Over onderwijs, cultuur en religie
107
plenaire vragen
10
voorstellen
meeste contributies
De btw-verhoging voor schoolkantines
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 28 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sofie Merckx (PS) bekritiseert de geplande TVA-verhoging op schoolmaaltijden (15-20 cent per maaltijd), die volgens haar de gratis schoolmaaltijden in Charleroi bedreigt en lage inkomens raakt, en vraagt of minister Jambon (N-VA) een uitzondering overweegt. Jambon bevestigt de ontvangst van een brief van Waals minister Glatigny (PS) en stelt dat het ontwerp-KB (zonder uitzondering voor scholen) nog bij de Raad van State ligt, maar aanpassingen mogelijk blijven. Merckx noemt de TVA-maatregel "een circus dat burgers en kinderen straft" en dringt aan op herziening, terwijl Jambon geen concrete toezeggingen doet, maar de deur openlaat voor wijzigingen tijdens de tweede ministerraadlezing. De voorzitter sluit de mondelinge vragen af.
Sofie Merckx:
Monsieur le ministre, je tiens d'abord à vous remercier de rester aussi tard pour épuiser toutes les questions. C'est vraiment positif. Ainsi, elles ne sont pas reportées et peuvent être posées.
Ma question porte à nouveau sur la TVA que vous avez déjà évoquée précédemment. Un collègue évoquait même "le cirque de la TVA". Mais, pour certains, c'est évidemment moins rigolo. En effet, la question de l'application de l'augmentation de la TVA sur les repas scolaires fait toujours débat, notamment au niveau du conseil communal de Charleroi, où je siège, et où cette augmentation de quand même 15 à 20 cents par repas pourrait avoir une influence. Cela met, par ailleurs, en péril le projet de gratuité des repas qui sont donnés.
Durant les débats à la Fédération Wallonie-Bruxelles, Mme Glatigny a confirmé vous avoir adressé un courrier à ce sujet pour demander une exemption ou une non-application de la hausse de la TVA. Par ailleurs, le 23 janvier 2026, le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles aurait aussi adressé un courrier au niveau fédéral à ce propos.
Le 14 janvier 2026, cela a fait l'objet du débat d'actualité qui comptait une vingtaine de questions. Malgré une réponse très longue, vous n'avez pas été précis quant à l'application de cette hausse de TVA sur les cantines scolaires.
Ma question, monsieur le ministre, est dès lors très simple et j'espère obtenir une réponse. Avez-vous reçu un courrier de la part de Mme Glatigny ou du gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles? Il semblerait toutefois que cette conséquence d'une décision prise au sein du Conseil des ministres ne plaise ni au MR, ni aux Engagés. Une exception sera-t-elle éventuellement appliquée pour les repas scolaires?
Jan Jambon:
Madame Merckx, je confirme que la lettre de Mme Glatigny a bien été reçue par mon cabinet.
Le projet d'arrêté royal est actuellement soumis pour avis au Conseil d'État. Des adaptations restent donc éventuellement possibles. Dans le texte de base, il n’est pas prévu d'exception pour les repas scolaires. Mais je ne souhaite pas anticiper ces adaptations.
Par la suite, l'arrêté royal sera à nouveau soumis au Conseil des ministres pour une deuxième lecture. Il sera toujours possible d'adapter le texte. Mais dans le texte de base, qui est maintenant au Conseil d'État, il n'y a pas d'exception prévue pour les repas scolaires.
Sofie Merckx:
D’accord. Je conclus de votre réponse, qu'en fait, finalement, c'est encore en discussion. Vous dites que pour le moment, ce n'est pas prévu, mais vous avez reçu le courrier de Mme Glatigny. Je suppose que vous écoutez quand même vos partenaires de gouvernement quand ils ont des demandes.
Plus sérieusement, je pense que ce n'est vraiment pas quelque chose d'anodin: 15 à 20 cents par repas pour les familles, cela pèse, bien sûr, quand on a un très petit revenu. La gratuité des repas scolaires est aussi en péril.
Je ne peux qu'espérer, monsieur le ministre, si vous ne jetez pas l'ensemble du projet d'augmentation de la TVA à la poubelle… Ce serait peut-être quand même la meilleure chose à faire, parce que quand on voit le cirque que c'est devenu, cela devient vraiment n'importe quoi. Cela pénalise clairement le simple citoyen, les jeunes, et aussi les enfants. Revoyez donc votre copie, s'il vous plaît!
Voorzitter:
Er zijn nog leden aanwezig, maar behalve ikzelf zijn er geen andere vraagstellers meer aanwezig. Ik zal nog een viertal vragen mondeling stellen en alle andere omzetten in schriftelijk vragen. Ik hoop dat u mij de antwoorden daarop spoedig zult bezorgen.
Ochratoxine A in rozijnen en studentenhaver
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 27 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Lotte Peeters vraagt minister Clarinval om uitleg over de terugroepactie (eind 2025) van rozijnen en studentenhaver met te hoge Ochratoxine A-gehalten (nier- en mogelijk kankerrisico), inclusief timing, extra controles en structurele oplossingen. Clarinval antwoordt dat het FAVV op 19/12/2025 werd gewaarschuwd via RASFF, maar de terugroep op 2/1/2026 werd ingetrokken na een conforme heranalyse door Luxemburg; geen structureel probleem, wel een natuurlijk risico afhankelijk van weersomstandigheden, met bestaande EU-regels en autocontroles door producenten. Peeters benadrukt het belang van strenge droog- en bewaarregels en verwelkomt de jaarlijkse FAVV-controles, met een schriftelijke navraag over recente Ochratoxine A-gevallen.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, eind 2025 riepen supermarktketens Cora en Carrefour rozijnen en biologische studentenhaver terug, omdat ze een te hoog gehalte aan Ochratoxine A bevatten. Dat is een giftige stof die door schimmels in voeding kan ontstaan en schadelijk is voor de gezondheid. Een langdurige blootstelling aan Ochratoxine A kan namelijk nierschade veroorzaken en is mogelijk ook kankerverwekkend.
Ten eerste, de terugroepactie gebeurde in overleg met het FAVV. Wanneer werd het voedselagentschap op de hoogte gebracht en wanneer werd beslist om die producten uit de handel te halen en terug te roepen?
Ten tweede, werden extra controles uitgevoerd naar de aanwezigheid van Ochratoxine A in rozijnen of studentenhaver van andere supermarktketens met eenzelfde leverancier?
Ten derde, werd een onderzoek gestart naar structurele problemen in de voedselketen, zoals opslag, transport of import uit bepaalde regio’s?
Ten slotte, overweegt u bijkomende sensibilisering van producenten en distributeurs over het voorkomen van schimmelvorming en dergelijke in voeding?
Ik dank u alvast voor uw antwoorden.
David Clarinval:
Ochratoxine A is een mycotoxine die wordt geproduceerd door schimmels zoals Aspergillus en Penicillium. De stof komt vooral voor in plantaardige producten zoals granen, koffie en gedroogd fruit. De vorming ervan wordt gestimuleerd door een hoge vochtigheid of onvoldoende droging van de grondstof en door een ongeschikte temperatuur.
Het FAVV werd op 19 december 2025 door de Luxemburgse autoriteiten op de hoogte gebracht via het Europese RASFF-systeem. De betrokken distributeurs Cora en Carrefour publiceerden respectievelijk op 25 en 26 december 2025 een persbericht over de terugroepactie. Op 2 januari 2026 trokken de Luxemburgse autoriteiten de RASFF-melding in na een tweede analyse.
De betrokken producten werden op basis van die analyse als conform beschouwd. Bijgevolg werden de Belgische terugroepmaatregelen en de persberichten opgeheven. De betrokken loten werden geïdentificeerd aan de hand van traceerbaarheidsgegevens.
Er waren geen andere supermarkten betrokken.
Wanneer de leverancier of producent in een andere lidstaat is gevestigd, voert de bevoegde autoriteit van die lidstaat het onderzoek en informeert zij andere lidstaten via het RASFF-systeem. De procedure is erop gericht alle mogelijk betrokken loten in kaart te brengen. In dit geval was dat niet nodig vanwege de conforme resultaten van de tweede analyse uitgevoerd door Luxemburg.
Mycotoxinen, waaronder ochratoxine A, vormen een bekend gevaar voor bepaalde producten. Ze zijn strikt gereglementeerd in de Europese wetgeving. Exploitanten en bevoegde autoriteiten zijn zich bewust van de risico's en zetten zich in om de veiligheid van de consumenten te waarborgen. Het betreft dus geen structureel probleem, maar een gevaar dat van nature, afhankelijk van de weersomstandigheden, aanwezig kan zijn in bepaalde producten.
De controle van grondstoffen en eindproducten valt in eerste instantie onder de verantwoordelijkheid van de producent of leverancier en de betrokken supermarktketens in het kader van hun autocontrolesystemen. De betrokken sectoren, poductie, verwerking en distributie, nemen de controle op mycotoxine, waaronder ochratoxine A, al lang op in hun richtlijnen voor autocontrole.
Tot slot voert het FAVV jaarlijks monsternemingen uit in het kader van het controleplan. De programmatie van die monsters is risicogebaseerd. Het agentschap volgt eveneens systematisch de Europese RASFF-meldingen en de verplichte notificaties van operatoren op.
Lotte Peeters:
Dank u wel, mijnheer de minister. Het is goed dat er een tweede analyse is uitgevoerd met een gunstig resultaat, waardoor de melding kon worden ingetrokken. Dat illustreert natuurlijk wel waarom strenge regels noodzakelijk zijn met betrekking tot het drogen en correct bewaren van onder andere fruit, granen of koffie, die dan ook gevolgd moeten worden door producenten en leveranciers. Het is ook geruststellend dat het FAVV instaat voor jaarlijkse extra controles op basis van staalnames. Ik heb over de materie ook een extra schriftelijke vraag ingediend om een beter beeld te krijgen van het voorkomen van ochratoxine A in onze voeding het afgelopen jaar. Ik kijk uit naar uw antwoord daarop.
De islamitische lokale geloofsgemeenschap Ayasofya te Hasselt
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 21 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Frank Troosters (Vlaams Parlementslid) bekritiseert de schijnbare tegenstrijdigheid tussen het gunstige federale veiligheidsadvies (door Justitie/OCAD) voor de Turks-islamitische geloofsgemeenschap Ayasofya in Hasselt – ondanks vastgestelde buitenlandse inmenging (Turkse ambassade) en discriminatie door de Vlaamse Informatie- en Screeningsdienst (ISD) – en vraagt of veiligheidsdiensten deze risico’s onvoldoende wegen of slecht geïnformeerd waren. Minister Annelies Verlinden (Justitie) benadrukt dat federale en Vlaamse instanties verschillende criteria hanteren (dreigingsanalyse vs. erkenningsvoorwaarden) en dat het OCAD-advies niet bindend is, maar wijst wel op goede samenwerking tussen diensten; ze ontwijkt specifieke casusdetails. Troosters kondigt verdere schriftelijke vragen aan, suggereert procedurale haast als excuus voor late indiening.
Frank Troosters:
Mevrouw de minister, ik kom vandaag naar deze commissie met een vraag over de islamitische lokale geloofsgemeenschap Ayasofya te Hasselt. Die verkreeg geen erkenning van de bevoegde Vlaamse minister, Hilde Crevits.
Uit haar ministerieel besluit blijkt dat de Informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen heel wat ernstige tekortkomingen vaststelde, onder andere in verband met buitenlandse inmenging, een structurele rol van diplomatiek personeel van de Turkse ambassade en een schending van de non-discriminatieverplichtingen. Opvallend daarbij is dat de federale minister van Justitie, ondanks die vaststellingen, een gunstig veiligheidsadvies afleverde op 18 december 2023 en dat dit gunstige advies in 2025 bevestigd werd. Die inconsistenties en vastgestelde tekortkomingen roepen bij mij een aantal vragen op.
Hoe verklaart u dat de federale minister van Justitie een gunstig veiligheidsadvies afleverde en dat later ook nog eens bevestigde, terwijl de Informatie- en screeningsdienst duidelijke vaststellingen deed van haatzaaierij en structurele inmenging door een buitenlandse mogendheid? Werden de vaststellingen die de Informatie- en screeningsdienst deed, meegenomen in die federale veiligheidsanalyse? Moet daaruit worden afgeleid dat de federale veiligheidsdiensten dergelijke elementen, die toch niet van de minste zijn, niet beschouwen als een veiligheidsrisico, dan wel dat ze daarover misschien niet volledig of correct geïnformeerd waren?
Daarnaast heb ik nog een vraag over de informatie-uitwisseling. Zijn er inzake het uitwisselen van informatie en de onderlinge communicatie zaken die anders of beter kunnen? Ik verwijs daarbij zowel naar de Vlaamse controle door de ISD als naar het federale niveau en naar de lokale steden en gemeenten die betrokken zijn.
Tot slot, welke contacten vonden er plaats met het lokale bestuur van Hasselt met betrekking tot de lokale geloofsgemeenschap Ayasofya? Was er contact of communicatie? Wat werd er gezegd?
Ik dank u alvast voor uw antwoord.
Annelies Verlinden:
Collega Troosters, bij wijze van inleiding wil ik nog even de aandacht vestigen op het feit dat u uiteraard vragen kunt indienen tot 11.00 uur, de dag voor de commissievergadering, maar deze vraag werd exact om 11.00 uur ingediend. Ik zeg dat uit respect voor de diensten en voor de vele mensen die zich dagelijks inzetten voor Justitie. Snel moeten antwoorden, brengt namelijk een grote druk met zich mee. Dat maakt de werkzaamheden, die ook betrekking hebben op andere dossiers, voor de mensen bij Justitie er niet makkelijker op.
Wat uw vraag betreft, vanzelfsprekend kan ik niet ingaan op individuele dossiers. Wat de procedure betreft, kan ik wel melden dat het federale veiligheidsadvies tot stand komt op basis van een dreigingsanalyse. Sinds september 2024 is het OCAD bevoegd voor het afleveren van die evaluatie. In de evaluatie wordt beoordeeld of lokale geloofsgemeenschappen een dreiging vormen voor de veiligheid van de staat en voor de openbare orde.
Voor de dreigingsanalyse wint het OCAD deeladviezen in bij de Veiligheid van de Staat, de ADIV, de Dienst Vreemdelingenzaken, de geïntegreerde politie en de Cel voor Financiële Informatieverwerking. De diensten voeren die opdracht uit conform de wet en rekening houdend met de actuele situatie. Een erkenningsaanvraag van een lokale geloofsgemeenschap wordt ook steeds geagendeerd op de bevoegde local taskforce (LTF).
Het is belangrijk om op te merken dat de federale veiligheidsdiensten en de Informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen verschillende bevoegdheden hebben en bijgevolg bepaalde elementen op een andere manier kunnen evalueren. In het kader van een erkenningsprocedure geeft de ISD advies over de mate waarin een erkenning zoekende lokale geloofsgemeenschap voldoet aan de erkenningscriteria uit het Vlaams erkenningsdecreet. De federale dreigingsevaluatie is niet bindend. Ook al is het advies gunstig, dan nog moet een lokale geloofsgemeenschap voldoen aan tal van voorwaarden en criteria die uitsluitend door de ISD worden beoordeeld.
De bestaande informatie- en overlegkanalen tussen de betrokken veiligheidsdiensten en de regionale diensten functioneren evenwel goed en worden blijvend geëvalueerd. Naast het federale veiligheidsadvies zijn er nog een aantal andere adviezen die opgesteld worden en mee aan de basis liggen van de finale beslissing van de regionale minister, zoals de adviezen van de provincie, het lokale bestuur en het representatieve orgaan.
Zoals gezegd, kan ik niet ingaan op individuele dossiers, maar in het algemeen steunt het federale veiligheidsadvies op een ernstige, globale en actuele beoordeling van alle beschikbare informatie. Alle betrokken diensten voeren die opdrachten uit met de grootste zorgvuldigheid en in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Ik wil hen in dit kader zeker danken voor hun inspanningen, in het licht van onze collectieve veiligheid.
Frank Troosters:
Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik heb begrip voor wat u zegt. Mijn vraag werd inderdaad vrij laat ingediend. Ik had ze eigenlijk iets eerder ingediend. Ik zou u uw inbox kunnen laten nakijken, maar ze is ergens blijven hangen. Ik heb dus gisteren nog letterlijk door de gang gespurt om ze voor 11.00 uur te kunnen indienen, omdat ik wist dat ik dan vandaag mijn vraag kon komen stellen. Ik zit soms in andere commissies, en dan is dat soms moeilijk. Ik begrijp dus ook dat de antwoordtermijn zeer kort is. Ik zal het antwoord sowieso nog eens herbeluisteren. Ik zal misschien via een aantal schriftelijke vragen verder op deze kwestie terugkomen, maar ik begrijp dat het voor vandaag misschien moeilijk is. Ik heb alvast al iets en ik wil u daarvoor danken. Wordt vervolgd. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 14.59 uur. La réunion publique de commission est levée à 14 h 59.
De hervorming van het btw-stelsel
De verhoging van de btw op gas
De btw-verhoging
De economische impact van de btw-verhoging op de sectoren en de consumenten
De btw-verhoging in de cultuursector
De btw-verhoging in de categorie sport
De btw-verhoging in de categorie ontspanning
De btw-verhoging voor takeawaymaaltijden
De btw-verhoging voor cultuurorganisaties
De mogelijke btw-verhoging voor de levering van schoolmaaltijden en maaltijden voor wzc's
De btw-verhoging en het specifieke geval van Pairi Daiza
De verhoging van de btw op door autonome gemeentebedrijven (AGB's) beheerde sportactiviteiten
De bezorgdheden van de bioscoop Plaza Arthouse Cinema te Bergen
De bezorgdheden van de hotelsector in Bergen
Het voornemen om het gebruik van gas te ontmoedigen
De willekeur in het kader van de btw-verhoging
De btw-tarieven voor sport en cultuur
De btw op afhaalmaaltijden: definitieslag, uitvoerbaarheid en opbrengstraming
De toepassing van de btw-verhoging in de vrijetijdssector
De gevolgen voor de gemeenten van de verhoging van de btw op sportactiviteiten
De btw-behandeling van koffie- en chocoladedranken
De impact van het uitstel van de btw-aanpassingen op de overheidsinkomsten
De logiessector
De btw voor schoolkantines
Het kerstakkoord over de btw
Btw-hervormingen en hun impact op sectoren, consumenten en overheidsinkomsten
Gesteld door
VB
Lode Vereeck
PTB
Roberto D'Amico
PVDA
Kemal Bilmez
PS
Frédéric Daerden
PS
Frédéric Daerden
PS
Frédéric Daerden
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Hugues Bayet
PS
Marie Meunier
PS
Marie Meunier
PS
Marie Meunier
Open Vld
Alexia Bertrand
Open Vld
Alexia Bertrand
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
PS
Hugues Bayet
MR
Hervé Cornillie
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
VB
Lode Vereeck
VB
Lode Vereeck
PTB
Sofie Merckx
DéFI
François De Smet
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen), Mathieu Bihet (Minister van Energie)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Het actualiteitsdebat over de btw-hervorming draait om kritiek op de complexe, onduidelijke en volgens oppositie asociale maatregelen in het begrotingsakkoord 2026, met name de verhoging van btw-tarieven op sport, cultuur, takeaway, horeca en energiekosten, terwijl de regering claimt dat dit budgettair noodzakelijk is en neutraliteitsregels van de EU moet respecteren. Hoofdpunten kritiek/bezorgdheden: - Asociale impact: Oppositie (o.a. Van Quickenborne, Bilmez, Daerden) bekritiseert dat de maatregelen koopkracht aantasten (bv. schoolmaaltijden +€100/jaar, fitness 6%→12%) en armen onevenredig raken, terwijl de regering stelt dat inkomensbelastingverlaging dit compenseert. - Absurde complexiteit: De 48-uursregel voor takeaway (6% vs. 12% btw afhankelijk van houdbaarheid) en willekeurige onderscheiden (bv. opera 6%, popconcert 12%; ontbijtcroissant 6%, middagcroissant 12%) worden als onuitvoerbaar en willekeurig bestempeld, zelfs door meerderheidspartijen (o.a. Vereeck, Bertrand). - Gezondheid vs. belasting: Fitness, sportclubs en gezonde maaltijden worden duurder, terwijl ultrabewerkt voedsel (lange houdbaarheid) fiscale voordelen behoudt – tegenstrijdig met volksgezondheidsbeleid (kritiek van Bilmez, Schlitz). - Sectorklachten: Cultuur (festivals, cinema), horeca en toerisme vrezen klantverlies en concurrentienadeel t.o.v. buurlanden (bv. Daerden, Schlitz wijzen op risico’s voor evenementen als Tomorrowland). Regeringsstandpunt (Jambon): - EU-neutraliteit dwingt tot gelijke behandeling van vergelijkbare producten (bv. warme maaltijd ter plaatse vs. afhaal). - VAT gap (€4,5 mjd misgelopen btw) moet worden gedicht via betere inning (o.a. elektronische facturatie) en tariefaanpassingen. - Uitzonderingen voor non-profitorganisaties (bv. sportclubs onder €30.000 omzet) en cultuur (theater, klassieke muziek blijven 6%), maar geen ruimte voor aanpassingen aan scholen/woonzorgcentra (“slippery slope”). - FAQ beloofd na advies Raad van State (januari 2026), maar geen concrete oplossingen voor urgente knelpunten (bv. lopende abonnementen, schoolkantines). Conclusie: Het debat toont een diepe kloof tussen regeringslogica (budgettaire noodzaak, EU-regels) en praktische/maatschappelijke weerstand (complexiteit, rechtvaardigheid, gezondheid). Oplossingen blijven vaag; oppositie eist herziening, regering houdt vast aan het plan.
Voorzitter:
Collega’s, we starten vandaag met een actualiteitsdebat over de hervorming van de btw en de afspraken die daarrond zijn gemaakt in het begrotingsakkoord.
Om problemen te vermijden, zal ik iedereen met een ingediende vraag het woord geven indien gewenst. Conform het Kamerreglement zullen ook de fracties die geen vragen hebben ingediend eenmaal het woord mogen nemen, ofwel nadat de ingediende vragen zijn gesteld, ofwel tijdens de replieken.
Ik stel ook voor dat de collega’s die vragen hebben ingediend zich beperken tot de spreektijd die normaal gezien toegekend werd aan hun vragen. Iemand die één vraag heeft ingediend, krijgt twee minuten spreektijd. Mijnheer Vereeck, u hebt drie vragen ingediend en krijgt dus zes minuten spreektijd. Collega’s, u hoeft zich echter niet verplicht te voelen om die gekregen tijd volledig te vullen. Na de vragen geef ik het woord aan de minister en kunt u repliceren.
Ik hanteer de volgorde van de indiening van de vragen, als dat voor u goed is. Geen bezwaar? (Nee)
Leden die meerdere vragen hebben ingediend, komen eenmaal aan het woord voor al hun vragen en dienen hun vragen dus te bundelen.
Lode Vereeck:
Mijnheer de minister, ik had een eerste vraag ingediend op 10 oktober om een actualisering te krijgen van de effecten van de verlaging en verhoging van de percentages van de btw-stelsels.
Tien jaar geleden heb ik daarrond gewerkt en kende ik dat uit het hoofd. Ik vroeg mij namelijk af wat het geraamde effect zou zijn op de inkomsten van de overheid, indien op alle producten die momenteel onder het tarief van 6 % en 12 % vallen, het tarief van 9 % van toepassing wordt, terwijl het tarief van 21 % op bepaalde producten naar 22 % wordt verhoogd. Daarnaast vroeg ik wat het geraamde effect zou zijn van een harmonisering van de btw-tarieven van 6 en 12 % op de koopkracht. Intussen heb ik geleerd dat dat zeer punctuele vragen zijn. Mijnheer de minister, tenzij u hierover nieuwe informatie hebt, zou ik die vragen dan ook willen omzetten in een schriftelijke vraag. Dat hebt u mij gisteren meegedeeld, waarna ik die zo meteen zal afhalen.
Mijn tweede vraag, die dateert van 14 november 2025, kwam er naar aanleiding van een door ITA, de beroepsfederatie van accountants en bedrijfsrevisoren georganiseerde debat met enkele collega’s op de Heizel in Brussel over de invoering van de elektronische facturatie. Daarin leerden we dat de Belgische schatkist bijna 4,5 miljard euro door onvoldoende naleving van de btw-regels misloopt en daarmee is de kloof wat de naleving van btw-regels betreft, hier een van de diepste van de Europese Unie, zeker wanneer men het bedrag procentueel afzet tegenover de totale btw-inkomsten. We laten daar dus bijzonder veel middelen liggen. Als de btw volledig correct werd geïnd, zou dat meteen een bijkomende opbrengst van 4,5 miljard euro betekenen. Aangezien de regering volgens de geruchtenmolen begin november zou mikken op 3,5 à 4 miljard euro aan nieuwe btw-inkomsten via een verhoging van de tarieven, rijst vanzelfsprekend de vraag of er in plaats daarvan niet aangewezen is om sterker in te zetten op een betere inning. Vandaar volgende vragen.
Mijnheer de minister, ten eerste, welke maatregelen neemt de regering om de btw-kloof te dichten?
Ten tweede, tot welk niveau en binnen welke termijn wil de regering de kloof verkleinen? Dat is een typische vraag vanuit het perspectief van reguleringsimpactanalyse, aangezien het, net zoals bij verkeersongevallen, niet realistisch is om te streven naar een absoluut nulpunt. Dat zou immers zeer drastische maatregelen vergen. Het doel moet zijn om alle vermijdbare gevallen te voorkomen.
Ten derde – dit is mijn kernvraag –, wat is volgens de regering de impact van de elektronische facturatie, dus van Peppol op de btw-kloof?
Mijn vierde vraag luidde welke bijkomende maatregelen de regering neemt in het kader van de btw-verhoging of -hervorming. Mijn vijfde vraag, die punctueel is, zal ik schriftelijk stellen.
Ondertussen is er uiteraard veel gebeurd. Er hebben begrotingsbesprekingen plaatsgevonden en er zijn beslissingen bekendgemaakt. De begrotingsnotificaties en de begrotingstabel die ons na afloop van de bespreking in de plenaire vergadering werden bezorgd, zijn evenwel niet heel erg duidelijk; daar zit als het ware wat ruis op.
Mijn oorspronkelijke vraag, die intussen grotendeels is uitgeklaard, betrof de budgettaire impact van de btw-hervorming met de verschillende btw-aanpassingen. Meer specifiek, gelet op de tijdskloof tussen het begrotingsakkoord en de begrotingsnotificaties, rijst de vraag hoe realistisch de raming is van 158 miljoen euro die in 2026 wordt verwacht uit de btw-verhoging op hotels en campings. Hoe schat de regering die opbrengsten vandaag in?
Hetzelfde geldt voor de 253 miljoen euro die in 2026 wordt verwacht uit de btw-verhoging op sport en ontspanning. Blijft die raming overeind en op welke manier is die berekend?
Ten slotte is er de wellicht belangrijkste vraag, namelijk die over de budgettaire impact ten belope van 222 miljoen euro die in 2026 wordt verwacht door de btw-verhoging op takeaway, gecombineerd met de btw-verlaging op niet-alcoholhoudende dranken. Intussen is daarover veel onduidelijkheid weggenomen. We weten nu dat de verhoging enkel geldt voor bereide voeding met een houdbaarheidsdatum van meer dan twee dagen. De vraag blijft echter of die raming van 222 miljoen euro overeind blijft. Daarnaast wens ik verduidelijking over een concreet geval: wanneer een diepvriespizza in een pizzeria wordt opgewarmd, valt die dan onder het lagere btw-tarief?
Roberto D'Amico:
Monsieur le ministre, le gouvernement envisage d'augmenter les accises sur le gaz. Il indique dans son tableau budgétaire vouloir récupérer 365 millions d'euros pour le budget fédéral. Le premier ministre a déclaré au Parlement que cette hausse d'accises correspondait à une croissance équivalant à 12 % de TVA d'ici 2030. Aujourd'hui, plusieurs chiffres circulent concernant l'impact pour un ménage belge qui se chauffe principalement au gaz.
Monsieur le ministre, confirmez-vous que ces 365 millions d'euros correspondent à 12 % de TVA sur le gaz? Quel sera le coût additionnel de cette hausse d'accises sur la facture de gaz pour un ménage moyen? Par ailleurs, j'ai introduit une question écrite sur le surcoût pour les différents types d'entreprises. J'attends vos réponses avec impatience.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik wil beginnen met een open brief die ik gekregen heb. Ik meen dat u die ook gekregen hebt. Hij was afkomstig van een zekere Eric Vandenabeele, ondervoorzitter van fitness.be. Ik hoop dat u die brief goed gelezen hebt. Ik zal er toch een stukje uit citeren.
Hij schrijft het volgende: “Elk nieuw jaar wensen politici ons hetzelfde toe: een goede gezondheid. Dat klinkt warm, menselijk en geruststellend, maar de woorden alleen volstaan niet. Wie gezondheid echt belangrijk vindt, moet dat ook durven tonen in het beleid. Voor wie vandaag wil investeren in zijn fysiek en mentaal welzijn maakt u dat concreet duurder. U verwijst vaak naar gezondheid als argument om keuzes te maken. Preventie wordt bejubeld in speeches, maar ontmoedigd in de praktijk. Onze samenleving besteedt jaarlijks miljarden aan zorg, behandeling en ziekte. Dat is noodzakelijk. Maar het is niet logisch dat preventie, nochtans bewezen effectief, systematisch achteraan in de rij staat. Bewegen, fitness en sporten zorgen voor een grote sociaaleconomische return. Fittere mensen zijn gezonder, gelukkiger, productiever en langer zelfstandig.” Maar wat doet uw regering met deze btw-verhoging? U verdubbelt de belasting op sport en fitness, misschien wel de belangrijkste preventiefactor voor de volksgezondheid.
Mijn eerste vraag is, hoe rechtvaardigt u dat?
Een tweede aspect van uw btw-verhoging betreft de jongeren. In al uw asociale maatregelen gebruiken u en uw meerderheid telkens het argument dat u het doet voor de jongeren. U breekt de pensioenen af zodat jongeren in de toekomst een fatsoenlijk pensioen kunnen hebben.
Maar wat doet u, opnieuw, met deze btw-verhoging en voor de jongeren nu? U verdubbelt de belasting op sport, op fitness, op films, op festivals, op concerten. Eigenlijk op alles wat de jeugd doet om zichzelf beter te voelen en om plezier te maken. Daar heb ik eigenlijk dezelfde vraag. Hoe rechtvaardigt u deze verdubbeling van de belasting op de dingen die de jeugd elke dag gebruikt?
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, puisque cette commission organise un débat d'actualité – et j'en suis heureux – je reviendrai sur l'ensemble des augmentations de TVA prévues dans votre accord budgétaire 2026.
Vous avez annoncé une augmentation des taxes sur la consommation à hauteur de 1,6 milliard. Vous avez délibérément décidé d'augmenter la facture de toute une série de produits et de services en allant chercher dans la poche des travailleurs et de la classe moyenne: augmentation de la facture de gaz, du prix du mazout, du prix du plein d'essence et de diesel, etc. Vous vous attaquez également aux secteurs du tourisme, de l'horeca, du sport, de la culture et du loisir. L'augmentation de la TVA sur ces secteurs pèsera à la fois sur le pouvoir d'achat des citoyens et sur les secteurs concernés. En outre, ce relèvement de la TVA, qui s'ajoute à l'austérité imposée dans les régions et communautés, aura des répercussions en cascade sur bon nombre d'activités économiques et sur l'ensemble de la société.
Monsieur le ministre, avez-vous une idée de l'impact que l'augmentation de ces taxes pourrait avoir sur les activités économiques dans les secteurs touchés? Pourriez-vous me communiquer une analyse d'impact secteur par secteur? Avez-vous également chiffré l'impact de toutes ces augmentations de taxes sur les différents budgets des ménages? De plus, pourriez-vous me préciser à quel moment ces augmentations de TVA seront effectives? J'entends parler du mois de mars, mais pourriez-vous confirmer cet élément afin de ne pas laisser tous ces secteurs et consommateurs dans l'incertitude?
De manière plus spécifique, j'aimerais revenir sur les plats à emporter. Monsieur le ministre, la manière dont vous avez décidé de gérer l'augmentation de la TVA sur les plats à emporter relève de l'absurde. Je pense que je ne suis pas le seul à le penser. Si un plat a une date de conservation de 48 heures ou moins, ce sera 12 %. Si ce plat a une date de conservation supérieure, cela reste 6 %. Vous pénalisez le frais et vous favorisez les produits ultra-transformés. Non seulement c'est incompréhensible, mais cela semble n'avoir aucune logique, ni en termes de santé publique, ni en termes de soutien à l'économie locale.
Mais ce n'est pas tout. Vous avez confirmé en plénière que le doublement de la TVA toucherait des services de restauration collective de prise en charge de publics vulnérables. Vous taxez les cantines scolaires, mais aussi les repas livrés dans les homes ou à domicile.
Concernant ce point, j'ai une question très précise. On sait que le curseur est la date de conservation du plat à emporter. Un plat livré par un CPAS – par la Centrale de services à domicile (CSD) pour parler d'un fournisseur local à Liège – peut se conserver en moyenne pendant cinq jours. Le consommateur peut dès lors décider de le mettre au frigo et de le consommer trois jours après la livraison. Quel taux est alors applicable?
Même raisonnement pour ce qui est des écoles. Toujours selon le critère du nombre de jours de conservation du plat et non de la date de consommation, si je livre un plat fraîchement préparé, il se garde plusieurs jours. Quand bien même les enfants le mangeraient le jour-même, la TVA applicable ne devrait-elle pas être de 6 %, puisqu'il peut se conserver plusieurs jours?
J'en viens à présent à la culture, le sport et les loisirs. Dans votre tableau budgétaire, on peut lire que l'augmentation de la TVA sur les sports et loisirs rapporterait 253 millions d'euros à partir de 2026. Vous taxez donc la culture, les établissements sportifs et de loisir: l'abonnement à la salle de sports, l'entrée au jardin des plantes, au parc d'aventure, au bowling… Tout cela sera plus cher. Le moins que l'on puisse dire, c'est que votre gouvernement n'aime ni la culture ni les artistes. J'en veux pour preuve la multiplication des attaques contre les travailleurs des arts et de la culture, notamment lorsque vous avez tenté de détruire leur statut en le limitant dans le temps, ou quand vous attaquez leurs pensions en voulant leur faire perdre des centaines d'euros par mois, en ne valorisant pas plus de neuf années de statut. Ici, vous décidez d'augmenter le prix d'une représentation de théâtre, d'une place de cinéma, de concert, de festival. Pour revenir quelques instants sur le cas particulier des festivals, ceux-ci subiront de plein fouet vos augmentations de taxes sur les billets d'entrée mais aussi sur les food trucks , sur les hôtels avoisinants… Bref, vous décidez de plomber tout un pan de l'activité économique.
Dans les notifications budgétaires, je lis que "pourraient être exclues les 15 premières représentations théâtrales, musicales (hors festival), lyriques, chorégraphiques ou de cirque" ou que, deuxième piste, "une exonération pourrait être prévue pour les chorégraphies, les spectacles et le théâtre". Monsieur le ministre, avez-vous reçu ces avis juridiques?
Augmenter le prix des places de concert, de festival, de cinéma, mais aussi des matchs de basket, de foot, crée un casse-tête immédiat chez les opérateurs. Quid de la répercussion sur les prix? Doivent-ils augmenter les prix de 1 ou 2 euros par ticket? Quid de l'absorption des pertes sur les billets prévendus? Quid du risque que les spectacles soient plutôt organisés à Lille, au Luxembourg?
Monsieur le ministre, les secteurs culturels et touristiques, fragilisés à la suite de la pandémie du covid, dont la fréquentation est en hausse, mais incertaine, anticipent une baisse de public, des marges rognées et des délocalisations. Quel sera l'impact économique de vos augmentations de taxes sur l'ensemble de ces secteurs?
Concernant le sport, j'aimerais connaître précisément le champ d'application de la hausse de TVA à 12 % sur les activités sportives gérées par les régies communales autonomes. Cette augmentation englobe-t-elle la totalité des prestations relatives aux infrastructures sportives municipales telles que la location d'installations, l'organisation d'activités et de courses sportives, ainsi que les services accessoires?
Des exemptions ou taux réduits restent-ils applicables, notamment dans le cas d'activités exercées par des ASBL poursuivant des buts non lucratifs et proposant exclusivement des prestations pour favoriser l'exercice du sport chez les résidents?
Comment le gouvernement justifie-t-il l'augmentation du prix de la pratique du sport à la lumière de l'enjeu de santé publique que représente la pratique du sport?
Voilà, monsieur le ministre, les nouvelles questions que je voulais vous poser concernant les augmentations de la TVA. Le moins que l'on puisse dire, c'est que le flou règne toujours, ce qui accroît encore l'injustice de vos mesures!
Voorzitter:
M. Daerden sera le seul intervenant du groupe PS sur ce sujet. Les questions de M. Bayet (n° 56011178C, n° 56011180C, n° 56011181C, n° 56011182C, n° 56011183C, n° 56011212C, n° 56012097C) et de Mme Meunier (n° 56011260C, n° 56011261C, n° 56011317C) sont considérées comme reprises dans les questions de M. Daerden.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik focus op de nieuwe btw-tarieven voor sport en cultuur. Om budgettaire zuurstof te geven, hebt u een post 'sport en ontspanning' gevonden. Op die post verhoogt u de btw van 6 % naar 12 %. Dat is een maatregel die goed is voor maar liefst 253 miljoen euro extra belastingen.
Het probleem dat ik vooral heb, is dat de grens die u trekt tussen wat volgens u cultuur is en dus op 6 % blijft en wat ontspanning zou zijn en dus naar 12 % gaat, van fiscale willekeur getuigt. Ik durf zelfs te opperen dat die lijn aan elitarisme grenst. U stelt dat cultuur gevrijwaard blijft van de btw-verhoging, maar dat sport en ontspanning duurder worden. Dat klinkt mooi in theorie, maar ik begrijp nog steeds niet waar u in de praktijk de grens legt.
De pers meldde dat bioscoopvoorstellingen naar 12 % gaan. Betekent dat concreet dat een avondje opera of theater, de zogenoemde hoge cultuur, wel op 6 % blijft? Indien het antwoord 'ja' is, kunt u mij dan uitleggen waarom opera cultuur is en een kwaliteitsfilm plots louter ontspanning zou zijn? Waarom wordt het gezinsuitje in de cinema fiscaal gestraft terwijl de gesubsidieerde cultuur de dans ontspringt? Is dat de definitie van fiscale rechtvaardigheid?
Nog zorgwekkender is de mogelijke impact op onze lokale sportclubs. Voor een match in eerste klasse is de btw-verhoging misschien nog verteerbaar. Geldt dat echter ook voor de kleine lokale club die toegangsgeld vraagt voor een jeugdtoernooi om de kas te spijzen of voor de kantine van de tennisclub? Zult u de duizenden vrijwilligers die Vlaanderen draaiende houden, opzadelen met een complexe btw-administratie en een verplichte prijsverhoging of zult u een expliciete uitzondering maken voor de amateursporter? Indien ja, waar legt u dan precies de grens?
Mijn laatste vraag gaat opnieuw over contractbreuk, die stilaan een gewoonte lijkt te worden van Arizona. U houdt de lopende contracten immers waarschijnlijk niet buiten scope . Als dat anders is, weet ik dat heel graag van u. Waarom geef ik dat aan? Als iemand een abonnement tekent voor twaalf maanden, bijvoorbeeld eind 2025, maar maandelijks betaalt via domiciliëring, dan zullen alle sportclubs of sportactoren in 2026 meer btw betalen voor een bestaand contract. Er ontstaat dus een verschil tussen mensen die voor twaalf maanden hebben getekend, maar maandelijks betalen en mensen die alles vooraf betalen en dus wel buiten scope zouden vallen. Hebt u daarover iets concreets beslist of gaat het opnieuw om een contractbreuk voor de lopende contracten en voor de mensen die aan sport doen? De impact zou ter zake niet zozeer bij de abonnees of leden liggen, maar bij de sportclubs die hun contracten ondertussen hebben verkocht tegen een lager btw-tarief.
Ik dank u voor uw antwoorden.
Vincent Van Quickenborne:
Ik heb twee vragen met betrekking tot de btw. Eerst wil ik het hebben over de maaltijden in scholen, woon-zorgcentra en crèches. U hebt daarover vorige week in de plenaire vergadering, na die zes interpellaties, gezegd dat het btw-tarief op die maaltijden van 6 % naar 12 % gaat. Dat was voor heel veel scholen en woon-zorgcentra een koude douche.
Stel dat u drie kinderen hebt. Er zijn 150 schoolmaaltijden per jaar per kind, samen goed voor 450 maaltijden. De btw-verhoging op een maaltijd van 4 euro, van 6 % naar 12 %, is een verhoging van 0,24 euro. Ik weet dat dat voor een minister misschien weinig betekent, maar voor gewone mensen betekent dat een verhoging van de schoolfactuur met meer dan 100 euro. Meer dan 100 euro, voor gewone mensen.
Intussen is er een partij die in uw regering zit, Vooruit, die allerlei beloftes doet over gratis maaltijden en gezonde maaltijden, maar daar komt niets van terecht. We hebben het voortdurend over lege brooddozen en over kinderen die met een zak chips naar school worden gestuurd. Wat u doet, is de belangrijkste maaltijd voor kinderen en ouders, de middagmaaltijd, de belangrijkste maaltijd, gewoon duurder maken.
Ik dacht dat de minister tot inzicht zou komen. Wat lees ik echter opnieuw? Uw kabinet, dus u, reageert enkele dagen geleden in De Standaard met het volgende citaat: "Er zijn daar eindeloze discussies over gevoerd. Als er dan een uitzondering wordt toegestaan, wat is dan de volgende? Het gaat maar over beperkte bedragen, we gaan daar niets aan veranderen." Einde citaat. Ik heb maar één vraag. Blijft u bij dat standpunt, of bent u vandaag bereid hier, in deze commissie, in dit Parlement, te zeggen dat u dat toch gaat veranderen en dat u dat tarief toch niet zult aanpassen? Dat is mijn eerste vraag.
Mijn tweede vraag gaat over iets totaal anders, namelijk over de btw op koffie. In uw koninklijk besluit staat dat aan het btw-tarief van 12 % zijn onderworpen: geserveerde koffies – warm of koud van het type frappuccino –, thee en warme chocolademelk die warm worden geserveerd, smoothies en verse sappen, bereid en klaar voor consumptie. Kunt u bevestigen dat alle frappuccino’s effectief onder het btw-tarief van 12 % vallen, ongeacht de samenstelling, de temperatuur en de presentatie? Hoe zit het met cappuccino’s en americano’s? Vallen die ook onder 12 % of onder 6 %? Vervolgens een vraag die veel Vlamingen en Belgen zich stellen. Hoe zit het met gewone koffie? Bedraagt het btw-tarief daarvoor 6 % of 12 %?
Ik drink gemberthee. De eerste minister heeft onlangs gezegd dat er meer gemberthee moet worden gedronken in de regering omdat ze nog voor budgettaire uitdagingen staat. Geldt die 12 % voor alle soorten thee of enkel voor bepaalde soorten? Indien ja, welke precies? Ik heb deze vragen ingediend en reken op een duidelijk antwoord. Mijn Julia's koffie- en theebar heeft dat ook gevraagd.
Ten slotte, wat betreft chocolademelk, in uw tekst staat dat chocolademelk die warm wordt geserveerd onder 12 % valt. Wat doet u met chocolademelk die koud wordt geserveerd? Wordt dat ook 12 % of blijft dat 6 %?
Dit zijn heel duidelijke vragen over koffie, thee en chocolademelk en wij rekenen, zoals altijd, op een heel duidelijk antwoord. Waar zijn ze toch mee bezig?
Sofie Merckx:
Monsieur le ministre, je pense que beaucoup de questions ont déjà été posées. Il est vrai que la séquence en devient terriblement gênante pour le gouvernement, non seulement dans le dossier de la TVA mais aussi de manière générale. À chaque fois, vous dites qu’un accord existe et, dès que l’on pose la moindre question, tout semble ficelé n’importe comment. C’est le cas pour l’indexation des salaires, dont on parlera dans d’autres commissions, mais aussi ici.
Votre volonté d’aller chercher l’argent chez les gens et non chez les riches vous amène à une créativité sans nom. Même ChatGPT en est incapable, j’ai fait le test. Ce que l’on constate également, c’est un véritable danger pour la santé publique, notamment en lien avec les dates de péremption. De nombreuses questions sont posées à ce sujet, parce que c’est la solution que vous avez trouvée à toutes les questions relatives aux plats à emporter. Mais il existe effectivement un risque réel.
Ma question va dans le même sens que celle de M. Van Quickenborne. Nous avons constaté que non seulement la mesure est absurde et dangereuse pour la santé publique mais qu’elle est aussi asociale. En effet, les cantines scolaires, les cantines en maison de repos et les crèches vont être touchées. Cela a été confirmé lors du débat de la semaine passée et Mme Glatigny a déclaré dans La Libre de ce week-end qu’elle vous avait envoyé – ou qu’elle allait vous envoyer – un courrier afin de demander une exemption.
C’est tout de même le comble! Alors que l’on parle de nourriture saine pour les enfants, que l’on sait qu’il existe un grand problème de pauvreté infantile et qu’un projet avait été mis en place pour offrir à certains enfants des repas gratuits, le gouvernement Arizona réduit déjà ce projet. Ici, tous les parents risquent d’être touchés par une hausse de la facture des cantines scolaires, mais aussi en maison de repos et en crèche.
Monsieur le ministre, avez-vous reçu le courrier de Mme Glatigny? Allez-vous prévoir une exemption pour les cantines scolaires?
Voorzitter:
M. De Smet n'est pas présent. La parole est à Mme Schlitz pour quatre minutes.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le président, pour la souplesse, étant donné qu'il y a eu un petit couac avec certaines de mes questions. Tout est bien qui finit bien, du moins nous l'espérons.
Monsieur le ministre, après plusieurs kerns infructueux, la réunion du Conseil des ministres restreint du 23 décembre a enfin pu affiner sa réforme et prendre plusieurs décisions sur la façon dont l'application du changement du taux de TVA allait se décliner.
Nous avons pu constater dans la foulée que de nombreuses incohérences en découlaient, suscitant des interrogations légitimes de la part des différents acteurs qui vont être concernés par ces changements qui entrent en vigueur le 1 er mars 2026. Le temps presse pour éclaircir les différents aspects de cette réforme et permettre aux acteurs de se projeter dans le futur, étant donné que ce sont quand même leurs recettes qui vont être directement concernées.
Ma première question concerne le secteur de la culture, où la TVA passe de 6 à 12 % pour ce qui est considéré comme du divertissement et de la culture lucrative. Les festivals, les musées, les matchs de sport, les concerts, et j'en passe, subiront donc une augmentation de TVA. Cette décision va avoir un impact direct sur l'accessibilité des loisirs pour la population. Certains acteurs culturels ont déjà annoncé une hausse des prix, comme le Spirou de Charleroi ou encore le Forum de Liège.
Les festivals se trouvent vraiment au cœur de la réforme, puisque en plus de la hausse de la TVA sur leurs billets, le prix des nuits de camping va augmenter, la nourriture vendue dans les food trucks va également être soumise à une augmentation de la TVA. Bref, il ne manquerait plus qu'une augmentation de la TVA sur les boules Quies pour que le tableau soit complet.
Monsieur le ministre, je n'ai pas besoin de vous expliquer que le taux de TVA, qu'on le veuille ou non, est un outil de transformation sociétale puissant. Je ne peux que constater que vous avez joué à l'apprenti sorcier. Il y a des conséquences que vous n'aviez visiblement pas prévues – c'est quand même très inquiétant – et qui aujourd'hui vont avoir des impacts sur les comportements des consommateurs et sur la capacité même de survie de certains acteurs.
Pouvez-vous m'expliquer quelles logiques ont sous-tendu ces augmentations? Avez-vous eu des contacts avec les festivals et autres acteurs culturels qui sont soumis à un prix fixé par une autorité? Comment ces acteurs vont-ils absorber cette hausse de la TVA?
Pouvez-vous nous confirmer que lorsque l'organisateur a déjà vendu des billets en 2025 pour un spectacle qui aura lieu en 2026, le taux de TVA à 6 % sera bien maintenu et qu'il n'y aura pas une répercussion ultérieure?
Comment allez-vous vous assurer que cette hausse de la TVA, qui est bien plus grande en Belgique qu'en France, au Luxembourg ou en Allemagne, ne fera pas fuir les organisateurs de festivals, de concerts ou autres acteurs culturels?
Ensuite, en ce qui concerne les plats à emporter, les produits frais mis en vente rapide avec une date limite de consommation de deux jours verront leur taux augmenté à 12 %, tandis que les produits avec une date limite de consommation de trois jours, conserveront un taux à 6 %. À cet égard, une série de questions spécifiques se posent quant à la façon dont cela pourra s'appliquer.
Comment déterminer le taux de TVA? À quel moment de la mise en vente du produit la TVA est-elle fixée? Ce prix est-il évolutif? Par exemple, si une gaufre est mise en vente le lundi avec une date limite de consommation au mercredi, le vendeur va-t-il devoir changer l'étiquette 48 heures avant la date limite de consommation? Confirmez-vous qu'un même produit, selon qu'il soit vendu dans un emballage classique ou sous vide, se verra appliquer un taux de TVA de 6 ou 12 %? Ou encore, y a-t-il une période de transition pour permettre aux grandes surfaces et aux commerçants de s'adapter à ces nouveaux taux de TVA? Si oui, de combien de temps? Je pense notamment aux bouchers et boulangers qui vont devoir jongler entre différents taux de TVA.
Enfin, votre réforme va engendrer une augmentation de la TVA sur les repas scolaires. Comptez-vous prévoir une exception pour ce secteur? On a vu la ministre MR concernée en Fédération Wallonie-Bruxelles se lamenter de cette répercussion. On est quand même un peu désolé pour elle, mais ce sont ses partenaires du même parti qui ont négocié cela au sein du gouvernement fédéral. On rit jaune en ce qui nous concerne. Comptez-vous revenir sur cette décision? Ou ne s'agit-il en fait que d'une posture, de manière à ce que la ministre en question puisse dire qu'elle aura essayé? Ensuite, cela passera comme ça et les écoles, les crèches, les maisons de repos seront finalement impactées par cette augmentation de la TVA.
Jan Jambon:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijn antwoord gaat over alle gestelde vragen inzake de wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 20, dat de verschillende tarieven regelt inzake btw.
Voorafgaandelijk deel ik u mee dat de ontwerptekst van het KB op dit moment voor advies is verzonden naar de Raad van State. Naar aanleiding van dat advies zijn er nog aanpassingen mogelijk. Ik zal dus antwoorden geven op basis van de tekst zoals die naar de Raad van State is verzonden. De regering moet zich echter nog in tweede lezing over de tekst buigen. Met dat uitdrukkelijk voorbehoud zal ik niettemin het Parlement zo goed en uitgebreid mogelijk proberen te antwoorden op alle vragen, zoals ik altijd tracht te doen.
Tout d'abord, en ce qui concerne les questions relative au budget, j'ai déjà expliqué à plusieurs reprises les estimations budgétaires en séance plénière. Il n'y a toutefois aucun problème, je les partagerai à nouveau, une par une, en toute transparence. Estimer les recettes TVA est une tâche difficile. L'administration se base par exemple sur les chiffres du budget des ménages de Statbel afin d'établir l'estimation la plus précise possible.
De volgende bedragen zijn opgenomen in de begrotingsnotificaties. Voor hotels en campings is er een raming van de FOD Financiën, die een opbrengst voorziet van 158 miljoen euro, voor sport, cultuur en ontspanning 253 miljoen euro en voor de btw-verhoging voor takeaway 361 miljoen euro. De btw-verlaging in de horeca voor non-alcoholische dranken werd geraamd op 139 miljoen euro. Dat verschil stond in de tabel tussen die twee tarieven. De btw op pesticiden moet volgens een raming van de FOD Financiën 53 miljoen euro opleveren.
Wat de vragen over de impactanalyses betreft, heb ik begrepen dat de premier een analyse heeft gevraagd van het Planbureau van de verschillende maatregelen uit het begrotingsakkoord. Zoals altijd gebruiken we een raming bij een begrotingsopmaak. De monitoring zal plaatsvinden bij de volgende begrotingscontrole. Als de ministerraad maatregelen aanpast of bijstuurt, zal bij de volgende controle een correctie gebeuren. Die werkwijze is niet nieuw. Dat was onder alle vorige regeringen ook het geval.
Ik kom nu tot de inwerkingtreding.
L'entrée en vigueur des mesures est prévue au 1 er mars 2026. Nous voulons ainsi donner aux entreprises le temps nécessaire pour effectuer les adaptations requises. Il a déjà été tenu compte de ce report jusqu'au 1 er mars, comme M. Vereeck l'a déjà mentionné.
Cela représente un coût estimé à environ 105 millions d'euros. Dès lors, les réservations effectuées en 2025 pour des séjours qui auront lieu après le 1 er mars 2026 restent soumises au taux de 6 %, pour autant que la TVA due sur ces opérations soit devenue exigible avant le 1 er mars 2026, ce qui est le cas à concurrence du montant payé par le client.
Les règles en vigueur en matière d'exigibilité de la TVA continuent donc à s'appliquer. Lorsqu'un paiement a eu lieu avant le 1 er mars 2026, le taux de TVA de 6 % est donc en principe applicable, même si le séjour n'a lieu qu'après le 1 er mars 2026.
Mijnheer Vereeck, u vroeg verschillende berekeningen op, maar de door u gevraagde ramingen worden niet voorgesteld door de regering. Daarom heb ik niet aan de FOD Financiën gevraagd om de budgettaire impact van uw voorstellen te berekenen.
Mijn antwoord is hetzelfde voor de vragen van de heer Bilmez, de heer D'Amico, mevrouw Meunier en de heer Daerden. Er is geen btw-verhoging op aardgas. De regering heeft die maatregel niet in aanmerking genomen. Het heeft dan ook weinig zin om ze hier te bespreken.
De andere antwoorden heb ik per thema proberen te structureren.
Met betrekking tot het btw-tarief voor sport, cultuur en vermaak kan ik in het algemeen het volgende stellen. Het btw-tarief voor de toekenning van het recht op toegang tot een inrichting voor cultuur, sport en vermaak wordt van 6 % op 12 % gebracht.
Sont visées les prestations de services consistant en l'octroi du droit d'accéder à certaines installations de divertissement actuellement taxées au taux de 6 % en vertu de la rubrique XXVIII du Tableau A de l'annexe à l'arrêté royal n° 20.
Het betreft dus enkel de activiteiten die vandaag geen btw-vrijstelling genieten krachtens artikel 44, § 2, 7de of 9de, van het btw-wetboek.
La présente mesure ne modifie en rien le champ d'application de la taxation pour ces opérations, seul le taux applicable varie.
In de huidige tekst van het ontwerp van koninklijk besluit, die voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State, zal die tariefverhoging daarentegen niet van toepassing zijn op theater, straattheater, choreografieën, opera, klassieke muziekvoorstellingen en circus. Derhalve worden, wanneer zij momenteel reeds aan belasting zijn onderworpen, bedoeld de toegang tot sportinrichtingen als beoefenaar of als toeschouwer, zoals fitness- of danszalen, of de toegang tot sportmanifestaties die tegen betaling toegankelijk zijn, zoals voetbal, basketbal, enzovoort, de toegang tot musea, monumenten, sites, aangelegde parken, avonturenparken, sauna's, bowling, karting, escaperooms, botanische en zoölogische tuinen, muziek- en/of zangconcerten, met uitzondering van opera en klassieke muziek, ongeacht of zij in openlucht of in een zaal plaatsvinden, in het kader van een bijzonder evenement of een festival, filmvoorstellingen, goochelvoorstellingen, stand-upvoorstellingen enzovoort, de toegang tot tentoonstellingen of conferenties.
Nu kom ik tot de specifieke vragen van mevrouw Bertrand. De verhoging van het btw-tarief naar 12 % heeft enkel betrekking op de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor sport, zoals toegangsgeld voor sportwedstrijden, en niet op het verschaffen van dranken in de kantines. In dat laatste geval zal er een verlaging van het btw-tarief van toepassing zijn van 21 % naar 12 %, met betrekking tot het verschaffen van niet-alcoholische dranken. In het licht daarvan moet de impact van de tariefhervorming voor sportclubs dus worden genuanceerd.
Voor de kleine amateurclubs zal bovendien de vrijstellingsregeling voor kleine ondernemingen van toepassing kunnen zijn. In dat verband wijs ik erop dat de intentie van de regering is om de vrijstellingsdrempel voor die kleineondernemingsregeling gradueel te verhogen van 25.000 euro naar 30.000 euro. Dat is maatregel nr. 65 van het kmo-plan van de regering.
Nu kom ik bij de specifieke vraag van de heer Bayet, al is hij niet aanwezig.
M. Bayet est absent mais, par politesse, je vais malgré tout répondre à ses questions.
Ik heb het daarnet in het Nederlands gezegd, maar voor de heer Bayet en consorten antwoord ik nu in het Frans.
Pour M. Bayet et consorts, je vais donc vous le dire en français.
Si les activités, notamment proposées par des parcs animaliers ou zoologiques, sont sans but de lucre, elles demeureront exemptées de TVA si les recettes réalisées couvrent les frais engagés par ces organismes. Les parcs animaliers ou zoologiques gérés par des autorités publiques ne sont pas non plus concernés, dans la mesure où leurs opérations sortent du champ de la TVA.
Dès lors que les tickets d’entrée du parc Pairi Daiza sont actuellement soumis au taux de TVA de 6 %, ceux-ci seront à l’avenir soumis au taux de TVA de 12 %, comme ce sera le cas pour les parcs similaires qui ne bénéficient pas de l’exemption de TVA. Aucune exemption n’est prévue spécifiquement pour ce parc ou pour tout autre opérateur visé par cette mesure, conformément aux principes de neutralité fiscale tels que développés par la Cour de justice de l’Union européenne.
La vente de nourriture et de boissons doit être analysée selon les circonstances de fait et peut relever soit du taux de TVA de 6 %, soit du taux de TVA de 12 %, soit, le cas échéant, du taux de TVA de 21 % pour la fourniture de boissons, en fonction de la possibilité de manger et de boire sur place ou non, ce qui détermine s’il s’agit d’une livraison de biens ou d’une prestation de services de restaurant.
En ce qui concerne la question de Mme Schlitz, aujourd’hui encore, la législation actuelle en matière de TVA prévoit que certaines activités sont taxées, tandis que d’autres sont exonérées, sous les conditions de l’article 44 du Code de la TVA. Si cela donne lieu à une distorsion de concurrence injustifiée, l’administration fiscale interviendra.
Pour la question de M. Cornillie, j'applique la même politesse. En matière de taux de TVA, nous devons respecter le principe de neutralité. La Cour de justice de l’Union européenne l’a confirmé dans de nombreux arrêts. C’est tout simplement le cadre juridique dans lequel nous devons travailler. Ce principe prévoit que des biens et services présentant des caractéristiques similaires pour le consommateur moyen doivent bénéficier du même traitement fiscal.
Sont visées certaines activités qui ne bénéficient pas d’une exemption de TVA en vertu de l’article 44, § 2, 3°, 7° ou 9° du Code de la TVA. Ainsi, notamment, les activités proposées par des organismes sans but de lucre dans le domaine de la pratique sportive ou du divertissement ou dans le domaine culturel demeureront exemptées de TVA si les recettes réalisées couvrent les frais engagés par ces organismes. La présente mesure ne modifie en rien le champ d’application de la taxation pour ces opérations, seul le taux applicable varie.
Met betrekking tot het btw-tarief voor takeaway heb ik u tijdens de plenaire vergadering vorige week, naar aanleiding van de verschillende interpellaties, al uitgelegd dat ons huidig btw-stelsel al een complex gegeven is. Ik herhaal dat nog eens. Voor frieten die worden afgehaald, geldt het btw-tarief van 6 %. Voor frieten die men opeet in de frituur, geldt het btw-tarief van 12 %. Voor een maaltijd op een terras bedraagt het btw-tarief 12 %. Als men echter op datzelfde terras een frisdrank drinkt, geldt het btw-tarief van 21 %. Voor een broodje dat men in een broodjeszaak opeet, is het btw-tarief 12 %. Als men datzelfde broodje meeneemt, geldt het btw-tarief van 6 %. Als men een blikje frisdrank koopt, is het btw-tarief 6 %, maar voor een blikje frisdrank dat ter plaatse in een horecazaak wordt opgedrongen, geldt dan weer het btw-tarief van 21 %. Dat zijn geen nieuwe regels. Die complexiteit bestaat al jaren.
De regering neemt nu de volgende maatregelen. Het btw-tarief voor non-alcoholische drank in de horeca daalt van 21 % naar 12 %. Voor heel wat restaurants zal die daling een goede zaak zijn.
Mijnheer Van Quickenborne, dat is wat restaurantuitbaters Diederik en Francis mij vertellen.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik heb hen nog niet gehoord en lees daarover niets in de pers.
Jan Jambon:
Mijnheer Van Quickenborne, u moet eens op restaurant gaan en, vooral, een niet-alcoholische drank bestellen.
Vincent Van Quickenborne:
Ik haal bij de Panos een broodje.
Jan Jambon:
Le taux de TVA de 12 % applicable à la vente à emporter ne s'applique qu'à la livraison de repas et denrées alimentaires préparés qui sont généralement destinés à être consommés par le client sans préparation supplémentaire, dans le cadre d'un repas, et qui ont une durée de conservation limitée à maximum deux jours. Un repas se compose généralement de plusieurs éléments.
Waarom hebben we voor die aanpak gekozen? Bij btw-tarieven moet men het neutraliteitsbeginsel respecteren. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalt dat in talrijke arresten. De btw-wetgeving is vooral een Europese belasting. Europa heeft een kader vastgelegd waarvan alleen onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken.
