous savons tous à présent que ce gouvernement a décidé de mettre au régime la population dans son ensemble, de couper dans nos services publics si essentiels, de faire prester aux gens des heures supplémentaires sans qu'ils soient payés davantage, de les faire travailler plus longtemps sans sursalaire et avec une pension moindre. En revanche, ceux qui ne sont pas au régime, ce sont finalement les politiques. En effet, quel travailleur reçoit 125 000 euros d'indemnités après cinq ans de travail? Quel travailleur? Aucun! Mais les politiques vont continuer à se les octroyer. Donc, au lieu de mettre la population au régime, nous proposons de mettre les politiques au régime et de faire comme tout le monde. Fini les indemnités de sortie! Et si vous perdez votre emploi, vous n'avez qu'à aller au chômage!
Voorzitter:
Ik stel u voor om ons over deze vraag uit te spreken. Je vous propose de nous prononcer sur cette demande. De urgentie wordt verworpen bij zitten en opstaan. L'urgence est rejetée par assis et levé.
Gesteld aan
Karine Lalieux
op 16 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Funda Oru (Vooruit) kaart aan dat plots geschrapte subsidies voor mentale zorg bij kwetsbare jongeren in steden—ondanks eerdere investeringen in gratis psychologische hulp—een taboe versterken en preventie ondermijnen, terwijl minister Lalieux (PVDA) de blokkade door liberale collega’s in de ministerraad hekelt, ondanks beschikbare middelen en dringende OCMW-oplegingen. Lalieux hoopt op herstel onder een toekomstige regering, mede door steun van formateur De Wever, maar Oru benadrukt dat de dupe nu bij jongeren ligt en belooft blijvende socialistische strijd voor toegankelijke zorg, ook in nieuwe onderhandelingen.
Funda Oru:
Mevrouw de minister, ik ben blij dat u, gelet op de omstandigheden, min of meer in orde bent en dat u weer op post bent.
Collega’s, mentaal welzijn kan zwaar wegen, net als een fysieke blessure. In tegenstelling tot een fysieke blessure is mentaal lijden echter zeer vaak onzichtbaar, verborgen, en blijft het onder de radar. Dat neemt niet weg dat het dezelfde tijd, aandacht en zorg verdient als fysiek lijden. Daarom hebben we met deze regering, met Vooruit, ook immens veel geïnvesteerd in mentaal welzijn. Denk maar aan de gratis psychologische hulp voor jongeren en een minister van Volksgezondheid die keer op keer het belang van betaalbare mentale zorg benadrukt.
Maar wat als er toch een taboe heerst inzake psychologische hulp? Dat is vandaag helaas nog steeds het geval in onze grote steden bij heel wat kwetsbare jonge mensen. Formele zorg alleen volstaat dan niet en daarom is het erg belangrijk dat er alternatieve oplossingen zijn om jongeren te kunnen versterken. Dat hebben we ook gedaan met deze regering.
Vandaag las ik echter dat deze middelen aan het einde van deze regeerperiode plots werden geschrapt. Deze middelen en subsidies kwamen kwetsbare jongeren ten goede. Het gebeurde zo plots dat zelfs de organisaties niet op de hoogte waren. Mevrouw de minister, ik heb gelezen dat u verontwaardigd was, net als ik. Voor Vooruit is het essentieel dat wie zorg nodig heeft, deze zorg ook krijgt. Laat het duidelijk zijn: preventie is een sleutel tot succes, voor jongeren zelf en voor onze samenleving.
Mevrouw de minister, de organisaties en de jongeren die zij begeleiden zitten vandaag met de handen in het haar. U bent vandaag nog steeds hun aanspreekpunt. Wat kunt u voor hen betekenen in deze periode?
Karine Lalieux:
Geachte collega, tot mijn grote spijt heeft de ministerraad de derde en laatste schijf van die subsidies niet goedgekeurd. Ik ben daarover echt verontwaardigd. Sommigen vergeten de behoeften van deze generatie jongeren die een opleiding volgen of de arbeidsmarkt betreden en die al zo veel moeilijkheden hebben gekend, vaak veroorzaakt door de covidcrisis. Iedereen zou het nut van die maatregelen moeten inzien.
De betrokken OCMW's hebben me een brief bezorgd waarin ze het belang van die subsidies benadrukken. Ze hebben me gesmeekt om het project voort te zetten. De middelen daarvoor waren beschikbaar. Er was namelijk een akkoord over de subsidies voor drie jaar, maar sommigen hebben er blijkbaar geen enkel probleem mee om hun beloften niet na te komen, want tijdens de ministerraad werd het dossier door mijn liberale collega's geblokkeerd. Nogmaals, ik vind dit onbegrijpelijk.
Ik kan alleen hopen dat de toekomstige arizonaregering dit beleid opnieuw zal opnemen. Aangezien een van de brieven werd ondertekend door huidig formateur Bart De Wever zelf, heb ik hier goede hoop op.
Funda Oru:
Mevrouw de minister, wat er ook aan de basis ligt van die beslissing, die organisaties en jongeren zijn daar vandaag helaas de dupe van. Collega’s, laat het duidelijk zijn, de onderhandelingen van vandaag zijn niet eenvoudig. Juist daarom zitten wij met Vooruit aan tafel: niet omdat het gemakkelijk is, maar omdat wanneer het lastig wordt, men nood heeft aan iemand die strijdt voor zijn belangen. Dat geldt ook voor die kwetsbare jongeren in onze grote steden. Wij strijden voor ondersteuning en begeleiding. Tegelijkertijd kan ik vandaag alleen oproepen om hulp te zoeken als dat nodig is. Het is niet eenvoudig, maar elke stap vooruit is waardevol en wij, socialisten, zullen altijd aan de kant staan van de mensen die hun best doen en hulp nodig hebben, vandaag en ook in de nieuwe regering.
De bijstand van het EUAA aan België
Gesteld door
Gesteld aan
Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)
op 15 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België ontvangt vanaf 2025-2026 EUAA-steun (66 experts + 67 tolken, volledig EU-gefincierd) om asielprocedures te versnellen, achterstanden weg te werken en opvangdruk te verlichten, met focus op Dublin-registratie, onontvankelijkheidsprocedures en flow management bij DVZ en CGVS. De EUAA levert eigen personeel, experten uit andere EU-landen en extern geworven specialisten, geselecteerd op basis van hun expertise om het gemeenschappelijk Europees asielstelsel te ondersteunen—zonder nationale bevoegdheden over te nemen. De inzet start geleidelijk vanaf maart 2025, gericht op technische en operationele harmonisatie. Fedasil, DVZ en CGVS zijn de hoofdbegunstigden.
Francesca Van Belleghem:
Mijnheer de voorzitter, ik versie naar de schriftelijk ingediende versie van mijn mondelinge vraag.
Het Asielagentschap van de Europese Unie (hierna 'EUAA' genoemd) zou vanaf 2025 operationele en technische bijstand verlenen aan België.
Hoeveel bedraagt de EUAA-bijstand?
Door wie wordt die bijstand gefinancierd?
Waar worden de middelen exact voor ingezet?
Volgens welke criteria willen de experten de asielprocedure bij ons harmoniseren?
Volgens welke criteria werden de experten van het EUAA geselecteerd? Wie zijn die experten (geanonimiseerd)?
Nicole de Moor:
Mevrouw Van Belleghem, België doet al sinds 2022 een beroep op de ondersteuning van het Europese Asielagentschap voor operationele en technische bijstand. In de afgelopen jaren bleef die ondersteuning beperkt tot Fedasil, maar vanaf 2025 zal de EUAA-bijstand voor de periode van 2025-2026 twee pijlers omvatten. Het gaat om maatregelen op het vlak van asiel, waarbij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen betrokken zijn. Verder gaat het om maatregelen op het vlak van opvang, waar Fedasil de begunstigde is.
De EUAA zal maximaal 66 experts en 67 tolken ter beschikking stellen. Het zal gaan om verschillende soorten experts, eigen EUAA-personeel, experts uit andere Europese landen, en renumerated external experts , die specifiek voor een opdracht geworven worden door het agentschap. De werving van de experts door de EUAA is volop aan de gang. Hun start in België zal geleidelijk gebeuren, waarschijnlijk vanaf maart 2025. De bedoeling is dat wij door deze ondersteuning de asielprocedure kunnen versnellen, de achterstand kunnen wegwerken en minder mensen moeten opvangen in de opvangcentra.
In concreto zullen de experts werken op de Eurodac Dublin en de registratiecapaciteit van de DVZ op de behandeling van asielaanvragen door het CGVS inzake de onontvankelijkheidsprocedure, het flow management, en de ondersteuning door tolken bij het CGVS. Deze bijstand wordt financieel volledig gedragen door het Europese agentschap, dus op het Europese budget.
De EUAA heeft als doelstelling te ondersteunen bij het realiseren van het gemeenschappelijke Europese asielstelsel en bij te dragen tot de realisatie van asielpraktijken in de verschillende Europese lidstaten. Het agentschap stelt zich dus niet in de plaats van de nationale autoriteiten, maar heeft heel wat expertise opgebouwd die nu ingezet zal worden voor de ondersteuning van ons land.
