Over klimaatverandering
71
plenaire vragen
0
voorstellen
meeste contributies
De wijzigingen in de Europese klimaatkoers
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 6 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Katrijn van Riet (N-VA) stelt dat de versoepeling van het EU-klimaatbeleid—met name het schrappen van het verbod op verbrandingsmotoren in 2035 en de flexibele 2040-doelstellingen—een erkenning is van "ecologisch realisme", waarbij betaalbaarheid en economische competitiviteit centraal staan. Ze vraagt zich af of België zijn klimaatplan moet herzien om industriele achterstand door hogere energieprijzen en trage procedures te voorkomen. Minister Jean-Luc Crucke verdedigt de EU-aanpassingen als pragmatisch maar risicovol: flexibiliteit (zoals e-brandstoffen) kan innovatie afremmen en koplopers zoals Volvo Gent benadelen, terwijl hij internationale kredieten alleen acceptabel acht als ze strikt gecontroleerd en additioneel zijn. Hij benadrukt dat het huidige Belgische klimaatplan (NEKP) al voldoet aan realisme en concurrentievermogen, met steunmaatregelen voor bedrijven, maar belooft wel langetermijnupdates tegen 2029. Van Riet ondersteunt de "pragmatische bijsturing", maar waarschuwt voor energietekorten door groeiende elektrificatievraag—zoals tweedehands EV’s—zonder voldoende capaciteit (bv. nieuwe kerncentrales) tegen 2035. Beide spreken steun voor innovatie en bedrijven uit, maar Crucke hamert op EU-voorspelbaarheid, terwijl Van Riet meer ruimte voor transitietempo bepleit.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, ik heb eigenlijk het gevoel dat u ook op deze vraag al deels geantwoord hebt, maar voor de goede orde zal ik ze toch stellen.
De Europese Unie wijzigde recentelijk haar koers op het vlak van klimaatbeleid. Zo laat ze het geplande verbod op de verkoop van nieuwe wagens met verbrandingsmotor in 2035 los, ten voordele van een veel flexibelere norm. Het 2040-doel van 90 % emissiereductie werd behouden, maar we spreken van een afzwakking, daar internationale credits toegelaten worden en er sectorale flexibiliteit en een latere invoering van ETS-prijzen voor benzine en aardgas volgen.
Uiteindelijk geeft de Commissie toe dat Europa zonder massale investeringen in zijn energie-infrastructuur en zonder een versoepeling van de milieuregels zijn concurrentiekracht dreigt te verliezen. Er dringt als het ware een vorm van ecologisch realisme door in Brussel. Wij van de N-VA-fractie pleiten daar al jaren voor. Klimaatambitie is zeker noodzakelijk, maar men moet rekening houden met betaalbaarheid, technologische haalbaarheid en economische slagkracht. Daarover heb ik enkele vragen.
Mijnheer de minister, hoe beoordeelt u de beslissing van de Europese Commissie om het verbod op nieuwe benzine- en dieselwagens te laten vallen? Ziet u daarin een erkenning dat technologieverboden niet werken binnen een realistisch klimaatbeleid op dit moment?
Wat is uw standpunt over het nieuw 2040-doel dat tot 5 % buitenlandse klimaatcredits toelaat? Hoe voorkomt u dat dat leidt tot dubbele boekhouding of tot climate shopping , waarbij landen hun klimaatambitie zouden verlagen om credits aan Europa te verkopen, terwijl onze industrie wél bindende verplichtingen krijgt?
Vindt u dat België, in het licht van die nieuwe Europese koers, zijn klimaatplan opnieuw moet actualiseren, om opnieuw te vertrekken van economische haalbaarheid en industriële competitiviteit?
Hoe garandeert u dat Belgische bedrijven niet achteropraken wanneer de EU expliciet kiest voor een pragmatische en flexibele transitie, terwijl ons land vandaag al worstelt met hogere energieprijzen en trage procedures?
Tot slot: hoe wil u, gebaseerd op de nieuwe ideeën van de EU, het toekomstig Belgisch klimaatbeleid concreet richting economisch realisme sturen?
Jean-Luc Crucke:
Geachte collega, uw eerste vraag gaat over het automotive package. De beslissing van de Europese Commissie betekent volgens mij geen afschaffing van de klimaatdoelstellingen voor de auto-industrie, maar wel een pragmatische bijsturing. Met het automotive package blijft de kern overeind: tegen 2035 moet de uitstoot van de nieuwe voertuigen met 90 % dalen.
De Commissie laat toe dat de resterende 10 % wordt gecompenseerd via alternatieven als e-brandstoffen, biobrandstoffen, of het gebruik van in de EU geproduceerd koolstofarm staal.
Flexibiliteit verdient een kritische blik. Alle energieoplossingen moeten kosteneffectief en duurzaam zijn.
E-fuels en biobrandstoffen zijn vandaag duur, schaars en vaak problematisch voor biodiversiteit en voedselzekerheid. Daarom moeten ze prioritair worden ingezet waar elektrificatie niet mogelijk is. Dat is niet het geval voor personen- en bestelwagens. Dat fabrikanten een deel van de uitstoot mogen compenseren met e- en biobrandstoffen, betreur ik persoonlijk. De mogelijkheid om flexibiliteit te voorzien via koolstofarm staal dat in de EU wordt geproduceerd, is in dat opzicht zinvoller, omdat ze tegelijk bijdraagt aan de uitbouw van een strategische, schone industrie in Europa.
We mogen bovendien niet vergeten dat de transportsector een van de moeilijkste sectoren blijft op het vlak van emissiereductie en dat de uitstoot nog steeds stijgt. Het afzwakken van doelstellingen is dan ook geen neutrale keuze. Het heeft concrete economische gevolgen.
België telt vandaag nog één autoconstructeur, Volvo Gent. Die fabriek heeft resoluut ingezet op elektrificatie en voldoet aan de Europese doelstellingen. Onder het vorig kader zou die koploperspositie zelfs economische voordelen opleveren via poolingmechanismen. Door de regels te versoepelen dreigen we net die bedrijven te benadelen die vooruitlopen, investeringen af te remmen en de eigen werkgelegenheid onder druk te zetten. De CO 2 -normen voor voertuigen bieden net voorspelbaarheid voor industri ë le investeerders, stimuleren innovatie in Europa en zorgen voor een groter aanbod aan emissievrije voertuigen. Dat is ook essentieel voor consumenten, die zo een alternatief krijgen voor de stijgende koolstofprijs onder ETS2.
Tot slot moeten we dat ook internationaal bekijken. De wereldwijde markt evolueert snel richting elektrificatie. Als Europa zijn industriële positie en exportmarkten wil veiligstellen, moeten we inzetten op technologieën van de toekomst. Sterk snijden in onze ambitie betekent niet alleen snijden in onze klimaatdoelstellingen, maar ook in onze eigen economie.
Ik kom tot uw vraag over flexibiliteit in de 2040-doelstelling De verhoging van het percentage internationale koolstofkredieten dat kan worden aangekocht in het kader van de 2040-doelstellingen maakt deel uit van het compromis dat nodig was om een akkoord te vinden over de 90 %-doelstelling binnen de EU. Gelet op die context ben ik tevreden met die uitkomst, zelfs als de federale overheid voor 3 % had gepleit.
Wat de meer technische aspecten van uw vraag betreft, om de milieu-integriteit te waarborgen en te vermijden wat u klimaatshopping noemt, kan ik als volgt antwoorden. Internationale kredieten moeten inderdaad van zeer goede kwaliteit zijn. Dat wil zeggen dat het moet gaan om additionele uitstootverminderingen, die zonder het project niet zouden hebben plaatsgevonden, die ambitieuzer zijn dan wat bekendstaat als business as usual en die vervolgens onafhankelijk worden gecontroleerd. Bovendien moeten de kredieten zich situeren binnen een traject van klimaattransitie in het gastland. Dat moet ervoor zorgen dat de EU alleen kredieten zal kopen van ambitieuze landen en niet van landen met lage ambities. Artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs bevat regels om dubbeltelling te voorkomen. Ik wil er ook op wijzen dat de EU volgens artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs ervoor zal kunnen kiezen om voornamelijk kredieten te kopen die zijn gegenereerd in het kader van het crediteringsmechanisme van artikel 6, 4de lid, dat gaat uit van een top-down multilateraal controlemechanisme, wat aanvullende garanties biedt. Ik wil erop wijzen dat het van belang zal zijn ervoor te waken dat die flexibiliteitsmechanismen uitgaan van partnerschappen die meerwaarde bieden voor zowel het klimaat, voor het gastland als voor de EU en dat die kredieten dus ook opportuniteiten bieden voor onze economische actoren. Finaal benadruk ik dat we er uiteraard over moeten blijven waken dat die kredieten de aandacht niet afleiden van de inspanningen die nodig zijn om binnen de EU tegen 2050 volledig klimaatneutraal te zijn, wat uiteraard een prioriteit blijft.
Uw derde vraag betreft de actualisering van het NEKP. In juli keurde de regering de federale bijdrage aan de actualisering van het Nationaal Energie- en Klimaatplan goed. Het NEKP is een strategisch plan dat de beleidslijnen en maatregelen uittekent om de energie- en klimaatdoelstellingen tegen 2030 te halen en klimaatneutraliteit na te streven. Concurrentievermogen, koopkracht en een rechtvaardige transitie vormen de leidende principes bij die actualisering wat de federale bijdrage betreft. Het plan is opgesteld om te voldoen aan ons regeerakkoord. Dat regeerakkoord is gebaseerd op pragmatisme en realisme wat betreft doelstellingen en beleidsmaatregelen. Een herziening is daarom momenteel niet nodig.
Specifiek voor bedrijven zijn er verschillende maatregelen voorzien, zoals een verlaging van het accijnstarief tot het Europees minimumniveau, een verlaging van de elektriciteitstransporttarieven voor energie-intensieve industrieën zodat die in lijn liggen met die in de buurlanden en een verhoging van het investeringsaftrektarief van 30 % naar 40 % voor grote ondernemingen, met als doel de energie- en klimaattransitie te stimuleren. Ik zal zo snel mogelijk besprekingen opstarten met mijn gewestelijke collega’s om te beginnen met het bijwerken van de langetermijnstrategie van België en het NEKP voor het volgend decennium, dat we tegen 1 januari 2029 aan de Europese Commissie zullen moeten voorleggen.
Uw vierde vraag gaat over de mogelijkheden voor bedrijven, hogere energieprijzen en tragere procedures. Het is moeilijk om daarop een antwoord te geven voor al onze bedrijven. Ik ga ervan uit dat u doelt op de meest energie-intensieve Belgische bedrijven, aangezien daarover heel wat in de pers is verschenen. Die bedrijven vallen onder het Europees emissiehandelssysteem, het EU-ETS. Dat systeem garandeert een gelijk speelveld op het vlak van de koolstofprijs binnen de Europese Unie, waardoor onze ondernemingen niet worden benadeeld ten opzichte van Europese concurrenten.
Met betrekking tot het geschil waarover u daarstraks sprak, de federale regering heeft in december van vorig jaar in eerste lezing een voorontwerp van wet goedgekeurd dat voorziet in een tijdelijke steunregeling voor de elektriciteitsprijs voor bedrijven die actief zijn in sectoren waar een aanzienlijk risico bestaat dat activiteiten op sectoraal niveau worden verplaatst naar buiten de Europese Unie, naar regio’s waar geen of minder ambitieuze milieuregels gelden. Daarbij wordt bekeken hoe die extra ondersteuning kan worden gekoppeld aan een gelijkwaardige inspanning in de richting van decarbonisatie en meer energie-efficiëntie.
We moeten erover waken dat Belgische bedrijven voldoende ondersteuning krijgen tijdens die transitie. Europese instrumenten, zoals het innovatiefonds, en mechanismen, zoals de contracts for difference, kunnen bedrijven helpen om investeringen in innovatieve technologieën en koolstofarme productieprocessen te realiseren. België neemt bijvoorbeeld actief deel aan de IPCEI, Important Projects of Common European Interest, rond waterstof en batterijen, zodat onze industrie toegang heeft tot Europese innovatieclusters en bijbehorende financiering.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord op de verschillende vragen. Ik kom even terug op het mogelijk verbod van benzine- en dieselwagens in het kader van de elektrificatie. Begrijp mij niet verkeerd, ik ben daarvoor, maar een beetje uitstel of een pragmatische bijsturing, zoals u het noemt, lijkt mij toch wel wenselijk. Zeker Volvo Gent heeft mooie scores behaald. Men maakt mooie voertuigen en men heeft daar goede beslissingen genomen. Onlangs verscheen ook in de pers dat er steeds meer tweedehandswagens, zowel hybride als volledig elektrisch, in omloop komen. Dat is een zeer goede zaak. Dat fenomeen zal in de toekomst alleen maar toenemen. Een en ander brengt met zich mee dat de vraag naar elektriciteit veel groter wordt. Daar wringt vandaag het schoentje. De energievraag wordt zo groot dat we er niet aan kunnen voldoen. Als we iedereen verplicht naar een elektrificatie sturen, dreigen we op een bepaald moment vast te lopen. Tegen 2035 zullen de nieuwe kerncentrales, of andere voorzieningen om aan de hogere energiebehoeften te voldoen, immers nog niet beschikbaar. Dat debat moeten we met de daartoe bevoegde minister voeren. We moeten daar echter waakzaam voor blijven. Daarom vind ik die pragmatische bijsturing zeer welkom. Ik wil u bedanken voor uw antwoorden op mijn andere vragen, waaruit blijkt dat we op dezelfde golflengte zitten en dat we onze bedrijven moeten blijven ondersteunen om die innovatieve koers aan te houden.
Het Belgisch sociaal klimaatplan
Het Sociaal Klimaatplan
Het Belgisch sociaal klimaatbeleid
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 6 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Crucke bevestigt dat België een intrabelgisch akkoord bereikte over de verdeling van 1,66 miljard euro (2026–2032) uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarvan 72 miljoen euro federaal is – met twee derde voor kwetsbare huishoudens (via accijnsverlaging op elektriciteit tot 0 €/MWh voor 513.000 sociaal-tariefgebruikers) en een derde voor micro-ondernemingen. Het geïntegreerd plan moet nog bij de EU ingediend worden, maar de huishoudmaatregel (190 miljoen euro) is al budgettair vastgelegd; regionale investeringssteun en federale exploitatiekostenverlaging moeten elkaar versterken. Ravyts reageert verrast dat de accijnsmaatregel niet expliciet gekoppeld wordt aan het Nationaal Energie- en Klimaatplan, ondanks eerdere mediaberichten, en vraagt om verdere opvolging.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, het belangrijke Belgisch sociaal klimaatplan is hier al een aantal keer aan bod gekomen, onder meer, naar ik meen, door mevrouw Farih, tijdens mijn afwezigheid wegens ziekte.
We weten dat de Europese Raad in november een akkoord heeft bereikt over de update van de Europese Klimaatwet. Het is nog niet volledig formeel bevestigd, maar het staat quasi vast dat de inwerkingtreding van ETS2 met een jaar zal worden uitgesteld. Wat wel doorgaat, mijnheer de minister, is het Europees Sociaal Klimaatfonds, dat vanaf dit jaar beschikbaar zal zijn, los van de timing van ETS2. Tijdens de eerste jaren ontvangt het fonds immers middelen uit het bestaande emissiehandelssysteem ETS1. Het Fonds loopt dus geen vertraging op.
We weten dat er in oktober vorig jaar een intrabelgisch akkoord is bereikt over de verdeling van de middelen. Voor het federale niveau zou het daarbij gaan om een bescheiden 72 miljoen euro voor de periode 2026 tot 2032.
Op Belgisch niveau wordt een en ander voorbereid binnen de Nationale Klimaatcommissie. Op federaal niveau coördineert de dienst Klimaatverandering de werkzaamheden binnen de taskforce Energie en Klimaat, samen met een aantal betrokken federale diensten. De werkgroep onderzoekt welke federale maatregelen het meest geschikt zijn om kwetsbare huishoudens, transportgebruikers en micro-ondernemingen te ondersteunen.
Er is dus een intrabelgisch akkoord over de verdeling, mijnheer de minister. Mijn vraag is of het Belgisch sociaal klimaatplan inmiddels al bij de Europese Commissie is ingediend. Welke federale maatregelen zijn precies in dit plan opgenomen? Of ben ik weer te vroeg met deze vraag?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer de voorzitter, collega Ravyts, ik moet mij in de eerste plaats verontschuldigen, want mijn antwoord op uw samengevoegde vraag met mevrouw Meunier is uitsluitend in het Frans. U weet dat dit niet mijn gewoonte is.
Le gouvernement fédéral a en effet déjà pris certaines décisions relatives aux types de mesures fédérales du plan social climat et aux principes généraux de sa gouvernance fédérale et interfédérale. Le 6 octobre 2025, le Comité de concertation a approuvé une clé de répartition du budget belge de 1,66 milliard d'euros entre 2026 et 2032, dont 13,13 %, soit 217 millions d'euros, seront alloués au gouvernement fédéral. Le cofinancement fédéral, soit environ 72 millions d'euros pour la période 2026-2032, a été inscrit dans l'identification du conclave budgétaire 2026.
En marge de ce Comité de concertation, le Conseil des ministres s'est accordé pour allouer deux tiers de la part fédérale à des mesures visant les ménages et un tiers pour les microentreprises vulnérables. Des frais pour l'assistance technique (coordination, communication, gestion) à charge du fédéral devront par ailleurs être compris dans l'enveloppe de 13,13 %.
La mesure concernant les ménages a également fait l'objet d'une décision dans le cadre du conclave budgétaire 2026. Elle consiste à octroyer aux ménages bénéficiant du tarif social une réduction des accises sur l'électricité. Selon le tableau de bord de la CREG le plus récent, 513 000 consommateurs résidentiels (chiffre arrondi) sont actuellement considérés comme protégés et bénéficient du tarif social sur l'électricité. Ce public bénéficie actuellement d'un taux d'accises de 23,62 euros/MWh, contre 47,48 euros/MWh pour un ménage non protégé. Ce taux serait a priori ramené à 0 euro/MWh. L'enveloppe globale pour cette mesure s'élève à environ 190 millions d'euros sur la période 2026-2032, en visant une entrée en vigueur dès 2026. Cela représente une enveloppe annuelle de l'ordre de 27 millions d'euros par an. Pour l'ensemble des consommateurs, cela représenterait une moyenne de 52,2 euros par an, qui viendrait réduire la facture d'électricité. Cette mesure sera détaillée dans les semaines à venir, mais elle serait a priori répartie de manière proportionnelle sur la période.
Cette mesure n'est pas considérée comme une aide directe au revenu, mais comme une mesure visant à stimuler l'investissement dans les solutions bas carbone et plus singulièrement dans l'électrification. Cette mesure viendrait compléter les dispositifs des régions qui soutiennent les ménages vulnérables par le biais d'aides à l'investissement pour la rénovation et l'électrification alors que la mesure fédérale réduit le prix final de l'électricité. Les régions soutiennent les dépenses en investissements, le fédéral les dépenses d'exploitation. De cette manière un ensemble de mesures cohérentes avec les régions est mis en place.
Par ailleurs, cette mesure est temporaire, ciblée et limitée aux groupes cibles du tarif social, ce qui peut être considéré comme conforme aux objectifs du Fonds.
Concernant les microentreprises, les mesures fédérales sont sur la table mais n'ont pas encore été approuvées par le Conseil des ministres. En collaboration avec les régions, la Belgique soumettra un plan social climat intégré dans les plus brefs délais en vue de débloquer les fonds européens pour la période 2026-2032, sur la base de l'atteinte des jalons et des cibles.
La Commission dispose alors d'un maximum de cinq mois pour communiquer son évaluation favorable du plan social pour le climat sur la base desdits jalons et cibles.
Nogmaals, mijn excuses voor mijn antwoord in het Frans.
Voorzitter:
De heer Ravyts heeft dat ongetwijfeld allemaal begrepen.
Kurt Ravyts:
Ja, ik heb de essentie van het verhaal begrepen. De maatregel inzake de mensen die het sociaal tarief genieten en de combinatie met de accijnzen heeft eigenlijk al in de pers gestaan, maar de pers heeft de link niet gelegd – de regering misschien ook niet – tussen dat en het Belgische Nationaal Energie- en Klimaatplan. Ik ben daar wel wat door verrast.
Wat betreft de consument, weten we dus in welke richting het zal gaan. Dat is nieuw voor mij. Ik ga daar even verder over nadenken, want dat overvalt me nu ook. Alvast bedankt voor de verdere update over de procedure. We gaan dit uiteraard verder opvolgen, want dit zal de komende jaren ook nog meer aan bod komen.
Voorzitter:
Dank u wel, collega Ravyts.
Voorzitter:
Mevrouw Schlitz, blij u te zien. Mag ik wel vragen om bij een volgende gelegenheid een seintje te geven over uw aan- of afwezigheid? We zijn zeer flexibel en ik heb er geen probleem mee om uw vragen naar achteren te schuiven, maar het lijkt me evident dat u aangeeft of u aanwezig zult zijn, omdat er soms ook andere collega’s al dan niet moeten wachten. Is dat goed voor u? Dank u wel. Dan mag u uw vraag stellen.
De ingebrekestelling door VSOA-Defensie
Het sociale klimaat bij Defensie
Het sociale klimaat bij Defensie
Het sociaal overleg bij Defensie
De sociale dialoog bij Defensie
Sociale aspecten en overleg binnen Defensie
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Francken (N-VA) weigert het sociaal akkoord voor Defensie verder aan te passen, ondanks ingebrekestellingen van vakbonden (o.a. VSOA-Defensie) die eisen dat elk gewerkt uur vergoed wordt, pensioenrechten gerespecteerd (kritiek op 11 jaar langer werken door hervorming Jambon) en betere arbeidsvoorwaarden komen voor militairen in politie-ondersteunende taken (nu zonder bevoegdheid/opleiding). Hij verdedigt het akkoord als "de grootste personeelsinvestering in 30 jaar" en wijst budgettaire beperkingen (o.a. STAR-plan) als reden voor weigering van extra eisen, zoals inkanteling van premies in pensioen (geblokkeerd door Jambon om precedenten te vermijden). Kritiek van oppositie (Ponthier, Lacroix): het akkoord is ondermijnd door de pensioenhervorming, oneerlijk (slechts 20/24u vergoed, nachtarbeid niet erkend) en miskent het militaire beroep (fysieke/mentale offers, lagere verloning vs. politie/brandweer). Zij eisen heronderhandelingen en garanties op uitvoering, maar Francken sluit verdere gesprekken uit en ontkent structurele tekortkomingen, met als argument dat "de meeste militairen tevreden zijn" en ACMP (grootste bond) akkoord ging. Territoriale reserve (operationeel vanaf eind 2026) en wettelijk kader voor binnenlandse inzet (via Defensiecodex) zijn in voorbereiding, maar concrete antwoorden op vergoedingen/opleidingen voor straatpatrouilles blijven vaag.
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, mijn vraag gaat niet zozeer over het sociaal overleg als dusdanig, maar wel over de ingebrekestelling door de eigen militairen, althans door hun vertegenwoordigers, met name legervakbond VSOA-Defensie. Mijnheer de minister, u bent niet snel onder de indruk, maar dat is toch wel merkwaardig te noemen. De vakbond stelt u in gebreke, omdat men waardig werk en een vergoeding voor elk uur dat militairen in dienst zijn – dat stemt niet overeen met de in het voorstel tot sociaal akkoord opgenomen aantal uren -, eist. Dat lijkt niet meer dan logisch. We vragen tenslotte heel veel van onze militairen, vooral in de sterk veranderende veiligheidscontext van vandaag. Denken we maar aan het feit dat militairen op straat moeten patrouilleren om in Brussel bijvoorbeeld de politie bij te staan in haar strijd tegen het drugsgeweld, terwijl dat overigens tot nader order nog altijd zonder enige bevoegdheid, zonder aangepaste opleiding en zonder correcte vergoeding gebeurt.
Bovendien wordt er volgens VSOA-Defensie door de nakende pensioenhervorming contractbreuk gepleegd. Jarenlang heeft men militairen de vroege pensioenleeftijd voorgehouden als compensatie en erkenning voor de unieke fysieke en mentale offers die ze brengen. In het voorstel tot sociaal akkoord wordt een en ander nu volgens VSOA-Defensie uit balans getrokken.
Hoe reageert u op de ingebrekestelling door de militaire vakbond VSOA? Heroverweegt u op dit moment nog de invulling van het sociaal akkoord? Vorige week vond een hoorzitting in onze commissie plaats. Er werd van u verlangd om een en ander te herbekijken en opnieuw met hen in gesprek te gaan. Wanneer ziet u dat gebeuren en wanneer ziet u de onderhandelingen over het sociaal akkoord definitief landen?
Voorziet u op dit moment in opleidingen en vergoedingen voor militairen die u wilt inzetten in gemengde patrouilles met de politie? Op basis van welke wettelijke bepaling kunnen zij dat soort taken uitvoeren? U bent bezig met een plan daaromtrent of met een wetsontwerp. Wanneer kunnen we dat verwachten?
Wanneer wordt de eerder aangekondigde territoriale reservemacht daadwerkelijk operationeel? Bent u op dit moment bereid te overwegen om geen reguliere militairen meer in te zetten voor binnenlandse politietaken, maar om eventueel werk te maken van een aangepaste, gespecialiseerde structuur, bijvoorbeeld de territoriale reserve of, zoals het Vlaams Belang voorstelt, een Vlaams veiligheidskorps?
Christophe Lacroix:
Monsieur le président, je renvoie à la version écrite de ma question.
Monsieur le Ministre,
Le moindre que l'on puisse dire est que le climat social à la Défense est explosif.
Votre plan social « à prendre ou à laisser » laisse perplexe les partenaires sociaux : aucune garantie de la part du gouvernement, un Ministre des Pensions qui remet en cause vos dires sur l'âge effectif de départ à la retraite et des missions militaires toujours plus dévoyées. Vous ne les verrez plus avant mi-octobre alors que la situation sociale au sein de votre département est catastrophique et laisse des milliers de militaires dans l'inconnue.
Dans un courrier adressé aux députés fédéraux, CSC, CGSP et SLFP ont dénoncé que votre plan social ne prévoyait rien en matière de pension. Ils nous disent être face à un « mur » et réclament un volet complémentaire sur les pensions ainsi que des mesures transitoires et d'atténuation pour les militaires concernés. « Des milliards supplémentaires sont investis dans le département de la Défense, mais tout est consacré au matériel. Le personnel est oublié, il n'y a pas d'équilibre » peut-on ainsi lire.
Cela confirme que vous êtes plus le Ministre de l'armement que de l'armée.
Dernière évolution, le SLFP vous a adressé une mise en demeure au sujet des rémunérations des militaires.
Monsieur le Ministre,
Comment réagissez-vous aux demandes des syndicats militaires ?
Quelles initiatives concrètes et selon quel agenda allez-vous prendre pour répondre à leurs revendications ? Selon quel agenda ?
Quand allez-vous faire toute la lumière sur l'allongement de plus de dix ans de la carrière des militaires alors que votre collègue Jambon ne répond pas à nos questions ni à celles des syndicats ?
Je vous remercie d'avance pour vos réponses.
Axel Weydts:
Mijnheer de minister, we hebben nog niet zo lang geleden inderdaad heel boeiende hoorzittingen gehad met de vakorganisaties. Die waren op veel vlakken een eyeopener, als ik dat naast de gesprekken leg die ik vaak voer met militairen. Ik zal niet te veel in detail treden.
Ik vraag mij echter af hoe het nu verder moet. Wat is de volgende stap? Ziet u een mogelijkheid voor nog meer aanpassingen aan wat nu voorligt? Voor alle duidelijkheid, ik vind wat nu voorligt, een enorme verbetering. Dat hebben alle vakorganisaties ook moeten erkennen. Voor de ene vakorganisatie was het nog niet voldoende en de anderen gingen ervan uit dat het voorgelegde voorstel op dit moment het meest haalbare was.
Laat dat ook mijn boodschap aan de vakorganisaties en de militairen zijn. Wie zegt dat het een eindpunt is of hoeft te zijn wat de verbetering van het statuut van onze militairen betreft? In de vorige legislatuur hebben de plannen van minister De Donder ervoor gezorgd dat de reguliere verloning van onze militairen eindelijk op een waardig niveau is gebracht. We hebben nu een sociaal akkoord dat ervoor zorgt dat de vele uren waar onze militairen ingezet worden, worden gecompenseerd. Wie zegt dat er in een volgende legislatuur of in volgende akkoorden niet nog een verbetering kan komen?
Mijnheer de minister, kortom, wat is het vervolg? Zit hier nog iets in dat de andere vakorganisaties ervan kan overtuigen om mee te tekenen? Of denkt u dat het bij het voorgestelde akkoord moet blijven en dat u straks met uw plan zult komen? Dat plan is weliswaar slechts door een van de vakorganisaties ondertekend, maar het gaat wel om de grootste met de meeste leden, zoals de heer Huwart van de militaire vakbond ACMP hier heeft gezegd. Hoe ziet u het?
Stéphane Lasseaux:
Monsieur le ministre, la semaine dernière, nous avons auditionné les syndicats de la Défense au sein de cette commission, c'est-à-dire le syndicat qui a accepté votre proposition d'accord de juillet et ceux qui ne l'ont pas accepté – du moins pas encore.
On peut retenir que tous reconnaissent des avancées importantes dans ce que vous proposez et mon groupe politique le reconnaît également et vous soutient. C'est pour cela que l'important syndicat CGMP l'a signé.
Néanmoins, il faut pouvoir entendre les demandes et les inquiétudes des autres syndicats. Ainsi, dans l'accord, il y a au moins deux points où vous vous engagez à plaider une amélioration de la situation au sein du gouvernement.
En effet, les mesures portant sur la bonification et celles portant sur la revalorisation de la rémunération liée à la fin de la péréquation demandent l'accord du ministre des Pensions. Monsieur le ministre, chez les Engagés nous ne doutons pas de votre ferme volonté d'améliorer la situation des militaires. Néanmoins, nous sommes inquiets car il ne semble pas que votre plaidoyer auprès du ministre des Pensions semble suivi d'effets positifs.
Dès lors, pourriez-vous nous dire où en est ce plaidoyer? En cas d'échec, quelles autres mesures compensatoires pourraient être envisagées? Allez-vous vous réunir à nouveau avec les syndicats pour en discuter? Que proposez-vous comme autres mesures pour tenter de faire signer le projet d'accord par les autres organisations syndicales?
Theo Francken:
Ik zal aan dat sociaal akkoord niets meer wijzigen. No way. De vakbonden zullen hun ei moeten leggen.
Ik heb hen gevraagd, op 25 juli, of ze wilden ondertekenen. Dat was na een hele lange sessie. Het Parlement was toen al in reces. Ik wou op vakantie vertrekken, zoals iedereen, want het was een heel zwaar jaar geweest. Ik wilde absoluut nog dat sociaal akkoord onderhandelen. We hebben daar ongelooflijk veel tijd en energie in gestoken. Heel mijn kabinet trouwens, en ook de vakorganisaties. We hebben daar gedurende uren bilaterale vergaderingen gehouden. We hebben gepraat en geluisterd. Ik dacht dat we er eigenlijk wel waren. Er is toen gezegd dat de vakbonden statutair nog geen groen licht mochten geven, dat ze echt hun achterban nog moesten raadplegen. Toen ze zeiden dat ze niet akkoord konden gaan, kwam dat wel binnen. De ACMP heeft zich wel akkoord verklaard.
Ik meen dat er op dat moment heel veel onduidelijkheid was en er waren heel veel vragen. Begin september zijn ze begonnen met een tool waarmee elke militair individueel kan berekenen wat de facto zijn pensioenleeftijd zal zijn en wat dat de facto betekent voor zijn loon, voor de opspremies enzovoort. We hebben toen informatiesessies georganiseerd in een tiental militaire kwartieren. Daar kwam altijd heel veel volk naartoe. Die hebben enorm veel van de wrevel, de onzekerheid en de stress weggenomen bij onze militairen. Nu is het relatief kalm. Ik meen dat het redelijk goed verlopen is.
In de jongste versie van de pensioenteksten was er nog één discussiepunt.
Un des points, monsieur Lasseaux, concernait le "plus un".
Het contingent van 1971 moest twee jaar langer werken, maar dat wordt één jaar. Jan Jambon heeft dit willen overnemen. Zij zullen dus niet onmiddellijk twee jaar langer moeten werken. Voor de mensen van 1971 - ik moet dit nog dubbelchecken - gaat het dus om één jaar langer werken. Voor de mensen van 1972 is dat twee jaar. Zo wordt dit dus toegepast: De mensen van 1971 moeten dus niet meteen twee jaar langer werken.
We bekijken nog heel wat modaliteiten. Maandagavond had ik nog een lange briefing over hoe de uithuispremie exact moet worden berekend en hoe we dat gaan aanpakken. Dit zijn concrete en belangrijke punten voor het personeel, maar ook vrij technisch.
Dan hadden we op 19 oktober ook nog een vergadering. Ik vroeg me af of men nu zou tekenen of niet, maar het was eigenlijk een heel vreemde vergadering, waarbij zij gewoon nog een aantal eisen hebben gesteld, maar er werd geen duidelijke conclusie bereikt. Ik had verwacht dat men finaal zou zeggen dat men niet mee doet. Dat is echter niet uitgesproken. Ze zijn niet vertrokken, ze bleven gewoon zitten, wat de vergadering nog constructief maakte.
Zij hebben nog wel grote vragen, bijvoorbeeld over de premie van mevrouw Dedonder. Dat is eigenlijk een loonsverhoging, die in het kader van een premie werd toegekend. De vraag is of deze premie in het pensioen wordt meegerekend. Jan Jambon heeft hier niet aan beantwoord, ondanks dat ik en mijn kabinetschef en mijn mensen dit herhaaldelijk hebben bepleit. Uiteindelijk heeft Jan Jambon dit niet overgenomen in het finale pensioenvoorstel, uit vrees voor precedenten. Hij zei dat als deze premie in het loon wordt opgenomen, ook andere diensten zoals politie en brandweer dit zouden vragen, wat niet helemaal onterecht is. In die zin is dit een moeilijk punt voor de minister van Pensioenen.
Het blijft een vakbondseis en het wordt door iedereen gevraagd. Men vraagt ook om de premie voor hogere officieren volledig in de wedde en het pensioen op te nemen. Er zijn nog verkiezingen in 2029. We zullen nog veel memoranda van vakbonden ontvangen, die aangeven dat dit hun belangrijkste vraag voor de volgende legislatuur is.
Dit akkoord is de grootste personeelsinspanning van de afgelopen 30 jaar op het vlak van defensie, zonder discussie. Als dit akkoord niet wordt goedgekeurd, dan moet dat maar zo zijn. Ik heb er alles aan gedaan.
Valt het akkoord goed bij de militairen? Ja, absoluut. Er zullen altijd enkele mensen zijn die niet tevreden zijn. De algemene pensioenverhoging wordt door velen niet gewaardeerd. Velen zouden de leeftijd liever op 56 jaar houden, anderen zelfs op 50 of 48 jaar. Dat is echter de keuze die we hebben gemaakt. Dat is nu eenmaal een feitelijkheid en de pensioenleeftijd zal dus stelselmatig omhooggaan. De Zweedse regering heeft daarover indertijd enkele beslissingen genomen. Daarvoor zijn er nog beslissingen genomen. Nu volgen de militairen.
Zullen zij allemaal tien jaar langer moeten werken? No way. We hebben veel modaliteiten uitgewerkt. De meeste militairen zullen twee of drie jaar langer moeten werken. Er zijn er ook al heel veel die gewoon blijven werken na hun 56ste. Het is dus niet zo dat iedereen op 56 stopt.
Ik denk, eerlijk gezegd, dat we er wel zijn. Wat nu finaal moet gebeuren, is een goede vraag. De finale teksten van het pensioenakkoord zijn bijna volledig. Op basis daarvan verwacht ik een antwoord van de vakorganisaties: ondertekenen ze mee of niet?
Er was nog een vraag over de maaltijdcheques. Als men nu een continue dienst van 24 uur doet, ontvangt men maar één maaltijdcheque, wat niet volledig eerlijk is. Dat wordt aangepast. Daar ga ik op in. Dat was een vraag van de vakorganisaties.
Dat geldt ook voor het plus-één systeem. Daar gaat minister Jambon op in.
Tot slot was er een vraag naar de inkanteling van premies in het loon en volledig in het pensioen. Daar wordt niet op ingegaan. Er blijft dus eigenlijk nog één openstaand punt. Het is een belangrijke eis, maar leg het memorandum van de vakorganisaties dat we voor de verkiezingen ontvingen hiernaast. Het is indrukwekkend wat ze hebben binnengehaald.
Dan blokkeren ze het vanwege één punt dat ze niet hebben binnengehaald, om vervolgens te zeggen dat het op niets trekt. Ik vind persoonlijk dat sommigen het defensieberoep op een heel negatieve manier afschilderen. Het lijkt alsof het de ergste job ter wereld is. Ik heb het vanochtend al gezegd, militair zijn is blijkbaar bijna traumatisch. Ik denk niet dat dit helemaal correct is, maar goed, iedereen moet vooral doen wat hij denkt te moeten doen en we zullen zien.
Dus neen, ik ga de tekst niet nog eens grondig aanpassen. Dit is het. Dat sociaal akkoord wordt ook nog naar wetteksten vertaald en gaat nog naar Conego. De technische details worden allemaal nog besproken. We zijn dus nog niet thuis.
Annick Ponthier:
Ik dank de minister voor zijn antwoord.
Ik moet zeggen dat de hoorzittingen vorige week met de sociale vakorganisaties in de commissie heel erg to the point waren, de ogen op veel vlakken hebben geopend en heel eerlijk waren. Dat was niet verrassend voor ons als commissieleden, omdat wij die hoorzittingen al hadden bijgewoond en wisten wat er schortte of nog kon worden verbeterd aan het militair statuut. Ook voor de mensen op het terrein zal dit wellicht niet verrassend zijn geweest, maar het was wel ongemakkelijk om te aanhoren. U kunt mij er niet snel van verdenken een syndicalist te zijn, maar in deze situatie vind ik dat de vakorganisaties alle recht van spreken hebben.
Er werd gesteld dat een uur een uur is, maar dat is het niet. Welzijn op het werk wordt miskend. Loopbaantoelagen in de wedde berekenen gebeurt niet, gelijkschakeling van de verloning met andere veiligheidsberoepen wordt niet gerespecteerd. Er bestaat nog veel onduidelijkheid over de opspremie. Ook heerst er nog heel wat onduidelijkheid over de specifieke voorwaarden voor bepaalde oppensioenstellingen en zijn er vragen inzake vergoedingen. De afgelopen week werd er zo nog meer opgemerkt.
Uw reactie hierop is dat u aan dit sociaal akkoord niets meer zult wijzigen. U hebt ook niet geantwoord op de vraag om opnieuw in gesprek te gaan. Ik heb begrepen dat u niet in gesprek wilt gaan.
Wat ik nog erger vind, is dat u het wel wat op flessen trekt door te zeggen dat er altijd wel enkelingen zullen zijn die het niet genoeg vinden en die al op 48-jarige leeftijd met willen pensioen willen gaan, en blokkeren op één ding. Het gaat echter niet om één ding, maar om meerdere dingen. Vorige week konden we dat heel concreet horen. Ik betreur dit ten zeerste en vind dit ook een miskenning van respect voor onze militairen.
Nochtans stond er in uw regeerakkoord dat langer werken moest lonen, dat operationaliteit moest worden beloond en dat de specificiteit van het militaire beroep moest worden gerespecteerd, gewaardeerd en beloond. Het sociaal akkoord was oorspronkelijk een manier om het militair statuut te verbeteren. Er zijn heel wat verbeteringen, laat dat duidelijk zijn. Het sociaal akkoord werd echter onderuitgehaald door de pensioenhervorming die er doorheen kwam gefietst. Dit plaatste een en ander voor militairen in een ander daglicht. Elf jaar langer werken vergt in de praktijk meer bijsturing dan wat er nu gebeurt.
Nu gebeurt er een inhaalbeweging. U schudt het hoofd, maar het is wel zo. Nu gebeurt er een inhaalbeweging richting het normale, maar niet tot op het normale niveau.
De slotsom van heel dit verhaal, er is op dit moment geen enkele garantie over het hele akkoord. De vorige sociale akkoorden werden allemaal voorgesteld als mooie bijsturingen, maar in de praktijk kwam daar weinig van terecht omdat er geen budgettaire buffer was, omdat de voorziening of de situatie in de praktijk niet navenant was. Toen er daarover achteraf werd geklaagd, zou u tegen de vakorganisaties hebben gezegd – en u moet dat desgevallend maar tegenspreken – dat ze dan maar niet zo naïef hadden moeten zijn.
Ik vraag mij af wat er op dit moment gebeurt. Vindt u echt dat de vakorganisaties nu wel moeten tekenen en opnieuw naïef moeten zijn, om uw eigen woorden te gebruiken? Ik vind van niet en ik meen dat u de militairen het respect moet geven dat zij verdienen.
Ik rond af met te zeggen dat u op al mijn specifieke vragen met betrekking tot de territoriale reserve, de militairen op straat en het wettelijk kader daarrond geen enkel antwoord hebt gekregen.
Christophe Lacroix:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Elles ne m'ont évidemment pas satisfait mais ce n'est pas trop grave s'agissant de moi: elles ne satisfont pas trois syndicats sur quatre. Ces trois syndicats ne doivent pas être méprisés et mis de côté parce qu'un seul syndicat représentant un grand nombre de militaires aurait, lui, marqué un accord. C'est là le premier élément: quand on veut mener une concertation, on respecte tout le monde et tous les partenaires, y compris les plus petits. À eux trois, ils représentent du reste également une grande partie des militaires.
Le deuxième élément est que, selon les chiffres qui nous ont été fournis par la Direction Générale des ressources humaines de la Défense nationale – ce ne sont donc pas les chiffres des syndicats – seuls 48 % des militaires pourront demander leur pension après avoir travaillé sept années de plus. L'impact est donc énorme pour ces militaires, en particulier pour ceux qui sont déjà en place. En effet, les nouvelles conditions mises sur la table valent pour les nouveaux, qui intègrent la Défense en connaissance de cause, tandis que les autres avaient un accord social et des acquis qui leur sont aujourd'hui rabotés. Chaque heure serait compensée? Seules 20 heures sur 24 sont compensées, et on ne valorise pas le travail de nuit. Une compensation équitable? Seulement 1,81 € brut de l'heure en plus pour un sergent comptant 9 ans d'ancienneté. Quatorze mois de prime d'opération? C'est 45 € par mois pour les volontaires. Travailler les jours fériés sera mieux rémunéré? On gagne trois fois plus via un flexi-job. Ces chiffres sont véridiques.
Vous évoquez l'accord social du siècle. Non, ce n'est pas l'accord social du siècle. On pourra parler d'accord social lorsque le gouvernement l'aura accepté, ce qui ne m'apparaît pas certain.
Par ailleurs, j'admets que vous avez fait des efforts, mais ces efforts sont insuffisants en l'occurrence. Vous disposez en effet de moyens supérieurs à ceux de la ministre Dedonder. Cette dernière est passée de 1,1 à 1,3 % du PIB, alors que vous êtes passé de 1,3 à 2 % du PIB. En valeur proportionnelle, vous auriez donc pu au moins obtenir plus de 600 millions d'euros pour un accord social. Malheureusement, vous avez aussi été victime de la vision très dogmatique et très idéologique du ministre des Pensions, votre coreligionnaire N-VA, M. Jambon.
Je terminerai en disant que, au vu des tableaux qui nous ont été fournis sur les traitements, revenus, compensations, etc., dans les services de sécurité – les militaires, les pompiers, les policiers, les gardiens de prison – ce sont finalement les militaires qui gagnent le moins. Et ça, ce n'est pas normal.
Stéphane Lasseaux:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Nous sommes évidemment bien conscients que des améliorations ont été apportées. Toutefois, des accords ont été passés, c'est exact, mais pas avec l'ensemble des syndicats. Nous comprenons bien entendu que lorsque le plus grand syndicat propose un accord, cela permet d'avancer.
Toutefois, je souligne que le métier de militaire présente une spécificité particulière, de sorte que je ne peux que vous inviter à y être sensible et à continuer à rechercher des solutions et des améliorations, dans la mesure du possible.
Theo Francken:
Ik wil nog even kort reageren.
Er wordt hier gesteld dat men geen syndicalist is, maar laat dat volgen door beweringen die geen steek houden. U verwijst naar wat ik in het verleden heb gezegd, maar aangezien u daar niet bij was, herhaal ik beter zelf wat ik eerder heb verklaard. Ik heb gesteld dat men vroeger niet zo naïef moest zijn.
Wanneer men onderhandelt en weet dat de bevoegde minister nul euro extra heeft of zelfs moet besparen, dan is het enigszins goedgelovig te denken dat de afspraken zomaar zullen worden ingevoerd.
Bovendien blijft een aantal mensen rond de tafel herhalen dat het akkoord er niet zal komen. Ook sommige syndicaten blijven dat opperen. Het budget is evenwel voorzien; dat staat vast.
Wanneer wordt beweerd dat het allemaal veel te weinig is en dat minstens 600 miljoen euro moet worden uitgetrokken, is dat naar mijn mening buiten proportie. Er zijn veel andere noden. Het gat van 5 miljard euro in het STAR-plan, om maar iets te noemen, moest worden gevuld.
Ook moeten nog veel andere capaciteiten worden aangekocht, is er infrastructuur nodig en moet extra personeel worden aangeworven om onze organisatie te versterken. Het blijft telkens een keuze en ik meen dat wij de juiste keuze hebben gemaakt.
Ik wil nog even kort het volgende meegeven. De ingebrekestelling van begin oktober heeft volgens mijn laatste informatie ondanks het ruim verstrijken van de gestelde termijn vooralsnog niet geleid tot de erin aangekondigde gerechtelijke procedure. Desgevallend zal een verweer voor de rechter worden gevoerd. Ik ben dus wel in gebreke gesteld, maar vervolgens is er niets mee gebeurd en is er evenmin een zaak aanhangig gemaakt. Misschien komt die zaak er nog. Dat weet ik niet. Volgens mij maakt die zaak niet veel kans. Mijn juristen fluisteren mij alleszins in dat die zaak geen schijn van kans maakt.
Mevrouw Ponthier, over de inzet van militairen op straat merk ik op dat momenteel een nieuw en verbeterd wettelijk kader dat de inzet van militairen voor binnenlandse opdrachten regelt, wordt uitgewerkt op de werf van de Defensiecodex, die binnenkort met de vakorganisaties zal worden besproken. In afwachting van de invoering van de Defensiecodex vindt dergelijke inzet in België, wanneer noodzakelijk, uiteraard plaats onder het bestaand wettelijk kader. De militairen zullen voor een dergelijke inzet de correcte informatie en opleiding moeten krijgen. De vergoedingen en toelagen verbonden aan die vorm van inzet, zullen worden toegepast.
De territoriale reserve zal vanaf eind 2026, begin 2027, stelselmatig worden op- en uitgebouwd. Het concept alsook het operationele en juridische kader wordt momenteel door de Defensiestaf uitgewerkt.
De mogelijkheid van een gespecialiseerde veiligheidsstructuur wordt niet a priori uitgesloten, maar vergt een grondige analyse en politieke consensus op zowel federaal als gewestelijk niveau.
Voorzitter:
Mevrouw Ponthier, kunnen we het daarbij laten, of wenst u nog te repliceren?
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, bedankt voor de aanvulling van uw antwoord op mijn vragen. Wat het sociaal akkoord betreft, een sociaal akkoord ondertekenen met nul euro budgettaire dekking is uiteraard naïef. U hebt gelijk wanneer u daarvoor waarschuwt en wanneer u stelt dat daarin destijds onjuist werd gehandeld. U geeft aan dat er nu wel middelen zijn voorzien. Volgens wat wij hebben vernomen, en ik heb geen enkel criterium om daaraan te twijfelen, zijn er weliswaar middelen voorzien, maar te weinig om te realiseren wat u wenst. Bovendien is er vooralsnog geen dekking door de regering. Dat lijkt me geen detail in het geheel. Voor de vakorganisaties is er daardoor geen enkele garantie dat zal worden uitgevoerd wat u wilt realiseren. Ik herhaal dan ook wat ik eerder heb gezegd, alles in overweging genomen lijkt het me bijzonder naïef om dat sociaal akkoord nu te ondertekenen. Voorzitter: Christophe Lacroix. Président: Christophe Lacroix.
De Einstein Telescope
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Dieter Keuten (parlementslid) vraagt premier De Wever naar het Duitse standpunt over de Einstein Telescope (zwaartekrachtgolvendetector), na diens gesprek met bondskanselier Merz, en bekritiseert dat het dossier niet aan bod kwam. De Wever stelt dat Duitsland (met twee interne kandidaturen: Noordrijn-Westfalen en Saksen) de beslissing blokkeert, terwijl de drielandenkandidatuur (BE/NL/DE) technisch en economisch sterker is dan Italië; hij wijst op gereedheid, financiering (o.a. Vlaamse steun) en diplomatieke lobby (o.a. bij Frankrijk en Luxemburg), maar benadrukt: "Time is of the essence". Keuten waarschuwt dat Italië (met steun van Duitsland) strategischer lobbyt, wetenschappers naar Saksen stuurt en twijfel zaait over het driehoekontwerp (vs. twee L-vormen), en pleit voor meerdere scenario’s in het bidbook; hij verwelkomt extra federale middelen uit het regeerakkoord. De Wever blijft vasthouden aan het enkele driehoekscenario als optimale keuze.
Dieter Keuten:
Dank u, mijnheer de voorzitter. Mijnheer de premier, naar aanleiding van uw bezoek aan de Duitse bondskanselier Merz op 26 augustus 2025 heb ik een vraag over de Einstein Telescope. Voorafgaand aan dat bezoek stond het dossier van de Einstein Telescope uitgebreid in de pers. Het is positief dat dat dossier de nodige aandacht krijgt.
U zou het thema op de agenda zetten tijdens uw overleg met de Duitse bondskanselier. Helaas moest ik vaststellen dat er na afloop van dat gesprek tijdens de persconferentie, zelfs niet in het beste Duits, met geen woord over is gerept.
Ik verneem daarom graag wat het standpunt is van de Duitse regering. Wat hebt u gehoord van de heer Merz over de drie kandidaten die momenteel strijden om de bouw van deze detector van zwaartekrachtgolven? Hoe schat u onze slaagkansen in? Welke bijkomende diplomatieke inspanningen plant u om onze kandidatuur verder te ondersteunen?
Bart De Wever:
Het was duidelijk niet de pers, maar de parlementsleden die ik had moeten uitdagen om te blijven zitten voor de rest van de vragen. Ik excuseer mij tegenover de leden van de vierde macht.
Het knelpunt met de Einstein Telescope ligt vooral in Duitsland, mijnheer Keuten. Daar zijn niet één, maar twee Duitse kandidaturen: Noordrijn-Westfalen en Saksen. De Duitsers moeten een keuze maken, maar tot op heden hebben ze geen standpunt ingenomen. Ik zal mijn collega vragen wanneer hij die knoop denkt door te hakken. Zij moeten dat doen; wij zijn klaar. Dat zou de zaak in een stroomversnelling kunnen brengen.
Wij hebben een drielandenkandidatuur, die wetenschappelijk en economisch zeer sterk is. We hebben een aanzienlijk voordeel ten opzichte van de voor de hand liggende concurrent, Italië. In Italië zou in zogenaamde twee L-vorm op twee aparte locaties moeten worden gebouwd, waardoor de schaalvoordelen aanzienlijk afnemen. Wij daarentegen hebben een driehoekig bouwproject, wat technisch beter is en economisch bijzonder sterk.
Rond het drielandenpunt bestaat een groot industrieel en wetenschappelijk ecosysteem in de Euregio Maas-Rijn, wat het evident maakt om de Einstein Telescope daar te bouwen. Bovendien is de financiering in orde, zowel in Nederland als in België en dan vooral dankzij de Vlaamse deelstaat, die al ruim middelen heeft gereserveerd. Het ligt dus niet bij ons.
Het doorhakken van de knoop voor Noordrijn-Westfalen – naar mijn inschatting, maar wie ben ik want ik ben geen Duitser – blijkt bijzonder moeilijk. De kandidatuur van Saksen is een zeer zwakke, efemere kandidatuur, maar binnen een federaal systeem is het politiek vaak complex om met deelstaten om te gaan. Dat blijkt niet alleen bij ons het geval te zijn, ook daar is die knoop nog niet doorgehakt. Van zodra dat gebeurt – en ik spreek niet namens de heer Merz – hopen ze dat dit onverwijld plaatsvindt. Het is niet aan ons om die timing te bepalen, maar zodra die beslissing valt, kunnen we doorzetten en dat dossier op dat moment binnenhalen. Naarmate de tijd verstrijkt, bestaat het risico echter dat uw tegenkandidaat zich sterker bewapent, actiever lobbyt en zijn dossier verder versterkt. Dus time is of the essence .
Ik denk dat daarmee de essentie van de vraag is beantwoord. We zijn er klaar voor, de Nederlanders zijn er klaar voor en we hebben ons ook verzekerd van alle mogelijke steun die nodig is. Ik heb een bilaterale ronde gemaakt langs alle buurlanden. Ook Luxemburg mogen we daarbij niet vergeten, want dat ligt eveneens in de onmiddellijke nabijheid. Ik ben bij de Fransen geweest en heb toegelicht waarom onze kandidatuur ook voor Frankrijk interessant kan zijn. Tijdens het laatste Benelux-overleg heb ik er gebruik van gemaakt om de minister-president van Noordrijn-Westfalen uit te nodigen, de heer Wüst, die uiteraard aan onze kant staat. Ook de vertegenwoordiger van Hauts-de-France – het dichtstbijzijnde Franse departement – was aanwezig. Ik heb hem uitgebreid ingelicht en ook zijn sympathie voor het dossier verkregen.
Ik denk dus dat we onze taak hebben vervuld. Het is nu aan de Duitsers om te beslissen en wat mij betreft liever morgen dan overmorgen.
Dieter Keuten:
Dank u, mijnheer de eerste minister, voor uw antwoord. Het stemt me tevreden te horen dat u uw ronde bij de buurlanden hebt gemaakt. Het lot ligt inderdaad grotendeels in Duitse handen. De Duitsers zijn echter slim genoeg om op twee paarden te wedden. Men zou dus kunnen zeggen dat op het einde van de voetbalwedstrijd Duitsland wint. Ik speel hier de advocaat van de duivel, begrijp me niet verkeerd. We steunen uiteraard onze drielandenkandidatuur, maar we hebben er bewust voor gekozen om volledig voor die ene piste te gaan.
Mijnheer de eerste minister, we hebben gekozen om all-in te gaan voor één scenario, namelijk dat van de driehoek op ons drielandenpunt, voornamelijk in Wallonië of onder de Voerstreek. U zegt dat dit technisch beter is en dat het duidelijk voordelen oplevert om één driehoek te bouwen, met schaalvoordelen als gevolg. Dat klopt, maar ik moet als advocaat van de duivel ook wijzen op mogelijke negatieve gevolgen. Er bestaat namelijk geen wetenschappelijke consensus dat een driehoek beter is dan twee L’en. Sommige wetenschappers zijn ervan overtuigd dat het bouwen van twee L’en op duizenden kilometers afstand efficiënter is. Bovendien zijn er elders in de wereld al L’en gebouwd, waardoor de kennis daarvoor reeds aanwezig is, terwijl de kennis om een driehoek te bouwen pionierswerk vergt. De Duitsers spreiden dus hun risico terwijl wij meteen all-in gaan.
De Italianen spelen het spel heel slim en niet alleen op diplomatiek vlak. Met alle respect voor u, maar mevrouw Meloni opereert diplomatiek op een hoger niveau. De Italianen hangen hun karretje aan dat van de Duitsers. Zij hebben al wetenschappers naar Saksen gestuurd om daar mee onderzoek te voeren naar de ondergrond. Tussen de lijnen ben ik er dus van overtuigd dat de Duitsers en de Italianen, met name de Saksen en de Sardiniërs, een gemeenschappelijke kandidatuur voorbereiden. Dat zou natuurlijk een groot risico inhouden voor onze kandidatuur.
Ik ben dan ook blij dat ik in uw regeerakkoord heb gelezen dat extra federale middelen zullen worden vrijgemaakt. Ik hoop dat wij daar binnenkort meer details over krijgen en dat die extra middelen het projectbureau dat onze kandidatuur voorbereidt, in staat zullen stellen om meer dan één scenario te onderzoeken. Tot op heden bereidt het zijn bidbook immers uitsluitend voor op basis van het driehoekscenario. Mogelijk is het met het oog op risicospreiding en het maximaal benutten van opportuniteiten interessant om meerdere scenario’s te bekijken.
Ik dank u alvast voor uw aandacht.
Voorzitter:
Vraag nr. 56007882C van mevrouw Maouane wordt uitgesteld.
De COP30
De COP30
De COP30
De balans van de COP30
De COP30
De verklaring uit de COP30 over 'de juiste klimaatinformatie'
Klimaatconferentie COP30 en uitkomsten
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België bevestigde op COP30 zijn ambitie voor klimaatadaptatie en een *juste transition*, ondanks teleurstellende globale afspraken (geen bindende doelen voor fossiele brandstoffen of ontbossing). Minister Crucke verdedigde een multilaterale aanpak, benadrukte België’s rol in de *coalition of the willing* (met Benelux) en kondigde een project met QuotaClimat aan om klimaatmisinformatie in media te monitoren – *zonder overheidscontrole* maar met analyses en aanbevelingen, wat kritiek uitlokte op censuurvrees en wetenschappelijke dogma’s. De Belgische delegatie (30 overheidsleden, 50 middenveld) kostte minder dan vorig jaar; financieel werd een verdrievoudiging van adaptatiefinanciering voor ontwikkelingslanden bevestigd, maar concrete uitvoering blijft vaag. Critici (o.a. Van Rooy) hekelden de focus op CO₂-reductie als "tiranniek" en pleitten voor adaptatie, terwijl anderen (Meunier, Lejeune) loofden dat België ondanks EU-abstentie 2040 zijn internationale gelofte herstelde.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, nu ook Bill Gates de bocht inzet en het klimaatalarmisme en de fetisj met fanatieke CO 2 -reductie en beperking van temperatuurstijging eindelijk achter zich laat en de focus wil leggen op klimaatadaptatie en het welzijn van mensen, dringt de vraag zich op wat u namens België hebt verklaard op de COP30, de recente VN-klimaattop in Brazilië. Kunt u toelichten wat u daar hebt gezegd? Uit welke personen bestond de Belgische delegatie? Hoelang is die delegatie daar geweest? Wat is de totale kostprijs van de reis naar de VN-klimaattop in Brazilië?
Enkele dagen geleden vernamen wij dat u in Belém een verklaring hebt ondertekend waarin België zich engageert om de berichtgeving op radio, televisie en sociale media te controleren op de juiste klimaatinformatie. U wilt daarmee de strijd aanbinden met klimaatdes- en misinformatie en gaat daarvoor in zee met de Franse ngo QuotaClimat. Dat is toch wel een tirannieke organisatie die kritische berichtgeving over klimaatverandering, fakenieuws volgens die organisatie, in wezen strafbaar zou willen maken.
Mijnheer de minister, wat zal er in de praktijk precies gebeuren? Wie zal precies bepalen wat klimaatdes- en misinformatie is? Hoe zullen journalisten – en geldt dat ook voor burgers? – worden gewezen op de waarheid met een grote W? Wat is voor hen het gevolg als ze iets publiceren of zeggen dat niet voldoet aan die zogenaamde klimaatwaarheid? Over hoeveel jaar loopt dat project? Wat is de kostprijs ervan?
Ik wijs er toch op – u weet dat vast nog – dat ik u bij het begin van deze legislatuur heb gezegd dat u in uw beleidsverklaring zelf desinformatie hebt geschreven. In uw beleidsverklaring staat namelijk, ik citeer, "dat alle wetenschappelijke literatuur en internationale rapporten het erover eens zijn," waarmee bedoeld wordt over de klimaatwetenschap, de toestand van het klimaat, de toekomst, enzovoort.
Die bewering is uiteraard niet waar. Het wetenschappelijke debat over zo'n complexe en vrij jonge wetenschap als de klimaatwetenschap wordt nog altijd volop gevoerd, maar, zoals ook geldt voor andere disciplines, het is voor bepaalde wetenschappers met bepaalde inzichten moeilijk, om niet te zeggen onmogelijk, om tractie te krijgen in de media en in de politiek.
Mijnheer de minister, vindt u het werkelijk de taak van de overheid om informatie te controleren en te proberen sturen? Ik wijs u erop – u hebt het misschien gezien – dat de reacties van journalisten, zoals éminence grise Rik Van Cauwelaert, en van heel wat andere mensen niet mals zijn. Hij postte op X over uw nieuw project: “Zijn we nu helemaal zot geworden?” Wat is uw reactie daarop?
Begrijpt u – dat zal u misschien toch een beetje kunnen overtuigen – dat u daarmee allicht het tegenovergestelde effect zult bereiken van wat u beoogt?
Voorzitter:
Dank u wel, collega Van Rooy, om op gepaste wijze de spits af te bijten.
Van PVDA is geen collega aanwezig, dus geef ik het woord aan mevrouw Meunier.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, vous êtes de retour de la COP30 à Belém: un rendez-vous symbolique, dix ans après l’Accord de Paris. Cette conférence devait combler le fossé entre promesses et actions, relancer la dynamique internationale et, comme vous l’avez dit, redonner un avenir au multilatéralisme.
Or cette COP est intervenue dans un contexte marqué par un manque criant d’ambition de la Belgique, au regard de son abstention à l’Europe concernant l’objectif de réduction pour 2040. Notre pays s’est ainsi décrédibilisé en rejoignant la Pologne et la Hongrie.
Ce sommet a également abordé des thèmes majeurs comme la transition juste, le financement climatique, la désinformation, la solidarité internationale, le tout dans un contexte où votre gouvernement décide de réduire sa contribution à la coopération au développement, alors que les pays du Sud appellent à l’aide.
Monsieur le ministre, quel bilan tirez-vous de cette COP30? Quelles avancées concrètes ont été obtenues pour accélérer la mise en œuvre de la transition juste? Comment, de manière précise et chiffrée, la Belgique a-t-elle contribué aux discussions sur le financement climatique? Quelle position notre pays a-t-il défendue sur la lutte contre la désinformation climatique et sur l’éducation aux enjeux environnementaux? Enfin, et surtout, comment la Belgique entend-elle désormais regagner sa crédibilité internationale en matière de climat après notre récente abstention européenne? Je vous remercie pour vos réponses.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, j’ai entendu ici que beaucoup de personnes étaient très heureuses de vous retrouver après cette COP30. Soyez certain que cela nous fait également plaisir de vous retrouver ici.
Vous revenez donc de la COP30 à Belém – on vient d’en parler –, un rendez-vous particulièrement important, 10 ans après l’Accord de Paris, dont l’objectif était de maintenir le réchauffement climatique sous la barre des 1,5°C, mais aussi de renforcer la coopération internationale et d’accélérer la mise en œuvre des engagements climatiques. Vous soulignez d’ailleurs régulièrement l’importance de maintenir l’ambition collective et multilatérale face aux défis climatiques.
La COP30 de Belém a abordé des thématiques majeures – je viens de l’entendre ici –, comme le financement climatique, la transition juste, mais aussi le renforcement de la lutte contre la désinformation climatique, ainsi que les efforts en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre et la sortie des énergies fossiles. Cela fait beaucoup d’enjeux. Ces priorités sont essentielles pour assurer la cohérence entre les actions nationales et les engagements internationaux.
Comme vous l’avez dit, la transition est en marche, elle est irréversible et elle doit être juste. Dès lors, quels principaux enseignements retenez-vous de cette COP30 et quelles perspectives ouvre-t-elle pour notre pays? Quelle a été la participation de notre pays lors des discussions sur le financement climatique, ainsi que les engagements qui en découlent? Enfin, quelles avancées concrètes ont été enregistrées en faveur d’une transition juste, et comment la Belgique peut-elle y contribuer davantage? Merci déjà pour vos réponses.
François De Smet:
Merci pour votre flexibilité, monsieur le président. Monsieur le ministre, je suis également très heureux de vous voir en bonne forme – meilleure, d’ailleurs, que notre politique climatique.
Vous revenez en effet d’une COP 30 qui représentait une opportunité historique de nous remettre sur les rails et qui se tenait en pleine forêt amazonienne, symbole même de l’urgence climatique. Pourtant, nous nous retrouvons avec un texte faible, sans mention des énergies fossiles, sans feuille de route crédible et avec une Europe paralysée.
Il y a toutefois quelques avancées positives: un appel à tripler, voire davantage, les financements d’adaptation pour les pays vulnérables. Mais il s’agit d’engagements flous, fondés sur des calendriers lointains, qui nous projettent vers 2035 sans précision ni sur les montants ni sur les contributeurs. Et pendant que l’on parle financement, l’essentiel – la réduction des émissions et la sortie des énergies fossiles – est presque absent. L’un sans l’autre ne permet pourtant pas un combat crédible contre le changement climatique.
Mais le plus préoccupant, c’est que nous nous retrouvons avec une Belgique faible dans une Europe elle-même faible. Une Belgique – on y reviendra – qui a été contrainte – je sais que ce n’était pas votre choix fondamental – de s’abstenir sur les enjeux européens, et une Europe qui n’est pas parvenue, à Belem, à prendre le leadership en matière climatique, y compris en son propre sein.
Quel bilan tirez-vous de cette COP? Partagez-vous, vous aussi, un sentiment d’échec? Et comment faire, à l’avenir, pour que notre pays retrouve une forme de leadership dans la lutte contre le changement climatique, ne serait-ce qu’au niveau de nos partenaires européens?
Jean-Luc Crucke:
Geachte collega’s, ik ben sinds gisteren terug uit Belém, waar de COP30 heeft plaatsgevonden. Ik denk dat vrijwel iedereen onder u mij vragen over het thema heeft gesteld. Ik wil die graag beantwoorden.
U hebt intussen de kranten kunnen lezen en de journaals gezien. De afgelopen top heeft niet opgeleverd – we moeten daarin eerlijk blijven – waarop we hadden gehoopt. We trokken naar Belém met de hoop om actieplannen of routekaarten te kunnen vastleggen voor de verdere concretisering en uitwerking van de doelstellingen die we in Dubai hadden afgesproken rond hernieuwbare energie, de afbouw van fossiele brandstoffen en ontbossing. Het concrete resultaat is echter vager. Het Braziliaanse voorzitterschap zal zeker initiatieven opzetten om routekaarten uit te werken voor ontbossing en de uitfasering van fossiele brandstoffen. Die initiatieven blijven echter vrijwillig en zullen dus moeten uitgaan van een coalition of the willing .
Het is duidelijk dat de wereld de afgelopen jaren drastisch is veranderd. De terugtrekking van de Verenigde Staten uit de overeenkomst van Parijs en de vorming van een echte coalitie van minder ambitieuze landen – waarin de Europese landen zich niet bevinden – met onder meer de golfstaten en de BRICS-landen aan het hoofd, maken dat de coalitie van ambitieuze landen, met de Europese landen, de progressieve Latijns-Amerikaanse landen en de kleine eilandstaten, haar slag niet thuis kon halen.
Hoewel ik teleurgesteld ben in het eindresultaat, heeft de COP te Belém mijn geloof in de strategische keuze die wij als Europese landen hebben gemaakt op het vlak van vergroening, enkel versterkt. De COP is immers al lang niet meer uitsluitend een klimaatconferentie. Zij raakt aan de kern van ons sociaal en economisch beleid. Het is op de COP dat wij de belangen van onze Europese economieën verdedigen. We moeten af van de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en evolueren naar een koolstofneutrale economie die op eigen benen kan staan.
Ik ben trots dat België op COP30 deel uitmaakte van de groep van ambitieuze landen. België vertrok naar COP30 met een duidelijke positie, overeengekomen tussen de vier klimaatministers van het land en gezamenlijk uitgedragen door minister Neven, die België vertegenwoordigde in de EU-coördinatie aan het begin van de tweede week en door mijzelf als hoofd van de Belgische delegatie.
Onmiddellijk bij mijn aankomst op COP30 nam ik deel aan een eerste vergadering van ambitieuze landen die, onder leiding van Colombia, opriepen tot een routekaart voor de transitie weg van fossiele brandstoffen. België was een van de eerste aanwezige landen. Die transitie voltrekt zich niet van vandaag op morgen. We moeten ze met pragmatisme en realisme benaderen, opdat ze in dialoog met ondernemingen en burgers rechtvaardig is, met een duidelijk einddoel voor ogen, de klimaatneutrale samenleving. Ik ben trots dat België als lid van de Benelux samen met mijn collega's Hermans en Wilmes bij de eerste landen was, die zich bij de initiatieven van Colombia hebben aangesloten. In april vindt een eerste conferentie plaats in Santa Marta, in Colombia. Nederland organiseert de conferentie en ik zal daar uiteraard aanwezig zijn om het federaal beleid inzake de uitfasering van fossiele brandstoffen te verdedigen en om dat beleid internationaal te coördineren.
Dat brengt mij tot een tweede conclusie van de COP. Ik blijf er rotsvast van overtuigd dat multilateralisme de enige weg vooruit is. De COP heeft onze verwachtingen niet ingelost, maar heeft de collectieve ambitie wél bevestigd en is niet teruggekomen op eerder gemaakte afspraken. De COP heeft de kiemen gezaaid voor een ambitieus internationaal klimaatbeleid in de toekomst. De transitie weg van fossiele brandstoffen en naar hernieuwbare energie is immers de toekomst.
Er waren enkele vragen over bepaalde initiatieven rond desinformatie. Enerzijds heeft België op COP30 het Global Initiative for Information Integrity on Climate Change ondersteund.
Les pays membres s'y engagent à promouvoir l'intégrité des informations relatives aux changements climatiques aux niveaux international, national et local, conformément aux Principes mondiaux des Nations Unies pour l’intégrité de l’information en phase avec les droits humains et les principes de la Convention-cadre des Nations Unies sur les changements climatiques (CCNUCC) et l'accord de Paris.
Anderzijds heb ik er een nieuw project van het DG Leefmilieu (DG5) van de FOD Volksgezondheid aangekondigd.
Il s'agit bien d'une initiative qui sera menée par l'organisation Quota Climat. Dans un premier temps, et à l'image de l'Observatoire des Médias sur l' é cologie déployé en France, un premier projet sera lancé. Il aura pour objectif de quantifier et de qualifier la couverture médiatique des enjeux environnementaux dans les médias francophones et néerlandophones du pays.
Dans un second temps, il s'agira de développer des outils de détection des informations climatiques dans les médias belges francophones et néerlandophones du pays. L'objectif sera d'identifier les contenus problématiques, d'en analyser les caractéristiques et de publier les résultats des analyses réalisées, notamment en ce qui concerne la prévalence des cas détectés dans les principaux secteurs ou thématiques concernés, ainsi que les formats ou canaux de diffusion les plus exposés.
Dans un troisième temps, sur la base des enseignements issus des deux premières étapes, il conviendra d'identifier des messages clés ainsi que des recommandations concrètes visant à améliorer le traitement médiatique des enjeux environnementaux et à renforcer la lutte contre la mésinformation et la désinformation climatiques. Des consultations avec les secteurs seront organisées afin de leur présenter les résultats et de réfléchir avec eux aux mesures à prendre afin de renforcer l'intégrité de l'information.
Laat mij twee zaken verduidelijken. Ten eerste, het zal hier niet gaan om overheidscontrole van de media-actoren. Dat is de taak van de regulatoren. Met dit project zullen we die rol ook niet overnemen.
Ten tweede, ik sta erop te verduidelijken dat het hier niet gaat om het installeren van een dictatuur van de wetenschap. Het is evident dat iedereen in het klimaatdebat zijn stem moet kunnen laten horen: burgers, ondernemingen, wetenschappers en politici.
Er waren ook nog drie kleine vragen. De Belgische overheidsdelegatie bestond uit 30 personen. De delegatie van het Belgische middenveld en het bedrijfsleven bestond uit 50 personen. Dat is 40 % minder dan op COP29.
Wat de internationale klimaatfinanciering betreft bevestigt het slotakkoord de afspraken die vorig jaar in Bakoe op de COP29 zijn gemaakt. Het akkoord over 300 miljard dollar voor ontwikkelingslanden werd niet heropend. Binnen dat totale bedrag zal een verschuiving plaatsvinden, met een verdrievoudiging van het deel dat naar adaptatie gaat, wat onze bedoeling was.
Met betrekking tot de rechtvaardige transitie is een akkoord bereikt over het principe van de oprichting van het Just Transition Mechanism. De concrete uitwerking is echter pas voor volgend jaar, op COP31.
Je vais ajouter quelques éléments car, souvent, certains veulent voient le vase à moitié vide et d'autres à moitié plein. Il faut reconnaître que le résultat obtenu n'est pas celui qui correspond aux ambitions européennes. Cependant, ces ambitions sont particulièrement élevées. Je l’ai clairement constaté sur la scène internationale.
Ce n'est pas par hasard que seules les îles les plus menacées au monde nous rejoignent. Ce n'est pas non plus par hasard que certains pays d'Amérique du Sud l'ont également fait. Je dis bien "certains", car ce n'est pas le cas de l'entièreté de l'Amérique du Sud. Vous savez qu'il existe des régimes bien plus autoritaires que d'autres, même dans cette région.
Cette coalition a toutefois clairement démontré que nous avions notre place. Que nous appartenions ou non au groupe des pays les plus ambitieux, l’essentiel est que le multilatéralisme a prouvé à celui qui espérait tant qu’il échoue qu’il fonctionne bel et bien. Certes, pas à pas, cela demande du temps. La direction optimale n’est pas atteinte immédiatement, ni le niveau d’ambition de certains. Mais tous ces pays – à l’exception d’un seul qui avait signalé son absence – ont affirmé ensemble leur volonté de respecter les accords de Paris, 10 ans après leur adoption.
Il s’agit de ma quatrième COP, et j’étais déjà présent à Paris. C’est un élément qu’il ne faut pas négliger. J’ai ressenti, même dans des pays parfois les plus frileux, cette volonté affirmée de prouver que nous sommes capables de nous parler, de nous entendre. Non pas de nous entendre sur tout, mais de nous respecter. Cela me semble fondamental.
Comme je l'ai dit, nous avons le triplement de l’adaptation. Cette proposition a d'ailleurs été défendue par la Belgique, notamment au sein de l’Europe, et qui a recueilli un consensus. Il est désormais affirmé qu’entre la mitigation et l’adaptation, nous devons aujourd’hui concentrer nos efforts sur l’adaptation. C’est l’une des conséquences que nous retrouvons dans l’accord.
Certes, le texte ne comporte pas d’expression explicite sur la sortie des énergies fossiles ni sur la déforestation. Cela relève, à mes yeux, d’une incompréhension. En Amazonie, chacun sait ce qu’est la déforestation et quelles sont les conséquences du réchauffement climatique. Les habitants le vivent au quotidien. Mais il faut reconnaître que le pays hôte, le Brésil, n’a pas pu obtenir ce résultat et ne l’a sans doute pas recherché non plus.
Ceci dit, le président de la COP, lors de sa déclaration finale, a clairement affirmé que, durant son année de présidence, il travaillerait sur ces deux dossiers, qu’il les inscrirait à l’agenda et que nous disposerions ensemble non seulement de réunions, mais aussi des programmations, afin que ces paragraphes ne soient pas relégués dans l’oubli à l’avenir. Sa déclaration revêt donc une importance capitale et je peux vous assurer que cela a été applaudi par tous, y compris par les pays parfois les plus frileux.
Je voudrais également ajouter quelque chose concernant la mise en œuvre des promesses évoquées lors des précédentes COP – car les COP, finalement, donnent souvent lieu à de nouvelles promesses. Ici, il n’y a pas de nouvelles promesses, à l’exception de l’une ou l'autre. Or, un agenda est prévu pour concrétiser celles qui ont été faites précédemment. C’est ce que l’on appelle … (?) of (?) , et c’était le leitmotiv du président. Je l’avais d’ailleurs rencontré précédemment à Genève où il me l’avait expliqué. Je pense qu’il a vraiment réussi.
Avons-nous conservé notre crédibilité sur le plan international ? Je peux répondre oui, et même deux fois oui.
Certes, certains d’entre vous l’ont rappelé: nous ne partions pas avec un a priori favorable après l’abstention qui a été la nôtre sur 2040, il faut appeler un chat un chat. Mais oui, parce que l’alliance que j’ai évoquée tout à l’heure, nous étions parmi les premiers à la soutenir – et pas seulement à la soutenir, mais à la soutenir avec l’accord du gouvernement. Je ne signe rien si le gouvernement n’est pas d’accord; il y avait donc un consensus.
Nous le faisons en outre avec le Benelux, le Luxembourg et les Pays-Bas. Les trois pays ont décidé de travailler de concert à l’avenir. Nous verrons avec mes collègues luxembourgeois et hollandais comment parvenir à une traduction commune et à une volonté commune, qui se refléteront également dans ce que nous représentons à l’extérieur, que ce soit en Europe ou à l’international. Je ne pense pas que le Luxembourg et les Pays-Bas accepteraient de travailler avec un pays qui ne partagerait pas leurs ambitions. Je peux donc dire: oui, la Belgique is back .
Quant aux autres avancées, qui me paraissent loin d’être négligeables, elles sont parfois passées au second plan, mais elles sont pour moi de grande importance. Dans le texte – que je vous invite à le relire – vous verrez qu'on insiste sur le rôle des femmes. Les femmes sont les premières touchées par le réchauffement climatique, mais aussi les premières à porter ce message. Je veux faire référence à ma collègue hollandaise, mais aussi à ma collègue colombienne. L’énergie qu’elles ont déployée sur place a permis de faire passer l’alliance de 30 pays au départ à 80 pays à l’arrivée, soit quasiment la moitié des nations présentes, pour défendre cette initiative. Je crois que si des femmes n’avaient pas été à la tête de cette alliance, nous n’en serions pas là aujourd’hui.
La transition juste: nous disposons désormais d’un programme pour la transition juste. Combien de fois n’ai-je pas été interpellé ici – à juste titre – sur la transition juste? Aujourd’hui, un programme existe: ce n’est plus une idée, c’est un programme.
La taxation des jets privés constitue un détail pour certains. Cela figure dedans. Je sais que certaines compagnies travaillent au développement d'un jet électrique. J'en ai visité. Cela arrivera dans les cinq ans. D'accord, je pense que c'est possible, mais j'attends de voir, car ce n'est pas encore le cas pour l'instant. Tout cela se retrouve dedans.
En dehors de la question de la crédibilité, j'estime qu'il faudrait revoir les modes de gouvernance des COP. Comme je l'ai dit, celle-ci se voulait également sociale et économique. Ce n'est pas qu'une COP sur le climat. C'est fini, cela. Nous devons pouvoir revoir ce mode de gouvernance qui est lourd. De plus, il est à ce point pénalisant que, si un seul pays, dit non, il n'y a pas d'accord. Jusqu'à présent, si un seul pays sur les 190 présents ne se rallie pas à un consensus, il n'y a pas d'accord. Les modalités de fonctionnement doivent donc s'assouplir tout en restant respectueuses des points de vue des uns et des autres.
Je n'ai absolument pas l'impression d'avoir perdu mon temps sur place. Nous pouvons être fiers d'être européens. J'ai dit à un journaliste qui m'interrogeait à mon retour: "Je reviens en Europe en étant encore plus convaincu d'être européen". C'est en effet à ce niveau-là que, s'agissant du climat, nous pouvons être solides. Ce n'est pas en nous cantonnant à une région ou à une commune. Je ne dis pas que ce n'est pas important, mais le level playing field , pour nous, est l'Europe, dans l'Europe et avec l'Europe.
Sam Van Rooy:
Minister, nu wij van premier De Wever te horen hebben gekregen dat de regering voor miljoenen hardwerkende burgers in dit land verwarmen met gas, rijden met brandstof en reizen met het vliegtuig duurder maakt, is het extra zuur te moeten vernemen dat u als klimaatminister met een hele hofhouding op kosten van de belastingbetaler net naar Brazilië bent gevlogen voor het klimaatcircus van de Verenigde Naties.
Nog zuurder voor de hardwerkende burger is dat u daar vervolgens nog meer geld hebt uitgegeven, ten eerste, aan verre landen in andere continenten, zelfs drie keer zoveel als voordien, en ten tweede, aan een project om mensen te stigmatiseren die klimaatsceptisch zijn en die op andere gedachten te brengen. U brandmerkt dat als klimaatdesinformatie en u zei daarover: "Desinformatie is als CO 2 , je ziet het niet maar het verpest alles. "
Minister, dat is fake news. CO 2 verpest helemaal niet alles. Integendeel, CO 2 is levensnoodzakelijk. Indien de concentratie van CO 2 in de lucht onder 150 ppm daalt, dan eindigt het leven op land. De CO 2 -concentratie is dan immers te laag voor planten om aan fotosynthese te doen.
Mijnheer Crucke, u verspreidt dus zelf klimaatdesinformatie, en dat als minister van Klimaat.
Minister, zelfs Bill Gates heeft nu de bocht ingezet door de tirannieke, fanatieke CO 2 -reductie achter zich te laten en de focus te leggen op klimaatadaptatie en het welzijn van de mensen. Ik stel voor dat u dat nu eindelijk ook doet.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, quand je vous entends, j'ai encore un peu d'espoir. Il y a des choses encourageantes, malgré l'abstention au niveau européen dont nous avons parlé il y a quelques minutes. Nous avons l'impression, à entendre vos explications, que la Belgique a quand même pu jouer un rôle au niveau international. C’est satisfaisant par rapport à l’image qui avait été renvoyée précédemment.
Nous ne pouvons que vous encourager à ne plus vous retrouver, à l’avenir, dans la situation dans laquelle vous vous êtes retrouvé, à savoir à voter la même chose, au niveau européen, que les pays les moins ambitieux sur le climat, voire climatosceptiques. Par ailleurs, nous estimons que vous avez été utile à cette COP30.
Comme vous nous l'avez dit, un engagement a été pris. Il n’y a pas de nouvelles promesses, mais un agenda clair et toute une série d'objectifs ont été mis en place. Nous ne manquerons pas d'y être attentifs et de vous revenir par la suite, avec potentiellement des questions sur l'état d'avancement de ce dossier. Je vous remercie.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour les principes et les valeurs fortes que vous avez défendus – on vient encore de l'entendre dans vos réponses –, mais surtout pour le rôle ambitieux que vous avez défendu pour notre pays. C'est peut-être cela qui est le plus important pour nous, ce rôle que vous jouez à merveille, parce que vous y croyez, parce qu'on sent chez vous un engagement pour la lutte contre le changement climatique qui est enraciné dans des valeurs. Comme vous l'avez dit, on y arrivera pas à pas. Vous n'êtes pas un défaitiste, vous êtes un optimiste, et c'est communicatif.
Certes, le résultat est peut-être maigre, mais cela est dû au fait que nos ambitions sont très élevées au niveau européen.
Par ailleurs, vous investissez dans une transition pragmatique tant avec les entreprises qu'avec les concitoyens; c'est un point très important pour nous. En outre, ce qui nous rend fiers, c'est que vous investissez dans une transition juste. C'est ce que nous attendons tous, parce que si on laisse des gens sur le bord de la route, la transition n'aboutira pas. Merci pour ce combat que vous menez, avec justesse.
Vous êtes convaincu que seul le multilatéralisme permet de mener fructueusement ce combat, cette lutte contre le changement climatique. Cela vous distingue résolument par rapport à ceux qui s'isolent. Vous vous affirmez pour le multilatéralisme et la coopération, car c'est la seule voie pour l'avenir de notre planète.
Les décisions contenues dans l'accord intervenu au cours de la nuit derni è re sont en cohérence avec ces orientations. Il est très important de savoir que ce gouvernement s'engage. Il baisse le prix de l'électricité au détriment des énergies fossiles. Vous avez également parlé des billets d'avion. Je pense donc qu'à vos paroles, vous joignez les actes.
Merci, monsieur le ministre, pour ce combat qui vous honore.
Hervé Cornillie:
Monsieur le ministre, au-delà de vous dire que je suis content de vous voir, loin de moi l'idée que votre bateau ait coulé ou que votre avion se soit craché, franchement, je pense qu'on a besoin de vous pour faire avancer la cause climatique, malgré les contingences dans lesquelles vous agissez.
Je pense qu'on ne peut pas vous faire un procès d'intention sur votre profil en matière de défenseur de la cause du climat. Vous le faites dans le cadre de la Belgique, de réalités institutionnelles qui sont plus compliquées que d'autres. Vous avez d'ailleurs fait référence à d'autres réalités institutionnelles, à savoir que, dans un accord comme celui sur le climat, il faut que tout le monde avance ensemble et qu'il faut peut-être un plus petit dénominateur commun. C'est la condition pour avancer.
Je ne pense pas qu'on puisse vous faire ce procès-là, le coup de la bouteille à moitié vide ou à moitié pleine. Quel que soit votre résultat, il y aura toujours des gens qui feront votre procès d'intention. Je voudrais juste rappeler au nom de mon groupe que nous sommes bien évidemment toujours d'accord pour qu'il y ait une transition vers une économie sans émissions. Nous le faisons et nous le ferons toujours à vos côtés, avec une volonté de responsabilité, de pragmatisme, non sans ambition, parce qu'évidemment, il faut de l'ambition pour avancer sur la voie de la lutte contre le réchauffement climatique.
Par ailleurs, comme vous l'avez dit, une COP aujourd'hui n'est plus simplement une conférence sur le climat, c'est aussi une conférence socioéconomique. Je crois qu'il était bon de le rappeler et c'est dans cet esprit-là qu'il faut aller dans les COP et revenir avec des résultats.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. C'est toujours un peu compliqué de vous répondre puisque, quand on vous entend, on est fan, en fait. Vous faites ça bien, vous avez un bon discours. Malheureusement, il y a un gap entre le bon discours et l'ambition et les actes gouvernementaux. Il est de plus en plus flagrant qu'il y a une différence, raison pour laquelle c'est un peu compliqué.
J'ai plusieurs choses à dire sur vos réponses, mais je voudrais revenir principalement sur deux éléments. D'abord, on regrette évidemment – cela ne vous étonnera pas – l'abstention de la Belgique pour l'objectif 2040 et la réduction de 90 %. On regrette également le manque de mention des énergies fossiles dans l'accord final, ce qui est un vrai recul. Et on regrette justement d'avoir laissé cette victoire au lobby fossile. Mais surtout, j'espère qu'on va pouvoir mettre les bouchées doubles et avancer au niveau national pour atteindre les objectifs climatiques de manière plus structurelle, plutôt qu'avancer et reculer au bon gré des différents gouvernements, ce qui est assez frustrant.
Certaines communications de votre part ou de votre collègue, la ministre Neven, disaient que l'Union européenne ne représentait que 6 % des émissions mondiales. Je trouve ces propos quand même un peu graves. C'est vraiment un déni de responsabilité. Cela ne venait pas de vous, monsieur le ministre. Il s'agit alors de la ministre Neven. Mes excuses! C'est vraiment un déni de responsabilité historique de notre continent.
Je trouve que c'est grave de tenir de tels propos.
Deuxième élément, j'ai attendu longtemps, mais vous l'avez fait heureusement. Vous évoquez le volet du genre et le rôle des femmes et des minorités de genre dans ce processus. Heureusement que vous l'avez fait, parce que malheureusement, il n'y a pas suffisamment d'ambition sur cette question. On n'en parle pas souvent. Les femmes et les minorités de genre se trouvent justement au cœur de l'adaptation climatique, partout dans le monde, et notamment dans des sociétés parfois plus précaires. Trop souvent, on a l'impression que l'égalité de genre n'est qu'un à-côté un peu facultatif, alors que ce sont précisément les femmes et les filles qui paient le prix le plus élevé du dérèglement climatique: moins de ressources, moins de pouvoir politique, une charge de soins accrue. On sait que ce sont elles qui portent les réponses climatiques locales les plus efficaces. C'est un regret structurel qu'elles ne soient pas suffisamment dans les espaces où tout se décide.
Pour conclure, nous redemanderons à ce qu'on puisse entendre dans cette commission le chef de la délégation, peut-être quelqu'un de l'administration, des entreprises et des ONG. En effet, votre retour est intéressant, mais il serait quand même pertinent qu'on puisse entendre de manière plus large le retour de cette COP30. Cela apporterait une plus-value à nos débats. Merci à vous.
Voorzitter:
Vraag nr. 56009028C van de heer Hervé Cornillie wordt omgezet in een schriftelijke vraag.
Het Climate City Contract als lokale hefboom voor de klimaattransitie
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Climate City Contract (CCC) is een EU-gestuurd instrument om steden (zoals Leuven, Brussel, Antwerpen en La Louvière) via samenwerking tussen overheden, bedrijven en burgers klimaatneutraliteit tegen 2030 te laten bereiken, met focus op mobiliteit, energie, circulariteit en natuur. Leuven loopt voor met 80 projecten, 30+ partners en een CO₂-reductie van 80%, terwijl het federale niveau ondersteuning belooft maar de regie bij gemeenten en gewesten ligt. Kleinere steden, zoals die van Cornillie, zetten in op lokale acties (bv. duurzaamheidsindicators voor gemeentebeslissingen) en vragen federale stimulansen, benadrukkend dat ook kleine initiatieven bijdragen aan grotere doelen.
Hervé Cornillie:
Monsieur le Ministre, le Contrat de Ville pour le Climat (Climate City Contract – CCC) est un outil d'innovation en matière de gouvernance développé à l'échelle européenne par NetZeroCities, un programme de l'Union européenne.
NetZeroCities soutient les villes européennes dans leurs efforts pour réduire drastiquement les émissions de gaz à effet de serre grâce à des actions climatiques concrètes, afin d'atteindre la neutralité climatique, l'un des plus grands défis auxquels nos sociétés sont confrontées aujourd'hui.
L'objectif est d'aider les villes à surmonter, de manière collaborative, les obstacles qui freinent leur action climatique, afin d'accélérer la transition et d'atteindre la neutralité carbone d'ici 2030.
Le CCC repose sur un processus collaboratif et itératif d'apprentissage, piloté par les villes elles-mêmes, tout en impliquant de multiples parties prenantes – pouvoirs publics, entreprises, universités, associations, citoyens – à différents niveaux de gouvernance. Il revêt une importance particulière en rassemblant l'ensemble des acteurs autour de l'identification des voies les plus efficaces pour atteindre la neutralité climatique à l'horizon 2030, et en fédérant les efforts autour d'un agenda commun pour y parvenir.
Les communes et leurs citoyens sont, à bien des égards, les véritables artisans de la transformation de nos territoires vers plus de durabilité et de résilience.
Dans ce contexte, Monsieur le Ministre, pourriez-vous expliquer plus en détail ce que recouvre le concept de "Climate City Contract" en Belgique et en quoi il constitue, selon vous, un outil efficace pour renforcer l'action locale en faveur du climat? Quelles villes y adhèrent actuellement, et pour quel résultat?
Je vous remercie pour les précisions .
Jean-Luc Crucke:
Monsieur Cornillie, les villes jouent en effet un rôle central dans la transition climatique. En votre qualité de bourgmestre, je pense que vous le percevez également.
Environ 75 % des citoyens européens vivent en milieu urbain. Les villes sont responsables de près de 70 % des émissions de CO ₂ . J'aime bien mettre ces deux aspects en parallèle: 75 % y vivent, et cela ne représente "que" 70 % des émissions. Cela signifie que beaucoup sont quand même produites en dehors des villes, même si un effort particulier doit être fourni de leur côté. C'est dans ce cadre que l'Union européenne a lancé le programme NetZeroCities (NZC): cent villes climatiquement neutres et intelligentes d'ici 2030. La Commission vise à accélérer la transition climatique des villes en mobilisant toutes les parties prenantes autour d'un plan d'action concret et fondé sur un engagement formel, dans un cadre financier structuré. Ce contrat couvre cinq domaines clefs: la mobilité durable, la performance énergétique des bâtiments, les systèmes énergétiques renouvelables, la circularité et, enfin, les solutions fondées sur la nature.
Actuellement, quatre villes belges ont été sélectionnées par la Commission européenne pour élaborer un Climate City Contract (CCC): Louvain, Bruxelles-Capitale, Anvers et La Louvière. Ce contrat mobilise une coalition locale d'acteurs publics et privés et de citoyens et intègre des mécanismes budgétaires pour financer les actions. Parmi elles, Louvain est particulièrement avancée. Du reste, j'ai dit à son bourgmestre que j'irais me rendre compte des acquis. Ce contrat inclut plus de 80 projets, une coalition de plus de 30 acteurs engagés et un plan financier détaillé. Les projets visent une réduction de 80 % des émissions de CO ₂ , avec des principes directeurs intégrés dans toutes les initiatives futures. Un engagement fort permet de contribuer activement aux ambitions mobilisant une expertise aussi bien en ce qui concerne la réduction des émissions que l'adaptation.
J'espère donc sincèrement que l'acronyme "CCC" sera, cette fois, durablement associé au Climate City Contract , lequel constitue un cadre prometteur pour structurer l'action locale, mobiliser les parties prenantes et accélérer la mise en œuvre des solutions concrètes. Pour en avoir parlé avec la ministre Neven, je puis vous indiquer qu'elle m'a dit que, dans ses compétences – et c'est certainement plus du ressort régional, étant donné la granularité de l'action –, elle entendait également travailler avec les communes. Je ne doute pas qu'il en aille de même pour mon homologue flamande, bien que je n'aie pas eu l'occasion d'échanger avec elle à ce propos.
Hervé Cornillie:
Merci, monsieur le ministre, pour vos éléments de réponse. Fort heureusement, nous n'allons pas œuvrer au retour des CCC. C’est notre point commun. Vous avez souligné, par votre réponse, l'importance des communes et des villes dans le cadre de la lutte contre le changement climatique et pour l'atteinte de la neutralité, avec le poids des émissions des villes. Je ne suis qu'à la tête d'une petite ville. Néanmoins, nous avons l'ambition d'essayer d’y contribuer, en nous inspirant de ce que vous connaissez, le fameux effet colibri. Les petites rivières font les grands cours d'eau. En tout cas, les petites actions ici ou là contribuent à un objectif plus important. J’entends bien que c'est un dossier pour les pouvoirs locaux et les régions, mais tout ce qui pourra, au niveau fédéral, concourir à encourager les communes à s'engager dans cette voie est bienvenu, également au niveau de votre département. N'hésitez pas à mettre en place des actions pour aider les communes qui s'engagent dans cette démarche de lutte contre le réchauffement climatique et contribuent au développement durable, au sens large du terme. Notre intention, localement, est de développer, pour chaque grande décision du Conseil communal, un indicateur de développement durable (IDD). Des citoyens élaboreront l'indicateur idéal pour valider des décisions du Conseil communal ou, au regard du résultat IDD, ne pas les valider. C'est un des moyens que nous, pouvoir communal, avons choisis pour contribuer aux objectifs généraux, derrière lesquels tous, petits ou grands, nous devons nous ranger.
HVO-mazout als huishoudbrandstof en de impact op de klimaatdoelstellingen en energieprijzen
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om blauwe mazout (HVO) als duurzaam alternatief voor stookolie in huishoudens, vooral in Wallonië waar veel nog op mazout verwarmt. Minister Crucke bevestigt dat erkenning als huishoudbrandstof federaal is (minister van Energie) en benadrukt dat warmtepompen prioriteit hebben, maar erkent HVO als beperkt overgangsalternatief voor moeilijk te elektrificeren gevallen. Coenegrachts pleit voor HVO als praktische, betaalbare oplossing waar warmtepompen technisch of financieel onhaalbaar zijn, ondanks de efficiëntere inzet ervan in transport/industrie. Kernpunt: HVO kan een tijdelijke rol spelen, maar beleid focust eerst op warmtepompen en sectoren waar elektrificatie moeilijk is.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, ik wil het vandaag hebben over blauwe mazout, mijn favoriete mazout, zoals u wel begrijpt. Blauwe mazout is een synthetische, vloeibare brandstof op basis van HVO en zou tot 90 % minder CO 2 uitstoten in vergelijking met klassieke stookolie.
In het kader van de Europese klimaatambities met de doelstelling om klimaatneutraliteit te bereiken, wat we al meermaals hebben besproken, wordt op Europees niveau ook naar HVO gekeken als een essentieel element, erkend om de energietransitie te ondersteunen, zeker bijvoorbeeld in huishoudens waar het moeilijk is om de stookolietank snel te vervangen. We weten sinds gisteren, op basis van de recentste cijfers, dat vooral in Wallonië nog met stookolie verwarmd wordt.
Wanneer ETS2 wordt ingevoerd en de accijnsverhoging van de federale regering erbij komt, wordt mazout een stuk duurder. Het zou dus goed zijn dat er een alternatief beschikbaar is, vandaar enkele vragen.
Waarom is blauwe mazout vandaag nog niet erkend als huishoudbrandstof? Ziet u er mogelijkheden in als duurzaam alternatief, ook in voorbereiding op de koolstoftaks ETS2, al is die intussen uitgesteld? Zult u op korte termijn initiatieven nemen met uw bevoegde collega-ministers om blauwe mazout juridisch gelijk te stellen aan stookolie, zodat huishoudens een alternatief krijgen zonder dat daar onmiddellijk grote investeringskosten tegenover staan?
Voorzitter:
Collega Coenegrachts, ik denk dat we veel meer frieten zullen moeten eten, maar het is wel een zeer interessante vraag.
Mijnheer de minister, u hebt het woord.
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer Coenegrachts, het is niet omdat het blauw is, dat alles federaal is. Met betrekking tot uw vraag over de erkenning van verwarmingsbrandstoffen moet ik opmerken dat dat onder de bevoegdheid van de federale minister van Energie valt. Die erkenning gebeurt immers op basis van federale regelgeving inzake energieproducten en markttoegang. De minister van Energie bepaalt de voorwaarden waaronder bepaalde brandstoffen als verwarmingsbrandstoffen kunnen worden erkend, met het oog op veiligheid, duurzaamheid en transparantie.
Met betrekking tot uw vraag over het Europese emissiehandelssysteem, ETS2, moet ik u doorverwijzen naar de gewestelijke ministers, aangezien de implementatie van de uitvoering van ETS2 een bevoegdheid van de gewesten is. ETS2 is van toepassing op fossiele brandstoffen. Ik erken dus dat HVO een milderend effect zou kunnen hebben.
Wel wil ik, in mijn hoedanigheid van minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie, dieper ingaan op de wenselijkheid van het gebruik van HVO als substituut voor stookolie.
In het kader van de transitie naar een duurzaam energieverbruik wordt voor gebouwverwarming warmtepomptechnologie naar voren geschoven als voorkeurstechnologie. Warmtepompen hebben immers een hoge energie-efficiëntie en het potentieel om volledig op hernieuwbare elektriciteit te functioneren. In tegenstelling tot brandstofgebaseerde verwarmingssystemen dragen warmtepompen bij tot een structurele reductie van broeikasgasemissies in de gebouwensector.
Hoewel hernieuwbare vloeibare brandstoffen zoals HVO een rol kunnen spelen in de duurzame energietransitie – dat moet duidelijk worden gezegd – is het aanbod aan duurzame grondstoffen voor HVO beperkt. Om die reden wordt HVO bij voorkeur ingezet voor de decarbonisatie van sectoren die moeilijk te elektrificeren zijn, zoals bepaalde industriële processen of zwaar transport. Het gebruik van HVO voor gebouwverwarming is daarom beperkter, vanuit het oogpunt van efficiënt grondstoffengebruik en klimaatimpact.
De volledige inzet op warmtepompen blijft evenwel een lastige opgave, vooral om technische redenen, en er moeten nog steeds beperkte alternatieven zoals HVO worden overwogen.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik heb de vraag ook gesteld aan de minister van Financiën, maar hij wist enkel te vertellen dat hij niet bevoegd was. Ik heb ze gesteld aan de minister van Economie, die op zijn beurt wist dat hij niet bevoegd was. U bent de eerste die weet wie wel bevoegd is. Ik zal de vraag dan ook stellen aan de minister van Energie. Ik ben blij dat u ook inhoudelijk ingaat op de vraag. U hebt gelijk, in een ideale wereld zetten we in elk gebouw een warmtepomp en leggen we zonnepanelen op elk dak, maar dat is, ten eerste, niet voor iedereen een haalbare investering op korte termijn en, ten tweede, het is ook niet voor elk bestaand gebouw technisch haalbaar om die dingen te installeren. In een overgangsfase zijn wel degelijk alternatieven nodig. Ik begrijp uw overweging dat HVO misschien efficiënter ingezet kan worden in andere sectoren, in de luchtvaart bijvoorbeeld. Het doel is dat we minder uitstoten, het doel is niet dat we zoveel mogelijk warmtepompen installeren. We zullen dus ook moeten kijken naar HVO waar die nodig is en waar die kan dienen om mensen alleszins een duurzamer alternatief aan te bieden, ook als de huishoudens de investering technisch of financieel gezien op de korte termijn, of naar ik vrees op de middellange termijn voor veel huishoudens, niet meer aankunnen. Ik zal me tot de minister van Energie wenden om daar zijn mening over te kennen.
Het duurder worden van autorijden en verwarmen met gas door de EU-koolstoftaks
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België steunt geen uitstel van de koolstoftaks (ETS2) maar dringt aan op prijsstabilisatie (45-55 €/ton CO₂) en snelle herinvestering van opbrengsten in steun voor kwetsbare gezinnen en klimaatmaatregelen, om de transitie sociaal draaglijk te maken. Critici zoals Van Rooy betwisten de klimaateffectiviteit van de maatregel, wijzen op honderden euro’s meerkost voor burgers en onevenredige lasten voor lage inkomens, terwijl landen als China de Belgische CO₂-besparingen in dagen tenietdoen. De minister benadrukt dat gedragsverandering en alternatieven (elektrificatie, isolatie) de kern zijn, maar erkent dat verouderde data en onzekere prijzen de exacte impact vervagen. De spanning draait om klimaatambitie versus sociale rechtvaardigheid, met als twistpunt of ETS2 een dure, symbolische maatregel is zonder wereldwijd effect.
Sam Van Rooy:
Minister, door de koolstoftaks, die kennelijk koste wat het kost moet worden doorgedrukt, zullen autorijden met brandstof, verwarmen met gas en vliegtuigreizen steeds duurder worden. Volgens een impactstudie van het Federaal Planbureau zou aardgas 16 % duurder worden, stookolie 21 % en benzine en diesel ongeveer 10 %. Dat kan gezinnen die fossiele brandstoffen blijven gebruiken, omdat ze dat willen of omdat ze niet anders kunnen, 250 tot 400 euro extra per jaar kosten. Huishoudens met een laag inkomen, alleenstaanden en eenoudergezinnen zouden de impact het hardst voelen. Een studie van het VITO kwam zelfs uit op een mogelijk meerkost tot 650 euro voor wie niet overschakelt of kan overschakelen.
Een aantal Europese landen - Cyprus, Hongarije, Slovakije en Polen - vraagt dan ook om de start van de nieuwe zogenoemde koolstoftaks - officieel ETS2 - met minstens drie jaar uit te stellen, tot 2030. Dat is geen afstel zoals ik zou willen, maar een uitstel van drie jaar is toch al iets.
Sluit België zich aan bij deze landen die om uitstel vragen en misschien zelfs zullen evolueren naar afstel? Zo neen, waarom niet?