Het neutraliteitsbeginsel stelt dat goederen en diensten die qua aard vergelijkbare kenmerken vertonen, voor de gemiddelde klant aan dezelfde fiscale behandeling moeten worden onderworpen. Een maaltijd moet dus, ongeacht of die wordt bereid door of voor de verkoper, aan hetzelfde btw-tarief worden onderworpen, ongeacht de hoedanigheid van de leverancier. Het Europese recht laat volgens mijn administratie geen uitzonderingen ter zake toe.
Il n'est pas possible de soumettre un repas à emporter, par exemple un plateau de sushis provenant d'un établissement horeca local, au taux de 12 %, tout en le taxant à 6 % lorsqu'il est acheté en supermarché. Le droit européen ne nous le permet tout simplement pas.
D'autres pays appliquent également un régime spécifique pour la vente à emporter. Au Royaume-Uni, par exemple, on se base sur la température du plat. Un repas froid à emporter est soumis à un taux de 0 %, tandis qu'un repas chaud à emporter est taxé à 20 % de TVA. Cela engendre également une certaine complexité.
Nous avons tenté d'éviter cette complexité et cette différenciation fondée sur la température. Nous avons opté pour une limite de 48 heures. Il s'agit de préparations qui se conservent encore pendant deux jours après leur préparation, c'est-à-dire jusqu'à la fin du deuxième jour suivant celle-ci. Soyons clairs, il s'agit donc de pizzas à emporter, de frites de friterie, de café à emporter, de plats chinois à emporter, etc.
De bedoeling daarvan is om maaltijden of voedingsmiddelen die ter plaatse worden geconsumeerd, op dezelfde manier te behandelen als soortgelijke maaltijden die worden meegenomen om ze elders onmiddellijk, zonder enige verdere bereiding en in principe zonder enige bewaring, te consumeren. Dat criterium komt tegemoet aan de wens van de regering om maaltijden die ter plaatse worden geconsumeerd op dezelfde manier te behandelen als soortgelijke maaltijden die, ook al zijn ze van die aard dat ze geschikt zouden zijn voor consumptie ter plaatse, door de klant worden meegenomen om ze elders onmiddellijk en zonder enige verdere bereiding te consumeren.
Daaruit volgt dat een pizza die aldus als meeneemmaaltijd wordt verstrekt, zich voortaan tarifair spiegelt aan een ter plaatse geconsumeerde pizza en dus aan een ander btw-tarief wordt onderworpen dan een diepvriespizza, die niet als dusdanig bestemd is voor onmiddellijke consumptie, aangezien die voorafgaandelijk door de koper nog moet worden bereid.
Sommige vraagstellers suggereerden dat de definities ruimte laten voor interpretatie door bepaalde terminologie. In de eerste plaats wil ik stellen dat bij elke fiscale wetgeving definities moeten worden gevonden. Dat is ook niet nieuw. Daarnaast wil ik benadrukken dat de btw-wetgeving zich baseert op het concept van de gemiddelde consument. Dergelijke manier van werken is in de btw niet nieuw, die bestaat vandaag ook. Ook vandaag wordt een kreeft aan 21 % belast en een bereide kreeftensalade aan 6 %. We hebben dus gekozen voor een terminologie die vandaag al wordt toegepast in de btw.
Il est totalement populiste d'affirmer qu'un croissant serait soumis à un taux de 6 % de TVA le matin et à 12 % le soir. Cela n'a absolument aucun fondement. Le gouvernement souhaite exclure autant que possible les produits du petit-déjeuner. Nous pensons pouvoir y parvenir dans le cadre des possibilités de différenciation dont disposent les États membres.
Une précision technique supplémentaire de la délimitation actuelle relative au petit-déjeuner et à ses composants peut, le cas échéant, être envisagée afin de se conformer pleinement à la jurisprudence constante de la Cour de justice. Une fois encore, nous attendons l'avis du Conseil d'État afin d'apporter d'éventuels ajustements, après quoi le texte sera soumis à une deuxième lecture au sein du gouvernement.
Lorsqu'une personne prend un petit-déjeuner dans un établissement horeca, celui-ci est déjà aujourd'hui soumis à une TVA de 12 %. Cela ne change pas. Au contraire, le café ou le thé, notamment au gingembre, qui est consommé bénéficiera d'une baisse de TVA, passant de 21 % à 12 %.
Ten slotte kom ik aan de meer specifieke vragen van mevrouw Bertrand. De loutere aankoop van een blikje cola in een frituur of andere horecazaak, in een tankstation en in een supermarkt blijft nog altijd onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6 %.
Belegde broodjes die bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie en dienovereenkomstig een houdbaarheidstermijn hebben die niet langer is dan twee dagen, zullen worden onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 12 %. Belegde broodjes die zodanig werden geconditioneerd dat hun houdbaarheidstermijn langer is dan twee dagen, blijven onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6 %.
Ingevolge het neutraliteitsbeginsel, dat lidstaten overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in acht moeten nemen bij btw-tariefdifferentiëringen, is alleen de aard van het verschafte voedingsmiddel en niet de hoedanigheid van degene die het voedingsmiddel verschaft doorslaggevend voor de toepassing van het btw-tarief. Op die manier wordt voor een identiek voedingsmiddel geen verschillend btw-tarief gehanteerd en is er dus ook geen concurrentieverstoring. Onder de momenteel vigerende btw-regels bestaat er al een tarifair onderscheid dat zich met name in de horeca sterk doet voelen.
Soit des denrées alimentaires sont fournies sans service supplémentaire en vue d'une consommation sur place. Dans ce cas, il s'agit d'une livraison de biens soumise au taux réduit de TVA de 6 %, sauf pour un certain nombre d'exceptions concernant des produits de luxe tels que le homard. Soit ces denrées alimentaires sont fournies dans le cadre d'un ensemble de services supplémentaires en vue d'une consommation sur place. Il s'agit alors de ce que l'on appelle des services de restauration auxquels s'applique le taux réduit de TVA de 12 %, à l'exception toutefois des boissons qui restent soumises au taux normal de 21 %.
La réforme envisagée a pour objectif, en particulier dans le secteur de l'horeca, de franchir une étape essentielle vers une extension du taux de TVA de 12 % et donc vers une plus grande harmonisation. Cela se fait notamment en ramenant le taux de TVA applicable aux boissons non alcoolisées dans les restaurants de 21 % à 12 %, tout en portant parallèlement le taux de TVA pour la vente à emporter de 6 % à 12 %.
Ook bereide dranken vallen onder het toepassingsgebied. Daarover had de heer Van Quickenborne een heel aantal specifieke vragen. In essentie is het de bedoeling om bereide dranken die ter plaatse of in de onmiddellijke nabijheid van de verschaffer worden geconsumeerd, op dezelfde manier te behandelen als soortgelijke bereide dranken die, ook al zijn ze van die aard dat ze geschikt zouden zijn voor daadwerkelijke consumptie ter plaatse in daartoe door de verschaffer aangeboden faciliteiten of in faciliteiten die daartoe zouden kunnen worden aangeboden, door de klant worden meegenomen om elders, maar in de onmiddellijke nabijheid, zonder enige verdere bereiding te consumeren. Er is dus geen onderscheid tussen een koude of warme chocolademelk. Er zal geen btw-chaos zijn aan de koffietoog. Integendeel, de meeste koffiezaken evolueren van de huidige twee btw-tarieven naar één btw-tarief. Dat zijn de feiten.
Deze hervorming moet aldus worden gezien tegen de achtergrond dat er momenteel al een onderscheid wordt gemaakt tussen het verschaffen van voeding, met inbegrip van drank, in faciliteiten voor verbruik ter plaatse, waarvoor momenteel een btw-tarief van 12 % geldt, met uitzondering van dranken die aan het standaard btw-tarief zijn onderworpen, en het verschaffen van vaak naar aard sterk vergelijkbare of identieke voedingsmiddelen, met inbegrip van drank, zonder bijkomende diensten voor verbruik ter plaatse, die als levering worden beschouwd, en dat momenteel aan het tarief van 6 % onderworpen is, met uitzondering van bepaalde als luxeproduct beschouwde voedingsmiddelen en alcoholische dranken, die aan het standaard btw-tarief zijn onderworpen.
Cette dualité tarifaire masque le fait qu'en réalité, la deuxième catégorie comprend elle-même deux catégories. D'une part, des denrées alimentaires, y compris des boissons, destinées à une consommation immédiate sans aucune préparation supplémentaire par le client, et pouvant donc être consommées dans l'état dans lequel elles sont livrées, exactement de la même manière que si elles avaient été servies pour être consommées sur place et non pour être emportées. D'autre part, des denrées alimentaires, y compris des boissons, qui ne sont pas destinées à une consommation immédiate sans préparation supplémentaire par le client, mais à un usage différé et donc à la conservation, et qui, après cette conservation, seront effectivement préparées par le client.
Il s'agit de deux sous-catégories qui présentent intrinsèquement des caractéristiques objectivement différentes, et répondent dès lors à des besoins objectivement distincts du consommateur moyen. Une différenciation tarifaire entre ces deux catégories est donc possible, conformément à la jurisprudence constante de la Cour de justice de l'Union européenne relative au respect du principe de neutralité en matière de différenciation des taux.
Tot op heden is er dus tussen die tweede categorie geen tariefdifferentiatie, maar enkel tussen de voormelde categorie van restaurantdiensten en de twee categorieën van leveringen.
Wanneer de kenmerken van de verschillende categorieën met elkaar worden vergeleken, is het evenwel duidelijk dat de categorie van takeaway evenzeer aanleunt bij de restaurantdiensten als bij de levering van voedingsmiddelen, met inbegrip van dranken die niet bestemd zijn voor onmiddellijk verbruik, zonder enige verdere bereiding door de klant.
Vincent Van Quickenborne:
(…)
Voorzitter:
Mijnheer Van Quickenborne, de minister heeft het woord. U krijgt na het antwoord van de minister de kans om te repliceren.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, niemand begrijpt wat u voorleest. Waar bent u mee bezig? Niemand verstaat dat!
Voorzitter:
De minister heeft het woord.
Jan Jambon:
Ik leg hier alle souplesse aan de dag om iedere keer opnieuw aan de commissie voor Financiën tegemoet te komen. Men heeft gisteren om een actualiteitsdebat gevraagd en er werden een resem vragen ingediend. Die moeten op een juridisch correcte manier worden beantwoord en ik doe die inspanning. Mijnheer Van Quickenborne, mocht u het niet verstaan, de tekst zal na mijn antwoord te uwer beschikking staan om na te lezen en ik acht u intellectueel genoeg om een tekst te kunnen lezen. Ik vind het ongehoord dat ik in deze commissie op een dergelijke manier wordt behandeld, na alle goodwill die ik aan de dag leg om de commissie maximaal tegemoet te komen.
Mijnheer de voorzitter, ik ga verder met mijn antwoord.
Voorzitter:
Alstublieft, u hebt het woord, mijnheer de minister.
Jan Jambon:
De voorliggende hervorming strekt er dus in het bijzonder toe om die specifieke categorie van leveringen voortaan tarifair niet meer te laten aanleunen bij de andere categorie van leveringen, maar wel bij de categorie van restaurantdiensten.
Wat betreft de mogelijkheid van een speciale verpakking, het spreekt voor zich dat ondernemingen die bereidingen verschaffen niet het commercieel en gezondheidsrisico zullen willen nemen om de gezondheid van de klant in het gedrang te brengen door voor te wenden dat hun bereidingen langer dan twee dagen houdbaar zijn als dat niet het geval is. Een pakje frieten zal na twee dagen niet meer smaken en hetzelfde geldt voor een belegd broodje preparé.
La durée de conservation des préparations peut effectivement être prolongée grâce à de nombreuses techniques (conditionnement sous vide, congélation, etc.) qui constituent déjà aujourd'hui des pratiques courantes dans le secteur. De telles pratiques ne seront donc pas soudainement considérées, du fait de cette réforme tarifaire, comme une forme illicite d'évitement fiscal.
Aujourd'hui, la consommation d'une gaufre chaude dans un salon de thé est soumise à une TVA de 12 %, tandis que l'achat d'une gaufre surgelée dans un supermarché est soumis à un taux de 6 %. Les différentes techniques de conservation sont déjà des pratiques standards dans les différents secteurs.
Dans le but d'assurer une transition aussi fluide que possible, mes services dialoguent d'ores et déjà avec les secteurs concernés afin d'identifier les problèmes d'application et de fournir les clarifications appropriées. Mon administration et mon cabinet travaillent actuellement de manière intensive à l'élaboration d'une liste de questions fréquemment posées qui sera publiée dans les meilleurs délais.
Wat betreft de btw op pesticiden, de btw-richtlijn voorziet dat lidstaten een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen op de leveringen van goederen en diensten die zijn opgenomen in de bijlage 3 van de btw-richtlijn. Aangezien het om een optie gaat, zijn de lidstaten er niet toe gehouden om van die mogelijkheid gebruik te maken. Wanneer ze wel van die optie gebruikmaken, zijn ze er evenmin toe gehouden om het verlaagd btw-tarief toe te passen op alle handelingen van een bepaald punt of op de volledige draagwijde van een onderdeel van dat punt, op voorwaarde dat ze rekening houden met het neutraliteitsbeginsel dat zich op dwingende wijze aan hen opdringt.
Wat betreft de bestrijdingsmiddelen, ongeacht de aard ervan, gold tot voor de hervorming van de bijlage 3 van de btw-richtlijn bij Richtlijn EU 2022/542 van de Raad van 5 april 2022 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2020/285 wat het btw-tarief betreft, dat de levering ervan aan een verlaagd btw-tarief kon worden onderworpen op grond van punt 11 van de bijlage 3 van de btw-richtlijn.
À la suite de la réforme européenne précitée des taux de TVA, le législateur européen a décidé que cette possibilité ne serait plus ouverte pour les produits phytosanitaires chimiques à partir du 1 er janvier 2032. La possibilité d'introduire ou, le cas échéant, de maintenir un taux de TVA pour des produits de lutte autres que chimiques après cette date a donc été maintenue a contrario .
De btw-richtlijn verplicht lidstaten derhalve enkel om een verlaagd btw-tarief af te schaffen voor chemische bestrijdingsmiddelen vanaf 1 januari 2032. Lidstaten die voor die datum al een verlaagd btw-tarief toepassen op bestrijdingsmiddelen, worden in die context dus de volgende beleidsopties gelaten: anticiperen op die uitsluiting door voor 1 januari 2032 al in de toepassing van het standaard btw-tarief te voorzien, louter voor chemische bestrijdingsmiddelen of voor alle bestrijdingsmiddelen, of wachten tot 1 januari 2032 om in de toepassing van het standaard btw-tarief te voorzien, louter voor chemische bestrijdingsmiddelen of voor alle bestrijdingsmiddelen, en als het over louter chemische bestrijdingsmiddelen gaat, desgevallend op een later tijdstip het standaard btw-tarief uit te breiden tot alle bestrijdingsmiddelen.
Dans le cadre de ces options politiques possibles, le gouvernement choisit, compte tenu de l'obligation d'appliquer le taux normal de TVA aux produits phytosanitaires chimiques à partir du 1 er janvier 2032, d'anticiper dès à présent cette obligation et, parallèlement, de renoncer à la possibilité de continuer à appliquer un taux de TVA réduit aux produits de lutte autres que chimiques, pour autant qu'ils puissent actuellement être considérés comme des produits phytopharmaceutiques reconnus. De cette manière, les produits de lutte, quelle que soit leur nature spécifique, seront désormais soumis à une tarification de la TVA uniforme, ce qui constitue juridiquement un exercice correct des options actuellement offertes par la directive TVA et rend en outre inutile toute intervention tarifaire supplémentaire dans ce domaine au 1 er janvier 2032.
Die benadering houdt aldus in dat er geen bijkomende uitzondering wordt voorzien op de normale btw-regels, met belastingheffing tegen het standaardtarief, maar dat wel wordt voorzien in het herstel van de normaal toepasselijke btw-regels door een bestaande categorie, waarvoor ooit in een uitzondering werd voorzien met met een verlaagd btw-tarief van 6 %, voortaan globaal opnieuw te onderwerpen aan belastingheffing tegen het standaard btw-tarief.
Afsluitend wil ik benadrukken dat deze maatregelen kaderen binnen een bredere hervorming, met name de vermindering van de zogenaamde VAT gap , zowel door maatregelen te nemen om de zogenaamde VAT compliance gap terug te dringen als door de VAT policy gap terug te dringen door geleidelijk aan, waar de nationale regelgever daartoe de juridische mogelijkheden heeft, afwijkingen op de normale regels van belastingheffing tegen het standaard btw-tarief terug te schroeven.
L'idée d'une transition progressive d'une fiscalité portant sur les revenus vers une fiscalité portant sur la consommation ressort de plusieurs recommandations internationales et européennes adressées à notre pays.
Je tiens également à réfuter l'idée selon laquelle cette réforme serait asociale ou anti-redistributive. Le meilleur instrument pour réduire la pression fiscale sur les revenus les plus faibles reste l'impôt des personnes physiques, et c'est précisément ce que nous mettons en œuvre cette année. Toutes les questions sur ce sujet seront discutées en commission. Le fait qu'une augmentation de la TVA n'entraîne pas nécessairement une diminution du pouvoir d'achat est démontré par l'exemple des Pays-Bas, où le pouvoir d'achat a continué à augmenter malgré une hausse de la TVA de 6 à 9 % en 2019. Grâce à ce glissement fiscal des impôts directs vers les impôts indirects, on y a observé une croissance solide du revenu disponible des ménages. Je renvoie, à cet égard, à une analyse du Centraal Planbureau néerlandais
Concluderend, ik begrijp dat er nog vragen zijn uit de praktijk. Het is geen geheim dat ik voorstander was van een eenvoudigere regeling. Mijn beleidscel heeft reeds tal van vragen van het middenveld ontvangen. Mijn administratie en mijn beleidscel werken zeer intensief samen om alle vragen te inventariseren en te beantwoorden.
Alle technische vragen worden momenteel behandeld door mijn diensten, in afwachting van het advies van de Raad van State. Ik hoop dat advies spoedig te ontvangen, nog in de loop van deze maand. Vervolgens zal ik mijn diensten de opdracht geven om zo snel mogelijk een FAQ of circulaire te publiceren, zodat we de belastingplichtigen maximale duidelijkheid kunnen verschaffen.
Ziedaar mijn uitgebreid antwoord, mijnheer de voorzitter.
Lode Vereeck:
Dank u wel, mijnheer de minister. Ik denk dat we in deze commissie goed samenwerken en ik hoop dat we dat kunnen blijven doen. Ik was blij met de tussenkomst van collega Van Quickenborne, want ik begon echt te twijfelen aan mijn eigen intellectuele capaciteiten. Ik dacht: ben ik hier nu de enige die dit niet begrijpt? Ik was niet aan het volgen. Het was misschien in het verleden complex, mijnheer de minister, maar het is nog complexer geworden. Ik blijf dus toch met een aantal vragen zitten en ik maak die meteen concreet.
U zegt dat de duur van de houdbaarheid loopt tot het einde van de tweede dag. Dat betekent dus in concreto drie dagen, namelijk van maandag 0 uur 01 tot woensdag 23 uur 59. Ik hoop dat u zich dat realiseert.
Het croissantje blijft aan 6 %, maar niet, als ik het goed heb begrepen, omdat het onderdeel is van het ontbijt, maar om een andere reden. Ik neem de trein vaak in de buurt van een station waar ook een broodjeszaak is en die hebben ook heel kleine pizzaatjes. Als ik dat pizzaatje om acht uur eet, is dat dan ook aan 6 %? En wat als die mensen een diepgevroren pizza – dus 12 % – plots in hun oven steken? Zakt dat dan van 12 % naar 6 %?
Hetzelfde geldt voor de wafels. U hebt dat voorbeeld gegeven. Als ik een diepgevroren wafel opwarm, is dat dan ook 6 %? Ik geef toch nog even mee dat een broodje dat in papier wordt ingepakt aan 12 % is en in een bakje aan 6 %. Ik geef u op een blaadje dat die in een bakje na twee dagen verser zijn.
In de supermarkt is de drank aan 6 %. Gaat u dan de suikertaks afschaffen? U geeft daarmee een gemengd signaal. U verlaagt aan de ene kant van 21 % naar 12 %, dus zegt u: consumeer meer cola. Tegelijk blijft die suikertaks bestaan.
Ik hoop ook, mijnheer de minister, dat u mij enkele fouten te goeder trouw kunt vergeven. Voor de rest zullen we die vrijstelling van de btw van 25.000 naar 30.000 euro natuurlijk steunen. Het was het allereerste voorstel dat ik in deze commissie heb gedaan. Toen was het nog te duur, want het kostte 40 miljoen euro. Ik ben blij dat dat ondertussen wel financierbaar is.
Roberto D'Amico:
Monsieur le ministre, je vous ai écouté attentivement, plus de 20 minutes. Ma question portait sur l'évaluation du coût de la hausse des accises sur la facture de gaz, mais vous ne m'avez pas répondu. J'ai posé plusieurs fois cette même question au ministre MR de l'Énergie, M. Bihet, mais celui-ci me renvoie systématiquement vers vous. Il ne veut pas répondre, ce que je comprends parce que, pendant la campagne électorale, le MR se vantait qu'il n'y aurait pas de nouvelles taxes.
Or, que constate-t-on aujourd'hui? Que la facture de gaz augmente vachement! Alors que l'énergie reste un produit de base et est très chère aujourd'hui, on augmente encore les accises sur le gaz.
Pour vous avoir écouté, c'est 1,3 milliard d'euros que vous allez chercher chez les travailleurs et non pas dans les poches des millionnaires. Et c'est bien ce qu'on vous reproche. C'est la classe travailleuse qui va passer à la caisse.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw uiteenzetting. Uw antwoord heeft een half uur geduurd. Ik weet eigenlijk niet goed wat ik moet repliceren want de zaak is in mijn hoofd nog complexer dan daarvoor.
U stelt dat de btw-regeling al complex was. In de horeca is het 12 % voor wie ter plaatse eet. Wie afhaalt of elders eten koopt, betaalt 6 %. Volgens u is dat complex. Wat nu wordt voorgesteld, zou minder complex zijn. Het huidige systeem is nochtans in één zin uit te leggen. U hebt nu een half uur nodig gehad om het verschil uit te leggen.
Neem bijvoorbeeld die croissants. U noemt ons populistisch, omdat wij opmerken dat een croissant ’s ochtends aan 6 % wordt belast en ’s middags aan 12 %. Wij zouden dat volgens u populistisch voorstellen maar dat is uw maatregel. Ik snap er nog altijd niets van. Is een croissant nu 6 % of is het 12 % omdat het om ontbijt gaat? De verantwoording is dat aan een ontbijt niets meer moet worden gedaan en het onmiddellijk kan worden geconsumeerd. Dus is het 12 %. Een croissant is toch hetzelfde geval? Dat is ontbijt maar is wel 6 %. Dat is een uitzondering.
Voorzitter:
Mijnheer Van Quickenborne, u krijgt zo dadelijk het woord. Het woord is nu aan de heer Bilmez.
Kemal Bilmez:
Mijnheer de minister, ik snap dat u gefrustreerd geraakt en dat u wordt uitgelachen. Dat hoeft u niet persoonlijk te nemen. Dat is niet naar u gericht. Het is met de arizonaregering dat wij lachen. Wat is dat immers voor een maatregel?
Ik ontbijt bijvoorbeeld bijna nooit. Ik eet altijd ’s middags en ik eet een croissant of een worstenbroodje. Wat is daar de logica van? Wat gaan ze bij Panos denken? Hoe gaan zij die maatregel toepassen? Ik snap er echt niets van.
U werpt op dat een en ander nu al complex is en dat wij ons dus geen zorgen hoeven te maken. Dat is een complete leugen. U maakt de zaak een miljoen keer complexer.
Ik kom nu bij uw laatste leugen. U eindigde met de stelling dat de regering een taxshift doet van inkomen naar consumptie en dat dat het meest sociale is wat kan worden gedaan. Dat hebt u beweerd.
Waar haalt u dat vandaan? Taksen op consumptie zijn het meest asociale wat een overheid kan doen. Die 6 % btw die ik betaal op een croissant, betekent 10 cent en voor een miljonair is dat niks. Voor iemand die moet leven van een werkloosheidsuitkering van 1.000 euro, weegt diezelfde 10 cent echter veel zwaarder door. Daarom is een belasting op consumptie, dus een vlaktaks, altijd asocialer.
Ik kijk alleszins heel hard uit naar uw frequently asked questions . Dat zal bijna een encyclopedie moeten zijn om eruit te geraken. Als u het echt simpel wilt maken, schaf de maatregel dan gewoon af. Doe dat niet. Haal het geld waar het zit.
Frédéric Daerden:
Monsieur le ministre, merci pour tous vos éléments de réponse. Pour être sincère avec vous, comme d'autres ici dans la salle, j'ai le sentiment de comprendre de moins en moins. Mais je me dis que cela viendra un jour, et que j'arriverai à comprendre.
Au-delà de cela, je regrette qu'il n'y ait aucune ouverture, aucune compréhension de nos arguments. Je n'ai rien entendu sur les cantines scolaires auxquelles je suis fort attaché. Peut-être n’ai-je pas tout bien entendu, parce que vos éléments de réponse étaient nombreux.
J'ai vraiment le sentiment, en vous écoutant, que vous banalisez l'impact, en disant que ce sont des mesures techniques, des mesures budgétaires et que finalement, cela va presque rapporter aux gens. Le cumul des augmentations de TVA et des accises combiné à l'austérité des régions et des communautés – là, vous n'en pouvez rien – impactera lourdement les ménages, les travailleurs et les secteurs évoqués. Cela me fait peur.
Je suis certain que nous aurons l'occasion d'en discuter encore. J'espère que les interprétations iront dans notre sens.
Alexia Bertrand:
Mijnheer de minister, ik heb toch nog een vraag over sport en cultuur. U hebt gezegd dat de verhoging niet van toepassing is voor theater, circus, klassieke muziek, de opera, maar wel voor een museum, karting, Kinepolis, een tentoonstelling, behalve als het van een vzw is, of – dat verneem ik nu – als de overheid het organiseert, wat niet in de notificatie staat. Wat is de logica? Valt jazz bijvoorbeeld onder klassieke muziek? Wat geldt er voor een concert met een beetje jazz en een beetje klassieke muziek?
Maakt Matthias De Jaeger klassieke muziek? U kent hem wel. Hij maakt hedendaagse, klassieke muziek, neoklassieke pianomuziek. Valt dat eronder of niet? Geldt de regeling bijvoorbeeld ook voor het Cirque du Soleil? Dat kent u wellicht ook. Dat is meer een voorstelling dan een circus. Wat gebeurt er als een theatergebouw voor een improvisatiewedstrijd wordt verhuurd? Is dat theater of is dat improvisatie en een ander systeem?
U zegt dat klassieke muziek niet door de btw-verhoging wordt getroffen, maar in de notificatie staat dat muzikale voorstellingen onder het nieuwe regime vallen, zonder uitzondering voor klassieke muziek. Voor wie dat leest, is het wel verwarrend.
Wat we hier vandaag horen, staat niet letterlijk in uw tekst. Mijn vraag is eenvoudig. Is klassieke muziek echt uitgesloten of alleen in de praktijk, omdat het vaak onder een ander btw-regime valt? Geldt dat altijd of alleen in bepaalde gevallen?
Ik snap niks van uw onderscheid tussen ontspanning en cultuur. Circus is cultuur, maar een tentoonstelling niet. Ik begrijp ook dat kleine sportclubs veelal onder de nieuwe btw-verhoging zullen vallen.
Mijnheer de minister, ik zou toch graag een duidelijk antwoord krijgen voor degenen die vorig jaar een abonnement voor een fitnessclub hebben gekocht, maar dat maandelijks betalen. U heeft dat wel duidelijk geschetst voor de hotels, voor degenen die vorig jaar of voor de maand maart een reservatie hebben gedaan, maar u hebt niks gezegd over de sportclubs. Zullen de fitnesszalen en de sportclubs meer moeten betalen? Ja of neen? Ik denk dat u daar vandaag toch een duidelijk antwoord op kunt geven.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik ben daarnet tussengekomen omdat ik het echt niet begreep. Ik denk overigens dat niemand in de zaal het begrepen heeft. U hebt uw antwoord voorgelezen en dat is uw goed recht. De kunst van de politiek bestaat er echter in op een bepaald moment de zaken eenvoudig uit te leggen. Als u 17 minuten nodig hebt om iets uit te leggen, zult u dan uw administratie naar elke winkel sturen om dat daar in 17 minuten tijd uit te leggen? Mijnheer de minister, dit is onuitlegbaar. U verliest zichzelf. Het is een btw-moeras en uw antwoord is daar de perfecte illustratie van. Dit is het meest complexe wat we ooit hebben gehoord, terwijl er nochtans één eenvoudige vraag was: hoe zit het met de scholen? Hoe zit het met de woon-zorgcentra? Hoe zit het met de crèches? Hoe zit het met de ouders? Hoe zit het met de kinderen? Alle fracties hebben die vragen nu gesteld, zelfs de meerderheidsfracties. De N-VA vraagt dat, cd&v vraagt dat. Ik hoop dat Vooruit dat ook vraagt.
Er is maar één vraag, namelijk ervoor zorgen dat de factuur voor die kinderen en voor hun ouders niet stijgt. Collega Tas van Vooruit heeft ze gehoord. U bent 17 minuten aan het woord geweest en toch hebt u die vraag niet beantwoord. U kunt zich nog bedenken en alsnog antwoorden. Ik mag er dus van uitgaan dat u foert zegt tegen al die ouders, tegen al die scholen en tegen al die woon-zorgcentra. De btw-verhoging komt er en zij zullen die extra factuur moeten betalen. Collega's van Vooruit, goed gewerkt, goed bezig! Mijnheer Tas, in het debat spreekt u altijd over koopkracht. Waar is de regering mee bezig? Waar is Vooruit mee bezig? Ze verhogen de schoolfactuur, terwijl ze op sociale media net het tegenovergestelde beweren. Waar zijn de socialisten mee bezig?
Voor de rest is er toch één positief geluid, mijnheer de minister. De verpakkingsindustrie mag zeer creatief zijn. Zij zullen de grote winnaars zijn. Iedereen die creatief is met verpakking zal de komende maanden echt een boost meemaken. Dat wordt de creatiefste verpakkingsindustrie ooit. Dat is toch een positief punt, dat moet ik eerlijk toegeven. Maar voor de rest: waar zijn ze mee bezig?
Sofie Merckx:
Je crois que beaucoup de choses ont déjà été dites. Le seul élément sur lequel vous avez été clair est le fait que le taux qui concerne Pairi Daiza passe à 12 %. C’est la seule chose que j’ai plus ou moins retenue. J’adore aller là-bas, pour information, donc cela va être plus cher pour les familles.
Nous avons posé des questions précises, surtout en ce qui concerne les cantines scolaires. C’est un sujet essentiel qui concerne de nombreux enfants et qui devrait nous préoccuper tous. À cela, vous n’avez même pas pris la peine de répondre.
Madame Glatigny vous a-t-elle écrit? Une exception sera-t-elle prévue ou pas? Apparemment, nous ne méritons pas de réponse là-dessus et cela alors que vous venez de parler pendant 30 minutes. Soit vous n’assumez pas, soit vous êtes gêné, soit c’est encore en discussion mais, normalement, vous devriez répondre. Cela reste très absurde. Vous persistez avec vos 48 heures, mais vous faites n'importe quoi, selon moi.
Comme l'a souligné Mme Bertrand, l’opéra est à 6 %, mais les concerts de rock sont à 12 %, le cirque est à 6 %, mais le cinéma à 12 %. Franchement, si l'on peut dire une chose, c’est que cette idée de la TVA que vous avez inventée est vraiment un cirque. Vous prétendez qu'il s'agit d'une mesure sociale, mais ce que vous faites aujourd'hui est asocial, et je pense que la cantine scolaire en est l’exemple. Un supplément de 25 centimes pour un repas, cela fait une différence pour une famille qui a un petit salaire. Pour un gros salaire, bien sûr, que ce soit 25 centimes en plus ou pas ne change rien du tout. Mais pour ces enfants issus de familles moins aisées, cela fera une différence. Cela, monsieur le ministre, c’est grave, et vous devriez au moins faire une exception sur ce point.
Sarah Schlitz:
Merci pour vos réponses, monsieur le ministre, même si je n'ai pas obtenu de réponses à toutes mes questions. Comme je le disais tout à l'heure, toute cette discussion rappelle à quel point la neutralité de la TVA n'existe pas. Aujourd'hui, même si vous vouliez avoir une réforme qui ne soit pas orientante, sans impact sociétal, en fait, c'est impossible. Nous voyons aujourd'hui à quel point cette réflexion sociétale a été absente des discussions. Elle a, du coup, des impacts aléatoires, et donc complètement incalculés et non prévisibles, sur de nombreux secteurs en cascade. Des effets étaient-ils souhaités et non avouables? Peut-être. Des effets n'ont-ils pas été anticipés? Très certainement. D'ailleurs, nous n’avons pas obtenu de réponses sur nos questions par rapport aux plats en crèche, dans les cantines scolaires, dans les maisons de repos, qui sont livrés, donc quand il ne s'agit pas de cantines intramuros , dans ces établissements. Aujourd'hui, nous allons donc continuer de comprendre, comme ces acteurs, qu'il y a bel et bien une TVA de 12 % qui s'appliquera, avec une augmentation qui a été calculée, par personne, par enfant, de 5 euros par mois. Nous constatons par conséquent qu'il y a un choix politique, ou en tout cas un impact politique – on ne sait pas si c'est vraiment un choix ou un dérapage – de taxer tout ce qui concerne également les loisirs. Tout ce qui n'est pas travail est sanctionné. Tout ce qui donne du plaisir à côté du boulot sera demain plus cher. Le sport, faire du camping, sont aujourd'hui frappés d'une augmentation. C'est aussi pour cela que nous, en tant que parti, avons toujours proposé, par exemple, une diminution de la TVA sur certains produits locaux, de saison, des produits sains. Ce serait à la fois un cercle vertueux pour les consommateurs, dont on améliore la santé, mais également pour les petits producteurs locaux, qui vont avoir un commerce davantage florissant, et des commerçants locaux qui font vivre les quartiers et nos cœurs de village. Concernant l'accès à la culture et au divertissement, il est incompréhensible qu'il y ait une culture élitiste, qui soit exonérée de la TVA, comme l'opéra, la musique savante – personnellement, je n'aime pas l'opéra –, et qu'en revanche, un concert de Rosalía passe à 12 %! Pourtant, de nombreux critiques estiment qu'il s'agit d'une création musicale qui s'approche de l'opéra. Où est la limite? Le ciblage me paraît vraiment surprenant, et nous nous demandons à nouveau quel en est l'objectif politique. Vous l'avez confirmé, une pizza surgelée, par exemple de la marque Dr. Oetker, aura une TVA inférieure à celle de la pizza de la pizzeria du coin. Quel est le sens de cette mesure? C'est moins bon pour la santé, pour la planète, cela alimente des multinationales qui se battent par ailleurs pour payer le moins d'impôts possibles et écraser leurs travailleurs. Malgré cela, vous les soutenez contre les autres, qui vont passer à la caisse pour boucher le trou du budget fédéral. Nous sommes face à une gouvernance chaotique et alambiquée. Avec l'Arizona, cela n'arrête pas! Quand vous revenez sur des législations qui avaient été comprises et déjà mises en œuvre par certains acteurs des secteurs, comme le Federal Learning Account, le report du phasing out des voitures de société hybrides; ici, de nouveau, la puissance publique passe pour ridicule. On dirait presque que c'est fait exprès, monsieur le ministre. Je sais que ce gouvernement n'aime pas beaucoup les services publics, mais, là, vous donnez toute une série d'arguments à ceux qui voudraient affaiblir l'État et en particulier le fédéral. Vous leur donnez raison. J'en viens aux produits de petit-déjeuner. On nous dit que ce n'est pas l'heure qui change, mais la nature du produit. Tout d'abord, ce n'est pas bon de manger des croissants tous les matins. Aucun nutritionniste ne soutient cette alimentation. En revanche, manger du riz le matin est une bonne habitude, mais ce n'est pas considéré comme un produit de petit-déjeuner. Cette immixtion dans les habitudes alimentaires des citoyens est très spéciale, et par ailleurs absolument pas guidée par la santé publique. Je termine en réitérant une demande de réponse sur les cantines scolaires et ce qui va arriver par la suite. De behandeling van de vragen eindigt om 15.40 uur. Le développement des questions se termine à 15 h 40.
De gevolgen van het begrotingsakkoord voor het sociale statuut van de kunstenaars
De gevolgen van het begrotingsakkoord voor de uitkeringen van kunstwerkers
Impact van het begrotingsakkoord op kunstenaars en hun sociale rechten
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
François De Smet bekritiseert de geplande afschaffing van de forfaitaire vrijstelling op auteursrechten, die volgens hem artiesten dubbel raakt: hun belastingdruk verdubbelt (van €1.500 naar €3.000 in zijn voorbeeld) en ze verliezen toegang tot de kunstenaarsuitkering doordat hun belastbaar inkomen boven het plafond van €11.060 uitkomt, wat het statutaire en financiële evenwicht van de sector ondermijnt. Hij vraagt of de regering deze gevolgen onderzocht en een correctiemechanisme overweegt. Minister Clarinval verdedigt de hervorming als een stap naar fiscale gelijkheid tussen beroepsinkomens en benadrukt dat de toegang tot de kunstenaarsuitkering behouden blijft (al wordt die wel verminderd bij hogere inkomens), met flexibele herberekeningen over drie jaar om schommelingen op te vangen. Hij ziet de uitbreiding naar de technologisesector als een winst voor economische aantrekkingskracht. De Smet betwist Clarinvals visie: de uitbreiding naar tech verdunt de oorspronkelijke doelgroep (artiesten) en dwingt meer onafhankelijken in het kunstenaarsstatuut, wat tegen de bedoeling van de regering ingaat.
François De Smet:
L’accord budgétaire intervenu fin novembre envisage la suppression de l’abattement forfaitaire sur les droits d’auteur. Cette décision n’est pas sans conséquences sur le plan fiscal , particulièrement pour les artistes, et à cet égard j’interrogerai parallèlement votre collègue le Ministre Jambon mais ladite décision est également préjudiciable au statut social des artistes.
C’est ainsi qu’un artiste qui ne perçoit que 20.000 euros par an en droits d’auteur est imposé en réalité sur 10.000 euros au taux de 15 %, soit 1.500 euros. Et s’il est dans les conditions pour en bénéficier, il est autorisé à compléter son revenu par l’allocation de travailleur des arts puisque ses revenus se trouvent sous le plafond de 11.060 euros imposables, au-dessus duquel il n’est plus question d’accéder à l’allocation.
En supprimant l’abattement comme l’envisage le Gouvernement Arizona , l’impact pour l’artiste sera double : outre le fait qu’il sera imposé sur l’ensemble de ses droits d’auteur (dans notre exemple, 3.000 euros, ce qui double la charge fiscale) il n’aura plus accès à l’allocation de travailleur des arts puisque son revenu imposable est désormais de 20.000 euros, bien au-dessus du plafond fixé pour l’allocation.
Le statut des travailleurs des arts risque donc d’être fragilisé de manière significative et risque de faire plonger le secteur dans la précarité.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
Si ces dommages collatéraux à l’endroit du statut des artistes causés par cette décision ont déjà fait l’objet d’une analyse par ses services? Dans l’affirmative, s' il entend proposer au Conseil des Ministres un tempérament en la matière?
David Clarinval:
Ma réponse vaut également pour la question de monsieur Dermagne, malgré l'absence de ce dernier. J’espère que monsieur De Smet ne m’en voudra pas si j’élargis quelque peu le périmètre.
Sur le fond, il me paraît loin d’être déraisonnable que le gouvernement cherche à instaurer une plus grande cohérence dans la fiscalité applicable aux différents revenus professionnels. En l'occurrence, le gouvernement rééquilibre la fiscalité des revenus professionnels vers un peu plus d’équité. Un élément plus important encore, à cet égard, est selon moi d’avoir obtenu que le régime fiscal des droits d’auteur soit à nouveau accessible au secteur technologique. Cela nous permet de préserver l’attractivité du secteur des nouvelles technologies et de soutenir l’économie de demain.
Cela dit, en ce qui concerne les questions qui sont posées, quiconque remplit les conditions y afférentes acquiert un droit à l’allocation du travail des arts. Celle-ci garantit à ses bénéficiaires une allocation de chômage pendant la durée de la reconnaissance en tant que travailleurs des arts. Cette forme d’allocation de chômage – l’allocation du travail des arts – comporte plusieurs exceptions permettant d’obtenir une situation plus avantageuse que sous le régime général de chômage. Le statut des travailleurs des arts a été intégralement maintenu dans la réforme de l’assurance chômage.
Les revenus de l’activité qui ne sont pas soumis à la sécurité sociale des travailleurs salariés sont pris en considération dans le calcul du montant journalier de l’allocation dès que le montant net imposable de ces revenus dépasse le plafond de 11 060,40 euros par an. Un tel dépassement n’entraîne d’ailleurs pas la perte de l’allocation, mais fait en sorte que la part du revenu excédant le plafond soit déduite de l’allocation. L’allocation n’est donc pas perdue, elle est simplement réduite en fonction des revenus provenant d’autres sources.
En outre, le travailleur des arts peut demander que le montant journalier de son allocation soit recalculé par l'ONEM sur la base d’un cycle de trois années consécutives, de sorte que les années durant lesquelles les revenus sont plus faibles et celles durant lesquelles ils sont plus élevés puissent se compenser. Ce régime reste donc indubitablement avantageux.
François De Smet:
Je remercie le ministre pour sa réponse. J’ai bien évidemment eu l’occasion de débattre de cette question avec son collègue, M. Jambon. Je ne suis pas d’accord sur le fait que l’ouverture des droits d’auteur au secteur technologique est sans conséquence. Certes, tant mieux pour les premiers concernés mais, selon moi, cela dénature en partie la spécificité du droit d’auteur. La suppression de cet abattement va compliquer les choses puisqu'elle va pousser de nombreuses personnes – notamment celles et ceux qui gagnaient leur vie comme indépendants en étant artistes – à solliciter le statut pour pouvoir continuer à bénéficier correctement de leurs droits d’auteur. Cela, à mon avis, n’est pas du tout l’effet qu’escomptait le gouvernement. Je vous remercie. De voorzitster : Vraag nr. 56011385C van de heer Boukili wordt uitgesteld.
De werkloosheidshervorming en het schoolvervoer in het buitengewoon onderwijs
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Anja Vanrobaeys vraagt om verduidelijking over de impact van de werkloosheidshervorming op buschauffeurs in het buitengewoon onderwijs, die via opeenvolgende korte contracten (vakantie-tot-vakantie) werken en volgens haar niet onder het huidige verbod op werkloosheidsuitkeringen voor korte onderbrekingen vallen. Ze benadrukt hun essentiële rol en vreest dat ze straks geen uitkering meer krijgen, wat het al bestaande chauffeurstekort verergert. Minister Clarinval stelt dat deze chauffeurs – indien ze tijdens schoolvakanties niet werken – wel onder dezelfde regels vallen als onderwijspersoneel: geen uitkering voor onderbrekingen <30 dagen (art. 55/1 KB werkloosheid), maar wel behoud van rechten bij voldoende arbeidsdagen (312/36m). Hij benadrukt dat de hervorming geen extra risico’s creëert voor wie regelmatig werkt. Vanrobaeys bekritiseert dat de praktijk anders verloopt: chauffeurs krijgen geen doorlopende tienmaandencontracten (zoals onderwijspersoneel) en dreigen alleen in de zomer recht op uitkering te houden. Ze eist dat Vlaamse collega’s dit oplossen via aangepaste contracten, om het garantievervoer voor kwetsbare leerlingen veilig te stellen.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, u hebt al uitvoerig antwoord gegeven op een vraag van mijn collega Muylle over het omkaderingspersoneel in het onderwijs dat tewerkgesteld is met tienmaandencontracten. Ik heb uw antwoord al vaak gebruikt voor de talloze vragen die ik daarover krijg. Dat schept namelijk verduidelijking en zekerheid.
Toch blijf ik met onduidelijkheid zitten over de buschauffeurs die leerlingen in het buitengewoon onderwijs vervoeren. Naar mijn mening vallen zij niet onder het verbod binnen het onderwijs om personeel op werkloosheid te zetten voor vakanties die minder dan 30 dagen duren. Deze buschauffeurs zijn immers doorgaans in dienst van de busmaatschappij en werken volgens opeenvolgende contracten van schoolvakantie tot schoolvakantie. Die contracten beginnen op 1 september, lopen tot de herfstvakantie, dan volgt een week werkloosheid, waarna ze een contract krijgen tot de kerstvakantie, enzovoort.
Door deze specifieke contractvorm en het feit dat zij, voor zover ik weet, niet verbonden zijn aan een onderwijsinstelling, vrees ik dat deze groep op een bepaald moment niet langer recht zal hebben op een werkloosheidsuitkering. Zij vervullen echter een essentiële taak. Het busvervoer van het buitengewoon onderwijs betreft kinderen en jongeren met een handicap die naar school worden gebracht. Die scholen bevinden zich niet altijd vlakbij de ouders. Daarnaast maakt dit vervoer het ook mogelijk dat ouders kunnen gaan werken.
Daarom heb ik enkele vragen voor u.
Welke impact heeft de hervorming van de werkloosheidsuitkering volgens u op die buschauffeurs in het buitengewoon onderwijs? Worden zij, omdat zij met opeenvolgende contracten van vakantie tot vakantie werken, op dezelfde manier behandeld als het onderwijspersoneel met tienmaandencontracten of zoals het omkaderend personeel in onderwijsinstellingen? Als dat niet het geval is, bent u dan bereid dit alsnog voor te leggen in overleg met de regio’s en de vervoersector? Ik wil namelijk vermijden dat er nog minder chauffeurs zijn, want dat is al een knelpuntberoep. Sommige kinderen zitten nu soms al uren in de bus voordat ze op school aankomen. Ik wil die situatie niet verergeren, dus ik hoop dat er op de een of andere manier een oplossing kan worden gevonden.
Ik kijk uit naar uw antwoord, mijnheer de minister.
David Clarinval:
Mevrouw Vanrobaeys, chauffeurs die effectief hetzelfde werk verrichten en op dezelfde wijze tewerk worden gesteld, wat zou betekenen dat zij tijdens de schoolvakanties geen arbeidsprestaties leveren, moeten op dezelfde manier worden behandeld, ongeacht of zij in dienst zijn van een onderwijsinstelling of niet. Dat betekent dat in voorkomend geval deze chauffeurs tijdens de kleine schoolvakanties, op basis van de huidige en de toekomstige regelgeving, die op dat vlak niet werd gewijzigd, niet ten laste van de werkloosheidsverzekering kunnen zijn.
Het betreft hier de toepassing van artikel 55/1 van het koninklijk besluit houdende de werkloosheidsreglementering. Dat artikel bepaalt dat, behalve een inkomensgarantie-uitkering tijdens een deeltijdse tewerkstelling, geen uitkeringen worden toegekend voor de werkdagen waarop gewoonlijk niet wordt gewerkt ingevolge de gebruiken in de sector of de onderneming, zolang de werknemer door een arbeidsovereenkomst verbonden blijft. Hetzelfde geldt in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst wanneer de werknemer daarna de arbeid hervat en de duur van de werkonderbreking hoogstens dertig dagen bedraagt, zoals bij de kleine schoolvakanties. Dit principe beoogt te vermijden dat normale inactiviteitsperiodes ten laste van de werkloosheidsverzekering worden overbrugd, alsof het extra verlofperiodes zouden zijn.
Inzake het behoud van het recht op uitkeringen in het algemeen rijst geen probleem voor werknemers die op regelmatige basis niet met doorlopende arbeidsovereenkomsten zijn tewerkgesteld. Indien die personen substantiële arbeidsprestaties leveren, zullen zij in de hervormde werkloosheidsreglementering bij een aanvraag om uitkeringen vanaf 1 maart 2026 normaal voldoen aan de voorwaarde dat zij in een referteperiode van 36 maanden het bewijs van 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen leveren.
Afhankelijk van hun beroepsverleden zullen zij dan voor een periode van 12 tot 24 maanden tot het recht op uitkeringen worden toegelaten. Wanneer deze werknemers vervolgens het werk hervatten, loopt de periode waarvoor het recht op uitkeringen werd toegekend niet verder en wordt bij een nieuwe werkloosheid het resterende deel van de periode verder toegekend. Na verloop van tijd zal de werknemer opnieuw voldoende arbeidsdagen hebben gepresteerd om opnieuw tot het recht op uitkeringen te worden toegelaten, waarna het recht opnieuw voor een bepaalde periode wordt vastgesteld. De beperking in de tijd van het recht op uitkeringen viseert in die zin potentieel enkel de werkloze die in een periode van drie jaar minder dan één jaar zou zijn tewerkgesteld.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, u herhaalt uw uitstekend en met voorbeelden omkleed antwoord op mijn vorige vraag met betrekking tot omkaderend personeel in het onderwijs met een tienmaandencontract. Zij hebben recht op een werkloosheidsuitkering tijdens de zomermaanden. Buschauffeurs in het buitengewoon onderwijs geven mij echter de feedback dat dit in de praktijk anders loopt. U hebt gezegd dat zij ook een tienmaandencontract moeten krijgen, waardoor zij alleen tijdens de zomervakantie recht zouden hebben op een werkloosheidsuitkering. Het contract moet immers doorlopen tijdens vakanties die korter zijn dan 30 dagen. Ik zal dan ook niet nalaten mijn collega die in het Vlaams Parlement onderwijs, in het bijzonder het buitengewoon onderwijs opvolgt, daarop aan te spreken, opdat die buschauffeurs de arbeidsovereenkomsten krijgen waar ze recht op hebben. Op die manier kan het busvervoer voor kinderen in het buitengewoon onderwijs echt worden gegarandeerd. Dat is belangrijk, zowel voor die kinderen als voor hun ouders.
De studentenhuizen voor buitenlandse studenten
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 14 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Khalil Aouasti bekritiseert de plotselinge volledige schrapping (100% bezuiniging) van de federale subsidie (€1,7 miljoen) voor 10 studentenfoyers die sinds 1960 buitenlandse studenten uit partnerlanden huisvesten, zonder overgangsmaatregelen of alternatief financieel kader. Hij stelt dat dit de autonome federale bevoegdheid van ontwikkelingsamenwerking ondermijnt en reduceert tot een bijzaak van gemeenschapsbevoegdheden (onderwijs). Minister Maxime Prévot verdedigt de afschaffing van het “verouderde” AR uit 1974, wijzend op dubbel financieel draagvlak (universiteiten nemen socioculturele begeleiding al over) en een hervormd beurssysteem gericht op korte onderzoekstrajecten via VLIR/ARES. Hij belooft wel een eenmalige overbruggingsubsidie voor 2026 en benadrukt dat ontwikkelingsamenwerking een “volwaardige federale bevoegdheid” blijft, maar geïntegreerd in buitenlands beleid. Aouasti repliceert dat de beslissing niet gebaseerd is op eigen ontwikkelingsbeleid, maar op delegatie naar gemeenschapsactoren, wat de complementaire federale rol (langetermijnbanden met partnerlanden) uitholt. Hij vreest een structurele verschuiving naar defederalisering en aankondigt toezicht op toekomstige beleidskeuzes.
Khalil Aouasti:
Monsieur le ministre, ma question concerne les foyers qui sont répartis sur l'ensemble du territoire belge et qui, depuis les années 1960, accueillent des étudiants étrangers. Si des économies avaient été annoncées, on annonce finalement une économie de 100 % sur un budget annuel de 1,7 million d'euros pour ces foyers accueillant des étudiants étrangers, ce qui revient en réalité à supprimer purement et simplement, sans qu'aucune mesure transitoire n'ait été communiquée, le mécanisme de financement et l'accueil qui est réservé à ces étudiants.
Cette politique existe depuis très longtemps mais cette mesure signifie aussi, au-delà de la politique de fond, que vous considérez désormais, à travers cela et à travers les justifications qui ont pu être données, que la coopération au développement n'est plus simplement une compétence fédérale autonome mais qu'elle devient l'accessoire d'une compétence principale, en l'occurrence la compétence de l'enseignement, qui serait dévolue aux entités communautaires. C'est là un changement important alors que l'on nous parle depuis quelques mois de compétences usurpées dans ce gouvernement.
Monsieur le ministre, vous avez reçu mes questions, je vais donc m'y référer et j'écouterai vos réponses avec grand intérêt.
Depuis les années 1960, dix foyers répartis sur l’ensemble du territoire belge accueillent chaque année des étudiants étrangers, principalement issus des pays partenaires de la Coopération belge. Ces structures, financées via un Arrêté Royal depuis 1974, jouent un rôle essentiel dans l’accueil, l’intégration et le soutien socio-culturel de ces étudiants.
En 2024, ces foyers ont cumulé plus de 1 500 contrats de location, avec un taux d’occupation remarquable de 98,41 %, dont 88,83 % au bénéfice d’étudiants originaires de pays partenaires. Ils emploient collectivement 42,27 ETP et fonctionnent avec un budget annuel global de 1 700 000 €.
Or, il nous revient que l’agrément de ces structures serait sur le point d’être supprimé, sans qu’aucune mesure transitoire claire n’ait été communiquée, ni qu’un mécanisme de financement alternatif ait été défini pour l’année 2026. Cette décision, si elle se confirme, mettrait instantanément en péril non seulement l’hébergement de centaines d’étudiants, mais aussi l’existence même de ces foyers historiques dont l'intérêt pour la coopération au développement n'est plus à démontrer.
Cette décision signifierait également que vous considérez, désormais, la coopération au développement non plus comme une compétence fédérale autonome mais comme l’accessoire d’une compétence principale et procédez, en conséquence, à sa défédéralisation implicite et partielle.
Dès lors, je souhaiterais obtenir des réponses aux questions suivantes:
- Le gouvernement confirme-t-il la suppression de l’Arrêté royal de subvention des dix foyers concernés à partir de 2026?
- Quelles sont les motivations précises de cette décision et quelles consultations ont été menées avec les associations concernées?
- Quelle mesure transitoire raisonnable est prévue pour garantir la continuité du financement en 2026? Quelles en sont les modalités concrètes et le calendrier de mise en œuvre?
- Quel mécanisme de soutien à ces institutions le gouvernement envisage-t-il, compte tenu de leur rôle dans la politique de coopération et d’accueil des étudiants étrangers?
- Quelles garanties peuvent être apportées aux associations et aux étudiants pour éviter une rupture brutale de service et de financement?
- La coopération au développement a-t-elle un déploiement autonome et fédéral ou n’est-elle devenue que l’accessoire de compétences principales?
Maxime Prévot:
Je vous remercie pour ces questions et je vous répondrai avec le même intérêt, monsieur le député. Merci donc pour ces interrogations concernant le financement des foyers pour les étudiants étrangers.
J'attire votre attention sur le fait que l'arrêté royal auquel vous faites référence date de 1974 – je n'étais pas encore né, et vous non plus je pense – et n'a été que très partiellement modifié depuis.
J'ai effectivement décidé d'abroger cet arrêté royal. En effet, depuis 1974, la coopération belge au développement fournissait un soutien financier aux étudiants et stagiaires provenant de pays à faible revenu qui viennent étudier en Belgique. Ce soutien financier comprenait plusieurs éléments, dont un soutien direct, à travers des bourses, et indirect, à travers l'accompagnement social et culturel de ces étudiants.
À noter que la subvention pour la partie socioculturelle avait déjà été abolie par l'un de mes prédécesseurs. On supposait, entre autres, qu'une telle tâche n'était pas étrangère à un certain paternalisme. De plus, c'est une mission que les universités assument pleinement et de longue date.
Le monde a fortement changé depuis 1974. Notre coopération au développement a, par ailleurs, également beaucoup évolué. La promotion de la cohérence et de l'efficacité des instruments ainsi que le renforcement des capacités locales dans les pays partenaires et au sein des institutions partenaires elles-mêmes se situent désormais au cœur de notre coopération.
Le système de bourses a, lui aussi, connu une réforme en profondeur au cours des dernières années, précisément pour ces motifs. Il se concentre aujourd'hui principalement sur la coopération et la recherche post-académique entre les établissements universitaires. De ce fait, la majeure partie de la recherche et/ou de la coopération est effectuée par les universitaires dans leurs établissements respectifs, avec des séjours plus courts dans les pays partenaires pour les chercheurs belges et des séjours plus courts en Belgique pour les étudiants chercheurs des pays partenaires. De plus, le système de bourses est confié depuis un certain temps aux structures de coopération universitaires, le VLIR et l'ARES, qui assurent l'accompagnement des étudiants et des universitaires boursiers en Belgique, y compris le soutien financier, le logement, l'encadrement socioculturel par les universités d'accueil et respectives de ces étudiants.
Compte tenu de ces évolutions et de ces réformes au cours de ces cinq décennies ainsi que de la nécessité d'une plus grande efficacité et rationalisation des programmes de bourse et du budget de la coopération, j'ai en effet décidé de reconsidérer la poursuite de ce programme afin d'éviter de dupliquer les financements et les mesures d'accompagnement des étudiants étrangers dès lors que c'est déjà assumé de longue date par les universités elles-mêmes.
En guise de mesure transitoire, j’ai néanmoins décidé de verser une subvention en 2026, car l’année académique avait déjà commencé en septembre 2025, afin que les engagements des étudiants pour l’année scolaire 2025 ‑ 2026 ne soient pas impact é s ni compromis. Il n ’ est donc nullement question d ’ une rupture brutale. La plupart des institutions disposent d’autres leviers et ne dépendent – ou, en tout cas, ne devraient pas dépendre – exclusivement de cette subvention, car une telle dépendance créerait une situation fragile et non soutenable.
Enfin, pour répondre à votre dernière question, je considère la coopération au développement comme une compétence fédérale pleinement établie, un métier en soi. Il n'y a aucun doute à cet égard. Toutefois, il ne s'agit pas d'un fait technique distinct et, en raison de son caractère essentiellement politique, la coopération au développement fait pour moi partie intégrante de la politique étrangère.
Khalil Aouasti:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses, qui ont le mérite d’être claires et précises, même si je ne partage pas toutes les conclusions que vous en tirez. J’ai en effet une inquiétude. Vous avez vous ‑ m ê me indiqu é que le premier arr ê t é royal datait de 1974. Entre ‑ temps, six r é formes de l ’É tat ont eu lieu. Elles ont eu pour cons é quence ce que vous d é crivez, à savoir que les m é canismes de bourse et les m é canismes de financement de la recherche se sont essentiellement concentr é s dans ces cadres ‑ l à , au niveau des entit é s f é d é r é es, à travers les universit é s et les coupoles universitaires. La coopération au développement, en raison de son caractère fédéral, joue malgré tout un rôle qui devrait pouvoir être complémentaire. Ce rôle pourrait être revu, mais demeure complémentaire. Ce que je reproche ici, c’est que ce rôle est supprimé. Il est supprimé non pas au regard de politiques définies par la coopération au développement elle ‑ m ê me, mais au regard de politiques d é finies par les coupoles de recherche et par les entit é s f é d é r é es. Comme vous le dites, les programmes de recherche et les programmes de recherche postdoctoraux rel è vent de politiques qui ne sont pas d é cid é es par vous ou par votre administration, mais par les entit é s f é d é r é es. Vous pourriez choisir de les suivre, mais vous pourriez également choisir de ne pas les suivre ou de les compléter, dans une perspective de politique étrangère. Votre réponse me laisse largement sur ma faim et me laisse craindre qu'à tout moins la décision qui a été prise ici, dans ce cadre-là, loin de perpétuer un cadre paternaliste, s'inscrit en défaut de ce qui est organisé par ailleurs et par conséquent est jugé comme superflu, simplement parce que c'est organisé par ailleurs. On ne s'interroge pas sur ce qu'on pourrait faire de manière complémentaire pour attirer, pour former, pour créer du lien avec l'ensemble de ces étudiants étrangers. Vous savez aussi bien que moi que lorsque le séjour étudiant a été pensé dans la loi de 1980, il n'avait pas pour vocation de maintenir ces étudiants étrangers sur le territoire belge. Il avait pour vocation de les former et de leur permettre d'aller reconstruire leur pays, mais en même temps de créer des liens solides et durables avec l'État belge. Ici, malheureusement, cette rupture se justifie par des politiques menées ailleurs et non pas par une politique menée par votre administration. Cela me fait craindre effectivement un glissement, même si vous le déniez, quant à la manière dont la politique de coopération au développement est considérée comme autonome et fédérale. Je serai vigilant sur le reste des politiques à l'avenir.
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 13 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Niels Tas bekritiseert de geplande federale en Vlaamse besparingen op onderzoek, die volgens universiteiten en rectoren vooral sociale en humane wetenschappen treffen door het schrappen van bedrijfsvoorheffingsvoordelen voor niet-exacte wetenschappen, wat honderden mandaten en fundamenteel onderzoek bedreigt en afhankelijkheid van private financiering vergroot. Minister Jan Jambon bevestigt een hervorming van de vrijstelling (budget 2023: €232,8 mln, 2024: €229,3 mln), gericht op "rechtszekerheid en efficiëntie", maar ontkent sture invloed op Vlaams beleid en wijst op lopend overleg met stakeholders—concrete impact en voorstellen volgen later. Tas dringt aan op samenwerking om schade voor humane wetenschappen te beperken en vraagt garanties voor breed onderzoek, maar Jambon duidt dit als een Vlaamse verantwoordelijkheid. De discussie blijft onopgelost afhankelijk van toekomstige voorstellen.
Niels Tas:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de ingediende vraag.
Mijnheer de minister,
De aangekondigde besparingen op onderzoek veroorzaken grote ongerustheid binnen de universitaire wereld. Universiteiten spreken van een dubbele besparing, omdat ze zowel door Vlaamse maatregelen als door federale plannen getroffen worden. Vooral de sociale en humane wetenschappen dreigen zwaar te lijden onder de herziening van de regeling rond bedrijfsvoorheffing, die voortaan enkel nog zou gelden voor onderzoekers in de exacte, toegepaste en technologische domeinen.
Rectoren waarschuwen dat hierdoor honderden onderzoeksmandaten kunnen verdwijnen en dat fundamenteel onderzoek, dat niet onmiddellijk economisch rendement oplevert maar wel cruciaal is voor kennisopbouw, onder druk komt te staan. Ook leeft de vrees dat onderzoekers meer afhankelijk worden van private financiering, waardoor resultaten minder vrij en publiek toegankelijk worden.