Francesca Van Belleghem:
Dank u wel voor uw antwoord.
De discriminatie van sekswerkers
Gesteld door
Gesteld aan
Marie-Colline Leroy
op 18 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sinds 1 december 2024 biedt België als eerste land arbeidscontracten en sociale bescherming aan sekswerkers, met strikte voorwaarden om uitbuiting te voorkomen, maar de activiteit blijft officieel "niet aanvaardbaar" en uitstap blijft gegarandeerd. Discriminatie (bv. toegang tot huisvesting of bankrekeningen) zou moeten afnemen door legale fiches de salaire, maar stigmatisering en praktische barrières (zoals cyberpesten) blijven hardnekkig, ondanks regelmatig overleg met sectororganisaties zoals UTSOPI. De wet versterkt klachtmogelijkheden, maar structurele oplossingen voor diepgewortelde vooroordelen ontbreken nog. Leroy benadrukt dat het *geen werk als elk ander* is en ziet de nieuwe regeling als een noodzakelijke, maar onvolledige stap.
Patrick Prévot:
Je m'en réfère à nouveau à ma question telle que déposée par écrit.
Madame la secrétaire d'État, lors de la précédente législature, dans ma question écrite n°251, je relayais l'appel du secteur associatif – Utsopi, Espace P ou encore Alias, entre autres – qui se disait satisfait de la décriminalisation du travail du sexe, mais tenait à souligner les discriminations persistantes que subissent ces travailleuses et travailleurs, qu'il s'agisse de l'accès au logement ou à un compte bancaire, par exemple.
Depuis le 1er décembre, la Belgique est devenue le premier pays au monde à proposer un contrat de travail et des protections aux travailleurs et travailleurs du sexe. C'était une initiative du vice-premier ministre socialiste Pierre-Yves Dermagne.
Madame la secrétaire d'État,
Quel est l'état des lieux des discriminations envers les travailleuses et travailleurs du sexe en Belgique? Quels ont été vos derniers contacts avec le secteur associatif à ce sujet?
La législation en vigueur depuis le 1er décembre 2024 devrait-elle faciliter les plaintes contre les discriminations et le suivi de celles-ci?
Je vous remercie pour vos réponses.
Marie-Colline Leroy:
Je vous remercie d'avoir posé cette question. C'est un dossier que j'ai suivi de très près.
La décriminalisation partielle du proxénétisme, intégrée dans le nouveau Code pénal sexuel, avait donc – et vous le savez – besoin d'un corollaire pour lui donner son plein effet, à savoir la loi du 3 mai 2024 portant des dispositions relatives au travail du sexe sous contrat de travail. Cette dernière est nécessaire pour la protection des personnes travailleuses du sexe, majoritairement des femmes.
Nous avons voulu que cette activité puisse s'exercer avec un maximum de sécurité, en exigeant tout d'abord un contrat de travail écrit, la désignation d'une personne de référence et un agrément de l'employeur. Pour obtenir un agrément, des exigences strictes ont été mises en place afin de prévenir les abus et l'exploitation des personnes qui exercent cette activité. Nous avons également prévu que les protections sociales attachées au contrat de travail soient renforcées et s'appliquent à l'exercice de cette profession. Il est important de noter que l'exposé des motifs de la loi continue de la qualifier de non convenable, que l'accès au chômage est garanti et que la loi relative au bien-être ainsi que le Code du bien-être au travail sont aussi d'application.
Mon collègue le ministre Dermagne peut témoigner de l'importance que j'ai accordée à ce dossier pendant des discussions au Conseil des ministres ou au kern, où j'ai vraiment beaucoup insisté pour souligner le fait qu'il ne s'agit pas d'un travail comme un autre, que chaque personne doit pouvoir le quitter à tout moment dès lors qu'elle n'y consent plus.
Cher collègue, vous abordez la question sous l'angle des discriminations. En ce qui concerne la discrimination dans l'accès au logement, on peut espérer que la possibilité offerte par le cadre juridique belge d'exercer son activité de manière salariée permette de lever certaines barrières, notamment grâce à la possibilité de présenter des fiches de salaire.
Quant aux difficultés liées à l'ouverture d'un compte bancaire, la reconnaissance de l'activité permet désormais de travailler plus en profondeur sur ces questions, ce à quoi s'emploie notamment UTSOPI, avec qui l'IEFH continue d'avoir des échanges réguliers, en particulier sur des sujets tels que la lutte contre le cyberharcèlement, le doxing ou la diffusion non consentie de contenus sexuels.
Certaines discriminations peuvent toutefois persister, alimentées par un "stigma" durable à l'égard des personnes en situation de prostitution. La stigmatisation ne peut malheureusement pas être éradiquée par une loi et cela reste un travail lent de sensibilisation auquel s'attache continuellement mon administration.
Patrick Prévot:
Je vous remercie madame la secrétaire d'État. J'avais mis un petit nœud dans mon mouchoir pour ne pas oublier de revenir vers vous par rapport à ce sujet.
Je vous avais également interpellée l'année dernière, ainsi que le ministre Dermagne. Je sais qu'au sein du gouvernement, vous avez tous deux été des défenseurs de ce dossier, ce pour quoi je vous remercie. Je vous remercie aussi d'avoir fait l'instantané de la situation sur ce projet qui n'était pas facile à porter, mais qui était, en tout cas selon moi, essentiel.
Voorzitter:
Plus aucun député n'étant présent dans la salle, je clos la séance. La réunion publique de commission est levée à 14 h 41. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.41 uur.
Nieuwe wantoestanden bij een Brussels OCMW
Nieuwe onthullingen in een Pano-reportage
Nieuwe ontwikkelingen bij Brusselse OCMW's
Gesteld door
Gesteld aan
Karine Lalieux
op 5 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om fraude en misbruik van federale energiesteun door het OCMW Anderlecht, waar subsidies ten onrechte werden toegekend (o.a. aan overledenen, buitenlanders en daklozen) om budgetten op te maken en toekomstige middelen veilig te stellen. Minister Lalieux veroordeelt de praktijken, bevestigt lopende controles en een spoedinspectie volgende week, maar verdedigt de verhoging van het fonds (een Vivaldi-beslissing) als noodzakelijk door de energiecrisis. Oppositieleiders Raskin (CD&V) en Van den Heuvel (cd&v) eisen terugvordering van het geld, een onderzoekscommissie en scherper optreden, wijzend op systematische fraude en PS-cliëntelisme die het sociaal draagvlak ondermijnen.
Wouter Raskin:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, ik dacht dat ik alles gezien had, maar was dat even naïef? Na de recente Pano -reportage komen er vandaag nieuwe feiten van misbruik van energiesteun aan het licht. Federaal geld werd onder uw verantwoordelijkheid zonder duidelijke reden en grondig onderzoek toegewezen aan personen die dat geld hopelijk nodig hadden, maar ook aan een overledene, iemand die in het buitenland woont en daklozen.
Nadat we de afgelopen dagen en weken kennis konden nemen van het ingenieuze systeem van het PS-cliëntelisme in het Brusselse, in het bijzonder in Anderlecht, doen de feiten het vermoeden rijzen dat het OCMW van Anderlecht een systeem opzet om de federale Staat op te lichten, want in tegenstelling tot veel andere OCMW‘s, die uw royale subsidie voor energiesteun niet opgebruikt kregen, lukte dat in Anderlecht zonder enig probleem. Blijkbaar was het de bedoeling om het geld koste wat kost op te maken om zo voor het jaar nadien een nieuwe royale stroom aan federaal geld te verzekeren. Een normaal mens houdt het allemaal niet meer voor mogelijk, mevrouw de minister.
Ik heb drie vragen. Staat u nog steeds achter de beslissing van destijds om de energiesteun fors te verhogen?
Bent u bereid toe te geven dat de toenmalige beslissing de deur voor misbruik opent, zeker voor zieke organisaties, zoals onder andere het OCMW van Anderlecht?
Hoe verklaart u dat het federaal geld waarvoor u verantwoordelijk bent, terechtkomt bij mensen die er geen recht op hebben?
Koen Van den Heuvel:
Mevrouw de minister, collega’s, het vorige PS-schandaal is nog niet volledig uitgeklaard of het volgende duikt al op. Blijkbaar wordt niet alleen sinterklaas gespeeld met leeflonen. Ook energiesteun kan blijkbaar dienen als cadeautje van de Sint. Morgen komt de Sint in alle huiskamers in ons land. Blijkbaar is hij de rest van het jaar echter actief als onderaannemer voor PS-OCMW’s in Brussel.
Mevrouw de minister, op een moment waarop heel veel gezinnen nood hebben aan echte energiesteun, hollen uw collega’s het draagvlak voor die steun uit. Het is immers echt belangrijk dat er voldoende draagvlak is voor een stevig sociaal beleid. Het is dan ook echt nodig dat het OCMW-geld gaat naar wie het echt nodig heeft en niet naar wie bijvoorbeeld in het buitenland woont. Dergelijke uitholling is echt beschamend.