Hoe zult u ervoor zorgen dat mensen niet in de problemen komen of zelfs in armoede geraken omdat ze significant meer zullen moeten betalen voor autorijden met brandstof en om te verwarmen met gas? Alvast bedankt.
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer Van Rooy, u stelde ten eerste de vraag of België zich aansluit bij de landen die uitstel of zelfs afstel vragen en zo niet, waarom het dat niet doet.
Ik heb inderdaad te horen gekregen dat een aantal landen voor uitstel wil pleiten. België heeft hier echter niet toe opgeroepen, maar heeft wel samen met 18 andere lidstaten het initiatief genomen om een brief te sturen met het verzoek maatregelen te treffen om de prijs van ETS2 te stabiliseren.
Zoals u zelf aangeeft door het aanhalen van beide studies, is de onzekerheid over de prijszetting in ETS2 nog steeds vrij groot en lopen de schattingen naargelang de bron sterk uiteen. Zo stelt VITO bijvoorbeeld dat hoewel de exacte ETS2-prijs onzeker blijft, een doortastend klimaatbeleid de stijging ervan beperkt. Zonder aanvullende maatregelen kan de prijs in 2030 oplopen tot 200 euro per ton CO 2 of meer, terwijl het ETS-richtlijn het prijsstabiliteitsmechanisme voorziet vanaf 45 euro per ton CO 2 .
Het is dus van groot belang om die stabiliteit te verzekeren. Om de marktonzekerheid tegen te gaan en het draagvlak voor de invoering van ETS2 te vrijwaren, heeft Belgi ë dan ook met succes bij de Europese Commissie gepleit om ervoor te zorgen dat de markt zo snel mogelijk een duidelijker zicht krijgt op de prijs van ETS2.
De Europese Commissie heeft daar positief op gereageerd en intussen nieuwe maatregelen aangekondigd die meer liquiditeit in de markt zullen brengen en de prijzen zullen stabiliseren, zodat een soepelere start van ETS2 mogelijk wordt. Het voorstel zal ongecontroleerde ETS2-prijzen voorkomen en ze naar verwachting dichter bij 45 à 55 euro per ton CO 2 houden, wat in lijn ligt met de koolstofprijs die nu al bestaat in Duitsland en Frankrijk. Daarnaast zouden de opbrengsten ook sneller beschikbaar zijn, zodat wij ze onmiddellijk kunnen investeren in klimaatbeleid en de ondersteuning van gezinnen met een laag of gemiddeld inkomen en kmo’s, zodat zij beter voorbereid zijn op de koolstofprijs.
Zoals u weet, heeft de Milieuraad in het kader van zijn besluit rond de doelstelling 2040 akte genomen van de wens om de inwerkingtreding van ETS2 met een jaar uit te stellen. We kunnen besluiten dat we geen voorstander zijn van een verder uitstel van het mechanisme, maar pleiten voor een mechanisme dat aansluit bij de doelstelling ervan, met name door het aanvaardbaar te maken voor consumenten.
Hoe zal de regering ervoor zorgen dat de mensen geen cent meer zullen moeten betalen om met de auto te rijden en te verwarmen met gas? Het ETS2-systeem is geen taks om de begroting te voeden, maar een emissiehandelssysteem dat erop gericht is de onwenselijke consumptie van fossiele brandstoffen te ontmoedigen. Het is net de opzet om autorijden of verwarmen met fossiele brandstoffen minder interessant te maken en zo alternatieven aan te moedigen. Elke euro die de gezinnen en de bedrijven via de koolstofprijzen betalen, moet ingezet worden om de klimaattransitie te financieren en kan uitdrukkelijk ingezet worden om gezinnen en bedrijven, in het bijzonder de meeste kwetsbaren, te ondersteunen.
Investeringen in de klimaattransitie zijn hoe dan ook noodzakelijk. Het grote voordeel van het invoeren van een koolstofprijs in plaats van enkel in te zetten op directe regulering, is dat dit instrument alle opties voor het verminderen van de broeikasgasuitstoot – investeringen, maar ook gedragsveranderingen – op een evenredige wijze stimuleert. Niet de koolstofprijs op zich, maar de keuze inzake het recycleren van de inkomsten is bepalend voor de uiteindelijke sociale impact van dit beleidsinstrument.
De cijfers van het Federaal Planbureau werden hier eerder al besproken. Studies zoals deze vormen een interessante bijdrage aan het debat over het ETS2-systeem en de bijhorende flankerende maatregelen. Ze helpen om te identificeren welke types huishoudens het meest gevoelig zijn voor het prijssignaal vanuit het ETS2-systeem en om richting te geven aan de aard van de maatregelen die nodig zijn om de transitie van deze huishoudens te vergemakkelijken.
Toch kunnen er verschillende nuances worden aangebracht bij de resultaten van deze specifieke studie. Ten eerste, de koolstofprijs is momenteel nog niet gekend, waardoor het uiteraard onmogelijk is om de werkelijke impact op de huishoudens nauwkeurig te berekenen. De studies gaan uit van een prijs van 60 euro per ton, terwijl de autoriteiten streven naar een prijs van ongeveer 45 euro.
Ten tweede is de studie gebaseerd op verouderde energieverbruiksgegevens uit 2015, wat leidt tot een overschatting van de impact van ETS2, aangezien het huidige verbruik van fossiele brandstof al aanzienlijk is gedaald dankzij inspanningen op het vlak van energie-efficiëntie en elektrificatie. Er wordt bovendien verwacht dat dit verbruik verder zal dalen tegen 2030. Deze elementen zorgen ervoor dat de werkelijke impact van het ETS2 op de energiefactuur van huishoudens bij een gegeven ETS2-prijs waarschijnlijk lager zal liggen dan de raming van het Federaal Planbureau.
Wat de studie van het VITO betreft, citeert u de bedragen voor het hoogste inkomensdeciel, wat neerkomt op een bijkomende jaarlijkse uitgave van 0,6 % van het totale huishoudbudget voor deze gezinnen. Deze inschattingen zijn gebaseerd op dezelfde data als de studie van het Federaal Planbureau. Op basis van een andere methodologie schat het VITO de bijkomende kosten voor een gezin met een op gas verwarmde, slecht geïsoleerde woning en een wagen met verbrandingsmotor op 375 euro.
Ten slotte is het belangrijk op te merken dat ook deze inschattingen rekening houden met de inzet van ETS2-middelen via de federale en gewestelijke maatregelen in het Sociaal Klimaatplan en de rechtstreekse inzet van de overige ETS2-middelen. Deze maatregelen zijn er net op gericht om de financiële impact van ETS2 voor kwetsbare huishoudens aanzienlijk te verzachten of om middelen te geven aan huishoudens om hen vrij te stellen van fossiele brandstoffen, met alternatieve oplossingen en hen tegelijk in staat te stellen om actief deel te nemen aan de energietransitie.
Sam Van Rooy:
Minister, dank u voor uw antwoord. U stelt mij echter helemaal niet gerust dat de regering met die zogenaamde koolstoftaks het leven van hardwerkende burgers in dit land niet duurder zal maken, tot wel honderden euro’s. Dat is evident en al erg genoeg, maar nog erger is dat de impact van die koolstoftaks precies 0 graden Celsius bedraagt en dat de taks dus geen enkel verschil zal maken voor het klimaat. Dat is werkelijk wraakroepend. Wat België op een heel jaar uitstoot, wordt door een land als China op iets meer dan twee dagen uitgestoten. Terwijl de wereldwijde CO ₂ -uitstoot blijft stijgen, maakt deze regering het leven van burgers en bedrijven steeds lastiger en duurder en wordt onze industrie uiteindelijk kapotgemaakt.
De Klimaattransitiebarometer
Het feit dat België niet op schema is voor het bereiken van koolstofneutraliteit tegen 2050
België's uitdagingen in klimaatneutraliteit en voortgangsmeting
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België dreigt de klimaatneutraliteit tegen 2050 te missen door stijgende CO₂-uitstoot in 2024 (vooral transport +18% op 40 jaar, raffinage +5%, trage elektrificatie auto’s en gebouwen) en onvoldoende natuurlijke CO₂-opname door urbanisatie en landbouwveranderingen. De minister kondigt kortetermijnmaatregelen aan: een belastingverschifting om elektriciteit goedkoper te maken dan gas (stimulans voor warmtepompen, TVA-verlaging naar 6% in 2026), strengere regels voor diesel en bedrijfswagens, en investeringen in spoorvervoer (+30% reizigers). Voor importgerelateerde emissies zet België in op EU-mechanismen (CBAM), circulaire economie en strengere importcontroles. Regionale samenwerking is cruciaal voor gebouwen (verbod fossiele ketels) en koolstofopslag (landbouw-klimaatalliantie in voorbereiding), terwijl real-time emissiemonitoring tegen 2026 moet verbeteren. Critici wijzen op gebrek aan ambitie en coherentie in het huidige beleid, ondanks federale plannen.
François De Smet:
Selon le "Baromètre de la transition" publié tout récemment par l’administration fédérale, la Belgique n’est pas actuellement sur une trajectoire permettant d’atteindre la neutralité climatique d’ici 2050.
Bien que certains secteurs aient enregistré une baisse des émissions, le rythme global de la transition reste insuffisant et, selon la base de données Edgar citée par la Commission européenne, les émissions de CO ₂ auraient m ê me augment é de 1 % en 2024.
Plusieurs points préoccupants ressortent de ce constat: une hausse significative des émissions dans le secteur du raffinage (+5 % en 2024) liée notamment au traitement de produits fossiles plus complexes, une augmentation persistante des émissions dans le secteur du transport (+18 % sur 40 ans, +2 % en 2024), une progression très lente de l’électrification du parc automobile et une recrudescence des ventes de chaudières fossiles, un déploiement encore limité des pompes à chaleur (moins de 5 % des bâtiments), la diminution des capacités naturelles de captation du carbone, en raison notamment de la conversion des prairies et de l’urbanisation.
En conséquence, monsieur le ministre, quelles mesures nouvelles le gouvernement entend-il prendre, à court terme, afin d’accélérer la trajectoire vers la neutralité climatique, notamment dans les secteurs du transport et du bâtiment, dont les indicateurs sont particulièrement préoccupants, et plus particulièrement en ce qui concerne le déploiement plus significatif des pompes à chaleur? Comment le gouvernement compte-t-il soutenir davantage l’électrification, tant du parc automobile que des usages résidentiels et industriels, et corriger la tendance récente à la hausse des chaudières fossiles? Si un plan spécifique est prévu pour encadrer et réduire l’empreinte carbone liée aux importations, étant donné la part croissante des émissions générées hors du territoire pour satisfaire la consommation belge? Quelles actions immédiates sont prévues pour restaurer et renforcer les puits de carbone naturels, notamment dans les zones agricoles et urbaines? Comment son administration compte améliorer le suivi et la prévision des émissions, afin de disposer d’indicateurs plus réactifs et permettant des ajustements politiques en temps utile?
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, le dernier Baromètre de la transition du SPF Santé publique est sans appel : la Belgique n'est pas sur la trajectoire de la neutralité climatique pour 2050. Pire encore, nos émissions de CO ₂ ont augment é en 2024.
Les raffineries, les transports, l'énergie… les secteurs les plus émetteurs ne réduisent pas leurs émissions, voire les augmentent. L'électrification du parc automobile stagne, la vente de chaudières fossiles repart à la hausse, et nos sols absorbent de moins en moins de carbone.
Autrement dit, à 25 ans de l'échéance, la Belgique ne tient pas le cap. Pendant que nos voisins accélèrent, nous reculons. Pendant ce temps, nos décisions politiques de continuent à manquer de cohérence, de vision, et de courage.
Monsieur le ministre, avez-vous pris connaissance des résultats de ce baromètre et quelles en sont vos conclusions? En tant que Ministre du Climat, quelles mesures comptez-vous prendre à court terme pour remettre notre pays sur les rails de la neutralité climatique en 2050?
Jean-Luc Crucke:
Merci pour vos questions et votre intérêt pour ce rapport. Vu l'importance du sujet, mon administration se tient bien évidemment à disposition pour présenter ses travaux et pour répondre aux questions concernant les chiffres et la méthodologie.
Je vais répondre malgré tout aux questions qui m'ont été posées. Ai-je pris connaissance des résultats de ce Baromètre et quelles en sont les conclusions? Tout comme vous, je suis préoccupé par les résultats et les messages du rapport.
Nous devons conclure que les efforts ne sont pas suffisants malgré les politiques menées à tous les niveaux. En tant que ministre compétent pour la Mobilité, je suis particulièrement préoccupé par les constats dans les secteurs du transport intérieur et extérieur, où les émissions augmentent. Nous devons accroître notre capacité d'action. Pour cela, tous les efforts doivent être déployés, y compris en matière de coordination des politiques entre le niveau fédéral et les régions. Les progrès dans le bâtiment me semblent également faibles, alors qu' a contrario , il semble que l'industrie a réalisé d'importants efforts.
D'autre part, il serait utile de compléter le Baromètre en incluant les projections officielles des émissions de gaz à effet de serre qui estiment l'impact des politiques et mesures prévues dans le Plan national Énergie-Climat.
Je ne peux que souligner l'importance d'améliorer la modélisation et le calcul de l'impact des mesures du Plan au niveau national. Il importe à cet effet aussi d'accroître la cohérence du scénario de décarbonation belge.
Quelles mesures nouvelles le gouvernement va-t-il prendre à court terme afin d'accélérer la trajectoire vers la neutralité climatique, notamment dans les secteurs du transport et du bâtiment, dont les indicateurs sont préoccupants, et en ce qui concerne un déploiement plus significatif des pompes à chaleur? En tant que ministre du Climat, quelles mesures vais-je prendre à court terme pour remettre notre pays sur les rails de la neutralité climatique? Le rapport adresse un état des lieux des émissions belges au niveau national. Comme vous le savez, le climat est une matière transversale et le niveau fédéral ne dispose pas à lui seul de tous les leviers. Le gouvernement fédéral a l'intention de tenir, dans le cadre de ses compétences, les engagements pris dans la contribution fédérale au Plan national Énergie-Climat. Ce plan prévoit une série de mesures qui devraient permettre d'améliorer la situation, notamment concernant le transport et les bâtiments.
Il prévoit entre autres d'examiner l'impact et les modalités d'un tax shift sur les produits énergétiques et d'ensuite le mettre en œuvre. Un tel tax shift , s'il est mis en œuvre de manière ambitieuse, permettra de réduire le ratio prix de l'électricité/prix du gaz et permettra ainsi d'améliorer l'attractivité des solutions bas carbone comme les pompes à chaleur. Il s'agit d'une priorité pour moi.
Deuxièmement, la réforme de la TVA sur les systèmes de chauffage va aussi dans ce sens, comme la réforme des accises sur le diesel professionnel.
Troisièmement, concernant le transport, le gouvernement a réaffirmé sa volonté de mener à bien les projets envisagés dans les programmes d'investissement pluriannuels de la SNCB et d'Infrabel. Nous visons à améliorer considérablement le transport ferroviaire de marchandises. À terme, nous visons aussi une augmentation de 30 % des voyageurs sur le rail grâce à une amélioration des services.
La réforme de verdissement du parc de voitures de société est quant à elle bien maintenue. Le renforcement de ces mesures ainsi que la mise en place progressive de nouvelles dispositions sont certainement nécessaires pour accélérer cette transition. C’est pourquoi nous poursuivrons la discussion avec nos partenaires du gouvernement afin d’aller plus loin sur ce sujet. Vous pourrez continuer à suivre nos progrès à travers des rapports tels que le Baromètre de transition. Je compte bien entendu sur les régions pour agir de même et envisager de nouvelles mesures au-delà de ce qui est prévu dans le Plan national Énergie-Climat.
En ce qui concerne plus spécifiquement l’électrification, un tax shift , comme mentionné précédemment, constituerait un levier important. Nous espérons donc parvenir à un accord ambitieux sur ce point. La norme énergétique pour les secteurs électro-intensifs est également cruciale. Par ailleurs, la TVA sur les pompes à chaleur sera ramenée à 6 % en 2026. Nous nous en réjouissons, car cela envoie un excellent signal aux citoyens et aux professionnels.
Pour soutenir cette électrification, des investissements dans les réseaux, dans les solutions de flexibilité ainsi que des efforts supplémentaires en matière de production d’énergie renouvelable sont absolument indispensables. Sur ce point, je vous invite à vous adresser à mon collègue en charge de l’Énergie, le ministre Bihet. Les régions mettent également en place une série de mesures, notamment certaines interdictions d’installation de nouvelles chaudières fossiles.
Concernant l’empreinte carbone, deux principaux leviers permettent de réduire nos émissions importées: premièrement, limiter ou réduire la consommation de biens et services les plus émetteurs lorsque cela est possible – par exemple en augmentant leur durée de vie, en favorisant la réparation, la réutilisation ou le partage des biens existants – et deuxièmement, réduire le contenu carbone des biens et services consommés – par exemple en diminuant la quantité de matériaux utilisés ou en recourant à des matériaux recyclés, biosourcés ou neutres en carbone. C’est évidemment davantage l’Union européenne qui est compétente sur ces deux leviers.
Le mécanisme d’ajustement carbone aux frontières (CBAM) vise notamment à compléter le système d’échange de quotas d’émissions en ce qui concerne les émissions importées des pays tiers. Ce mécanisme joue donc un rôle essentiel pour encourager la réduction du contenu carbone de certains biens importés. La Belgique soutient auprès de la Commission européenne l’exploration d’éventuelles extensions du champ d’application de ce mécanisme.
Le développement de l’économie circulaire est également un aspect important pour limiter l’empreinte carbone des importations, notamment à travers la réutilisation, la réparation, le reconditionnement et le recyclage des produits et matériaux. Le nouveau plan fédéral pour l’économie circulaire est en cours de finalisation. Il est donc encore un peu tôt pour communiquer sur son contenu, mais il comprendra plusieurs mesures visant, entre autres, à prolonger la durée de vie des produits, à promouvoir la réparation et le réemploi et à limiter les produits à usage unique. Chacune de ces mesures contribue à réduire la demande de nouveaux produits et, par conséquent, les importations.
Nous pouvons également agir au niveau du contrôle des importations. Aujourd’hui, jusqu’à 50 % des importations par e-commerce sont non conformes aux normes environnementales. C’est pourquoi j’ai annoncé le 28 octobre dernier le lancement d’un plan d’inspection incluant notamment le renforcement de nos inspections environnementales et un durcissement des sanctions afin qu’elles soient plus proportionnées et dissuasives.
Il est également possible d’agir via la sensibilisation. Nous agirons par exemple sur l’ ultra-fast fashion via une campagne de communication en 2026, menée avec l’IFDD (l'Institut fédéral pour le développement durable) . Nous étudions comment sensibiliser à la sous-consommation et à la consommation durable, comme le prévoit l’accord de gouvernement.
Les compétences pertinentes pour renforcer nos puits de carbone se situent au niveau des régions. Nous avons peu de leviers à ce sujet au niveau fédéral. Nous restons toutefois à l’écoute des régions si elles identifient une synergie à mettre en place. Par ailleurs, j’ai émis le souhait de travailler sur une alliance agriculture-climat-environnement afin de co-construire, avec les secteurs agricole et économique mais également avec les régions, une feuille de route de transition environnementale du secteur incluant sa participation au captage du carbone. Nous clôturons pour l’instant un premier tour de consultations et entamerons bientôt les discussions relatives à la fixation d’objectifs.
La prévision des émissions constitue en effet un point pertinent afin de disposer d’indicateurs plus réactifs, permettant des ajustements politiques en temps utile. Le baromètre se base sur les données de l’année 2023, qui sont les dernières données complètes disponibles; il existe donc un décalage d’un an et demi entre les données et la situation actuelle. L’administration et moi-même avons identifié ce point comme un élément d’amélioration. L’administration entamera très prochainement une analyse afin de déterminer si un sous-ensemble d’indicateurs, plus proches du temps réel, peut être développé sur la base des données mises à jour plus régulièrement. Nous espérons pouvoir intégrer cet aspect au baromètre 2026, tout en tenant compte de la complexité institutionnelle et administrative, qui n’est pas à sous-estimer.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse exhaustive. Nous ne manquerons pas d'analyser en détail avant de revenir vous interroger.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, je me joins aux remerciements de mon collègue et j'en ferai de même.
De Belgische onthouding in de EU inzake de broeikasgasuitstoot en de waarschuwing van de minister
De onthouding van België op het vlak van de klimaatdoelstellingen
De Belgische onthouding op de vergadering van de Raad Milieu inzake de doelstelling 2040
België's terughoudendheid bij EU-klimaatdoelstellingen en -besluiten
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België onthield zich bij de EU-stemming over 90% CO₂-reductie tegen 2040, wat een gebrek aan gecoördineerd klimaatbeleid blootlegde door blokkades van Vlaanderen en klimaatsceptische ministers (o.a. Clarinval) binnen de federale regering. Minister Crucke betreurde de gemiste kans om Belgische belangen te verdedigen en benadrukte dat de EU ondanks de Belgische afwezigheid ambitieus bleef, maar waarschuwde voor groeiend klimaatscepticisme dat economische voordelen van transitie ontkent. Kritiek richtte zich op de institutionele verdeeldheid en het ontbreken van een eenduidige visie, terwijl Crucke beloofde voor 2025 (volgend EU-voorstel) een gedragen Belgische positie af te dwingen. Sam Van Rooy (klimaatsceptisch) verwierp CO₂-neutraliteit als "onzin" en pleitte voor enkel klimaatadaptatie, wat de polarisatie binnen de regering illustreert.
Sam Van Rooy:
De Europese ministers van Klimaat zijn overeengekomen om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2040 met 90 % te reduceren. België heeft zich bij die stemming onthouden. U noemde dat "een betreurenswaardig resultaat". U waarschuwde ook voor "de opkomst van een klimaatsceptisch discours binnen de federale regering". Als dat klopt, klinkt mij dat natuurlijk als muziek in de oren; dat begrijpt u wel.
Kunt u uw kritiek op de federale regering toelichten? Over wie of wat hebt u het precies? Ik weet natuurlijk wat uw visie is en die is allesbehalve klimaatsceptisch. Zult u dus actie ondernemen in de regering om het klimaatsceptische discours tegen te gaan en het tij te keren? Hoe zult u dat dan doen?
François De Smet:
Monsieur le ministre, nous avons pris connaissance, avec une certaine consternation, de l’abstention adoptée par la Belgique lors des récentes discussions européennes sur les objectifs climatiques. Cette abstention, au moment même où l’urgence de la crise climatique se fait plus forte que jamais, révèle ce que nous pressentions déjà depuis que l’Arizona est aux affaires: il n’y a plus réellement de politique climatique coordonnée dans ce pays. En s’abstenant, la Belgique envoie un signal clair: l’objectif de neutralité carbone, la réduction rapide des émissions et l’ambition d’un futur sobre en carbone ne constituent pas pour elle des lignes rouges.
Or, à l’heure où les scientifiques appellent à une action immédiate, ferme et collective, un tel choix apparaît comme une forme de recul politique, un renoncement tacite à jouer un rôle moteur. Au-delà de l’abstention, c’est la faiblesse de l’objectif qui est difficilement acceptable. Les engagements actuels ne reflètent ni la gravité de la situation, ni la responsabilité historique de notre pays et des autres pays européens.
La trajectoire fixée reste largement insuffisante pour répondre à l’objectif de limitation du réchauffement à 1,5°C des accords de Paris, désormais bien éloignés. En persistant dans cette logique, la Belgique risque de devenir un point d’ancrage de l’inaction européenne. Vous avez fustigé, je cite, "le blocage de la Flandre", mais aussi, je cite encore, la montée d’un discours climatosceptique au sein du gouvernement fédéral", niant les bénéfices économiques et technologiques de la transition.
Vous ajoutez même que cet épisode illustre les limites de la gouvernance climatique interfédérale. En conséquence, pouvez-vous nous faire savoir ce qui explique précisément cette abstention de notre pays dans le cadre de ces discussions d’importance au niveau européen? Quelles réponses allons-nous donner aux jeunes générations, qui restent nombreuses à espérer un sursaut et qui constatent que, plus que jamais, notre pays apparaît peu lisible sur le plan climatique dès qu’il s’agit de prendre une position coordonnée au niveau européen?
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, lors du dernier Conseil des ministres européens de l'Environnement, la Belgique s'est une nouvelle fois illustrée, mais cette fois-ci pas dans le bon sens du terme, malheureusement. Elle s'est illustrée par son incapacité à se mettre d'accord.
Alors que les 27 devaient adopter un objectif commun de réduction des émissions de gaz à effet de serre pour 2040, notre pays s'est abstenu. Une abstention incomprise, regrettée et surtout très négative pour notre crédibilité internationale. Tout cela parce que certains membres de votre gouvernement, dont le ministre climatosceptique Clarinval, ont bloqué la position belge. Nous avons déjà eu l'occasion d'en discuter lors de cette commission.
Le résultat est désastreux puisque la Belgique est perçue comme divisée, peu fiable et incapable de défendre une position ambitieuse sur le climat.
Monsieur le ministre, comment en sommes-nous arrivés là? Comment la Belgique peut-elle encore prétendre jouer un rôle moteur en Europe si elle est incapable de parler d'une seule et même voix en son sein? Comment expliquez-vous qu'un pays comme le nôtre fasse partie des rares à s'abstenir sur un enjeu pourtant aussi crucial que celui-là?
Comment comptez-vous, au sein du gouvernement, éviter que la Belgique se ridiculise à nouveau sur la scène européenne? Comment restaurerez-vous la crédibilité internationale de la Belgique en matière de politique climatique?
Jean-Luc Crucke:
Mijn antwoord op uw vragen kan eigenlijk bijzonder kort zijn. Doordat België geen positie heeft ingenomen, hebben wij niet kunnen wegen op het debat. We hebben onze belangen dus niet kunnen verdedigen of laten doorwegen in het uiteindelijke compromis.
Comme vous l'avez certainement appris par la presse, certains partenaires de majorité, ainsi que la Flandre, ont délibérément choisi de ne pas conclure d'accord sur l'objectif 2040, malgré les intérêts évidents de nos entreprises et de notre industrie. Cette abstention a donné l'image d'un pays divisé, peu fiable, incapable de parler d'une seule voix sur un enjeu aussi fondamental que l'objectif climatique pour 2040.
Het Deense voorzitterschap heeft nochtans tot diep in de nacht amendementen voorgesteld die tegemoetkwamen aan de Belgische prioriteiten, maar zelfs dat bleek voor sommige partners niet voldoende om een constructieve houding aan te nemen.
C'est précisément l à que le probl è me se situe. La présidence danoise était prête à intégrer la plupart de nos demandes. D'autres É tats membres ont ensuite occupé l'espace laissé vacant par la Belgique. Ils ont défendu nos intérêts et le compromis final s'est orienté dans leur direction. La Belgique, faute de volonté d'ouverture, n'a pas pu peser dans la balance, ce que je déplore vivement.
Het gevolg is duidelijk: geen positie betekent geen invloed. Andere lidstaten hebben nationale prioriteiten ingebracht, waardoor het compromis in hun richting opschoof. Het is een gemiste kans voor België. Als men mee aan tafel zit maar niet meedoet, beslissen anderen in uw plaats. Dat betreur ik.
Par contre, je me réjouis, nonobstant les adaptations de dernière minute qui auraient pu être évitées comme le report de l'OTS2, que l'Union européenne ait malgré tout pu adopter à la fois au Conseil et au Parlement un objectif 2040 qui reste ambitieux.
La COP l'a encore montré, l'Europe conserve son leadership climatique et n'abaisse pas ses ambitions. J'ai toutefois déjà mis en garde contre la montée d'un discours effectivement climatosceptique, un discours qui minimise l'urgence climatique, qui sème le doute et qui nie les bénéfices économiques, technologiques et industriels de la transition. Ce type de discours affaiblit notre crédibilité et heurte de plein fouet les attentes des entreprises qui demandent surtout de la stabilité, de la cohérence et de la prévisibilité.
Aan de jongeren die terecht bezorgd en soms moedeloos toekijken, wil ik duidelijk zeggen: ik blijf me in de regering inzetten voor een ambitieus, betrouwbaar en voorspelbaar klimaatbeleid, zoals dat ook in het regeerakkoord werd vastgelegd.
Je comprends bien évidemment l'inquiétude des jeunes. Leur avenir ne peut pas être l'otage d'hésitations politiques ou de querelles institutionnelles. Nous avons la responsabilité de garantir une trajectoire claire, ambitieuse et crédible.
Tot slot is het essentieel dat we in de federale regering opnieuw tot een gedragen lijn komen. Volgend jaar presenteert de Europese Commissie het voorstel voor de uitvoering van de 2040-doelstellingen.
Ce sera le moment de prouver que la Belgique peut à nouveau parler d'une seule voix, défendre ses intérêts et contribuer de manière constructive au projet européen.
Ik zal er alles aan doen opdat België tegen dan wel een eensgezinde positie inneemt en we onze plaats aan de Europese tafel opnieuw waardig invullen.
Je crois aussi vous avoir démontré tout à l'heure que, lors de la COP30, cela a été le cas. J'espère donc que le vote d'abstention qui est intervenu, que je ne considère certes pas glorieux, est un mauvais passage et que, réellement, dans l'intérêt de la population et des entreprises aussi, nous pourrons dorénavant retenir plutôt l'image présentée au Brésil, à Belém, que ce qui s'est passé lors du dernier Conseil européen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, u hoeft helaas niet te vrezen voor een klimaatsceptisch discours in de federale regering. De u welbekende Anuna De Wever is natuurlijk van mening dat het allemaal nog niet snel genoeg gaat, hoewel haar naamgenoot, premier Bart De Wever, in feite hetzelfde dwaze CO 2 -dogma aanhangt, namelijk dat wij zogenaamd klimaatneutraal moeten worden.
Dit land heeft echter nood aan een premier en aan een klimaatminister die eindelijk stoppen met de onzin van fanatieke CO 2 -reductie. Dit land heeft nood aan een premier en een klimaatminister die eindelijk aangeven dat wij uitsluitend nog aan klimaatadaptatie doen. Wij passen ons dus aan een veranderend klimaat aan, wat de mens trouwens altijd al met succes heeft gedaan.
Als dat eindelijk werkelijkheid zou worden, kunnen onze burgers en bedrijven opnieuw ademhalen en worden zij niet langer opgezadeld met alsmaar meer klimaatregelneverij en klimaattaksen.
François De Smet:
Merci pour votre réponse, monsieur le ministre. Je voudrais évoquer deux choses par rapport à celle-ci. D’abord une réflexion: je suppose que ces Conseils européens se préparent de longue date entre entités fédérales et fédérées, ainsi qu’au sein du gouvernement fédéral. J’entends bien, et je mesure les vents contraires que vous devez affronter. Mais est-ce qu'il ne vous revient pas à vous, peut-être fortement en amont, de créer les conditions nécessaires pour que des chances de consensus se dégagent? Ne faut-il pas s’y prendre encore beaucoup plus tôt? Vous me direz que vous n’êtes pas là depuis si longtemps, mais maintenant que vous êtes bien installé dans le poste et que vous avez obtenu quelques garanties que ce gouvernement allait encore durer quelque peu, ne pourrait-on pas faire en sorte que ces convergences soient recherchées et tentées bien en amont des échéances?
Ensuite, même si vous l’exprimez diplomatiquement, vous reconnaissez que certains partenaires de votre majorité ont bel et bien rendu impossible une position unie de la Belgique et adoptent une posture teintée de climatoscepticisme. Oui, c’est vrai, mais tel est le gouvernement dans lequel vous avez accepté d’entrer, tels sont les partenaires que vous avez choisis, et cela relève donc aussi, in fine , en partie, de votre responsabilité.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Je dois vraiment vous dire que, parfois, quand je vous entends ici en commission, j’éprouve réellement de la peine pour vous, car je me dis que dans cet océan de misère et de drame, vous êtes bien seul.
Mais effectivement, comme le collègue vient de l’indiquer, votre parti a aussi décidé de participer à ce gouvernement. Et donc, même si j’ai, encore une fois, beaucoup d’empathie pour ce que vous représentez et pour la personne que vous êtes, il n’en reste pas moins qu’il existe toute une série de responsabilités à assumer, des positions qui relèvent d’enjeux essentiels encore aujourd’hui, dont certains, autour de la table, ne semblent pas vraiment très au fait.
Nous serons évidemment attentifs à la suite. Nous ne manquerons pas de revenir vers vous, comme nous le faisons depuis près d’un an, et nous vous encourageons à poursuivre votre combat au sein de votre gouvernement.
Voorzitter:
La question n° 56010300C de Mme Marie Meunier est transformée en question écrite.
De studie van CLIMACT en IDEA Consult over de klimaattransitie en de werkgelegenheid
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 25 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De overgang naar klimaatneutraliteit tegen 2050 zal 45% van de arbeidsmarkt en 58% van de toegevoegde waarde ingrijpend veranderen, met 130.000 nieuwe banen in bouw en 50.000-100.000 in duurzame landbouw, maar dreigt sociale en regionale ongelijkheid te verergeren zonder gerichte actie. Minister Crucke benadrukt dringende samenwerking tussen federale, regionale en sociale partners om omscholingsprogramma’s, levenslang leren en waardige arbeidsvoorwaarden in transitie-sectoren (bouw, landbouw) te organiseren, gestuurd door adviezen van CCE en CFDD en Europese initiatieven zoals het *Fair Transition Observatory*. Hij erkent dat hoogopgeleiden kortetermijnvoordeel hebben, maar streeft via toegankelijke opleidingen naar inclusie van laag- en middelbaaropgeleiden op langere termijn, met Denemarken als voorbeeld voor beleidscoördinatie ondanks Belgische complexe bestuurslagen. Concrete plannen volgen na overleg met de minister van Werkgelegenheid, maar tijdsdruk (Europese semesteraanbevelingen) en vaardigheidstekorten blijven kritieke uitdagingen.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, l'étude commandée par le SPF Santé Publique à CLIMACT et IDEA Consult confirme que la neutralité carbone transformera profondément notre économie. D'ici 2050, près de 45 % du marché du travail et 58 % de la valeur ajoutée s'en trouveront modifiés.
Les changements seront massifs, certains métiers disparaîtront, d'autres émergeront. Dans la construction, jusqu'à 130 000 emplois pourraient être créés; dans l'agriculture durable, entre 50 000 et 100 000. Toutefois, cela ne se produira qu'à une condition: que nous anticipions, que nous formions et que nous accompagnions. Or, pour l'instant, les politiques publiques de formation et d'adaptation du marché du travail semblent très en retard. Pourtant, les besoins sont connus et les chiffres sont clairs, mais il faut agir maintenant.
Monsieur le ministre, comment votre gouvernement compte-t-il articuler transition climatique et politique de l'emploi? Avez-vous eu des échanges à ce sujet avec votre collègue ministre de l'Emploi et quelles en sont les conclusions?
Comment éviter que la transition ne génère de nouvelles inégalités, entre les régions ou entre les catégories sociales? Que comptez-vous faire à ce sujet?
Jean-Luc Crucke:
Chère collègue, la transition climatique offre d'importantes opportunités pour développer des emplois de qualité – ce qui est rassurant – mais elle nécessite également des investissements considérables dans la formation et une réforme en profondeur de la politique de l'emploi. En ce qui concerne la politique climatique, une transition juste doit être prioritaire en tenant compte des aspects sociaux et de l'emploi, avec une attention particulière pour les travailleurs les plus durement touchés par la transition. Je place la coopération avec mes collègues fédéraux et régionaux en tête de mes priorités.
Cette coopération est d'autant plus nécessaire pour les compétences étroitement imbriquées telles que le marché du travail, l'économie et le climat. Il n'y a pas de temps à perdre dans le cadre du Semestre européen. L'Europe a déjà recommandé à plusieurs reprises à la Belgique de remédier aux pénuries de main-d'œuvre dans les secteurs en transition, dans un contexte de discordance entre les compétences demandées et celles qui sont offertes.
Dans mon exposé d'orientation politique, j'ai clairement indiqué que nous nous attaquerons aux pénuries de main-d'œuvre et aux problèmes de compétences avec les régions et les partenaires sociaux, que nous organiserons la reconversion et la formation continue et que nous accorderons une attention particulière à des conditions de travail dignes dans les emplois essentiels à la transition. C'est pourquoi je tends la main aux ministres de l'Emploi fédéral et régionaux afin de mettre en place ces partenariats.
J'ai par ailleurs récemment sollicité l'avis du Conseil Central de l'Économie (CCE) et du Conseil Fédéral du Développement Durable (CFDD) sur cette étude, que je considère comme un excellent point de départ pour concevoir un plan d'action adéquat avec mes collègues. Je partagerai donc prochainement les résultats de cette étude, accompagnés de l'avis du CCE et du CFDD avec le ministre de l'Emploi et les autres acteurs concernés, afin qu'un plan d'action puisse être élaboré.
Comment éviter que la transition ne génère de nouvelles inégalités entre régions, entre catégories sociales?
Tout d'abord, afin d'éviter que la transition génère de nouvelles inégalités, il est nécessaire qu'elle bénéficie aux travailleurs de tous les niveaux de compétence. L'étude précédente du SPF Santé publique sur le sujet a montré qu'à court terme, la transition favorisera davantage la main-d'œuvre hautement qualifiée, tandis qu'à moyen et long terme, elle créera aussi des emplois pour les travailleurs peu et moyennement qualifiés.
Nous nous attendons donc à ce que la transition nécessite l'implication de travailleurs de tous les niveaux de compétence. En même temps, en investissant suffisamment dans l'apprentissage tout au long de la vie et dans des formations accessibles, nous veillons à ce que les travailleurs maintiennent des compétences pertinentes sur un marché en mutation et à ce qu'ils puissent récolter, eux aussi, les bénéfices de la transition.
Ensuite, s'agissant des conditions de travail, comme vous le mentionniez à juste titre, nous nous attendons à une augmentation de la demande de travailleurs dans certains secteurs, comme la construction et l'agriculture, sous l'effet de la transition. Pour attirer suffisamment de main-d'œuvre dans ces secteurs cruciaux, il faudra veiller à de bonnes conditions de travail et d'emploi. Ces compétences sont principalement du ressort de mes collègues, que ce soit du fédéral, des régions ou des communautés. Une collaboration interfédérale étroite à ce sujet me semble donc nécessaire.
D'un autre côté, nous collaborons actuellement au niveau européen à la mise en place d'un Fair Transition Observatory et d'un European Skills Intelligence Observatory afin de mieux cartographier les transitions sur le marché du travail, mais aussi de collecter les données et les bonnes pratiques au sein de l'Union pour soutenir l'élaboration des politiques dans les États membres. Je me suis laissé dire que le Danemark était une référence en la matière, ce qui ne m'étonne d'ailleurs pas. Ils n'ont pas un système aussi régionalisé que le nôtre, et il paraît que c'est parfois une simplification. Leurs travaux peuvent également alimenter les actions nécessaires en Belgique.
Nous œuvrons également au niveau international pour que la transition juste soit bien intégrée dans les politiques thématiques de tous les pays.
Marie Meunier:
Merci monsieur le ministre pour votre réponse.
De gevolgen van de klimaatopwarming
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De klimaatramp dreigt het Belgische BBP tegen 2050 met 2,8% tot 5% te krimpen en de schuld met 15% te doen stijgen, waarschuwt een studie, maar minister Van Peteghem belooft enkel gerichte investeringen (infrastructuur, innovatie) en een review van fossiele subsidies—zonder concrete cijfers of een Europese lobby voor soepelere klimaatinvesteringsregels. Daerden kaart aan dat het ontbreken van een krachtig financieel plan en strategische urgentie onverantwoord is, gezien niet-handelen duurder is dan actie, en eist structurele EU-budgethervormingen om de transitie te versnellen. De minister blijft vasthouden aan beheersbare lastenverdeling en het afwachten van het nieuwe EU-kader, zonder harde toezeggingen.
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, l'étude publiée le 22 septembre dernier par le Bureau fédéral du Plan et le Centre d'analyse des risques climatiques montre de façon chiffrée ce que les inondations de 2021, à Liège notamment, nous ont déjà douloureusement rappelé. Le réchauffement climatique n'est pas seulement un enjeu environnemental, mais aussi un choc budgétaire et macroéconomique majeur pour notre pays.
Selon cette analyse, à politique inchangée, le changement climatique pourrait amputer notre PIB de 2,8 % à l'horizon de 2050 si le réchauffement mondial reste limité à 2 %. Pire encore, la perte atteindrait 5 % avec un scénario à trois degrés, faisant gripper la dette publique de 15 % avec un ajustement budgétaire supplémentaire de 0,7 % à 1,4 % du PIB.
Monsieur le ministre, vous êtes à la base du processus budgétaire. Comment le gouvernement compte-t-il investir dans les prochaines années pour favoriser une véritable transition climatique et comment, en tant que ministre du Budget, encouragez-vous vos collègues à y consacrer des moyens et à prendre en compte les effets du réchauffement sur notre budget? Comment l'enjeu de la transition climatique sera-t-il pris en compte dans la revue des dépenses à venir sur les aides aux entreprises? Comment comptez-vous plaider au niveau européen pour un véritable budget, à même de prendre en charge des investissements massifs dans la transition climatique? Enfin, allez-vous plaider pour une évolution des règles budgétaires européennes afin de favoriser les investissements en la matière?
Vincent Van Peteghem:
Notre déficit fédéral est alimenté par plusieurs facteurs connus qui ont été trop peu pris en considération ces dernières années.
C'est une attitude qui nous confronte aujourd'hui à d'immenses défis. Il est donc logique que les conséquences à long terme du changement climatique soient prises en compte dans nos exercices budgétaires. Au cours de cette législature, nous prenons donc à cœur les risques liés au changement climatique en tant que gouvernement.
Nous faisons le nécessaire pour relever ces défis sans imposer des contraintes impossibles à nos ménages ni freiner la croissance indispensable de nos entreprises. Nous suivons pour cela trois pistes conformément aux nouvelles règles budgétaires de l'Union européenne. Nous réalisons désormais systématiquement des analyses à long terme des risques climatiques.
Nous renforçons la résilience grâce à des investissements ciblés dans les infrastructures, l'innovation et l'adaptation. Nous travaillons également à une répartition équitable des charges afin que les coûts de la transition climatique ne soient pas répercutés sur la classe moyenne.
Le gouvernement opte ainsi résolument pour une politique climatique ambitieuse qui va de pair avec une politique de croissance économique et industrielle raisonnable, répartissant équitablement les charges.
Une première mesure concrète dans ce sens est la spending review sur les subventions aux énergies fossiles, que le gouvernement mènera l'année prochaine.
En ce qui concerne vos questions relatives aux adaptations au niveau européen, monsieur Daerden, je suis convaincu nous allons justement réaliser ce que vous demandez avec le nouveau cadre budgétaire européen, qui vise les réformes structurelles et les investissements. Mettons d'abord ce cadre en œuvre, puis évaluons-le avant d'en envisager un nouveau.
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos éléments de réponse. Permettez-moi toutefois de souligner que votre réponse me laisse une impression de décalage entre l’ampleur du défi climatique et les moyens que votre gouvernement semble réellement prêt à engager. L’étude du Bureau du Plan est pourtant sans ambiguïté: ne pas agir coûte de plus en plus cher et revient plus cher que d’investir. Chaque euro différé aujourd’hui se traduit par de la croissance perdue demain, de la dette supplémentaire et une facture laissée aux générations futures. Or, pour l’instant, je n’entends ni stratégie claire – même si vous la qualifiez d’ambitieuse –, ni engagement financier solide, ni volonté de défendre au niveau européen un cadre budgétaire qui permette enfin d’investir massivement dans la transition. Monsieur le ministre, la question n’est pas de savoir si l’on peut se permettre d’investir, mais bien de savoir si l’on peut encore se permettre de ne pas le faire.
Klimaatadaptatie in de gezondheidszorg
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om klimaatadaptatie in de gezondheidszorg, met focus op tropische ziekten (malaria, dengue, chikungunya), hitterisico’s en exotische steekmuggen. Minister Vandenbroucke bevestigt lopende studies naar oversterfte (2020) en hitte-effecten, maar concrete resultaten en timing blijven vaag, terwijl mentale gezondheid en medicatie-impact enkel binnen bestaande waarschuwingsplannen worden meegenomen. Voor muggenmonitoring is een tijdelijk protocolakkoord (tot 2029) afgesloten, maar een duurzaam systeem ontbreekt nog—de werkgroep onderzoekt hoe dit tegen 2029 kan worden gerealiseerd. Van Lysebettens dringt aan op snellere transparantie over timing en garanties voor effectieve monitoring.
Jeroen Van Lysebettens:
Mijnheer de minister, vorige week hebben wij het kort gehad over de klimaatadaptatie van de gezondheidszorg zelf. Nu wil ik meer inzoomen op een aantal acties op het terrein. De aanleiding daarvoor is de jaarlijkse balans die het Instituut voor Tropische Geneeskunde opmaakt van tropische infecties bij terugkerende reizigers.
Daaruit blijkt dat malaria opnieuw bovenaan staat, maar ook dat het aantal gevallen van dengue en chikungunya merkbaar stijgt. In België is er nog geen lokale overdracht van die virussen vastgesteld, maar door de klimaatopwarming wordt vermoed dat dat slechts een kwestie van tijd is. Het ITG meldt dat de malariamug er ondertussen in geslaagd is om in minstens drie Belgische gemeenten te overwinteren.
De klimaatopwarming brengt niet alleen tropische ziekten met zich mee, maar ook andere gezondheidsrisico’s, zoals hittesterfte en natuurrampen. De Vesdervallei en de hittegolven van de voorbije zomers staan ons nog goed voor de geest. Daarom wil ik een aantal concrete maatregelen van het NEHAP bevragen en nagaan hoe het staat met de voortgang daarvan.
Volgens actiefiche 1 zouden vanaf 2025 geleidelijk concrete acties worden uitgevoerd, afhankelijk van de beschikbare middelen. Welke maatregelen inzake adaptatie zijn intussen genomen of gepland? Hoe zit het met de middelen, in het licht van de lopende begrotingsbesprekingen? Zult u daarin meer investeren?
Actiefiche 3 voorziet in studies naar de oorzaken van de oversterfte tijdens de hittegolf van augustus 2020, alsook naar de effecten van hitte op de mentale gezondheid en op de werking van medicatie op het zenuwstelsel. Lopen die studies nog? Kunnen wij binnenkort de resultaten daarvan verwachten? Zoniet, zult u die opstarten of op welke manier zult u evidence verzamelen?
Ten slotte, België beschikt nog niet over een duurzaam monitoringssysteem voor exotische steekmuggen. Zoals ik daarnet al opmerkte, slaagt de malariamug er ondertussen wel in te overwinteren in België. De monitoring is nu ad hoc en passief en wordt beperkt door budgetten en aanbestedingsprocedures. Er is daarom gepleit voor het installeren van een permanent systeem, onder meer via Sciensano. Sciensano heeft het voorstel ook begroot.
Wat is de status daarvan? Zullen wij dat systeem effectief opzetten? Zoniet, hoe zullen wij omgaan met de schadelijke gevolgen van de introductie van exotische muggen en de impact daarvan op onze volksgezondheid?
Frank Vandenbroucke:
De veerkracht van ons gezondheidssysteem is inderdaad een belangrijk thema. Het is ook een zeer breed beleidsthema. Binnen de NEHAP-werkgroep Resilient Healthcare Systems bekijken we welke focus binnen dat brede thema noodzakelijk is voor de interfederale acties, rekening houdend met de vele bestaande initiatieven waar de beleidsniveaus vandaag al afzonderlijk aan werken.
Tijdens de gemengde interministeriële conferentie Leefmilieu-Gezondheid van 22 september hebben we beslist om overstromingen prioritair te behandelen binnen de interfederale werkgroep, en verder te onderzoeken welke andere thema’s nog prioritair moeten worden behandeld.
Wat uw tweede vraag betreft, zoals vermeld in NEHAP3 wordt de oversterfte van 2020 momenteel onderzocht in een aparte studie, waarvan de resultaten later worden gecommuniceerd. Die studie wordt uitgevoerd door het departement Zorg. De twee andere thema’s worden niet afzonderlijk bestudeerd, maar vallen onder de werking van de werkgroep zelf. Dat is ook zo opgenomen in NEHAP3.
Wat de mentale gezondheid betreft, zal de werkgroep de komende jaren de beschikbare Belgische gegevens over hitte-effecten analyseren. De inzichten die daaruit voortkomen, kunnen aanleiding geven tot bijkomende maatregelen tijdens de waarschuwingsfase – gecoördineerd door de gemeenschappen – of tijdens de alarmfase, die door de federale overheid wordt gecoördineerd, of tot adviezen van de Risk Assessment Group.
Wat betreft de impact van hitte op medicatie die het zenuwstelsel beïnvloedt, de gemeenschappen hebben al initiatieven ontwikkeld die worden ingezet tijdens de waarschuwingsfase van het Ozon- en Hitteplan. Die omvatten onder meer sensibiliseringscampagnes, richtlijnen en adviezen gericht op kwetsbare groepen, zoals ouderen, chronisch zieken en gebruikers van psychotrope medicatie. Huisartsen, apothekers en lokale besturen worden actief betrokken bij de uitvoering van die initiatieven. De NEHAP-werkgroep Ozon en Hitte fungeert daarbij als platform voor informatie-uitwisseling tussen de verschillende gemeenschappen.
Ik kom tot uw derde vraag. De NEHAP-werkgroep Exotische Muggen en Andere Vectoren zal inderdaad werken aan de totstandkoming van een samenwerkingsakkoord Monitoring van Exotische Steekmuggen. Zo’n akkoord is een langdurig traject. Daarom heeft de werkgroep intussen een protocolakkoord opgesteld. Dat is geldig tot 2029 en kan indien nodig worden verlengd.
Jeroen Van Lysebettens:
Dank u wel voor uw antwoorden, minister, en voor de vooruitgang die ondertussen gemaakt is.
Twee elementen uit uw antwoord zijn mij nog onvoldoende duidelijk. Met betrekking tot mijn tweede vraag zei u dat de studie opgestart is en dat de resultaten later worden verwacht. “Later” kan natuurlijk veel later zijn, maar ook volgend jaar of volgende week. Mocht u ons daarover nog enige extra info kunnen bezorgen, dan zou dat geapprecieerd worden.
Betekent het protocolakkoord tussen Sciensano en de werkgroep van het NEHAP dat de kwalitatieve monitoring gegarandeerd is tot 2029 of dat men in de marge van het protocolakkoord zal onderzoeken hoe men zo’n monitoringsysteem kan opzetten tegen 2029?
Frank Vandenbroucke:
(…)
Jeroen Van Lysebettens:
Enige feedback op dat vlak wordt ook geapprecieerd, mijnheer de minister. La présidente : Les questions n os 56008782C et 56008963C de M. Dufrane et Mme Ramlot sont reportées.
De Internationale Dag van de Biodiversiteit en de landbouw
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België kampt met een alarmant biodiversiteitsverlies (slechts 4% gezonde habitats, 60% daling van akkervogels), waar minister Clarinval op reageert met een derde federale bijenplan (in openbare raadpleging) en een taskforce voor pollinatoren, gericht op holistische samenwerking tussen beleidsniveaus en sectoren. Lejeune (Les Engagés) juicht de aanpak toe maar wacht concrete resultaten af, terwijl Prévot en de commissie kritiek uiten op Clarinvals afwezigheid (sinds mei slechts 2x aanwezig) en maandelijkse deelname afdwingen—wat de minister bevestigt voor december. De coördinatie tussen overheden en integratie van biodiversiteit in voedselbeleid blijven cruciale knelpunten.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, à chaque grande époque à ses rebondissements, chaque siècle à ses enjeux et ses défis. Et les défis qui me préoccupent aujourd’hui, moi, et Les Engagés, ce sont les 3 grandes crises qui risquent de bouleverser les vies de chaque être humain dans les années à venir: la pollution, le changement climatique, et la perte de biodiversité.
Ce 22 mai 2025, c’est la journée internationale de la biodiversité. Et à cette occasion monsieur le ministre, j’aimerais vous poser une question. Je ne vais pas ici m’étendre car nos concitoyens sont bien conscient de l’importance de la biodiversité. C’est la pierre angulaire de la vie sur Terre, ses conséquences dépassent de loin les volets environnementaux mais s’étendent aux domaines économiques, sociaux et sanitaires. Je vais donc juste mettre le doigt sur un élément: en Belgique, seuls 4 % des habitats naturels sont en bon état écologique, et près d’un tiers des espèces indigènes sont désormais rares, vulnérables, menacées ou éteintes. Dans les zones agricoles, qui couvrent 44 % du territoire, les populations d’oiseaux ont chuté de 60,9 % en moyenne. 88 % de Belges pensent que la perte de biodiversité affectera leur quotidien à l’avenir.
Mes questions sont les suivantes:
- Votre NPG promet d’assurer la prospérité des pollinisateurs comme quelles mesures concrètes comptez-vous mettre en œuvre pour contrer cette perte sèche de diversité d’espèces essentielles? Quelles mesures supplémentaire comptez-vous mettre en oeuvre pour protéger la biodiversité dans vos compétences?
- Comment comptez-vous renforcer la coordination entre les niveaux de pouvoir ainsi qu’avec le ministre Crucke et mobiliser les ressources nécessaires pour inverser la tendance actuelle?
David Clarinval:
Monsieur le député, le déclin des populations de pollinisateurs constitue un enjeu important. La pollinisation joue en effet un rôle essentiel non seulement pour le bon fonctionnement des écosystèmes, mais aussi pour garantir la sécurité de notre approvisionnement alimentaire. Ce déclin résulte de causes multiples et entraîne des conséquences complexes. Il appelle donc une approche pluridisciplinaire et holistique, combinant santé animale, sécurité de la chaîne alimentaire, environnement et recherche.
Pour y faire face, une task force fédérale a été créée afin d'assurer la gouvernance fédérale de la question des abeilles et des pollinisateurs. Elle est dirigée par mon administration en étroite collaboration avec l'administration fédérale de l'Environnement. Un troisième plan fédéral pour pollinisateurs est maintenant au point et est soumis à la consultation du public. La mise en œuvre de ce troisième plan offrira également l'occasion de renforcer l'échange d'informations et la collaboration entre les entités concernées. Dans ce contexte, mon administration veille à assurer une transition fluide et transparente des informations afin de favoriser les discussions ouvertes et constructives avec toutes les parties prenantes.
Nous travaillons également à intégrer pleinement la dimension de la biodiversité des dossiers relevant de notre compétence, notamment en articulant les enjeux de sécurité alimentaire avec la transition vers des systèmes alimentaires plus durables.
Voilà, monsieur le député, l'état des lieux des travaux relatifs à ce sujet.
Marc Lejeune:
Merci, monsieur le ministre. Je suis très heureux d'entendre qu'une task force a été créée pour traiter ce sujet important, dont vous avez du reste saisi toute la gravité puisque vous avez vous-même évoqué l'importance du déclin, tout comme celle de la pollinisation. Vous nous avez parlé du troisième plan fédéral pour pollinisateurs et de la transmission des informations. Nous attendrons donc ces informations. Je vous remercie d'ores et déjà d'avoir pris ce dossier à bras-le-corps et de traiter la problématique à la hauteur de son importance.
La présidente : Je donne la parole à M. Prévot pour la question suivante.
Patrick Prévot:
Monsieur le ministre, je vais vous faire gagner du temps. Nous ne vous avons plus vu au sein de cette commission depuis le mois de mai. Vous savez, je suis particulièrement attaché aux matières qui découlent directement de l'AFSCA, comme la sécurité alimentaire. Ce sont vraiment des dossiers importants.
Aujourd'hui, j'avais 26 questions en commission, dont toute une partie sont maintenant devenues complètement obsolètes. À mon corps défendant, je vais vous faire économiser du temps. Cela vous en laissera peut-être pour boucler un budget. C'est ce que je vous souhaite.
Je voudrais vous rappeler aussi que, dans les attributions qui sont les vôtres, vous avez la tutelle de l'AFSCA et la sécurité alimentaire. Si vous pouviez, à l'avenir, si tant est qu'il y ait un avenir après Noël, venir plus régulièrement au sein de cette commission, cela permettrait d'avoir des échanges actualisés.
Madame la présidente, ma question datant du mois de mai, je la transforme en question écrite. Je n'ai pas besoin de la réponse maintenant, puisqu'elle sera obsolète. Cela ferait perdre du temps à tout le monde.
La présidente : Monsieur le ministre, plusieurs membres m'ont fait part de cette même remarque, à savoir que vous n'êtes venu dans cette commission que deux fois, en avril et en mai. De nombreuses questions ont été déposées au mois de mai. Je pense pouvoir vous demander, au nom de tous les membres de la commission, de venir plus souvent dans cette commission pour répondre aux questions; une fois par mois, ce serait bien.
Le ministre de la Santé vient toutes les semaines dans cette commission. Mais au vu des questions, il me semblerait raisonnable que vous puissiez vous libérer quelques heures une fois par mois pour répondre aux questions des membres. Je vous laisse vous exprimer à ce sujet.
David Clarinval:
Madame la présidente, comme dans les commissions de l'Économie et des Affaires sociales, il est dorénavant prévu que je vienne une fois par mois pour répondre aux questions. La prochaine réunion est déjà programmée pour le mois de décembre. Il est vrai qu'au mois de juin, nous n'avions pas pu organiser de commission. Ensuite, nous avons pris un peu de retard, mais dorénavant, nous reviendrons tous les mois.
La présidente : La question n° 6005107C de M. Patrick Prévot est transformée en question écrite. Qu'en est-il de la question n° 56005108C?
Patrick Prévot:
Je prends bonne note de l'engagement du ministre et je le remercie. J'espère que nous pourrons avoir des débats plus réguliers. Cette question est aussi obsolète. Dès lors, je la transforme en question écrite. J'en fais de même pour les deux questions suivantes. La présidente : Les questions n° s 56005108C, 56005109C et 56005110C sont donc transformées en questions écrites.
Het uitstel van het klimaatproject 'Green Primary' van ArcelorMittal
Gesteld door
Gesteld aan
Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 18 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
ArcelorMittal’s €2 miljard klimaatinvestering in Gent (elektrische ovens en waterstof-DRI) wordt uitgesteld door hoge energie-, personeels- en EU-CO₂-kosten, terwijl niet-EU-staal via omwegen de markt overspoelt. De minister bevestigt lopend overleg met de EU over staatssteun binnen nieuwe regels, met twee concrete pistes: subsidies voor lagere elektriciteitsprijzen (in ruil voor decarbonisatie) en verlaging transmissietarieven voor grootverbruikers (met compensatie voor anderen), maar doorverwijst CBAM (2026) en ETS-herinvestering naar andere ministers. Concrete plannen ontbreken nog, maar urgentie voor een eerlijk speelveld en snelle oplossingen wordt benadrukt.
Lieve Truyman:
Mijnheer de minister, in 2021 kondigde ArcelorMittal het ambitieuze klimaatplan Green Primary aan. Daarbij zou het bedrijf ongeveer 2 miljard euro investeren op de site in Gent om de koolstofintensieve staalproductie duurzamer te maken door een van zijn ovens te vervangen door elektrische vlamhoogovens en een DRI-installatie (Direct Reduced Iron). Die werkt op aardgas en later op waterstof.
Helaas wordt die investering voor onbepaalde tijd uitgesteld. Daarvoor zijn drie redenen: ten eerste – niet verbazingwekkend – hoge energiekosten, ten tweede de zware personeelskosten en ten derde de Europese CO 2 -heffingen. Dit creëert een ongelijk speelveld met staalbedrijven buiten Europa, die die lasten niet hebben. Tegelijkertijd zorgen die niet-Europese bedrijven ervoor dat hun goedkoop staal via Afrika de Europese Unie binnenkomt.
Hoe verloopt het overleg met de Europese Commissie om onze bedrijven te beschermen tegen niet-Europese concurrenten?
Is er een zekerheid dat de CBAM-bijdragen (Carbon Border Ajustment Mechanism) vanaf 1 januari 2026 eerlijk zullen worden toegepast?
ArcelorMittal is zelf vragende partij om de ETS-inkomsten (Emissions Trading System) opnieuw te investeren in decarbonisatieprojecten. Is dat een haalbare piste? Zo ja, bestaan er al concrete plannen?
Mathieu Bihet:
Mevrouw Truyman, we hebben met de Europese Commissie grondig overlegd over de energienorm. Dankzij deze gesprekken hebben wij vermeden dat we het mechanisme moesten toepassen voorzien in de rechtsgrond geërfd van de vorige regering. Dat mechanisme was nooit aan de Commissie gemeld. Als het ongewijzigd geactiveerd was, hadden sommige bedrijven het reële risico gelopen de ontvangen steun te moeten terugbetalen.
Er vind nieuw overleg plaats over de mogelijkheden geboden door het nieuwe staatssteunkader dat afgelopen zomer werd gepubliceerd, om zeker te zijn dat de mogelijke toepassing ervan de Europese regels respecteert.
Voor uw vraag over het CBAM moet ik u doorverwijzen naar de minister van Financiën.
Voor uw vraag over de inkomsten uit het ETS moet ik doorverwijzen naar de minister van Klimaat.
De federale regering overweegt momenteel twee pistes. De eerste piste is toegelaten door het nieuwe staatssteunkader voor de schone industrie. De lidstaten mogen steun voor de elektriciteitsprijs toekennen aan sommige ondernemingen, in ruil voor een inspanning op het vlak van decarbonisatie. In een tweede piste zou men de transmissienettarieven voor grootverbruikers verlagen, maar dat moet gepaard gaan met compensaties voor de andere verbruikers. Er lopen momenteel technische en politieke gesprekken. Het blijft ons doel om zo snel mogelijk resultaat te boeken.
Lieve Truyman:
Ik kijk alvast uit naar de verdere resultaten die zullen worden geboekt. Blijf zeker in contact en in gesprek met de andere ministers, want samen schrijven we een verhaal en zorgen we voor een sterke economie.
HVO-mazout als huishoudbrandstof en de impact op de klimaatdoelstellingen en energieprijzen
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Blauwe mazout (HVO-gemengde stookolie) is technisch wel toegelaten via bestaande normen, maar economisch onrendabel door gelijke accijnzen als fossiele mazout en hogere productiekosten, terwijl ETS2 de prijsdruk op fossiele mazout verder verergert. Minister Clarinval bevestigt dat beschikbaarheid en concurrentie met andere sectoren (bv. transport) de inzet beperken, maar belooft verdere evaluatie van duurzame alternatieven—zonder concrete kortetermijnplannen. Coenegrachts hamert op mengvormen (fossiel+HVO) als potentieel prijsverlagende oplossing onder ETS2, maar blijft vastlopen in bevoegdheidsdiscussies (accijnzen liggen bij Jambon). Frankrijks beleid wordt als mogelijk voorbeeld genoemd, zonder verdere uitwerking.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, uw tijd is beperkt. Ik zal het kort houden. Naar analogie van mijnheer Van Lommel bent u de tweede aan wie ik deze vraag stel. Ik hoop dat er geen derde volgt. Deze vraag gaat over blauwe mazout, een iets duurzamere toepassing van mazout die vandaag nog niet erkend is als huishoudbrandstof.
Nochtans kan dat wel een oplossing bieden, zeker als ook de koolstoftaks wordt ingevoerd. Het mengen van HVO, blauwe mazout, met de traditionele huishoudbrandstof kan leiden tot een lagere uitstoot en dus ook tot lagere emissierechten die moeten worden betaald. Voor mensen die vandaag nog met mazout verwarmen en niet meteen een andere technische oplossing hebben, zou dat een mogelijke oplossing kunnen zijn.
Mijn eerste vraag is waarom blauwe mazout vandaag nog niet erkend is en welke obstakels daarvoor bestaan. Ten tweede, hoe wordt de inzet van duurzame alternatieven in rekening gebracht binnen het bredere kader van de Belgische voorbereiding op ETS2? Erkent u dat HVO-mazout de prijsstijging voor huishoudens enigszins kan milderen? Zullen er op korte termijn initiatieven worden genomen om blauwe mazout juridisch gelijk te stellen aan stookolie?
David Clarinval:
Het in de handel brengen van stookolie in België wordt geregeld door het koninklijk besluit van 3 juli 2018 betreffende de benamingen en de kenmerken van gasolie bestemd voor verwarming, dat de toepassing van de technische norm NBN T52-716 verplicht stelt.
Deze norm voorziet inderdaad in een stookolie die HVO kan bevatten. Bijgevolg is het op de markt brengen van blauwe mazout mogelijk. Het belangrijkste obstakel voor de ontwikkeling ervan is echter de prijs en het verschil tussen dit product en stookolie van fossiele oorsprong. Momenteel is het accijnstarief voor stookolie met HVO namelijk hetzelfde als dat voor stookolie van 100 % fossiele oorsprong.
Zoals eerder vermeld, is het momenteel niet mogelijk te garanderen dat de introductie van dit product op de markt het effect van ETS2 op de huishoudens zou kunnen verzachten, aangezien het duurder is en op dezelfde manier wordt belast als een product dat volledig uit fossiele brandstoffen bestaat. Bovendien wordt HVO steeds vaker gebruikt in andere sectoren en zal het gebruik ervan alleen maar toenemen naarmate de doelstellingen voor hernieuwbare energie in de vervoerssector worden verhoogd. Dat kan leiden tot problemen met de beschikbaarheid en een nog grotere druk op de prijs.
Er zijn momenteel praktische en economische factoren die een brede toepassing beperken. Binnen deze context blijven we echter actief de mogelijkheden voor duurzame alternatieven opvolgen en hun toegankelijkheid voor huishoudens evalueren.
Wat het accijnstarief betreft, kunt u zich wenden tot mijn collega-minister Jambon.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, u verwijst naar de minister van Financiën, aan wie ik de oorspronkelijke vraag heb gesteld, maar die mij naar u heeft doorverwezen. Zo blijven we rondjes draaien. U hebt ten minste geprobeerd een antwoord te geven, waarvoor dank. Accijnzen vallen dus volledig onder de bevoegdheid van de heer Jambon. Ik zal hem daar opnieuw vragen over stellen
Wat betreft de samenstelling hebt u gelijk: 100 % fossiel is vandaag goedkoper dan 100 % HVO. Door de invoering van de koolstoftaks zou 100 % fossiel plus ETS2 wel eens duurder kunnen worden dan HVO. Het gaat ook over de goedkeuring om mengvormen te gebruiken. Dat wil zeggen een combinatie van fossiel en HVO. In combinatie met ETS2 zou dit een prijsdrukkend effect kunnen hebben. Ik vraag u daarom niet alleen te kijken naar de volledige vormen, maar ook naar de mengvormen die impact zouden kunnen hebben. Misschien kunt u daar in de toekomst naar kijken.
David Clarinval:
In Frankrijk hebben ze een interessante beslissing genomen over die specifieke brandstof. U bent daarvan op de hoogte, toch? Zo niet, dan kunnen we daarover spreken.
Het nieuwe nationale klimaatplan (NEKP)
De verdere evolutie van en de bedenkingen over het Nationaal Energie- en Klimaatplan
De goedkeuring van een Belgisch klimaatplan
Het NEKP 2030
Het Belgische nationale energie- en klimaatplan 2030
Gesteld door
VB
Sam Van Rooy
N-VA
Katrijn van Riet
Ecolo
Tinne Van der Straeten
PS
Marie Meunier
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Nationaal Klimaatplan 2030 haalt de EU-verplichting van 47% CO₂-reductie (ten opzichte van 2005) enkel op papier door overschotten uit 2021-2024 (corona, energiecrisis) te gebruiken, maar loopt in 2030 4,3% achter (42,7%) door onvoldoende inspanningen, vooral in Wallonië en Brussel, terwijl Vlaanderen al 35% reduceerde. De verdeling van middelen (1,6 mjd € EU-Sociaal Klimaatfonds) en CO₂-lasten volgt EU-criteria (bevolking, uitstoot, inkomen), maar Vlaanderen draagt disproportioneel bij aan reductie en hernieuwbare energie (13,7% vs. 31% in Wallonië), terwijl België met 20,4% hernieuwbare energie ver onder het EU-doel (33%) blijft door vertraagde offshore-windprojecten en procedurele obstakels. Kritiekpunten: gebrek aan concrete uitvoeringsplannen, technologische innovatie (bv. CO₂-afvang) en samenwerking tussen gewesten, terwijl energiekosten en regelgeving voor burgers en bedrijven stijgen zonder duidelijke compensatie. De minister benadrukt federale maatregelen (fiscale vergroening mobiliteit, spoorgoederenvervoer) maar erkent monitorings- en coördinatietekorten.
Sam Van Rooy:
Minister, de federale regering en de deelstaten hebben een akkoord bereikt over een nieuw Nationaal Klimaatplan, waarin onder andere de klimaatdoelstellingen worden verdeeld over Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Dat plan voorziet maatregelen om de uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 42,7 % te verminderen ten opzichte van 2005, in de zogenaamde ESR-sectoren: bouw, mobiliteit en landbouw. De Europese Unie verplicht België echter tot een vermindering van 47 %.
In dit nieuwe klimaatplan werd ook een verdeelsleutel overeengekomen voor het Europees Sociaal Klimaatfonds. Daaruit zou België in de periode 2026 tot 2032 1,6 miljard euro toegewezen krijgen, waarvan 13,13 % naar de federale overheid gaat, 32,95 % naar Wallonië, 43,42 % naar Vlaanderen en 10,5 % naar Brussel.
Zal dit plan wel aanvaard worden door de EU. Zo ja, waarom? Vindt u dat de verdeling van de CO ₂ -reductie tussen de deelstaten billijk en rechtvaardig is, rekening houdend met het emissieprofiel en het aantal inwoners?
Ik stel u dezelfde vraag over de verdeling van het Europees Sociaal Klimaatfonds. Vindt u dat een rechtvaardige verdeling? Krijgt België voldoende in verhouding tot andere landen? Waarop zou België recht hebben in verhouding tot de afdrachten aan de Europese Unie? Ik vind dat zeer belangrijk. België draagt veel bij aan de EU en krijgt af en toe iets terug, bijvoorbeeld via het Europees Sociaal Klimaatfonds. Is dat in verhouding met elkaar? Welke impact zal dit nieuwe klimaatplan hebben op de burger, zowel wat betreft regelgeving, administratie als kostprijs? Welke impact zal dit nieuwe klimaatplan hebben op de energiefactuur?
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, de federale regering en de deelstaten hebben het nieuwe Nationaal Energie- en Klimaatplan afgeklopt. Dank u om er eindelijk in te slagen om de federale krijtlijnen en die van de deelstaten grotendeels op elkaar af te stemmen. Het plan bevat meer realistische doelstellingen tegen 2030, met aandacht voor de economische draagkracht van gezinnen en bedrijven. De transitie omvat immers niet alleen ambitie, maar ook haalbaarheid en dat hebt u begrepen.
Toch heb ik ook enkele bemerkingen. Zo blijft het NEKP vaag over de uitvoering en over de verdeling van de lasten tussen de beleidsniveaus. Daarnaast heeft Vlaanderen de voorbije jaren aantoonbaar meer vooruitgang geboekt dan de andere gewesten op het vlak van uitstootreductie. De emissies in de Vlaamse industriezones daalden tussen 2005 en 2023 met meer dan 35 %, terwijl Wallonië en Brussel nog steeds aan hun inhaalbeweging bezig zijn. Vlaanderen investeert bovendien fors meer in warmtenetten, de elektrificatie van logistiek en de energie-efficiëntie binnen zijn kmo’s.
Mijnheer de minister, kunt u concreet uw uitvoeringsplan toelichten? Kunt u aangeven welke van uw maatregelen effectief meetbare resultaten zullen opleveren? Hoe zult u vermijden dat Vlaanderen disproportioneel wordt aangesproken om de Belgische doelstellingen te behalen? Zult u garanderen dat de andere gewesten Vlaanderen bijbenen om vergelijkbare inspanningen te leveren?
Waarom zetten we niet nog sterker in op technologische innovatie, kernenergie en efficiëntie in plaats van op nieuwe lasten en subsidies? Bekijkt u uitvindingen zoals de microscopische metalen spons, bekroond met de Nobelprijs voor Chemie, om emissies verder te reduceren aan de bron, zonder de burgers te belasten?
De samenwerking tussen de gewesten is verbeterd. Zult u deze tendens voortzetten en de samenwerking verder uitdiepen? Denkt u hierbij aan een gezamenlijk monitoringsmechanisme?
Wat is uw visie op de huidige functieverdeling tussen de federale en de gewestelijke verantwoordelijkheden met betrekking tot energie en klimaat? Ziet u een herverdeling, waarbij meer autonomie doorstroomt naar de gewesten als een mogelijkheid?
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, le Plan national é nergie-Climat (PNEC) a enfin été bouclé. C'est en soi une bonne nouvelle, parce que nous étions en retard. Mais qu'en est-il du contenu? C'est tout autre chose. Je suis vraiment désolée de vous dire qu'il n'est pas à la hauteur des attentes. Nous attendons davantage de vous. Nous vous savons d'ailleurs déterminé à entreprendre une action climatique ambitieuse.
J'ai plusieurs questions. La première nous vient de la Coalition Climat. Selon celle-ci, "avec un objectif de réduction de ses gaz à effet de serre de seulement 43 % à l’horizon 2030, la Belgique se détourne à la fois de ses obligations européennes (- 47 %), ainsi que des injonctions liées à l’affaire Climat". Monsieur le ministre, comment justifiez-vous ce non-respect de nos obligations internationales?
Deuxièmement, le fait de ne pas respecter nos engagements internationaux expose la Belgique à une responsabilité juridique, comme cela a d'ailleurs été rappelé le 23 juillet 2025 par la Cour internationale de Justice (CIJ). Comment évaluez-vous ce risque juridique?
Enfin, en matière d'énergies renouvelables, le plan vise un peu plus de 20 % d'énergies renouvelables dans le mix énergétique alors que nous devrions être à 33 % pour faire notre part. Comment, dès lors, justifiez-vous ce retour en arrière? Quelles actions concrètes sont-elles mises en place pour augmenter ce pourcentage d’énergies renouvelables?
De voorzitster : De heer Cornillie en mevrouw Taton zijn niet aanwezig.
Jean-Luc Crucke:
Mevrouw de voorzitster, collega’s, de federale overheid heeft samen met de gewesten een belangrijke mijlpaal bereikt met de aktering op 6 oktober 2025 van het geactualiseerd Nationaal Energie- en Klimaatplan 2021-2030.
Het plan vormt een centraal instrument waarmee de lidstaten bijdragen aan de realisatie van de energie- en klimaatdoelstellingen. Het omvat de strategieën om invulling te geven aan de bindende nationale doelstelling in de Effort Sharing Regulation , die betrekking heeft op de gebouwensector, de transportsector en de landbouwsector, evenals aan de Europese bindende doelstellingen inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Het plan zorgt ook voor een kader met betrekking tot de energiebevoorradingszekerheid en de toepassing van de regels van de interne markt. Bovendien stimuleert het de synergiën in onderzoek en innovatie van het energiesysteem, pakt het energiearmoede aan en versterkt het de concurrentiekracht van onze bedrijven.
Concernant l'objectif ESR de réduction des émissions de gaz à effet de serre, contrairement à la lecture qui en est souvent faite, nous atteignons bien l'unique objectif contraignant, et j'insiste sur le fait qu'il s'agit de l'unique objectif contraignant, qui est un objectif cumulatif sur 2021-2030, à savoir une projection linéaire visant à réduire les émissions de 47 % en 2030 par rapport à 2005, dans les secteurs du bâtiment, du transport et de l'agriculture.
We kunnen namelijk de jaarlijkse tekorten vanaf 2025 compenseren met de opgebouwde overschotten van emissieruimte uit de periode 2021-2024. Die overschotten zijn voornamelijk te danken aan de effecten van de coronacrisis en de energieprijscrisis en niet zozeer - dit moet duidelijk zijn - aan een disproportionele inspanning van het Vlaamse Gewest.
Het is zonder meer een positieve evolutie dat het nieuw geplande beleid in het Vlaamse Energie- en Klimaatplan erin geslaagd is het tekort, dat in het NEKP 2023 nog 13,7 miljoen ton bedroeg, om te buigen tot een overschot van 0,9 miljoen ton. Het blijft evenwel een feit dat, alhoewel de rekening voor de periode 2021-2030 klopt met de bindende doelen, België als geheel, door toedoen van de lagere Vlaamse inspanning van 40 % in vergelijking met de twee andere gewesten, die min 47 % bereiken, in 2031 zal starten met een significante vertraging ten opzichte van het traject, namelijk 42,7 % in plaats van 47 % in 2030.
Cela nous place à un niveau d'émissions plus élevé en 2030, rendant la route vers 2050 plus difficile. Par contre, nous atteignons bien l'objectif contraignant du règlement de la gouvernance ESR.
Dat is natuurlijk voor wat werd gepland. In 2030 zullen we de resultaten analyseren per gewest. Al die aspecten zullen meegenomen worden in de discussie over de burden sharing .
Étant donné que nous respectons l'obligation imposée par l’Europe en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre ESR, nous n'encourrons pas de risque juridique.
Inzake hernieuwbare energie blinkt België ook niet echt uit met zijn aandeel van 20,4 %, terwijl we in Europa streven naar minimaal 42,5 % tegen 2030, en de Europese Commissie oordeelt dat een billijk aandeel voor ons land 33 % zou zijn.
Op federaal niveau moeten we durven toe te geven dat we een belangrijke stap terug hebben gedaan ten opzichte van de offshore ambities die geformuleerd werden door de vorige regering in het NEKP 2023. Men moest alles herberekenen.
Ce retour en arrière est dû à plusieurs facteurs: d'une part, une révision technique des facteurs de charge de l'éolien offshore, revus sur la base de données historiques et, d'autre part, la prise en compte de certaines réalités de terrain, à savoir la hausse des prix des matériaux, qui a poussé le gouvernement à réévaluer le projet de l'île énergétique, et le retard pris par certains projets à cause des procédures de permis comme le projet Ventilus et la Boucle du Hainaut.
Ook hier draagt Vlaanderen niet proportioneel bij. We zien daarentegen dat we vooral het Waals Gewest mogen bedanken, omdat 31 % van zijn finaal energiegebruik afkomstig zal zijn van hernieuwbare bronnen in 2030, terwijl men voor het Vlaams Gewest mikt op 13,7 %.
Wel wil ik ook hier benadrukken dat het VEKP een zeer belangrijke inhaalbeweging maakt in zijn hernieuwbare energieprognoses. De belangrijke mate waarin men hiervoor een beroep doet op de bijmenging van biobrandstof, een federale bevoegdheid, wordt in de komende weken verder geanalyseerd.
Par ailleurs, les travaux de transposition de la directive É nergies renouvelables ont été entamés par le ministre Bihet. Ils contiennent notamment un objectif ambitieux d'énergies renouvelables dans les transports routiers et ferroviaires ainsi que dans le transport maritime et l’aviation. Les règlements européens RefuelEU Aviation et FuelEU Maritime doivent également être appliqués en cohérence avec cet objectif d’énergies renouvelables.
Si une partie est déjà incluse dans le PNEC – par exemple, le taux d'incorporation de biocarburant en transport routier –, notre contribution en termes d'énergies renouvelables dans le transport devrait augmenter ultérieurement. Personnellement, je continuerai à plaider pour une plus grande production d’énergies renouvelables, notamment en matière d'offshore.
Ook inzake energie-efficiëntie wijzen de cijfers niet op een disproportionele Vlaamse bijdrage, met een reductie van 6,6 % in 2030 ten opzichte van 2022, in vergelijking met 13 % in het Waalse Gewest en bijna 24 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Zoals u wellicht weet, bestaat het Belgische Nationale Energie- en Klimaatplan uit de optelsom van de gewestelijke klimaat- en energieplannen en het federale energie- en klimaatplan. Zeker op het vlak van decarbonisatie, hernieuwbare energie en energie-efficiëntie beschikken de gewesten over ruime bevoegdheden. Het federale niveau is bevoegd voor de marktwerking, de bevoorradingszekerheid, de competitiviteit en de fiscaliteit. Sommige bevoegdheden worden gedeeld tussen de gewesten en het federale niveau, zoals mobiliteit, innovatie en energie-infrastructuur. Dat biedt het voordeel dat bepaalde kwesties op grotere schaal kunnen worden aangepakt, over de gewestgrenzen heen. Dit is overigens ook wat het bedrijfsleven en de investeerders verwachten: een klimaat- en energiebeleid dat zo coherent en kosteneffectief mogelijk wordt uitgevoerd. Een verdere versnippering van het beleid lijkt mij dan ook niet aangewezen. Een betere samenwerking lijkt mij daarentegen meer dan ooit nodig.
De federale overheid heeft tot op zekere hoogte de maatregelen gepreciseerd die zij van plan is te nemen, zodat de gewesten eigen prognoses konden maken. Op basis daarvan kregen de gewesten de mogelijkheid om hun prognoses te herzien. Omdat onze nationale prognose de optelsom is van prognoses die op gewestelijk niveau worden opgesteld, en de federale overheid slechts een gefragmenteerd zicht op die gegevens heeft, kan ik u geen verdere details geven over de mate waarin de bijdrage van federale maatregelen volgens de gewesten in de projecties doorweegt. Bovendien worden die bijdragen relatief uitgedrukt en houden ze dus rekening met emissies die verband houden met economische activiteiten en huisvesting.
De positieve dynamiek die zich momenteel aftekent, moeten we nu voortzetten om op korte termijn te komen tot een lastenverdelingsakkoord tussen de gewesten en de federale overheid. Ik hoop oprecht dat de dynamiek van onderlinge concurrentie daarbij kan worden doorbroken.
Ik wens onze politieke inspanningen verder te richten op het bereiken van een akkoord dat inzet op samenwerking, een coherent beleid en wederzijdse versterking, zodat de klimaat- en energietransitie op de meest efficiënte wijze kan worden gerealiseerd.
U vraagt welke maatregelen – ik heb het dan over de federale maatregelen - effectief resultaat zullen opleveren.Het blijft moeilijk de maatregelen te kwalificeren zonder rekening te houden met de gewestelijke maatregelen, aangezien de synergiëen tussen bijvoorbeeld fiscaliteit, federale steun en gewestelijke steun gezamenlijk een impact moeten hebben.
Een aantal maatregelen leveren een belangrijke bijdrage aan de vermindering van de uitstoot. Ik geef u drie voorbeelden van effectieve maatregelen: de fiscale vergroening van de mobiliteit, in casu bedrijfswagens, de verhoogde investeringsaftrek en de maatregelen ter promotie van het goederenvervoer via het spoor. De opvolging van die maatregelen gebeurt conform de wet houdende de organisatie van het federale klimaatbeleid in het syntheserapport dat reeds aan de Kamer werd bezorgd en openbaar werd gemaakt. Ik ben het met u eens dat we beter moeten samenwerken, synergieën moeten zoeken en elkaar moeten versterken om gezinnen en bedrijven zo goed mogelijk te begeleiden in de klimaat- en energietransitie. Een gezamenlijk monitoringsmechanisme met het oog op een betere onderbouwing en meer transparantie over de wijze waarop maatregelen bijdragen aan effectieve emissiereducties, is, mijns inziens, dan ook een onmisbaar instrument om dat doel te bereiken.
Wat uw vraag betreft waarom we niet meer inzetten op technologieontwikkeling, nodig ik u van harte uit om hoofdstukken 2.5 en 3.5 van het NEKP aandachtig door te nemen. Onze Belgische onderzoekers, universiteiten en bedrijven zetten zich mede dankzij de steun van alle overheden en van de Europese Unie dagelijks in om innovatieve oplossingen te ontwikkelen voor het klimaat- en energievraagstuk. We mogen echter niet wachten op technologische mirakels; die zijn ook niet nodig. De technologie om onze doelstellingen op middellange termijn te halen, is beschikbaar en betaalbaar. Kernenergie heeft geen rechtstreekse plaats in het NEKP. Het valt onder ETS, dat buiten de scope ervan ligt. Toch hebben we in het NEKP een belangrijk deel aan kernenergie gewijd, aangezien die een rol speelt op het vlak van elektrificatie en energiebevoorradingszekerheid. Persoonlijk wil ik nog afwachten of kernenergie betaalbaar kan blijven.
Op de microscopische metalenspons voor CO 2 -opvang zal ik in een ander antwoord terugkomen.
De impact van het NEKP op de energiefactuur hangt af van de concrete implementatie van elke maatregel. De evaluatie van de doelstellingen gebeurt conform de European Sharing Regulation (ESR) elke vijf jaar, met een finale evaluatie in 2032 voor het jaar 2030. In aansluiting op de tussentijdse evaluatie in 2027 zullen de realisaties van de eerste vijf jaar worden beoordeeld. De evaluaties zullen gebaseerd zijn op de gewestelijke emissie-inventaris.
De evaluatie ex ante van de beleidsdoelstellingen of de prognoses kan worden uitgevoerd door ofwel te vertrekken van de impact van individuele beleidslijnen en maatregelen, wat echter heel benaderend blijft, ofwel door de toekomstige evolutie van emissies op sectorniveau in te schatten. Wij gebruiken twee contrasterende scenario’s. Er is een scenario met bijkomende beleidsmaatregelen en een scenario met de bestaande maatregelen conform de Europese regels.
De prognoses geven aan dat bij ongewijzigd beleid in het WEM-scenario, dus met de bijkomende beleidsmaatregelen, de EREs-emissies een beperkte evolutie vertonen, met een reductie van 23 % tot 30 % ten opzichte van 2005. Het WAM-scenario met bijkomende beleidsmaatregelen leidt tot een reductie van 42,7 %.
Op basis van een ruwe schatting van de impact van de geplande federale maatregelen uit het regeerakkoord 2025 staan wij voor het behalen van circa 8 à 9 % van de benodigde reductie. In het recent gepubliceerde voortgangsrapport over het federaal klimaatbeleid 2025 kunt u meer details over die analyse terugvinden. De bestaande en geplande federale maatregelen zullen moeten worden meegenomen in de gewestelijke prognoses om een zo volledig mogelijk beeld te schetsen van de stand van zaken.
De wijze waarop de beleidsmaatregelen van de gewesten federaal op de emissiereducties doorwerken, wordt door de Europese Commissie echter beschouwd als een van de pijnpunten van het Belgische NEKP. Voor meer details daarover kunt u terecht op de website van het Nationaal Energie- en Klimaatplan, waar u de resultaten kunt raadplegen van een studie uitgevoerd door Cambridge Econometrics. De studie die werd opgesteld in het kader van de bijstand van de Europese Commissie aan de lidstaten verduidelijkt de tekortkomingen op het vlak van gehanteerde methodologische kaders, geharmoniseerde hypotheses, parameters en coördinatie.
Ten slotte, geen enkele evaluatie die zich beperkt tot één bevoegdheidsniveau, kan inzicht bieden in de mate waarin onze nationale emissiereducties al dan niet zullen worden behaald. Aangezien onze emissies de facto afhankelijk zijn van beleidsmaatregelen op verschillende bevoegdheidsniveaus, engageer ik mij ertoe de opmaak van zowel sectorale prognoses als beleidsevaluaties van individuele maatregelen continu te verbeteren door in te zetten op een versterking van beleidsevaluatiecapaciteit en coördinatie bij de betrokken administraties, al hang ik daarvoor uiteraard af van de gewesten.
Dan kom ik aan de vragen over het sociaal klimaatplan betreft. Met betrekking tot het Belgische aandeel in het Sociaal Klimaatfonds moet in de eerste plaats in aanmerking worden genomen dat het fonds op Europees niveau, gevoed met eigen middelen, beperkt is tot ongeveer 25 % van de totale inkomsten uit het ETS 2-mechanisme. De overige 75 % gaat rechtstreeks naar de lidstaten, op basis van de geschatte emissies van de betrokken sectoren. België ontvangt dus het grootste deel van zijn aandeel in de ETS 2-inkomsten rechtstreeks. Het sociaal fonds is een instrument voor de Europese Commissie om het gebruik van de ETS 2-inkomsten voor sociale doeleinden tot op zekere hoogte te sturen. De toewijzing van middelen aan de Europese lidstaten uit het sociaal klimaatfonds wordt vastgelegd door een EU-verordening die door de Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement werd goedgekeurd.
Bij de berekening ervan wordt rekening gehouden met factoren zoals de totale bevolking, de gemiddelde CO ₂ -uitstoot per huishouden in 2016 en 2018, het bruto nationaal inkomen en het percentage huishoudens met betalingsachterstand op de energiefactuur. De 2,55 % die Belgi ë aldus uit het sociaal fonds ontvangt, is bedoeld om kwetsbare huishoudens, micro-ondernemingen en vervoersgebruikers te ondersteunen in de klimaattransitie, niet om onze bijdrage aan de EU-budget terug te verdienen. Belgi ë zal tussen 2026 en 2032 in totaal ongeveer 1,659 miljard euro ontvangen uit het sociaal klimaatfonds van de EU. Daarbovenop is een nationale cofinanciering van minstens 25% vereist, wat neerkomt op ongeveer 553 miljoen euro. Dat resulteert in een totale enveloppe van ruim 2 miljard euro. De Europese betalingen zijn gekoppeld aan het vastleggen van mijlpalen en doelstellingen, die worden opgenomen in het Sociaal Klimaatplan.
Is de intra-Belgische verdeling billijk? De verdeling is gestoeld op hetzelfde principe als dat van het Sociaal Klimaatfonds zelf, namelijk dat elke euro doelgericht wordt ingezet om de sociale impact van het emissiehandelssysteem voor gebouwen en transport op kwetsbare doelgroepen in België te beperken. Natuurlijk hebben we in België eigen criteria ontwikkeld, maar die zijn gelijkaardig aan dewelke door Europa worden gehanteerd. Het Overlegcomité heeft daarover op 6 oktober 2025 een akkoord bereikt, samen met de aktering van het Nationaal Klimaatplan. De federale overheid ontvangt inderdaad 13,13% van de totale enveloppe van 1,6 miljard euro. Dat komt overeen met 218 miljoen euro, met een bijkomende cofinanciering van ongeveer 54 miljoen euro voor de periode 2026–2032. Een klein deel van het totale bedrag zal worden bestemd voor technische bijstand, onder meer voor het beheer en de controle van die middelen door de federaal bevoegde autoriteit, alsook voor audit en communicatie.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. U hebt uw best gedaan, maar zoals zo vaak blijven we achter met meer vragen dan antwoorden. Wat in dit Parlement helaas telkens opnieuw duidelijk wordt, is dat niet de verlaging van de energiefactuur van de burgers, maar wel de vermindering van de CO 2 -uitstoot centraal staat. Niet de portemonnee van de belastingbetalers staat centraal, maar wel de klimaathysterie. Niet onze economie of onze welvaart staan voorop, maar wel de apocalyptische waanbeelden van Anuna en Greta, waarop dat hele beleid gebaseerd is. Niet u of de regering regeert, maar wel het World Economic Forum en de Europese Unie.
Onze mensen – vooral de middenklasse – en onze bedrijven worden uitgeperst ten behoeve van de klimaatwaanzin. Daar zullen wij nooit of te nimmer mee akkoord gaan.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, dank voor uw zeer exhaustief antwoord. Alle cijfers die u hebt meegegeven, zullen we nog eens moeten herbeluisteren en laten bezinken.
Ik heb een aantal termen genoteerd waarop we verder willen werken. Ik heb genoteerd dat u de biobrandstoffen verder zult analyseren. Aangezien ik u daarover al eens een vraag heb gesteld, bedank ik u daarvoor.
Ik hoor ook dat u voorstander bent van minder versnippering van het beleid en van meer samenwerking met de gewesten. Als dat kan, heel graag, maar dan moeten er ook stappen worden gezet.
De fiscale vergroening van de mobiliteit is goed op weg, zeker wat de bedrijfswagens betreft, al wordt dat in sommige gewesten fiscaal al enigszins teruggedraaid. Een volledig elektrische bedrijfswagen is altijd beter dan een hybride; daarover zijn de meeste kenners het eens.
De verhoogde aftrek voor goederenvervoer via het spoor is eveneens zeer welkom. Ik heb echter in een recent verleden geleerd dat het niet eenvoudig is om goederen via het spoor tijdig bij een bedrijf te krijgen.
U hebt ook kernenergie onderstreept. Het is zeer belangrijk dat we daarop verder ingaan.
Ik kijk ten slotte uit naar uw antwoord over de metaalsponzen.
Marie Meunier:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses dont je n'ai malheureusement pas entendu la fin parce que je suis deux commissions qui ont lieu en même temps. J'interrogeais votre collègue, Mme Matz, sur les questions de digitalisation. De ce que j'ai pu entendre, nous n'avions pas la même information concernant notre objectif de réduction des émissions de gaz à effet de serre dont nous pensions qu’il se situerait aux alentours de 43 %. Vous nous indiquez que nous arriverons en tout cas aux 47 %, qui est notre obligation européenne. Nous ne manquerons pas de suivre ce dossier de près et de revenir vers vous avec des questions complémentaires le cas échéant. De voorzitster : De heer Cornillie en mevrouw Taton zijn niet aanwezig voor hun respectievelijke vragen nr. 56009028C en nr. 56009085C.
De strijd tegen PFAS-vervuiling en de intergewestelijke coördinatie in België
Uw besmetting met eeuwige vervuilers en uw wetsontwerp op dit gebied
Het inzetten van 'microscopische sponzen' (MOF) in de strijd tegen CO2 en PFAS
Het tijdpad voor een PFAS-verbod aan de bron
PFAS-bestrijding, beleid en innovatieve oplossingen in België
Gesteld door
MR
Hervé Cornillie
Ecolo
Sarah Schlitz
N-VA
Katrijn van Riet
PS
Marie Meunier
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de urgente noodzaak tot actie tegen PFAS-vervuiling, waarbij de minister erkent dat hij en 23 Europese collega’s verontreinigd zijn, maar concrete maatregelen uitstelt tot mei/juni 2026 (na een externe studie en afhankelijk van Europa), ondanks oproepen tot onmiddellijke nationale verboden (zoals in Frankrijk/Denemarken). Ecologisten en oppositie kritiseren zijn traagheid, wijzen op de volksgezondheidscrisis en eisen snelle wetgeving (twee ingediende wetsvoorstellen), terwijl de minister coördinatie met Europa en regionale bevoegdheden als excuus gebruikt en inzet op innovatie (zoals MOF-sponstechnologie, nog in testfase). Kernpunt: politiek gekibbel over wie verantwoordelijk is (federaal vs. gewesten) en of preventieve maatregelen (zoals productieverboden) voorrang moeten krijgen op langdurige studies en Europese afstemming.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, début septembre, vous avez reçu les résultats des tests que vous aviez faits, avec 23 autres ministres européens, pour savoir si vous étiez contaminés aux PFAS, ces polluants éternels qui nuisent gravement à la santé et peuvent provoquer cancers, hypertension artérielle, prééclampsie, maladies thyroïdiennes, et j'en passe. Il s'avère que tous les ministres sont contaminés et que la moitié d’entre eux présentaient une contamination supérieure, qui aura un effet sur leur santé. Ces résultats ne sont pas surprenants, mais tout de même assez inquiétants. Vous me direz comment vous avez réagi à cette annonce.
À la suite de la réception de ces résultats, vous avez déclaré le 2 septembre 2025: "Je viendrai très rapidement, au plan belge, avec une proposition que je vais soumettre à mes collègues. C’est une question de jours, de semaines au maximum." Comme cela fait sept semaines que vous avez fait cette déclaration, je viens aux nouvelles, monsieur le ministre.
Les écologistes ont déjà déposé, comme vous le savez, deux propositions de loi interdisant les pesticides aux PFAS, ainsi que la mise sur le marché et l'exportation de produits de consommation contenant des polluants éternels. Nous avons passé des auditions, et avons reçu des avis. Nous estimons à présent que le Parlement est prêt pour se prononcer sur ces textes et avancer sur le plan national.
Monsieur le ministre, quelle a été votre réaction face aux résultats alarmants que vous avez reçus?
Dans quels délais allons-nous pouvoir nous prononcer sur votre projet de loi? Où en est le gouvernement sur le sujet de la réduction des PFAS dans l'environnement et, surtout, dans le corps des citoyens?
Votre parti va-t-il se prononcer favorablement sur nos deux propositions de loi, qui interdisent à la source ces polluants éternels? Les textes sont là, et il suffit d'avancer pour protéger nos concitoyens.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, ik wil graag benadrukken dat de vragen ook betrekking hebben op CO 2 -reductie, niet enkel op PFAS.
Onlangs is de Nobelprijs voor Scheikunde toegekend aan drie onderzoekers voor hun werk aan zogenoemde Metal Organic Frameworks, moleculaire structuren met een hoge porositeit, een soort spons als het ware. Die microscopische sponzen hebben veelbelovende toepassingen op het gebied van milieu en klimaat, zoals de filtering van CO 2 uit de lucht, de zuivering van moeilijk afbreekbare verontreinigende stoffen zoals PFAS uit water en de oogst van water uit zeer droge lucht. Gezien uw ambitie op het vlak van klimaatneutraliteit, waterkwaliteit en circulaire economie, stel ik u enkele vragen over de mogelijkheid om die technologie in België te incorporeren.
Mijnheer de minister, heeft uw departement al een studie laten uitvoeren naar de technische en economische haalbaarheid van die MOF-technologie in België, met name voor het verwijderen van PFAS uit drink- of afvalwater of voor CO 2 -captatie? Zo niet, bent u bereid om dergelijke studies op te starten?
Zijn er op federaal of Europees niveau regelgevende hindernissen die de invoering van die MOF-materialen beperken, aangezien sommige daarvan zware metalen kunnen bevatten? Bent u bereid om samen met onderzoeksinstellingen en waterzuiveringsbedrijven pilootprojecten te ondersteunen waarin die sponzen worden ingezet voor PFAS-verwijdering of andere prioritaire milieuproblemen? Zo ja, welke concrete tijdlijn voorziet u? Overweegt u fiscale instrumenten in te zetten om onderzoek en innovatie met betrekking tot die toepassingen te stimuleren?
Bent u, gelet op de internationale dimensie van klimaatvervuiling, bereid om deel te nemen aan Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s, zoals Horizon Europe, en aan projecten die de sponstechnologie ontwikkelen? Zo ja, welke rol zal België opnemen?
Kunt u, gezien de mogelijke risico’s van die microscopische sponzen, toelichten welke stappen uw departement voorziet om te garanderen dat die materialen geen schadelijke gevolgen hebben voor ons ecosysteem of de gezondheid? Is er een plan, of zult u een plan opmaken, voor de monitoring, behandeling, veilige verwijdering of recyclage van die sponzen?
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, les PFAS, ces polluants éternels, constituent un enjeu environnemental et sanitaire majeur. Leur persistance dans l'environnement et leurs effets sur la santé humaine sont largement documentés. La nécessité d'agir rapidement fait consensus tant au niveau scientifique que politique.
Vous avez récemment déclaré que, soit vous pouviez avancer rapidement avec l’Europe, soit vous prendriez des mesures au niveau fédéral en travaillant sur des normes permettant de mettre en place des alternatives là où cela est possible.
En effet, monsieur le ministre, le Danemark et la France ont déjà pris des mesures. Jusqu’à récemment, le calendrier européen de restriction des PFAS indiquait que, dans le meilleur des cas, une restriction des PFAS pourrait être adoptée en 2029 au plus tôt, avec une mise en œuvre effective assortie d’une période de transition de 5 à 12 ans, soit entre 2034 et 2041.
Mais dernier rebondissement, dans le calendrier européen, qui s’allonge encore: l’Agence européenne des produits chimiques (ECHA) a annoncé qu’elle lancerait, au printemps 2026, une consultation publique sur les conséquences socio-économiques de la restriction européenne des PFAS. Les participants seront invités à indiquer les impacts potentiels qu’une restriction de l’utilisation des PFAS pourrait avoir dans leur secteur. Cette consultation publique viendra s'ajouter à la collecte d’informations sur les risques liés aux PFAS, déjà menée par le Comité d’évaluation des risques (CER). Autrement dit, d'après ce que nous pouvons lire, une interdiction européenne sur les PFAS n'est pas pour demain.
Cette décision risque de repousser encore plus l'échéance de ce dont nous avons déjà discuté – à savoir une éventuelle restriction européenne globale des PFAS –, ce qui est problématique.
Dans ce contexte, alors que vous avez appris que vous êtes contaminé à des niveaux supérieurs aux seuils sanitaires, il semble plus que jamais nécessaire que la Belgique prenne des mesures rapides et ambitieuses.
Monsieur le ministre, ce report du processus européen confirme-t-il que nous ne pourrons pas avancer rapidement avec l'Europe? Dès lors, quelle initiative concrète envisagez-vous de prendre au niveau fédéral, conformément aux engagements que vous avez pris ici en commission?
Jean-Luc Crucke:
Mevrouw de voorzitster, collega’s, de resultaten van mijn onderzoek zijn zorgwekkend, maar niet verrassend. Er zijn in de gewesten al meerdere biomonitoringscampagnes uitgevoerd. Daaruit bleek telkens dat een aanzienlijk deel van de deelnemers PFAS-concentraties vertoonde boven de vastgelegde toetsingswaarden.
Dans mon cas, la plupart des PFAS trouvés dans mon sang sont déjà interdits. Cela prouve bien l'impact persistant de ces molécules et la nécessité de l'urgence d'agir. Je n'en disconviendrai pas.
In Vlaanderen voerde het steunpunt Milieu en Gezondheid inmiddels vier campagnes uit, elk gericht op een andere bevolkingsgroep. Aan Waalse zijde vond een gelijkaardig initiatief plaats onder de naam BMH-Wal. Voor meer details verwijs ik naar de website van deze initiatieven. De bevindingen van deze twee voorbeelden komen overeen met de resultaten van het kleinschalige bloedonderzoek dat mijn Europese collega’s en ik ondergingen.
Cela prouve aussi que c'est une matière essentiellement régionale.
Ik wil graag benadrukken dat ik alle initiatieven verwelkom die de blootstelling van de Belgische bevolking aan chemische stoffen en een mogelijke gezondheidsimpact onderzoeken. Zelf nemen wij ook initiatieven om de PFAS-vervuiling op nationaal en Europees niveau aan te kaarten. Via het relanceprogramma Belgium Builds Back Circular investeren we nu al in onderzoek naar alternatieven voor zorgwekkende stoffen, inclusief PFAS. Parallel onderzoeken we een PFAS-financieringsmechanisme volgens het principe ‘de vervuiler betaalt’.
Nous le faisons en collaboration avec d'autres autorités (fédérale et entités fédérées). Un tel mécanisme de financement pourrait éventuellement servir de levier pour inciter les acteurs industriels à développer et utiliser des alternatives aux PFAS quand elles existent.
Je ne suis pas compétent pour le suivi des zones polluées spécifiques, pour la détermination des valeurs limites dans l'eau et le sol et pour les initiatives relatives à la surveillance, au traitement et à la transformation ou au recyclage de ces produits. Cette responsabilité incombe, comme vous le savez, à mes collègues des administrations régionales. Toutefois, mon administration est en contact étroit avec les collègues des administrations régionales afin d'assurer un échange d'informations sur cette problématique.
Ik laat dan ook het initiatief over aan mijn regionale collega’s om studies op te starten en mijn experts hierbij te betrekken.