Daarom heb ik de volgende vragen :
Welke verstrengingen voorziet u voor universiteiten en hogescholen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? In de media staat dat sommige betrokkenen de ontwerpen al konden inkijken. Over welke ontwerpen gaat dit? Wat wordt hierin voorgesteld?
Hoe beoordeelt u de impact van deze dubbele besparing op het Vlaams onderzoeksklimaat?
Hoeveel bedroeg de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor respectievelijk universiteiten en hogescholen in 2023 en 2024? Wat is de budgettaire impact hierop van uw voorstellen?
Voorziet u ook verstrengingen voor erkende wetenschappelijke instellingen inzake het regime van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing? Zo ja, dewelke?
Bent u bereid om samen met de betrokken universiteiten te bekijken hoe de negatieve gevolgen voor de sociale en humane wetenschappen kunnen worden beperkt?
Hoe wilt u er als minister van Financiën over waken dat Vlaanderen blijft investeren in breed en fundamenteel onderzoek, en niet enkel inzet op economische of technologische toepassingen?
Jan Jambon:
Mijnheer Tas, in uitvoering van het regeerakkoord en voortbouwend op de werkzaamheden die mijn voorganger reeds had opgestart, bereid ik een hervorming van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor. Deze hervorming heeft in de eerste plaats tot doel om verduidelijkingen en kwalitatieve verbeteringen aan te brengen om een maximale rechtszekerheid, efficiëntie, budgettaire bewaking en stabiliteit te waarborgen.
Het is mijn bedoeling om deze hervorming in overleg met de stakeholders uit te werken. Daarbij is het normaal dat bepaalde pistes worden uitgewerkt en dat deze bij de stakeholders worden afgetoetst, maar het is op dit ogenblik nog te vroeg om te concluderen welke pistes uiteindelijk in deze hervorming zullen worden weerhouden.
De budgettaire impact van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor onderzoek en ontwikkeling voor universiteiten en hogescholen bedroeg 232,8 miljoen euro in 2023 en 229,3 miljoen euro in 2024.
Aangezien ik nog geen definitief voorstel heb uitgewerkt, is het niet mogelijk om de budgettaire impact te ramen, maar ik zie het niet als de taak van de federale minister van Financiën om het Vlaams beleid inzake onderzoek en ontwikkeling te sturen. Vlaanderen maakt zelf zijn keuzes op dat vlak, maar ik zal dus nog met voorstellen ter zake komen.
Niels Tas:
Dan zullen we de verdere voorstellen afwachten.
De oproep van Islamitische Staat tot het plegen van aanslagen in België
De beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen
De dreigende oproep van Islamitische Staat om aanslagen te plegen in ons land
Veiligheidsdreigingen en terrorismebestrijding in België
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 13 januari 2026
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert dat België ondanks de IS-oproep tot aanslagen door moslimvluchtelingen op kerken, synagogen en feesten het dreigingsniveau niet verhoogt (blijft op 3) en eist zichtbare, zwaarbewapende politie bij Joodse instellingen, zoals in Frankrijk/Nederland. Hij noemt de eerdere aankondiging om federale agenten uit de Antwerpse Joodse wijk terug te trekken "schandalig" en beschuldigt de regering van "weerzinwekkende politieke koehandel" met veiligheid, wat paniek zaait. Minister Quintin weerlegt dat er "geen concrete dreiging" is voor niveau 4, benadrukt dat niveau 3 al zware maatregelen inhoudt, en ontkent slechte communicatie over de Antwerpse beveiliging. Van Rooy herhaalt zijn bewering dat "islamisering" de terreurdreiging verergert, wijkt in naar "islamitische hellholes" en eist een "minister tegen islamisering", anders dreigt België volgens hem "Midden-Oostense toestanden".
Voorzitter:
M. De Smet n'est pas présent pour poser sa question.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, naar aanleiding van de jihadistische aanslag in Sydney roept terreurgroep Islamitische Staat op tot meer aanslagen in het Westen. Daarbij vermelden die moslimterroristen specifiek moslimvluchtelingen in België, die worden opgeroepen om feesten, synagogen en kerken aan te vallen.
Naar wij vernamen, zou het terreurdreigingsniveau evenwel op niveau 3 blijven. Dat is nog altijd ernstig maar het niveau zou dus niet worden verhoogd. Graag kreeg ik enige toelichting daarbij.
Waarom is er na een dergelijke jihadistische oproep geen verhoging van het terreurdreigingsniveau? Worden of werden er extra veiligheidsmaatregelen getroffen aan feesten, synagogen en kerken? Worden moslimvluchtelingen extra gescreend en in de gaten gehouden? Tot slot, waarom wordt volgens u door Islamitische Staat specifiek ons land, België, genoemd?
Mijn tweede vraag sluit daar uiteraard bij aan. Tijdens de plenaire vergadering van 18 december 2025 verklaarde u dat de bewaking voor de Joodse wijk in Antwerpen – ik citeer – "gehandhaafd blijft, of dat nu gebeurt door de Antwerpse of de federale politie". Dat antwoord kwam er na uw toch wel schandalige communicatie dat u de aanwezigheid van de federale agenten die in Antwerpen mee instaan voor de broodnodige beveiliging van de Joodse wijk vanaf 1 januari 2025 zou intrekken. U communiceerde dat nota bene vlak na de moorddadige antisemitische jihadistische aanslag in Sydney. Dat is compleet waanzinnig.
Ondertussen heb ik ook begrepen dat het eigenlijk om een politiek spel gaat tussen coalitiepartners, waarbij behalve de MR en de N-VA ook cd&v is betrokken. Het is weerzinwekkend dat de veiligheid van de Joodse gemeenschap, nota bene bij het begin van Chanoeka, als pasmunt wordt gebruikt voor politieke koehandel.
Dat gezegd zijnde, hoe zit het nu eigenlijk? Wie staat nu precies in voor de beveiliging van de Joodse wijk in Antwerpen en voor hoelang? Graag kreeg ik dus toelichting bij de beslissing die werd genomen of zal worden genomen. Ik herhaal dat die communicatie echt schandalig was.
Veel Joodse mensen waren daardoor in paniek, dat kan ik u wel zeggen.
Ten tweede, mijnheer de minister, ik zal dat hier blijven vragen, ik doe dat ook in Antwerpen uiteraard, waarom wordt er niet voor gezorgd dat aan elke synagoge en aan elke joodse school, instelling en evenement, zichtbare, zwaarbewapende politie staat? Zeker op momenten dat er veel mensen bij elkaar komen. Dat is hier nog altijd niet het geval. Ik zie dat niet alleen met mijn eigen ogen, ik krijg dat ook te horen van joodse mensen die daarover bezorgd zijn. Dat soort zwaarbewapende politiebeveiliging zien we wel in onze buurlanden. Gaat u kijken aan de joodse scholen en synagogen in Nederland en Frankrijk, daar staan, zeker op momenten dat er veel volk is, zichtbaar zwaarbewapende politieagenten. Hier niet. Men zou toch denken, zeker na die moorddadige antisemitische jihadaanslagen in Manchester en in Sydney, en dus na de oproep van Islamitische Staat aan moslimvluchtelingen om hier aanslagen te plegen op kerken en synagogen, dat dit geen overbodige luxe is, mijnheer de minister? Nogmaals, zichtbare, zwaarbewapende politieagenten aan elke synagoge en joodse school, dat is wat we nodig hebben in dit land en in Antwerpen.
Tot slot, daarop aansluitend, vraag ik u wat nu eigenlijk de stand van zaken is met betrekking tot de inzet van militairen voor zulke bewakingsopdrachten. Zoals ik daarnet al aanhaalde, heb ik begrepen dat daarover binnen de regering onenigheid bestaat; vandaar dus die schandalige communicatie van u een aantal weken geleden over het terugtrekken van die federale agenten.
Dank u alvast voor uw antwoorden.
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, dreigingsniveau 3 is het op een na hoogste niveau. De keren dat er in ons land voor een plaats niveau 4 werd toegekend, werd er een soort lockdown ingesteld, met drastische veiligheidsmaatregelen die het vrij verkeer van personen ernstig beperken.
Dat mag alleen het geval zijn wanneer er concrete informatie over een imminente dreiging tegen een bepaalde plaats of persoon is. Over het bestaand veiligheidsdispositief worden geen details gecommuniceerd. Dat IS specifiek ons land noemt, is opmerkelijk en zorgwekkend, maar het is niet de eerste keer dat België op deze manier wordt geviseerd. Er is echter geen sprake van een concrete dreiging, dus we zullen geen zwaar bewapende agenten of militairen voor elk huis in België zetten.
Er bestaan verschillende fora om informatie uit te wisselen, in het bijzonder het OCAD, dat ervoor moet zorgen dat we een goed zicht krijgen op terroristische dreigingen en op de uitdagingen. Zoals gezegd, het is niet de eerste keer dat de Islamistische Staat ons land aanduidt na aanvallen in andere landen.
Voor het overige, mijnheer Van Rooy, ik heb niet gecommuniceerd over de beveiliging van de Joodse gemeenschap in Antwerpen of elders. U hebt dat misschien slecht gelezen of gehoord.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, door de islamisering is de terreurdreiging in dit land permanent hoog en ernstig. Door de islamisering roept de Islamitische Staat moslimvluchtelingen in dit land op om jihadistische aanslagen te plegen op evenementen, kerken en synagogen. Door de islamisering verworden hele wijken in dit land tot islamitische hellholes waar jonge moslims op oudjaar een straatjihad voeren. Door de islamisering wordt dit land steeds onveiliger voor niet en ex-moslims. Toch wil deze regering niet de islamisering bestrijden, maar wel de islamofobie. Weet u wat dit land dringend nodig heeft? Een minister ter bestrijding van de islamisering van onze samenleving. Zo niet, dan is het een kwestie van tijd voor wij hier ook verworden tot het Midden-Oosten en tot we hier ook Iraanse toestanden zullen kennen.
De FAVV-inspecties in de Belgische schoolkeukens
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Lotte Peeters (N-VA) bekritiseert het uitblijven van een antwoord op haar schriftelijke vraag over FAVV-controles in schoolkeukens (2024) en dringt aan op gedetailleerde cijfers per gewest, waaronder inspectieresultaten, overtredingen en deelname aan gratis FAVV-opleidingen. Minister Clarinval (MR) geeft toe dat het antwoord vertraagd is, maar meldt dat 72–100% van de Vlaamse, 54–74% van de Waalse en slechts 53% van de Brusselse keukens gunstig scoorden, met hygiëne- en infrastructuurtekorten (o.a. handenwasbakken, koudeketen) als hoofdproblemen—verergerd door verouderde gebouwen en personeelstekort in Brussel. Hij benadrukt dat 23 PV’s en 305 hercontroles (meest gunstig) volgden en dat 1.968 personen (48% uit grootkeukens) FAVV-opleidingen volgden, terwijl Brussel een daling kende in 2023. Peeters wijst op beleidsverantwoordelijkheid en pleit voor investeringen in veilige schoolinfrastructuur, gekoppeld aan warme-maaltijdinitiatieven.
Lotte Peeters:
In 2024 controleerde het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen de voedselveiligheid in Belgische schoolkeukens. De resultaten van de controles zijn voor het hele land gepubliceerd. Ik diende daarover op 8 september 2025 een schriftelijke vraag in, omdat ik specifieke vragen had over het cijfermateriaal, maar tot op heden ontving ik daarop geen antwoord. Daarom stel ik mijn vraag nu mondeling. Ik had graag meer specifieke cijfers voor de drie gewesten. Concreet verneem ik graag per gewest het volgende.
Ten eerste, hoeveel scholen werden precies gecontroleerd? Bij hoeveel van die scholen ging het om een hercontrole?
Ten tweede, wat waren de resultaten? Hoeveel gunstige en hoeveel ongunstige verslagen werden er per gewest afgeleverd?
Ten derde, wat waren de voornaamste gebreken? Hoeveel processen-verbaal werden er opgesteld?
Ten vierde, het FAVV biedt ook gratis opleidingen aan. Kunt u toelichten hoeveel personeelsleden uit schoolgrootkeukens daaraan deelnamen?
Ten slotte, heeft het FAVV doorheen de jaren bepaalde evoluties of tendensen bij de verschillende gewesten opgemerkt? Zo ja, dewelke?
David Clarinval:
Mevrouw Peeters, vooreerst verontschuldig ik mij voor de vertraging bij de verzending van het antwoord op uw schriftelijke vraag nr. 349. Dat antwoord zal u na de commissievergadering worden bezorgd met alle gevraagde details en cijfers. Ik zal uw vraag hier alvast beknopt proberen te beantwoorden.
In 2024 controleerde het FAVV in het kader van zijn controleprogramma 1.006 schoolkeukens. Het percentage gunstige inspecties varieerde tussen 72 % en 100 % in het Vlaams Gewest, tussen 54 % en 74 % in het Waals Gewest en bedroeg 53 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. In 2023 was er wel een terugval.
Voor Brussel moet dat percentage evenwel worden geïnterpreteerd in het licht van het aantal uitgevoerde inspecties. Doordat het personeelsplan daar niet volledig is ingevuld, kan het inspectieprogramma immers niet in zijn totaliteit worden uitgevoerd. Bij een kleiner aantal inspecties kunnen enkele ongunstige inspecties het totaalpercentage dan ook sterk doen dalen.
De meest voorkomende inbreuken hadden betrekking op de afwezigheid van voldoende uitgeruste handenwasbakken, het gebrek aan persoonlijke hygiëne en aan passende, propere en geschikte kledij van het personeel, het feit dat oppervlakten die in contact komen met levensmiddelen, onvoldoende proper zijn en het niet respecteren van de temperatuur en de koudeketen.
Infrastructuurproblemen blijven vaak langer aanslepen, met name door de ouderdom van schoolgebouwen. In die gevallen zijn de operatoren afhankelijk van externe partijen.
In de periode 2022–2024 is het percentage gunstige inspecties in Vlaanderen en Wallonië relatief stabiel gebleven. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kende echter een daling in 2023, wat rechtstreeks in verband kan worden gebracht met een stijging van het percentage niet-conformiteit voor de voornaamste vastgestelde overtredingen. In 2024 werden na een eerste niet-gunstige inspectie bij schoolkeukens 23 processen-verbaal opgesteld en 305 R-controles uitgevoerd. De meeste R-controles waren gunstig, met percentages tussen 90 % en 100 % in Vlaanderen, tussen 85 % en 100 % in Wallonië en 77 % in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
Het merendeel van de schoolkeukens, namelijk 77 %, beperkt zich tot het verdelen van maaltijden. Dat type van inrichtingen wordt eens om de vier jaar gecontroleerd. Met een gevalideerd controlesysteem gebeurt dat eens om de zes jaar. De inrichtingen die de maaltijden aan de schoolkeukens leveren, worden op hun beurt ook door het FAVV gecontroleerd.
Schoolkeukens waar de maaltijden ter plaatse worden bereid, worden frequenter geïnspecteerd, met name om de twee jaar. Aangezien de doelgroep kinderen betreft, wordt een gevalideerd autocontrolesysteem met een frequentie van eens om de vier jaar gehanteerd. Dezelfde inspectiefrequenties worden toegepast bij alle grootkeukens die maaltijden verdelen aan gevoelige doelgroepen, namelijk grootkeukens in rusthuizen, ziekenhuizen en kinderopvang. In de toekomst zal worden geanalyseerd hoe met prioriteiten kan worden geschoven om nog beter op de werkelijke risico’s in te spelen.
Ik onderstreep dat bij een dreigend gevaar voor de volksgezondheid schoolkeukens, net als elke operator in de voedselketen, kunnen worden gesloten.
Het FAVV biedt gratis opleidingen aan. In 2024 volgden 1.968 personen de onlineopleiding Goede hygiënepraktijken in professionele keukens. Achtenveertig procent van de deelnemers of 945 personen kwam uit de sector van de grootkeukens. Enkel geregistreerde deelnemers met een deelnameattest zijn in die aantallen opgenomen, waardoor het werkelijke aantal personen dat de opleiding heeft gevolgd, hoger zal liggen.
Zoals ik eerder aangaf, zal het antwoord op schriftelijke vraag nr. 349 meer gedetailleerde informatie bieden over het aantal geïnspecteerde schoolkeukens en het percentage van de uitgevoerde inspecties in het kader van het inspectieprogramma 2024, uitgesplitst per regio en provincie.
Lotte Peeters:
Mijnheer de minister, dank voor uw bereidheid om na de commissievergadering een antwoord te geven op de schriftelijke vraag. Het gaat immers om heel wat cijfermateriaal en dan is het aangewezen dat ik dat rustig kan doornemen. Bepaalde vaststellingen zouden dus te maken hebben met de ouderdom van schoolgebouwen. Het is inderdaad problematisch dat die keukens verouderd zijn. Ik vermoed dat dat ook werd gesignaleerd door het FAVV of door u aan de ministers van Onderwijs in de deelstaten, aangezien het belangrijk is dat zij dat meenemen in hun beleid. Wanneer de Vlaamse overheid bijvoorbeeld extra financiële ondersteuning biedt om sterker in te zetten op warme maaltijden in scholen, is het van groot belang dat de schoolkeukens mee zijn en dat ze dat op een veilige manier kunnen organiseren. Ook dat zullen we verder mee opnemen.
De komst van de antisemitische jihadist Omar Barghouti voor een workshop in Leuven
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy beschuldigt minister Quintin van een "dubbele moraal" en bekritiseert dat Omar Barghouti – door hem bestempeld als antisemiet, complotdenker en "soft jihadist" – ongestraft een BDS-workshop (vergeleken met "Kauft nicht bei Juden") mag geven in Leuven, zelfs voor overheidspersoneel, terwijl soortgelijke uitingen tegen andere groepen volgens hem wel zouden worden bestraft. Minister Quintin stelt dat toegang weigeren niet zijn bevoegdheid is en dat er geen concrete signalen zijn van wettenschendingen tijdens het evenement, maar benadrukt dat lokale autoriteiten of politie kunnen ingrijpen bij aantoonbare overtredingen. Van Rooy beticht de regering ervan selectieve verontwaardiging te tonen, afhankelijk van of de dader een Vlaamse naam of Palestijnse achtergrond heeft, wat volgens hem woede en wantrouwen zaait.
Sam Van Rooy:
U bent nog niet van mij af, mijnheer de minister van Veiligheid, een titel die u eigenlijk niet verdient.
Op donderdag 27 november kwam Omar Barghouti naar België. Hij is geboren in Qatar en noemt zichzelf een Palestijnse mensenrechten–verdediger. Daar zijn ze goed in, in misleiden. Hij is echter een jihadist, niet van het type dat terreuraanslagen pleegt, maar wel van het type dat aan soft jihad doet.
Als oprichter van de BDS-beweging, die eigenlijk een Kauft nicht bei Juden 2.0 is, kwam hij op 27 november naar Leuven. Barghouti pleit voor de vernietiging van Israël en is ook niet vies van het verkondigen van antisemitische bloedsprookjes, zoals vorig jaar nog in Amsterdam. Hij heeft het over de Joodse lobby, legitimeert jihadistische terreur en verspreidt complottistische nonsens, zoals dat Israël en de VS Islamitische Staat zouden hebben gecreëerd.
Niet toevallig in Leuven – we weten immers wie daar burgemeester is –, wordt hij op orwelliaanse wijze als volgt aangekondigd: "Tijdens een workshop reikt hij praktische tools en strategieën aan om de principes van BDS te vertalen naar concrete maatregelen, solidair te zijn met het Palestijnse volk en de Palestijnse mensenrechten te respecteren. De workshop is bedoeld voor stadsmedewerkers, beleidsmakers, de culturele sector en iedereen die binnen een organisatie werkt aan mensenrechten, duurzaamheid of internationale solidariteit." Dat is allemaal newspeak en orwelliaanse onzin.
Mijnheer de minister, wetende wat voor een sujet die Omar Barghouti is, wat vindt u ervan dat hij naar ons land reist om hier een workshop te geven, zelfs voor overheidspersoneel? Wilt u hem de toegang tot ons land ontzeggen? Zo neen, waarom niet?
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, ik herhaal nogmaals dat iemand de toegang tot het grondgebied ontzeggen, behoort tot de bevoegdheid van de minister van Asiel en Migratie. Voor alle duidelijkheid, dat ben ik niet. Deze beslissing kan niet zomaar genomen worden, maar vereist elementen als signalering, bedreiging van de openbare orde en verblijfsverbod.
De administratieve autoriteiten van Leuven – en ik ben ook niet de administratieve autoriteit van Leuven – kunnen evenwel op basis van een analyse beslissen om het evenement al dan niet te verbieden.
Ik heb geen informatie ontvangen over het verloop van dat evenement. Indien er antisemitische inhoud zou zijn verspreid, moeten de bevoegde politiediensten daarvan een proces-verbaal opstellen. Op dit moment zijn er echter voor alle duidelijkheid geen aanwijzingen in die richting voorhanden.
Ik dank u.
Sam Van Rooy:
Minister, mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten, dus een Vlaamse naam dragen, en dezelfde complottistische, antisemitische onzin verspreiden, dan zouden u en de hele regering op de achterste poten staan. Mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten en eenzelfde postmoderne versie van " Kauft nicht bei Juden " organiseren, dan zou u, zo mag ik hopen, met uw verontwaardiging geen blijf weten. Nog meer ophef zou er zijn indien die zogenaamde BDS-beweging niet tegen Joden was gericht, maar tegen moslims, of misschien nog erger, tegen Palestijnse moslims. Mocht Omar Barghouti Omer Barbier heten en dodelijke terreur legitimeren, dan zou u als minister van Veiligheid ingrijpen. Omdat het echter om de Palestijn Omar Barghouti gaat, laat u begaan. Het is precies die dubbele moraal, minister, die steeds meer mensen in dit land terecht zeer boos maakt en ernstig verontrust.
De aanval op onze cultuur in Brussel ten faveure van de islam
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert de Brusselse kerststal met uitgewiste gezichten als een "inclusieve" aanpassing aan islamitische normen (haram-afbeeldingsverbod) en suggereert druk van moslimfundamentalisten, zelfgekozen islamisering of westerse "zelfhaat", terwijl hij de kosten (€65.000) en culturele "verwatering" (o.a. Zwarte Piet, wintermarkten) aanhaalt als bewijs van een "overheidsbeleid dat de westerse cultuur degradeert". Minister Bernard Quintin ontkent kennis van jihadistische dreigingen en wijst elke stellingname, inclusief de culturele kritiek, af als niet zijn bevoegdheid, zonder de beschuldigingen te weerleggen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, het is helaas wereldnieuws geworden dat de stad Brussel een kerststal, of eigenlijk eerder een tent, heeft geplaatst, waarbij de gezichten van de christelijke figuren Maria, Jozef en het kindje Jezus zijn uitgewist en er zelfs verminkt uitzien. De reden daarvoor is dat dit, ik citeer, "inclusief" zou zijn.
Het afbeelden van menselijke gezichten is in de islam haram, waarvoor ik naar meerdere hadiths verwijs. Veel mensen vragen zich dan ook af of dat gebeurd is onder druk of zelfs bedreiging van moslimfundamentalisten of jihadisten, dan wel of dat is wat men zelfislamisering noemt, waarbij de stad Brussel er zonder enige druk voor kiest om zich aan te passen aan voorschriften van de islamitische doctrine. Een derde mogelijkheid is dat de islam er helemaal niets mee te maken heeft, waardoor dat een flagrant geval is van de typisch westerse oikofobie of zelfhaat.
Mijnheer de minister, hebt u dat onderzocht? Wat is uw reactie daarop?
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, ik kan heel kort zijn. Onze veiligheidsdiensten volgen dreigingsmeldingen altijd op. Ik heb geen informatie over jihadistische bedreigingen tegen de kerststalindustrie, noch tegen zij die kerststallen bestellen in Brussel of daarbuiten. Wat uw andere vragen betreft, ik heb daarover geen mening.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, dat u geen mening hebt over iets wat toch heel fundamenteel is voor onze cultuur, zegt veel. Dat is een verminkte kerststal, een tent die de belastingbetaler 65.000 euro heeft gekost, exclusief de afbraak. Op de afbraak zou dus nog kunnen worden bespaard, want talloze mensen zeggen dat zij die tent maar al te graag zouden afbreken. Zaken zoals de afschaffing van Zwarte Piet, en de kerstmarkt die een wintermarkt moest worden, in combinatie met niet alleen de opmars, maar ook het door de overheid en de media promoten van islamitische tradities, leidt ertoe dat steeds meer mensen terecht het gevoel hebben dat ze hun cultuur kwijtraken. De verweesde samenleving, zo noemde Pim Fortuyn het dertig jaar geleden al. Ook vandaag voeren de diverse overheden in dit land een wereldvreemd beleid dat onze cultuur degradeert en uiteindelijk zal vernietigen.
De jihadistische dreiging tegen christelijke doelwitten
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy wijst op een jihadistische moord op een christen in Lyon en een Franse DGSI-waarschuwing over groeiende dreiging tegen christenen, vraagt of Belgische diensten dit rapport kennen en welke beschermingsmaatregelen tijdens kerst genomen worden. Minister Quintin (OCAD) bevestigt kennisname, benadrukt dat christenen – net als joden en LHBTQ+’ers – langere tijd doelwit zijn, en verwijst naar lokaal dreigingsbeheer en de Strategie T.E.R. voor radicalisering. Van Rooy bekritiseert dat "islamisering" Europa onveilig maakt voor niet-moslims, waarschuwt voor "genocide op christenen" zoals in islamitische landen, en voorspelt een gelijksoortige toekomst voor België bij onveranderd beleid. De voorzitter sluit de mondelinge discussie af.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, op 10 september vond er een jihadistische moord plaats in Lyon op Ashur Sarnaya, een Iraakse christen in een rolstoel. Daarna waarschuwde de Franse binnenlandse veiligheidsdienst, de DGSI, voor een toenemende jihadistische dreiging tegen christenen. Dat staat in een vertrouwelijk rapport, dat via Le Figaro naar buiten kwam. Onderzoekers zien de moord op de christen Sarnaya als een voorbeeld van een blijvende jihadistische fixatie op christenen en christelijke symbolen, zoals kerken en kerstmarkten.
Volgens de Franse veiligheidsdienst richten islamistische netwerken zich al jaren op christenen. In het rapport staat dat zij christenen – hoe kan het ook anders, helaas – neerzetten als ongelovigen of afgodenaanbidders. De DGSI stelt dat die woorden terugkomen in zowel oude als recente jihadistische propaganda.
Mijnheer de minister, namen onze veiligheidsdiensten kennis van dat zorgwekkend rapport? Hoe kijken onze veiligheidsdiensten naar de jihadistische dreiging tegen christelijke doelwitten? Welke maatregelen worden desgevallend genomen om christelijke doelwitten, zeker tijdens deze kerstperiode, te beschermen tegen islamitische jihad?
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, het OCAD laat weten kennisgenomen te hebben van die tragische gebeurtenis. Het feit dat christelijke belangen doelwit kunnen zijn van de jihadistische beweging is niet nieuw. Ook joodse belangen en de LGTB+-gemeenschap zijn al langer potentiële doelwitten. Wanneer er christelijke evenementen worden georganiseerd en de lokale autoriteiten een dreigingsevaluatie wensen, kunnen zij dat aan het OCAD vragen. Het Nationaal Crisiscentrum zal daarop maatregelen aanbevelen.
Indien er signalen van extremisme of radicalisering zijn, worden die in het kader van de Strategie T.E.R. opgevolgd.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, op 10 september werd in Lyon Ashur Sarnaya vermoord, een Iraakse christen in een rolstoel. De dader is een Algerijnse moslim. Na die jihadistische moord waarschuwt de Franse binnenlandse veiligheidsdienst voor een toenemende jihadistische dreiging tegen christenen.
Het is symptomatisch. De toenemende islamisering leidt ertoe dat onze maatschappij voor niet-moslims steeds onveiliger wordt. Een Arabisch spreekwoord luidt: na zaterdag komt zondag, oftewel, na de joden zijn de christenen aan de beurt.
In de islamitische wereld worden genocides en ethnocides op christenen gepleegd. Bij gelijkblijvend beleid zal dat helaas ook de toekomst zijn van Europa, van België. Lees het nationaal veiligheidsrapport van de VS-minister en trek daaruit de enige juiste conclusie.
Voorzitter:
Vraag 56011100C van de heer Vander Elst is omgezet in een schriftelijke vraag.
De verheerlijking van dodelijke jihadistische terreur én van Samidoun door Bob Vylan in Brussel
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 17 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert minister Bernard Quintin hevig omdat artiest Bob Vylan volgens hem ongestraft haat en moord verheerlijkt (o.a. "death to the IDF", steun aan Samidoun en intifada), wat hij ziet als een dubbele standaard: terwijl pro-Israëlische uitingen hard worden aangepakt, zou Vylan’s extremisme genegeerd worden – hij spreekt van "Belgistan" en beschuldigt de media van partijdigheid. Quintin benadrukt dat vrijheid van meningsuiting grenzen heeft bij geweldsverheerlijking, maar stelt dat het parket moet oordelen over strafbaarheid; hij ontkent concrete signalen van ordeverstoring of radicalisering door Vylan’s optreden.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, ik heb de regering al herhaaldelijk kritisch bevraagd over de optredens van Bob Vylan – nomen est omen, zoals natuurlijk ook zijn bedoeling is. Ik heb u een link gestuurd waarin u hem aan het werk hebt kunnen zien op 2 december in Brussel. Toen was reeds bekend uit vorige optredens, zowel in Nederland als in België, dat hij oproept tot moord op zowat elke Israëli, want zowat elke Israëli dient namelijk in het IDF. Hij roept 'death to the IDF', hij verheerlijkt dodelijke jihadistische terreur door 'intifada' te roepen. Hij verheerlijkt ook Samidoun, een organisatie die deze regering nota bene wil verbieden. Hij verheerlijkte ook de executie van Charlie Kirk.
Mijnheer de minister, wat is uw reactie daarop? Vindt u niet dat die Bob Vylan, die zijn artiestenpodium misbruikt om moord te verheerlijken en mensen aan te zetten tot haat en moord, een bedreiging vormt voor de veiligheid in dit land van joden, maar ook van niet-joden, van mensen zoals Charlie Kirk? Zo niet, waarom niet?
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, de vrijheid van meningsuiting is fundamenteel in onze democratie, zoals eerder gezegd. Kritische standpunten over bijvoorbeeld beslissingen van de Israëlische regering moeten geuit kunnen worden. Het verheerlijken van geweld tijdens een optreden of enige andere publieke bijeenkomst zou echter niet als vrijheid van meningsuiting mogen worden beschouwd.
Het komt het parket toe om te beslissen een gerechtelijk dossier te openen wanneer er indicaties zijn van strafbare feiten. Haatzaaien en antisemitisme zijn, zoals u weet, in België verboden.
Ik heb nog geen signalen ontvangen dat dat optreden tot een verstoring van de openbare orde of veiligheid heeft geleid, noch dat dat een vector van radicalisering is geweest.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, mocht die als artiest vermomde neanderthaler Bob Vylan niet 'death to the IDF' maar 'death to the Belgian army' scanderen, en mocht hij niet de moord op Charlie Kirk maar op een linkse persoon verheerlijken, zou u dan ook de schouders ophalen zoals u nu doet? De vraag stellen is ze beantwoorden. Van de gepalestiniseerde Vlaamse media krijgt Bob Vylan veel sterren. Mocht een zionistische artiest zo’n moorddadige oproep doen, het kot in dit land zou te klein zijn. Terwijl op aanvuren van Hezbollahagent Abou Jahjah twee jonge IDF-militairen al feestend op Tomorrowland werden gearresteerd, wordt Bob Vylan in dit land geen strobreed in de weg gelegd. Dit is Belgistan.
De Koninklijke Militaire School
De militaire vorming en de attritie
De Koninklijke Militaire School
Militaire opleiding, vorming en attritie aan de KMS
Gesteld door
PS
Christophe Lacroix
VB
Annick Ponthier
PS
Philippe Courard
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 10 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Christophe Lacroix en Annick Ponthier kritiseren de hoge uitvalcijfers bij Defensie, vooral aan de Koninklijke Militaire School (KMS/ERM), en wijzen op structurele tekortkomingen zoals starre pedagogiek, gebrek aan erkenning van verworven competenties, ontoereikende begeleiding en mogelijk discriminerende evaluatiemethoden (bv. redoublement, definitieve uitsluiting). Zij vragen om flexibilisering, benchmarking met Europese normen en een diepgaande studie naar oorzaken en oplossingen, zonder de kwaliteitslat te verlagen. Minister Theo Francken benadrukt dat de KMS wel individuele begeleiding biedt (via pedagogische cellen en psychologen), continue evaluatie toepast (o.a. via studentenquêtes en accreditatie tot 2027) en geen creditoverdracht toestaat omwille van de geïntegreerde vierpijleraanpak (academisch, militair, fysiek, karakter). Een werkgroep herziet weliswaar wervingscriteria (bv. leeftijdsgrens) om de instroom te verbreden, maar een specifieke studie naar uitvaloorzaken is (nog) niet gepland – enkel permanente evaluatie binnen bestaande processen. Ponthier betreurt dit gebrek aan diepgaand onderzoek.
Christophe Lacroix:
Monsieur le Ministre,
La Défense belge s'est engagée depuis la précédente législature dans une dynamique de renforcement de ses capacités humaines. Cette ambition s'accompagne d'un effort soutenu en matière de recrutement, notamment auprès des jeunes. Toutefois, les taux d'abandon en formation, particulièrement élevés, compromettent sérieusement la réalisation de ces objectifs.
Le nombre élevé d'abandons en formation, bien que régulièrement expliqué par les difficultés d'adaptation des jeunes à la discipline militaire, ne saurait être attribué uniquement à ces derniers. D'autres facteurs doivent être pris en compte, notamment la rigidité des dispositifs pédagogiques, le manque de flexibilité dans la reconnaissance des acquis, et l'insuffisance de l'accompagnement individualisé. Ces éléments structurels peuvent accentuer les inégalités et décourager des profils pourtant prometteurs, contribuant ainsi à une perte de potentiel humain pour la Défense.
Parmi les institutions concernées par les abandons, l'École Royale Militaire (ERM) occupe une place centrale. Seule université bilingue et fédérale du pays, elle propose une formation exigeante, combinant cursus académique, préparation militaire, développement physique et formation caractérielle. Or, plusieurs éléments de son organisation pédagogique soulèvent parfois des interrogations quant à leur compatibilité avec les standards européens et leur impact potentiellement discriminant sur les étudiants : politique de redoublement, exclusion définitive ou encore pondération des évaluations.
Monsieur le Ministre,
Avez-vous déjà envisagé une évaluation de la stratégie pédagogique de l'ERM incluant une évaluation systématique des processus d'enseignement, de suivi et d'évaluation ?
Quelles mesures sont prévues pour garantir une meilleure équité dans les parcours de formation, notamment en matière de report de crédits, de redoublement et de reconnaissance des compétences non académiques ?
Une évaluation des pratiques de l'ERM avec les standards européens, tout en respectant les spécificités de la formation militaire est-elle prévue ?
Enfin, quelles actions concrètes seront mises en œuvre pour réduire le taux d'abandon, en renforçant l'accompagnement pédagogique et en valorisant les dimensions humaines et opérationnelles de la formation ?
Je vous remercie d'avance pour vos réponses.
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, voor de inleiding verwijs ik naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Het Belgische leger kampt al geruime tijd met personeelstekorten, en de jongste legislaturen werd dan ook ingezet op versterking van de menselijke capaciteit binnen Defensie. De rekruteringsinspanningen, vooral gericht op jongeren, zijn in dat opzicht toe te juichen. Tegelijk stellen we echter vast dat het hoge aantal uitvallers tijdens de vorming een ernstige rem zet op de realisatie van deze ambities.
Hoewel men vaak wijst op de aanpassingsmoeilijkheden van jongeren aan de militaire discipline, mogen we de oorzaken niet uitsluitend bij hen leggen. Ook factoren binnen de vorming zelf verdienen kritische aandacht. Denk aan een gebrek aan erkenning van eerder verworven competenties, of het ontoereikende individuele begeleidingstraject. Al te stringente medische vereisten, zoals in het verleden vaak in de luchtcomponent voor piloten golden, zorgden soms voor een verlies van talent. Zulke elementen kunnen ontmoedigen en zelfs leiden tot vroegtijdige uitval. Toch moeten we uiterst behoed zijn voor alle mogelijke latverlaging. Het kan nooit de bedoeling zijn om de kwaliteit van de instroom ondergeschikt te maken aan de kwaliteit.
De rol van de Koninklijke Militaire School (KMS) is in deze context van bijzonder belang. De KMS combineert een academisch traject met fysieke, militaire en karaktervorming. Bij het vormen van rekruten speelt deze universiteit dus een belangrijke rol en mogelijks kan zij ook een helder beeld krijgen van de attritie, in al zijn vormen, en misschien meedenken richting een betere aanpak hiervan.
Welke maatregelen neemt u om de militaire vorming te flexibiliseren, met betrekking tot verworven competenties, individuele trajecten en medische voorwaarden?
Welke maatregelen neemt u tegelijkertijd om te vermijden dat wat de fysieke en cognitieve vereisten betreft de lat wordt verlaagd?
Is een benchmarking van de opleidingen aan de Koninklijke Militaire School met Europese normen inzake militaire academische vorming gepland, waarbij rekening wordt gehouden met het specifieke karakter van militaire opleidingen?
Ten slotte, hebt u al een studie besteld of is er bij de Koninklijke Militaire School een studie in voorbereiding over de oorzaken van en de remedies tegen de hoge uitval tijdens de militaire kandidatuur en de loopbaanattritie, die verondersteld wordt toe te nemen door de pensioenhervorming, ook al ontkent u dat?
Theo Francken:
L'École Royale Militaire (ERM) est une université militaire de taille relativement modeste, ce qui garantit une approche personnelle et un contact étroit entre le personnel enseignant et les élèves. Un suivi et un encadrement individuel tout au long de l'année sont garantis. Une cellule de guidance constituée de pédagogues et de psychologues est à la disposition des élèves.
Une évaluation permanente de la stratégie pédagogique fait partie du processus de l'ERM. Citons par exemple l'évaluation de l'enseignement par le biais de questionnaires complétés par les élèves, une équipe pédagogique au profit du personnel enseignant, ou encore une commission d'enseignement et de pédagogie veillant au maintien de la qualité de l'enseignement.
L'ERM est une institution militaire chargée de former de futurs officiers, des leaders. La formation à l'ERM est basée sur l'apprentissage intégré de quatre piliers, à savoir l'académique, le militaire, le physique et le caractère. Cette approche intégrée et transversale, qui est la clé du succès de la formation solide de nos officiers, nécessite une évaluation globale et ne permet pas le report de crédits. Toutefois, les élèves en échec sont évalués par une commission de délibération qui prend en considération les résultats dans les quatre piliers et qui peut décider de la réussite, de l'ajournement ou de l'échec définitif de l'élève, mais qui peut également lui donner la possibilité de repasser un ou plusieurs examens. À titre exceptionnel, un examen peut être passé jusqu'à quatre fois.
De KMS is overeenkomstig de wet gemachtigd om onder andere diploma's van bachelor en master in de Ingenieurswetenschappen of in de Sociale en Militaire Wetenschappen toe te kennen. Ze is geaccrediteerd en geëvalueerd door onafhankelijke instanties volgens de Europese normen. De huidige accreditatie is geldig tot 2027. Ze is momenteel in hernieuwing.
Een benchmarking met andere militaire academies gebeurt op indirecte wijze doorheen de permanente evaluatie van de mogelijkheden tot uitwisseling van leerlingen, meer bepaald in het kader van Emylio, de militaire tegenhanger van Erasmus.
L'ERM accorde énormément d'importance au bien-être et à la réussite des élèves. Afin de maximiser les chances de réussite de ceux-ci, plusieurs outils sont utilisés et mis à leur disposition.
Voor het functionaliseren van de voorwaarden om militair te worden, is bij de Defensiestaf een werkgroep opgericht om daarin de aanwervingscriteria te herzien. Na de validering van de resultaten van de werkgroep zullen de statutaire teksten worden aangepast.
Het doel van de herziening is de wervingsvijver te verbreden en ervaren en zelfs oudere profielen aan te moedigen dienst te nemen bij Defensie. Daarover hebben wij het al gehad bij de vraag van Kjell Vander Elst. Dat gaat over de leeftijdsgrens van inlijving, die naar boven wordt bijgesteld.
Christophe Lacroix:
Je remercie le ministre pour la qualité de ses réponses.
Annick Ponthier:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Als ik het goed begrepen heb, buigt een werkgroep zich momenteel over een herziening van de wervingsvoorwaarden. We zullen daar te gepasten tijde op terugkomen.
Het is belangrijk dat er aandacht gaat naar de specifieke opleiding en alle onderdelen daarvan: er is nood aan een academisch traject, gecombineerd met fysieke en militaire vorming en met karaktervorming, zodat het resultaat een correct gevormde militair, zonder dat de lat wordt verlaagd. Ik denk dat u daar zelf ook in het verleden altijd voor hebt gewaarschuwd, terecht, en wij doen dat hier opnieuw.
De studie waarnaar ik vroeg, is nog niet uitgevoerd of besteld, of komt die toe aan de werkgroep?
Theo Francken:
(…) Permanente evaluatie.
De wettelijke classificatie van overdekte e-scootmobielen van het type Flagship van Shoprider
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Volgens Jean-Luc Crucke valt de Shoprider "Flagship" (11 km/u, voor personen met beperkte mobiliteit) onder engins de déplacement (art. 2.15.2 Wegcode), niet als cyclomoteur, en gelden er dus geen immatriculatie-, permis- of casqueplicht—wel een snelheidslimiet van 25 km/u. Hij bevestigt dat er geen EU-harmonisatie is, maar dat België een benchmarking uitvoert voor een mogelijk nationaal kader, met overleg met regio’s en Benelux; Duitsland zou via de EU aandringen op Europese regelgeving. Anthony Dufrane benadrukt als kritiek dat de wettelijke grijszones voor hybride voertuigen dringend moeten worden opgelost om verzekeringsdekking en verkeersveiligheid te garanderen, vooral nu nieuwe transportmiddelen opkomen. De vraag over publicitair gebruik blijft onbeantwoord.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, le Shoprider "Flagship" est un grand scooter électrique à cabine, non immatriculé et ayant des caractéristiques proches d'un petit véhicule motorisé. Ce dernier est utilisé chez nous comme véhicule mais aussi comme véhicule publicitaire. Il intègre des portes, une structure fermée, suspension renforcée, pare-brise, ce qui le distingue des petits "e-scooters" classiques, qui sont aussi utilisés dans nos rues. Cependant, il semble proche d'une chaise roulante électrique dans sa structure globale.
Le code de la route relatif aux engins de déplacement motorisés prévoit plusieurs catégories: engins légers sans selle tels que trottinettes, scooters ou cyclomoteurs, engins avec siège, puissance ou vitesse dépassant certains seuils, etc. Les obligations telles que l'immatriculation, l'assurance, le permis, ainsi que les restrictions d'âge varient selon la catégorie et la puissance.
Il semble que le cadre légal ne soit pas toujours clair pour les utilisateurs ou les forces de l'ordre concernant des modèles comme le Flagship, qui semblent à la frontière entre la voiture "sans permis", la trottinette et le véhicule de type moped.
Mes questions, monsieur le ministre, sont:
- Comment la loi classe-t-elle juridiquement un engin comme le Shoprider "Flagship" (cabine, siège, carrosserie, portes): dans la catégorie d'un véhicule motorisé (cyclomoteur) ou d'un engin de déplacement motorisé?
- Si le Flagship ou des modèles similaires sont légalement classés comme cyclomoteurs, quelles obligations leurs utilisateurs doivent-ils respecter (immatriculation, permis, assurance, port du casque, etc.)?
- Sont-ils considérés de la même manière que la draisienne électrique?
- Existe-t-il des discussions ou des projets de réforme visant à clarifier ou adapter la législation pour couvrir les modèles hybrides ou "entre deux catégories" comme le Flagship pour éviter les zones grises et assurer la sécurité routière?
- Est-ce que n'importe quel véhicule peut être utilisé comme véhicule publicitaire?
Jean-Luc Crucke:
Cher collègue, conformément à sa fiche technique, cet engin est limité à une vitesse maximale de 7 miles/heure, soit environ 11 km/heure. De plus, la marque Shoprider est spécialisée dans la construction de véhicules adaptés aux personnes présentant un handicap physique. À ce titre, le "Flagship" relève de la catégorie des engins de déplacement telle que définie à l'article 2.15.2 du Code de la route. Cet article prévoit que les engins de déplacement motorisés doivent avoir une vitesse limitée à 25 km/heure et comprennent, entre autres, les scooters électriques destinés aux personnes à mobilité réduite.
Concernant un éventuel projet de réforme visant à clarifier la législation applicable aux modèles tels que le "Flagship", il convient de noter qu'il n'existe pas de réglementation européenne harmonisée encadrant les engins de déplacement. Mon administration a déjà interpellé la Commission européenne à ce propos, et réalisera cette année un benchmarking dans les pays qui ont adopté un cadre réglementaire. Ce benchmarking pourrait déboucher sur une étude de faisabilité visant à définir un cadre national pour l'homologation, en concertation avec les régions et le Benelux.
En ce qui concerne l'utilisation de ces véhicules comme véhicules publicitaires, je ne peux répondre à la question sans avoir plus d'informations sur la forme de publicité.
Lors du dernier Conseil Transports, Télécommunications et é nergie de l'Union européenne qui a eu lieu la semaine dernière, il me semble qu'un pays européen – peut-être était-ce l'Allemagne – a fait savoir qu'il avait déposé une note en AOP pour inviter la Commission européenne à travailler à l'obtention d'une organisation harmonieuse de cette question dans l'ensemble de l'Europe.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre intérêt et pour vos informations complémentaires. Il me semble primordial, au vu de l'évolution des moyens de transport et de tous ces nouveaux moyens de transport qui arrivent sur le marché, de bien les classifier et de les encadrer légalement, afin aussi qu'ils soient correctement assurés.
De erkenning van de Moslimraad als representatief orgaan van de islamitische eredienst
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 9 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Alexander Van Hoecke bekritiseert dat de Moslimraad—wiens tijdelijk mandaat tot 2026 werd verlengd—nog steeds geen definitieve erkenning kreeg, ondanks hervormingen zoals een nieuwe voorzitter (Hassan El Bouchttaoui) en statutenwijzigingen. Hij beschuldigt minister Verlinden ervan buitenlandse inmenging (Diyanet, Milli Görüş) te facilteren door een "breed draagvlak" na te streven, en bekritiseert de financiering van de Raad ten koste van Justitie’s begroting. Minister Verlinden benadrukt dat de Moslimraad zelf verantwoordelijk is voor hervormingen, maar meldt vooruitgang (infodagen, transparantie, inclusie van stromingen) en constructieve gesprekken over representativiteit, zonder buitenlandse sturing te bevestigen of ontkennen. Van Hoecke blijft fel gekant tegen elke rol voor Diyanet/Milli Görüş en eist een duidelijke afbakening van buitenlandse invloed.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, er is niet heel veel toelichting nodig, maar er zijn wel heel veel vragen.
We zijn intussen bijna een half jaar verder nadat de beslissing werd genomen om de vzw Moslimraad van België niet definitief te erkennen als representatief orgaan van de islamitische eredienst. Het tijdelijk mandaat van de Moslimraad werd verlengd met een jaar, tot en met 25 juni 2026. Ik heb hierover een aantal vragen.
Kunt u een stand van zaken geven met betrekking tot wat de Moslimraad de afgelopen maanden heeft ondernomen en welke hervormingen nog gepland staan?
Hoe vaak hebt u overleg gehad met de Moslimraad sinds de beslissing werd genomen om niet over te gaan tot een definitieve erkenning en wat werd er toen besproken?
Hoe regelmatig en op welke manier rapporteert de Moslimraad over zijn werkzaamheden en over het traject dat wordt afgelegd? U herinnert zich dat hierover vorig jaar enige onduidelijkheid bestond.
Wie staat momenteel aan het hoofd van de Moslimraad, na het afzwaaien van Esma Uçan als voorzitter.
Hebben er sinds de beslissing om niet tot definitieve erkenning over te gaan nog andere wijzigingen plaatsgevonden in de samenstelling van het bestuur van de Moslimraad?
Tot slot, hebben er in de tussentijd afzonderlijke gesprekken plaatsgevonden met vertegenwoordigers van Diyanet, Milli Görüş of andere groeperingen met het oog op de samenstelling van een definitief representatief orgaan?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Hoecke, het is uiteraard aan de moslimgemeenschap zelf om de organisatie van het representatief orgaan op te nemen. Zoals ik reeds meermaals aangaf, staat de FOD Justitie evenwel ter beschikking om de moslimgemeenschap en het representatief orgaan daarbij te ondersteunen. Sinds juni van dit jaar hebben verschillende constructieve gesprekken plaatsgevonden. Daarbij wordt bestudeerd hoe de representativiteit kan worden verhoogd, met het oog op de erkenning van een definitief representatief orgaan van de islamitische eredienst.
De Moslimraad zet intussen zijn traject verder en garandeert de continuïteit van de dienstverlening. Zo werden de statuten aangepast, werd een nieuwe voorzitter aangesteld en werd een nieuwe algemene vergadering en raad van bestuur samengesteld. De nieuwe voorzitter is de heer Hassan El Bouchttaoui. Er wordt gewerkt aan een nog meer representatieve vertegenwoordiging. Deze ontwikkelingen tonen aan dat er vooruitgang wordt geboekt en dat er bereidheid bestaat tot hervorming.
De Moslimraad organiseerde samen met de koepelorganisaties ook diverse informatiemomenten. Zo vond een infodag plaats voor de zeventien recent erkende moskeeën in Vlaanderen. In december is een gelijkaardige infodag gepland in Wallonië. Zowel erkende als niet-erkende moskeeën worden uitgenodigd om toelichting te krijgen over de werking en over de erkenningsprocedure voor lokale geloofsgemeenschappen. Daarnaast informeerde de Moslimraad de administratie over hun werkzaamheden, om een overzicht te realiseren van alle erkende en niet-erkende moskeeën.
De Moslimraad wil een organisatie zijn die losstaat van buitenlandse invloeden en onderneemt initiatieven om alle stromingen en etnische achtergronden binnen de Belgische moslimgemeenschap rond de tafel te brengen. Verder onderhoudt de Moslimraad constructieve contacten met diverse overheidsinstanties over lopende dossiers.
Wat betreft de relaties met de stromingen en etniciteiten binnen de gemeenschap in ons land ligt het initiatief bij de Moslimraad. De Moslimraad geeft aan open te staan voor samenwerking met alle stromingen en de statuten leggen dat ook structureel vast. De statuten bieden een garantie op permanente plaatsen binnen de algemene vergadering voor federale koepels die specifieke etnisch-culturele minderheden vertegenwoordigen.
Voor de overheid is het belangrijk te kunnen rekenen op een transparant representatief orgaan met een breed draagvlak. De wijze waarop dit wordt gerealiseerd, ligt in de handen van de moslimgemeenschap en de Moslimraad zelf. De diensten van de administratie beraden zich verder over de toekomst, de uitgangspunten en de ambities. Het streefdoel is in elk geval dat zoveel mogelijk leden van de moslimgemeenschap zich vertegenwoordigd voelen door het representatief orgaan.
Alexander Van Hoecke:
Er is ondertussen wel wat gebeurd, zoals de aanstelling van een nieuwe voorzitter. Dat mag ook wel, we zijn er ondertussen bijna twee jaar over bezig. U spreekt over samenwerking met alle stromingen. Ik hoop dat u beseft wat dat betekent. Dat betekent samenwerking met Diyanet en Milli Görüş, twee instrumenten van buitenlandse inmenging. Wij kunnen daarover heel duidelijk zijn. Daar lijkt het nu heen te gaan.
Ondertussen financieren wij een orgaan waarvan we nog steeds niet weten hoe het exact zal worden samengesteld, op kap van de noodlijdende begroting van Justitie. Terwijl Justitie geen geld heeft om zijn werk te doen, blijft men geld pompen in zogenaamd representatieve organen van religies. Ik vind dat zeer problematisch.
Mevrouw de minister, los daarvan, ik hoop echt dat u ten volle beseft dat een pleidooi voor een moslimraad met een groter draagvlak, die de hele islamitische gemeenschap in dit land vertegenwoordigt, een pleidooi is voor buitenlandse inmenging. Dat is een pleidooi voor Diyanet en Milli Görüş aan de knoppen in die Moslimraad, bij de erkenning van moskeeën en de aanstelling van imams. U ijvert er actief voor om op die manier buitenlandse invloeden toe te staan. Ik blijf dit zeer problematisch vinden. Het gaat er bij mij absoluut niet in.
Ik hoop dat u een lijn durft te trekken en aan die Moslimraad duidelijk zult meegeven dat het niet de bedoeling is dat wij actief buitenlandse inmenging aan boord halen. U moet ook duidelijk maken dat er geen plaats is voor Diyanet en Milli Görüş in dit land.
Voorzitter:
Les questions jointes n° 56010915C de Mme Barbara Pas et n° 56010918C de M. Alain Yzermans sont transformées en questions écrites. La question n° 56010942C de Mme Marijke Dillen est reportée. Les questions jointes n° 56010996C de Mme Sophie De Wit et n° 56011087C de Mme Marijke Dillen sont reportées. La question n° 56011103C de Mme Victoria Vandeberg est reportée. Les questions jointes n° 56011114C de Mme Victoria Vandeberg, n° 56011243C de M. Stefaan Van Hecke et n° 56011271C de M. Alexander Van Hoecke sont reportées. La question n° 56011129C de M. Alexander Van Hoecke est transformée en question écrite.
De reactie v.d. Brusselse regering en de GGC op de verzoeken i.v.m. het naleven van de taalwetgeving
De taalwet die in Brussel een dode letter blijft
Het taaltoezicht op de Brusselse politie
Taalwetgeving en naleving in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 3 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Barbara Pas en Jeroen Bergers bekritiseren dat minister Bernard Quintin ondanks beloftes geen concrete stappen zette om de systematische niet-naleving van de taalwet in Brussel (onwettige benoemingen, ontbrekend taaltoezicht op politie) aan te pakken, ondanks herhaalde aanmaningen en een regering in lopende zaken die volgens Pas wettelijk verplicht blijft de wet te handhaven. Quintin erkent de problemen, wijt vertraging aan politieke patstellingen (443 dagen zonder Brusselse regering) en belooft overleg met de vicegouverneur en Taalcommissie, maar geeft geen duidelijke acties, reacties of resultaten—wat Pas als "algemene woorden zonder gevolg" afdoet. Over taalcontrole op politieaanwervingen (nu onbestaand) zwijgt Quintin volledig, waar Pas amendementen aankondigt om dit alsnog in zijn wetsontwerp politiefusie te verankeren. Bergers benadrukt dat dringend optreden nodig is, verwijzend naar schrijnende gevallen (bv. hulpverlening in ziekenhuizen) door taalkundige tekorten.
Barbara Pas:
Mijnheer de minister, het is bijna een half jaar geleden dat ik interpelleerde, wat ik elk jaar doe naar aanleiding van het rapport van de vicegouverneur over de niet-toepassing van de taalwet in Brussel door de plaatselijke besturen. Meer bepaald gaat het om de toezichthoudende instanties die hun werk niet doen, zowel de Brusselse regering als het verenigd college van de GGC, hoewel zij dat wettelijk zouden moeten doen.
U hebt toen in uw antwoord gesteld dat u onder meer de Brusselse regering zou aanspreken over het feit dat onrechtmatige en onregelmatige benoemingen en bevorderingen ongedaan moeten worden gemaakt. U hebt gezegd dat u erop zou aandringen bij de Brusselse regering om de taalwetgeving strikt na te leven.
We zijn bijna een half jaar later, dus ik sta hier vandaag met een opvolgvraag. Heeft dat aandringen van u effectief resultaten opgeleverd? Zeer concreet, wanneer en op welke wijze hebt u de Brusselse toezichthoudende instanties hierover aangesproken? Hebt u zowel de ministers van de Brusselse regering als de collegeleden van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie hierover gevat? Wat hebt u hun verzocht? Is er een reactie op uw initiatieven gekomen? Zo ja, dan ben ik uiteraard benieuwd naar de reacties van beide instellingen. Ten slotte ben ik benieuwd naar de concrete resultaten, met name of er ondertussen onwettige benoemingen door die instanties wel zijn vernietigd.
Mijn tweede vraag, mijnheer de minister, betreft het taaltoezicht op de Brusselse politie.
Ik heb u daarover een schriftelijke vraag gesteld, maar de Belgische institutionele doolhof is blijkbaar zo ingewikkeld dat zelfs een minister of zijn kabinet zich al eens kan vergissen. In uw antwoord gaat u ervan uit dat de vicegouverneur, net zoals dat het geval is voor de plaatselijke besturen, toezicht houdt op de aanwervingen bij de Brusselse politie, dat hij de dossiers van die aanwervingen schorst en dat vervolgens, volgens dezelfde procedures als bij de plaatselijke besturen, de Brusselse regering die beslissingen kan vernietigen. Dat klopt echter niet. Lang geleden was dat wel zo, toen de politie nog op gemeentelijk niveau was georganiseerd, maar sinds we met zes politiezones werken is dat niet langer het geval. Volgens de taalwet in bestuurszaken kan de vicegouverneur enkel optreden voor verkeerde aanwervingen op gemeentelijk niveau, maar niet voor gewestelijke diensten, zoals de zes politiezones die we vandaag kennen.
In de praktijk betekent dit dat geen enkel dossier van aanwerving wordt doorgestuurd naar de vicegouverneur en dat hij dus geen controle uitoefent in verband met de taalwet in bestuurszaken, vandaar dat ik u de vraag nu mondeling stel, aangezien u er in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag van uitgaat dat er een taalcontrole is, terwijl die er niet is. U vindt dat ook een goede taalcontrole en meent dat ze bestaat, adequaat is en voldoet.
Aangezien u dat een goed systeem vindt, is mijn vraag wat u verhindert om die taalcontroles bij de vicegouverneur te leggen, zoals dat gebeurt bij de plaatselijke besturen. Het is geen alleenzaligmakende oplossing, maar het zou alleszins een stap in de goede richting zijn. Is die controle door de vicegouverneur op de aanwervingen bij de Brusselse politie opgenomen in het wetsontwerp waar we al even op wachten? Zo niet, zult u het nog bijsturen in die richting, aangezien ik gelezen heb dat u dit een goed instrument vindt?
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, op 11 juni hebben we in de commissie inderdaad al vragen aan u gesteld in verband met het rapport van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dat rapport stelde voor het zoveelste jaar op rij de schrijnende toestand van het Nederlands in Brussel aan de kaak.
Op mijn vragen antwoordde u dat u de situatie betreurt en dat de kritiek meer dan terecht is, aangezien er in België en dus ook in Brussel wetten bestaan zoals in elke rechtsstaat en dat deze dienen te worden nageleefd. De wetgeving inzake het gebruik van taal in bestuurszaken is zeer duidelijk wat betreft de benoemingen en de vereisten inzake taalcertificaten en taalkaders.
Verder zei u toen in de commissie dat u uw collega’s op zowel het Vlaamse, Waalse, Brusselse als federale niveau zou aanspreken over die situatie, dat u zou bekijken wat er gezamenlijk kan worden ondernomen en dat u de Brusselse regering specifiek zou aanschrijven om de problematiek onder de aandacht te brengen.
We zijn inmiddels ongeveer zes maanden verder en ik vroeg mij af welke stappen u hebt ondernomen, of er structureel iets gebeurt aan die problematische situatie, of u die brief hebt geschreven en wat daarop de reactie was. Meer algemeen vroeg ik mij af of u bijkomende updates kunt geven over uw aanpak om de taalsituatie in Brussel op te lossen.
Naar aanleiding van een vorig debat hier ontving ik een getuigenis van een jongeman die op de trein door een hond werd aangevallen en in Brussel-Centraal nergens geholpen kon worden. Hij belandde vervolgens in het ziekenhuis, waar hij opnieuw nergens terechtkon terwijl hij zwaar aan het bloeden was na de aanval. Dat zijn bijzonder schrijnende situaties die we moeten vermijden.
Bernard Quintin:
Mevrouw Pas, mijnheer Bergers, ik dank u voor uw vraag. Ik bevestig dat het mijn bedoeling is om bij alle administratieve overheden die bij deze wet betrokken zijn aan te dringen op een strikte naleving ervan, met name de instanties die toezien op de correcte toepassing ervan. U weet echter dat de Brusselse regering zich momenteel in lopende zaken bevindt. Het behoort tot nu toe niet tot mijn bevoegdheid om een Brusselse regering te vormen.
Het is niet eenvoudig om contact op te nemen en afspraken te maken met de verantwoordelijken van de betrokken diensten om samen mogelijke oplossingen te onderzoeken. Mijn kabinet organiseert vergaderingen met de vicegouverneur en met de Vaste Commissie voor Taaltoezicht om de situatie grondig te evalueren, onder meer op basis van de elementen die u aanreikt, en om de nodige maatregelen te treffen.
Ik weet dat het zes maanden geleden is, maar intussen zitten we ook 443 dagen zonder nieuwe regering in Brussel. Dat helpt niet. Verder weet u dat ik graag zou vermijden dat deze problemen blijven bestaan, maar dat we vooral meer Nederlandstalige collega’s moeten aantrekken om in de administraties en in de Brusselse politie te werken.
Barbara Pas:
Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw antwoord. U zegt dat u zult aandringen, maar dat hebt u zes maanden geleden ook gezegd. Gelet op het feit dat ik geen antwoord kreeg op mijn concrete vragen – wanneer u hebt samengezeten, wat u hebt gevraagd en of u daar reactie op kreeg – stel ik vast dat u nu opnieuw in algemene termen spreekt. U hebt gezegd dat het moeilijk is om afspraken te maken met ministers die in lopende zaken zitten. Moeilijk is echter niet onmogelijk. Een regering in lopende zaken moet nog altijd de wet toepassen. Die taalwet in bestuurstaken is van openbare orde. Ook een regering in lopende zaken moet die dus naleven.