Sommigen opperen dat het maar over 70 euro voor alleenstaanden en over 160 euro voor gezinnen gaat. Wanneer echter alles wordt samengeteld, komen we direct uit op meer dan een half miljoen euro. Daarmee kan de brave belastingbetaler echt niet lachen.
Voor cd&v is het dus heel duidelijk. Dat geld, dat onterecht is uitgekeerd, moet worden teruggevorderd. Het is ook heel erg belangrijk dat u ter zake uw verantwoordelijkheid neemt.
Mevrouw de minister, mijn vraag is dan ook heel eenvoudig: Hoe en wanneer bent u van plan dat probleem echt aan te pakken?
Voorzitter:
Mevrouw de minister, u hebt vier minuten spreektijd om beide vraagstellers tevreden te stellen.
Karine Lalieux:
Collega's, net als u heb ik kennisgenomen van nieuwe revelaties over onregelmatigheden bij de toekenning van steun uit het gas- en elektriciteitsfonds.
Dergelijke praktijken zijn uiteraard onaanvaardbaar. De niet-naleving van de wettelijke regels is nefast voor de solidariteit. Volgens het artikel worden er forfaitaire bedragen toegekend, wat niet is toegestaan. Dat staat duidelijk in de circulaires over het gebruik van het fonds. Het artikel heeft het ook over geantidateerde beslissingen. Als dat het geval is, is er duidelijk sprake van fraude.
Tot slot, maatschappelijk werkers moeten, zoals bij alle subsidies, de toekenning ervan verantwoorden. De toekenning van de steunmaatregelen wordt door de POD MI gecontroleerd volgens een vastgelegde procedure. In het jaar na de toekenning van de steunmaatregelen worden de dossiers budgettair gecontroleerd. Het jaar daarop worden ze gecontroleerd door inspecteurs tijdens een inspectie ter plaatse.
De gedetailleerde inspectie is nog niet gebeurd voor de dossiers die in het VRT-artikel worden vermeld. Zoals ik heb aangekondigd, zullen inspecteurs volgende week alle dossiers van het OCMW van Anderlecht ter plaatse onderzoeken, ook de gevallen waarvan nu sprake is. Ik heb mijn dienst ook gevraagd om de dossiers uit de VRT-reportage in detail te analyseren.
Pour ce qui est de l'augmentation significative du Fonds gaz et électricité, je tiens à dire que cette décision a été prise par l'ensemble des partis de la Vivaldi. En effet, comme vous ne l’ignorez pas, nous vivons une crise énergétique, avec une augmentation importante des factures de gaz et d’électricité. Par ailleurs, le fonds aide également des indépendants et des travailleurs. C'était donc une décision de la Vivaldi d’indexer le fonds et d’y consacrer de l’argent supplémentaire.
Vergeet evenmin dat het arbeidsauditoraat een onderzoek is gestart om na te gaan of er sprake is van fraude. Laat er geen twijfel over bestaan, elke vorm van sociale fraude moet streng veroordeeld worden.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik heb er maar één woord voor en dat is chaos. Terwijl een OCMW symbool zou moeten staan voor stabiliteit en sociaal beleid, staat het OCMW van Anderlecht voor chaos. De benoeming van de OCMW-voorzitter recent is daar een illustratie van. De geprefereerde PS-kandidaat was gecontesteerd en haalde het niet. Iemand met een ander kleurtje, iemand die met het onderzoek wil meewerken, komt op de stoel te zitten en de PS-burgemeester van Anderlecht werpt op dat de man zo snel mogelijk aan de kant moet. Wat een cynische machtsspelletjes zijn dat toch en daarvan zijn opnieuw de allerzwaksten het grootste slachtoffer. Ziedaar het socialisme van de PS in Brussel!
Collega's, de onderste steen moet bovenkomen. Wie nog niet overtuigd is dat er een onderzoekscommissie moet worden opgericht, vraag ik waar men nog op wacht.
Koen Van den Heuvel:
Mevrouw de minister, ik blijf na uw antwoord toch een beetje op mijn honger. Ik verwacht een straffer en proactiever beleid, want de wantoestanden ondergraven echt het sociaal draagvlak voor een stevig sociaal beleid en voor een warme en solidaire samenleving. Voor cd&v is het heel duidelijk: de wantoestanden in het OCMW van Anderlecht moeten met alle middelen en tot op het bot onderzocht worden.
De juridische eerstelijnsbijstand in het gesloten centrum van Brugge
Gesteld door
Gesteld aan
Nicole de Moor (Staatssecretaris voor Asiel en Migratie)
op 27 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De juridische eerstelijnsbijstand in gesloten centra zoals Brugge en Vottem is grotendeels stopgezet door een tekort aan beschikbare advocaten en financiële beperkingen bij de balies, terwijl enkel Vottem nog steeds bijstand biedt. Staatssecretaris De Moor bevestigt dat de overheid en DVZ dringen op heropstart, maar de verantwoordelijkheid ligt bij de orde van advocaten, met lopende onderhandelingen om de dienstverlening te herstellen. Vandemaele benadrukt de ergerlijke leefomstandigheden in verouderde centra (zoals Brugge) en pleit voor federale stimulansen om balies te motiveren, terwijl duidelijk wordt dat eerdere financiering afhing van de balies zelf, zonder structurele overheidssteun. De kern: toegang tot rechtsbijstand in detentiecentra is acuut in gevaar door systeemfalen bij advocaten en gebrek aan middelen.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de staatssecretaris, tijdens mijn recent bezoek aan het gesloten centrum voor illegalen in Brugge keek ik mijn ogen uit toen ik werd rondgeleid. Ik wist niet wat ik zag. De directeur zei dat men dit het best met een jeugdherberg kon vergelijken, maar dat zal dan toch een jeugdherberg uit de jaren 20 zijn geweest. Ik vind het totaal onwezenlijk wat ik daar te zien kreeg. Ik kan alle parlementsleden aanraden om dat of een ander centrum te bezoeken. Het is hallucinant.
Het is ook interessant omdat men in gesprek kan gaan met de mensen die er werken. Dan hoort men al eens iets. Zo kreeg ik te horen dat de juridische eerstelijnsbijstand in het centrum is stopgezet. Tot voor kort werd wekelijks een laagdrempelige juridische inloop georganiseerd, waarbij mensen een advocaat van de balie van West-Vlaanderen konden consulteren. Hij kon hen wat wegwijs maken en hun juridische bijstand geven. Ondertussen blijkt dat systeem in Brugge dus niet meer te bestaan.
Mevrouw de staatssecretaris, waarom werd de juridische eerstelijnsbijstand in het gesloten centrum in Brugge stopgezet? Krijgt men in andere gesloten centra wel nog juridische bijstand? Ik hoor dat dat in Vottem ondertussen ook is stopgezet.
Bent u bereid om contact op te nemen met de directies van gesloten centra om opnieuw juridische bijstand te organiseren?
Hoe zult u de toegang tot juridische bijstand van mensen in gesloten centra verbeteren?
Nicole de Moor:
Mijnheer Vandemaele, het is heel goed dat u op bezoek gaat in de gesloten centra. Dat is inderdaad een mogelijkheid die u hebt. Ik denk dat u dan ook gezien hebt dat het absoluut noodzakelijk was om dat centrum te vervangen. De regering heeft beslist tot de bouw van nieuwe gesloten centra. Ik weet dat dit voor uw partij niet gemakkelijk was, maar u zult in Brugge gezien hebben dat het absoluut noodzakelijk was om een nieuw centrum te hebben om de leefomstandigheden in de centra te verbeteren.
U hebt gelijk dat het verlenen van eerstelijnsbijstand in de gesloten centra belangrijk is, maar het is geen verantwoordelijkheid van de DVZ maar wel van de balies. In Brugge werd die eerstelijnsbijstand in juni 2024 stopgezet door de niet-beschikbaarheid van advocaten. Dat is bijna overal een probleem. Alleen in het centrum van Vottem is er nog eerstelijnsbijstand.
Het is belangrijk om te benadrukken dat zowel ikzelf als de DVZ vragende partij zijn om die eerstelijnsbijstand in de gesloten centra terug op te starten. In Brugge is er daarom binnenkort een overleg met de balie gepland, om na te gaan of dat terug kan worden opgestart. Voor het centrum in Merksplas lopen gesprekken met de balie, maar het kon nog niet worden opgestart door financiële beperkingen en het gebrek aan advocaten bij de balie die interesse in de materie hebben.
Uiteraard zorgen de terugkeerbegeleiders er wel altijd voor dat een advocaat wordt toegewezen aan bewoners die daarom vragen. Bewoners worden ook bij de intake in het centrum altijd ingelicht over de mogelijkheid van juridische bijstand, maar de Dienst Vreemdelingenzaken heeft uiteraard geen impact op de advocaten zelf.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de staatssecretaris, mijn bezoek aan het centrum maakte me duidelijk dat er infrastructurele verbeteringen nodig zijn. Ik had ook het gevoel dat de personeelsleden hun uiterste best doen om er absoluut het beste van te maken. Daarvoor spreek ik alvast mijn dank uit.