Wat betreft het wetenschapsbeleid, moedigen wij alle zinvolle Belgische projecten in die context zeker aan. Voor een meer concreet antwoord moet ik u echter doorverwijzen naar mijn collega, minister Matz. Er bestaan inmiddels structuren in Vlaanderen, zoals het KIS-centrum, een netwerk van saneringsbedrijven, bodemdeskundigen, universiteiten, onderzoeksinstellingen en overheden die zich inzetten voor het ontwikkelen, testen, uitwerken en opschalen van innovatieve sanerings- en zuiveringstechnieken, met een specifieke focus op PFAS.
En termes de coopération interfédérale et internationale, il existe une collaboration entre les différentes autorités en Belgique afin de coordonner les actions législatives relatives aux PFAS.
En ce qui concerne la réglementation REACH, un accord de coopération a été conclu entre les autorités fédérales et régionales. Dans le cadre de cet accord, le Comité belge REACH (BCR) a été mis en place. C'est au sein de ce comité que la position belge sur les dossiers REACH est définie. Ainsi, la position belge sur les restrictions universelles des PFAS dans le cadre de REACH sera également coordonnée dans ce comité.
Par ailleurs, il existe également un groupe de travail PFAS au sein du Comité de coordination de la politique internationale de l'environnement, un organe de concertation qui ne prend pas de décision, mais qui se concentre sur l'échange d'informations concernant les PFAS. Ce groupe est composé d'experts issus de différentes autorités fédérales et régionales. Mon administration y contribue non seulement par la présence de membres, mais également en assurant le rôle de pilote du groupe.
En outre, mon administration est impliquée dans les travaux de la Région flamande concernant les substances préoccupantes. Grâce à ces travaux, un bon échange d'informations est assuré entre mon administration et les autres autorités belges sur les PFAS.
Enfin, le gouvernement fédéral est activement impliqué dans les développements au niveau européen concernant la sortie progressive des PFAS. Ainsi, l'interdiction européenne de l'utilisation des PFAS dans les mousses extinctrices est récemment entrée en vigueur. Cette interdiction a été négociée avec la participation de mon administration. De plus, la Belgique a déjà, à plusieurs reprises dans le passé, plaidé en faveur d'une action ambitieuse sur les PFAS au niveau européen. Dès 2019, la Belgique, avec plusieurs autres États membres, a demandé l'élaboration d'un plan d'action européen sur les PFAS. Depuis lors, la Belgique a continué à insister sur la nécessité d'actions européennes concernant les PFAS, notamment lors des Conseils européens de l'Environnement et dans les conclusions du Conseil pendant la présidence belge en 2024. Nous suivrons de près le calendrier européen.
Concernant la prise de mesures fédérales, laissez-moi vous réexpliquer ce que j'avais énoncé lors de la commission précédente, à savoir qu'en cas de lenteur du calendrier européen, je souhaitais être en capacité de proposer des mesures nationales. Nous devons en effet préparer notre propre transition vers des usages sans PFAS. C'est donc le sens du mandat que j'ai confié à mon administration et c'est la décision que j'ai prise: examiner de manière structurée l'éventail des options nationales.
Cette analyse recensera les principales catégories de produits concernés, appréciera la disponibilité des alternatives et estimera les impacts potentiels, à la fois économiques mais également sanitaires et environnementaux. Je le redis clairement, je reste un partisan d'une interdiction européenne uniformisée qui a l'avantage de garantir les conditions de concurrence équitables.
Au-delà d'une première analyse effectuée par notre administration, nous avons émis le souhait de disposer d'une analyse externe, précise et détaillée sur chaque catégorie de produits, tant en termes d'impact environnemental, d'alternatives que d'impact socio-économique.
Le marché public sera lancé sous peu et nous espérons disposer des résultats en mai ou juin 2026. Ce n'est qu'alors et en fonction de l'évolution du calendrier européen que nous pourrons nous positionner sur le sujet. J'ai déjà ouvert en parallèle un dialogue régulier avec l'industrie, les assureurs, le monde académique et la société civile pour coconstruire une trajectoire sûre et durable dans la conception sans PFAS.
Quant aux propositions de loi du PS et d'Ecolo, bien que je salue leur engagement envers un environnement plus sûr et plus sain pour nos citoyens, vous conviendrez que je ne peux décemment, en tant que ministre d'un gouvernement, me prononcer au nom d'un parti et de députés.
Wat betreft uw vraag over MOF’s wil ik u geruststellen dat ik onmiddellijk na de bekendmaking van de Nobelprijs mijn administratie om meer informatie over dat onderwerp heb gevraagd, omdat ik een overzicht wil krijgen van de stand van zaken met betrekking tot dat nieuwe materiaal. Mijn experten volgen wetenschappelijke en innovatieve ontwikkelingen steeds nauwgezet op.
Het betreft hier een veelbelovende, maar nog premature technologie waar zeker verder onderzoek naar nodig is en die zich voornamelijk in de test- en pilootfase bevindt. Tot op heden heeft mijn administratie daarover nog geen studies uitgevoerd. Ik kan u alvast verwijzen naar een studie van de VUB, waarin MOF wordt genoemd als een mogelijke technologie voor CO ₂ -captatie, maar de studie gaat niet in detail. MOF wordt momenteel gebruikt voor de captatie van industriële uitstoot met een efficiëntie van 95%, maar de regeneratie blijft duur. In verband met de ontwikkeling van waterstof en zijn derivaten vormt de kostprijs van direct air capture een van de belangrijkste obstakels. Daarover is nog verder onderzoek nodig. MOF zou daarin een rol kunnen spelen.
De verwijdering van PFAS en andere chemische stoffen valt voornamelijk onder regionale bevoegdheden, zoals het zuiveren van drink- of afvalwater. Ik laat dan ook het initiatief aan mijn regionale collega’s om daarover studies op te starten en mijn experten daarbij te betrekken. In Vlaanderen zal het KIS ongetwijfeld geïnteresseerd zijn in verder onderzoek naar die techniek.
MOF’s brengen inderdaad risico’s voor het leefmilieu met zich mee en bij afbraak kunnen metalen en organische stoffen vrijkomen die schadelijk zijn voor het ecosysteem. Omdat het gaat om chemische materialen met mogelijke toxische componenten, moeten ze voldoen aan de bestaande chemie- en milieuregelgevingen. De problematiek situeert zich eerder bij het gebruik van de stoffen dan bij hun verspreiding in het milieu.
Momenteel wordt toezicht gehouden op de technologie. Dat gebeurt binnen een Belgisch-Europees internationaal kader via de werkzaamheden binnen het ECHA, waaronder het Nano Observatorium en de OESO, rond geavanceerde materialen. Daarnaast vallen die stoffen ook onder REACH, het Waste Framework en de EU Drinking Water Directive. Nieuwe innovaties van chemische stoffen en materialen moeten steeds het principe van Safe and Sustainable Design volgen. Horizon Europe is een belangrijk programma en wij moedigen zinvolle Belgische projecten in die context zeker aan.
Voor een meer concreet antwoord verwijs ik u door naar mijn collega, minister Matz, bevoegd voor Wetenschapsbeleid. Initiatieven rond monitoring, behandeling en verwerking of recyclage van die producten vallen niet onder mijn bevoegdheid. Hiervoor nodig ik u uit contact op te nemen met mijn gewestelijke collega’s. Wij verwachten tegelijkertijd initiatieven vanuit de industrie om de technologie verder te onderzoeken en de impact ervan te evalueren. Mijn diensten zijn wel betrokken bij risicobeoordelingen van chemische stoffen. De recente ontwikkelingen rond geavanceerde nanomaterialen, waartoe die MOF's behoren, worden dan ook opgevolgd binnen mijn administratie.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je ne sais par où commencer après cette avalanche d'informations qui, selon moi, vise surtout à vous dédouaner d'une avancée rapide sur le dossier. Pourquoi faudrait-il soudain lancer des cadastres, des consultations, des études et demander à l'industrie chimique d'évaluer les alternatives?
Il y a le feu, monsieur le ministre. Quand une maison brûle, les pompiers organisent-ils des consultations de riverains et 36 réunions avant de s'y attaquer? Nous sommes ici face à un désastre environnemental qui impactera les générations futures. Nos finances publiques en sont impactées dès aujourd'hui, avec la contamination des eaux souterraines. Il est temps de mettre sur pause, dès maintenant, la diffusion des PFAS, ces polluants éternels. Nous réfléchirons éventuellement par la suite à la façon dont on s'adaptera. Mais c'est maintenant qu'il faut agir, monsieur le ministre.
Je lisais dans la presse ce matin un article concernant votre collègue en charge de la Migration, Mme Van Bossuyt, et ses dossiers tout à fait charmants – qui relèvent en réalité d'une pure provocation –, qu'il s'agisse des visites domiciliaires ou de la mise à la rue de familles entières pour des questions de principe alors que des places sont disponibles dans les centres. L'article vantait que c'était une "femme qui avance", ayant déjà engrangé 11 mesures en huit mois.
De votre côté, qu'avez-vous engrangé depuis le début de la législature? En neuf mois, qu'avez-vous engrangé, monsieur le ministre? Vous êtes responsable de matières capitales, pour l'environnement et pour le climat, mais rien ne bouge. Ce ne sont que paroles. Lorsque Les Engagés étaient dans l'opposition, ils clamaient pourtant qu'il fallait avancer immédiatement, que c'était de l'irresponsabilité, que l'on était en train de tuer les gens, de les empoisonner. On ne les entend plus aujourd'hui.
La consultation que vous évoquiez, c'est sur les pensions que nous la voulons. Là, les citoyens aimeraient être entendus. Mais vous avancez sans écouter qui que ce soit. Les 140 000 personnes qui étaient dans la rue ont été tout bonnement ignorées.
En l'occurrence, va-t-on vraiment consulter la terre entière et attendre d'être bien coordonné avec l'Europe avant d'enfin se mettre à avancer? C'est du délire! Vous êtes confronté à un problème, et c'est vous, le ministre compétent, qui devez agir. Cessez de vous reposer sur les autres!
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, bedankt om dit zeker ook na te kijken. Ik besef ook wel dat deze technologie vrij prematuur is, maar toch veelbelovend, zoals u zegt.
Er zijn natuurlijk nog geen studies lopende, behalve een, maar ik wilde wel vragen of die afkomstig is van de VUB? Ja, dus. CO ₂ -captatie zou een zeer positieve en welkome technologie zijn. Voor waterstof is het op dit moment nog te duur en wat PFAS betreft, zal ik dit opnemen voor Vlaanderen via mijn Vlaamse collega’s en voor Wallonië via uw Waalse collega’s.
Voor de rest zal ik de vraag stellen aan minister Matz, bevoegd voor Wetenschapsbeleid, om meer concrete informatie te verkrijgen. Ik denk dat we dit zeer nauwlettend moeten opvolgen.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, merci pour votre réponse. Sur le fond, je dois reconnaître partager le commentaire de ma collègue Ecolo: analyser, c'est bien et c'est même nécessaire, mais il y a urgence. Il faut agir. Vous étiez, semble-t-il, déterminé à agir vite. Or j'entends aujourd'hui que vous allez suivre le calendrier européen. Je trouve cette réponse décevante au regard de cet enjeu fondamental. Il en va de la sécurité des citoyens. C'est aujourd'hui qu'il faut prendre des décisions, car on ne peut plus reporter ce problème aux calendes grecques. De plus, les calendriers européens ont la fâcheuse habitude de laisser l'action prendre énormément de temps. Or, en l'occurrence, nous n'avons plus le temps. Vous êtes ministre, et je comprends votre prudence devant les propositions qui vous sont soumises au sein de ce Parlement. Néanmoins, vu l'enjeu, j'espère que nos collègues des Engagés les soutiendront, puisqu'elles rejoignent les inquiétudes qui sont les vôtres, vous le ministre du Climat.
De voorbereiding van de COP30 in Belém
De COP30 in Belém
De delegatie voor de COP30
De vertegenwoordiging op de COP
De vertegenwoordiging op de COP
Voorbereiding, uitvoering en vertegenwoordiging van COP30 in Belém
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België bereidt zich voor op COP30 met twee kerndoelen: het dichten van de kloof tussen klimaatambities (1,5°C-doel) en concrete uitvoering (o.a. verdrievoudiging hernieuwbare energie, stoppen ontbossing) en het versterken van multilateraal klimaatbeleid, met name via EU-samenwerking. De EU-positie (goedgekeurd op 21 oktober) wacht nog op een akkoord over de EU-NDC (2035/2040-doelstellingen), verwacht op 4 november, waarbij België pleit voor ambitie conform het 2040-kader. De Belgische delegatie wordt met 40% inkrimpt (quota per categorie), met meer ruimte voor jongeren (+50%) en behoud van NGO-zitjes, terwijl bedrijven (relevant voor energietransitie) proportioneel vertegenwoordigd blijven; Crucke (federaal) en Neven (Waals minister) leiden de delegatie. Toegang voor maatschappelijke actoren (wetenschappers, activisten) blijft gegarandeerd via het CFDD, met evaluatie na COP30 voor toekomstige edities.
Marie Meunier:
Concernant la COP 30, la Marche Climat du 5 octobre dernier a rassemblé 30 000 personnes, citoyens de tout âge et de tous horizons, qui ont rappelé que l'État doit d'urgence et réellement investir dans une politique climatique durable et socialement équitable.
Très bientôt se tiendra au Brésil la COP 30. Il s'agit comme chaque année d'un moment crucial, où la Belgique devra démontrer comment elle contribue concrètement à la lutte mondiale contre la crise climatique.
Tout cela est en cours de préparation au niveau européen. Le 21 octobre a eu lieu le Conseil "Environnement", où les ministres de l'Environnement préparent la position générale de négociation de l'Union européenne. Les ministres passeront ensuite la main aux chefs d'État. Le premier ministre devrait être présent au Conseil européen des 23 et 24 octobre – j'espère que ce sera bien le cas compte tenu des discussions actuelles, en admettant donc qu'il aura pu atterrir au niveau fédéral – pour engager la Belgique en matière d'atténuation climatique, d'adaptation et de financement. Je regrette d'ailleurs que le premier ministre ne soit pas venu ce matin répondre aux questions sur la COP 30, probablement en raison des discussions budgétaires fédérales d'hier soir.
Il est évident que, si l'Europe veut être crédible sur la scène internationale à Belém, elle doit commencer par se déterminer elle-même. En préalable à la COP, nous devons avoir un objectif 2040 ambitieux ainsi qu'un objectif 2035 ambitieux, et ce pour pouvoir faire bouger les autres États. Il serait inacceptable que l'Europe n'ait pas encore déterminé son propre niveau d'ambition à ce stade.
Dès lors, monsieur le ministre, concernant la COP30, quels sont les résultats du dernier Conseil "Environnement"? Vous m’y avez partiellement répondu tout à l’heure, donc je comprendrais que vous ne souhaitiez pas revenir sur ce point. Il s'agissait toutefois de déforestation, donc vous pourriez malgré tout vous étendre un peu plus au sujet de la COP30. Avec quel objectif le gouvernement se présentera-t-il au Conseil européen des 23 et 24 octobre? En avez-vous une idée, du moins s’il se présente? Quel sera l’objectif 2035 et 2040 de l’Union européenne? Quel sera le mandat de négociation de l’Europe pour la prochaine COP au Brésil?
Ma deuxième question concerne les victimes de la crise climatique, les défenseurs de l’environnement, les scientifiques et les activistes pour le climat, qui disposent, via la COP30, d’une opportunité unique d’avoir accès à des négociations qui les concernent directement. Il nous semble primordial que ces différents acteurs puissent accéder à ces tribunes et s’y exprimer librement, sans aucune crainte d’aucune sorte.
Vous vous êtes fixé l’objectif de réduire la taille de la délégation belge à la COP30, ainsi qu’aux prochaines conférences sur le climat. D’un côté, il est pertinent – vu la répartition des compétences en Belgique – de faire en sorte que la Belgique parle d’une seule voix. Là-dessus, nous sommes d’accord. Espérons d’ailleurs que cette voix soit forte et ambitieuse. Nous sommes donc entièrement d'accord de réduire le nombre de ministres présents de ce point de vue.
Cependant, d’un autre côté, il est également important de veiller à ce que les représentants de la société civile – les jeunes, les syndicats et les ONG – puissent continuer à être présents à l’avenir. Pour ma part, je n’ai pas entendu de plaintes spécifiques concernant leur participation à la COP30, mais j’entends une inquiétude pour l'avenir. L’ensemble de la société civile est préoccupé et souhaite continuer à participer au débat climatique. Et cela, c’est vraiment une demande qui nous revient du terrain.
Dès lors, comment sera constituée la délégation belge à la COP30? Quel(s) ministre(s) représentera ou représenteront la Belgique? Comment la société civile sera-t-elle représentée? Quels principes comptez-vous mettre en place pour l’avenir? Comment allez-vous continuer à garantir la représentation de l’ensemble de la société civile lors des futures COP? Pouvez-vous déjà nous en dire quelque chose, compte tenu de cette volonté de restreindre les délégations?
Je vous remercie pour vos différentes réponses.
Jean-Luc Crucke:
Mevrouw de voorzitster, vooreerst sluit ik mij aan bij uw woorden over de aanwezigheid van mevrouw Meunier.
Je voudrais moi aussi saluer votre présence, madame Meunier, ainsi que le travail qui est le vôtre. Nous ne faisons pas partie de la même formation politique et nous ne sommes pas toujours d'accord, mais j'apprécie les échanges que nous avons ensemble.
Zoals het er nu uitziet, zullen op de COP 30 de volgende onderwerpen prioritair aan bod komen: het ambitieniveau van de klimaatplannen en manieren om op koers te blijven voor de 1,5°C-doelstelling van de Overeenkomst van Parijs, de opvolging van de klimaatfinancieringsdoelstelling, de NCQG, de goedkeuring van een indicatorenset voor de mondiale doelstelling voor adaptatie en het werkprogramma inzake Just Transition. Ook de bescherming van tropische bossen zal een belangrijke plaats innemen.
We ronden momenteel samen met de gewesten de bespreking met het oog op de bepaling van de Belgische positie voor COP 30 af, in aanvulling op de Europese positie, die gisteren tijdens de Raad Leefmilieu werd aangenomen.
Voor mij zijn er twee grote prioriteiten.
Premièrement, combler les écarts entre l'ambition et la mise en œuvre et, deuxièmement, mettre en œuvre les objectifs de la transition énergétique et l'arrêt de la déforestation décidés lors de la COP28 à Dubaï.
La semaine prochaine, l'ONU publiera un rapport de synthèse contenant l'analyse des plans climat nationaux de tous les pays. La conclusion sera très probablement qu'il faut plus d'ambition. L'Union européenne est ambitieuse dans sa politique climatique, mais tous les pays et acteurs doivent apporter une contribution équitable à la politique climatique mondiale, en particulier les grandes économies et les pays qui produisent des combustibles fossiles. À titre d'exemple, je rappelle toujours que les émissions de CO 2 en Europe représentent 6 %, en Afrique 4 % et en Chine 30 %.
C'est essentiel à la fois pour atteindre l'ambition de l'accord de Paris, renforcer la position de concurrence chez les entreprises et préserver le pouvoir d'achat de nos concitoyens. Il est important que ce rapport de synthèse serve de base à un signal négocié lors de la COP30 sous la forme d'un plan d'action visant à combler le fossé entre l'ambition et la mise en œuvre. Cela passe également par la mise en œuvre des objectifs globaux tels qu'ils ont été décidés lors de la COP28 à Dubaï dans le cadre de la Global Stocktake (GST) et suivis depuis dans le cadre du UAE Dialogue , en particulier en ce qui concerne la transition énergétique: tripler les énergies renouvelables, doubler l'efficacité énergétique et arrêter la déforestation.
D'un côté, il est pertinent, vu la répartition des compétences en Belgique, de faire en sorte que la Belgique parle d'une seule voix. Mais espérons que cette parole soit forte et ambitieuse. Le suivi de la mise en œuvre des objectifs cités plus haut doit être formalisé dans les négociations de la COP.
Tegelijk kan ik bevestigen dat de bescherming van de tropische bossen, zeker die van het Congobekken, mijn bijzondere aandacht zal krijgen. Andere prioriteiten zijn uiteraard de Global Goal on Adaption en Just Transition.
De EU-positie werd gisteren goedgekeurd, maar op één punt moet nog worden gewacht, namelijk de Europese NDC. Op 4 november vindt een buitengewone vergadering van de Milieuraad plaats. Het is de ambitie van het Deense EU-voorzitterschap om daar een akkoord te vinden over de EU-NDC. Ik zal daar aanwezig zijn. Het Belgische standpunt over de EU-NDC is duidelijk: een en ander moet conform het akkoord met betrekking tot de doelstelling voor 2040 zijn.
Chère collègue, vous m'avez aussi interrogé à propos de la délégation belge. Comme vous le savez, l'accord de gouvernement prévoit d'étudier, en collaboration avec les Régions, les moyens de limiter l'impact climatique des conférences internationales annuelles ainsi que celui de la délégation qui y participe. C'est ce que nous avons tenté de faire à la suite de discussions politiques et sur la base de la participation des différents types de délégués aux COP précédentes. Nous avons introduit des quotas par type de délégué, débouchant sur une réduction de 40 % de la délégation pour la COP30 en comparaison avec la COP précédente. Il y a lieu de distinguer les représentants gouvernementaux – en particulier, les ministres et leurs cabinets, parlementaires, diplomates, administrations et agences publiques – et les représentants de la société civile, les stakeholders comme les chercheurs, les jeunes, les ONG, les entreprises, etc.
Pour la première catégorie, une première question se posait en particulier au sujet de la délégation ministérielle. Elle sera composée de moi-même, étant chef de la délégation belge, ainsi que de la ministre wallonne du Climat Cécile Neven, qui représente la Belgique au sein de la coordination européenne. Il y a donc un tour de rôle entre les ministres régionaux. Une autre question se posait relativement à la délégation de la société civile, qui représente la moitié de la délégation belge. La désignation de ses représentants a été confiée au Conseil Fédéral du Développement durable (CFDD), qui a reçu de notre part et sur la base des consultations menées avec les Régions une proposition de quotas par catégorie de délégués, qu'il a été chargé de respecter scrupuleusement. Les quotas pour les stakeholders prévoyaient un taux de réduction relativement similaire entre les différentes catégories, aussi entre 40 et 50 %, à deux exceptions près. Ainsi, la catégorie des ONG environnementales n'a été que très faiblement réduite, avec un seul représentant de moins cette année par rapport à l'année dernière. Ensuite, considérant l'importance des générations futures dans le débat sur le changement climatique, les ONG représentant les jeunes et les enfants constituent la seule catégorie pour laquelle nous ayons augmenté le quota disponible à hauteur de 50 %. De la sorte, nous avons collectivement veillé à une représentation équilibrée des catégories de stakeholders et, surtout, nous avons permis aux plus jeunes d'être davantage représentés.
En ce qui concerne les entreprises, elles représentent en effet un peu moins de 50 % par rapport aux autres sous-catégories de la société civile, mais le rapport relatif entre la présence des entreprises et celui des autres stakeholders est similaire cette année par rapport aux COP précédentes. Il est même en deçà de leur représentation relative au rapport de la COP29, où il s'élevait à environ 55 % des stakeholders totaux.
Conformément à notre accord de gouvernement, nous estimons important d'impliquer les entreprises dans le cadre de la Conférence internationale sur le climat. Elles sont en effet des partenaires essentiels de la transition et des acteurs nécessaires pour relever les défis et les opportunités du changement climatique.
Il importe de noter que les entreprises qui participent sont celles qui sont actives et pertinentes pour la question climatique, par exemple dans le cas de la transition énergétique. Il est fondamental de leur donner la possibilité d'exposer leurs activités et de construire des partenariats fructueux pour la transition, dans d'autres pays également, ce qui est aussi l'une des opportunités que représentent les sommets climatiques.
Pour le reste, nous vous invitons à contacter le CFDD directement si vous souhaitez obtenir des informations plus précises sur les critères de choix qu'ils ont appliqués. Cela relève de leur compétence. Ensemble avec les Régions et en prenant en compte le feedback transmis par le CFDD, nous évaluerons l'approche retenue pour établir la délégation belge de la COP30 et la revoir si nécessaire afin d'assurer une représentation qualitative et équilibrée de la Belgique aux futures COP. Une évaluation sera faite après la COP sur le sujet.
Madame la présidente, je tiens à dire un dernier petit mot. J'ai parlé des ambitions climatiques de cette COP. Il est tout à fait normal que nous en ayons, qu'elles soient climatiques ou énergétiques d'ailleurs. Mais je pense, à titre personnel – c'est ce que j'ai encore dit hier au Conseil Environnement à Luxembourg –, qu'il ne faut pas du tout se leurrer. Il y a pour moi un autre rendez-vous important, c'est celui de la survie du multilatéralisme.
On voit bien que dans la situation actuelle, avec des prises de décision de certains pays, parfois d'ailleurs les plus grands, et je cite les États-Unis, il est important que des entités comme l'Europe puissent montrer qu'avec d'autres entités comme l'Afrique et l'Amérique du Sud, il est réellement possible, sur la base de ce multilatéralisme, apporter des progrès, et pas seulement des intentions, dans la manière de gérer la transition climatique. C'est vraiment avec cet espoir-là que j’y vais aussi.
Marie Meunier:
Je n'ai pas grand-chose à ajouter, si ce n’est que je souhaite vous remercier, monsieur le ministre, pour vos apaisements. Cependant, j'aurais aimé obtenir plus d'informations sur l'avenir, mais j'entends que cela doit se concrétiser, que les délégations s'effectueront progressivement et qu'on essaiera d'y voir plus clair au fur et à mesure. Nous serons donc ici aussi attentifs et nous reviendrons avec des questions si des inquiétudes du terrain nous remontent, comme ce fut le cas en l’occurrence.
De adaptatie van Belgische grote steden (zoals Bergen) aan de klimaatopwarming
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Marie Meunier waarschuwt voor extreme klimaatrisico’s in steden zoals Bergen (hitte, overstromingen, droogte) en vraagt om federale preventie- en aanpassingsplannen. Minister Crucke wijst op het aankomende Belgian Climate Risk Assessment-rapport (toprisico’s: hitte en overstromingen) en benadrukt dat regio’s verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke planning, maar dat de federale overheid infrastructuur aanpast (bv. vergroening) en interfederale actieplannen (hitte, branden) coördineert, waaronder toegang tot koelgebouwen tijdens hittegolven. Meunier pleit voor betere afstemming tussen gewesten en federaal niveau om één Belgische stem in Europa te vormen, ondanks de versnipperde bevoegdheden.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, une étude a récemment tiré la sonnette d'alarme: d'ici 2100, Mons, ma ville, pourrait connaître des étés avec 5,6°C de plus qu'aujourd'hui, des vagues de chaleur intense, des hivers plus pluvieux et des étés deux fois plus secs. Les conséquences seraient considérables: risques d'inondations massives, stress hydrique, menaces sur l'agriculture et l'industrie locale.
Ces constats ne concernent évidemment pas seulement Mons. Ils nous interpellent pour l'ensemble des centres urbains de notre pays, car la prévention et l'adaptation seront très importantes pour limiter les risques, que ce soit des risques économiques, sociaux ou environnementaux.
Dès lors, monsieur le ministre, comment envisagez-vous la planification climatique et territoriale des grandes villes en matière d'adaptation et de prévention? Quelles mesures concrètes d'adaptation le gouvernement fédéral soutient-il actuellement?
Jean-Luc Crucke:
Madame Meunier, le changement climatique pose en effet, comme vous l'avez bien rappelé, un défi majeur à notre société. Le 6 novembre, le Centre d'analyse des risques du changement climatique (Cerac) présentera son Belgian Climate Risk Assessment . Ce rapport dévoilera les 28 plus grands risques climatiques et environnementaux de notre pays.
Les risques de chaleur extrême pour la santé humaine et d'inondation y figurent par ailleurs au premier rang, parmi les défis qui s'appliquent principalement à nos villes. Je vous invite, même si je sais que je n'ai pas besoin de le faire, à être attentifs par rapport à la lecture de ce rapport.
La réponse à votre question est double. Premièrement, en ce qui concerne la planification territoriale et l'adaptation dans les grandes villes, cette compétence relève principalement des Régions et des autorités locales. Toutefois, les actions du niveau fédéral renforcent cette dynamique régionale, notamment en matière de gestion de crise de santé, tel que défini dans le plan fédéral d'adaptation 2023-2026. Dans ce cadre, par exemple, les infrastructures fédérales seront progressivement adaptées et végétalisées, y compris dans les grandes villes, afin de renforcer la résilience face au changement climatique. Mais cela ne relève pas de ma compétence comme ministre.
Deuxièmement, l'accord de gouvernement prévoit l'élaboration de plans d'action interfédéraux sur les phénomènes météorologiques extrêmes. Je rappelle que j'organiserai dans ce cadre une conférence interministérielle sur les feux de végétation dans les prochains mois et que je compte élargir le mandat par la suite aux autres phénomènes météorologiques extrêmes.
Dans ce cadre, je compte également demander au groupe de travail interfédéral "forte chaleur et pics d'ozone" de prendre connaissance du rapport du Cerac afin de vérifier si plus d'actions sont nécessaires. L'accord de gouvernement prévoit également l'ouverture de bâtiments fédéraux lors de vagues de chaleur, afin d'ouvrir un accès à des espaces rafraîchissants pour les personnes vulnérables. Cela concerne évidemment essentiellement les grandes villes, Mons notamment.
Marie Meunier:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses. J’ai bien entendu qu’une CIM devrait se réunir dans les prochains mois autour d’un sujet bien précis. Il serait effectivement intéressant que vous puissiez la développer sur plusieurs enjeux environnementaux. En effet les compétences sont souvent éclatées entre le niveau fédéral et les différentes Régions. C’est aussi ce qui fait la richesse de notre pays. Quoi qu’il en soit, à un moment donné, notre pays ne doit parler que d'une seule voix au niveau européen. Il est donc évidemment préférable que nous parlions tous la même langue, ou du moins que nous allions tous dans le même sens. Le terme était bien choisi! Je vous remercie encore pour vos réponses. Nous resterons, encore une fois, toujours attentifs à la suite.
De bijkomende treinen naar aanleiding van de klimaatmars
De extra treinen voor de klimaatmars
Aanvullende treindiensten voor klimaatevenementen
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De NMBS legde drie extra treinen naar Brussel-Noord aan (vanuit Gent, Antwerpen en Luik) en verhoogde de capaciteit van S-treinen rond de hoofdstad voor de klimaatmars op 5 oktober, maar voegde geen extra terugtreinen toe. De treinen waren goed gevuld, maar specifieke cijfers over kosten, opbrengsten of bezetting werden niet vrijgegeven, met de melding dat de NMBS streeft naar kostendekking bij dergelijke evenementen. Minister Crucke benadrukte de duurzame en logistieke samenhang tussen mobiliteit en klimaatactie, terwijl spoorwerken elders het aanbod beperkten. Parlementsleden Cuylaerts en Troosters prezen de flexibele inzet maar kaartten regionale vervoersbehoeften (Noorderkempen, Limburg) aan voor toekomstige aandacht.
Dorien Cuylaerts:
Op 5 oktober vond in Brussel opnieuw een klimaatmars plaats. Naar aanleiding daarvan kondigde de NMBS aan een aantal extra treinen in te zullen leggen richting Brussel-Noord. Concreet ging het om bijkomende treinen vanuit Gent-Sint-Pieters, Antwerpen-Centraal, Luik-Guillemins, met extra haltes in Mechelen en Leuven. Ik heb hierover een aantal vragen.
Ging het bij deze maatregel uitsluitend om extra treinen richting Brussel of werden er ook bijkomende treinen voorzien in de omgekeerde richting, dus van Brussel naar andere grote steden?
Was de bezettingsgraad van deze treinen hoog?
Wat was de kostprijs voor de NMBS om deze extra treinen in te leggen?
Hoeveel extra inkomsten werden er gegenereerd door de ticketverkoop naar aanleiding van dit initiatief?
Ligt dit resultaat in lijn met de verwachtingen die de NMBS vooraf had?
Frank Troosters:
De NMBS heeft extra treinen ingelegd voor de deelnemers aan de klimaatmars van zondag 5 oktober in Brussel. In totaal werden er drie extra treinen ingelegd naar Brussel-Noord. Die vertrokken vanuit Gent-Sint-Pieters (11.21 uur), Antwerpen-Centraal (11.06 uur) en Luik-Guillemins (11.06 uur). De treinen maakten ook een extra stop aan de stations van Mechelen (11.26 uur) en Leuven (11.37 uur). Daarbovenop heeft de NMBS de capaciteit van de S-treinen in en rond de hoofdstad verhoogd.
Wat is de totale kostprijs (treinen, netstroom, personeel, …) voor het inzetten van deze extra treinen?
Wat is de ontvangen meeropbrengst (tickets, …) die deze extra treinen hebben opgebracht?
Welke criteria werden gehanteerd om te bepalen waar en hoeveel de treincapaciteit verhoogd werd?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, naar aanleiding van de klimaatmars van zondag 5 oktober 2025 heeft de NMBS verschillende maatregelen getroffen om haar treinaanbod van en naar Brussel te versterken. Duurzaamheid vormt een essentiële pijler van de strategie van de NMBS en de trein blijft een van de meest milieuvriendelijke en duurzame vervoerswijzen.
Concreet heeft de NMBS drie extra treinen naar Brussel-Noord ingelegd, met vertrek uit Antwerpen-Centraal om 11.03 uur, Luik-Guillemins om 11.06 uur en Gent-Sint-Pieters om 11.21 uur, met tussenstops in Mechelen om 11.26 uur en Leuven om 11.37 uur. Bovendien werd de capaciteit van meerdere S-treinen in en rond Brussel verhoogd om de verwachte toestroom van reizigers op te vangen.
Artikel 9, getiteld “Trein op maat van extra treinen” van het beheerscontract van de NMBS bepaalt het volgende: “Bij grote evenementen, festivals, optredens en manifestaties zal de NMBS op vraag van de organisatoren de nodige inspanningen leveren om op korte tijd een grote massa reizigers te vervoeren. In deze gevallen blijft haar beleid erop gericht om kostendekkend te zijn en een beperkte winstmarge te behalen, voor zover het gaat om louter commerciële initiatieven. De NMBS zal ook extra versterkingstreinen inleggen om occasioneel een niet-georganiseerde grote reizigersstroom alsook een structurele reizigersstroom” - bijvoorbeeld extra treinen naar de kust – “aan te kunnen. De kosten die voortvloeien uit een verhoging van het dagelijkse extra aanbod ten opzichte van het gewone aanbod kunnen worden gecompenseerd.”
Ik wens eerst en vooral de NMBS te bedanken voor haar snelle reactie. Zij is op mijn verzoek ingegaan en heeft extra treinen ingelegd, zodat de deelnemers aan de klimaatmars Brussel op een comfortabele en duurzame manier met het openbaar vervoer konden bereiken. Mobiliteit en klimaattransitie zijn uiteraard bondgenoten en dat initiatief illustreert dat perfect.
De NMBS raadde reizigers die met de trein naar de mars wilden reizen aan gebruik te maken van het weekendticket waarmee zij tegen een heel voordelig tarief, namelijk 50 % korting op het standaardtarief, konden reizen. Bovendien vroeg de NMBS de deelnemers zich over de verschillende treinen te verdelen om op die manier een goede spreiding van de reizigersstroom te verzekeren en het comfort aan boord te behouden.
Tegelijkertijd voerde Infrabel werken uit op verschillende spoorlijnen, waardoor het aanbod op sommige trajecten beperkt was en vervangbussen werden ingezet. De NMBS riep reizigers dan ook op hun reis vooraf te plannen via de website of de app, waarin de aanpassingen al waren geïntegreerd.
De NMBS deelt nooit specifieke gegevens over individuele treinen of verbindingen. Desalniettemin kan ik u verzekeren dat de treinen naar en vanuit Brussel goed gevuld waren op die zondag.
Dorien Cuylaerts:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Ik begrijp dat de NMBS zich moet voorbereiden op zulke grote evenementen om alles vlot te laten verlopen. Ik heb ook begrepen dat het op uw vraag gebeurde. Mag ik dan vragen dat u de NMBS vraagt om extra treinen in te zetten, of treinen die stipt rijden richting de Noorderkempen? Ik heb begrepen dat ze naar u luisteren. Alle gekheid op een stokje, het is goed dat de NMBS inspeelt op de vraag. We moeten er alleen op letten dat zulke zaken altijd goed onderbouwd zijn en dat de middelen op een verstandige manier worden ingezet. Uit uw antwoord heb ik begrepen dat dat zeker het geval is, waarvoor dank.
Frank Troosters:
Wat mij betreft gaat het ongeveer dezelfde richting uit. Ik was enigszins verbaasd dat het initiatief van u kwam. Het lijkt mij logisch dat de NMBS zelf anticipeert en weet wat er moet gebeuren om het treinvervoer vlot te laten verlopen. Dat u een initiatief hebt genomen waarop de NMBS is ingegaan, waardeer ik. Ik heb ook een lijstje voor Limburg met een aantal zaken. Ik zal die u per mail overmaken. Ik kijk uit naar beter openbaar vervoer in Limburg binnenkort.
Het voortgangsrapport over het klimaatbeleid
Gesteld door
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het vastgoedkadaster (sinds 1 oktober operationeel) wordt vanaf 2026 uitgebreid met energieverbruiksdata en helpt bij het prioriteren van renovaties (gebaseerd op rendement, grootte en kosten) en het identificeren van leegstaande panden voor verkoop, met een interministerieel plan in voorbereiding. Energieaudits (59 afgerond, 8 lopend) moeten tegen 2030 413 gebouwen analyseren om duurzaamheidsinzet te sturen, terwijl ETS2 (2027) nog niet concreet is geïmplementeerd. De personeelstekorten voor technische monitoring worden eind 2025 in kaart gebracht via een lopende analyse. De minister bevestigt versnelling en coördinatie, maar concrete ETS2-maatregelen en verkoopplannen blijven nog onduidelijk.
Lieve Truyman:
Mevrouw de minister, mijn vraag gaat over het vooruitgangsrapport van het federale klimaatbeleid, dat we vorige week hebben ontvangen en dat we ook al hebben kunnen inkijken. Laten we duidelijk zijn, er is nog veel werk met betrekking tot het patrimonium van deze overheid. Uw collega-minister Crucke stelt in zijn reactie op dat rapport dat we een tandje moeten bijsteken, moeten versnellen, beter moeten coördineren en elke ambitie moeten omzetten naar concrete acties.
Bij deze wil ik u eerst en vooral bedanken voor het vastgoedkadaster, dat sinds begin oktober beschikbaar is en dat we nu kunnen raadplegen. Er waren aanvankelijk wat problemen, maar ondertussen kan ik het kadaster raadplegen. Wordt dit instrument verder efficiënt gebruikt om prioriteiten te plannen met het oog op renovatie en verduurzaming? Welke projecten krijgen voorkeur van uitvoering? Wordt hierbij rekening gehouden met het snelste rendement, de grootte van de site en de kostprijs van de werken?
Op welke manier brengt het vastgoedkadaster duidelijkheid over de mogelijke verkoop van leegstaande panden? Is hiervoor al een plan van aanpak in opmaak? Uiteraard is er ook Europese regelgeving. Is er rekening gehouden met de opstart van de ETS2 in 2027? Welke inspanningen werden hieromtrent al gedaan?
Uit het klimaatrapport blijkt dat er een tekort is aan technische medewerkers die het verbruik kunnen monitoren. In uw beleidsnota van 2025 staat dat er een analyse zal worden gemaakt teneinde de personeelsbehoeften nauwkeuriger in kaart te brengen. We zijn ondertussen bijna aan het einde van 2025. Is die analyse al opgestart en zijn hierover gegevens beschikbaar?
Vanessa Matz:
Mevrouw Truyman, sinds 1 oktober is het vastgoedkadaster toegankelijk voor alle parlementsleden. Het kadaster biedt een overzicht van de gebouwen die door de Regie der Gebouwen worden beheerd. Bij de Regie is het nodige gedaan om uw probleem met de toegang tot het kadasterplatform op te lossen. Ik heb vernomen dat dit probleem inmiddels is verholpen.
Vanaf volgend jaar zal het kadaster worden uitgebreid met gegevens over energieverbruik. Tegelijkertijd worden energieaudits uitgevoerd. Tot nu toe zijn er 59 afgerond, 8 bijkomende opdrachten zijn lopende.
Tegen 2030 moeten minstens 413 audits worden uitgevoerd, met uitzondering van gebouwen die niet in aanmerking komen. De resultaten van deze audits zullen, samen met de EPB-certificaten en de verbruiksdata, een nauwkeuriger beeld geven van de duurzaamheid van ons vastgoedpark. Het kadaster helpt bovendien om leegstand beter in kaart te brengen.
Op basis daarvan is een analyse opgesteld waarmee gebouwen zijn geïdentificeerd die niet langer een federale functie vervullen en dus kunnen worden verkocht. Deze analyse wordt momenteel interministerieel besproken in het kader van de besparingen van de Regie en de actualisering van de meerjareninvesteringsplannen.
Ten slotte is de analyse van de personeelsbehoeften voor technische profielen lopende en zal die eind dit jaar worden afgerond.
Lieve Truyman:
Dat zijn positieve signalen. We zullen dit verder opvolgen. Succes alvast.
Voorzitter:
Daarmee komen wij aan het einde van onze vergadering. Ik dank de leden voor hun vragen. Ik dank de minister en haar ploeg voor hun beschikbaarheid. Ik dank het commissiesecretariaat, de diensten van de Kamer en de tolken voor de bijstand. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.17 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 17.
De reactie van de regering op de roep om een doortastender klimaatbeleid
De klimaatmars en het Nationaal Energie- en Klimaatplan
Maatschappelijke druk, overheidsbeleid en actieplannen voor versnelde klimaatdoelstellingen
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Tijdens een scherpe klimaatdebat kaarten Almaci en Ribaudo de falende klimaatambitie van de regering aan: doelen voor hernieuwbare energie, uitstootreductie en renovatie worden afgebouwd, fossiele subsidies (€18 mjd) blijven ongemoeid, terwijl 30.000 betogers eisen dat de overheid haar verantwoordelijkheid neemt—terwijl defensie-uitgaven (€34 mjd) wel prioriteit krijgen. Minister Crucke verdedigt zich met het eindelijk bereikte (maar matige) Nationaal Energie-Klimaatplan en de afbouw van *sommige* fossiele subsidies, maar benadrukt economische haalbaarheid en interbestuurlijke samenwerking als beperkende factoren. Kernpunt: Daden ontbreken—de regering blokkeert structurele vergroening (bv. éolien, waterstof, renovatie), terwijl tijd, geld (Planbureau: €8,5 mjd/jaar verlies bij nietsdoen) en maatschappelijke druk weggesmeten worden, aldus de oppositie.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de minister, kent u het boek Collapse van Jared Diamond? Het is een schitterend boek, dat beschrijft hoe beschavingen door foute politieke keuzes ondergaan. In veel van die beschavingen bleek klimaatverandering een van de drijvende factoren achter die ondergang.
Ik heb iets bij dat sinds 2020 op mijn kantoor hangt, namelijk de cover van Time Magazine , dat toen titelde One Last Chance, waarmee het bedoelde to save the planet . Men zou denken dat met alle zaken van de voorbije jaren, met alle rapporten en met de tienduizenden mensen die vorige zondag op straat kwamen, onze regeringen, álle regeringen, de hand aan de ploeg zouden slaan en een ambitieus beleid zouden voeren.
Toch zien we iets anders. Onze regering is vol op de rem gaan staan. De Vlaamse regering evenzeer, die heeft zelfs haar laatste schaamlapje, namelijk het renovatiebeleid, gewoon in de vuilnisbak gekieperd. Al onze doelen zijn naar beneden bijgesteld, of het nu gaat om hernieuwbare energie, de reductie van de uitstoot, internationale solidariteit of klimaatrechtvaardigheid.
Die tienduizenden mensen zijn niet zomaar op straat gekomen. Ze zijn op straat gekomen omdat ze iets vinden wat ik als politicus logisch vind, maar wat blijkbaar in deze tijden niet meer zo evident is, namelijk dat bij grote macht ook grote verantwoordelijkheid hoort. Zij vragen dat onze regeringen die verantwoordelijkheid opnemen, om te doen wat ook de VN zegt, namelijk die race van de klimaatcrisis winnen. It’s a race we can win .
Mijnheer de minister, wat zult u doen? In de ballonnetjes rond de begroting valt immers heel hard op dat al die fossiele subsidies ongemoeid blijven. Er is niet veel sprake van vergroening. Het rapport van het Planbureau is blijkbaar niet aangekomen. Blijft de regering toondoof? Wat zult u zeggen aan de mensen die op straat kwamen?
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, dimanche, nous étions 30 000 dans les rues – des étudiants, des retraités, des familles –, pour rappeler que le changement climatique est une réalité avec des conséquences humaines, sociales et économiques bien concrètes. Monsieur le ministre, ce que j'adore dans les marches pour le climat, à part l'ambiance, ce sont les slogans, ces petites phrases courtes mais puissantes que l'on scande. Celle qui m'a le plus marqué ce dimanche était: "La mer monte, notre colère aussi". En effet, c'est bien de cela qu'il s'agit. Nous étions 30 000 à dénoncer l'inaction et le manque d'ambition de nos gouvernements, et de votre gouvernement. Même votre parti, Les Engagés, était là, dans la rue, monsieur le ministre, pour dénoncer la politique de son propre gouvernement. C'est dire l'ampleur du problème.
Les gens étaient là pour réclamer un vrai changement de cap, un basculement, des investissements publics, de meilleurs transports publics, des logements rénovés, de l'énergie verte et abordable, et une industrie durable tournée vers l'avenir. Mais votre gouvernement fait l'inverse. Les éoliennes sont reportées. L'île énergétique est rabotée. On fait des économies sur le réseau hydrogène. Le Plan national é nergie-Climat arrive avec plus d'un an de retard et, finalement, n'est même pas à la hauteur des enjeux.
Vous n'êtes pas seulement le gouvernement de la casse sociale, vous êtes aussi le gouvernement de la casse écologique. Pendant que vous essayez de voler nos pensions, vous expliquez qu'il n'y a pas d'argent pour le climat. Mais pour le militaire, l'armement, la guerre, là, 34 milliards apparaissent en un claquement de doigts.
Monsieur le ministre, comment justifiez-vous à ces 30 000 personnes qui étaient dans la rue ce manque d'ambition? Quelles garanties pouvez-vous donner sur la mise en œuvre d'un plan qui était déjà insuffisant, maintenant que votre gouvernement prépare de nouvelles coupes budgétaires?
Jean-Luc Crucke:
Geachte Kamerleden, mevrouw Almaci, ik kan u verzekeren dat ik het boek Collapse heb gelezen en ik raad het iedereen aan. Afgelopen zondag stapten 20.000 tot 30.000 mensen mee in de klimaatmars in Brussel. Deze keer stond het thema financiën centraal. Burgers merken terecht op dat België in 2023 ongeveer 18 miljard euro aan steun voor fossiele brandstoffen heeft uitgekeerd. Dat is een stijging van 1,5 miljard euro ten opzichte van 2021. Onder de vivaldiregering zijn die subsidies helaas toegenomen in plaats van afgebouwd. Wij willen het nu anders en beter doen.
In het regeerakkoord is vastgelegd dat de regering zal onderzoeken welke subsidies binnen welke realistische termijnen kunnen worden afgebouwd. Daarbij wordt aandacht besteed aan de economische impact, zonder negatieve gevolgen voor de koopkracht en de ondernemingskosten.
Dat werd verder uitgewerkt in onze federale energie- en klimaatplannen, waarbij ik zal waken over de implementatie van onder andere de vermindering van de subsidies voor professionele diesel en het verschuiven van de accijnzen van elektriciteit naar fossiele brandstoffen.
Monsieur Ribaudo, vous me dites que dans une marche, ce qui vous intéresse, ce sont les slogans. Vous le dites d'ailleurs avec un certain sourire, et je peux comprendre que cela fasse parfois sourire. Un beau mot n'est jamais en soi un mauvais mot. Mais moi, ce qui m'intéresse, au-delà des slogans, c'est l'action.
Vous avez signalé que certains partis politiques de la majorité comme de l'opposition étaient présents à la marche de dimanche. Si je n'y étais pas, c'est parce que je pense que le rôle d'un ministre, c'est d'abord d'agir, mais aussi de respecter ceux qui manifestent – et vous savez que je partage un certain nombre de slogans. Notre action, monsieur Ribaudo, a été d'obtenir un accord sur le Plan national é nergie-Climat entre les trois Régions et le fédéral et, dans la même foulée, d'avoir un accord sur le Plan social climat. Ça, ce sont des actes. Et ça, aucun gouvernement ne l'avait fait auparavant.
On peut me dire que des tensions existent parfois entre les entités fédérées et le fédéral. Mais moi, je veux d'abord avoir du respect pour mes collègues des entités fédérées et, en particulier, pour ma collègue Melissa Depraetere, qui a eu, je trouve, l’élégance, le talent et le dash pour trouver un accord au sein d'un gouvernement et avec les autres gouvernements. C'est cet équilibre-là, le fait de travailler ensemble, qui m'importe pour que demain on puisse aussi être plus forts.
Certains cherchent la division, moi c'est plutôt l'union. Il paraît que l'union fait la force, c'est encore quelque chose qui vaut pour moi.
Meyrem Almaci:
Mijnheer de minister, over Vlaanderen zal ik niet veel zeggen, behalve dat uw vrienden van Vooruit u compleet in de steek hebben gelaten en, vooral, het klimaatbeleid in de vuilbak hebben gekieperd. Dat is wat er is gebeurd. Er is geen klimaatbeleid meer in Vlaanderen. De meest welvarende regio in ons land laat u gewoonweg in de steek.
Het is heel duidelijk. De reden waarom ik die cover heb meegebracht, is omdat de tijd in ons nadeel speelt. Elke tiende van een graad telt, elke euro telt. Niets doen zal ons letterlijk en figuurlijk heel veel geld kosten, volgens het Planbureau maar liefst 8,5 miljard euro per jaar. Slechts 1 % op deze wereld is verantwoordelijk voor het gros van de vervuiling, maar die 1 % wordt in alle begrotingsballonnetjes ongemoeid gelaten. Dat stel ik vandaag vast. Na jaren het voortouw te hebben genomen, hinkt ons land plots achterop. Er is geen coherent plan, geen strategie en de huidige koers is onaanvaardbaar. Ik reken op u om die aan te pakken. Ik zal u daarop afrekenen.
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, il ne manquerait plus que cela que l’on n’ait pas d’accord! L’Europe l’attend depuis un an. Mais avoir un accord n’est pas une fête en soi, il faut regarder ce qu’il contient. Et cet accord est plus que décevant.
La société civile a dit que c'était encore moins bon que précédemment, avec les autres gouvernements. Nous n’en sommes nulle part en termes de politique climatique. La seule réponse que vous apportez, c’est de dire que vous avez fait un choix. Ce choix, c’est acheter des F-35 plutôt que des trains qui roulent; des F-35 plutôt qu’un plan ambitieux national de rénovation à grande échelle.
En plus, votre gouvernement est d’accord pour nous faire payer des factures encore plus chères. Et votre gouvernement a pour projet de criminaliser les gens qui sortent dans la rue pour dire: "On en veut plus. On veut plus que cela." Vous allez criminaliser le mouvement écologique.
Vous tournez le dos au climat. Nous ne pouvons l’accepter, et nous serons nombreux dans la rue pour vous le rappeler.
Voorzitter:
Daarmee sluit ik deze vragensessie af.
De studie van het Federaal Planbureau om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken
Het rapport van het Federaal Planbureau
De studie van het Federaal Planbureau
De studie van het Federaal Planbureau over de stroomvoorziening
Analyse van het Federaal Planbureau over klimaatneutraliteit en energievoorziening
Gesteld door
VB
Kurt Ravyts
MR
Anthony Dufrane
Vooruit
Oskar Seuntjens
DéFI
François De Smet
Gesteld aan
Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 30 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De studie van het Federaal Planbureau toont aan dat een kostenoptimale energiemix tegen 2050 bestaat uit 8 GW kernenergie + 8 GW offshore wind, met de laagste gemiddelde stroomprijs (115 €/MWh) maar *zonder* inbegrip van bergings- en ontmantelingskosten, en sterk afhankelijk van kapitaalkostenaannames. 100% hernieuwbare energie is onhaalbaar, waardoor de keuze draait om importafhankelijkheid (duurder en minder veilig) of nieuwe kerncentrales (meer autonomie, maar met uraniumafhankelijkheid en onzekere kostprijs). De minister bevestigt dat zonder nieuwe kernreactoren massale stroomimport onvermijdbaar wordt, maar benadrukt dat kostprijsramingen (7.500 €/kW voor EPR2, 7,5% kapitaalkost) en realistische bouwplanning cruciaal zijn, naast een transparante weging van levenscycluskosten (inclusief afvalberging). Concrete plannen voor nieuwe centrales of een leidende Europese nucleaire rol ontbreken nog; de Hoge Raad voor Energiebevoorrading moet scenario’s verder uitwerken.
Kurt Ravyts:
De drie scenario’s van het Federaal Planbureau hoef ik hier niet allemaal meer op te sommen. In het derde scenario worden de nucleaire en offshore capaciteit bepaald door kostenoptimalisatie: een maximale capaciteit van 8 GW kernenergie en 8 GW offshorewind wordt volledig geïnstalleerd tegen 2050. De kostenoptimale mix zou dus gediversifieerd zijn. Dat is in overeenstemming met het regeerakkoord en lijkt mij eigenlijk een open deur intrappen.
Er wordt gesteld dat de gemiddelde kosten het laagst zijn in het scenario met ruimte voor nieuwe kernreactoren, namelijk ongeveer 115 euro per MWh. Daarbij is echter geen rekening gehouden met de bergings- en ontmantelingskosten. De resultaten hangen sterk af van aannames over de kosten van kapitaalintensieve technologieën. Nucleaire energie hoort daar uiteraard ook bij.
De studie bevestigt in ieder geval dat het onmogelijk is onze volledige stroomvraag te dekken met uitsluitend eigen hernieuwbare energie. Honderd procent hernieuwbare energie in 2050 – het zogenaamde Rijk Gods – is dus een utopie. De keuze tussen stroomimport en nieuwe nucleaire capaciteit wordt daarmee op scherp gesteld.
U kunt natuurlijk raden, mijnheer de minister, wat onze partij daarover zegt. Wij zijn realisten. Import zal er altijd zijn, maar we hopen dat die tot een minimum beperkt kan blijven. Afhankelijkheid zal er in elk scenario bestaan – bijvoorbeeld inzake uranium als brandstof. Ook bij hernieuwbare energie is er afhankelijkheid, onder meer van landen zoals China.
Hoe reageert de minister op die studie? Welke conclusies trekt hij hieruit voor het federale energiebeleid van deze regering? Zal de in oprichting zijnde Hoge Raad voor de Energiebevoorrading verschillende scenario’s tegelijk voorbereiden, zoals sommige experten in hun reactie op dit onderzoek naar voren schuiven?
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, le Bureau fédéral du Plan a récemment publié une étude qui trace plusieurs scénarios pour l'approvisionnement énergétique de la Belgique à l'horizon 2050. Dans son scénario le plus optimisé, il estime que le développement combiné de l'éolien en mer et du nucléaire permettrait de répondre à une demande électrique qui pourrait plus que doubler, tout en réduisant drastiquement les importations et les coûts pour les ménages et les entreprises.
Ce scénario préconise la construction de 8 gigawatts de nouvelles centrales nucléaires, soit l'équivalent de huit grands réacteurs comme Doel 4. Les experts rappellent que ce mix serait le moins coûteux pour la collectivité et offrirait une plus grande sécurité d'approvisionnement, contrairement aux scénarios sans nucléaire, qui entraîneraient une dépendance accrue vis-à-vis de l'étranger et une facture bien plus élevée pour le consommateur.
Dans l'état actuel des relations internationales, il importe de pouvoir répondre de manière autarcique à une partie des besoins en électricité. Cependant, il convient également de s'assurer que les relations avec les pays fournissant du combustible nucléaire soient optimales.
Monsieur le ministre, comment analysez-vous le rapport du Bureau fédéral du Plan et ses conclusions favorables à un développement accru de l'énergie nucléaire? Confirmez-vous que, sans nouveaux réacteurs, la Belgique devra importer massivement de l'électricité d'ici 2050? Quelles mesures concrètes envisagez-vous pour planifier la construction de nouvelles centrales nucléaires? Comment garantir que ces investissements resteront compétitifs, tout en maîtrisant les coûts de construction? Pour conclure, dans quelle mesure la Belgique compte-t-elle se positionner en leader européen du nucléaire, en complément du développement de l'éolien offshore et du solaire, afin de concilier sécurité énergétique, durabilité et compétitivité économique?
Oskar Seuntjens:
Ik denk dat de studie heel wat waardevolle inzichten biedt waar we zeker over kunnen discussiëren, maar er zijn ook een aantal aannames gemaakt in de studie en ik heb vooral daar enkele vragen over.
Hoe evalueert u de aannames in de studie, specifiek wat betreft de kapitaalkosten voor nieuwe kerncentrales? Welke kostprijs per gigawatt hanteert de regering in haar eigen toekomstprojecties? Deelt u de analyse dat een sterke afhankelijkheid van import per definitie zal leiden tot significant hogere energiekosten, of ziet u ook een potentieel voor goedkope import van overschatten van hernieuwbare energie? Hoe garandeert de regering dat de volledige levenscycluskosten van energietechnologieën, inclusief de maatschappelijke kosten voor de berging van nucleair afval, correct en transparant zullen worden meegewogen in haar beslissingen? Welke concrete stappen onderneemt u om ervoor te zorgen dat de toekomstige energiemix de juiste richting uitgaat en de koopkracht van de burgers maximaal beschermt? Ik heb het debat over de Hoge Raad voor Energiebevoorrading daarnet helaas niet kunnen bijwonen, maar ik vermoed dat een deel van het antwoord daar gegeven werd.
Mathieu Bihet:
Monsieur Dufrane, bienvenue dans notre commission pour cette première question qui n'est pas dénuée d'intérêt. J'avais aussi la réponse à la question de M. De Smet mais il n'est pas là. Évidemment, j'accueille positivement les travaux réalisés par le Bureau fédéral du Plan sur la question du futur mix énergétique, et du mix électrique plus particulièrement.
Quelques points m'interpellent par ailleurs et nécessiteront des entretiens plus approfondis avec le Bureau fédéral du Plan, notamment pour éclairer le niveau de demande considérée de 202 térawattsheures, un niveau supérieur à celui communiqué par Elia dans son étude blueprin t. Il en confirme néanmoins la tendance. Ils seront nécessaires aussi pour préciser le lieu d'installation du potentiel envisagé de 8 gigawatts d'éolien offshore, pour expliciter les interconnexions offshore considérées dans le scénario RES, à savoir un potentiel de 17,4 gigawatts au regard de la longueur actuelle des projets de développement, processus d'autorisation, processus de financement et processus de construction effective, dont nous avons déjà parlé tout à l'heure. Ils serviront aussi à donner des détails sur les périodes de construction envisagées, sur le coût de la dette éventuelle considérée et l'évolution du coût au fil des années. Enfin, il conviendra de présenter les niveaux de potentiel des batteries et de DSM considérés et les coûts associés.
Desondanks kunnen een aantal zaken in overweging worden genomen voor het federaal beleid. Volgens het onderzoek van het FPB leidt het bouwen van nieuwe capaciteiten en het uitsluitend vertrouwen op de verhoging van de import tot de hoogste systeemkosten en het verlies van soevereiniteit en energieautonomie. Zonder nieuwe capaciteiten, naast de projecten waartoe reeds besloten is, is het meer waarschijnlijk dat, zoals zowel de studie van Elia als die van het FPB aantonen, de beschikbare capaciteit onvoldoende zal zijn om de toekomstige behoeften te dekken die voortvloeien uit de toenemende elektrificatie van het gebruik, in samenhang met de decarbonisatie die als onderdeel van de energietransitie wordt verwacht.
Deze situatie zal leiden tot een structurele afhankelijkheid van de invoer van elektriciteit, met name uit landen met een sterk potentieel van hernieuwbare energie.
Il est utile d'estimer avec davantage de précision le coût futur des technologies. Plus spécifiquement pour les coûts d'investissement dans la capacité nucléaire, les hypothèses du Bureau fédéral du Plan concernant le coût du nucléaire correspondent aux estimations des futurs EPR2 ( evolutionary power reactor) en France, c'est-à-dire aux alentours de 7 500 euros par kilowatt. Cette estimation est plus élevée que, par exemple, le World Energy Outlook qui donne des estimations de 5 100 dollars en 2030 et de 4 500 dollars en 2050 par kilowatt pour l'Union européenne.
L'autre hypothèse importante prise par le Bureau fédéral du Plan est le coût moyen pondéré du capital qui est de 7,5 %, ce qui est assez élevé, surtout si des interventions publiques doivent être mises en place pour le financement ou la réalisation de tels projets.
Andere studies zullen ongetwijfeld de tendens van de studie van het Planbureau bevestigen.
En référence à la question concernant le Haut Conseil, évoqué plus tôt, je tiens à souligner que je ne souhaite pas préjuger des activités et des scénarios que le Haut Conseil viendrait à prendre, entreprendre et réaliser dans l'objectif d'indépendance que j'ai rappelé déjà à l'occasion d'autres questions.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw preciseringen en commentaren bij deze studie. U zei in het begin van uw antwoord dat u een aantal zaken verder wilt bespreken met het Planbureau. Ik zal uw antwoord aandachtig nalezen.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre mot de bienvenue, et surtout je vous remercie pour la qualité de vos réponses.
Aujourd'hui, la fermeture d’un réacteur à Tihange fait l’actualité. Cela nous rappelle à quel point l’énergie est importante.
Je n’ai aucun doute concernant vos choix. Je sais que vous allez œuvrer pour développer un mix énergétique. Le nucléaire représente une sécurité et une souveraineté énergétique à côté de laquelle nous ne pouvons pas passer pour nos concitoyens, tant en termes de qualité de service que de coût pour ces derniers.
Oskar Seuntjens:
Dank u voor uw technische antwoord, mijnheer de minister. Ik zal uw antwoord nog eens herbeluisteren om ermee aan de slag te kunnen. Ik doe nog een oproep voor een holistische aanpak waarbij alle factoren in aanmerking worden genomen, zoals goede beleidsmakers doen of zoals dat van hen wordt verwacht.
De impact van het gebrek aan klimaatbeleid op de schuld volgens het rapport van het Planbureau
Het rapport van het Planbureau over de gevolgen van de klimaatverandering voor de overheidsfinanciën
Financiële risico's van onvoldoende klimaatbeleid voor overheidsfinanciën volgens Planbureau-rapport
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Begroting)
op 25 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Planbureaurapport waarschuwt dat klimaatinactie (opwarming tot 3°C) tegen 2050 4-8 miljard euro zal kosten, met zware druk op overheidsfinanciën, terwijl de regering juist wil bezuinigen. Van Peteghem belooft klimaatrisico’s te integreren in de begroting via langetermijnanalyses, weerbare infrastructuur en eerlijke lastenverdeling (bv. afschaffen fossiele subsidies), maar Van der Straeten wijst op concrete terugdraaiingen (windmolens, elektrificatie bedrijfswagens) en noemt het beleid "nietsdoen". Seuntjens (Vooruit) verdedigt de regering als "hervormingsmoedig", mits sociale rechtvaardigheid (grote vervuilers betalen, betaalbare energie).
Tinne Van der Straeten:
Mijnheer de minister, de arizonaregering heeft als mantra dat ze de begroting op orde wil. Zij wil dat in alle domeinen, zowel op korte, middellange als lange termijn. In die zin is het rapport dat het Planbureau vanmorgen publiceerde, heel relevant. In het rapport berekent het Planbureau welke kosten verbonden zijn aan het ontbreken van klimaatbeleid. Indien de klimaatopwarming doorzet tot 3° C, zal dat tegen 2050 leiden tot enorme kosten, geraamd op 4 tot 8 miljard. Dat veroorzaakt een enorme druk op de overheidsfinanciën en onze schuldgraad
Het rapport is gepubliceerd op een heel goed moment, namelijk vlak voor de start van het begrotingsconclaaf. In die zin belangt het rapport u als minister van Begroting heel erg aan. De vraag hier is wat u met dat rapport zult aanvangen. Straks komen alle ministers met hun vragen voor extra uitgaven, voor nieuwe initiatieven en voor nieuw beleid. Het lijkt mij absoluut aan de orde dat daarbij ook wordt gekeken naar de klimaateffecten van dat beleid.
Tegelijkertijd wordt aangekondigd dat er veel bespaard moet worden. Het is dan ook evident dat er nu eerst en vooral zal moeten bespaard worden op de uitgaven die vandaag al het klimaat extra belasten. Ik denk bijvoorbeeld aan de vele miljoenen die nog steeds naar fossiele brandstoffen gaan. Ik noem het dossier van de professionele diesel, een dossier dat dan traditioneel naar voren komt.
Mijnheer de minister, hoe zult u in het kader van het komende begrotingsconclaaf aan de slag gaan met het rapport van het Planbureau?
Oskar Seuntjens:
Mijnheer de minister, u staat voor een ongelooflijk grote uitdaging om onze begroting opnieuw op orde te brengen, zodat we onze sterke sociale welvaartsstaat kunnen doorgeven aan de toekomstige generaties.
Eerlijk is eerlijk, het wordt u niet zo gemakkelijk gemaakt. Sterker nog, er zijn vijanden, die actief tegenwerken. Er is Trump, die de gewone werkmens aanvalt via tarieven en een handelsoorlog – het Vlaams Belang schudt het hoofd, want dat zijn de vriendjes van Trump. Er is Poetin, die een oorlog in Europa voert, met extreem hoge energieprijzen tot gevolg. Er is nog een derde vijand, ouder dan Poetin en ouder dan Trump, het klimaat.
Dat zijn drie bedreigingen voor onze economie. Dat zeg ik niet zelf, dat zegt het Federaal Planbureau. Dat heeft een studie gemaakt waaruit blijkt dat als we niets doen, we over enkele jaren 5 % van ons bbp kwijt zijn. Dat is evenveel als de NAVO van ons vraagt om te investeren in defensie.
Dat zal een rechtstreekse impact hebben op de koopkracht en de gezondheid van de mensen. Immers, wat gebeurt er wanneer extreme weersomstandigheden tot droogte leiden? Voedsel wordt duurder, de winkelkar wordt nog duurder, de economie komt onder druk te staan, lonen en jobs komen onder druk en verzekeringen, die vandaag al zo duur zijn, zullen alleen maar nog duurder worden.
Daarom, mijnheer de minister, is het voor Vooruit onaanvaardbaar dat de kosten bij de gewone mensen terechtkomen. Ik ga ervan uit dat u als minister van Begroting daar ook heel bezorgd over bent en u kunt nu al iets doen. U kunt ervoor zorgen dat grote vervuilers, zoals mevrouw Van der Straeten terecht zegt, eerlijk bijdragen. Denk bijvoorbeeld aan de fossiele subsidies, waardoor er vandaag nog altijd bijna 1 miljard euro naar buitenlandse vrachtwagens die hier komen tanken en die wij subsidiëren, gaat ten koste van de gewone mensen, die vandaag de gevolgen van de klimaatopwarming dragen.
Mijnheer de minister, bent u bereid om op te komen voor de gewone mensen en de grote vervuilers ook eerlijk te laten bijdragen?
Vincent Van Peteghem:
Beste collega's, ons federaal tekort wordt inderdaad aangedreven door enkele bekende drijvers die we de voorbije jaren te weinig in acht hebben gehouden. We zullen daarop in een volgende vraag nog terugkomen. Die houding plaatst ons vandaag voor enorme uitdagingen.
Dat moet veranderen. We moeten opnieuw een blik op de lange termijn richten, met focus op de komende decennia. Daarbij is het logisch dat we ook de gevolgen van de klimaatverandering op lange termijn in onze begrotingsoefening meenemen.
Ik hecht groot belang aan maatregelen op het vlak van klimaatbeleid, maatregelen die mijns inziens hand in hand moeten gaan met een gezond begrotingsbeleid. Dat blijkt onder meer uit de vergroening van de bedrijfswagens en uit de hervorming van de energiefiscaliteit die we samen in de vorige legislatuur hebben doorgevoerd, mevrouw Van der Straeten.
Ook deze legislatuur moeten we de risico’s van de klimaatverandering ter harte nemen. Dat doen we met de regering. We doen alles wat nodig is om de uitdagingen op dat vlak het hoofd te bieden, zonder gezinnen voor onmogelijke uitdagingen te plaatsen en zonder onze ondernemingen te remmen in hun noodzakelijke groei. Daarbij nemen we drie pistes in overweging. Ten eerste zullen we, in lijn met de nieuwe Europese begrotingsregels, voortaan systematisch een langetermijnanalyse maken van de klimaatrisico’s. Ten tweede zullen we investeren in weerbaarheid, door gerichte investeringen in infrastructuur, innovatie en adaptatie. Ten derde, mijnheer Seuntjens, maken we werk van een eerlijke lastenverdeling, zodat de kosten van de klimaattransitie niet worden afgewenteld op de middenklasse, maar iedereen een billijke bijdrage levert.
Het rapport stelt het zwart op wit: nietsdoen is geen optie. Dat hebben we natuurlijk goed begrepen. We kiezen met de arizonaregering volop voor een ambitieus klimaatbeleid dat hand in hand gaat met een verstandig economisch en industrieel groeibeleid dat de lasten op een eerlijke manier verdeelt.
Tinne Van der Straeten:
Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister. Uw woorden zijn lovenswaardig. Ik twijfel ook niet aan uw intenties. U hebt voorbeelden gegeven van dossiers waar we samen aan hebben gewerkt. Alleen zie ik vandaag een regering die wel veel maatregelen aan het afschaffen is. Windmolens op de Noordzee? Afgeschaft. Elektrificatie van de bedrijfswagens? Uitgesteld. Op het Vlaamse niveau, de verbouwpremie? Afgeschaft.
Nietsdoen is geen optie. Maar exact dat is wat de regering vandaag doet. Zij doet niets, niets en minder dan niets. Dan zal er geen sprake zijn van een eerlijke lastenverdeling, want de komende generaties zullen de factuur van 8 miljard moeten betalen.
Oskar Seuntjens:
In tegenstelling tot mevrouw Van der Straeten zie ik net zoals vele burgers vooral een regering die durft te hervormen, wat niet het geval was met vorige regeringen. Ik zie een regering die durft door te pakken op een moment dat het moeilijk is. Wat vooral het doel zal zijn, is dat te doen op een sociale manier. Dat zullen we doen, door grote vervuilers ook eerlijk te doen bijdragen, zoals de minister terecht zei. Dat zullen we ook doen door energie altijd betaalbaar te houden, ook in moeilijke tijden. Energie is een basisproduct. Het is geen luxe. Laten we verder hervormen. Dat is wat de mensen van ons verwachten.
Het sociaal klimaat bij bpost
De stakingsaanzegging bij bpost
Arbeidsverhoudingen en conflict bij bpost
Gesteld door
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De hernieuwde stakingen bij bpost (Gosselies, Saint-Nicolas) bloeden uit gebrek aan echt overleg, met syndicaten die een autoritair beleid aan de kaak stellen: financiële doelen gaan voorop ten koste van werkdruk, transparantie en respectvolle dialoog, terwijl de directie dreigt met onderaannemers en eenzijdige beslissingen oplegt. Minister Matz erkent de verslechterde sociale sfeer maar blijft terughoudend, wijzend op bpost’s autonomie als openbare onderneming; ze belooft bemiddeling indien het conflict escaleert, maar concrete stappen ontbreken, wat Legasse (PS) en Jacquet (PTB) onvoldoende vinden—zij eisen dwingende interventie om collectieve onderhandelingen af te dwingen en het welzijn van werknemers te garanderen, niet enkel woorden. De kern: syndicaten willen meebeslissen over herstructureringen, maar de directie blokkeert elke invloedsfeer, terwijl de minister haar verantwoordelijkheid als toezichthouder ontwijkt—terwijl dienstverlening en arbeidsomstandigheden verder verslechteren. Dreigend risico: nieuwe postvertragingen en verder verzuurde verhoudingen, tenzij de minister bindende druk uitoefent op bpost’s top.
Dimitri Legasse:
Madame la ministre, nous pensions le calme revenu chez bpost après les mouvements de grève de l’hiver dernier. Or il n’en est visiblement rien puisque le front commun syndical a déposé un nouveau préavis de grève en raison du manque de dialogue avec la direction. Deux centres de distribution à Gosselies et Saint-Nicolas se sont d'ores et déjà mis en grève. Non seulement la charge de travail est dénoncée, mais également le climat social qui semble s'aggraver. Le front commun syndical a déposé un préavis de grève en raison d’un manque de dialogue avec la direction.
Madame la ministre, avez-vous conservé des contacts étroits avec la direction et les syndicats de bpost depuis l’accord conclu en février dernier? Comme vous le savez, il a fallu de nombreux jours, pour ne pas dire semaines, avant que l’arriéré de courrier ne soit rattrapé. Devons-nous nous attendre à de nouvelles perturbations de cet ordre dans les prochaines semaines? Entendez-vous recevoir les syndicats? Entendez-vous, surtout, dialoguer avec eux et avec la direction?
Vu de l’extérieur, vous en conviendrez, nous avons en tout cas l’impression que les deux parties éprouvent de sérieuses difficultés à trouver un terrain d’entente. Alors que bpost se heurte à une concurrence accrue, n’est-il pas de votre devoir et de votre ressort de les aider à s’accorder sur les enjeux d’un service postal de qualité au bénéfice de la population? Dois-je vous rappeler, madame la ministre, que les travailleurs de bpost doivent faire face à d’importants et incessants changements dans leur manière de travailler? Ce n’est certainement pas la meilleure voie pour s'extraire de cette situation conflictuelle. Nous ne constatons en effet aucun apaisement. É tant donné la situation de l'entreprise, allez-vous confirmer vos projets d'économie dans le contrat de gestion de bpost?
Farah Jacquet:
Madame la ministre, comme notre collègue du parti socialiste vient de le dire, la situation devient intenable chez bpost. Les organisations syndicales ont déposé un préavis de grève en front commun pour dénoncer le monologue unilatéral imposé par la direction. Ce monologue prend différentes formes: l'absence d'implication réelle des organisations syndicales dans les processus de transformation; une approche centrée uniquement sur les objectifs financiers et les économies, sans prise en compte des impacts humains; des groupes de travail qui se limitent à expliquer des décisions déjà prises sans réelles possibilités d'influence; une gestion de l'entreprise publique assimilée à celle d'une entreprise privée, avec un mode de gouvernance autoritaire, un manque de transparence concernant la structure du groupe, l'implication des filiales et les conséquences sur l'emploi, un climat de pression, de menace et de dédain.
Personnellement, j'ai l'impression que les syndicats ne demandent pas la lune. Ils appellent à un dialogue qui soit réel, transparent et respectueux avec la direction. Ils ne s'opposent pas à la transformation de l'entreprise, mais ils refusent que celle-ci se fasse au détriment du bien-être des travailleurs, ceux-là même qui travaillent jour et nuit, avec des horaires à n'en plus finir, pour maintenir cette entreprise à flot.
Mes questions à ce sujet sont les suivantes. Êtes-vous au courant du climat social assez malsain au sein de bpost? Si oui, qu'allez-vous entreprendre pour que la direction opte enfin pour le dialogue avec les syndicats? Les syndicats demandent à la direction l'ouverture immédiate de négociations en vue d'une convention collective, afin de garantir des conditions de travail dignes et respectueuses. Qu'allez-vous entreprendre auprès de la direction pour que cette négociation ait lieu? Que faites-vous concrètement pour améliorer les conditions de travail des travailleurs de bpost? Je vous remercie.
Vanessa Matz:
Merci, monsieur Legasse et madame Jacquet, pour vos questions. Comme vous l’avez rappelé, depuis ma prise de fonction, j’ai veillé à entretenir un dialogue régulier avec la direction de bpost et à maintenir un contact avec les partenaires sociaux. Chacun connaît ma disponibilité et mon attachement à un climat social apaisé. Cela étant dit – et je crois qu’il est important de le rappeler –, il n’est pas toujours simple de se situer sur la ligne de démarcation. Je respecte pleinement l’autonomie de gestion de l’entreprise, qui relève de sa responsabilité propre dans le cadre de la gouvernance des entreprises publiques autonomes. C’est évidemment là toute la difficulté: je n’ai pas à intervenir dans la gestion de l’entreprise en tant qu’entreprise publique. À l’époque, en prenant mes fonctions, j'ai suscité un dialogue de part et d’autre afin de permettre à chacun de revenir autour de la table. Cependant mon rôle doit évidemment rester extrêmement précis et mesuré. J’ai suivi la situation de près.
Comme vous le soulignez, certaines tensions sont réapparues sur le terrain, notamment dans les centres de distribution de Gosselies et de Saint-Nicolas. Comme vous l'avez rappelé, ces mouvements sociaux traduisent des inquiétudes réelles, liées aux changements organisationnels, à la charge de travail et à la perception d’un dialogue parfois difficile. Je déplore que ces tensions aient pu nuire à la relation de confiance avec les clients, mais je me réjouis qu’un retour à la concertation ait permis d’apaiser ces situations locales. Le dialogue social est un levier fondamental pour accompagner les transformations indispensables de bpost. Ces évolutions sont dictées par un environnement concurrentiel exigeant, mais elles doivent se faire dans le respect des travailleurs, de leurs conditions d’emploi et de leur bien-être.
Dans cette optique, j’encourage la direction à poursuivre une concertation approfondie à tous les niveaux de l’entreprise. Il est évident que si la situation devait perdurer et que le dialogue ne pouvait être réinstauré, je reprendrais mon rôle de médiateur, ce qui reste la seule manière légitime pour moi d’intervenir dans les difficultés sociales que connaît bpost.
Dimitri Legasse:
Madame la ministre, j'ai entendu les mots "ligne de démarcation", "médiateur", "encourager le dialogue" mais cela ne suffit pas. J'entends bien que l'entreprise est autonome mais jusqu'à quel point son autonomie va-t-elle à ce point dégrader les relations sociales? Les tenants et les aboutissants, vous les connaissez: une absence d'implication réelle des organisations syndicales, aucune marge de négociation, une approche centrée uniquement sur les objectifs financiers et sur les économies que vous leur imposez, une fausse co-construction, une gestion de l'institution publique assimilée à celle d'une PME, un manque de transparence semble-t-il important au niveau des structures du groupe et finalement un climat de pression et de dédain.
L'heure n'est plus à la médiation, madame la ministre. Il est vraiment grand temps que vous preniez plus que cela en termes d'initiative et de responsabilité pour tenter, d'une manière un peu plus pérenne, d'avoir plus qu'une médiation, de mettre un terme à ce conflit social et de faire en sorte que les uns et les autres retrouvent de la sérénité.
Je vous remercie d'avance, madame la ministre, de bien vouloir encore essayer d'en faire davantage
Farah Jacquet:
Madame la ministre, j'aurais bien voulu entendre un peu plus de proactivité de votre part. De fait, l'entreprise est autonome. Je l'ai bien compris mais ce n'est pas cette réponse-là que les travailleurs attendent. Votre réponse n'est pas à la hauteur de la situation sur le terrain. La direction se moque de la concertation sociale et, en tant que ministre de tutelle, vous pouvez agir dans ce sens. Les syndicats tirent la sonnette d'alarme depuis des mois. Comment voulez-vous que la concertation sociale fonctionne si les propositions qui visent à améliorer le bien-être des travailleurs sont à chaque fois écartées? La direction est également menaçante envers les syndicats et leur répond par exemple: "C'est comme ça!" ou "Dois-je faire appel aux sous-traitants?" Voilà ce qu'ils entendent. La direction parle aux responsables syndicaux comme à des enfants, de manière à envoyer ce message aussi à ses propres travailleurs. Ce n'est pas de cette manière que la concertation sociale doit exister ni fonctionner, encore moins dans une entreprise publique qui est censée montrer l'exemple. En tant que ministre des Entreprises publiques, vous devez écouter les revendications des syndicats, assurer le respect de la concertation et du dialogue entre interlocuteurs sociaux et garantir de bonnes conditions de travail et le maintien de l'emploi. Je vous remercie.
De Einstein Telescope
De financiering van de Einstein Telescope
Grootschalige wetenschappelijke infrastructuurprojecten en hun financiering
Gesteld door
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Einstein Telescope (een grensoverschrijdend project in de Euregio Maas-Rijn) krijgt sterke politieke en financiële steun van Vlaanderen (€500M), Wallonië (€200M) en Nederland/Noordrijn-Westfalen, maar de federale bijdrage en Duitse steun (die nog aarzelt tussen EMR, Saksen en Italië) blijven onzeker. Minister Matz benadrukt de sterke technische en diplomatieke kaarten van de EMR-kandidatuur, maar kostenstijgingen en concurrentie (met name Italië en Saksen) vormen risico’s, terwijl Duitsland zijn opties spreidt. Concrete resultaten van het Belgisch-Duitse overleg (o.a. het bezoek De Wever-Merz) ontbreken, en de minister belooft binnenkort een federaal financieel voorstel. Diplomatieke druk en risicospreiding (naar analogie met Duitsland) worden gevraagd om de kandidatuur te versterken.
Dieter Keuten:
Mevrouw de minister, ik heb enkele vragen over de Einstein Telescope, een project dat u als Luikse ongetwijfeld nauw aan het hart ligt.
De premier van dit koninkrijk heeft eind vorige maand een bezoek gebracht aan zijn Duitse collega, bondskanselier Merz. Vóór dat bezoek had de pers gewag gemaakt van onderhandelingen over onder meer de Einstein Telescope en een bespreking van de samenwerking tussen België en Duitsland daarvoor. Na afloop van die ontmoeting hebben we daarover echter niets officieels vernomen.
Wat is het resultaat van dat overleg met het Duitse kabinet? Hebt u als minister bevoegd voor Wetenschapsbeleid aan dat bezoek deelgenomen? Hebt u uw Duitse collega die bevoegd is voor Wetenschapsbeleid ontmoet en daarover kunnen spreken? Wat zijn hun standpunten en hoe kunnen we tot een gemeenschappelijke kandidatuur komen?
Hoe schat u vervolgens vandaag onze slaagkansen in om samen met Nederland en de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen dat bijzonder interessante project naar onze contreien te halen?
Mijn volgende vraag betreft het prijskaartje en de toewijzing van steun. De Vlaamse regering heeft gisteren aangekondigd niet 200 maar 500 miljoen euro vrij te maken. De Waalse regering had eerder al 200 miljoen euro toegezegd. Eerste minister De Wever zou enkele honderden miljoenen op tafel leggen. Hoe zit het met de federale steun?
Welke garanties zijn er dat die bedragen zullen volstaan, aangezien de kosten van het project nu al sterk oplopen? Welke garanties zult u inbouwen om de return on investment van dit project te vrijwaren?
Tot slot vraag ik me af of u nog meer diplomatieke inspanningen plant om de kandidatuur verder te ondersteunen.
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, le projet du télescope Einstein constitue une opportunité scientifique et stratégique majeure pour l'Europe et en particulier pour la Belgique. Il s'agit d'un observatoire de troisième génération, dédié à la détection des ondes gravitationnelles, qui placerait notre pays et l'Euregio Meuse-Rhin (EMR) au cœur d'une initiative de recherche de rang mondial.
Au-delà de son importance scientifique, ce projet représente un levier exceptionnel pour le développement économique, industriel, technologique et éducatif, et en matière de rayonnement international. À ce stade, les contributions financières de la Wallonie et de la Flandre ont été actées pour ce projet. On note 500 millions pour la Flandre et 200 millions pour la Wallonie.
À mon sens, plusieurs questions subsistent et je vais vous les poser. Qu'en est-il de l'engagement financier du gouvernement fédéral? Une confirmation est-elle attendue prochainement afin de renforcer la crédibilité de la candidature de l'EMR?
Avez-vous prévu d'entamer des discussions avec d'autres pays partenaires potentiels, au-delà de ceux qui sont déjà impliqués afin de consolider la candidature et d'élargir la base de soutien financier? Je pense à la France ou au Royaume-Uni par exemple.
Le projet du télescope Einstein a été inscrit sur la liste des infrastructures de recherche prioritaires du gouvernement fédéral allemand. Celui-ci pourrait se prononcer avant la fin de l'année 2025. Disposez-vous d'informations à ce stade sur l'état d'avancement de cette décision et la possibilité d'un soutien financier à la candidature de l'EMR?
Vanessa Matz:
Madame et monsieur le député, le 9 juillet dernier, le gouvernement fédéral allemand a inscrit la phase préliminaire du télescope Einstein sur la liste des grandes infrastructures scientifiques prioritaires pour l'Allemagne.
Het proces loopt nog, maar deze eerste stap onderstreept het wetenschappelijk, economisch en maatschappelijk belang van dat project voor Duitsland. De Duitse bondsregering heeft nog niet beslist welke kandidatuur ze zal steunen.
Des discussions sont en cours entre le gouvernement fédéral allemand et les gouvernements de la Rhénanie-du-Nord-Westphalie et de la Saxe, dont l'issue devrait orienter la décision fédérale dans les semaines qui viennent.
Je suis confiante quant aux chances de succès de la candidature Euregio Meuse-Rhin pour plusieurs raisons.
De samenwerking met Nederland en de deelstaat Noordrijn-Westfalen is uitstekend. Er is ook een efficiënte intra-Belgische coördinatie met de duidelijke en vastberaden steun van onze eerste minister. De politieke steun van alle betrokken regeringen is cruciaal.
La candidature EMR repose sur des arguments techniques solides. Je peux citer, par exemple, la localisation attractive et bien connectée, l'écosystème scientifique et économique dynamique et le sous-sol adéquat.
De Italiaanse kandidatuur mag echter niet worden onderschat.
En ce qui concerne le montant que le gouvernement fédéral entend réserver pour la construction du télescope, je viendrai avec une proposition qui sera soumise au Conseil des ministres dans les prochaines semaines.
Een van de belangrijkste doelen van de lopende haalbaarheidsstudies is de onzekerheid over de bouwkosten te verminderen.
Plusieurs activités de sensibilisation internationales sont menées en collaboration avec les réseaux diplomatiques et le SPF Affaires étrangères.
Daarnaast bespreek ik, wanneer het gepast is, het Einstein Telescope-project tijdens ontmoetingen of bilaterale gesprekken met buitenlandse collega’s om ervoor te zorgen dat onze kandidatuur zoveel mogelijk interesse en steun krijgt.
Dieter Keuten:
Dank u voor de eerder summiere toelichting, mevrouw de minister.
U zei dat de kandidatuur van Sardinië zeker niet mag worden onderschat. Laten we ook de kandidatuur van de Duitse deelstaat Saksen niet uit het oog verliezen, want de Duitsers wedden op dit moment eigenlijk op drie paarden – op hun eigen kandidatuur met Saksen, op hun eigen kandidatuur met Noordrijn-Westfalen en op het voorzien van de Italianen van de nodige knowhow – terwijl wij op dit moment alles of niets spelen: ofwel komt de Einstein Telescope naar onze regio, ofwel blijven we met niets achter. Daarom wil ik er uw aandacht op vestigen dat er genoeg overleg gevoerd wordt, dat er voldoende inspanningen geleverd worden, dat het onderwerp op een zo hoog mogelijk niveau behandeld wordt en dat er misschien ook eens onderzocht wordt hoe we ons risico kunnen spreiden, net zoals de Duitsers dat doen.
Ik hoor dat u ermee bezig bent en dat het project sinds 9 juli prioritair door de Duitse bondsregering wordt behandeld, maar ik hoor geen antwoord op mijn vraag wat het overleg van 26 augustus van de heer De Wever met zijn collega Merz precies heeft opgeleverd. Op dat vlak blijven we dus eigenlijk op onze honger. De toekomst zal uitwijzen wat hiervan is gekomen.
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour vos informations sur le dossier. Je vous ai entendue; vous reconnaissez l'importance scientifique du dossier et je pense que vous êtes bien consciente que ce projet est un levier exceptionnel pour notre pays. Nous ne manquerons donc pas de le suivre. Nous attendons également la réponse de l'Allemagne par rapport aux différentes candidatures.
De klimaatdoelstelling voor 2040
De Europese Milieuraad van 18 september 2025
Emissiereductie en de doelstellingen voor 2040
De klimaatdoelstelling 2040
De klimaatdoelstellingen voor 2040
De klimaatdoelstellingen voor 2040
De neerwaartse bijstelling van de emissiereductiedoelstellingen van de EU
EU-klimaatdoelstellingen en emissiereductie voor 2040
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België steunt de EU-doelstelling van 90% CO₂-reductie in 2040, maar stelt drie voorwaarden: een Europees transitie-investeringsplan, een herzien budgetkader en versnelde internationale flexibiliteit (koolstofcredieten)—ondanks kritiek op de betrouwbaarheid en ethiek daarvan. Tijdens de EU-Milieuraad (18/9) blokkeerde een minderheid een akkoord, waardoor de beslissing doorgeschoven wordt naar de Europese Raad (23/10); België eist garanties voor koopkracht, competitiviteit en rechtvaardige transitie, maar de uitvoering blijft onzeker door gebrek aan draagvlak in de regeringen. De tussentijdse 2035-doelstelling (66,25–72,5% reductie) werd vastgelegd in een intentieverklaring voor de COP30, maar kritiek luidt dat de EU verzwakt en verdeeld aantreedt door uitstel en waterige afspraken. België verkleint zijn COP30-delegatie met 39% en benadrukt partnerschappen met Afrika voor "win-win"-klimaatprojecten, maar interne tegenstrijdigheden (bv. energienorm-uitstel) ondermijnen de geloofwaardigheid.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, la Commission européenne a publié le 2 juillet dernier sa proposition législative en ce qui concerne l'objectif climatique de 2040. La Commission propose un objectif de réduction de 90 % des émissions nettes de gaz à effet de serre d'ici 2040. Pour y parvenir, elle propose d'intégrer, dès 2036, le recours aux "flexibilités", c'est-à-dire la possibilité pour les É tats d'atteindre l'objectif en achetant des crédits carbone à l'étranger.
Dans ce contexte, votre gouvernement a décidé, dans le cadre de son accord d'été, de soutenir la proposition de la Commission moyennant trois conditions: un plan européen de transition et d'investissement crédible dans l'année, destiné aux industries intensives en énergie; une révision du cadre budgétaire européen, afin de mieux accompagner les États membres qui atteignent leurs objectifs climatiques et économiques; la mise en œuvre anticipée des flexibilités internationales prévues, avant 2036.
Les flexibilités internationales font l'objet de vives critiques. Y recourir est, selon nous, une rupture par rapport au passé. Les marchés internationaux de carbone fonctionnent mal. Une tonne de CO 2 stockée dans une forêt n'est pas aussi stable qu'une tonne de CO 2 enfouie dans le sol. Les crédits carbone sont trop souvent surévalués. Ils favorisent l'accaparement des terres et la violation des droits humains. Avec ce mécanisme, on externalise l'effort climatique vers les communautés du Sud. Il vaut mieux, pour nous, tabler sur des réductions domestiques de gaz à effet de serre. Au regard de ces critiques, comment justifiez-vous votre exigence d'anticiper la mise en œuvre des flexibilités avant 2036?
Des discussions ont lieu au niveau européen en ce début de mois de septembre. Les 10 et 11 juillet, un Conseil Environnement informel s'est tenu à Aalborg; le 16 juillet, un Coreper; le 18 septembre, le Conseil Environnement extraordinaire, censé entériner la trajectoire climatique de l'UE. Pouvez-vous faire le bilan de ces discussions au niveau européen? Qu'avez-vous obtenu concernant vos trois conditions? Quelle a été au final l'attitude de la Belgique?
Kurt Ravyts:
Wie zegt dat deze regering zwak is op het vlak van klimaatambities? Ik durf dat niet te zeggen, mijnheer de minister. Op 21 juli jongstleden heeft de federale regering het voorstel van de Europese Commissie goedgekeurd dat een vermindering van minstens 90 % van de netto-uitstoot van broeikasgassen tegen 2040 tot doel heeft. Er zijn inderdaad voorwaarden, zoals mevrouw Meunier zei, namelijk concrete waarborgen op het vlak van concurrentievermogen, sociale rechtvaardigheid en technisch-economische haalbaarheid.
De federale regering pleit voor een geloofwaardig Europees transitie- en investeringsplan, dit jaar nog, voor energie-intensieve industrieën. U pleit ook voor een herziening van het Europese budgettaire kader om de lidstaten beter te begeleiden. Daarnaast pleit u voor de vervroegde invoering van de voorziene internationale flexibiliteit vanaf 2036.
Heel wat mensen aan de linkerzijde zijn ontgoocheld over de Europese Milieuraad van 18 september, want een en ander moest uiteraard besproken worden via uw Waalse collega. Het Deense voorzitterschap heeft een compromisvoorstel op tafel gelegd, waarop een blokkeringsminderheid is ontstaan. Duitsland zou erop hebben aangedrongen dat de discussie verdergezet wordt op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders, die op 1 oktober informeel in Kopenhagen samenkomen en op 23 oktober naar Brussel afzakken voor een formele top. Dat is de Europese lijn.
Aan de andere kant is er de VN-lijn. Daar is er een compromisvoorstel opgesteld – een intentieverklaring, heb ik begrepen – waarbij de EU naar een indicatieve vermindering van de uitstoot zal streven, tussen 66,25 % en 72,5 % tegen 2035, binnen die vork. Daarnaast worden de ambities voor 2030 – min 55 % – bevestigd. Er zal de komende dagen op VN-niveau worden toegelicht dat Europa in 2035 een nieuwe tussentijdse klimaatambitie zal vastleggen. Ook aan het klimaatdoel voor 2040 zal verder moeten worden geschaafd.
Dat is echter allemaal niet voldoende voor mijn collega’s van de linkerzijde. Toch wil ik u vandaag bevragen.
Kunt u verslag uitbrengen over de conclusies van de Europese Milieuraad? Klopt alles wat ik hier heb gezegd? Mijn eerste vraag gaat dus over de Belgische positiebepalingen bij monde van uw collega tijdens die Raad.
Werd er al overleg gepleegd met de gewestregeringen rond de goedkeuring door de federale overheid van het voorstel van de Europese Unie om een tussendoel voor 2040 vast te leggen in de Europese klimaatwet, of is dat niet nodig? Ik denk van wel.
Ten derde, kunt u een stand van zaken geven over de aangehaalde Belgische voorwaarden, het Europese transitie- en investeringsplan, de begeleiding en de internationale flexibiliteit? Dank u wel.
Voorzitter:
Dank u wel, collega Ravyts.
U bent een beetje over de tijd gegaan, maar dat is ook omdat u zo goed geïnformeerd bent. Dat wil ik u dus vergeven.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, je ne referai pas le discours de mes prédécesseurs à propos de l'objectif européen intermédiaire 2040.
En juillet, la Commission européenne annonçait une réduction intermédiaire de nos émissions de 90 % à l’horizon 2040. Afin d’y arriver, la Commission a décidé d’accorder une certaine flexibilité aux États membres, en autorisant, par exemple, le financement de projets de réduction de CO 2 à l’étranger dans le calcul final. Cependant, avec vos homologues européens, vous vous êtes accordés sur un objectif de réduction de CO 2 entre 66,25 % et 72,50 % pour 2035.
Monsieur le ministre, quelle a été la position défendue par notre gouvernement sur ces objectifs climatiques? Quelle est la position aujourd'hui sur les objectifs intermédiaires fixés pour 2040?
J'ai aussi une sous-question: l’accord du gouvernement prévoit une réflexion sur la taille des délégations internationales que nous envoyons, qu’en est-il pour la COP30?
Tinne Van der Straeten:
Mijnheer de minister, over de klimaatdoelstelling 2040 bestaat enige zenuwachtigheid, zowel op Europees niveau als tussen verschillende lidstaten, met bepaalde lidstaten die hun positie wijzigden kort voor de Raad plaatsvond. Die zenuwachtigheid is uiteraard ook ingegeven door het feit dat het voor het Deense voorzitterschap een heel belangrijk dossier is en de klimaatdoelstelling 2040 moet resulteren in een NDC waarmee Europa naar Belém kan trekken. In die zin vond vorige week een belangrijke raadsvergadering plaats. Ik sluit mij dan ook aan bij de eerdere sprekers, die vroegen naar het standpunt dat België daar heeft ingenomen.
Ik zou vooral ook willen weten wat de uitkomst was van de Raad. We hebben wel kunnen lezen hoe de conclusie luidde, maar ik zou graag kennis willen nemen van uw inzicht over twee aspecten. Ten eerste, hoe moeten wij de letter of intent van het Deense voorzitterschap interpreteren? Wat wordt daarmee nu verder gedaan? Wat is de verwachting? Het Deense voorzitterschap kon die discussie niet afronden en heeft een uitweg gevonden in de vorm van een intentieverklaring. Wat is echter de route van de conclusies van de Raad, die al samengezeten heeft, naar de top in Belém? Komt er een Europese doelstelling, een NDC, waarmee we naar Belém kunnen trekken?
Ten tweede, is het een zaak van de klimaatministers of wordt het een chefsache? In het verleden is het immers nog gebeurd dat op de Europese Raad met de staatshoofden en regeringsleiders ook werd gesproken over de klimaatdoelstellingen. Waar zal de knoop finaal worden doorgehakt? Zal dat in de Milieuraad gebeuren of wordt de discussie integraal overgeheveld naar de Europese Raad?
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, vous vous êtes récemment réunis avec vos homologues européens pour tenter d’adopter un objectif climatique pour 2040, avant la COP30 de Belém. Cette réunion a débouché sur un compromis a minima , comme l’a relayé la presse: une simple déclaration d’intention fixant un objectif intermédiaire pour 2035, compris entre -66,25 % et -72,5 % des émissions par rapport à 1990. Cet accord a été présenté comme une manière de sauver la face. Il est jugé trop flou par de nombreux acteurs. Les ONG évoquent une non-décision, trop imprécise pour garantir la trajectoire vers la neutralité carbone en 2050. Pendant ce temps, les catastrophes climatiques en Europe s’aggravent d’année en année.
L’objectif pour 2040 de -90 % proposé par la Commission européenne, et qui était un pas en arrière, restera en suspens, et sera désormais discuté au niveau des chefs d’État et de gouvernement le 23 octobre. Selon la presse, la Belgique fait partie des pays qui ont freiné des quatre fers, réclamant une longue liste de garanties liées à la protection du pouvoir d’achat et à la compétitivité des entreprises.
Monsieur le ministre, pensez-vous qu’il sera toujours possible de parvenir à un accord sur un objectif contraignant pour 2040 avant la COP30? Ou faudra-t-il constater que l’Europe risque d’y arriver divisée et affaiblie?
Deuxièmement, pouvez-vous rendre publique la liste précise des garanties qui ont été exigées par notre pays pour soutenir l’objectif de -90 % des émissions en 2040?
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, vous le savez, la Commission européenne a présenté ses ambitions climatiques pour 2040, visant une réduction de 90 % de ses émissions de gaz à effet de serre. Je sais que vous êtes sensible à cet objectif également.
C'est un objectif qui paraît ambitieux sur le papier. Plusieurs éléments, malgré tout, suscitent notre inquiétude. L'utilisation des crédits carbone, les différences de traitement entre secteurs et l'inclusion de technologies d'élimination de carbone qui sont encore immatures, qui sont coûteuses en ressources financières et coûteuses en ressources naturelles.
La position officielle de votre gouvernement est d'approuver cette décision, qu'on ne juge pas assez ambitieuse au vu de l'urgence climatique et du coût de l'inaction. On rappelait encore, la semaine dernière, le rapport sur la Cour des comptes en France sur la transition écologique: le coût de la transition est estimé à 1,2 points de PIB contre 15 points pour l'inaction. Donc cette inaction climatique coûte plus cher que d'agir contre le dérèglement climatique. Pendant ce temps, on voit que l'Union européenne tergiverse également et on a reporté notre prise de position concernant cet objectif 2040, pourtant si stratégique.
Dans ce contexte, pourriez-vous nous expliquer quelles mesures vous allez prendre au niveau européen pour défendre le maintien d'un objectif ambitieux – on connaît votre capacité à convaincre les collègues – pour que l'Union européenne reste à la pointe du combat climatique à l'échelle mondiale et puisse continuer à être à la pointe de sa position de leader environnemental? Quel niveau d'ambition allez-vous défendre pour l'objectif intermédiaire de l'Union européenne pour 2035 qui sera défendu à la COP30? Avez-vous pris connaissance de ce rapport de la Cour des comptes en France que j'évoquais en début de question? Si oui, quels enseignements en tirez-vous? Comment le gouvernement fédéral entend veiller à ce que les technologies émergentes d'élimination du carbone soient intégrées de manière réaliste et complémentaire plutôt que de servir d'alibi pour reporter l'action climatique immédiate et dévier les capitaux?
Merci pour vos réponses.
Jean-Luc Crucke:
Chers collègues, je manquerais à toutes mes obligations en ne commençant pas par féliciter Mme Meunier pour l'heureux événement qu'elle attend. Je l'ai appris par la presse et je pense pouvoir le faire publiquement. Je me réjouis pour elle et sa famille.
Pendant le Conseil informel "Environnement", le 10 et 11 juillet, les États membres sont intervenus sur la proposition d'amendement de la loi européenne sur le climat, pour la première fois au niveau ministériel. Pendant le COREPER du 16 juillet, les États ont continué les discussions et pendant le COREPER du 12 septembre, la présidence danoise a constaté qu'il n'y avait pas suffisamment de soutien parmi les États membres pour adopter une approche générale sur la loi européenne climat, lors du Conseil "Environnement" du 18 septembre. J'étais présent avec ma collègue Neven, et il était évident que nous n'arriverions pas à dégager une majorité avant de décider de modifier l'ordre du jour et d'organiser un débat d'orientation sur la loi européenne sur le climat lors du Conseil "Environnement" afin que le Conseil puisse s'exprimer sur l'objectif 2040 fin octobre.
Het debat over de 2040-doelstelling tijdens de Milieuraad van 18 september was zonder meer constructief en geeft mij de hoop dat we goed op weg zijn naar een oplossing en een mogelijke landing in dit dossier. De focus van het debat lag ook nu weer in grote mate op de faciliterende voorwaarden die nodig zullen zijn om ervoor te zorgen dat competitiviteit, koopkracht en decarbonisatie hand in hand kunnen gaan. Dit zal de staatshoofden en regeringsleiders toelaten een constructief debat te voeren over de randvoorwaarden en factoren die zij relevant achten tijdens de Europese Raad in oktober. De uiteindelijke stemming zal moeten plaatsvinden tijdens de Milieuraad, na de Europese Raad.
Le Conseil a approuvé une déclaration d'intention, comme précisé, en vue de la présentation par l'Union européenne d'une contribution déterminée au niveau national (CDN) de l'Union européenne et de ses États membres à la Convention-cadre des Nations Unies sur les changements climatiques.
La déclaration, qui n'est pas la CDN de l'Union européenne, indique l'intention de l'Union européenne de soumettre sa CDN post-2030, avant la COP30, conformément aux obligations de l'Accord de Paris.
De definitieve NDC zal worden aangenomen zodra er een beslissing genomen is over de Europese doelstelling voor 2040. De Europese Unie moet een beslissing nemen over haar NDC voor de COP30.
En ce qui concerne la question de la délégation belge à la COP30, je peux vous informer qu'avec mes collègues flamands, wallons et bruxellois, nous nous sommes accordés pour réduire la délégation belge de 39% par rapport à la COP29 de l'an dernier, pour des raisons budgétaires et climatiques. Une décision quant à la délégation elle-même sera prise dans les prochaines semaines.