U zegt dat u een afspraak hebt met de vicegouverneur en met de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Dat is zeer goed, maar die hoeft u echt niet meer te overtuigen dat daar een probleem bestaat. Het probleem zit al jarenlang bij de Brusselse regering. Niet alleen in lopende zaken, maar ook gedurende de decennia daarvoor weigert die systematisch om de schorsingen van de vicegouverneur te vernietigen.
Op mijn tweede vraag, over de controle op de aanwervingen bij de politie, hebt u helemaal niet geantwoord. Die ontsnappen aan elke controle. De vicegouverneur krijgt die dossiers van aanwervingen niet eens doorgestuurd. U vindt dat een goed principe. Mijn vraag was of u dat zult implementeren wanneer u uw wetsontwerp over de fusie van de politiezones hier zult indienen. Soms is niet antwoorden en zwijgen ook veelzeggend. Wij zullen in elk geval al amendementen in die zin voorbereiden om u daaraan te herinneren.
Jeroen Bergers:
Dank u wel voor uw antwoord, mijnheer de minister.
Op vele vlakken deel ik uw standpunt en uw mening over de fundamentele onverantwoordelijkheid van sommige Brusselse politici en partijen. Het klopt echter dat ook een regering in lopende zaken zich moet houden aan de taalwetgeving. Het is ook uw taak om die regering, ondanks haar statuut van lopende zaken, op het matje te roepen voor de veelheid aan wetsovertredingen die zij begaat.
In die zin was ik benieuwd naar de brieven die u zou sturen en die u zelf had aangekondigd. Ik wilde weten wat er precies in die brieven stond om de Brusselse regering op het matje te roepen. Ik zal mijn vragen dan schriftelijk indienen.
Voorzitter:
La question n° 56010059C de M. Ridouane Chahid est transformée en question écrite.
Het Duitse verbod op een islamitische organisatie die oproept tot de stichting van een kalifaat
De Hamasdreiging in België
Een mogelijk bij het bloedbad op 7/10 betrokken Hamasfan die opduikt bij een sit-in in A'dam (1)
Een mogelijk bij het bloedbad op 7/10 betrokken Hamasfan die opduikt bij een sit-in in A'dam (2)
De screening en opvolging van Mohaned al-Khatib en de Palestijnse asielzoekers
Extremisme, Hamas en islamitische radicalisering in Europa
Gesteld door
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
N-VA
Michael Freilich
N-VA
Michael Freilich
VB
Sam Van Rooy
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 3 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert dat België onvoldoende optreedt tegen Hamas-sympathisanten en jihadistische organisaties, waaronder Mohaned al-Khatib—een verdachte van betrokkenheid bij de aanslagen van 7 oktober 2023—die volgens hem niet dagelijks wordt opgevolgd door veiligheidsdiensten, ondanks zijn openlijke jihadistische uitingen. Hij stelt dat de screening van Palestijnse asielzoekers falen (o.a. door signalen van het Joods Informatiecentrum in plaats van eigen inlichtingen) en waarschuwt dat het merendeel Hamas/Hezbollah-steunt, wat de veiligheid bedreigt. Minister Bernard Quintin bevestigt dat er gerechtelijk onderzoek loopt naar al-Khatib en dat Hamas prioriteit heeft voor de diensten, maar ontkent structurele banden met Duitse extremistische groepen in België. Hij verwijst voor asielscreening naar Van Bossuyt (Migratie) en benadrukt dat dreigingsniveau 3 geldt, met focus op jihadisme—zonder concrete maatregelen tegen individuen of organisaties te specificeren. Van Rooy blijft kritisch en eist strengere actie tegen "terreurverheerlijkers".
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, ik heb veel vragen voor u.
Ten eerste, Duitsland verbiedt de islamitische organisatie Muslim Interaktiv omdat die oproept tot de stichting van een kalifaat. Om dezelfde reden worden Generation Islam en Realität Islam mogelijk ook verboden.
Mijnheer de minister, hebben Muslim Interaktiv, Generation Islam en Realität Islam vertakkingen in België of onderhouden ze banden met organisaties in België? Wordt onderzocht of zich in België islamitische organisaties bevinden die oproepen tot de stichting van een kalifaat en zullen die desgevallend, zoals in Duitsland, verboden worden?
Ten tweede, een rapport van het Meir Amit Intelligence and Terrorism Information Center stelt dat Hamas in Europa een netwerk heeft uitgebouwd en tracht te versterken om hier aanslagen te plegen. Zo werd reeds een wapendepot ontdekt en zijn al verschillende gewapende Hamasleden en -aanhangers opgepakt, onder meer in onze buurlanden. Volgens de Duitse inlichtingendienst is het aantal Hamasleden tussen 2008 en 2023 met 50 % toegenomen, tot meer dan 450. U weet dat die vrij kunnen reizen in Europa binnen de Schengenzone. Ze kunnen zich dus ook op ons grondgebied bevinden.
Mijnheer de minister, weet u hoeveel Hamasleden en -agenten zich momenteel op ons grondgebied bevinden? Hoe verloopt de veiligheidsscreening van Palestijnse asielzoekers en migranten op een eventueel lidmaatschap van Hamas of spionage voor Hamas?
Ten derde, wat die screening betreft, die verloopt blijkbaar op zijn zachtst gezegd niet goed, want een Palestijnse Hamasfanaat die betrokken is bij de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël blijkt nu gewoon in België te verblijven. Hij werd eerst gespot op een pro-Hamasdemonstratie in Brussel. U hebt de beelden intussen wellicht gezien. Ik heb daarover ook al mevrouw Van Bossuyt, de minister van Asiel en Migratie, en mevrouw Verlinden, de minister van Justitie ondervraagd. Minister Van Bossuyt heeft me gisteren bevestigd dat de man hier nog steeds verblijft, met name in een asielcentrum in Sint-Niklaas. Er is bovendien een dossier van 65 pagina’s opgesteld – niet door onze veiligheidsdiensten, maar door het Joods Informatie- en Documentatiecentrum (JID) – over dat verschrikkelijk jihadistische sujet Al-Khatib. Ik hoop dat u het ondertussen al hebt gelezen. Het staat gewoon op de site van het JID.
De vraag is hoe het mogelijk is dat zo iemand, met wat hij op 7 oktober 2023 heeft gedaan en met de openlijke jihadistische oproepen die hij nog altijd doet op zijn sociale media, zich op Belgisch grondgebied bevindt. Hij is hier nog altijd, in Sint-Niklaas. Zal hij nu wel worden gescreend door de veiligheidsdiensten, is dat al gebeurd, naar ik hoop, of wordt hij ten minste op dit moment opgevolgd door de veiligheidsdiensten? Ik herinner mij dat de zogenaamde Syriëstrijders zouden worden opgevolgd, wat dat ook moge betekenen. Ik veronderstel dat agenten of mensen van de veiligheidsdiensten zo iemand volgen in zijn of haar dagelijkse praktijken, onder andere op sociale media. Wordt die Mohammed Al-Khatib vandaag dagelijks opgevolgd door onze veiligheidsdiensten?
Ondertussen zagen we ook beelden van Palestijnen die uit Gaza België worden binnengevlogen, waaronder Palestijnse tieners die een trui dragen waarop in het groot een M16-machinegeweer staat. De M16 is, naast de Kalasjnikov, het geliefkoosde wapen van jihadisten en ook van Hamas. Het werd onder andere gebruikt bij de verschrikkelijke massaslachtingen in de Israëlische kibboets. Zij komen hier gewoon binnengewandeld.
U weet dat België een favoriete bestemming in Europa is van Palestijnse asielzoekers. Het merendeel van hen heeft sympathie voor Hamas en Hezbollah en juicht de genocidale massaslachting op 7 oktober 2023 toe . Dat blijkt uit onderzoeken, bevragingen en peilingen. Zij delen dus het zieke jihadistische wereldbeeld van de persoon over wie ik u specifiek ondervraag, Mohammed Al-Khatib.
Tot slot, welke stappen zet u om ervoor te zorgen dat Hamas-terroristen, maar ook Hamas-fanaten en verheerlijkers van de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 onze samenleving niet kunnen verzieken of onveilig maken voor joden, maar ook voor niet-joden?
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, u weet dat het niet mijn gewoonte is om details te geven over individuele dossiers, zeker niet wanneer ze zich in de onderzoeksfase bevinden.
Ik kan u wel meegeven dat ik op 7 november 2025 op de hoogte ben gebracht van de aanwezigheid van de betrokkene op ons grondgebied en van de open bronelementen die zouden kunnen wijzen op diens aanwezigheid tijdens de terroristische aanslag van Hamas op 7 oktober 2023.
Justitie voert momenteel een onderzoek dat moet uitwijzen of dat klopt en desgevallend in welke hoedanigheid dat gebeurde.
Het dossier is ook in behandeling bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Voor informatie daarover, evenals over de maatregelen voor het groot aantal Palestijnen dat naar België komt of over de screening moet u minister Van Bossuyt nog eens bevragen.
Op de vraag over de bewegingsvrijheid van personen binnen de Schengenzone of de Benelux is het antwoord eenvoudig. Wanneer iemand niet is geseind, mag hij of zij zich vrij verplaatsen.
Op de concrete onderzoeksdaden van de veiligheidsdiensten ga ik niet in.
Het spreekt voor zich dat wanneer wordt vastgesteld dat de betrokkene effectief banden met Hamas zou hebben, het parket een gerechtelijk onderzoek moet openen. Vragen daarover stelt u het best aan mijn collega Verlinden. Ook zal het OCAD in een dergelijk geval overgaan tot opvolging in het kader van de nationale Strategie T.E.R.
Onze veiligheidsdiensten hebben geen indicaties die erop wijzen dat Muslim Interaktiv, Generation Islam en Realität Islam vertakkingen hebben in België of dat er structurele banden bestaan tussen die organisaties en organisaties in België.
U weet dat ik een wetsontwerp voorbereid om te beschikken over een instrument om in overeenstemming met het regeerakkoord gevaarlijke radicale organisaties te kunnen verbieden. Ik kan niet vooruitlopen op dat wetsontwerp, aangezien de Raad van State nog geen advies heeft kunnen afleveren.
De Veiligheid van de Staat en het OCAD zijn bevoegd voor het onderzoek naar en de analyse van zowel religieus als ideologisch extremisme. Wanneer er in ons land organisaties zijn die oproepen tot het stichten van een dergelijke organisatie, zal dat via het VSSE en het OCAD aan het licht komen.
Al sinds 7 oktober 2023 houden onze veiligheidsdiensten rekening met de mogelijkheid dat leden van Hamas hun toevlucht zouden zoeken in België of andere Europese landen. Hamas wordt prioritair behandeld door de inlichtingendiensten en de inlichtingen over Hamas worden steeds meegenomen in de dreigingsanalyses die door het OCAD worden opgesteld.
Het dreigingsniveau staat in België op niveau 3 sinds oktober 2023. Dat betekent dat de dreiging ernstig is. De religieus geïnspireerde dreiging voor West-Europa komt voornamelijk uit islamistische en jihadistische hoek. Voor het Westen blijft de dreiging van IS en IS-geïnspireerde actoren volgens het OCAD momenteel de belangrijkste.
Aangezien de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek – om de redenen die u aanhaalt, mijnheer Van Rooy – kan de politie geen details geven. Voor meer informatie verwijs ik naar de magistraat die belast is met het dossier. Sta me toe om op te merken dat het bestaan zelf van dat dossier aantoont dat de veiligheidsdiensten adequaat hebben gereageerd.
Wat betreft de vraag inzake de administratieve situatie van die persoon en de mogelijke maatregelen in geval van terugkeer, mocht hij naar Griekenland worden teruggestuurd, heb ik al gezegd dat u zich moet richten tot de Dienst Vreemdelingenzaken. Ook de FOD Justitie zou kunnen worden geraadpleegd, indien een meer gedetailleerd overzicht van de geldende regelgeving moet worden gegeven.
Wat de politie betreft, geldt het algemeen toezicht op de openbare ruimte en het opstellen van processen-verbaal voor alle inbreuken die haar ter kennis worden gebracht, ook voor dit soort feiten. Het openbaar ministerie kan een vervolging instellen. De bestuurlijke opvolging door de politie van groeperingen en hun leden is mogelijk binnen een zeer strikt regelgevend kader.
Over het algemeen wordt het toezicht op extremistische individuen en groeperingen georganiseerd door de Strategie T.E.R. en wordt het risiconiveau dat zij vormen, vastgesteld door het OCAD, dat beschikt over alle informatie van de politie, de Veiligheid van de Staat en andere instanties. De politie kan zich uiteraard niet uitspreken over andere maatregelen die door de regering worden genomen en die niet onder haar bevoegdheid vallen.
Sam Van Rooy:
Minister, dank u voor uw antwoord. De situatie is helaas helder. Ik zeg 'helaas', want Mohaned al-Khatib wordt vandaag dus niet opgevolgd. Dat is wat u hebt gezegd. Er wordt wel onderzoek gedaan, terwijl de info al weken bekend is.
Bernard Quintin:
(…)
Sam Van Rooy:
Wordt hij dagelijks opgevolgd in zijn doen en laten en in zijn socialemediaposts? Ik dacht het niet. Ik verwijs ook naar uw antwoord op mijn andere vraag. U moet radicale organisaties niet verbieden. U moet daarentegen jihadistische en moslimfundamentalistische organisaties viseren en verbieden, want daar zit het probleem. Jihadisten en moslimfundamentalisten, maar ook verheerlijkers van jihadistisch terreur moeten buiten dit land worden gehouden. Als ze hier toch aanwezig zijn, dienen ze te worden uitgezet of – zoals in het geval van Mohaned al-Khatib – te worden opgevolgd om na te gaan waar ze mee bezig zijn. U zegt dat de diensten goed werk leveren, maar ze hebben dat moeten vernemen van het onvolprezen Joods Informatie- en Documentatiecentrum. Als die organisatie niet aan de alarmbel had getrokken, dan wisten de diensten vandaag waarschijnlijk nog nergens van. Dat is een bewijs dat de screening faalt. Ik vraag me dus af hoe u dat ziet, met al die Palestijnen die hier wekelijks binnenkomen. Nogmaals, ons land is een topbestemming. In 2025 zijn er al 3.000 Palestijnse asielzoekers binnengekomen. Het merendeel heeft op zijn minst sympathie voor Hamas en voor Hezbollah. Ik herhaal dat. De meesten juichten de genocidale jihadistische terreuracties van 2023 gewoon toe. U, als minister van Veiligheid, stond erbij en u keek ernaar. Dat is de realiteit.
De jihad die Afrika teistert
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy beweert dat gewelddadige islamitische jihad Afrika historisch islamiseert en kritiseert dat de regering christenen onvoldoende beschermt tegen systematische vervolgingen (o.a. 125.000 doden in Nigeria sinds 2009), terwijl ze volgens hem wel opkomt voor "Palestijns-islamitische cultuur". Minister Prévot ontkent dat het om geloofsvervolging gaat (noemt het een grondconflict in Nigeria), benadrukt Belgische/EU-steun voor algemene antiterreurmaatregelen (capaciteitsopbouw, radicaliseringsbestrijding) en bekritiseert Van Rooys "te simplistische" framering. Van Rooy beschuldigt Prévot vervolgens van weggaan voor jihadistische genocides en partijdigheid (pro-islam, anti-christelijk beleid). Prévot houdt vast aan een neutraal veiligheidsdiscours, Van Rooy eist expliciete erkenning van islamitisch geweld als religieus gemotiveerd.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, grote delen van Afrika werden historisch geïslamiseerd door middel van de gewelddadige jihad. Daardoor werden reeds 32 landen gedeeltelijk of sterk islamitisch, vooral in Noord-, Oost- en West-Afrika. Denk aan de afscheiding van Soedan en Zuid-Soedan in 2011. Pas nog werd in Mali een jonge vrouw, een populaire influencer op TikTok, publiekelijk geëxecuteerd door moslimterroristen. Die landen in Centraal-Afrika, Zuidelijk Afrika en enkele in Oost- en West-Afrika worden vandaag geteisterd of bedreigd door de islamitische jihad en zouden dus aan islamisering ten prooi kunnen vallen. Denk aan de jihadistische groepering Boko Haram, die in 2002 is ontstaan in Nigeria, maar nu ook de landen Niger, Tsjaad, Kameroen en Benin bedreigt. Denk aan de jihadistische beweging Al-Shabaab, die is ontstaan in Somalië in 2006 en nu ook actief is in Tanzania, Oeganda, Ethiopië en Kenia. President Trump dreigde met militaire acties tegen de jihadistische terreurgroeperingen in Nigeria, als de regering van dat land niet snel een einde maakt aan de aanhoudende moorden en slachtpartijen op christenen.
Mijnheer de minister, ik wil graag uw reactie hierop horen. Wat is het standpunt van de regering over de islamitische jihad in Afrika, die op termijn heel het continent dreigt te islamiseren?
Wil de regering een beleid voeren dat tot doel heeft de niet-moslims, met name de christenen, in Afrika te beschermen tegen de jihad en dus tegen islamisering?
Maxime Prévot:
Mijnheer Van Rooy, ik betreur ten zeerste dat er door gewelddadig extremisme en terroristische groeperingen in Afrika slachtoffers vallen. De uitzichtloze sociaal-economische situatie van heel wat jongeren op het continent maakt hen wellicht vatbaar voor radicalisering. Voor de plaatselijke overheden en veiligheidsdiensten vormt dat een grote uitdaging. De FOD Buitenlandse Zaken draagt samen met andere bevoegde Belgische autoriteiten zijn steentje bij in de strijd tegen terrorisme op het Afrikaanse continent, onder meer door onze bijdrage aan de EU, de Verenigde Naties, de coalitie tegen Daesh en steun aan de Afrikaanse Unie.
Daarenboven zetten we onder meer in op capaciteitsopbouw in de regio via nationale experten in het EU Security and Development Initiative. Ons land schrijft zich in in het Europese beleid dat op dat gebied talloze initiatieven in verschillende landen neemt, niet enkel om regionale samenwerking tussen Afrikaanse landen in de strijd tegen terrorisme te bevorderen, onder meer via de Intergovernmental Authority on Development, maar ook door steun aan het National Counter Terrorism Centre in Kenia voor de preventie van gewelddadig extremisme, het bestrijden van terrorismefinanciering en het gebruik van digitale platformen om radicalisering tegen te gaan.
Het thema is eveneens een vast bestanddeel van de politieke dialoog met onze Afrikaanse partners.
In het licht van de recente uitspraken van president Trump hebben de EU-ambassadeurs in Abuja een gezamenlijk referentiekader met lines to take over de kwestie opgesteld om met een eenduidige EU-stem te kunnen spreken.
Het gaat in Nigeria in essentie immers niet om christenvervolgingen, maar om een conflict tussen nomadische veehouders en sedentaire boeren dat al jaren aansleept en waarbij hele dorpsgemeenschappen worden aangevallen in een wedkamp om grondstoffen en grasland. De veehouders zijn weliswaar voornamelijk moslim en de boeren voornamelijk christen, maar om het conflict daarom te kwalificeren als een geloofskwestie, is te kort door de bocht.
De strijd tegen terrorisme en gewelddadig extremisme heeft tot doel de dreigingen in al hun vormen te bestrijden en de burgerbevolking in haar geheel en zonder onderscheid te beschermen.
De inspanningen voor counterterrorisme en de strijd tegen gewelddadig extremisme moeten erin resulteren dat alle burgers in alle regio’s in alle veiligheid van hun fundamentele rechten en vrijheden kunnen genieten, zonder dat zij voor hun leven of welk geweld ook hoeven te vrezen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, zoals wij u kennen, hebt u in uw antwoord uiteraard de term islam niet eens uitgesproken. U kent niets van de geschiedenis van de islamisering en van de islamitische jihad in de wereld, zeker in Afrika. Christenen worden in de islamitische wereld systematisch onderdrukt, vervolgd of afgeslacht. Alleen al in Nigeria werden sinds 2009 maar liefst 125.000 christenen vermoord door jihadisten. Dat is niet toevallig. Voor hen zijn er geen betogingen, bezettingen, rode lijnen, BV-campagnes of fel verontwaardigde ministers. Nochtans is de islamitische jihad het christendom in het Midden-Oosten en in Afrika aan het vernietigen. Terwijl u samen met velen hier in het Parlement geobsedeerd bent door Gaza en terwijl u opkomt voor de Palestijns-islamitische cultuur, waarin christenen tweederangsburgers zijn, kijkt u weg van de jihadistische, etnische en religieuze zuiveringen en van de etnocides en genocides die worden gepleegd door de islamitische jihad op christenen en andere niet-moslims. Wij kunnen helaas niets anders verwachten van een minister die behoort tot een partij die het christendom heeft verraden en die de islamisering elke dag in dit land importeert en faciliteert.
De bij de massaslachting van 7 oktober 2023 betrokken Hamasjihadist die nu in België woont
De toekenning van de status van erkend vluchteling in België aan een Hamasterrorist
Mohaned al-Khatib en Palestijnse asielzoekers
Palestijnse asielzoekers en Hamasterroristen in België
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert scherp dat België de Hamas-sympathisant Mohaned al-Khatib—verdacht van betrokkenheid bij de aanslagen van 7 oktober 2023—niet uitlevert of weert, ondanks zijn asielafwijzing (omdat Griekenland zijn vluchtelingenstatus al erkende). Hij beschuldigt de regering ervan Palestijnse migranten met extremistische opvattingen massaal toe te laten, zonder effectieve controles, en noemt België een "speeltuin voor jihadisten". Minister Van Bossuyt bevestigt dat al-Khatib in afwachting van zijn beroep (met schorsende werking) nog in België verblijft (Fedasil Sint-Niklaas), maar stelt dat hij geen opvang meer zou krijgen onder nieuwe regels. Ze wijst verantwoordelijkheid voor veiligheidsonderzoek door naar Justitie/Binnenlandse Zaken en ontwijkt concrete cijfers over Palestijnse migranten, maar beaamt maatregelen om instroom te beperken—met name voor wie elders in de EU al bescherming geniet. Ducarme (N-VA) kritiseert dat al-Khatibs afwijzing niet gebaseerd is op zijn vermeende Hamas-band of terrorisme, maar louter op de Griekse vluchtelingenstatus—een "gat in het beleid". Hij vraagt om strengere screening van Palestijnse asielzoekers op radicalisme, maar erkent vooruitgang in Van Bossuyt’s voorstel om terrorismeverdachten permanent uit te sluiten.
Sam Van Rooy:
Minister, de Hamasjihadist Mohaned al-Khatib, die betrokken was bij de genocidale massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël, werd – ik hoop dat u het dossier intussen al wat kent –. gespot op een pro-Hamasdemonstratie in Brussel op 11 oktober 2025. In video's van de genocidale massaslachting in Israël is hij lachend en juichend te zien op Israëlisch grondgebied. Hij poseerde ook lachend met moorddadige topleiders van Hamas en verheerlijkt vandaag op zijn sociale media, zoals veel Palestijnen en moslims in dit land, openlijk 7 oktober 2023. Het Joods Informatie- en Documentatiecentrum heeft daarover een rapport van 65 pagina’s met al zijn uitlatingen en beeldmateriaal opgesteld, waaruit duidelijk blijkt wat voor een verderfelijk en potentieel gevaarlijk figuur hij is.
In dat licht wil ik er nogmaals op wijzen dat België meer dan de helft van alle Palestijnse asielzoekers in Europa ontvangt – indien ik het fout heb, mag u mij corrigeren – en benadruk ik opnieuw dat het merendeel van de Palestijnen die hier binnenkomen, op zijn minst sympathie hebben voor de moslimterroristen van Hamas of Hezbollah. De meesten juichten ook de genocidale, jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 toe. De meerderheid van de Palestijnen deelt dus de verwerpelijke en potentieel gevaarlijke opvattingen van Mohanad al-Khatib.
Op 20 november zei u in de plenaire vergadering dat Mohanad al-Khatib zich nu in een asielcentrum van Fedasil bevindt. In welk asielcentrum bevindt hij zich? Is hij vrij om dat centrum te verlaten? Wordt hij minstens opgevolgd door de veiligheidsdiensten, zolang hij nog op Belgisch grondgebied is?
U gaf aan dat zijn beroepsprocedure om hier een asielstatus te verkrijgen, zal worden teruggebracht naar Griekenland. Wat is de stand van zaken? Mocht hij inderdaad worden teruggebracht naar Griekenland, dan kan hij vandaar uiteraard terugkeren naar België. Wat zal er gebeuren, indien hij terug naar België reist?
Kamerlid en partijgenoot Michael Freilich beweert dat de regering de instroom van Palestijnen afbouwt. Dat hoor ik graag, maar klopt dat wel? Welke maatregelen neemt u om de instroom daadwerkelijk af te bouwen?
Waarom zou u specifiek de instroom van Palestijnen willen afbouwen? Ik vermoed de reden wel, maar ik hoor het graag van u. Indien u daarmee bezig bent, wat is dan uw streefcijfer per jaar of per maand?
Tot slot heb ik nog enkele cijfermatige vragen, minister. U mag mij de antwoorden daarop ook schriftelijk bezorgen, maar kreeg wel graag de grote lijnen mondeling. Hoeveel Palestijnen zijn sinds 7 oktober 2023 in ons land binnengekomen? Hoeveel mochten er sindsdien in België blijven? Hoeveel Palestijnen werden er Belg?
Tot slot, minister, zou ik toch graag een antwoord krijgen op een blijkbaar moeilijk te beantwoorden vraag – ik heb zelf al naar die gegevens gezocht –, namelijk hoeveel Palestijnen er eigenlijk in totaal in België zijn. Ik ben zeer benieuwd naar uw antwoord.
Denis Ducarme:
Madame la ministre, la question a été déposée il y a un mois. Vous avez déjà pu donner certains éléments en plénière, mais vous n'avez pas encore pu répondre à l'ensemble des questions qui se posent sur ce dossier. J'ai vu le projet que vous avez déposé en Conseil des ministres. Votre volonté d'éloigner les opportunités de demandes de protection pour les personnes qui se rendent auteurs de faits de radicalisme ou de faits de terrorisme est actuellement temporaire, vous voulez la rendre définitive.
Il y a une question qui se pose, compte tenu des dispositions légales qui sont les nôtres aujourd’hui, concernant le cas de Mohaned al-Khatib. En effet, ce personnage a fait une demande en Belgique. Il est sans doute rentré par un autre pays en Europe, la Grèce, vous confirmerez. En tout cas, il a fait une demande secondaire au niveau de la Belgique. Il est suspecté de complicité avec le Hamas et suspecté également d’avoir participé aux événements atroces du 7 octobre.
Nous devons donc nous poser la question, compte tenu de ces faits, si, au niveau de votre administration, on a analysé la demande de Mohaned al-Khatib à la lumière de sa collaboration et de sa complicité avec le Hamas. Aujourd’hui, si je ne m’abuse, il y a un rejet de la demande, mais sur quelle base? Sur la base d’une seconde demande après celle introduite en Grèce ou sur la base des suspicions de faits terroristes?
Les candidats réfugiés issus de Palestine sont évidemment à accueillir comme les autres. Néanmoins, il y a un fait qu’il faut considérer, c’est qu’on a plusieurs groupes terroristes actifs dans cette zone: le FPLP, le Hamas. Donc la question est de savoir si, en collaboration avec les services de renseignement, vous faites analyser par votre administration leurs demandes de protection également à la lumière de la proximité, en Palestine, de groupes tels que le FPLP et le Hamas.
Anneleen Van Bossuyt:
Messieurs, en ce qui concerne ce dossier, je puis vous communiquer ce qui suit.
Ik herhaal daarmee wat ik tijdens de plenaire vergadering van 20 november heb gezegd.
De betrokken man heeft als Palestijn op 4 maart 2025 in Griekenland een verzoek ingediend om internationale bescherming. Hij heeft op 6 maart, dus twee dagen later, het statuut van erkend vluchteling gekregen. Op basis van dat statuut kan hij reizen binnen de Schengenzone.
Op 7 april heeft hij opnieuw een verzoek om internationale bescherming ingediend, ditmaal in België. Zoals gebruikelijk voor elke verzoeker, heeft de Dienst Vreemdelingenzaken voor hem controles uitgevoerd in de Europese databanken Eurodac en het visuminformatiesysteem. Er werden ook screenings gevraagd aan de Staatsveiligheid, de ADIV en de politiediensten. Op het moment van zijn aanvraag was de persoon nog niet gekend bij de veiligheidsdiensten.
Op 25 september heeft het CGVS zijn verzoek als niet-ontvankelijk beoordeeld wegens zijn erkenning als vluchteling in Griekenland. Hij heeft tegen die negatieve beslissing van het CGVS op 7 oktober beroep ingesteld bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, en dat beroep is nog altijd hangende, mijnheer Van Rooy. Dat beroep heeft ook een schorsende werking. Met andere woorden, eventuele andere procedures of de aflevering van een bevel om het grondgebied te verlaten, worden op pauze gezet.
Momenteel krijgt de man opvang in het centrum van Fedasil in Sint-Niklaas. Pas sinds de inwerkingtreding van onze crisismaatregelen op 2 augustus weigert Fedasil de opvang van verzoekers die al een status hebben gekregen in een andere lidstaat. Mocht zich vandaag dus een soortgelijke situatie voordoen, dan zou de man in de regel geen opvang krijgen. Daarmee is meteen ook uw vraag beantwoord, mijnheer Van Rooy, over wat er zou gebeuren indien hij na zijn eventuele uitwijzing naar Griekenland opnieuw naar ons land zou reizen en hier een verzoek tot bescherming zou indienen.
Dès que cela sera possible, je mettrai évidemment tout en œuvre pour renvoyer cette personne vers la Grèce. Entre-temps, il appartient avant tout aux services de sécurité d'examiner plus en profondeur si les accusations formulées, notamment sur les réseaux sociaux, sont véridiques. Je ne peux, dans le cadre de mes compétences, m'exprimer à ce sujet. Ce sont mes collègues de la Justice et de l'Intérieur qui sont désormais en première ligne pour mener d'éventuelles enquêtes supplémentaires concernant l'aspect sécuritaire, si cela s'avère opportun.
Mijnheer Van Rooy, u vroeg heel veel specifieke cijfers, maar voor het verkrijgen van de gedetailleerde cijfermatige informatie verwijs ik u naar de mogelijkheid om een schriftelijke vraag in te dienen. Ik denk dat het niet correct als ik hier talrijke cijfers zou voorlezen.
We hebben maatregelen genomen om de instroom in zijn geheel te beperken, bijvoorbeeld de zonet genoemde maatregel om de opvang te beperken van personen die in een ander EU-land bescherming genieten. Het bleek dat in die groep hoofdzakelijk personen van Palestijnse origine zaten.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, u denkt dat u mij een rad voor de ogen kunt draaien, maar niets is minder waar. U zegt dat u Mohammed Al-Khatib naar Griekenland wilt brengen. Dat is vooralsnog niet gebeurd, want hij verblijft momenteel nog altijd op het Belgisch grondgebied,. Als u hem terugbrengt naar Griekenland en hij keert vervolgens terug naar België per trein, vliegtuig of auto, wie gaat hem dan aan de grens tegenhouden? U wilt hem geen opvang geven – het zou er nog aan mankeren! – maar dat is irrelevant. Hij zal en kan opnieuw naar België terugkeren om hier zijn antisemitisch en jihadistisch gif te spuien. Dat is uw beleid in de praktijk.
Hebt u de beelden van de kerstmarkt in Brussel gezien, die werd gekaapt door pro-Palestijnse jihadisten en hun linkse nuttige idioten? Dat is wat u massaal blijft binnenhalen.
Het is eigenlijk nog erger, want Palestijnse Hamasfanaten en jihadverheerlijkers zoals Mohammed Al-Khatib kunnen gewoon naar België komen en hier verblijven, legaal of illegaal. Dat is de realiteit van uw migratiebeleid. België blijft een topbestemming, een speeltuin voor jihadisten en moslimfundamentalisten.
Ik herhaal wat ik al eerder heb gezegd. Als u er niet eens voor kunt zorgen dat een misselijkmakend en potentieel gevaarlijk sujet, een jihadist zoals Mohammed Al-Khatib, buiten België blijft, als u er niet voor kunt zorgen dat zulke lieden geen voet meer in België binnenzetten, dan bent u de titel van minister van Asiel en Migratie in feite niet waardig.
Denis Ducarme:
Madame la ministre, votre réponse me rassure. Je sais que vous êtes attentive. Je pense en effet que M. Mohaned al-Khatib ne recevra jamais de protection en Belgique, mais sans doute pas pour les bonnes raisons. Le rejet par votre administration de la demande d'octroi d'une protection repose sur le fait qu'il avait demandé l'accueil dans un autre pays, à savoir la Grèce, selon mes informations. Cette décision n'est donc pas motivée par l'existence de complicités avec le Hamas ou par sa participation au 7 octobre. Voilà le problème. Par ailleurs, si je puis me permettre, et en toute amitié, vous ne pouvez pas, d'une part, communiquer de manière flatteuse à propos du projet que vous présentez en Conseil des ministres et dans lequel vous indiquez, tout comme moi, que les auteurs de faits de radicalisme ou de terrorisme ne pourront plus demander asile en Belgique et, d'autre part, répondre au Parlement que tout cela relève de la responsabilité des ministres de la Justice et de l'Intérieur, et non de la vôtre. Donc, il y a encore des trous dans la raquette. Vous ne pouvez pas mettre en lumière que, grâce à vous, il sera désormais impossible aux auteurs d'actes radicaux ou terroristes de demander asile en Belgique et, lorsqu'on vous parle d'un personnage qui a sans doute participé au 7 octobre, renvoyer vers la Justice et l'Intérieur. Donc, il y a encore beaucoup de trous dans la raquette, raison pour laquelle nous sommes ici. En l'occurrence, nous ne pouvons pas nous satisfaire que ce personnage se voie refuser le titre de protection parce qu'il en a introduit la demande en Grèce. Il devrait être refusé compte tenu de sa participation au 7 octobre. C'est mon avis, et je me tiens naturellement à disposition pour continuer à travailler avec vous sur ces questions difficiles.
De islamisering van de gevangenis in Haren
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy beweert in Doorbraak dat de gevangenis van Haren gekenmerkt wordt door islamisering en radicalisering, met intimidatie van niet-moslims, vrouwen en LHBTQ+-personen, en stelt dat moslimgedetineerden en -personeel islamitische normen opleggen, terwijl de minister volgens hem geen actie onderneemt. Minister Verlinden benadrukt dat neutraliteit en professioneel gedrag verplicht zijn, verklaart dat Arabisch soms noodzakelijk is voor communicatie met niet-Nederlands/Franstalige gedetineerden, en wijst op bestaande klachtenprocedures en diversiteitstraining, zonder de beschuldigingen van systematische radicalisering te bevestigen of ontkennen. Van Rooy herhaalt zijn kritiek, linkt criminaliteit expliciet aan de islam als leer die "ongelovigen" als doelwit zou legitimeren, en waarschuwt voor een "tikkende tijdbom" bij vrijlating van geradicaliseerde gevangenen. De minister reageert niet op zijn polariserende stellingnames.
Sam Van Rooy:
"Een grotendeels Maghrebijnse gevangenispopulatie, pro-Palestijnse T-shirts, biddende cipiers en personeelsleden die gevangenen regelmatig in het Arabisch aanspreken." Tot zover een hallucinante getuigenis uit de gevangenis van Haren.
Mevrouw de minister, in Doorbraak staat een alarmerende getuigenis over de radicalisering en islamisering in de gevangenis van Haren. De titel luidt: “In onze gevangenissen speelt zich een discrete radicalisering af.” Ik hoop dat u ze hebt gelezen. U weet waar het over gaat, minister, want u werd door Doorbraak om een reactie gevraagd, maar u besloot niet te reageren.
Samengevat komt het erop neer dat, doordat de overgrote meerderheid van de gedetineerden moslim is, evenals een substantieel en groeiend deel van de cipiers en van het andere personeel, islamitische regels en wetten steeds meer domineren in de gevangenis en niet-moslims, vrouwen en homoseksuelen worden geïntimideerd of weggepest.
Enkele citaten. "Zo heb ik weet van een gevangenismedewerker met joodse roots die, zodra de gevangenen daarvan op de hoogte waren, gepest en gechanteerd werd en finaal is overgeplaatst."
Tweede citaat: "Homoseksuele gevangenen worden uitgelachen en zelfs geslagen. Vrouwelijke personeelsleden die een blijkbaar te kort rokje dragen, worden door hun eigen collega's terechtgewezen. Ik heb al meermaals gehoord dat moslim-medewerkers gevangenen met Maghrebijnse roots in het Arabisch aanspreken. Sterker nog, er zijn bewakers die in Haren nu oude jeugdvrienden treffen die achter de tralies zijn beland. Ik hoef je niet te vertellen dat dit geen gezonde situatie is."
Nog een citaat: "Je merkt dat de onverdraagzaamheid toeneemt. Gaat het tijdens de middagpauze bijvoorbeeld over het conflict in Gaza, dan is het not done om pro-Israël uit de hoek te komen. Maar moslim-collega's die met een T-shirt met daarop ‘ Les enfants de Gaza’ en een afbeelding van een watermeloen naar het werk komen, worden ongemoeid gelaten. Terwijl dit natuurlijk niet toegelaten is voor federale ambtenaren."
"Collega’s zijn bang als islamofoob of als racistisch te worden weggezet. In de gevangenis. Ik vrees dat er een discrete radicalisering bezig is in onze gevangenissen.” Enzovoort.
Minister, graag uw reactie hierop. Welke stappen onderneemt u om de islamisering en de radicalisering in de gevangenis van Haren en bij uitbreiding in al onze gevangenissen tegen te gaan?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Rooy, van personeel wordt verwacht dat zij zich gedurende de uitvoering van hun functie professioneel en neutraal opstellen, ongeacht hun afkomst en religie. Het bewakingspersoneel draagt een uniform dat de neutraliteit mee vorm dient te geven. Het is voor bewakend personeel daarom ook niet toegelaten om T-shirts zichtbaar te dragen. Ze dragen een hemd of polo van hun uniform. Het geloof openbaar praktiseren, wordt tijdens de werkuren niet toegestaan.
Het klopt dat er een stijgende populatie Maghrebijnse gedetineerden is. Een deel van die gedetineerden spreekt geen Frans of Nederlands en kan zich enkel bedienen van de Arabische taal. Het personeel heeft soms geen andere mogelijkheid dan deze populatie in een andere taal wegwijs te maken of te antwoorden. Het principe hierbij is dat de gedetineerde het antwoord krijgt in zowel de taal die hij kent als in het Frans of het Nederlands. Dat geldt uiteraard niet enkel voor de Arabische taal, want ook bij gedetineerden die enkel andere talen spreken dan het Nederlands of het Frans wordt getracht in hun eigen taal te antwoorden indien het personeel die taal machtig is, zoals het Engels of het Spaans. Dat is nodig om de leefbaarheid binnen de gevangenissen te behouden.
De onthaalbrochure is ook in meerdere talen beschikbaar. Op die manier wordt de informatie aangeboden in een begrijpbare taal en wordt ingezet op een begrip van de vigerende principes in het kader van het handhaven van de orde en de veiligheid. Bij de competenties van penitentiair bewakend personeel wordt het hebben van kennis van vreemde talen net als een pluspunt genoteerd. Het kennen van andere talen en het begrijpen van andere culturen met hun gewoonten en gedragsregels kan inderdaad goed zijn om dynamische veiligheid in de detentieomgeving te garanderen. Er wordt in de opleiding van de penitentiaire medewerkers dan ook aandacht besteed aan het aspect van multiculturaliteit en diversiteit en aan de wijze waarop hiermee correct moet worden omgegaan binnen de penitentiaire context.
Het arbeidsreglement geldt voor alle personeelsleden van het DG EPI, evenals het waardekader van de FOD Justitie. De directie van de gevangenis van Haren is zich ervan bewust dat de multiculturele omgeving ook uitdagingen met zich meebrengt en heeft daar bijzonder veel aandacht voor. Wanneer medewerkers klachten of bezorgdheden hebben, kunnen zij altijd bij hun leidinggevenden terecht, die desgevallend de nodige stappen zullen ondernemen. Het kan gaan om inbreuken, intimidatie of pestgedrag van collega's of van gedetineerden.
Sam Van Rooy:
Minister, om te beginnen, het is geen toeval dat moslims sterk oververtegenwoordigd zijn in onze gevangenissen. De islam leert hen immers dat de ongelovigen, de kuffar, een legitiem doelwit zijn van criminele daden en dus mogen worden aangevallen en beroofd.
Onze gevangenissen zijn broeihaarden van radicalisering, waarbij de islamitische wetten en regels domineren en het overnemen, waarbij niet-moslims, vrouwen en homoseksuelen worden geïntimideerd of weggepest en waarbij moslims elkaar islamiseren en nog radicaler worden. U bent er niet op ingegaan. Homoseksuele gevangenen worden uitgelachen en zelfs geslagen, vrouwelijke personeelsleden die volgens hun collega's een te kort rokje dragen, worden terechtgewezen en uit getuigenissen blijkt dat een joodse gevangenismedewerker werd weggepest.
Mevrouw de minister, moslims in onze gevangenissen zijn een tikkende tijdbom. Ze nemen onze gevangenissen over en wanneer ze vrijkomen, wat helaas in dit land veel te snel gebeurt, dan vormen ze een groot gevaar voor onze samenleving.
Voorzitter:
La question n° 56010210C de Mme Schlitz est reportée.
De ontmoeting van Belgische misbruikslachtoffers met de paus
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sophie De Wit bekritiseert dat Belgische slachtoffers van kerkelijk seksueel misbruik—ondanks een ontmoeting met paus Leo XIV—amper concrete toezeggingen kregen en wijst op de lage vergoedingen (max. €33.000 vs. €200.000 in Nederland), terwijl gezondheidseconomen de structurele onderschatting van de maatschappelijke kost benadrukken. Minister Verlinden bevestigt dat Justitie werkt aan een herstelfonds (gefinancierd door daders/instellingen) en een wetswijziging voor verjaarde feiten, met gespecialiseerde kamers voor seksueel geweld en overleg met kerkelijke autoriteiten over financiering, maar onderstreept de complexiteit door versnipperde bevoegdheden en de nood aan gecoördineerde hulp. De Wit dringt aan op versneld handelen, ook voor slachtoffers buiten de kerk, terwijl Verlinden belooft alle POC-aanbevelingen uit te voeren en een centraal orgaan voor gelijkwaardige behandeling voorstaat. Kritiekpunt blijft de traagheid en het ontbreken van directe, hogere vergoedingen zoals in het buitenland.
Sophie De Wit:
Mevrouw de minister, dit betreft een thema dat mij na aan het hart ligt. Ik heb deze vraag al een tijdje geleden ingediend. Een vijftiental Belgische slachtoffers van seksueel misbruik binnen de kerk, waaronder ook mensen van de werkgroep, hebben enkele weken geleden paus Leo XIV ontmoet. Die mensen vragen niet alleen morele erkenning, maar vooral ook concrete vooruitgang wat betreft het herstelbeleid.
Na een gesprek van meer dan 2,5 uur keerden, volgens berichtgeving in de media, de slachtoffers met gemengde gevoelens terug. Ze spraken van een pingpongspelletje, waarbij de Heilige Stoel het financiële luik opnieuw doorschoof naar de Belgische bisschoppen. Enkele slachtoffers ondertekenden ook een brief om het ontslag van aartsbisschop Terlinden te vragen, maar daarop zal ik niet verder ingaan, aangezien dat niet onder uw bevoegdheid valt.
De slachtoffers wezen tijdens de ontmoeting wel op de grote verschillen met andere landen op het vlak van de vergoeding. De maximale vergoeding in België ligt rond de 33.000 euro. We hebben na de onderzoekscommissie van 2010-2011 een arbitragesysteem ingevoerd. In Nederland bijvoorbeeld kunnen de slachtoffers echter tot 200.000 euro krijgen. Ik heb heel veel getuigen ontmoet en de impact gemerkt die dat misbruik op hun leven heeft. Gezondheidseconomen benadrukken dat de maatschappelijke kostprijs van misbruik, psychologische zorg, levenslange gezondheidsproblemen en het niet kunnen houden van een job, structureel wordt onderschat en dat daar een vergoeding tegenover moet staan.
Mevrouw de minister, ik heb volgende vragen. U mag mij altijd uw mening geven over het bezoek van de slachtoffers aan de paus en hun teleurstelling over het gebrek aan concrete toezeggingen, maar veel belangrijker voor mij is om van u te vernemen hoever u staat met de voorbereiding van het aangekondigde globaal plan van aanpak, waarin ook de oprichting van een herstelfonds voor slachtoffers van seksueel misbruik is opgenomen. In welke fase bevindt dat plan zich? Welke timing voorziet u voor de effectieve realisatie ervan?
Bent u bereid om bij de verdere uitwerking van dat herstelfonds rekening te houden met objectieve methodes die door gezondheidseconomen worden gebruikt om de impact van misbruik te becijferen? Acht u het wenselijk dat het Belgisch herstelfonds aansluiting zoekt bij internationale voorbeelden, waar de schadevergoedingen voor slachtoffers substantieel hoger liggen dan in België? Hoe zult u ervoor zorgen dat slachtoffers eindelijk voelen dat Justitie het meent met de erkenning en het herstel en dat zij niet nog eens door ellenlange of onmenselijke procedures moeten gaan om te krijgen waar ze al lang recht op hebben?
Annelies Verlinden:
Mevrouw De Wit, u stelt belangrijke vragen over een essentieel thema. Het leed dat slachtoffers van seksueel misbruik moeten doorstaan en de lange weg die velen van hen node hebben afgelegd in hun zoektocht naar erkenning en naar gehoord worden, raakt iedereen diep. De getuigenissen herinneren ons eraan hoe ingrijpend de gevolgen van seksueel misbruik zijn en hoe ze doorgaans een leven lang doorwerken. De slachtoffers verdienen niet alleen respect en empathie, maar ook de niet-aflatende inzet van alle bevoegde instanties om hen op een waardige en duurzame manier te ondersteunen.
Als minister van Justitie ben ik vastbesloten om samen met mijn diensten en alle betrokken partners voort te werken aan een goed uitgewerkt en toekomstgericht kader dat de aanbevelingen van de POC zoveel en zo snel mogelijk omzet in concrete vooruitgang voor alle slachtoffers. Zoals ik al heb aangegeven, werken de diensten daar momenteel aan. Ik hecht daarbij bijzonder veel belang aan gepaste slachtofferhulp. De omkadering daarvan is echter sterk versnipperd, niet alleen omdat hulp aan slachtoffers uiteenlopende materies en bevoegdheden raakt, maar ook gelet op de staatsstructuur. De slachtoffers van misbruik hebben daar uiteraard en weliswaar geen boodschap aan. Als minister van Justitie wil ik daarom een voortrekkersrol opnemen in de organisatie van een gecoördineerde en betere hulp aan slachtoffers. De diensten hebben de aanbevelingen van 3 mei 2025 van de POC uitvoerig geanalyseerd vanuit het oogpunt van Justitie, maar ook vanuit een holistische en multidisciplinaire benadering van de problematiek.
Aanbeveling 18 van het rapport stelt inderdaad de mogelijkheid tot oprichting van een herstelfonds voor, gefinancierd door de dader en/of de inrichtende instelling waarin het schadelijke seksuele geweld plaatsvond. Op die manier kunnen slachtoffers in functie van het opgelopen trauma een beroep doen op ondersteuning voor psychologisch herstel, fysiek herstel en therapiekosten, voor zover ze nog niet worden vergoed door de sociale zekerheid, de ziekteverzekering of andere initiatieven.
De commissie voor Financiële Hulp aan Slachtoffers van Opzettelijke Gewelddaden en aan de Occasionele Redders, die al sinds 1985 bestaat, zal daarin een belangrijke partner zijn. Het voorstel binnen dat administratief college omvat, gelijkwaardig aan de behandeling van financiële hulp in het kader van terrorisme, de oprichting van bijzondere kamers met profielen gespecialiseerd in seksueel geweld. Vandaag verstrekt de commissie al financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, ook van seksuele opzettelijke gewelddaden, en kent zij morele schadevergoedingen toe waarmee slachtoffers psychologische begeleiding, financiële schade en fysiek herstel kunnen bekostigen. Om de commissie ook voor verjaarde feiten een passend antwoord te laten bieden, is een wetswijziging in voorbereiding.
Er zijn ook contacten met de kerkelijke autoriteiten om onder meer afspraken te maken over hun bijdrage aan de financiering van de commissie voor Financiële Hulp. Ook met andere instellingen en beleidsniveaus moeten daarover nog nadere afspraken worden gemaakt, zodat alle slachtoffers van seksueel misbruik binnen organisaties en inrichtingen op een gelijkwaardige manier kunnen worden ondersteund.
Door de financiële hulp te centraliseren bij eenzelfde centraal orgaan kan een gelijkwaardige behandeling van alle slachtoffers en de coördinatie van de hulp beter worden verzekerd. Daarmee wordt een belangrijke bekommernis van de slachtoffers ingevuld. Zoals ook aangehaald in eerdere tussenkomsten moet de invulling omzichtig gebeuren, rekening houdend met het nationaal en het Europees kader, en moeten alle betrokken beleidsniveaus en collega’s er vaart achter zetten.
De regering heeft zich door middel van het regeerakkoord verbonden om alle aanbevelingen van de federale POC inzake seksueel misbruik op te volgen en uit te voeren. Samen met alle collega’s zullen we uitvoering geven aan de vervolgstappen die gezet moeten worden om op gepaste wijze uitvoering te geven aan de aanbevelingen, want elk slachtoffer moet zich gehoord, erkend en ondersteund voelen door iedereen in de samenleving.
Sophie De Wit:
Dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Het is inderdaad een belangrijk punt en het komt heel vaak terug. Trouwens, niet enkel bij slachtoffers van misbruik binnen de kerk, maar ook daarbuiten, want die zijn er uiteraard ook, en er zijn er ook heel veel die schade hebben geleden. Ik laat u met bekwame spoed verder werken aan dat dossier, want hoe sneller we er staan en een oplossing kunnen bieden, hoe beter het zal zijn.
De Hamas-jihadist Mohaned al-Khatib en Palestijnse asielzoekers
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 2 december 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert scherp dat Mohaned Al-Khatib, een vermeende Hamas-jihadist betrokken bij de aanslagen van 7 oktober 2023, vrij in België verblijft en openlijk geweld verheerlijkt, terwijl volgens hem ook andere Palestijnse asielzoekers met sympathie voor Hamas/Hezbollah ongehinderd worden toegelaten – wat hij een "schande" noemt en als toekomstig veiligheidsrisico bestempelt. Minister Annelies Verlinden bevestigt dat potentiële terroristische dreigingen via de T.E.R.-strategie (JIC/JDC) worden opgevolgd, maar kan geen details geven over individuele dossiers of concrete maatregelen, verwijzend naar collega’s voor asielbeleid. Van Rooy beschuldigt de regering van onverschilligheid en gebrek aan actie tegen wat hij ziet als een groeiende jihadistische dreiging binnen de asielstroom. De minister benadrukt procedurele opvolging, maar biedt geen geruststelling over directe uitlevering, opsluiting of preventieve stappen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de voorzitter, ik verwijs naar de schriftelijke versie van mijn vraag.
Een Hamas-jihadist die betrokken was bij de massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël, bevindt zich nu in België. Mohaned Al-Khatib werd gespot op een pro-Hamasdemonstratie in Brussel op 11 oktober 2025 (ziehier de beelden: https://www.v-1.co.il/news-magazine/2025-m11_w02/shorts-c62161dd2136a91027.htm)
In video's van de massaslachting in Israël is hij lachend en juichend te zien op Israëlisch grondgebied. Hij poseerde ook lachend met moorddadige topleiders van Hamas. Vandaag verheerlijkt hij op zijn sociale media openlijk 7 oktober 2023. JID overhandigde daarover een dossier van 65 pagina's aan politie/justitie. (https://stopantisemitisme.be/wp-content/uploads/2025/11/File-Mohanad-Alkhatib.pdf)
Ondertussen zagen we ook beelden van Palestijnen die uit Gaza België worden binnengevlogen, waarbij een Palestijnse tiener te zien is die een trui draagt met daarop een M16 machinegeweer (zie: https://x.com/HartvoorIsrael/status/1987472638168400356?t=I11KbsBAe-Ft3HaC4OWL9g&s=19)
België ontvangt meer dan de helft van alle Palestijnse asielzoekers in Europa. Een deel daarvan heeft echter op zijn minst sympathie voor de moslimterroristen van Hamas en/of Hezbollah, en de meesten juichten de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 toe. Zij delen dus de zieke opvattingen van Mohaned Al-Khatib.
Volgens minister Van Bossuyt zit Mohaned Al-Khatib nu in een asielcentrum van Fedasil en zal hij na zijn beroepsprocedure worden teruggebracht naar Griekenland. Mocht hij inderdaad worden teruggebracht naar Griekenland, zal hij nadien mogelijk terugkeren naar België. Wat zal er met hem gebeuren als hij terugkomt? En wordt hij opgesloten of minstens opgevolgd door de veiligheidsdiensten zolang hij nog op Belgisch grondgebied is?
Wat kunt en wilt u vanuit uw bevoegdheid doen om ervoor te zorgen dat Mohaned Al-Khatib, en bij uitbreiding alle Palestijnen die zulke jihadistische en antisemitische opvattingen delen, onze samenleving niet verzieken of onveilig maken?
Mevrouw de minister, ik hoop dat u de ernst van de situatie voldoende inschat. Het gaat om een Hamasverheerlijker, een jihadist die betrokken was bij 7 oktober 2023. Vandaar dat ik de vraag ook aan u richt. Ik heb ze ook al aan minister Van Bossuyt gesteld en aan minister Quintin. Ik hoop dat er toch één minister in deze regering is die me kan geruststellen dat die figuur, die hier nog steeds is en eigenlijk zo snel mogelijk ons land zou moeten verlaten, nauw wordt opgevolgd.
Annelies Verlinden:
Wat uw vraag over de mogelijke terugkeer van de betrokkene naar Griekenland of de vasthouding in een gesloten centrum in België betreft, verwijs ik u naar mijn collega bevoegd voor asiel en migratie.
Wat uw vraag over de opvolging van de betrokkene door de veiligheidsdiensten betreft, ik kan niet ingaan op een concreet dossier ten aanzien van een welbepaalde persoon. In het algemeen kan ik wel bevestigen dat wanneer iemand de intentie heeft om geweld te gebruiken of geweld ondersteunt als handelingswijze in een context van extremistische ideologie, welke dan ook, de structuren van de strategie T.E.R. in werking treden om de meest effectieve opvolging te verzekeren.
De opvolgingsoriëntering van terrorismedossiers gebeurt via het joint information center (JIC) en het joint decision center (JDC). Dat zijn veiligheidsgeoriënteerde platformen wier opdracht erin bestaat om continu informatie uit te wisselen in het kader van gerechtelijke dossiers of inlichtingendossiers met betrekking tot terrorisme. Ze beslissen samen welke strategie het best kan worden gevolgd wanneer informatie over mogelijke terroristische activiteiten beschikbaar is. Een van de opties daarbij is het openen van een strafonderzoek.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, Mohammed al-Khatib is een Hamasfanaat die betrokken was bij de genocidale massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël en die dodelijke jihadistische terreur verheerlijkt. Hij loopt ondertussen al maanden vrij rond in België. Palestijnse tieners die een trui dragen met daarop een M16-machinegeweer, een van de machinegeweren die werden gebruikt bij de genocidale jihadistische massaslachting in Israël, in de kibboets, worden gewoon België binnengevlogen. België is de favoriete bestemming van Palestijnse asielzoekers en het merendeel daarvan heeft volgens mij op zijn minst sympathie voor de moslimterroristen van Hamas of Hezbollah en de meesten juichten de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 toe. Ze delen dus de zieke, potentieel gevaarlijke opvattingen van Mohammed al-Khatib, maar ik hoor daarover bij u, net zoals bij alle andere ministers die ik hierover bevraag, geen afschuw en geen bezorgdheid. Mevrouw de minister, ik vind dat een schande en we zullen zien wat ons dat in de toekomst nog oplevert.
De bij de aanvallen van 7 oktober 2023 betrokken Hamas-jihadist die nu in België woont
Een bij het bloedbad van 7 oktober aanwezige Hamasfan die opduikt bij een sit-in in Amsterdam (1)
Een bij het bloedbad van 7 oktober aanwezige Hamasfan die opduikt bij een sit-in in Amsterdam (2)
Hamas-aanhangers betrokken bij 7 oktober 2023 in Europa opgedoken en actief bij pro-Palestina protesten
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 20 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Mohaned al-Khatib, een Palestijnse man die op sociale media de Hamas-aanvallen van 7 oktober 2023 verheerlijkte en nu in België verblijft dankzij een Grieks vluchtelingenstatuut, maar wiens asielaanvraag hier werd afgewezen. Minister Van Bossuyt bevestigt dat hij in beroep is en niet uitgezet kan worden zolang de procedure loopt, terwijl Van Rooy (N-VA) eist dat hij en "jihadisten" massaal worden gedeporteerd en de Schengenzone verlaten. Freilich (N-VA) nuanceert dat er geen bewijs is dat al-Khatib Hamas-lid was, maar benadrukt wel de nood aan strengere screening van Palestijnse asielzoekers, die door een vorige regeringsbeslissing massaal naar België komen. De kern: asielbeleid, veiligheidsrisico’s en de omgang met extremistische profielen binnen Schengen.
Sam Van Rooy:
Ambtsgenoten, minister, dit keer gaat het niet over de jihadist Mohammed Khatib van Samidoun die in onze samenleving de geesten vergiftigt met antisemitisme en de verheerlijking van dodelijke jihadistische terreur, maar wel over Mohaned al-Khatib. Hij is een Hamas-jihadist die betrokken was bij de genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023 in Israël. In video-opnames van die massaslachting is hij lachend te zien op Israëlisch grondgebied. Juichend van blijdschap filmde hij het antisemitische bloedbad en hij poseerde trots met hooggeplaatste Hamasterroristen.
Vandaag loopt dat misselijkmakende tuig gewoon vrij rond op ons grondgebied. Hij was te zien op pro-Hamasdemonstraties in Brussel en in Gent. Op zijn sociale media verheerlijkt hij openlijk de martelingen, verkrachtingen en moorden van 7 oktober 2023, net zoals trouwens talrijke Palestijnen en andere moslims op ons grondgebied. Hij is daarin helaas zeker niet de enige. Het Joods Informatie- en Documentatiecentrum overhandigde over deze Mohaned al-Khatib dit document van 65 pagina's waarin hij wordt beschreven volgens wat hij is: een moorddadige, jihadistische Hamasterrorist. ( Sam Van Rooy toont een document )
Minister, ik heb twee vragen.
Ten eerste, hoe is het mogelijk dat zo'n moordlustige jihadist zich op ons grondgebied bevindt en dan ook nog openlijk dodelijke jihadistische terreur verheerlijkt?
Ten tweede, wordt hij opgespoord en direct het land uitgezet?
Michael Freilich:
Mevrouw de minister, op 7 oktober, toen in alle vroegte vanuit Gaza raketten werden afgevuurd op Israël en honderdduizenden gezinnen naar de schuilkelders moesten vluchten, terwijl op datzelfde ogenblik in Israëlische steden niet heel ver van de grens families werden afgeslacht en iets verder op een festivalweide jongeren werden verkracht, gekidnapt en vermoord, zat een zekere Mohaned al-Khatib te vieren. Hoe weten we dat? Hij plaatste een video op zijn sociale media.
Even fastforwarden naar vandaag, want twee jaar later is diezelfde man is in België. Voor alle duidelijkheid, dat is niet uw schuld, mevrouw de minister, en ook niet die van mijn partij of van deze regering. Hoe komt het trouwens dat meer dan de helft van alle Palestijnse asielaanvragen in de Europese Unie in ons land worden ingediend? Ik heb het antwoord opgezocht. Dat is de verdienste – als men het zo mag noemen - van de vorige regering. Op 8 maart 2023 werd een besluit aangenomen, waarbij behandeling van alle aanvragen van de Palestijnen als groep werd versoepeld. Als één land in Europa dat zo doet, dan krijgt men natuurlijk dergelijke situaties.
Er zijn trouwens heel veel andere groepen in de wereld waarvoor dat niet werd gedaan, zoals de jezidi's, de Oeigoeren, de Koerden en de Grieks-Cyprioten. Enkel aan de Palestijnen werd toen duidelijk gemaakt dat ze hier allemaal welkom zijn. Nogmaals, men kan voor of tegen die beslissing zijn, maar als slechts één land dat doet in een Europese context, dan krijgt men problemen.
Terug naar Mohaned al-Khatib. Ik heb gehoord dat uw diensten zijn aanvraag hebben afgewezen. Kunt u dat bevestigen?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Rooy, mijnheer Freilich, het is eerst en vooral belangrijk om een misverstand recht te zetten dat ik vooral afleid uit berichten op sociale media. De man waarvan sprake beschikt namelijk niet over een beschermingsstatuut in België.
Mijnheer Freilich, ik kan ook zeggen dat elke aanvraag van een Palestijn individueel wordt beoordeeld door het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.
Over het concrete dossier kan ik u mededelen dat de betrokkene als Palestijn op 4 maart 2025 in Griekenland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Hij heeft daar twee dagen later het statuut van erkend vluchteling gekregen. Op basis van dat statuut kan hij binnen de Schengenzone reizen.
Op 7 april 2025 heeft hij in België opnieuw een verzoek om internationale bescherming ingediend. Zoals gebruikelijk voor elke verzoeker werden over hem controles uitgevoerd door de Dienst Vreemdelingenzaken in de Europese databank Eurodac en in het Visuminformatiesysteem. Er werden ook screenings gevraagd aan de Veiligheid van de Staat, de ADIV en de politiediensten. Op het moment van zijn aanvraag bij de DVZ was de persoon nog niet gekend bij de veiligheidsdiensten.
Op 25 september 2025 heeft het CGVS geoordeeld dat zijn verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk was, omdat hij al een erkenning had gekregen in Griekenland. Hij heeft echter op 7 oktober 2025 tegen die negatieve beslissing beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dat beroep is momenteel hangende.