Ik ben blij dat we eigenlijk hetzelfde willen, maar de organisatie ervan valt onder de verantwoordelijkheid van de balies. We moeten dus goed bekijken wat we vanuit het federale niveau kunnen ondernemen om dat te stimuleren, zodanig dat de balies daadwerkelijk die rol willen opnemen.
U verklaarde dat er te weinig centen zijn. Waar kwamen die centen vroeger vandaan? Waarom zijn die er nu niet meer? Waarom is het financieel niet meer haalbaar?
Nicole de Moor:
(…)
Matti Vandemaele:
De financiering gebeurde dus vanuit de balies. Dan is het duidelijk. Dank u voor uw antwoord.
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De onthulling van sociale fraude bij het OCMW van Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De Pano-reportage over onterecht toegekende leeflonen in Anderlecht
De socialebijstandsfraude bij het OCMW van Anderlecht
Het schandaal bij het OCMW van Anderlecht
De fraude bij het OCMW van Anderlecht
Leefloonfraude
De Pano-reportage over het OCMW van Anderlecht
De problemen bij het OCMW van Anderlecht
Fraude en schandalen bij het OCMW van Anderlecht
Gesteld aan
Karine Lalieux
op 21 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om wijdverspreid cliëntelisme, fraude en wanbeheer bij het OCMW Anderlecht, waar leeflonen zonder controle werden toegekend aan mensen zonder recht, terwijl kwetsbaren in de kou bleven. Inspectierapporten (2019-2023) waarschuwden herhaaldelijk, maar minister Lalieux (PS) ondernam onvoldoende actie, ondanks federale bevoegdheid—kritiek linkt dit aan politieke bescherming van PS-bestuurders die trots "klantenpolitiek" verdedigen. Oplossingen (terugvordering gelden, strengere controles, betere werkomstandigheden voor overbelaste maatschappelijk werkers) blijven vaag; oppositie eist harde sancties, transparantie en een audit van *alle* Brusselse OCMW’s om vertrouwen in het systeem te herstellen. Kernpunt: misbruik ondermijnt sociale solidariteit en speelt extremisme in de kaart.
Sammy Mahdi:
Mevrouw de minister, beeldt u zich eens in dat u een gewone hulpbehoevende man of vrouw bent die bij het OCMW aanklopt, maar die in Brussel toevallig niet op de PS stemt – dat kan gebeuren – of die toevallig niet de beste vriend is van de OCMW-voorzitter. Beeldt u zich in dat u ook nog eens geconfronteerd wordt met mensen die zich wel in die positie bevinden en die voorsteken in de wachtrij, die dankzij mails vanwege de voorzitter voorrang krijgen en die duizenden euro’s krijgen, terwijl anderen in de kou blijven staan.
Volgens de PS in Brussel stelt dat helemaal geen probleem, integendeel. Gisteren zei iemand van de PS op tv: ʺ Oui, je suis clientéliste et je suis fier de l’être parce que je suis socialiste. ” Men is er trots op dat men publiek geld, bedoeld voor mensen die echt in nood zijn, gebruikt als politicus om het eigen kiesvee te bedienen. Il faut le faire, zo handelen, met een brede glimlach!
Ik wil de Parti Socialiste nooit meer horen spreken over sociale afbraak. Duizenden euro’s uitdelen zonder controle, dat is sociale afbraak. Geld geven aan wie er geen recht op heeft, dat is sociale afbraak. Mensen die geen steun behoeven, geld geven en laten voorsteken in de rij, en tegelijkertijd mensen met echte behoeftes in de kou laten staan, dat is sociale afbraak.
Het meest wraakroepende is dat uw diensten dat wisten. Ik verwijs naar het inspectieverslag van het OCMW van Anderlecht 2023, waarin staat dat de inspectiedienst rechtstreeks via diverse kanalen is aangesproken naar aanleiding van de reeds gekende problematiek.
Mijn vraag is duidelijk. Uw diensten waren op de hoogte van de toestand. Waarom hebt u niets gedaan? Tegen wanneer zal het geld worden teruggevorderd? Hoe gaan we er samen voor zorgen dat het cliëntelisme van PS-besturen in Brussel een halt wordt toegeroepen?
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, weet u wat mensen denken en zeggen als zij die reportage hebben gezien? 't Zijn zotten die werken. Ik weet niet of die uitdrukking bestaat in het Frans, maar het komt erop neer dat er mensen zijn in ons land die keihard werken, terwijl ze zien dat andere mensen er de kantjes van af lopen. Dat is bewezen in de Pano -reportage in Anderlecht, uw geboortestad. Het gaat om fraude en cliëntelisme. De mensen worden daar boos van.
Het gaat over veel geld. In ons land wordt meer dan 2 miljard euro aan leeflonen betaald aan 164.000 leefloners. Dat aantal omvat de inwonersaantallen van Hasselt en Kortrijk gecombineerd. Natuurlijk kunnen we niet al die mensen over dezelfde kam scheren. De essentie is wel dat de echt arme mensen van dat beleid de dupe zijn.
Het ergste is dat de alarmbellen in Anderlecht al jarenlang afgaan. Collega Mahdi verwijst naar het verslag van 2023, maar ook in 2019, in 2020 en in 2022 stond dat letterlijk geschreven, mevrouw Lalieux. Ik citeer: "Maand na maand, jaar na jaar krijgen mensen een leefloon zonder opvolging."
Mevrouw de minister, u was bevoegd. U had het onder uw ogen, maar u hebt niets gedaan. Waarom niet? Is de reden dat de burgemeester en de OCMW-voorzitter van PS-signatuur zijn? Is de reden dat het om uw kiezers gaat? Houdt u vast aan de cultuur om alles besloten te houden? Ik voel in u een zekere vorm van schaamte over wat daar gebeurd is. Het is niet aanvaardbaar.
Mevrouw de minister, ik heb maar twee vragen voor u. Ten eerste, kunt u met de hand op het hart beloven dat dit enkel in Anderlecht is gebeurd, of doet datzelfde fenomeen zich ook in andere gemeenten voor? Ten tweede, waarom hebt u na al die rapporten helemaal niets gedaan?
François De Smet:
Madame la ministre, comme beaucoup ici, j'ai vu ce reportage accablant. Des journalistes parviennent sans difficulté à se faire verser un revenu d'intégration sociale, sans enquête sociale et sans même résider dans la commune d'Anderlecht.
Un président de CPAS nous a livré la définition la plus pure du clientélisme qu'on ait vu depuis très longtemps. En effet, quand on aime les gens, quand on veut les aider, il semble normal pour certains d'aider "un peu plus" ceux qui sont venus les voir.
Ce qui m'a le plus marqué, c'est le témoignage des assistants sociaux – témoignage anonyme car ils veulent peut-être échapper à des rétorsions de leur hiérarchie. Ces assistants sociaux sont en réalité piégés et coincés: ils doivent pour beaucoup traiter 200 dossiers chacun.
Ils sont tellement débordés qu'ils n'arrivent pas à effectuer des vérifications, notamment d'emploi et de domicile. Même quand ils proposent des refus d'allocation d'intégration, ils risquent d'être court-circuités par leur hiérarchie ou leur président de CPAS. Cela provoque une charge supplémentaire et, évidemment, un découragement.
Madame la ministre, il faut être très courageux pour être travailleur social au CPAS d'Anderlecht aujourd'hui. Je pense à eux.
Pour la cohésion sociale, c'est aussi très décourageant. Nous sommes dans une période dans laquelle chaque euro compte. Des affaires de ce genre-là sont terribles parce qu'elles sont dénigrantes pour tous ceux qui ont besoin de cette aide sociale et qui n'arrivent pas à l'obtenir rapidement, peut-être parce qu'ils ne connaissent pas les bonnes personnes.
C'est décourageant aussi pour tous ceux qui contribuent au système, les travailleurs qui, à la sueur de leur front, alimentent le système et qui se disent: à quoi bon? Malheureusement, on le sait, la fraude sociale alimente aussi en retour, hélas, la légitimation de la fraude fiscale, les deux étant évidemment inacceptables. C'est désastreux pour la société toute entière.
Madame la ministre, que saviez-vous de ce phénomène avant l'émission? Vous avez dit ce matin en radio qu'il y avait des rapports d'inspection diligentés. En effet, ils existent depuis trois ans. Qu'avez-vous fait depuis? À votre connaissance, des cas similaires existent-ils dans d'autres communes et d'autres CPAS?
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, uw deel doen en uw deel krijgen, is niet meer dan normaal. Dat betekent dat men gaat werken wanneer men dat kan en dat men ondersteuning krijgt wanneer men daar nood aan heeft. Het is daarom dat Vooruit altijd heeft gestreden voor een deftig leefloon, want dat beschermt de mensen tegen extreme armoede.