Wat het Belgische standpunt betreft, u weet dat dat steeds wordt bepaald tijdens een DGE-vergadering, waarin zowel de federale regering als de gewesten vertegenwoordigd zijn. Het Belgische standpunt is dus steeds het resultaat van een consensus, aangezien België met één stem spreekt tijdens de Europese vergadering.
Au cours des discussions européennes de juillet et septembre, la Belgique a constamment réaffirmé son engagement pour la neutralité climatique d'ici 2050. Cependant, elle n'accordera son soutien à un objectif intermédiaire de réduction de 90 % des émissions de gaz à effet de serre qu'à la condition que des garanties claires et crédibles soient mises en place.
Concrètement, la Belgique défend trois axes essentiels et a défendu ces trois axes lors du Conseil du 18 septembre. Le premier est la protection du pouvoir d'achat, de l'emploi et de la compétitivité. La transition doit rester juste et inclusive. Elle doit garantir une énergie abordable, bas carbone et compétitive, préserver l'avenir de notre agriculture et créer un environnement porteur pour nos entreprises et nos travailleurs.
Deuxièmement, nous voulons un cadre post-2030 équitable et efficace. Nous plaidons pour une architecture climatique fondée sur le principe du coût/efficacité et la neutralité technologique, tout en assurant un véritable level playing field entre États membres.
Les critères de solidarité et de coût/efficacité doivent être appliqués à parts égales afin de garantir l'équité et l'efficacité du futur cadre.
Troisièmement, nous souhaitons un plan d'accompagnement solide et prospectif. La Belgique insiste sur la nécessité d'un plan européen crédible de transition et d'investissements, en particulier pour les industries énergivores comme la chimie, le ciment et l'acier. Sans des dispositifs d'accompagnement à la hauteur des efforts demandés, l'Europe ne parviendra pas à susciter l'adhésion indispensable de ses citoyens et de ses entrepreneurs. Une flexibilité budgétaire accrue doit aussi être prévue pour les États membres respectueux de leurs objectifs.
Concernant la flexibilité liée aux crédits internationaux, l'objectif de 2040 doit avant tout porter sur les réductions d'émissions au sein de l'Union, mais cela n'exclut pas, selon moi, une certaine flexibilité limitée, sans répéter des erreurs qui ont parfois pu être commises par le passé. La flexibilité doit être comprise comme un instrument complémentaire qui stimule l'action climatique dans des pays tiers, renforce la coopération au développement et contribue à des relations durables win-win avec nos partenaires, notamment en Afrique. Je veillerai à ce que les crédits internationaux soient additionnels, de haute qualité et à ce qu'ils préservent l'intégrité environnementale tout en contribuant à la transition climatique.
Ma position est que nous devrions utiliser uniquement des crédits certifiés sous l'article 6.4 afin de garantir la qualité et l'ambition de notre action internationale. Pour avoir eu l'occasion de me rendre à la COP africaine, et notamment d'y défendre notre objectif ABC Africa Belgium Climate, je peux dire qu'il y a de réelles demandes de pays africains en la matière pour ce que j'appellerais un partenariat équitable, juste, pas seulement pour des partenariats où l'on profite des avantages que connaît l'Afrique en la matière, mais bien des collaborations qui permettent également des investissements durables, y compris en termes d'emplois, sur le sol africain. C'est en empruntant cette direction que je pense qu'un pays comme la Belgique sera la mieux placée pour à la fois être crédible mais aussi atteindre des objectifs climatiques qui ne sont pas seulement des objectifs européens mais qui sont, comme vous le savez, mondiaux.
L'Europe, 6 % d'émissions de CO2, l'Afrique 4 % d'émissions de CO2, cela fait 10 % ensemble. Si on parle le même langage, je pense qu'on sera bien plus forts et qu'on donnera des exemples qui seront parfaitement compris par d'autres continents.
Marie Meunier:
Merci monsieur le ministre pour vos explications.
J'entends ce que vous nous dites. C'est de nature à me rassurer, néanmoins j'espère que vous serez suivi. Nous serons attentifs, comme à chaque fois, à la suite et on espère vraiment sincèrement que vous puissiez mettre en œuvre tout cela et que vous receviez la capacité et le soutien nécessaires au sein des Régions.
Comme vous le dites: la Belgique ne parle que d'une seule voix. J'espère que vos différents partenaires de majorité vous soutiendront également dans votre démarche et que les différentes Régions pourront toutes aller dans le même sens. En tout cas, c'est mon souhait.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, verdergaand op wat mevrouw Meunier zei, de N-VA maakt deel uit van de regering en ging op 21 juli akkoord met het 90 %-standpunt waarmee u en uw collega, uiteraard ook met toestemming van de Vlaamse regering, op 18 september naar de Europese Raad zijn getrokken. Ik neem daarvan akte.
De faciliterende voorwaarden worden een chefsache, zoals mevrouw Van der Straeten opmerkte. Ik ben benieuwd hoe de chefs, de regeringsleiders dus, daarover zelf zullen oordelen, want er wordt nogal wat druk uitgeoefend, bijvoorbeeld door Duitsland. De automobielindustrie is er maar één voorbeeld van hoe de hele industrie – dit komt straks aan bod – met de vergroening worstelt. Er moet financieel een mogelijkheid daartoe zijn, er moet daarvoor ruimte in de businessplannen worden gemaakt, er zijn de dure energieprijzen enzovoort. We zijn dus nog niet aan het einde van de rit voor de Europese NDC's.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour la précision de vos réponses.
Nous ne doutons pas de votre volonté d'aboutir ni de votre implication dans nos objectifs climatiques que vous souhaitez atteindre, tout comme nous. Nous suivrons avec beaucoup de passion et d'attention votre travail. Nous savons que vous voulez aller jusqu'au bout et que vos paroles ne sont pas vaines. Merci beaucoup.
Tinne Van der Straeten:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw duidelijke antwoord.
Laat ik beginnen met te zeggen dat ik niet twijfel aan uw goede intentie. Die wordt echter wel begrensd door de wil van de andere federale ministers om concreet beleid uit te werken, om nog maar te zwijgen van de gewestministers. Die bereidheid zie ik momenteel namelijk niet.
Ik heb uiteraard geen bezwaar tegen de lijst van randvoorwaarden. Een klimaatbeleid moet namelijk rekening houden met de competitiviteit van bedrijven en de koopkracht van gezinnen – dat is een evidentie –, maar een en ander blijft in de praktijk zonder effect. De randvoorwaarden vormen vaak louter windowdressing om in feite niets te doen. Een concreet voorbeeld daarvan is de energienorm, die oorspronkelijk voor het einde van het jaar geïmplementeerd zou worden. Volgens mij zit dat dossier in het slop.
Ligt dat aan u? Nee, uw intentie is goed. U geeft aan dat u als minister van Klimaat wilt dat andere ministers beleid ontwikkelen dat rekening houdt met competitiviteit. De minister van Energie, die het moet uitvoeren, gooit er echter met de pet naar. In die zin worden de randvoorwaarden louter windowdressing en wordt er in feite niets gerealiseerd.
Trouwens, wat de grootte van de delegatie betreft, de intentie om de delegatie te beperken, is op zich juist – minder CO 2 -uitstoot en minder impact op de begroting –, maar dan moet er wel rekening mee gehouden worden welke kosten van de delegatie door de federale begroting worden gedragen. Ngo's en bedrijven als Fluxys en Elia dragen hun eigen kosten. Die vallen niet onder de federale begroting, maar als u aangeeft dat u de delegatie beperkt om begrotingsredenen, dan wil ik weten of dat betekent dat u het aantal onderhandelaars of klimaatdiplomaten beperkt. Beperkt u het aantal ambtenaren die meegaan? Het zou bijzonder kwalijk zijn als onze competentste medewerkers, die internationaal en Europees gewaardeerd worden, niet meer kunnen deelnemen aan een van de belangrijkste multilaterale klimaatonderhandelingen, uitsluitend omwille van snel ideologisch gewin.
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
Ce qui me frappe aujourd'hui, et que je constate aussi au niveau européen, c'est que l'urgence climatique semble avoir été reléguée au second plan. En 2019, nous étions des millions de jeunes à manifester dans la rue pour réclamer des mesures fortes et, aujourd'hui, j'ai l'impression que c'est plutôt la protection de la compétitivité qui domine les débats européens.
Alors, les faits sont là! Une étude a démontré qu'en 2025, l'été a coûté 43 milliards à l'économie européenne en vagues de chaleur, en sécheresses, en inondations. Selon les chercheurs, cette facture pourrait grimper à 120 milliards en 2029. Elle est là la menace pour notre économie et pour le pouvoir d'achat des citoyens. Chaque euro non investi aujourd'hui dans la transition, engendrera une dépense doublée, voire triplée demain en réparation.
On connaît vos intentions, et elles sont louables. Mais le gouvernement ne parle pas de la même voix. Et quand j'entends votre collègue David Clarinval du MR appeler à mettre l'écologie en pause, cela revient, en fait, à condamner nos entreprises à rester à la traîne. Plutôt que d'opposer sans cesse la compétitivité et le climat, n'est-il pas temps d'assumer que la meilleure garantie pour le pouvoir d'achat des familles dont vous parlez, comme pour la survie de notre industrie, c'est précisément une économie sobre en énergie et résiliente face aux chocs climatiques?
De l'argent, le nerf de la guerre, il y en a. Votre gouvernement a trouvé des milliards pour faire la guerre, mais rien pour le climat! Pour la militarisation, que ce soit en Europe ou en Belgique, tout va vite et on est dans une logique de surenchère. Pour le climat, je le regrette, c'est tout l'inverse, ça traîne, et on ne compte que des centimes.
Rajae Maouane:
Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je prends bonne note de votre engagement et de l'engagement de la Belgique au niveau européen, même si on voit que les ambitions sont à la baisse. Comme l'ont souligné les collègues, ce n'est pas tant votre intention ou votre ambition qui est ici questionnée, c'est celle de votre gouvernement. Nous vous évaluerons non pas seulement en fonction de vos déclarations – qui ont tendance à nous rassurer – mais surtout des actions concrètes et mesurables qui seront prises. On le sait, l'urgence climatique impose que chaque mécanisme, qu'il s'agisse de crédits carbone ou de technologies d'élimination du carbone, serve réellement la réduction des émissions immédiates et puisse aussi accompagner les gens dans le changement de paradigme que nous impose le dérèglement climatique. On a trop tendance à présenter les politiques climatiques comme des freins ou des contraintes, alors qu'elles sont en réalité également un levier extrêmement intéressant de croissance et d'innovation pour l'économie européenne. Ce que nous voulons vraiment, c'est un accompagnement au niveau social, afin que les ménages et les familles puissent elles aussi bénéficier de ces mécanismes pour faire face aux effets du dérèglement climatique, mais également que les politiques climatiques soient de vraies alliées de la politique économique car l'un et l'autre ne sont pas du tout incompatibles.
Het klimaatscepticisme
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Belgische regering bevestigt haar onverkorte steun voor het Green Deal-beleid en de EU-klimaatdoelen (90% CO₂-reductie tegen 2040), ondanks interne verdeeldheid: minister Clarinval (climatosceptisch) pleit voor een "pause" in klimaatnormen om de industrie te redden, maar minister Crucke wijst dit af als economisch en ecologisch desastreus, gestaafd door cijfers over dodelijke hittestress (154 doden in BE) en miljardenverliezen (43 mld in 2023, 126 mld risico in 2030). Meunier (oppositie) vreest dat Crucke geïsoleerd raakt binnen de coalitie, waar partijen zoals N-VA klimaat ondergeschikt maken aan economie, en dringt aan op daadkrachtige leiderschap om de transitie prioritair en onomkeerbaar te houden.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, durant l'été, le ministre de l' É conomie et de l'Agriculture a indiqué que nous sommes allés trop loin, trop vite avec le Green Deal et que, pour sauver l'industrie, il était temps de mettre en pause certaines normes climatiques.
Cette position est-elle partagée par le gouvernement? Dans une interview que vous avez accordée à la Libre Belgique le 26 août 2025, vous avez déclaré, je vous cite: "David Clarinval est climatosceptique, c'est son droit, mais je le regrette". On définit généralement le climatosceptique comme une personne qui nie ou minimise l'origine anthropique du réchauffement climatique, voire le réchauffement lui-même.
Je n'ai donc qu'une question, monsieur le ministre. Ce gouvernement peut-il être crédible en matière d'enjeux climatiques s'il existe en son sein des ministres climatosceptiques?
Je vous remercie pour votre réponse.
Jean-Luc Crucke:
Merci madame la députée.
Chers collègues, comme vous l'avez vu, il m'arrive aussi durant l'été de me défouler pour ne pas laisser ça aux seuls présidents de parti. Merci pour votre question.
La décarbonation en Belgique et dans le monde est essentielle, non seulement pour lutter contre le changement climatique, mais aussi pour garantir à long terme la compétitivité de notre économie, la sécurité énergétique et la santé de nos citoyens.
Les chiffres parlent d'eux-mêmes, et c'est peut-être ça le plus important. Une récente étude de l'Imperial College of London nous rappelait encore il y a quelques jours que cet été, le dérèglement climatique a coûté la vie à plus de 16 500 personnes dans les villes européennes, dont 154 en Belgique – à Bruxelles, Anvers, Gand, Charleroi et Liège.
La Banque centrale européenne nous alerte également. Les inondations, les vagues de chaleur et la sécheresse cet été ont représenté 43 milliards d'euros de pertes pour notre économie. Et si nous ne changions rien, cette facture pourrait grimper à 126 milliards d'euros d'ici 2030. Cela équivaut à un quart de pourcent de la richesse totale produite par l'Union européenne.
Nier aujourd'hui la réalité du changement climatique, c'est refuser de voir que ce sont nos vies, notre santé, notre environnement et notre économie qui sont directement menacés.
Nous n'avons plus le luxe de l'inaction, il en va d'un avenir collectif. Le gouvernement reste à 100 % engagé à mettre en œuvre les objectifs climatiques européens et nationaux dans le cadre du Green Deal et de nos propres plans de transition. C'est prévu textuellement dans l'accord de gouvernement et je m'assurerai que cela continue à être le cas en pratique.
Dans le cadre de la politique climatique post-2030, le gouvernement participe de manière constructive, en concertation avec les Régions, au débat européen sur l'objectif 2040. Comme vous le savez, dans le cadre de l'accord d'été, tous les partis de la majorité ont convenu que le gouvernement serait favorable à l'objectif proposé de réduire les émissions de gaz à effet de serre de 90 % d'ici 2040 par rapport à 1990, sous réserve d'un certain nombre de conditions concernant notamment la viabilité de notre industrie, la flexibilité budgétaire et le pouvoir d'achat, en vue de soumettre une contribution nationale déterminée avant la COP2030.
Il existe certes des sensibilités différentes qui s'expriment au sein de l'Arizona – comme au sein de l'opposition d'ailleurs – quant au rythme et aux modalités de cette transition. C'est le propre des démocraties. Je ne partage pas la ligne de mon collègue Clarinval sur une éventuelle pause climatique et je la déplore. Une telle pause est non seulement dangereuse pour l'avenir de notre société, mais aussi néfaste pour la compétitivité, pour notre capacité à attirer des entreprises et l'attractivité de notre pays en ce qui concerne les opportunités d'emploi liées à la transition bas carbone.
Je peux d'ailleurs dire que ce n'est pas Jean-Luc Crucke qui vous parle, ce sont de nombreuses entreprises que je rencontre moi aussi tous les jours. Mon objectif reste donc très clair: assurer une transition juste et efficace qui protège à la fois l'environnement, les citoyens et l'économie. Je crois que les trois doivent travailler ensemble et ne pas s'opposer.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, me voilà à moitié rassurée de votre position et de votre analyse que nous connaissions déjà. Nous avons déjà eu l'occasion d'échanger de nombreuses fois sur le sujet au sein de cette commission et vous savez que notre soutien sur ces questions vous est acquis. Par contre, là où je m'inquiète, c'est que M. Clarinval a son avis et que d'autres partenaires de votre majorité ne placent pas le climat comme une priorité des priorités au sein de ce gouvernement. Un collègue parlait tout à l'heure de la N-VA qui n'est pas vraiment sur la même longueur d'onde et donc, ce qui m'inquiète, c'est qu'à un moment donné, vous soyez un peu seul au sein du gouvernement à défendre la question climatique, qui reste une question et un enjeu primordial pour l'avenir de notre planète et des citoyens qui sont dessus. Vous vous imaginez aisément mon état d'esprit quand j'ai vu les déclarations de M. Clarinval cet été, et comment j'ai été à moitié rassurée, heureusement, par les vôtres. Aujourd'hui, vos déclarations me confortent dans cette réassurance, mais je ne peux m'empêcher d'être inquiète sur le fond de la pensée de vos partenaires de majorité sur le sujet. J'espère donc sincèrement que vous mobiliserez tout votre aplomb et toutes vos convictions pour faire de ce sujet un enjeu primordial, car c'est la place qu'il doit avoir au sein du gouvernement.
Het Federaal Energie- en Klimaatplan
De indiening van een geïntegreerd Nationaal Energie- en Klimaatplan bij de Europese Commissie
Het FEKP en de impact ervan op de reductie van de broeikasgasuitstoot
Het Nationaal Energie- en Klimaatplan
Het Federaal Energie- en Klimaatplan en de impact ervan op de vermindering van broeikasgassen
Nationale en federale energie- en klimaatplannen voor broeikasgasreductie
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De federale bijdrage aan het Belgisch Klimaat- en Energieplan (PFEC 2025) wordt zwaar bekritiseerd omdat ambities drastisch zijn afgebouwd: doelstellingen voor hernieuwbare energie (o.a. wind op zee teruggebracht van 3,5 GW naar 2,2 GW), klimaatneutrale gebouwen (uitstel van 2040 naar 2050), en sociale maatregelen (precariteit, vorming) zijn verwaterd of geschrapt, terwijl concrete CO₂-reductiecijfers ontbreken. Minister Crucke verdedigt het plan als een "basis voor verdere uitbouw", wijzend op interfederale afstemmingsproblemen en het ontbreken van een eenduidige methodologie om federale impact te meten, maar erkent dat België de EU-doelen voor hernieuwbare energie (33% vs. verwachte 20,4%) niet zal halen. Kritiek van oppositie en experten (o.a. Canopea, Planbureau) noemt het plan "leeg, onvoldoende ambitieus" en vraagt hoe België zijn internationale klimaatverplichtingen (47% reductie in 2030, neutraliteit in 2050) kan nakomen zonder bindende maatregelen of budgettaire toezeggingen. Het definitieve geïntegreerde nationale plan (PNEC) moet eind september 2024 bij de EU ingediend worden, maar blijft afhankelijk van gewestelijke plannen (Vlaanderen en Wallonië herzien nog) en onopgeloste financiële verdeling van emissiekosten.
Marie Meunier:
La contribution fédérale au Plan Énergie Climat a, enfin, été approuvée par le gouvernement. C'est en soi une bonne nouvelle car nous étions en retard. Qu'en est-il du contenu? Si on compare la version Arizona du 21 juillet 2025 et la version du 17 mai 2024 sous la Vivaldi, on voit que la structure du texte est identique. Un grand nombre de développements et de mesures sont aussi repris tels quels. Par contre, le nouveau document compte 90 pages – soit un tiers de moins que le précédent. Beaucoup de mesures sont retirées: que ce soit en matière d'énergies renouvelables, de lutte contre la précarité énergétique, d'ambition pour le rail ou pour les bâtiments de la Régie. Monsieur le ministre, je ne vais pas vous mentir, j'ai énormément de questions.
Pourquoi le PFEC 2025 de l'Arizona ne parle-t-il plus des objectifs en termes d'énergie renouvelable éolienne en Mer du Nord – les 3,15 à 3,5 GW à développer d'ici 2030?
Pourquoi avoir supprimé, en matière de recherche et développement, l'objectif de 10 % de budget affecté au climat et à l'énergie?
Pourquoi la lutte contre la précarité énergétique, qui était une priorité absolue dans l'ancien document, semble-t-elle aujourd'hui remise en cause?
Pourquoi avoir supprimé, sur le plan du marché du travail, le lien entre droit à la formation des travailleurs et climat?
Pourquoi les objectifs chiffrés en matière de fret – doubler le transport ferroviaire de marchandise d'ici 2030 – ont-ils disparu du document?
Pourquoi les objectifs pour le transport de passagers en train sont-ils revus à la baisse?
Pourquoi votre gouvernement repousse-t-il de 10 ans – on passe de 2050 au lieu de 2040 – les objectifs de neutralité carbone des bâtiments fédéraux et le verdissement de la flotte de véhicules?
On a lu diverses réactions dans la presse – notamment celle de Canopea qui estime que "les ambitions climatiques sont tuées dans l'œuf". Le Pr Marek Hudon regrette aussi "une série de bullet points sans cadre global" et "des objectifs sans instrument pour les atteindre". Quelles sont vos réponses face à ces critiques?
Pourquoi l'État fédéral ne s'engage-t-il pas à un objectif chiffré pour 2030?
Pourquoi le document a-t-il été moins un travail de rédaction qu'un travail d'amputation, étant donné le résultat?
Enfin, pouvez-vous expliquer comment ce PFEC amoindri va permettre à la Belgique de rencontrer ses engagements internationaux pour 2030 et rendre notre pays climatiquement neutre d'ici 2050 avec tous ces points qui ont été retirés?
Je vous remercie pour vos différentes réponses.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, op 21 juli heeft de federale regering haar definitieve bijdrage aan het NEKP goedgekeurd. Deze federale bijdrage zou in de loop van de voorbije zomer worden samengesteld met de bijdragen van de gefedereerde entiteiten om een geïntegreerd nationaal plan 2030 op te stellen, dat dan eind september – binnenkort dus – aan de Europese Commissie zou moeten worden voorgelegd. U hebt daarover op 15 juli in de Kamer geantwoord: "Momenteel werken we aan een intra-Belgisch akkoord over de verdeling van de kosten voor de betaling van de emissierechten. Zoals hierboven uiteengezet, overleggen we met Vlaanderen over de federale maatregelen. We hebben daarentegen geen officieel zicht op de manier waarop Vlaanderen zijn doelstellingen al dan niet zal behalen. Bijgevolg zullen we pas een oordeel kunnen vellen wanneer we over de nationale projectie beschikken, namelijk in september." Dat is dus deze maand.
Wordt er nu, minister Crucke, een geïntegreerd Belgisch plan ingediend bij de Europese Commissie, of zullen opnieuw afzonderlijke klimaat- en energieplannen van elke entiteit worden ingediend, samen met een koepeltekst waarin België meldt dat de maatregelen voor de resterende emissieruimte later zullen worden bepaald, zonder dat die nu al aan een van de entiteiten worden toegewezen? Is er, daaraan gekoppeld, een intra-Belgisch akkoord over de verdeling van de kosten voor de mogelijke betaling van emissierechten? Als ik hoor dat u over de 90 %-doelstelling zonder problemen een akkoord bereikt, dan zal dat daarvoor ook wel het geval zijn, vermoed ik. Of ben ik nu een beetje stout?
Tinne Van der Straeten:
Mijnheer de minister, ik had ook een vraag over het Federaal Energie- en Klimaatplan dat deze zomer op 21 juli door de regering aangenomen werd.
We hebben dat gelezen. De collega heeft dat ook zeer aandachtig gelezen. Er is heel veel tekst geproduceerd, maar wat betekent dat nu concreet als men het uitdrukt in de vermindering van broeikasgassen? Dat heb ik niet gezien. Dat heb ik gemist. Met andere woorden, wat is de doorrekening in de tekst van het Federaal Energie- en Klimaatplan, wat de reductie betreft? En wat is de bijdrage van het federale aandeel aan de -47 %-doelstelling die voor België geldt? De federale overheid neemt natuurlijk maatregelen die meetellen voor de doelstellingen van de gewesten. Daarom vraag ik naar het geheel van de federale maatregelen die genomen worden. Wat is de impact daarvan op de vermindering van de broeikasgassen voor het federale beleid als geheel, ongeacht in welke doelstelling ze uiteindelijk intra-Belgisch verrekend worden?
Als u naar de volledige catalogus kijkt, welke maatregel heeft de meeste impact wat betreft CO ₂ -reductie en wat is de implementatietermijn daarvan? Voor de vivaldiregering was dat heel duidelijk, de elektrificatie van de bedrijfswagens was de maatregel met de meeste impact. Ik ben dus benieuwd welke maatregel in dit plan, in deze herziening, de grootste bijdrage levert aan de vermindering van de CO ₂ -uitstoot.
Wat mij verder is opgevallen – collega Meunier heeft dat ook aangehaald – is dat de doelstelling voor wind op zee eigenlijk verminderd is. Er is enkel nog sprake van 2,2 gigawatt die gerealiseerd zal worden. Gisteren nog maar, of eergisteren, is er een studie verschenen, deze keer van het Planbureau, die opnieuw aangeeft dat er weliswaar verschillende scenario’s zijn, maar dat een scenario met 8 gigawatt windenergie wel degelijk tot de goedkoopste kan behoren. Ik vraag me dan ook af of het Federale Klimaatplan, dat twee maanden geleden aangenomen werd, ondertussen niet gedateerd is. Heel het klimaatbeleid is immers gestoeld op het realiseren van de doelstellingen tegen zo laag mogelijke kosten. Ik begrijp wel waarom er nu voor 2,2 gigawatt is gekozen, namelijk wegens het energie-eiland dat op dít moment te duur is om te realiseren, maar dat sluit niet uit dat het op een later moment wel mogelijk wordt. Waarom wordt de piste van 8 gigawatt nu al volledig verlaten in plaats van te bekijken hoe kan worden gewerkt aan de modaliteiten van het energie-eiland?
Mijn vraag is dan ook welke gevolgen u zult verbinden aan de studie van het Planbureau en welke bijsturing u zult vragen aan de minister van Energie.
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, avec l'accord de gouvernement, la contribution fédérale au Plan national É nergie-Climat (PNEC) a été validée. Certains parlent d'un plan raboté, qui a été mal reçu par le terrain. Je pense à l'association Canopea, qui s'est montrée très critique envers celui-ci, parlant d'un plan "au goût amer" et dénonce le fait qu'il nous éloigne davantage encore de l'ambition de placer la Belgique sur une trajectoire de décarbonation. D'autres voix parlent, de leur côté, d'un plan composé de " bullet points ", et j'en passe.
La Belgique aurait dû présenter ce plan dès le 30 juin 2024. Pour qu'un plan national puisse être soumis, chaque Région ainsi que le fédéral doivent d'abord approuver leur propre plan. Le 10 juillet, la Flandre a adopté un premier projet de note, mais doit encore valider son plan définitif. Quant à la Wallonie, elle disposait déjà d'un plan qui avait été approuvé, mais le nouveau gouvernement wallon a annoncé qu'il allait le réviser.
Monsieur le ministre, que répondez-vous aux critiques visant le manque d'ambition de la part fédérale du Plan national É nergie-Climat? Où en est la validation du PNEC et quand sera-t-il approuvé? Enfin, quel sera l'objectif fixé pour la Belgique?
Jean-Luc Crucke:
Chers collègues, la mise à jour du Plan fédéral a fait l'objet de discussions intensives entre les partenaires gouvernementaux afin de refléter au mieux l'accord de gouvernement et de trouver des équilibres entre l'atteinte des objectifs énergétiques et climatiques, la protection de la compétitivité des entreprises et le soutien des ménages et des PME. Ce plan constitue la première brique de la politique climatique de ce gouvernement. Il n'est pas le point final de notre action climatique, mais constitue une base solide sur laquelle il faudra en effet continuer de construire afin de nous assurer que nos objectifs soient respectés.
En plus des discussions politiques, un exercice a par ailleurs été mené afin de raccourcir le texte initial qui contenait, me semble-t-il, beaucoup de répétitions et de facilités. Même si nous reconnaissons que le travail est loin d'être parfait, il mérite que nous nous y penchions différemment pour les prochaines révisions.
En ce qui concerne les aspects spécifiques que Mme Meunier a mentionnés, j'y répondrai point par point.
S'agissant des objectifs en termes d'énergie renouvelable éolienne en mer du Nord, le PNEC est en ligne avec l'accord de gouvernement. Il a été décidé que le développement sera continué dans un premier temps avec une capacité de 2,1 gigawatts répartie sur deux parcelles, compte tenu des limitations de capacité en courant alternatif.
Le gouvernement fédéral a décidé de reporter la première adjudication de concession de 700 mégawatts, l'objectif du précédent gouvernement ne pouvant être entériné sans une analyse technico-économique poussée. À ce stade, le gouvernement avance les chiffres pour lesquels il a la certitude de pouvoir les atteindre. Pour le reste, je dois vous conseiller de vous adresser au ministre compétent, mon collègue Mathieu Bihet.
L'objectif d'allouer 10 % du budget en matière de recherche et de développement à des projets liés au climat et à l'énergie n'a pas été supprimé dans le PFEC. Il a été assoupli. Il s'agit maintenant de tendre vers 10 % au niveau national. Par contre, cet objectif n'est pas retenu pour l'instant par les Régions dans le cadre du texte coupole. Il se limite à la Belgique dans son ensemble avec ses trois Régions. Le gouvernement fédéral et les entreprises veulent s'assurer que les ressources consacrées à la recherche et au développement s'élèvent à 3 % du produit intérieur brut.
La lutte contre la précarité énergétique n'est pas remise en cause et fait l'objet de plusieurs sections du PFEC. Le texte a seulement été allégé pour des raisons de lisibilité et d'efficacité. Les mesures principales incluses dans le plan fédéral concernent la précarité énergétique et sont les suivantes: étoffer le monitoring des prix sur tous les vecteurs énergétiques au regard des impacts sur la compétitivité et sur le budget des ménages; envisager une réforme budgétairement neutre du tarif social de l'énergie et des interventions du Fonds Social Chauffage vers une intervention forfaitaire plus transparente basée sur les revenus et le patrimoine et neutre sur le plan technologique; et étudier une série de mesures pour assurer une facture d'énergie transparente.
Ensuite, la formation des travailleurs est une condition importante pour la transition climatique. Il est en effet crucial de s'assurer que chaque travailleur puisse faire évoluer ses compétences et ses connaissances afin de s'adapter aux évolutions en cours et à venir. Le plan fédéral reconnaît ce besoin et le gouvernement maintient le droit individuel à la formation, tout en le complétant par une plus grande flexibilité et une collectivisation partielle.
L'objectif en matière de fret, c'est-à-dire l'objectif de doublement du volume de transport de marchandises par voie ferroviaire d'ici 2030, n'a pas été supprimé. Le gouvernement a par ailleurs réaffirmé sa volonté de mener à bien les projets envisagés dans les programmes d'investissement pluriannuels et d'y consacrer les moyens nécessaires.
En ce qui concerne les objectifs de transport de passagers en train, le transfert modal des passagers est un vrai défi. Les statistiques disponibles ne montrent pas, actuellement, de transfert modal de la voiture vers le train. Les objectifs proposés pour le transport de passagers en train restent donc ambitieux: une augmentation de 30 % des voyageurs, une ponctualité supérieure à 90 %, 50 % de nouveaux trains, et une réduction de 30 % du nombre de trains supprimés. Ces mesures permettront de renforcer la confiance du public dans le train comme véritable solution alternative à la voiture.
Concernant les objectifs de neutralité carbone des bâtiments fédéraux et le verdissement de la flotte de véhicules, les gestionnaires des bâtiments fédéraux ont, à plusieurs reprises, indiqué que l’objectif 2040 était très difficile à atteindre sans que des budgets significatifs y soient consacrés. Le gouvernement a donc décidé de ne plus garder cet objectif, en vue des autres priorités.
Voor de federale overheid een concreet cijfermatig doel tegen 2030 vastleggen, is geen eenvoudige opdracht. Er bestaat namelijk geen duidelijk afgebakend kader dat bepaalt welke uitstoot precies aan de federale overheid moet worden toegeschreven. Elke federale maatregel heeft invloed op de uitstoot van de gewesten en die maatregelen werken bovendien samen of lopen door elkaar met de initiatieven van de gewesten, zoals collega Van der Straeten daarnet heeft gezegd. Daardoor is het moeilijk om exact vast te stellen welke maatregel welk effect heeft. Dat vraagt ook heel wat methodologische veronderstellingen waarover discussie mogelijk blijft. Daarom is het belangrijk om de capaciteit voor evaluatie en opvolging te versterken. We zullen dan beter kunnen meten wat het effect is van het huidige en het geplande beleid.
We hebben wel de bijdrage van onze federale maatregelen in kaart gebracht om onze prioriteiten te bepalen, maar exacte cijfers kunnen we niet geven, door de vele onzekerheden. De impact moet systematisch worden bekeken. Bovendien hebben de gewesten onze maatregelen meegenomen in hun eigen vooruitzichten.
J’ai bien pris connaissance des critiques à l’égard du plan fédéral, et je comprends les préoccupations autour de ce sujet important. Comme précisé au début de ma réponse, les discussions ont été intenses à ce sujet. Ma priorité était de parvenir à un plan approuvé qui pourrait servir de base à un PNEC, et pas seulement à une prise d’acte par le Conseil des ministres comme dans le passé. Ce plan n’est pas un point final, mais une pierre angulaire sur laquelle nous pourrons continuer à construire une société climatiquement neutre d’ici 2050. Un plan approuvé, plutôt qu’une simple prise d’acte comme ce fut le cas par le passé, nous permet d’avancer collectivement vers la mise en œuvre des mesures. Le plan sera validé fin de cette semaine par les quatre gouvernements, pour être remis à la Commission européenne, comme prévu, lundi ou mardi prochain.
En matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre, nous atteignons l’objectif contraignant imposé à la Belgique, à savoir une réduction de 47 % cumulés sur la période 2021-2030.
Op het vlak van hernieuwbare energie halen we momenteel het Europese doel niet. Van ons totaal finaal energieverbruik moet 33 % uit hernieuwbare bronnen komen, terwijl we waarschijnlijk op ongeveer 20,4 % zullen uitkomen. De federale bijdrage betreft vooral biobrandstoffen en offshore windenergie. Voor biobrandstoffen heeft de minister van Energie het proces voor de omzetting van de Europese RED III-richtlijn opgestart. Daarover volgt later meer. Voor de offshore energie verwijs ik u naar de minister van Energie.
Op dit moment is het moeilijk om precieze cijfers te geven, omdat we nog geen duidelijk zicht hebben op de technische en economische haalbaarheid. Ik zal mijn partners blijven overtuigen om de federale doelstellingen in de internationale energie- en klimaatplannen aan te scherpen, zodat die beter aansluiten bij wat van ons verwacht wordt. Voor concrete antwoorden verzoek ik u de minister van Energie rechtstreeks aan te spreken, aangezien hij daarover meer details kan geven.
Enfin, je souligne l'importance de mettre en place à l'avenir un processus de travail plus efficace, basé sur une vision interfédérale belge, aujourd'hui totalement inexistante, de la transition climatique. Je plaide pour une réduction des formalités administratives et de meilleurs outils de modélisation nationaux. Je souhaite entamer des discussions à ce sujet avec les Régions, dans le cadre plus large de la gestion du climat et du développement durable. Je proposerai une nouvelle méthode de travail en vue du PNEC 2031-2040.
Marie Meunier:
Merci, monsieur le ministre.
Sans surprise, de toutes vos réponses aujourd'hui, c'est celle qui me convient le moins. Je me rends compte ici qu'énormément de choses ont été évacuées. J'ai pris note au fur et à mesure. Je pense notamment au fait de repousser de dix ans l'objectif de neutralité, qui est dû à d'autres priorités. Mais on voit également que de nombreuses autres priorités ont été sucrées.
La question légitime à se poser aujourd'hui est la suivante: comment voulez-vous atteindre les objectifs avec moins de mesures pour y arriver? Pour moi, cette démarche est à tout le moins audacieuse. Nous regrettons effectivement l'élagage de l'ensemble du plan. Nous suivrons l'efficacité de sa mise en œuvre. En effet, si j'entends bien, certaines choses ont été retirées pour permettre d'être plus efficaces sur d'autres. Nous demandons à voir.
Nous verrons pour la suite, mais ce n'est pas une réponse qui nous convient, comme nous ne convient pas non plus le plan dans sa stratégie globale.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, ik heb toch enkele aspecten van mijn vraag in uw antwoord niet echt goed begrepen. U hebt op 15 juli in de Kamer gezegd dat pas na de integratie van het federale plan en de gewestelijke plannen zal blijken of België de bindende doelstelling haalt om de emissies met 47 % te verminderen. Is het nu een geïntegreerd plan of is het, zoals de vorige keer, een Vlaams en een federaal plan met een koepeltekst? Moet er dus een akkoord zijn over het tekort en over de emissierechten? Ik heb dat niet goed begrepen.
Tinne Van der Straeten:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord.
Ik vermeld drie elementen in mijn repliek.
Ten eerste, de interne boekhouding van België is inderdaad een moeilijk gegeven. Zoals u zelf zegt, u voert beleid. Onder welk onderdeel van de subdoelstelling valt dat dan? Hoe wordt dat opgeteld enzovoort? Ik denk dat we daar uiteindelijk ook abstractie van moeten maken, want die interne boekhouding neemt niet weg dat elk beleid, elke federale maatregel, waarvan de impact uiteindelijk ook zijn weg vindt naar de doelstelling, effect heeft of tenminste beoogt effect te hebben. Het feit dat we hier vandaag zeggen dat we geen concrete cijfers kunnen geven, is eigenlijk onaanvaardbaar.
Ten tweede, de arizonabegroting is in het Parlement ingediend met een volledige berekening van terugverdieneffecten, maar bestaat er een afdoende methode om die terugverdieneffecten te berekenen? Het Rekenhof had veel kritiek op de methode. Die methode is ook in vraag gesteld, waarna Arizona heeft verduidelijkt hoe een en ander werd berekend. Zo kon het Parlement inschatten of er al dan niet sprake was van een grote impact. Waarschijnlijk lag de waarheid in het midden.
Als men terugverdieneffecten kan berekenen, waarom kan men dan geen klimaateffecten berekenen? Zullen de berekeningen tot na de komma juist zijn? Waarschijnlijk niet, want elke methode heeft haar beperkingen, zoals u zelf hebt gezegd. Een methode kan echter wel ter discussie worden gesteld. De verkiezingsprogramma’s worden ingediend bij het Planbureau voor doorrekening en worden ook doorgerekend op klimaateffecten. Waarom kunnen federale maatregelen in een federaal deel van een federaal klimaatplan dan niet ad hoc worden beoordeeld op hun klimaateffect, op de CO ₂ -reductie die ze daadwerkelijk realiseren? Het feit dat hier wordt gezegd dat men zaken niet weet, dat het moeilijk zou zijn enzovoort, wil eigenlijk zeggen dat dat plan een 3 Suisses-catalogus is en dat niemand ook maar een idee heeft.
Ten derde, inzake energie is voor de minister van Energie dat point taken en aanvaard, maar vraiment, c’est du n’importe quoi . Dat de huidige regering op het allerlaatste moment heeft beslist het dossier over de 700 megawatt stop te zetten met als reden dat het nog technisch en economisch moest worden bekeken, is onzin. Dat dossier heeft de goedkeuring gekregen van de Europese Commissie voor staatssteun.
Is er ook maar één lid hier in de zaal dat gelooft dat de Europese Commissie goedkeuring verleent aan een dossier als dat technisch en economisch niet is onderzocht? Neen, in een staatssteunprocedure moet voortdurend informatie worden aangeleverd. Hoeveel gaat het kosten? Hoe hebt u dat gedaan? Wat zijn uw assumpties? Wat is de impact van die parameter in dat artikel en dat subonderdeel? Dat is een dossier voor de Europese Commissie.
U beweert dat omdat dat de motivatie van de minister van Energie was. Dat weet ik ook wel. De minister van Energie stelt echter dat het dossier technisch en economisch op niets trok. Zijn bedoeling is een beetje lachen met Van der Straeten, maar in werkelijkheid geeft hij daarmee aan dat de Europese Commissie er niets van kent. Dat is werkelijk du n’importe quoi .
Julien Ribaudo:
Si je vous ai bien compris, nous devrions assister à l'épisode final de la longue saga PNEC d'ici le 29 ou 30 septembre. Nous avons hâte de voir ça. Comme le terrain, nous émettons de gros doutes quant au fait que le raccourcissement du document ait été réalisé simplement à cause des répétitions. On constate que l'ambition est en-dessous de ce qu'il devrait y avoir. On ne manquera donc pas de revenir vers vous dans les prochaines semaines et les prochains mois afin de discuter concrètement des chiffres et du plan.
De oprichting van een Klimaat-Landbouwalliantie
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Klimaat-Landbouwalliantie – geïnspireerd op het Deense *"Groen Denemarken"*-model – moet landbouw en klimaatactie verzoenen door duurzame transitie (koolstofopslag, biodiversiteit, bio-economie) te koppelen aan economische kansen (bv. biosourced materialen) en inkomenszekerheid voor boeren, die kwetsbaar zijn voor klimaatimpact (jaarlijks €28 mjd EU-verlies door extremen). Het federale niveau (samen met Clarinval) wil coördineren met gewesten (bevoegd voor landbouw) en sectoren, maar staat nog in de verkenningsfase (eerste overleg met Waalse federatie, Denemarken gecontacteerd). Pragmatisme en drieledige aanpak (milieu, landbouw, economie) zijn kern, met nadruk op samenwerking om administratieve lasten en mondiale marktdruk te verzachten. Vlaanderen steunt de praktijkgerichte benadering, maar afwachten blijft hoe concreet dit wordt.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, ik was een beetje verrast toen u in Libramont op de Foire Agricole, de bekende landbouwbeurs, aankondigde dat uw federale collega die hier eerder aan bod kwam en net niet omschreven werd als een Trumpist, werkte aan de oprichting van een Klimaat-Landbouwalliantie om de samenwerking tussen de landbouw- en de klimaatsector te versterken en om gezamenlijk duurzame oplossingen te vinden voor de ecologische, economische en sociale uitdagingen. Men noemt de landbouwsector een belangrijke speler in de beoogde transitie en u wilt dus een dialoog.
Ik meen echter dat de klimaatmaatregelen voor de landbouwsector vooral een zaak zijn van de gewestelijke Energie- en Klimaatplannen. Op Vlaams niveau kiest men vooral voor een vorm van klimaatcatalogus waarin keuzes voor de landbouw- en tuinbouwsector worden aangeboden. Daar is wel een soort van perspectiefverandering zichtbaar.
Wat bedoelt u concreet met Klimaat-Landbouwalliantie?
Hoe kan het in omvang beperkte federale landbouwbeleid daarin een bijdrage leveren?
Hebt u al contact gehad over dat initiatief met uw collega, minister Clarinval, en met de gewestelijke landbouwministers?
Jean-Luc Crucke:
Onze landbouwers bevinden zich vandaag in een moeilijke situatie. Ze maken zich terecht zorgen over hun inkomen, de administratieve lasten, de opvolging van generatie op generatie en hun positie in een steeds mondialere markt.
Ik ben ervan overtuigd dat de beste manier om hen te ondersteunen erin bestaat hen te begeleiden in de noodzakelijke transitie. We mogen niemand achterlaten, zeker onze landbouwers niet. Integendeel, ze hebben een sleutelrol te spelen in de uitbouw van een duurzaam voedselsysteem.
Tegelijkertijd moeten we samen de uitdagingen onder ogen zien. De landbouwsector moet zijn impact op het leefmilieu verkleinen, zowel wat de uitstoot van broeikasgassen als wat de bredere effecten op biodiversiteit, waterkwaliteit en bodemgezondheid betreft.
Bovendien is de sector zelf bijzonder kwetsbaar voor de gevolgen van de klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit.
Een recente studie van de Europese Investeringsbank toont aan dat de landbouwsector in de EU jaarlijks gemiddeld meer dan 28 miljard euro verliest als gevolg van extreme weersomstandigheden. Die extreme weersomstandigheden zullen in de toekomst steeds vaker voorkomen. Hogere temperaturen zullen leiden tot meer en langere periodes van onder andere droogte, intense neerslag en erosie. Sinds 1990 is de uitstoot van de landbouwsector in België weliswaar met 22 % gedaald, maar de jongste tien jaar zien we opnieuw een stijgende trend. Bovendien gaat de geprojecteerde uitstoot op Belgisch en Europees niveau niet in de noodzakelijke richting. Het is duidelijk dat inspanningen nodig zullen zijn.
De landbouwsector is bovendien uniek geplaatst om bij te dragen aan klimaat- en milieuactie, aangezien die ook kan zorgen voor een toename van de opslag van koolstof in de bodem en biomassa en voor natuurherstel. Daarnaast biedt de transitie nieuwe economische kansen voor landbouwers, zoals biosourced materialen en biochemie. Daarom moeten we nadenken over een Belgische strategie rond bio-economie en die betrekken bij de discussie.
Het is belangrijk dat we de landbouw- en voedingssector begeleiden en ondersteunen in de transitie naar een duurzaam voedselsysteem en de positie van de boer in de voedselketen versterken, zodat de productie van voedsel ook sociaal-economisch haalbaar blijft. Daarvoor is een geïntegreerde, duurzame aanpak van de hele voedselketen en economie, met oog voor het klimaat, de gezondheid van mens, dier, planten en ecosystemen, en het tegengaan van vervuiling nodig.
Tijdens de informele vergadering van de Raad in juli ontdekte ik een Deens tripartiteplan, genaamd Groen Denemarken, dat samen met de sectoren was ontwikkeld om een nieuwe economie te stimuleren, de uitstoot en de vervuiling door de landbouw te verminderen en de natuur te herstellen. Dat lijkt mij meteen een interessant voorbeeld om verder te verkennen. Daarom heb ik mijn collega-minister Clarinval uitgenodigd om samen te werken om aan al die uitdagingen het hoofd te bieden. Ook de gewesten zullen nauw betrokken moeten worden. Zij dragen immers de grootste verantwoordelijkheid voor het landbouwbeleid en hebben zelf ook al initiatieven genomen.
De thematiek heeft eveneens een belangrijke Europese dimensie, denk aan het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en een internationale dimensie, denk aan de onderhandelingen in internationaal verband.
In die bijzonder complexe context zult u begrijpen dat we ons nog in een beginfase van de denkoefening bevinden. We hebben intussen wel al contact opgenomen met onze Deense collega's. We zijn gisterenavond ook gestart met het overleg met de sector, te beginnen met de Waalse landbouwfederatie. We waren het erover eens dat er een transitie in de sector nodig is, maar dat die op een creatieve en praktische manier moet worden ingevoerd.
Daarom moeten we werken aan de drie dimensies: milieu, landbouw, en economie, die niet buiten beschouwing gelaten kunnen worden.
We zetten niet alleen het gesprek voort met de Waalse landbouwfederatie. We overleggen uiteraard ook met de andere federaties en met de industrie. Ik zal niet nalaten u op de hoogte te houden van de verdere ontwikkelingen van het project.
Kurt Ravyts:
Dank u, minister. U staat aan de beginfase van de denkoefening. Dat had ik ook verwacht. Daarover ging mijn eerste vraag. U hebt blijkbaar het idee overgenomen uit Denemarken. Dat kan. U staat voor een pragmatische aanpak. Dat zal moeten blijken. Ik hoop het alvast. Zeker de Vlaamse regering staat voor een pragmatische aanpak. Ik zal u daar in de toekomst verder over bevragen.
Het economische verlies ten gevolge van de klimaatverandering
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De klimaatcrisis kost België jaarlijks 9,5 miljard euro (2% BBP), met onevenredige gevolgen voor lagere inkomens door stijgende prijzen, productieverliezen en verzekeringskosten. De minister bevestigt dat klimaatadaptatie prioriteit is, verwijst naar een aankomende studie over macrofiscale risico’s (CERAC/Federaal Planbureau) en kondigt een nieuw federaal adaptatieplan (2027) aan, maar concrete budgettaire maatregelen ontbreken nog. Seuntjens koppelt klimaat aan de begrotingsonderhandelingen en dringt aan op snel afschaffen fossiele subsidies (bv. professionele diesel), wat volgens hem koopkracht, klimaat *en* begroting ten goede komt. De minister belooft actie, maar blijft vaag over directe stappen.
Oskar Seuntjens:
Mijnheer de minister, mijn vraag sluit aan op de vorige vraag. Sinds de energiecrisis zijn mensen zich ervan bewust geworden dat de klimaatcrisis niet alleen slecht is voor hun gezondheid, maar ook voor hun koopkracht.
Alsof dat nog niet genoeg is, lezen we in een artikel van 15 september dat volgens een studie van een Duitse universiteit en de Europese Centrale Bank de klimaatcrisis de Europese economie afgelopen zomer – dus vrij recent en in een relatief korte periode – 43 miljard euro heeft gekost. Dat is geen abstract cijfer, het gaat om de concrete negatieve impact op de koopkracht. Zo zullen mislukte oogsten tot hogere prijzen in de winkels leiden en zullen productieverliezen in bedrijven de lonen onder druk zetten. Ook de miljarden euro's die nodig zijn om de schade te vergoeden, worden rechtstreeks door de samenleving gedragen. Klimaatverandering is dus niet alleen een gevaar voor onze gezondheid, maar ook een rechtstreekse bedreiging voor de koopkracht van de burgers.
Ten eerste, hebt u een concrete inschatting van de economische schade die de extreme weersomstandigheden van afgelopen zomer hebben veroorzaakt voor Belgische gezinnen? Het gaat zowel om directe gevolgen, zoals mislukte oogsten en duurdere voedselprijzen, als om indirecte, zoals productieverlies en stijgende verzekeringspremies.
Ten tweede, houdt het Nationaal Adaptatieplan daar voldoende rekening mee?
Ten derde, aangezien de werkelijke kosten waarschijnlijk hoger liggen dan de rechtstreeks verzekerde schade, overweegt u een soortgelijke diepgaande studie op Belgisch niveau om de impact op onze economie te meten?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer Seuntjens, dank u voor uw vraag.
Net als u heb ik met bijzondere aandacht kennisgenomen van het verslag. Het bevestigt wat we al lang weten: de klimaatverandering is er nu, niet morgen. We hebben nood aan een ambitieus klimaatbeleid. We kunnen niet wegkijken, want als we niets doen, zal de klimaatverandering ons duurder te staan komen.
België werd niet rechtstreeks opgenomen in de studie waarnaar u verwijst, maar op basis van andere studies weten we dat we een keuze hebben. Ofwel verliezen we miljarden euro's en lijden we schade door de klimaatverandering, ofwel investeren we dezelfde miljarden in een rechtvaardige klimaattransitie. De SECLIM-studie over de sociaal-economische impact van de klimaatverandering in België, die in 2020 in opdracht van de Nationale Klimaatcommissie werd uitgevoerd, wees al op de omvangrijke impact van extreme weersomstandigheden in ons land. De geschatte jaarlijkse schade bedraagt ongeveer 9,5 miljard euro, zijnde 2 % van het bruto binnenlands product.
De studie bekeek de gevolgen van schade aan infrastructuur, mislukte oogsten, stijgende verzekeringskosten, evenals de effecten hiervan op de koopkracht van gezinnen. Hierbij werd onder meer vastgesteld dat lagere-inkomensgroepen onevenredig worden getroffen, omdat zij relatief een groter deel van hun inkomen aan basisvoorzieningen besteden.
Mijnheer Seuntjens, ik zal u meer zeggen, de timing van uw vraag is zeer passend. Morgen publiceert het CERAC, het Belgisch Climate and Environment Risk Assessment Center, samen met het Federaal Planbureau een studie over de macrofiscale impact van de klimaatverandering op de Belgische begroting. Ik raad u alvast aan om morgen de pers te raadplegen. De resultaten bevestigen de bevindingen van voorgaande rapporten. De klimaatverandering dreigt de Belgische begroting op termijn met miljarden euro's en een aanzienlijk percentage van het bruto binnenlands product extra te belasten. Om dat te vermijden, moeten we ons nu voorbereiden.
In antwoord op uw bijkomende vraag, kan ik bevestigen dat het klimaatadaptatiebeleid voor mij prioritair is. In dat kader verwijs ik naar mijn antwoord op de eerdere vragen van mevrouw Schlitz en de heer Lejeune met betrekking tot de voorbereiding van het interfederale actieplan rond natuurbronnen. In 2027 zal ook een nieuw federaal adaptatieplan volgen. Ik zal erop toezien dat die strategieën en plannen op een onderbouwde en rechtvaardige manier kunnen worden geactualiseerd en dat extra inspanningen inzake klimaatadaptatie gericht en effectief kunnen worden ingezet.
Oskar Seuntjens:
Mijnheer de minister, de timing is misschien wat ongelukkig, maar kan ook net zeer nuttig zijn, omdat de regering binnenkort over de begroting zal onderhandelen. Dat zal een zeer grote uitdaging zijn, mogelijkerwijze de grootste tot nu toe. Een en ander toont aan dat we het klimaat niet mogen negeren, niet alleen vanwege de gezondheid of de liefde voor bomen, maar ook vanwege de duidelijke economische impact op de kosten. Ik ben benieuwd naar de studie die morgen verschijnt en zal die zeker lezen. Ik ben van mening dat het moeilijk zal zijn om de begroting gezond te maken zonder rekening te houden met het klimaat, omdat we daarmee het probleem vooruitschuiven. Daarnaast kunnen wellicht een aantal klimaatmaatregelen uit het regeerakkoord ook gunstig zijn voor de begroting, zoals het aanpakken van de fossiele subsidies voor professionele diesel. Daar gaat momenteel nog steeds aanzienlijk veel geld naartoe. Misschien kunt u zich daar als minister van Klimaat krachtig voor inzetten. Dat zou goed zijn voor de begroting, het klimaat en de koopkracht van de burgers. Er is dus werk aan de winkel.
Een koolstofvrije Belgische industrie en de rol van CCS hierbij
De rol van de federale overheid in de transitie naar een klimaatneutrale industrie
Klimaatneutrale industrie, CCS en federale beleidsrol in België
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De VUB-studie bevestigt dat 90% CO₂-reductie in de Belgische industrie tegen 2050 haalbaar is, mits snelle uitbouw van CCS-infrastructuur (pijpleidingen, opslag via Noordse projecten zoals *Northern Lights*) en elektrificatie binnen 5 jaar, maar businesscases ontbreken door hoge kosten (€100+/ton boven ETS-prijs) en energieprijsconcurrentie. De minister benadrukt internationale samenwerking (Noorwegen, VK, EU) en overheidssteun (contracts for difference, Innovation Fund), maar ziet financiële risico’s en afhankelijkheid van EU-middelen—zonder snelle actie dreigt België 50% reductiepotentieel mis te lopen en industriële achteruitgang. Kritiekpunt: België loopt achter (geen deelnemende bedrijven in *Northern Lights*), terwijl elektrificatie en regelgevend kader (samen met gewesten) prioritair moeten zijn om concurrentiepositie en klimaatdoelen te verzoenen. Conclusie: Technisch mogelijk, maar falen in uitvoering door gebrek aan financiële zekerheid, EU-cofinanciering en versneld beleid—komende 5 jaar zijn cruciaal.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, er zou kunnen worden gesteld dat mijn vraag eigenlijk een vraag voor de heer Bihet is, maar ik heb ze toch aan u gesteld. Ik doe dat omdat de studie van de VUB in opdracht van de dienst Klimaatverandering van de FOD Volksgezondheid gebeurde. Ze ging onder meer over het koolstofvrij maken van de Belgische industrie.
Volgens de onderzoekers kan dat nog altijd. Zij schuiven daarbij ook het opvangen en opslaan van CO 2 naar voren, met andere woorden de CCS-technologie.
Volgens een van de onderzoekers zullen de komende vijf jaar cruciaal zijn om de nodige infrastructuur uit te bouwen die de industrie nadien de kans moet geven om te investeren in CO 2 -reductie. Tegen 2035 zou er een netwerk van pijpleidingen moeten liggen om CO 2 naar havens en opslagplaatsen te leiden, waarna het onder de grond of onder de zeebodem kan worden opgeslagen.
In april 2025 jaar heeft België een bilateraal akkoord met Noorwegen gesloten dat het ook voor Belgische bedrijven mogelijk zou maken om in te stappen in het belangrijke project Northern Lights, dat enkele weken geleden concreet in Noorwegen is opgestart.
Wat blijkt? Northern Lights heeft contracten gesloten, wat de bedoeling is, met vijf grote uitstoters. Voor zover ik weet, zit daar geen Belgisch bedrijf bij.
Hoe beoordeelt u de krachtlijnen van het rapport van de VUB?
Welke mogelijkheden ziet u voor de uitbouw van de nodige infrastructuur in het kader van het vervoer van CO 2 en voor de Belgische participatie in CCS-projecten?
Mevrouw van Riet zal het hier straks ook aanhalen, maar ook u weet dat de ene businesscase na de andere sneuvelt. Mevrouw Van Keymolen zal dat misschien straks ook vermelden.
Beschikt de federale overheid over middelen om bij te springen? Het kan immers niet allemaal van de gewesten komen. Is het Europa dat instaat voor de cofinanciering?
Er wordt enorm veel gesproken over de vergroening van de industrie, maar wat zijn de concrete stappen? Er zijn geen businesscases, een en ander stagneert. Ik stel dat alleen maar vast. CCS is daar opnieuw een voorbeeld van.
Phaedra Van Keymolen:
Mijnheer de minister, uit de recente studie van de Brussels School of Governance van de VUB, uitgevoerd in opdracht van de dienst Klimaatverandering, blijkt dat het mogelijk is voor onze industrie om haar uitstoot van broeikasgassen tegen 2040-2050 met tot 90 % te verminderen. Het rapport toont aan dat de nodige technologieën grotendeels beschikbaar zijn of dat ze binnen 15 jaar uitgerold kunnen worden.
Toch onderstrepen de onderzoekers dat dit alleen haalbaar is wanneer er in de komende 5 jaar duidelijke keuzes worden gemaakt en investeringen worden gedaan. Volgens de studie blijft de uitbouw van infrastructuur de sleutel tot de oplossing. Voor industriële elektrificatie moet het stroomnet aanzienlijk worden versterkt. Voor de verwerking van onvermijdelijke emissies is een CO 2 -transport- en opslagketen noodzakelijk, zodat clusters in onder meer Antwerpen en Gent hun afgevangen emissies kunnen afvoeren. Tegen 2035 zou zo'n netwerk in principe operationeel moeten zijn. Zonder die infrastructuur dreigen we de potentiële reductie te moeten beperken tot de helft.
Hoe schat u de haalbaarheid van de VUB-roadmap in?
Welke randvoorwaarden ziet u als prioritair om de industrie effectief richting een emissiereductie van 90 % te brengen?
Welke concrete initiatieven neemt u om de uitbouw van een CO 2 -netwerk en de koppeling met internationale opslagprojecten te versnellen? Hoe wordt bijvoorbeeld het project Northern Lights in de praktijk opgevolgd en wat met de pijpleiding van Fluxys en Equinor?
Hoe wilt u vermijden dat belangrijke eerstegolfinvesteringen in industriële decarbonisatie nog langer worden uitgesteld? Overweegt u instrumenten zoals staatsgaranties, contracts for difference of zelfs een federaal infrastructuurfonds om de businesscase te versterken?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, laat me beginnen met te zeggen dat deze nieuwe studie van de Brussels School of Governance van de VUB, in opdracht van de dienst Klimaatverandering, bijzonder waardevol is. Ze komt op het juiste moment. Terwijl terecht veel aandacht uitgaat naar de concurrentiepositie van onze industrie – denk aan de analyse van Draghi en Letta – hadden we nood aan een volledig overzicht van de decarbonisatieopties in België, met een duidelijk tijdpad en een evaluatie van de kosten en haalbaarheid. Dat overzicht ligt er nu.
De boodschap van het rapport is helder, een volledige decarbonisatie van de industrie tegen 2050 is haalbaar. Zelfs tegen 2040 kunnen we al heel ver komen, maar dat vereist dat we de komende 5 jaar knopen doorhakken, vooral op het vlak van infrastructuur en energieprijzen. Als we die beslissende jaren missen, dreigen we niet alleen onze klimaatdoelen te missen, maar ook een hele golf van industriële innovatie. Dan dreigt België op termijn een industriële woestijn te worden. Dat is niet mijn ambitie. Ik wil een industrie die blijft investeren, die waarde creëert en die direct en indirect jobs verzekert.
De studie bevestigt dat CCS vooral voor de chemie- en staalindustrie een noodzakelijke hefboom zal zijn om procesemissies te vermijden. Tegelijkertijd moet CCS steeds worden gezien als aanvulling, niet als alternatief voor elektrificatie en energie-efficiëntie. Elektrificatie heeft immers het grootste potentieel op korte en middellange termijn en versterkt tegelijk onze energieonafhankelijkheid.
Met betrekking tot de infrastructuur, het potentieel voor CO 2 -opslag ligt niet in ons eigen zeegebied, maar bij onze buurlanden. Daarom zetten we in op internationale samenwerking. Met Noorwegen ondertekenden we vorig jaar een memorandum dat de Belgische toegang tot projecten zoals Northern Lights voorbereidt. We werken nu met onze Noorse collega’s aan een volwaardig verdrag over de aanleg van een pijpleiding. Met het Verenigd Koninkrijk lopen de gesprekken over het London Protocol en de mogelijke koppeling van emissiesystemen. Ook met Nederland, Frankrijk en Duitsland staat overleg gepland.
In België werken de federale en gewestelijke administraties samen in de Nationale Klimaatcommissie om een coherent regelgevend kader voor CO 2 -transport te voorzien.
Dit dossier wordt geleid door mijn collega, de minister van Energie. Ik moet er wel bij zeggen dat de businesscase momenteel uiterst moeilijk is. CCS blijft vandaag een dure technologie. De kosten liggen vaak meer dan 100 euro per ton boven de ETS-prijs. Dat zien we bijvoorbeeld in Antwerpen, waar het Kairos-project, ondanks aanzienlijke Europese en Vlaamse steun, zijn finale investeringsbeslissing uitstelde. Zonder bijkomende zekerheid over de financiële voorwaarden zijn bedrijven terughoudend om zulke miljardeninvesteringen te doen. Tegelijk kampt onze chemische sector met een dalende vraag en zware concurrentie door goedkope import uit onder meer China en de Verenigde Staten.
Productievolumes in de Antwerpse haven zitten rond 65 %. In zo’n klimaat is het begrijpelijk dat bedrijven aarzelen. Daarom is elektrificatie zo belangrijk. Ze verlaagt de structurele energieafhankelijkheid, drukt op termijn de kosten en maakt onze industrie competitiever. Dan moeten we echter ook de spelregels in de Europese elektriciteitsmarkt durven te herzien, in lijn met de aanbevelingen van Draghi.
Onze rol als overheid is om de randvoorwaarden te creëren, door infrastructuurprojecten mee mogelijk te maken, door een regelgevend kader te voorzien dat internationale samenwerking rond CO 2 -transport en -opslag vergemakkelijkt en door selectieve steunmechanismen te ontwikkelen die investeringen sneller mogelijk maken. Denk daarbij aan contracts for difference of andere instrumenten die prijszekerheid bieden. Wat mijn engagement betreft, heb ik recent persoonlijk verschillende CCS-dossiers van de cementindustrie ondersteund, die zijn voorgelegd aan het Innovation Fund. Ik heb trouwens de vermoedelijke locatie bezocht van de opslag van CO 2 in Aalborg.
We moeten echter realistisch blijven. De middelen zijn beperkt en alleen in een Europese context kunnen we de nodige schaal en slagkracht opbouwen. Kortom, de studie bevestigt dat het technisch haalbaar is om onze industrie te decarboniseren, maar de komende vijf jaar zijn doorslaggevend. We moeten de juiste infrastructuur en het juiste marktkader opzetten, anders beperken we onszelf tot halve resultaten. Ik zal een beroep doen op mijn collega's, de ministers van Energie en Economie, om dit rapport te integreren in het lopende initiatief Make 2025-2030, zodat de industriële transitie een van de strategische prioriteiten blijft.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de minister, u kent de context. Die is zeer duidelijk: de industrie vraagt een lagere energieprijs om te kunnen decarboniseren. U hebt zelf aangegeven dat dit in een louter Belgische context financieel niet mogelijk is. Dat weten we allemaal. Het zal dus ook van Europa moeten komen. Ik hoop net als u dat dat zal gebeuren. Ik ben niet fatalistisch, zoals mevrouw Van Keymolen opwierp, maar wel realistisch en in dit dossier dus ook een klein beetje pessimistisch.
Phaedra Van Keymolen:
Mijnheer de minister, dank voor uw antwoorden. Mijnheer Ravyts, uw insteek was iets fatalistischer, of zoals u zelf zegt, pessimistischer. Mijnheer de minister, ik blijf echter net als u hoopvol. Het zal inderdaad wel in een internationale context moeten gebeuren.
De hoge kosten en het ontmoedigende investeringsklimaat
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Europese plastrecyclagesector staat onder zware druk door hoge energie- en loonkosten, goedkope Aziatische concurrentie (zowel virgin plastics als laagwaardig recyclaat) en strikte EU-regels, wat leidt tot faillissementen en geannuleerde investeringen zoals die van ExxonMobil (€100 miljoen in chemische recycling op hold). Minister Crucke bevestigt dat federale steun (fiscaliteit, energietarieven) onder andere bevoegdheden valt (Jambon, Bihet, Diependaele) maar belooft overleg voor circulaire-economie-stimuli en contact met collega’s om de urgentie te benadrukken, terwijl Europese *mass balance*-regels (chemische recycling) nog in afwachting zijn van een definitief voorstel (najaar 2025). Concrete oplossingen voor competitiviteit (bv. een recyclage-competitiviteitsfonds zoals voor petrochemie) blijven vaag, met een doorverwijzing naar gewesten en andere ministers. Exxon’s investeringsstop wordt toegeschreven aan onzekere EU-kaders en hoge risico’s, zonder directe federale tegenmaatregelen.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, de Europese sector voor de recyclage van plastic staat op instorten. In slechts twee jaar tijd is meer dan 1 miljoen ton mechanische recyclagecapaciteit verdwenen door faillissementen en door stopzetting. Bedrijven in ons land geven aan dat torenhoge energieprijzen, hoge loonkosten en grote administratieve onzekerheid hen steeds minder competitief maken tegenover de stroom van goedkopere, gesubsidieerde virgin plastics en zogezegd gerecycleerde grondstoffen uit Azië.
De afnemers, ook Europese bedrijven, verkiezen immers goedkope producten. De Aziatische producten zijn zo goedkoop dat onze eigen Europese recyclagemarkt door een combinatie van strikte regelgeving en hoge productiekosten daar niet het hoofd aan kan bieden. ExxonMobil stelde bovendien onlangs een geplande investering van 100 miljoen euro in chemische recyclage, dus niet mechanisch, maar chemisch, in de havens van Antwerpen en Rotterdam on hold, net omdat de randvoorwaarden in Europa te risicovol en te duur zijn. Het gevolg is dat de groene circulaire sector, die nochtans een speerpunt is in onze klimaattransitie, in een neerwaartse spiraal dreigt terecht te komen. Wie wil er nog investeren, wetende dat de kans op verlies op onze markt groter is dan de kans op winst?
Hoe wilt u op federaal niveau bijdragen aan een aantrekkelijker investeringsklimaat? Ik denk bijvoorbeeld aan fiscale stimuli, subsidies of aangepaste energietarieven voor bedrijven in de circulaire sector. Overweegt u om, zoals voor de petrochemie, ook voor de recyclagesector een competitiviteitsfonds of energievoordeel in te voeren, zodat de sector niet volledig onderuitgaat, nog voor hij zijn volle potentieel kan bereiken? Heeft uw kabinet reeds rechtstreeks gesprekken gevoerd met ExxonMobil of andere industriële spelers over de aangekondigde pauze van hun investeringsplannen? Welke concrete antwoorden hebt u hun kunnen bieden? Hoe wilt u er concreet voor zorgen dat onze bedrijven kunnen concurreren met de goedkope virgin plastics en ingevoerd recyclaat uit Azië, die op onze markt worden aangeboden, zonder dat ze onderworpen zijn aan de strikte kwaliteits- en milieucontrole van Europese recyclagestoffen?
Jean-Luc Crucke:
Mevrouw van Riet, voor uw eerste vraag over de fiscaliteit verwijs ik u graag door naar mijn collega in de federale regering, minister Jambon en voor uw vraag over de energietarieven naar mijn collega en federaal minister van Energie, Mathieu Bihet. Daarnaast herinner ik u eraan dat de steun aan bedrijven een gewestelijke bevoegdheid is. In het Vlaamse Gewest is minister Matthias Diependaele daarvoor bevoegd.
Ik werk momenteel wel samen met minister Clarinval aan de opmaak van de federale plannen voor de circulaire economie. In dat kader zullen wij in overleg met de minister van Financiën zowel fiscale als economische maatregelen bespreken om de circulaire economie te stimuleren.
Ook al is Leefmilieu niet rechtstreeks bevoegd voor de ondersteuning van bedrijven en energietarieven, ik zal alleszins heel binnenkort contact opnemen met mijn bevoegde collega's om hen duidelijk te maken wat op het spel staat.
Wat uw vragen over ExxonMobil betreft, merk ik op dat wij herhaaldelijk met de industrie hebben gesproken over chemische recycling en de komende Europese berekeningsmethode, de genoemde mass balance . Het is een complex onderwerp, zowel ecologisch als economisch, maar wij staan open voor verdere discussie met de sector. De Europese Commissie heeft een openbare raadpleging over het onderwerp gelanceerd, die eindigde op 19 augustus 2025. Na een grondige beoordeling zal de Europese Commissie het definitieve ontwerp voorleggen aan het technisch comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten. De stemming daarover is gepland voor het najaar van 2025. Wij moeten daarom het voorstel van de Europese Commissie afwachten.
Voor uw andere vragen verwijs ik u naar mijn antwoord op uw vorige vraag.
Katrijn van Riet:
Ik zal mijn huiswerk doen en ook de andere ministers contacteren.
De Belgische deelname aan de tweede Afrikaanse klimaattop in Ethiopië
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 23 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België, geleid door minister Crucke, presenteerde op de Afrikaanse klimaattop de ABC-strategie (*Africa Belgium Climate*), gericht op groene economische samenwerking (o.a. waterstof, koolstofmarkten), klimaatadaptatie en bescherming van het Congobekken. Concreet werden vier economische corridors (West-Afrika, DRC, Lobito, Walvisbaai-Maputo) bevestigd als hefbomen voor Belgische bedrijven en duurzame projecten, met bilaterale afspraken met landen als Namibië, Mozambique en DRC. De top benadrukte Afrika als investeringskans (hernieuwbare energie, mineralen) in plaats van enkel slachtofferrol, met nadruk op europese partnerschappen (niet China) en wederzijds voordeel voor klimaat *en* Belgische economie. Nieuwe engagementen volgden uit gesprekken, met focus op langetermijnsamenwerking en opbouw van lokale capaciteit.
Phaedra Van Keymolen:
Het gaat om een item dat vandaag nog niet aan bod kwam. Mijnheer de minister, van 8 tot 10 september vond in Addis Abeba de tweede Afrikaanse klimaattop plaats. Volgens berichtgeving van persagentschap Belga nam ons land daaraan deel met een Belgische delegatie, die door u werd geleid.
We weten dat het Afrikaanse continent een belangrijke partner is in het internationale klimaatdebat. Enerzijds wordt dat continent bijzonder zwaar getroffen door de gevolgen van de klimaatverandering en anderzijds beschikt het over een groot potentieel op het vlak van hernieuwbare energie en natuurbehoud.
Mijnheer de minister, welke positie hebt u op deze klimaattop precies ingenomen? Kunt u kort toelichten welke boodschappen en prioriteiten u namens ons land hebt uitgedragen, onder meer inzake klimaatfinanciering, energietransitie en natuurbehoud?
Zijn er tijdens of naar aanleiding van onze aanwezigheid nieuwe engagementen aangegaan door ons land? Heeft onze deelname geleid tot nieuwe bilaterale of multilaterale samenwerkingen of tot de opstart van bepaalde projecten?
Jean-Luc Crucke:
Geachte collega, dank u voor uw vraag over de Belgische deelname aan de tweede Afrikaanse klimaattop.
Afrika is een continent dat geconfronteerd wordt met grote uitdagingen door de klimaatverandering. Het is echter ook een continent met een enorm potentieel. België onderhoudt belangrijke partnerschappen met meerdere Afrikaanse landen. In dat kader past mijn deelname als hoofd van de Belgische delegatie.
Ik heb de ambitie om een nieuw partnerschap tussen Afrika en België inzake klimaat te ontwikkelen. Een strategie die ik ABC noem: Africa Belgium Climate. Daarbij onderscheid ik drie prioriteiten: ten eerste, een duurzame, groene economische ontwikkeling die zowel Belgische economische actoren als onze Afrikaanse partners ten goede komt; ten tweede, een bevestiging van de Afrikaanse prioriteiten inzake klimaatadaptatiebeleid; ten derde, de bescherming van de bossen van het Congobekken, die als cruciale longen van onze planeet fungeren.
Laat me iets dieper ingaan op de eerste prioriteit, die veel aandacht kreeg tijdens mijn deelname aan de tweede Afrikaanse klimaattop. Minister Prévot werkt aan een prioritering van de Belgische economische ontwikkelingssamenwerking in Afrika via vier strategische corridors, in overeenstemming met het EU-Global Gateway-initiatief: de West-Afrikaanse corridor, de Green Corridor in de Democratische Republiek Congo, de Lobito-corridor en de corridor Walvisbaai–Maputo.
Binnen die corridors kunnen meerdere Belgische economische actoren ook een positieve impact hebben op het klimaat. Ik denk bijvoorbeeld aan CMB.TECH, dat waardeketens voor groene waterstof opzet in Walvisbaai in Namibië, aan Belgische chocoladeproducenten die streven naar een einde aan de ontbossing en aan innovatieve start-ups en scale-ups in de groene industrie. Minister Prévot en ikzelf hebben de intentie die actoren te ondersteunen. Daarnaast wens ik, in lijn met het zomerakkoord, ook werk te maken van de voorbereiding van koolstofmarkten in Afrika, die van hoge kwaliteit zijn en een hoge milieu-integriteit verzekeren. Ook hier kunnen we opportuniteiten creëren voor Belgische bedrijven.
De tweede Africa Climate Summit stond in het teken van positieve verhalen. Afrika is een continent van opportuniteiten voor investeringen, in groene energie bijvoorbeeld. Dat ligt volledig in lijn met de prioriteit die ik zie voor de samenwerking tussen Afrika en België op het vlak van klimaat.
Tijdens de conferentie heb ik deelgenomen aan vergaderingen over de rol van mineralen voor de energietransitie, over toegang tot groene energie, over koolstofmarkten en over de bossen van het Congobekken. Tegelijkertijd had ik bilaterale gesprekken met mijn collega’s uit Namibië, Mozambique, de Democratische Republiek Congo, Burundi en de Afrikaanse Unie. Tijdens die vergaderingen en gesprekken stonden de prioriteiten die ik hierboven heb toegelicht centraal. De contacten die tijdens deze conferentie zijn opgebouwd, zullen we de komende maanden en jaren verder onderhouden, met als doel concrete resultaten te bereiken die het mondiale klimaat ten goede komen, evenals de Belgische economie en de samenlevingen van onze Afrikaanse partners.
Ik keer terug uit Afrika met veel moed en met het besef dat de Afrikaanse landen op ons rekenen, niet op China, dat overal aanwezig is, maar op Europese landen en op België, die partnerschappen kunnen uitbouwen en een duurzame samenwerking kunnen realiseren. Het gaat er niet alleen om met Afrika samen te werken, maar vooral samen iets op te bouwen. Dat is nog belangrijker dan louter samenwerking.
Phaedra Van Keymolen:
Dank u wel, mijnheer de minister. Ik ben blij met uw antwoorden. Ik zit op dezelfde golflengte. Het klimaatbeleid stopt niet aan de grenzen. Ik heb internationale politiek en ontwikkelingssamenwerking gestudeerd en ben altijd enorm gefascineerd geweest door alles wat zich in ontwikkelingslanden afspeelt, ook in Afrika. Het stemt me blij en ik denk inderdaad dat er, zoals u hebt gezegd, sprake is van een win-winsituatie. Dat is niet alleen heel belangrijk voor het Afrikaanse continent, maar ook voor ons. Dank u wel dat u daarnaartoe bent gegaan en daar veel aandacht aan hebt besteed. Ik hoop dat dit in de toekomst zo blijft. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.15 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 15.
De uitspraken van Wouter Mouton over klimaatextremisme in Humo
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Parlementslid Jeroen Bergers (N-VA) dringt aan op juridische actie tegen Code Rood en Wouter Mouton na hun oproepen tot geweld en destructieve acties (o.a. sabotage bij Cargill, Deurne), en vraagt of er strafonderzoeken lopen of sprake is van criminele organisatievorming. Minister Verlinden bevestigt dat radicale klimaatgroepen nauw worden gemonitord door politie en veiligheidsdiensten, maar kan geen details geven over lopende onderzoeken, benadrukkend dat protestrecht en ordehandhaving in evenwicht moeten blijven. Bergers blijft ontevreden over het ontbreken van concrete juridische stappen en wijst op de spanningsveld tussen vrije meningsuiting en geweld, nu activisten zich ogenschijnlijk boven de wet plaatsen. De kern: dringende vraag naar harde aanpak van klimaatextremisme botst op juridische terughoudendheid en het OCAD-rapport als bekend, maar onvoldoende gevolgd bewijs.
Jeroen Bergers:
Mevrouw de minister, we hebben in het Parlement al meerdere keren een debat over het klimaatextremisme gevoerd. Ook het OCAD heeft hiervoor gewaarschuwd in een rapport. Gisteren vond er in de commissie voor Binnenlandse Zaken nog een zeer lang actualiteitsdebat plaats. Ik meen dat het ook belangrijk is om te bekijken hoe dat gewelddadig extremisme juridisch wordt opgevolgd, zeker aangezien Code Rood zich geenszins gehinderd voelt door de aandacht die ze momenteel krijgen, negatieve aandacht als u het mij vraagt. Integendeel, bij monde van beroepsbetoger Wouter Mouton liet de organisatie in Humo weten dat vreedzaam protest niets oplevert en dat geweld nodig is.
Mevrouw de minister, ik vind dat dit absoluut niet kan. Ik weet dat ook uw partij daarvan overtuigd is. Gisteren kreeg zelfs een volksvertegenwoordiger van Groen het over de lippen dat klimaatgeweld niet kan. We lijken dus op een punt te komen waarop dit door het hele Parlement wordt veroordeeld. Onze burgers verwachten ook actie. Zij verwachten dat de overheid maatregelen neemt om de veiligheid en rechtszekerheid van iedereen te garanderen. Dat is uiteraard niet het geval als activisten voor meer dan een miljoen euro schade kunnen aanrichten, zonder dat daarop sancties volgen.
We merken, ook naar aanleiding van het interview met Wouter Mouton, dat die organisaties zich boven de wet wanen. Daarom heb ik een aantal vragen, mevrouw de minister.
Zijn er strafonderzoeken geopend naar aanleiding van eerdere acties van Wouter Mouton of naar aanleiding van zijn oproep tot geweld? Is er een strafonderzoek geopend naar aanleiding van de eerdere acties van Code Rood bij Cargill, de luchthaven van Deurne, OIP, Syensqo of andere acties?
Zijn er in het verleden al actievoerders van Code Rood verhoord? Zo ja, hoeveel en naar aanleiding van welke acties?
Is er volgens u sprake van criminele organisatievorming bij Code Rood? Is hier een onderzoek naar opgestart? Zult u, naar aanleiding van deze nieuwe oproep tot geweld, bijkomende acties ondernemen om ervoor te zorgen dat geweld vermeden wordt?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Bergers, ik kan uiteraard niet ingaan op individuele zaken of lopende strafonderzoeken. In algemene termen kan ik wel zeggen dat de bestuurlijke politie de activiteiten van radicale klimaatactiegroepen nauwgezet opvolgt. Daarbij gaat de aandacht onder meer uit naar de mate van mobilisering, de risico’s op ontwrichting van de openbare orde, doelwitten met een verhoogd symbolisch of economisch profiel en het toenemend gebruik van tactieken gericht op sabotage en fysieke obstructie.
Er is een intensieve samenwerking met politie en veiligheidsdiensten en waar nodig worden op basis van de filosofie van het geïntegreerde beheer van de openbare ruimte beheerste en proportionele maatregelen genomen om manifestaties veilig en wettig te laten verlopen. Dat alles vraagt om een evenwichtige respons. Enerzijds is er het bewaken van het recht op vrije meningsuiting, op protest en op systeemkritiek en anderzijds is er een duidelijke begrenzing van wat toelaatbaar is binnen een democratische rechtsorde. Een en ander wordt door onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten wel degelijk op de voet gevolgd.
Jeroen Bergers:
Dank u wel, mevrouw de minister. Ik begrijp dat het een delicate oefening is, want het merendeel van de klimaatbeweging pleegt gelukkig geen geweld en heeft zelfs het beste voor met de planeet. Uiteraard moeten we in ons land, in een liberale democratie, het recht op protest waarborgen. Alleen kan dat niet wanneer er geweld wordt gepleegd. Op dat vlak blijf ik op mijn honger, aangezien u geen uitspraken doet over juridische procedures die opgestart zijn of lopen. Ik denk dat de vraag breed genoeg gesteld was om mee te delen of er iets gaande was naar aanleiding van de verschillende acties. Dat het op de voet gevolgd wordt door de veiligheidsdiensten weten we natuurlijk al door het OCAD-rapport, dat natuurlijk gelekt is en daarom door iedereen gelezen.
De klimaat- en milieu-impact van behandelingen in de zorgsector
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België engageerde zich om tegen 2050 een klimaatneutrale gezondheidszorg te realiseren, met concrete stappen zoals het recent gepubliceerde *Operation Zero*-rapport (februari 2024) dat emissiebronnen in kaart brengt en maatregelen voorstelt—waarvoor in september 2024 een interministerieel akkoord moet komen over prioriteiten, financiering (o.a. via EU-emissiehandel) en acties zoals elektrificatie van ambulances en vergroening van operatiekwartieren (afvalreductie tot 50%). Een pilootproject (2026, budget €600.000) richt zich op single-use plastics in ziekenhuizen, terwijl de EU-richtlijn voor medicatierestanten in water (omzetting tegen 2027) via vervuiler-betaalt-principe wordt gefinancierd, met een lopende werkgroep voor gecoördineerde uitvoering. Vandenbroucke benadrukt samenwerking tussen beleidsniveaus (federale routekaart voor duurzame aanbestedingen, *Critical Medicines Act* met milieucriteria) en kostenbesparende maatregelen zoals afvalsorting, maar De Sutter hamert op voldoende budgettaire garanties binnen het NEHAP ondanks besparingen.
Petra De Sutter:
Mijnheer de minister, voor de Nederlandse regering viel, startte zij in mei een proefproject op waarin men met het oog op terugbetaling van zorg ook de inzet van schaarse personeelsmiddelen en de milieu-impact meeweegt. De zorgsector daar is hard bezig met duurzaamheid. Zo werden er specifieke rekenmethoden uitgewerkt om bijvoorbeeld de personeelsinzet en de milieu-impact van bepaalde behandelingen inzichtelijk te maken.
Dat gaat verder dan wat wij op het moment in ons land doen. In uw beleidsnota schrijft u dat u vooral wilt onderzoeken hoe dat kan gebeuren aan de hand van welke indicatoren van het KCE voor het meten van milieuduurzaamheid en welke prioriteiten we moeten stellen, bijvoorbeeld in verband met de uitstoot van broeikasgassen. Natuurlijk ben ik tevreden over die passage, maar moeten we niet wat meer ambitie en daadkracht aan de dag leggen? Kunnen we bijvoorbeeld de Nederlandse aanpak enigszins navolgen?
Zult u daaraan prioriteit geven en een beleid ter zake met spoed uitwerken? Wanneer kunnen we dat verwachten, bijvoorbeeld via een pilootproject?
Zult u ook specifiek iets doen rond medicatierestanten in ons oppervlakte- en grondwater? Dat is een probleem, onder andere vanwege hormoonverstorende effecten. In uw beleidsdocumenten staat daar momenteel niets over.
U stelt ook dat u de Belgische concurrentiepositie op het vlak van geneesmiddelen wilt versterken. Dat is goed – we zijn sterk in de farmasector –, maar vormt dat ook een opportuniteit om duurzaamheidsmaatregelen in die acties te integreren?
Tot slot, bij de investeringen – dit raakt aan de begroting – merken we dat er steeds minder budgetten worden vrijgemaakt voor duurzame roerende goederen en diensten. Ook in de gezondheidszorg kan vergroening gerealiseerd worden via onder andere investeringen en aanbestedingen. Wat zijn uw ideeën daarover?
Frank Vandenbroucke:
Mevrouw De Sutter, op de Klimaatconferentie in Glasgow van 2021 is België de verbintenis aangegaan om te streven naar een nuluitstoot van ons gezondheidszorgsysteem tegen 2050.
Na die verbintenis werd in het kader van het Nationaal Actieplan Leefmilieu-Gezondheid (NEHAP) een werkgroep opgericht. In samenwerking met de gemeenschappen en de gewesten hebben we een gespecialiseerd onderzoeksbureau ingeschakeld om te berekenen wat de uitstoot is van onze gezondheidszorg en waar de grootste emissiebronnen in ons zorgsysteem zitten. Het rapport Operation Zero werd eind februari gepubliceerd. Het werd 100 % gefinancierd door de FOD Volksgezondheid en bevatte ook suggesties voor mogelijke maatregelen.
Op basis van dat rapport bereiden de verschillende Belgische administraties van Volksgezondheid en Leefmilieu momenteel een nota met voorstellen van maatregelen voor, die in september zal worden voorgelegd aan hun ministers in de gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu en Gezondheid. Zo wordt de haalbaarheid van de elektrificatie van ambulances in België in kaart gebracht. Er zal dan bekeken worden welke middelen beschikbaar zijn voor welke acties en waar eventueel inkomsten uit de Europese emissiehandel kunnen worden gemobiliseerd.
De vergroening van de gezondheidszorg bevindt zich op het kruispunt van vele bevoegdheden en expertises. Het NEHAP biedt daarbij potentieel om een efficiënter middelengebruik over de administraties en beleidsdomeinen heen te realiseren. Intussen heeft de FOD Volksgezondheid met uitvoering van de federale klimaatwet een routekaart ingediend voor onder meer het vergroenen van het aankoopbeleid van de ziekenhuizen.
Een eerste stap is het maken van een analyse van het Belgisch aankoopbeleid. Inspanningen rond het aankoopbeleid moeten duurzaamheid introduceren, met aandacht voor de financiële situatie van de ziekenhuizen en de beschikbare alternatieven op de markt. We zullen ook actie ondernemen voor de vergroening van de operatiekwartieren in ziekenhuizen. De hoeveelheid afval bij een standaard chirurgische ingreep komt overeen met de hoeveelheid afval die door een gezin van vier leden gedurende één week wordt geproduceerd.
We zullen inzetten op de sensibilisering van het personeel en een beter geneesmiddelen- en materiaalmanagement, net als op een efficiënter energiegebruik. Het beter sorteren van afval kan de hoeveelheid afval in het operatiekwartier op jaarbasis met 50 % verminderen. Daarnaast zal een betere triage leiden tot een kostenbesparing, omdat de hoeveelheid afval die als gevaarlijk medisch afval wordt beschouwd, ook aanzienlijk kan verminderen.
In 2024 startte de FOD Volksgezondheid een pilootproject rond de vermindering van de plasticafvalberg in ziekenhuizen. Voor het project, met een federaal budget van 600.000 euro, wordt in het najaar een projectoproep gelanceerd gericht aan ziekenhuizen die concreet actie willen ondernemen om hun gebruik van single-use plastics te verminderen.
Het proefproject zou in 2026 in de ziekenhuizen van start gaan.
Wat specifieke acties met betrekking tot restanten van medicatie in oppervlakte- en grondwater betreft, de gewesten zijn bevoegd voor de omzetting tegen 31 juli 2027 van de nieuwe Europese richtlijn inzake stedelijk afvalwater in interne wetgeving. Nieuw daarin is de verplichting om micropolluenten uit huishoudelijk afvalwater te verwijderen, met name in farmaceutica en persoonlijke verzorgingsproducten. Dat gebeurt via zuivering met behulp van specifieke behandelingstechnieken. Om die extra zuivering te financieren, legt de Europese richtlijn een uitgebreide verantwoordelijkheid op aan de producenten, in overeenstemming met het principe van de vervuiler betaalt.
Tijdens de interministeriële conferentie Leefmilieu van 30 januari hebben we beslist om een werkgroep op te richten voor de gecoördineerde omzetting van de artikelen 9 en 10 van de richtlijn stedelijk afvalwater. Dat traject loopt.
Ik heb aan de kar getrokken voor een critical medicines act . Op mijn voorstel zijn in het voorstel van de Commissie nu ook bepalingen opgenomen die de aanbesteders opleggen om in hun openbare aanbestedingen rekening te houden met MEAT-criteria (monitoring, evaluation, assessment, treatment) , waarin onder meer milieucriteria geïntegreerd zijn. Op die manier helpen we de Europese producenten vooruit door milieuvriendelijke productie te belonen, aangezien ze vandaag al veel milieuvriendelijker produceren dan het geval is in China, India of zelfs de Verenigde Staten.
Ten slotte, minister Crucke stuurt binnenkort een uitnodiging naar onze collega-ministers van de gewesten en gemeenschappen voor de gemengde Interministeriële Conferentie Leefmilieu-Gezondheid. Nu we dankzij het rapport Operation Zero een beter zicht hebben op de koolstofvoetafdruk van de zorg in België, is het de bedoeling om op die conferentie mogelijke acties en de daaraan verbonden kosten voor de vermindering van de broeikasuitstoot af te spreken, waarbij rekening wordt gehouden met de bevoegdheidsverdeling en met de initiatieven die de gewesten al hebben genomen. Voor projecten die een gemeenschappelijke aanpak vereisen, overleggen de ambtenaren van de verschillende beleidsniveaus nu al regelmatig.
Petra De Sutter:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw uitvoerig antwoord, dat aangeeft dat er veel acties lopen en veel maatregelen in de pijplijn zitten. Ik ben tevreden met die aandacht. Het is in ieder geval belangrijk dat er in het NEHAP, ondanks de besparingen, daar voldoende budgetten aan worden toebedeeld, opdat er op dat vlak inderdaad resultaten worden geboekt. We zullen het dossier uiteraard opvolgen.
De malaise bij de federale politie en de verantwoordelijkheid van Eric Snoeck
De hoorzitting met Eric Snoeck
De evolutie van de federale politie
De hoorzitting met de commissaris-generaal van de federale politie
Governance, werking en management van de federale politie
Een actieplan met betrekking tot de moslimbroederschap
De registratie van aanhangers van 764 en No Lives Matter in de GGB TER
Georganiseerde politieke terreur tegen het defensiebedrijf OIP in Doornik
Gemaskerde demonstranten
De toevoeging van Samidoun aan de OCAD-lijst
De oproepen tot dodelijk geweld in Brussel
Het OCAD-rapport waarin een link tussen de klimaatbeweging en extremisme wordt vastgesteld
De aanvallen op Syensqo en OIP door extreemlinkse militanten
De dreiging van extremisme bij een deel van de klimaatbeweging
De politieke islam in België
Het Collectif contre l'islamophobie en Belgique
De overheidssubsidies voor het CIIB
De analyse van de dreiging van extreemrechts
Het politieke en religieuze extremisme in België
Politiek en religieus extremisme, governance en uitdagingen binnen de federale politie
Gesteld door
VB
Ortwin Depoortere
Groen
Matti Vandemaele
PS
Éric Thiébaut
Open Vld
Paul Van Tigchelt
MR
Catherine Delcourt
VB
Sam Van Rooy
Open Vld
Paul Van Tigchelt
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
N-VA
Jeroen Bergers
N-VA
Jeroen Bergers
Open Vld
Paul Van Tigchelt
N-VA
Koen Metsu
N-VA
Jeroen Bergers
MR
Denis Ducarme
PS
Khalil Aouasti
MR
Catherine Delcourt
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie onthult een diepe structurele crisis binnen de federale politie, gekenmerkt door toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestpraktijken en een disfunctionerend topmanagement, zoals blijkt uit het ontluisterende CORESPO-rapport en talrijke getuigenissen van agenten. Hoewel minister Quintin vertrouwen behoudt in commissaris-generaal Snoeck – ondanks diens ontwijkende houding en gebrek aan transparantie – eisen oppositie en delen van de meerderheid externe doorlichting, strenge sancties en hervorming van de leiding, met name om vertrouwen te herstellen en de parlementaire controle te waarborgen. Budgettaire tekorten (90% naar personeel) en verouderde structuren verergeren de problemen, terwijl een beloofd strategisch plan (september 2025) als cruciale test zal dienen. De kernvraag blijft of Snoeck, ondanks zijn operationele successen (bv. Sky ECC), politiek en moreel houdbaar is gelet op de cultuur van doofpot, relatiesconflicten en minachting voor slachtoffers.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, de malaise bij de federale politie is intussen geen nieuws meer. De berichten die mijn collega's en ikzelf hebben ontvangen, maken duidelijk dat die heel verontrustende proporties aanneemt.
Het een en ander is onder de publieke aandacht gekomen, toen het CORESPO-rapport bijna stoemelings openbaar werd gemaakt, waarna de grootste politievakbond, het VSOA, de kat de bel aanbond. Dat rapport, dat het intern gedrag en de cultuur bij de federale politiediensten onder de loep nam, is ontluisterend en roept heel veel vragen op over de sfeer bij de federale politie.
De conclusie is - en ik meen dat we het daar over alle partijgrenzen heen eens kunnen zijn - dat er een structureel probleem is van een toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestgedrag en een totaal gebrek aan vertrouwen in de top van de organisatie. Ik verwijs naar getuigenissen die in de pers zijn verschenen en die ik ook persoonlijk heb ontvangen. Ze tarten werkelijk alle verbeelding.
Ik zal niet alles opsommen, want dat zou ons te ver leiden, maar ik wil er toch een viertal citeren. Een getuigenis luidt als volgt: "Mijn 13-jarige carrière bij de federale politie is er vooral een van pesterijen, toxisch leiderschap, vrouwonvriendelijke opmerkingen en nul communicatie." Een andere getuigenis luidt: "Een collega had mij en anderen jarenlang heimelijk gefilmd en gefotografeerd tijdens het omkleden op de werkvloer. De dader is gewoon terug aan het werk binnen dezelfde dienst, zonder enige zichtbare gevolgen. Tot op vandaag word ik bovendien nog steeds gestalkt en belaagd door deze collega."
Ik citeer een andere klokkenluider: "De top van de federale politie steekt meldingen van grensoverschrijdend gedrag in de doofpot, een doofpotcultuur". Of nog: "Mensen vallen uit of lopen weg naar andere diensten, ze worden depressief en sommigen zelfs suïcidaal. Onderzoeken naar daders zijn er amper en de sancties zijn beperkt".
Mijnheer de minister, één klacht kunt u nog wegzetten, dat gebeurt overal wel eens. Twee klachten echter zouden toch enkele alarmbellen moeten doen afgaan. Als er tientallen klachten zijn, zoals hier het geval is, dan moet er worden ingegrepen. Dat is ook de reden waarom ik en een aantal collega’s uit de oppositie en de meerderheid u hierover ondervragen.
Er zijn niet alleen getuigenissen van de malaise, er zijn ook inhoudelijke problemen. Minder dan een op de tien agenten vertrouwt erop dat moeilijke thema’s correct worden aangepakt, zo blijkt uit het CORESPO-rapport. Een andere problematiek is de erbarmelijke staat van sommige gebouwen. Volgens de vakbond grenst de verwaarlozing van de kazerne van Etterbeek aan minachting. Het zou trouwens misschien geen slecht idee zijn om met de Commissie voor Binnenlandse Zaken een plaatsbezoek te brengen, zodat we dat met eigen ogen kunnen vaststellen. Iets lezen is immers nog iets anders dan het daadwerkelijk ervaren.
Nog hallucinanter in het hele verhaal is de houding van de leidinggevenden, in het bijzonder van commissaris-generaal Snoeck. Niet alleen blijkt uit meerdere getuigenissen dat de top de cultuurproblemen jarenlang heeft genegeerd of geminimaliseerd, terwijl de heer Snoeck zelf hoofd was van de betrokken dienst DGJ, maar bovendien weigerde de heer Snoeck in eerste instantie verantwoording af te leggen tegenover het Parlement.
Intussen hebben we de heer Snoeck in onze commissie wel kunnen horen, maar op de vele pertinente vragen van bijna alle fracties kwam er eigenlijk geen afdoend antwoord. Daarom hebben we de commissaris-generaal verzocht om schriftelijk te antwoorden. Met de commissie hebben we ook besloten om de heer Snoeck in september opnieuw voor een hoorzitting uit te nodigen.
Mijnheer de minister, wanneer parlementsleden, vertegenwoordigers van het volk, vragen stellen over ernstige wantoestanden bij een cruciale staatsinstelling als de politie, vind ik het absoluut onaanvaardbaar dat de hoogste ambtenaar van die organisatie zich ontwijkend opstelt. Ik druk mij dan nog eufemistisch uit. Dat ondermijnt de democratische controle en voedt vooral het wantrouwen van zowel de bevolking als van het personeel op het terrein.
Mijnheer de minister, tot nu toe was uw houding er een waarbij u aan de heer Snoeck de kans liet om een en ander toe te lichten. U antwoordde reeds in het Parlement, in de plenaire vergadering, dat u zelfs het vertrouwen in de heer Snoeck behoudt. Maar kunt u na al die onthullingen en na de hoorzitting met de heer Snoeck die stelling nog altijd handhaven? Ik hoop dat er vandaag ook van uw zijde enige politieke moed is om in te grijpen, waar het echt nodig is.
Waarom werden de klokkenluiders en de vele getuigenissen genegeerd? Waarom werd een deel van de top in bescherming genomen? Wie beschermt dan de politiemensen, die zich elke dag met veel moed voor onze veiligheid inzetten, terwijl zij op de werkvloer blijkbaar het slachtoffer van een dysfunctionele leiding zijn?
Niet ingrijpen, mijnheer de minister, zou volgens mij getuigen van een zekere minachting tegenover de vele politieagenten. Daarom stel ik u onomwonden de volgende zeer concrete en pertinente vragen.
Ten eerste, wat is uw reactie op de inhoud van het CORESPO-rapport? Onderschrijft u die vaststellingen, en zo ja, welke concrete maatregelen hebt u genomen sinds de publicatie of ontvangst van het rapport? Uiteraard dateert het rapport niet van deze legislatuur, het sleept al enkele jaren aan, al sinds de periode waarin minister Verlinden verantwoordelijk was voor de politie.
Ten tweede, bent u op de hoogte van de getuigenissen en signalen over grensoverschrijdend gedrag, intimidatie en pestgedrag binnen de federale politie, specifiek op topniveau? En wat werd daarmee gedaan?
Ten derde, waarom blijft de heer Snoeck in zijn functie als commissaris-generaal? Acht u het verdedigbaar dat iemand die zich structureel onttrekt aan parlementaire controle en onder wiens leiding zulke wantoestanden zijn toegenomen, in functie blijft?
Ten vierde, hebt u de heer Snoeck intussen aangesproken op zijn weigering om openheid van zaken te geven aan het Parlement? Zo ja, wat was desgevallend zijn antwoord? Ik wil daaraan toevoegen, mijnheer de minister, dat we volledige transparantie hebben gevraagd en ook alle documenten hebben opgevraagd. Tot nu toe is dat nog altijd niet gebeurd. Namens de commissie hebben we opnieuw de vraag gericht aan de commissaris-generaal om dit in orde te brengen.
Ten slotte, mijnheer de minister, bent u bereid uw vertrouwen in de commissaris-generaal te herzien? Waarom blijft u deze man de hand boven het hoofd houden?
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar ik was nogal verwonderd over het zeer algemeen antwoord dat de heer Snoeck gaf tijdens zijn hoorzitting in de Kamer. Op veel van de vragen die ik heb gesteld, heeft hij niet eens geantwoord. We hebben afgesproken dat hij schriftelijk antwoorden zou nasturen. Die hebben we ondertussen ontvangen, maar ook die antwoorden blinken echt uit in vaagheid. Ik kan daar heel weinig mee.
Als nieuwkomer in het Parlement loop ik daarmee een beetje vast. Dat ik nieuwkomer ben, mag ik voorlopig nog zeggen, want ik zit hier nog maar bijna een jaar, maar daarna zal ik stoppen met dat excuus. Ik vind het erg moeilijk, omdat ik het rapport heb, met daarnaast een hele reeks verklaringen van politieambtenaren die dat rapport eigenlijk bevestigen, maar daartegenover staat de uitleg van de heer Snoeck, zowel tijdens de hoorzitting als in zijn schriftelijke antwoorden. Daar zit echt een groot verschil tussen. Het lijken twee parallelle universums. Ik vind het moeilijk om in te schatten wat daarvan klopt.
In ieder geval was het antwoord van de heer Snoeck op één punt wel duidelijk. Hij gaf aan dat het bij hen toch niet erger is dan elders. Dat vond ik een merkwaardige uitleg, maar goed. Hij gaf ook aan dat ze helemaal niet in een crisis zitten en dat het is tijd om de bladzijde om te slaan. Dat vond ik een vreemde reactie.
Mijnheer de minister, bent u het eens met die lezing, namelijk dat nu het rapport er is en verbeteracties zijn uitgevaardigd, we weer kunnen overgaan tot de orde van de dag? Deelt u de analyse dat geremedieerd is aan alles wat in het rapport staat? Zo niet, wat moet er nog gebeuren?
Een specifiek punt zijn de relaties tussen de leidinggevenden. In zijn antwoord zegt de heer Snoeck dat dat allemaal privéaangelegenheden zijn en dat men daarover dus eigenlijk niets kan zeggen. Dat is best mogelijk, maar de signalen die wij uit het veld ontvangen, wijzen erop dat door de relaties binnen het leidinggevend kader een aantal procedures niet meer functioneren. Een klacht tegen een leidinggevende moet bijvoorbeeld ingediend worden bij de partner van diezelfde leidinggevende.
Het gaat niet om een of twee gevallen, maar een tiental, en in zulke gevallen is er natuurlijk wel een probleem. In dat opzicht is het immers wel fundamenteel om van die relaties op de hoogte te zijn. Kunt u daarin enige klaarheid scheppen?
Éric Thiébaut:
Effectivement, monsieur le ministre, nous avons entendu, le 17 juin dernier, le commissaire général. En fait, il avait été invité à venir exposer sa vision de la police fédérale. C'était au départ la raison pour laquelle on l'avait invité devant cette commission; Moi, j'étais content. Comme vous le savez, je siège ici depuis longtemps et c'est plutôt assez rare. J'ai connu beaucoup de commissaires généraux, hommes et femmes. Habituellement, nous rencontrons beaucoup de difficultés pour nous assurer de leur présence.
Cela dit, nous avons entendu M. Snoeck. Ce n'est pas un inconnu pour la commission de l'Intérieur. En effet, lorsqu'il était patron de la police judiciaire fédérale, il est quand même venu, à l'époque, en compagnie des plus hauts magistrats du pays, nous expliquer la problématique que le monde policier rencontrait par rapport à la montée de la criminalité, par rapport à la criminalité violente liée à la drogue qui se développait dans notre pays. Ils sont venus avec un appel à l'aide très clair auquel, je pense, nous avons répondu.