Zoals u weet, werkt een dergelijk beroep opschortend, wat betekent dat eventuele andere procedures of het afleveren van een bevel om het grondgebied te verlaten op pauze worden gezet. Dat kunnen wij dus niet doen zolang de procedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen loopt.
Momenteel heeft de betrokkene opvang in een centrum van Fedasil. Het is pas sinds de inwerkingtreding van onze crisismaatregelen op 2 augustus 2025 dat Fedasil de opvang weigert van verzoekers die al een status hebben gekregen in een andere lidstaat.
Mocht een gelijkaardige situatie zich vandaag voordoen, dan zou de man in de regel geen opvang krijgen.
Zodra het mogelijk is, stel ik uiteraard alles in het werk om deze persoon terug te brengen naar Griekenland. In tussentijd is het in de eerste plaats aan de veiligheidsdiensten om verder te onderzoeken of de beschuldigingen die geuit worden op onder meer de sociale media waarheidsgetrouw zijn. Daar kan ik vanuit mijn bevoegdheid natuurlijk geen uitspraken over doen. Het zijn mijn collega’s, de minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken, die in eerste instantie aan zet zijn om verdere onderzoeken te voeren inzake het veiligheidsaspect, als dat opportuun zou zijn.
Sam Van Rooy:
Minister, u hebt het weer eens aangetoond, we moeten uit de Schengenzone. U moet Mohaned al-Khatib niet terugsturen naar Griekenland, maar naar Gaza, waar hij thuishoort.
Jihadisten, jihadisten in spe, verheerlijkers van dodelijke jihadistische terreur, ze komen elke dag België vrolijk binnengewandeld. Wat zeg ik? Ze worden door deze regering zelfs het land binnengehaald, binnengevlogen, minister.
Deze regering zou dringend schoonmaak moeten houden in het hele land. De honderdduizenden – want daar gaat het om – salafisten, moslimfundamentalisten, verheerlijkers van jihadistische terreur, verheerlijkers en aanhangers van Hamas en van Hezbollah, zouden manu militari dit land uitgezet moeten worden.
Tot slot, minister, laat geen Palestijn meer binnen, want met hun sharia en met hun jihadopvattingen horen ze hier niet thuis.
Michael Freilich:
Voor alle duidelijkheid, er is geen enkele informatie, noch bij onze veiligheidsdiensten, noch bij de buitenlandse veiligheidsdiensten, dat Mohaned al-Khatib lid is of was van Hamas. Dat is heel belangrijk om de bangmakerij tegen te gaan. Er is geen bewijs dat hij bij Hamas was. Ik meen dat de Mossad als geen ander weet wie daar wel of niet bij hoort.
Wat we wel weten, is dat die man Hamas steunde op de sociale media. Zo zijn er heel veel. En inderdaad moeten we ons de vraag stellen of we zo’n massa mensen naar hier kunnen krijgen en of we genoeg middelen hebben om die mensen te screenen, ja of neen? Dat is iets waar deze regering zich in de komende weken en maanden over moet buigen.
Mevrouw de minister, ik heb goed begrepen dat uw diensten hem geen toelating willen geven om hier als vluchteling te zijn. Hij gaat daartegen in beroep. Ik ben blij dat u nu een strenger maar rechtvaardiger asielbeleid op gang trekt. Dank u wel.
Voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Freilich. Daarmee hebt u het slotwoord gesproken van deze vragenronde. Ik dank alle deelnemers, ook die van de regering.
Het gebruik der talen in de 112-centrale in Vlaams-Brabant
De noodhulp en de 112-noodcentrale
De taalklachten over de 112-noodcentrale
De gebrekkige naleving van de taalwetgeving in de Brusselse ziekenhuizen
Het gebruik der talen bij de 112-centrales
Taalgebruik en naleving in noodcentrales en ziekenhuizen
Gesteld door
DéFI
François De Smet
PS
Ridouane Chahid
N-VA
Jeroen Bergers
N-VA
Jeroen Bergers
VB
Barbara Pas
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 19 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een Franstalige vrouw kreeg in de Vlaamse Forêt de Soignes geen hulp in het Frans via 112, ondanks de wettelijke verplichting (2011) om oproepen in alle landstalen + Engels af te handelen. De operator handelde foutief ("*We zijn een Vlaamse overheid*") en werd gedisciplineerd; een pilootproject (2026) met taalkeuze vooraf moet dergelijke incidenten voorkomen, maar technische en personeelsbeperkingen blijven knelpunten. Taalconflicten in noodhulp (112/101) en Brusselse ziekenhuizen (bv. dodelijk geval door taalbarrière) benadrukken de urgentie van strikte handhaving, met dreigende dwangsommen (Grondwettelijk Hof) en juridische stappen (Vlaamse Volksbeweging) bij non-conformiteit.
François De Smet:
Monsieur le ministre, l’incident qui s’est déroulé dernièrement en Forêt de Soignes, en Région flamande – au cours duquel une promeneuse francophone, témoin d’un accident, s’est visiblement vue refuser l’usage du français par une opératrice néerlandophone du centre 112 du Brabant flamand – aurait pu tourner au drame.
Il existe un régime linguistique spécifique pour ces situations, applicable aux centres 112. Il est prévu à l'article 3, alinéa 2, de la loi du 29 avril 2011. Celui-ci dispose que "tout appel urgent aux numéros 100, 101 et 112, pour l'aide médicale urgente ainsi que pour les services de sécurité civile et la police intégrée doit pouvoir être traité au moins dans les trois langues nationales et en anglais, conformément aux conditions, critères et qualités fixés par le Roi".
À cet égard, la Commission permanente de contrôle linguistique, dans son avis 49.095 du 24 mai 2017, a estimé qu'il est juridiquement prévu que les call takers et opérateurs fédéraux employés dans les centres d'appels d'urgence 100 et 112 répondent en français, néerlandais, allemand et anglais, quelle que soit l'origine de l'appel. Dès lors que ce témoin faisait usage du français, l'opératrice concernée du 112, située en Brabant flamand, aurait dû pouvoir lui répondre en français, malgré le principe de territorialité.
Monsieur le ministre, quelle est votre analyse juridique de cet incident? Confirmez-vous ce qui ressemble à une infraction? En général, à ce type de questions, vous répondez " de wet is de wet " , donc je ne doute pas que vous confirmerez qu'il s'agit probablement d'une infraction. Entendez-vous donner exécution à la loi par voie d'arrêté royal, qui semble manquer, afin de clarifier juridiquement les conditions et exigences linguistiques? En attendant, des instructions seront-elles transmises, par voie de circulaire ou via la DG Sécurité civile du SPF Intérieur, aux différentes centrales d'urgence, afin de rappeler l'utilisation correcte des langues et d'éviter qu'un drame ne survienne, que ce soit en Flandre, en Wallonie, à Bruxelles ou ailleurs, parce qu'une langue n'aurait pas été comprise ou acceptée? Je vous remercie.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, voici plusieurs jours, une employée du CHIREC de Braine-l'Alleud a été témoin d'un grave accident en Forêt de Soignes alors qu'elle circulait à vélo. Après plusieurs tentatives, faute de réseau suffisant, elle a contacté les secours au 112 en français, sa langue maternelle. Force est de constater qu'il semble que la suite donnée par le call center des services de secours fut aussi bizarre qu'inacceptable. En effet, à sa demande de parler en français, l'opératrice lui aurait répondu: "We zijn een Vlaamse overheid".
L'incident s'est produit dans la zone néerlandophone de la forêt. Personne ne le conteste. Toutefois, comme l'a relevé mon collègue, la loi prévoit que des opérateurs francophones soient également disponibles pour les appels d'urgence émis depuis la Région flamande, et inversement. Si ces faits sont avérés, nous considérons qu'ils constituent une faute grave qui aurait pu entraîner des conséquences dramatiques.
Monsieur le ministre, pouvez-vous me fournir les informations à votre disposition relativement à cette affaire relayée par les médias? Une enquête a-t-elle été ouverte? À votre connaissance, d'autres cas similaires ont-ils déjà été recensés? Enfin, quelles suites allez-vous apporter pour qu'un tel cas de non-assistance à personnes en danger ne se reproduise pas?
Jeroen Bergers:
Collega's, er zijn heel veel voorbeelden van verhalen waarin het met de noodcentrale misloopt, vaker in de omgekeerde richting dan de verhalen die ik hier vandaag hoor. In de commissie voor Binnenlandse Zaken heb ik eerder al vragen gesteld over een oudere man die onder vuur werd genomen met een airsoftgeweer in Overijse, eentalig Nederlandstalig gebied, en waarbij de noodcentrale niet in het Nederlands kon antwoorden. Ik denk daarom dat het belangrijk is dat de taalwetgeving in dit land wordt gerespecteerd. Ik pleit daarvoor langs beide kanten. Het zou mooi zijn als iedereen die consequentie aan de dag kon leggen. Op dat vlak zijn serieuze verbeterstappen noodzakelijk. Wellicht zal dat door het arrest inzake Ronse, dat we al hebben besproken, een nog hardere realiteit worden, aangezien het Grondwettelijk Hof nu dwangsommen oplegt wanneer de taalwetgeving niet wordt gerespecteerd.
Mijnheer de minister, nu kom ik tot mijn specifieke vragen over de noodcentrale. Ik heb begrepen dat u aan een oplossing werkt waarbij mensen hun taal moeten selecteren voordat ze verbonden worden met de noodcentrale. Dat is een interessante piste, die zeker haar merites heeft in spoedeisende gevallen. Daarnaast vraag ik me af of het niet te regelen valt dat een telefoontje naar de noodcentrale automatisch wordt verbonden uitgaande van de mast die correspondeert met het taalgebied, in plaats van met de dichtstbijzijnde mast, die vaak in het andere taalgebied ligt. Ik vraag me af of dat technisch mogelijk is.
Breder gezien heb ik ook een vraag over de problematiek in de Brusselse ziekenhuizen. Die problematiek is veel prangender dan de eerder besproken situatie. Vandaag merken we immers dat inwoners van de Vlaamse rand, die vaak voor spoedeisende gevallen naar Brusselse ziekenhuizen worden gebracht, niet in hun eigen taal kunnen worden geholpen. De ouders van Cisse, een baby van elf maanden, die jammer genoeg is overleden, konden van de artsen, omdat die de taal niet begrepen, niet de juiste uitleg krijgen over hun elfjarige zoontje dat gestorven is. Het kan dramatische gevolgen hebben indien een arts, die nochtans vaak een tweetaligheidspremie ontvangt, zijn patiënt in het Nederlands niet kan verstaan in onze hoofdstad.
Naar aanleiding van die problematiek heeft de Vlaamse Volksbeweging een initiatief genomen en juridische klachten ingediend tegen zeven ziekenhuizen in Brussel. Dat is zeer relevant, want als de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof inzake Ronse wordt gevolgd, zullen die zeven ziekenhuizen worden veroordeeld tot dwangsommen. Ik hoop dat we dat allemaal willen vermijden. Om elementair respect voor de taalwetgeving en elementaire zorg in de twee landstalen in onze hoofdstad af te dwingen, zouden geen dwangsommen nodig moeten zijn.
Ik ben dus zeer blij met het initiatief van de Vlaamse Volksbeweging, al vind ik het jammer dat er juridische procedures nodig zijn om de taalwetgeving te doen respecteren.
De vraag die ik u stel, heb ik trouwens ook ingediend ter attentie van uw collega, minister Vandenbroucke.
Mijnheer de minister, zult u wachten totdat er veroordelingen met dwangsommen worden uitgesproken of zult u nu al maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat tweetalige zorg in onze hoofdstad beschikbaar is? Welke maatregelen zijn dat dan?
Bernard Quintin:
Geachte volksvertegenwoordigers, het klopt dat er vandaag voor artikel 3 van de wet van 29 april 2011 houdende oprichting van de 112-centra en het agentschap 112 nog geen uitvoeringsbesluiten zijn genomen, maar de wet bepaalt uitdrukkelijk dat alle oproepen naar de nummers 100, 101 en 112 in de drie landstalen en in het Engels moeten worden behandeld. Het principe ligt dus vast, alleen de precieze modaliteiten moeten nog bij koninklijk besluit worden bepaald.
In het algemeen doet dat niets af aan het feit dat we een burger met een dringende hulpvraag moeten kunnen helpen – het gaat tenslotte om burgers in nood –, als het kan in de territoriaal bevoegde noodcentrale 112- of 101-centrale, door de beller door te verbinden met een collega-operator 112 of een calltaker 101 die de taal voldoende machtig is, dan wel door een conference call op te zetten met een centrale in het ander landsgedeelte, die dan de ontbrekende schakel vormt tussen de beller en de territoriaal bevoegde noodcentrale 112 of 101. Op die manier kan de hulpvraag correct worden ingeschat en kan de territoriaal bevoegde noodcentrale de nodige interventiemiddelen uitsturen. Voor de 112-noodcentrales die, zoals u ongetwijfeld weet met een bovenprovinciale architectuur werken, is het opzetten van een conference call zelfs niet nodig, omdat eens de oproep is doorgeschakeld de noodcentrale 112 in het andere taalgebied zelf de interventiemiddelen kan alarmeren of uitsturen.
Ik heb geen volledig zicht op het aantal Franstalige operatoren 112 of 101 die een Nederlandstalige burger in diens moedertaal verder kunnen helpen, omdat er naast de operationele medewerkers die een taalpremie krijgen voor de kennis van de Nederlandse taal , 38 in totaal, de 101-centrale van Brussel inbegrepen, ook medewerkers zijn die de Nederlandse taal voldoende machtig zijn om de burgers verder te helpen.
Om de taalkennis van onze operatoren 112 en calltakers 101 te verhogen, werden er in het verleden meermaals taalcursussen georganiseerd.
Het totaal theoretisch aantal operatoren 112 en 101 voor Wallonië en Brussel bedraagt 385. Met theoretisch bedoel ik hier het hele personeelskader opgevuld, wat vandaag jammer genoeg nog niet het geval is, maar daar wordt hard aan gewerkt.
Mijnheer Bergers, het probleem waarbij in grensgebieden tussen twee provincies een noodoproep terechtkomt in de aangrenzende provincie omdat die oproep wordt opgepikt door een telefoonmast op het grondgebied van die provincie valt technisch niet te verhelpen. Ook mijn voorgangers hebben dat al meermaals aangegeven.
Nous sommes finalement peu de choses.
Het systeem waarnaar u verwijst, houdt in dat aan het keuzemenu 112 een taalfaciliteit wordt toegevoegd. In eerste instantie zal dat beperkt worden tot de noodcentrale 112, maar er zal worden onderzocht of dat, eventueel in een andere vorm, ook in de 101-centrales toepassing kan vinden. Wanneer een burger in het Nederlandstalig landgebied kiest voor ziekenwagen of brandweer, zal hem worden gevraagd of hij verder wil gaan in het Nederlands, het Frans of het Duits. Kiest hij voor het Nederlands, dan wordt hij verder geholpen door de noodcentrale 112 in het Nederlandstalig landsgebied. Kiest hij voor het Frans, dan wordt zijn oproep doorgeschakeld naar een noodcentrale 112 in het Franstalig landgebied. Wanneer er voor het Duits wordt gekozen, zal zijn oproep worden behandeld door een Duitssprekende operator in de noodcentrale 112 van Luik. Uiteraard geldt dezelfde regeling voor burgers uit het Franstalig en het Duitstalig taalgebied.
Begin 2026 wordt met die taalfaciliteit een pilootproject opgestart, dat in eerste instantie beperkt blijft tot twee provincies, een in het Nederlandstalig en een in het Franstalig taalgebied. Indien het pilootproject gunstig wordt geëvalueerd, zal het over heel België worden uitgerold.
Ik wil ook even meegeven dat de keuze voor een pilootproject ingegeven is door de noodzaak om niet alleen de burger met een noodvraag maximaal te ondersteunen, maar ook dat de interventiediensten die moeten uitrukken de info over het incident in de taal van het betrokken taalgebied moeten kunnen ontvangen.
Wanneer een burger in het Nederlandstalig taalgebied voor het Frans kiest, wordt zijn oproep, zoals eerder aangegeven, afgehandeld door een centrale in het Franstalig taalgebied. Die centrale moet vervolgens de interventiediensten in het Nederlandstalig taalgebied alarmeren of uitsturen. Het is daarbij essentieel dat die interventiediensten de informatie over het incident in het Nederlands toegestuurd krijgen. Dat zal zowel technisch als procedureel worden ondervangen, maar dat moet uiteraard grondig worden uitgetest.
Messieurs Chahid et De Smet, je peux vous informer que, par enquête menée par le centre d'appel d'urgence 112, il s'avère que l'opérateur qui a traité l'appel a tenu des propos malheureux, et qu'il n'avait certainement pas l'intention de faire comprendre à l'appelant que pour appeler le centre d'appel d'urgence dans la région néerlandophone, il fallait connaître le néerlandais. L'opérateur a donc été identifié et interpellé par la direction du centre d'appel d'urgence 112 concerné, et les mesures nécessaires ont été prises.
Chaque année, on recense un petit nombre de cas où des citoyens se plaignent de ne pas avoir pu être aidés dans leur langue maternelle dans un centre d'appel d'urgence 112 ou une centrale 101, mais sans que cela ne s'accompagne de déclarations malheureuses faisant référence à la langue de la région linguistique. Au sein des centres d'appel d'urgence 112 existent d'ailleurs des règles de procédures claires visant à éviter de tels incidents.
D'abord, un opérateur essaiera toujours d'aider lui-même l'appelant, par exemple en lui demandant s'il est possible de s'exprimer dans la langue de la région d'où il appelle. Cela est logique, car dans les situations d'urgence, chaque seconde peut être cruciale. Si cela ne fonctionne pas, l'opérateur transférera immédiatement l'appel à un collègue de son propre centre qui maîtrise suffisamment la langue de l'appelant, ou transférera l'appel à un collègue d'un centre d'appel d'urgence 112 de l'autre région linguistique, qui prendra alors l'appel en charge et le traitera.
Il existe donc au sein des centres d'appel d'urgence 112 des accords clairs sur la manière de traiter les appelants qui ne maîtrisent pas ou insuffisamment la langue de la région d'où ils appellent. Si nécessaire, ces accords sont également rappelés par les responsables des centres d'appel d'urgence 112. J'en profite pour vous informer que je travaille à une réforme de ce système 112-101-1722-1733, parce qu'on accumule les numéros, et cela devient difficilement lisible.
La deuxième chose est que, là comme ailleurs, nous avons un solide manque de personnel. Je travaille également à régler cela.
Cela ne diminue pas l'importance que j'attache non seulement à la loi concernant l'emploi des langues, mais aussi au fait que, dans une situation d'urgence, on puisse être pris en charge convenablement. Il n'y a pas de solution miracle, et il faut faire attention car il existe aussi de fausses bonnes idées. On voit bien les dangers que peuvent représenter une prise en charge dans une autre langue, puis une traduction au moyen d'un système d'intelligence artificielle, par exemple, Je ne dis pas qu'il ne faut pas le faire, mais il faut agir très prudemment parce qu'il s'agit en effet de situations d'urgence.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie de votre réponse claire et complète.
Ridouane Chahid:
Monsieur le ministre, je vous remercie également de votre réponse et des initiatives qui seront prises pour éviter que des drames.ne se reproduisent.
Pour le reste, je suis un ardent défenseur du bilinguisme. Pour moi, il est évident qu'on ne négocie pas pour savoir dans quelle langue il faut être compris. Cependant, quand une vie est en danger, il faut aussi pouvoir s'adapter. Les langues nationales sont hyper importantes. Il faut garder ce principe en tête. Personne ne le remet en question. Seulement, nous parlons en l'occurrence de vies qui sont en danger.
Jeroen Bergers:
Ik ben het ermee eens dat, wanneer er levens in gevaar zijn, het belangrijk is dat de taalwetgeving wordt gerespecteerd. Elke dag worden inwoners van de Vlaamse Rand naar Brusselse ziekenhuizen gebracht, waar zij niet in het Nederlands kunnen worden geholpen. Daardoor worden hun symptomen niet begrepen en krijgen zij niet de juiste behandeling. Mijn belangrijkste vraag ging daarover. U hebt daar niet echt op geantwoord, mijnheer de minister.
Ik wil toch van mijn repliek gebruikmaken om iedereen in deze zaal te wijzen op de noodzaak van het principe van het geven van elementaire zorg. Ik wil iedereen ook wijzen op de toekomst van de taalwetgeving in dit land, ook de mensen die nu misschien heel blij zijn met het arrest van het Grondwettelijk Hof via een prejudicieel advies over Ronse. Ik wil hen erop attent maken dat, als er niets verandert, er honderden en duizenden euro's aan dwangsommen aan instanties zullen worden opgelegd, omdat ze zich niet aan de taalwetgeving houden. De mensen in Ronse die heel blij zijn, zouden dat misschien eens moeten lezen. Ik vermoed dat er vandaag meer instellingen in Brussel, Wallonië en de faciliteitengemeenten in de Rand zijn die de rechten van Nederlandstaligen niet respecteren en tegen de lamp zullen lopen, dan omgekeerd Nederlandstalige instellingen dat zullen doen.
Misschien moet men voor tweetaligheidspremies invoeren dat men een diploma of een attest moet behalen bij een instelling van het taalgebied waar men de tweede taal leert en niet bij een instelling van het eigen taalgebied. Dat zou al heel wat veranderen aan het aantal mensen dat op een tweetaligheidspremie aanspraak maakt.
Die juridische strijd zal er komen. Het is belangrijk dat iedereen die het goed meent met de toekomst van dit land en met de gezondheid van onze burgers zich daarop voorbereidt.
Dank u voor uw antwoord over het 112-project, mijnheer de minister. De twee provincies waar het pilootproject zal starten, zijn Vlaams-Brabant en Waals-Brabant, neem ik aan? Ja? Dank u wel.
Voorzitter:
Vraag nr. 56009888C van de heer Van Tigchelt wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56009892C van mevrouw Pas wordt uitgesteld. Vraag nr. 56009945C van de heer Bergers wordt in een schriftelijke vraag omgezet. De samengevoegde vragen nrs. 56009984C van mevrouw De Vreese en 56010598C van de heer Depoortere worden in schriftelijke vragen omgezet. De samengevoegde vragen nr. 56010092C van de heer Van Rooy, nr. 56010260C van de heer Freilich, nr. 56010261C van de heer Freilich en nr. 56010217C van de heer Van Rooy worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nr. 56010225C van de heer Chahid en nr. 56010273C van de heer Vandemaele worden in schriftelijke vragen omgezet. Vraag nr. 56010233C van de heer Thiébaut wordt uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56010243C van de heer Bergers en 56010619C van de heer Thiébaut worden uitgesteld. Vraag nr. 56010274C van de heer Vandemaele wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010279C van de heer Meuleman wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010340C van mevrouw Pas wordt uitgesteld. Vraag nr. 56010341C van de heer Bergers wordt in een schriftelijke vraag omgezet. De samengevoegde vragen nr. 56010361C van de heer Vander Elst en nr. 56010428C van de heer Keuten worden uitgesteld. Vraag nr. 56010462C van de heer Vandemaele wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010526C van mevrouw Maouane wordt in een schriftelijke vraag omgezet. Vraag nr. 56010580C van mevrouw De Vreese wordt in een schriftelijke vraag omgezet, net als haar vraag nr. 56010623C. De andere vragen worden sowieso uitgesteld. Ik dank de minister voor zijn talrijke antwoorden. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.48 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 48.
De strijd tegen antisemitisme, met name in onze universiteiten, en het boek van Nora Bussigny
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 13 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Daniel Bacquelaine kaart de alarmerende stijging van antisemitisme in België aan, met voorbeelden als intimidatie van Joodse studenten, profanatie van graven en culturele boycots, en dringt aan op dringende interfederale actie, waaronder een onafhankelijk coördinator met politieke slagkracht en concrete sancties op universiteiten. Minister Rob Beenders bevestigt dat bestrijding van antisemitisme centraal staat, verwijst naar lopende interfederale plannen (o.a. studie online haat, coördinatiemechanismen) en benadrukt dat vrije meningsuiting niet haat dekt, maar blijft vaag over timing en uitvoering. Bacquelaine wijst de huidige aanpak af als onvoldoende en eist een zichtbare, onafhankelijke coördinator die de Joodse gemeenschap concrete veiligheid en vertrouwen herstelt, niet enkel beleidsafspraken.
Daniel Bacquelaine:
Monsieur le ministre, Les nouveaux antisémites , tel est le titre du livre de Nora Bussigny, qui vient de sortir et dont les interviews doivent nous alerter par rapport à la recrudescence et l'explosion de l'antisémitisme en Europe, et en particulier en Belgique. Antisémitisme qui gangrène nos universités, pourtant lieux de confrontation d'idées et de liberté des échanges, avec le témoignage d'étudiants membres de l'Union des étudiants juifs de Belgique qui expriment les intimidations et les agressions dont ils sont l'objet, et le témoignage aussi de groupuscules radicaux d'extrême gauche qui professent sans vergogne l'incitation à la haine.
Et cet antisémitisme, on l'a retrouvé encore le 18 septembre dernier à Liège lors de la commémoration du 30 e anniversaire de la mort de Jean Gol lorsque sa tombe a été profanée. Cet antisémitisme, on le retrouve aussi dans le domaine culturel aujourd'hui, lorsqu'un chef d'orchestre israélien est interdit de prestation à Gand avec l'aval d'un ministre du gouvernement flamand.
Alors, monsieur le ministre, mes questions sont celles-ci. Avez-vous conscience de l'agitation de ces groupuscules d'ultra-gauche dont les discours antisémites sont décomplexés, sans mesure, assumés? Avez-vous conscience du fait qu'ils font subir des intimidations voire des agressions aux étudiants juifs dans nos universités? Pouvez-vous réunir, dans un contexte interfédéral, avec les entités fédérées, les recteurs des universités pour leur demander de prendre des mesures fortes pour sanctionner ces individus?
Le programme du gouvernement prévoit l'élaboration d'un plan d'action interfédéral ambitieux contre l'antisémitisme. C'est ce que recommande aussi l'Union européenne. Monsieur le ministre, quand présenterez-vous ce plan devant le Parlement et concrétiserez-vous les engagements du gouvernement et de votre ministère?
Rob Beenders:
Merci, monsieur Bacquelaine, pour votre question.
Permettez-moi tout d'abord de souligner que la lutte contre l'antisémitisme reste un élément central de ma lutte plus large contre le racisme et la discrimination et en faveur d'une société où la haine n'a pas sa place et où les gens, quelle que soit leur origine ou leur religion, se respectent mutuellement.
Le livre de la journaliste Nora Bussigny, Les nouveaux antisémites , a effectivement fait beaucoup de bruit, en Belgique également, et je suis au courant de la discussion qu'il a provoquée à l'ULB. Les universités restent des lieux de liberté d'expression, mais cette liberté s'arrête là où la haine commence. L'antisémitisme, comme toute forme de haine, n'y a absolument pas sa place. Nous devons y rester attentifs. C'est pourquoi nous avons déjà pris des mesures concrètes.
Ainsi, je soutiens le travail du Mécanisme de coordination interfédéral de la lutte contre l'antisémitisme, tout comme le travail du coordinateur national au sein du SPF Justice. Dans le cadre du plan d'action interfédéral contre le racisme, nous élaborons des mesures spécifiques contre l'antisémitisme. De plus, une étude est en cours sur l'antisémitisme en ligne, dont les recommandations sont attendues sous peu. J'en discuterai avec mes collègues du gouvernement dans les semaines à venir. La lutte contre l'antisémitisme est en effet une responsabilité conjointe de ce gouvernement.
Daniel Bacquelaine:
Monsieur le ministre, je prends note de votre volonté et de vos résolutions. Mais outre cela, si le temps de la concertation et de l'échange d'informations est certes important, il n'est évidemment pas suffisant. Ce que nous voulons aujourd'hui, c'est un véritable coordinateur de la lutte contre l'antisémitisme qui soit indépendant et non pas dévolu à un fonctionnaire certes honorable, mais qui inclurait cette mission parmi d'autres. Il ne s'agit pas de cela. Il faut un véritable coordinateur de lutte contre l'antisémitisme, avec un visage et une personnalité qui incarnent l'impulsion politique nécessaire. Ce coordinateur doit permettre de redonner du souffle à cette lutte nécessaire contre l'antisémitisme. Aujourd'hui trop de familles s'inquiètent et perdent la sérénité. Nous voulons redonner à la communauté juive la possibilité de vivre en sérénité dans notre pays, dans la paix, le respect et la sécurité.
De behandeling van het dossier van Oekraïense studenten door de DVZ en het parket
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt bevestigt dat Oekraïense studenten met tijdelijke bescherming recht hebben op sociale voordelen zoals leefloon, mits ze aan de voorwaarden voldoen, en dat fraude door het parket wordt onderzocht. Ze benadrukt dat haar kabinet werkt aan strengere regels voor leeflonen aan ontheemden, zoals afgesproken in het regeerakkoord. Het OCMW Kortrijk onderzoekt 33 dossiers (waarvan 18 minderjarigen) samen met de Dienst Vreemdelingenzaken voor duidelijkheid over toekenning en controles.
Francesca Van Belleghem:
Mevrouw de minister, 33 Oekraïense studenten, waarvan 18 minderjarig, krijgen op dit moment een leefloon in Kortrijk. Intussen zou het OCMW het dossier van de Oekraïense studenten aan het parket en de dienst Vreemdelingenzaken hebben bezorgd, om volledige duidelijkheid te krijgen over het aantal studenten, de toekenningsvoorwaarden en de controlemechanismen.
Wat zijn de bevindingen van de Dienst Vreemdelingenzaken in dit dossier? Ik krijg graag meer verduidelijking, mevrouw de minister.
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Van Belleghem, ik zal u de door u gevraagde bevindingen die de Dienst Vreemdelingenzaken mij bezorgde over dit dossier meedelen. Ik citeer:" Oekraïners die aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming voldoen, hebben recht op dit statuut en op de sociale voordelen die daaraan vasthangen. Het spreekt voor zich dat zij hier ook kunnen studeren. Als er fraude in het spel is, zal het parket zijn werk doen."
Intussen werkt mijn kabinet verder aan de inperking van het leefloon voor tijdelijk ontheemden, conform het regeerakkoord.
Francesca Van Belleghem:
Dank u wel voor uw antwoord en een fijne avond, mevrouw de minister.
Voorzitter:
Mevrouw de minister, dank u voor uw aanwezigheid. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 17.08 uur. La réunion publique de commission est levée à 17 h 08.
De verijdelde jihadistische droneaanslag op De Wever en andere politici
De islamitische terreurdreiging tegen de eerste minister en politici in dit land
De terreurdreiging
De verijdelde aanslag op premier De Wever en andere politici
Verdachte terreurdreigingen tegen politici en premier
Gesteld door
VB
Sam Van Rooy
VB
Alexander Van Hoecke
N-VA
Jeroen Bergers
N-VA
Sophie De Wit
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 12 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de verijdelde jihadistische drone-aanslag op premier De Wever en Geert Wilders, met drie jonge verdachten (18-24 jaar, Belgische nationaliteit, Tsjetsjeense/Marokkaanse afkomst), waarvan één alweer vrij is. Minister Verlinden bevestigt 82 nieuwe terreuronderzoeken in 2025 (meeste jihadistisch), een stijging ten opzichte van 2024, met toenemende radicalisering onder minderjarigen via online propagandakanalen en kwetsbaarheden zoals sociaal isolement. Kritiek van oppositie richt zich op het ontkennen van de islamitische dreiging, het gebrek aan harde maatregelen (geen aparte gevangenis voor terroristen, te lage straffen, geen registratie herkomst daders) en structurele tekortkomingen in preventie, ondanks waarschuwingen over migratiestromen en technologische risico’s (drones, 3D-wapens). Motie van aanbeveling eist een dringend actieplan tegen jihadisme, betere detentiebeleid en transparantie over dadersprofielen.
Sam Van Rooy:
Minister, dit jaar zijn er al een tachtigtal nieuwe terreuronderzoeken geopend binnen de sectie Terrorisme van het federaal parket. Dat zijn nu al meer dossiers dan in heel 2024. Daarbij houden we geen rekening met de terrorismeonderzoeken die betrekking hebben op minderjarigen. Dat vernamen we na de verijdelde jihadistische droneaanslag op premier De Wever in Deurne, waar ik woon, en op de heer Geert Wilders. Bij die operatie werden meerdere huiszoekingen verricht en enkele jonge moslimterroristen opgepakt.
Minister, ik zou graag een stand van zaken krijgen met de recentste informatie die u ons kunt verstrekken.
Hadden die jonge moslimterroristen nog andere politici op het oog of andere doelwitten? Zo ja, wie of welke? Wat is hun nationaliteit? Verblijven ze legaal in ons land? Klopt het dat één van de drie verdachten alweer op vrije voeten is? Door wie of wat werden ze desgevallend aangestuurd? Hoe is men die verdachten op het spoor gekomen? Welke buitenlandse inlichtingendiensten waren daarbij betrokken? Hebben die ons nuttige informatie geleverd en ons dus goed geholpen?
Is er volgens u een verband met de mate waarin de wijk in Deurne-Zuid – waar ik ben geboren en getogen en die ik dus zeer goed ken – geïslamiseerd is? Hoe komt het volgens u dat er dit jaar al meer terreuronderzoeken zijn geopend dan vorig jaar? Hoeveel procent daarvan zijn van jihadistische aard? Hoeveel zijn het er wanneer ook de dossiers worden meegerekend die betrekking hebben op minderjarigen?
Hoe verklaart u dat terrorismeverdachten steeds vaker minderjarig zijn? Hoe wapent de regering zich tegen het gebruik van nieuwe technologieën, zoals 3D-printing en drones, om terreuraanslagen te plegen? Het mag duidelijk zijn dat hun ideeën, opvattingen en ideologie dan wel achterlijk, zevende-eeuws, islamitisch en barbaars zijn, maar de technologie die ze daarvoor aanwenden, is dat helaas zeker niet.
Alexander Van Hoecke:
Dank u wel, mijnheer de voorzitter. Mevrouw de minister, enkele weken geleden werd een jihadistische terreurcel opgerold die een aanslag met drones beoogde op onder meer premier De Wever. Andere vermeende doelwitten zouden de Antwerpse burgemeester Els van Doesburg en de Nederlandse politicus Geert Wilders zijn geweest.
Er werden drie jonge verdachten opgepakt, allen van allochtone origine. Ze zijn bovendien relatief jong: 24, 23 en 18 jaar. De 24-jarige verdachte werd meteen weer vrijgelaten, maar de andere twee, van Tsjetsjeense en Marokkaanse origine, bleven aangehouden. Bij de huiszoekingen werden een zelfgemaakte bom, stalen balletjes en een 3D-printer aangetroffen.
Het federaal parket heeft een onderzoek geopend wegens poging tot terroristische moord en deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. De verdachten en hun advocaten ontkennen alles, maar ik denk dat we ons weinig illusies hoeven te maken over wie het bij het rechte eind heeft: het openbaar ministerie en de onderzoekers of de verdachten zelf.
Klopt het dat de twee verdachten nog steeds in de cel zitten, dat ze dus nog steeds aangehouden zijn? Ik had gelezen dat ze beroep hadden aangetekend tegen hun verlengde aanhouding. Kunt u bevestigen dat ze nog steeds vastzitten?
Erger kon worden voorkomen. We hebben hier een bijzonder ernstige aanslag kunnen vermijden dankzij onze veiligheids- en justitiediensten. Ik wil hen daarvoor bedanken. Dankzij hun kordate optreden zijn er levens gespaard gebleven. We mogen ons echter niet de illusie maken dat daarmee een einde is gekomen aan de islamitische dreiging. Integendeel, de daders worden steeds talrijker en steeds jonger. Het parket stelt vast dat het aantal dossiers van radicalisering bij minderjarigen alleen maar stijgt. Ook in deze zaak zien we opnieuw zeer jonge daders; ik zei het al: 24, 23 en 18 jaar. Zoals mijn collega al vermeldde, werden er dit jaar al tachtig nieuwe terreuronderzoeken opgestart. Dat is aanzienlijk meer dan in 2024. Ter vergelijking, in 2022 ging het nog maar om zestien onderzoeken. Niemand hoeft zich illusies te maken over de aard van die dreiging: meer dan de helft van de gevallen betreft islamitisch terrorisme.
Terreurexpert Pieter Van Ostaeyen verklaarde in een interview dat de dreiging in werkelijkheid nog groter is dan blijkt uit de cijfers die ik net vermeldde. Dossiers die worden behandeld door de lokale parketten wegens de jeugdige leeftijd van de verdachten, worden immers niet in die cijfers opgenomen.
Experten leggen bovendien duidelijke linken tussen de toegenomen terreurdreiging en migratiestromen. "De poorten voor IS staan weer open," aldus terreurexpert Pieter Van Ostaeyen. Hij verklaart daarbij, en ik citeer: "De Sahel is al aan het leegstromen richting de Canarische Eilanden. Dagelijks komen er bootvluchtelingen aan op Tenerife, en eens binnen in de Schengenzone kunnen zij asiel aanvragen. Dan zijn we eigenlijk elke controle kwijt."
Ook het lakse justitiebeleid laat zich volgens hem voelen. De dader van een verijdelde aanslag op de eerste minister in 2023 kreeg slechts zes jaar cel, zijn handlangers kregen tussen twee en drie jaar. Zwak optreden tegen terroristen creëert meer terroristen, mevrouw de minister. Wanneer islamitische terroristen dan toch in de gevangenis belanden, kunnen ze naar eigen goeddunken hun medegevangenen op hun beurt radicaliseren.
Welke maatregelen zult u nemen om het probleem van radicalisering in de gevangenissen aan te pakken? Waarom is er nog steeds geen aparte detentiefaciliteit voor terrorismeverdachten en -veroordeelden, en wanneer komt die er? Wat is uw plan om te voorkomen dat veroordeelde moslimextremisten vervroegd vrijkomen?
Op welke wijze zult u ervoor zorgen dat het openbaar ministerie strenger optreedt tegen het uiten van sympathie voor jihadistische groeperingen? Welke maatregelen neemt u om strafkortingen en vervroegde invrijheidstellingen bij terreurfeiten te beperken? Welke resultaatsindicatoren legt u op aan het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse (OCAD), de Veiligheid van de Staat (VSSE) en het federaal parket voor de vroegdetectie van jihadistische netwerken?
Tot slot heb ik een heel belangrijke vraag: wordt het niet eindelijk tijd om cijfers over herkomst bij te houden in de criminaliteitsstatistieken?
Sophie De Wit:
De recent verijdelde, vermoedelijk jihadistisch geïnspireerde aanslag op premier Bart De Wever heeft het land diep geschokt. Volgens het federaal parket beraamden drie jonge mannen – Belgische onderdanen van Marokkaanse en Tsjetsjeense afkomst, van wie twee een opleiding Defensie en Veiligheid of Cybersecurity volgen – een aanslag met een drone en een zelfgemaakt explosief (IED), gericht tegen meerdere politici. Eén verdachte werd inmiddels vrijgelaten.
Het incident toont hoe snel radicalisering bij jongeren kan omslaan in concrete geweldsplannen. In 2025 werden reeds meer dan tachtig nieuwe terreuronderzoeken geopend – meer dan in heel 2024 – en de Staatsveiligheid waarschuwt voor een heropleving van jihadistisch extremisme, mede aangewakkerd door internationale conflicten zoals dat in Gaza. Tegenover die cijfers staat uw antwoord op mijn recente schriftelijke vraag omtrent feiten van extremisme en radicalisering waarin u aangaf dat het OCAD in 2024 slechts twee incidenten van links-extremistische aard registreerde en in 2025 ‘minder dan tien’. Dat verschil roept ernstige vragen op over de volledigheid van de rapportering en het zicht op de feitelijke dreiging. Alleszins roept de recente aanslagpoging fundamentele vragen op over hoe dergelijke dreigingen in ons land worden gedetecteerd, geëvalueerd en aangepakt.
Kan u toelichten welke veiligheidsprotocollen vandaag gelden voor bedreigde politieke mandatarissen, en wie de coördinatie op zich neemt bij concrete incidenten of verhoogde dreigingsniveaus?
Hoe worden risicoanalyses gemaakt, en welke rol spelen OCAD, Staatsveiligheid, de federale politie en lokale politiezones in dit proces? Wordt bij deze analyses rekening gehouden met de steeds jongere leeftijd van verdachten in terreuronderzoeken?
Hoeveel politici genieten momenteel een verhoogd beschermingsniveau of politiebescherming, hoe is deze bescherming georganiseerd, en gaat het daarbij om tijdelijke of permanente maatregelen?
Hoe evalueert u de huidige beveiligingsstructuur voor politieke mandatarissen in het licht van de toenemende dreiging vanuit georganiseerde criminaliteit en extremisme? Welke bijkomende maatregelen werden sinds 2024 genomen om die bescherming structureel te versterken en welke maatregelen zal u hiertoe nog nemen?
Hoe evalueert u de werking en samenwerking tussen OCAD, de VSSE en het federaal parket inzake vroegdetectie en opvolging van extremistische netwerken, en bent u bereid duidelijke resultaatsindicatoren en rapporteringslijnen in te voeren zodat dreigingen nog sneller kunnen worden geanalyseerd en gedeeld?
Annelies Verlinden:
Collega's, het gerechtelijk onderzoek wordt gevoerd naar de volgende tenlastelegging: deelname aan de activiteiten van een terroristische groep, poging tot terroristische moord en het voorbereiden van een terroristisch misdrijf. In het belang van het onderzoek kan ik momenteel geen verdere informatie geven, ook niet over de politici die het doelwit van de dreiging zouden zijn. De verdachten hebben volgens onze informatie de Belgische nationaliteit. Het federaal parket beschikt momenteel niet over informatie waaruit blijkt dat zij zouden beschikken over een tweede nationaliteit.
Over de tendensen en de cijfers kan worden toegelicht dat het overgrote deel van de 82 dossiers terrorisme die op het federaal parket in 2025 tot op heden werden geopend, gelinkt is aan jihadistisch of religieus geïnspireerd terrorisme. De opvolging en oriëntering van terrorismedossiers gebeurt via het JIC (Joint Intelligence Centre) en het JDC (Joint Decision Centre). Het JIC is samengesteld uit de FGP-Terro, de Veiligheid van de Staat, de ADIV, de DJSOC-Terro, het OCAD en de Information Officer van de lokale politie en voor het JIC/JDC met het lokaal parket en het federaal parket in bepaalde gevallen.
JIC/JDC zijn veiligheidsgeoriënteerde platformen. Hun opdracht bestaat erin continu informatie uit te wisselen in het kader van bestaande gerechtelijke dossiers en inlichtingendossiers met betrekking tot terrorisme. Ze beslissen samen welke strategie het best kan worden gevolgd wanneer er informatie beschikbaar is over terroristische activiteiten. Een van de opties daarbij is het openen van een strafonderzoek.
We stellen een stijging vast van het aantal potentiële dreigingsdossiers, wat resulteert in een toename van het aantal JIC/JDC-vergaderingen. Een potentieel dreigingsdossier kan zowel handelen over informatie met betrekking tot mogelijke aanslagplannen als over de verspreiding van propaganda.
In 2024 werden in totaal 118 potentiële dreigingsdossiers besproken binnen die platformen voor het volledige jaar. In 2025 werden voor de periode van januari tot half oktober al 127 potentiële dreigingsdossiers behandeld op hetzelfde niveau. De toename resulteerde in het openen van meer terreuronderzoeken.
De stijging kan niet worden gelezen als een weerspiegeling van een imminentere terroristische dreiging, aangezien er een sterke variatie kan bestaan met betrekking tot de ernst van de potentiële dreiging en het bijbehorende dreigingsniveau. Islamitische Staat en haar ideologie blijven de belangrijkste drijfveer voor aanslagplannen.
In België en Europa identificeren we twee types van dreigingsdossiers inzake de aanslagplanning. Enerzijds zien we aanslagplannen die geïnspireerd zijn door de ideologie van IS. In die dossiers worden de betrokkenen niet rechtstreeks door IS aangestuurd, maar vinden zij inspiratie in de propaganda van IS om zelf hun eigen aanslagplannen te ontwikkelen. Hier zien we dossiers waarbij een significant deel van de gevallen minderjarigen of jongvolwassenen aan de oorsprong van de dreiging liggen. Verschillende plannen blijken een lage geloofwaardigheid te hebben wat betreft de werkelijke intentie.
Anderzijds kunnen personen worden aangestuurd door terroristische organisaties om aanslagen te plegen. In die gevallen gaat het om actoren met meer operationele capaciteiten, die instructies opvolgen van terroristische organisaties, meestal van IS of een van zijn afdelingen.
In juli 2025 vertegenwoordigden de minderjarigen die in de Gemeenschappelijke Gegevensbank T.E.R. worden gevolgd 6 % van het totaal aantal geregistreerde personen, ofwel 23 personen. Er dient te worden opgemerkt dat het aandeel onderzoeken waarbij ten minste één minderjarige betrokken is, toeneemt. Die personen kunnen echter ook worden benaderd vanuit het oogpunt van de bescherming van minderjarigen en niet als extremisten of terroristen. Dezelfde tendens doet zich overigens ook voor in andere Europese landen.
In bijna alle gevallen waarin minderjarigen voorkomen in dreigingsdossiers, blijkt online socialisatie een belangrijke factor te zijn. Daarnaast spelen ook kwetsbaarheden bij minderjarigen een rol in het radicaliseringsproces. Voorbeelden daarvan zijn trauma’s, sociaal isolement, afwezige ouders, familiaal geweld of een familiale omgeving waarin extremisme aanwezig is.
Wat de detectie van radicalisering bij minderjarigen betreft, wordt binnen de strategie T.E.R. extra aandacht besteed aan het zo vroeg mogelijk opsporen van tekenen van radicalisering in het algemeen, en bij minderjarigen in het bijzonder. Voorzichtigheid is uiteraard geboden wanneer het minderjarigen betreft, aangezien zij zich nog in een levensopbouwende fase bevinden. Daarom zijn alle actoren binnen het sociaal-preventieve traject belangrijke partners, of het nu gaat om onderwijs, jeugdwerk, media of geestelijke gezondheidszorg. Al die actoren spelen een rol in het LIVC-R, zowel bij het vroegtijdig detecteren van signalen als bij het bieden van een passende opvolging. Indien de minderjarige een bewezen dreiging vormt, zijn ook de veiligheidsdiensten en de jeugdhulp betrokken bij de opvolging.
Voor de coördinatie en de genomen maatregelen voor bedreigde personen is het Nationaal Crisiscentrum, dat onder de bevoegdheid valt van de minister van Binnenlandse Zaken, verantwoordelijk. De evaluaties van de dreiging met het oog op het toekennen van gewone beschermingsmaatregelen worden door het crisiscentrum gevraagd aan het OCAD voor de terroristische en extremistische dreigingen, en aan DJO voor de dreigingen in de criminele sfeer.
Wat de risicoanalyses betreft, kan worden verwezen naar de besprekingen in de Nationale Veiligheidsraad van de zogenoemde personen die een sleutelfunctie binnen het Belgische overheidsapparaat bekleden, aangezien zij een potentieel doelwit vormen voor allerlei types risico’s, ongeacht of er al dan niet sprake is van een concrete dreiging. Het Crisiscentrum staat, in samenwerking met de partnerdiensten en op basis van een risicoanalyse, in voor de identificatie van de sleutelfuncties en van de personen die dergelijke functies bekleden.
De gebeurtenissen van 9 oktober illustreren dat de communicatie tussen de diensten, in het bijzonder het parket, het OCAD, de Veiligheid van de Staat en de politie, goed functioneert. Zodra er informatie opduikt over mogelijke intenties om tot actie over te gaan, worden de structuren van de Strategie T.E.R. snel opgezet en worden de te nemen maatregelen in overleg tussen alle diensten genomen.
Tot slot werd ook een vraag gesteld over de 3D-printer. Het is momenteel onmogelijk om het grote publiek de toegang te ontzeggen tot 3D-printers en grondstoffen die mogelijk kunnen worden gebruikt voor het printen van 3D-wapens. De Belgische politie volgt dat fenomeen evenwel permanent op in het kader van het EMPACT Firearms Program van Europol om een operationele reactie op dat fenomeen te bieden door middel van internationale samenwerking tussen verschillende actoren.
Het gebruik van drones voor het plegen van aanslagen is een problematiek die nauwlettend wordt opgevolgd door de Belgische veiligheidsdiensten om die dreiging tegen te gaan.
Sam Van Rooy:
Minister, ik dank u voor uw antwoorden, die echter even zorgwekkend zijn als uw televisieoptreden, waarin u het evenmin had over het gevaar van de islamitische ideologie, maar wel over de saladbar-ideologie.
Hoeveel islamitische aanslagen in België, in het Westen, in de wereld moeten er nog gepleegd of gepland worden voor u het eindelijk snapt? Wereldwijd worden er elke dag vijf islamitische aanslagen gepleegd en een veelvoud daarvan wordt elke dag verijdeld. Denkt u nu echt dat dat toeval is? Denkt u nu echt dat het toeval is dat die aanslagen worden voorbereid in sterk geïslamiseerde wijken, bijvoorbeeld in Brussel of Antwerpen, waar de niet-moslim door uw beleid ondertussen een minderheid is geworden?
Minister Verlinden, open eindelijk uw ogen alvorens de islam ze voorgoed sluit.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, u zei dat er dit jaar al 82 terreuronderzoeken werden gevoerd, waarvan de overgrote meerderheid jihadisten betrof. Als er één ding opnieuw duidelijk is geworden, dan is het wel dat dat islamitisch terrorisme wel degelijk de grootste bedreiging voor onze samenleving blijft.
Ik heb een iets andere lezing van de gebeurtenissen. U zegt dat het feit dat die aanslag werd verijdeld, aantoont dat alles goed functioneert. Ik zou daar heel voorzichtig mee zijn. Dat toont vooral aan dat de dreiging blijft sluimeren en nog de kop zal opsteken. Dat is geen mogelijkheid, maar een zekerheid.
Wat enkele weken geleden is gebeurd, is een zoveelste wake-upcall dat het jihadisme niet is verdwenen uit onze samenleving. Er zullen nog meer wake-upcalls volgen. Het gaat mijn petje nog steeds te boven hoe sommigen de dreiging van het islamitisch terrorisme tot op vandaag blijven ontkennen omdat het niet in hun politiek kraam past. Het feit dat wij in West-Europa ondertussen al decennialang de ene na de andere terroristische aanslag te verduren krijgen, dat we leven onder een constante dreiging van jihadistische aanslagen is onlosmakelijk verbonden met de al even lange, ongecontroleerde en ongevraagde migratiestromen die wij decennialang over ons heen krijgen. Dat is de olifant in de kamer. Dat weet iedereen en dat is de reden waarom sommigen ervoor kiezen om in deze dossiers weg te kijken.
Dat is ook de reden waarom zowel u als al uw voorgangers van cd&v- en Open Vld-signatuur blijven weigeren om de herkomst op te nemen in de criminaliteitscijfers. Dat opnemen zou heel veel duidelijk maken. Het is een kwestie van data. We zien nu opnieuw dat het gaat om personen van Tsjetsjeense origine. U zegt dat ze de Belgische nationaliteit hebben, maar het is belangrijk om te weten waar die dreiging vandaan komt. Dat maakt heel veel duidelijk.
Het probleem kunnen en willen benoemen, is een eerste stap. Daarover zijn we het eens, maar we kunnen spreken over een saladbar-ideologie en saladbar-radicalisering, maar dat neemt niet weg dat de kern van de dreiging wel degelijk jihadistisch blijft. Of dat jihadisme nu invulling X of Y krijgt of dat daar iets aan wordt toegevoegd uit een andere ideologie, dat maakt in se weinig uit, want het fundament van de dreiging blijft hetzelfde. Dat blijft jihadisme.
De aard van die dreiging en van dat terrorisme zorgt er ook voor dat dat de grootste bedreiging in onze samenleving blijft. Jihadisme is een strijd tegen alles waar onze samenleving voor staat. De jihadisten willen niet alleen de premier of de burgemeester van Antwerpen uit de weg ruimen, ze willen de fundamenten van onze samenleving vernietigen. Daar is het jihadisme op uit, haat voor alles waar wij en onze samenleving voor staan. Jihadisme maakt daarin geen onderscheid.
Ik bedank opnieuw oprecht onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten, want dankzij hen is veel erger voorkomen en zijn mensenlevens gespaard gebleven. De verijdelde aanslag heeft het belang van hun werk nogmaals in de verf gezet, maar de vraag is natuurlijk ook of zij het toenemend aantal terreurdossiers – 82 dossiers dit jaar alleen al – zullen kunnen blijven bolwerken. Ik vrees dat het gebrek aan aandacht en middelen van deze regering voor onze binnenlandse veiligheid niet zonder gevolgen zal blijven.
Ik zal een motie van aanbeveling indienen, waarin we u oproepen om bij hoogdringendheid een actieplan te ontwikkelen tegen de aanhoudende terreurdreiging en niet blind te zijn voor het feit dat die terreurdreiging uit islamitische hoek afkomstig is, om het probleem van radicalisering in de gevangenissen aan te pakken, om werk te maken van een aparte detentiefaciliteit voor terrorismeverdachten en -veroordeelden en tot slot om eindelijk werk te maken van het incorporeren van data over de herkomst van daders in de criminaliteitscijfers, zoals dat in andere landen mogelijk is.
Sophie De Wit:
Mevrouw de minister, dank voor uw antwoord. Ik werd meegenomen in een verhaal dat enigszins – niet helemaal – anders was dan mijn originele vraag. Niet al mijn vragen werden dus beantwoord, maar ik zal die op een ander ogenblik herhalen.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Alexander Van Hoecke en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, vraagt de federale regering: - bij hoogdringendheid een actieplan te ontwikkelen tegen de aanhoudende terreurdreiging vanuit islamitische hoek in dit land; - het probleem van radicalisering in de gevangenissen aan te pakken; - werk te maken van aparte detentiefaciliteit voor terrorismeverdachten en -veroordeelden; - werk te maken van het incorporeren van data over de herkomst van daders in de criminaliteitscijfers. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, demande au gouvernement fédéral: - d'élaborer d'urgence un plan d'action pour lutter contre la menace terroriste persistante provenant du milieu islamiste dans ce pays; - de s'attaquer au problème que constitue la radicalisation en prison; - de s'atteler à la création d'une structure de détention séparée pour les personnes suspectées de terrorisme ou condamnées pour terrorisme; - de veiller à l'intégration des données relatives à l'origine des auteurs dans les statistiques en matière de criminalité. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Phaedra Van Keymolen. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Phaedra Van Keymolen . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
Minderjarige Oekraïense studenten
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 5 november 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt bevestigt geen spectaculaire stijging van leeflonen voor Oekraïense studenten (18-24 jaar) en ontkent systematisch misbruik, maar scherpt controles aan: OCMW’s krijgen toegang tot bankgegevens, sancties bij fraude worden verstrengd, en weigeringen voor wie al elders EU-bescherming geniet, stijgen sterk. Samyn waarschuwt voor georganiseerde "sociale import": buitenlandse organisaties promoten actief studies in België met leefloon als inkomen, wat lokaal onbegrip en druk op OCMW’s veroorzaakt—ze eist kordaate opvolging om het leefloon als laatste vangnet (niet als studiefinanciering) te behouden. Beide benadrukken de nood aan betere coördinatie tussen overheden om misbruik en oneigenlijk gebruik tegen te gaan.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, in Kortrijk is een evolutie vastgesteld die een aanzienlijke impact heeft op het OCMW, het hoger onderwijs en de lokale studentenkotenmarkt. Het gaat om een groeiend aantal minderjarige Oekraïense studenten die via een Oekraïense organisatie naar België komen om hier studies aan te vatten. Volgens signalen uit het lokale veld krijgen deze jongeren begeleiding bij het aanvragen van een leefloon op basis van hun statuut van subsidiaire bescherming. Verschillende van hen volgen de Engelstalige opleiding Digital Arts and Entertainment aan Howest en verblijven in nieuw gebouwde studentenkamers in de stad.
Aangezien de gemiddelde afstudeerleeftijd in Oekraïne rond 17 jaar ligt, komen sommige studenten als minderjarige toe in België. Ze hebben dus recht op onderwijs. Er zijn echter ook extra verplichtingen voor lokale instanties op vlak van opvang, begeleiding en financiële ondersteuning. Er zijn bovendien meldingen van buitenlandse promotiecampagnes waarin het leefloon als mogelijke inkomstenbron wordt vermeld. Dit roept vragen op over de correcte toepassing van de sociale regelgeving en de mogelijke druk die deze situatie legt op lokale sociale diensten.
Mevrouw de minister, bent u op de hoogte van deze situatie in Kortrijk? Ik vermoed ook dat dit niet enkel in Kortrijk speelt. Kunt u aangeven hoeveel Oekraïense studenten in onze steden en gemeenten momenteel studeren met een leefloon op basis van hun subsidiaire beschermingsstatus?
Naar verluidt bestaat er een Oekraïense website die jongeren actief aanmoedigt om in België te studeren en bovendien een leefloon van ongeveer 11.000 euro per jaar vermeldt als bestaansminimum. Bent u daarvan op de hoogte? Beschikt u over informatie of signalen dat ook andere organisaties jongeren of studenten begeleiden naar België met als doel studies te combineren met sociale bijstand?
Acht u het nodig om na te gaan of de huidige regelgeving rond het recht op maatschappelijke dienstverlening voldoende waarborgen bevat om misbruik te voorkomen?
Welke maatregelen overweegt u om lokale besturen te ondersteunen in het detecteren en voorkomen van mogelijk misbruik van het leefloon, zeker wanneer internationale organisaties betrokken zijn?
Bent u bereid, in overleg met uw bevoegde federale collega's, te onderzoeken of en hoe lokale OCMW's beter kunnen worden ondersteund in de opvolging van zulke dossiers, onder meer via informatie-uitwisseling en duidelijke richtlijnen? Hebt u weet van huidige gerechtelijke procedures?
Ziet u mogelijkheden om op federaal niveau – in overleg met de regio's – een coördinatiemechanisme op te zetten tussen POD Maatschappelijke Integratie, onderwijsinstellingen en gemeenten om tijdig zicht te krijgen op studenten die maatschappelijke steun ontvangen zodat beleid en controle beter op elkaar kunnen worden afgestemd?
Ik dank u alvast voor uw antwoord.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Samyn, het is enigszins vervelend dat ik met mijn rug naar u zit, maar dat terzijde. Ik kom nu tot mijn antwoorden op uw vragen.
Op uw eerste vraag kan ik antwoorden dat mijn administratie niet beschikt over gegevens van het aantal studerende personen met een statuut van tijdelijke bescherming wegens de oorlog in Oekraïne. Ik kan dan ook geen uitspraak doen over aantallen, noch in Kortrijk, noch in andere steden.
In ieder geval wordt geen spectaculaire stijging vastgesteld van het aantal personen met een equivalent leefloon in de betrokken leeftijdsgroepen. Gemiddeld waren er tijdens de voorbije twaalf maanden, zijnde de periode van juli 2024 tot juni 2025, 88 personen in de groep van min 18-jarigen waarvoor de federale overheid tussenkwam in de financiële steunverlening en 3.038 personen in de groep van 18 tot en met 24 jaar. Dat betekende respectievelijk een stijging met 1 en 13 personen per maand. Kijken wij echter enkel naar het eerste semester van 2025, dan is zelfs een daling waar te nemen van respectievelijk 5 en 21 personen.
Voor uw tweede vraag deel ik u mede dat er geen concrete aanwijzingen van systematische praktijken zijn. Wel volgen wij signalen op en behouden wij aandacht voor de correcte toepassing van de sociale regelgeving, zodat hulp terechtkomt bij wie ze echt nodig heeft.
Inzake uw derde vraag kan ik u meegeven dat wordt nagegaan op welke manier de sancties, zowel administratief als strafrechtelijk, bij vastgestelde fraude kunnen worden verstrengd en op welke manier de terugvordering door de OCMW’s van onterecht uitbetaalde leeflonen of equivalente leeflonen aan de leeflooncliënt kan worden vereenvoudigd. Wanneer een OCMW bijvoorbeeld vaststelt dat een leeflooncliënt inkomsten heeft verzwegen, kan de maatschappelijk werker een deel van het leefloon of equivalent leefloon, dat onterecht werd uitbetaald, terugvorderen van de leeflooncliënt en een sanctie opleggen, bestaande uit de schorsing van het leefloon of equivalent leefloon gedurende een bepaalde periode.
Voor uw vierde vraag merk ik op dat ik al eerder signalen kreeg van lokale besturen over georganiseerde studentenmigratie. Niettemin kan er moeilijk sprake zijn van een nieuw migratiekanaal, aangezien Oekraïners onder de tijdelijke bescherming vallen en dat statuut hen ook recht geeft op een leefloon indien nodig.
Ik ben het echter met u eens dat het van belang is om mensen en middelen, ook voor de opvang en begeleiding van Oekraïners, correct in te zetten. Ik heb daarom reeds beslist om de criteria voor de toekenning van het statuut aan te scherpen door personen te weigeren die al tijdelijke bescherming genieten in een andere Europese lidstaat. Het aantal weigeringsbeslissingen is daardoor heel fel toegenomen.
Die grond van weigering is mogelijk sinds de laatste verlenging van het statuut op Europees niveau. Sindsdien is het aantal personen dat een weigeringsbeslissing kreeg en op basis daarvan een leefloon had kunnen ontvangen, fors gestegen. Bovendien bekijk ik momenteel welke juridische mogelijkheden er zijn om een verzoek te weigeren in geval van oneigenlijk gebruik, wanneer het motief duidelijk niet voortvloeit uit ontheemding.
Dan wat uw vijfde vraag betreft. OCMW's krijgen de mogelijkheid om in het kader van een sociaal onderzoek gegevens bij het CAP van de Nationale Bank op te vragen. Zo krijgen zij zicht op het aantal rekeningen van de aanvrager bij verschillende financiële instellingen en op de concrete saldi op die rekeningen. Een wetsvoorstel in die zin is al ingediend en sluit aan bij wat het regeerakkoord vooropstelt. We bekijken welke wijzigingen nodig zijn om binnen- en buitenlandse eigendommen en roerende kapitalen te kunnen identificeren.