Als men zegt te strijden voor een deftig leefloon, dan moet men ook strijden tegen al die misbruiken en daar knelt vandaag het schoentje. De Pano -reportage van deze week, die ik schokkend vind, toonde hoe mensen in Anderlecht schaamteloos misbruik maken van dat systeem. Laat het duidelijk zijn, het gaat niet alleen over maatschappelijk werkers die overbelast zijn door te veel aanvragen of over het bewust misbruiken van een systeem om uitkeringen toe te kennen, het gaat ook over politici die wetens en willens niet luisteren naar de negatieve adviezen van hun maatschappelijk werkers. Die maatschappelijk werkers hebben ten einde raad aan de alarmbel getrokken omdat er van bovenaf niet naar hen werd geluisterd.
Mevrouw de minister, de reactie van sommigen was veelzeggend. Denken dat men mensen vooruithelpt door hen ongegrond een uitkering te geven, vind ik hallucinant. Dat gaat niet. Wij vinden dat men mensen beschermt door hen een leefloon toe te kennen, maar ook door te strijden tegen valsspelers, hoe schrijnend sommige verzonnen verhalen ook lijken.
Ik heb maar een vraag voor u. Er werden al jarenlang inspectieverslagen opgesteld en u zegt dat u de controles hebt opgedreven. Wat zijn de resultaten daarvan en vooral, wat zult u doen opdat zoiets nooit meer kan gebeuren?
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de Pano -reportage van dinsdag over de wantoestanden bij het OCMW van Anderlecht was ontluisterend, maar tegelijkertijd ook weinig verrassend. Corruptie, geldverspilling en wanbeheer zijn natuurlijk niet nieuw in Brussel, zeker niet als er socialisten bij betrokken zijn. Herinner u de Samusocialaffaire van ongeveer 7 jaar geleden, waaruit bleek dat uw partijgenoot Yvan Mayeur de corruptie en de vriendjespolitiek binnen Samusocial en het OCMW van Brussel organiseerde. Mevrouw de minister, u verdedigde de heer Mayeur toen nog in de pers: "Denk maar aan de OCMW's die dankzij Mayeur veel efficiënter samenwerken." Een uitspraak die vandaag kan tellen.
Wij vrezen dat het wanbeheer en cliëntelisme helaas niet alleen bij het OCMW in Anderlecht zal te vinden zijn, maar bij het merendeel van de Brusselse OCMW's. Het wordt maatschappelijk assistenten opzettelijk onmogelijk gemaakt om hun werk goed te doen. Wij vernemen van verschillende personeelsleden van de Brusselse OCMW's dat zij van hun politieke bazen een bevel tot het verlaten van het grondgebied moeten aanvaarden als een geldig identiteitsbewijs, om recht op steun te krijgen. Dat is hallucinant.
Mevrouw de minister, hoe verklaart u dat maar liefst 52,2 % van de leeflonen naar niet-Belgen gaat?
Wat zult u ondernemen opdat in dit land, waar werkende mensen meer dan de helft van hun loon afgeven aan de overheid, deze overheid eindelijk verantwoord omgaat met dat geld en het niet gebruikt voor cliëntelisme en electorale bediening?
Klopt het dat uw kabinet de Inspectie van Financiën toegang heeft geweigerd tot de OCMW-dossiers?
Wanneer zult u eindelijk een eerste aanzet geven om de 19 Brusselse OCMW's te fusioneren?
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, les révélations sur les pratiques du CPAS d'Anderlecht sont profondément choquantes. Les témoignages confirmés par cette enquête journalistique révèlent des failles systématiques: absence de contrôle, octroi d'allocations à des personnes qui ne résident pas dans la commune et pressions politiques flagrantes. Ces dérives à la fois éthiques et administratives entachent la confiance des citoyens envers nos institutions publiques et posent la question d'un usage abusif de l'argent public. Elles jettent également un discrédit important sur le travail, pourtant essentiel, accompli quotidiennement par les travailleurs sociaux pour permettre à chacun et chacune de vivre dignement.
Le rapport 2023 du SPP Intégration sociale avait pourtant déjà mis en évidence ces manquements graves, mais il semble qu'aucune mesure concrète n'en ait découlé. Ces dérives clientélistes n'ont donc pas été endiguées.
Madame la ministre, pouvez-vous nous indiquer combien de contrôles ont lieu dans ce CPAS et dans les autres CPAS du royaume par les services du SPP Intégration sociale? Vous dites que vous étiez au courant de certains dysfonctionnements mais vous et votre cabinet étiez-vous au courant de ceux-ci? Comment est-ce possible que de telles situations puissent perdurer malgré les évaluations critiques des services fédéraux? Combien d'autres CPAS pourraient-ils être concernés par des pratiques similaires? Et surtout, quelles mesures envisagez-vous pour garantir un suivi rigoureux des recommandations des rapports d'évaluation pour éviter que ces derniers ne restent lettre morte?
L'inaction politique et la gestion hasardeuse des fonds publics au CPAS d'Anderlecht alimentent un sentiment d'injustice et de défiance croissante envers nos institutions. Chaque euro dilapidé ou utilisé sans contrôle rigoureux fragilise un peu plus la crédibilité de notre démocratie sociale. La réponse politique doit être à la hauteur des enjeux et la transparence doit être complète sur ces faits.
Florence Reuter:
Madame la ministre, on croyait avoir quasiment tout vu dans les dérives et dans la mauvaise gouvernance, mais le reportage de la VRT est édifiant: des pratiques et des dysfonctionnements qui sont tout à fait inacceptables, des enquêtes sociales incomplètes ou totalement inexistantes, pas de visites domiciliaires, l’intervention du politique dans les dossiers, des revenus d’intégration octroyés à des personnes qui n’habitent ni dans la commune, ni même dans le pays, et des adresses fictives.
Tout simplement… Que dire? C’est choquant. C’est juste tout simplement choquant, révoltant. Il s’agit d’argent public, de l’argent du contribuable. Certains travaillent dur pour financer la solidarité. C’est d’autant plus révoltant que, finalement, l’aide sociale ne va pas aux plus vulnérables, à ceux qui en ont réellement besoin.
Madame la ministre, mes questions sont simples. Connaissiez-vous l’ampleur de ces fraudes? Ce phénomène s’étend-il à d’autres communes?
Vous déclarez que le CPAS d’Anderlecht fait l’objet d’une enquête depuis 2021 déjà. Qu’est-ce qui a été mis en place, puisqu’on connaissait vraisemblablement tous ces dysfonctionnements?
Enfin, madame la ministre, fallait-il vraiment attendre un reportage de la VRT pour agir? Des outils de contrôle existent. Vous avez la compétence sur ces contrôles, sur le SPP Intégration sociale. Par ailleurs, 75 % du budget viennent du fédéral. Alors il faut prendre les choses en main! J’attends vos réponses.
Nadia Moscufo:
Madame la ministre, depuis mercredi, après le reportage de la VRT, il y a beaucoup de discussions autour du fonctionnement et des dysfonctionnements du CPAS d'Anderlecht, et c'est bien compréhensible. Tout service qui travaille avec la population doit pouvoir fonctionner correctement, dans le respect de la loi, avec des procédures et des critères clairs, et sans clientélisme. Donc, s'il y a abus, si des personnes reçoivent une aide sociale sans y avoir droit, s'il y a eu passe-droit, c'est inacceptable et il faut faire toute la lumière à ce sujet.
Le reportage montrait aussi la surcharge de travail du personnel du CPAS d'Anderlecht. J'en profite, au nom de mon groupe, pour transmettre toute ma solidarité à tous ces travailleurs qui, au quotidien, travaillent dans une situation intenable. Ils ont plusieurs fois dénoncé cette situation avec leur organisation syndicale. Dans le reportage, un travailleur disait ceci: "Parfois, on se retrouve facilement avec 200 dossiers par personne. Ce n'est vraiment pas possible. Cela devient une charge mentale très dure." Notez qu'avec 200 dossiers par personne, il est impossible de faire ce travail humainement. En effet, derrière chaque dossier, il y a des êtres humains, des familles, des enfants dans des situations complexes et dans une grande précarité.
Alors, madame la ministre, j'ai deux questions à vous poser. Qu'allez-vous faire concrètement pour faire toute la lumière sur la situation au CPAS d'Anderlecht? Et qu'allez-vous faire pour répondre au cri d'alarme du personnel et garantir que tous les CPAS de tout le pays puissent remplir correctement leurs missions?
Wouter Raskin:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, wat we zagen in de tv-reportage, was ongezien: keiharde bewijzen van fraude en van politieke inmenging bij de toekenning van steundossiers en een gewezen voorzitter die zich socialist noemt, " je m’en fous " antwoordt op de beschuldiging van cliëntelisme en er zelfs prat op gaat! Ik vraag mij af wat de leden van Vooruit daarover denken. Maar goed, dat is niet mijn zaak.