Au départ, c'est quand même la tête pensante de l'opération Sky ECC, qui est peut-être la plus grosse opération policière de ce pays, ayant livré des résultats exceptionnels. Je pense que les qualités de M. Snoeck sont apparues à ce moment-là. Je pense que ce sont les résultats qu'il a obtenus dans le cadre de cette opération très spectaculaire qui l'ont propulsé à la tête de notre police fédérale. C'est ainsi qu'il découvre une police fédérale qui faisait face à de sérieux dysfonctionnements, avec des réformes à entamer au niveau de la structure, de l'organisation.
Vous savez, quand on bouscule des habitudes, quand on change des systèmes, en interne, il y a toujours, bizarrement, des gens qui n'aiment pas cela. Pour donner un exemple, quand vous désignez une personne mais qu'un affilié d'un syndicat aurait bien voulu être désigné à cette place, parfois le syndicat réagit pour attaquer la direction. Et du coup, cela devient un dysfonctionnement général, des dizaines de personnes se plaignent du commissaire général.
Or, lorsqu'un un problème de gestion du personnel se pose, en général, les syndicats réagissent. Vous allez me dire: "Ah, il y a une réaction syndicale". Pas de la CGSP, pas de la CSC, pas non plus du syndicat national de police! On a juste eu une réaction hyper violente de l'aile flamande du SLFP, comme par hasard. Et les autres syndicats ne réagissent pas. Moi, cela m'interpelle quand même. S'il y avait une grosse catastrophe au niveau de la gestion du personnel, je pense que tous les syndicats réagiraient.
Et donc, M. Snoek est venu s'expliquer. Il a reçu des questions assez virulentes et, quelque part, je trouve personnellement qu'il est resté très calme par rapport à la virulence de certains collègues ici, notamment par rapport à la mise en doute de son intégrité. Je trouvais que c'était vraiment déplacé.
Il n'a pas répondu directement à toutes les questions, notamment du fait qu'on lui a laissé pratiquement une demi-heure de temps de parole. Nous étions pris par le temps et nous devions arrêter. J'ai, dès lors, proposé – souvenez-vous, chers collègues – qu'il nous envoie toutes ses réponses par écrit. Et nous avons reçu une note de quand même 60 pages avec tous les éclaircissements.
Il est attaqué entre autres sur le fait qu'il n'a pas pris la voiture qu'on lui suggérait au départ. Il explique qu'en sa qualité de responsable de l'opération Sky ECC, qui a impliqué des centaines de truands, dont les plus dangereux du pays, il bénéficie d'un statut de protection à respecter notamment en ce qui concerne la voiture dont il dispose, une voiture avec un niveau de protection plus important que ce qu'on lui proposait et aussi avec une puissance de moteur qui permet de s'enfuir. Je ne pense pas que M. Snoek a choisi une voiture parce qu'il a un goût du luxe démesuré. C'est mon avis.
Finalement, j'ai le sentiment que nous assistons ici à une espèce de chasse à l'homme tout à coup et que toute une série d'acteurs lui mettent des peaux de bananes, alors que M. Snoek, votre commissaire général, a surtout besoin de soutien pour mener les réformes nécessaires au niveau de la police fédérale et pour continuer la lutte tout aussi nécessaire contre le crime organisé dans ce pays, fait quand même assez interpellant depuis des années.
Je ne m'étendrai pas davantage. Je trouve quand même que toutes ces attaques sont un peu déplacées et cela me laisse un goût bizarre quand je vois d'où elles surgissent, de quels partis et de quelle partie du pays. J'espère que le plus gros problème de M. Snoek, ce n'est pas qu'il soit francophone, en l'occurrence. En effet, si on commence à avoir des soucis avec cela, alors, notre pays est vraiment dans un très, très mauvais état.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, de federale politie is mij dierbaar. Het is dan ook goed dat we een actualiteitsdebat organiseren, al weet ik niet of de federale politie voor iedereen in dit parlement even dierbaar is, want ik vind het vreemd dat regeringspartij N-VA in dit debat afwezig blijft.
Net omdat de federale politie mij dierbaar is, moeten we de eventuele problemen aanpakken. Dat dient te gebeuren op het niveau van de commissaris-generaal. Die moet zijn verantwoordelijkheid opnemen, samen met het DirCom en de collega’s van de lokale politie.
U, als minister van Binnenlandse Zaken, en de regering dragen daarin ook verantwoordelijkheid. Het is voor mij van belang – en ik spreek ook vanuit het verleden – dat we problemen bij de federale politie niet laten aanslepen. In alle eerlijkheid denk ik dat dat in het verleden te vaak is gebeurd.
Ten tweede vind ik het belangrijk – en daarin sluit ik mij aan bij de woorden van mijnheer Thiébaut– dat we voorzichtig zijn met intentieprocessen en niet alles op een hoop gooien. Als ik de voorzitter in zijn hoedanigheid van parlementslid hoor zeggen dat de positie van mijnheer Snoeck onhoudbaar is en vraagt of men hem nog kan verdedigen, dan moeten we toch voorzichtig zijn. Ook wij als parlementsleden dragen immers verantwoordelijkheid, en we mogen de problemen niet groter maken dan ze zijn. We moeten ze daarentegen helpen oplossen vanuit deze commissie. Nu al een proces opstarten over de houdbaarheid van de positie van mijnheer Snoeck, vind ik dan ook heel erg prematuur.
Ik ben het dus eens met collega Thiébaut dat we geen chasse à l’homme mogen organiseren, maar tegelijk moeten er wel antwoorden komen, als er gelegitimeerde vragen zijn. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het verhaal van de BMW. We hebben het antwoord van de commissaris-generaal daarover gelezen.
Het is belangrijk, mijnheer de minister, dat we ook uw standpunt daarover horen. Hoe reageert u als minister van Binnenlandse Zaken op de hoorzitting en op de inhoud van de brief? Welke conclusies trekt u daaruit?
Mijnheer Snoeck sprak tijdens de hoorzitting over een strategisch plan, dat hij tegen de zomer – dus ongeveer nu – zou indienen. Is dat strategisch plan afgestemd op de budgettaire afspraken die werden gemaakt in het kader van het paasakkoord? Dat akkoord bepaalt dat 35 % van de voorziene 250 miljoen naar de federale politie gaat. In totaal gaat het dus om 87,5 miljoen euro via frontloading. Is het plan daarop afgestemd? Of is dat plan strategischer van niveau? Dat kan natuurlijk ook.
Ten derde, als we het hebben over budgetten, is een van de grootste structurele problemen bij de federale politie sinds haar ontstaan, dat er te veel budget naar het personeel gaat. Bijna 90 %, meer dan 85 %, gaat naar het personeel, waardoor er geen of nauwelijks middelen overblijven voor de werking, laat staan voor investeringen. Dat is volgens mij een van de kernelementen om de problemen bij de federale politie aan te pakken. Hoe bekijkt u dat, mijnheer de minister?
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, le 17 juin dernier, lors de l'audition du commissaire général, de nombreuses questions, parfois très virulentes, ont été adressées quant aux pratiques existant au sein du commissariat général. Poser des questions est normal. Il importe de pouvoir le faire, et que le commissaire général et vous, monsieur le ministre, puissiez nous éclairer sur la situation.
Le format qui était proposé n'a pas permis au commissaire général de répondre à toutes les questions. Nous avons donc accepté que les réponses nous parviennent par voie écrite. Certaines nous éclairent tandis que d'autres nous interpellent encore.
Comme vous le savez, la confiance dans la direction générale, et plus particulièrement dans le commissaire général, fait l'objet de critiques. J'ignore si elles sont fondées, mais vous pourrez certainement nous fournir des éclaircissements.
Des témoignages font état d'un climat de méfiance – généralisé ou pas? –, de relations hiérarchiques parfois malsaines, de comportements transgressifs, d'une gouvernance déficiente. Ces mots sont très durs pour une haute fonction de l'État.
À côté de cela, la situation financière de la police fédérale conserve des zones de flou, malgré la mise en place d'une cellule budgétaire. Il y a des chiffres contradictoires sur l'évolution budgétaire et sur les moyens réels disponibles. Aucun tableau d'ensemble clair ne nous est présenté.
En ce qui concerne la réforme interne menée par le commissaire général, la multiplication des services et des effectifs, ainsi que l'orientation et la cohérence de cette réorganisation soulèvent encore des questions. À titre d'exemple, l'arrêté royal du 27 octobre 2015 prévoit 74 collaborateurs pour le commissaire général. Dans les faits, ce nombre est dépassé de 60 personnes, avec un effectif total de 134 personnes.
Monsieur le ministre, le commissaire général n'avait pas pu répondre à l'ensemble de nos questions. Avez-vous pris connaissance des réponses écrites? Quelle est votre opinion globale sur les réponses formulées?
Pouvez-vous nous éclairer sur la situation financière actuelle de la police fédérale? Comment le budget et les effectifs ont-ils évolué au cours des dix dernières années? Quelles décisions stratégiques ont-elles été prises sur cette base?
Comment justifiez-vous l'augmentation substantielle des effectifs au sein du commissariat général au-delà des limites prévues par l'arrêté royal? Sur quelle base budgétaire cela repose-t-il? Quelle capacité est-elle nécessaire pour chacune des missions du commissaire général?
J'imagine que vous êtes bien informé des témoignages de harcèlement, de favoritisme, de leadership toxique et de gestion RH problématique. Partagez-vous cette position ou de quelle manière pouvez-vous la nuancer ou la contredire?
Quelles leçons globales tirez-vous de la situation actuelle? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir et maintenir un climat de confiance au sein de la police fédérale? Cela semble tout à fait essentiel.
Greet Daems:
Mijnheer de minister, de federale politie is een belangrijke dienst die mee waakt over de veiligheid van de burgers in ons land. Seksisme, misogynie , racisme, pesten op het werk, en machtsmisbruik door leidinggevenden horen gewoon niet thuis in zo'n dienst. Voor alle duidelijkheid, ze horen nergens thuis. Als zulke zaken voorkomen bij de politie is dat niet alleen ernstig voor de medewerkers, want zo'n werksfeer zorgt voor persoonlijke drama's, maar het is ook ernstig voor de burgers.
Uit het antwoord van de commissaris-generaal blijkt dat er ondertussen bij de federale politie wel actie wordt ondernomen om het wangedrag aan te pakken. Ik las over de implementatie van de klokkenluiderswetgeving en over de invoering van een meldkanaal, over extra capaciteit op de dienst Integriteitbevordering en -bewaking en over de uitbouw van het netwerk van vertrouwenspersonen voor psychosociale aspecten. Dat zijn allemaal noodzakelijke stappen, maar die zijn duidelijk nog lang niet genoeg, gelet op de ernst van het probleem. Ik meen dat er nog veel meer moet gebeuren.
Tegelijkertijd viel op dat er in het antwoord van de heer Snoeck wordt verwezen naar structurele tekorten. Er is te weinig personeel, er zijn te weinig middelen, er zijn te veel dossiers die tegelijkertijd aangepakt moeten worden. Kortom, de problemen worden wel erkend, maar ze worden vertraagd aangepakt, onder meer omdat de ruimte ontbreekt.
Dat roept vragen op. Als we echt een veilige en integere politie willen, voor alle medewerkers en voor de samenleving, moeten we ook durven kijken naar de financiële onderbouw. Ik ben dus heel benieuwd hoe u kijkt naar het antwoord dat ons werd bezorgd door de heer Snoeck en wat u vindt van zijn analyse dat een chronisch tekort aan middelen en personeel bij de federale politie de uitvoering van beleid, de interne werking en het personeelsbeleid ondermijnt.
Xavier Dubois:
Monsieur le ministre, je suis assez étonné, même un peu heurté, des propos qui ont été tenus en début de séance. Insinuer que le commissaire se soustrait au contrôle parlementaire m'évoque une sorte de chasse aux sorcières, Je ne peux pas l'accepter, je ne peux pas l'entendre.
On l'a entendu. S'il n'a pas effectivement répondu à toutes les questions mais nous avions convenu, sur proposition du collègue, que les réponses soient données par écrit à ces questions auxquelles il n'avait pas eu le temps de répondre. C'est le cas. Le commissaire nous a envoyé ses réponses et nous sommes en train de les analyser. Nous avons également convenu entre nous de l'entendre à nouveau à la rentrée, notamment à la suite de son dépôt de plan stratégique. Il s'agit d'un projet crucial pour la police qui nécessite une réorganisation, une vision nouvelle, en phase avec les priorités données par le nouveau gouvernement, qui, je le rappelle, est en place depuis le mois de février maintenant.
Je pense qu'on doit aussi laisser le temps aux services de pouvoir prendre connaissance des annotations, des stratégies qui sont souhaitées par le gouvernement et de pouvoir les implémenter par la suite.
En ce qui me concerne, je reste sur le schéma convenu. Nous entendrons de nouveau le commissaire, ce sera l'occasion de lui reposer des questions, d'approfondir non seulement les dossiers évoqués, mais également ce rapport, d'autres rapports, et, bien entendu, toutes les priorités importantes pour le bien-être des policiers et de la population.
Ma question, monsieur le ministre, est assez simple: quel est votre avis quant aux origines du malaise qui sont évoquées dans ce rapport? Quelles sont les politiques que vous souhaitez mener, parce que cela relève aussi, finalement, de votre responsabilité? Car le commissaire met en œuvre la politique du gouvernement, mais il y a surtout un gouvernement qui donne les orientations, qui définit les actions à mettre en place. Quelles sont donc vos propositions pour faire en sorte de retrouver un climat serein au sein de la police? Ce climat serein participe, je le rappelle, au bien-être des agents, mais aussi, bien entendu, au bien-être et à la sécurité de la population. Enfin, j'ai entendu que le commissaire était germanophone. En tout cas, il n'est pas néerlandophone.
Bernard Quintin:
Monsieur le président, malheureusement, mon niveau d'allemand étant ce qu'il est, je ne veux pas me faire attraper parce que j'écorcherais la belle langue de Goethe.
Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers van de natie, tijdens de hoorzitting van 17 juni hebt u een uitgebreide reeks vragen voorgelegd aan de commissaris-generaal van de federale politie. Hij kreeg de gelegenheid om tijdens de vergadering antwoorden te formuleren. Het debat kon echter niet worden afgerond. Volgens verschillende commissieleden bleven bepaalde vragen onvoldoende beantwoord. Daarom werd de commissaris-generaal verzocht om uiterlijk op 7 juli bijkomend schriftelijke antwoorden te bezorgen. Dat is inmiddels ook gebeurd, in een uitvoerig document met verschillende bijlagen.
J’ai pris connaissance, a posteriori , des réponses du commissaire général. Il n’y avait en effet pas de raison que je les valide. Vous lui avez posé des questions, il vous a répondu. J’ai bien reçu les réponses qu’il vous a transmises. Sont-elles satisfaisantes? Ce sont des réponses que le commissaire général adresse au Parlement. Il ne revient pas, vous en conviendrez, au ministre de l’Intérieur de se prononcer sur leur caractère satisfaisant ou non.
Le commissaire général reviendra vous voir courant septembre pour poursuivre ce qui doit rester, en effet, une audition dans les formes – des formes, je dirais, tant structurelles que de courtoisie – afin de répondre à vos questions.
Een aantal commissieleden hebben mij ondertussen ook een reeks vragen gesteld, waarop ik vandaag globaal zal antwoorden in de vorm van vier verschillende onderdelen. Binnen de mij toegewezen tijd kan ik niet op elke vraag in detail ingaan.
J’aborderai le bien-être des collaborateurs, la situation financière de la police fédérale, le plan stratégique pour la police fédérale ainsi que la sélection, le recrutement et la formation.
Messieurs Depoortere, Thiébaut et Vandemaele, madame Delcourt, vous avez posé des questions concernant d'éventuelles atteintes à l'intégrité, la procédure CORESPO, l’enquête IDEWE et ma confiance dans la direction de la police fédérale. Je relèverai trois thèmes en matière de bien-être.
Tout d'abord, pour parler de plusieurs atteintes à l'intégrité potentiellement graves, je condamne par principe et fermement toute forme de comportement discriminatoire et inapproprié, le harcèlement et/ou un leadership inapproprié voire toxique. Il incombe à la hiérarchie de garantir un environnement de travail sûr et intègre pour tous les collaborateurs et toutes les collaboratrices. Je ne suis pas au courant de dossiers individuels et je n'ai pas à l'être. Je reste cependant convaincu que tous les signalements effectués via les canaux prévus à cet effet doivent être traités de manière appropriée.
Le commissaire général a récemment lancé un audit interne à ce sujet. S'il s'agit d'infractions pénales, il appartient au parquet d'agir. Les dossiers disciplinaires sont soumis à la réglementation disciplinaire en vigueur. Je découvre encore ce domaine, mais je peux vous dire que les procédures sont suivies et que tous les mécanismes que l'on est en droit d'attendre de la part d'un grand corps comme celui de la police fédérale sont en place et fonctionnent.
Je tiens également à souligner l'existence de canaux de signalement formels pour les atteintes à l'intégrité, conformément à la législation relative aux lanceurs d'alerte, tant en interne qu'en externe ou par voie de publication.
Niemand kan verplicht worden om een melding te doen bij een vertrouwenspersoon, ongeacht een eventuele persoonlijke band. Integendeel, elke schijn van partijdigheid moet net worden vermeden.
Ten tweede: het lopend CORESPO-traject heeft als doel, conform het model voor Governance, Riskmanagement en Compliance, cultuur- en risicodetectie uit te voeren. CORESPO brengt mogelijke ethische risicozones in kaart, zowel op het niveau van de organisatie als van haar verschillende geledingen. Daarbij zijn zeker werkpunten vastgesteld, vooreerst met betrekking tot de geïdentificeerde integriteitsrisico’s, daarnaast wat betreft het volledige procesverloop, de interne terugkoppeling en de communicatie.
Dat gezegd zijnde, het komt er nu op aan om de vastgestelde risico’s te beheren en het ethisch handelen en de conformiteit ervan te waarborgen. Het moet gebeuren aan de hand van gerichte acties. Voor de DGJ kan ik u alvast meedelen dat het eindrapport Respect DGJ in april 2025 aan de vakorganisaties is voorgelegd en dat het concrete actieplan in juni 2025 is gepresenteerd. Ik heb er vertrouwen in dat de uitwerking en opvolging via de geijkte kanalen zal verlopen. Ik zal dat blijven opvolgen.
Ten derde: de IDEWE-onderzoeken van 2019 en 2024 hebben een heel andere finaliteit en beleidskader dan CORESPO. IDEWE opereert immers binnen het wettelijk kader inzake welzijn op het werk en hanteert een andere methodologie en doelgroep. IDEWE meet indicatoren van welzijn en psychosociale belasting, terwijl CORESPO een intern instrument is voor cultuur- en risicodetectie dat meer focust op leiderschap, conflictdynamiek, perceptie van rechtvaardigheid en interpersoonlijke dilemma’s.
De resultaten van het IDEWE-onderzoek van 2024, gevalideerd in de overlegorganen met de vakorganisaties, tonen: een algemene verbetering van de welzijnsindicatoren, een stabilisatie van ongewenst gedrag, betere interpersoonlijke relaties en een daling van signalen van psychosociaal onbehagen. Beide instrumenten, CORESPO en IDEWE, vullen elkaar dus aan, maar mogen niet met elkaar worden verward of rechtstreeks naast elkaar worden gelegd.
Vous m’avez également interrogé sur la confiance que j’ai dans la direction de la police fédérale. Un ministre de la Sécurité et de l’Intérieur doit pouvoir avoir confiance en sa police. Et je peux vous dire que j’ai cette confiance, mais elle n’est pas aveugle. Elle est fondée sur les démarches que la direction entreprend et entreprendra, sur sa volonté de dialogue et sur son engagement à améliorer structurellement le fonctionnement de l’organisation de la police fédérale. C’est une mission quotidienne, qui n’est ni simple ni facile. Des comptes doivent être rendus tant au sein de l’organisation qu’à l’extérieur de celle-ci, tout comme d’ailleurs devant ce Parlement. Nous savons qu’il existe des points sensibles et des points à améliorer. Et nous devons aussi faire confiance à la direction de la police pour s’y atteler avec la détermination nécessaire.
J’en profite pour faire une incise sur les questions de sécurité. Je vous avoue que je ne me suis pas penché sur la question de la marque de la voiture à choisir. La sécurité est un sujet important que nous devons laisser aux services de sécurité – et c’est quelqu’un qui a vécu trois ans entouré de gardes de corps au quotidien qui vous le dit.
Mme Delcourt, messieurs Van Tigchelt et Thiébaut et Mme Daems, vous m'avez posé des questions sur la situation budgétaire de la police.
Ik vertel niets nieuws als ik zeg dat de situatie bij mijn aantreden als minister toch wel verrassend was.
Près de 89 % des moyens sont absorbés par les dépenses en personnel, ce qui limite évidemment fortement les marges pour investir dans les infrastructures, les véhicules, l'équipement et les outils numériques.
Dat moet veranderen. De personeelsmiddelen terugbrengen naar 85 % is een goede ambitie.
L'utilisation de la provision "sécurité", dont on a parlé, permettra notamment d'améliorer le ratio des crédits. Ceux-ci seront utilisés aussi pour couvrir une partie des moyens nécessaires dans le cadre de la réforme en cours, menée par le commissaire général. Certains projets ont déjà retenu mon attention et feront l'objet d'une utilisation cette année, tels que l'investissement dans le matériel de la DSU, le renouvellement de la flotte de véhicules ou encore l'acquisition de matériel informatique.
Donc il y a des carences, c'est une évidence. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, dans la situation budgétaire difficile que nous connaissons et qui impose des mesures sévères mais nécessaires, j'ai la chance de pouvoir diriger deux départements, l'Intérieur, globalement exempt d'économies, et la police fédérale, totalement exempte d'économies – et même dotée d'un budget supplémentaire de 450 millions. J'ai même réussi, par une petite pirouette, à récupérer 45 millions de plus pour ce budget.
Ces moyens seront consacrés à mettre la police au goût du XXIe siècle, à la fois dans les moyens dont elle dispose mais aussi dans l'adéquation de ses moyens avec la réalité de la criminalité qui est la nôtre aujourd'hui et qui n'est pas celle d'il y a 25 ans, quand la police intégrée à deux niveaux a été créée dans le cadre de la grande réforme de la police dans notre pays. C'est une tâche qui m'occupe jour et nuit – littéralement – vu l'heure à laquelle on termine les kern pour le moment.
In mijn derde punt kom ik tot de vragen over het strategisch plan voor de federale politie. Op vraag van de minister van Justitie, mevrouw Verlinden, en mijzelf, wordt door de commissaris-generaal en het directiecomité de laatste hand gelegd aan een ontwerp van strategisch plan. Dat is een noodzakelijk initiatief voor de goede werking en coördinatie van een beter gemanagede en meer performante federale politie.
Ik verwijs opnieuw naar de begroting. U weet hoe dat werkt. Ik moet u zeggen dat ik echt verbaasd was toen ik zag dat bijna elk departement zijn eigen budget heeft. Het is bijna onmogelijk om budgetten te transfereren.
C'est vraiment une organisation archaïque, sans parler de la difficulté pour les autorités de la police fédérale de faire des transferts, parfois même de deux personnes d'un service à l'autre, sans devoir se lancer dans des concertations tout à fait impossibles. Il faut aussi pouvoir reconnaître que l'organisation qui a été mise en place au fur à mesure des années ne facilite pas la flexibilité, qui est absolument fondamentale pour un service comme celui de la police fédérale.
Je vous assure que c'est une chose à laquelle j'ai l'intention de remédier. J'insiste un peu parce que je pense que j'aurai besoin de l'appui de cette Chambre et certainement de cette commission pour pouvoir le faire.
Ik kom terug tot het plan. We rekenen erop dat plan te finaliseren en goed te keuren in september 2025.
Het doel van het plan is een duidelijke en ambitieuze visie uit te tekenen voor de ontwikkeling op middellange termijn. Vier thema's zullen aan bod komen, ten eerste, de visie van de federale politie tegen 2030, ten tweede, de uitoefening van de sleutelopdrachten met concrete doelstellingen om de kwaliteit en de impact van de diensten te verbeteren, ten derde, de verbetering van de interne werking, en ten vier, het voorzien in de nodige middelen en de nodige capaciteit.
De ontwikkeling van dat strategisch plan ligt in het verlengde van de opdracht die de commissaris-generaal kreeg bij zijn aanstelling al commissaris-generaal ad interim, met name de continuïteit verzekeren en het management versterken, en de toekomst van de federale politie voorbereiden.
Ik vertrouw erop dat een dergelijk strategisch plan de solide basis kan vormen voor een rationalisering, en vooral de veiligheid van de burger zal dienen.
Het vierde punt gaat over de selectie en de rekrutering.
Pour répondre à Mme Delcourt et à M. Thiébaut, travailler sur de nouveaux engagements est essentiel et la police doit être un employeur moderne et attractif. Et là, on touche à deux points absolument fondamentaux. Il y a un déficit global de 15 % au niveau de la police fédérale, mais avec parfois des déficits beaucoup plus importants dans un certain nombre d'unités. C'est un vrai problème.
Comme j'ai eu l'occasion de le dire à plusieurs reprises, il y a aussi le fait que la police fédérale fonctionne dans le monde d'aujourd'hui. Et dans le monde d'aujourd'hui, recruter des policiers est beaucoup plus difficile au regard de la manière dont le rapport au travail est envisagé. Je n'ai pas de jugement de valeur par rapport à cela; c'est une réalité dans laquelle nous vivons. Mais on est confronté à cette réalité par rapport à un métier de police qui a un certain nombre d'exigences.
J'accorde une grande importance à la recherche de candidats via par exemple des viviers ciblés, à la sélection de ces mêmes candidats, à l'engagement des lauréats et à leur formation. Depuis septembre 2021, une nouvelle procédure de sélection et de recrutement est mise en œuvre. Ses principaux objectifs sont notamment de réduire le délai de sélection à 90 jours – ce que je compte mettre en application extrêmement rapidement – et, compte tenu du marché du travail concurrentiel, d'attirer et fidéliser non seulement des profils généraux mais aussi des profils spécialisés, tels que des experts financiers et des spécialistes de la cybercriminalité pour n'en citer que deux, au moyen de parcours de carrière adaptés.
L'évaluation de cette procédure est toujours en cours mais certains points d'amélioration sont déjà clairs, tels que la nécessité d'une meilleure coordination entre la mobilité interne et le recrutement externe ainsi qu'un besoin d'appui numérique renforcé. Un plan d'action sera élaboré à court terme.
Le plan de personnel "flexible", c'est le mot magique, vise à introduire davantage de souplesse par rapport au tableau organique strict actuellement en vigueur, tel que fixé par l'arrêté royal du 27 octobre 2015. L'objectif est de permettre à la police fédérale d'adapter plus dynamiquement ses effectifs en fonction des besoins, des priorités et des moyens disponibles.
Grâce à un plan stratégique pluriannuel aligné sur les objectifs de l'accord de gouvernement fédéral, le plan de personnel flexible doit créer plus de marge de manœuvre en matière de gestion des ressources humaines. J'attends à cet égard les propositions concrètes de la police fédérale.
La modernisation de la formation policière est un processus de réforme stratégique qui fait partie des engagements pris dans l'accord de gouvernement fédéral. Je souhaite même aller plus loin et aborder non seulement l'enseignement policier mais aussi les formations axées sur la sécurité (protection civile, pompiers, sécurité privée) dans la globalité.
Je crois que j'ai déjà eu l'occasion de dire que je compte organiser au dernier trimestre de cette année une grande table ronde ou un pow-wow – je n'ai pas encore défini précisément le mot – sur l'attractivité de la fonction de police. On doit travailler sur le recrutement, sur la formation, sur la formation continue de notre police et sur ses plans de carrière.
Ce n'est pas simple mais je pense que c'est absolument nécessaire si on veut avoir un vivier suffisant pour pouvoir recruter dans les différents services et permettre cette flexibilité non seulement au sein de la police fédérale mais aussi entre la police fédérale et les zones de police locale.
U merkt dat er nog werk op de plank ligt. Ik ben gemotiveerd en ik hoop op jullie te kunnen blijven rekenen om de vele uitdagingen aan te gaan. Ik dank jullie.
Ortwin Depoortere:
Dank u wel, mijnheer de minister. Zoals men dat in het Frans noemt: noyer le poisson . Het ging hier over het welzijn op de werkvloer, het ging over schrijnende getuigenissen van personeelsleden binnen de federale politie, en we zijn geëindigd bij een strategisch plan en de selectie en rekrutering. Uiteraard zijn de budgetten belangrijk en uiteraard is het personeelsbestand belangrijk, maar dat was niet het onderwerp van mijn vraag – misschien wel van andere collega’s, maar niet van mij.
Mijn pertinente vragen gingen over hoe u reageert op al die aantijgingen, hoe u reageert op het verweer van de commissaris-generaal. En ik vraag niet – en dat zal ook blijken uit mijn motie, die ik straks indien, mijnheer Van Tigchelt – het ontslag van de commissaris-generaal. Ik ben niet bezig met een chasse à l’homme , zoals mijnheer Thiébaut het zegt. En tussen haakjes, mijnheer Thiébaut, u bent verwonderd over de reactie van de grootste politievakbond, het VSOA. U ontwaart zelfs communautaire spoken. Maar ik ben verwonderd dat u en uw partij het opnemen voor de top en de gewone personeelsleden, die schrijnende getuigenissen hebben afgelegd, eigenlijk in de steek laten. Dat verwondert mij alleszins van een zelfverklaarde socialistische partij.
We mogen toch niet vergeten, mijnheer de minister, dat het hier ging over de disfuncties, misschien niet alleen bij de persoon van de commissaris-generaal, maar toch zeker in het management van de federale politie, aan de top van die organisatie. Dat men dat nu probeert te ontkennen of te minimaliseren, tart werkelijk alle verbeelding.
En als u inderdaad spreekt over de personeelstekorten – en die zijn er, dat is duidelijk –, dan weet u ook dat de federale politie steeds meer begint te lijken op een Mexicaans leger: met een zeer vette, dikke top en veel te weinig gewone personeelsleden, te weinig soldaten – als ik het zo mag zeggen – op het terrein.
Het verwondert mij ook vandaag dat sommige collega's blijkbaar de voorgeschiedenis van deze hele malaise vergeten zijn, of toch alleszins – bewust of onbewust – niet vermelden. Ik wil u eraan herinneren dat het CORESPO-rapport dateert van 2023. We zijn intussen meer dan twee jaar verder en nu pas kunnen we de minister hier ter verantwoording roepen, kunnen we de commissaris-generaal ter verantwoording roepen. Meer dan twee jaar hebben we moeten wachten op een antwoord. Ik noem dat – en ik trek die woorden niet terug – een vorm van poging tot onttrekking aan de parlementaire controle, mijnheer Van Tigchelt.
Mijnheer de minister, voor het Vlaams Belang is het duidelijk dat hier ook een zware politieke verantwoordelijkheid in het spel is. Bovendien – en dat is wat we wél vragen in onze motie – kan men niet rechter en partij tegelijk zijn. De klokkenluiders, de schrijnende getuigen en getuigenissen, kunnen momenteel nergens terecht binnen de federale politie, want die is rechter en partij tegelijk. Het was daarom dat wij, als Vlaams Belang, een onafhankelijke en externe doorlichting vragen van de federale politie. Dat zou klaarheid brengen, dat zou objectivering brengen en dat zou ook de ongerustheid en de angstcultuur die er heerst bij klokkenluiders binnen de federale politie, minstens gedeeltelijk kunnen wegnemen.
En ik blijf erbij, we gaan de commissaris-generaal inderdaad in september opnieuw horen. Ik hoop dat we tegen dan ook alle documenten te zien krijgen waarop we recht hebben. Als men openbaarheid en transparantie wil, dan moet men het debat ook ten volle durven voeren, ook aan de kant van het management van de federale politie.
In uw regeerakkoord, mijnheer de minister, beloofde u een doorlichting, maar die zou intern moeten verlopen. Ik ben van mening dat deze doorlichting extern moet worden georganiseerd, gezien de situatie, de vele getuigenissen, de grote malaise en het CORESPO-rapport.
Daarom, mijnheer de minister, heb ik een motie van aanbeveling ingediend.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik pleit er zeker niet voor dat de heer Snoeck moet vertrekken. Wel vind ik het rapport en de verhalen waarmee wij worden geconfronteerd veraf staan van het verhaal van de heer Snoeck. Daar zit ruis op. De schriftelijk ontvangen antwoorden zijn onduidelijk. Ze zijn van dezelfde vaagheid als het antwoord dat we tijdens de hoorzitting van de heer Snoeck kregen.
Vertrouwen is toch wel het sleutelwoord, zowel binnen de politie als vanuit de politiek. Of het nu ministers, meerderheid of oppositie betreft, ook wij moeten vertrouwen kunnen hebben in de politietop. In die context blijft een en ander mij tegen de borst stuiten. Op een bepaald moment vermeldde u bijvoorbeeld dat men altijd een beroep kan doen op de procedure voor klokkenluiders. Voor veel dossiers die men bij een superieur wil aankaarten, kan men de klokkenluiderprocedure echter niet gebruiken, aangezien die procedure voor uitzonderlijke gevallen is bedoeld. Daarom blijf ik terugkomen op de kwestie van relaties tussen hiërarchische oversten. Wie een probleem heeft met een leidinggevende en niet terechtkan bij de leidinggevende van het hogere niveau omdat beide leidinggevenden een relatie hebben met elkaar, kan onmogelijk naar de klokkenluidersprocedure worden doorverwezen, want die procedure is daarvoor niet bedoeld. Wie met wie samenwoont of welke persoonlijke banden er zijn, hoef ik niet te weten, maar op zijn minst moet voor gevallen van een hiërarchisch probleem een oplossing worden geboden, zodat dergelijke problemen aangekaart kunnen worden.
U zegt dat u geen blind vertrouwen hebt en dat vind ik goed, want ook wij hebben geen blind vertrouwen. Daarom blijven we aandringen. Hopelijk zal de commissaris-generaal in september iets inschikkelijker zijn, uitvoeriger en meer to the point antwoorden. We hebben immers – en daarin zijn wij allemaal bondgenoten – nood aan een sterke politie, aan een stevige federale politie. Dat kan enkel als er voldoende openheid is.
Ik kijk dan ook uit naar de hoorzitting in september.
Éric Thiébaut:
Merci, monsieur le ministre pour vos éclaircissements, vos réponses et certaines prises de position. Je pense que vous avez été mesuré et plein de bon sens dans votre réponse. Je ne vous frotte pas la manche, mais c'était bien. Je pense que, justement, dans ce genre de dossier, il faut garder une certaine mesure. Et le collègue Van Tigchelt l'a dit, il ne faut pas jeter le bébé avec l'eau du bain, il ne faut pas exagérer.
Je reste en outre persuadé qu'il serait intéressant d'auditionner les syndicats. Je l'ai proposé, mais cela a été refusé. On ne peut pas à la fois s'appuyer sur les dires d'un candidat d'un seul syndicat, et refuser par la suite d'entendre tous les syndicats concernés. C'est quand même un peu bizarre. Je redemanderai donc officiellement au président s'il est possible d'organiser des auditions de toutes les organisations syndicales.
J'entends également parler du Comité P, mais ce dernier peut être saisi à tout moment sur simple dépôt de plainte. Dans ce cas de figure de dysfonctionnement, de harcèlement, de problématiques inacceptables, un policier peut s'adresser à l'AIG, mais on pourrait dire qu'elle est sous l'autorité de la police fédérale. Le Comité P est sous l'autorité du Parlement. Il existe quand même des possibilités pour des lanceurs d'alerte, même à la police fédérale.
Pour revenir à M. Snoeck, il s'est expliqué ici. Il nous a envoyé des explications complémentaires qui n'ont pas l'air de satisfaire à 100 % certains de mes collègues. Il reste selon eux des zones d'ombre. Je pense qu'il faut alors profiter de la prochaine audition qui aura lieu en septembre pour éclaircir les choses. Mais il ne faut pas déjà condamner quelqu'un avant même qu'il ait pu s'expliquer. Je trouve cela un peu dur.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kan mij vinden in veel zaken die hier tijdens de replieken zijn aangehaald.
Het gaat om transparantie. Zonder transparantie kan er geen vertrouwen zijn. Transparantie moet dus maximaal worden geboden. Als parlementsleden hebben we een beleidsmatige functie, dus die transparantie kan zonder op individuele dossiers in te gaan. We zijn hier geen rechter, geen tuchtorgaan of iets dergelijks in individuele dossiers.
Ik herhaal ook dat de federale politie uiteraard belangrijk is en zal blijven. Het voorbeeld van Sky ECC is aangehaald, en we kunnen veel andere voorbeelden opnoemen.
Waaraan we in de huidige turbulente tijden vooral nood hebben, is aan een federale politie, een overheid en veiligheidsdienst die, zoals in het Engels wordt benoemd, agile zijn, namelijk wendbaar en in staat om de vele uitdagingen op een performante manier aan te gaan. Daarin speelt het personeel een belangrijke rol. De personeelsleden van de federale politie moeten het tenslotte elke dag doen. Zij maken maken het verschil. Ook daarom zijn transparantie en vertrouwen noodzakelijk.
Alles begint naar mijn mening bij de leiding. Lead by example . De commissaris-generaal moet daarin het goede voorbeeld geven, samen met het DIRCOM.
Mijnheer de minister, we rekenen erop dat u daarop samen met ons blijft toezien in de toekomst, aangezien het te belangrijk is.
Catherine Delcourt:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses, mais aussi pour tous les commentaires qui les ont accompagnées.
J'aime évidemment vous entendre dire que vous êtes motivé. La police fédérale est une structure forte et elle doit le rester.
En tant que parlementaire, au vu des préoccupations persistantes concernant la gouvernance, le climat interne et les moyens alloués, je resterai attentive. Je continuerai à vous interroger
Je suis très heureuse que M. Snoeck puisse revenir en commission pour se soumettre à nouveau aux questions des parlementaires. Rares sont ceux qui viennent une première fois, répondent par écrit et reviennent ensuite. Cela témoigne d’une volonté de partager l’information.
Je suis convaincue que la tête d’une organisation doit être forte, faire preuve d’intégrité, de transparence et de rigueur, y compris sur le plan budgétaire, afin de susciter la confiance. Cette confiance est essentielle au niveau de la sécurité de notre État de droit.
Voorzitter:
Monsieur Dubois, si vous voulez répliquer, je vous donne la parole.
Xavier Dubois:
Je vous remercie, monsieur le président, de me laisser la possibilité de répliquer.
Je tiens, en tout cas, à vous remercier, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je retiens deux thèmes importants que vous avez cités.
Premièrement, vous avez évoqué le bien-être au sein de la police. Bien entendu, vous condamnez tous les risques mis en lumière ainsi que les atteintes potentielles à l’intégrité mentionnées dans ce rapport. C’est une démarche nécessaire.
J’ai également entendu qu’un audit interne a été lancé, ce qui est une bonne chose. Un plan d’action aurait déjà été établi et transmis aux syndicats. Il serait intéressant de pouvoir en prendre connaissance.
Le deuxième thème est celui de la confiance. Vous établissez cette confiance nécessaire, et vous la garantissez, mais il s’agit d’une confiance qui ne doit pas être aveugle. Il est en effet essentiel d’adopter cette posture: une confiance fondée sur les actions en cours et celles à venir.
Je crois que nous l’avons toutes et tous souligné, un point d’attention majeur sera ce fameux plan stratégique, qui est très attendu.
En conclusion, je ne partage pas l'avis selon lequel le commissaire général se soustrairait au contrôle parlementaire. Ce n'est pas le cas. Il a répondu aux questions en commission, il a répondu par écrit, et il reviendra.
Nous attendons avec grande impatience ce plan stratégique pour pouvoir évaluer la manière dont nous mettrons en œuvre la politique souhaitée par le gouvernement.
Brent Meuleman:
Bedankt, voorzitter, dat u mij de kans geeft om ook te repliceren.
Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Zoals ik in het verleden al heb gezegd, mensen die elke dag hun stinkende best doen om onze veiligheid te garanderen, verdienen het natuurlijk om ook zelf in een veilige omgeving te kunnen werken. In die zin ben ik bijzonder tevreden met uw strenge veroordeling van alles wat te maken heeft met ongepast gedrag, toxisch leiderschap, pestgedrag enzovoort.
Het is goed dat er een audit loopt. Ik denk dat we allemaal de vinger aan de pols zullen houden en dat u dat als minister ook zult doen. Wij zullen in elk geval ons werk doen. Daarom is het goed dat de commissaris-generaal in september opnieuw naar het Parlement komt om de vragen van de parlementsleden te beantwoorden.
U zult in Vooruit een partner vinden om de broodnodige hervormingen uit te voeren.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat de malaise bij de federale politie nefast is voor de veiligheid van onze burgers; - overwegende dat een werkplaats waar grensoverschrijdend gedrag welig tiert, werknemersuitval vergroot en de vele openstaande vacatures moeilijk kan invullen; - overwegende dat de strijd tegen georganiseerde misdaad en zware criminaliteit cruciaal is; - overwegende dat persoonlijke belangen van individuele functionarissen de operationele capaciteit van anderen niet mogen hinderen en de hele organisatie niet mogen schaden; vraagt de regering - het welzijn en de veiligheid van agenten, inspecteurs en personeelsleden van de federale politie in het algemeen te verzekeren; - de gebouwen van de veiligheidsdiensten naar behoren te onderhouden; - een externe doorlichting te bevelen van de federale politie; - het Comité P op te dragen de vele klachten van en getuigenissen over wangedrag te onderzoeken; - de machtsposities van betrokkenen waar nodig te herzien; - grondige interne hervormingen voor te bereiden en uit te voeren teneinde een herhaling van wanbeleid alsook wanbeheer te voorkomen. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que le malaise au sein de la police fédérale nuit à la sécurité des citoyens; - considérant qu'un lieu de travail où les comportements inappropriés sont monnaie courante entraîne une augmentation de l'absentéisme et des difficultés à pourvoir les nombreux postes vacants; - considérant qu'il est essentiel de lutter contre le crime organisé et la grande criminalité; - considérant que les intérêts personnels de fonctionnaires individuels ne peuvent pas entraver la capacité opérationnelle des autres fonctionnaires ni porter atteinte à l'organisation dans son ensemble; demande au gouvernement - de garantir le bien-être et la sécurité des agents, des inspecteurs et des membres du personnel de la police fédérale en général; - d'entretenir comme il se doit les bâtiments des services de sécurité; - d'ordonner un audit externe de la police fédérale; - de charger le comité P d'enquêter sur les nombreuses plaintes et les nombreux témoignages concernant des comportements inappropriés; - de revoir, si nécessaire, la situation des personnes concernées au sommet de la hiérarchie; - de préparer et de mettre en œuvre de profondes réformes internes afin d'éviter que des problèmes de mauvaise politique et de mauvaise gestion ne se répètent.. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
Het tijdig indienen van een sociaal klimaatplan bij de Europese Commissie
Het Belgisch sociaal klimaatplan in het kader van het Europees Sociaal Klimaatfonds
De stand van zaken betreffende het sociaal klimaatplan
De stand van zaken betreffende het sociaal klimaatplan
Het Belgische sociaal klimaatplan en de Europese rapportageverplichtingen
Gesteld door
Open Vld
Steven Coenegrachts
VB
Kurt Ravyts
PS
Marie Meunier
CD&V
Phaedra Van Keymolen
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om ETS2 (CO₂-heffing op gebouwen en transport vanaf 2027) en het uitblijvende Belgisch Sociaal Klimaatplan (deadline 30/06/2025 gemist), dat kwetsbare huishoudens moet beschermen via Europese middelen (€1,66 mjd). Minister Crucke bevestigt dat de federale overheid de coördinatie op zich neemt, maar onderhandelingen over middelenverdeling (tussen gewesten en federaal) en cofinanciering (€600 mjd, nog niet geborgd) lopen nog—doel is indienen tegen 29/07. België steunt ETS2-principe (samen met 17 EU-lidstaten in *non-paper*), maar vraagt prijsstabiliteit en gerichte compensatie (bv. forfaitaire steun voor stookoliegebruikers, fiscale kortingen voor KMO’s), terwijl Vlaanderen al eigen maatregelen (tax cuts, renovatiepremies) trof—kritiek blijft op sociale impact (tot €548/jaar extra voor slecht geïsoleerde huishoudens).
Voorzitter:
De heer Coenegrachts is nog niet aanwezig. Wij zullen hem nog even respijt geven. De heer Ravyts mag de spits afbijten.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, iedereen ligt blijkbaar wakker van ETS2. Ook uw coalitiepartner, de heer Bouchez, ziet plots een gevaar opduiken voor de vele mensen in Wallonië die bijvoorbeeld met stookolie verwarmen. Er is zelfs een schrijven gericht aan de Europese Commissie door een aantal EU-lidstaten. Dat betekent niet dat zij het principe in vraag stellen, maar ze hebben wel vragen en suggesties bij de uitvoeringsmodaliteiten.
Normaal gezien moest u tegen 30 juni 2025 een Belgisch sociaal klimaatplan klaar hebben. U zult me ongetwijfeld een stand van zaken kunnen geven. Ik meen in de plenaire vergadering van enkele weken geleden van u te hebben gehoord dat u tegen 21 juli 2025, dus volgende week, wilde landen. Ik vermoed dat het onderwerp vannacht ook ter sprake is gekomen in de kern, die u net als de kroon wellicht niet zult ontbloten.
Ik probeer niettemin een vraag te stellen. Wat is de stand van zaken?
Mijnheer de voorzitter, ik zal mijn volledige vraag niet aflezen. Hoe zal de verdeling binnen België over de gewesten gebeuren? Is al een autoriteit aangesteld die verantwoordelijk is voor de technische bijstand en de administratieve opvolging van die Europese middelen?
Mijnheer de minister, ik zou echt een oproep aan u willen doen, niet voor mijn partij maar voor de mensen: waak erover dat de sociaal kwetsbaren niet het slachtoffer worden. Kijk naar de Vlaamse regering – ik mag ook eens iets goeds zeggen over de Vlaamse regering, nietwaar mevrouw van Riet? Die heeft niet alleen een taxshift ingevoerd, maar ook een tax cut . Zij compenseert dus ook de mensen die nog met fossiele brandstoffen verwarmen.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, dans votre note d'orientation politique, qui a été approuvée récemment, on peut lire que "Le gouvernement fédéral s'en tient quoi qu'il en soit aux objectifs fixés dans le cadre du Green Deal. Au cours de cette législature, je m'engagerai donc pleinement en faveur de la transposition intégrale et de la mise en œuvre équitable de la directive ETS révisée, avec la mise en œuvre du nouvel ETS2 qui débutera pleinement en 2027".
Cette mesure est aujourd'hui remise en cause par des partenaires de majorité, notre collègue vient d'ailleurs d'en citer un. Je renvoie aux échanges en séance plénière ce 10 juillet. De plus, la ministre régionale Cécile Neven a annoncé que la Belgique avait adressé avec 17 autres États membres un non-paper à l'Europe pour demander un report ou des modifications substantielles.
Et il est vrai qu'un problème se pose: c'est le coût pour le citoyen, qui a été chiffré par le Bureau fédéral du Plan. Il est estimé entre 250 et 400 euros supplémentaires en moyenne annuelle. Et, pour ceux qui se chauffent au mazout (c'est le cas de nombreux Wallons), c'est même 548 euros. Et, si le logement est mal isolé, c'est plus cher encore. Les ménages les plus modestes seront donc plus affectés que les autres.
Monsieur le ministre, tout cela démontre la nécessité d'avancer au plus vite, avec des mesures structurelles pour faire baisser la facture des ménages, pour isoler les logements et pour faciliter l'accès aux pompes à chaleur, notamment. Et tout cela démontre aussi l'urgence d'un plan social pour le climat, qui permettrait d'atténuer l'impact pour les ménages les plus vulnérables. Le Plan Social Climat (PSC) aurait dû être remis à la Commission européenne le 30 juin 2025, malheureusement l'échéance a été dépassée.
Quelle est la position du gouvernement fédéral sur la mise en œuvre et l'entrée en vigueur d'ETS2 en 2027? Quel est le contenu du non-paper envoyé à l'Europe? Le gouvernement fédéral a-t-il pris part à cette initiative? Quelle a été la teneur des discussions au sein du gouvernement sur le sujet?
Comment réagissez-vous à l'étude du Bureau fédéral du Plan concernant l'impact sur les ménages? Quelles sont vos mesures pour faire baisser la facture des ménages, en particulier les classes moyennes et les plus vulnérables? Où en est la rédaction du plan social pour le climat?
Phaedra Van Keymolen:
Mijnheer de minister, op 30 juni liep de deadline af voor de indiening van het nationaal sociaal klimaatplan bij de Europese Commissie, als sleutelvoorwaarde om middelen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds te kunnen benutten. Dat plan moet duidelijk maken hoe we kwetsbare huishoudens en kleine ondernemers zullen ondersteunen in de omslag die hen te wachten staat door de invoering van het emissiehandelssysteem ETS2 vanaf 2027.
Vlaanderen had tijdig zijn luik klaar. Tegelijk bleven knopen op federaal niveau en in de interfederale afstemming onopgelost. Dat leidt tot begrijpelijke vragen op het terrein. Wie neemt de regie op? Welke middelen gaan waar naartoe? En vooral, wie garandeert dat die ondersteuning ook echt bij de mensen terechtkomt die ze het hardst nodig hebben?
Voor mij is het alvast duidelijk: het sociaal klimaatplan moet een hefboom zijn voor structurele maatregelen, zoals renovatieprojecten, duurzame verwarming en toegankelijke mobiliteit, vooral voor wie daartoe vandaag de middelen of mogelijkheden niet heeft.
Is het sociaal klimaatplan inmiddels ingediend bij de Europese Commissie? Zo niet, wanneer verwacht u dat dit alsnog zal gebeuren? Wat zijn de gevolgen van het uitstel voor het verdere traject?
Hoe zit het met de cofinanciering van ongeveer 600 miljoen euro? Kunt u meegeven hoe minstens een gedeelte ervan intussen geborgd is binnen de federale begroting?
Welke concrete maatregelen zal de federale overheid in het kader van het sociaal klimaatplan nemen ter ondersteuning van onze meest kwetsbare huishoudens en ondernemers?
Hoe verloopt de interfederale samenwerking momenteel concreet? Op welke manier bewaakt de federale overheid de samenhang en vooruitgang in dit dossier?
Is intussen duidelijk welke instantie binnen de federale administratie verantwoordelijk wordt voor de opvolging en praktische organisatie van het Sociaal Klimaatfonds?
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le président, chers collègues, au-delà des chiffres, l'enjeu fondamental de l'ETS2 réside dans le soutien que nous souhaitons et devons apporter, comme vous l'avez précisé, aux ménages et aux entreprises les plus fragiles. Il est, en effet, important d'avoir à l'esprit que l'impact social de l'ETS2 sera notamment déterminé par l'usage qui sera fait des recettes générées par ce mécanisme. Son avantage est qu'il génère des recettes, qui peuvent ensuite être redistribuées pour accélérer la transition climatique.
De bevoegdheidsverdeling maakt dat de federale hefbomen zich vooral bevinden in de ondernemingsfiscaliteit en de voorziening van directe inkomstensteun aan kwetsbare gezinnen. De Europese Commissie verwacht dat dergelijke maatregelen tijdelijk en regressief zijn en gekoppeld aan structurele maatregelen, zoals renovatiemaatregelen of een betere toegang tot duurzame mobiliteit. Deze structurele maatregelen vallen onder de gewestelijke bevoegdheid. Om mogelijke federale maatregelen voor inkomstensteun af te stemmen op gewestelijke materie is het nodig dat het Overlegcomité eerst beslist over de verdeling van de middelen.
Dans le cadre du Fonds social climat, deux mesures sont sur la table des négociations. La première mesure consiste en une aide directe au revenu énergétique, destinée aux ménages précaires bénéficiant déjà d'un soutien via le Fonds social mazout. Pour les ménages vulnérables qui se chauffent au gasoil de chauffage, au pétrole lampant, au gaz propane en vrac, une allocation forfaitaire annuelle par ménage sera octroyée. Ces ménages seraient identifiés sur la base d'une enquête sociale. En ce qui concerne les ménages précaires utilisant le gaz naturel, généralement soutenus via le Fonds gaz et électricité, un fonds séparé serait mis en place afin de couvrir une partie des factures impayées de gaz. Seule la part de la facture imputable à l'ETS2 serait éligible à cette intervention, sur la base d'un taux fixe correspondant à la hausse induite par l'ETS2 sur la facture.
Les bénéficiaires de cette aide seraient également informés et accompagnés de manière proactive au sujet des autres mesures structurelles mises en œuvre par les Régions afin de maximiser leur accès aux solutions à long terme.
La deuxième mesure fédérale prévoit une augmentation du taux actuel de déduction fiscale thématique en faveur des micro-entreprises vulnérables; cette majoration viserait les entreprises qui relèvent de la définition de l'Union européenne, qui sont particulièrement exposées aux effets de l'ETS2. Le reste des recettes issues de l'ETS2, soit entre 5,4 et 7,6 milliards d'euros pour la Belgique sur la période 2027-2030, sera également mobilisé pour accompagner les ménages et les entreprises dans la transition climatique. L'usage de ces recettes doit encore être discuté au sein du gouvernement.
De deadline van 30 juni is verstreken, maar we doen er alles aan om zo snel mogelijk een Belgisch sociaal klimaatplan in te dienen. Nu de administratieve en technische werkzaamheden zijn afgerond, werken we parallel aan een akkoord over de verdeling van de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds en over de beheersstructuur die moet zorgen voor de correcte implementatie, monitoring en rapportering van de geplande maatregelen en investeringen.
Deze maatregelen kunnen pas effectief worden uitgevoerd als er meer duidelijkheid is over de verdeling van de middelen tussen de gewesten en de federale overheid. Deze gesprekken zijn nog steeds aan de gang, maar ik hoop binnenkort tot een akkoord te komen. Ik heb daarover vanavond nog een vergadering. De definitieve vaststelling van het plan zou dan vrij snel moeten plaatsvinden en ik behoud dus de datum van 29 juli.
Bovenop zijn aandelen in de Europese inkomsten zal België zelf een cofinanciering moeten verzekeren die minstens 25 % van de totale kosten van het Belgisch sociaal klimaatplan vertegenwoordigt, te verdelen tussen de gefedereerde entiteiten en de federale overheid in verhouding tot hun aandeel uit het Sociaal Klimaatfonds. De voorfinanciering van de aangenomen maatregelen moet dus ook nog worden bepaald.
Nous espérons qu'un accord en CodeCo pourra être obtenu afin de pouvoir transmettre le Plan Social Climat à la Commission européenne le plus rapidement possible après l'été.
U vraagt of er al een autoriteit is aangesteld die verantwoordelijk is voor de technische bijstand en de administratieve opvolging van het fonds.
De Nationale Klimaatcommissie heeft op 22 april 2025 beslist dat het federale niveau verantwoordelijk is om de rol van bevoegde autoriteit op zich te nemen. Daardoor komt de algemene coördinatie en administratieve opvolging van het fonds, met inbegrip van het opstellen en opvolgen van betalingsaanvragen op basis van behaalde mijlpalen, het overmaken van deze aanvragen aan de Europese Commissie en het doorstorten van de middelen, bij de federale overheid te liggen. De federale overheid zou daarom aanspraak moeten kunnen maken op de middelen uit het Sociaal Klimaatfonds die beschikbaar zijn voor technische bijstand, om de kosten te dekken die gepaard gaan met deze coördinerende functie.
Een andere vraag betreft de rol van de federale overheid in de coördinatie van het plan en de samenwerking met de gewesten. De interfederale samenwerking verloopt goed en wordt binnen de administraties opgevolgd via de werkgroep Sociaal Klimaatfonds van de Nationale Klimaatcommissie. Die werkgroep stemt wekelijks of tweewekelijks af en wordt in haar werkzaamheden ondersteund door het Technical Support Instrument, aangeboden door de Europese Commissie, net als bij negen andere lidstaten. De werkgroep heeft regelmatig overleg met de stakeholders, zowel over de prijsimpact van het ETS2 op kwetsbare doelgroepen als over de impact van mogelijke maatregelen. Politiek overleg vindt plaats op het niveau van de plenaire vergadering van de Nationale Klimaatcommissie. Een sterke governancearchitectuur, met een splitsing van verantwoordelijkheden inzake implementatie, opvolging, controle en audit, zal deel uitmaken van het sociaal klimaatplan.
Er was nog een vraag over wat de mogelijke gevolgen zijn als België de deadline van 30 juni 2025 niet haalt, zowel financieel als juridisch? Er zijn geen juridische of financiële gevolgen als België het Sociaal Klimaatplan niet uiterlijk op 30 juni indient. Het voor België voorziene budget van 1,66 miljard euro blijft ongewijzigd. Het enige gevolg is een mogelijke vertraging in de inwerkingtreding en uiteraard de noodzaak voor de autoriteiten om het implementatieschema zorgvuldig op te stellen, zodat de doelstellingen kunnen worden gehaald en aan de voorwaarden voor het verkrijgen van Europese fondsen wordt voldaan. Dat is echter een kwestie van rigoureuze programmering.
Hoe zit het met de cofinanciering van ongeveer 600 miljoen euro? Kunt u aangeven hoe minstens een gedeelte ervan intussen gebruikt is binnen de federale begroting? Elke entiteit is zelf verantwoordelijk voor het pro rata voorzien van de 25 % cofinanciering van de eigen maatregelen. De grootte van de federale cofinanciering zal dus opnieuw afhangen van het deel dat het federale deel zal toekomen. Dat is nog in onderhandeling. De borging van die middelen is nog niet voorzien in de federale begroting en zal afhankelijk zijn van de uiteindelijke maatregelen. Lidstaten zijn vrij om de cofinanciering te voorzien via de veiling van de inkomsten van ETS2. Indien het federale niveau of een andere entiteit van die mogelijkheid zou gebruikmaken, kan de cofinanciering pas worden verzekerd zodra in de lopende onderhandelingen een akkoord wordt gesloten over de burden sharing .
Quelle est la position du gouvernement fédéral sur la mise en œuvre et l'entrée en vigueur de l'ETS2 en 2027? Le système d'échange des quotas d'émission est une des pierres angulaires de la politique climatique européenne. L'élargissement de ce système au secteur du bâtiment, des transports et de la petite industrie est à cet égard crucial pour atteindre les objectifs de réduction des émissions de gaz à effet de serre déjà convenus par l'Union européenne et les États membres.
Le signal pris qui sera ainsi créé soutiendra des investissements plus durables et rendra, (puisque vous l'avez cité en exemple) les pompes à chaleur, l'isolation des bâtiments ou les véhicules électriques plus attractifs par rapport à leur alternative responsable de l'émission de gaz à effet de serre. Il est, néanmoins, très important que les revenus générés par cette mesure soient redistribués aux ménages et aux entreprises belges afin que la transition se fasse équitablement pour chacun. Les recettes directes pour la Belgique provenant de l'ETS2 sont estimées entre 5,4 et 7,6 milliards d'euros pour la période 2027-2030 en fonction de plusieurs hypothèses dont le prix de la tonne de carbone.
L'accord de coalition stipule que ces ressources seront utilisées pour soutenir la transition des citoyens et des entreprises à travers des mesures et avantages fiscaux. La préparation de la mise en œuvre de l'ETS2 a déjà commencé et se déroule sans accroc. À partir de 2024, les entités réglementées, les distributeurs de carburant fournissent des rapports sur les quantités de carburant mises sur le marché, tandis qu'à partir de 2028, elles devront restituer une certaine quantité de quotas d'émissions pour compenser leur émission et générer en 2027.
En complément du prix carbone européen, nous étudierons la manière de renforcer le signal de prix en faveur des solutions décarbonées, comme mentionné dans l'accord de gouvernement. Le gouvernement favorisera donc la décarbonation de la consommation et recherchera comment concrétiser un signal de prix favorable à l'électricité et aux combustibles neutres en carbone et défavorables aux combustibles fossiles afin de rendre les alternatives bas carbone encore plus attractives.
Quel est le contenu d'un non-paper envoyé à l'Europe? Le gouvernement fédéral a-t-il pris part à cette initiative et quel est l'état des discussions au sein du gouvernement?
La Belgique a signé, avec 17 autres États membres, un non-paper adressé à la Commission européenne concernant l'incertitude liée au niveau des prix futurs et à la volatilité des prix dans le cadre de l'ETS2. Les signataires ne demandent ni de reporter ni de supprimer l'ETS2. Au contraire, ils soulignent que l'ETS2 sera un instrument essentiel pour atteindre les réductions d'émissions dans les secteurs du bâtiment et des transports en combinaison avec d'autres politiques sectorielles et mesures de soutien nécessaires à la décarbonisation de ces secteurs - ce qui fut ma plaidoirie à Copenhague cette semaine.
Par le biais de ce non-paper , les États signataires appellent à garantir les estimations de prix fiables dans le but de prévenir les fluctuations excessives et les hausses soudaines. Cela permettrait la mise en place de politiques d'accompagnement adaptées ainsi qu'un soutien social approprié. Une trajectoire des prix prévisibles et rigoureusement définie est également cruciale pour préserver la confiance du public dans ce mécanisme. Dans ce document, il est donc demandé à la Commission de publier régulièrement des informations afin d'améliorer les prévisions de prix pour l’ETS2. Ces informations, aideront les autorités nationales à mieux planifier leur politique. Les mesures de soutien aideront les consommateurs à anticiper la rentabilité des investissements en bas carbone et amélioreront de manière générale la prévisibilité et l'efficacité du signal prix du carbone.
Ce document propose également d'examiner plusieurs autres mesures complémentaires: le lancement d'enchères anticipées de quotas dès 2026 afin de réduire l'incertitude sur les prix en 2027, un assouplissement des conditions de déclenchement de la réserve de stabilité du marché afin de limiter la volatilité et d'augmenter les volumes libérés par cette réserve en cas de tension sur le marché, la prolongation de la durée de vie de la réserve au-delà de 2031 et enfin, le renforcement des mécanismes de contrôle des prix. Ces mesures sont essentielles car ce sont elles qui permettront une certaine maîtrise de l'évolution des prix du carbone.
Concernant l’étude du Bureau du Plan sur l'impact sur les ménages, j'ai pris connaissance de cette étude évaluant l’impact de l’ETS2 sur les ménages belges, pas sur les microentreprises, sur la base du modèle EUROMOT. Cette étude est une contribution intéressante au débat sur l’ETS2 et sur ses mesures d'accompagnement. Elle contribue à identifier objectivement les types de ménage qui sont susceptibles d'être touchés par ce signal-prix envoyé par l’ETS2 et nous informe, dès lors, sur le type de mesures qui doivent être mises en place afin d'éviter ou de compenser un tel impact et faciliter la transition de ces ménages.
Il s'agit d'un important rappel. Nous devons mettre en place des mesures d'accompagnement solides afin de soutenir les ménages et les entreprises les plus vulnérables à l’ETS2. Plusieurs nuances peuvent, néanmoins, être apportées vis-à-vis des résultats obtenus par le Bureau fédéral du Plan. Premièrement, le prix de l’ETS2 n'est pas encore connu, ce qui empêche évidemment de calculer avec précision son impact réel sur les ménages. Deuxièmement, l'étude se fonde sur les données de consommation énergétique de 2015 issues des enquêtes sur les budgets des ménages. Cela conduit à mon sens à une surestimation de l'impact de l’ETS2, car la consommation actuelle de combustibles fossiles est déjà nettement plus faible en raison des efforts consentis en matière d'efficacité énergétique et d'électrification.
Pour ces raisons, nous nous attendons également à ce que la consommation des ménages continue à diminuer à l’horizon 2030. Troisièmement, ces analyses reposent sur les résultats d’une enquête, laquelle ne constitue pas toujours un outil optimal pour estimer avec précision les consommations énergétiques. Ces trois éléments laissent donc à penser que l’impact d’ETS2 sur la facture énergétique des ménages sera inférieure à l’estimation du Bureau fédéral du Plan, pour un prix donné de l’ETS2.
Enfin, plus important encore, il est également essentiel de retenir que cette étude ne prend pas en considération les mesures fédérales et régionales prévues dans le Plan social pour le climat. Ces mesures ont justement pour objectif d’atténuer de manière significative l’impact financier d’ETS2 sur les ménages vulnérables, tout en leur permettant de participer activement à la transition énergétique.
Kurt Ravyts:
Dank u, mijnheer de minister, voor uw zeer uitgebreid antwoord.
Zoals u hebt herhaald, is er ook het federale luik binnen het Belgisch Sociaal Klimaatfonds, waar het Overlegcomité een belangrijke beslissing moet nemen over de middelen, met een cascade aan gevolgen voor de kwetsbare groepen. Wat doet evenwel de Vlaamse regering? De Vlaamse regering haalt ook nog middelen uit de algemene veiling om een tax cut door te voeren. Ook de middenklasse zal dus door ETS2 worden getroffen. Wij, het Vlaams Belang, zouden daarom ook een extra inspanning willen vragen van de federale regering. Dat zal ons voorstel zijn in de komende maanden.
Marie Meunier:
Merci monsieur le ministre pour cette réponse très complète. Pour notre part, nous serons attentifs aux mesures que vous prendrez pour faire baisser la facture des ménages. J'ai entendu qu'il y avait une réflexion sur les aides à l'installation de pompes à chaleur, etc. Nous ne manquerons pas de revenir avec d'autres questions si nécessaire.
Phaedra Van Keymolen:
Ik bedank de minister voor zijn uitgebreid, volledig en bovendien zeer helder antwoord. Ik hoop dat de deadline gehaald wordt en dat er spoedig een definitief plan beschikbaar is. Ik ben verheugd dat we het eens zijn over de noodzaak van structurele maatregelen. U verwees ook naar de afstemming met de gewesten, wat uiteraard van groot belang is. Uit uw antwoord heb ik begrepen dat die samenwerking vlot verloopt. Hopelijk blijft dat zo.
De voortgang van en het tijdpad voor het Nationaal Energie- en Klimaatplan
Het Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP)
Het Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP)
Het bij de Europese Commissie in te dienen Belgische NEKP
Het Belgische Nationaal Energie- en Klimaatplan en de implementatie ervan
Gesteld door
MR
Hervé Cornillie
PVDA
Natalie Eggermont
PTB-PVDA
Julien Ribaudo
VB
Kurt Ravyts
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België moet tegen 21 juli een geactualiseerd Federaal Energie- en Klimaatplan indienen en het complete nationale PNEC uiterlijk eind september bij de EU inleveren om een bindende 47%-reductie van broeikasgassen tegen 2030 (vs. 2005) te halen. Vlaanderen mikt op 40% (tegen de vereiste 47%), terwijl Wallonië en Brussel dichter bij 47% zitten; de federale overheid ondersteunt met maatregelen (fiscaliteit, mobiliteit, kernenergie) maar geen eigen cijferdoel. Coördinatie tussen gewesten en verdeling van emissiekosten (ETS, CBAM) blijven knelpunten, met politieke onderhandelingen nodig na september om eventuele tekortkomingen aan te pakken. Strategische afstemming voor toekomstige plannen (2031-2040) wordt urgent geacht om de Belgische institutionele vertragingen te overwinnen.
Voorzitter:
M. Cornillie et Mme Eggermont étant absents, je donne la parole à M. Ribaudo.
Julien Ribaudo:
Bonjour, monsieur le ministre. Je suis content de vous voir. Cela faisait longtemps que je n'étais plus venu dans cette commission vous poser une question.
En novembre dernier, la Commission européenne a ouvert une procédure d’infraction contre la Belgique en raison du retard pris dans la remise de son Plan national é nergie-Climat (PNEC). Après avoir déjà manqué plusieurs échéances, vous vous êtes engagé, lors de la séance plénière du jeudi 3 juillet, à le déposer avant le 21 juillet. Ce PNEC est essentiel pour garantir notre contribution à l’objectif européen de réduction de 55 % des émissions de gaz à effet de serre d’ici 2030, notamment dans des secteurs clés tels que le transport, le bâtiment et l’agriculture.
Monsieur le ministre, pouvez-vous nous confirmer que cette nouvelle échéance sera bien respectée? Quels sont les engagements chiffrés en matière de réduction des gaz à effet de serre que vous vous êtes fixés, et pour quelle échéance? Comment comptez-vous concrétiser ces objectifs?
Kurt Ravyts:
Op 6 juli bereikte de Vlaamse regering een akkoord over een geactualiseerd Vlaams Energie- en Klimaatplan. Er verschuiven voor 362 miljoen euro aan Vlaamse heffingen uit de elektriciteitsfactuur naar de aardgas- en stookoliefactuur, een taxshift in feite. Echter, om te voorkomen dat mensen die op gas verwarmen, de dupe worden, komt er een extra verlichting van hun elektriciteitsfactuur, zodat de totale energiefactuur voor hen min of meer - dat zal nog moeten blijken; ik geloof er niet veel van - ongewijzigd blijft.
Vlaanderen zit daarmee aan een daling van 40 % tegen 2030. Om Europa tegemoet te komen, zou de ambitie eigenlijk op een daling van 47 % moeten liggen. Toch reageerde u, mijnheer de minister, positief. U had het over een belangrijke maatregel. Uw voorgangster, een zekere mevrouw Khattabi, stelde al in 2021 en bleef dat sindsdien herhalen dat we, als we emissierechten moeten betalen en dus niet de door Europa vastgelegde cijfers halen, we over de verdeling van de factuur zullen moeten onderhandelen.
Hoe ver staat het met de federale bijdrage in het licht van het geactualiseerde NEKP, dat tegen 21 juli rond moet zijn?
Klopt het dat het definitief plan in september bij de Europese Commissie wordt ingediend?
Hoe reageert u op de kloof tussen de doelstellingen van het Vlaamse plan en die van de plannen van Wallonië en van Brussel, die in de niet-geactualiseerde versie wel tegen -47 % aanschurken. Wordt er nu met het oog op een intra-Belgisch akkoord gewerkt aan die verdeling van de factuur van de emissierechten? Wordt er rekening gehouden met de geactualiseerde versie? Hoe stelt u zich ter zake strategisch politiek op?
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le président, je répondrai aux questions de Mme Meunier par la même occasion.
Chers collègues, les dernières semaines, des discussions intensives et constructives ont eu lieu avec les partenaires gouvernementaux sur la mise à jour du Plan fédéral é nergie-Climat (PFEC), c'est-à-dire la partie fédérale du PNEC. Cette mise à jour est en cours de finalisation. Ceci nous permet de nous inscrire entièrement dans le rétroplanning réaliste que nous avons soumis et présenté à la Commission européenne en mai dernier et que j'ai évoqué à plusieurs reprises au Parlement. Je vous confirme que le document sera bien présenté au gouvernement le 18 juillet.
We doen dus al het mogelijke om het Federale Energie- en Klimaatplan voor 21 juli in te dienen, zodat er voldoende tijd is om tegen eind september de respectieve bijdragen te integreren in een Nationaal Energie- en Klimaatplan. Wat het nationale plan betreft – waaraan nog enkele weken werk en politieke onderhandelingen tussen de gewesten en de federale overheid voorafgaan, nadat de bijdragen van alle entiteiten zijn ontvangen – hebben we ons er dus toe verbonden om het tegen eind september in te dienen. Dat heb ik deze week nog bevestigd aan commissaris Hoekstra. Dat was overigens niet in Kopenhagen, maar in Aalborg.
En preuve de bonne foi et d’avancement de nos travaux, nous enverrons les parties distinctes, sans compilation, à la Commission durant l’été. C’est ce que j’avais également promis au commissaire Hoekstra et il l’avait parfaitement bien compris. Il était d’ailleurs satisfait que nous puissions respecter les procédures, tel qu’annoncé.
Les négociations sur le PNEC sont menées conjointement avec le ministre de l’Énergie. C’est un exercice d'équilibre parfois délicat, dans lequel le projet de plan déjà transmis à la Commission européenne en novembre 2023 est amendé au regard des politiques et mesures de l’accord de gouvernement 2025-2029, qui contribue à la réalisation des objectifs en matière d’énergie et de climat.
Dans le contexte géopolitique actuel, face à la position concurrentielle de notre économie et à l’impact croissant du changement climatique, il est essentiel de trouver les équilibres. Il convient de protéger la compétitivité des entreprises tout en mobilisant des leviers fédéraux pour réaliser les objectifs climatiques et soutenir les ménages et les PME dans cette transition. J’ai eu plusieurs échanges enrichissants avec la Commission européenne sur l’état d’avancement du dossier. J’ai également échangé avec la ministre flamande Melissa Depraetere sur les politiques et mesures fédérales supplémentaires prévues dans l’accord de gouvernement et leur mise en œuvre pour que la Belgique atteigne l’objectif – contraignant, je le rappelle – d’une réduction de 47 % d’ici 2030 par rapport à 2005.
En lien avec le PNEC, il faudra également entamer rapidement les discussions sur la répartition des revenus issus des systèmes ETS, du mécanisme d’ajustement carbone aux frontières (MACF-CBAM) et du Fonds social pour le climat, en vue d’un accord sur l’ensemble dans les meilleurs délais. Je veillerai donc, à cet égard, à l’utilisation intégrale de ces moyens pour mettre en place une politique climatique ambitieuse, en application de l’accord de gouvernement qui précise que l ’autorité fédérale se réunit avec les Régions pour discuter notamment de la répartition des bénéfices (recettes des systèmes ETS, CBAM et Fonds social pour le climat). Ces recettes seront exclusivement affectées au financement de mesures visant à la lutte contre le changement climatique et à la compensation des efforts consentis par les citoyens et les entreprises à cet égard.
En ce qui concerne le renforcement de la coordination intergouvernementale en matière d’énergie et de climat, il s’agit d’un point d’attention pour le développement du prochain PNEC 2031-2040, sur lequel je plancherai dès que possible. J’entamerai ainsi rapidement les discussions à ce sujet avec mes collègues des Régions, afin de tenter d’établir un calendrier et des objectifs clairs en la matière, de développer une nouvelle méthodologie et de rendre le processus plus efficient.
Soyez assurés que cela fait partie de mes priorités. La politique climatique ne peut continuer de souffrir du contexte institutionnel belge, j’en suis convaincu. Nous devons pouvoir être plus réactifs, plus cohérents et plus intégrés.
Wat zijn de gekwantificeerde toezeggingen in termen van broeikasgasreducties en tegen wanneer? Hoe zal ik die doelstellingen bereiken? In het algemeen kunnen we twee onderdelen onderscheiden bij de vermindering van de uitstoot om de Europese doelstelling van -55 % te behalen. Het eerste onderdeel betreft het Emissions Trading System (ETS), dat op Europees niveau wordt geregeld en waarvoor de lidstaten zelf geen specifieke reductiedoelstellingen hebben. Het tweede onderdeel betreft de niet-ETS-sectoren, waaronder ook sectoren die onder het nieuwe ETS vallen, ETS2. Hiervoor heeft elke lidstaat wel een individuele bindende doelstelling. Voor België betekent het een uitstootreductie van 47 %.
De federale regering heeft zich niet verbonden aan een cijfermatige doelstelling. Emissies zijn territoriaal en worden daarom op regionaal niveau berekend. De regering wil de gewesten echter ondersteunen bij het realiseren van die reductie door gebruik te maken van de hefbomen die op federaal niveau beschikbaar zijn. Dat zijn fiscaliteit, mobiliteit en het spoor, steunmaatregelen voor energie-efficiëntie, productnormen, het gebruik van hernieuwbare energie in het vervoer, de geleidelijke afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen, alsook de invoering van faciliterende maatregelen, bijvoorbeeld de versterking van het elektriciteitsnet, het opzetten van een kader voor waterstof, en de uitwerking van een strategie voor duurzame financiering. Ook het decarboniseren van de elektriciteitsproductie, bijvoorbeeld via kernenergie, faciliteert en versnelt elektrificatie. Het plan omvat ook een reeks maatregelen die meer specifiek betrekking hebben op gebouwen, het wagenpark en federale overheidsopdrachten.
Sinds enkele weken vinden intensieve en constructieve besprekingen plaats met de regeringspartners om te bepalen hoe ver we kunnen gaan in die verschillende domeinen. Pas na de integratie van het federale plan en de gewestelijke plannen zal blijken of België de bindende doelstelling zal halen om de emissies tegen 2030 met 47% te verminderen ten opzichte van 2005.
Indien dat niet het geval is, zullen we de besprekingen moeten hervatten, niet alleen op federaal niveau, maar ook met de gewesten, om de plannen zo snel mogelijk te versterken, zelfs als we het plan, zoals gepland, eind september indienen.
U vraagt vervolgens naar mijn reactie op de kloof tussen enerzijds de doelstellingen van het Vlaams Energie- en Klimaatplan (VEKP) en anderzijds de plannen van Wallonië en Brussel, die wel dicht in de buurt van de -47 % komen. Momenteel werken we aan een intra-Belgisch akkoord over de verdeling van de kosten voor de betaling van de emissierechten. Zoals hierboven uiteengezet, overleggen we met Vlaanderen over de federale maatregelen. We hebben daarentegen geen officieel zicht op de manier waarop Vlaanderen zijn doelstellingen zal behalen of niet. Bijgevolg zullen we pas een oordeel kunnen vellen wanneer we over de nationale projectie beschikken, namelijk in september.
Dan zullen we bekijken welke stappen nodig zijn en hoe we samen met de gewesten onze maatregelen kunnen versterken.
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. Le rétroplanning sera respecté. C’est une très bonne nouvelle. Nous avons bien noté les prochaines échéances. Nous ne manquerons pas de revenir vers vous en septembre prochain.
Kurt Ravyts:
Ik dank u voor uw lang en uitgebreid antwoord. Het was verhelderend. Wij zullen tot september moeten wachten om te zien op welke manier een en ander in het geïntegreerde verhaal voor de dag komt. Er zal daarna nog een hartige politieke discussie moeten plaatsvinden, ook met Vlaanderen en de andere gewesten.
De nieuwe EU-koolstoftaks die gezinnen 250 tot 400 euro per jaar zal kosten
De sociale en economische haalbaarheid van ETS2
De koolstoftaks
De impact van de EU-koolstoftaks en ETS2 op gezinnen en economie
Gesteld door
VB
Sam Van Rooy
N-VA
Katrijn van Riet
PTB-PVDA
Julien Ribaudo
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De invoering van ETS2 (EU-koolstoftaks vanaf 2027) dreigt Belgische gezinnen 250–400 euro/jaar extra te kosten door stijgende prijzen voor brandstoffen (aardgas +16%, stookolie +21%, benzine/diesel +10-11%), met zware gevolgen voor lagere inkomens, slecht geïsoleerde woningen en kmo’s. De minister bevestigt de plannen—inkomsten (5,4–7,6 mjd euro tot 2030) moeten de transitie financieren—maar kritiek blijft: het Sociaal Klimaatfonds (1,66 mjd) is ontoereikend, alternatieven (isolatie, openbaar vervoer) ontbreken, en Europa weigert uitstel ondanks brede vraag daartoe. Oppositie eist afschaffing of volledige compensatie ("*nul euro meerkost*"), wijst op energiearmoede en economische schade, terwijl de minister herverdeling van ETS-gelden als oplossing naar voren schuift—zonder concrete maatregelen om de lasten te verzachten. De sociale en politieke weerstand groeit, met vragen bij de haalbaarheid en rechtvaardigheid van de klimaatplannen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, u liet daarnet nog uitschijnen dat het klimaatbeleid economisch voordelig zou zijn voor onze gezinnen en voor onze bedrijven. Uit een impactanalyse van het Federaal Planbureau blijkt echter dat Belgische gezinnen 250 tot 400 euro per jaar extra zullen moeten betalen door de invoering van ETS2, de koolstoftaks van de Europese Unie, vanaf 2027.
Dat zal leiden tot duurder aardgas, tot duurdere stookolie, tot duurdere benzine en tot duurdere diesel. Vooral de verwarming van woningen zal volgens het Planbureau duurder worden. Stookolie wordt 21 % duurder, aardgas 16 % duurder, en de prijs van diesel en benzine stijgt respectievelijk 10% en 11 %.
Zoals helaas vaak het geval is, zullen huishoudens met een laag inkomen, gezinnen die verwarmen met stookolie, alleenstaanden en eenoudergezinnen het zwaarst getroffen worden. Ik geef één voorbeeld. Als een gezin woont in een slecht geïsoleerde woning die wordt verwarmd met aardgas en rijdt met een wagen op gewone brandstof, zou dat per jaar tot 375 euro extra moeten betalen.
Mijnheer de minister, mijn vraag is heel eenvoudig wat uw reactie daarop is. Welke maatregelen zult u nemen op ervoor te zorgen dat de meerkosten waarvan sprake herleid worden tot nul euro? Dat vind ik niet meer dan logisch, hoewel ik de lat in uw ogen daarmee misschien hoog leg.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, Donald Tusk zei in het Europees Parlement dat we goed moeten nadenken over de snelle invoering van ETS2, want als de energieprijzen blijven stijgen, zal de politieke impact rampzalig zijn.
Vanaf 2027 moeten leveranciers een CO 2 -prijs betalen op huisbrandolie, aardgas, benzine en diesel, waarmee ik deels herhaal wat de collega daarnet zei. Immers, wie draait op voor de kosten? De consument, zo zegt het Federaal Planbureau, dat jaarlijkse meerkosten tot 400 euro per gezin voorspelt. Daarnaast treft ETS2 ook de economie en bedrijven en heeft ETS2 een aanzienlijke sociale impact.
Meerdere lidstaten vragen uitstel of hertekening. Het Sociaal Klimaatfonds voorziet in 1,66 miljard euro steun voor kwetsbare huishoudens, maar dat bedrag volstaat niet.
Voor bedrijven is er nauwelijks iets voorzien.
Klimaatbeleid is noodzakelijk. Onze fractie staat er ook helemaal achter. Het moet echter sociaal en economisch haalbaar blijven. De competitiviteit van onze bedrijven en van onze kmo’s is daarbij primordiaal.
Bijkomend riskeert België dure juridische stappen van de Europese Commissie wegens het niet tijdig omzetten van eerdere klimaatregels, zoals de regel van het reeds in werking getreden ETS.
Het regeerakkoord bepleit een inclusieve en rechtvaardige transitie. De overheid moet de burgers en bedrijven ondersteunen in hun vergroening en mag de energiearmoede niet verergeren.
Wordt dat alles echter niet veel te duur voor de burgers of voor de overheid? Dat roept vragen op.
Mijnheer de minister, hoe ziet u de implementatie van ETS2 in onze maatschappij verlopen?
Welke extra beleidsmaatregelen behalve het Sociaal Klimaatfonds neemt u om te zorgen voor inclusie en transitie voor alle burgers en bedrijven?
Hebt u al Europese signalen opgevangen van de massale vraag om uitstel of een hertekening? Meent u dat extra druk zetten op de Europese Commissie een oplossing kan zijn?
Het Europees Hof van Justitie klopt aan de deur. Welke stappen zet u om de klimaatrichtlijnen, zoals de ETS-richtlijn, waaraan wij al jaren niet voldoen, om te zetten? Hoe reageren we daarop?
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, nous avons déjà abordé le sujet de l’ETS2 aujourd’hui, mais également lors de nos dernières discussions.
En 2027, une taxe carbone devra être introduite, conformément à la décision prise il y a deux ans par le Parlement européen dans le cadre de la réforme du système d’échange de quotas d’émission (ETS).
L’accord de majorité fédérale prévoit que le gouvernement étudiera l’impact de la mise en œuvre de ce système ETS2. Cet impact a été récemment calculé par le Bureau fédéral du Plan, qui estime que cette mesure entraînerait une forte hausse des coûts pour les ménages, comprise entre 250 et 400 euros par an.
Le ministre des Finances a indiqué que le système ETS2, qui prévoit cette taxe carbone, doit encore être discuté au sein du gouvernement fédéral. En Région wallonne, la ministre MR du Climat a évoqué la possibilité d’un report de cette taxe carbone.
Monsieur le ministre, que pensez-vous des estimations du Bureau fédéral du Plan? Confirmez-vous ces chiffres et un coût qui pourrait varier entre 250 et 400 euros? Souhaitez-vous un report, voire une annulation, de la mise en œuvre de cette taxe carbone? Quel mécanisme de soutien est-il actuellement sur la table? Compensera-t-il les surcoûts générés par cette taxe, tant pour les personnes les plus vulnérables que pour l’ensemble de la classe travailleuse?
Jean-Luc Crucke:
Chers collègues, concernant les questions relatives au rapport du Bureau fédéral du Plan et aux mesures prises, ainsi qu’au rapport et au non-paper d'ETS2, je pense avoir répondu à vos interrogations lors de mes précédentes interventions sur le Plan social pour le climat. Je vais essayer de ne pas me répéter.
Hoe ziet u de implementatie van ETS2 in onze maatschappij? De voorbereiding van de invoering van ETS2 is al begonnen en verloopt voorspoedig. Vanaf 2024 moeten de gereguleerde entiteiten, dus de brandstofdistributeurs, rapporteren over de hoeveelheden brandstof die zij op de markt brengen. Vanaf 2028 zullen zij een bepaalde hoeveelheid emissierechten moeten inleveren ter compensatie van hun uitstoot van 2027.
Welke extra beleidsmaatregelen, naast het Sociaal Klimaatfonds, neemt u om te zorgen voor inclusie en transitie van alle burgers en bedrijven met betrekking tot ETS2? De inkomsten die ETS2 genereert, zijn een essentieel instrument om de klimaattransitie in België te versnellen en sociaal rechtvaardig te maken. De rechtstreekse inkomsten voor België uit ETS2 worden geschat tussen de 5,4 en 7,6 miljard euro voor de periode 2027-2030. In het regeerakkoord staat dat de federale overheid rond de tafel gaat zitten met de gewesten over de verdeling van onder andere de lusten, de inkomsten van het ETS-systeem en het Sociaal Klimaatfonds. Die inkomsten zullen uitsluitend gebruikt worden om maatregelen te financieren om de transitie te begeleiden voor burgers en ondernemingen. De federale overheid zal de komende weken en maanden moeten beslissen hoe die inkomsten gebruikt zullen worden.
De combinatie van een koolstofprijs en een herverdeling van de inkomsten zou zorgen voor een rechtvaardige bijdrage van iedereen aan de kosten van de emissiereductie. Gezinnen en bedrijven die investeren in klimaatvriendelijke alternatieven, zoals warmtepompen, vermijden de koolstofprijs en worden ondersteund via de ETS2-inkomsten. Gezinnen en bedrijven die nog niet investeren, zullen de koolstofprijs betalen, maar ontvangen ook ondersteuning voor die extra kosten.
Door de ETS2-middelen kunnen investeringen en gedragsaanpassingen, zoals minder de wagen nemen en niet gebruikte ruimtes in huis minder verwarmen, op dezelfde manier gestimuleerd worden, in tegenstelling tot subsidies voor specifieke investeringen. Daarnaast is het van essentieel belang dat we werk maken van aanvullende maatregelen die inspelen op andere barrières die klimaatvriendelijke investeringen en gedrag in de weg staan. Het is ook bijzonder belangrijk om helder en juist te communiceren met de gezinnen en bedrijven. Mijn administratie is actief in overleg met haar federale gewestelijke tegenhangers om een dergelijke communicatie-inspanning op te zetten en te coördineren.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, de talloze mensen die jarenlang werd wijsgemaakt dat ze zich het best met gas konden verwarmen, worden daar nu financieel voor gestraft. Het beleid in dit land is werkelijk wraakroepend.
De nieuwe koolstoftaks zal de levensstandaard van talloze mensen doen dalen. Ze zal velen in armoede storten. De nieuwe koolstoftaks zal onze bedrijven en gezinnen, die het vaak nu al moeilijk hebben, failliet doen gaan of doen verhuizen, en dat allemaal, zoals ik daarnet heb gezegd, voor een temperatuurdaling van welgeteld nul graden Celsius. Mijnheer de minister, ik zal dus blijven herhalen dat u moet stoppen met die CO 2 -hysterie. Kom op voor onze gezinnen, onze bedrijven, en zorg ervoor dat die koolstoftaks wordt afgevoerd.
Katrijn van Riet:
Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoord, maar bij wijze van repliek geef ik u gewoon een voorbeeld. Ik was nog niet zo lang geleden werkzaam bij een bedrijf, in een internationaal team. In januari 2024, dus nog niet zo heel lang geleden, moest elk teamlid verantwoorden welke ecologische maatregel hij in zijn privéleven had genomen. Twee van mijn toenmalige collega's, beiden wonend in de Europese Unie, verklaarden zo fier als een pauw verklaarden: “Wij hebben een gastank in onze tuin geplaatst, une citerne pour le gaz dans le jardin .” Die tank moet dan nog worden gevuld door leveringen met een vrachtwagen, maar op die manier konden ze eindelijk ophouden met het gebruik van kolen waarmee ze voordien hun huis verwarmden. Ik trok grote ogen, want in België mogen we bijna niet meer op gas verwarmen. Inwoners van de Europese Unie zijn dus blijkbaar zo fier als een pauw dat ze eindelijk een gastank in de tuin konden plaatsen.
Mijnheer de minister, ik sta absoluut achter het klimaatplan van de Europese Unie, maar soms vraag ik me echt af waarmee we bezig zijn.
Julien Ribaudo:
Monsieur le ministre, lors de la dernière salve de questions, vous nous avez dit que le rapport du Bureau fédéral du Plan est une contribution au débat. Je ne suis pas d'accord. C'est le cœur du débat. Le rapport dit clairement, à l'instar de ce que disaient déjà plusieurs études auparavant, qu’avec l'extension du marché carbone, avec cette taxe carbone, ce sont les citoyens qui vont payer la facture, et ce sera inefficace pour assurer la transition. Vous venez de confirmer que la taxe carbone arrive. Pour vous, c'est même un outil essentiel. Disons les choses très clairement: les déclarations du MR à la Région ou, ici, en séance plénière, c'est du théâtre! Il n’y aura ni report, ni suppression de cette taxe. Vous reconnaissez que cette mesure aura un impact social. Mais toutes les recettes dont vous parlez, ces milliards, d'où viendront-ils? De la poche des gens pendant que les géants de l'énergie continueront de se gaver parce qu'ils répercuteront les coûts sur nos factures. Vous dites que si nous ne nous occupons pas du climat, il s'occupera de nous. Je vous suis. Vous dites que le coût de l'inaction sera beaucoup plus élevé que celui de l'action. Je vous suis également. Mais je ne vous suis pas lorsque vous faites porter la transition sur les ménages tout en reportant les investissements dans les énergies renouvelables et en coupant dans les investissements dans les transports en commun. Selon vous, cela va pousser les gens à prendre moins la voiture, à moins se chauffer. Mais ce n'est pas parce qu'ils paieront plus pour se déplacer ou pour se chauffer, qu’ils consommeront moins. Au contraire, ils devront continuer à se chauffer et à aller travailler. Il nous faut des alternatives sociales et des investissements publics pour isoler les logements, pour des transports en commun efficaces et gratuits, et pour de l'énergie beaucoup moins chère. Il faudra protéger les plus vulnérables. Mais il ne faut pas se tromper, l’ETS2 touchera toute la population, toute la société. Et c'est la raison pour laquelle nous continuerons – nous, le PTB – à nous battre pour que cette taxe injuste soit retirée.
Het al dan niet sturen van een delegatie naar de VN-klimaattop
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Vlaams Parlement boycot de COP30-klimaattop in Brazilië (2025) omwille van milieuschade en onverantwoorde kosten, maar de federale regering blijft deelnemen, ondanks kritiek op de hypocrisie en inefficiëntie van dergelijke toppen. Minister Crucke belooft wel een 40% kleinere delegatie (minder ministers, meer jongeren) en een vermindering van de ecologische voetafdruk, hoewel Brussel hierin niet meegaat. Van Rooy (kritisch) noemt de top een "klimaatcircus" dat burgers enkel extra belast zonder tastbare resultaten. De discussie eindigt onopgelost, met groeiende publieke verontwaardiging over de kosten en nut van klimaattoppen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, misschien sluit ik af met een positieve noot. Dat zal van u afhangen.
Als het goed is, zeg ik het ook. Het Vlaams Parlement stuurt in 2025 geen delegatie naar de VN-klimaattop die in november 2025 plaatsvindt in Bélem, een Braziliaanse stad in het Amazonegebied. De top veroorzaakt zelf te veel milieuschade en de kosten zijn naar verluidt niet te verantwoorden.
Mijn vraag aan u is dan ook evident. Volgt de federale regering dat goede voorbeeld? Of zal ze toch een delegatie sturen naar de VN-klimaattop? Zo ja, kunt u dan toelichten wie daar precies aanwezig zal zijn en welke kosten daaraan zijn verbonden?
Jean-Luc Crucke:
U hebt in het regeerakkoord en in mijn beleidsnota kunnen lezen dat de federale regering zich engageert in de strijd tegen de klimaatverandering in overeenstemming met de afspraken van het Akkoord van Parijs.
De VN-klimaatconferentie COP30 speelt daarin een belangrijke rol. België kan het zich niet veroorloven om afwezig te blijven op een belangrijke multilaterale vergadering zoals de COP30. Zelfs als de Europese Unie met één stem spreekt op de COP, is het wel degelijk belangrijk dat wij de belangen van ons land kunnen verdedigen op nationaal en internationaal niveau. De federale regering zal dus inderdaad actief deelnemen aan de delegatie die ons land naar de COP30 stuurt.
Ik kan u wel melden dat ik samen met de gewestelijke collega's en op mijn initiatief bekijk op welke manier we de ecologische voetafdruk van de jaarlijkse internationale conferenties en van onze delegaties die daaraan deelnemen, aanzienlijk kunnen beperken: met minder ministers, minder medewerkers, maar meer jongeren en met een kleinere, efficiëntere COP-delegatie die opnieuw gericht is op haar primaire taak, namelijk het klimaat. Ik heb een algemene vermindering van de delegatie met bijna 40 % voorgesteld.
Zoals daarnet aangegeven, hebben mijn Vlaamse en Waalse collega's daarmee al ingestemd. Ik betreur ten stelligste dat dat niet het geval is voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hoop dat mijn Brusselse collega's zich alsnog bij onze doelstelling zullen aansluiten.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, steeds meer mensen in dit land zijn de spilzucht van de overheid meer dan beu. De zoveelste klimaattop is, zoals we weten, een decadent en vervuilend en dus hypocriet klimaatcircus waar niets goeds uit voortkomt. Integendeel, politici en beleidsmakers worden er opgejut om burgers en bedrijven nog meer financieel uit te persen, zogenaamd om het klimaat te redden.
De belastingbetaler moet dus betalen voor een hypocriet klimaatcircus, waar nota bene wordt beslist dat diezelfde belastingbetaler nog niet genoeg betaalt voor de CO ₂ -waanzin. Mijnheer de minister, laat de zomer er overgaan en hopelijk begrijpt u dan hoe boos steeds meer mensen daarover worden.
Voorzitter:
Met die positieve noot kan ik de minister bedanken voor zijn komst, en uiteraard ook de vraagstellers. Tot een volgende vergadering. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 16.04 uur. La réunion publique de commission est levée à 16 h 04.
De accijnsverlaging voor elektriciteit
De koolstoftaks
De taxshift om elektriciteit goedkoper te maken met het oog gericht op de transitie
Belastingmaatregelen voor energie en klimaat.
Gesteld door
Open Vld
Steven Coenegrachts
PTB
Raoul Hedebouw
Les Engagés
Xavier Dubois
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 10 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de koolstoftaks (ETS2) en de vraag of de opbrengst moet leiden tot een *taxshift* (belastingverschuiving van elektriciteit naar fossiele brandstoffen) of een *taxcut* (pure lastenverlichting op elektriciteit). Coenegrachts (N-VA) en Dubois (PS) dringen aan op snelle verlaging van accijnzen op elektriciteit via ETS2-gelden, terwijl Hedebouw (PTB) de taks als sociale straf afwijst en pleit voor publieke investeringen in renovatie. Minister Jambon (N-VA) belooft een gecontroleerde taxshift *zonder nettokosten* voor burgers, maar stelt concrete maatregelen uit tot na impactstudies en interfederale afstemming, zonder duidelijke timing.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, in Vlaanderen heeft men gisteren gedebatteerd over het klimaatplan of toch het plan dat daarvoor moet doorgaan. Een element daarin is het weghalen van taksen uit de energiefactuur, meer bepaald uit de elektriciteitsfactuur, via de Europese koolstoftaks en de middelen die zo worden verkregen.
Twee dagen geleden heeft de CREG hier in dit huis verklaard dat ook de federale overheid taksen uit de energiefactuur kan halen. De CREG stelt dat het wenselijk zou zijn om een verschuiving door te voeren van de elektriciteitsfactuur naar de gasfactuur, de stookoliefactuur, de propaangasfactuur. Mijnheer de minister, als we een koolstoftaks opgelegd krijgen vanuit Europa en de burgers moeten die betalen, dan is een taxshift volgens mij geen optie dan moet het een taxcut zijn.
Concreet, hoe kunt u de heffingen, de accijnzen op elektriciteit, verlagen? Kunt u daarvoor de middelen uit ETS2, de koolstoftaks, inzetten? De weg vooruit is immers het stimuleren van elektriciteitsverbruik, weg van fossiele brandstoffen. Dat betekent echter niet dat we alle gezinnen die met gas verwarmen extra kosten moeten opleggen. We kunnen perfect met die koolstoftaks de elektriciteitsfactuur verlagen. U kunt dat doen. U hebt daar een of ander zeer cryptisch zinnetje over opgenomen in uw regeerakkoord.
Wanneer zult u die maatregel uitvoeren? Wanneer zullen de belastingen, de accijnzen op elektriciteit, omlaag gaan voor de mensen?
Raoul Hedebouw:
Mijnheer de minister, de rechtse partijen zeiden tijdens de campagne dat er geen belastingen zouden bijkomen. Lap, wat blijkt nu, de Nationale Bank heeft berekend dat de koolstoftaks, een belasting die u wilt invoeren, 250 à 400 euro per jaar zal kosten aan een gezin. Hop, meer belastingen. Of het nu gaat over stookolie, gas, benzine of diesel, men moet gewoon bijbetalen. Een liter diesel zal 19 cent meer kosten, een liter benzine 17 cent. Belastingen, belastingen, belastingen.
Ils nous avaient pourtant promis le contraire! Le MR, en campagne, disait: "pas de taxes supplémentaires". En réalité, cela entraînera un surcoût annuel de 250 à 400 euros via la taxe carbone.
Aujourd’hui, pour convaincre le peuple, monsieur Georges-Louis Bouchez affirme que c'est l'Europe qui nous impose ces taxes. Nous avons alors vérifié ce que le MR a voté au niveau européen. Ah bien oui, nous n'allons quand même pas nous moquer de gens! Le PTB a donc fouillé et trouvé la réponse dans les archives du Parlement européen. En date du 18 avril 2023, M. Olivier Chastel, eurodéputé MR, a voté en faveur de cette taxe. Mme Frédérique Ries, eurodéputée MR, aussi.
Voilà comment les libéraux mentent au peuple! Ils viennent affirmer ici que c'est l’Europe qui en a décidé ainsi, alors qu’au niveau du Parlement européen, ils ont voté en faveur de cette taxe carbone. Non, monsieur Georges-Louis Bouchez, ces mensonges ne passeront plus!
Voorzitter:
Uw poging om een persoonlijk feit uit te lokken is jammerlijk mislukt!
Xavier Dubois:
Monsieur le ministre, je viens ici avec de vraies questions.
Hier soir, nous avons discuté durant des heures de la loi-programme, qui contient toute une série de mesures fiscales. Parmi celles-ci, certaines concernent la fiscalité environnementale. C'est le cas pour la fin de la TVA à 6 % sur les chaudières. Une baisse de la TVA sur les pompes à chaleur devrait suivre. Ce sont des premières mesures, certes, mais elles restent largement insuffisantes. Il faut aller beaucoup plus loin pour que l’électricité coûte réellement moins cher. Nous avons des marges de manœuvre.
Du côté du gouvernement flamand, une décision a été prise, il faut le souligner: un tax shift a été décidé, déplaçant près de 362 millions d’euros des factures d’électricité vers le gaz ou le mazout.
Au niveau fédéral, nous avons des marges de manœuvre: les accises et toute une série de taxes qui pèsent sur l’électricité. En termes de prix, l’électricité s’élève à 50 euros par mégawattheure, contre 10 euros pour le gaz et 2 euros pour le mazout.
La différence est énorme et il faut vraiment la réduire. Il y a également des objectifs de tax shift pour l'énergie au niveau fédéral.
Monsieur le ministre, quels sont les plans du gouvernement en la matière? Quelle est le planning? Quel est le timing? Quels outils allez-vous mettre en œuvre de manière concrète pour faire en sorte que l'énergie durable, l'électricité, soit accessible pour tout un chacun? Je pense que c'est absolument nécessaire dans le contexte dans lequel nous vivons. J'attends de vous des réponses précises, monsieur le ministre.
Voorzitter:
Mijnheer Dubois, u toont aan dat het uw eerste legislatuur is, want u hebt vragen gesteld tijdens het vragenuurtje. Er zijn oudere collega's die die gewoonte niet meer hebben.
Jan Jambon:
Collega’s, wat betreft de accijnsverlaging, citeer ik graag het regeerakkoord. Het is altijd goed om te vertrekken van het regeerakkoord: "De regering zal de impact van de invoering van ETS2 bestuderen en de modaliteiten onderzoeken van een taxshift op energieproducten – elektriciteit, gas, stookolie – zodat deze kan bijdragen aan het behalen van de klimaatdoelstellingen. De regering zal deze taxshift vervolgens uitvoeren zonder de gemiddelde factuur van de gezinnen en ondernemers te verhogen. Daarnaast wordt het accijnstarief op elektriciteit voor onze ondernemingen verlaagd naar het Europese minimum."
De regering heeft besloten prioriteit te geven aan de verlaging van de btw op de sloop en heropbouw van sleutel-op-de-deurwoningen. U weet dat. We hebben daar gisteren over gedebatteerd. Dat is een maatregel van circa 250 miljoen euro op kruissnelheid en betekent een belastingverlaging van 48.000 euro voor een gemiddelde woning.
Wat betreft de verlaging van de energiekosten heeft minister Bihet al initiatieven genomen om de transmissienettarieven te verlagen.
En ce qui concerne cette réduction des accises, l’objectif est d’adopter une approche réfléchie et tournée vers l’avenir en matière de fiscalité énergétique. Avant la mise en œuvre concrète de cette réforme, une étude approfondie de l’impact et de la faisabilité est nécessaire, comme l’accord de gouvernement le demande. Cette étude a déjà été lancée, mais aucune date de fin précise n’a encore été fixée.
Cet exercice se veut équilibré, socialement juste et économiquement viable. Nous misons sur une large concertation avec toutes les parties prenantes concernées afin de parvenir à une réforme soutenue, en cohérence avec d’autres lignes de politique.
Ik zal het regeerakkoord, zoals steeds, getrouw en loyaal omzetten.
Monsieur Hedebouw, en ce qui concerne l’ETS2, ce sujet doit encore être discuté en détail au sein du gouvernement. Il est donc prématuré de tirer des conclusions ou de faire des anticipations.
Nous mettrons en œuvre l’accord de gouvernement, tant en matière de climat et d’énergie que de compétitivité et de pouvoir d'achat. Nous devons élaborer une vision et une stratégie à long terme, en collaboration avec les Régions.