Wat uw laatste vraag betreft, alhoewel het statuut van tijdelijke bescherming beperkt is in de tijd, weten we niet hoe lang die personen nog in België kunnen en mogen verblijven. Er kan dan ook beter ingezet worden op het zo goed mogelijk integreren van die groep in onze maatschappij. Dat kan via tewerkstelling, maar evengoed via een studie of opleiding.
Ellen Samyn:
Dank u, mevrouw de minister, voor uw antwoord. De recente discussie in Kortrijk over leeflonen voor buitenlandse studenten maakt duidelijk dat er vragen bestaan over de toepassing van onze sociale bescherming bij mensen met een tijdelijk of buitenlands statuut. Ik zal uw antwoord zeker nog grondig nalezen. Tegelijk merk ik dat onze OCMW's vandaag geconfronteerd worden met steeds complexere dossiers, met onder andere meer minderjarigen die alleen aankomen, niet enkel uit Oekraïne, maar ook uit andere landen, studenten die via buitenlandse organisaties naar België komen. Dat brengt niet alleen administratieve druk met zich mee, maar veroorzaakt ook onbegrip bij onze eigen bevolking. Wij zien nu immers dat sommige buitenlandse organisaties via websites dat systeem actief promoten. ‘Kom studeren in België. De Belgische Staat betaalt je kot, je studies en je levensonderhoud’. Voor onze fractie is dat geen toevallige uitzondering meer, maar betreft het georganiseerde sociale import. Hoe legt men dat uit aan Vlaamse gezinnen die zelf moeten instaan voor studiegeld, huur en levensonderhoud van hun kinderen? Laat duidelijk zijn dat het leefloon bedoeld is als laatste vangnet en niet als een vanzelfsprekend inkomen voor wie hier tijdelijk verblijft. Indien studenten of organisaties dat systeem gebruiken om studietrajecten te financieren, ontstaat er een structureel probleem. Niet enkel in Kortrijk, maar in verschillende steden wordt het OCMW de facto medefinancier van buitenlandse studenten. Wij vragen dat dat dossier kordaat en duidelijk wordt opgevolgd. Mevrouw de minister, het is toch onze plicht om misbruik te vermijden, maar evenzeer om duidelijkheid en rechtvaardigheid te creëren zowel voor wie een beroep doet op onze sociale bescherming, als voor wie die meefinanciert.
De IMC Gelijke Kansen, Handicap en Racismebestrijding
De studie van de Koning Boudewijnstichting over racisme
De voortgang van het nationale actieplan tegen racisme
Het opstellen van het actieplan tegen geweld tegen lgbtqia+'en
Gelijke kansen, antidiscriminatie en inclusiebeleid
Gesteld door
PS
Caroline Désir
Ecolo
Rajae Maouane
Ecolo
Sarah Schlitz
Ecolo
Sarah Schlitz
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de integratie van drie beleidsthema’s (handicap, gelijkheid/kansen, racismebestrijding) in één overkoepelende CIM Égalité des chances, met kritiek op mogelijke verwatering van aandacht voor specifieke groepen. Minister Beenders belooft twee interfederale actieplannen (tegen racisme en voor LGBTQIA+-rechten) tegen 2026, gebaseerd op flexibele, gedeelde methodiek om eerdere blokkades te vermijden, maar concrete maatregelen voor systeemracisme tegen subsahariërs (zoals in het Rapport Fondation Roi Baudouin) ontbreken nog. Coördinatie en prioritering binnen de CIM blijven punt van zorg, vooral voor handicap en discriminatie op arbeid, huisvesting en gezondheid, terwijl de oppositie snelle, meetbare acties eist. De minister benadrukt samenwerking met maatschappelijke actoren, maar details over uitvoering en timing blijven vaag.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, à la suite de la volonté du premier ministre de rationnaliser le nombre de conférences interministérielles, le gouvernement a décidé le 21 mai dernier d'intégrer la CIM Handicap à une CIM plus large nommée CIM Égalité des chances, Handicap et Lutte contre le racisme.
Monsieur le ministre, un calendrier a-t-il déjà pu être fixé concernant les réunions de cette CIM élargie? Si oui, quel est-il? Comment seront gérés les présidences et le fonctionnement de cette CIM élargie? Quelles seront les thématiques abordées lors des prochaine réunions? Comment garantir, surtout, que chacune des thématiques qui font partie de cette CIM seront traitées avec l'importance et la rigueur requises? Je voudrais qu'elles ne soient pas noyées dans une sorte de grand fourre-tout.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, ma question portait spécifiquement sur le rapport de la fondation Roi Baudouin sur l'insertion des personnes d'origine subsaharienne en Belgique. Vous avez pris connaissance de ce rapport du 16 octobre dernier. Cette étude met en lumière les réalités très préoccupantes au sujet de l'insertion des personnes d'origine subsaharienne. Le bilan est plutôt sévère. Le nombre d'emplois a plus ou moins augmenté mais il reste encore beaucoup trop faible et surtout injuste. On voit que de nombreux diplômés sont contraints d'accepter des jobs bien en dessous de leurs qualifications parce que des discriminations à l'embauche sont toujours très présentes et visibles. Ces personnes hautement qualifiées sont exclues des postes à responsabilité, notamment dans l'administration et dans le secteur privé. Pourquoi? Parce qu'on continue à les regarder par le prisme de leurs origines et non par celui de leurs compétences. Derrière cette discrimination se trouve un racisme banalisé, minimisé par une société qui laisse ces comportements s'installer comme si de rien n'était. Cela a des conséquences directes sur le mental des individus, et sur leur sentiment d'appartenance également.
Ensuite demeure la question du logement. Dans l'étude, on voit qu'à peine 30 % des personnes subsahariennes sont propriétaires contre 70 % dans la population générale. On dit souvent que les Belges ont une brique dans le ventre, mais malheureusement seulement 30 % des personnes d'origine subsaharienne sont propriétaires. Et quand elles trouvent un logement, c'est souvent dans des conditions précaires qui affectent leur santé et l'éducation de leurs enfants.
En matière de santé, justement, la situation est loin d'être idéale Des inégalités d'accès sont également très présentes. Les mauvaises expériences avec les médecins sont fréquentes, qu'il s'agisse d'un manque d'écoute, de barrière de langue ou de démarches administratives complexes.
Face à ces constats, monsieur le ministre, j'ai questions. Avez-vous pris connaissance de ce rapport? Le gouvernement a-t-il pris acte de cette étude? Comment compte-t-il agir concrètement par rapport aux recommandations? Quelles mesures précises seront-elle prises pour garantir l'égalité d'accès à des emplois dignes à la hauteur des qualifications de ces citoyens et de ces citoyennes? Comment le gouvernement entend-il rendre les mécanismes de plainte plus accessibles et plus efficaces pour les victimes de racisme? Quelles campagnes de sensibilisation seront-elles mises en place pour déconstruire les stéréotypes, notamment dans les écoles et les médias? Des actions précises seront-elles entreprises pour garantir un accès au logement digne pour cette population? Enfin, comment le gouvernement compte-t-il s'attaquer aux inégalités de santé qui touchent spécifiquement les populations d'origine subsaharienne?
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, j'aurais préféré que les questions ne soient pas jointes, parce qu'elles traitent de sujets vraiment très différents. J'ignore si c'est votre cabinet qui a adressé cette demande, mais je pense que ces sujets n'ont absolument rien à voir les uns avec les autres et méritent d'être traités séparément. La CIM Égalité, l'étude sur le racisme de la Fondation Roi Baudouin, le NAPAR et le Plan d'action sur les droits LGBTQIA+ sont des sujets qui n'ont rien à voir les uns avec les autres. Voici donc pour ce qui est de la méthodologie.
Plus précisément en ce qui concerne ma question justement sur le Plan d'action national contre le racisme, monsieur le ministre, vous avez exprimé du volontarisme en début de législature quant à l'atterrissage de ce plan qui est attendu depuis 2001. Sous la précédente législature, mes équipes et moi-même nous sommes énormément impliquées dans ce plan, tout comme d'autres ministres. Malheureusement, on a pu constater les blocages stratégiques et les flibustes de la part de certains partis pour que ce plan n'aboutisse pas.
La question reste pourtant entière. Le racisme continue d'être extrêmement présent dans la société et on voit à quel point il évolue et s'immisce dans toutes les évolutions que nous connaissons, que ce soit en ligne, via l'intelligence artificielle ou à travers certains conflits à l'international qui viennent se répercuter sous différentes formes de racisme, ici même en Belgique. Il est donc urgent d'adopter ce plan NAPAR que la société civile réclame.
Monsieur le ministre, ma question est simple. Où en sont les discussions? Quelle méthodologie avez-vous finalement décidé d'adopter? Avez-vous déjà une idée de la date à laquelle vous pensez pouvoir atterrir dans ce dossier?
La présidente : Madame Schlitz, vous gardez la parole pour votre seconde question de cette série de questions jointes.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, j'aimerais faire le point après huit mois de gouvernement. Les plans constituent les visions que vous vous imposez avec votre gouvernement pour savoir dans quelle direction avancer. Comment coordonner toutes les énergies des uns et des autres, que ce soit à la Justice, à la Santé, à l'Intérieur, pour faire en sorte de mieux défendre l'intégrité physique et les droits des personnes LGBTQIA+ et, de répondre à certains enjeux émergents? Je pense aux guet-apens envers les personnes homosexuelles ou les discours transphobes qui sont de plus en plus fréquents dans notre société. Qu'en est-il? Où en sont les discussions? La société civile a-t-elle été impliquée? Le sera-t-elle? Qu'en pensez-vous pouvoir atterrir et selon quelle méthodologie?
Rob Beenders:
Cette question me paraît un peu bizarre, parce qu'elle donne l'impression que je ne travaille pas très vite pour aboutir à ce plan. Qui était responsable de ces matières lors de la législature précédente? C'est un peu bizarre, mais je vais répondre parce que je suis très motivé pour réaliser ce plan dans le courant de la législature.
Il est vrai qu'il m'a fallu un certain temps avant de pouvoir partager des éléments concrets car, ces derniers mois, nous avons beaucoup travaillé à la préparation de la première réunion de la nouvelle Conférence interministérielle (CIM) Égalité des chances, Handicap et Lutte contre le racisme, qui a eu lieu hier.
Cette réunion marque le lancement officiel d'une nouvelle structure, plus claire et plus efficace, qui permettra d'assurer une meilleure cohérence entre les différents niveaux de pouvoir dans les politiques d'égalité. Cette CIM se compose désormais de deux sous-groupes, l'un consacré à l'égalité des chances et à la lutte contre le racisme et l'autre au handicap. Cette organisation a été choisie pour garantir que chaque thématique reçoive l'attention nécessaire, tout en permettant une approche transversale et coordonnée.
Hier, la CIM a adopté son règlement d'ordre intérieur. Elle se réunira au moins une fois par an, tandis que les sous-groupes se réuniront aussi souvent que nécessaire pour faire avancer leurs travaux. J'en assure la présidence pour la première année, avant une rotation entre les entités.
Hier, les membres ont également présenté leurs priorités afin d'élaborer les agendas de travail des deux sous-groupes. Du côté fédéral, j'ai mis l'accent sur deux priorités pour l'égalité des chances et la lutte contre le racisme: l'élaboration d'un plan d'action interfédéral contre le racisme et d'un plan interfédéral LGBTQIA+. Ces deux plans s'appuieront sur une méthodologie commune construite à partir des leçons du passé.
L'expérience précédente a montré qu'imposer des mesures uniformes à toutes les entités ne fonctionne pas. Cette fois, nous faisons le contraire. Nous optons pour une approche partagée mais flexible, respectueuse des spécificités de chacun. Le cadre commun sera présenté à la CIM lors de la prochaine réunion de décembre, avec comme objectif son adoption au début de l'année 2026. Cela permettra de lancer les deux plans interfédéraux au cours de l'année 2026.
La réunion d'hier a été très positive grâce aux échanges avec les membres de la Conférence. J'ai vraiment confiance dans la suite. Je partage pleinement l'ambition exprimée par mes collègues lors de la réunion d'hier: cette fois-ci, ne répétons pas les erreurs du passé et ne nous limitons pas à rédiger de nouveaux plans, mais traduisons-les en actions concrètes qui amélioreront réellement la vie de toutes et tous.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, il ne me semble pas avoir eu une réponse à ma question concernant le handicap. Comment faire pour que toutes ces compétences différentes reprises dans cette CIM ne soient pas complètement diluées? On voit effectivement qu'il y a beaucoup de travail, ne fût-ce que dans l'élaboration de ce plan de lutte contre le racisme. Comment faire pour qu'une série de compétences n'apparaissent pas finalement comme des compétences périphériques dans cette CIM? Je n'ai pas eu beaucoup de réponses à ce sujet. Les questions qui étaient groupées s'éloignaient effectivement fortement les unes des autres, ce qui ne vous rend pas la tâche facile, monsieur le ministre.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour les réponses que vous avez apportées à ma question sur le NAPAR. Par contre, je n'ai eu aucune réponse à ma question qui portait spécifiquement sur le rapport de la Fondation Roi Baudouin sur les personnes d'origine subsaharienne qui subissent un racisme systémique et important. Vous ne m'avez même pas indiqué si vous aviez pris acte et connaissance de ce rapport.
J'entends bien que la confection du plan NAPAR et son avancement vont répondre en partie à mes interrogations. Mais n'ayant obtenu aucune réponse, je ne sais pas trop ce que je peux vous dire. Avez-vous peut-être envie de nous dire si vous avez pris connaissance de ce rapport, monsieur le ministre? Est-il arrivé sur votre table?
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je comprends de votre réponse qu'il n'y aura pas de plan pour une Belgique LGBT-friendly. Dois-je interpréter cela de ce que vous venez de répondre? C'était très peu clair pour moi. On est toujours un peu tiraillé entre réunir tous les acteurs pour avoir une stratégie commune, d'une part, et faire des sous-groupes parce qu'il y a des enjeux spécifiques à certains publics, d'autre part. Pourquoi ne pas essayer la méthodologie d'une grande CIM très large qui inclut handicap, égalité des chances et racisme? Néanmoins, il ne faut surtout pas perdre de vue la nécessité d'avoir des actions très concrètes pour les différents publics qui s'appuient sur l'expertise et les retours de terrain de la société civile. C'est ainsi qu'on arrive à avoir les actions les plus impactantes et les plus proches des besoins des publics concernés. Cela me paraît central. Au sujet du NAPAR, la méthode précédente n'a pas fonctionné, avec pas mal de mauvaise volonté de certains acteurs, qui avaient dans un premier temps validé la méthode, puis qui ne la soutenaient finalement plus. Bref, vous connaissez les dessous des cartes de ce dossier. Je ne demande qu'à vous voir aboutir de manière très sincère. J'ignore pourquoi vous avez cru le contraire. Vous pouvez compter sur mon soutien plein et entier à ce sujet.
De capaciteitsproblemen bij de Koninklijke Militaire School
Gesteld door
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 22 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De KMS kampt met een capaciteitstekort van 200 bedden, waarvoor tijdelijk 137 kamers in Evere (Jules Bordetlaan) worden gehuurd—zonder structureel vervoer, maar met fiets/OV/auto (15-30 minuten) als opties. Structurele oplossingen komen pas na 2027 via nieuwbouw/renovaties in Peutie, Neder-over-Heembeek en Evere, nog in planningsfase. De gehuurde ruimtes zijn volledig ingericht (sanitair, meubels, internet) en richten zich op cursisten, niet op KMS-leerlingen. Parkeren is gratis of huurbaar, maar transport blijft individuele verantwoordelijkheid.
Axel Weydts:
Mijnheer de minister, bij de KMS, waarover we vandaag nog twee wetsontwerpen in commissie hebben goedgekeurd, is er een capaciteitsprobleem. U hebt afgelopen zomer verklaard dat alle 1.000 beschikbare bedden bezet zijn en dat er dus momenteel minstens 200 bedden te kort zijn. Als we binnenkort extra rekruteren, vermoedelijk ook voor het officierenkader, zal die nood wellicht nog groter worden. Het zou ook kunnen dat daar al rekening mee is gehouden bij de bepaling van het tekort aan 200 bedden. Als tijdelijke oplossing zullen er slaapplaatsen worden gehuurd aan de overkant van het defensiehoofdkwartier in Evere. Op langere termijn zou worden gekeken naar een bijkomende nieuwbouw, in de omgeving van de KMS zelf veronderstel ik.
Dat roept een aantal vragen op. In afstand ligt Evere niet zo ver van de KMS, maar qua reistijd is dat minder evident, zeker tijdens de spitsuren. Hoe zal het dagelijkse transport verlopen van de gehuurde accommodatie naar de KMS? Kunt u ook al iets zeggen over de structurele nieuwbouwoplossing? Waar zou die precies kunnen worden gerealiseerd: in de nabijheid van de KMS of elders?
Theo Francken:
Mijnheer Weydts, het betreft een gebouw aan de Jules Bordetlaan 160 met 99 eenpersoonskamers en 38 tweepersoonskamers. Elke kamer beschikt over één of twee bedden, een bureau, een kleerkast en eigen sanitair: een douche, een wc en een wastafel. Het meubilair is inbegrepen in de prijs, alsook kleine bijkomende diensten zoals de schoonmaak van de gemeenschappelijke delen, en de kosten voor water, elektriciteit en internet. Er is tevens de mogelijkheid om op eigen kosten een parkeerplaats te huren.
Aangezien het hier geen leerlingen van de KMS betreft, maar personen die de eerste, tweede of derde cyclus volgen, wordt er geen structureel vervoer aangeboden. De dagelijkse verplaatsingen kunnen gebeuren met de fiets of step, ongeveer 15 minuten, met het openbaar vervoer, 30 minuten, of met de auto, ongeveer 15 minuten zonder verkeer, dus iets langer in de praktijk.
In Evere is het mogelijk gratis te parkeren of een parkeerplaats te huren.
Defensie plant verschillende nieuwbouw- en renovatieprojecten in de periode 2027-2035 in de regio Brussel, die de verwachte behoeften aan logement op termijn zullen kunnen opvangen. Die projecten zullen gradueel worden gerealiseerd en bevinden zich momenteel in de planningsfase. Het betreft onder andere Peutie, Neder-over-Heembeek en Evere.
Axel Weydts:
Ik dank u voor de informatie, mijnheer de minister.
De erkenning van de islam
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 21 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert de erkenning en subsidiëring van de islam als een ondemocratische, gewelddadige ideologie die met belastinggeld wordt gefinancierd, ondanks haar incompatibiliteit met vrijheid, gelijkheid en rechtsstaat, versterkt door recente terreurdreigingen en het Grondwettelijk Hof dat Vlaamse regels over buitenlandse financiering vernietigde. Minister Verlinden benadrukt dat federale erkenning (sinds 1974) en controles op subsidies blijven gelden, respecteert het Hof maar ziet geen reden voor intrekking, en wijst de verantwoordelijkheid voor Vlaamse aanpassingen naar het Gewest. Van Rooy noemt de 100 miljoen aan subsidies een "schandaal" en vergelijkt islamitische teksten met *Mein Kampf*, eisend dat de overheid stopt met het legitimeren van wat hij ziet als een bedreiging voor de vrije samenleving. De kern: ideologische tegenstelling over erkenning islam als godsdienst vs. politieke gevaar.
Sam Van Rooy:
Minister, het Grondwettelijk Hof heeft een deel van het Vlaams decreet vernietigd dat betrekking heeft op de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, omdat de regels rond buitenlandse financiering volgens het Hof een onevenredige inmenging vormen in de vrijheid van godsdienst.
De erkenning van de islam als eredienst leidt ertoe dat de islam aanspraak kan maken op subsidies, dus belastinggeld. Deze vernietiging door het Grondwettelijk Hof betekent dat de belastingbetaler ook betaalt voor moskeeën die onder controle staan van buitenlandse jihadistische of fundamentalistische regimes, organisaties, netwerken en bewegingen.
Dat staat nog los van andere privileges die de islam als erkende godsdienst geniet, met name godsdienstonderwijs in scholen, toegang tot publieke instellingen zoals gevangenissen, het leger en ziekenhuizen voor geestelijke bijstand, eveneens betaald door de overheid, en rechtspersoonlijkheid via besturen van de eredienst, waardoor men personeel kan aanwerven, eigendom verwerven en beheren en juridisch kan optreden.
Last but not least geeft de overheid, door de islam te erkennen, symbolisch legitimiteit, maatschappelijke status en zichtbaarheid aan de islam. Deze privileges zijn bedoeld voor religies en niet voor totalitaire politieke ideologieën zoals de islam, ook niet, minister, wanneer die sluw verpakt is als een religie.
De islam staat vijandig tegenover de democratie, de rechtsstaat, de vrije samenleving, de gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen en ook de godsdienstvrijheid. Dat stellen we vast in de islamitische wereld, waar geen enkel land te vinden is waar godsdienstvrijheid geldt.
Minister, ten eerste vraag ik uw reactie op die vernietiging van een deel van het Vlaamse decreet door het Grondwettelijk Hof.
Ten tweede vraag ik of u stappen wilt zetten om de erkenning van de islam in te trekken en zo neen, waarom niet.
Annelies Verlinden:
Collega, de financiering van de islam door de FOD Justitie bestaat uit de jaarlijkse subsidie aan het representatieve orgaan en de wedden van het personeel. Het gebruik van die financiering wordt opgevolgd en gecontroleerd conform het wettelijk kader, net zoals dat ook voor andere erediensten gebeurt en voor de vrijzinnigheid en het boeddhisme. Het Grondwettelijk Hof heeft inderdaad enkele artikelen uit een Vlaams decreet vernietigd.
Als federaal minister van Justitie respecteer ik evident de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. De Vlaamse overheid zal nu ongetwijfeld bekijken welk gevolg ze aan dat arrest wil geven. Het arrest heeft geen gevolgen voor de federale erkenning van de islam, die in 1974 bij wet erkend werd als eredienst.
Sam Van Rooy:
Minister, het zal u misschien ontgaan zijn, maar er is zonet een terreuraanslag verijdeld waarbij drie jonge moslims betrokken waren die zich beroepen op de islam, met recht moet ik er helaas aan toevoegen. Dat is dus het systeem dat in dit land niet alleen wordt erkend, maar ook wordt gesubsidieerd. Ik herhaal, er is geen enkel land ter wereld waar de islam heerst in het regime of bij de bevolking en waar tolerantie, vrijheid en democratie heersen. Dat is geen toeval. Hoe sterker de islam is in de samenleving, hoe sterker de samenleving is geïslamiseerd, hoe onvrijer, hoe slechter het is voor niet-moslims, vrouwen en homoseksuelen. Mochten de bronnen van de islam, de Koran en de Hadith, vandaag geschreven worden, dan zouden die, minister, direct verboden worden of minstens op eenzelfde manier behandeld worden als Mein Kampf . Dat België deze ideologie van onderdrukking, geweld en terreur rijkelijk subsidieert, en dat de belastingbetaler in dit land al minstens 100 miljoen euro moest dokken voor die islamisering en dus uiteindelijk zijn eigen ondergang, vind ik werkelijk onbegrijpelijk. Het is een van de grootste naoorlogse schandalen in dit land.
De islamitische terreurdreiging tegen de eerste minister en politici in dit land
De verijdelde terroristische aanslag op onze premier
De verijdelde terreuraanslag tegen politici
De terreurdreiging
Het kader van de FGP Antwerpen in het licht van de recente veiligheidsontwikkelingen
De verijdelde jihadistische droneaanslag op De Wever en andere politici
De plannen voor een jihadistische aanslag op onze eerste minister
Jihadistische terreurdreigingen en verijdelde aanslagen op politici in België
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 15 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de verijdelde jihadistisch geïnspireerde aanslag op Belgische politici (o.a. premier De Wever en Geert Wilders) door drie geradicaliseerde jongeren in Antwerpen, waarbij wapens en drones werden aangetroffen. Kernpunten: de structurele islamitische terreurdreiging in België (met 90% van de OCAD-lijst gerelateerd aan jihadistisch salafisme), kritiek op het migratie- en veiligheidsbeleid dat radicalisering in de hand zou werken, en oproepen tot strengere maatregelen zoals uitzetting van radicalen, sluiting van extremistische moskeeën en versterking van veiligheidsdiensten (o.a. FGP Antwerpen). De minister benadrukt verbeterde samenwerking tussen diensten (OCAD, politie, inlichtingen) en extra focus op dronedreiging en radicalisering bij jongeren, maar wijst op beperkte middelen en de noodzaak van sociopreventie via lokale veiligheidscellen (LIVC’s). Polarisatie blijft: rechts eist hard optreden tegen "islamisering", anderen waarschuwen voor generalisatie en pleiten voor gerichte aanpak van extremisme zonder alle moslims te stigmatiseren.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, in Antwerpen werden drie jongeren opgepakt wegens een jihadistisch geïnspireerd plan om politici, onder meer de premier en de Nederlandse PVV-leider Geert Wilders, aan te vallen. Bij huiszoekingen vond men wapens die al klaarlagen.
Mijnheer de minister, dit is geen alleenstaand feit, dit is een trend, een trend van islamitische terreur in dit land. Ook de daderprofielen komen opnieuw niet uit het niets. Wederom gaat het om criminele vreemdelingen die hier nooit hadden mogen zijn.
Ik wil in de eerste plaats, en ik denk dat dit gedeeld wordt over de partijgrenzen heen, onze politie en onze inlichtingendiensten danken voor hun inzet. Maar in een gezond functionerend land, met een gezond functionerende regering, hadden zij dit nooit moeten doen. Deze regering-De Wever en alle systeempartijen die voordien aan de macht waren, dragen een verpletterende verantwoordelijkheid voor de terreur die men vorige week - gelukkig - kon verijdelen en voor de terreur die de afgelopen jaren in onze samenleving heeft plaatsgevonden.
Politici die deze dreiging proberen los te koppelen van de massale immigratie naar ons land, zijn ziende blind of liegen de mensen gewoon voor. Vergeet niet dat dit land, in verhouding, het hoogste aantal Syriëstrijders kende die zich aansloten bij Islamitische Staat. Dat soort vijandige vreemdelingen is niet verdwenen, integendeel.
Laat me citeren uit de nieuwsberichten van 2023. "De helft van de IS-vrouwen die België terughaalde, is intussen weer vrij. Zij lopen nu vrij rond in de samenleving die zij wilden vernietigen." Ik citeerde volksvertegenwoordiger Koen Metsu van de N-VA. 2023, mevrouw De Vreese. Ik vind dat niet zo lang geleden. Heeft deze regering-De Wever daar eigenlijk al iets aan veranderd? Meent u dat die kinderen gezond opgroeien als vaderlandslievende inwoners van dit land?
Mijnheer Van Tigchelt, u herinnert zich wel de tweede groep IS-strijders die in 2022 gerepatrieerd werd naar ons land. In 2016 waren 7 op de 10 Belgische Syriëstrijders tieners of twintigers. In 2018 kende dit land 604 foreign terrorist fighters volgens het OCAD, de dienst die wij in januari met deze commissie zullen bezoeken. Er stierven er veel, maar in 2024 waren er nog steeds 331. Dit land is en blijft een broeihaard voor terreur.
Terroristen veroordelen daarentegen: 31! Maar waar zitten die? Met wie hebben ze contact? Met wie zijn ze nog verder aan het radicaliseren? Dat zijn toch vragen die we ons mogen en moeten stellen? Het radicaliseren gaat immers maar door. Het aantal haatpropagandisten bereikt bijna een recordhoogte: 98 gevallen in 2024, nog altijd volgens het OCAD en dat zijn enkel die welke duidelijk in kaart gebracht kunnen worden.
Ga door de sociale media. Daar bulkt het van jihadistische propaganda en van Vlamingenhaat bij vijandige allochtonen. Hoeveel losgeslagen terreurprojectielen uit islamitische hoek dwalen in onze rand rond?
Is de zaak-Abdessalem Lassoued al vergeten? Hoe vluchtig kan nieuws zijn? Het betrof een Tunesische illegaal die geen recht had op asiel en het bevel had gekregen het grondgebied te verlaten, maar hier gewoon kon verblijven. Hij stond niet eens op de OCAD-lijst, maar vermoordde twee Zweedse voetbalsupporters in onze hoofdstad. Na die gruwelijke terreurdaad vroeg de MR, net zoals het Vlaams Belang al jaren doet, om de oplijsting en uitzetting van geradicaliseerde personen zonder papieren.
Collega’s van de MR ook hier moet men de vraag durven stellen. Is dat al gebeurd onder de huidige regering-De Wever? Ik citeer mijn fractievoorzitster, die destijds stelde wat vandaag, al die jaren later, nog steeds relevant is. Zij vroeg zich af hoeveel slachtoffers er nog moesten vallen vooraleer wij daarvan eindelijk werk zouden maken.
Collega’s, ik heb het daarstraks ook aangegeven bij de regeling van de werkzaamheden. Ik hoop echt dat wij niet hoeven te wachten tot er opnieuw slachtoffers vallen vooraleer wij eindelijk daden stellen. Er ligt een bom onder de samenleving. Die bom is daaronder gelegd door een lakse veiligheidspolitiek en door een opengrenzenbeleid van opeenvolgende Belgische regeringen. Het politieke bestuurs- en beleidsniveau legt al jarenlang de verkeerde prioriteiten.
Ik benadruk dat onze veiligheidsdiensten, onze politie- en inlichtingendiensten machteloos staan wanneer de eigen regering hen tegenwerkt door de opengrenzenpolitiek en een nefaste veiligheidspolitiek, waarbij de focus niet op de juiste wijze wordt gelegd. Het beleid zelf vormt een gevaar voor onze mensen. Die focus moet dringend veranderen, liever vandaag dan morgen. De focus moet liggen op islamitische netwerken, op islamitische rekrutering en financiering en op safe havens zoals blijkbaar Molenbeek. Online infrastructuren zorgen er ook voor dat islamitische jongeren massaal radicaliseren tegen onze samenleving. Erken het probleem, benoem het probleem en benoem bovendien de daders. Durf een paard een paard te noemen. Dat is geen taboe, dat is geen discriminatie of profiling , dat is risicogestuurd werken.
Vanuit het Vlaams Belang pleiten we al jaren voor die verschuiving en voor concrete antiterreurmaatregelen. Zet de inlichtingen- en veiligheidsdiensten volop in tegen de islamitische dreiging. Herprioriteer onze veiligheidsmensen en onze veiligheidsmiddelen, want over één zaak zijn we het allemaal eens, mijnheer de minister: veiligheid moet de kerntaak blijven van onze Staat.
Ik heb dan ook een aantal zeer concrete vragen voor u, mijnheer de minister. U weet dat de Vlaams Belangfractie verschillende interpellaties heeft ingediend, niet enkel bij u, maar ook bij de minister van Justitie, de minister van Asiel en Migratie en de eerste minister, niet omdat we dat leuk vinden, maar omdat het een noodzaak is. Alle ministers die bevoegd zijn voor onze veiligheid moeten kunnen samenwerken en samen die focus kunnen leggen.
Ik weet dat u misschien niet op alle aspecten van dit dossier zult kunnen antwoorden. Daarom had het Vlaams Belang gevraagd om een gezamenlijke hoorzitting te organiseren met alle betrokken ministers. Die vraag is spijtig genoeg in deze commissie weggestemd door de meerderheid. Ik blijf echter bij mijn vragen die specifiek aan u gericht zijn.
Ten eerste, welke concrete OCAD-dreigingsinschatting geldt vandaag specifiek voor politieke mandatarissen en hun woonomgeving? Welke extra beschermingslagen zijn per direct geactiveerd na de dronezaak?
Ten tweede, welke maatregelen neemt u deze maand tegen dat dronemisbruik? Zijn geofencingzones rond residenties een optie? Is een gerichte antidronecapaciteit bij de federale en lokale politie een optie? Graag hierover uw mening, en vooral ook, welke timing en budgetten staan hier tegenover?
Ten derde, hoe versterkt u de communicatieketen – dan bedoel ik het OCAD, de Veiligheid van de Staat, de politie, de parketten enzovoort – voor de vroege detectie van jihadistische activiteiten?
Ten vierde, hoeveel gekende radicale profielen bevinden zich buiten beeld van toezicht of opvolging wegens capaciteitsgebrek? Welke FTE-opbouw voorziet u binnen het komende jaar voor de lokale informatiekruispunten?
Wanneer komt er eindelijk een resultaatsverbintenis inzake uitzetting en denaturalisatie bij terrorisme?
Ten slotte, wordt het paraatheidsniveau bij onze diensten aangescherpt? Zo niet, waarom niet? Ik dank u alvast voor uw antwoorden.
Franky Demon:
Minister, de terroristische dreiging blijft actueel. Dat is recent nog maar eens gebleken met de verijdelde terroristische aanslag gericht tegen politici, waaronder onze eerste minister en de burgemeester van Antwerpen. Dat is niet minder dan een frontale aanval op het hart van onze democratische en politieke instellingen.
Volgens de federale procureur werden drie jongvolwassenen in Antwerpen opgepakt in het kader van een onderzoek naar poging tot terroristische moord en deelname aan de activiteiten van een terroristische groep. Bij de huiszoekingen werden onder meer een zelfgemaakt explosief, stalen balletjes, een 3D-printer en een drone aangetroffen. Alles wijst erop dat men bezig was met de voorbereiding van een jihadistisch geïnspireerde aanslag. Men kan nu wel zeggen dat het om suiker ging, maar ik herhaal toch nog even dat een 3D-printer, een zelfgemaakt explosief, stalen balletjes en drones werden aangetroffen.
Dat zoiets kon plaatsvinden op nauwelijks enkele honderden meter van de woning van de premier, is ronduit verontrustend. Het toont aan dat terrorisme geen verre bedreiging uit het verleden is, maar een reële binnenlandse realiteit blijft. Radicalisering, ook onder jongeren, kan nog altijd veel te gemakkelijk gedijen in onze samenleving. Onze veiligheidsdiensten hebben duidelijk voortreffelijk werk geleverd en daarvoor kunnen we enkel onze waardering uitspreken. Tegelijkertijd moeten we lessen trekken. Elke poging tot aanslag op een verkozen mandataris is een aanslag op de fundamenten van onze democratie.
Over welke middelen beschikken onze veiligheidsdiensten vandaag om bedreigingen tegen politici te monitoren en in te schatten? Is er nood aan een meer structureel beveiligingskader bij een verhoogd dreigingsniveau? Welke bijkomende maatregelen worden genomen in het licht van de gebeurtenissen om de bescherming van politici of belangrijke figuren in onze samenleving te versterken? Hoe garandeert u dat informatie over radicaliseringstrajecten of extremistische signalen bij jongeren, ook online, sneller en efficiënter wordt gedeeld tussen de politie, het OCAD, lokale besturen en onderwijsinstanties?
Ziet u mogelijkheden om de werking van de LTF’s en de LIVC’s verder te verbeteren en te versterken? Wat is de stand van zaken met betrekking tot het interfederaal samenwerkingsakkoord over de LIVC’s? Welke stappen worden gezet om radicalisering bij jongeren beter te detecteren en te voorkomen?
Voorzitter:
De heer Vander Elst is verontschuldigd.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, vooreerst druk ik er mijn appreciatie over uit dat u zich op korte termijn voor dit belangrijke actualiteitsdebat vrij hebt gemaakt.
Ik denk dat iedereen geschokt is door het akelige nieuws, maar zeker ben ik daar niet van. Het is namelijk opvallend dat er vandaag alleen uit één hoek van het politieke spectrum vragen komen over de verijdelde aanslag op de eerste minister en over het groeiende aantal interventies van onze politiediensten in terreurdossiers. Aan de linkerkant van het politieke spectrum blijft het oorverdovend stil. Na een door de veiligheidsdiensten verijdelde aanslag op de eerste minister, een aanval op de fundamenten van onze democratie, zwijgt de helft van het Parlement en dat vind ik akelig. Overigens neem ik de gelegenheid te baat om de veiligheidsdiensten voor hun optreden te bedanken.
Mondjesmaat verschijnt er meer informatie via de pers. Volgens de advocaat van de terreurverdachte zou het om een blikje cola gaan. Ik gok echter dat het veeleer gaat om wat het parket heeft meegedeeld: er werden dicht bij de woning van de eerste minister zelfgemaakte drones, metalen balletjes en explosief materiaal gevonden, evenals een 3D-printer. Die 3D-printers zijn fantastisch voor mensen met goede bedoelingen, maar jammer genoeg ook voor mensen met slechte bedoelingen.
Ook over het profiel van de verdachten komt intussen heel wat informatie naar buiten. Het gaat om drie jonge mensen, van wie twee met Marokkaanse roots en één met Tsjetsjeense. Ze zijn alle drie in België geboren. Een van hen werd inmiddels vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Van de twee anderen weten we dat ze een veiligheidsopleiding volgden.
Volgens het parket is het duidelijk dat de geplande aanslag, waarnaar al enkele maanden onderzoek werd gedaan, ingegeven werd door islamitische, jihadistische motieven. Bovendien werden er nog volgens het parket voor dit jaar al 80 nieuwe terreuronderzoeken geopend. Dat is al meer dan vorig jaar, terwijl 2025 nog niet voorbij is.
Mijnheer de minister, collega's, ik ben van mening dat de strijd tegen terreur en de strijd voor de vrijwaring van onze democratie en het waarborgen van de veiligheid van onze burgers een absolute prioriteit moeten zijn voor het beleid van de federale regering en voor de werkzaamheden van het Parlement.
In welke mate was u op de hoogte van de concrete dreiging? Was er ook sprake van een dreiging ten aanzien van uw persoon?
Welke stappen zult u ondernemen om het voortdurende gevaar vanuit jihadistische hoek in te dijken?
Acht u het nodig om het dreigingsniveau, dat ook eerder vandaag al ter sprake kwam, te verhogen, of is dat op dit moment nog correct ingeschat?
Hebt u kennis van andere grote lopende onderzoeken? Plant u bijkomende acties naar aanleiding van het verontrustende nieuws dat ons bereikt heeft?
Welke internationale veiligheidsdiensten waren bij het onderzoek betrokken? In de pers zijn daarover al enkele uitspraken gedaan.
Worden sociale media en onlineplatforms voldoende gemonitord op het vlak van rekrutering door jihadistische kringen, die zich vaak ook op minderjarigen richten? Op Twitter kaart Peter Velle regelmatig dergelijke zaken aan. Ik hoop dat hij niet de enige is die zich daarmee bezighoudt.
Maaike De Vreese:
Mijnheer de minister, mijn collega Bergers had het zopas al voldoende over de verijdelde aanslag en het terreurgeweld. Ik heb een bijkomende vraag, met name over de versterking van de FGP van Antwerpen. Niet alleen moet die dienst enorme inspanningen leveren in de strijd tegen terrorisme en gewelddadige radicalisering, maar bovendien speelt in Antwerpen ook de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit en in het bijzonder de drugscriminaliteit. Met de Haven van Antwerpen-Brugge is dat een bijzonder moeilijke opdracht.
Het federaal parket meldde dat er dit jaar 80 nieuwe terreuronderzoeken werden geopend. Dat is meer dan in heel 2024. Daarbij zijn de dossiers van de minderjarigen nog niet eens meegerekend. Federaal procureur Ann Fransen benadrukte dat het van belang blijft om steeds voldoende capaciteit bij politie en justitie beschikbaar te houden om de veiligheid van de samenleving te waarborgen.
De terreurdreiging in Antwerpen blijft acuut, terwijl ook de drugscriminaliteit een enorme druk op de FGP legt. In het regeerakkoord staat dat de FGP Antwerpen prioritair meer middelen moet krijgen en dat het kader minstens op het niveau van de FGP Brussel moet worden gebracht. Op 31 januari 2025 telde de FGP Antwerpen 496 medewerkers, tegenover 671 in Brussel. Dat is een verschil van 175. Tegen eind 2026 wordt Antwerpen uitgebreid met 59 medewerkers tot 555, maar Brussel met 91 tot 762. Het verschil groeit dus met 207 medewerkers.
Mijnheer de minister, hoe rijmt u de toenemende discrepantie met de beloften in het regeerakkoord? Gezien de actuele veiligheidsdreiging, bent u bereid om de uitbreiding van de FGP Antwerpen te versnellen of te vergroten? Wanneer zal die uitbreiding plaatsvinden? Hoeveel bijkomende middelen zult u hiervoor uittrekken? Wanneer zal de FGP Antwerpen op de volledige capaciteit zitten?
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, ik wil eerst en vooral onze veiligheids- en politiediensten gelukwensen met het verijdelen van een zoveelste poging tot jihadistische aanslag in dit land. De politieke doelwitten en hun geliefden wens ik veel sterkte toe, want zoiets komt toch wel binnen. Dat valt niet te onderschatten.
Zelf woon ik al 40 jaar in die wijk. Net zoals een van de doelwitten, premier De Wever, woon ik op slechts enkele honderden meters van de Sint-Rochusstraat, waar die drie jonge moslims die aanslag aan het voorbereiden waren. Ik ben geboren en getogen in die wijk en heb school gelopen in diezelfde Sint-Rochusstraat. Ik heb al herhaaldelijk gewaarschuwd voor de islamisering die daar al zo lang bezig is. Dat werd en wordt ook vandaag nog telkens weggelachen of genegeerd.
Ik moest er daarnet opnieuw aan denken, toen er zich hier een klein debat ontspon tijdens de regeling van werkzaamheden over het al dan niet organiseren van een gezamenlijke commissie of een bezoek aan het OCAD, waarbij er werd gezegd dat het niet alleen moslims zijn, maar dat het ook uit andere hoeken komt. De cijfers zijn wat ze zijn, namelijk dat 9 op de 10 personen op de terreurlijst moslim zijn. Dat is een gigantische oververtegenwoordiging. Men kan natuurlijk altijd uitzonderingen vinden die de regel bevestigen, maar het zijn zo goed als nooit joden, boeddhisten, katholieken, jaïnisten, hindoes of shintoïsten. Neen, uit de cijfers blijkt dat het bijna altijd moslims zijn. We kunnen hier wel debatteren in deze commissie voor Binnenlandse Zaken en Veiligheid, maar ik wil benadrukken dat er elke dag, ook vandaag, op dit moment, tijdens dit debat, moslimterroristen of potentiële moslimterroristen dit land binnenkomen, uit Afrika en het Midden-Oosten. Sterker nog, ze worden willens en wetens binnengehaald, denk aan recent Nizar Trabelsi, denk aan Abdelkader Belliraj. Dit land blijft een speeltuin voor moslimfundamentalisten en potentiële jihadisten.
Indien u mij niet gelooft, kijk dan gewoon naar de cijfers. Kijk naar de onderzoeken in de landen van herkomst, in Afghanistan, Syrië, Eritrea en de Palestijnse gebieden, over de opvattingen van de moslims die daar wonen. Daaruit blijkt dat 80 à 90 % van de moslims daar de democratie verwerpt, voorstander is van de sharia, de gelijkwaardigheid van man en vrouw niet aanvaardt, afkeer en minachting koestert voor niet-moslims enzovoort. Dat soort mensen wordt nog steeds, elke dag, dit land binnengehaald.
Mijnheer de minister, dit gezegd zijnde heb ik enkele vragen over deze zaak. Mijn eerste vraag aan u is - ik vond dat interessant - welke buitenlandse inlichtingendienst of inlichtingendiensten hebben u, hebben ons, getipt over deze jihadistische droneaanslag?
Hoe wapent de regering zich tegen het gebruik van zulke drones en van 3D-printing? Hun ideeën mogen dan wel achterlijk, barbaars en zevende-eeuws islamitisch zijn, ze gaan blijkbaar wel mee met hun tijd wat technologie betreft.
Hoe komt het volgens u dat er dit jaar al meer terreuronderzoeken zijn geopend dan vorig jaar, namelijk een tachtigtal?
Hoeveel terrorismedossiers van vorig jaar en dit jaar hebben betrekking op minderjarigen, aangezien die apart worden geregistreerd?
Om terug te komen op wat ik daarnet zei, terreurexpert Pieter Van Ostaeyen waarschuwt, net als ik daarnet, dat jihadisten van Islamitische Staat vanuit de Sahel massaal onze kant opkomen. Graag kreeg ik uw reactie daarop, mijnheer de minister.
Last but not least, de achtergrond van de jonge daders is Marokkaans of Tsjetsjeens. Ze studeren hier of ze lopen hier school. Ze komen dus niets tekort. Het riedeltje dat het komt door achterstelling, armoede, discriminatie enzovoort, mag wel eens begraven worden. Ze komen niets tekort. Hun etnische achtergrond is compleet verschillend, maar ze hebben natuurlijk een factor die hen bindt, namelijk de islam.
Mijnheer de minister, erkent u tot slot dat het de islamitische doctrine is die aanzet tot het vermoorden van ongelovigen, van ons, van de kafirs, van de niet-moslims?
Ik raad u in dat verband aan Sam Harris te lezen, een zeer schrandere, bekende atheïst. Die stelt en toont ook aan dat het probleem met het islamitisch fundamentalisme de fundamenten van de islam zijn. Minister, graag uw reactie daarop. Wilt u dat nu eindelijk erkennen, na zovele decennia van islamitische terreur?
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, comme vous l'entendez, je suis un petit peu accablée, mais je tenais malgré tout à être présente aujourd'hui. Je vous remercie de votre présence parce que l'heure était grave. Ce qu’il s'est passé, ce projet d'attentat contre notre premier ministre, chef de notre gouvernement, est quelque chose de gravissime, d'intolérable et d'inacceptable. Cela démontre encore à souhait la nécessité de poursuivre la lutte contre toutes formes de terrorisme et contre le djihadisme. C'est une évidence.
Ici, je tiens surtout à souligner – et c’est crucial pour moi – que cet attentat a été déjoué. Il l'a été grâce à la vigilance et à la détermination de nos services de sécurité et de renseignement, qui ont été d'une grande efficacité. Leur engagement, leur professionnalisme et leur vigilance méritent notre plus grande reconnaissance et notre respect. C’est surtout sur ce point que je souhaite insister.
Monsieur le ministre, je vous ai adressé mes questions par écrit. Le fait que je sois un peu souffrante me dispensera de vous les poser oralement, si vous l’acceptez. Je vous remercie d’ores et déjà pour les réponses que vous voudrez bien apporter.
Quelles mesures supplémentaires le gouvernement prend-il pour garantir la sécurité du premier ministre et des autres responsables politiques suite à cet attentat déjoué? Envisagez-vous un cadre de sécurité structurel et permanent pour les dirigeants politiques face à l'augmentation des menaces?
Comment la coopération et le partage d'informations entre l'OCAM, la Sûreté de l'État et les polices fédérale et locale seront-ils renforcés afin de détecter et de prévenir plus rapidement la radicalisation?
En juin 2025, l'OCAM a alerté sur une radicalisation accélérée chez les mineurs. Existe-t-il un lien entre ce constat et l'attentat déjoué? Quelles autres mesures supplémentaires sont prises pour mieux détecter et prévenir la radicalisation chez les jeunes?
Voorzitter:
Plusieurs collègues souhaitent également intervenir dans ce débat d’actualité. Il s’agit de MM. Thiébaut, Meuleman et Van Tigchelt.
Éric Thiébaut:
J'étais un peu choqué tout à l'heure. J'en suis désolé, mais dire que tous les groupes politiques n’ont pas réagi à la tentative d’attentat contre le premier ministre n’est pas correct. Il y a eu, notamment, une prise de position de mon président, à travers un communiqué de presse, qui exprimait son indignation et son soutien au premier ministre face au danger qu’il a encouru. Je tenais à le rappeler en premier lieu.
Par rapport à la situation, nous avons eu des échos du rapport de l'Organe de coordination pour l’analyse de la menace (OCAM); cela a été évoqué précédemment dans cette commission. Selon ce rapport, 85 % de la menace terroriste sont liés à l’islam radical, et tout de même 10 % à l’extrême droite. Ces 10 % ne représentent évidemment pas la plus grande partie, mais ils existent. Ce risque est donc bien présent et mérite aussi d'être considéré.
Sam Van Rooy:
(…)
Éric Thiébaut:
Pourtant, il est indiqué que 10 % des menaces sont imputées à l’extrême droite. Tout à l'heure j'entendais que l'extrême gauche était une grosse menace terroriste. Selon l’OCAM, c’est bien l’extrême droite qui est responsable de 10 % des menaces identifiées. Cela a été publié dans la presse il y a quelques jours. Vous pouvez toujours le contester, mais nous recevrons de toute façon les chiffres officiels de l'OCAM, si vous les voulez. Ce n'est pas compliqué.
Quoi qu’il en soit, la menace terroriste est toujours bien présente dans ce pays. Elle mérite encore qu'on mette les moyens pour la contrer. En matière de moyens, en 2014, 120 inspecteurs étaient dédiés à la lutte contre le terrorisme. En 2025, ils ne sont plus que 40. Leur nombre a donc été divisé par trois. Ce sont des chiffres éloquents.
On parlait des moyens qu'il faut amener à la PJF d’Anvers. Je l’entends, mais il faut amener des moyens dans les PJF de tout le pays. À Charleroi aussi, il y a des soucis de personnel. Cela m'a été rapporté. On en revient toujours à la question des moyens, monsieur le ministre de l'Intérieur. Je vois que vous êtes d'accord avec moi.
J'espère que vous parviendrez à convaincre vos partenaires de l'Arizona de donner les moyens nécessaires pour assurer la sécurité dans notre pays. Dire à tout bout de champ que la sécurité est une priorité de ce gouvernement, sans y mettre un balle, cela commence à ne plus être très crédible en termes de discours.
Je me joins aux félicitations adressées aux services qui ont déjoué cet attentat. Ce qui est marquant, c’est le fait que cet attentat a été déjoué. Et ce n'est pas le premier attentat à avoir été déjoué par nos services spécialisés. Je pense qu'il faut reconnaître notre expertise et s'en féliciter.
En tant que bourgmestre et président d'une zone de police, on a mis en place, depuis quelques années, les Cellules de sécurité intégrales locales (CSIL). Ces commissions sont destinées à mettre tous les acteurs de terrain en connexion pour identifier et éventuellement neutraliser les risques d'extrémisme sur le territoire.
Monsieur le ministre, avez-vous pu dresser un bilan de l'efficacité de l'action de ces CSIL? Comptez-vous encore soutenir ces CSIL partout où elles sont installées dans les communes du royaume?
Brent Meuleman:
Mijnheer de minister, ook namens mijn fractie dank ik u om hier vandaag al aanwezig te zijn.
We hebben het over een thema dat de aandacht van ons allemaal verdient, zonder een interne discussie te voeren over wie absoluut een monopolie heeft op welk soort geweld. Ik hoop dat wij allemaal samen eendrachtig de tendensen kunnen veroordelen die we vandaag in onze samenleving zien. Daarover moeten onze vragen vandaag gaan.
Mijnheer de minister, we staan vandaag oog in oog met een verontrustende evolutie in de dreiging van binnenlands terrorisme. Een terreurcel heeft recent een aanslag willen plegen met een drone die was uitgerust met explosieven. Gelukkig kon de aanslag worden verijdeld. Dat toont aan dat de dreiging van terrorisme niet alleen aanhoudt, maar ook verandert. Drones zijn goedkoop, zijn gemakkelijk verkrijgbaar en moeilijk te detecteren, wat ze tot een bijzonder gevaarlijk wapen maakt. Het is verontrustend dat enkele verdachten bovendien, naar verluidt, een veiligheidsgerelateerde opleiding hebben gevolgd.
Mijnheer de minister, hoe goed zijn onze Belgische veiligheidsdiensten, de militaire inlichtingendiensten en de lokale politiezones uitgerust en opgeleid om effectief om te gaan met de nieuwe dreiging van commerciële drones die worden omgebouwd tot wapens?
Welke precieze onlinekanalen en -groepen hebben de betrokken individuen mogelijks beïnvloed? Welke rol speelden internetfora en sociale media bij het verwerven van bepaalde technische kennis?
Is de persoonlijke beveiliging, waarover het daarstraks ook al ging, van Belgische politici met een verhoogd dreigingsniveau toereikend? Moet die beveiliging volgens u worden gecentraliseerd of uitgebreid in het licht van wat recent is gebeurd?
Het incident, dat gericht was tegen politici, onderstreept de kwetsbaarheid van onze democratie en de impact van polarisatie. Het is van cruciaal belang dat we die vragen beantwoorden om de veiligheid van onze samenleving en onze democratie te waarborgen. Laten we dus niet wachten tot het te laat is. Ik dank u alvast voor uw antwoorden.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, dat onze diensten vastberaden en verbeten zijn in de aanpak van extremisme en terrorisme, lijdt geen twijfel. Dat onze diensten robuuster zijn geworden sinds de verschrikkelijke terrocrisis van 2015-2016, lijdt evenmin twijfel. Toch moeten we er altijd bij zeggen dat een nulrisico niet bestaat, hoe performant uw diensten ook mogen zijn. Wars van alle felicitaties vandaag, het nulrisico kan niemand garanderen, helaas.
Mijnheer de minister, mijn eerste vraag is of u een correct relaas van de feiten kunt geven. In de pers zijn immers een aantal zaken gecommuniceerd, maar ik stel vast dat die communicatie niet is voorafgegaan en evenmin werd gevolgd door een officiële mededeling van onze veiligheidsdiensten. Er is dus nood aan een objectief relaas. Uiteraard weten we allemaal dat u niet alles kunt zeggen, aangezien er een onderzoek loopt en het geheim daarvan moet worden gerespecteerd, maar kunt u ons, met respect voor die limieten, een zo correct mogelijk relaas van de feiten geven?
Een tweede element is de beruchte OCAD-lijst, de GGB of Gemeenschappelijke Gegevensbank, la Banque de données commune in het Frans. Eind deze zomer stonden daarop 562 entiteiten, 50 van hen met een rechts-extremistisch profiel, een 15-tal met een links-extremistisch profiel, een 8-tal met een anti-establishmentprofiel – dat is een nieuwe categorie van mensen die anti-overheid zijn – en 2 minderjarigen die het nihilistisch extremisme van de organisatie 764 aanhingen. De overige, meer dan 480 entiteiten, hingen het jihadi-salafisme of islamistisch extremisme aan – niet het islamitisch, maar het islamistisch extremisme. Dat zijn de feiten. Het grootste gevaar in dit land gaat dus inderdaad uit van het islamistisch extremisme. Het gaat om islamisten die foreign terrorist fighters zijn, homegrown terrorist fighters of potentieel gewelddadige extremisten. Dat zijn de naakte feiten en daar kunnen we niet naast kijken.
De vraag is wat we geleerd hebben uit het verleden. We hebben vastgesteld, zoals al werd aangehaald, dat in het verleden, ondertussen meer dan tien jaar geleden, veel van onze jongeren, meer dan 400, geboren en getogen in dit land, vanuit Antwerpen, Vilvoorde, Brussel en Molenbeek zijn vertrokken naar jihadistische conflictzones. De vraag luidt nu of de dynamieken die toen aanwezig waren, vandaag nog spelen.
We hebben daarover in de commissie voor Binnenlandse Zaken al hoorzittingen gehouden. Wanneer er tijdens oudejaarsnacht jongeren hun munitie met vuurwerkbazooka’s richten op de veiligheidsdiensten of zelfs op ambulances, kunnen we stellen dat diezelfde dynamieken waarschijnlijk nog steeds aanwezig zijn. We moeten ons dus allemaal de vraag stellen wat de oorzaken zijn van die dynamieken en van die problematische radicalisering.
Op één punt verschil ik alleszins wezenlijk van mening met mijn geachte collega Van Rooy. De oorzaak kan niet worden herleid tot een probleem van dé islam in dit land, noch tot een probleem van álle moslims in dit land. Dat is niet juist. We moeten onverbiddelijk zijn in de aanpak van extremisme en terrorisme, maar het is geen probleem van alle moslims in dit land. Daarover verschillen we van mening en ik permitteer mij om dat verschil te behouden.
Voor die problematische radicalisering hebben we, zoals hier reeds werd aangehaald, systemen in het leven geroepen, namelijk de lokale integrale veiligheidscellen, de LIVC’s, die problematische radicalisering zo snel mogelijk moeten detecteren en in de kiem zien te smoren. Dat is niet enkel, en zelfs verre van, een verantwoordelijkheid van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In eerste instantie gaat het namelijk om een sociopreventieve verantwoordelijkheid.
De strategie-T.E.R., terrorisme, extremisme en radicalisering, wordt gemonitord, opgevolgd en begeleid door het OCAD. In het verleden stelden we vast dat in bepaalde steden de LIVC’s, waarvoor de burgemeesters eerstverantwoordelijke zijn, uitstekend werk leveren. We stellen echter ook vast dat er in dit land LIVC’s zijn die steken laten vallen, en dan druk ik mij nog eufemistisch uit.
Een LIVC is meer dan een vergadering die maandelijks samenkomt. Het is een systematiek, een methodiek om problematische radicalisering, vaak bij minderjarigen en vaak via sociale media, in de kiem te smoren.
Na mijn eerste vraag, over het relaas van de feiten, brengt me dat bij mijn tweede vraag, namelijk hoe u de LIVC’s evalueert. Onderschrijft u dat het op bepaalde plaatsen beter kan?
Mijn derde vraag is eigenlijk in mijn eerste vraag besloten. Wat kunt u ons zeggen over de twee aangehouden verdachten van 18 en 23 jaar? Waren zij al gekend bij onze diensten wegens problematische radicalisering, zoals in de pers stond? Stonden zij al dan niet reeds op de beruchte OCAD-lijst? Wat kunt u ons daarover meedelen? Ik dank u alvast voor uw beschikbaarheid en uw antwoorden.
Voorzitter:
Mijnheer de minister, u krijgt het woord om te antwoorden.
Bernard Quintin:
Dames en heren commissieleden, net als u wil ik de veiligheidsdiensten, het gerecht, de federale gerechtelijke politie, de staatsveiligheid en alle andere diensten die een rol in dit dossier hebben gespeeld, op de voor- of achtergrond, danken en feliciteren.
C'est un message que je leur ai déjà passé, tout en les encourageant bien sûr à maintenir cette vigilance et à toujours améliorer les processus qui sont en cours pour les résultats que nous en espérons.
Het optreden in dit choquerend dossier toont aan dat de structuren die we in België sinds een tiental jaar hebben ingevoerd, een duidelijke meerwaarde bieden en dat we effectief lessen hebben getrokken uit de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie over de terroristische aanslagen.
Een nulrisico bestaat echter niet, dus moeten we altijd waakzaam blijven en zoeken naar verbeterpunten. De diensten geven al decennia de hoogste prioriteit aan de terroristische dreiging die voornamelijk, maar niet uitsluitend, uit jihadistische hoek komt. Een focus op radicaal islamisme betekent niet dat de diensten hun aandacht voor ideologisch extremisme, zowel rechts als links, mogen laten verslappen en vice versa. Ik negeer dus niets wat de veiligheid betreft.
Laat dat mijn boodschap zijn: er is geen plaats in onze samenleving voor extremisme, of dat nu religieus of ideologisch gemotiveerd is, gericht tegen vreemdelingen, tegen de democratie, tegen lgbtq-personen, tegen vrouwen, tegen rijk of arm, enzovoort. Dat is waar ik voor sta.
Vous avez posé, à juste titre, plusieurs questions concernant ce que j'appellerais les prétendus projets d'attentats contre notre premier ministre, et je vais m'en expliquer. Je ne peux et ne veux mentionner de noms ici. Je ne confirmerai ni n'infirmerai. Pour le rapport, c'est un message que j'ai passé à mes collègues aussi. Pour les questions de sécurité, il est bon qu'on respecte les règles de base qui consistent notamment à ne pas se prononcer. Vous aurez constaté avec moi que le premier prétendu intéressé ne s'est d'ailleurs pas prononcé sur le sujet. Certains ont pensé intéressant de dire qu'ils sont sur la liste ou qu'ils n'y sont pas. Je pense que c'est une erreur à ne pas commettre. C'est une matière sérieuse. Ce sont des gens sérieux qui s'en occupent. Et j'en profite pour faire passer le message que ces gens sont aussi les premiers en danger. Les collègues qui travaillent dans les services de renseignement sont en première ligne.
We moeten hun werk ook respecteren.
Je ne vais pas non plus m'étendre sur les services internationaux qui ont joué un rôle. Simplement, je dois souligner qu'il y a bien eu une coopération internationale qui a permis de débuter plusieurs enquêtes et travaux et, partant, de résoudre le cas dont nous parlons en ce moment. Je ne m'étendrai pas sur les adresses et les noms des intéressés ni sur d'autres détails.
U een relaas geven waarin alles op een rijtje staat, zou me in een moeilijke situatie brengen.
Pour ce qui concerne le traitement par la justice, les expulsions de notre territoire, la déchéance de la nationalité, le financement des communautés religieuses, l'échec de l'intégration, les centres d'accueil pour demandeurs d'asile, etc., je rappelle que ces questions ne relèvent pas de ma compétence. En tout cas, je puis vous rassurer en indiquant que nous travaillons ensemble, tous les ministres et structures impliqués, pour que ces questions de sécurité fondamentales soient traitées avec le sérieux nécessaire.
Ik zal de overige vragen in drie categorieën groeperen: vragen over het dossier zelf, vragen over de te nemen maatregelen ter bescherming van de eerste minister en, meer algemeen, van politici of andere bedreigde personen en vragen over de informatiedeling en de eventuele versterking van de betrokken diensten.
Wat de vragen betreft over het dreigingsdossier zelf – voor zover ik die kan beantwoorden – ben ik inderdaad vooraf geïnformeerd over een lopend dreigingsdossier. Daaruit bleek dat de informatiedeling en de beoordeling van de aard en de imminentie van de dreiging tussen de betrokken veiligheidsdiensten goed verliepen. Ik heb begrepen dat de opgepakte personen allen over de Belgische nationaliteit beschikken. De drie personen zijn jong, een van hen is zelfs nog maar net meerderjarig. Dat is inderdaad in lijn met de vaststellingen van het OCAD en de Veiligheid van de Staat van de voorbije jaren. Een van de opgepakte personen is vrijgelaten, omdat die niet als verdachte wordt beschouwd.
Inzake de vragen over de te nemen maatregelen bepaalt het OCAD voor ons land het algemene dreigingsniveau. Dat is sinds 16 oktober 2023 gestegen van niveau 2 naar niveau 3. Het OCAD bevestigt dat niveau 3 behouden blijft. Dat betekent dat het dreigingsbeeld inzake terrorisme en extremisme niet fundamenteel anders is dan voor deze interventie.