Mevrouw de minister, door de uitstekende reportage van Pano heeft iedereen kunnen vaststellen wat er aan de hand is en ligt de zaak open. Dergelijke malversaties, boven op de uitdagingen van vandaag maken dat elk OCMW-beleid onbetaalbaar wordt en dat bevestigt de noodzaak tot responsabilisering van de OCMW’s. Wij moeten dringend kwalitatieve en kwantitatieve parameters uitwerken die ons toelaten de goede en de slechte leerlingen in de klas te onderscheiden. OCMW’s die op aanklampende begeleiding, op activering en op sociale integratie inzetten, moeten een bonus krijgen. De andere moeten tegen een malus aanlopen.
Mevrouw de minister, dat verhaal vertellen wij al heel lang, ook al worden wij uitgescholden als asocialen door degenen die eigenlijk stilletjes in een hoek zouden moeten kruipen en zich schamen. Ik heb tientallen vragen. Ze zullen voor de vergadering komende woensdag zijn. Vandaag stel ik er twee.
Ten eerste, hoe verklaart u dat u die wanpraktijken niet hebt gezien, terwijl de verslagen van de inspectie daar al jaren op wijzen?
Ten tweede, bent u na het bekijken van de reportage van oordeel dat er strafbare feiten zijn gepleegd? Zo ja, overweegt u juridische stappen tegen degenen die ze zouden hebben gepleegd?
Caroline Désir:
Madame la ministre, moi aussi, j'ai regardé ce fameux reportage de la VRT. Je puis vous dire que j'ai également été choquée, et même extrêmement choquée. Comment est-il possible d'accorder un revenu d'intégration sans même vérifier que la personne vive bel et bien sur le territoire de la commune ni mener l'enquête sociale indispensable à la vérification des ressources dont dispose le demandeur? Comment est-il possible que des procédures et réglementations, pourtant très claires et très strictes, ne soient pas respectées?
Octroyer une aide sans respecter les conditions légales est évidemment gravissime, et nous le dénonçons sans équivoque. Mais j'insiste sur le fait que ces dysfonctionnements ne doivent pas venir remettre en cause le travail accompli par des centaines de travailleurs sociaux qui s'acquittent de leur job avec une véritable conscience professionnelle et dans des circonstances extrêmement difficiles. Ils ne doivent pas non plus remettre en cause l'absolue nécessité des CPAS.
Madame la ministre, comme cela a été dit, il est absolument indispensable de faire toute la lumière sur cette affaire. Voici donc les questions que je souhaitais vous adresser. De quelles informations disposez-vous concernant les faits reprochés au CPAS d'Anderlecht? Quelles compétences le fédéral exerce-t-il en la matière, au regard de celles de la COCOM et de la commune? Le cas d'Anderlecht est-il isolé? Qu'en est-il des procédures de contrôle et des sanctions possibles dans de telles situations?
Pour la suite, madame la ministre, il importe de se poser les bonnes questions afin d'éviter de nouveaux dysfonctionnements. Comment alléger la charge de travail des assistants sociaux? Comment renforcer les effectifs et attirer davantage de travailleurs sociaux dans ces institutions? Comment, tout simplement, continuer à soutenir les CPAS?
Matti Vandemaele:
Mevrouw de minister, er moet mij toch iets van het hart. In Anderlecht doen elke dag tientallen maatschappelijk werkers hun stinkende best voor wie echt nood heeft aan steun. Elke dossierbehandelaar heeft er tot 200 dossiers. Ter vergelijking, in Kortrijk, waar ik woon, zijn dat er gemiddeld 50. Door die manier van werken komt wie echt nood aan steun heeft, achteraan de rij en wordt hij of zij heel traag of zelfs niet geholpen. Of de maatschappelijk werker nu 120 dan wel 200 dossiers per jaar moet behandelen, dat aantal is te hoog om degelijk werk af te leveren. Daardoor staat de deur wagenwijd open voor fraude en daar wordt nog een sausje van politieke inmenging over gegoten, zoals men kon zien in Pano . Een voorzitter van een bijzonder comité vindt bijvoorbeeld dat hij persoonlijk moet interveniëren in dossiers en bepaalde mensen voortrekken. Er is geen enkele controle op wat daar gebeurt en de inspectieverslagen zijn ronduit vernietigend.
Mevrouw de minister, hebt u die verslagen gelezen? Zo ja, waarom hebt u dan niets ondernomen? Waarom heeft de overheid daar niets mee gedaan? Komt dat misschien omdat u het eens bent met de betrokken voorzitter van het bijzonder comité, een partijgenoot van u? Ik wil hem even citeren: “Ik kan begrijpen dat men in Vlaanderen verontwaardigd is, u kunt mij cliëntelisme verwijten, maar ik ben een socialist en ik heb mensen geholpen en ik ben daar trots op.” Grijpt u daarom niet in? Mijn fractie vraagt zich dat af. Waarom laat u betijen, waarom grijpt u niet in?
Karine Lalieux:
Monsieur le président, chers collègues, je ne vais pas y aller par quatre chemins: ce que nous avons vu dans ce reportage est totalement inacceptable. Il est inacceptable d'utiliser l'argent public pour des personnes qui n'en ont pas besoin. Il est illégal de dépenser les moyens dédiés à l'aide sociale sans que cela ne soit justifié. C'est d'ailleurs la raison pour laquelle la loi prévoit des contrôles et que tous les montants indûment versés doivent être remboursés.
De regels en procedures die in de wet zijn bepaald, garanderen de eerlijkheid tussen burgers. De niet-naleving ervan moet worden veroordeeld en bestraft.
Pour rappel, toute demande au CPAS suppose un premier rendez-vous avec une assistante sociale au cours duquel sont exposés les documents et les conditions nécessaires, un deuxième rendez-vous sur la base de ces documents pour vérifier si les conditions sont remplies, une visite sur place pour vérifier que la personne y vit réellement. Si toutes ces conditions sont remplies, la demande est transmise au bureau spécial ou au Comité spécial de l'action sociale où la majorité et l'opposition sont représentées et qui est le seul habilité à prendre des décisions. Si les procédures sont respectées, aucune interférence politique n'est donc possible – je dis bien "si elles sont respectées" – puisque la loi prévoit très précisément les critères, les procédures et les délais.
Le SPP Intégration sociale vérifie que les conditions d'octroi du revenu d'intégration sociale par les CPAS sont respectées. Les CPAS sont en outre soumis à la tutelle des entités fédérées, en l'occurrence la COCOM, qui contrôle le fonctionnement général du CPAS, notamment les moyens humains, l'organisation et d'autres indicateurs.
Le CPAS d'Anderlecht, comme d'autres, a fait l'objet de tels contrôles. Ceux-ci ont permis d'identifier des manquements qui ont conduit à un contrôle renforcé sur base annuelle, ce qui n'était pas le cas dans d'autres CPAS.
Ces manquements sont de deux ordres. Premièrement, il y a le non-respect des délais légaux pour octroyer ou non le revenu d'intégration sociale. Le service d'inspection a déjà pris une décision de sanctionner le CPAS en cas d'octroi du revenu de CPAS hors délai. Le deuxième manquement porte sur les enquêtes sociales insuffisantes ou inexistantes. Quand le contrôle conduit à constater que les règles n'ont pas été respectées, les montants indus sont réclamés au CPAS et doivent être remboursés.
La fraude sociale est en effet inacceptable comme toute forme de fraude parce qu'elle est illégale et sape la confiance du public dans notre système de solidarité.
J'ai donc pris la décision d'aller au-delà en renforçant les contrôles. Alors que les contrôles ont normalement lieu sur la base d'un échantillon, j'ai demandé que les contrôles soient systématiques au niveau du CPAS d'Anderlecht.
J'ai aussi demandé au SPP Intégration sociale de vérifier si d'autres CPAS rencontrent des problèmes similaires et, dans ce cas, de renforcer les contrôles. Ces manquements – que, je le répète, je condamne avec la plus grande fermeté – doivent être dénoncés et les montants doivent être remboursés. Mais nous devons aussi veiller à ce que de tels faits ne se reproduisent pas. Ceci relève de la compétence des CPAS et de la tutelle des communes, qui sont en première ligne, mais aussi du gouvernement fédéral et des gouvernements régionaux, ici la COCOM.
Il faut aussi rappeler que les lacunes dans le respect de l'application des procédures sont dues à un manque de moyens humains, vous l'avez souligné. Il faudra donc continuer à renforcer les effectifs du CPAS pour leur permettre de traiter les dossiers dans les délais et dans le respect le plus strict des procédures. Même si cela ne relève pas de ma compétence, la COCOM devra également exercer sa tutelle de manière rigoureuse afin de vérifier que les moyens mis à disposition des CPAS sont mis en œuvre de la manière la plus efficace et efficiente possible.
Ni les personnes en difficulté ni les agents des CPAS – qui font un travail difficile avec une grande conscience professionnelle – ne doivent être les victimes de ces manquements.
Chers collègues, comme l'a dit M. Raskin, nous nous rencontrerons mercredi prochain après-midi et vous aurez tous les détails sur ces constats au CPAS d'Anderlecht. Je vous remercie.