Ce plan doit allier pragmatisme et ambition. Nous ancrerons ensuite ce plan dans un pacte énergie interfédéral, dans lequel chacun assumera ses responsabilités et exécutera la vision basée sur le Plan Énergie-Climat, que chacun aura adopté.
Les informations de la Banque nationale concernant l’ETS2 ainsi que les déclarations des ministres wallon et flamand de l’Énergie montrent à quel point cet exercice sera délicat.
Steven Coenegrachts:
Mijnheer de minister, ik hoor u spreken over een taxshift en niet over een taxcut . Nochtans hoeft die koolstoftaks geen belastingverhoging te zijn. Als de opbrengst voor 100 % terugvloeit naar de burgers via een verlaging van de elektriciteitsfactuur, dan is dat geen belastingverhoging. Dan geven we dat terug aan de burger en is het een nuloperatie. U kunt dat doen.
De heer Bouchez kan dat doen. Dan hoeft men geen verband te leggen met Raoul Hedebouw van de communisten. Dan kan men gewoon op regionaal niveau – waar de MR de minister-president levert –, op Vlaams niveau – eveneens met een minister-president van de N-VA –, en op federaal niveau – waar u de accijnzen beheert – beslissen om de volledige opbrengst van de koolstoftaks onder ETS 2 rechtstreeks terug te geven aan de burger.
Dus geef het geld alstublieft terug aan de mensen die het ook hebben betaald.
Raoul Hedebouw:
Mijnheer Jambon, u zegt dat de modaliteiten nog besproken moeten worden, maar in uw tabellen hebt u de miljoenen van ETS 2 al meegerekend. Hoe komt dat? Het principe om het geld te gaan halen, staat dus al vast. De vraag is alleen nog hoe het precies zal verlopen. Neen, zo kan het niet langer, mijnheer de minister.
Het principe – en dat is het belangrijkste – …
Je ne crois pas, monsieur le ministre, dans des punitions fiscales pour changer le comportement des gens via des taxes. On a vu ce que cela a apporté en France avec le mouvement des Gilets jaunes. On a vu comment les couches populaires paient de plus en plus. Il faut plutôt investir dans les services publics, investir dans des plans de rénovation. Les 800 milliards qu'on va maintenant mettre dans la guerre au niveau de l'Europe, il faut les mettre dans des plans de transition verte. Mais il ne faut pas sanctionner les gens par des impôts parce que c'est socialement injuste et, surtout, les gens ne vont pas l'accepter, comme en France et un peu partout en Europe.
Xavier Dubois:
Monsieur le ministre, il faut effectivement sortir de l'écologie punitive qui a été menée trop longtemps par des gouvernements précédents. C'est important. Je vous remercie pour votre réponse, mais celle-ci est insuffisante. Il faut aller beaucoup plus loin. J'entends qu'une étude est en cours. Je serais très intéressé d'avoir le cahier des charges de celle-ci pour voir ce qui est demandé et, surtout, si on tiendra compte des différences sociales, des différences territoriales. Ce n'est pas la même chose si on est en zone urbaine ou en zone rurale. Il est absolument important de tenir compte de ces éléments-là. Quoi qu'il en soit, l'objectif que l'on doit poursuivre tous ensemble, c'est de réduire le prix de cette électricité pour toute la population pour avoir vraiment une énergie durable accessible à toutes et à tous.
Het rapport over gewelddadige extremisten
De infiltratie van het CIIB door de moslimbroederschap
De toenemende radicalisering
De vaststelling dat een deel van de klimaatbeweging steeds extremer en zelfs levensgevaarlijk wordt
Extremistische infiltratie, radicalisering en geweld
Gesteld door
N-VA
Jeroen Bergers
MR
Denis Ducarme
CD&V
Franky Demon
VB
Sam Van Rooy
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 10 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om radicalisering en geweld bij klimaatactivisten (o.a. Code Rood, Anuna De Wever) en islamistische organisaties (o.a. CIIB/Frères musulmans), waarbij parlementsleden de minister dringen tot hardere maatregelen: verboden op extremistische groepen, stopzetting van overheidsfinanciering, en verscherpte wetgeving tegen radicalisering. De minister bevestigt dat hij werkt aan een juridisch kader om radicale organisaties te ontbinden en een opvolgingsmechanisme (GGB T.E.R.), maar benadrukt dat de rechtsstaat centraal blijft. Kritiek richt zich op laxisme tegenover klimaatgeweld (sabotage, levensgevaar) en subsidies aan extremistische netwerken, met name van Ecolo en N-VA. Dringendheid en partijoverschrijdende steun voor strengere aanpak worden bepleit, maar partijen als Groen/PVDA worden verweten geweld te bagatelliseren.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het OCAD heeft een rapport gepubliceerd dat een toch wel zorgwekkende evolutie van de klimaatbeweging schetst, van een positieve activistische beweging die het beste voor heeft met de planeet naar een links-extremistische beweging die geweld niet schuwt. Klimaatprinses Anuna belichaamt die radicalisering eigenlijk nog het best. Eerst wilde ze gewoon niet naar school; nu wil ze pijpleidingen opblazen. Ik vraag mij alvast af wat de volgende stap is. Ik denk dat we die stap moeten vermijden, we moeten vermijden dat er slachtoffers vallen.
Dit is geen fantasie en dat hebben we eigenlijk al gezien. De voorbije weken werd bij OIP in Doornik voor meer dan 1 miljoen euro aan schade aangericht, bij een privébedrijf. Leveringen voor het Oekraïense leger werden daarbij beschadigd, waardoor er vertraging is en dat vanwege de onwetendheid van deze activisten. Ook in Brussel en in Gent zijn levensbedreigende situaties ontstaan door de roekeloosheid van deze linkse extremisten.
Collega’s, de samenleving moet duidelijk maken dat we geweld nooit accepteren. Activisme en debat zijn prima en goed, maar bij geweld trekken we de lijn, dat accepteren we niet, uit welke hoek het ook komt.
Mijnheer de minister, wij konden uitgebreid lezen over dat rapport in de media, maar parlementsleden hebben het niet ontvangen. Het is belangrijk dat wij dat kunnen inkijken om onze job ernstig te kunnen uitvoeren. Zult u er bij het OCAD op aandringen dat dit rapport openbaar wordt? Welke maatregelen zult u nemen tegen deze radicalisering en tegen dit geweld?
Zult u ook een studie laten uitvoeren naar de financieringsstromen van deze links-extremistische bewegingen? Zeker de financieringsstromen die vanuit de overheid komen, moeten we droogleggen.
Denis Ducarme:
Monsieur le ministre, vous le sentez et vous le voyez comme moi, les gens en ont assez. Il ne se passe pas une semaine sans que je doive vous interpeller sur les Frères musulmans, l'islamisme ou le radicalisme qui continuent de prospérer dans notre pays. Les citoyens veulent que ce gouvernement, face aux ennemis de la démocratie, soit un gouvernement d'action.
Hier encore, dans la presse, on lisait que le CIIB – le Collectif pour l'inclusion et contre l'islamophobie en Belgique – sous couvert de lutte contre le racisme, serait en réalité, selon la Sûreté de l'État, un prolongement des Frères musulmans en Belgique. Et pourtant, ce collectif a été grassement subventionné pendant des années par les pouvoirs publics. M. Gilkinet l'a soutenu, probablement parce que certains fondateurs de ce mouvement étaient des proches d'Ecolo. M. Dardenne l'a subventionné, et l'Union européenne également.
Il est temps, monsieur le ministre, de faire en sorte que plus un centime d'argent public ne soit encore versé aux amis des Frères musulmans. Car oui, chez Ecolo, vous avez dans vos rangs des mandataires qui ont cofondé ce qui s'appelait à l'époque le CCIB. Oui, vous êtes donc en partie complices de la composante frériste qui, comme le rappelait déjà un rapport en 2022, fait peser une menace sur notre pays.
Monsieur le ministre, je vous demande de veiller, comme nous y veillons ici à la Chambre – et je remercie les collègues –, à ce que votre département et nos services luttent contre la tendance frériste qui continue de se développer dans notre pays.
Franky Demon:
Mijnheer de minister, ik maak me grote zorgen, want het OCAD spreekt over dreigingen. Mijnheer de minister, ik voel me liever niet bedreigd en ik zie mijn kinderen liever niet opgroeien tussen dreigingen. Ik meen dat dit voor andere gezinnen ook zo is. Het OCAD waarschuwt nu voor een zorgwekkende radicalisering binnen de klimaatbeweging. De protesten worden steeds gewelddadiger. Bij een recente actie van Code Rood in de Gentse haven werden installaties vernield en ontstond er zelfs ontploffingsgevaar.
De klimaatbetogers brachten levens in gevaar. Dat men een punt wil maken en dat men vreedzaam wil protesteren, tot daar aan toe, maar dat er sprake is van geweld en van het in gevaar brengen van mensenlevens, dat is voor ons een brug te ver. Of het nu gaat over jihadistisch extremisme, radicalisering binnen de klimaatbeweging of rechtsextremisme, voor cd&v zijn geweld en extreem gedrag gewoon geen opties, niet van rechts, niet van links, niet van geitenwollensokken, niet van religieus fanatisme. Onze rechtsstaat moet zich daar absoluut tegen verzetten.
Na de aanslagen van 2016 heeft ons land vele stappen gezet tegen dergelijke dreigingen. Wat ons betreft, versterken we die aanpak. Daarbij zijn evenwichten nodig. Bepaalde gevaarlijke radicale organisaties moeten gewoon verboden worden, mijnheer de minister, zonder het grondwettelijk recht op vereniging uit het oog te verliezen.
Ik heb dan maar ook één vraag voor u. Wat plant u te doen om deze samenleving en onze rechtsstaat te beschermen tegen (…)
Voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Demon.
Uit de commissie is ook een vraag meegenomen van collega Van Rooy.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, wie ogen in het hoofd heeft of naar het Vlaams Belang luistert, wist het natuurlijk al langer: de klimaathysterische beweging of toch zeker een deel daarvan wordt extremer en gevaarlijker, zelfs levensgevaarlijk. Dat blijkt nu ook uit een rapport van terreurwaakhond OCAD.
In dat rapport worden onder meer Anuna De Wever en extreemlinkse groeperingen zoals Code Rood genoemd. Zij laten zich, niet het minst, inspireren door de gifgroene Greta Thunberg, die tegenwoordig ook steun betuigt aan die andere groene terreurideologie, namelijk die van Hamas en Hezbollah, die eveneens alsmaar meer voet aan de grond krijgt in ons land. Ja, dames en heren, dit land wordt steeds gezelliger.
Het OCAD-rapport wijst ook op de grote schade die klimaatactivisten aanrichten en nog zouden kunnen aanrichten, indien er geen actie wordt ondernomen. Het gaat om vandalisme aan voertuigen, kunstwerken en bedrijfsinfrastructuur, om blokkades en bezettingen van wegen, sportwedstrijden en luchthavens, evenals sabotage met zware maatschappelijke en economische gevolgen. Bij de klimaatbeweging zijn dergelijke acties al lang ingeburgerd, omdat men het klimaattuig in dit land met fluwelen handschoenen aanpakt. Wat zeg ik? Het wordt zelfs gestimuleerd en gesubsidieerd. Het gebruik van geweld en terreur wordt daardoor nu door steeds meer klimaatactivisten als aanvaardbaar beschouwd. Het OCAD waarschuwt de regering dat er zelfs al dodelijke slachtoffers hadden kunnen vallen. Mijnheer de minister, we mogen dus nog van geluk spreken, maar het valt te vrezen dat het niet zal blijven duren.
Welke maatregelen neemt u tegen die klimaatterreur?
Bernard Quintin:
Messieurs les députés, j'ai pris connaissance d'une note émanant de la Sûreté de l'État concernant les liens entre le CIIB et les Frères musulmans. Monsieur Ducarme, vous m'interrogiez déjà il y a deux semaines en séance plénière sur un sujet similaire. Je dirais que cette itération permet à tout le monde de prendre conscience de la menace que représentent ces organisations radicales, quelles que soient leur origine ou leur idéologie d'ailleurs, lorsqu'elles visent fondamentalement à séparer des parties de la population du reste de la société.
Cela me permet de rappeler ici que même si pour certaines organisations ou nébuleuses, le terrorisme n'est pas en soi un outil de leur politique, elles en créent tout de même le terreau favorable et doivent donc à ce titre être combattues. Cette note démontre, pour autant que de besoin, que nos services prennent cette menace au sérieux, et je tiens une nouvelle fois à les en remercier. J'ai également appris que la commission parlementaire de suivi du Comité R avait demandé une actualisation du rapport mené par ce même Comité en 2022, et je soutiens pleinement cette démarche.
Vous l'avez dit, l'ASBL CIIB est le pendant français du CCIF, organisation dissoute en France après l'assassinat du professeur Samuel Paty. J'ai déjà eu l'occasion de m'exprimer très clairement sur le sujet.
Mijnheer Bergers, mijnheer Demon, zoals u weet werk ik momenteel aan een ontwerptekst die een juridisch kader moet bieden om radicale organisaties te verbieden of te ontbinden.
Mijn voorstel bestaat erin om op basis van objectieve criteria de mogelijkheid te voorzien tot een administratief verbod op de ontbinding van rechtspersonen of feitelijke verenigingen. Dat lijkt mij een doeltreffende manier om te reageren op een realiteit die zich steeds nadrukkelijker manifesteert.
Het is vanzelfsprekend, en ik benadruk dat graag opnieuw, dat de fundamentele principes van de rechtstaat centraal blijven staan in die aanpak. Er moet dus steeds ruimte zijn voor tegenspraak alvorens een administratieve beslissing wordt bevestigd. Uiteraard blijven ook de gebruikelijke rechtsmiddelen van kracht.
De voorgelegde tekst wordt momenteel besproken tussen de verschillende kabinetten van deze regering. U zult dus begrijpen dat ik om die redenen nu niet verder kan ingaan op de inhoudelijke details.
Enkele weken geleden heb ik hier overigens al aangekondigd dat radicale organisaties die een gevaar vormen voor onze nationale veiligheid voortaan in de GGB T.E.R. kunnen worden opgenomen. Dat betekent dat elke vereniging die in die databank wordt geregistreerd, wordt opgevolgd binnen het kader van de T.E.R.-strategie door de lokale taskforce, waarin alle veiligheidsdiensten vertegenwoordigd zijn.
Il n'entre pas encore dans les prérogatives du gouvernement – même si j'estime que cela pourrait être le cas – de demander aux services de sécurité, sur base de leur propre rapport, une analyse approfondie sur des organisations précises.
En définitive, ce seront évidemment ces mêmes services qui prendront toujours la décision finale d'inscription ou non dans la Banque de données commune "Terrorisme, Extrémisme, Processus de Radicalisation" (BDC T.E.R.). C'est la manière dont ce système fonctionne, et je tiens à le préserver ainsi.
Je sais, par contre, que nous partageons toutes et tous un même objectif, qui est que l'autorité publique dispose des outils adéquats et efficaces pour lutter sans détour contre ceux et celles – de quelque extrême ils ou elles se revendiquent d'ailleurs – qui menacent notre sécurité, notre vivre ensemble et donc fondamentalement notre État de droit.
Je sais pouvoir compter sur tous les partenaires pour donner à l'autorité publique les outils efficaces, toujours dans le respect de l' État de droit – et pour le préserver d'ailleurs –, pour lutter sans détour contre celles et ceux qui menacent notre sécurité et notre vivre ensemble.
Il n'y a pas de place pour la haine sur notre sol!
Je vous remercie.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, dank u voor uw antwoord. Het is zeer goed dat u aan een wetsontwerp werkt om dergelijke organisaties te verbieden. Dat moet wat onze fractie betreft liever vandaag dan morgen worden goedgekeurd. Daarom werken wij ook zelf aan een tekst om organisaties zoals Samidoun, Code Rood en het CCIB te verbieden. Dat is zeer dringend.
Het frappantste aan deze hele situatie – we hebben het daarnet gezien en ook in de commissie voor Binnenlandse Zaken – is dat sommige collega's van de PVDA en van Groen gewelddadig klimaatextremisme het liefst met de mantel der liefde bedekken. Ook in de krant hebben we gelezen dat Mieke Vogels geweld liever met de mantel der liefde bedekt. Dat kan niet, collega's. Wanneer er geweld is, moet dat worden veroordeeld, ook wanneer het uit de eigen rangen komt.
Denis Ducarme:
Monsieur le ministre, nous avons pu obtenir grâce au soutien des collègues, tous partis confondus, de la commission de suivi de nos services de renseignement – monsieur le président, vous étiez présent – l'actualisation du rapport sur la menace que font peser sur notre pays les Frères musulmans. J'avais déjà obtenu le rapport de 2022.
Monsieur le ministre, ne donnez plus un euro pour les amis des Frères musulmans dans notre pays. C'est évidemment essentiel. Aujourd'hui, pour notre pays, la plus grande menace est la menace islamiste, même s'il y en a d'autres. Beaucoup d'espoirs reposent sur vos épaules et nous attendons naturellement qu'avec le gouvernement à vos côtés, vous puissiez nous doter des outils essentiels à la lutte contre les radicalismes.
Franky Demon:
Mijnheer de minister, ik heb een groot hart voor de planeet en voor ons klimaat. Iedereen wil dat de toekomstige generaties een schone planeet ter beschikking krijgen. Dat bereikt men echter niet door leidingen te saboteren en ontploffingsgevaar te veroorzaken. Stel u voor dat dat verkeerd was afgelopen.
Ik denk niet dat u hier nog zou staan, mevrouw van Ecolo. U schudt het hoofd. Ja, ik heb het tegen u.
De gevolgen zouden onvoorstelbaar en ongezien zijn. Groen fundamentalisme is ook een vorm van fundamentalisme. Het is voor mij even onaanvaardbaar als alle andere vormen van extremisme.
Blijf dit nauwgezet opvolgen, mijnheer de minister, en zorg er alstublieft voor dat er geen ongelukken gebeuren. Wij wachten alvast uw ontwerp af in de commissie.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, er zijn drie grote problemen die ervoor zorgen dat klimaatactivisten in dit land steeds gevaarlijker worden. Ten eerste, als de daders van klimaatvandalisme of -geweld al worden opgepakt, komen ze er vanaf met een fopstrafje. Ten tweede, de dwaze CO ₂ -hysterie, waar ook deze regering en de facto elke politieke partij, behalve het Vlaams Belang, aan meedoen. Ten derde, de subsidies met belastinggeld die de traditionele partijen vrolijk uitdelen aan klimaattuig zoals Code Rood. Ja, mijnheer Bergers, dat geldt ook voor uw partij, de N-VA, die met de Vlaamse regering klimaatterreur sponsort met minstens 230.000 euro per jaar. Jullie zouden zich moeten schamen.
De onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleidingen en trainingen
De angstcultuur bij de Securailagenten
De persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel
De ontevredenheid binnen Securail
De arbeidsomstandigheden en de toekomst van de Securailagenten
Het slechte werkklimaat bij Securail
De toestand bij Securail
De welzijnsenquête bij de NMBS
De enquête over de werkomstandigheden van het spoorwegpersoneel
De zorgwekkende situatie bij Securail
Uitdagingen en werkomstandigheden binnen Securail en NMBS-spoorwegpersoneel
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De zorgwekkende enquêteresultaten bij Securail en de NMBS tonen diepgewortelde problemen: onveilige werkomstandigheden (verouderde steekwerende vesten – volgens de minister *technisch nog veilig* tot 2027, maar door personeel betwist), toxisch management (angstcultuur, slechte communicatie, gebrek aan overleg), werkdruk (burn-outrisico’s, onvoorspelbare plannings) en structureel wantrouwen tussen leiding en vakbonden. De minister belooft kortetermijnacties (overleg voor de zomer, vierpijlersplan voor welzijn) en streng toezicht, maar parlementsleden benadrukken dat eerdere beloftes faliekant tekortschoten en eisen concrete, meetbare verbeteringen—niet enkel pr-middelen—met verantwoordelijkheid voor het management en betrokkenheid van syndicalisten bij hervormingen. Kernpunt: Het veiligheids- en welzijnsbeleid voor frontlijnpersoneel (Securail) is acut disfunctioneel, terwijl de NMBS als werkgever juridisch en moreel verantwoordelijk is—de minister moet dwingend ingrijpen om vertrouwen, transparantie en basisveiligheid (materieel, training, mentale ondersteuning) te herstellen. Dringendheid: Vertraging is geen optie—personeel en reizigersveiligheid staan op het spel.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, ik zal het kort houden, want ik heb u hierover vorige week al ondervraagd in de plenaire vergadering. U weet dus in grote lijnen waarover het gaat. De enquête van de spoorwegbonden bij het Securailpersoneel leverde namelijk verrassend slechte resultaten op, die ik toen kort heb samengevat.
Over de ontevredenheid bij het Securailpersoneel heb ik nog een korte vraag. Op welke wijze evalueert u de nieuwe organisatiestructuur, Securail 2.0 genoemd? Welke maatregelen zullen er genomen worden om de onvrede bij het Securailpersoneel daarover weg te nemen?
Over de angstcultuur bij het Securailpersoneel heb ik het vorige week al met u gehad. Daarvoor verwijs ik naar mijn ingediende vraag.
Een volgende belangrijke punt zijn de persoonlijke beschermingsmiddelen van het Securailpersoneel. Het gaat over de steekwerende vesten die de Securailagenten ter bescherming dragen. Van veel vesten blijkt de houdbaarheidsdatum al lang overschreden. Dat betekent dat de kwaliteit van die vesten in twijfel kan worden getrokken, dus ook de bescherming van het personeel zelf. Bovendien heerst er ontevredenheid over het feit dat ze niet over een persoonlijke zaklamp beschikken, die ze nodig hebben voor de uitoefening van hun job.
Hebt u kennis van het feit dat de houdbaarheidsdatum van de steekwerende beschermingsvesten van de Securailagenten verstreken zou zijn? Erkent u dat het laten dragen van steekwerende vesten waarvan de houdbaarheidsdatum overschreden is, afbreuk doet aan de veiligheid van het Securailpersoneel? Om welke redenen is er niet tijdig voorzien in nieuwe steekwerende vesten? Hoe is dat mogelijk? Wat is de huidige stand van zaken van dit dossier? Is men aan de slag om ervoor te zorgen dat dat probleem snel wordt opgelost en er dus snel in degelijke, nieuwe vesten wordt voorzien?
Wie zal de verantwoordelijkheid dragen wanneer vandaag een Securailagent wordt neergestoken, die een steekwerend vest draagt waarvan de houdbaarheidsdatum is overschreden?
Een volgende aspect is de onvrede bij de Securailpersoneelsleden over hun opleiding en training. Ze vinden namelijk dat ze meer praktijkgerichte trainingen moeten volgen, omdat de theorie soms heel ver verwijderd is van de praktijk op de werkvloer. Hoe zult u gevolg geven aan hun vraag?
Ten slotte heb ik nog een extra vraag over een welzijnsenquête bij de NMBS. De NMBS zelf heeft IDW, de externe dienst voor preventie en welzijn op het werk, gevraagd een personeelsenquête te houden over tevredenheid, risico's op stress, burn-out, werkdruk en ongewenst gedrag. Ook daarvan waren de resultaten niet goed, zelfs zorgwekkend. Het is een goede zaak dat de NMBS zelf zo'n enquête organiseert. Ik verwijs daarvoor naar mijn ingediende vraag. Daarin vraag ik hoe u dat evalueert en welke acties daartegen zullen worden ondernomen.
Farah Jacquet:
Je vous ai déjà interpellé jeudi dernier sur une enquête précédente, mais je vais aujourd’hui concentrer ma question sur la plus récente, tout aussi interpellante, réalisée par IDEWE. Cette enquête, menée auprès de l’ensemble du personnel de la SNCB, révèle un profond malaise puisque 43 % des agents déclarent être épuisés par leur travail, et une large part d’entre eux est en risque de burn-out. La moitié pense que les conditions de travail vont encore se détériorer.
L’enquête pointe un management déconnecté, un manque d’écoute, d’empathie, et une pression constante exercée sur les travailleurs. J’ai aussi relevé un chiffre alarmant: 16 % des agents déclarent avoir subi du harcèlement sexuel dans certaines entités. Nous sommes en 2025, monsieur le ministre. Cela ne devrait plus exister. Nulle part.
Ces chiffres doivent vous interpeller. En effet, ils décrivent un système qui use les travailleurs jusqu’à l’épuisement, qui les rend malades. Vous ne pouvez pas rester sans réagir. La semaine dernière déjà, je vous ai parlé des propositions syndicales concrètes qui visent à améliorer ces conditions de travail.
Aujourd’hui, mes questions sont simples: Avez-vous pris connaissance personnellement des résultats de cette enquête? Qu’allez-vous faire pour que les recommandations syndicales soient appliquées à l’ensemble des cheminots? Avez-vous consulté les syndicats, et quels engagements concrets avez-vous pris?
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, les résultats d'une enquête récente menée par les deux principaux syndicats ferroviaires auprès de 376 agents de Securail révèlent une situation particulièrement préoccupante en matière de conditions de travail et de climat organisationnel. Les témoignages collectés font état d'un management toxique, d'une communication autoritaire et inefficace ainsi que d'une culture de la peur généralisée. Les agents ont utilisé des termes forts tels que régime de terreur, leadership toxique, chasse aux sorcières… Ils traduisent donc un profond mal-être au sein du service chargé pourtant d'assurer la sécurité du réseau ferroviaire. À cela s'ajoutent des dysfonctionnements dans la gestion des plannings, avec des horaires communiqués tardivement ou peu adaptés aux contraintes individuelles, et qui compromettent fortement l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée.
La SNCB dit s'engager à prendre des initiatives afin de remédier à cette situation. Pourriez-vous préciser la nature concrète de ces initiatives?
La SNCB prévoit-elle de mener une enquête interne au sein de Securail pour vérifier les faits signalés? Envisage-t-elle de confier cette enquête à un organe indépendant?
Enfin, un accompagnement psychologique ou des dispositifs de soutien spécifiques pour les agents concernés sont-ils mis en place à la SNCB ou chez Securail? Je vous remercie d'avance pour vos réponses, monsieur le ministre.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, que se passe-t-il chez Securail? Nous sommes en droit de nous poser la question à la lecture des résultats de l'enquête menée par la CGSP et par la CSC Transcom auprès des agents de sécurité. Ce sont tout de même 80 % des agents interrogés qui disent être insatisfaits de la communication avec le management. Visiblement, votre vision d’un "Securail 2.0" ressemble plutôt à un "Securail 0 point t" (zéro pointé).
Comment un management peut-il ne pas se rendre compte d'un tel malaise qui règne au sein de son entreprise? La gestion des ressources humaines est essentielle dans toute organisation, et singulièrement dans une entreprise publique, me semble-t-il. Encore plus lorsqu’il s’agit d’une entreprise publique dont les agents doivent œuvrer à la sécurité des voyageurs et du personnel de la SNCB.
Est-il normal, à vos yeux, qu’un management attende le résultat d’une enquête menée par les syndicats pour se rendre compte de la situation déplorable dénoncée par les travailleurs? Non, bien sûr! Il s’agit ici d’une mauvaise gestion, de plannings flous, d’un manque de clarté concernant les congés, de la suppression de primes et de bien d’autres dérives encore.
Monsieur le ministre, comptez-vous rencontrer la direction de Securail et les syndicats afin de faire la lumière sur les dysfonctionnements mis en évidence par cette enquête? En plus de l’enquête menée à Securail, nous disposons aussi de l’enquête IDEWE – indépendante – qui révèle un climat social déplorable et des tensions croissantes. Les agents dénoncent une ambiance de travail pesante et un dialogue quasi inexistant avec leur hiérarchie. Il est question de climat tendu, voire critique et de pression croissante.
Monsieur le ministre, comment allons-nous améliorer le rail belge avec des travailleurs qui n’en peuvent plus? Cela nous ramène aux deux débats d'actualité précédents, dans lesquels l’ensemble des groupes vous ont houspillé. Certes, la SNCB est une entreprise publique autonome, mais cela ne dispense pas le ministre de s’en préoccuper activement – de préférence avec les syndicats – et sans attendre des mois pour reporter à une date ultérieure, afin de revenir à un débat précédent.
Que comptez-vous faire, monsieur le ministre, pour améliorer la situation chez Securail? Je vous remercie.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, de resultaten van de welzijnsbevraging waren inderdaad zeer slecht en vergis u niet: een welzijnsbevraging is verplicht. Organisaties moeten dat doen. De NMBS feliciteren voor iets wat ze verplicht moet doen… Het is maar logisch dat de NMBS dat doet. Blijkbaar is het trouwens pas gebeurd na heel wat druk van de vakbonden.
Daardoor zijn de betreurenswaardige problemen bij Securail naar boven gekomen, waar mijn collega's al uitgebreid naar hebben verwezen. Ik denk dat dit eens te meer pijnlijk is, omdat het gaat over mensen die dagelijks instaan voor de veiligheid in onze stations, voor de reizigers en voor het personeel. Zij verdienen duidelijke communicatie, respect voor hun tijd en vertrouwen in hun professionaliteit. Wat ze vandaag echter krijgen, is juist het omgekeerde. Het feit dat ondertussen herstructureringen worden aangekondigd door teamleiders zonder enig sociaal overleg, is gewoonweg geen manier van werken. Integendeel, het zorgt er alleen voor dat het wantrouwen tussen het management van de organisatie en de werknemers alleen verder zal toenemen. Daarom heb ik enkele vragen voor u, mijnheer de minister.
Hoe kijkt u naar de huidige situatie bij Securail? Acht u de afspraken die tot heden al zijn gemaakt voldoende om de huidige problematiek bij te sturen? Hoe ziet u zelf de rol van de NMBS en van uzelf in het opvolgen en bijsturen van die knelpunten? Op welke manier zult u erop toezien dat hervormingen binnen Securail niet langer zonder overleg worden doorgevoerd, maar dat het personeel daarbij wordt betrokken? Tot slot, heeft deze erbarmelijke situatie ook gevolgen voor de verantwoordelijken en het management van Securail? Hoe kijkt u daarnaar?
Ik ben ervan overtuigd dat de mensen van Securail duidelijkheid en respect verdienen. Vooruit rekent op u om daarvoor te zorgen. Dank u wel.
Voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Tas. Ik kijk rond in de zaal om te zien of er fracties zijn die niet deelnemen aan het actualiteitsdebat en wensen aan te sluiten.
Mevrouw De Knop, u hebt het woord.
Irina De Knop:
Uiteraard hebben wij ook kennisgenomen van de resultaten van de heel zorgwekkende enquête. Dat meer dan 70 % van de medewerkers aangeeft dat zij niet vrijuit kunnen spreken, moet zeker zorgen baren.
Mijnheer de minister, daarom hebben wij een aantal vragen die gelijklopend zijn met de vragen van de andere vraagstellers. Bent u op de hoogte van de resultaten van de enquête? Wat is uw reactie daarop?
Welke stappen zullen er worden ondernomen door de NMBS en specifiek door Securail om de geconstateerde problemen aan te pakken?
Hoe wordt de betrokkenheid van externe preventiediensten zoals IDW gewaarborgd in het vervolgtraject?
Ik dank u alvast voor de bijkomende antwoorden.
Voorzitter:
Wensen nog andere fracties aan te sluiten? (Neen)
Jean-Luc Crucke:
Comme je l'ai récemment dit en séance plénière, je souhaite à nouveau exprimer ma considération pour le travail essentiel accompli par les agents de Securail qui veillent à la sécurité des usagers du rail chaque jour et souvent dans des conditions exigeantes. Leur engagement mérite d'être reconnu et leurs préoccupations doivent être entendues avec sérieux et respect. J'ai encore eu l'occasion de le leur dire ce matin dans la gare de Liège-Guillemins.
Voici les mesures concernant la sécurité des agents Securail.
Securail beschikt over kogelwerende vesten die zowel steek- als snijwerend zijn. De houdbaarheidsdatum waarvan sprake, verwijst naar de garantieperiode van de fabrikant op de beschermingsplaten in de vesten. De garantie dekt een periode van 10 jaar voor het behoud van de kogelwerende eigenschappen van de platen. Het overschrijden van de garantietermijn betekent niet automatisch dat de bescherming onvoldoende wordt. Bovendien loopt de garantieperiode voor de betreffende Securailvesten tot 2027. Er is dus geen sprake van vervallen vesten, noch van afbreuk aan de veiligheid van het Securailpersoneel.
In de zomer van 2024 werd een controle uitgevoerd op de garantiedatum van elke kogelwerende vest. Alle agenten beschikken over vesten die nog onder garantie vallen, op enkele uitzonderlijke gevallen na. De uitzonderlijke gevallen werden onmiddellijk aangepakt. Na analyse bleek dat oude platen van de vorige leverancier werden gebruikt, die door de betrokken agent op eigen initiatief in een nieuwe vest waren geplaatst. Om dergelijke situaties te vermijden, werd de procedure met betrekking tot uniformen en beschermingsmiddelen aangepast, met een strengere controle op het teruggeven van het materiaal.
De huidige kogelwerende vesten hoeven momenteel niet vervangen te worden. Het huidige raamcontract en de garantieperiode voor de kogelwerende vesten lopen tot 2027 en bevatten een optie tot verlenging met twee jaar. In het najaar van 2025 zijn ballistische testen gepland om na te gaan of het gebruik van de huidige kogelwerende vesten ook na 2026 nog conform de standaard van de betrokken firma is. De Securailagenten beschikken vandaag over kogelwerende vesten waarvan de garantie niet is verlopen. De geplande ballistische testen zullen uitwijzen of de garantieperiode verlengd kan worden. Indien niet zullen de gebruikte platen worden vervangen.
Met betrekking tot de zaklampen, de Securailagenten beschikken vandaag over collectieve zaklampen, die zij aan het begin van hun shift kunnen plaatsen in hun individuele lampenhouder. Per werkzetel is het aantal zaklampen afgestemd op het aantal agenten per shift. De jongste inventaris werd opgemaakt begin 2025 en eventueel ontbrekende lampen werden aangevuld.
Begin dit jaar heeft NMBS in het kader van haar welzijnsbeleid het initiatief genomen om een nieuwe enquête te lanceren via idewe, een erkende en onafhankelijke preventiedienst, om de risico’s die het welzijn in de onderneming kunnen beïnvloeden, te identificeren.
Er wordt conform de wet regelmatig een extern onderzoek uitgevoerd.
À partir des résultats de cette enquête, tous les départements de la SNCB ont été mobilisés pour travailler sur un plan d'action concret, basé sur quatre piliers essentiels: une culture d'entreprise ouverte, des conditions et des lieux de travail inclusifs, une collaboration renforcée entre départements et davantage d'opportunités de formation et d'apprentissage pour que les compétences de chacun puissent être pleinement développées. Ce programme d'action sera suivi de près par le comité de direction en coordination avec les partenaires sociaux au sein des comités de bien-être concernés.
Suite à plusieurs problématiques soulevées auprès des organisations syndicales par des agents de Securail, les organisations syndicales ont mené également une enquête auprès de ce personnel afin d'obtenir une vision plus globale de la situation. Cette enquête portait sur cinq thématiques: la planification et l'équilibre entre vie professionnelle et vie privée, Securail 2.0, la réorganisation de 2021-2022, la gestion des incidents et la communication, la culture managériale et les équipements de protection individuelle dont j'ai déjà parlé.
De resultaten van die enqu ê te werden op maandag 2 juni voorgesteld aan en besproken met het management van de NMBS.
Les constats qui en ressortent sont préoccupants. Je répète ce qui a été dit: climat de travail dégradé, difficultés de communication avec la hiérarchie, gestion des plannings affectant l’équilibre entre vie professionnelle et vie privée, et sentiment d’un manque de soutien et d’écoute.
Het management waardeert het initiatief en gaat aan de slag met de resultaten en conclusies die werden voorgesteld. Het management zal de resultaten ook nader analyseren en vergelijken met zijn eigen analyses van de resultaten van de uitgevoerde welzijnsenqu ête.
Er is afgesproken om net vóór de vakantie een eerste vervolgoverleg te organiseren waar mogelijke acties voor de belangrijkste thema’s gezamenlijk zullen worden besproken. Daarna zullen er zeker nog andere overlegmomenten met betrekking tot de verschillende thema’s tussen het management en de vakbonden volgen. De doelstelling van het management van Securail en van de vakbonden is tot verbeteringen in de verschillende domeinen te komen.
Un travail est en train d'être mené pour essayer de résoudre les problèmes auxquels se heurtent les agents de Securail. La direction va travailler sur la base des résultats et des conclusions présentés, enrichis de ses propres analyses. L'objectif, tant de la direction de Securail que des syndicats, est d'aboutir à des améliorations dans les différents domaines.
Comme je l'ai également indiqué en séance plénière, je suis en contact étroit avec la direction générale des ressources humaines de la SNCB. Celle-ci et les syndicats m'ont confirmé que des réunions se tenaient régulièrement et que les premiers échanges ont été constructifs. Je serai particulièrement attentif à ce que ces discussions débouchent sur des mesures concrètes, visibles et durables pour le personnel.
Het belang van de geestelijke gezondheid en het welzijn van de werknemers staat niet ter discussie. Het gaat om hun veiligheid en inzet, maar ook om de kwaliteit van de openbare dienstverlening, die we aan onze burgers verschuldigd zijn. Als de dialoog vastloopt, zal ik niet aarzelen om in te grijpen. De NMBS heeft een verantwoordelijkheid als werkgever en ik zal erop toezien dat ze die ten volle opneemt.
Frank Troosters:
Mijnheer de minister, men gaat dus aan de slag en de resultaten vergelijken met die uit eigen onderzoeken. Het zou er nog aan moeten mankeren! Alleszins ben ik tevreden dat er op korte termijn, nog voor de vakantie, al een eerste overleg plaatsvindt. Misschien kunnen daar al beslissingen met het oog op quick wins worden genomen. We zullen het verdere verloop van het proces uiteraard opvolgen.
Ik ben wel enigszins verbaasd over het verhaal rond de steekwerende vesten, vesten waarvan het Securailpersoneel klaagt dat er problemen mee zijn, terwijl u hier argumenteert dat er technisch gezien, dus wat de werking en de garantie- en houdbaarheidsdatum betreft, geen vuiltje aan de lucht is. We volgen het verder op.
Het feit is dat er in het verleden al kansen gemist zijn. Al sinds de vorige legislatuur is er sprake van een toename van criminele feiten op het spoor. We hebben herhaaldelijk aangedrongen op actie daaromtrent. Er zijn meerdere noodkreten geweest. Het Securailpersoneel heeft al vaker acties gevoerd, onder andere aan het station Brussel-Zuid; er is al herhaaldelijk overleg gepleegd. Kortom, er is al heel wat water door de zee gevloeid, maar uiteindelijk zijn er nog steeds geen concrete, doorgedreven acties op het getouw gezet of het beleid hervormd, althans niet op een manier die gedragen en gesteund wordt door het personeel. Ik mag dan ook hopen dat, hoe slecht de resultaten ook zijn, de enquête de aanzet mag zijn voor een degelijk en gedragen veiligheidsbeleid en beleid onder andere inzake welzijn, rust, stress en burn-voor het NMBS-personeel.
Farah Jacquet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses.
J'entends que plusieurs concertations auront lieu en interne à la SNCB. C'est bien, mais je pense qu’il serait vraiment très intéressant que vous y participiez aussi, ou, en tout cas, que vous ayez un œil là-dessus.
Les cheminots comptent encore sur vous, pour le moment. Beaucoup de promesses leur ayant été faites par le passé n'ont pas été tenues. Beaucoup de choses sont restées lettre morte. Les travailleurs ont un peu été négligés à ce niveau. Cela se ressent dans les différentes enquêtes réalisées, parmi lesquelles celle de Securail, mais aussi celle d’IDEWE, qui est une entreprise externe. Il n'est pas anodin de le souligner, parce qu'il y a une tendance à faire croire que les cheminots se plaignent facilement, alors que ce n'est pas le cas.
Ils attendent vraiment des résultats ainsi que des mesures dont vous pourriez être à la source. On sait que vous êtes partisan des concertations, etc. Je vous demande de rester particulièrement vigilant à ce que fera la SNCB à ce niveau-là, afin d'éviter qu'il s'agisse d'une opération de communication, avec la présentation de très beaux slides, qui finalement n'aboutira à rien du tout. Je vous remercie.
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses qui font montre d'une prise en main de la problématique. Il est en effet important de prendre soin de ceux qui prennent soin des autres.
Dimitri Legasse:
Monsieur le ministre, comme vous venez de le dire, la SNCB va déployer un vaste plan d'action pour améliorer le bien-être du personnel autour de quatre piliers. On nous annonce dans ce cadre une attention particulière pour Securail. Parfait! J'espère sincèrement que vous vous assurerez que, cette fois, des mesures concrètes seront prises de manière globale. On ne parle pas que de vestes ou de lampes, même si c'est important.
J'espère que vous vous rendez réellement compte de la situation et de la dureté du travail assumé par les cheminots et des économies, par ailleurs, qu'on leur demande de faire. Il y a là un hiatus, vraiment.
Vous voulez assumer des réformes en termes d'économies, très bien, mais mettez en balance tout ce qu'on vient d'évoquer dans les questions précédentes et celle-ci par rapport au personnel et les économies. Comme déjà évoqué lors du premier débat d'actualité relatif au préaccord social, ce n'est pas au personnel de prendre en charge et de supporter les économies. La démonstration est encore faite ici.
Monsieur le ministre, vous fixerez sans doute une date limite et un calendrier. Nous comptons sur vous pour avoir un dialogue constant avec le personnel et ses représentants. Je vous remercie.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het siert u dat u de problematiek erkent, maar dat kan duidelijk ook niet anders, want de resultaten zijn zodanig onrustwekkend dat ze ook fundamenteel moeten worden aangepakt. Ik vind het wel vreemd dat het duurde tot de resultaten van een welzijnsbevraging bekend waren, vóór de NMBS en Securail inzagen dat er iets fundamenteel fout is. Mijns inziens draagt het management een grote verantwoordelijkheid dat het zover is kunnen komen. Het is dus belangrijk dat er twee zaken gebeuren. Ten eerste, er moet een bijsturing komen van het beleid en er moet structureel overleg komen tussen het management en de werknemersorganisaties over wat er vandaag is misgelopen. Ik begrijp uit uw antwoorden dat dat momenteel aan het gebeuren is. Ik hoop dat dat goed verloopt, omdat uit de bevraging immers duidelijk blijkt dat er een zeker spanningsveld bestaat. Dat is mijn eerste bezorgdheid, die ik wil delen. Ten tweede, ik hoop ook dat u als toezichtsminister het management hierover aanspreekt en vraagt op welke manier een en ander vanuit de organisatie in de toekomst kan worden voorkomen en of het beleid inzicht heeft in hoe de situatie tot stand is gekomen. Ik zal de evolutie van de situatie blijven opvolgen en hoop dat er daar snel beterschap komt, want die personeelsleden staan in voor de veiligheid in de stations. Ze staan vaak op de eerste lijn in moeilijke omstandigheden en verdienen dus onze steun.
De cyberrisico’s op het gebied van hernieuwbare energie
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België loopt ernstig cyberrisico door de dominante aanwezigheid van Chinese omvormers (85% in Vlaanderen sinds 2022, mogelijk nog meer eerder) en windturbines met potentiële *killswitches*, die sabotage van het elektriciteitsnet mogelijk maken—een strategisch systeemrisico bij grootscheepse aanvallen. De Wever erkent de geopolitieke afhankelijkheid (China’s marktdominantie, gebrek aan Europese autonomie) en de onhaalbaarheid van een direct verbod, maar benadrukt nood aan Europese regelgeving (veiligheidsnormen, beperkte netwerktoegang) op lange termijn, zonder concrete kortetermijnoplossingen. Keuten kaart aan dat de energietransitie—bedoeld om afhankelijkheid te verminderen—juist nieuwe kwetsbaarheden creëerde (digitale infrastructuur, buitenlandse controle) en pleit voor een ommekeer weg van groene energie. Kernpunt: België/Europa ontbreekt het aan middelen om cyberdreigingen in kritieke energie-infrastructuur nu afdoende te mitigeren.
Dieter Keuten:
Mijnheer de eerste minister, ik heb volgende vragen voor u, omdat u ook bevoegd bent voor het Centrum voor Cybersecurity België (CCB).
Amerikaanse onderzoekers ontdekten enige tijd geleden ongeautoriseerde communicatieapparaten in Chinese omvormers die zonnepaneelinstallaties aansturen en op afstand zelfs kunnen afzetten. Veel omvormers zijn permanent verbonden met het internet. Firewalls zouden in principe moeten beschermen tegen cyberaanvallen. Als er echter een fysiek apparaat aan een omvormer wordt toegevoegd, kunnen die firewalls omzeild worden. Vijandige hackers of landen zouden dus grote delen van ons elektriciteitsnet kunnen platleggen via dat beveiligingslek.
Eerder uitte een NAVO-expert bezorgdheid over de beveiliging van windturbines, want windturbines van Chinese makelij zouden zogenaamde killswitches kunnen bevatten, die sabotage in tijden van conflict mogelijk maken.
Hoeveel windturbines van Chinese makelij bevinden zich op Belgisch grondgebied?
Hoeveel omvormers voor zonnepanelen die in China geproduceerd zijn, zijn er momenteel actief op Belgisch grondgebied? Wat is het geschatte percentage Chinese omvormers in gebruik ten opzichte van het totale aantal actieve omvormers in België?
Overweegt u een ban op het gebruik van omvormers van het merk Huawei, naar analogie van het verbod op het gebruik van Huawei in strategische 5G-netwerkinfrastructuur, zoals dat in andere Europese lidstaten wordt ingevoerd voor omvormers?
Ten slotte, de Europese sectororganisatie SolarPower Europe publiceerde eind april twee duidelijke aanbevelingen om de zonne-energiesector beter tegen cyberaanvallen te beveiligen. De eerste aanbeveling is om standaarden te ontwikkelen en op te leggen voor de beveiliging van netwerkverbonden zonnepaneelinstallaties. De tweede aanbeveling is om de toegang van zonne-energiesystemen via de omvormer te beperken. Hoe en wanneer zult u die aanbevelingen implementeren?
Bart De Wever:
Ik zie mijn antwoord iets minder graag tegemoet. Ik had gevraagd om het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) over te dragen, nog voor u erin zou slagen mij opnieuw een vraag te stellen over een wereld die mij totaal vreemd is en dat is niet gelukt. Deze keer hebt u werkelijk de hoofdvogel afgeschoten. Na het lezen van uw vraag ben ik in mijn eigen kelder afgedaald – ik heb zonnepanelen – en tot mijn afgrijzen zag ik het logo van Huawei op een witte kast die vermoedelijk de omvormer is, waarnaar u verwijst.
Toch moeten we het positieve in alles proberen te zien. Ik beschik over de gsm-gegevens van Wang Yi, de Chinese minister van Buitenlandse Zaken. Ik weet dus dat ik hem kan appen op het moment dat de stroomprijs negatief is, zodat ik mijn zonnepanelen kan afzetten.
Alle gekheid op een stokje, u vraagt naar cijfers. Dat is voer voor een schriftelijke vraag voor de minister van Economie, aangezien de FOD Economie de bevoegde sectorale overheid is voor de energiesector. Terzijde, wind- en zonne-energie op land vallen niet onder de federale bevoegdheid, maar zijn een regionale materie.
In de pers werd gemeld dat de Vlaamse minister Depraetere wel heeft geantwoord op een vraag van een van uw partijgenoten. Ze gaf aan dat er sinds 2022 in Vlaanderen ongeveer 400.000 omvormers zijn aangemeld, waarvan er 340.000 afkomstig zijn van een merk met een hoofdzetel in China. Ik vrees dat men die cijfers moet extrapoleren. Dat zullen wel ongeveer de verhoudingen zijn. Huawei is bijzonder dominant op de markt van omvormers en China heeft in het algemeen een sterke positie op de markt van zonnepanelen. Dat is algemeen bekend. Het is een van de vele gevolgen van de globalisering, waarbij Europa zich vandaag haarkrabbend afvraagt of de globalisering niet te ver is doorgeschoten.
Dat cijfer is zonder twijfel een onderschatting. Er bestaat nog een dark number , aangezien we pas sinds 2022 bijhouden wat de oorsprong is van de omvormers. Voor de periode daarvoor is niets in kaart gebracht, maar iets zegt mij – al is dit een pure gok; u kent dat veel beter dan ik – dat het om enorme proporties gaat. Om duidelijkheid over de cijfers te krijgen, zou men in alle regio's navraag moeten doen. Dan beschikt men over gegevens vanaf 2022. Die zou men eventueel kunnen extrapoleren naar het geheel. Dat is echter niet eenvoudig.
Het CCB merkt ook op dat u naar een journalistiek onderzoek verwijst en geen wetenschappelijk rapport, wat maakt dat het moeilijk is voor het centrum om daar formeel op te reageren.
Iedereen met gezond verstand moet zich in ieder geval vragen stellen bij de grote impact die China heeft op het vlak van infrastructuur. Dat is niet alleen in ons land zo. Ik heb u al gezegd dat heel Europa op dat vlak stilaan uit zijn naïviteit ontwaakt. Dat is natuurlijk het gevolg van het feit dat we onze productiecapaciteit naar China hebben laten verplaatsen. Over de globalisering kan men lang discussiëren, maar op het vlak van strategische autonomie werden bepaalde checks-and-balances niet gerespecteerd. Daardoor zijn we blootgesteld aan risico’s die een ongemakkelijk gevoel nalaten.
Als het klopt wat de heer Wang Yi 's namiddags zegt – voor alle duidelijkheid; hij heeft dat niet tegen mij gezegd; hij heeft mij dus eigenlijk een rad voor de ogen gedraaid -, namelijk dat China eigenlijk Rusland steunt in de oorlog tegen Oekraïne en dat China wil dat die oorlog lang duurt – ik denk dat hij zich versproken heeft -, dan is China eigenlijk een onderdeel van het probleem en kan men het land moeilijk een vriendelijke partner noemen. Zelfs als men dat morgen zou zeggen, betekent het niet dat men China overmorgen uit de globale economie kan wegdenken. Daar zijn we nog ver van verwijderd. Het bannen van Chinese componenten is op korte termijn totaal onrealistisch, het is zelfs fysiek onmogelijk.
De vraag lijkt mij dus hoe wij een realistische vertaalslag kunnen maken naar regelgeving om tegemoet te komen aan de bezorgdheid die u uit. Het CCB meldt mij dat de Chinese producenten vaak de eersten zijn die formeel de technische vereisten in orde brengen, als het gaat over veiligheid. Ze zijn dus nog behoorlijk goed ook. Wanneer men rond overheidsopdrachten werkt, ontsnappen de private omvormers heel vaak aan de regelgeving, zoals men die voor ogen neemt.
In de kern betreft het dus veeleer een geopolitiek probleem waarop een antwoord moet worden geboden, maar dat zal wellicht niet op Belgisch niveau gebeuren en eigenlijk ook niet op korte termijn. Als wij onze onafhankelijkheid als Europese economie ë n en als Europese markt willen versterken, dan zullen wij een traject moeten afspreken om daar naartoe te groeien. Dat zal niet van vandaag op morgen gebeuren, u hebt de cijfers gehoord.
Ik besluit. Wij moeten daarbij antwoord bieden op enkele vragen die vooralsnog onbeantwoord blijven. Bijvoorbeeld, moeten we de Chinezen weren uit alle strategische infrastructuren; indien ja, wat is dat dan allemaal; waar begint dat en waar eindigt dat, of nog wat is de economische impact daarvan op korte en op langere termijn en wat is er realistisch? Die pertinente vragen moeten wij beantwoorden en het begint vaak in de eigen kelder.
Dieter Keuten:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw antwoord. U hebt de vraag wat breder getrokken. Het gaat inderdaad over het beschermen van onze strategische infrastructuur. Als er daarover gesproken wordt, gaat het over het beschermen van fysieke infrastructuur, onze kerncentrales, luchthavens, havens en de Noordzee, waar er belangrijke kabels kust liggen. Met mijn vraag wil ik aantonen dat er ook belangrijke digitale infrastructuur moet worden beschermd en dat wordt wel eens over het hoofd gezien, terwijl die infrastructuur bijzonder kwetsbaar is. Wanneer de zon schijnt, zoals dat de voorbije dagen wel vaker het geval is, wordt 50 tot zelfs 60 % van onze elektriciteit opgewekt door de zon en dat is plezant voor eigenaars van zonnepanelen, maar stel dat hackers op zo'n moment erin zouden slagen om zelfs maar een heel klein percentage van onze zonnepanelen aan te vallen en plat te leggen, dan is dat een systeemrisico en komen er black-outs. Natuurlijk heeft de kwestie te maken met globalisering, maar meer nog heeft die ten gronde volgens mij te maken met de energietransitie, die ons ongeveer 25 jaar geleden werd opgedrongen en die u nu hopelijk eindelijk zult keren. We zouden groene energie krijgen, goedkope energie, want de zon schijnt gratis en de wind waait voor niets. Energie is echter helemaal niet goedkoper geworden, integendeel. Er werd ons ook beloofd dat we niet langer afhankelijk zouden zijn van de stoute landen die fossiele brandstoffen leveren, want we zouden zelf onze energie opwekken. Wat blijkt nu? We wekken wel zelf energie op via windmolens en zonnepanelen, maar die panelen en molens worden niet hier geproduceerd. Bovendien hebben we amper controle over de software die de toestellen aanstuurt. Strategische autonomie hebben we dus ook niet gekregen. Mijnheer de eerste minister, keer dus alstublieft die energietransitie terug.
De hittegolf en het klimaatplan dat op zich laat wachten
Het Belgische klimaatplan
Het treinverkeer in extreme weersomstandigheden
De hittegolf en de klimaatambities van België en Europa
De klimaatdoelstellingen 2040 en het Belgische klimaatplan
De tijdens de hittegolf afgeschafte P-treinen
Klimaatplannen, hittegolven, treinverkeer, klimaatambities, klimaatdoelstellingen.
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie), Bart De Wever (Eerste minister)
op 3 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De klimaaturgentie staat centraal in een felle kritiek op minister Crucke (Klimaat), die volgens oppositiepartijen het dossier verwaarloost door prioriteiten zoals koopkracht en defensie voorop te stellen—terwijl België achterloopt met het Nationaal Energie-Klimaatplan (PNEC) (deadline juni 2024 gemist) en hittegolven dodelijke gevolgen hebben voor kwetsbare groepen. Critici hekelen symbolische maatregelen (bv. CO₂-taks voor gezinnen) en uitgestelde investeringen (windenergie, spoorinfrastructuur), terwijl de NMBS faalt met verouderd materieel en gecancelde treinen tijdens extreme hitte, wat pendelaars naar de auto drijft. Crucke verdedigt zich door te wijzen op Europese flexibiliteit (90% reductiedoel 2040 met koolstofcompensatie) en coördinatieproblemen tussen gewesten, maar belooft het PNEC voor september 2024 in te dienen—zonder concrete oplossingen voor sociale ongelijkheid (hitte-arme huishoudens) of systeemverandering (publieke investeringen vs. marktafhankelijkheid). Kernpunt: klimaatbeleid ontbeert urgentie en rechtvaardigheid, terwijl de crisis levens kost.
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, "le climat n'est plus une priorité": c’est ce que je vous ai entendu dire cette semaine sur La Première. Vous regrettez peut-être, mais vous l’avez dit!
Franchement, nous savions déjà que les partis de l’Arizona abandonnaient l’ensemble de leurs promesses et de leurs priorités de campagne. Je ne reviendrai pas sur les 500 euros supplémentaires de pouvoir d’achat. Le climat était aussi dans votre programme, monsieur Crucke. Le climat, monsieur le ministre du Climat!
J’ai donc été consternée par vos propos, d’autant plus qu’au même moment, les Belges étaient littéralement en train de mourir de chaud. On a vu, partout dans le pays, des températures record, des personnes cloîtrées chez elles, des personnes en souffrance, de nombreux trains supprimés et des orages violents.
Comme nous le savons, ces pics de chaleur sont clairement liés aux émissions de carbone. Ce que nous attendons d’un ministre du Climat, c’est qu’il se batte et qu’il obtienne des avancées. Or, avec le retour des droites au pouvoir, les enjeux climatiques – qui sont aussi des enjeux sociaux – sont aujourd’hui totalement sacrifiés. Ceux qui en paient le prix sont les ménages à revenus modestes, les locataires et les pensionnés les plus sensibles aux hausses de température.
Nous le constatons en Wallonie avec votre réforme brutale des primes à l’isolation, pour laquelle les familles vous remercient ! Nous le voyons également à l’échelle européenne, où la Commission a revu à la baisse son objectif de réduction des émissions pour 2040, et où les États membres pourront désormais acheter des crédits carbone dans les pays du Sud au lieu de faire eux-mêmes les efforts nécessaires.
Maintenant, c’est au niveau fédéral que tous les plans semblent malheureusement bloqués. Je songe notamment au Plan national Énergie-Climat, pour lequel la Belgique a été mise en demeure le 12 mars dernier. Où en est-on, monsieur le ministre? Avez-vous soumis le Plan social pour le climat à la Commission européenne? Avez-vous pris connaissance d'une étude qui dit que les Wallons seront les plus touchés par le système des quotas carbone? Que faites-vous pour les protéger? Vous augmentez aussi la TVA sur les chaudières au gaz et au mazout et ce sont encore les Wallons qui vont payer.
Monsieur le ministre, il fait peut-être un peu moins chaud aujourd’hui, mais l’urgence climatique est bien là. Quelles sont les solutions de ce gouvernement face aux enjeux climatiques?
Natalie Eggermont:
Collega's, het was ongezien deze warm deze week. Maandagochtend kreeg ik het eerste berichtje op mijn telefoon van iemand die in een maatwerkbedrijf werkt. Er was een collega flauwgevallen en afgevoerd, maar extra pauzes werden geweigerd.
Wij hadden geluk want we hebben airco in het Parlement, maar heel veel mensen hebben hard gewerkt in de hitte, in de fabrieken, met veiligheidsvest, helm, schoenen, alles erop en eraan, of buiten in de volle zon, in de bouw. Al mijn respect voor die mensen. Zij zijn de eerste slachtoffers van de klimaatverandering. Ze zijn het ook beu om telkens het belerende vingertje van de politiek te zien.
Een metallo vertelde mij: “Wij moeten doorwerken in de hitte, en ondertussen komt men ons zeggen dat we met de elektrische fiets naar het werk moeten gaan of dat we onder de douche moeten plassen voor het klimaat. Intussen huurt Jeff Bezos Venetië af voor een bruiloft en laat hij 200 van zijn vrienden overkomen met de privéjet. Wij moeten wel met de fiets naar het werk om het klimaat te redden."
De huidige hittegolf is geen uitzondering meer. Dit is het nieuwe normaal, collega's. Voor veel jongeren is dat de toekomstvisie die ze van de politici vandaag meekrijgen. Wat doet de politiek dan? Ik heb een collage gemaakt. Men gaat afwachten.
Er is nog altijd geen Belgisch klimaatplan. De deadline is opnieuw gemist. Weten jullie wanneer die deadline was? Dat was 30 juni 2024, een jaar geleden. De ambities gaan dus achteruit. Gisteren, midden in de hittegolf, versoepelde de Europese Commissie haar klimaatdoelstellingen. Daar hadden ze blijkbaar ook last van de hitte. Deze week werd ook beslist dat investeringen in een nieuw windmolenpark op zee tot minstens 2032 worden uitgesteld.
Wat lukt er dan wel? De invoering van een Europese koolstoftaks voor Belgische gezinnen, die kan oplopen tot 650 euro per gezin per jaar. Voor dergelijke maatregelen zijn de traditionele partijen altijd te vinden, om in de zakken van de mensen te zitten. Dat is geen klimaatbeleid, dat is asociaal pestbeleid.
Mijnheer de minister, wat gaat u doen om verantwoordelijkheid te nemen voor het klimaat, zonder in de zakken van de mensen te zitten?
Dorien Cuylaerts:
Mijnheer de minister, de voorbije dagen was het puffen. Het was snikheet, dat hebben we allemaal gevoeld. Temperaturen liepen op tot 38 graden. Het was de warmste 1 juli ooit. Historisch dus eigenlijk. Wie met de trein moest reizen, heeft het geweten. Ik gooi het enigszins over een andere boeg, want mijn vragen gaan uiteraard over de treinen.
De treinen die vandaag rijden, zijn te oud, te onbetrouwbaar en te krap. Het resultaat daarvan is treinen zonder airco, veel afgeschafte treinen en haltes die zomaar worden overgeslagen, dat alles zonder duidelijke communicatie. Erger nog, de reizigers zitten opeengepakt als sardienen in een blik. Bij de huidige hitte is dat niet alleen oncomfortabel, maar ronduit gevaarlijk.
Wat creëert de NMBS daarmee? Wel, mensen die afhaken. Wanneer men letterlijk zit weg te smelten in de trein, dan begint men natuurlijk naar de auto te kijken en dan neemt men die gewoon weer. Dat terwijl in het openbaredienstcontract staat dat we 30 % meer reizigers op de trein moeten krijgen tegen 2032. Hoe valt die situatie nog uit te leggen?
Het is trouwens bijzonder toepasselijk, want vorige week lag de aanbesteding voor de nieuwe treinstellen op tafel bij de NMBS. De raad van bestuur besliste het dossier on hold te zetten. De voorkeur ging opnieuw uit naar het Spaanse bedrijf CAF, ondanks eerdere kritiek en het arrest van de Raad van State. Daardoor dreigt Alstom, met vestigingen in Brugge en Charleroi, opnieuw uit beeld te verdwijnen. Net nu is de nood aan nieuwe treinstellen nochtans bijzonder groot.
Mijnheer de minister, hittegolven kunnen we niet stoppen. Wat we wél kunnen doen, is zorgen voor modern en betrouwbaar materieel en niet pas binnen tien jaar. Mijn vraag is dan ook heel eenvoudig: kunt u toelichten wat de stand van zaken is in het aanbestedingsdossier?
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, les températures s'affolent. L'été est suffoquant. On vient encore de l'entendre, le seuil symbolique de 1,5°C a été dépassé. Nous souffrons tous de la chaleur et les scientifiques parlent aussi d'un dépassement de 3°C dans les scénarios les plus pessimistes.
Les risques sur la santé des plus vulnérables, l'impact de la sécheresse sur l'agriculture, nos forêts qui se dégradent, l'impact sur la biodiversité et même sur notre mobilité, la liste des impacts du réchauffement climatique sur notre vie est longue. L'épisode de chaleur que nous vivons cette semaine est un rappel supplémentaire, un énième rappel à l'urgence d'actions concrètes. Si certains veulent oublier le climat, lui, il ne vous oublie pas, comme vous le rappelez souvent.
Alors, comment avancer pour répondre à tous ces enjeux? Il faut plus que jamais développer une politique durable dans tous les domaines de façon transversale. Durable sur le plan budgétaire, le gouvernement y travaille. Durable sur le plan économique, l'appel des entreprises wallonnes pour un objectif clair montre que la demande des entreprises est bien réelle. Durable sur le plan des émissions carbone, vos efforts pour enfin aboutir à un plan climat vont dans ce sens.
Mais il ne suffit pas d'être volontariste. Il faut agir finement pour que la transition prenne en compte nos réalités territoriales et financières.
Monsieur le ministre, j'ai trois questions dans cette optique de répondre au réchauffement climatique et de nous faire avancer dans le bon sens. Que pensez-vous des objectifs de réduction de gaz à effet de serre que la Commission européenne a présentés hier? N'y a-t-il pas un risque finalement que ces objectifs s'enlisent à force de compromis et de flexibilité? Comment avance le Plan national Énergie-Climat dont on vient de parler? Le précédent gouvernement, je le rappelle, n'avait pas su aboutir et la Belgique traîne toujours ce dossier depuis trop longtemps. Enfin, quels sont vos objectifs pour faire de la transition un levier social qui diminue les inégalités plutôt que de les renforcer?
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, hier encore Bruxelles étouffait: 38 degrés sur la Grand-Place. La science l'affirme: sans actions fortes, ces températures extrêmes seront la norme. Quand il y a le feu, on ne demande pas aux pompiers de faire une pause. Or, face à l'urgence, votre gouvernement temporise et regarde les flammes monter.
Malheureusement, le dérèglement climatique tue. Chaque été, ce sont des dizaines de milliers de personnes qui meurent à cause des vagues de chaleur. Et ce sont toujours les mêmes qui en payent le prix: les ouvriers sur les chantiers, des livreurs à vélo, des aînés coincés dans des logements surchauffés, les travailleurs d'usine. Les précaires crèvent en silence pendant que le gouvernement perd du temps.
La Commission européenne vient d'annoncer d'ailleurs un objectif de moins 90 % d'émissions nettes d'ici à 2040. Alors, je suis d'accord, sur le papier, ça claque! Mais dans les faits, c'est rempli de passe-droits – crédits carbone à l'étranger, transfert d'efforts entre secteurs –, avec une trajectoire molle jusqu'en 2035. Résultat: on annonce l'ambition, mais on organise l'inaction. Mettre du vert sur des politiques qui foncent droit dans le mur, ce n'est pas du progrès, c'est du sabotage.
Monsieur le ministre Crucke, vous avez qualifié ce texte d'équilibré. Moi, j'y vois une ambition au rabais, et je suis sûre que Jean-Luc sera d'accord avec moi. Pendant ce temps, en pleine canicule, la Belgique souffle sa première bougie de retard pour son Plan national é nergie-Climat (PNEC) – retardé par la Flandre, dois-je le rappeler? Nous sommes derniers de la classe avec la Pologne, et je trouve ça un peu honteux. Je pense que vous pouvez être d'accord avec moi.
Monsieur le ministre, je vous pose des questions simples. La Belgique soutiendra-t-elle, oui ou non, enfin un vrai objectif climatique ambitieux, à savoir une réduction de 90 % des émissions ici, sans tricher avec des crédits carbone à l'autre bout du monde? Quand et comment le gouvernement arrêtera-t-il officiellement sa position sur l'objectif 2040 et sur l'objectif intermédiaire de 2035? Quelle est votre feuille de route concrète – date, état, arbitrages interrégionaux – pour déposer enfin un PNEC crédible et compatible avec l'accord de Paris?
Tine Gielis:
Mijnheer de minister, dames en heren, als trouwe pendelaar heb ik deze week een nieuwe term geleerd: de saunatrein. Een saunatrein is een oudere trein zonder airconditioning die tweemaal per dag uitrijdt en tussendoor geparkeerd staat onder de volle zon. Voor het comfort van de reizigers en het personeel laat de NMBS die trein uitzonderlijk niet rijden bij extreme weersomstandigheden.
De NMBS verwijst dus naar het comfort, maar dat moeten we met een grote korrel zout nemen. Onze pendelaars hebben deze week immers extra hard gezweet, meer dan wie ook. Naast hittestress moesten ze ook afrekenen met treinstress. Ze zagen namelijk de ene trein na de andere geschrapt worden, waardoor van comfort helemaal geen sprake meer was. Wie was de pineut? Onze hardwerkende middenklasse, die elke dag pendelt naar het werk, want die middenklassers krijgen helaas geen hitteverlof van hun baas.
Mijnheer de minister, ik hou mijn hart alvast vast voor de winter die voor de deur staat. Dan leer ik wellicht een nieuwe term kennen: de iglotrein. Die term kan alvast ingeroepen worden als het te koud wordt.
Pendelaars in de kou laten staan – of in dit geval in de hitte – is voor cd&v helemaal niet oké. Ik pleit hier al langer voor een stipte dienstverlening van het openbaar vervoer. Dat zou een topprioriteit moeten zijn. Het moet het speerpunt vormen van uw beleid. Of het nu te koud of te warm is, probeer dat maar eens uit te leggen aan Jan Modaal die gewoon op zijn werk moet raken. Er is nood aan een beleid dat werkt bij elke weersomstandigheid.
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le président, chers collègues, je me permettrai de commencer, car sinon je manquerais à toute civilité et à toute amitié, par souhaiter à Mme Maouane un merveilleux anniversaire, malgré les chaleurs que l'on connaît.
(Applaudissements)
(Applaus)
Madame Meunier, je suis certain que vous m'avez lu rapidement. Peut-être avez-vous cru, en prenant un mot, traduire une pensée qui n'est pas la mienne. Ce que j'ai dit, et je le maintiens, c'est qu'aujourd'hui, pour un certain nombre de personnes, peut-être, malheureusement majoritaires, la fin du mois et la dérégulation de notre géostratégie sont devenues à ce point des priorités qu'effectivement, parfois, elles ne mettent plus en premier lieu le climat. Ce n'est pas parce que je constate que c'est ainsi que je partage cette idée et que je considère qu'il n'y a pas lieu d'adopter encore une vitesse surdimensionnée en la matière. Mais être aveugle face à cela, c'est ne pas pouvoir objectiver une réponse.
On m'a posé des questions sur la planification, le Plan national é nergie-Climat. Comme je l'ai dit, et je le répète, ma collègue Melissa Depraetere dans le gouvernement flamand fait un travail qui n'avait pas été fait précédemment. Elle s'est engagée à le terminer pour fin juin, début juillet. Je n'ai aucune raison de penser qu'elle n'y arrivera pas et je la soutiens complètement.
En ce qui concerne le fédéral, nous pourrons décider également avant le 21 juillet. Je rappelle quand même que ce qui est en rade, c'est le précédent PNEC, qui a été recalé par l'Europe. C'est bien pour cela qu'on a dû s'y atteler. Je me suis engagé vis-à-vis du commissaire européen à déposer personnellement les quatre études ou projets avant le 21 juillet, et je le ferai. Il faudra ensuite faire ce qu'on appelle le réguler, ce qui sera fait par l'administration. Au mois de septembre, tout sera déposé. Rien n'est changé dans le timing.
S'agissant du Plan social Climat, vous avez raison, nous sommes en retard. Mais 26 des 27 pays européens sont en retard. Seule la Suède l'a remis. Les mesures sont connues tant par les Régions que par le fédéral. Nous devons encore nous coordonner, nous concerter, et arbitrer le pourcentage, la division des recettes entre les uns et les autres. J'ai reçu mandat du gouvernement pour qu'au nom du fédéral, je puisse négocier une fourchette de 10 à 20 % pour le fédéral. Cela me semble important parce que certaines compétences, tant au niveau économique, par rapport aux micro-entreprises, sur un plan fiscal, que vis-à-vis des citoyens, sur les aides sociales directes, ne relèvent que du fédéral. Je crois donc que les Régions pourront comprendre cela aussi.
Gisteren heeft de Europese Commissie, weliswaar met enige vertraging, ambitieus haar voorstel voor de klimaatdoelstellingen voor 2040 voorgesteld. Er wordt gestreefd naar een vermindering van de netto-uitstoot met 90 %, in overeenstemming met de aanbevelingen van de Europese wetenschappelijke raad voor het klimaat. Dat voorstel voorziet ook in drie flexibiliteitsmechanismen: een beperkte openstelling voor internationale kredieten, erkenning van permanente binnenlandse opslag en intersectorale flexibiliteit. Die doelstelling voor 2040 zal duidelijkheid en zichtbaarheid bieden aan onze burgers en bedrijven, die langetermijninvesteringen moeten kunnen plannen. Ik denk dus dat ons land die voorstellen kan volgen.
De gevolgen van de hittegolf beperken zich echter niet tot de gezondheid. Ook onze infrastructuur heeft eronder geleden. U hebt het zelf gemerkt en ik ook. Ik heb maandagavond namelijk meer dan drie uur nodig gehad om thuis te geraken.
Sinds 15 mei is het plan voor hittegolven en ozonpieken op nationaal niveau van kracht. Ondanks de inspanningen waren de verstoringen aanzienlijk. Ik heb de NMBS en Infrabel gevraagd om snel een gedetailleerd verslag en gestructureerd actieplan voor te leggen om dat soort van storingen te voorkomen.
Les perturbations observées sur notre réseau ferroviaire ne sont ni isolées ni propres à la SNCB. Elles s'inscrivent dans des tendances plus larges. En Belgique, plusieurs incidents ont été constatés. Lundi soir, un train est resté bloqué à Wuustwezel, en province d'Anvers. Il s'agissait d'un train néerlandais opérant sur notre réseau. Mardi, un train de marchandises est tombé en panne à Haecht. Des dommages ont également été constatés à la caténaire à Neerpelt et à Mol. Ces incidents sont qualifiés de mineurs. Pour ma part, ils ne le sont pas.
In Frankrijk heeft de hittegolf geleid tot vertragingen en afgelastingen in de treindienst. In heel Europa laten spoorweginfrastructuren beperkingen zien bij extreme weersomstandigheden.
Tout cela signifie qu'effectivement, plus que jamais, la Belgique – mais pas seulement elle – doit considérer que ces événements ne sont pas dus au hasard, mais qu'ils sont dus au réchauffement climatique. C'est donc avec confiance, mais détermination (…)
Marie Meunier:
Monsieur le ministre, j'entends vos explications, mais je ne peux pas admettre qu'un ministre du Climat se résigne à déplorer que le climat ne soit plus une priorité. Ce n'est pas compréhensible, ni par moi ni par personne, à part peut-être par Trump ou d'autres climatosceptiques. Surtout quand on vit un épisode comme celui de cette semaine, où les températures étaient record. Cela semble être votre devoir, en tant que ministre du Climat, de ramener ce débat au premier plan.
Ce retrait des politiques climatiques nous paraît être une erreur pour les entreprises, parce que si on veut remettre l'Europe sur la carte, il faut au contraire miser sur la transition. Et c'est une erreur pour les citoyens, en particulier les plus fragiles, parce que ce sont eux, dans les quartiers denses, dans les passoires énergétiques, qui souffrent le plus des pics de chaleur.
Ensuite, je dois vous dire que les marchés internationaux du carbone nous inquiètent. J'attends, de ce point de vue, une position ferme de la Belgique sur l'objectif 2040. Je ne manquerai pas de revenir sur ce sujet en commission.
Natalie Eggermont:
Dank u wel, mijnheer de minister.
Ik meen dat we tot de kern van het probleem moeten gaan. We kunnen het klimaatprobleem niet oplossen met de recepten die we tot hiertoe hebben toegepast, namelijk verder vertrouwen op de markt en op de investeringen van de privébedrijven. Maar dat recept blijft u wel herhalen.
Hoe komt dat? Privé-investeringen gaan natuurlijk naar waar winst te halen is en de fossielebrandstofindrustrie windt er ook helemaal geen doekjes om dat ze zullen blijven investeren in fossiele brandstoffen. British Petrol, één van de grote spelers heeft het dit jaar nog gezegd. Ze schroeven de ambities voor hernieuwbare energie terug en gaan terug naar olie en gas.
Superveel winsten hebben de energiebedrijven gemaakt door de crisis in Oekraïne. Die winst is gegaan naar nieuwe investeringen in olie en gas en naar de aandeelhouders. Dus nee, de markt zal het probleem niet oplossen. We hebben grootschalige publieke investeringen nodig, investeringen in isolatie en openbaar vervoer, in hernieuwbare energie. Die komen er niet. Jullie vinden ineens miljarden, maar ze gaan niet naar het klimaat, ze gaan naar oorlog.
Een goede raad die nu circuleert op de sociale media is de volgende: stay cool, stay hydrated, and fight capitalism!
Dorien Cuylaerts:
Mijnheer de minister, ik zou u willen danken voor uw antwoord, maar ik heb op mijn vraag helaas geen antwoord gekregen.
De realiteit duldt geen uitstel. Treinstellen van meer dan 50 jaar oud laten rijden zonder airco op dagen met 38°C, dat is niet meer verantwoord. We moeten dringend investeren in modern materiaal dat bestand is tegen de uitdagingen, ook tegen extreme hitte.
Maar het gaat niet alleen over goede treinen. Het gaat ook over een goed beleid. Wanneer we voor zo'n grote investering staan, moeten we kansen creëren voor jobs in eigen land. In Brugge en in Charleroi werken vandaag duizenden mensen in de spoorindustrie.
Zoals collega Maaike De Vreese al een aantal keren heeft aangekaart, is de tewerkstelling in Brugge van groot belang, zowel voor de regio als voor de toekomst van onze industrie. Nu is het moment om te kiezen voor goede treinen en voor maximale werkgelegenheid in eigen land.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour l'annonce des progrès que vous avez accomplis dans le Plan Énergie-Climat et qui prouvent que le climat se situe bien au centre de vos priorités.
Vous avez aussi rappelé la nécessité de réconcilier économie et écologie. Ce n'est pas toujours simple, mais je sais que vous y travaillez. De même, vous avez indiqué la difficulté de faire avancer l'agenda environnemental face aux conflits et aux populismes. J'estime qu'il en va de notre responsabilité collective. Chez Les Engagés, nous voulons avancer. Il faudra le faire avec nos entreprises et nos concitoyens, comme vous venez de le dire, au moyen d'une planification coordonnée et responsable.
Les politiques climatiques et environnementales qui punissent et attaquent la qualité de vie de nos concitoyens n'ont fait qu'encourager une levée de boucliers contre les politiques climatiques ambitieuses. Aujourd'hui, nous devons tous être unis, au lieu de nous diviser, dans le combat climatique. Vous y travaillez énormément, afin que nous gagnions ce combat.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, chers collègues, merci pour vos bons vœux! Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.
Je ne vous apprends rien, mais 95 % des décès dus aux événements climatiques extrêmes sont causés par la chaleur. Avant-hier, une femme est morte à la plage, tandis qu'un homme est décédé voici quelques jours sur un chantier. Ce sont chaque fois des publics très vulnérables qui sont touchés.
Monsieur Crucke, j'étais triste de vous entendre dire à la radio, même si c'était pour le regretter, que le climat n'était pas une priorité. Ce n'est pas ce que pensent une majorité de Belges puisque, selon un sondage, 80 % d'entre eux estiment que le climat doit constituer une priorité. Les milliards accordés à la Défense devraient plutôt servir à la transition juste.
Monsieur le ministre, j'ai une suggestion à vous soumettre. Avoir quitté le MR vous a fait du bien. Avoir rejoint Les Engagés était ambitieux, mais peut-être pas assez. Alors, j'invite Jean-Luc à rejoindre les verts, le parti pour lequel la fin du monde et les fins de mois forment le même combat.
Tine Gielis:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Ik heb vooral goed naar u geluisterd en stel vast dat u vanuit verschillende invalshoeken werk wilt maken van een robuuste dienstverlening op het spoor. We zullen u daarin alle vertrouwen moeten geven en in overleg moeten treden met verschillende actoren en stakeholders, zodat we samen kunnen werken aan een fundamentele aanpak. Het gaat daarbij om een goede infrastructuur, kwalitatief personeel en duidelijke communicatie met de reizigers. Ook de spelregels verdienen aandacht, want die moeten we misschien aanpassen om de capaciteit van het spoornet optimaal te benutten. In dat verband zal ik binnenkort een resolutie indienen. U zult daar in de commissie nog meer over horen. Voor cd&v is het belangrijk: te koud of te warm mag geen spelregel zijn voor Jan Modaal, die moet kunnen rekenen op een stipte en betrouwbare spoorwegdienstverlening. We geven u dan ook alle vertrouwen om daar de komende maanden werk van te maken. Dank u wel.
De acties van de regering in het licht van de klimaaturgentie
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 19 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De onherroepelijke overschrijding van de 1,5°C-opwarming (bevestigd door 60 internationale wetenschappers) leidt tot extreme weersomstandigheden, onleefbare zones en voedselcrises, terwijl België zelfs watertekorten en onvoldoende klimaatprioriteiten (bv. 36e prioriteit, onvergoede overstromingsslachtoffers) blijft negeren. Minister Crucke benadrukt federale maatregelen zoals groene fiscaliteit (zero-emissie wagenpark, TVA-verlaging pompen/verhoging fossiele ketels), stopzetting fossiele subsidies, en sociale klimaatplannen, maar Schlitz wijst op tegenstrijdigheden: bezuinigingen op SNCB (€1 mjd), afbouw tramlijnen, natuurbeleid-inkrimping en bouw in overstromingsgebieden, terwijl klimaatactie steeds ondergeschikt blijft aan economische competitiviteit. De dringende oproep luidt: radicale koerswijziging nu, want wetenschap waarschuwt dat het laatste moment is om catastrofe af te wenden.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, ça y est! J'imagine que vous l'avez lu comme moi dans la presse ce matin. Ce que nous devions absolument empêcher d'arriver, est finalement arrivé. Il est avéré qu'il est désormais impossible de limiter l'augmentation de la température de la terre à 1,5°C. Cette information est capitale et je pense qu'elle devrait être au chœur de cette séance plénière. Elle nous concerne toutes et tous: nos enfants, nos grands-parents, nos agriculteurs, notre propre capacité à respirer, à nous loger et à nous nourrir.
Au niveau mondial, il est question de sécheresses et d'inondations qui s'intensifient. On atteint aujourd'hui même 50°C en Iraq, 53°C au Kuweit. Ce sont des zones entières qui seront dans quelques années inhabitables, avec des déplacements de populations qui en découleront. Ce sont aussi des bouleversements majeurs à venir qui déstabiliseront notamment entièrement la sécurité alimentaire mondiale. Monsieur le ministre, il y a déjà eu des morts et il y en aura encore beaucoup d'autres.
Ici aussi, c'est très concret: l'accès à l'eau, un des enjeux majeurs de notre civilisation, n'est que la 36 ème priorité des politiciens belges, dirait-on. Alors que même la Flandre est en pénurie extrême d'eau, la seule région de toute l'Europe occidentale! Il y a à peine trois ans, les inondations en Belgique ont fait 41 morts. Aujourd'hui, il reste encore des familles qui ne sont toujours pas indemnisées des dégâts subis.
Ce constat n'est pas dressé par Zakia Khattabi. Il l'est par 60 scientifiques de 17 pays différents et vous savez comme moi qu'il vient préciser des choses que nous savions déjà.
Monsieur le ministre, le changement c'est maintenant! Quelle a été votre réaction en découvrant ce rapport? Quelle mesure concrète votre gouvernement a-t-il prise depuis son entrée en fonction? Comptez-vous revoir votre trajectoire au vu de ce rapport pour mettre la Belgique sur les rails de l'ambition climatique?
Jean-Luc Crucke:
Chers collègues, madame la députée, malheureusement, ce rapport ne m’étonne pas. La Belgique n’est pas seule responsable de ces conséquences. Il faut aussi reconnaître que, même sur le plan international, le climat est de moins en moins évoqué, alors que les réalités, elles, deviennent de plus en plus mortelles pour le genre humain, pour la biodiversité et pour la planète.
Cela dit, face à l’urgence, le gouvernement fédéral ne se contente pas de déclarations. C’est d’ailleurs le sens de votre deuxième question: que mettons-nous concrètement en œuvre? Parmi les instruments majeurs que nous avons activés, la fiscalité – qui fait partie des compétences fédérales en matière climatique – occupe une place centrale dans le verdissement de notre économie.
Nous avons amorcé un tournant décisif, et vous le savez, en matière de fiscalité automobile, avec la transition des véhicules de société vers des modèles zéro émission. D’autres incitants ciblés viennent renforcer cette dynamique: la réduction progressive du remboursement des accises sur le diesel professionnel, la baisse de la TVA sur les pompes à chaleur dans les nouvelles constructions et pour les projets de démolition-reconstruction ainsi que l’augmentation de la TVA sur les chaudières fossiles lors des rénovations.
Une réforme de fond est en cours: la mise en place d’une déduction fiscale pour les investissements dans la transition. Parallèlement, nous investissons massivement dans la rénovation énergétique des bâtiments publics.
Notre responsabilité ne s’arrête pas là. Progressivement, le soutien public aux énergies fossiles sera supprimé. Une proposition en ce sens est en cours d’élaboration. Le Plan national Énergie-Climat, qui aurait dû être adopté par le précédent gouvernement – ou les précédents gouvernements, comme vous le dites –, fixe les balises de notre politique climatique pour la prochaine décennie.
Le Plan social climat permettra de concilier la transition avec la justice sociale, en protégeant les plus fragiles face à la montée des prix, qu’il s’agisse des particuliers ou de sociétés. Le plan d'économie circulaire verra enfin le jour après en avoir débattu avec les stakeholders .
Je pense que vous voyez que nous ne chômons pas.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour ces belles intentions. Je ne demande qu'à vous croire, parce qu'en effet, dans les discours, on entend beaucoup de volontarisme de la part de votre parti, Les Engagés, et de vous en l'occurrence en tant que ministre du Climat. Mais, en réalité, quand on regarde de plus près ce qui se passe, déjà dans l'accord de majorité, j'avais de sérieuses craintes. En effet, chaque mesure climatique – et elles sont assez rares –, est subordonnée à la compétitivité des entreprises. Mais, ensuite, que découvre-t-on à la lecture du budget? Une coupe de près d'un milliard sur cinq ans dans la SNCB. Et, du côté des Régions, ce n'est pas beaucoup mieux. On a la suppression des extensions des lignes de tram, la réduction des programmes de protection de la nature et le fait de ne plus construire dans les zones inondables est carrément abandonné. Un bourgmestre de votre parti compte aujourd'hui construire dans une zone qui a été inondée en 2021! Ce que nous disent aujourd'hui les scientifiques, c'est qu'il n'est pas trop tard mais que c'est vraiment, vraiment, le moment d'agir, monsieur le ministre. Je compte donc sur vous, monsieur le ministre, pour convaincre votre gouvernement de changer radicalement de cap.
De Europese koolstoftaks
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 24 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy (Vlaams Belang) bekritiseert de klimaatmaatregelen van de regering en EU (Green Deal, CO₂-taks) als dure, onnodige belasting die gezinnen in armoede duwt, en pleit voor belastingverlaging in plaats van een "taxshift". Jean-Luc Crucke (regering) verdedigt de koolstofprijs als noodzakelijk om klimaatschade te internaliseren en wijst op het Sociaal Klimaatfonds (€1,1 mld) om kwetsbaren te ondersteunen, maar Van Rooy wijst dit af als onvoldoende en misleidend, noemend het beleid "klimaatregelneverij" die levenskwaliteit aantast.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de voorzitter, net als de klimaathysterische vivaldiregering onderwerpt ook de huidige regering zich helaas slaafs aan het Klimaatakkoord van Parijs en aan de welvaartvernietigende Green Deal van de Europese Unie.
De Green Deal werd tijdens de vorige legislatuur door een Vlaamse N-VA-minister terecht een mean deal en een green steal genoemd. Dat blijken echter helaas alweer loze woorden te zijn. De huidige regering zet de CO 2 -religie van de vivaldiregering immers gewoon voort. Hoewel de impact van België op de wereldwijde CO 2 -uitstoot en op de wereldwijde temperatuur verwaarloosbaar is, wil de huidige regering dat wij zogenaamd klimaatneutraal worden.
Daarom willen de regering-De Wever en de Europese Unie benzine, diesel, mazout en aardgas steeds duurder maken. De huidige regering wil dat doen door een zogenaamde taxshift van elektriciteit naar fossiele brandstoffen. De Europese Unie doet dat door de invoering van een CO 2 -taks.
Die nieuwe koolstoftaks zal onze gezinnen tot wel 650 euro per jaar extra kosten. Autorijden en verwarmen zullen dus voor onze gezinnen veel duurder worden. Gezinnen die het nu al niet breed hebben, zullen in de armoede worden geduwd. Onze middenklasse zal nog maar eens bloeden en aan levenskwaliteit inboeten.
Mijnheer de minister, ik geef u nu al aan dat wij geen genoegen nemen met nog maar eens het riedeltje van een sociaal klimaatfonds om de impact te verzachten. Wij willen geen nieuwe koolstoftaks. Wij willen geen taxshift. Wij willen een taxcut, zijnde een belastingverlaging voor alle gezinnen en alleenstaanden in België.
Jean-Luc Crucke:
Geachte collega, uw voorganger zei dat we te weinig doen voor het klimaat en u zegt dat we te veel doen voor het klimaat. We zijn zeker uit evenwicht, maar dat is misschien onze stijl.
Vanaf 2027 zullen leveranciers van fossiele brandstoffen uitstootrechten moeten inleveren in het kader van het Europese emissiehandelssysteem ETS 2. Het gaat daarbij niet om een boete, maar om een koolstofprijs. Op die manier worden de externe kosten als gevolg van de impact van fossiele brandstoffen op het klimaat geïntegreerd in de prijs. Zonder koolstofprijs worden de externe kosten door de klimaatschade afgewenteld op de samenleving. De prijs moet brandstofgebruikers het signaal geven om minder koolstofintensieve alternatieven te verkiezen.
Investeringen in de klimaattransitie zijn hoe dan ook noodzakelijk. Het grote voordeel van de invoering van een koolstofprijs, in plaats van het louter inzetten op directe regulering, is dat dat instrument alle opties voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, gaande van investeringen tot gedragsveranderingen, op een evenredige wijze stimuleert.
De FOD Volksgezondheid heeft als opdracht de impact van ETS 2 op de energiefactuur van gezinnen te berekenen. De schatting zal natuurlijk afhankelijk zijn van de uiteindelijke koolstofprijs in ETS 2. Tijdens de Raad Milieu in maart hebben talrijke lidstaten de Commissie ook verzocht een effectenbeoordeling uit te voeren.
Het Sociaal Klimaatfonds heeft als doel de meest kwetsbare groep te ondersteunen door hun energie- of brandstofverbruik te verminderen of door hun energierekening rechtstreeks te verlagen. Voor België beschikt het Sociaal Klimaatfonds over een Europese envelop van 1,1 miljard euro. Dat is niet niks.
Sam Van Rooy:
Minister, ik heb u net gezegd dat wij geen genoegen nemen met een riedeltje over een sociaal klimaatfonds en het verzachten van de impact. Dat zal immers simpelweg niet voldoen.
U hebt natuurlijk, net zoals alle voorgangers, dat politiek correcte, misleidende riedeltje opgezegd om ons een rad voor de ogen te draaien. De regering-De Wever is een vivaldi 2.0-regering: mensen worden gedwongen hun huis te isoleren, een dure warmtepomp te kopen en elektrisch te rijden. Dat is dus klimaatregelneverij. Door die klimaatreligie zullen onze gezinnen en alleenstaanden, hoe u het ook draait of keert, honderden euro's per jaar extra moeten betalen.
Dat is schandalig. Ik en het Vlaams Belang zeggen dat men moet stoppen met de CO 2 -hysterie en dat men eindelijk eens de torenhoge belastingen in dit land moet verlagen.
Voorzitter:
Daarmee sluiten we de vragenronde af.
De kosten van door de klimaatverandering veroorzaakte rampen die nog dreigen toe te nemen
De kosten van het uitblijven van klimaatactie
Kosten van klimaatverandering en uitgestelde klimaatactie
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 3 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie benadrukt de urgentie van klimaatadaptatie in België, waar extreme weersomstandigheden (overstromingen, hitte, tornado’s) steeds vaker menselijke en economische schade veroorzaken (5 miljard euro aan verzekeringskosten 2015-2024, mogelijk 10 miljard/jaar in 2050). Kritiek richt zich op het gebrek aan proactief beleid: de overheid improviseert bij crises, terwijl preventie (1 euro investeren = 5 euro besparing) en bescherming van kwetsbare groepen (lage inkomens in risicogebieden) essentieel zijn, maar verzekeraars dreigen straks geen dekking meer te bieden. Minister Crucke wordt verweten vast te zitten in een "klimaat-passief" regeerakkoord, ondanks retorische steun voor transitie, terwijl vorige regeringen ook faalden in neutraliteitsdoelen. De oproep is om concrete maatregelen (resilientie, coördinatie, sociale rechtvaardigheid) te versnellen, want "inaction kost meer dan actie".
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, chers collègues, aujourd'hui, il fait beau. Il y a du soleil et il fait chaud. Cela fait du bien. Mais je ne suis pas là pour vous parler de la météo parce que, derrière le soleil, il y a une réalité qu'on ne peut plus ignorer: le climat se dérègle et on n'est pas prêt.
Voici cinq ans, un virus a mis notre pays à l'arrêt. Deux ans après, c'est la guerre en Ukraine qui a sidéré l'Europe. Dans ces crises, une seule et même réponse: le "quoi qu'il en coûte". L'État a pris ses responsabilités pour protéger les citoyens et citoyennes et l'économie.
Mais les catastrophes climatiques, elles, ne sont pas des surprises. Ce ne sont pas des imprévus. Ces catastrophes se répètent, on le sait. Elles vont s'intensifier et, pourtant, on continue à les traiter comme des imprévus. Ce sont des incendies qui détruisent des maisons, des inondations qui arrachent des vies et brisent des familles, des vagues de chaleur qui mettent sous pression nos hôpitaux et maisons de repos, notre société toute entière.
Entre 2015 et 2024, les assureurs ont déboursé plus de cinq milliards d'euros pour réparer les dégâts du dérèglement climatique. Et encore, ce n'est que la partie visible de l'iceberg. D'ici 2050, on dit que ce coût pourrait grimper à 10 milliards par an rien que pour la Belgique.
Et pourtant, on continue à improviser, à courir après les crises, à mettre des pansements sur une plaie ouverte. Alors, je le dis clairement – et cela fait longtemps qu'on le dit –, le coût de l'inaction est bien plus élevé que celui de l'action. Ne rien faire va coûter et coûte plus cher que si on agit. Pour les fans de chiffres dans la salle, un euro investi dans l'adaptation, dans la transition, c'est cinq euros de dégâts économisés. Et je ne vous parle même pas des vies humaines qui sont sauvées. Protéger les citoyens et citoyennes face aux risques climatiques, c'est aussi une responsabilité publique et collective. Votre gouvernement doit garantir que personne ne soit laissé de côté face aux crises climatiques à venir.
Monsieur le ministre, que prévoyez-vous pour renforcer les mesures d'adaptation au dérèglement climatique dans les années à venir? Comment allez-vous garantir que personne ne soit laissé de côté face aux catastrophes qui arrivent?
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, Mme Maouane a parlé de cinq milliards, mais le coût total des dommages qu'ont connus les personnes qui ont été sinistrées lors des inondations de 2021 s'élève lui à quatre milliards et demi d'euros. Ceci sans compter tous les dommages causés à l'agriculture, à l'économie et à notre biodiversité. Le pire, c'est que les assureurs affirment que si pareilles inondations venaient à survenir demain, ils ne pourraient plus rembourser les sinistrés. Imaginez l'angoisse de certaines personnes!
Si certaines personnes dans cette assemblée pensent que le réchauffement climatique n'est pas une priorité, pourquoi les assureurs tirent-ils la sonnette d'alarme, pourquoi les entreprises investissent-elles dans des adaptations au changement climatique, parfois plus vite que notre gouvernement?
Endéans les 10 ans, les assureurs disent que le coût va doubler pour eux, et donc pour les sinistrés. Il faut savoir qu'un ménage sur trois est exposé aux inondations, soit par débordement, soit par ruissellement. Et qui y est exposé le plus? Les personnes à faibles revenus, celles qui ont acheté des maisons plus modestes, un peu moins chères, dans les fonds de vallées, au bord des ruisseaux ou près des plateaux drainants. La facture sera très difficile à payer pour elles, et c'est pour cela que nous devons réagir, les aider et chercher des solutions.
Je voudrais également parler d'autres problèmes, car il n'y a pas que les inondations. Le 19 juin 2021, par exemple, notre commune a été sinistrée par une tornade de 250 km/h: toits arrachés, murs éventrés, dizaines d'hectares sinistrés et je ne parle pas des infrastructures routières qui ont été détruites.
Le changement climatique est important, l'inaction n'est pas une option envisageable et nous devons absolument travailler sur les méthodes.
Quelles mesures allez-vous prendre pour améliorer notre résistance? Comment allons-nous nous adapter aux catastrophes naturelles qui risquent de survenir de plus en plus?
Comment allons-nous aider ces personnes démunies qui ne pourront plus payer leur assurance? En effet, certaines compagnies ne veulent plus assurer des personnes qui vivent dans des zones inondables.
Jean-Luc Crucke:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre.
Je dois dire que c'est toujours chouette d'entendre Jean-Luc. Jean-Luc, c'est un homme politique plutôt affable, engagé sur ces questions, pour qui le climat compte. Par contre, c'est plus frustrant d'entendre le ministre Crucke, qui est pieds et poings liés, malheureusement, par l’accord de gouvernement le plus climato-passif de ces dernières années.
J'entends votre volontarisme, celui de Jean-Luc. Malheureusement, ce gouvernement ne se donne clairement pas les moyens d'agir au mieux pour protéger les citoyennes et les citoyens du dérèglement climatique. Vous l'avez dit pendant la campagne, votre collègue l'a dit, et malheureusement cela ne se traduit pas dans l'accord de gouvernement: investir dans la transition, c'est protéger les citoyens et les citoyennes, notamment les plus vulnérables, celles et ceux qui galèrent déjà. C'est aussi créateur d'emplois.
Malheureusement, on aime bien M. Jean-Luc. On aime un peu moins le ministre Crucke.
Marc Lejeune:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre. Nous aussi, on aime bien Jean-Luc. L'accord de gouvernement s'inscrit dans des objectifs climatiques de neutralité carbone. La volonté de travailler sur l'adaptation a d'ailleurs été suffisamment répétée, je pense. La neutralité carbone et les politiques d'adaptation sont des enjeux difficiles, tellement difficiles que le gouvernement précédent n’y est pas arrivé, malgré les économies mondiales faites pendant le covid. Des économies, malheureusement, sur le dos de nos entreprises, qui étaient quasiment à l'arrêt. Or, on n'est finalement pas arrivés à la neutralité carbone. Pourtant, c'était une occasion. Avouons que c’était compliqué. Le fédéral a toujours un rôle important dans la coordination des politiques d'adaptation au changement climatique. Améliorer la capacité de notre société à faire face aux catastrophes et améliorer notre résilience, c'est améliorer la qualité de toutes et tous. C'est votre objectif, je le sais bien. Si on ne protège pas les plus faibles, on ne protège personne.
De balans van de COP16 over de biodiversiteit
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 13 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De COP16.2 in Rome bevestigde de 30%-doelstelling voor natuurbehoud en het $200 miljard-budget, maar concrete financieringsmechanismen (waaronder $30 miljard van rijke landen) moeten nog tegen 2019 uitgewerkt worden om inefficiëntie en verspilling tegen te gaan. Multilateraal overleg werd bevestigd als cruciale motor, ondanks kritiek, met nadruk op transparantie en doeltreffende middelenbesteding voor biodiversiteit. België moet volgens de sprekers lokaal en internationaal versneld actie ondernemen, door klimaatadaptatie, CO₂-reductie en ecosystemen te koppelen aan gezondheid en leefkwaliteit, met oog voor toekomstige generaties. De alarmcijfers (73% dierenpopulatie-daling, 25% bedreigde vlindersoorten in Wallonië) onderstrepen de urgentie.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, nous vivons dans un contexte géopolitique inquiétant. Nous entrons dans un monde où les pays se replient sur eux-mêmes, où les intérêts individuels et nationaux prennent le dessus sur le collectif. Malheureusement, certains enjeux, comme la protection de l'environnement, n'ont pas de frontière et risquent bien d'en faire les frais. Nous devons faire front pour défendre la coopération internationale en cette matière.
C'est pour assurer la qualité de vie de chacun, du plus pauvre au plus riche, du plus jeune au plus vieux, que nous avons fait de la protection de l'environnement, de la biodiversité et du climat, un pilier fondamental du programme des Engagés. Il n'y a pas d'avenir sans protection de l'environnement et il n'y a toujours pas de planète B, même si certains rêvent aujourd'hui de s'exiler sur Mars – vous voyez à qui je pense.
Selon le WWF, la population d'animaux sauvages aurait baissé de 73 % en une génération sur notre planète et de plus de 35 % en Europe. Sur 115 espèces de papillons en Wallonie, près d'un quart seraient éteintes déjà ou en danger critique. La biodiversité est aussi une source d'information intarissable pour nos scientifiques qui, en la matière, font des avancées de plus en plus rapides. La disparition de chaque espèce est une perte colossale pour la recherche.
En rappelant les objectifs climatiques et environnementaux, le gouvernement a pris ses responsabilités. Récemment, un accord semble avoir été trouvé de justesse lors de la COP16 à Rome sur la biodiversité. Nous en sommes très heureux.
Monsieur le ministre, quelles sont les avancées importantes de cette COP16 et quels sont les défis à venir?
Cette conférence a aussi montré les succès que peuvent engranger le dialogue et la coopération entre les États sur un sujet aussi fondamental pour l'avenir de chacun. Comment voyez-vous la préparation des COP futures et le rôle de ce multilatéralisme à l'avenir?
Enfin, l'enjeu climatique ne se joue pas que sur la scène internationale. Notre pays doit aussi prendre ses responsabilités à l'échelle nationale. (…)
Jean-Luc Crucke:
Monsieur le député, je vous remercie pour votre question.
Revenir sur la COP16.2 – comme nous l'avons appelée – qui s'est tenue à Rome, m'oblige à faire un petit détour par la COP15 et la COP16.
La COP15 a été fondamentale en termes de biodiversité, puisque les pays s'étaient mis d'accord sur une ambition de restauration et de protection de la nature à un niveau de 30 % des écosystèmes. Nous en sommes loin, mais tous les pays s'étaient mis d'accord sur cette ambition-là. Ils s'étaient également mis d'accord, en 2015, sur l'importance des budgets à déployer pour y arriver, soit 200 milliards.
Durant la COP16, à Cali, ces discussions sont venues sur la table. Comme c'est toujours le cas lorsqu'on parle de gros sous, ce fut un échec, même s'il y eut des accords sur d'autres points.
C'est pour cette raison que la COP16.2 s'est réunie à Rome, avec l'espoir de pouvoir dégager un consensus. C'est ce qui est arrivé, ne changeant rien ni à l'ambition, ni au montant. En revanche, jusqu'en 2019, nous avons élaboré la stratégie permettant de libérer 30 milliards pour les pays développés sur un total de 200 milliards. Il y a également des fonds privés. Ces 30 milliards viendraient d'un nouveau fonds, d'un fonds existant retravaillé ou d'une solution hybride entre les deux. Nous sommes arrivés à un consensus pour travailler jusqu'en 2019 sur ce point.
Un deuxième consensus, encore plus important, consiste à dire que nous allons étudier l'ensemble des mécanismes permettant de délivrer cet argent. En effet, nous constatons trop souvent une grande différence entre les mots, les discours et les actions. De l'argent se perd, de l'argent n'arrive pas, et parfois, il n'atteint pas les endroits où la biodiversité a vraiment besoin d'aide.
En réalité, le véritable gagnant à Rome, c'est ce que l'on appelle le multilatéralisme. C'est ce que certains ne tarderont sans doute pas à décrier – à tort.
Marc Lejeune:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse et je me réjouis d'entendre qu'un consensus existe pour financer la protection de notre environnement.
Votre présence à Rome, lors de cette COP, montre également l'importance que vous accordez à la situation. Cet accord représente une avancée, mais les défis restent nombreux, comme vous l'avez souligné.
En plus de la protection de l'environnement, il faut mentionner l'adaptation, notre résilience au changement climatique et l'atténuation de nos émissions de CO 2 . La lutte contre le changement climatique et la protection de l'environnement doivent se situer au cœur de notre volonté d'améliorer la qualité de vie et la santé de nos concitoyens. C'est ce que j'ai entendu chez vous.
Ces défis ne seront relevés que par une volonté commune d'avancer pour faire en sorte de créer de meilleures conditions de vie pour toutes et tous et laisser une meilleure planète aux générations futures.