Wat de maatregelen rond de persoon van de eerste minister betreft, worden dergelijke dreigingen geëvalueerd door het OCAD en de federale gerechtelijke politie. Op basis daarvan bepaalt het Nationaal Crisiscentrum de beschermingsmaatregelen. De premier krijgt in elk geval bijzondere aandacht in verband met zijn rol als eerste minister. Over de concrete veiligheidsmaatregelen die gelden kan ik niet uitweiden. Indien er nieuwe elementen van dreiging naar voren zouden komen, dan licht het parket of de federale politie het Nationaal Crisiscentrum in met het oog op een re-evaluatie.
Meer algemeen over de bescherming van politici en bedreigde personen is het NCCN aangewezen als de bevoegde overheidsinstantie voor het nemen van gewone beschermingsmaatregelen ten aanzien van bedreigde personen. Het verzorgt dus de besluitvorming, het beheer en de coördinatie van de beschermingsmaatregelen. Het basisinstrument daarbij is de omzendbrief COL 6/2004, herzien in 2024. Die werd gezamenlijk opgesteld en goedgekeurd door de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en door het College van procureurs-generaal. Deze circulaire heeft tot doel om personen van aanzien, ambtenaren en particulieren, die in de uitoefening van hun functie worden bedreigd, te beschermen.
Het NCCN wordt op de hoogte gebracht van een nieuwe bedreiging tegen een persoon en vraagt de bevoegde diensten om een dreigingsanalyse. Vaak organiseert het NCCN een coördinatievergadering met de partners om de te nemen maatregelen te bespreken. Dit proces werd ook in deze casus gevolgd bij de eerste notificatie van de dreiging, uitgaand van de federale politie.
Il existe un cadre pour les fonctions clés au sein de l’appareil gouvernemental. Ce document, élaboré par le Centre de crise national (NCCN) et validé par le Conseil national de sécurité (CNS), comprend un ensemble de mesures et de recommandations concernant les personnes considérées comme occupant des fonctions clés. Ce cadre sera évalué afin de déterminer s’il est nécessaire de développer davantage de mesures structurelles, d’étendre les fonctions et, si besoin, de dégager les moyens financiers nécessaires à cet effet. C'était la conclusion d’une réunion que j’ai organisée la semaine dernière avec les différents services concernés.
Wat betreft de te nemen maatregelen tegen drones, momenteel bestaat er slechts een beperkte antidronecapaciteit bij de politie in België. Deze systemen worden momenteel enkel ontplooid op high-risk events. Bovendien zijn er meer testen nodig rond de impact van bepaalde neutralisatiemiddelen, zoals jamming , op reguliere signalen. De voorbije weken werden op mijn initiatief al verschillende vergaderingen georganiseerd met de veiligheidsdienst, het DG Luchtvaart en skeyes om te kijken naar manieren om drones te detecteren, te voorkomen en erop te reageren.
Voor de geldende regelgeving verwijs ik naar mijn collega bevoegd voor Mobiliteit, maar we willen komen tot een kader waarin de verantwoordelijkheden en verwachtingen die de problematiek van drones met zich meebrengt duidelijk in kaart gebracht worden. We verwachten van de diensten ook aanbevelingen om de dekking en identificatie te verbeteren. Zo wordt onderzocht of een registratieplicht voor dronetoestellen en -vluchten een element van de oplossing kan zijn.
Ik kan er verder nog aan toevoegen dat ik heb gevraagd naar een zo eenvoudig mogelijke structuur omdat het al ingewikkeld genoeg is. We hebben een eenvoudig systeem nodig, zodat we zeker kunnen zijn dat we de droneproblematiek goed kunnen aanpakken.
Mevrouw De Vreese vroeg specifiek naar de versterking van de FGP Antwerpen als te nemen maatregel. Het is misschien goed om te vermelden dat ik een situatie erf die tien jaar oud is. Deze versterking is gepland en verloopt in twee fases. In een eerste fase op korte termijn wordt er zo snel mogelijk bijkomende capaciteit toegewezen aan de diensten waar de nood het hoogst is. Deze eerste versterkingen worden, in overleg met de gerechtelijke directeur van Antwerpen, gericht ingezet op de onderzoekscapaciteit inzake terrorisme en georganiseerde misdaad. De rekrutering van gespecialiseerde onderzoekers vraagt echter tijd, aangezien deze profielen moeilijk te vinden en op te leiden zijn.
In de tweede fase op middellange termijn is de doelstelling het personeelskader van de FGP Antwerpen tegen eind 2026 op 555 fte te brengen, dus een zestigtal meer dan vandaag. De realisatie van deze tweede fase sluit aan bij het strategisch plan van de federale politie, dat door mij en door de minister van Justitie werd goedgekeurd.
Leden van deze Kamer vroegen meer toegang tot en meer controle op communicatieplatformen. Toegang tot geëncrypteerde communicatie is inderdaad een hele challenge voor onze diensten. Het evenwicht tussen capaciteit, essentie en doeltreffendheid aan de ene kant en privacy aan de andere kant, speelt ons ook hier parten. We hebben het hier vorige week veel over privacy gehad. Er is de noodzaak om betere toegang te hebben, maar van de ene mogen we geen spionagetools gebruiken en van de andere mogen we geen rechtstreekse toegang tot de platformen hebben. Toch verwacht iedereen dat de politie topresultaten boekt op een kostenefficiënte manier. Jullie begrijpen wat ik bedoel. Zoals gezegd, we hebben het daar vorige week al over gehad.
Wat de vragen inzake informatiedeling over dreigingsdossiers of radicalisering betreft, de strategie TER voorziet in een doorgedreven informatiedeling op verschillende niveaus, met verschillende finaliteiten. Dit systeem is zo goed als uniek in de wereld en werkt eigenlijk zeer goed. Alle politie- en inlichtingendiensten en het gerecht maar ook lokale preventie- en veiligheidsactoren worden erbij betrokken.
Het geval van afgelopen donderdag illustreert dat de communicatie tussen de diensten, en in het bijzonder tussen het parket, het OCAD, de VSSE, en de politie goed gefunctioneerd heeft. De opvolging van een entiteit gebeurt door de lokale taskforce (LTF,) de lokale politie, de federale politie, de inlichtingendiensten, het parket en de DVZ. Een aantal genodigden komt in de LTF samen om een persoon te bespreken die zich op het grondgebied van de LTF bevindt.
De insteek is veiligheidsgericht. Op het niveau van de Lokale Integrale Veiligheidscel (LIVC) die elke gemeente moet hebben, nodigt de burgemeester alle lokale sociopreventieve actoren uit om geradicaliseerde personen het gepaste begeleidingstraject te geven. Het gaat vaak om kwetsbare personen, jongeren of mensen met psychische stoornissen. De LIVC is bij uitstek ook de plek waar vroegdetectie een plaats heeft. De information officer van de politie is de enige van de veiligheidsketen die op de LIVC-sessie aanwezig is. Hij rapporteert nuttige info aan de LTF en omgekeerd.
Comme vous l'avez souligné, monsieur Thiébaut, on fait dans ces CSIL un travail sérieux qui doit être fait sérieusement. À travers tous les contacts que j'ai et les missions que je mène sur le terrain, je rappelle toujours l'importance et l'intérêt de faire fonctionner ces CSIL et de ne pas, comme j'ai eu l'occasion de le dire ici, partir du principe que la menace a disparu. Elle n'a pas disparu, nous l'avons vu. Comme l'a souligné la procureure fédérale, 80 dossiers ont en effet été ouverts cette année. Si on avait besoin d'une piqûre de rappel, je pense qu'elle a été donnée.
Het is juist dat de werking van de LIVCR nog efficiënter kan worden gemaakt, vooral op het vlak van de overdracht van informatie die voortkomt uit casusoverleg. De federale overheid kan ter zake echter niet alleen optreden. Ze moet samenwerken met de deelstaten en het gemeentelijke niveau.
Ik plan ook om samen met collega Verlinden het samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen dit jaar nog op de regeringstafel te leggen. Zodra er informatie opduikt over mogelijke intenties om tot actie over te gaan, wordt de structuur van de JIC-JDC geactiveerd, waarna de te treffen maatregelen in overleg tussen al die diensten daadwerkelijk worden getroffen en desgevallend een gerechtelijk dossier wordt geopend. Er is met andere woorden een constante waakzaamheid bij de veiligheidsdiensten. Ik wil dat benadrukken. De Strategie T.E.R. wordt overigens regelmatig geëvalueerd.
De Strategie beschikt, zoals u weet, ook over een tool voor informatie-uitwisseling, namelijk de gemeenschappelijke gegevensdatabank T.E.R. Die tool stelt alle partners, niet alleen uit de veiligheidssector, in staat om informatie uit te wisselen en beschikbaar te stellen. De informatie laat het OCAD ook toe om de individuele evaluatie van elke entiteit in de databank bij te werken en te verfijnen. Eerder in 2025 heb ik de bijbehorende omzendbrief ondertekend, die duidelijke instructies geeft aan de gebruikers.
Voorzitter:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Mijnheer Meuleman, ik wens in de replieken de spits te mogen afbijten als parlementslid en zal dus niet als voorzitter van deze commissie spreken.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, mooie woorden stoppen helaas geen bommen. Mooie woorden stoppen spijtig genoeg ook geen kogels of drones.
Na de verijdelde aanslag was de regering er wel snel bij om voor de camera’s te verschijnen en de alertheid en daadkracht van onze politie- en inlichtingendiensten te prijzen. Ik deel die gelukwensen en dat respect. Dat is goed. Onze diensten doen hun werk op het terrein zoals het hoort.
Waar is echter die alertheid in het dagelijkse beleid? Waar is die daadkracht wanneer het gaat om het effectief aanpakken van de voedingsbodem van de islamitische radicalisering? Waarom moeten onze veiligheidsdiensten middelen en mankracht inzetten tegen islamitische terroristen, die hier in de eerste plaats niet zouden mogen zijn?
De lijn van het Vlaams Belang is duidelijk. Leg de focus op de islamitische terreurnetwerken en radicalisering, niet op randfenomenen waarvoor tot op vandaag geen effectieve feiten bestaan die wijzen op aanslagen. Versterk onze veiligheidsdiensten in de strijd tegen islamitisch terrorisme. Geef onze veiligheids- en inlichtingendiensten de juiste tools om hun werk efficiënt te doen met de beperkte middelen en mankracht waarover ze beschikken.
Voeg een volledige, taboeloze daderprofilering in. Wie sympathie toont voor moslimextremisme en wie terreurdaden pleegt of goedkeurt, moet de Belgische nationaliteit verliezen en worden uitgewezen. Voorzie eindelijk een grondige aanpak van de zogenaamde jihadistische veilige havens.
Wij wensen geen tweede Maalbeek en Zaventem mee te maken. Lijst de risicowijken op, zorg voor een permanente verhoogde politieaanwezigheid en voor systematische huiszoekingen op basis van de informatie die onze veiligheidsdiensten inwinnen.
Wat de eerste minister en andere politici, onder wie Geert Wilders, meemaken – dat gevoel van onveiligheid en dreiging – mag geen dagelijkse kost worden voor al onze mensen. Het gevaar is terug van nooit weggeweest en de regering-De Wever is daar medeverantwoordelijk voor. Het jihadistisch terrorisme blijft in dit land structureel aanwezig en deze verijdelde plannen zijn slechts het topje van de ijsberg.
Het Vlaams Belang is jammer genoeg de enige partij die deze dreiging altijd ernstig heeft genomen en altijd ernstig zal blijven nemen. De strijd voor onze veiligheid en tegen de levensgevaarlijke massamigratie zal het Vlaams Belang altijd blijven voeren, tot spijt van wie het benijdt.
In navolging van mijn interpellatie dien ik ook een motie van aanbeveling in. De vragen die ik aan de regering stel, heb ik al toegelicht in mijn betoog.
Franky Demon:
Dankuwel, mijnheer de minister, voor uw antwoorden, waarin ik mij grotendeels kan vinden. Het is goed dat u zegt dat het niet alleen om islamistische radicalisering gaat, hoewel dat nu de grootste problemen veroorzaakt en dat we de andere zaken ook niet mogen vergeten. Ik ben ook tevreden dat u ingaat op onze uitgestoken hand, op ons voorstel om de LIVC’s te versterken.
We moeten nog meer inzetten op informatie-uitwisseling en informatiedeling. Een betere samenwerking, hetzij via samenwerkingsakkoorden met de deelstaten, hetzij via overleg met de minister van Justitie, hetzij via andere wegen, is daarbij essentieel. Door informatie te delen en nauwer samen te werken, kunnen we dit fenomeen klein krijgen. U mag rekenen op onze volledige steun.
Ik ben daarnet geëindigd met het grootstedenbeleid en ik zal er ook nu mee eindigen. In de komende uren en dagen is er meer geld nodig voor het juridisch veiligheidsapparaat in ons land. Ik hoop u als partner aan de onderhandelingstafel te mogen ontmoeten.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, u hebt gelijk. Er zijn niet alleen woorden nodig, maar ook daden. Het afnemen van de nationaliteit van mensen die veroordeeld zijn voor terrorisme of het intrekken van hun verblijfsrecht is duidelijk nodig. Dat tonen deze feiten aan. Dat toont de verijdelde aanslag op onze premier aan. Dat toont het stijgende aantal terreuronderzoeken in ons land aan.
Wij hebben met onze fractie dan ook een wetsvoorstel ingediend om dat aan te pakken. We moeten dus niet alleen kijken naar de regering. We kunnen met het Parlement ook onze eigen verantwoordelijkheid nemen. Ik roep alle collega's op om daarvan snel werk te maken en dat voorstel te steunen. Dan kijken we niet alleen naar anderen, maar nemen we ook zelf onze verantwoordelijkheid op om mensen die veroordeeld zijn voor terrorisme duidelijk te maken dat zij in onze samenleving geen plaats meer hebben.
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoorden. Ik ben heel blij dat u ook mijn vraag over de drones, die we vorige week hebben besproken, echt ter harte neemt, dat u daar proactief mee aan de slag gaat en dat we maatregelen nemen om onze kritieke infrastructuur beter tegen drones te beveiligen. We hebben in deze situatie gezien dat het niet alleen over kritieke infrastructuur gaat.
Ik heb voor alle duidelijkheid geen pleidooi gehouden voor het afnemen van de encryptie van de berichtjes die mensen digitaal naar elkaar sturen. Daar hebben we inderdaad uitgebreid over gesproken. Wat ik bedoel, is dat de rekrutering van jihadistische milieus vaak gewoon op openbare fora gebeurt en vaak gewoon niet eens voor veiligheidsdiensten wordt verstopt. Ik zie dat heel veel op mijn eigen tijdslijn passeren, niet omdat ze mij aan het rekruteren zijn, maar omdat ik mijn werk hier in de commissie goed probeer te doen.
Dat er zoveel openbaar beschikbaar is, toont toch aan dat ook onze veiligheidsdiensten dat moeten kunnen aanpakken, dat zij dat moeten kunnen monitoren, zoals enkele vrijwilligers dat zeer grondig doen.
Mijnheer de minister, u hebt ook terecht over de LIVC's gesproken. Het is immers inderdaad belangrijk dat we die ondersteunen en grondig bekijken. Het is echter ook belangrijk dat we daar een correct overzicht van hebben. Ik heb u recent een schriftelijke vraag gesteld om te weten te komen waar er overal LIVC’s zijn en waar niet. Uit dat antwoord bleek dat we momenteel geen volledig overzicht hebben van welke gemeenten hun verplichtingen al zijn nagekomen en welke niet.
Ik wil u dan ook oproepen om druk te zetten op alle lokale besturen om hun verplichtingen na te komen en ervoor te zorgen dat we een overzicht hebben van waar dit correct wordt opgevolgd en waar niet. Ik denk dat de burger ook wil weten welke gemeentebesturen hun verantwoordelijkheid nemen en welke niet. Dank u wel.
Maaike De Vreese:
In 2016, na de aanslagen, is iedereen wakker geschud. Er zijn toen federaal heel wat structuren uitgewerkt die ook lokale structuren voorzagen, zoals de LIVC’s, maar ook de lokale taskforces.
Sommige gemeenten en steden, zoals Brugge, waren echter tot in 2023 nog altijd niet wakker. In Brugge was namelijk geen actieve LIVC. Dat komt nu opnieuw ter sprake, omdat we weten dat jihadistisch extremisme helemaal niet verdwenen is. We moeten dus absoluut waakzaam blijven en die LIVC’s moeten up and running zijn. Met mijn ervaring uit Brugge kan ik de vraag van mijn collega Jeroen Bergers daaromtrent dus alleen maar ondersteunen.
Minister, de versterking van onze federale gerechtelijke politie van Antwerpen sleept ook al zeer lang aan. Tijdens de regeringsonderhandelingen is zeer duidelijk gezegd dat daar versterking nodig is gezien de grote uitdagingen waarmee die diensten worden geconfronteerd. Dat tekort aan capaciteit is ook al geruime tijd gekend.
Er is nu dus echt nood aan een concreet actieplan, met tussentijdse doelstellingen en een toegewezen budgettair kader, gekoppeld aan de personeelscapaciteit en middelen. We moeten ook goede infrastructuur voorzien, want we moeten ervoor zorgen dat de verhoging van de personeelscapaciteit niet vastloopt op infrastructuurproblemen. Daarop moet dus eveneens een antwoord worden gegeven. Daarom vraag ik u om dit zeker ook met uw collega, minister Matz, op te nemen, zodat we daar niet vastlopen. Bedankt, mijnheer de minister.
Sam Van Rooy:
Na 60 jaar van roekeloze massa-immigratie en islamgepamper werd in de achtertuin van de eerste minister een jihadistische aanslag voorbereid. Ik woon op slechts enkele honderden meters daarvandaan. Ik ben daar geboren en getogen en heb daar schoolgelopen. In enkele decennia tijd is de Herentalsebaan, waar de bewuste Sint-Rochusstraat op uitkomt, verworden van een fijne, typisch Vlaamse winkelstraat tot een verloederde geïslamiseerde straat met vooral halalwinkels, die soms ook erg louche blijken te zijn. De bibliotheek werd steeds vaker vervangen door de Koranschool, de kerk door de moskee en de minirok door de islamitische sluier. De Vlaming voelt zich daar allang niet meer thuis, terwijl de moslimfundamentalist zich daar als een vis in het water voelt. Zo is er een moskee gekomen waar islamitische boeken liggen, waarin niet-moslims worden gebrandmerkt als inferieure en te bestrijden kafirs. In de Koran staan maar liefst 164 jihadistische verzen, zoals Soera 9, vers 5: “Dood hen, waar je ze ook vindt.” Niet toevallig is negen op de tien personen op de terreurlijst moslim, een gigantische oververtegenwoordiging. Dat komt dus neer op 30.000 moslims in Antwerpen, die allicht ook begrip hebben voor de drie moslimterroristen die De Wever en Wilders wilden omleggen.
Dat zijn de cijfers, mijnheer Van Tigchelt. Ik spreek niet over alle zelfverklaarde moslims en dat zeg ik ook nooit. Ik vraag u daarom om mij geen woorden in de mond te leggen. Het gaat dus niet om iedereen die zichzelf moslim noemt, maar wel om veel te veel moslims.
Minister, wie islam zaait, zal sharia en jihad oogsten. Zolang de regering-De Wever dat niet inziet en zelfs ten strijde trekt tegen zogenaamde islamofobie, zal het probleem van de islamisering en de jihadistische terreur alleen maar groeien.
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, la menace terroriste demeure bel et bien réelle. Elle exige encore toute votre vigilance et votre investissement. Merci pour vos réponses.
Je veux à nouveau saluer le travail remarquable qui a été mené par les services de renseignement et les services de sécurité, parce que ce qu'ils ont fait n'est pas rien. Ils ont été actifs, pertinents, sur la balle et ils ont pu intervenir pour déjouer cet attentat. Ce n'est pas anecdotique, on ne le répétera jamais assez. C'est grâce à une vigilance et une coordination exemplaires qu'un attentat d'une extrême gravité a pu être déjoué.
La lutte contre le terrorisme et la radicalisation ne se limite pas aux seules mesures sécuritaires. Elle repose également sur la prévention et la détection de tout signe ou comportement susceptible d'annoncer de tels passages à l'acte. Je salue par conséquent toutes les initiatives que vous avez d'ores et déjà prises et mentionnées en matière de renforcement des services et de la coopération. Je salue tout ce que vous allez mettre en place au sujet des CSIL, sur la sécurisation des drones, sur l'accès à des banques de données, notamment la banque de données T.E.R., etc. C'est donc un dispositif global qui doit entourer cette problématique gravissime pour notre société. Derrière votre action, celle de la Justice sera indispensable pour continuer à délivrer un message fort et total, dans la lutte contre ces phénomènes intolérables dans notre société.
Brent Meuleman:
Mijnheer de minister, sta erop om nogmaals onze veiligheidsdiensten te danken en te feliciteren voor het verijdelen van de geplande aanslag. De gebeurtenissen tonen aan dat er nog steeds een terreurdreiging aanwezig is. Bovendien verandert de aard ervan. Drones nemen een steeds prominentere rol in bij conflicten en geweld. Ik kan dan ook alleen maar toejuichen dat u initiatieven hebt genomen en nog zult nemen om, ik citeer u, “de droneproblematiek aan te pakken”. We moeten er alles aan doen om de veiligheid van onze samenleving en onze democratie te waarborgen. Onze democratie is bijzonder kwetsbaar en de impact van polarisatie valt absoluut niet te onderschatten.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, ik ben het eens met veel van hetgeen de collega’s al zeiden, niet het minst met het feit dat onze systemen de voorbije jaren zijn versterkt. Er zijn de LTF’s, de LIVC’s en de strategie-TER. Tijdens de vorige legislatuur hebben we ook de Veiligheid van de Staat versterkt. Dat mogen wij niet veronachtzamen. Er kwam een aangepast wetgevend kader en een verdubbeling van het personeelsbestand. Dat was nodig, omdat een sterke inlichtingendienst geen luxe maar een noodzaak is, zeker in het licht van het gewijzigde dreigingsbeeld. Het gaat vaak om jongeren die achter hun scherm zeer snel radicaliseren. We weten allemaal hoe moeilijk het is voor onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten om dat tijdig te detecteren en in de kiem te smoren.
Als we de ziekte correct willen bestrijden, moeten we eerst de juiste diagnose stellen. Ik ben blij dat collega Van Rooy het met mij eens is. Ik hoop dat hij dat de volgende keer ook met zoveel woorden herhaalt. Het probleem in ons land is niet de islam. Het is niet de islam, die voor de problemen zorgt. Het probleem is wel – ik herhaal het – het islamisme. Dat is het probleem en dat moeten we onder ogen zien. Daaromtrent mogen we niet naïef zijn. Het islamisme wijst ons westerse normen- en waardenstelsel af. Dat islamisme is sterk verweven met staten. Beste collega’s, er bestaan bepaalde fabrieken van het islamisme: de Moslimbroederschap, het wahabisme, het salafisme, het Turks-islamisme en het Iraans-islamisme.
Zijn er in het verleden fouten gemaakt? Zijn we naïef geweest? Ik denk van wel. Dat moeten we ootmoedig toegeven. Sinds de aanslagen van 2016 hebben we die naïviteit echter grotendeels verloren. Er zijn ook initiatieven genomen tegen de fabrieken van het islamisme. Ik zou ze hier kunnen opsommen, het gaat onder meer over onze contacten met de Saoedi’s en maatregelen ten opzichte van de moslimexecutieve. Wij moeten waakzaam blijven. In ieder geval moeten we natuurlijk de ziekte bestrijden, maar eerst de juiste diagnose stellen.
Ik wens u nog veel succes, mijnheer de minister.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat de islamitische terreurdreiging actueel en reëel de grootste terroristische bedreiging voor onze nationale veiligheid vormt; - overwegende dat dit land historisch een disproportionele dreiging kent en een voedingsbodem blijkt te zijn voor islamitische radicalisering; - overwegende dat dat jihadistisch terrorisme in dit land en de bredere Europese Unie structureel aanwezig blijft en dat de verijdelde plannen het topje van de ijsberg zijn; - overwegende dat de strijd tegen terreur cruciaal is; vraagt de regering - onmiddellijk onze veiligheidsdiensten op te dragen om de focus van hun onderzoeken te leggen waar die hoort: bij de islamitische terreurdreiging; - propaganda voor jihadisme en het bezit alsook de verspreiding van jihadsymboliek strafbaar te maken met een effectieve celstraf en dit prioritair op te sporen; - intrekking van nationaliteit en uitwijzing mogelijk te maken wanneer sprake is islamitische radicalisering; - te starten met een volledige doorlichting van alle moskeeën en islamitische verenigingen; sluiting van extremistische moskeeën; uitzetting van haatimams; stopzetting van subsidies en buitenlandse financiering; - onmiddellijk een lijst van risicowijken vast te leggen met permanente verhoogde politieaanwezigheid en systematische huiszoekingen op basis van informatiewinning door onze veiligheidsdiensten; - een volledige daderprofilering toe te laten en te faciliteren, inclusief afkomst, religie enzovoort. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que la menace terroriste islamique constitue actuellement et réellement la principale menace terroriste pour notre sécurité nationale; - considérant que notre pays est historiquement confronté à une menace disproportionnée et apparaît comme un terreau propice à la radicalisation islamiste; - considérant que ce terrorisme djihadiste demeure structurellement présent dans notre pays et plus largement au sein de l'Union européenne et que les projets déjoués ne constituent que la partie émergée de l'iceberg; - considérant que la lutte contre le terrorisme est cruciale; demande au gouvernement - de charger immédiatement nos services de sécurité de concentrer leurs enquêtes sur l'essentiel, c'est-à-dire la menace terroriste islamique; - d'assortir la propagande en faveur du djihadisme ainsi que la possession et la diffusion de symboles djihadistes de peines d'emprisonnement effectives et d'enquêter prioritairement sur ces délits; - de permettre la déchéance de la nationalité et l'expulsion en cas de radicalisation islamiste; - de soumettre toutes les mosquées et associations islamiques à un examen complet; de fermer les mosquées extrémistes; d'expulser les imams prônant la haine; de mettre fin aux subventions ainsi qu'aux financements étrangers; - d'établir immédiatement une liste de quartiers à risque, avec une présence policière renforcée en permanence et des perquisitions systématiques sur la base des informations recueillies par nos services de sécurité; - d'autoriser et de faciliter un profilage complet des auteurs, y compris leur origine, leur religion, etc. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. La question n° 56007188C de M. Hugues Bayet est transformée en question écrite.
Het verklaren tot persona non grata van de tot geweld aanzettende rapper Bob Vylan
Het optreden van een antisemitische artiest en de screening van strafbare feiten
De gemaskerde moslimtiener die op straat met een Syrische jihadist poseert
Controversiële artiesten en strafbare uitingen in de publieke ruimte
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 8 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy kaart antisemitische en geweldsopruiende optredens in België aan, met name van rapper Bob Vylan (oproepen tot moord op IDF-soldaten en Charlie Kirk) en "comedian" Sundeep Bhardwaj (antisemitische retoriek, vergelijkbaar met Dieudonné), en vraagt hun verbod als *persona non grata*. Minister Quintin wijst dit af: Vylan’s optreden verliep incidentloos, Bhardwaj pleegde geen strafbare feiten, en juridische maatregelen ontbreken—bevoegdheden liggen bij lokale overheden en veiligheidsdiensten. Van Rooy bekritiseert de selectieve toelating (antisemieten welkom, Israëlische kunstenaars/diplomaten geweerd) als "Belgistan", maar de minister houdt vast aan procedurele grenzen en ontkracht bovendien de jihadist-claim over de gefotografeerde tiener.
Sam Van Rooy:
Afgelopen zomer trad de Britse rapper of iemand die daarvoor wil doorgaan, Bob Vylan, op in België, op Rock Herk. Hij roept systematisch op het podium op tot moord op elke IDF-soldaat, wat de facto vrijwel elke Israëliër betekent, ook op ons grondgebied. Nu juicht die kansenparel tijdens zijn optredens ook de koelbloedige executie van Charlie Kirk toe. Ik heb zijn woorden goed beluisterd. In wezen voegt hij er de waarschuwing aan toe dat eenieder die zegt wat Charlie Kirk zegt, hopelijk doodgeschoten mag worden.
Ik raad iedereen aan de misselijkmakende beelden uit de Paradiso in Amsterdam te bekijken. Ze zetten gewoon aan tot geweld. Misschien nog zorgwekkender is dat heel de zaal juichte. Daar zullen vast wel wat Belgen tussen gezeten hebben.
Wat is uw reactie hierop, minister?
Ik vraag u heel duidelijk of de regering die tot dodelijk geweld aanzettende Britse rapper – als we dat woord mogen gebruiken – tot persona non grata kan verklaren, zodat hij zijn gevaarlijke vergif niet meer op podia op Belgisch grondgebied kan spuien?
Op 14 oktober treedt in Antwerpen de degoutante antisemiet Sundeep Bhardwaj op, zogenaamd als comedian. Op 24 september trad hij op in Gent. Hij is van Indiase afkomst en woont in Luxemburg. Deze figuur zegt onder meer dat de Malediven een van zijn favoriete plekken op aarde zijn, omdat het een van de meest antisemitische plekken op aarde is, wat helaas ook klopt. Niet toevallig neemt Sundeep het op voor de tot geweld aansporende antisemitische rapper Bob Vylan.
Sundeep doet sterk denken aan de Franse komiek of eerder als komiek vermomde antisemitische activist Dieudonné M'bala M'bala. Wie kent hem nog? Die werd uiteindelijk ook in ons land veroordeeld, onder andere voor negationisme. Zijn activistische, antisemitische optredens werden uiteindelijk ook verboden. Deze Sundeep is dus een soort Dieudonné 2.0 en ik vermoed dat helaas nog dergelijke figuren zullen opstaan.
Mijnheer de minister, wat vindt u hiervan? Worden die zogenaamde stand-upcomedy optredens in ons land, terwijl het eigenlijk vermomd antisemitisch activisme betreft, opgevolgd en gescreend op strafbare uitspraken? Zo niet, waarom niet? Kunt u zich eventueel inzetten om deze persoon ook tot persona non grata te verklaren? Hij moet namelijk ook uit het buitenland komen. Ik raad u en uw diensten aan om nu al eens te screenen op sociale media wat hij allemaal over onze Joodse medemens zegt.
Er is een foto opgedoken van een gemaskerde moslimtiener die op de Keizerlei in Antwerpen trots poseert met de Syrische jihadist Abdul Baset al-Sarout. Ik heb u die beelden bezorgd. Als dat geen zorgwekkende radicalisering of islamisering is, dan weet ik het ook niet meer. Wordt deze vermoedelijk minderjarige moslimtiener opgespoord, op zijn minst met het oog op deradicalisering?
Bernard Quintin:
Mijnheer Van Rooy, wat Bob Vylan betreft, het begrip persona non grata komt voort uit het Verdrag van Wenen en is niet van toepassing op rockzangers, goede of slechte, maar alleen op diplomaten. Onderdanen van het Verenigd Koninkrijk kunnen visumvrij naar België reizen. De minister van Asiel en Migratie kan een vreemdeling die de openbare orde ernstig heeft verstoord wel uitzetten of terugwijzen. De beslissing om een artiest te laten optreden tijdens een evenement behoort tot de organisatie en valt onder de bevoegdheid van de burgemeester. Ik heb van mijn diensten begrepen dat het optreden van Bob Vylan op Rock Herk deze zomer zonder incidenten is verlopen. Daarmee is de kous wat mij betreft af.
Ik kom tot uw vraag over het optreden van Sundeep Bhardwaj.
Op basis van de informatie die ik hierover opvroeg, zijn er tot heden geen strafbare feiten gepleegd. Het OCAD acht de kans op extremistische uitspraken bij dergelijke optredens of verstoring van de openbare orde onwaarschijnlijk. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er toch extremistische uitspraken gedaan zouden worden die aanleiding geven tot radicalisering of oproepen tot haat of geweld, zullen onze veiligheidsdiensten daarnaar ongetwijfeld onderzoek doen.
Dan kom ik aan uw vraag over de foto van een jongeman die in Antwerpen - en ik citeer u – “op straat trots poseert met de Syrische jihadist Abdul Baset al-Sarout”. Volgens open bronnen is Abdul Baset al-Sarout in 2019 overleden in Syrië. Deze persoon staat daarnaast niet te boek als jihadist.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, in dit land werd Lahav Shani, een Israëlische topdirigent, gecanceld en worden twee democratisch verkozen Israëlische ministers tot persona non grata verklaard. Wie is daarentegen wel welkom in dit land? Een als comedian vermomde antisemitische activist uit India, Sandeep Bhardwaj, een Dieudonné M’bala M’bala 2.0. Wie is nog welkom in dit land? Verheerlijkers van moorddadige jihadisten die hier alleen fysiek leven maar mentaal in de islamitische wereld verblijven, zoals dus die jonge moslim in hartje Antwerpen. Ik heb u de foto bezorgd. Wie is nog welkom in dit land? De zogenaamde rapper Bob Vylan, die op het podium oproept tot moord.
Op deze foto ziet u deze neanderthaler, die de overheid in Belgistan blijkbaar verkiest boven een beschaafde, talentvolle topdirigent, die u hier ziet, namelijk Lahav Shani. Dit is Belgistan anno 2025. Dit soort neanderthalers wordt hier verwelkomd, terwijl beschaafde topdirigenten het land worden uitgezet. Het is werkelijk te beschamend voor woorden.
Voorzitter:
Vraag nr. 56008249C van de heer Bergers wordt omgezet in een schriftelijke vraag.
De studentenbetoging van 17 september jongstleden
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 8 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Tijdens een vredelijke studentenbetoging tegen het *décret Paysage* op 17 september in Brussel escaleerde de situatie door politieoptreden: gazonderdrukking, illegale *kettling* (nasses), willekeurige controles en arrestaties, ondanks dat manifestatie een grondrecht is. Minister Quintin verdedigde het proportioneel en noodzakelijk politieingrijpen tegen een *wilde mars* (niet-afgesproken cortège) met projectielen, maar erkende geen excessief geweld—vijf interpellaties, één administratieve aanhouding, geen gewonden gemeld—en geen interne onderzoeken zonder formele klachten. Maouane benadrukte institutioneel geweld (bv. filmen verbieden, menotteren voor een vraag) en herhaalde illegale methodes (eerder veroordeeld door rechtbanken), eiste dialogue met studenten en herziening van politiestrategie om democratische protestruimte te waarborgen. De kwestie blijft onopgelost, met een oproep tot structurele reflectie over politie-optreden bij betogingen.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je tenais vraiment à vous poser cette question car de nombreux étudiants et étudiantes ainsi que des parents inquiets m'ont écrit à ce sujet et attendent des réponses.
Le 17 septembre dernier, à Bruxelles, plusieurs centaines d’étudiants se sont rassemblés pour manifester contre le décret Paysage. Cette mobilisation étudiante était pacifique à la base. Mais ce qui s'est passé ce jour-là choque profondément: utilisation de gaz lacrymogènes, coups de matraque, étudiants encerclés dans des nasses – ce qui est une pratique illégale pour laquelle la Belgique, la ville de Bruxelles ainsi que le bourgmestre Close ont été condamnés –, contrôles au faciès dont on a vu des images sur les réseaux sociaux, arrestations arbitraires, etc. Des témoins rapportent que plusieurs jeunes ont été blessés et qu’un étudiant a été menotté simplement pour avoir posé une question à un policier. On a vu les images sur les réseaux sociaux. D'autres expliquent qu'ils n'ont pas eu l'autorisation de filmer. Or cette interdiction n'est pas légale.
Monsieur le ministre, nous parlons ici de jeunes, d'étudiants qui sont venus exercer un droit fondamental, celui de manifester. Ce droit est garanti par notre Constitution et par les traités internationaux. Le rôle de la police est d’encadrer et de protéger et non pas de réprimer, d'intimider ou même de frapper quand ce n'est pas nécessaire. Or les images sur les réseaux sociaux et le récit de ce 17 septembre montrent clairement qu'il y a eu un usage disproportionné de la force par la police.
Monsieur le ministre, quelle est votre lecture de ces événements? Reconnaissez-vous qu'il y a eu un usage disproportionné de la force? Combien de personnes ont été interpellées? Combien ont été blessées? Disposez-vous de chiffres précis et vérifiables? Quelles instructions ont été données aux forces de l’ordre avant la manifestation? Des enquêtes internes ont-elles été ouvertes? Qu'en est-il de la suite?
Des mesures seront-elles prises pour garantir que les mobilisations étudiantes puissent se dérouler dans le respect des droits fondamentaux, sans répression et sans violence policières?
Bernard Quintin:
Je vous remercie, madame Maouane, dans ce qui ressemble presque à un tête-à-tête et je m’en réjouis.
La manifestation du 17 septembre dernier à Bruxelles avait été négociée de manière tout à fait constructive avec la Fédération des Étudiants Francophones (FEF). Le dispositif prévoyait un rassemblement suivi d’une dislocation, place Surlet de Chokier. Si M. Chahid avait encore été parmi nous, j’aurais posé la question de savoir qui est Surlet de Chokier. Il était le premier régent du royaume, nommé par le Congrès. Je referme la parenthèse, mais il faut bien de temps en temps que je montre que je suis historien.
La place Surlet de Chokier avait donc été choisie dans un cadre clair et concerté. Cependant, au moment de la dislocation, un groupe important, extérieur à la FEF et échappant totalement au contrôle de l’organisateur, a tenté de forcer l’accès au bâtiment de la Fédération. Grâce au déploiement rapide des forces de l’ordre, cette intrusion a pu être évitée, malgré des jets de projectiles dirigés vers le bâtiment et vers les policiers.
Ce même groupe a ensuite incité une partie des manifestants – contre l’avis explicite de la FEF, qui a tout mis en œuvre pour éviter les incidents – à former un cortège non autorisé, qualifié de marche sauvage, c’est-à-dire non négocié avec les autorités.
La police a alors accompagné et sécurisé ce cortège dans la mesure du possible, tout en surveillant étroitement la situation. Mais en l'absence de tout interlocuteur légitime permettant une concertation, et compte tenu des troubles importants à la circulation en pleine heure de pointe, il a été décidé de contenir le groupe afin de mettre fin à la déambulation non autorisée. Au cours de cette opération, il a été fait usage ponctuel de spray lacrymogène, conformément aux principes de nécessité, subsidiarité et proportionnalité.
Au total, cinq personnes ont été interpellées pour identification et rédaction d'un procès-verbal en matière de sanctions administratives communales. Une personne a été arrêtée administrativement. Aucun blessé n'a été signalé.
Les forces de l'ordre ont agi conformément à la doctrine de la gestion négociée de l'espace public (GNEP). L'usage de la force est resté limité et proportionné. Aucune enquête interne n'a été ouverte à ce stade, aucune plainte formelle n'ayant été enregistrée.
Je souhaite enfin souligner que la manifestation initialement prévue avait été pleinement négociée avec les organisateurs dans un esprit de collaboration et de respect mutuel.
Les services de police continueront d'appliquer la gestion négociée de l'espace public, dont l'objectif est précisément de garantir le droit fondamental de manifester – un droit qui, je le répète chaque fois que j'en ai occasion, m'est cher et est fondamental dans une démocratie comme la nôtre – tout en assurant la sécurité publique, tant pour les participants que pour les tiers.
Rajae Maouane:
Merci, monsieur le ministre, pour ces précisions. Effectivement, je partage l'objectif de garantir la sécurité des participants comme des tiers mais, ce 17 septembre, ce que beaucoup de jeunes ont vécu est ce qu'ils interprètent comme une violence institutionnelle et comme une volonté de ne pas entendre leurs revendications.
Il s'agit donc d'un dossier qui concerne la Fédération Wallonie-Bruxelles, de sorte qu'il faut qu'un dialogue s'installe entre les représentants étudiants et le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles. En revanche, sur certaines images, nous voyons très clairement qu'un jeune se fait menotter parce qu'il a posé une question à un policier et nous entendons des policiers interdire à des jeunes de filmer. Et cela, malheureusement, ce n'est pas un usage proportionné, c'est même illégal.
C’est sur ces aspects que j’aurais souhaité vous entendre.
En tout cas, ce genre d’événements, et la tournure que ces événements prennent, doivent être un appel à repenser la manière dont l'État et les forces de l’ordre organisent et encadrent l’expression citoyenne. En effet, je viens régulièrement ici en commission vous interroger sur la manière dont les forces de l’ordre encadrent ces manifestations et j’ai envie qu’elles se passent le mieux possible. Je sais que vous aussi. Il est intéressant de réfléchir à ce genre de choses. Par exemple, le fait que l’on utilise des techniques qui sont jugées illégales et pour lesquelles l'État a été jugé et condamné est incompréhensible aujourd'hui en termes démocratiques. J’aimerais vous entendre sur ce sujet, mais la suite sera pour le prochain épisode.
Voorzitter:
De vragen nrs. 56008692C van mevrouw De Vreese en 56008793C van mevrouw Pas zijn omgezet in schriftelijke vragen. La question n° 56008794C de Mme Désir est transformée en question écrite. De samengevoegde vragen nrs. 56008801C van de heer Thiébaut en 56008891C van mevrouw Daems worden uitgesteld. De samengevoegde vragen nrs. 56008842C van de heer Tonniau en 56008843C van de heer Hedebouw zijn zonder voorwerp, aangezien ze afwezig zijn. Vraag nr. 56008968C van de heer Bergers wordt uitgesteld en vraag nr. 56008976C van mevrouw De Vreese wordt omgezet in een schriftelijke vraag. Daarmee zijn we aan het einde van onze werkzaamheden gekomen. Dank u wel, mijnheer de minister, voor uw lange aanwezigheid en de antwoorden op de vele vragen. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 19.16 uur. La réunion publique de commission est levée à 19 h 16.
De Global Sumud Flotilla
De bescherming van en de steun aan de vloot naar Gaza
De associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Israël
De Belgische investeringen in de nederzettingen in de door Israël bezette gebieden
Het uitblijven van concrete maatregelen van de Europese Unie tegen de humanitaire blokkade in Gaza
De voorwaarden voor de erkenning van Palestina
De situatie in Palestina
De blijvende focus op de humanitaire situatie
De financiële steun voor de heropbouw van Palestina
Het intensifiëren van de medische evacuaties van kwetsbare kinderen
Gewelddadige kolonisten, kolonistenorganisaties en leden van Hamas
Het wapenexport- en wapentransitverbod
De importban
De beperking van de consulaire diensten ten aanzien van Belgen die in de nederzettingen wonen
Overvluchten
De maatregelen op EU-niveau
De erkenning van de Staat Palestina
De aanhoudende financiering van dodelijk jihadistisch terrorisme door de Palestijnse Autoriteit
De reactie op de uitschakeling van terroristische leiders in Qatar
Belgen die meevaren met de Hamasvloot
De genocide in Gaza en de bescherming van de Gazavloot
De bescherming van en de steun voor de vloot die naar Gaza onderweg is
De sancties tegen Israël
De diplomatieke contacten in verband met Palestina en het probleem van de sancties
De vloot die naar Gaza onderweg is om de blokkade te doorbreken
Het Amerikaanse vredesplan voor Gaza
De New York Declaration en de Palestijnse Staat
De uitvoering van het akkoord over Gaza
Het Amerikaanse vredesplan voor het Midden-Oosten
De tenuitvoerlegging van het invoerverbod voor producten uit de Israëlische nederzettingen
EU-beleid, sancties en humanitaire steun inzake Israël, Palestina en Gaza
Gesteld door
PS
Christophe Lacroix
Ecolo
Rajae Maouane
DéFI
François De Smet
DéFI
François De Smet
PS
Christophe Lacroix
Groen
Staf Aerts
N-VA
Kathleen Depoorter
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Groen
Staf Aerts
Open Vld
Kjell Vander Elst
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
PS
Lydia Mutyebele Ngoi
PTB-PVDA
Nabil Boukili
PTB-PVDA
Nabil Boukili
Les Engagés
Pierre Kompany
PS
Pierre-Yves Dermagne
Ecolo
Rajae Maouane
PTB-PVDA
Nabil Boukili
CD&V
Els Van Hoof
CD&V
Els Van Hoof
Ecolo
Rajae Maouane
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om Belgiës rol in het Israëlisch-Palestijnse conflict, met focus op de humanitaire flottille naar Gaza, het Trump-plan voor vrede, sancties tegen Israël en erkenning van Palestina. België steunt diplomatiek de flottille (via Spanje/Italië) maar wijst militaire bescherming af, uit vrees voor escalatie, en benadrukt het risico voor Belgische deelnemers. Het Trump-plan (20 punten) wordt beoordeeld als onvolmaakt maar potentieel effectief voor een staakt-het-vuren en gijzelaarsruil, hoewel kritiek bestaat op het ontbreken van Palestijnse zelfbeschikking en Europese betrokkenheid. Sancties (importverbod nederzettingsproducten, beperking EU-Israël-akkoorden) worden voorbereid, maar België wacht grotendeels op Europese consensus—wat kritiek uitlokt over traagheid en "twee maten en twee gewichten". De erkenning van Palestina (politiek, nog niet juridisch) wordt bevestigd als drukmiddel, maar concrete stappen (KB) blijven uit. Humanitaire hulp (evacuaties, UNRWA-financiering) loopt, maar de blokkade van Gaza en Israëlische schendingen van internationaal recht blijven centraal in de kritiek.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre présence.
Ces derniers jours, des citoyennes et des citoyens européens, mais aussi des Belges, ont embarqué dans la flottille pour la liberté, en route pour Gaza. À l'heure où on parle, quelques bateaux s'approchent déjà du rivage gazaoui. Parmi eux, se trouvent des médecins, des militants, des militantes, des élus – dont une élue belge, Bénédicte Linard, ancienne ministre de la Culture –, mais aussi des visages de la société civile.
Leur geste n'est pas seulement symbolique et politique, il est aussi extrêmement courageux, parce que nos gouvernements ne font rien, ou pas suffisamment, en tout cas. Ces gens prennent des risques, ils risquent leur vie. Parmi ces personnes-là, il y a aussi des gens sans parti, sans étiquette, qui disent "assez", qui en ont marre de l'inaction complice de l'Europe. Des ministres israéliens qualifient de terroristes ces militants pour la paix qui veulent casser le blocus illégal imposé par Israël à Gaza, et les chancelleries européennes, dont la nôtre, malheureusement, restent silencieuses.
J'avais déjà posé la question au premier ministre, mais je vous la repose, monsieur le ministre. Quelles mesures concrètes prenez-vous pour protéger nos ressortissants et leur garantir un soutien diplomatique immédiat? Et que mettez-vous en place pour soutenir la flottille et protéger celles et ceux qui pacifiquement défendent le droit et veulent casser le blocus israélien?
Pendant ce temps, on a vu, ce 29 septembre, Donald Trump présenter un plan pour Gaza en 20 points, 20 points qui ne sont rien d'autre qu'un ultimatum qui dit, en gros, d'accepter ce plan ou subir. Le premier ministre israélien l'affirme également sans détour: " Israël will finish the job ", autrement dit, rendez-vous, ou alors on vous tue tous et on écrasera tout ce qui reste. Je n'ai pas l'impression que ce soit un plan de paix, ni une solution. C'est vraiment une mise en scène. C'est humilier un peu plus la population palestinienne. C'est faire de la paix une monnaie de chantage. Et l'Europe, une fois encore, commente, analyse, mais n'agit pas.
Monsieur le ministre, reconnaissez-vous que cette dynamique et cette rhétorique du finish the job augmentent dramatiquement le risque d'une escalade militaire et de pertes civiles massives? Et quelle position défend à ce sujet la Belgique au Conseil de sécurité auprès de nos partenaires européens? Allez-vous exiger des garanties réelles comme des corridors humanitaires, la protection des civils, des sanctions concrètes? Et surtout, comment allez-vous nous assurer que la construction et l'aide humanitaire ne soient pas instrumentalisées par Trump et Netanyahu?
Enfin, je reviens en Belgique et sur ce que notre propre gouvernement a décidé, puisque, le 2 septembre, vous avez annoncé qu'un arrêté royal allait interdire l'importation des biens produits dans les territoires occupés. C'est une décision dans la ligne de la Cour internationale de Justice (CIJ), et de ce que font déjà notamment l'Irlande et la Slovénie. Cette mission vous a été confiée, monsieur le ministre, mais, depuis, nous nous demandons où ça en est. Pendant que le Parlement avance, ou peut avancer, que le Conseil d'État a rendu un avis constructif, on ne voit pas ce qui arrive du gouvernement.
Sur quelle base juridique allez-vous fonder cet arrêté et avec quel calendrier? D'ici la fin de l'année? Ce texte va-t-il repasser en Conseil des ministres? Que couvrent exactement les termes "par la puissance occupante"? S'agit-il uniquement des entreprises publiques ou aussi des entreprises privées installées dans les colonies? Comment allez-vous traiter les produits qui entrent par le biais d'autres pays européens? Quel mécanisme de contrôle allez-vous mettre en place?
J'ai conscience que je vous pose de nombreuses questions, mais j'ai essayé d'être aussi claire et condensée que possible.
François De Smet:
Monsieur le ministre, mes questions ont été rédigées juste après l'accord pris en kern, de sorte qu'elles portent essentiellement sur des précisions.
Je commencerai par les investissements belges dans les colonies, les territoires occupés. La Cour internationale de Justice, dans son avis de juillet 2024, avait établi sans ambiguïté les conséquences juridiques découlant de la colonisation en cours dans les territoires occupés, considérant que "la présence continue de l' É tat d'Israël dans les territoires palestiniens occupés est illicite" et qu'il est dans l'obligation de mettre fin à sa présence illicite dans les territoires palestiniens occupés.
Dans ce même avis, la CIJ a également conclu que tous les É tats sont dans l'obligation de ne pas reconnaître la situation découlant de la présence illicite d'Israël dans les territoires palestiniens occupés et de ne pas prêter aide ou assistance au maintien de la situation créée par la présence continue de l' É tat d'Israël dans ce territoire. Il peut être déduit de cet avis qu'il s'agit de ne pas financer ces deux crimes de guerre, ce qui signifie refuser d'importer des produits mais aussi des services, et cesser les exportations et les investissements belges dans les colonies.
Or, l'accord intervenu au sein du kern début septembre sur Gaza prévoit, certes, une interdiction d'importation des produits mais ne comporte pas d'éléments sur les services, les exportations et les investissements. Monsieur le ministre, quelles sont les exportations et investissements belges dans les colonies existantes? Disposez-vous d'un recensement à cet égard?
Par ailleurs, en application de la ligne politique que vous vous êtes fixée, à savoir le respect du droit international, ne pensez-vous pas qu'il faudrait étendre l'interdiction aux services, aux exportations et aux investissements belges dans les colonies?
Ma seconde question concerne l'accord d'association entre l'Union et Israël qui contient, comme nous le savons tous, une clause dite essentielle faisant dépendre tout l'accord du respect des droits humains. Ceux-ci sont constatés comme étant violés selon l'Union européenne. L'ancien vice-président de la Commission européenne, Josep Borrell, s'est récemment exprimé publiquement, considérant que le fait de suspendre l'ensemble de l'accord d'association n'est pas une option politique discrétionnaire mais également une obligation légale.
L'accord intervenu au sein du kern prévoit le soutien belge à la suspension de deux volets de l'accord, à savoir le volet commercial et le volet recherche, innovation, coopération, technologique. Mais il subsiste des zones d'ombre. Qu'en est-il du soutien de notre pays à la suspension des autres volets?
Dans la mesure où ces autres volets ne seraient pas mis à l'agenda prochainement, avez-vous un mandat pour pouvoir soutenir d'autres suspensions, voire la suspension de l'ensemble de l'accord, si les positions des autres pays européens devaient évoluer?
Enfin, j'ajoute une dernière question puisque, l'actualité étant ce qu'elle est, je peux difficilement éviter de vous demander si la Belgique a un avis sur le plan proposé par M. Trump, qui a déjà l'accord d'Israël et qui propose une fin de guerre conditionnée par des éléments qui, pour certains, paraissent assez peu réalistes. Que pensez-vous de ce plan? Que penser, surtout, de l'inexistence complète de l'implication des Palestiniens, mais aussi des Européens, dans son élaboration?
De voorzitster : Mevrouw De Poorter is niet aanwezig.
Katrijn van Riet:
Mevrouw de voorzitster, mevrouw De Poorter wil haar vragen graag stellen aan het einde van dit debat.
De voorzitster : Goed. De heer Aerts is ook niet aanwezig, de heer Van der Elst evenmin. Dan is het woord aan de heer Van Rooy voor vier minuten.
Sam Van Rooy:
Minister, ik heb drie vragen voor u. Ten eerste, Israël heeft bewijzen dat de zogenoemde Gaza Flotilla wordt aangestuurd door Hamas. Saif Abu Kishk zou namelijk een Hamasagent zijn en eigenaar van de Flotillaboten via Cyber Neptune, een schermvennootschap in Spanje. In Gaza zijn ook documenten gevonden waaruit blijkt dat Hamas rechtstreeks betrokken is bij de financiering en uitvoering van de zogenaamde Sumud Flotilla.
Ook de vorige flotilla had banden met jihadistische groeperingen, waaronder Hezbollah. Het is bovendien illegaal om te proberen de zeeblokkade te doorbreken, want die is volgens het internationaal recht en het UN Panel of Inquiry legaal. Ik verwijs in dit verband graag naar het Palmer Report van 2011.
Verschillende Belgen nemen deel aan deze Gazavloot, onder wie de zogenaamde mensenrechtenactivist Alexis Deswaef.
Minister, verifiëren onze veiligheidsdiensten deze zorgwekkende bevindingen van Israël over die Gazavloot? Hoeveel Belgen nemen deel aan deze Hamasvloot en wie zijn dat precies? Kunnen zij nog rekenen op diplomatieke hulp? Ik mag hopen van niet. Worden ze gescreend op mogelijke banden met het jihadistisch-terroristische Hamas? Zo niet, waarom niet?
Ten tweede, minister, ik heb u hier al meermaals over ondervraagd, de Palestijnse Autoriteit blijft nog altijd maandelijks salarissen uitbetalen aan Palestijnse moslimterroristen en/of hun families als beloning voor jihadistische moorden of terreuraanslagen. Ondanks de belofte om dit weerzinwekkende zogenaamde pay-to-slay -systeem te stoppen, gaat de corrupte negationist Mahmoud Abbas hier gewoon mee door.
Dat hoeft niet te verbazen, want dat soort moslims is uiteraard niet te vertrouwen. In het Engels praten ze ons, westerlingen, naar de mond als het hen uitkomt. Vervolgens gaan ze aan hun eigen publiek, in casu de Palestijnse moslims, precies het tegenovergestelde zeggen en oproepen tot jihad tegen niet-moslims. Dat is de islam ten voeten uit, dus.
Van 2019 tot 2024 heeft de Palestijnse Autoriteit zo maar liefst 1 miljard dollar uitbetaald als beloning voor dode joden.
Tot nader order, proficiat, draagt de Belgische regering daar nog altijd vrolijk aan bij.
Mijnheer de minister, mijn vraag is evident, voor de zoveelste keer. Wanneer draait deze regering eindelijk de geldkraan dicht naar deze Palestijnse terrorismesponsor in Judea en Samaria?
Ten slotte, heel veel mensen zijn terecht verbaasd dat u nu plots het Gazaplan van Trump en Netanyahu steunt. Het gaat om een toch wel slim plan, dat, indien Hamas niet akkoord gaat – wat helaas te verwachten valt – Israël terecht de toestemming geeft to finish the job .
Ik ben zeer benieuwd hoe u dat verzoent met al uw eerdere stellingnames, met uw systematische demonisering van Israël en met al uw eenzijdige, toch wel populistische oproepen tot het sanctioneren van Israël.
Lydia Mutyebele Ngoi:
Monsieur le ministre, le gouvernement Netanyahu continue de violer le droit international en toute impunité avec le soutien indéfectible des États-Unis. En effet, entre l'attaque du 9 septembre à Doha contre un bâtiment en plein centre de la capitale et les attaques répétées de drones de ces dernières semaines contre les navires de la Flotilla, la communauté internationale reste silencieuse.
Mon groupe soutient fermement la Freedom Flotilla et exige que la Belgique soit aux côtés de ses ressortissants, peu importe les différences politiques. Il s'agit d'une question d'humanité et de solidarité. Alors que la famine est en train de tuer à Gaza, certains mettent leur vie au service de l'humanité.
Quelle a été votre réponse, monsieur le ministre? Eh bien, vous avez qualifié leur action d'inutile et vous refusez même de leur accorder la protection. Je tiens à rappeler que la protection de nos ressortissants belges à l'étranger est une question régalienne qui ne saurait être négociable. Comment justifier que la Belgique reste silencieuse alors que d'autres pays européens, tels que l'Italie, l'Espagne et la Norvège, ont pris des mesures concrètes? Vous avez simplement déploré l'attaque illégale à Doha, une attaque arbitraire contre un pays souverain, et vous n'avez ni soutenu ni protégé la Flotilla. Vous n'avez même pas condamné les attaques et les menaces contre elle.
Quelle est la position officielle de la Belgique face à ces attaques contraires au droit international? Quelles démarches diplomatiques avez-vous entreprises pour exiger le rétablissement du respect du droit international et la protection de nos ressortissants? Allez-vous pousser le gouvernement pour l'envoi d'une assistance maritime et consulaire pour protéger nos compatriotes belges? Dans le cas contraire, comment allez-vous le justifier?
Nabil Boukili:
Monsieur le ministre, on a vu depuis hier un plan néocolonial en 20 points de Donald Trump être accueilli avec enthousiasme à la fois par Benjamin Netanyahu, le criminel de guerre, et par vous.
Monsieur le ministre, ce plan n'est pas un plan de paix, mais un ultimatum unilatéral américano-israélien. C'est une capitulation imposée, qui ne fera qu'au mieux mettre la guerre génocidaire à Gaza en pause, sans y mettre fin.
C'est une attaque frontale contre le droit international. Les arrêts de la Cour internationale de Justice exigent sans équivoque qu'Israël se retire des territoires occupés et garantisse le droit au retour des réfugiés palestiniens. Ces revendications sont jetées à la poubelle. Négation d'un état palestinien. C'est dit clairement. Division définitive des territoires palestiniens.
Vous avez salué cet accord, monsieur le ministre. Vous dites même: "c'est ce que la Belgique défend et c'est ce que la Belgique est prête à encourager".
Cela pose question. Est-ce cela que la Belgique salue? Ce genre de rejet du droit international, un plan qui ignore le droit du peuple palestinien à l'autodétermination, qui ne traite ni du colonialisme, ni de l'occupation, ni de l'apartheid, qui accueille un criminel de guerre comme Tony Blair comme responsable de l'administration de Gaza? Un plan dans lequel Netanyahu insiste pour que les troupes israéliennes ne quittent pas Gaza?
Ma première question, monsieur le ministre: comment pouvez-vous saluer un tel plan pour le peuple palestinien?
Deuxième chose, vous avez aussi salué la reconnaissance de l'État palestinien par la Belgique, ce qui est faux, monsieur le Ministre. Dans vos propres gouvernements, des messieurs comme M. Bouchez disent exactement le contraire de vous. Malheureusement pour vous, les faits lui donnent raison – parce que c'est une reconnaissance sous conditions, et ces conditions ne sont pas réunies. De facto, il n'y a pas de reconnaissance. C’est un peu une reconnaissance fastoche de communication, mais qui ne s'applique pas dans les faits.
Monsieur le ministre, c'est une deuxième promesse que vous avez faite au peuple palestinien que vous n'honorez pas ici.
Je termine par le fait que l'accord de gouvernement prévoit des sanctions contre l'État d'Israël – enfin, "'sanctions", ce sont franchement des demi-mesures. D’'ailleurs, la semaine suivant votre annonce de cet accord, 110 000 personnes sont descendues dans la rue pour dire que c'est complètement insuffisant et pas à la hauteur de la situation.
Dans cet accord, vous mentionnez les deux ministres extrémistes et le chef du gouvernement, M. Netanyahu. Les autres membres du gouvernement ne sont-ils pas des extrémistes? Deuxièmement, vous évoquez des colons violents. Connaissez-vous, monsieur le ministre, des colons non violents? Surtout, quelles sanctions ont-elles été prévues contre l'État d'Israël? Aujourd'hui, aucune sanction économique concrète n'est prise contre cet État génocidaire. Interdire l'importation des produits issus des colonies est vraiment le minimum, mais cela ne répond pas à la gravité de la situation.
La population se mobilise pour compenser les manquements et l’inefficacité des gouvernements européens. Il y a cette flottille qui, dans un contexte marqué par la honte liée à la complicité de l’Union européenne avec Israël dans ce génocide, a mobilisé des personnes déterminées à briser le blocus et à acheminer de l’aide humanitaire. Ici, le premier ministre a déclaré que cette action était inutile, qu’il n’apporterait aucune protection à cette flottille, et que les gens n’avaient qu’à éviter les zones de guerre.
Pourtant, un génocide est en cours. Il faut intervenir. Les conventions nous y obligent. En tant que gouvernement signataire de ces conventions, vous ne les respectez pas. Les populations compensent donc ce manquement et vous ne leur apportez pas la protection nécessaire.
Monsieur le ministre, la Belgique va-t-elle prendre des mesures concrètes pour protéger la flottille en cours, lui apporter l’aide nécessaire et faire en sorte qu’Israël ne l’attaque pas, sachant que des menaces ont déjà été proférées depuis hier à l’encontre de ses passagers?
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, ce 22 septembre, aux yeux du monde, la Belgique a reconnu l'État de Palestine. Le discours du premier ministre a constitué une étape importante dans la mise en œuvre de l'accord que vous avez obtenu en kern le 2 septembre dernier.
La Belgique se trouve désormais en bonne compagnie aux côtés de nombreux États. Elle figure également parmi les pays ayant adopté le plus de sanctions pour assurer le respect du droit international par Israël, mais aussi contre les terroristes du Hamas. Elle a également une position en pointe au sein de l'Union européenne pour que d'importantes sanctions soient adoptées à ce niveau. À cet égard, il est important que d'autres pays puissent suivre notre position pour que les sanctions puissent être véritablement efficaces. Tout seul, notre pays n'aura qu'un impact limité.