Sammy Mahdi:
Mevrouw de minister, als ik zo heftig gereageerd heb, is dat omdat ik mijn stad graag zie. Ik ben daar geboren. Sommigen zeiden dat zij verbaasd waren, maar ik ben helaas niet verbaasd. Ik was graag verbaasd geweest, maar dit is de realiteit die al jarenlang gaande is.
U zegt dat er regels bestaan. Ja en neen. Er zijn regels die beter kunnen. Er zouden alarmbellen moeten afgaan wanneer in een bepaalde gemeente de maatschappelijke dienst een beslissing neemt, maar de politiek toch iets anders beslist. Dan moeten er bij u meteen alarmbellen afgaan. Die klachten moeten bij u terechtkomen.
Wij moeten ervoor zorgen dat het geld meteen teruggevorderd wordt. Dit is niet nieuw. Dit heeft ook politieke redenen. De politiek moet er iets aan doen, op het federale niveau, op het regionale niveau en op het lokale niveau. Ik meen echter ook dat iedere partij een ernstige bestuursvergadering moet houden en bekijken welk model ze hanteert en op welke manier ze daarmee de sociale zekerheid onderuithaalt.
Vincent Van Quickenborne:
Mevrouw de minister, uw antwoord was hallucinant. U hebt een tekst voorgelezen, u hebt de regels beschreven. Geen schuldinzicht, geen excuses, het is de fout van de anderen.
Mevrouw de minister, u had zoveel meer kunnen doen. U had de OCMW-voorzitter en de burgemeester van Anderlecht publiekelijk op de vingers kunnen tikken. U had uw mensen naar het OCMW van Anderlecht kunnen sturen om die fraudepraktijken te stoppen. U had zelfs kunnen luisteren naar de mensen van uw inspectie, die u uitdrukkelijk gevraagd hebben hen meer macht te geven om op te treden. U doet er echter niets aan.
Uw antwoord, mevrouw de minister, bewijst dat u dit niet ter harte neemt. U kunt wel verwijzen naar de hoorzitting van volgende week woensdag, maar als u als minister met zo'n attitude vier jaar lang hebt bestuurd, bent u het niet waard geweest. Dit is een schandaal, maar u reageert alsof het niets is. Schandalig!
François De Smet:
Merci pour votre réponse, madame la ministre.
Si je comprends bien, dans ces rapports datant d'il y a trois ans, les problèmes avaient été identifiés. Des rapports supplémentaires ont été rédigés, des montants réclamés, mais le problème n'a pas été réglé. Le reportage de Pano est en effet relativement récent.
Je commence à voir que cela va nous mener à un grand jeu belge, à savoir le renvoi de la balle entre l'État fédéral, la COCOM, la commune et le CPAS d'Anderlecht.
Il existe visiblement un "shopping" d'aide sociale, malheureusement. Je comprends qu'il est légitime, pour certaines personnes, de faire semblant qu'on est domicilié dans une commune alors qu'on ne l'est pas, de faire semblant qu'on est isolé alors qu'on est en couple. Et, si le jeu est malheureusement aussi largement répandu, c'est que, parfois, il fonctionne et que le clientélisme reste une réalité. Il faut y mettre fin immédiatement.
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, ik vind uw antwoord zeer teleurstellend. U drijft de controle pas op na de reportage en steekt zich weg achter de oppositie in het bijzonder comité. Dat is onaanvaardbaar voor ons.
Iedere socialist, maar dan ook iedere socialist, zou hier razend van moeten worden. Als men rechtse partijen argumenten wil geven om onze solidariteit, onze sociale zekerheid af te breken, moet u immers gewoon doorgaan op deze manier.
Dat zal echter niet gebeuren met Vooruit! Wij staan namelijk achter alle gewone mensen die wel hulp nodig hebben, maar we willen ook strijden tegen valsspelers die het systeem misbruiken en de politici die dat gewoon toelaten.
Mevrouw de minister, treed op. Dat is uw taak. Wacht geen minuut langer! Ga aan de slag! We kunnen niet wachten, want de mensen verdienen beter!
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, dit krijgt u niet uitgelegd: een stem op de PS in ruil voor een leefloon, à la tête du client. Uiteraard zijn die wantoestanden in Anderlecht niet alleen de schuld van de PS. Ook Vooruit, MR, Ecolo-Groen, Open Vld, DéFI en de PVDA-PTB zijn namelijk vertegenwoordigd in de raad voor maatschappelijk welzijn van Anderlecht. Ofwel zijn ook deze partijen op de hoogte van deze wantoestanden, ofwel doen ze er hun werk niet.
Mevrouw de minister, dit is meer dan kafkaiaans, dit is pure waanzin! Ga eindelijk met de grove borstel door de Brusselse OCMW's, verplicht hen te fusioneren en stop met ons geld uit te delen aan wie er geen recht op heeft! Vlaams Belang vraagt een volledige audit van de Brusselse OCMW's en vooral ook van uw diensten. De socialistische augiasstal moet eindelijk dringend worden uitgemest!
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, vous affirmez que la situation était connue, que les services ont contrôlé les faits, et que tout est désormais sous contrôle. Cependant, si cela est vrai, comment expliquer que des manquements aussi graves aient pu se produire malgré cette vigilance annoncée?
Il est indéniable que le temps est venu d’une profonde remise en question des mécanismes ayant conduit à ces dysfonctionnements. Ce n’est pas seulement une question de procédures, mais de confiance envers nos institutions. Sans des mesures correctives concrètes, ces dysfonctionnements continueront à alimenter la défiance citoyenne. Nous aurions donc voulu entendre des engagements clairs et des actions précises pris par le précédent gouvernement pour garantir que cette situation ne se reproduise plus.
Je tiens à préciser, comme nous l’avons mentionné dans notre intervention, que nous n’émettons aucun reproche à l’encontre des travailleurs sociaux qui accomplissent un travail remarquable au quotidien. Remettre en question leur probité ou leur dévouement n’a jamais été l’objet de nos propos. Nous sommes pleinement conscients de la lourdeur de leur tâche. Toutefois, les manquements identifiés, ainsi que toute forme d’ingérence politique, doivent être pris au sérieux.
Florence Reuter:
Madame la ministre, vos explications ne suffisent pas. Nous connaissons tous les conditions pour avoir droit à une allocation sociale. Aujourd'hui, même les travailleurs sociaux sont révoltés, indignés. Ils n’osent même pas témoigner en public.
J’ai du mal à entendre qu’un CPAS, qui est soumis à un contrôle, qu’il soit social, financier ou juridique, en arrive là aujourd'hui, alors que vous dites vous-même que des enquêtes étaient déjà en cours.
J’ai du mal à entendre aujourd'hui encore un ancien président de CPAS dire: "Vous pouvez parler de clientélisme, mais moi, je suis socialiste, je suis fier de l’être, et je suis content de faire plaisir aux gens." Mais ce n’est pas comme ça qu’on aide les gens qui en ont besoin! C’est de l’argent public! Combien de fois faudra-t-il dire que cet argent doit aller à ceux qui en ont véritablement besoin?
Mon groupe demandera toute la lumière sur ces dysfonctionnements. Rendez-vous mercredi!
Nadia Moscufo:
Madame la ministre, j'ai bien entendu votre réponse. Mon groupe suivra la situation de près, notamment la semaine prochaine pendant la commission des Affaires sociales.
Si nous voulons résoudre les problèmes des CPAS, il faut vraiment améliorer les conditions de travail, avec moins de dossiers à gérer par travailleur. Nous estimons que vous n'en avez pas fait assez à ce niveau-là. La droite n'a pas non plus de solution à ce problème. Les plans du gouvernement MR et Les Engagés prévoient d'ailleurs d'exclure les travailleurs du chômage après deux ans. Ces personnes vont se retrouver au CPAS. Cela aggravera encore la situation alors que nous aurons besoin de plus d'assistants sociaux pour accompagner ces personnes dans leurs recherches d'emploi.
Je crains que la droite, sous prétexte de dysfonctionnements au CPAS d'Anderlecht – qui doivent évidemment être résolus –, remette en question l'ensemble de notre système de solidarité sociale. Nous n'allons pas laisser passer cela!
Wouter Raskin:
Collega’s, voor alle duidelijkheid, dit is geen kritiek op al die sociale diensten die elke dag keihard hun stinkende best doen. Het is kritiek op de zieke bedrijfscultuur die ingebakken zit bij de Brusselse PS. Het is geen eenmalig feit, maar het is systematisch. Ik herinner me dat u hier ook moest komen uitleggen dat u het niet zo gemeend had toen u zei dat al die Belirismiddelen naar de PS-burgemeesters moesten gaan.
Mevrouw de minister, ook nu lijkt u eindelijk het zonlicht gezien te hebben, maar hetgeen vandaag bovenkomt staat al jaren op papier. U komt er vandaag zelfs niet toe om uw OCMW-voorzitter met klem te veroordelen. U bent veel te soft.