Voorzitter:
Monsieur Lejeune, c'était votre première intervention dans l'hémicycle. (Applaudissements)
Het verslag van de NBB over de welvaart en het klimaat
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 27 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz benadrukt dat ecologie en economie onlosmakelijk verbonden zijn en kritiseert het gebrek aan politiek lef om de transitie als geheel aan te pakken, zonder afwegingen tussen handel, binnenlandse markt en klimaatdoelen te hoeven maken. Maxime Prévot erkent de urgentie van een geplande, realistische transitie (zoals de BNB aangeeft), wijst op Belgiës achterstand door verkeerde energiekeuzes (bv. kernuitstap) en benadrukt dat sociale rechtvaardigheid en industriële competitiviteit centraal moeten staan, maar ontwijkt concrete toezeggingen. Schlitz werpt hem halfhartigheid voor de voeten en eist daadkracht in lijn met zijn verkiezingsbeloftes over een ferme ecologische transitie. De spanning draait om daden versus woorden in het klimaatbeleid.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, "la transition est plus qu'une opportunité, c'est un défi." Il a raison! Le gouverneur de la Banque nationale de Belgique (BNB) a présenté son rapport annuel la semaine dernière. Il nous dit que nous serions coincés dans un dilemme, puisque nous devrions choisir entre l'ouverture au commerce international, la préservation du marché intérieur et la poursuite de nos objectifs environnementaux et climatiques. En choisir un et sacrifier les autres, là, je ne suis pas d'accord! Faudra-t-il encore répéter que l'écologie et l'économie vont de pair? Vous voulez des exemples? Mais prenons l'actualité, chers collègues! On peut ainsi investir pour que les citoyens puissent rénover leur maison, on peut également déployer l'offre de transports en commun ou encore protéger véritablement nos agriculteurs. Monsieur Prévot, évidemment, ce n'est pas à vous que je dois dire tout cela; vous, dont le parti a fait campagne sur cette alliance indispensable entre économie et écologie.
Revenons un peu à ce rapport. Pierre Wunsch a raison. En effet, l'inaction politique a conduit à la transformation de la transition écologique en un défi. Comme tout défi de cette ampleur, il mérite du courage politique. En aurez-vous?
Maxime Prévot:
Je pourrais me contenter de répondre oui, mais ça vous laisserait un peu sur votre faim, j'imagine, madame la députée.
Vous me permettrez de ne répondre que dans le cadre des compétences qui sont celles de mon estimé collègue, M. Crucke, à savoir les questions climatiques et environnementales, qui sont celles sur lesquelles vous avez souhaité mettre l'emphase du rapport de la BNB. Étant retenu aujourd'hui à Rome, où se tient la COP16 sur la biodiversité, il ne pouvait pas être présent. Pour les éléments plus spécifiques du rapport de la BNB, n'hésitez pas à questionner mes collègues, ils se feront une joie de vous répondre!
Le rapport annuel de la Banque nationale de Belgique, publié le 20 février dernier, aborde plusieurs enjeux économiques et financiers, dont l'impact du changement climatique et la transition vers une économie plus durable. Il met en lumière les risques et les coûts associés aux catastrophes naturelles et à la transition écologique, ainsi que les défis pour la stabilité financière et les finances publiques. Comme ce rapport n'a été publié qu'il y a quelques jours, nous n'avons pas encore eu le temps de le parcourir dans le détail. Il serait donc prématuré de vous partager des conclusions définitives.
La BNB note, d'une part, que, malgré une réduction des émissions de gaz à effet de serre en Belgique ces dernières décennies, notre pays reste au-dessus de la moyenne européenne en raison de son intensité énergétique plus élevée et, d'autre part, que les énergies renouvelables sont encore trop faibles. Ce retard est en partie dû à des choix énergétiques passés, notamment la fermeture planifiée des centrales nucléaires sans alternative bas carbone immédiate, ce qui a entraîné une dépendance accrue au gaz et a freiné la baisse des émissions. Par ailleurs, la BNB met en garde contre les coûts de la transition. Elle souligne que les taxes carbone sont des outils efficaces, mais qu'elles doivent être accompagnées de mesures pour éviter des impacts sociaux inéquitables. Elle rappelle également que l'industrie belge devra absorber des coûts liés à la tarification du carbone et aux exigences européennes, ce qui peut affecter sa compétitivité si ces mesures ne sont pas correctement cadrées.
Bref, vous l'aurez compris, le rapport de la BNB rappelle que la transition écologique doit être planifiée de manière ordonnée et réaliste, et c'est ce que compte faire le gouvernement.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur Prévot, pour vos réponses. Nous entendons malheureusement ici toute la tiédeur de vos propos. Je comprends que vous parliez sous le contrôle de vos collègues du gouvernement, mais vous, en tant que président de parti, avez fait campagne sur cette promesse de vous engager de manière ferme sur la transition écologique. C'est ce que nous attendons. Donc merci de ne pas manger votre promesse.
Het register voor hernieuwbare energie in transport
Gesteld door
Gesteld aan
Tinne Van der Straeten
op 29 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het register voor hernieuwbare energie in transport functioneert na een jaar naar behoren: oliemaatschappijen registreerden zich volledig, gasleveranciers volgden na verduidelijking, en 39 exploitanten van laadinfrastructuur (waarvan 33 uitsluitend CPO’s) maken actief gebruik, met groeiend aandeel (8%) elektrische energie-eenheden. Grondige bijsturing is niet nodig, maar RED III-omzetting (o.a. waterstof in raffinage) en gebruiksgemak vragen aandacht, met voorbereidend werk voor de opvolger. Potentieel voor extra CPO’s en verdienmodellen (bijv. laadpalen) blijft onduidelijk en vereist verdere opvolging, met nadruk op consumentenvoordeel (prijstransparantie, zoals bij fossiele brandstoffen).
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, het register voor hernieuwbare energie in transport bestaat ondertussen ruim een jaar. Dat maakt dat een eerste evaluatie mogelijk zou moeten zijn.
De tool moest het voor oliemaatschappijen en leveranciers van gasvormige brandstoffen mogelijk maken om door te geven hoeveel hernieuwbare energie zij 'tot verbruik uitslaan', zoals dat archaïsch heet. Het systeem moest het ook mogelijk maken dat exploitanten van infrastructuur voor het overbrengen van elektrische stroom voor weg- en spoorverkeer hun energie-eenheden zouden kunnen registeren.
Dat leidt tot een aantal vragen.
Ten eerste, wat zijn de eerste vaststellingen met het register? Werd de oproep om te registeren voldoende opgevolgd door de gebruikers van de vroegere werkwijze?
Ten tweede, in welke mate werd het platform ook gebruikt door exploitanten van laadpalen en dergelijke?
Ten derde, welke conclusies kunnen worden getrokken na een jaar gebruik van het mechanisme? Is er nood aan bijsturing of bijkomende sensibilisering? In welke zin is een dergelijke bijsturing aan de orde?
Tinne Van der Straeten:
Het register voor hernieuwbare energie bestaat ondertussen inderdaad een jaar. We kunnen dus effectief een aantal voorlopige conclusies trekken. Voor definitieve conclusies moeten we nog even wachten, omdat de oliemaatschappijen en de leveranciers van gasvormige brandstoffen nog tot eind april 2025 hebben om voldoende energie-eenheden in te leveren, teneinde aan hun verplichtingen te voldoen. Wij kunnen dus eind april 2025 tot meer definitieve conclusies komen.
De eerste vaststellingen vandaag zijn positief. Alle gebruikers van de vroegere werkwijze, met name de oliemaatschappijen, hebben zich geregistreerd. Bij de gebruikers die voor de publicatie van de wet van 31 juli 2023 geen verplichtingen hadden, zijnde de leveranciers van gasvormige brandstoffen, liep dat moeilijker. Het was immers niet altijd duidelijk welk bedrijf effectief het bedrijf was dat gasvormige brandstof tot verbruik uitsloeg. Echter, een constructieve en intense dialoog tussen mijn administratie en de sector heeft gemaakt dat daarover meer duidelijkheid is gebracht. Iedereen heeft daardoor ook de kans gekregen de nodige rapporteringen te doen.
Momenteel zijn er 55 actieve gebruikers van het register in het systeem. Daarvan zijn er 39 exploitant van infrastructuur voor het overbrengen van elektrische stroom voor weg- en spoorverkeer, waarvan 33 exclusief als CPO optreden, dus zonder verplichtingen als oliemaatschappij of leverancier van gasvormige brandstof. Na het derde kwartaal behoorde 8 % van alle energie-eenheden tot categorie F, zijnde elektriciteit. Dat wil zeggen dat het platform zo een extra verdienmodel oplevert voor exploitanten van infrastructuur voor het overbrengen van elektrische stroom voor weg- en spoorverkeer – dat zijn veel woorden om te zeggen dat het gaat over laadpalen. Wij zien elk kwartaal een toename van het aantal gebruikers. Dat is positief, want daarvoor was het ook bedoeld.
Dit betekent dus dat de voornaamste doelen van het register bereikt zijn. Het betreft dan het creëren van een duurzame omgeving voor het opvolgen van de doelen voor hernieuwbare energie in de transportsector, die toekomstige veranderingen op het vlak van targets en sectoruitbreidingen aankan. Ook werd de mogelijkheid gecreëerd om hernieuwbare elektrische stroom die aan de transportsector geleverd werd, mee in rekening te brengen.
Een grondige bijsturing lijkt dus niet aan de orde, maar dat wil niet zeggen dat er geen continue verbetering nodig is betreffende verduidelijkingen en verbeteringen van het gebruiksgemak. Er is echter ook de RED III. Die zal moeten worden omgezet en dit zal wel grondige aanpassingen met zich meebrengen, omdat er natuurlijk ook nieuwe concepten zullen worden geïntroduceerd. Met name kan er hier gekeken worden naar het inzetten van de refinery route , dus het gebruik van waterstof in onze raffinage.
De afgelopen maanden heb ik mijn administratie de opdracht gegeven om die omzetting voor te bereiden. Ik weet immers uit ervaring dat het echt niet leuk is als men als nieuwe minister geen informatie krijgt. Daarom heb ik er bij mijn administratie op aangedrongen verder te werken aan die voorbereiding, ook al komt het mij niet toe om nog initiatieven te nemen, want dat is nieuw beleid. Op die manier moet de volgende minister voor die omzetting niet van een wit blad vertrekken. Mijn administratie heeft dus een voorbereiding gemaakt, waarop de volgende minister zich kan baseren. Dat dossier zal in de overdrachtsdocumenten aan de nieuwe regering zitten.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.
Er is al een en ander duidelijk geworden over de manier waarop dit vandaag door de sector wordt gebruikt. Wat minder duidelijk is, is of we een grote stap voorwaarts kunnen zetten door extra CPO's in dat systeem op te nemen. Het is niet duidelijk hoe groot het potentieel is om nog verdere stappen te kunnen zetten; dat is misschien een vraag voor een volgende minister.
Ik denk dat we dit goed moeten blijven opvolgen, zodat we die doelstelling kunnen behalen en zien hoe dat verdienmodel evolueert voor die specifieke sector. Er zijn immers heel wat uitdagingen, ook met betrekking tot de prijzen die vandaag aan de verschillende laadpalen worden betaald. Een extra verdienmodel is een bijkomende factor die niet noodzakelijk zomaar moet leiden tot extra inkomsten zonder dat er voor de gebruikers een voordeel is. Dat zullen we verder moeten bekijken.
Tinne Van der Straeten:
Ik wil dat volmondig ondersteunen. Als de definitieve evaluatie er komt, kan dit punt expliciet worden opgenomen. Ik zal aan mijn administratie vragen om dat ook al voor te bereiden. Als wij zoiets installeren, moet de eindgebruiker daarvan kunnen profiteren. Voor het tanken van fossiele brandstoffen is er een programma-akkoord met maximumprijzen, transparantieverplichtingen enzovoort. Voor laadpalen geldt dat niet. Wij hebben inderdaad een incentive ingevoerd. In de evaluatie kan worden bekeken of dit ook aan de eindconsument ten goede komt.
COPD
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 7 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vandenbroucke bevestigt dat roken en vapen (met name door smaakjes en marketing) de hoofdoorzaken zijn van COPD bij jongeren, ondanks dalende tabakscijfers, en kondigt strengere federale maatregelen aan: uitstalverbod, leeftijdscontroles (tot 25 jaar), standaardverpakkingen en smaakbeperkingen—geïnspireerd door EU-land als Nederland. Hij dringt aan op EU-brede aanpassingen (o.a. leeftijdsverhoging naar 21) en lokaal handhavingsbeleid (bv. rookvrije speelpleinen), terwijl gemeenten en regio’s moeten sensibiliseren. Peeters onderschrijft de aanpak en benadrukt waakzaamheid voor anekdotes over jong nicotinegebruik, in afwachting van het nieuwe HGR-advies over smaakjes.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, op 15 november was het Wereld COPD-dag. Ter gelegenheid daarvan werd in de Kamer een infomoment georganiseerd door experts en vond er een consensusdebat plaats, waaraan onder andere ook mijn collega Depoorter deelnam.
De belangrijkste oorzaak voor de ziekte werd daarop besproken. Volgens experts blijft dat roken, maar er werd ook verwezen naar de toename van het aantal vapers als een van de voornaamste redenen dat COPD zo frequent voorkomt in ons land.
Preventieve gezondheidszorg is een bevoegdheid van de gemeenschappen, maar ik vraag mij toch af wat wij op federaal vlak kunnen betekenen in de strijd tegen COPD en andere ziektes die het gevolg kunnen zijn van roken en vapen. Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u nodig om de bewustwording rond de gezondheidsrisico’s van vapen te versterken?
Frank Vandenbroucke:
Mevrouw Peeters, ik deel uw bezorgdheid. We dienen onze bevolking en in het bijzonder de jongeren te beschermen tegen de risico's van nicotine en tabaksverslaving. We mogen daarbij wel niet uit het oog verliezen dat de bevragingen aantonen dat de meerderheid van de jongeren nog nooit heeft gerookt of een e-sigaret heeft gebruikt. Let wel, zelfs een minderheid is natuurlijk al een probleem.
De dalende trend in het gebruik van tabak bij jongeren – ik heb het dan over 12- tot 18-jarigen, waarvoor het verboden is –, blijft zich doorzetten, en dat in alle leeftijdsgroepen. Daarnaast zien we in meerdere EU-lidstaten wel een stijgend aantal jongeren dat soms tot regelmatig een e-sigaret gebruikt. Globaal genomen zegt Filip Lardon in zijn recentste boek dat er daardoor ook een stagnatie optreedt in het roken bij minderjarigen.
Over het gebruik bij kinderen in het lager onderwijs zijn er geen data bekend. De meeste jongeren starten het gebruik van tabak of een e-sigaret rond de leeftijd van 15 jaar. Gelukkig zijn verhalen over nicotinegebruik in het lager onderwijs tot op heden eerder anekdotisch van aard. Dat neemt niet weg dat we onze inspanningen moet voortzetten en versterken voor de realisatie van een rookvrije samenleving.
In de interfederale strategie voor een rookvrije generatie is er al een reeks maatregelen opgenomen die tot een daling van het tabaksgebruik en nicotineproducten moeten leiden, zoals een vermindering van het aantal verkooppunten, het verbod op automaten, sinds december 2023, het verbod op tijdelijke verkooppunten, sinds begin dit jaar, en het verbod op verkoop in grote voedingswinkels en het uitstalverbod, vanaf april. Dat moet ertoe leiden dat jongeren veel minder direct in aanraking zullen komen met die verslavende producten. Wie tabak of een e-sigaret wil kopen, zal daar actief naar moeten vragen. Het uitstalverbod bouwt opnieuw een extra drempel in. Bovendien moet de verkoper ook actief een leeftijdsbewijs vragen wanneer de klant jonger dan 25 jaar lijkt. Die regel zal van kracht zijn vanaf april 2025.
De inspectiediensten hebben ook de juridische mogelijkheid gekregen om het verbod op de verkoop aan minderjarigen te handhaven via controles met mysteryshoppers. Dat is een zeer effectieve manier van controleren. Ik vraag de inspectie om haar inspanningen daarmee aan te houden.
Om de aantrekkelijkheid van e-sigaretten te verminderen, moeten we echter verder durven te gaan dan de nu reeds vastgelegde maatregelen, bijvoorbeeld met de invoering van standaardverpakkingen om zo een einde te maken aan de marketing via de verpakking en met het beperken van de smaakjes.
In zijn advies van juni 2022 stelt de Hoge Gezondheidsraad dat er nog zeer weinig toxicologische gegevens bekend zijn over de eigenschappen van aroma’s, geuren en smaakstoffen die aan een e-sigaret worden toegevoegd. De Hoge Gezondheidsraad was toen niet gekant tegen het toevoegen van smaakjes in het kader van een tabaksontwenningsbeleid, maar aangezien smaakjes e-sigaretten net voor jongeren aantrekkelijk maken en mogelijk het gezondheidsrisico verbergen, zal ik daar binnenkort een nieuw advies over vragen.
Enkele lidstaten, zoals Nederland, hebben al initiatieven genomen om het aanbod aan smaakjes bij de e-sigaretten sterk terug te schroeven. We zouden echt sterker staan, indien we een aantal nieuwe initiatieven kunnen nemen binnen de volledige EU. Naast standaardverpakkingen en restricties in smaakjes behoort een EU-brede verhoging van de minimumleeftijd voor tabak en nicotineproducten ook tot de mogelijkheden. Zo nam Ierland al het initiatief om de minimumleeftijd voor tabak en nicotineproducten op te trekken naar 21 jaar. Ik blijf er bij de Europese Commissie dan ook op aandringen om dringend werk te maken van een herziening van de Tabaksproductenrichtlijn, die dateert van 2014. Ik zal alles in het werk stellen binnen mijn bevoegdheden om een rookvrije generatie te kunnen realiseren. Ik reken daarbij op de regionale overheden om blijvend in te zetten op hulp bij rookstop en op de geschikte sensibilisering over de risico’s van tabaks- en nicotinegebruik zowel bij ouders, scholen als bij jongeren zelf.
Ik denk dat lokale overheden ook een rol te spelen hebben, met name in het helpen implementeren van een aantal verbodsbepalingen die nu zijn ingegaan met betrekking tot roken op speelpleinen, waar gemeentelijke overheden ook een zekere verantwoordelijkheid dragen. Het gaat om speelpleinen, dierentuinen, attractieparken, ingangen van de openbare bibliotheken, scholen, ziekenhuizen en woonzorgcentra. Die nieuwe regelgeving is in werking getreden sinds eind vorig jaar.
In mijn eigen gemeente Tervuren – ik zit daar voor alle duidelijkheid voor niets tussen – heeft de dienst vrije tijd een zeer mooie publicatie gewijd aan die nieuwe maatregelen en wat daarvoor moet gebeuren. Die zeer sensibiliserende publicatie stond in het gemeentelijk informatieblad, waardoor iedereen nu goed op de hoogte is. De publicatie geeft blijk van een zeer groot engagement van het gemeentebestuur om dat beleid te helpen implementeren. Ik denk dat ook andere gemeentebesturen op dat vlak al zeer actief zijn. Dat strekt echt tot aanbeveling. Ik roep de gemeentebesturen echt op om te helpen werk te maken van ons antitabaksbeleid.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, bedankt voor de geleverde inspanningen in het antitabaksbeleid. Er komt gelukkig inderdaad maar een minderheid van kinderen in aanraking met vapes en sigaretten. Het gaat over anekdotische verhalen. Net zoals u aangeeft, willen we ook echt de vinger aan de pols houden om onze jongeren zoveel mogelijk weg te houden van die rookmiddelen. We kijken zeker uit naar het advies, dat u opgevraagd hebt.
De Belgische bijdrage aan het klimaatbeleid in ontwikkelingslanden
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 4 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België verhoogde zijn klimaatfinanciering naar 248 miljoen euro publiek geld in 2023 (7% van de ontwikkelingshulp) en behoudt dat niveau in 2024, met 138 miljoen euro vastgelegd voor 2025, terwijl 490 miljoen euro private klimaatinvesteringen (vooral via BIO) in 2023 werden gemobiliseerd—geen vast jaarbedrag. Minister Vandenbroucke benadrukte dat de EU in Bakoe 300 miljard dollar klimaatfinanciering nastreeft, met druk op ook China en Golfstaten om bij te dragen, maar Samyn uit kritiek op gebrek aan afspraken over fossiele brandstoffen en weinig actie van arme landen om uitstoot te verminderen, met zorgen over budgetverschuivingen tussen klimaat en ontwikkeling.
Ellen Samyn:
Mijnheer de minister, de Belgische bijdrage aan internationale klimaatfinanciering verdrievoudigde sinds 2020 van 70 miljoen euro naar 216 miljoen in 2023.
Op de afgelopen klimaattop in Bakoe is er onder andere over de bijdrage en de financiële engagementen van de geïndustrialiseerde landen ten opzichte van de ontwikkelingslanden gesproken. Welk bedrag heeft België voor 2024 uitgetrokken en welk bedrag heeft het voor 2025 gebudgetteerd? Klopt het dat voor de Belgische financiering middelen voor ontwikkelingshulp naar klimaatfinanciering worden verschoven? Het globale Zuiden eist zowel zijn recht op ontwikkeling op als een grotere bijdrage voor de vergroening van zijn energievoorziening en de aanpassing aan klimaatverandering. Over welke bedragen werd er gesproken? Hebt u hierover onlangs met uw Europese collega's samengezeten?
België zou dankzij garanties van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden 490 miljoen euro aan private financiering voor investeringen in hernieuwbare energie en duurzame landbouw in ontwikkelingslanden mobiliseren. Kunt u dat bevestigen? Betreft het een jaarbedrag of wordt de 490 miljoen verspreid over een aantal jaren? Indien het een jaarbedrag betreft, wat zijn de prognoses voor 2024 en 2025?
Frank Vandenbroucke:
België rapporteert elk jaar in september aan de Europese Unie over onze klimaatfinanciering. De cijfers van 2024 zullen pas in september 2025 beschikbaar zijn.
In 2023 bedroeg de Belgische publieke internationale klimaatfinanciering 248 miljoen euro. De federale overheid nam 216 miljoen euro voor haar rekening. Tegen eind 2024 zullen we ongeveer hetzelfde niveau halen als in 2023. Voor 2025 ligt via de meerjarige klimaatactie ook al voor 138 miljoen euro aan bijdragen vast.
De internationale Belgische klimaatfinanciering is deel van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en is dus onze ODA. In 2023 was de klimaatfinanciering goed voor 7 % van onze ontwikkelingshulp.
Daarnaast hebben we private internationale klimaatfinanciering die met publieke fondsen wordt gemobiliseerd en dus aanvullend werkt bij de private kapitaalmarkten. Die was in 2023 inderdaad goed voor 490 miljoen euro. Het grootste deel, 360 miljoen euro, werd gemobiliseerd dankzij kapitaal en leningen van de Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO).
Daarnaast hebben ook exportverzekeringen van Credendo, voor 129 miljoen euro, en de Business Partnership Facility, voor 1 miljoen euro, bijgedragen aan de mobilisatie van de financiering van private actoren. Dat is geen vast jaarbedrag. Dat is afhankelijk van investeringen.
Ik hoop wel dat we, samen met onze actoren, die ambitie in de toekomst kunnen blijven waarmaken.
De meest kwetsbare landen en de armste bevolkingsgroepen lijden het meest onder de gevolgen van de klimaatcrisis. Dat was ook een belangrijk punt in de onderhandelingen in Bakoe. De standpunten daarover, waaronder die inzake financiering, zijn Europees vastgelegd. Het akkoord van Bakoe voorziet in een doelstelling van 300 miljard dollar, waarbij de ontwikkelde landen de leiding zullen nemen. Het gaat hier om, ten eerste, publieke financiering, ten tweede, publiek gemobiliseerde private financiering en, ten derde, bijdragen van de multilaterale ontwikkelingsbanken.
Ook wil België, samen met de EU, dat elk land voldoende bijdraagt, dus ook China en de Golfstaten.
Ellen Samyn:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik heb begrepen dat ik op de cijfers voor 2024 moet wachten tot 2025. Het kan u misschien verbazen, maar ik heb toch geen goed gevoel overgehouden aan de voorbije klimaattop, nog los van het feit dat die in Azerbeidzjan plaatsvond. Er werden bijvoorbeeld geen afspraken gemaakt om fossiele brandstoffen in te perken, omdat de oliestaten niet willen meewerken. Ook willen de arme landen nog altijd veel meer financiering, maar ze willen zelf niets ondernemen om hun uitstoot te verminderen. Het zal in ieder geval een grote uitdaging worden. Wat mij ook zorgen baart, is dat klimaatfinanciering verdoken ontwikkelingshulp zou worden, of vice versa. Ik hoop dat er heel goed op toegezien zal worden dat de budgetten op een correcte manier worden gebruikt.
Het promoten van fossiele energie door de CEO van de COP29
De berichtgeving rond de hoofddirecteur van de COP29 in Azerbeidzjan
De COP29
De resultaten van de COP29 in Bakoe
De gemengde balans van de COP29
De balans van de COP29
De klimaatonderhandelingen en de balans van de COP29
COP29, klimaatonderhandelingen en controverses in Azerbeidzjan
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 3 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De COP29 in Azerbeidzjan leverde een minimaal akkoord op, met als belangrijkste resultaat een klimaatfinancieringsdoelstelling van 300 miljard dollar per jaar tegen 2035 (ver onder de gevraagde 1.300 miljard), waarbij ontwikkelde landen het voortouw nemen maar private en multilaterale fondsen meetellen. Concrete afspraken over fossiele brandstoffen ontbraken, en de opvolging van eerdere klimaatbeloftes (zoals de *global stocktake*) werd doorgeschoven naar COP30 in Brazilië, wat teleurstelling wekte bij kwetsbare landen en klimaatactivisten. België, dat binnen de EU-onderhandelingspositie bleef, benadrukte adaptatiefinanciering en pleitte voor een uitbreiding van de groep financierende landen (bv. China, India), maar nam geen nieuwe bindende engagementen aan. De Belgische delegatie (140+ personen, inclusief maatschappelijke actoren) volgde de traditie van open toegang voor NGO’s en bedrijven (zonder overheidsfinanciering), terwijl de kostenefficiëntie en toegevoegde waarde van het Klimaatcentrum (onder SPF Wetenschap) ter discussie bleven. Critici wijzen op het falend multilateraal klimaatbeleid door geopolitieke spanningen (bv. VS/Trump, olielobby’s als Azerbeidzjan) en het ontbreken van urgentie, terwijl de minister de COP als noodzakelijk maar onvoldoende typeert en pleit voor sterkere diplomatieke allianties en integratie van klimaat in andere beleidsdomeinen (handel, veiligheid). De toekomstige Belgische klimaatplannen (bv. PNEC-updates) hangen af van interne onderhandelingen (met name Vlaanderen) en een dreigende EU-inbreukprocedure voor te late indiening.
Voorzitter:
Collega's, vandaag zijn twee sessies met de minister ingepland. Eerst houden we een gedachtewisseling over de COP. Enkele leden hebben daarover ook vragen ingediend. Ik stel voor dat de vragen in de tussenkomsten verwerkt worden. Het woord is eerst aan de commissieleden, vervolgens zal de minister antwoorden en daarna krijgen de leden het woord voor hun repliek. Na de gedachtewisseling staan nog enkele specifieke mondelinge vragen op de agenda.
Bert Wollants:
Mijnheer de voorzitter, geeft de minister geen inleiding?
Voorzitter:
Neen, we hebben het bericht gekregen dat eerst de commissieleden het woord kunnen krijgen. Vervolgens zal de minister antwoorden.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, over de COP29, ondertussen achter de rug, hebben we verschillende echo's ontvangen, in zowel goede als slechte zin. Er zijn wel wat speciale uitspraken gevallen. Als gevolg daarvan hebben enkele regeringsleiders aangekondigd of gezegd dat zij het niet zien zitten om er onder dat gesternte aan deel te nemen. Tegelijkertijd luidt de vraag wat er dan wel concreet uit gekomen is, in totaliteit voor de COP zelf, maar ook specifiek voor België. Hebt u al dan niet met collega's specifieke engagementen opgenomen? Wat houden die engagementen dan in voor de federale overheid? Waarin moeten die worden vertaald?
In het verleden zijn er twijfels gerezen over de delegatie die wij telkens naar die COP's sturen, met de vraag of die misschien wat meer soberheid zou kunnen verdragen. Kunt u dat nader toelichten? Hoe groot was de delegatie die we naar de COP hebben gestuurd? Welk was het aandeel van de federale administratie in kabinetten op dat vlak? Op welke manier is dat ingevuld? Welke kostprijs staat daartegenover?
Specifiek aangaande deze COP vraag ik me af welke de gevolgen zijn. Heeft dit land, zoals in het verleden telkens gebeurd is, op bepaalde thema's in het bijzonder gewogen of een meerwaarde gehad tijdens de COP zelf in het ondernemen van bepaalde acties of in de voorbereiding van bepaalde akkoorden met landen?
In het verleden is al aangegeven dat onze contacten met bepaalde landen in Afrika ervoor zorgen dat wij sommige zaken soms gemakkelijker bespreekbaar kunnen maken. Was dat in dit geval ook zo? Hoe is dat verlopen?
In de marge van de COP heeft het voormalige hoofd van het Klimaatcentrum, mevrouw Trouet, een aantal opmerkelijke uitspraken gedaan. In haar opiniestuk deed zij onder meer uitspraken als: "Ik heb het u gezegd, maar u hebt uw schouders opgehaald. Trek uw plan, het zijn uw kinderen, bescherm ze zelf." Ik meen dat dat ongeveer was wat zij daar naar voren heeft geschoven.
De vraag is natuurlijk of het Klimaatcentrum, dat ongetwijfeld een rol heeft gespeeld in de voorbereidingen van de standpunten die België ingenomen heeft op de COP, nu geëvalueerd moet worden. Ik vraag me af, mevrouw de minister, hoe u de uitspraken van mevrouw Trouet nu beoordeelt. Hoe kijkt u daarnaar, in het algemeen?
We weten dat het Klimaatcentrum ondertussen al een tweetal jaren bestaat. Kunt u aangeven of dit kenniscentrum heeft bijgedragen aan het federale beleid op dat vlak? Heeft het bepaalde nieuwe elementen aangebracht waarop het federale beleid zich in de toekomst kan richten?
Eigenlijk komt het erop neer wat de toegevoegde waarde van het Klimaatcentrum was in het kader van deze COP. We weten immers dat de klimaatbevoegdheden grotendeels elders liggen, onder andere bij Europa en bij de gewesten. Het is dus belangrijk te weten waartoe de middelen die in het Klimaatcentrum zijn geïnvesteerd geleid hebben.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, ik kan me voorstellen dat u als ecologiste niet tevreden bent met de uitkomst van de COP29. U sprak in de pers over een gemengd bilan. Dat is vrij optimistisch. Mevrouw Van der Straeten, toch ook een ecologiste, is niet tevreden over deze COP. Ik citeer uit haar antwoord daaromtrent aan mij: "Deze COP werd niet met engagement en ambitie gemodereerd door het voorzitterschap. Daardoor werd er een teleurstellend resultaat naar voren gebracht."
Enkele dagen voor de COP en in het begin van de COP waren er een paar opmerkelijke uitspraken en acties. Er was de berichtgeving over de hoofddirecteur van de COP29, die blijkbaar zijn rol als bestuurslid van het staatsbedrijf voor olie en gas van Azerbeidzjan een beetje zou hebben misbruikt om een bijeenkomst te regelen voor het bespreken van potentiële deals over fossiele brandstoffen, nieuwe olie- en gasvelden.
In het verlengde was er de ondertussen beroemd geworden uitspraak the gift of God, door de president van Azerbeidzjan. Hij stelde dat Azerbeidzjan echt een land van fossiele brandstoffen is en dat het ook van plan is om dat te blijven en om zijn rijkdom, the gift of God – in het geval van Azerbeidzjan zal het dan over Allah gaan – verder te vermarkten. Al wil Azerbeidzjan wel een beetje vergroenen. Men wordt dan meegesleurd – u misschien ook, mevrouw de ministe – naar wat velden met zonnepanelen. Op die manier wil men dan een beeld creëren van Azerbeidzjan als land in de ban van de groene transitie, zoals zovele landen.
Hoe reageert u op de berichtgeving over de hoofddirecteur en op de zogenaamde gift from God ? Meent u dat de huidige deontologische gedragscodes voor ambtenaren en functionarissen binnen de COP's afdoende zijn? Hebt u dat binnen de EU aangekaart? België zit immers op zo'n COP ingekapseld in EU-verband.
Minister Van der Straeten zei ook dat het gastland de COP onvoldoende heeft voorbereid. Wij weten – u hebt dat zelf op een vraag van mij geantwoord – waarom Azerbeidzjan uiteindelijk het gastland was. U hebt de procedure binnen de Verenigde Naties, zonder interferentie van andere landen, toegelicht.
Ik ga even in op de resultaten zelf. De ontwikkelde landen engageren zich rond klimaatfinanciering om tegen 2035 met minstens 300 miljard dollar over de brug te komen om de ontwikkelingslanden bij te staan om hun uitstoot van broeikasgassen te reduceren en zich aan te passen aan de gevolgen van de klimaatverandering. In de aangenomen tekst staat dat de ontwikkelde landen de leiding nemen om dat bedrag bijeen te krijgen. Daarvoor mag naast publiek geld echter ook naar privaat geld en alternatieve financieringsbronnen worden gekeken. Ook het geld dat via de multilaterale ontwikkelingsbanken wordt gemobiliseerd, mag worden meegerekend.
De ontwikkelingslanden worden op hun beurt aangemoedigd om bij te dragen, zij het louter op vrijwillige basis. Ik heb begrepen dat wij bijvoorbeeld China, dat nog altijd een vervuiler is, en India nog altijd vriendelijk moeten vragen om hun deel te doen. Dat was ook een beetje de reactie van Vlaams minister Depraetere. Zij getuigde toch van een zekere realiteitszin toen ze in Bakoe stelde dat de meest vervuilende landen die nu aan het boomen zijn wat hun CO 2 -uitstoot betreft – ik blijf herhalen dat dat niet over de EU gaat, maar over China en India –, hun deel moeten doen. Dat komt uit onverdachte bron. Het is mevrouw Depraetere die dat heeft verklaard in Bakoe.
Tegen de COP30, die zal plaatsvinden in Belém in Brazilië, wordt een roadmap gelanceerd om de klimaatfinanciering op te schalen, onder meer door giften, concessionele en niet-schuldcreërende instrumenten. Er werd daarop heel lauw gereageerd door onder andere de Afrikaanse landen. Er was heel wat ongenoegen.
Een ander punt is de opvolging van de global stocktake en het historische akkoord over de transitie weg van de fossiele brandstoffen, dat in 2023 is bereikt op de COP28 in Dubai. Ook toen is er enkel een beslissing geweest om door te schuiven naar de tussentijdse klimaatbesprekingen in Bonn. Die besprekingen gaan elk jaar door en dus ook in 2025. De bedoeling is bij die gelegenheid een tekst op te stellen die vervolgens op de COP30 in Brazilië kan worden afgeklopt.
De huidige tekst van de COP29 bevat dus geen expliciete verwijzing naar de transitie weg van de fossiele brandstoffen. Ook werden geen stappen vooruitgezet in het terugdringen van de uitstoot, het mitigatieluik.
In de eindtekst werd enkel de uitkomst van de eerste global stocktake herbevestigd. Dat kan dus moeilijk als een stap vooruit worden omschreven. Er werd dus ook opnieuw verwezen naar paragraaf 28 van de vorige COP.
U had het over een gemengd bilan. Afgezien van het akkoord rond de internationale koolstofmarkt, dat in de pers misschien het meest in het oog springende akkoord was waarin vooruitgang werd bereikt, was de teneur in de commentaren veeleer: veel geblaat en weinig wol.
Dan ga ik over tot de publieke uitspraken van mevrouw Trouet van het Klimaatcentrum. Er is toch een malaise bezig over de 1,5 graad opwarming. Ik heb in de laatste twee jaar van de vorige legislatuur continu gezegd dat de 1,5 graad opwarming een illusie zal blijken te zijn, en ik krijg gelijk. Steeds meer wetenschappers zeggen dat 1,5 graad tegen 2030 niet meer haalbaar is.
Mevrouw Trouet bereikt dan een soort van defaitisme, van resignatie, van berusting. We zien ook dat de groene partijen in Europa, tot Ierland toe, catastrofale resultaten bereiken. Blijkbaar is er op Europees niveau toch een beweging aan de hand waarbij het publiek blijkbaar de sense of urgency mist. U zegt altijd dat de apocalyps voor de deur staat. Blijkbaar denkt de bevolking in Europa daar anders over. Ik ga daarvoor af op electorale resultaten, zowel in Oost-Europa, Midden-Europa als West-Europa. Ik zeg dat heel neutraal, zonder leedvermaak. Ik probeer dat, zoals u ook altijd zegt, wetenschappelijk te benaderen. Ik kijk dus ook naar de feiten.
Vlaanderen heeft ook gereageerd. Volgens de minister zal het zijn deel voor de klimaatfinanciering blijven doen, heeft men een recordbedrag aan privaat kapitaal voor klimaatfinanciering vergaard en is het nu ook aan de andere, buitenlandse bedrijven om dat goede voorbeeld te volgen.
Ook daar groeit blijkbaar een soort klimaatrealisme in het beleid. Ik ben heel benieuwd hoe zich dat de volgende jaren zal vertalen op Vlaams en federaal niveau. Ik houd me echter aan de regels, wat betekent dat ik mevrouw Khattabi niet zal ondervragen over toekomstige initiatieven van een toekomstige federale regering.
De heer Wollants heeft gevraagd wat de toegevoegde waarde van het Klimaatcentrum is en ik sluit me aan bij die vraag. Ik heb in februari het initiatief genomen om het CERAC naar hier te halen en ik vraag deze commissie om het in januari of februari opnieuw naar hier te laten komen om een uiteenzetting te geven over zijn beleid van de voorbije maanden.
Charlotte Deborsu:
Monsieur le président, je ne vais pas revenir sur les différentes considérations qui ont été abordées mais poser des questions plus pragmatiques.
Madame la ministre, vous avez annoncé une contribution de 200 millions d'euros au Fonds pour les pertes et dommages. Comment ces fonds seront-ils mobilisés sans alourdir la pression fiscale sur les citoyens? À quoi seront-ils réellement affectés?
Où en est la Belgique dans le respect des engagements de financement climatique pris lors des COP précédentes?
Marie Meunier:
Madame la ministre, merci de prendre le temps aujourd'hui de faire le point sur cette COP29. Je ne vous cacherai pas notre déception face aux résultats.
Nous avons entendu des expressions assez dures de par le monde. En Bolivie, on parle de violations flagrantes de la justice climatique. Au Nigeria, on estime que les pays pauvres doivent accepter des miettes. En Inde, on évoque une illusion d'optique face aux défis actuels. La Coalition Climat, en Belgique, évoque un coup de massue et vous-même, d'ailleurs, parlez d'un bilan mitigé. Il est crucial, à ce stade, d'analyser les différentes raisons de cet échec.
J'aimerais connaître votre avis sur l'atmosphère générale des discussions. Ont-elles été marquées par l'urgence climatique, notamment au vu des inondations en Espagne et des prévisions d'une année 2024 record en termes de températures?
Sur le plan géopolitique, les tensions liées à des événements comme l'élection de Trump ou les conflits en Ukraine et au Moyen-Orient ont-elles influencé le dialogue entre les nations? Quel rôle a joué l'Europe dans cette gouvernance climatique?
Concernant les droits humains, l'Azerbaïdjan est un État où de graves violations des droits humains sont commises. Avez-vous pu délivrer un message fort en matière de respect des droits humains? Le pays hôte a-t-il pris des engagements crédibles à cet égard?
On annonçait une COP de la finance. Or les résultats sont assez préoccupants, en particulier le chiffre de 300 milliards, qui se situe bien en-deçà des 1 300 milliards nécessaires aux pays du Sud. Comment expliquez-vous un tel écart? De quel type de financement parle-t-on avec ces 300 milliards? Beaucoup de critiques ont été énoncées à propos des méthodes de négociation de l'Union européenne, qui a attendu le dernier moment pour avancer un chiffre. Comment l'expliquez-vous?
Toujours au sujet du financement, j'aimerais vous poser des questions un peu plus techniques.
Quelles mesures concrètes la Belgique prendra-t-elle pour s'assurer que les banques de développement et les institutions financières fournissent davantage de fonds et s'en servent efficacement en vue de la transition climatique, notamment pour les pays les plus vulnérables? Étant donné que la contribution de la Belgique au financement climatique est insuffisante, comme le montre l'analyse de l'administration fédérale, quelles mesures concrètes le gouvernement envisage-t-il de prendre pour accroître les ressources belges en ce domaine et assurer une augmentation substantielle de sa contribution au financement climatique? Compte tenu des revenus élevés que la Belgique reçoit grâce au système européen d'échange de quotas d'émission, quelles initiatives le gouvernement prendra-t-il pour renforcer le financement national et international de la lutte contre le changement climatique?
En ce qui concerne la sortie progressive du pétrole, du gaz et du charbon, c'est un objectif fort que nous nous étions assignés lors de la COP28, il en a toutefois été manifestement peu question à Bakou. Quelle en est la raison? Pourquoi la demande de suivi annuel des efforts n'a-t-elle pas été satisfaite?
Enfin, nous savons que, l'année prochaine au Brésil, chaque État devra présenter sa contribution déterminée. Nous nous situerons dix ans après l'Accord de Paris. Ce sera un moment-bilan pour les États. Du coup, j'aimerais savoir où en est la Belgique. Reste-t-il encore des défis à relever? Quels sont-ils? Pouvez-vous nous les communiquer avant la passation de pouvoirs au prochain gouvernement?
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, le groupe Les Engagés place la transition écologique au cœur de ses priorités, convaincu que les enjeux environnementaux sont essentiels pour assurer un avenir durable et équitable.
Face aux défis mondiaux liés au changement climatique, à la dégradation des écosystèmes et à l'épuisement des ressources naturelles, nous sommes en faveur de mesures concrètes et ambitieuses, de politiques publiques qui favorisent la protection de l'environnement tout en répondant aux besoins des générations futures. La transition écologique n'est pas seulement une urgence. Elle est aussi une opportunité de réinventer notre mode de vie, nos économies, notre rapport au monde naturel.
Madame la ministre, la COP29 s'est terminée sur un bilan mitigé. La COP de Bakou devait être la COP de la finance qui allait permettre d'augmenter considérablement les investissements pour financer la transition et l'adaptation des pays en voie de développement.
Les besoins en termes de financement sont de 1 000 milliards mais l'accord prévoit une mobilisation des pays du Nord à hauteur de 287 milliards. Madame la ministre, en ce qui concerne ces 287 milliards, quels sont les mécanismes de financement prévus? Quels sont les pays qui participent à ce financement et ceux qui en bénéficient? Quels sont les projets qui pourraient en bénéficier, notamment en termes d'adaptation et d'atténuation? Qu'a concrètement promis la Belgique? Quel sera notre financement international? Comment ce montant sera-t-il financé?
De manière plus générale, les pays en développement disaient vouloir élargir le nombre de pays contributeurs au financement. L'idée part du principe que certaines économies ont les moyens de participer à la transition. Quelle a été la position de la Belgique à ce sujet? Les pertes et préjudices ne sont pas concernés par ce montant. Quelles ont été les discussions et décisions éventuelles à ce sujet?
Comme chaque année, l'utilité même des COP est remise en question parce qu'on a le sentiment qu'elles ne sont pas à la hauteur de l'enjeu. Quel est votre point de vue sur la question? Enfin, quel regard portez-vous sur cette COP et, après quatre ans, sur les COP et leur fonctionnement de manière générale en intrabelge ou en intra-Union européenne?
La géopolitique mondiale qui a entouré cette COP est assez négative, entre les conflits au Moyen-Orient et en Ukraine et les élections américaines. Cela donne le sentiment que l'Union européenne est l'un des seuls leaders de la lutte contre le réchauffement climatique. Considérez-vous que tel est le cas? Comment les COP servent-elles de vecteur pour maintenir des relations diplomatiques avec le reste du monde? Permettent-elles de maintenir un certain niveau de confiance et de collaboration entre pays, pour reprendre des mots prononcés par l'Inde dans son discours de clôture?
En Belgique et ailleurs, une politique environnementale ambitieuse n'est possible que lorsqu'elle suscite l'adhésion de la population. Cela implique que des politiques améliorant la qualité de vie sont nécessaires. C'est souvent le cas des politiques d'adaptation là où l'atténuation peut être perçue comme plus contraignante. Constatez-vous une différence de perception dans les négociations concernant ces deux enjeux?
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, nous savons que dans le combat contre le changement climatique, les travailleurs et les pays du Sud sont les premières victimes alors qu'ils en sont les moins responsables. Nous voyons pourtant que cette COP29 n'a pas été à la hauteur des résultats.
Dans un de vos communiqués de presse, vous évoquez un résultat mitigé. Je dois vous dire, madame la ministre, que je pense que ce mot semble bien indulgent. L'enjeu de la COP était d'augmenter le financement climatique pour les pays en développement. Ils réclamaient à juste titre 1 300 milliards et ils se retrouvent avec un engagement de 300 milliards de dollars par an d'ici 2035.
Nous avons eu droit à beaucoup de discours et de nombreux participants se sont prononcés. Le discours de l'Inde suite à l'accord m'a paru très clair. Je les cite: "Nous attendons des pays développés qu'ils fassent preuve d'une ambition bien plus grande et le montant convenu n'inspire pas confiance quant à notre capacité à nous sortir de ce grave problème qu'est le changement climatique". Nous voyons une fois de plus que les grandes puissances polluantes imposent leur logique du "chacun pour soi" au détriment de la solidarité internationale.
Madame la ministre, j'aimerais savoir comment s'est positionnée la Belgique dans ces négociations. Notre pays s'est-il opposé à cet accord qui était clairement insuffisant ou avons-nous suivi la position européenne dans ce contexte?
Au niveau national, le constat est aussi alarmant. La Belgique manque à ses propres objectifs climatiques. La Commission européenne a dû enclencher une procédure d'infraction contre nous pour le non-respect des délais dans le dépôt du Plan national Énergie-Climat (PNEC). En plénière, vous aviez mentionné il y a quelques semaines des discussions avec la ministre flamande de l'Énergie et du Climat. Où en sommes-nous et quel est l'état de cette procédure aujourd'hui?
Alors que votre mandat touche à sa fin, quel est l'avenir pour la politique climatique belge? Les négociations qui s'esquissent nous laissent craindre le pire. L'Arizona semble prête à imposer une politique d'austérité alors que nous savons que l'austérité est incompatible avec les investissements massifs dont on a besoin pour affronter l'urgence climatique. C’est une logique au profit des multinationales qu’on laisse intouchables, et selon laquelle ce sont les travailleurs et les familles qui vont devoir payer la facture.
Madame la ministre, en tant que ministre sortante, pensez-vous que cette politique d’austérité sera compatible avec les défis climatiques pour notre pays? Pour nous, la réponse est clairement non. Nous avons besoin d’une politique climatique et sociale ambitieuse: taxer les gros pollueurs, renforcer la solidarité internationale et garantir la justice sociale.
Pour finir, le retour de Trump, les politiques des grandes puissances et la militarisation de l’économie mondiale ne doivent pas nous faire reculer. La Belgique et l’Europe doivent suivre leur propre voie, avoir une politique étrangère basée sur la solidarité et la coopération avec le Sud global en matière de financement, de partage des technologies et d’accès aux matières premières, pour répondre efficacement à la crise climatique.
La COP au Brésil sera un moment clé, dans un an. Nous avons une responsabilité immense car nous n’avons plus le luxe d’attendre, et la planète non plus.
Rajae Maouane:
Madame la ministre, c'est peu de dire qu'en tant qu'écologistes, nous sommes clairement déçus des résultats de cette COP.
Les pays présents, comme les collègues l'ont évoqué, ont finalement adopté un accord fixant à 300 milliards par an d'ici à 2035 le montant destiné aux pays en développement pour les aider à faire face au changement et au dérèglement climatique. Ce chiffre peut sembler important, mais il reste vraiment très loin des attentes. Les pays en développement demandaient plus de 1 000 milliards de dollars par an et ont qualifié ce résultat de plaisanterie, voire d'insulte. En effet, selon le Programme des Nations Unies pour l'environnement (PNUE), les seuls besoins en termes d'adaptation dépassent déjà ces 300 milliards. Si l'on inclut les efforts nécessaires pour l'atténuation et la prise en charge des pertes et préjudices, il aurait fallu mobiliser plus de 1 000 milliards par an. En outre, si l'on considère les 100 milliards de dollars promis en 2009 lors de la COP de Copenhague, et l'impact de l'inflation, cette nouvelle somme n'apparaît pas comme une avancée significative, parce qu'aujourd'hui ces 100 milliards équivaudraient à 258 milliards avec l'inflation. Donc l'augmentation réelle est plutôt modeste (passant de 258 à 300 milliards).
De plus, au sein de cette COP, aucun consensus n'a été dégagé concernant le suivi de l'évaluation globale, ni sur la mise en œuvre de l'accord historique sur la transition hors des énergies fossiles qui a été adopté à la COP de Dubaï. Ces discussions ont été reportées aux négociations intermédiaires avec l'objectif de finaliser un texte pour la COP30 au Brésil.
Par ailleurs, le texte adopté ici ne contient aucune référence explicite à la transition énergétique ni de progrès tangible en matière de réduction des émissions de gaz à effet de serre.
Madame la ministre, dans ce contexte un peu déprimant, voici mes questions.
Quel bilan tirez-vous des résultats de la COP29, notamment sur les volets adaptation mais aussi genre et droits humains, que vous aviez évoqués dans votre communication? Les engagements pris vous semblent-ils à la hauteur de l'urgence climatique? Quels seront les axes prioritaires pour la Belgique dans les discussions intermédiaires en vue de la COP30, notamment concernant la réduction des émissions et le suivi de l'évolution globale? On se doute que vous ne serez peut-être plus ministre en exercice, mais en Belgique on ne peut jurer de rien. Comment la Belgique compte-t-elle pousser au niveau international pour finaliser l'accord sur la transition hors des énergies fossiles lors de la prochaine COP?
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, als we heel eerlijk zijn, wisten we allemaal op voorhand dat het moeilijk zou zijn om een goed akkoord tot stand te brengen, zeker na de uitspraak van de voorzitter van de COP dat gas en olie een gift van God zijn. Ik was naïef, want ik hoopte dat de gigantische overstromingen in Valencia met vele doden tot gevolg en de jaarlijks weerkerende klimaatrampen voor een sense of urgency zouden zorgen. Dat blijkt nog altijd niet het geval.
Ik krijg het eerlijk gezegd niet meer goed uitgelegd. Ik krijg heel veel berichtjes met de vraag hoe het komt dat we nog steeds geen akkoord konden vinden. Ik vind dat heel erg jammer en we kunnen er veel vragen over stellen, zoals leden van de commissie terecht deden. Waar komt het nu op neer? Onze burgers kijken naar ons en willen weten wat we nu zullen doen. We kunnen twee zaken doen: of we leggen ons erbij neer en we laten hen aan hun lot over, of we kiezen ervoor om te blijven vechten voor een eerlijk klimaatbeleid dat betaalbaar, haalbaar en vooral ambitieus is. Wij kiezen voor dat laatste.
Ik was zelf op de COP en u ook. Ik vind het een belangrijk signaal dat we blijven vechten en onderhandelen voor een ambitieus klimaatbeleid. Sommige partijen menen dat we dat niet moeten doen; ik ben het daar niet mee eens, want zolang we het gesprek niet meer aangaan, zullen we ook niet tot een consensus komen en zullen we evenmin stappen in de goede richting kunnen zetten.
Mevrouw de minister, ik heb voor u enkele heel eenvoudige en algemene vragen, zodat onze burgers heel duidelijk weten wat we er gedaan hebben. Welke stappen hebt u op de COP genomen en wat hebt u er als minister gezegd? Wat is uw reactie op het tot stand gebrachte akkoord? Wat is de impact van de akkoorden op de inwoners van België?
Zakia Khattabi:
Mesdames et messieurs les députés, d'emblée, je voudrais préciser que je ne répondrai pas à un certain nombre de questions parce qu'elles engagent les suivants, notamment pour ce qui est des engagements et de la position que prendra la Belgique sur certains dossiers. Vous m'en excuserez.
Ik begin met een aantal antwoorden op specifieke vragen, onder andere over de delegaties. Vervolgens zal ik op de inhoud van het akkoord ingaan.
Plusieurs questions concernent Mme Trouet et les déclarations qu'elle a faites. À cet égard, je voudrais rappeler que le Centre Climat relève de la responsabilité de la Politique scientifique fédérale.
Dat werd opgebouwd door de heer Dermine.
Il s'agit en fait de rassembler en une seule institution l'ensemble des connaissances et des recherches scientifiques autour du climat. Je laisse à Mme Trouet la responsabilité de ses propos et n'irai pas plus loin. Je vous invite à poser vos questions sur le Centre au ministre compétent.
De omvang van de delegatie is de olifant in de kamer. Elk jaar moeten we daaromtrent vragen beantwoorden. De delegatie telt iets meer dan 140 personen. Je n’ai plus le chiffre exact en tête . In België is het de traditie om de officiële delegatie open te stellen voor onder andere het sociaal middenveld en het patronaat.
Pour ceux qui n'ont jamais été à la COP, il faut savoir que celle-ci s'organise sur deux sites, la zone verte et la zone bleue. Il y a une zone où les délégations officielles sont présentes, c'est-à-dire notamment les ministres et les négociateurs, et une autre zone où se trouve la société civile. Donc si la société civile veut faire du lobbying, elle doit pouvoir avoir accès à la zone officielle. Par conséquent, la tradition belge postule que l'on ouvre la liste de la délégation officielle à toute personne qui souhaite s'y rendre. On reçoit donc par exemple la FEB, le Port d'Anvers, Greenpeace, etc...Ces organisations envoient alors à mon administration – car cela ne passe pas par moi – leur volonté de s'inscrire sur cette liste dans le but d'avoir accès à des espaces auxquels en principe ils n'auraient pas accès. Cette délégation n'est donc pas prise en charge par les différents gouvernements. Par exemple, si la FEB envoie 50 entrepreneurs, ils assument eux-mêmes leurs frais de voyage. Le fait qu'ils apparaissent sur la liste de la délégation officielle leur permet simplement d'accéder à des espaces auxquels ils n'auraient pas accès. Il s'agit bien d'une tradition typiquement belge pour permettre à tout le monde de participer à ces discussions.
En ce qui concerne le niveau fédéral, Alexander De Croo s'est rendu au sommet des chefs d'État. Tinne Van der Straeten, quant à elle, s'y est rendue la même semaine pour des thématiques touchant aux questions énergétiques – je crois qu'ils étaient trois également. Le fédéral a toujours été représenté pendant les 15 jours mais nous n'étions jamais présents en même temps. Personnellement, je m'y suis rendue pour le segment ministériel lors de la seconde semaine puisque c'est à ce moment-là qu'entrent en jeu les négociations ministérielles. Il est important de garder à l'esprit que la Belgique en tant que telle ne négocie pas. C'est en effet l'Union européenne qui négocie directement au nom des États membres et je suis donc une des négociatrices qui agit pour l'UE.
Nous étions ainsi, en tout, trois fois trois personnes et chacun a pris en charge les frais pour sa propre délégation, chacune des administrations étant donc représentée. Outre les ministres – puisque mes collègues Maron et Depraetere sont également passés –, l'administration fédérale est l'entité négociatrice en chef d'un point de vue technique, mais on retrouve aussi par ailleurs des représentants des cabinets wallons, de l'administration, etc.
Je voudrais rappeler que la taille de la délégation répond à une tradition qui permet à des acteurs de la société civile d'accéder à des espaces auxquels ils n'auraient pas droit en temps normal, mais rien n'est pris en charge; chacun organise son voyage comme il l'entend.
S'agissant de mon appréciation des résultats de la COP, vous êtes plusieurs à vous étonner que ma déception ne soit pas si grande. J'ai indiqué que c'était à la fois un soulagement et une déception. Celle-ci est grande, et nous y reviendrons. Mais le soulagement est dû au fait que, jusqu'au dernier moment, nous pensions qu'aucun accord ne serait atteint. Cela aurait été une catastrophe, puisque cela aurait remis profondément en question la dynamique de négociations multilatérales pour le climat. Le signal aurait donc été très mauvais. De ce point de vue, quand bien même, et je le dis très clairement, la montagne a accouché d'une souris, il n'en reste pas moins qu'un résultat a pu être obtenu, même si c'est le plus petit commun dénominateur, comme à chaque fois. Mais je reviendrai tout à l'heure sur l'importance de ces discussions, puisque Les Engagés m'ont interrogée à ce sujet. Donc, oui, c'est un soulagement de constater que nous avons quand même pu aboutir à un accord, mais c'est une déception dans la mesure où nous sommes loin des résultats escomptés et nécessaires.
Le PTB m'a interrogée sur la suite du travail. Il importe de garder à l'esprit que la crise climatique est bien plus qu'une question environnementale. C'est désormais une question de vie ou de mort, comme nous l'avons vu en Wallonie. Par ailleurs, c'est aussi une question économique et financière, ainsi qu'une question de santé publique et d'emploi. Nous avons vu que l'Espagne venait de décider d'un nouveau congé. Imaginer que nous allons pousser sur le bouton "pause" ou freiner, sans concéder les investissements nécessaires, est désormais un mauvais calcul. Je ne sais pas si vous avez vu les chiffres de Valence: des milliards d'euros sont nécessaires à la reconstruction de la ville. Et encore, nous ne disposons pas pour l'instant des estimations des assurances! Dans un calcul court-termiste, l'absence d'investissement dans des politiques ambitieuses et dans les infrastructures indispensables grèvera davantage encore les budgets de demain.
Continuer de considérer que le climat constitue une niche environnementale est une erreur. Ce n'est pas moi qui le dis, puisque les grandes institutions financières indiquent que la crise climatique va de plus en plus entraîner un impact sur les dettes souveraines des États. Par ailleurs, certaines grosses industries et entreprises se voient aujourd'hui freinées dans leur capacité de production quand il y a une inondation ou une sécheresse empêchant l’acheminement des matières premières, etc. Il est temps d’appréhender la question climatique au-delà de l’enjeu purement environnemental et d’en faire une question transversale, si on veut apporter des réponses crédibles.
Pour le reste, il est vrai qu’en allant à la COP, nous savions qu'elle serait difficile. Le contexte international, les tensions croissantes, mais aussi, reconnaissons-le, et je l’ai encore vécu cette fois-ci, le rôle de plus en plus réduit de pays comme les États-Unis ou de l'Union européenne de bâtisseur de ponts, joué habituellement, ont rendu difficile la recherche de compromis. Comme je l'ai déjà dit, le soulagement vient du fait que ce n’était pas seulement la crédibilité de la COP29 qui était en jeu, mais l'avenir même de l'approche multilatérale dans la lutte contre la crise climatique.
Le processus de négociation, mais aussi l'accord discutable, doivent inciter l'Union européenne et notre pays à revoir notre politique étrangère, y compris la diplomatie climatique, pour rester efficaces dans un monde où les rapports de force se déplacent et où les changements d'alliances donneront le ton. Comme je l'ai constaté, entre la première COP à laquelle j'ai participé comme ministre à Glasgow et aujourd'hui, les rapports de force sont complètement inversés. La Belgique, comme l’Union européenne d’ailleurs, doit intégrer cette nouvelle donne si elle souhaite encore être un interlocuteur crédible auprès de différents autres grands acteurs de ces accords.
J’en viens au déroulement et aux résultats de la COP, sur la base de vos différentes questions.
Je vais commencer par le commencement, avec ces fameuses déclarations. Tout comme l’ensemble des États membres de l’Union, la Belgique a déploré les déclarations de M. Soltanov, qui vont clairement à l’encontre de la sortie progressive des énergies fossiles sur laquelle les parties s’étaient accordées l’année dernière à la COP28 de Dubaï. Le président de la COP est censé assurer un processus transparent dans lequel il occupe un rôle impartial. Ses déclarations et ses agissements sont donc, selon moi, une trahison du processus de la COP qui met effectivement en péril la crédibilité de celle-ci.
Comme vous l'avez rappelé, monsieur Ravyts, le choix du pays hôte de la conférence internationale sur le climat se fait à tour de rôle au sein des cinq groupes régionaux de l’ONU, sans interférence des pays des autres groupes régionaux. Une fois l'accord conclu, le pays sélectionné par le groupe régional pour accueillir la conférence envoie son offre officiellement au secrétariat de la CCNUCC. Le choix de l’Azerbaïdjan comme lieu de la COP29 est donc le résultat de la procédure habituelle au sein de la convention climatique de l’ONU, bien que l'on imagine aisément que les tensions géopolitiques ont influencé celui-ci.
La Belgique continuera de soutenir les efforts déployés par la CCNUCC pour protéger la COP des conflits d'intérêts. Par ailleurs, la Belgique et l’Union européenne soutiennent et continueront de soutenir une participation sans restriction de la société civile à la COP et de veiller à ce que les droits humains, la transparence, la liberté d'expression et l'engagement à l'égard des objectifs de la conférence et de ses décisions et accords y soient garantis. Dans les différents contacts officiels que nous avons eus, qu'il s'agisse du premier ministre, de Tinne Van der Straeten ou de moi-même, nous avons systématiquement évoqué la question des droits humains.
Wat de Belgische positie betreft, in het kader van de multilaterale onderhandelingen spreekt de Europese Unie met één stem. Het algemene Europese onderhandelingsmandaat voor de COP29 werd vastgelegd in de conclusies van de Raad Leefmilieu van 14 oktober 2024 en voor klimaatfinanciering ook specifiek in de Raadsconclusies van de Ecofin-bijeenkomst van 8 oktober 2024. België onderschrijft de Europese positie en verdedigt ze samen met de andere Europese lidstaten tijdens de onderhandelingen.
Alle partijen moeten tijdens een internationale conferentie kunnen reageren of inspelen op nieuwe voorstellen of concrete onderhandelingsteksten. Om een compromis te vinden met bijna tweehonderd landen, zal elke partij enigszins binnen haar positie moeten schuiven. Dergelijke afwegingen maken de EU-lidstaten samen met de Europese Commissie tijdens de dagelijkse ministeriële EU-coördinatievergaderingen. Op basis van de Belgische positie, die uiteraard in lijn is met de Europese positie, legt ons land een aantal klemtonen tijdens die coördinatievergaderingen.
Specifiek inzake de nieuwe klimaatfinancieringsdoelstelling of NCQG pleitte ons land voor een doelstelling die ambitieus was en tegelijkertijd ook haalbaar. De nieuwe doelstelling moest een antwoord kunnen bieden op de uitdaging van de globale klimaattransformatie en rekening houden met de behoeften en de prioriteiten van ontwikkelingslanden. Bovendien beklemtoonde België de noodzaak tot uitbreiding van de groep van bijdragers als voorwaarde voor een ambitieuze NCQG met het oog op solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid en gelet op de dynamische en evoluerende capaciteiten van actoren om bij te dragen.
Om de nodige investeringen tijdig te katalyseren, steunde België het opnemen van sterke en concrete beleidssignalen die oproepen tot hervorming van het internationale financiële systeem, opdat er wordt tegemoetgekomen aan hedendaagse crisissen, waaronder de klimaatverandering.
Inzake klimaatfinanciering vestigde België ook steeds de aandacht op adaptatiefinanciering en financiering voor de minst ontwikkelde landen.
België is mee blijven zoeken naar een verbeterde toegang tot klimaatfinanciering voor de minst ontwikkelde landen en voor kleine eilandstaten. Ons land is uiteraard geen specifiek engagement aangegaan. Het betreft een internationale doelstelling en het is aan de volgende regering om, mede in het licht van de internationale dynamiek, hierover een beslissing te nemen.
La décision sur le New Collective Quantified Goal (NCQG) appelle tous les acteurs à œuvrer ensemble pour s'assurer que le financement de l'action climatique, provenant de toutes les sources publiques et privées donc, atteigne au moins 1,3 trillion de dollars par an d'ici à 2035, les pays développés s’engageant à fournir au moins 300 milliards de dollars par an d'ici à 2035.
Il est positif que le NCQG envisage autant de sources de financement que possible, sans perdre de vue le rôle du financement public, car la transition verte doit impliquer l'ensemble de nos économies et de nos finances. L'inclusion concrète des banques multilatérales de développement est déjà un bon pas en avant, étant donné qu'elles sont responsables d'importants volumes de financement.
La dimension qualitative du financement climatique reste quant à elle un point faible. Par exemple, il aurait pu y avoir beaucoup plus d'attention sur tous les acteurs financiers dans le contexte plus large de la réforme du système financier international. Dans sa forme actuelle, la décision laisse une grande marge d'interprétation, ce qui rend d'autant plus important que les parties, dans le cadre du suivi de la feuille de route de Bakou à Belém, plaident pour que des signaux politiques forts et clairs soient lancés afin de faciliter des flux de financement climatique plus nombreux et de meilleure qualité.
Le compromis trouvé lors de la COP déçoit de nombreux pays en voie de développement. Ils y voient un manque de reconnaissance de l'impact énorme de la crise climatique qu'ils ressentent depuis des années – une crise à laquelle ils ont à peine contribué – et d'un système financier international défectueux qui ne reflète pas leur réalité. Un pays à revenu intermédiaire comme l'Inde a effectivement – vous êtes plusieurs à l'avoir souligné – réagi avec indignation à ce résultat.
La décision de la COP sur le NCQG ne doit pas être un point final. Elle doit être le début d'une coopération soutenue, y compris dans le contexte des négociations sur le climat, afin de fournir les ressources financières nécessaires à l'atténuation et à l'adaptation, en particulier pour les pays les plus vulnérables.
Wat mitigatie betreft had de EU veel meer verwacht. Het resultaat van de COP29 bouwt niet verder op de sterke boodschap van de COP28 inzake de noodzakelijke energietransitie. Intens gelobby van olieproducerende landen, in het bijzonder Saoedi-Arabië, en een weinig voluntaristisch COP29-voorzitterschap, leidden tot een erg zwakke tekst over de opvolging van de global stocktake en de energietransitie binnen het UNFCCC-proces.
De voorliggende tekst werd niet aanvaard in Bakoe en de onderhandelingen zullen hervat worden op de volgende sessie van de hulporganen van het verdrag, in juni 2025 in Bonn. Het is een gemiste kans, vooral omdat de partijen rekening moeten houden met de uitkomst van de global stocktake in hun volgende klimaatplannen , of nationally determined contributions . Deze plannen worden verwacht voor de COP30, eind 2025.
La Belgique a, durant cette COP, défendu avec l’Union européenne, à travers les négociations techniques et politiques, des objectifs ambitieux en matière d’atténuation du changement climatique ainsi que des textes de décision rappelant et opérationnalisant l’objectif d’élimination progressive des combustibles fossiles et des subventions correspondantes.
En 2024, l’Union européenne et ses É tats membres ont d’ailleurs redoublé d’efforts en matière de diplomatie verte et d’engagement auprès des pays partenaires pour promouvoir un secteur de l'énergie essentiellement exempt de combustibles fossiles bien avant 2050, conformément à l'objectif de neutralité climatique fixé pour le milieu du siècle, et la suppression des subventions directes et indirectes aux combustibles fossiles. Il est regrettable que la coalition ambitieuse de la COP28 n’ait pas été en mesure d’assurer un résultat ambitieux en matière d’atténuation lors de cette COP, alors que nous frôlons la limite de 1,5 C º . Il y aura des leçons à tirer de cette situation.
S'agissant des contributions déterminées au niveau national (CDN), comme en 2015 et en 2020, l'Union européenne soumettra une CDN unique et commune à tous les États membres en 2025. Le processus décisionnel européen en la matière a débuté avec la publication de la communication sur l'objectif 2040 par la précédente Commission européenne, suivie d'un premier échange de vues entre les États membres. Une proposition législative de la nouvelle Commission européenne est maintenant attendue, après quoi d'autres étapes du processus décisionnel européen suivront.
Au sujet du Fonds pour les pertes et dommages, celui-ci existe et est opérationnel. Pour la Belgique, il reste important de chercher une complémentarité maximale entre tous les mécanismes traitant des pertes et dommages, en particulier le réseau de Santiago, le Fonds de réponse aux pertes et dommages et d'autres initiatives au sein et en dehors de la CCNUCC. Toute contribution au fonds devra rester volontaire et il ne peut y avoir de responsabilité juridiquement contraignante ni de compensation pour les pertes et dommages subis en raison du changement climatique. Le fonds doit assurer un accès prioritaire pour les pays en développement les plus vulnérables, tels que les pays les moins avancés et les petits États insulaires en développement. Au vu de ces défis, le financement du fonds ne devrait pas être limité au financement public des pays développés.
Pour ce qui est du marché carbone, la COP29 a adopté le dernier ensemble de règles qui devait permettre de lancer la mise en œuvre concrète de deux systèmes établis par l'article 6 de l'Accord de Paris: l'article 6.4 qui établit un système centralisé supervisé par un panel d'experts indépendants alors que l'article 6.2 établit, lui, un système décentralisé supervisé essentiellement par le ou les pays qui décident de coopérer sur la base de règles assez souples. Dès l'année prochaine, les premiers projets pourront voir le jour sous l'article 6.2 ou sous l'article 6.4.
À ce stade et sur la base des règles adoptées à la COP29, l'article 6.4 nous paraît le meilleur système pour garantir l'intégrité des crédits carbone. Le panel d'experts qui supervise ce mécanisme a élaboré des règles ambitieuses pour mesurer et quantifier les crédits carbone, prendre en compte le développement durable, les droits humains et les intérêts du pays hôte. Les méthodologies ont été élaborées par des experts spécialisés. Elles s'appliquent notamment aux projets forestiers qui sont les plus compliqués à quantifier et elles détaillent les mesures à prendre pour compenser les émissions en cas d'incendie, etc. Un mécanisme d'appel a également été élaboré permettant aux parties prenantes de faire appel contre des décisions de panels d'experts ou de déposer des plaintes.
Dans le cadre de l'article 6.2, les mesures en faveur de l'intégrité décidées à la COP29 visent surtout à assurer la transparence de l'information. Elles permettent également une vérification de cette information, mais assez superficielle, et des pénalités en cas de non-respect des règles, mais assez légères elles aussi.
L'article 6.2 est donc moins contraignant que le 6.4 et certains projets sous l'article 6.2 seront certainement de bonne qualité mais cette qualité devra être vérifiée au cas par cas puisque les règles de base sont assez souples.
Collega's, de klimaatcrisis intensifieert en laat zich meer en meer voelen in verschillende sectoren van onze samenleving. Dit accentueert bestaande breuklijnen in de internationale klimaatonderhandelingen, zoals de verschillende belangen tussen olieproducerende en niet-producerende landen, tussen de meest kwetsbare landen en middeninkomenslanden of tussen ontwikkelingslanden en grote economieën. Een volatiele geopolitieke context leidt tot wisselende allianties.
Daarnaast blijven verschillende visies omtrent mensenrechten en gender of over het multilateralisme in het algemeen doorsijpelen in de internationale klimaatonderhandelingen. In een dergelijke context zal het een uitdaging zijn om betekenisvolle stappen te zetten op internationaal niveau. Toch blijft het volgens mij essentieel om te blijven investeren in dit internationale klimaatproces.
Or, la diplomatie climatique ne peut se limiter au processus dans le cadre de la convention. Ce processus reste primordial mais il n'est pas suffisant.
L'Europe et notre pays se doivent de construire des alliances spécifiques avec une diversité de pays, que ce soit en vue de la transition énergétique, l'accès à des ressources essentielles ou autres. En plus de ce type de collaborations win-win , l'Europe ne peut pas oublier ses valeurs telles que la solidarité, le respect des droits humains et le multilatéralisme et se doit de maintenir des relations privilégiées avec les pays les plus vulnérables.
La crise climatique doit également être intégrée dans les accords internationaux dans des domaines tels que le commerce, la finance, la sécurité et le développement international. Au niveau national, je n'ai eu de cesse de le répéter pendant ces quatre années, une approche en silo doit être évitée. Il en va de même au niveau international.
Le changement climatique a en effet un impact sur l'importance de certaines ressources naturelles, influence le commerce international et la stabilité financière internationale. Inversement, les décisions prises dans d'autres forums ont indiscutablement un impact sur la capacité de la communauté internationale à atteindre les différents objectifs de l'Accord de Paris.
En résumé, la définition de notre ambition et de notre politique climatiques nécessite non seulement de la prévoyance, mais aussi une profonde compréhension du contexte international complexe dans lequel différentes réalités et intérêts se rencontrent. Alors que les conférences sur le climat restent importantes, nous avons besoin d'une approche qui combine différents leviers diplomatiques et qui considère la question climatique comme un aspect transversal dans nos politiques et les relations bilatérales que nous entretenons avec des pays tiers.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het verschilt natuurlijk niet zo sterk van andere verklaringen die wij hier al hebben gehoord. De discussie over de delegatie komt iedere keer op hetzelfde neer. De vraag is of het soberder kan, want het is de traditie om iedereen met die delegatie mee te laten gaan.
Het is jammer dat er weinig reactie komt op de uitspraken van mevrouw Trouet. In normale omstandigheden is het zo dat de regering een en ondeelbaar is. Aangezien het over klimaat gaat zou men daar toch minstens een uitspraak over kunnen doen. Ik begrijp dat de minister daar liever geen antwoord op geeft. Ik neem daar akte van. We zullen de vraag dan stellen aan iemand die hopelijk wel een antwoord zal geven, al acht ik de kans niet onbestaande dat die zal zeggen dat hij wel verantwoordelijk is voor het Klimaatcentrum, maar niet voor het klimaatbeleid dat daaruit volgt. Ik vrees dat we zullen blijven pingpongen tot het einde der lopende zaken. Dan zullen we wel verder zien.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord en uw toelichting, ook technisch, bij enkele onderdelen van de COP29, zoals de koolstofmarkt. U hebt beaamd dat er op het vlak van mitigatie toch een ontgoochelend resultaat was. De halfjaarlijkse bespreking in Bonn zal meer duidelijkheid moeten geven over wat we in 2025 in Brazilië moeten kunnen verwachten.
Ik heb ook opgemerkt dat u hebt toegegeven dat 1,5 graad bijzonder moeilijk haalbaar zal zijn. Ik zal het maar zo omschrijven.
Ik heb geen antwoord gekregen op de vraag van mezelf en enkele collega's over hoe het zit met de onderhandelingen met mevrouw Depraetere over het geactualiseerde Belgische Klimaat- en Energieplan. Ik wil u daarover nog apart bevragen, maar u kunt ook van deze gelegenheid gebruikmaken om een stand van zaken te geven.
Marie Meunier:
Madame la ministre, je vous remercie pour les réponses que vous avez apportées aujourd'hui. Je dois vous avouer que j'aurais aimé en savoir un petit peu plus sur le contenu de votre message concernant les droits humains. Je salue le fait que la Belgique donne accès aux parties officielles à l'ensemble de la société civile. Compte tenu de l'actualité de l'Azerbaïdjan, il importe de le rappeler.
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses et pour les clarifications apportées. Vous avez souligné que les rapports de force et le monde changeaient. Je suis d'accord avec votre position. Même si, au sein de la délégation, dans les négociations, vous devez négocier dans le cadre de la politique de l'Union européenne, j'ai été très agréablement surpris d'entendre que vous aviez poussé pour une position beaucoup plus progressiste. J'ai été rassuré à ce sujet. J'ai des doutes sur la future personne qui sera à votre place. Pourra-t-elle faire la même chose? Nous en avons vraiment besoin. Nous devons continuer à avoir une position forte au sein de l'Union européenne si nous voulons continuer à améliorer les choses et à mener une politique plus ambitieuse pour notre climat.
Nous savons que suivre le modèle américain, et en plus, suivre le modèle du nouveau président américain, avec sa logique de guerre froide, et sa militarisation à l'excès, n'est pas du tout dans notre intérêt. Les États-Unis sont le plus important pays émetteur de CO 2 par habitant dans le monde et le premier producteur de gaz et de pétrole. Nous savons qu'ils n'ont jamais tenu leurs engagements en matière de soutien financier. Les dépenses militaires des États-Unis ont atteint 916 milliards de dollars en 2023, presqu'autant que ce dont on aurait besoin pour mener une politique climatique et faire face au changement climatique. On voit que Donald Trump n'a pas l'intention de changer de cap.
Comme vous l'avez dit, l'Europe doit trouver sa propre voie, pour notre climat, notre industrie et notre politique sociale, et cela en coopération avec les pays du Sud, et en mobilisant les centaines de milliards de profit que les géants du pétrole réalisent, parce que ce n'est pas aux travailleurs de payer.
Comme vous l'avez souligné, on ne parle pas que de climat et d'enjeu climatique, mais d'une thématique qui a des effets sur toute la société. Nous allons devoir payer la facture et, comme vous l'avez dit très justement, si on ne la paye pas pour des intérêts à court-terme, on en payera une, beaucoup plus grosse, plus tard.
Concernant la délégation, je ne pense pas que le problème soit d'inviter la société civile. On pourrait résoudre le problème, comme nos collègues de la N-VA ou du VB l'ont dit, de la taille de la délégation non pas en réduisant le nombre d'acteurs de la société civile, mais plutôt le nombre de ministres de l'Environnement et du Climat en Belgique.
Isabelle Hansez:
Madame la ministre, vous avez expliqué que les rapports de force entre les pays pro-climat et les autres ont fort changé durant ces quatre dernières années. Pouvez-vous nous en dire plus?
Je vous ai entendu dire que la crise climatique s'intensifie et se fait sentir dans de plus en plus de secteurs de notre société. Un fossé s'est creusé entre les pays vulnérables, les grandes économies, ceux qui produisent du pétrole et ceux qui n'en produisent pas, dans un contexte géopolitique instable.
Vous affirmez qu'il est important de poursuivre le processus via la COP, mais aussi via des accords spécifiques avec d'autres pays. Vous parlez d'une approche combinant différents leviers diplomatiques. Comment l'envisagez-vous concrètement? Avez-vous des solutions et défini une ligne de conduite à propos de ce point, qui me semble effectivement très important?
Rajae Maouane:
Madame la ministre, je vous remercie de ces éclaircissements. Nous partageons la déception que vous avez développée ici au vu du résultat de cette COP. Il est clair que les attentes étaient bien plus élevées, en particulier pour les populations les plus vulnérables qui subissent déjà les conséquences les plus graves du dérèglement climatique. Ce sont elles qui voient leurs maisons emportées par les inondations, leurs récoltes anéanties par des sécheresses prolongées et leurs familles forcées de migrer en raison de conditions de vie devenues insoutenables. Cette réalité que nous ne pouvons plus ignorer rend d'autant plus criante l'insuffisance des engagements pris à cette COP29. Cela dit, comme vous l'avez souligné, l'outil doit continuer à exister, malgré les limites que vous avez démontrées. Cela reste en effet un espace essentiel de dialogue et de négociation internationale. Et puis, la COP met le focus à l'échelle mondiale sur la question climatique au moins une fois par an.
Je relève un point positif, avec la participation de la société civile, que certains collègues ont évoquée et qui influe sur la taille de la délégation. Je n'ai participé qu'à une seule COP, à Glasgow. Ce fait avait été agréablement et positivement souligné par les représentants de la société civile. Ils avaient même été invités à un briefing officiel des ministres du Climat, à votre initiative, alors que d'habitude les participants extérieurs à la délégation officielle ne l'étaient pas.
D'un point de vue prospectif, nous ne pouvons que regretter ce qu'ont annoncé les négociateurs du futur gouvernement et qui témoigne d'un manque d'ambition, tant sur le plan de la lutte contre le dérèglement climatique que sur les aspects sociaux. En tout cas, nous attendrons la note de politique générale afin de pouvoir l'analyser. Vous avez surtout insisté sur la nécessité de ne pas agir en silo et de mener la lutte contre le dérèglement climatique de manière transversale. Je me souviens qu'au début de votre mandat, vous aviez dit espérer que tous les ministres fédéraux soient des ministres du Climat. J'espère que, dans la future Arizona, il y aura au moins un ou une ministre du Climat qui soit conscient de ces enjeux. J'ai entendu les interventions intéressantes des collègues des Engagés et de Vooruit, en la personne de M. le président de la commission. J'espère donc que vous vous ferez les porte-voix de vos partis respectifs lors des négociations gouvernementales, puisque vous y participez. Je vous remercie de votre attention.
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, het zijn effectief moeilijke tijden voor het klimaat. Er is een negatief akkoord. Er was de verkiezing van Trump, ook niet direct een groene jongen. Het wordt effectief moeilijk om de norm van 1,5 graad te halen. Dat mag echter niet zorgen voor defaitisme. Elke tiende van een graad of zelfs maar honderdste van een graad die we kunnen reduceren, maakt een heel concreet verschil voor heel veel mensen. We moeten dus blijven vechten. Wij vragen ook dat u, zolang u minister bent, stappen blijft zetten.
We moeten eens kritisch kijken naar de klimaatdelegaties, naar het aantal ministers en lobbyisten in de delegatie. Misschien moeten we echter ruimer gaan en eens bekijken of we bijvoorbeeld ook de delegaties voor NAVO-reisjes kunnen reduceren.
Zakia Khattabi:
Je vais répondre à la dernière question, sur le PNEC.
Ik heb dus al een vergadering gehad met mevrouw Depraetere. Ik zal volgende week ook nog een vergadering houden met mijn Waalse collega.
C'est la Wallonie qui reprend la présidence de la Commission Nationale Climat (CNC) et il lui reviendra donc de reprendre en mains les discussions. L'échange que j'ai eu avec Mme Depraetere était plutôt positif.
J'ai demandé de pouvoir adresser un courrier à la Commission pour annoncer que le gouvernement flamand est mis en place, afin de suspendre la procédure qui est en cours. Je n'ai pas encore reçu le feu vert pour l'envoi de ce courrier. J'évoquerai tout cela la semaine prochaine avec ma collègue Neven. Il lui reviendra d'essayer de faire aboutir les discussions.
En ce qui concerne l'évolution sur ces dernières années, je pense que Glasgow a été un moment difficile pour certains pays du Sud avec un gros focus qui a été mis sur la mitigation. Il est vrai que les pays industrialisés prennent du temps à mettre en œuvre les engagements qu'ils ont pris, augmentant ainsi chaque année un peu plus la défiance. Nous l'avons vu pour le fonds de 100 milliards. Aujourd'hui, certains pays nous disent qu'il n'achèteront plus un chat dans un sac.
Par ailleurs, certains États, comme la République démocratique du Congo (RDC), ont vu leur rôle dans ce combat-là grandir. Au Brésil la déforestation a été d'une telle ampleur qu'aujourd'hui le poumon de la planèt a été déplacé en RDC. Forts de leur place dans le concert des nations en matière climatique, certains é tats durcissent légitimement leur position et attendent des pays industrialisés qu'ils soient plus à l'écoute de leur propre réalité.
La Belgique continue à avoir des liens à travers sa coopération au développement. C'est à travers notre politique de coopération au développement et des liens privilégiés avec certains États que les 200 millions sont répartis – c'était une question de Mme Deborsu – et que nous essayons de continuer à alimenter une relation de confiance qui est nécessaire dans ces discussions-là. Nous avons donc aussi une responsabilité dans la détérioration des relations, parce que, pour chaque engagement que nous prenons et que nous ne respectons pas, la défiance est nourrie.
Voorzitter:
Zijn er nog commissieleden die wensen te reageren? (Nee) Aan de orde is vraag nr. 56000999C van mevrouw Thémont, maar ze is niet aanwezig.
Klimaatverlof
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 3 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België overweegt een Spanje-geïnspireerd betaald klimaatverlof om werknemers te beschermen bij extreme weersomstandigheden (hitte, overstromingen), na recente klimaatrampen en kritiek op werkgevers die risico’s negeren. Minister Khattabi benadrukt dat klimaatadaptatie (naast emissiereductie) cruciaal is en dat het huidige federale aanpassingsplan tekortschiet op economie/arbeidsmarkt, ondanks vooruitgang. Ze wijst op de noodzaak van sectoroverschrijdende maatregelen en verwijst Maouane door naar de minister van Werk voor concrete stappen. Maouane beaamt dat klimaatinactie (menselijk en financieel) urgenter is dan transitiekosten en hoopt op betere gouvernementele samenwerking.
Rajae Maouane:
Madame la ministre, fin novembre, le gouvernement espagnol a introduit un congé payé climatique de quatre jours, destiné aux travailleuses et aux travailleurs lors d’alertes météorologiques extrêmes, comme des canicules ou des inondations. Cette mesure, adoptée après les inondations meurtrières d’octobre 2024, vise à permettre de protéger les employés face aux risques liés aux conditions climatiques extrêmes. Les autorités locales ou régionales devront émettre l'alerte, suite à laquelle les travailleurs peuvent prendre quatre jours de congé.
Cette initiative prise par le gouvernement espagnol vise à répondre à l’urgence climatique et à adapter le droit du travail. En effet, plusieurs entreprises avaient été critiquées pour avoir demandé à leurs employés de travailler malgré des alertes climatiques. Le gouvernement espagnol souhaite ainsi éviter ces situations et renforcer la résilience face aux événements climatiques.
Madame la ministre, notre pays n'est hélas pas épargné par des conditions climatiques extrêmes. Nous l’avons encore vécu récemment. Quel est votre avis sur ce congé climatique mis en place par l’Espagne? Serait-ce une initiative dont nous pourrions nous inspirer? Pensez-vous qu’une telle mesure serait bénéfique pour la Belgique?
Zakia Khattabi:
Madame Maouane, j’ai toujours attaché une grande importance à toutes les facettes de la politique climatique: l’atténuation ou la réduction des émissions de gaz à effet de serre, l’adaptation et le contrôle des pertes et dommages. À ce stade de la crise climatique, nous ne pouvons plus nous permettre le luxe de négliger l’une ou l’autre de ces facettes.
Votre question sur le congé climatique nous rappelle la nature transversale de l’impact de la crise climatique et des réponses qui doivent y être apportées. C’est pourquoi j’ai régulièrement mis sur la table du gouvernement la nécessité d’intégrer systématiquement la politique climatique dans toutes les compétences fédérales. Une telle approche doit tenir compte des spécificités des différents secteurs et nécessite une consultation la plus large possible.
C’est ainsi qu’après les inondations à Valence, un autre type de congé climatique est envisagé, notamment dans les situations où les travailleurs sont confrontés à des restrictions de voyage imposées par le gouvernement en raison d’une catastrophe imminente ou de conditions météorologiques extrêmes.
Selon des informations dans la presse, les habitants de Valence ont reçu un congé payé pour rechercher ou s'occuper de leurs proches disparus ou encore pour nettoyer leur domicile. Oui, la crise climatique touche tous les aspects de notre vie et il est urgent de nous y préparer sérieusement.
Début 2023, le gouvernement fédéral est parvenu à un accord sur un plan fédéral d'adaptation. Ce plan représente un progrès par rapport à la version précédente. Il contient vingt-huit mesures dans huit domaines d'action, tandis que la précédente contribution du gouvernement fédéral comprenait huit mesures dans deux domaines, plus quatre mesures transversales. Vous pouvez constater avec moi l'évolution. Or, malgré cette évolution, ce plan n'est pas un aboutissement. Il est à mes yeux imparfait. Je dois par exemple constater et regretter l'absence d'une quelconque mesure dans le domaine de l'économie ou du travail. L'actualité espagnole nous montre la nécessité de mobiliser tous les leviers en faveur de l'adaptation. Tous les ministres, comme vous l'avez rappelé lors du précédent débat, sont ministres du Climat. Je vous invite dès lors à interpeller le ministre de l'Économie et du Travail sur la prise en compte de la question climatique dans le cadre de ses compétences.
Rajae Maouane:
Madame la ministre, vous avez répété maintes fois que l'inaction climatique coûte beaucoup plus cher que le coût de la transition. Les coûts sont non seulement financiers, et en termes d'investissements, mais également humains. Je pense donc effectivement qu'il y a un coup à jouer. J'interpellerai donc le ministre du Travail comme vous l'avez suggéré. On ne peut que regretter que, malgré votre volontarisme en la matière, les autres ministres, notamment du gouvernement fédéral actuel ou autres, n'ont pas forcément été tous et toutes au rendez-vous. On espère que les suivants se montreront au rendez-vous car, on le sait, les enjeux sont énormes. Il s'agit d'un beau dossier à travailler ici en termes de cohésion gouvernementale. Je vous remercie.
De te hoge zonne-energieproductie in België
Het gevaar voor een grootschalige stroomstoring door de overproductie van zonne-energie
Het gevaar voor stroomonderbrekingen door de integratie van hernieuwbare energie
Risico's van overproductie en integratie van zonne-energie op het elektriciteitsnet
Gesteld door
Gesteld aan
Tinne Van der Straeten
op 27 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De overproductie van zonne-energie in België tijdens zomerperiodes zorgt voor netinstabiliteit (o.a. 369 uur negatieve prijzen, frequentie-overschrijding op 9 juni 2024), wat het risico op grootschalige stroompannes vergroot. Minister Van der Straeten benadrukt kortetermijnmaatregelen (betere voorspellingen, exportcoördinatie, flexibiliteit via batterijen en slimme meters) en langetermijnoplossingen (wetsvoorstel voor vraagsturing, CRM-hervorming, interconnectie), maar stuit op bevoegdheidsconflicten tussen federale en regionale overheden. Elia’s rol in het weigeren van nieuwe intermittente projecten bij netrisico’s wordt voorgesteld als mogelijke oplossing, terwijl flexibiliteit (o.a. via elektrificatie en opslag) centraal staat in toekomstige energietransitiestrategieën. De samenwerking tussen niveaus blijft cruciaal maar vertraagd door institutionele blokkades.
Mathieu Bihet:
Madame la Ministre,
« La production solaire trop importante en Belgique? », on pourrait presque douter de cet intitulé tant on connait notre pays pluvieux! Et pourtant… la récente étude de la Creg met en lumière des défis préoccupants liés à la gestion du réseau électrique belge, notamment en raison d'une surproduction d'énergie solaire durant les périodes estivales.
En effet, l'été dernier, nous avons assisté à un record de 369 heures de prix négatifs sur le marché de gros de l'électricité, conséquence d'un déséquilibre entre l'offre et la demande.
Cette situation a culminé le 9 juin dernier, jour des élections, où Elia n'a pas pu éliminer l'offre excédentaire d'énergie solaire, causant une hausse de la fréquence du réseau au-delà de la limite de sécurité.
Ces incidents mettent en lumière la vulnérabilité de notre réseau face à une production renouvelable de plus en plus imprévisible. La transition énergétique et l'essor des énergies renouvelables, bien que nécessaires pour atteindre nos objectifs climatiques, posent des défis techniques importants.
Dès lors, je souhaiterais vous poser les questions suivantes:
Ce phénomène n'étant pas nouveau, quelles études avez-vous commandées pour renforcer la résilience du réseau électrique face à ces surplus de production, notamment lors des périodes estivales?
Etant donné votre position très ferme sur les énergies renouvelables, qu'avez-vous envisager avec votre parti pour mieux anticiper et prévenir les risques de panne à grande échelle liés à ces déséquilibres croissants du réseau électrique?
Je vous remercie pour vos réponses.
Marie Meunier:
Madame la ministre, la Commission de Régulation de l’Électricité et du Gaz (CREG) a réalisé début octobre une étude très intéressante sur l'impact de l'intégration des énergies renouvelables sur le fonctionnement des marchés de l'électricité à court terme. Ces énergies présentent d'énormes avantages pour la société et doivent être développées. Elles permettent un système électrique plus durable, réduisent la dépendance aux combustibles fossiles, diminuent les émissions de CO 2 et permettent de diversifier notre approvisionnement énergétique.
L'intégration de ces énergies présente aussi de grands défis que la CREG expose dans son rapport, avec notamment une mise sous pression des recettes en raison d'une production massive à certains moments de l'année, ainsi qu'une augmentation du nombre d'heures avec des prix négatifs cette année, mais aussi la difficulté de gérer le réseau et d'équilibrer la fréquence de celui-ci.
Ces déséquilibres sont de plus en plus difficiles à gérer et nous nous inquiétons pour l'été prochain. Le risque de panne générale n'est pas négligeable et nous nous interrogeons sur la multiplication d'évènements comme celui du 9 juin dernier, où la fréquence du réseau a dépassé sa limité de sécurité.
Madame la ministre, quelles sont vos solutions pour améliorer la situation? Que pensez-vous des recommandations de la CREG, notamment la volonté de réformer les mécanismes de soutien aux énergies renouvelables pour inciter à plus de flexibilité?
Tinne Van der Straeten:
Chers collègues, le rapport d'Elia de juin dernier est une étude très importante et constitue, au vu des résultats, un appel à la vigilance en anticipation de la surproduction électrique. Un suivi hebdomadaire est réalisé par Elia sur la base des dernières prévisions de production et de consommation. Il convient de noter qu'à l'heure actuelle, de nombreux efforts ont été entrepris pour pallier la surproduction solaire identifiée. Elia a désigné en première ligne de gestion les Balance Responsible Parties (BRP) en charge de l'équilibrage du réseau dans le cadre des marchés day-ahead, intraday et balancing.
Les entités régionales ont mis en place respectivement des cadres légaux permettant un remplacement progressif des anciens compteurs classiques par des compteurs intelligents. Ces compteurs intelligents forment un outil essentiel de la gestion de cette surproduction solaire. Elia intervient également au niveau du réseau haute tension en activant la flexibilité des diverses unités de production. Un outil supplémentaire réside en l'exportation du surplus vers les États limitrophes via une coordination entre les gestionnaires de réseau. Sur le long terme, il est encore envisagé de faire appel à une flexibilité plus importante: la gestion active de la demande, le déploiement des compteurs intelligents et les nouvelles sources de flexibilité dues à l'électrification grandissante, par exemple les véhicules électriques et les pompes à chaleur.
De manière plus spécifique, Elia a mis en place cet été plusieurs mesures de mitigation pour le court terme et les a communiquées aux secteurs du marché lors d'un working group en juin 2024. J'en mentionne quelques-unes: un travail sur de meilleures prédictions des risques et un meilleur partage d'informations aux BRP, une optimisation des capacités d'exportation en day-ahead et intraday , une optimisation de la gestion des arrêts, etc.
Vous me demandez également ce que mon parti et moi avons déjà fait et mon avis sur la proposition de la CREG. En réponse à cette partie de la question, je tiens à souligner explicitement que des infrastructures d'interconnexion aux quatre coins de notre pays sont indispensables et cruciales et constituent un instrument optimal pour l'échange d'électricité par importation ou exportation afin de pouvoir répondre à des moments de pic et de surproduction. Elles nous permettent aussi d'exporter l'énergie excédentaire vers d'autres pays.
Concernant l'anticipation des risques à venir, nous avons obtenu l'accord de la Commission européenne pour modifier le cadre du mécanisme de rémunération de la capacité (CRM). Cette modification permet une exemption de l'obligation de remboursement pour les grandes unités de stockage d'énergie et la gestion active de la demande. Cela constitue un incitant considérable à la participation aux enchères du mécanisme. Comme vous le savez, la flexibilité était l'un des grands leviers à pouvoir activer dans le CRM, d'où aussi le partage de volume sur les différents moments d'enchère. Nous avons donc constaté que des barrières subsistent pour certaines capacités, tant pour la gestion de la demande que pour les batteries, notamment cette exemption de l'obligation de remboursement. Une fois corrigé, cela permettra que la gestion de la demande puisse plus activement participer au CRM et pourra amener davantage de flexibilité pour pourvoir répondre à ces pics de surproduction.
L'exemption de tarif réseau et d'accises sur l'électricité réinjectée pour une période de dix ans qui bénéficie aux parcs de batteries permet de créer un environnement favorable au développement des batteries. Le succès de cette initiative se mesure au nombre de parcs de batteries déjà construits ou en cours de développement.
Je voudrais également souligner que la flexibilité est l'un des axes les plus importants pour tous les appels à projets dans le cadre du Fonds de transition énergétique. Dans les différents appels qui ont été lancés, nous avons toujours mis l'accent là-dessus. Il n'était pas nécessaire d'attendre les résultats de cette étude d'Elia pour voir venir ce challenge.
Nous avons aussi élaboré un avant-projet de loi visant à mieux intégrer la flexibilité de l'offre et de la demande dans le marché de gros de l'électricité, en particulier en ce qui concerne des technologies telles que les pompes à chaleur, les véhicules électriques, les chauffe-eaux électriques, les électrolyseurs ainsi que d'autres formes d'électrification des usages fossiles. Par "flexibilité", nous entendons également des mesures permettant, en fonction des conditions du marché, la déconnexion temporaire d'installations telles que les panneaux photovoltaïques, les cogénérations ou les éoliennes.
Ce projet de loi s'est toutefois heurté à des difficultés liées à la répartition des compétences entre le niveau fédéral et les Régions. La gestion de la flexibilité au niveau des réseaux de distribution relève exclusivement des compétences régionales.
Cette année, nous avons travaillé sur un texte de compromis en concertation avec les ministres régionaux, les administrations, les gestionnaires des réseaux et les régulateurs. Au printemps, ce texte a reçu un avis du Conseil d'État indiquant qu'une coopération formelle entre le niveau fédéral et les Régions était nécessaire pour avancer. Nous avons donc clôturé cette législature avec un accord selon lequel nos administrations, dans le cadre de CONCERE, développeraient une proposition commune.
Nous avons effectué le travail préparatoire et j'ose espérer que le prochain gouvernement fédéral et les gouvernements régionaux poursuivront ces chantiers importants en vue de répondre aux inquiétudes.
Je tiens également à rappeler que les parlementaires intéressés peuvent adresser leurs questions, notamment celles qui touchent aux compétences régionales et au développement des énergies renouvelables, aux ministres régionaux compétents.
Mathieu Bihet:
Je vous remercie pour votre réponse, madame la ministre. La répartition actuelle des compétences n'aide évidemment pas pour les projets renouvelables onshore , que ce soit les éoliennes onshore ou les parcs photovoltaïques importants qui se connectent directement au réseau de transport. Il serait cependant sans doute opportun qu'Elia, dans sa compétence d'avis sur l'ensemble de ces projets qui visent des énergies intermittentes dans les compétences régionales, puisse rendre des avis et même refuser la connexion de certaines nouvelles capacités si le risque pour le réseau se concrétise. Nous ne manquerons évidemment pas d'être attentifs à ce sujet.
De aanwezigheid en de inbreng van de minister op de COP29 in Bakoe
Gesteld door
Gesteld aan
Tinne Van der Straeten
op 27 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Tinne Van der Straeten noemde COP29 in Azerbeidzjan een teleurstelling door slecht voorzitterschap, late voorbereiding en polariserende uitspraken (zoals *"olie en gas zijn een geschenk van God"*), die het multilaterale klimaatproces ondermijnden. Ze benadrukte wel concrete stappen op vlak van energienetwerken, opslag en waterstofcorridors, maar kritiseerde het gebrek aan formele opvolging van eerdere afspraken (verdrievoudiging hernieuwbare energie, uitfasering fossiel). Kurt Ravyts beaamde de malaise in het klimaatdebat, ondanks beperkte technologische vooruitgang, en wees op onvoldoende ambitie en financieringsconflicten (300 miljard dollar tegen 2035). De hoop ligt nu op COP30 in Brazilië om het vertrouwen tussen Noord en Zuid te herstellen.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, in de schoot van deze commissie zullen wij wellicht nog een onderhoud hebben met de minister van Klimaat over de COP29 als geheel. U was tijdens de eerste week op die COP aanwezig. Voor ecologisten kan die, meen ik, als een ontgoocheling worden beschouwd. Ik herinner mij dat de president van Azerbeidzjan olie en gas een geschenk van God noemde. Dat kon wel tellen.
De resultaten van de COP zijn vrij mager. Er is geen consensus over de opvolging van het historische akkoord inzake de transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare brandstoffen. Er zijn geen stappen vooruit gezet inzake mitigatie. De klimaatfinanciering bleef beperkt tot 300 miljard dollar, onder heel wat protest van de ontwikkelingslanden. Ik gebruik die term niet graag. Minstens 300 miljard dollar tegen 2035, is het bedrag dat is afgeklopt.
Hoe reageert u op deze feitelijkheden? Hoe reageert u op de uitspraken van een topman van het olie- en gasstaatsbedrijf die de geloofwaardigheid van de COP in gevaar brengen?
Er waren heel weinig echt grote wereldleiders aanwezig. Wat was precies uw actieradius, en wat was uw inbreng op deze klimaattop?
Tinne Van der Straeten:
Mijnheer Ravyts, dank u wel voor uw vraag.
Wat het voorzitterschap van Azerbeidzjan betreft, het is niet de eerste keer dat ik naar een COP ga. Het is wel de eerste keer dat ik echt teleurgesteld ben. Een COP heeft altijd wel een resultaat waarover de meningen uiteen kunnen lopen. Er worden altijd wel stappen vooruit gezet, maar soms zijn die stappen belangrijker na de ene COP dan na de andere.
Naar mijn mening is het resultaat absoluut teleurstellend. Voor mij had dit veel te maken met het voorzitterschap van Azerbeidzjan. To its credits , Azerbeidzjan was zeer laat als voorzitter aangeduid. De voorzitter van de volgende COP, Brazilië, COP30, is nu al bezig met voorbereidingen ervan. De Verenigde Arabische Emiraten zijn ook ruim op voorhand begonnen aan de voorbereiding. Azerbeidzjan werd heel laat aangesteld als voorzitter en was niet erg actief op de verschillende klimaatconferenties. Azerbeidzjan kwam relatief slecht voorbereid aan de start. Het is ook gebleken dat het land weinig ervaring had in het netwerken, in het samenbrengen van de verschillende groepen.
U verwijst naar the gift of God, maar ze hebben ook uitspraken gedaan over Frankrijk en Nederland. Die uitspraken brachten een positieve sfeer en een momentum om een belangrijke stap te zetten in de klimaatonderhandelingen zeker niet dichterbij.
Ik heb dat ook gezegd aan de minister van Energie van Azerbeidzjan. Ik heb hem gezegd dat ik die uitspraken betreur en dat die schade toebrengen aan het multilaterale proces. Bilaterale zaken kunnen immers het best niet ingebracht worden in een multilateraal proces, ze brengen het multilaterale proces schade toe.
Mijn Franse collega heeft bijvoorbeeld geweigerd om naar Bakoe te gaan. De Europese Unie wordt uiteraard vertegenwoordigd door de voorzitster en zij is de onderhandelingen van thuis uit blijven opvoeren. Het is echter wel tekenend voor deze COP, die niet met engagement en ambitie werd gemodereerd door het voorzitterschap. Daardoor werd er een teleurstellend resultaat naar voren gebracht.
Wat mijn actieradius betreft, ik ben afgereisd naar Bakoe omdat het de bedoeling was om een follow-up te geven aan de verklaring van de vorige COP in Dubai, met name over het verdrievoudigen van hernieuwbare energie, het verdubbelen van energie-efficiëntie en de uitfasering van fossiele brandstof. Dat was de consensus in de VAE. Die werd toen zeer sterk voorbereid in de eerste week van de COP door de energieministers van de verschillende landen. Het was de bedoeling om daarvan een follow-up te geven. Er werd in de verschillende landen gekeken naar de voortgang op dat vlak.
In die zin heb ik mij aangesloten bij Duitsland dat stelde dat het te informeel blijft, dat de rol van de energietransitie in de klimaatonderhandelingen zo belangrijk is geworden, dat ook in het formele UNFCCC-proces een formelere monitoring moet gebeuren. Het mag niet de bedoeling zijn om energieministers alleen informeel rond de tafel te brengen, waar iedereen vertelt wat hij of zij heeft gedaan. Die beslissing van vorige keer, namelijk het verdrievoudigen van hernieuwbare energie, het verdubbelen van energie-efficiëntie en de uitfasering van fossiele brandstof, moet op een goede manier worden opgevolgd in het klimaatonderhandelingsproces.
Het voorzitterschap heeft wel een aantal teksten opgesteld voor de verdere implementatie van de energiedoelstellingen. Wij hebben die teksten ook ondertekend, want dat hebben ze goed gedaan. De teksten gaan over een mondiaal engagement voor energienetwerken en -opslag. Die technologieën zijn namelijk cruciaal om hernieuwbare energie efficiënt naar consumenten en bedrijven te transporteren en de flexibiliteit van het energiesysteem te vergroten. Dat bouwt ook verder op het EU-voorzitterschap van België waar netwerken en opslag cruciaal waren.
Ten tweede was er ook een verklaring over waterstof, gericht op de versnelling van de ontwikkeling van groenewaterstofcorridors die producerende en consumerende regio's met elkaar verbinden. Ten derde was er ook een verklaring over groene energiecorridors en -zones die regionale integratie van energie-infrastructuur bevorderen voor een gecoördineerde en inclusieve energietransitie.
Het is goed dat die zaken op een COP worden besproken. Als we dat immers op het Europese niveau bespreken, blijven we hoofdzakelijk binnen onze EU, terwijl het ook belangrijk is dat we ons als unie verbinden met regio's uit de wijdere omgeving.
Buiten dit traject, dat te maken heeft met de onderhandelingen op zich, hebben we ook deelgenomen aan tal van events. We hadden echter ook heel wat bilaterale ontmoetingen. Ik heb ook de tijd en ruimte genomen om van gedachten te wisselen met de Klimaatcoalitie over een aantal onderhandelingsthema's, zoals de financieringsdoelstelling en mitigatie.
Nu deze COP is afgerond, zijn alle ogen gericht op Belém en het Braziliaanse voorzitterschap. Het is vooral uitkijken hoe het Braziliaanse voorzitterschap zich nu al zal inzetten om de breuken tussen de landen van het Noorden en het Zuiden te herstellen. Het vertrouwen moet worden hersteld zodat COP30 kan verdergaan waar COP28 gestopt is.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, ik dank u omdat u uw appreciatie, zij het een negatieve appreciatie, van de globale eindresultaten van de COP hier aan de commissie hebt willen meegeven. U was op de COP uiteraard vooral voor de energiedoelstellingen. Daarom vraag ik hier ook naar het verdrievoudigen van hernieuwbare energie en de verdubbeling van de energie-efficiëntie.
Het is natuurlijk een goede zaak dat op het vlak van de energienetwerken, opslag, flexibiliteit en waterstof- en energiecorridors blijkbaar een en ander is bereikt. Ik heb niettemin de indruk dat het klimaatdebat enigszins in een malaise verkeert. Ik verwijs naar de uitspraken van mevrouw Trouet die voor enige opschudding hebben gezorgd.
Dat is evenwel een zaak voor het debat met mevrouw Khattabi, mijnheer de voorzitter.
Voorzitter:
Indien ik mij niet vergis, is dat debat komende dinsdag, 3 december 2024, gepland. Ik zal dat nakijken. De volgende vragen zijn twee samengevoegde vragen over ArcelorMittal. De heer Robin Tonniau van de PVDA is niet aanwezig. Ik geef dan ook meteen het woord aan de heer Ravyts.
De watersnood in Valencia
De overstromingen in Spanje
De COP29, de overstromingen in Spanje en de noodzaak van internationale klimaatambities
Spaanse overstromingen, klimaatambities en COP29
Gesteld door
Vooruit
Oskar Seuntjens
PTB-PVDA
Julien Ribaudo
Groen
Meyrem Almaci
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 7 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de dringende noodzaak van krachtig klimaatbeleid na de dodelijke overstromingen in Valencia, die klimaatverandering en gebrek aan preventie blootlegden. Kritiekpunten: huidige overheden (lokaal en Europees) falen door bezuinigingen op klimaatadaptatie (bv. afbouw civiele bescherming, gehalveerde budgetten), terwijl rampen zoals in Valencia en Wallonië bewijzen dat preventie levens redt en goedkoper is dan herstel. Eisen: massale investeringen in mitigatie *en* adaptatie, eerlijke verdeling van kosten (geen lasten bij kwetsbaren), en Europese leidersrol nu de VS (Trump) achteruitgaat. Minister Khattabi benadrukt urgentie van actie (o.a. via nieuw risico-analyscentrum) maar krijgt scherpe tegenwind over austeriteitspolitiek die klimaatmaatregelen ondermijnt.
Voorzitter:
Collega's, naar aanleiding van deze drie vragen, deel ik graag mee dat ik in naam van dit Huis een brief heb geschreven aan de voorzitter van de Cortes teneinde ons medeleven te betuigen. Dat lijkt mij passend, aangezien de gebeurtenissen in Spanje toch zonder meer verschrikkelijk zijn. (Applaus)
Oskar Seuntjens:
Mijnheer de voorzitter, ik dank u voor de brief die u hebt gestuurd.
Mevrouw de minister, men hoort sommige mensen weleens zeggen dat we tijd genoeg hebben om ons te beschermen tegen de klimaatopwarming. Ze zouden raar opkijken in Valencia als ze dat zouden horen. Meer dan 200 mensen werden weggevaagd door een gigantische waterbom die alleen maar versterkt werd door de klimaatopwarming.
Door mensen alleen maar bang te maken zetten we geen stap vooruit. Wat de mensen van ons vragen is dat we hen beschermen. Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat we vandaag nog te kwetsbaar zijn. Herinner u de overstromingen in Wallonië. Waar we nood aan hebben, is een klimaatbeleid dat durft door te pakken, dat keuzes durft te maken en dat iedereen meeneemt. Een woning kunnen kopen die niet gelegen is in overstromingsgebied zou niet mogen afhangen van de dikte van iemand portefeuille. De Vlaamse regering bewijst met de socialisten dat ze werk wil maken van betaalbare renovaties en een klimaatbeleid wil uitstippelen dat iedereen wil meenemen.
Mevrouw de minister, u vertrekt binnenkort naar de klimaattop in Azerbeidzjan. Ik denk dat iedereen in dit halfrond al kan voorspellen wat de algemene boodschap zal zijn die terug zal komen: de tijd is kort en we moeten nu actie ondernemen. Daar draait het om, actie ondernemen.
Welke keuzes maakt België? Zijn wij deel van een oplossing of kijken wij weg? Wij menen dat men die uitdagingen heel ernstig moet nemen en er tegelijkertijd voor moet zorgen dat de kosten niet altijd bij dezelfde groep mensen terechtkomen, maar eerlijk verdeeld worden. Mevrouw de minister, met welke boodschap trekt u straks naar de klimaattop in Azerbeidzjan?
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, i maginez qu'en une journée, tout ce que vous avez toujours connu et qui vous tient à cœur – votre maison, votre voiture, l'école de vos enfants, le terrain de foot o ù vous jouez tous les jours – soit balayé, détruit, sous eau.
C'est précisément, chers collègues, ce qu'a connu la population de la région de Valence. En une seule nuit, il a plu davantage qu'en une année. Deux cents victimes, nonante personnes toujours portées disparues. C'est une catastrophe et je voudrais réitérer l'expression de mon soutien et de notre solidarité aux victimes et à leurs familles.
Madame la ministre, d è s les premiers instants du drame, des dizaines de bénévoles sont partis de tout le pays en camionnettes chargées pour prêter main-forte aux sinistrés. Et au moment o ù je vous parle, il y a des jeunes, des travailleurs qui sont sur le terrain, via les Solidarity Dienst notamment. Et c'est ça l'espoir, l'entraide et la solidarité car seul le peuple peut sauver le peuple.
Madame la ministre, ce n'est malheureusement pas la première ni la dernière fois mais c'est la réalité de la crise climatique. Ce qui s'est passé il y a quelques jours à 1 700 km de chez nous s'est déj à produit ici en 2021 à Verviers. Et tant en Espagne que chez nous, il est patent que nos gouvernements ne sont pas prêts. Il y a un vrai manque d'investissements pour lutter contre la crise climatique et adapter notre société à toutes ses conséquences. On le voit dans les projets d'austérité du gouvernement et dans les plans du futur gouvernement.
Madame la ministre, des investissements massifs sont indispensables pour faire face aux défis climatiques, pour adapter notre société et pour mitiger les effets de tels désastres. Car si la prochaine catastrophe se produit chez nous, nous ne pourrons pas dire que nous ne le savions pas.
Madame la ministre, (…)
Meyrem Almaci:
Mevrouw de minister, meer dan 219 doden en nog 93 vermisten, veel woede en wanhoop, ook veel solidariteit en een afwezige overheid. Overal, echt overal, bruine modder die zoveel levens heeft verwoest. De overstromingen in Valencia brengen echo's terug van de waterbom die bij ons en in Duitsland gevallen is en daar 220 levens heeft geëist. De heropbouw is nog altijd bezig.
Solidariteit is belangrijk, ook van hieruit tot in Valencia. Wat daar gebeurde, en wat ook hier in de Ardennen gebeurde, maakt echter duidelijk dat de klimaatverandering allesbehalve een ver-van-mijn-bedshow is. Ons Europees continent is een van de kwetsbaarste. Dergelijke rampen zullen zich vaker voordoen en we zullen ons er beter op moeten voorbereiden. Dat is geen groene ideologie, maar keiharde realpolitik. We dienen te handelen naar de omstandigheden.
Met de COP die volgende week start, roepen wij dan ook alle hens aan dek. Alle experts vragen om meer klimaatambitie, meer adaptatie én meer investeringen. Al die zaken samen. Het kan dus niet zoals in Valencia, waar de voorzieningen werden afgebouwd, ook niet zoals onder de Zweedse regering, waar minister Jambon de civiele bescherming afbouwde, en ook niet, collega Seuntjens, zoals onder de Vlaamse regering die nu de budgetten voor de aanpak van overstromingen meer dan halveert. Niet zo!
De herverkiezing van Trump maakt duidelijk dat Europa het voortouw zal moeten nemen.
Mevrouw de minister, daarom vraag ik u heel eenvoudig welke boodschap u volgende week op de COP zult verdedigen.
Zakia Khattabi:
Chers collègues, c'est avec beaucoup d'émotion que je viens à nouveau devant vous commenter un drame humain. Avant de l'évoquer, je voudrais prendre quelques secondes de mon temps pour rendre hommage aux victimes de Valence.
La crise climatique n'est, depuis longtemps déjà, plus qu'une seule réalité scientifique. Elle a désormais un visage, un nom. À Valence, comme à Verviers d'ailleurs, c'est celui d'un parent, d'un ami, d'un collègue.
Les autorités espagnoles annonçaient tout à l'heure que le nombre de morts s'élevait désormais à 219 et que 93 personnes étaient encore portées disparues.
Alors, je voudrais leur dire que leur colère est légitime et que je la partage. Ce qui s'est passé à Valence n'est pas un accident. Ces catastrophes se succèdent mettant en lumière nos faillites, l'imperméabilisation des sols à outrance, le désinvestissement dans des services publics de première ligne, des politiques d'atténuation trop peu ambitieuses, des politiques d'adaptation trop peu investies. Tout cela aurait pu ou plutôt aurait dû être évité.
Ces catastrophes qui se suivent, là comme ailleurs, constituent à mes yeux – et je l'assume – des actes criminels causés par un aveuglement politique.
Het World Economic Forum identificeert de klimaatcrisis als een van de belangrijkste dreigingen. Ook de Belgische veiligheidsstrategie erkent de risico’s van klimaatverandering en biodiversiteitsverlies. De wetenschappelijke informatie is er. Vele oplossingen zijn er. Het ontbreekt echter aan politiek leiderschap om coherente keuzes te maken, met aandacht voor het rechtvaardige en duurzame karakter van de noodzakelijke transitie naar een duurzame maatschappij.
Le drame en Espagne nous rappelle une nouvelle fois l'importance d'une action urgente et coordonnée dans tous les aspects de la politique climatique. L'atténuation, l'adaptation, la gestion des pertes et préjudices font l'objet de nos discussions et engagements internationaux.
L'urgence de réduire les émissions au niveau mondial ne s'est pas arrêtée. L'Union a des objectifs ambitieux et les politiques convenues doivent maintenant être mises en œuvre. Chaque dixième de degré compte et, comme vous le savez, malheureusement, notre pays n'a pas fait sa part.
Nous devons par ailleurs avancer dans l'adaptation. Un récent rapport spécial de la Cour des comptes européenne met en évidence les lacunes évidentes dans la mise en œuvre des politiques d'adaptation de l'Union et de ses États membres.
En la matière, considérant que le dérèglement climatique est un enjeu majeur de sécurité, j'ai officiellement lancé, le 22 avril dernier, le nouveau Centre d'analyse des risques du changement climatique (Cerac) qui identifiera les risques environnementaux et climatiques en temps utile et fera rapport au Conseil national de sécurité (CNS), permettant ainsi d'anticiper au mieux les dangers en la matière.
Un plan national d'adaptation cohérent est aussi nécessaire, accordant suffisamment d'attention, précisément à la coordination et à la coopération.
L'économiste britannique Nicholas Stern avait déjà calculé en 2006 que les mesures visant à réduire drastiquement les émissions de gaz à effet de serre coûteraient 1 % du PIB tandis que celles visant à adapter la société au changement climatique en coûteraient entre 5 et 20 %. Le choix doit donc être clair!
À Valence, les conséquences vont coûter des dizaines de milliards d'euros. Le coût de l'inaction est donc bien plus élevé que l'ambition. Aujourd'hui, comme à chacune de mes interventions faites à ce pupitre depuis quatre ans, je répète que gouverner c'est prévoir et qu'appuyer sur le bouton pause n'est pas une option.
Het is duidelijk dat de internationale geopolitieke context niet bevorderlijk is voor globale samenwerking op het vlak van de internationale klimaatambitie. Het afgelopen jaar was reeds merkbaar hoe globale spanningen zoals de opvolging van de covidcrisis of de conflicten in Oekraïne en het Midden-Oosten de internationale klimaatonderhandelingen beïnvloeden. Het wordt moeilijker om akkoorden te vinden en bepaalde landen verliezen hun capaciteit om op te treden als bruggenbouwer en honest broker .
De uitslag van de Amerikaanse verkiezingen is hier een bijkomend element. Tijdens zijn vorige termijn heeft president Trump het proces in gang gezet om uit het akkoord van Parijs te stappen en heeft hij de impact van de klimaatcrisis geminimaliseerd. De rol van de EU op internationaal niveau wordt nog belangrijker in die context, alsook die van de actoren in het breed maatschappelijk middenveld in de Verenigde Staten en elders.
Oskar Seuntjens:
Dank voor uw antwoord, mevrouw de minister.
De afgelopen dagen berichtte men in het nieuws vaak dat deze regering en zeker de volgende regering ons land op financieel vlak moet klaarmaken voor de toekomst. Daarbij mogen we duurzaamheid zeker niet uit het oog verliezen. De Vooruitfractie pleit voor sterke hervormingen waarbij we tezelfdertijd niemand uit het oog verliezen en dat is mogelijk. We kunnen onze mensen bijvoorbeeld beschermen tegen de klimaatopwarming en onze begroting gezonder maken door de nog steeds bestaande miljardensubsidies aan de fossiele sector te beperken. Wij socialisten zullen altijd strijden voor hervormingen gebaseerd op solidariteit. Dat is de strijd die wij elke dag zullen voeren.
Julien Ribaudo:
Madame la ministre, merci pour votre réponse.
Vous parlez, s'agissant de la crise de climatique, de nos faillites, de désinvestissement, d'aveuglement politique. Laissez-moi vous rappeler que vous êtes ministre dans un gouvernement qui a réintroduit les règles d'austérité sous la présidence belge de l'Union européenne.
C'est un ministre de la Vivaldi, madame, qui a fièrement rebaptisé les normes de Maastricht en normes de Gand. C'est votre gouvernement qui a enfermé une fois de plus notre pays dans des politiques d'économies, et le prochain qui veut imposer l'austérité.
Si vous ne prenez pas vos responsabilités, madame la ministre, si vous ne changez pas de politique, c'est la population qui va payer le coût de la crise climatique. Et, ça, le PTB ne l'acceptera jamais.
Voorzitter:
Je félicite le collègue Ribaudo pour sa première question posée dans l'hémicycle. (Applaudissements)
Meyrem Almaci:
Mevrouw de minister, dank u voor uw heldere woorden. Wat er gebeurt in Valencia, wat er gebeurd is bij ons, zijn spiegels die ons voorhouden dat het anders moet en dat het beter moet. We kunnen het ons niet veroorloven te wachten op een volgende ramp, we moeten bijsturen. Dat zal inderdaad geld kosten, maar het gaat om investeringen. De prijs van ontreddering zal altijd vele malen hoger liggen dan de kosten voor preventie. Door te investeren zal men mensenlevens redden, zal men de toekomstige en huidige generaties beschermen tegen erger. De prijs van nietsdoen, van klimaatpauzes en allerlei andere onzin zal vele malen hoger liggen. We zijn het aan alle slachtoffers, aan alle nabestaanden, aan al diegenen die hun bedrijf moeten heropbouwen verplicht om het beter te doen. Het moet mij van het hart dat het door de Vlaamse regering is dat we internationaal met lege handen staan. Er is nog wel wat werk aan de winkel, collega’s. Zeker daar, want de waterbom kost Vlaanderen (…)
De COP29 en de bezorgdheid over de eerbiediging van de mensenrechten in het gastland
De mensenrechtensituatie in het gastland van de klimaatconferentie COP29, Azerbeidzjan
Klimaatbeleid en mensenrechtenkwesties rond COP29 in Azerbeidzjan
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België zal deelnemen aan COP29 in Azerbeidzjan (met premier De Croo, minister Van der Straeten en Khattabi) en benadrukt dat klimaatactie onlosmakelijk verbonden is met mensenrechten, ondanks zorgen over onderdrukking van kritische stemmen, gevangenneming van activisten (o.a. Anar Mammadli) en etnische zuiveringen in Nagorno-Karabach door Azerbeidzjan. De EU en België eisen via diplomatieke kanalen vrije meningsuiting, veilige deelname van NGOs en respect voor internationale verdragen, maar de keuze voor Azerbeidzjan als gastland (via VN-procedure) wordt niet betwist. België faciliteert toegang voor burgermaatschappij via officiële delegatie en organiseert nevenevenementen over klimaat en mensenrechten, terwijl de EU het vredesproces Armenië-Azerbeidzjan blijft opvolgen. Kritiek blijft dat repressie buiten de COP-locaties onverminderd doorgaat, wat vraagt om publieke druk tijdens het evenement.
Marie Meunier:
Madame la ministre, la Conférence des Parties (COP) figure parmi les seuls endroits où les personnes les plus touchées par la crise climatique peuvent faire entendre leur voix. Les peuples autochtones, les défenseurs de l'environnement et les activistes pour le climat disposent là d'une opportunité unique d'avoir accès à des négociations qui les concernent directement. Il est donc primordial qu'ils puissent s'y exprimer librement, sans crainte de surveillance, de harcèlement ou, dans des cas malheureux, de représailles. Je souligne l'importance des COP pour relever le niveau d'ambition de l'action climatique à l'échelle mondiale, même si les efforts menés actuellement restent insuffisants.
À l'approche de la COP29, qui se déroulera du 19 au 22 novembre prochain en Azerbaïdjan, je partage les inquiétudes d'Amnesty International, qui a enregistré de graves violations des droits humains dans le pays hôte cette année. La situation des universitaires, des militants politiques et civils, des journalistes et des défenseurs des droits humains est plus que préoccupante dans ce pays. Cette situation soulève des inquiétudes quant à la sécurité des personnes participant à la COP de cette année.
Madame la ministre, pouvez-vous me confirmer que vous irez à la COP29 qui se tiendra en Azerbaïdjan? Quel membre du gouvernement vous accompagnera-t-il?
Quel message allez-vous délivrer en matière de respect des droits humains dans le pays hôte? Pouvez-vous me confirmer que la Belgique profitera de la COP29 pour faire passer des messages clairs au gouvernement azerbaïdjanais, à savoir qu'il cesse de réprimer la société civile, qu'il garantisse les droits à la liberté d'expression et d'association tout au long du sommet et pendant la période qui suivra et qu'il prenne des mesures fermes pour enrayer la détérioration de la situation des droits humains dans le pays?
Staf Aerts:
Mevrouw de minister, om doeltreffend te zijn, moet een COP een forum bieden voor de vrije uitwisseling van standpunten, niet alleen van de partijen van het klimaatverdrag, maar ook van burgers en middenveldorganisaties, zowel lokaal als internationaal. Al meer dan tien jaar worden in Azerbeidzjan ngo’s willekeurig gesloten en worden kritische vertegenwoordigers van het middenveld gearresteerd of gedwongen in ballingschap te gaan. Sinds aangekondigd is dat Azerbeidzjan gastland wordt, is het optreden tegen de kritische stemmen vooral toegenomen, met arrestaties en de willekeurige opsluiting en vervolging van journalisten en activisten. Ook werd de toegang van 67 parlementsleden uit Europese landen tot de COP29 en het land ontzegd, omdat ze via een resolutie in de Raad van Europa het mensenrechtenbeleid van het land bekritiseerd hebben.
Bovendien is er het zeer penibele beleid van Azerbeidzjan tegenover de Armeense staat en bevolking. Tijdens de oorlog in Nagorno-Karabach werden vorig jaar 150.000 Armeniërs op grote schaal verdreven uit het gebied dat historisch hun thuisland is. Hun aanwezigheid is er vrijwel volledig uitgewist, want ook cultuursymbolen zijn vernietigd.
Daarnaast zitten er nog altijd politieke gevangenen in zorgwekkende omstandigheden vast. Verschillende bronnen, zoals de Armeense overheid en het Rode Kruis, hebben al gewezen op folteringen en andere ernstige mensenrechtenschendingen tegenover die gevangenen.
Tot slot schendt Azerbeidzjan geregeld de soevereiniteit van Armenië, met aanvallen in het grensgebied.
Mevrouw de minister, we zijn ongetwijfeld allebei overtuigd van het belang van de klimaatproblematiek, maar ook de mensenrechten zijn van belang. Zult u zich tijdens de COP29 publiekelijk uitspreken over de schendingen van de mensenrechten, etnische zuiveringen en oorlogsmisdaden door Azerbeidzjan?
Welke stappen hebben België en de EU gezet om een veilige en stimulerende omgeving te creëren voor het maatschappelijk middenveld en alle deelnemers van alle nationaliteiten en meningen op de COP29?
Heeft de Belgische regering bij de Azerbeidzjaanse autoriteiten gepleit voor de vrijlating van burgers die enkel en alleen zijn gearresteerd omdat ze vreedzaam hun recht van meningsuiting, vereniging of vergadering hebben uitgeoefend?
Zal de Belgische regering pleiten voor de vrijlating van de gevangenen die louter op basis van politieke motieven worden vastgehouden, zoals Anar Mammadli, een van de eerste activisten die focust op het verband tussen mensenrechten en klimaatrechtvaardigheid?
Dragen België en de EU ten slotte bij aan de organisatie van nevenevenementen bij de COP29 waaraan onafhankelijke mensenrechtenorganisaties deelnemen?
Zakia Khattabi:
Madame, monsieur, le gouvernement fédéral belge sera représenté à la COP par le premier ministre De Croo, la ministre Van der Straeten et moi-même. Nous assisterons à la COP à des moments différents. Le premier ministre assistera au World Leaders Climate Action Summit qui se tiendra le mardi 12 et le mercredi 13 novembre.
La ministre Van der Straeten sera présente la première semaine, mais je ne suis pas au courant de son agenda. Pour ma part, j'y serai la seconde semaine pour le segment ministériel.
De situatie van de mensenrechten in Azerbeidzjan is inderdaad zorgwekkend, net zoals dat het geval was in de gastlanden van de COP van de afgelopen twee jaar, de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte.
De keuze voor het gastland van de internationale klimaatconferentie gebeurt binnen de vijf regionale groepen van de Verenigde Naties zonder interferentie van de andere landen. Voor de COP29 kwam de rol toe aan de Eastern European Group en de finale beslissing werd genomen op de COP28 in Dubai. Binnen de groep waren er aanvankelijk verschillende kandidaten: Armenië, Bulgarije en Azerbeidzjan. Na langdurig intern overleg bereikte deze regionale groep intern een consensus. Armenië steunde dus ook de beslissing om Azerbeidzjan als gastland voor te dragen en deze steun werd ook expliciet uitgesproken.
De keuze voor Azerbeidzjan als locatie voor de COP29 is dus de uitkomst van de gangbare procedure binnen het VN-klimaatverdrag. België heeft geen standpunt ingenomen in deze kwestie.
Ce contexte dressé nous force à respecter le choix des acteurs concernés mais ne nous dispense effectivement pas de continuer de porter haut et fort la question des droits humains.
Au niveau international, notre pays jouit d'une forte tradition selon laquelle la politique climatique est toujours envisagée de manière indissociable du respect des droits humains internationaux et de la promotion du développement durable. Nous soulignons systématiquement cet aspect dans les positions européennes que nous adoptons et nous l'avons également intégré dans la préparation des conclusions du Conseil de l'Union pour la COP29. Je me permets de rappeler que dans ces cénacles, la Belgique ne parle pas en son nom propre: c'est l'Union européenne qui prend la parole.
J'ai représenté l'Union européenne et ses États membres lors des sessions préparatoires techniques en participant aux négociations sur le point à l'ordre du jour "Arrangement for intergovernmental meetings". Ces sessions permettent de donner une direction à l'organisation de la COP29.
Les conclusions qui en ont découlé soulignent que le rôle de l'État hôte pour la COP29 implique que les principes et objectifs de la Charte des Nations Unies et les obligations internationales en matière de droits humains doivent être respectés. Cela implique également que, dans les lieux où se déroulent les événements de la COP29, les droits humains et les libertés fondamentales doivent être promus et protégés.
De plus, la Belgique organise depuis plusieurs années, en collaboration avec le Bureau du Haut-Commissaire aux droits de l'homme, le Center for International Environmental Law ainsi que d'autres pays partageant les mêmes valeurs, comme le Luxembourg ou le Chili, des discussions informelles lors des dîners en marge des conférences sur le climat de l'ONU. Ce sera également le cas lors de la COP à Bakou.
Ces événements contribuent à sensibiliser à la synergie entre les politiques climatiques et les politiques en faveur des droits humains. Un dialogue continu est en cours avec l'Azerbaïdjan sur la situation des droits humains dans le pays. Ce n'est pas par la filière environnementale que ces discussions se tiennent. L'Union saisit toutes les occasions, en ce compris celle de la COP, pour renforcer ce dialogue.
Dans ce cadre, l'Union souligne le rôle central de la société civile dans la promotion de l'agenda sur le changement climatique et l'environnement et attache une grande importance à garantir la participation la plus inclusive possible de la société civile, de même que l'accès libre à l'information, la liberté de réunion pacifique et l'accès libre aux zones publiques de la COP.
C'est d'ailleurs une des spécificités de la délégation belge puisqu'en permettant à la société civile, aux ONG, etc. de s'inscrire comme membres de la délégation officielle, nous leur offrons la possibilité d'accéder à des espaces auxquels elles n'auraient pas eu accès sans avoir été intégrées dans la délégation officielle.
Wat betreft onze bilaterale en Europese inspanningen met betrekking tot Azerbeidzjan zelf, verwijs ik naar het gesprek dat mijn collega Lahbib op 10 juli heeft gevoerd met de Azerbeidzjaanse minister van Buitenlandse Zaken, meer bepaald over het vredesproces tussen Azerbeidzjan en Armenië. Die ontmoeting volgde op eerdere diplomatieke contacten tussen onze beide landen in de afgelopen maanden. Tijdens die gesprekken werd onderstreept hoe belangrijk het is om een duurzaam vredesakkoord te sluiten, gebaseerd op de VN-principes van territoriale integriteit, soevereiniteit en respect voor de rechten van de bewoners. De recente vooruitgang in het vredesproces, met name op het gebied van grensafbakening, is bemoedigend.
Enfin, la Belgique soutient également les efforts de l'Union et de l'envoyé spécial de l'Union européenne pour le Caucase du Sud, qui poursuivent les mêmes objectifs. L'Union doit rester impliquée dans le processus de paix et, à ce titre, la COP29 représente une occasion d'avancer vers un accord durable.
Marie Meunier:
Merci, madame la ministre, pour vos différentes réponses.
Si cela a été le cas, je m'en excuse, mais ici, personne ne vous reproche le choix du lieu de la future COP. Comme vous l'avez dit, il est important de nous assurer que, même à travers votre ministère, vous puissiez porter la question des droits humains dans les différentes instances au sein desquelles vous allez nous représenter. En effet, les lieux dans lesquels se déroule la COP sont des lieux où la liberté d'expression fait foi. Mais il nous revient néanmoins de la part des associations que ce n'est clairement pas le cas à la sortie des lieux où s'effectuent les rencontres. Il me semble donc primordial qu'en tant que membre de nos trois représentants, vous puissiez faire part de ces différentes matières.
Staf Aerts:
Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. Inderdaad, België heeft geen stem gehad in de keuze voor Azerbeidzjan als gastland, maar niettemin ben ik blij met uw engagement dat u de mensenrechten hoog op de agenda wilt blijven plaatsen. Ik had ook niet anders verwacht. Dat is een gezamenlijke strijd die we voeren. De COP blijft natuurlijk bijzonder belangrijk, want de klimaatopwarming gaat onverminderd voort. Tegelijk is de strijd tegen de klimaatopwarming inderdaad ook een strijd van respect voor de mensenrechten, van recht op leven en ontwikkelingskansen. Ik vind het goed dat we nog steeds naar die COP gaan, omdat de klimaatopwarming een belangrijke strijd is, maar we moeten daarnaast ook alles op alles zetten om de mensenrechtenschendingen ter plaatse aan te kaarten. De internationale gemeenschap heeft daarin een heel grote verantwoordelijkheid. In Azerbeidzjan is het met de civil society heel slecht gesteld. Het is een van de slechtst scorende landen in de regio, als men naar de indexen van ngo's kijkt. De ngo's roepen op om inderdaad deel te nemen aan de COP, maar de mensenrechtensituatie sterk in het oog te houden. We kunnen niet anders dan erkennen dat het beleid in Azerbeidzjan ten opzichte van Armenië ongelooflijk verslechterd is. Er is de vernietiging van de cultuurhistorische monumenten. Er is de etnische zuivering. Er zijn militaire acties waardoor levensnoodzakelijke middelen zoals voedsel, medicijnen en brandstof zelfs niet meer ter plaatse geraken. De internationale gemeenschap mag haar ogen daarvoor niet sluiten, hoe groot de klimaatuitdagingen ook zijn. Daar moeten we altijd tegen blijven reageren, waar we ook zijn, ook al hebben we het gastland niet gekozen. Ik hoop dat u dat ook ter plaatse met aandrang aankaart.
De taskforce Adaptatie
Het adaptatieplan in het kader van de uitvoering van het federale klimaatbeleid
Klimaatadaptatiebeleid en uitvoeringsplannen
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De federale taskforce Adaptatie evalueert momenteel (eind 2024) de voortgang van klimaatmaatregelen (2023-2026), maar het nationaal adaptatieplan (PNA) strandde door gebrek aan akkoord tussen gewesten en federale overheid door uiteenlopende klimaatambities. Minister Khattabi benadrukt coördinatieproblemen, verouderde wetenschappelijke data en financiële tekorten (zowel EU als België), terwijl ze wijst op concrete stappen zoals het Centrum voor Risicoanalyse (Cerac) en verhoogde verzekeringslimieten voor weerschade. Kritiek blijft op traagheid en vaagheid: ondanks urgente klimaatrampen (o.a. Spanje, België 2021) en eco-angst bij burgers, ontbreken concrete, gecoördineerde acties tussen entiteiten, met oproepen tot hernieuwde onderhandelingen met de nieuwe regionale regeringen.
Xavier Dubois:
Madame la ministre, dans le rapport de synthèse 2024 sur les politiques climatiques fédérales, on peut lire qu'une task force "Adaptation" a été instituée. C'est une bonne chose, puisque cet organe a été chargé d'identifier les mesures qui pourraient être prises à l'échelle fédérale pour lutter contre les effets du réchauffement climatique et, surtout, pour les prévenir. Ces mesures devaient concerner la période 2023-2026. Une évaluation de ce travail est attendue pour cet automne. Les conclusions doivent être publiées à la fin de l'année. En tout cas, le paragraphe conclut simplement qu'aucun autre progrès n'a été enregistré, hormis cette définition et cette évaluation.
Le rapport note encore qu'un projet de plan national d'adaptation (PNA) a été préparé pour renforcer la coopération et la coordination entre le fédéral et les entités fédérées. Il s'agit à nouveau, bien entendu, d'une bonne initiative. La liste des mesures fédérales et régionales a été présentée à la Commission nationale Climat afin qu'une enquête publique sur le projet de plan puisse être lancée. Malheureusement, aucun accord n'a pu être trouvé quant au projet de plan et aux prochaines étapes nécessaires à l'entrée en vigueur de cet outil important.
Madame la ministre, nous entrons dans l'automne, nous le sentons bien dans ce bâtiment de la Chambre. Cette évaluation a-t-elle déjà été réalisée et, surtout, est-elle disponible?
Des mesures spécifiques ont-elles été définies en coordination avec les entités fédérées, notamment pour lutter contre les inondations? Par ailleurs, pour quelle raison aucun accord n'a-t-il pu être trouvé au sujet du plan national? Quels sont les arguments qui ont été avancés pour aboutir à cet échec, en tout cas, temporaire?
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, vooreerst spreek ik nog eens mijn tevredenheid uit dat wij het syntheserapport 2024 over het federale klimaatbeleid hebben gekregen. Het is goed dat u transparantie biedt.
De federale ministerraad keurde op 3 maart 2023 de federale taskforce Adaptatie goed en een eerste tussentijdse evaluatie was gepland in het najaar van 2024, dus in dit seizoen, waarbij de resultaten van de federale adaptatiemaatregelen zouden worden gepubliceerd.
De werkgroep Adaptatie bij de Nationale Klimaatcommissie (NKC) heeft een ontwerp van nationaal adaptatieplan opgesteld, maar blijkbaar werd daarover geen akkoord bereikt. Wel kwam er een publieksenquête rond de voorgestelde lijst van federale en gewestelijke maatregelen.
Tegelijkertijd speelt enige urgentie mee op de achtergrond. Op 16 oktober 2024 heeft de Europese Rekenkamer een speciaal verslag gepubliceerd, zoals ze wel vaker doet, deze keer over klimaatadaptatie in de EU. Dat rapport concludeert dat actie geen gelijke tred houdt met ambitie. Verschillende zichtbare fenomenen van klimaatverstoring en klimaatverandering doen zich voor, waarvoor ik nog maar naar het recente Spaanse drama hoef te verwijzen. De praktische uitvoering van het adaptatiebeleid in de EU levert problemen op.
Mevrouw de minister, kunt u meer toelichting geven bij de twistpunten rond het ontwerpplan in de Nationale Klimaatcommissie? Wat is het eigenlijke probleem?
Hoe reageert u op het speciale verslag van de Europese Rekenkamer?
Zakia Khattabi:
Mijnheer de voorzitter, uiteraard ben ik, zoals u, bezorgd wanneer ik het speciale verslag van de Europese Rekenkamer lees. Het verslag kaart duidelijk tekortkomingen aan bij de uitvoering van het adaptatiebeleid van de Europese Unie en haar lidstaten. De Europese Unie biedt weliswaar een gemeenschappelijk kader voor klimaatadaptatie, maar de lidstaten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering ervan.
De recente gebeurtenissen in Spanje herinneren ons aan het belang van alle facetten van het klimaatbeleid: mitigatie, adaptatie en het beheer van schade en verlies.
De auteurs van het speciale verslag wijzen in hun analyse op het gebruik van verouderde wetenschappelijke gegevens door lidstaten voor hun documenten met betrekking tot de nationale aanpassingsstrategie.
Ons land beschikt sinds 2021 op mijn initiatief over een Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering (Cerac) dat in samenwerking met alle relevante actoren in actuele analyses op de middellange termijn zal voorzien. Het centrum zal rapporteren aan de Nationale Veiligheidsraad. Het centrum kan een waardevolle bijdrage leveren aan alle actoren die een wetenschappelijk onderbouwd klimaatbeleid vorm wensen te geven.
Op 13 februari 2024 hebben de directeur en de adjunct-directeur van het Cerac hier in de Kamercommissie toelichting gegeven bij de werking van het centrum.
Bovendien verwijst het speciale verslag naar uitdagingen op het vlak van monitoring en mogelijke sectorale of regionale tegenstrijdigheden. De bevindingen versterken volgens mij de noodzaak om silo's te overstijgen en steeds een langetermijnperspectief te hanteren.
Ook op dat vlak zijn er tijdens de voorbije legislatuur stappen gezet. Echter, een betere mainstreaming en monitoring van het adaptatiebeleid zijn onder meer noodzakelijk, ook inzake publieke financiën en budget.
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 maart 2024 over het beheren van de klimaatrisico’s en het beschermen van de bevolking en de welvaart benadrukt dat de verantwoordelijkheden van de Europese Unie en de lidstaten op het gebied van risicobeheer beter moeten worden gedefinieerd om de toenemende klimaatrisico’s adequater aan te pakken.
In die context kijk ik uit naar het European Climate Adaptation Plan, maar benadruk ik eveneens het belang van het volgende meerjarig financieel kader op Europees niveau. Net als op Belgisch niveau moeten op Europees niveau volgens mij meer middelen naar klimaatadaptatie gaan, aangezien de huidige publieke financiering onvoldoende is. Bovendien verwelkom ik ook Europese initiatieven inzake green budgeting, zodat de adaptatie-uitgaven in de begroting helder in kaart worden gebracht. Met betrekking tot de begroting is het ook belangrijk om in overeenstemming met de richtlijn nr. 2024/1255 de macrobudgettaire impact van de klimaatverandering op de begroting in kaart te brengen en in voldoende ruimte te voorzien voor schadekosten.
Un ensemble de mesures d’adaptation fédérales ont été adoptées au cours de cette législature. Même si, et je le reconnais, cela reste sans doute insuffisant, cet ensemble de mesures est considérablement plus complet que le précédent plan d’adaptation fédéral.
J’ai estimé qu’il était important que chaque ministre et chaque département soit impliqué dans cet exercice. Bien que l’administration du Climat assume le rôle de coordination, la responsabilité de chaque mesure incombe aux départements fédéraux concernés. Je réitérerai la même suggestion que j’ai faite lors de la précédente législature, que chaque ministre soit interrogé par rapport aux mesures d’adaptation qu’il prend dans son propre département.
L’examen à mi-parcours de l’ensemble des mesures d’adaptation fédérales est en cours. En d’autres termes, la task force composée de représentants de chaque administration concernée est actuellement consultée sur l’état de la mise en œuvre des mesures sous leur responsabilité, notamment en ce qui concerne la mise en œuvre, les objectifs intermédiaires fixés, le budget et le résultat final de la mesure. Toute modification ou concrétisation des mesures sera également signalée. Cette évaluation sera achevée avant l’hiver et publiée en fin d’année.
En ce qui concerne les mesures contre l’impact des intempéries, dans le cadre des compétences fédérales, la limite d’intervention des assureurs a été augmentée. D’autres mesures préventives relèvent principalement des compétences régionales et sont donc incluses dans les plans régionaux.
Tijdens het federale voorzitterschap van de Nationale Klimaatcommissie zijn er belangrijke stappen gezet naar een nieuw nationaal adaptatieplan. Na veel consultatie en enig uitstel kon in de NKC geen akkoord worden gevonden over dat plan.
Ik vertrouw erop dat het werk zal worden voortgezet met voldoende aandacht voor coherentie en samenwerking tussen de verschillende entiteiten. Dat zal bijvoorbeeld belangrijk zijn voor het voorkomen en beheersen van extreme weersomstandigheden en de remediëring nadien.
Les raisons de ce blocage sont les raisons habituelles, à savoir les différences d'ambition en matière de politiques climatiques entre les différentes entités.
Xavier Dubois:
(…) À côté de cela, ce sont surtout des mesures concrètes qui sont attendues. S'il y a bien évidemment la limite des compétences de chaque entité, le rôle de coordination qui est à votre niveau est important. L'idée d'un plan national d'adaptation est bonne et doit être poursuivie. Il y a effectivement eu un échec pour aboutir à ce plan. Les raisons de cet échec que vous donnez sont, comme à votre habitude, assez vagues. Il faudrait des réponses beaucoup plus concrètes et, surtout, il faut continuer de travailler.
Certes, nous sommes en affaires courantes mais nous sommes ici sur des matières urgentes. Comme l'a rappelé mon collègue, il y a les événements dramatiques ayant entraîné la mort de 217 personnes et la disparition de bien plus encore de personnes en Espagne, ceux de 2021 qui ont causé la mort de 39 personnes dans le sud de la Belgique. L'année 2024 aura été riche en événements sur l'ensemble du territoire belge, qui ont causé des dégâts importants et créent un contexte psychologique très dur à vivre pour de nombreuses personnes. On parle beaucoup de phénom è nes d'éco-anxiété qui se développent de manière très importante. En tant que bourgmestre, je le vis au quotidien sur mon territoire et je constate à quel point cela est lourd à supporter. À la moindre alerte, à la moindre goutte de pluie annoncée par l'Institut royal météorologique (IRM), l'angoisse est présente.
Il est donc indispensable d'avancer, même en dépit du fait que nous sommes en affaires courantes. Je vous invite dès lors à poursuivre les discussions, à reprendre les contacts avec les nouveaux gouvernements mis en place en Wallonie, en Flandre et, bientôt je l'es p ère, à Bruxelles également afin de poursuivre ce nécessaire travail de coordination et d'adaptation. Nous avons besoin d'actions concr è tes et de soutien au niveau local car ce n'est pas avec une équipe au niveau communal que nous réussirons à gérer cette problématique. C'est un changement important que nous devons apporter dans toutes les thématiques de notre vie quotidienne. Il y a l à une responsabilité forte et vous devez aussi la porter.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, het Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering is in februari op mijn aangeven naar hier gekomen. Ik zou dat in het voorjaar willen herhalen. Ik dank u voor het antwoord met betrekking tot de noodzaak van risicobeheer in de EU. Alles wat u gezegd hebt over de EU is juist. Ik vraag mij wel af waar het contentieux met Vlaanderen inzake adaptie nu precies ligt. Ik heb het niet over mitigatie maar over adaptatie. Het zou goed zijn om daarop eens concreter in te gaan. Dit kan uiteraard nu niet, want we kunnen in dit format geen debat organiseren.
De stand van zaken m.b.t. het definitieve Nationaal Energie- en Klimaatplan
Het Nationaal Energie- en Klimaatplan
Het definitieve Nationaal Energie- en Klimaatplan
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het Belgische Energie- en Klimaatplan (NEKP) werd niet tijdig ingediend bij de EU, wat leidde tot een sanctieprocedure, met als kernblokkade gebrek aan consensus tussen Vlaanderen en Wallonië en een Brussels weigerachtig standpunt over aansprakelijkheid. Minister Khattabi benadrukt dat haar federaal voorzitterschap van de NKC (tot december) gericht is op procedurele vooruitgang—zelfs met minimale ambitie—om de EU tevreden te stellen, terwijl Vlaanderen (onder Depraetere) slechts voorwaardelijk (47% reductie *mits* extra maatregelen) meegaat, wat Ravyts als schijn-trendbreuk afdoet. De stuurgroep NEKP ligt technisch klaar, maar politiek akkoord ontbreekt nog steeds, met december 2024 als cruciale deadline voordat Wallonië het NKC-voorzitterschap overneemt. De EU-procedure draait nu om het ontbreken van een inzending, niet om de inhoud—maar de komende weken zijn bepalend voor verdere stappen.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, het definitieve Belgische Energie- en Klimaatplan (NEKP) is een hele saga. Mijn schriftelijke vraag over dat plan had ik al ingediend toen ik nog niet op de hoogte was van de actualiteit daaromtrent. Het plan werd niet tijdig, dus niet voor 30 juni, ingediend bij de Europese Commissie. Daarom besliste de Europese Commissie om een procedure op te starten.
De toenmalig bevoegde Vlaamse minister, mevrouw Demir, liet weten dat zij niet akkoord kon gaan met de principiële niet-aansprakelijkheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Uittredend Brussels minister Maron schreef op 25 juli een brief aan de Nationale Klimaatcommissie om te melden dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in geen geval de gevolgen wenste te dragen van eventuele Europese sancties. De Europese Commissie legde 27 september als nieuwe einddatum vast, maar toen kon geen consensus tussen Wallonië en Vlaanderen worden gevormd over het voorstel van antwoord aan de Europese Commissie om de vertraging te motiveren.
Mijnheer de voorzitter, ik richt mij ook even tot u. Er bestaat een soort van optimisme omtrent het nieuwe Vlaamse regeerakkoord. U hebt bevoegd minister Depraetere gezien. Sta me echter toe om toch even letterlijk te citeren uit het Vlaamse regeerakkoord: "Als uit de jaarlijkse monitoring van de Vlaamse broeikasgasuitstoot blijkt dat Vlaanderen een emissiereductie van 40 % bereikt tegenover 2005 voor de sectoren die onder de Effort Sharing Regulation vallen, zal Vlaanderen zijn klimaatambitie voor 2030 optrekken richting 47 %, voor zoverre die ambitieverhoging onderbouwd is met aanvullende maatregelen die tijdig worden ingediend." Van die 47 % is dus slechts heel voorwaardelijk sprake. Sommigen noemden het nieuwe Vlaams akkoord een trendbreuk, maar ik denk dat zij een perceptie willen creëren die niet met de realiteit van de tekst overeenkomt. Ik weet weliswaar dat ik in een politieke omgeving zit, maar de waarheid mag ook eens gezegd worden.
Het blijft zeer moeilijk om ook met deze Vlaamse minister een akkoord te bereiken. Ik hoor graag van u een verslag van de contacten met mevrouw Depraetere. Kunt u ook een inhoudelijk overzicht geven van de besprekingen in de stuurgroep NEKP en de NKC over de geblokkeerde situatie?
Zakia Khattabi:
In het kader van het federale voorzitterschap van de NKC had ik een constructief gesprek met Vlaams viceminister-president en minister van Energie en Klimaat Melissa Depraetere. Ik gaf een overzicht van de lopende dossiers en we bespraken het standpunt van de Vlaamse regering over deze dossiers en in het bijzonder over het NEKP, om de mogelijkheid in te schatten om het dossier tot een goed einde te brengen tijdens het federale voorzitterschap van de NKC, ongeacht de inhoud.
U hebt het Vlaamse regeerakkoord gelezen. Het gaat nu niet over de inhoud, ik wil alleen de EU-procedure respecteren. We hebben een agenda. Wat de Vlaamse regering ook beslist inzake klimaatbeleid, we moeten toch een signaal aan Europa geven, même si l'ambition est nulle . We kunnen toch een signaal geven. Het kan zijn dat de Vlaamse regering geen nieuwe maatregelen zal nemen. Zelfs dan mochten we niets aan de Commissie sturen. Op dat gebied is er toch een verschil met de vorige collega.
Nog tot eind december zal ik mijn federaal voorzitterschap van de NKC inzetten om samen met ENOVER in het energieoverleg vooruitgang te boeken. Vanaf 1 januari 2025 neemt het Waalse Gewest het voorzitterschap van de NKC over. Binnen de ambtelijke stuurgroep NEKP is alles in gereedheid gebracht om snel te kunnen schakelen bij een politiek akkoord.
Kurt Ravyts:
Die trendbreuk, mevrouw de minister, zal er dan in bestaan dat men toch bereid is om in de Europese procedure antwoorden te geven en coöperatief te zijn. We moeten concreet zien hoe dat…
Zakia Khattabi:
De procedure gaat nu over het feit dat we niets hebben ingediend, nog niet over de inhoud. Daarom zal er een verschil zijn.
Kurt Ravyts:
Ik bedoelde het ook zo: het gegeven dat er niets is ingediend en de motieven daarvoor. De voorbije verkiezingen zullen ook wel een rol gespeeld hebben. De volgende weken worden dus zeer belangrijk. Ik heb echter toch willen citeren uit het Vlaamse regeerakkoord. Het is namelijk niet zo dat er plots een totale paradigmashift is. Die perceptie wordt zo wel gecreëerd in het Vlaams Parlement, maar dat is voor de galerij. Een grote Vlaamse partij waakt erover dat dit zo zal gebeuren of niet. Ik dank u voor uw antwoord. We volgen dit week na week, maand na maand verder op en we zien elkaar met betrekking tot dit thema zeker nog terug.
De Belgische standpunten inzake de VN-biodiversiteitstop COP16
De COP16 en de voorbereiding van de Belgische nationale strategie voor 2024
Belgische inzet voor biodiversiteit en COP16-strategieën
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België speelde op de VN-biodiversiteitstop (COP16) een sleutelrol in EU-onderhandelingen, maar blokkeerde—met de EU—een nieuw biodiversiteitsfonds, uit vrees voor fragmentatie en inefficiëntie, en pleit voor versterking van bestaande mechanismen zoals het *Global Environment Facility*. De herziening van de Belgische biodiversiteitsstrategie 2030 vertraagt door complexe federale-regionale afstemming en publiek vraagt om SMART-doelen, concrete financiering, circulaire economie en strengere landbouw-/bosbouwmaatregelen, maar goedkeuring door de interministeriële conferentie staat nog uit. Financiering (o.a. via *digital sequence information*) en globale afspraken blijven knelpunten, met opkomende economieën die weigeren bij te dragen. België mikt op pragmatische oplossingen, maar de tijdsdruk en coördinatie ondermijnen snelle vooruitgang.
Voorzitter:
De heer Crucke is niet aanwezig.
Kurt Ravyts:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, over de biodiversiteitstop bracht de VRT een bericht onder de titel: "VN-top over natuur eindigt in chaos en mislukking over nieuw fonds, wel deelakkoorden over inheemse volkeren en farma- en cosmeticabedrijven." Inzake de farma- en cosmeticabedrijven gaat het om een vrijwillig fonds, zoals u weet. Het deelakkoord over inheemse volkeren is wel belangrijk en vind ik ook een goede zaak.
Mijn vraag gaat natuurlijk over de Belgische inbreng op die biodiversiteitstop en ook over het tijdpad voor de actualisering van de Belgische nationale biodiversiteitsstrategie tot 2030. We staan met de plannen nog niet waar we moeten staan. Dat geldt niet voor ons alleen, want ook andere landen hebben nog geen afdoende plannen ingediend.
Het is mij bekend dat een openbare raadpleging plaatsgevonden heeft, georganiseerd tussen 24 juni en 24 september door de FOD Volksgezondheid en Leefmilieu, voor een deel eigenlijk uw administratie. Welke waren de belangrijkste ingediende opmerkingen?
Net zoals bij de COP29 blijft het financieringsaspect moeilijk, reden waarom ik dat VRT-artikel vernoemde in de inleiding van mijn vraag. Opkomende economieën zoals China zouden de nodige fondsen moeten ophoesten, maar er blijft discussie bestaan. Dat is dus niet gelukt.
Zakia Khattabi:
De Belgische delegatie heeft zowel in de aanloop naar als tijdens de VN-biodiversiteitstop verschillende rollen opgenomen. Zo werd aan verschillende experts gevraagd om de onderhandelingen in naam van de Europese Unie te voeren. Ook werd een aantal experts van de Belgische technische delegatie gevraagd om bepaalde onderhandelingen op internationaal niveau voor te zitten, meer bepaald vanwege de expertise en het netwerk van de betreffende experts, waarmee België een aanzienlijke rol speelt op internationaal niveau. Daarnaast waakte de technische delegatie erover dat de Europese posities over de meer dan vijftig onderwerpen op de agenda gevolgd werden door de Europese onderhandelaars en onderhandelde zij namens België tijdens de Europese coördinatievergaderingen over de bijsturingen van die posities waar nodig.
De belangrijkste thema's op de voorbije COP waren zonder twijfel resource mobilization en digital sequence information . Beide onderwerpen handelen in essentie over de vraag waar wij het geld moeten halen om de doelstellingen uit het Global Biodiversity Framework (GBF) te kunnen verwezenlijken. Daarnaast waren er meer dan vijftig onderwerpen betreffende de implementatie van het GBF.
En ce qui concerne la création d'un nouveau fonds pour la biodiversité, la position de la Belgique lors de la COP16 était alignée sur celle de l'Europe.
Selon la Belgique et l'Union européenne, la création d'un nouveau fonds pour la biodiversité n'est pas en soi une solution permettant d'augmenter les investissements dans la biodiversité. D'une part, un nouveau fonds fragmenterait le paysage financier, rendant plus difficile une action forte en sa faveur, et d'autre part, il ne permettrait pas de collecter plus d'argent car nous devons exploiter de nouvelles sources d'argent au lieu de répartir les flux de financement de la biodiversité déjà existants sur plusieurs fonds. En outre, la création d'un nouveau fonds est également un processus à long terme et entraîne de nouveaux coûts de gestion.
La Belgique comprend parfaitement les préoccupations des pays en développement qui estiment que les investissements dans la biodiversité sont insuffisants. C'est pourquoi nous sommes également ouverts à l'amélioration du fonctionnement des instruments existants, en particulier le Global Environment Facility.
Des négociations sont en cours dans le cadre des informations de séquençage numérique (DSI) qui pourraient constituer une nouvelle ressource importante. Un nouveau fonds a été créé à cet effet lors de la COP16 et ses modalités doivent être définies.
U heeft ook vragen gesteld over de Belgische nationale biodiversiteitsstrategie. De herziening van deze strategie loopt sinds begin 2023. Dit proces verloopt tussen de federale en regionale overheden en wordt gecoördineerd door het Nationaal Knooppunt voor het Verdrag inzake Biologische Diversiteit.
La révision est un processus qui prend du temps et qui doit être coordonné, surtout en Belgique où les compétences sont réparties entre différents niveaux. La coopération entre toutes les administrations est essentielle pour parvenir à un accord qualitatif. L'accord a été ensuite traduit dans les langues nationales officielles et, l'été dernier, un projet de stratégie nationale pour la biodiversité a été présenté au grand public lors d'une consultation. En raison de ce long processus, le timing était serré et s'est finalement avéré irréaliste en raison de la charge de travail élevée de toutes les administrations impliquées pendant la présidence belge du Conseil. Cela s'est donc révélé irréaliste pour aboutir pour la COP16.
De opmerkingen van het publiek worden momenteel geanalyseerd en verwerkt. Na de verwerking van deze opmerkingen, de afstemming tussen de experts en de vertaling zal een herziene versie aan de interministeriële conferentie Leefmilieu worden voorgelegd. Het is uiteindelijk deze conferentie van de verschillende ministers van Leefmilieu die de herwerkte strategie moet goedkeuren.
Tijdens de publieksraadpleging benadrukten veel respondenten het belang van SMART-doelstellingen: meetbaar, haalbaar, realistisch en tijdgebonden, en meer specifieke acties voor elke operationele doelstelling van de strategie. Sommige deelnemers gaven ook aan dat de strategie van een financiële component moet worden vergezeld.
Andere reacties op de raadpleging betreffen de integratie van concepten zoals circulaire economie, mijnbouw en een overgang naar alternatieve en duurzame eiwitten in de strategie. Ook werd gewezen op het belang van een versterking van de financiële en menselijke capaciteiten om de doelstellingen van de strategie te bereiken.
Nog andere opmerkingen hadden betrekking op paragrafen over landbouw, jacht en bosbouw en hoe de ambitie van het huidige Europese beleid hierin werd weerspiegeld en de nood om een specifieke doelstelling toe te voegen met betrekking tot de Belgische ecologische voetafdruk op de wereldwijde biodiversiteit.
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, ik dank u voor de toelichting. De besprekingen in Cali moesten leiden tot de financiering van wat in Montréal is afgesproken. De bespreking van dat nieuwe financieringsmechanisme blijft moeilijk verlopen. Dat is eigenlijk mislukt, althans volgens de pers. Meetbaar en haalbaar, daar staan wij ook achter. We zullen de herwerkte strategie van de interministeriële conferentie en dit dossier verder opvolgen.
De stand van zaken met betrekking tot de pledges die op de COP26 aangegaan werden
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België zet concrete stappen om COP26-beloftes na te komen, zoals het stoppen van publieke steun voor fossiele brandstoffen: exportkredieten (Credendo) en investeringen (BIO) worden strenger gecontroleerd, met uitzonderingen voor bestaande gas/olieprojecten onder voorwaarden, en prioriteit voor hernieuwbare energie in multilaterale banken. Klimaatstrategieën en internationale coalities (bv. *Export Finance for Future*) versterken deze transitie, maar 14,7 miljard euro aan fossiele subsidies in 2021 blijft een knelpunt, ondanks beperkte fiscale aanpassingen (bv. dieselvoordelen). Seuntjens benadrukt de noodzaak om deze subsidies drastisch te herzien, vooral in economisch moeilijke tijden. Khattabi bevestigt de inzet, maar erkent dat verdere uitfasering essentieel is.
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, de beelden die wij vandaag en vorige week in Spanje hebben gezien, tonen nogmaals aan hoe belangrijk het is dat wij iets aan de klimaatverandering doen. De resultaten van de presidentsverkiezingen in Amerika stemmen mij alvast niet erg hoopvol. Hoe dan ook, de afspraken die wij tijdens de COP29 zullen maken, worden uiterst belangrijk. Nog belangrijker zal het zijn om ze ook waar te maken. Daarom kijk ik even terug naar de toezeggingen, de pledges van de vorige COP, de COP26.
Een van de toezeggingen daar van België was om samen met een aantal andere landen onze publieke steun meer in lijn te brengen met de doelstellingen inzake hernieuwbare energie en vooral om te proberen subsidies voor vervuilende fossiele brandstoffen stop te zetten. Dat vertaalde zich in volgende concrete actie: "We will end new direct public support for the international unabated fossil fuel sector within one year of signing this statement", tenzij men bepaalde maatregelen kan verantwoorden en die conform de doelstellingen uit de Parijsakkoorden zijn.
Mevrouw de minister, welke stappen hebt u ondernomen om de engagementen die België tijdens de COP26 heeft genomen, te implementeren, in het bijzonder het engagement waarbij wij ons ertoe hebben verbonden om overheidssubsidies voor fossiele brandstoffen te stoppen? Wat zijn de plannen ter zake?
Zakia Khattabi:
Ik zal voldoende tijd nemen voor een lang antwoord. Na het steunen van het betreffende initiatief op de COP26 startte de federale overheid een denkoefening over de uitfasering van federale publieke steun aan de internationale sector van de fossiele energie. Dat leidde tot enkele concrete maatregelen. Er werd een standpuntennota opgemaakt voor alle Belgische vertegenwoordigers in multilaterale ontwikkelingsbanken (MDB) met betrekking tot projecten rond fossiele energiedragers en aanverwante domeinen, zoals transport, infrastructuur en zware industrie.
Met die nota kregen Belgische vertegenwoordigers de richtlijn om oplossingen met hernieuwbare energie te prioriteren. Daarnaast staat er te lezen dat België in principe tegen projecten met fossiele energie gekant is. Zo dienen de MDB's hun steun voor projecten rond fossiele energiedragers stop te zetten en zich uitsluitend te richten op hernieuwbare energiebronnen en op energie-efficiëntie met een positieve bijdrage aan het behalen van de brede duurzaamheidsdoelstellingen, zoals het verzekeren van de toegang tot betaalbare, betrouwbare, duurzame en moderne energie.
In de nota wordt ook rekening gehouden met de noodzaak om energiezekerheid te waarborgen of energiearmoede te voorkomen en met de ontwikkelingsimpact van een eventueel project. Die principes mogen geen afbreuk doen aan de algemene richtlijn om fossiele energie uit te faseren.
Het Belgische exportkredietagentschap Credendo heeft dankzij de COP26-verklaring een fossielebrandstoffenbeleid, dat sinds januari 2023 van toepassing is. Het stelt ook dat aanvragen voor de exploratie en exploitatie van nieuwe gas- of olievelden niet langer in aanmerking komen voor dekking. Sinds november 2021 werden aanvragen voor nieuwe koolmijnen en de uitbreiding sinds het COP26-beleid van bestaande koolmijnen niet langer toegestaan.
Ik laat opmerken dat dekking mogelijk blijft voor midstream- en downstreamprojecten van reeds in productie genomen olie- en gasvelden, van olievelden waarvan de ontwikkeling reeds werd goedgekeurd en van gasvelden die reeds in ontwikkeling waren voor 2022, maar dan wel onder bepaalde cumulatieve voorwaarden.
Daarnaast probeert Credendo ook in te zetten op de promotie van schone energie om de transitie te stimuleren.
Gezien de grote impact van exportkredieten op de energietransitie wordt een internationale coalitie opgericht om de publieke exportfinanciering te aligneren met de klimaatdoelstellingen, met name Export Finance for Future, waaraan België actief deelneemt.
De Belgische Investeringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden (BIO) besliste om haar energie-investeringen te beperken tot hernieuwbare-energieprojecten en projecten die bijdragen aan de transitie naar een koolstofarme economie. BIO financiert geen doelondernemingen die energie produceren op basis van fossiele brandstoffen en biobrandstoffen van de eerste generatie.
De enige uitzonderingen zijn projecten die energie produceren op basis van gas, waarbij de energie-efficiëntie van bestaande centrales wordt verhoogd, en projecten van energieproductie op basis van biogas of door methaanextractie. Die uitsluitingslijst geldt zowel voor de directe projectfinanciering als voor projecten die via tussenpersonen worden gefinancierd. Sinds 2021 wordt de geharmoniseerde uitsluitingslijst voor fossiele brandstoffen van EDFI (Europese financiële ontwikkelingsinstellingen) toegepast.
BIO heeft nooit geïnvesteerd in steenkool en is in 2015 formeel gestopt met investeringen in olie. Via de EDFI-verklaring over klimaat- en energiefinanciering streeft BIO ernaar alle nieuwe investeringen af te stemmen op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en werkt zij aan de CO 2 -reductie van haar investeringsportefeuille om bij te dragen aan de transitie van de globale economie naar nettonuluitstoot tegen 2050.
In de context van de Belgische internationale klimaatfinanciering werd in respons op de evaluatie in 2021 van de internationale klimaatfinanciering van de Belgische overheid een internationale klimaatstrategie opgesteld door de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. De strategie refereert aan de verbintenissen die België tijdens de COP26 is aangegaan, om een einde te maken aan alle publieke steun voor de brandstoffen. Ze onderschrijft ook de standpunten van uitfasering van de steun voor fossiele brandstoffen, zowel intern, als lid van de Europese Unie, en bij de MDB's.
Voorts sloot ons land zich onder meer ook aan bij de door Nederland op de COP28 gelanceerde internationale coalitie om fossielebrandstofsubsidies uit te faseren. De federale regering heeft al verschillende initiatieven in die zin genomen, onder meer door de fiscale voordelen verbonden aan professionele diesel te verminderen en door de elektrificatie van bedrijfsvoertuigen aan te moedigen. Onderhandelingen over meer verregaande belastinghervormingen werden in juli 2023 stopgezet. Nochtans blijft de inzet op een degelijke uitfasering broodnodig, aangezien in 2021 de totale directe en indirecte subsidies voor fossiele brandstoffen 14.706 miljoen euro bedroegen.
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, mijn dank voor de duidelijke opsomming van de genomen maatregelen. Wij onderschrijven die uiteraard volledig, maar dat neemt niet weg dat we nog steeds zeer veel geld uitgeven aan fossiele subsidies. In de huidige moeilijke financiële tijden zouden we die subsidies eens kritisch tegen het licht moeten houden om te onderzoeken of we daaraan iets kunnen doen.
De beoordeling van de internationale klimaatfinanciering naar aanleiding van de COP29
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België verhoogde zijn klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden van gemiddeld 72 miljoen/jaar (2013-2019) naar 247 miljoen in 2024 (waarvan 216 miljoen federaal), maar blijft onder het *eerlijke aandeel* van 1,1 miljard/jaar volgens studies. Minister Khattabi benadrukt de zichtbare impact in kwetsbare landen en het groeiende federale engagement, maar doet geen toezeggingen voor COP29 of toekomstige verplichtingen. Seuntjens noemt de stijging onvoldoende en dringt aan op versnelde actie, wijzend op acute klimaatrampen zoals in Spanje. De financieringskloof en toekomstige verantwoordelijkheid van België blijven centraal in de discussie.
Oskar Seuntjens:
De COP29 in Azerbeidzjan wordt in de media ook wel de ‘Finance COP’ genoemd. Collega Ravyts verwees er ook reeds naar dat we een afspraak hebben om 100 miljard dollar per jaar toe te kennen aan ontwikkelingslanden opdat ze maatregelen zouden kunnen treffen om de gevolgen van de klimaatopwarming te bestrijden. Voor het eerst in 15 jaar zullen de omvang en het soort financiering dat ontwikkelingslanden ontvangen, geëvalueerd worden.
Om een beter zicht te krijgen op de manier waarop we naar de onderhandelingen van de COP29 zullen gaan, stel ik volgende vragen.
Hoeveel draagt België momenteel bij aan de klimaatfinanciering en hoe verhoudt dat bedrag zich tot het door studies geraamde eerlijke aandeel van België van minstens 1,1 miljard euro, uiteraard inclusief bijdragen aan multilaterale ontwikkelingsbanken en multilaterale instellingen? Hoe beoordeelt de regering het effect van die huidige financiering?
Heeft België plannen om zijn bijdragen aan de internationale klimaatfinanciering met het oog op de COP29 te verhogen, en zo ja, met welk bedrag?
Zakia Khattabi:
Mijnheer Seuntjens, tijdens deze legislatuur werd een stijging van de federale bijdrage aan de klimaatfinanciering gerealiseerd. Gemiddeld besteedde de federale overheid in de periode 2013-2019 ongeveer 72 miljoen euro per jaar aan internationale klimaatfinanciering, dit in hoofdzaak via het budget van de DGD.
De federale bijdragen gaan zowel naar specifieke multilaterale klimaatfondsen, zoals het Least Developed Countries Fund (LDCF) en het Green Climate Fund (GCF,) als naar bilaterale samenwerking via Enabel en BIO of via actoren van het middenveld en de universiteiten.
Dankzij bijkomende middelen en strategische keuzes bij onder meer BIO steeg de federale bijdrage in 2023 tot 216 miljoen euro. De samenwerking tussen de DGD en de federale klimaatadministratie laat toe rekening te houden met de verplichtingen van de partnerlanden onder het akkoord van Parijs.
Op Belgisch niveau zijn meer bescheiden stappen gedaan. Op mijn aandringen is in het raam van de verschillende gesprekken tussen de entiteiten over de verdeling van de veilinginkomsten van het ETS voor de periode 2021-2022 een akkoord bereikt over de minimumbijdrage van België aan internationale klimaatfinanciering in de periode 2021-2024. Dit akkoord bevatte ook een bescheiden groeipad voor de gewesten naar 2024.
De Belgische bijdrage bedraagt vandaag 247 miljoen euro. 216 miljoen euro is het aandeel van de federale overheid.
De partijen bij het akkoord van Parijs hebben zich ertoe geëngageerd een stijgende bijdrage te leveren aan de internationale klimaatfinanciering. Deze bijdrage leidde tot een testbare impact in kwetsbare landen, of zij laat hen toe hun klimaatbeleid in detail vorm te geven.
Internationale solidariteit en samenwerking zijn essentiële aspecten van de internationale klimaatdiplomatie. Zij zijn belangrijk in de strijd tegen de klimaatcrisis, en voor onze allianties met de meest kwetsbare landen in het bijzonder.
De federale regering kan dus met een mooi palmares naar de COP29 trekken. U zult begrijpen dat ik geen uitspraken kan doen voor andere entiteiten, noch voor de toekomstige federale regering.
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik ben uiteraard blij met het gestegen budget voor internationale klimaatfinanciering. Dat neemt echter niet weg dat het nog steeds niet voldoende is, als we de harde cijfers van de realiteit zien. Ik kan alleen maar hopen dat de volgende regeringen daarvan dringend werk maken, in België, maar ook elders. Veel tijd om te wachten hebben we niet meer. Dat zien we in Spanje en ook op andere plaatsen in de wereld. Ik hoop dat we snel stappen zullen zetten en dat België zijn verantwoordelijkheid nu, maar ook in de toekomst zal nemen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.11 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 11.
Het ontbreken van een Belgisch concreet actieplan in het kader van de COP16 over biodiversiteit
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 24 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België werd op de COP16-biodiversiteitstop verweten zonder nationale strategie of politieke vertegenwoordiging te verschijnen, terwijl het CFDD de ontwerpstrategie onvoldoende ambitieus noemt en de vertraging (start in 2023, deadline 2024) kritiseert. Minister Khattabi benadrukt dat België via de EU spreekt en dat de strategie—vertraagd door discussies over *nature-based solutions*—eind 2024 klaar moet zijn, maar erkent gebrek aan impact op de COP16-agenda. Nuino kaart aan dat symbolische afwezigheid en laag prioriteitsniveau de indruk wekken dat biodiversiteit geen urgente regeringfocus is, ondanks institutionele complexiteit. De kern: België mist zichtbare ambitie en actie, terwijl de EU-rol het nationale tekort niet compenseert.
Ismaël Nuino:
Madame la ministre, cette semaine, la COP16 a démarré en Colombie. Je pense que nous serons tous deux d’accord là-dessus: les COP sont des outils primordiaux pour lutter contre le dérèglement climatique ou en ce qui concerne la biodiversité. Elles sont excessivement importantes. C’est pour cette raison qu’il est très important que les pays qui s’y rendent le fassent avec le plus d’ambition possible pour réellement pouvoir faire avancer la cause.
Nous devions présenter à cette COP16 une stratégie nationale pour la biodiversité. Force est de constater qu’encore une fois, en ce qui concerne une conférence internationale majeure, la Belgique s’est rendue les mains vides à cette conférence. Encore une fois, la Belgique n’a aucun plan en ce qui concerne la lutte contre le dérèglement climatique. Cela pourrait encore être le cas, malheureusement, pour le Plan national é nergie-Climat (PNEC) et la COP29, où on risque également de se retrouver les mains vides. La Belgique se rend sans aucune ambition à ces grandes conférences internationales pour le climat.
Il semblerait – mais les informations peuvent être précisées – qu’il y aurait un projet de stratégie nationale, sur lequel un avis du Conseil Fédéral du Développement Durable (CFDD) a été rendu. Je cite cet avis: "Cette stratégie ne répond pas suffisamment aux attentes." Madame la ministre, la stratégie belge en matière de biodiversité ne répond pas suffisamment aux attentes.
Madame la ministre, comment expliquez-vous le retard dans cette stratégie? Il semblerait que le travail ait démarré en 2023, ce qui paraît excessivement court pour une ambition démarrant en 2024.
Une consultation publique se terminait en septembre 2024 pour aller la présenter en octobre 2024. Il semble que même au début de cette consultation, on pouvait savoir que nous serions en retard.
En ce qui concerne les ambitions, sont-elles, comme le CFDD le dit, insuffisantes?
Enfin, j’ai appris qu’il n’y avait aucune représentation politique à cette COP16. Madame la ministre, pourquoi ne vous y êtes-vous pas rendue? Pourquoi s'avère-t-il que le gouvernement fédéral n’y consacre pas suffisamment (…)
Zakia Khattabi:
Monsieur le député, merci de faire vivre cette importante thématique dans cette Assemblée, et singulièrement le jeudi après-midi, à un moment où, on le sait, l’attention est ici.
Vous ne le saurez pas, vous n’aurez malheureusement pas l’occasion de le constater, je ne suis pas la dernière à déplorer et à dénoncer les retards ou le manque d’ambition, que ce soit en matière de climat ou de biodiversité. Je voudrais cependant amener quelques éléments de nuance et de correction à ce que vous avez présenté.
D’abord, la Belgique n’a pas de voix propre dans ces instances internationales. C’est l’Europe qui parle au nom des États. La position se construit en amont. C’est donc l’Europe qui s’exprime. Les priorités de la Belgique lors de cette COP sont déterminées par les ambitions et les positions défendues lors de la COP15 par l’Union européenne. Celles-ci n’ont pas changé.
La Belgique s'y associe pleinement. Du reste, elle fut très active lors des négociations à la COP15. Son expertise a été reconnue. Permettez-moi de saluer ici le travail accompli par nos administrations.
S'il est en effet regrettable que la stratégie nationale n'ait pas abouti, cela n'aura aucun impact sur notre position lors de cette COP, parce que les questions en jeu ne sont pas encore liées à l'analyse des stratégies et du plan national d'action. La stratégie belge a été rédigée pour la première fois en 2006. Ensuite, elle a été mise à jour une seule fois. Après l'entrée en vigueur du Cadre mondial de la biodiversité de Kunming-Montréal, nous avons décidé politiquement, en 2023 seulement, d'élaborer une nouvelle mise à jour pour aligner notre stratégie sur ce cadre. Cette nouvelle stratégie doit être prête pour la fin de l'année. Vous avez dit qu'elle enregistrait un certain retard. C'est notamment en raison d'une discussion entre les experts relativement à la définition des nature based solutions à adopter, certains plaidant pour la définition européenne, les autres pour celle des Nations Unies. Par conséquent, ce travail a pris un peu de retard. Toujours est-il que le nouveau projet existe et qu'il a été soumis à consultation publique. Il devra ensuite être approuvé par la Conférence interministérielle sur l'environnement du 26 novembre. Et ces stratégies seront évaluées (…)
Ismaël Nuino:
Madame la ministre, je vous remercie. J'entends que nous avons une voix. De plus, elle se fait entendre par l'intermédiaire de l'Union européenne. Néanmoins, si c'était le seul argument, c'est également le cas pour les COP Climat au sein desquelles nous travaillons également avec l'Union européenne. Vous venez, du reste, de me répondre que vous alliez vous y rendre. L'enjeu me semble aussi être de pouvoir donner des signaux clairs en disant que la biodiversité doit être l'une de nos priorités et que nous devons absolument travailler en ce sens. Tant le retard que le manque d'ambition épinglé par le Conseil Fédéral du Développement Durable et le manque de représentation semblent montrer que le gouvernement n'éprouve pas d'intérêt majeur envers ces questions de biodiversité. Je vous concède les difficultés institutionnelles de notre pays, ainsi que celle que représente l'objectif à atteindre. Toutefois, je pense sincèrement que nous devons travailler ensemble à un cadre cohérent pour que cet objectif, qui était prioritaire au cours des cinq dernières années, le soit encore dans les cinq et même vingt prochaines années, parce que c'est là que se situent les véritables enjeux.
ETS2 en de Europese koolstoftaks
ETS2 en de Europese koolstoftaks
De stijging van de aardgas-, stookolie- en benzineprijs als gevolg van de nieuwe Europese CO2-taks
Invloed van Europese CO₂-taks op brandstof- en energieprijzen
Gesteld door
Gesteld aan
Tinne Van der Straeten
op 22 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om ETS2, het nieuwe Europese emissiehandelsysteem (2027) dat brandstof- en verwarmingskosten sterk zal verhogen (tot €940/jaar extra voor gas, €1705 voor mazout), met zware sociale gevolgen voor kwetsbare huishoudens en automobilisten. Minister Van der Straeten benadrukt dat ETS2 geen belasting is maar een *cap-and-trade*-systeem, gekoppeld aan een Sociaal Klimaatfonds dat 75% van de opbrengst reserveert voor isolatie, schone mobiliteit en steun aan lage inkomens, waardoor het een *herverdelende maatregel* moet worden. Critici (D’Amico, Van Rooy) wijzen op onbetaalbare lasten voor burgers en betwijfelen of de herverdeling voldoende zal zijn, terwijl Van Rooy het systeem afdoet als "roof door de overheid" die de middenklasse uitkleedt. De kernspanning ligt tussen klimaatambitie (via prijsmechanismen) en sociale rechtvaardigheid, met onenigheid over de effectiviteit van de voorgestelde compensatie.
Voorzitter:
De heer Hedebouw is niet aanwezig.
Roberto D'Amico:
Madame la ministre, le système ETS2 a été adopté et doit entrer en vigueur en 2027. Cela impliquera une nouvelle taxe qui impactera la facture énergétique des ménages.
En effet, contrairement à l'ETS1, le système d'échange de quotas d'émissions pour l'industrie, c'est désormais le citoyen qui devra s'acquitter de cette taxe carbone européenne.
Si le prix de la tonne de CO 2 se situe à 45 euros, le litre d'essence ou de diesel coûtera 10 à 12 centimes de plus. Mais plusieurs chercheurs pensent que le prix de la tonne de CO 2 pourrait plutôt se situer entre 71 et 261 euros.
S’il passe effectivement à 261 euros par tonne, il faudra ajouter jusqu'à 60 centimes pour l'essence et 70 centimes pour le diesel. Une consommation moyenne de gaz coûterait 940 euros de plus par an et une consommation moyenne de mazout 1 705 euros.
Madame la ministre, que pensez-vous de ces chiffres? Êtes-vous d’accord avec ces projections? De nombreuses personnes ne pourront tout simplement pas supporter ces coûts. Pensez-vous que quelqu'un qui arrive à peine à joindre les deux bouts, mais qui a besoin de sa voiture pour le travail, les courses ou des entretiens d'embauche, c'est-à-dire pour vivre tout simplement, aura encore assez d'argent pour passer à la conduite électrique? La grande majorité des Belges se chauffent encore au gaz ou au mazout, vous le savez tout aussi bien que moi. En Flandre, huit ménages sur dix se chauffent actuellement au gaz. Ils vont voir leurs coûts exploser.
Madame la ministre, avez-vous déjà pris en compte les conséquences sociales de cette hausse des prix de l’énergie et des carburants?
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, een gemiddeld gezin dat met gas verwarmt, zal tot de helft meer moeten betalen op jaarbasis. Dat blijkt uit een nieuwe studie van de universiteiten van Bazel en Stuttgart en het Potsdam Instituut voor Klimaatimpact in Duitsland. Zij becijferden de impact van het nieuwe Europese uitstootsysteem dat vanaf 2027 in werking treedt. Daardoor valt de verwarming van gebouwen en het transport op land onder de zogenaamde emissiehandel ETS2. Leveranciers van benzine, diesel, aardgas en stookolie moeten vanaf dan betalen voor de uitstoot van CO 2 . Deze extra taks zal worden doorgerekend aan de eindconsument die de wagen voltankt of thuis verwarmt.
Volgens de nieuwste prognoses dreigen de kosten vanaf 2030 fors op te lopen, tot 800 euro extra per jaar op de aardgasfactuur van een gemiddeld gezin. Ook verwarmen met stookolie en benzine tanken zal dan voor onze gezinnen veel duurder, zeg maar onbetaalbaar worden, tot wel 620 euro per jaar voor stookolie en 25 euro per tankbeurt. Maar ook vanaf 2027, binnen drie jaar dus, zal er al een verhoging van de aardgasfactuur van gemiddeld minimaal 184 euro per jaar zijn.
Mevrouw de minister, wat is uw reactie hierop? Vindt u dat België deze nieuwe Europese CO 2 -taks moet verwerpen, gelet op de onbetaalbare prijzen die daarvan het gevolg zullen zijn? Zo niet, waarom?
Tinne Van der Straeten:
Collega’s D’Amico en Van Rooy, het is interessant dat u die vragen stelt, maar de insteek van uw vragen had anders kunnen zijn.
Op Europees niveau is er een ETS2 afgesproken, dat kan dus niet verworpen worden. Alleen volgens Vlaams Belangers kan iets wat al beslist is nog verworpen worden. Voor hen bestaat de democratie immers niet, maar dat doet niet ter zake. Er is iets beslist op Europees niveau wat geïmplementeerd zal worden en het zou een consequentie kunnen hebben.
De vraag dringt zich dan op wat men daarmee moet doen. Zal men dat ondergaan of zal men dat in handen nemen? Het misschien wel nuttig om die studie ter hand te nemen en naast het systeem zoals het is ingevoerd te leggen.
Wat is ETS2 eigenlijk? ETS2, het ETS voor gebouwen en transport, zal het cap-and-trade system implementeren. Het is dus geen klassieke taks.
Ce n'est pas une taxe, monsieur D'Amico.
Het zullen ook niet de eindverbruikers zijn, maar de brandstofleveranciers die hun emissies moeten monitoren en rapporteren en emissierechten zullen moeten kopen en inleveren om hun emissies te dekken.
Het cruciale aan ETS2 is dat het gepaard gaat met de invoering van een Sociaal Klimaatfonds. De middelen daarvan gaan voor 75 % naar de lidstaten en in de regeling is aan de lidstaten opgelegd hoe zij die middelen moeten inzetten, namelijk ten dienste van zij die de laagste inkomens hebben. Er is ook een budget gereserveerd van 25 % dat specifiek gaat naar de financiering ten bate van de kwetsbaarste groepen in elke EU-lidstaat. U kunt hier zeggen dat de mensen zullen moeten betalen door de beslissing over ETS2 omdat hun factuur hoger zal worden, maar u zou ook kunnen zeggen dat ETS2 zal zorgen voor inkomsten voor de lidstaten, waarvan een deeltje specifiek is gereserveerd voor kwetsbare groepen, en dat er dus iets beslist is dat in se een herverdelend effect heeft. De inkomsten die worden opgehaald, gaan er immers voor moeten zorgen dat huizen geïsoleerd worden en dat mensen zullen kunnen rijden met een propere auto. De groepen in de samenleving die dat niet kunnen betalen, krijgen hulp. Dat is dus absoluut een herverdelende maatregel. Bij de implementatie van de maatregel zal het dan ook cruciaal zijn dat dat zich ook zo realiseert en dat de gegenereerde inkomsten effectief worden ingezet voor de laagste inkomens, om ervoor te zorgen dat huizen en gebouwen gerenoveerd zullen worden en propere wagens op de weg zullen komen.
Alle vragen moeten en kunnen worden gesteld. Als wij zouden zien dat de prijzen enorm stijgen … We hebben het al gehad over de volatiliteit van de prijs van fossiele brandstoffen, die een feit is. We zullen worden geconfronteerd met periodes waarin de prijzen weer omhooggaan, wat zal resulteren in meer inkomsten voor de lidstaten en dus voor België, hoofdzakelijk voor de gewesten, want gebouwen en transport betreffen niet noodzakelijk federale bevoegdheden. Dat wil dus ook zeggen dat die hoge prijzen niet zullen resulteren in winsten voor de oorlogsmachine van Poetin. Het systeem zal ervoor zorgen dat de lidstaten meer inkomsten krijgen en zij zullen die middelen kunnen inzetten om het herverdelende effect te realiseren.
Dit dossier heeft baat bij minder populisme, bij minder demagogie. We mogen de situatie niet ondergaan maar moeten stellen dat we willen dat mensen in huizen wonen waar de energie niet langs ramen en deuren naar buiten vliegt. We zien dat heel wat mensen hun energie niet kunnen betalen. De inkomsten die we daaruit halen, zullen we dan ook structureel inzetten voor hen. Het is een zegen, een blessing in disguise, voor de gewestelijke ministers van Energie, voor de gewestelijke ministers van Huisvesting, om te zorgen voor een sociaal en rechtvaardig klimaatbeleid.
Roberto D'Amico:
Madame la ministre, je vous remercie. Je vous crois quand vous dites que ce n'est pas une nouvelle taxe pour les citoyens. Vous dites aussi que les répercussions seront endossées par les producteurs, mais ceux-ci répercuteront cette taxe vers les citoyens.
Si nous voulons réellement conscientiser les gens à une nouvelle transition écologique, cette transition écologique ne pourra se faire que si elle passe par une transition sociale. Sans aider les gens, cette transition ne pourra pas se faire. Si les citoyens commencent à payer plus, la transition économique n'aura pas lieu et la population sera contre la transition écologique. Je ne pense donc pas que l'approche soit la plus pertinente en ce qui concerne la transition écologique.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, ik noteer dat Groen na het verliezen van twee verkiezingen op rij nog steeds dezelfde demagogische onzin verkondigt en het ook niet kan laten om leugens te vertellen over mijn partij. Wij hebben de EU altijd verworpen omdat het een antidemocratische instelling is. Wij hebben ook dat zogenaamde emissiehandelsysteem altijd verworpen omdat dat het leven van de gewone, hardwerkende Vlaming alleen maar duurder maakt. Er is nu een studie die aantoont dat dat het geval zal zijn, maar wat zegt u? Dat is positief, want dat zijn meer inkomsten voor de overheid, die ze dan een beetje kan herverdelen. Wat u doet, mevrouw Van der Straeten, is geld stelen van de middenklasse. U bent lid van een roverheid die de middenklasse in dit land steeds maar verzwakt en dat onder het mom van vergroening en hernieuwbare energie. Stop daarmee of u zult straks – wat ik natuurlijk hoop – onder de kiesdrempel zakken.
De inbreukprocedure tegen ons land inzake het uitblijven van een klimaatplan
Gesteld door
Gesteld aan
Zakia Khattabi (Minster van Klimaat, Milieu en Duurzame Ontwikkeling)
op 17 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België mist de Europese deadline voor het indienen van het klimaatplan door Vlaanderens vertraging, terwijl de andere gewesten en federale overheid klaar waren, wat nu leidt tot een Europese inbreukprocedure met risico op boetes. Minister Khattabi bevestigt dat Vlaanderen bewust de deadline negeerde, ondanks herhaalde waarschuwingen, en dat haar pogingen om dit te voorkomen (o.a. via contact met de nieuwe Vlaamse minister Depraetere) te laat komen. Almaci hamert op Vlaanderens "sabotagepolitiek", die België in diskrediet brengt en belastinggeld verspilt, terwijl de Vlaamse regering zelfs geen concrete timing of plan heeft om de klimaatdoelstellingen (47% reductie, nu slechts 17%) te halen. De federale groene inspanningen worden overschaduwd door Vlaanderens gebrek aan ambitie en actie, met financiële gevolgen voor alle burgers.
Meyrem Almaci:
Mevrouw de minister, de Europese Commissie is het wachten op het klimaatplan van ons land beu. Vorige dinsdag, op een briefing naar aanleiding van de aanstaande klimaatconferentie, sprak mevrouw Yvon Slingenberg hier haar smart uit namens de Europese Commissie omdat ons land de opgelegde deadline van 30 juni niet gehaald heeft. België had zijn klimaatplan toen moeten indienen. De federale regering was klaar, de Waalse regering was klaar, de Brusselse Hoofdstedelijke regering was klaar, maar Vlaanderen stond met lege handen. Vlaanderen heeft er zich van afgemaakt met het smoesje dat het de nieuwe regering toekwam een update te doen.
Uiteindelijk blijkt die update hard nodig, want Vlaanderen is op weg een van de grootste klimaatfossielen van Europa te worden: 17 % reductie, terwijl het zichzelf een doelstelling van 47 % had opgelegd, wat al beneden de eisen van Europa was. Vlaanderen is dus niet zo goed bezig.
Mevrouw Slingenberg heeft ons land nog eens gecontacteerd nadat de deadline verstreken was, dus na juni. Zij had wel een compliment voor de federale regering inzake de energietransitie, die op conto van onze groene ministers mag worden geschreven. Toch is ze de inbreukprocedure nu gestart, omdat er nog geen klimaatplan ligt voor de totaliteit van ons land. Dat is niet onschuldig. We weten allemaal dat het niet halen van de reductiedoelstellingen ons potentieel veel geld zal kosten en dat de belastingbetaler dus het gebrek aan ambitie zal betalen. Wat weinigen evenwel weten, is dat ook het laattijdig indienen van het plan op zich ons zuur kan opbreken en boetes kan betekenen. In die fase zitten we nu.
Ik heb dus een heel eenvoudige vraag, mevrouw de minister: hoe is dit kunnen gebeuren? Kunnen we er nog iets aan doen? Wat hebt u, als voorzitter van de Nationale Klimaatcommissie (NKC), gedaan om dit te voorkomen?
Zakia Khattabi:
Net vóór deze plenaire vergadering vernam ik dat de Commissie inderdaad een formele inbreukprocedure zal opstarten. Ik betreur enorm dat België de ene na de andere deadline heeft gemist om zijn Nationaal Energie- en Klimaatplan (NEKP) in te dienen bij Europa. De federale regering was ruim op tijd klaar, want al op 7 mei passeerde het geactualiseerde Federaal Energie- en Klimaatplan (FEKP) op de ministerraad. Ik kreeg het mandaat om het FEKP te integreren in het NEKP, zodat we het tijdig konden verzenden, v óó r de deadline van eind juni.
Als voorzitster van de NKC stelde ik inderdaad vast dat het Brusselse en het Waalse Gewest ook in juni hun plannen klaar hadden. Enkel het Vlaamse Gewest meldde dat het pas een plan zou voorleggen wanneer er een nieuwe regering was. Het Vlaamse Gewest wilde de reden van vertraging niet meedelen aan de Europese Commissie in juni en evenmin na een herinnering van de Commissie in september. Het heeft er dus actief voor gekozen om de Europese deadlines te overschrijden en boetes te riskeren.
Ondertussen heb ik contact opgenomen met mijn nieuwe collega, Melissa Depraetere, om haar de situatie en de urgentie uit te leggen. Er is een afspraak gemaakt, maar jammer genoeg is het te laat om een inbreukprocedure te voorkomen.
Meyrem Almaci:
Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister, al is het bijzonder onrustwekkend. Andermaal is het de sabotagepolitiek van Vlaanderen die ons in Europa een mal figuur doet slaan en ons nu ook geld zal kosten. Geld dat we zouden kunnen gebruiken om mensen te helpen om hun huizen versneld te renoveren en dus hun facturen duurzamer te verlagen. Collega’s, gisteren vroeg mijn collega Aimen Horch in het Vlaams Parlement aan de Vlaamse minister wanneer het plan er zou komen. Het verbijsterende antwoord was dat er nog geen timing vastlag. Men weet het gewoon niet. Ons land loopt dus de facto achter en er is een inbreukprocedure gestart, maar tegelijk is het duidelijk dat de Vlaamse regering geen idee heeft over hoe ze die Europese klimaatdoelstellingen zal halen. Ze maakt van dit land een klimaatfossiel op kosten van de belastingbetaler. Il faut le faire. Doe uw fair share , Vlaamse regering. Het is hoog tijd.
De conferentie van Bakoe 2024 over de klimaatverandering
De VN-klimaatconferentie in Azerbeidzjan
Klimaatconferenties in Bakoe 2024 en Azerbeidzjan
Gesteld door
Gesteld aan
Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen)
op 16 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België erkent dat Azerbeidzjan als COP29-gastland werd gekozen via VN-consensus (met instemming van Armenië) en grijpt niet in, maar benadrukt via EU-kanalen respect voor mensenrechten en een duurzaam vredesakkoord tussen Armenië en Azerbeidzjan. Samyn blijft de keuze bekritiseren, wijzend op Azerbeidzjans autoritaire regime, etnische zuiveringen in Artsach en onderdrukking van oppositie, en vraagt zich af waarom energiebelangen de mensenrechtenschendingen overschaduwen. Lahbib bevestigt Belgische deelname aan COP29 en belooft mensenrechten te agenderen, maar concrete actie ontbreekt. De spanning tussen klimaatdiplomatie en ethische bezwaren blijft onopgelost.
Ellen Samyn:
Mevrouw de voorzitster, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Op 11 november 2024 gaat de Klimaatconferentie van de Verenigde Naties van start in Bakoe, de hoofdstad van Azerbeidzjan.
De keuze voor Azerbeidzjan is op zijn minst merkwaardig te noemen aangezien Azerbeidzjan op 19 september 2023 Artsakh binnenviel. Na de wapenstilstand op 20 september van datzelfde jaar werd Artsakh door Azerbeidzjan zo goed als volledig etnisch gezuiverd en stelt Azerbeidzjan na deze agressieoorlog alles in het werk om alle sporen van de christelijk Armeense cultuur te vernietigen.
Graag verneem ik van de minister:
Hebt u als minister van Buitenlandse Zaken en/of hebben leden van de regering, protest aangetekend tegen de keuze voor Bakoe als locatie voor de Klimaatconferentie?
Hebt u hierover overleg gepleegd met uw collega's van de federale regering, ministers Khattabi en Van der Straeten?
Zal er vanuit België een vertegenwoordiging worden voorzien? Zo ja, zal op de Klimaatconferentie de etnische zuivering van Nagorno-Karabach aangekaart worden door België?
Hadja Lahbib:
Mevrouw Samyn, de keuze voor Azerbeidzjan als locatie voor de COP29 is het resultaat van de gangbare procedure in het VN-Klimaatverdrag. Die bestaat erin dat de vijf VN-regio's met hun lidstaten roterend een land nomineren tot gastland. In dit geval werd de nominatie vanuit de Oost-Europese groep bevestigd in de plenaire vergadering van de COP. Dat is de gebruikelijke gang van zaken eens er consensus is in de regionale groep die de nominatie voordraagt. In de groep waren er verschillende kandidaten. Na intern overleg werd Azerbeidzjan bij consensus voorgedragen, dus met expliciete steun vanwege Armenië, dat zijn kandidatuur introk. Het zou ongepast zijn dat België als een lidstaat die niet behoort tot de betreffende regionale groep, tussenbeide komt.
Tijdens ons EU-voorzitterschap kon België in de voorbereidende onderhandelingen sturing geven aan de boodschappen die de EU zal brengen tijdens de COP29. Dankzij die inspanningen wordt formeel gewezen op de nood aan respect vanwege het gastland voor de principes en de doelstellingen van het VN-Handvest en voor de mensenrechten.
Bovendien werkt België al jaren in de marge van de VN-sessies over klimaatverandering om de synergie tussen klimaatbeleid en mensenrechten te versterken. Ik heb onlangs nog gesprekken gehouden met de Azerbeidzjaanse minister van Buitenlandse Zaken als vervolg op eerdere diplomatieke contacten tussen onze twee landen.
Ik beklemtoon voortdurend het belang van het sluiten van een duurzaam vredesakkoord tussen Armenië en Azerbeidzjan op basis van de VN-beginselen territoriale integriteit, soevereiniteit en respect voor de rechten van de inwoners.
De recente vooruitgang in het vredesproces, met name op het vlak van grensafbakening, is bemoedigend. België steunt ook de inspanningen van de EU en de speciale gezant van de EU voor de Zuidelijke Kaukasus. De EU moet betrokken blijven bij het vredesproces. Over het algemeen biedt de COP29 een kans om tot een duurzaam akkoord te komen.
Momenteel is er vanwege de regeringsvorming nog geen volledige duidelijkheid over de precieze samenstelling van de Belgische delegatie. Het respect voor de mensenrechten is een cruciaal onderwerp en zal dan ook waar mogelijk besproken worden. Onze deelname aan de COP is een zekerheid. Die houding delen we met andere EU-lidstaten en met het maatschappelijk middenveld.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, ik blijf de keuze merkwaardig vinden. Ik dank u voor uw inspanningen, maar het is u niet onbekend dat Azerbeidzjan een beleid voert dat nauwelijks democratisch kan worden genoemd. Ik beschik niet over de recentste cijfers, maar in 2022, dus nog voor de etnische zuivering in Artsach, stond Azerbeidzjan op de 134 ste plaats van de 167 in de democratie-index van de Economist Intelligence Unit. Men kan niet naast de feiten kijken. Los van alle mensenrechtenschendingen ten aanzien van de Armenen uit Artsach – we hebben het straks nog over de situatie van de Armeense krijgsgevangenen en het gevangenzetten van onder andere opposanten van het regime en journalisten –, is het zorgwekkend hoe het staat met het waarborgen van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de rechtsstaat in het land. Wat is er nog nodig om de ogen van het Westen te openen en te erkennen dat het regime ginder absoluut niet normaal is? Het blijft een droeve vaststelling, maar eens te meer blijkt dat die bevoorrechte energiepartner van de EU aan het langste eind zal trekken en mensenlevens ondergeschikt zijn aan olie of gas.
Het investeringsklimaat
De teloorgang van de industriële bedrijven
De economische verschuiving en industriële achteruitgang
Gesteld door
Gesteld aan
Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)
op 2 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België kampt met een zwak investeringsklimaat, hoge inflatie en krimpende industriële activiteit—met name in de maak- en autosector—wat werkgelegenheid en welvaart bedreigt. Minister Dermagne wijst op relatief sterke investeringscijfers (2023) en EU-beleid tijdens het Belgische voorzitterschap, maar erkent dat structurele oplossingen aan de volgende regering zijn, met focus op massale investeringen en industrieel herstel. Van Lommel blijft kritisch: de dienstensector kan niet zonder sterke maakindustrie, en het herstelplan miste brede industriële steun, terwijl de farmadaling post-covid de echte langetermijntrends maskeert. Kernpunt: urgentie voor gericht industriebeleid om afhankelijkheid en afbouw tegen te gaan, maar concrete maatregelen ontbreken nog.
Reccino Van Lommel:
Mijnheer de minister, u weet dat ik u graag geregeld ondervraag over de economische indicatoren in ons land. Ik volg die bijzonder nauwlettend op. De economische indicatoren voor ons land blijken nog altijd niet zo heel gunstig te zijn. De inflatie is nog altijd hoger dan het Europese gemiddelde en we kunnen niet zeggen dat onze economie het op dit moment bijzonder goed doet. Er heerst ongerustheid bij heel wat bedrijven. Wanneer men met ondernemers in gesprek gaat, voelt men dat heel duidelijk.
De ECB heeft, om de inflatie af te remmen, de rente verschillende keren verhoogd. Naar verwachting zal binnen afzienbare tijd echter een nieuwe daling ingezet worden. Intussen zorgt het hoge rentetarief er wel nog altijd voor dat de investeringen worden afgeremd, zowel voor bedrijven als voor consumenten die bijvoorbeeld willen renoveren of een huis kopen. Een zwak investeringsklimaat zet dan weer druk op de werkgelegenheid en dergelijke. We zien dat heel wat analisten zich zorgen maken.
Vandaar heb ik een aantal vragen aan u.
Wat plant u om het investeringsklimaat op te krikken en om de krimp van de industriële bedrijven tegen te gaan? We zien dat sommige sectoren het bijzonder moeilijk hebben. Op welke wijze wilt u de structurele uitdagingen aanpakken?
Als we specifiek naar de industriële bedrijven kijken, zien we dat de industriële activiteit in de hele eurozone in het afgelopen jaar nergens zo sterk verslechterd is als in België. De industrie staat heel zwaar onder druk. Kijk maar naar Audi. Dat is daar een goed voorbeeld van. De auto-industrie is inderdaad wel een speciale sector; daarover zullen we het vanmiddag nog hebben.
De industrie en vooral de maakindustrie is in ons land een belangrijke motor voor innovatie, export, productiviteit enzovoort. We hebben die maakindustrie echt wel nodig om onze welvaart in de toekomst te verzekeren. We moeten een zo gunstig mogelijk ondernemingsklimaat creëren met minder regulering en betere logistieke structuren.
Mijnheer de minister, bent u van oordeel dat er voor de Belgische industrie nog een mooie toekomst is weggelegd? Wat is uw visie daaromtrent? Welke maatregelen hebt u genomen om de industriële sector in ons land te ondersteunen? Wat hebt u gerealiseerd en hoe?
Pierre-Yves Dermagne:
Tijdens de laatste jaren en kwartalen kende België ten opzichte van zijn buurlanden en Europa een relatief dynamische groei, die in 2023 vooral door de investeringen werd ondersteund. De economische groeivooruitzichten voor ons land tussen 2024 en 2029 zijn gunstig. In 2023 hadden we een van de hoogste investeringscijfers op Europees niveau en sinds begin 2024 blijven de investeringen in België nog toenemen.
De productie van de verwerkende nijverheid nam in België met 6,5 % af in 2023. Deze daling is echter grotendeels te wijten aan de daling van de farmaceutische productie, namelijk -24 % ten opzichte van 2022. Die farmaceutische productie was tussen 2020 en 2022 sterk gestegen als gevolg van de COVID-19-pandemie, maar is daarna teruggekeerd naar het niveau dat dichter bij het langetermijngemiddelde ligt.
Deze regering heeft tal van maatregelen genomen om de economie te ondersteunen, bijvoorbeeld op het vlak van de mededinging, de strijd tegen de klimaatverandering, de digitale transformatie en het herstelplan, en een reeks maatregelen om het hoofd te bieden aan de verschillende crisissen waarmee België werd geconfronteerd.
Tijdens het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie heb ik een ambitieuzer industrieel beleid gesteund. Deze strategie is terug te vinden in het verslag van Enrico Letta over de toekomst van de interne markt, dat op mijn verzoek werd opgesteld. Ze is ook terug te vinden in de conclusies van de Europese Raad over de toekomst van de interne markt, die ik tijdens het Belgische voorzitterschap heb kunnen laten goedkeuren. Daarnaast zijn er ook de conclusies van de Raad over de toekomst van het industrieel beleid, onder leiding van mijn collega's van de regio's. Tot slot is er ook het zeer recente verslag van Mario Draghi, waarin de noodzaak van massale investeringen wordt benadrukt om onze industriële achterstand in te halen.
Het is nu echter aan de volgende regering en het huidige Parlement om de nodige maatregelen te nemen om de sociaal-economische uitdagingen voor België, maar ook voor Europa, aan te gaan.
Reccino Van Lommel:
Natuurlijk zijn er altijd verschillende analisten die er een verschillende mening op nahouden, maar ik kan wel zeggen dat er een bepaalde ongerustheid is in ons land, zeker wat betreft de toekomst van onze industrie. Die wordt namelijk deels bedreigd door afhankelijkheid, wat ook in een van de volgende vragen aan bod zal komen. Anderzijds wordt ook de maakindustrie afgebouwd. We hebben immers wel een heel sterke dienstensector in ons land, maar een dienstensector zonder industrie of maakindustrie kan niet overeind blijven. Ik denk dus dat we in de komende jaren een sterk beleid zullen moeten voeren en dat het een van de speerpunten zal moeten zijn om de welvaart in ons land te beschermen. U verwijst eveneens naar het herstelplan, dat heel wat investeringen teweeg heeft gebracht. Dat herstelplan is er echter niet zonder slag of stoot gekomen. De focus daarbij lag ook vooral op klimaat en digitalisering, hoewel dat maar een niche is. Ik had echter liever een focus gezien op onze industrie. Deze afbouw werd ingezet door de farmasector als gevolg van COVID-19. Anderzijds moeten we de vergelijking maken met de periode voor covid, want dat is het eerlijkste. Ik doe dat ook wanneer we energieprijzen vergelijken. Ik kijk dan ook naar 2019 bijvoorbeeld, om deftig te kunnen zien dat we geen appelen en peren met elkaar gaan vergelijken. Hoe dan ook, als we naar die economische achteruitgang kijken, stellen we toch vast dat de Europese Centrale Bank en de beleidsmakers bijzonder verdeeld zijn over de vooruitzichten. Ik blijf ongerust. De volgende regering zal het inderdaad mee moeten ondersteunen en oplossen, maar in afwachting van die nieuwe regering zal ik u wel vragen blijven stellen.