Ik kan er niets aan doen en u moet me verontschuldigen, mevrouw de minister, maar ik zal het toch zeggen: u mist de ethiek om met publieke middelen om te gaan. U ondergraaft het draagvlak voor sociaal beleid in de samenleving en degenen die u meent te verdedigen zijn er het grootste slachtoffer van. En kameraden (…)
Caroline Désir:
Madame la ministre, merci de vous engager à faire toute la lumière sur cette situation inacceptable. Faire la lumière, oui, et sanctionner là où c'est nécessaire, évidemment. Il faut contrôler plus encore, là où on constate des illégalités. Vous avez donc raison de systématiser ces contrôles. Nous en reparlerons en commission des Affaires sociales.
J'entends, madame la ministre, que chaque niveau de pouvoir devra agir à son niveau, et qu'il faudra que la COCOM prenne également ses responsabilités via une mise sous tutelle du CPAS d'Anderlecht et via un audit approfondi de l'ensemble des CPAS.
La fraude sociale comme la fraude fiscale sont pour nous inacceptables. Inacceptables dans l'absolu, bien sûr, mais aussi parce que cela mine la confiance envers notre système de solidarité. J'insiste encore une fois sur le fait que les dysfonctionnements que nous dénonçons tous aujourd'hui avec la plus grande fermeté ne doivent pas avoir pour conséquence de stigmatiser les CPAS.
Matti Vandemaele:
Mevrouw de minister, u hebt in de eerste ronde van iedereen verontwaardiging gehoord. In de tweede ronde waren wij allemaal, behalve de PS, ontgoocheld over uw antwoord. Met verontwaardiging alleen zullen wij er echter niet komen. Er is nood aan actie. Het is in het belang van de cliënten, van de mensen die wel echt hulp nodig hebben, dat we het systeem terug op de rails krijgen. Dat is ook in het belang van de maatschappelijke werkers, die elke dag opnieuw aan de slag gaan om die ambities waar te maken.
Ik verwacht van u als socialist dat u ons model met hand en tand verdedigt. Dat kan alleen maar als men ook het cliëntelisme veroordeelt, bij naam noemt en zegt dat dit absoluut niet kan.
Ik heb vandaag van u geen enkele oplossing gehoord. Ik hoop dat we volgende week in de hoorzitting wel tot oplossingen kunnen komen, zodat we dit nooit meer moeten doen.
Voorzitter:
Mevrouw de minister, collega's, dank u. Dit zal zoals gezegd volgende week ook in de commissie uitgebreid worden behandeld.
De Werelddag van het verzet tegen armoede en toegankelijke gezondheidszorg
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 17 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Op de Dag tegen Kanker benadrukte Vooruit dat betaalbare zorg essentieel is, vooral voor mensen in armoede die zorg vaak uitstellen door financiële drempels. Minister Vandenbroucke wees op het succes van de derde-betalersregeling: 90% van de huisartsen en 80% van de tandartsen passen dit nu toe, waardoor patiënten enkel het remgeld (max. 4€) betalen in plaats van voorschieten. Bertels bevestigde dit als een socialistische overwinning maar drong aan op verdere uitbreiding naar alle behandelingen en overtuiging van de overgebleven zorgverleners die nog niet deelnemen. De oproep: verder bouwen op dit systeem om zorg toegankelijk voor iedereen te maken.
Jan Bertels:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, het is vandaag Dag tegen kanker. Dat is ook voor de Vooruitfractie enorm belangrijk. Kanker draag je niet alleen. Ook voor wie kanker heeft, moet een sterke overheid klaarstaan die zorgt voor de beste en betaalbare zorg. Zonder zorgen naar de huisarts gaan is voor velen vanzelfsprekend, maar lang niet voor iedereen. Op de Werelddag van het verzet tegen armoede is het belangrijk om stil te staan bij mensen voor wie zorg in dit land te vaak nog een luxe is.
Collega's, armoede betekent niet alleen dat men zich zorgen maakt om de kosten die men maakt, maar ook om bedragen die men moet voorschieten. Als men van week tot week leeft, kan men niet zomaar geld opzijzetten voor een doktersbezoek of een tandartsbezoek. En – we weten het allemaal – uitgestelde zorg is dure zorg. Net als men kwetsbaar is, moet een doktersbezoek steeds mogelijk zijn.
Vooruit staat voor een betaalbare en sterke zorg. Als men een dokter nodig heeft, mag de dikte van de portefeuille geen rol spelen. Wij maakten daarvan werk: voor 4 euro of minder naar de huisarts. Dat is voor veel mensen de praktijk. Socialisten regelden dat.
Mijnheer de minister, u maakte het mogelijk voor zorgverleners om gebruik te maken van de derde-betalersregeling. Dat is iets waar zij ook om vroegen, want als zorgverlener wil men patiënten helpen en ze niet naar huis sturen om financiële redenen. Hoe effectief is die genomen maatregel? Hoeveel mensen betalen vandaag al effectief alleen het remgeld bij huisarts en tandarts?
Frank Vandenbroucke:
Betaalbare zorg is ontzettend belangrijk, zeker voor mensen die in armoede leven. Daarom moeten we er inderdaad voor zorgen dat mensen alleen het remgeld uit hun portemonnee moeten halen en niet de hele rekening moeten voorschieten. Tot in 2021 was het voor sommige prestaties verboden om alleen maar het remgeld te betalen. We hebben een revolutionaire beslissing genomen door aan elke zorgverstrekker de toepassing van het systeem van de derde-betaler toe te staan.
Het resultaat van die beslissing is spectaculair. Vandaag past 90 % van de huisartsen het systeem van de derde-betaler toe voor bijna al hun verstrekkingen. Zo’n 80 % van de tandartsen gebruikt al de derde-betalersregeling en vraagt alleen het remgeld voor een belangrijk deel van hun prestaties. Dat is een zeer sterke vooruitgang, dankzij de wetswijziging die de uittredende regering mogelijk heeft gemaakt. We hebben op de achtergrond ook gezorgd voor een vlotte, elektronische facturatie waardoor artsen en tandartsen ervan verzekerd zijn dat de betaling waar zij recht op hebben effectief op hun rekening komt.
Ik denk dat dit succes bewijst dat het een goede maatregel was. Ik denk dat we het later moeilijk zullen hebben om aan onze kinderen of kleinkinderen uit te leggen dat de toepassing van het systeem van de derde-betaler ooit verboden was in dit land. Hoe zullen we dat kunnen uitleggen? We hebben er lang voor gevochten om de veralgemening van het systeem van de derde-betaler mogelijk te maken en het succes is spectaculair. De strijd voor een betaalbare gezondheidszorg is daarmee niet afgelopen. Er is ongetwijfeld nog veel werk te doen, maar daar willen we verder voor gaan.
Jan Bertels:
Mijnheer de minister, dat zijn mooie cijfers, dat is een mooi succes. Dat toont dat socialisten waarmaken wat ze beloven. Het is tijd om verder te gaan. We mogen niet loslaten en we moeten het gesprek ook aangaan met de laatste artsen en tandartsen die nog niet meedoen. Daarnaast moeten we ook verder kijken. Er zijn nog te veel behandelingen waarvoor de derde-betalersregeling nog niet geldt. Het is aan de volgende regering om verder te bouwen aan dit succes, want zo helpen we iedereen vooruit en daarvoor zijn socialisten nodig, mijnheer Francken.
Medische bijstand
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 2 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden bevestigt dat de Kamer in januari een resolutie aannam om medische bijstand in politiecelcomplexen (bij administratieve en gerechtelijke vrijheidsberoving) te versterken, met name via een uitvoeringsbesluit voor artikelen 33quinquies en 33septies van de politiewet. Zij heeft de federale politiecommissaris opdracht gegeven dit samen met betrokken partners uit te werken, maar concrete stappen of timing ontbreken nog. Verlinden belooft later updates te geven. Thiébaut aanvaardt dit zonder verdere vragen.
Éric Thiébaut:
Madame la ministre, en janvier dernier, la Chambre a adopté une résolution – qui était portée par mon groupe – visant à garantir et à améliorer l’application du droit à l’assistance médicale dans le cadre des privations de liberté administratives et judiciaires dans les lieux de détention de la police. Madame la ministre, pourriez-vous me faire l’état des lieux des initiatives déjà prises ou qui le seront prochainement en suivi de cette résolution?
Annelies Verlinden:
Monsieur Thiébaut, le 11 janvier dernier, la Chambre prenait une résolution visant à garantir et à améliorer l’application du droit à l’assistance médicale dans le cadre des privations de liberté administratives et judiciaires dans les lieux de détention de la police. Ce texte demandait notamment au gouvernement fédér a l d'adopter, concernant les arrestations administratives, l'arrêté royal de mise en œuvre des articles 33 quinquies, alinéa 1 er , et 33 septies de la loi sur la fonction de police afin de rendre effectif le droit à l’assistance médicale dans un cadre clair.
Je puis vous confirmer que j’ai chargé le commissaire général de la police fédérale de se pencher sur cette problématique, et ce, en concertation avec l’ensemble des partenaires concernés. Dès lors, je ne manquerai pas de vous tenir informé de l’état d’avancement de ces travaux en temps utile.
Éric Thiébaut:
Je vous remercie, madame la ministre.