Plus particulièrement, nous devons tout faire pour que les propositions que la Commission a présentées le 17 septembre dernier soient adoptées rapidement. Elle a fait son job. Il revient à présent au Conseil de l'Union européenne de faire le sien. Nous devons agir pour qu'une majorité qualifiée puisse être rassemblée afin d'adopter la suspension du volet commercial de l'accord d'association.
Monsieur le ministre, votre département a-t-il élaboré une stratégie pour inciter d'autres É tats à suivre les positions de la Belgique? Vous-même, avez-vous eu des contacts bilatéraux avec d'autres États pour expliquer les positions adoptées? Avez-vous déjà eu des discussions avec certains de nos partenaires européens au sujet des propositions de la Commission du 17 septembre dernier?
Els Van Hoof:
Mijnheer de minister, ten eerste, de tijd zal uitwijzen of het twintigpuntenplan een vredesplan is. Het heeft in elk geval de verdienste dat het op korte termijn de genocide kan stoppen.
De bedoeling is dat er een duurzame vrede tot stand komt, waarbij ook de erkenning van de Palestijnse staat in het vooruitzicht wordt gesteld en waarin de Palestijnse Autoriteit een rol speelt. Er zijn dus positieve elementen, zoals de vrijlating van de Israëlische gijzelaars binnen de 72 uur, een onmiddellijk staakt-het-vuren, humanitaire toegang, de volledige terugtrekking van het Israëlische leger uit Gaza op termijn en het idee van een overgangsregering met een internationale stabilisatiemacht.
Er zijn echter ook nog veel onduidelijkheden in en bedenkingen bij het plan. Zo lijken er geen veiligheidsgaranties voor het Palestijnse volk te zijn opgenomen, indien Israël zich niet aan de afspraken houdt. Sinds de akkoorden van Oslo weten we bovendien dat een tijdelijke Israëlische bezetting in een permanente bezetting kan uitmonden.
Hoe staat u tegenover het twintigpuntenplan? Was de Europese Unie betrokken bij de opmaak ervan of werd ze geconsulteerd om ook deel uit te maken van de board of peace ? Oorspronkelijk bevatte het plan ook een 21ste punt, een belangrijk punt, maar dat is weggevallen. Zijn er ook garanties voor een vredesplan voor de Westelijke Jordaanoever? Daarover wordt er immers niets gezegd.
Ten tweede, wat het akkoord in de Belgische regering over de oorlog in Gaza betreft, mijn wetsvoorstel om producten uit de bezette gebieden te verbieden, dat ik in de Kamer heb ingediend, kon rekenen op enkele constructieve opmerkingen van de Raad van State, die bovendien bevestigde dat zo’n verbod tot onze bevoegdheid behoort. In het akkoord staat dat de ministers van Economie en Financiën samen met u een koninklijk besluit zullen uitwerken voor een nationale importban, enkel voor goederen die geproduceerd, ontgonnen of verwerkt worden in de door Israël bezette gebieden. Hoe ver staat u met de opmaak van het KB, samen met uw collega-ministers? Wat is daarvoor de deadline? Hopelijk wordt het nog dit jaar afgerond, zoals Slovenië reeds heeft gedaan en Ierland hopelijk zal doen en zoals ook Spanje en Nederland overwegen. Wordt de ban ook van toepassing op diensten uit de bezette gebieden of niet?
Kathleen Depoorter:
Mevrouw de voorzitster, vandaag lopen we heen en weer tussen commissievergaderingen.
Mijnheer de minister, ik heb een aantal vragen over de situatie in Gaza, die opnieuw veranderd is sinds ik mijn vraag indiende. Zo ligt er nu het twintigpuntenplan. Hebt u kennis van de exacte bewoordingen van dat plan. Ik heb het opgezocht, maar niet gevonden. Misschien beschikt u wel over duidelijke omschrijvingen. Uiteindelijk kunnen we pas de kans op slagen ervan inschatten, als we kennis kunnen nemen van alle details en van de manier waarop het plan moet worden uitgevoerd.
Ik merk ook dat de veiligheidsgaranties op het einde van het traject bij de erkenning van Gaza en bij de erkenning van Israël door de Arabische staten nogal vaag omschreven zijn. Die staten hebben, zo verneem ik toch, aangegeven te zullen meewerken. In hoeverre hebt u er zicht op dat die medewerking ook leidt tot een uiteindelijke erkenning van Israël zelf?
Een ander probleem betreft de Westelijke Jordaanoever . Hoe wordt daarrond voortgewerkt? Hoe concreet zijn de garanties zijn dat de illegale nederzettingen niet worden ingenomen? Dat wordt nog steeds door de regering van Israël verkondigd. We moeten aandachtig blijven voor die kwestie.
Wat de positie van Europa betreft, in hoeverre was Europa betrokken bij de totstandkoming van dat plan? In hoeverre is er een Europese vertegenwoordiging in de vrijheidsbestuur van Gaza? In hoeverre acht u het democratisch proces onder controle? Ik denk dat we het erover eens zijn dat de inwoners van Palestina uiteindelijk een democratisch verkozen bestuur moeten kunnen installeren om zo hun volledige zelfbeschikkingsrecht te kunnen uitoefenen. In hoeverre is dat volgens u meegenomen in het stappenplan? Kan Europa daarin een stem hebben, opdat dat inderdaad gebeurt?
Ten slotte, hoe ver staat het met de uitvoering van de beslissingen van het kernkabinet? Hoe ver staat het met de uitwerking van eventuele sancties in Europa, sancties die ons land sowieso zal onderschrijven conform de beslissing die genomen is in het kernkabinet?
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères, ce week-end, pendant que le président du gouvernement israélien, Benyamin Netanyahu, pérorait à la tribune des Nations Unies, où sa présence-même constituait une insulte à l'ordre juridique international, au droit international et même à la plus simple décence, j'ai eu l'occasion de me rendre à Catane pour soutenir les citoyens et les citoyennes courageux qui ont pris part à la flottille pour Gaza.
J'y ai vu des femmes, des hommes, des citoyens et citoyennes venus de toute l'Europe embarquer avec courage et dignité sur la flottille Thousand Madleens to Gaza . J'y ai vu des Belges, des Européens, des Européennes, des citoyens et les citoyennes engagés, solidaires et déterminés à briser le blocus illégal qui affame Gaza et sa population depuis des années, et avec une acuité et une violence décuplées depuis plusieurs mois maintenant.
J'y ai vu des militants qui refusent de rester les bras croisés devant le génocide en cours à Gaza. J'y ai vu des cœurs, et pas des armes. Des humanitaires, pas des provocateurs, et encore moins, bien entendu, des terroristes. Et, pourtant, depuis le départ de la Global Sumud Flotilla , ces embarcations civiles sont systématiquement attaquées. Des drones ont largué des grenades assourdissantes et des substances chimiques incendiaires sur le pont de différents bateaux remplis de civils. Suite à cela, des États comme l'Espagne et l'Italie ont immédiatement réagi, en envoyant des frégates pour protéger leurs ressortissants. L'Irlande a, quant à elle, accordé une protection diplomatique à ses ressortissants.
Et nous, monsieur le ministre? Quid de la Belgique? Nous avons d'abord eu droit à un silence radio de la part du gouvernement. Ensuite, des propos décalés, méprisants de la part du premier ministre à l'égard des citoyennes et citoyens courageux qui s'engagent dans cette flottille, en les présentant finalement comme des irresponsables qui prendraient des risques inconsidérés.
Et puis, monsieur le ministre, vous rendant compte qu'un total silence radio serait à la fois une faute politique, diplomatique et, plus important encore, morale, vous avez fait un petit pas. Et je tiens ici à le souligner, et le saluer d'une certaine manière, puisque vous avez pris langue avec vos homologues italien et espagnol pour que les frégates de ces deux pays puissent accorder leur protection aux citoyens belges qui naviguent sur les bateaux de la flottille.
C'est un premier pas significatif, mais insuffisant, monsieur le ministre. Face au comportement du gouvernement Netanyahu…
La présidente : Monsieur Dermagne, vous avez déjà parlé trois minutes.
Pierre-Yves Dermagne:
… Face aux attaques contre le droit international, il importe que la Belgique et son gouvernement aillent plus loin. Par conséquent, je vous demande, monsieur le ministre des Affaires étrangères, si vous entendez accorder la protection diplomatique aux ressortissants belges qui se trouvent sur la flottille. Entendez-vous demander au gouvernement et, en particulier, au ministre de la Défense d'envoyer également une frégate militaire pour protéger nos concitoyens?
La présidente : Ik geef het woord aan de minister.
Maxime Prévot:
Dank u, mevrouw de voorzitster. Merci, chers collègues. Vous avez été à nouveau nombreux à me poser des questions relatives à la situation au Moyen-Orient et à Gaza en particulier. Malgré l'absence de MM. Lacroix, Vander Elst et Aerts – lequel m'avait adressé de nombreuses questions – et comme une trentaine d'interventions étaient prévues à ce sujet, je vais tenter de répondre complètement, y compris aux questions des collègues absents, puisque nous avons pu prendre connaissance de leurs préoccupations préalables.
Qu'il n'y ait aucun doute à ce sujet: je continue de me préoccuper de ce qu'il se passe précisément, car ces événements sont extrêmement graves. Chaque jour, je travaille avec mes services, mon cabinet et mes collègues du gouvernement afin de trouver des solutions.
De militaire operaties van Israël tegen Gaza-Stad veroorzaken meer onschuldige slachtoffers, meer materiële schade en verdere massale verplaatsingen van de burgerbevolking. Samen met andere Europese landen heb ik de regering-Netanyahu opgeroepen om die plannen op te geven. Ik heb vervolgens de aanvallen veroordeeld en Israël herinnerd aan zijn verplichting om het internationaal humanitaire recht te respecteren.
Het is belangrijk dat zulke acties worden veroordeeld. Het is van essentieel belang om de aandacht te vestigen op schendingen van het internationale recht. Dat maakt deel uit van de strijd tegen straffeloosheid.
Comme nous le savons, les condamnations ne suffisent pas. La moitié des centres qui traitaient la malnutrition dans la ville de Gaza ont été détruits. Fin août, le secrétaire général de l'ONU déplorait une famine à Gaza. Le 16 septembre, la Commission d’enquête internationale indépendante de l’ONU sur le territoire palestinien occupé a estimé qu’il y avait un génocide à Gaza.
Face à la situation, il faut des mots forts, c’est évident, mais il faut aussi des actes concrets, ce qui l’est tout autant. C’est la raison pour laquelle j’ai fait de nombreuses propositions très précises que le kern a décidé d’entériner le 2 septembre dernier. Vous les connaissez, chers membres de la commission, puisque je suis venu dès le lendemain vous les présenter au sein même de cette commission.
Certaines d’entre elles avaient déjà été envisagées sous la précédente législature, mais c’est l’Arizona qui les a adoptées lors de son Conseil des ministres du 12 septembre dernier.
De heer Aerts en enkele collega's hebben mij gevraagd hoever de uitvoering van elk van die besluiten gevorderd is. Ze zijn niet allemaal van mij afhankelijk, maar na overleg met mijn collega's kan ik meedelen dat ze allemaal ofwel werden uitgevoerd ofwel in het proces van uitvoering zijn, met een tijdschema dat varieert. Zoals u zich kunt voorstellen, duurt het wijzigen van een wet langer dan het persona non grata verklaren van individuen. U hebt me ook veel vragen gesteld over de uitdagingen bij de uitvoering van die besluiten. U bent zich daar dus terdege van bewust.
Sommige van die besluiten zijn inderdaad primeurs. Ze inspireren trouwens ook andere landen, die België als voorbeeld nemen, mevrouw Depoorter. Met name Spanje kondigde enkele dagen later maatregelen aan die vergelijkbaar zijn met het Belgische pakket. We hebben verzoeken ontvangen van andere partners, die ook nationale maatregelen willen nemen. De Palestijnse missie in België heeft de Belgische regering bedankt voor haar moed en daden. Verschillende ngo's hebben me geschreven om mijn voorstellen te verwelkomen en me aan te moedigen de uitvoering ervan voort te zetten.
Monsieur Boukili, vous pensez qu'il faut agir plus vite et faire encore plus. C'est évident! C'est la raison pour laquelle je veille à ce que les décisions prises par le gouvernement soient matérialisées le plus rapidement possible. Au demeurant, j'ai écrit à mes collègues pour les sensibiliser à l'urgence d'agir. Mes services ont contacté en parallèle leurs homologues afin d'obtenir rapidement des résultats. La machine est donc en marche. En soi, c'est déjà un signal envoyé au gouvernement Netanyahu.
Depuis la dernière fois que je suis venu devant vous, nous avons pu évacuer médicalement des enfants supplémentaires, atteints de pathologies complexes qui ne pouvaient être traitées dans la région. Quelques semaines auparavant, déjà, nous avions évacué d'autres enfants ainsi que leurs accompagnateurs. La Belgique se situe ainsi en quatrième place des pays de l'Union européenne en ce domaine, même si le nombre de personnes reste en soi bien modeste au regard de l'ampleur du drame. En tout cas, peu nombreux sont les pays à agir par rapport à ce qui devrait être, mais l'essentiel de ceux qui assument cette prise en charge sont l' Égypte, les Émirats arabes unis ou la Jordanie qui, en raison de leur proximité, font plus que nous. Ces évacuations sont complexes et coûteuses, mais elles ne dépendent pas que de la Belgique. Nous ne maîtrisons pas de nombreux acteurs et de multiples facteurs. Il ne suffit pas de rêver à évacuer les gens de Gaza. Il faut se rendre compte que, dans ce contexte de guerre, arriver à identifier leur localisation, prévoir et sécuriser des couloirs d'extraction, s'assurer que ce qui avait été prévu la veille est encore valable le lendemain matin, procéder aux checks de sécurité nécessaires et assumer la prise en charge, ce sont des choses qui se disent facilement, mais qui sont applicables beaucoup plus difficilement dans un contexte de guerre. En tout cas, nous allons évidemment poursuivre ces opérations par humanisme.
De heer Aerts had meer informatie gevraagd over de 12,5 miljoen euro aan humanitaire hulp die ik heb aangekondigd, bovenop de 7 miljoen euro die dit jaar al is toegezegd. De aangekondigde 12,5 miljoen euro omvat een bijkomende 4,5 miljoen euro voor UNRWA, 2 miljoen euro voor de activiteiten van het ICRC, met name de bescherming en bijstand aan de meest kwetsbare mensen in Gaza en nog eens 6 miljoen euro voor OCHA als flexibele financiering om onder coördinatie van de Verenigde Naties de actoren te ondersteunen die het best geplaatst zijn om aan de behoeften ter plaatse te voldoen.
Daarnaast werden de voorbereidingen opgestart om het lopende programma van onze gouvernementele samenwerking met de Palestijnse Autoriteit bij te sturen. De timing en concrete invulling hangen af van de verwachte evolutie op het terrein. In ieder geval zal België zich resoluut blijven inzetten voor de ontwikkeling van een stabiele en inclusieve rechtsstaat in de Palestijnse gebieden. Tevens zal worden bekeken in welke mate België zich, in het kader van een internationale en multilaterale samenwerking, kan aansluiten bij een gezamenlijke aanpak voor herstel en heropbouw.
À ce sujet, nous nous sommes associés voici quelques jours à plusieurs autres États qui ont lancé la Emergency Coalition for the Financial Sustainability of the Palestinian Authority.
Ik wil ook duidelijk stellen dat België wel degelijk reageert op de vernieling door Israël van projecten die mede door ons land zijn gefinancierd. Sinds 2017 hebben de EU en een aantal donoren op initiatief van België een gemeenschappelijke strategie ontwikkeld voor gevallen van sloop en inbeslagname, waarbij wij financiële compensatie van de Israëlische autoriteiten eisen. De donoren en de EU hebben officiële brieven gestuurd naar de COGAT (Coordinator of Government Activities in the Territories), de civiele administratie in de Palestijnse gebieden die onder het Israëlische ministerie van Defensie valt.
De overhandiging van die brieven gaat regelmatig gepaard met stappen die de ambassades van de betrokken lidstaten zetten ten aanzien van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken.
Il va évidemment de soi qu'une reconstruction de Gaza ne pourra être effective que si elle s'inscrit dans le cadre d'une perspective politique négociée garantissant les conditions pour que les Palestiniens et Israéliens puissent vivre durablement en paix côte à côte. C'est pour cela que le 22 septembre, à New York, la Belgique s'est jointe aux pays qui ont annoncé la reconnaissance de l' É tat de Palestine.
Cette décision était fidèle à la résolution que vous avez vous-même adoptée en mai dans ce Parlement et que le gouvernement avait décidé de faire sienne. Cette reconnaissance participe à la matérialisation de la solution à deux É tats pour laquelle nous plaidons, ceci parce que nous pensons que c'est la meilleure façon de permettre aux Israéliens et aux Palestiniens de vivre les uns à côté des autres pacifiquement et en sécurité dans la durée.
Dit was de eerste fase, de politieke fase. Het koninklijk besluit is immers onderworpen aan twee voorwaarden die het mogelijk maken om te voorkomen dat Hamas een blanco cheque krijgt. Als het Trumpplan wordt aangenomen, zal trouwens aan de twee voorwaarden worden voldaan: de vrijlating van de gijzelaars en de uitsluiting van Hamas van het bestuur van Palestina.
Monsieur Boukili, ne vous en déplaise à vous ou à d'autres de vos collègues, je peux témoigner que la semaine dernière à New York, lors de la semaine de haut niveau des Nations Unies, les propos de notre premier ministre à la tribune, évoquant clairement cette reconnaissance sur la scène diplomatique, ont été largement salués, y compris par les autorités palestiniennes. Personne ne m'a en effet accosté dans les couloirs en me disant "Monsieur le ministre, quand va venir le moment de l'adoption de l'arrêté royal en Conseil des ministres?" Ce qui importait pour la communauté diplomatique internationale, c'était la posture politique de la Belgique se joignant au groupe des autres pays qui ont reconnu l'État de Palestine.
S'il est vrai que certains, vous comme d'autres, pourraient considérer que la seule reconnaissance valable est celle qui produit des effets juridiques, à savoir celle qui fera l'objet d'une validation par le Conseil des ministres, alors oui, nous n'y sommes pas encore. On peut continuer à rester dans l'entre-soi belgo-belge, pétri de ses certitudes politiques, parce que cela sert évidemment le jeu majorité-opposition, il n'en demeure pas moins que l'effet de la position belge a été bien perçu sur la scène diplomatique internationale. Du reste, d'autres pays sont d'ailleurs en train d'observer et d'étudier, en interne de leur processus décisionnel, le processus qui a été le nôtre.
Rappelons aussi, parce que le débat autour de la question de la reconnaissance a parfois tellement supplanté le reste des dimensions de ce problème à Gaza, que la reconnaissance, même décidée de manière immédiate, n'est pas ce qui permet de nourrir les bouches affamées des enfants, des femmes, des citoyens actuellement en manque d'aide humanitaire à Gaza. C'est la raison pour laquelle – même si cette reconnaissance était extrêmement importante pour pouvoir s'ériger contre les velléités israéliennes d'annexion de la Cisjordanie, d'occupation militaire totale de Gaza ou de relance de nouvelles colonies illégales, pour préserver la solution à deux États, comme son nom l'indique – elle ne doit pas nous éloigner de l'essentiel, qui reste la crise humanitaire. Le seul moyen de faire sauter le bouchon inacceptable et illégal du blocus humanitaire, constitutif de crime de guerre, est d'agir sur le volet des sanctions.
À cet égard, la Belgique est dans le peloton de tête européen des mesures qui ont pu être prises. Je l'ai déjà dit, et je le répète, je vous mets au défi de trouver cinq pays européens qui ont pris des mesures aussi volontaristes que les nôtres en termes de sanctions.
In ieder geval blijven wij sancties opleggen aan Israëlische kolonisten en aan Hamas, zowel op nationaal als Europees niveau. We roepen de EU ook op met aanvullende voorstellen te komen die de druk op hen kunnen opvoeren.
Parce qu'il est clair que, si la Belgique ne pouvait plus rester derrière le paravent de l'inertie européenne pour s'exonérer de prendre des initiatives nationales – raison pour laquelle j'ai proposé cette batterie de mesures début septembre –, nous sommes aussi conscients que c'est en prenant des sanctions à l'échelle européenne que celles-ci auront potentiellement le plus d'impact sur Israël, puisque l'ensemble du marché européen représente le premier partenaire économique d'Israël.
Donc, nonobstant les mesures prises au niveau belge, nous continuons de plaider ardemment pour que des sanctions soient également prises au niveau européen pour maximiser l'impact de ces mesures. En attendant, nous travaillons à ce que nos mesures, jointes à des décisions nationales d'autres États, puissent atteindre une masse critique significative et avoir un effet d'entraînement, un effet boule de neige.
Wat Hamas betreft, willen wij dat die terroristische beweging de gijzelaars onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrijlaat. Tegelijkertijd moedigen we Israël aan om met Hamas te onderhandelen. Tot nu toe is het immers dankzij onderhandelingen dat de meerderheid van de gijzelaars is vrijgelaten.
Daarom betreur ik, mijnheer Van Rooy, net als de Europese Unie, de schending van de soevereiniteit van Qatar door Israël, dat op 9 september aanslagen heeft gepleegd in Doha. Op grond van artikel 2, paragraaf 4, van het Handvest van de Verenigde Naties is dat een ernstige schending van de soevereiniteit van Qatar. Die aanslagen zijn des te betreurenswaardiger omdat Qatar, samen met Egypte en de Verenigde Staten, een bemiddelende rol speelt om de vrijlating van Israëlische gijzelaars en een staakt-het-vuren in Gaza mogelijk te maken. Het waren echter juist de Hamas-onderhandelaars die Israël daar heeft gedood. U mag zich verheugen dat er mannen zijn gestorven, als u dat wilt, maar het internationale recht sluit buitengerechtelijke executies uit. Bovendien is het doden van Hamas-onderhandelaars waarschijnlijk geen goed nieuws voor de Israëlische gijzelaars, omdat het de deur sluit voor verdere onderhandelingsmogelijkheden, terwijl onderhandelingen tot nu toe meer resultaat hebben opgeleverd dan militair geweld.
Même si, évidemment, personne ne pleurera le décès de leaders terroristes du Hamas.
We veroordelen trouwens ook gelijkaardige Israëlische aanvallen in Libanon en Syrië. Het is aan deze landen om terreurorganisaties op hun eigen grondgebied te bestrijden, met respect voor de rechtsorde en de mensenrechten.
De twee voorwaarden, waarvan eerder sprake, om de staat Palestina wettelijk te erkennen, hangen niet af van Israël. Het is twijfelachtig of de regering-Netanyahu al het mogelijke doet om de gijzelaars vrij te laten, maar het is Hamas dat hen vasthoudt. Het is Hamas dat hen zou moeten bevrijden.
Over de voorwaarde dat terroristische organisaties zoals Hamas van het beheer van Palestina zouden worden uitgesloten, heeft Hamas gezegd dat het hiervan voorstander zou zijn. De verklaringen van president Abbas gaan in dezelfde richting, zoals ook is besloten door alle ondertekenende staten in de Verklaring van New York en het is ook wat het Trumpplan, dat Hamas bestudeert, biedt.
Mevrouw Van Hoof, madame Maouane, monsieur Boukili, je n'ai pas accueilli "avec enthousiasme", comme vous l'avez indiqué, monsieur Boukili, le plan proposé par M. Trump, plan que vous qualifiez de néocolonial. Mais j'ai, comme d'ailleurs l'immensité de la communauté internationale, salué ce plan. Même l'Espagne, que vous identifiez souvent comme étant le pays le plus en pointe dans la défense de la cause palestinienne, a salué ce plan, tout comme moi.
Ce plan n'est pas parfait, et l'Union européenne n'a pas encore été formellement impliquée à ce stade, non. Plusieurs pays arabes ont, par contre, été consultés en amont, notamment durant la semaine à New York. J'en ai été le témoin direct, et j'ai pu en parler avec plusieurs de mes homologues des pays arabes.
Ce plan exclut l'occupation de Gaza par Israël. C’est une bonne chose, mais les conditions du retrait mériteraient d'être clarifiées et précisées selon un calendrier précis, d'autant qu'on entend le premier ministre israélien émettre des objections à cette question.
Ce plan reconnaît que les Gazaouis doivent pouvoir rester chez eux. Il prévoit un cessez-le-feu et une augmentation de l'aide humanitaire; mais il resterait des obstacles à cette aide. Le sort de la Global Humanitarian Foundation, qui est problématique, nous le savons, n'est pas clairement réglé.
Le plan reconnaît aussi le droit à l'autodétermination du peuple palestinien, ce qui est notre position également. Mais les étapes pour parvenir à la solution à deux États restent à confirmer.
Il prévoit la libération des otages et celle de prisonniers palestiniens, dont des enfants. Il exclut le Hamas de la gouvernance de Gaza, ce que nous souhaitons également. Mais il part de la mise en place d'un board of peace , dirigé par des étrangers, ce qui peut aussi poser question. L'Autorité palestinienne est mentionnée, mais son rôle n'est pas évident.
Bref, ce plan n'est pas parfait, mais il a bien le mérite d'exister dans le contexte que nous connaissons. Malgré ses imperfections, il offre une base pour reprendre les négociations de manière crédible. C'est cela qui mériterait d'être salué.
In een verklaring naar aanleiding van het plan van president Trump herhaalde de Palestijnse Autoriteit ook haar positie over de hervormingen die toegezegd zijn op de Tweestatenconferentie in New York, inclusief presidents- en parlementsverkiezingen binnen één jaar na het einde van de oorlog; scholencurricula in lijn met de Unesconormen binnen de twee jaar uitvoeren; de afschaffing van het Martelarenfonds en de oprichting van een sociaal welzijnssysteem, onderworpen aan internationale controle. Een uitdaging zal echter het organiseren van verkiezingen zijn. De Palestijnse Autoriteit heeft geen toegang tot Oost-Jeruzalem, dat geannexeerd is door Israël, en momenteel ook niet tot Gaza. Toch wordt er nagedacht over creatieve oplossingen, ook om de mogelijke weigering van Israël te overwinnen.
Mijnheer Van Rooy, de hervormingen van het Martelarenfonds en van de schoolcurricula maken al deel uit van de voorwaarden voor Europese financiering. DG MENA (Directorate-General for the Middle East, North Africa and the Gulf) heeft technische teams ter beschikking gesteld aan de Palestijnse Autoriteit. De wetgeving rond het Martelarenfonds werd reeds in februari afgeschaft en vervangen door een nieuwe wet ter oprichting van een socialezekerheidsfonds gebaseerd op armoede-indicatoren. Begin september werd de eerste betaling verricht onder dat nieuwe socialezekerheidssysteem. Voorts werd ook een audit besteld, die de komende maanden zal worden uitgevoerd.
Ik wil de heer Van Rooy ook meegeven dat de Palestijnse Autoriteit van haar kant Israël al erkend heeft in 1993. De Palestijnse Autoriteit is echter niet beloond voor haar erkenning van Israël, wat extremisme in de hand heeft gewerkt.
Ik wens te benadrukken dat de erkenning van Palestina geen anti-Israëlische beslissing is. Het is de bevestiging van het Europese en Belgische beleid sinds decennia, waarbij we ons engagement ten aanzien van de tweestatenoplossing systematisch herhalen.
Volgens de beschikbare archieven tussen 2020 en vandaag was er één verzoek aan België voor diplomatieke toestemming voor overvluchten van Israëlische militaire vluchten. De weigering van verzoeken van de Israëlische autoriteiten voor militaire overvliegvergunningen geldt voor alle aanvragen. Er is nog nooit een verzoek ingediend voor een permanente diplomatieke toelating voor Israëlische militaire vluchten. Dat is mijn antwoord op een vraag van de heer Aerts.
Wat ons wapenuitvoerbeleid betreft, kan ik het volgende meedelen. In juni organiseerde ik reeds een interfederaal overleg met de betrokken beleidscellen en administraties. Het doel van dat overleg is enerzijds om de regels aan te scherpen en anderzijds om de uitvoering te verbeteren door middel van coördinatie en informatie-uitwisseling. Daarbij spelen Douane, Mobiliteit, Buitenlandse Zaken en de gewesten een rol. Vragen die specifiek over Douane en Mobiliteit gaan, moeten aan de bevoegde minister worden gesteld. Op basis van de beslissing van de Raad van ministers van september vond nog recent overleg plaats.
We hebben een politieke consensus bereikt om het akkoord tussen de federale overheid en de gewesten van 2009 aan te passen. Ik bereid bovendien een koninklijk besluit voor, samen met mijn collega Jean-Luc Crucke, de minister van Mobiliteit. Beide worden binnen de komende dagen verwacht.
Wat individuele sancties betreft, gaat het om verschillende lijsten. De namen die op Europees niveau zijn aangenomen, zijn meteen ook op Belgisch niveau overgenomen. We pleiten echter al meer dan een jaar op Europees niveau voor een uitbreiding van deze lijsten, zowel wat betreft de leden van Hamas als gewelddadige kolonisten en twee extremistische ministers.
Tot nog toe is daarover op Europees niveau geen consensus, zoals ik ook meermaals in deze Kamer heb aangegeven, niettegenstaande de juridische sterkte van deze voorstellen. Onze voorkeur gaat uiteraard nog steeds uit naar een Europese aanpak, maar in afwachting daarvan zullen wij op nationaal niveau deze individuen sanctioneren, als uitzonderlijke maatregel. De betrokken diensten werken aan de uitvoering hiervan. Persoonlijk hoop ik dat er stilaan een momentum ontstaat, zodat de Europese leiders hierover een gemeenschappelijk signaal kunnen geven. Ik hoop het des te meer na de verklaringen van de voorzitster van de Commissie, mevrouw Von der Leyen.
Mevrouw Van Hoof, laten wij eerlijk zijn, van alle maatregelen die ik aan het kernkabinet heb voorgesteld, zal het invoeren van een importban voor producten uit de illegale nederzettingen ongetwijfeld de moeilijkste worden. Zoals u allen weet, leven wij in een eengemaakte Europese markt en is de Europese Commissie bevoegd voor de handel met landen buiten de EU. Het Internationaal Gerechtshof heeft echter al meer dan een jaar geleden beslist dat derde staten, zoals België, de verplichting hebben de handel met de nederzettingen stop te zetten. Zo niet, dragen wij onrechtstreeks bij tot het bestendigen van een oorlogsmisdaad.
Dit geldt als onze juridische basis. Vandaar dat ik al aan de Europese Commissie heb gevraagd om ons richtlijnen te geven. Samen met ongeveer 10 andere EU-lidstaten heb ik bovendien een brief gestuurd naar de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger om samen te werken aan een Europees beleid hieromtrent. In afwachting van een Europees beleid willen wij op Belgisch vlak al van start gaan, in lijn met ons engagement ten aanzien van het internationaal recht.
Slovenië voerde al een importverbod in, enkel voor producten uit de nederzettingen. Ierland werkt eveneens aan een wetsvoorstel waarin ook de diensten en investeringen zouden worden opgenomen. Ook vanuit onze buurlanden Nederland en Luxemburg bestaat er belangstelling, evenals vanuit Spanje. Mijn diensten staan bovendien in contact met onze collega’s in Ierland, die eveneens een gelijkaardig voorstel uitwerken. Met andere woorden, ons initiatief krijgt tractie.
Het behoort tot de bevoegdheden van de FOD Economie om samen met de FOD Financiën de actie concreet uit te werken. Er zijn deelaspecten die eenvoudiger toe te passen zijn dan andere. Als voorbeeld kan worden vermeld dat de lijst met postcodes van de nederzettingen gekend is, waardoor de productiesites kunnen worden getraceerd. Ook de Verenigde Naties heeft recent een geactualiseerde lijst gepubliceerd van ondernemingen die actief zijn in de illegale nederzettingen. Om uw vraag te beantwoorden, geef ik mee dat geen enkel Belgisch bedrijf daarin is vermeld.
C'est bon à savoir! Cette mise à jour faite par les É tats, par les Nations Unies, précise bien que, dans toute cette liste d'entreprises qui agissent dans les colonies illégales, ne figure aucune entreprise belge.
Pour répondre de manière plus précise encore à M. De Smet, qui m'interrogeait sur les modalités pratiques de la mise en œuvre de cette sanction décidée par le Conseil des ministres et visant à interdire l'importation de ces produits, je ne peux que vous inviter à l'avenir à interroger mes collègues de l'Économie et des Finances chargés de la mise en œuvre pratique de cette décision, et non les Affaires étrangères. Madame Maouane, la décision du Conseil des ministres vise bien à interdire non seulement les produits issus d'entreprises publiques israéliennes mais aussi ceux des entreprises privées installées dans les colonies. Pour les mécanismes de contrôle et les modalités d'importation via d'autres pays de l'Union européenne, comme je viens de le préciser, je ne peux que vous orienter vers mes collègues en charge de l' É conomie et des Finances.
Monsieur De Smet, nous prenons nos responsabilités au niveau national et aussi au niveau européen qui, je l'ai déjà dit, reste incontestablement le niveau le plus pertinent pour agir. Mais ceci ne doit pas nous dédouaner de nos propres initiatives. La Belgique soutient clairement la suspension partielle et même potentiellement totale de deux volets de l'accord: le volet commercial et le volet recherche-innovation-coopération technologique.
Je rappelle qu'à la lecture de la décision prise par le kern, entérinée ensuite par le Conseil des ministres, j'ai reçu un mandat clair et total d'appuyer toutes les sanctions qui seront mises sur la table par l'Union européenne et de pouvoir même les plaider. Vous aurez vu dans la liste que nous avons évidemment évoqué le fameux accord d'association entre l'Union européenne et Israël, tant sa suspension totale que partielle. Mais nous avons été bien au-delà, en listant toute une série d'autres accords entre l'Union européenne et Israël et pour lesquels la Belgique est demandeuse. Elle-même soutiendra donc toute sanction possible.
Monsieur Kompany, le 17 septembre la Commission européenne a finalement présenté un paquet de mesures et de sanctions aux États membres. Il y a donc quelques jours de cela, suite aux demandes que j'avais formulées à plusieurs reprises avec d'autres collègues européens. J'ai en effet eu des discussions avec certains de mes partenaires européens sur ces propositions. Pour les adopter, il faudra, selon les mesures proposées, tantôt l'unanimité, tantôt une majorité qualifiée. La Belgique adoptera quoi qu'il en soit une approche volontariste. Au-delà des accords et des programmes dont nous avons déjà décidé d'appuyer la suspension, la décision du gouvernement est très claire: la Belgique appellera la Commission et le Service européen pour l'action extérieure à présenter également d'autres mesures possibles. Nous ne nous en tiendrons pas uniquement aux déclarations faites par Mme Von der Leyen.
Monsieur Boukili, vous estimez peut-être que l'accord est largement insuffisant, bien qu'il soit largement supérieur à ce qu'un quelconque précédent gouvernement ait jamais pris comme décision, que plusieurs mesures sont des premières et que d'autres pays s'en inspirent. Là où je ne suis pas d'accord avec vous, c'est que votre logique semble être celle de sanctions aveugles permanentes, celle du blanc ou noir. Je l'ai dit, ce serait une erreur de punir aveuglément un peuple dont des centaines de milliers de personnes, tout comme en Belgique, s'insurgent contre les politiques du gouvernement Netanyahu. Notre gouvernement fait la différence entre le gouvernement d'Israël, qui viole actuellement de manière scandaleuse le droit international, et le peuple d'Israël, qui est divisé. Nous veillons aussi à ne pas faire d'amalgame entre le gouvernement d'Israël et la communauté juive à travers le monde. L'antisémitisme est en hausse, et pour lutter contre cela, nous prenons aussi des mesures.
Volgend op de beslissingen van de federale regering van 12 september en de opdracht die mij werd gegeven om de toegang tot de consulaire diensten voor Belgen die in de nederzettingen wonen te beperken tot uitsluitend de wettelijk bepaalde noodbijstand, kan ik enige toelichting geven in antwoord op uw vragen.
Er dient allereerst een duidelijk onderscheid tussen consulaire administratieve bijstand en consulaire noodbijstand te worden gemaakt. Beiden vallen onder het regelgevend kader van het Consulair Wetboek. De elementen van consulaire dienstverlening die in dat wetboek staan, die u in uw vragen hebt aangehaald, vallen onder de definitie van consulaire administratieve bijstand en zullen derhalve niet langer aan de Belgen die in de nederzettingen wonen worden verleend.
Wat de legalisaties betreft herinner ik u eraan dat Israël, net als België, lid is van het Verdrag van Den Haag van 5 oktober 1961 tot afschaffing van het vereisen van legalisatie van buitenlandse openbare akten. Voor de regeringsbeslissing van 12 september werden er dus al geen documenten meer gelegaliseerd.
Consulaire noodbijstand, inclusief de afgifte van noodreisdocumenten, zoals bepaald in hoofdstuk 13 van het Consulair Wetboek, blijft wel van toepassing, zoals voor alle Belgen in het buitenland, in uitvoering van de regeringsbeslissing van 12 september.
Collega’s, volgens de informatie waarover wij beschikken, nemen acht Belgen deel aan de Global Sumud Flotilla. Anderen maken deel uit van de Thousand Madleens Flotilla. We staan in contact met deze flottieljes en hun vertegenwoordigers in België. Mijn medewerkers ontvangen vandaag voor de tweede keer vertegenwoordigers op mijn kabinet.
De FOD Buitenlandse Zaken volgt de ontwikkelingen op de voet.
Et je suis toujours surpris quand – sauf à vouloir caricaturer la situation – on parle de mon silence sur la question de cette flotte.
D'abord parce que je me suis déjà exprimé publiquement à deux reprises. Par ailleurs, pas plus tard que dimanche dernier, j'ai encore longuement eu au téléphone le matin l'un des acteurs coordinateurs. Peut-être que ce que je dis n'est-il pas ce que la flottille a envie d'entendre. Ça, c'est autre chose. Mais pour autant, on ne peut pas parler de silence.
Pendant votre week-end à Catane, monsieur Dermagne, j'ai obtenu de mes homologues italien et espagnol – et je vous remercie d'avoir eu l'élégance de le souligner – que leurs bateaux puissent en cas de besoin porter assistance à nos compatriotes.
Il y a une grande distinction à opérer entre la protection consulaire et la protection militaire. J'entends que la flottille voudrait que la Belgique envoie un bateau militaire. Outre le fait que je ne rentrerai pas dans un long débat sur notre marine et la disponibilité relative de ses frégates – dont certaines sont d'ailleurs en maintenance –, des pays comme la Grèce, l'Italie ou l'Espagne, au vu de leur configuration géographique bercée par l'eau, ont évidemment une flottille bien plus large que la nôtre. Dès lors que l'enjeu est de porter assistance en cas de problème, il n'est nul besoin d'un bateau supplémentaire à ceux déjà aux côtés de la flottille actuelle. C'est la raison pour laquelle j'ai pris contact d'initiative avec mes homologues italien et espagnol pour s'assurer qu'en cas de nécessité, leur bateau pourrait aussi prendre en considération l'assistance à apporter à nos compatriotes, ce qui a été acquis. Et j'en remercie l'Italie et l'Espagne.
C'est différent d'une protection militaire, car même mes homologues m'ont confirmé que les bateaux militaires dépêchés sur place par l'Espagne et l'Italie s'y rendent avec la seule finalité d'une assistance humanitaire. Ils ne vont pas eux-mêmes franchir les eaux territoriales israéliennes. Il ne faut donc pas attendre une intervention militaire quelconque, susceptible de générer une escalade militaire avec plusieurs pays européens, que personne ne souhaite dans cette région.
Bien sûr, nous pourrions à l'envie discourir, faire des cartes blanches, donner des interviews en disant "oui mais ce ne sont pas des eaux territoriales israéliennes, ce sont des eaux territoriales palestiniennes". Je suis ouvert et prêt pour tout ce débat rhétorique. Il n'en demeure pas moins qu'aujourd'hui, nous avons quand même tous pu nous rendre compte, depuis des mois et des mois, que le respect du droit international n'était pas la grande priorité de l’État d’Israël. Il viole ce droit international sans vergogne depuis des mois sur terre. Qui peut imaginer que tout d'un coup, il va par miracle être pris de remords à violer ce droit international en mer? Il considère, indépendamment de la rhétorique qui peut nous animer, que les eaux territoriales sont bel et bien israéliennes. Peu importe que l'on cautionne ou pas cette analyse: c'est celle aujourd'hui d'Israël, qui est susceptible d'intervenir militairement.
C'est la raison pour laquelle, tout en saluant pour ma part la démarche extrêmement louable de ces activistes – et ce mot n'est pas péjoratif dans ma bouche – je rappelle, et c'est mon devoir, que nos compatriotes qui participent à ces flottilles sont en train de mettre leur vie en danger. C'est mon devoir de les alerter et de ne pas faire semblant de l'ignorer. C'est mon devoir de souligner que, si leur volonté d'attirer l'attention de la communauté internationale sur le blocus humanitaire honteux qui s'exerce depuis trop longtemps à Gaza est évidemment louable, il n'a pas été utile que cette démarche se fasse pour que la communauté internationale soit consciente de ce drame qui se joue.
C'est là où je dis qu'il y a une mise en danger que l'on peut juger risquée ou inutile de leur propre vie, alors même que le message a déjà été compris, mais que les capacités d'action et d'intervention pour éviter un embrasement militaire total de la région sont compliquées et doivent se résoudre par les voies diplomatiques. Il ne saurait être question d'envoyer des navires militaires et encore moins d'intervenir militairement, sous peine de générer une escalade dans la région.
Je rappelle que des propositions ont été faites à cette flottille de pouvoir livrer leur aide humanitaire sur une île grecque, se chargeant par la suite du transport jusqu'à destination, mais que cette proposition n'a ni été souhaitée ni jusqu'à présent acceptée par Israël.
Je le dis et redis très clairement: une assimilation de ces Belges par Israël à des terroristes est et serait totalement inacceptable. J'ai déjà insisté auprès d'Israël pour le respect strict du droit international, y compris celui de la mer. Mais vous savez, aujourd'hui, quel intérêt extrêmement relatif Israël porte au respect du droit international.
Mes services ont invité vendredi dernier l'ambassadrice d'Israël, une nouvelle fois, pour lui transmettre clairement nos messages et la mettre en garde: toute démarche, et a fortiori, attaque contre nos compatriotes est inacceptable. Une protection consulaire classique – celle que nous offrons à nos compatriotes quel que soit le pays du monde où ils se trouvent en difficulté – sera évidemment procurée. Mais ne confondons pas un souhait de protection consulaire avec une exigence de protection militaire qu'il n'est pas raisonnable de formuler dans le contexte que nous connaissons!
C'est la raison pour laquelle, sans remettre en cause la motivation de ces personnes et en m'associant à la volonté qui est la leur de dénoncer le blocus humanitaire, en agissant par contre par les voies diplomatiques en vue d'obtenir un résultat, je ne peux que réitérer mon appel à la plus grande prudence pour éviter à nos compatriotes une mise en danger de leur propre vie et de celle des personnes qui les accompagnent.
Les leviers sont clairement au niveau diplomatique. On peut espérer que le plan proposé par M. Trump, nonobstant les éléments d'insatisfaction qui subsistent ou les éléments de clarification attendus, procure rapidement des effets, dont notamment la libération de plus de 500 camions d'aide qui pourraient à nouveau entrer chaque jour à Gaza. Ce serait effectivement un élément utile, susceptible de procurer un résultat concret sur le terrain.
Voilà, mesdames et messieurs les parlementaires, les éléments qu'il me paraissait utile d'apporter en réponse à vos interrogations multiples et légitimes sur la situation problématique à Gaza, en Israël, et à l'égard de la flottille. Il n'y a pas de silence. Il y a une prise de conscience et une prise de responsabilité, qui doivent venir de toutes les parties. Je vous remercie.
De voorzitster : Collega’s, iedereen heeft twee minuten repliektijd. Gelieve u daaraan te houden, aangezien er nog veel vragen volgen.
Rajae Maouane:
Madame la présidente, je vais essayer d'être rapide. Merci, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je ne vais pas vous cacher que je ne suis pas totalement satisfaite ou totalement rassurée par toutes vos questions. Merci d'abord d'avoir qualifié les propos du ministre israélien – qui menace les activistes – "d'inacceptables". C'est rassurant, je ne l'avais pas entendu avant. Je l'entends maintenant et cela me rassure.
Le plan américain est un début, en effet, mais ce n'est pas vraiment un plan de paix. Comme je l'ai dit, c'est un ultimatum. C'est un couteau sous la gorge des Palestiniens pour accepter un plan de paix qui n'en n'est pas un.
Sur le reste, je me réjouis d'interroger MM. Jambon et Clarinval sur l'interdiction des produits issus des colonies.
J'ai beaucoup de respect pour vous et votre fonction. J'ai même – j'espère que vous le savez – de l'estime à votre égard. Par contre, quand je vous entends dire qu'il y a un "problème" à Gaza, parler de "crise humanitaire", cela me choque profondément. Les mots ont un sens, monsieur le ministre. Le problème à Gaza est qu’Israël est une armée sans limite qui bombarde des enfants, qui tue des pères, qui tue des mères, qui assassine des journalistes, qui fait un nettoyage ethnique, qui fait exploser des hôpitaux, qui tue un à un des membres des services de secours, des médecins, des infirmiers, des secouristes. Ce n’est pas un problème: c'est un génocide.
Vous parlez de "crise humanitaire", mais ce n’est pas une crise humanitaire, c'est un blocage, un blocus humanitaire imposé de manière illégale par Israël à une population, qui empêche la nourriture d'entrer et qui empêche les médicaments d'entrer. Israël a des snipers qui tuent des gens qui viennent chercher à manger alors qu'ils sont déjà affamés. Donc quand je vous entends dire ces mots-là, moi ça me choque et je ne comprends pas pourquoi il y a une espèce de minimisation de ces problèmes.
Monsieur le ministre, on ne rêve pas d'une évacuation des civils de Gaza. Moi je rêve, je demande et veux que les civils soient protégés. On veut que les civils ne soient pas bombardés tous les soirs et tous les jours. On rêve que les enfants retrouvent un avenir, qu'une population arrête d'être nettoyée ethniquement, qu'elle arrête d'être privée de nourriture, qu'elle arrête de craindre pour sa vie à toute heure du jour ou de la nuit, qu'elle arrête de craindre pour son avenir. On rêve que les Gazaouis restent à Gaza en sécurité. On rêve que les colons arrêtent leur violence en Cisjordanie. C'est ça, notre rêve. Que le peuple palestinien ait réellement droit à son autodétermination et à la paix et la sécurité.
C'est ça notre rêve aujourd'hui. J'espère que vous le partagez également, même si parfois les mots, comme je l'ai dit, ne sont pas suffisamment forts au vu de la situation dramatique et du génocide qu'on est en train de vivre.
Sam Van Rooy:
Vooreerst laat ik opmerken dat de Hamas Flotilla, waaraan acht antisemitische narcisten uit België deelnemen, uiteen is gevallen, omdat moslims niet met zogeheten queeractivisten willen varen. De terreurvloot wees zelfs het voorstel van Italië en het Vaticaan af om de hulpgoederen veilig af te leveren in Gaza. Dat zegt alles.
Mijnheer de minister, ik heb vier punten genoteerd. Ten eerste, de Belgen die zich aansloten bij de illegale terreurvloot van Hamas, van moslimterroristen dus, kunnen op uw steun en die van de regering rekenen. Ze krijgen zelfs lovende woorden, Belgistan ten top.
Ten tweede, de corrupte negationist Mahmoud Abbas en diens Palestijnse Autoriteit betalen al decennia, ook de afgelopen maanden nog, minister, jihadistische Jodenmoordenaars. De regering blijft daar belastinggeld aan geven en heeft dus alsmaar meer Joods bloed aan de handen.
Ten derde, een aantal woningen in Judea en Samaria blijkt voor de Belgische politici belangrijker te zijn dan de talloze christenen die in het Midden-Oosten door moslims worden afgeslacht.
Ten vierde, als Hamas het Gazaplan van Trump en Netanyahu aanvaardt, stopt de oorlog onmiddellijk. Zo niet, gaat Israël door to finish the job , en dat voortaan met de goedkeuring van iedereen die het twintigpuntenplan aanvaardt. Het is dus een goede zaak, minister Prévot, dat u achter dat plan staat. Dat uw meent dat de jihadisten van Hamas en Qatar zonder de grote militaire macht en druk van Israël, en dus zonder de oorlogsvoering van het IDF, willen onderhandelen, illustreert uw infantiel wereldbeeld.
Tot slot richt ik me tot de pro-Palestijnse activisten in het Parlement, die al bijna twee jaar genocide en ceasefire roepen en aanhoudend lasteren, maar vandaag het ceasefire plan van president Trump verwerpen, uw masker is nu wel heel duidelijk afgevallen.
Lydia Mutyebele Ngoi:
Monsieur le ministre, je voudrais tout d’abord vous remercier pour vos propos concernant la flottille. Nous avons en effet entendu ce matin que vous vous êtes déjà adressé à Israël en affirmant qu’il ne respecte pas le droit international, notamment en ce qui concerne les eaux territoriales, qui ne relèvent pas de sa compétence mais bien de Gaza. Je vous remercie pour ces déclarations fortes. Je vous remercie également d’avoir affirmé que les membres de la flottille ne sont pas des terroristes. Vos propos, en tout cas, se distinguent de ceux du premier ministre et du gouvernement. Je tiens à le saluer.
Je vous invite, monsieur le ministre, à rester en contact avec les membres de la flottille et à continuer à interpeller solennellement Israël. Je pense que la population belge a besoin de vous entendre, de savoir que vous êtes solidaire de nos compatriotes qui accomplissent un travail remarquable.
Un génocide est en cours. Concernant les sanctions, il ne faut pas fanfaronner. Jusqu’au mois d’août, au Conseil de l’Europe, nous étions du mauvais côté de l'histoire. Ce n’est qu’en septembre que nous avons rejoint les autres pays. Il ne faut donc pas adopter un ton trop triomphant. Je vous salue pour le travail accompli, mais restons lucides car jusqu’il y a peu, la situation était complexe.
Enfin, concernant le texte visant à interdire les produits issus des colonies, je m’adresse à vous, madame la présidente, madame Van Hoof, et vous demande de bien vouloir soumettre votre texte au vote. Nous vous soutiendrons. Si nous devons attendre celui de M. Clarinval et de M. Jambon, nul ne sait quand il sera prêt.
En tout cas, nous devons avancer et aller plus loin. Nous vous soutiendrons donc. Je vous remercie.
Nabil Boukili:
C'est très difficile de répondre en deux minutes, monsieur le ministre. Vous avez dit beaucoup de choses.
Certaines choses ont retenu mon attention, notamment ce que vous dites que au sujet de la flottille. Ce qui était demandé, c'est comment garantir sa protection et éviter qu'on arrive à un drame. C'était de prendre position par rapport à Israël de manière publique et déclarée, que s'il s'attaque à cette flottille il y aura des représailles, il y aura des réponses du gouvernement belge. Ça, ça n'a pas été clarifié à ce niveau-là. Quand vous dites que cette flottille n'était pas nécessaire pour sensibiliser la communauté internationale à ce qui se passe à Gaza, je ne suis pas d'accord avec vous. Parce que vu la situation aujourd'hui à Gaza, vu le génocide à Gaza, ce n'est pas une crise humanitaire, c'est une famine organisée dans l'objectif de supprimer le peuple palestinien. C'est la politique et la stratégie de l'État d'Israël.
Non, les réponses ne sont pas à la hauteur. Je suis désolé. Vous dites qu'on est dans le peloton de tête au niveau européen concernant des sanctions. Je suis désolé, on parle de l'Europe, qui est la première complice de l'État génocidaire en étant son premier partenaire économique et commercial. C'est l'Europe de l'Allemagne qui exporte 30 % des armes importées par Israël qui tuent les Palestiniens. C'est l'Europe d'Orbán et compagnie. Être dans le peloton de cette Europe-là, ce n'est pas un exploit. Je vous rejoins sur le fait qu'il ne faut pas fanfaronner là-dessus.
Par contre, la Belgique peut prendre des sanctions toute seule sans avoir recours à l'Europe, notamment pour suspendre des accords commerciaux parce que le droit international prime sur le droit européen. Ce sont des juristes et des avocats qui le disent. Ce n'est pas Nabil Boukili qui l'invente. Vous pouvez le faire et il y a des articles dans ces traités-là qui vous permettent de le faire.
La Belgique a choisi de ne pas le faire. Et vous dites vous-même pourquoi vous ne le faites pas: il ne faut pas de sanctions aveugles parce qu'il ne faut pas sanctionner le peuple israélien. Il ne faut pas mélanger le peuple avec le gouvernement. Et c'est ça qui vous est reproché, monsieur le ministre. C'est cette hypocrisie et ce deux poids deux mesures. Parce que quand vous prenez des sanctions contre l'Iran, vous ne dites pas ça. Quand vous prenez des sanctions contre la Russie, vous ne dites pas ça. Quand vous prenez des sanctions contre d'autres pays, vous ne dites pas ça. Ici, on parle d'un État qui fait ce qu'aucun de ces pays n'a fait: un génocide. Colonisation, déportation des populations, famine. Aucun de ces États qui sont sanctionnés par la Belgique n'a fait la moitié du quart de ce que fait Israël. Pourtant, vous avez ce discours vis-à-vis d'Israël, mais pas vis-à-vis des autres pays.
Ce sont cette hypocrisie et ce deux poids deux mesures qui vous sont reprochés.
Pierre Kompany:
Monsieur le ministre, je vous ai entendu. Nous avons entendu. Vous êtes toujours dans la même ligne de conduite, à savoir la défense du droit international. Ce faisant, vous finissez par amener notre pays, la Belgique, en tête du peloton européen de ceux qui cherchent des solutions, aussi difficiles soient-elles, parce qu’en face, il y a des actes qui dépassent l’entendement.
Vous avez parlé du blocus humanitaire. Qui peut accepter qu’une telle situation devienne naturelle? Impossible. Vous êtes là pour montrer à l’Europe…Vous avez parlé aussi de l’inertie européenne, qui est visible, il ne faut pas se le cacher. Mais la Belgique en fait partie. La Belgique, avec son paquet de sanctions, entraîne de plus en plus le niveau international, et surtout européen, à la compréhension que seul prime le droit international.
Quant à la flottille, je vous ai bien entendu, monsieur le ministre. Vous avez parlé du cas diplomatique et de celui qui est militaire. Avec raison. Ce n’est pas avec une armée que nous pouvons aller bousculer ce qu’il se passe par là. Il faut de l’intelligence. Je vous le conseille. Merci.
Els Van Hoof:
Dank u, meneer de minister, voor uw uitgebreide antwoord. U onderstreept dat de verdienste van het Amerikaans plan erin bestaat dat het de genocide van vandaag onmiddellijk stopt. Maar willen we een nieuwe genocide voorkomen, dan moet het plan ook worden uitgevoerd en u hebt daar zelf toch wel enkele vraagtekens bij geplaatst.
Inderdaad, bezetting moet worden uitgesloten. Hoe zit het echter met het recht op zelfbeschikking op termijn? Wat zijn de etappes? Welke rol speelt de Palestijnse Autoriteit? U hebt erkend dat het plan niet perfect is. Daarom moet de Belgische regering zich houden aan haar akkoord van 2 september om druk te blijven zetten op de Europese Unie in verband met het associatieakkoord en de sancties.
Als het twintigpuntenplan wordt goedgekeurd door zowel Hamas als Israël, moeten we volgens mij doorpakken, want dan zijn de twee voorwaarden vervuld: Hamas verdwijnt uit het bestuur en de gijzelaars worden vrijgelaten. Dan moet het KB houdende de erkenning van Palestina er snel komen, op grond waarvan België Israël agressor kan noemen, aangezien het land een ander land binnen is gevallen. Israël moet dan inderdaad het internationaal recht naleven en stoppen met annexaties van een ander land. Dat is belangrijk, want vandaag zijn er geen garanties in verband met de Westelijke Jordaanoever. Dan kunnen we ook verdragen sluiten met de Palestijnse autoriteit, daar een ambassadeur naartoe sturen en sancties hardmaken. Dat zijn de voordelen van het plan en daar moeten we op blijven inzetten. Dat advies wil ik meegeven.
Michel De Maegd:
Pour ma part, j'aimerais saluer l'accord obtenu en kern, qui a permis à la Belgique, lors de l'Assemblée générale de l'ONU, par votre entremise, monsieur le ministre, mais également par celle du premier ministre, de tenir une voie digne en phase avec le droit international et les valeurs que notre pays a toujours défendues dans le concert des nations. Il s'agit d'une décision humanitaire importante qui, oui, je le dis comme vous, place notre pays dans le peloton de tête de l'Union européenne: train de sanctions sévères à l'encontre des ministres d'extrême droite et suprématistes du gouvernement Netanyahu, ainsi que reconnaissance politique de l' État de Palestine – certes conditionnée pour ne donner aucun blanc-seing au groupe terroriste Hamas et servir, surtout, de levier pour tenter d'obtenir enfin la libération des otages . C'est une décision forte de notre pays, qu'aucun autre gouvernement avant l'Arizona n'avait pu prendre et qui est en phase, madame la présidente, avec la résolution que nous avons adoptée ici même. Les États-Unis ont proposé un plan de paix. À charge pour le groupe terroriste Hamas de revenir enfin à la raison et de libérer les otages. C'est une lourde responsabilité qui pèse sur lui, près de deux ans après les effroyables attaques terroristes du 7 octobre qui étaient clairement revendiquées comme visant à tuer des Juifs parce qu'ils étaient juifs. Dans peu de temps, les masques tomberont. Le Hamas, qui crie au génocide en piégeant dans le même temps les Palestiniens de Gaza, veut-il sincèrement éviter un nouveau de bain de sang sur place? Je l'espère. Ce plan de paix, certes imparfait, prévoit un cessez-le-feu, une aide humanitaire, la libération des otages, ainsi que celle de nombreux prisonniers palestiniens. Ce plan exclut tout rôle pour le Hamas et prévoit le développement à Gaza d'une force de stabilisation internationale. Il faut en tenir compte. En effet, voyant d'où l'on vient, c'est un pas décisif. Pour conclure, madame la présidente, ce plan est bien plus concret que toute mission menée par une flottille internationale. Les participants à cette périlleuse entreprise ont, certes, la liberté de le faire, mais en tant que libéral, je sais que la liberté s'assortit de responsabilités. Les membres de cet équipage, quelque peu pompiers-pyromanes, par les temps qui courent, mettent sciemment leur vie en danger, comme le ministre nous l'a dit. Crisper davantage la situation, alors qu'elle est déjà si complexe, n'apportera rien à la population de Gaza ni aux Palestiniens, et rien non plus à la sécurité des Israéliens. En revanche, elle va créer beaucoup de problèmes aux membres de cette flottille.
De aangekondigde verhoging van belastingen en lasten op flexi-jobs
De aangekondigde belastingen inzake studentenarbeid
Belastingverhogingen op flexi-jobs en studentenarbeid
Gesteld door
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
Open Vld
Vincent Van Quickenborne
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 1 oktober 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Van Quickenborne valt minister Jambon aan omdat diens regering flexi-jobs en studentenarbeid (succesvolle groeimotoren) nu plots wil belasten, ondanks eerdere uitbreidingen, en eist een duidelijk "no pasaran"—wat Jambon weigert, verwijzend naar lopende begrotingsonderhandelingen. Jambon benadrukt dat zijn partij de uitbreiding altijd gesteund heeft en dat eerdere regeringen (inclusief Van Quickenbornes) juist beperkingen oplegden, maar ontwijkt een harde afwijzing van nieuwe belastingen. De kern: Van Quickenborne ziet een gevaarlijke verschuiving naar *degrowth*-beleid (meer belastingen, minder groei), terwijl Jambon geen duidelijke lijn trekt en onderhandelruimte openlaat.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, er is een aanval op de managementvennootschappen geweest. Uw antwoord was dat u de lijn zult verdedigen die u zult verdedigen. Anders gezegd, het is helemaal niet duidelijk. Dat is zo. Als u daarnet had gezegd dat het genoeg geweest is – no pasaran, ça suffit – dan wisten we waar we aan toe waren, maar nu niet. Ik kan begrijpen dat een minister zwijgt omdat hij meent dat we niets zijn met al die ballonnetjes, maar als u gevraagd wordt de waarheid te vertellen, dan moeten al die ballonnetjes doorprikt worden, maar dat doet u niet. U zegt daar niets over, tenzij u dat nu corrigeert. U zegt dat u de lijn zult verdedigen die u zult verdedigen. Dat is zoals een tsjeef die zegt: we zullen zien.
Ik geef u een tweede kans.
De heer Van Peteghem, de schaduwminister van Financiën – hij schiet sneller dan zijn schaduw – die de uitbreiding van de studentenjobs naar 650 uren mee heeft goedgekeurd en die de flexi-jobs ook wil veralgemenen tot alle sectoren, zegt dat de studentenjobs en de flexi-jobs leiden tot grote gaten in de sociale zekerheid en in de belastingen. Die twee groepen, studenten en flexi-jobbers, moeten dus worden belast.
Mevrouw Verkeyn heeft gezegd dat er geen twintig arizonataksen zijn, maar 40. Mijnheer de minister, ik heb u toen gevraagd over welke 20 nieuwe taksen het ging. Het wordt me stilaan duidelijk. Voor de managementvennootschappen is er de managementtaks. Nu komen er nog twee nieuwe taksen: de studententaks en de flexi-jobtaks. Blijkbaar wil men de sociale bijdragen, dus de belastingen, voor studenten verhogen, en voor flexi-jobbers wil men juist hetzelfde doen. Blijkbaar steekt het de ogen uit van de heer Van Peteghem dat de flexi-jobbers geen belasting zouden moeten betalen. Maar, mijnheer de minister, u weet evengoed als ik dat flexi-jobbers mensen zijn die al werken, bijdragen leveren en belastingen betalen. Of het zijn gepensioneerden die al heel hun leven hebben bijgedragen.
Ik versta dat niet. Hoe komt het dat er nu plotseling vanuit deze regering een aanval komt op een succesvol tewerkstellingselement als de flexi-jobs? Waarom moet men nu, nadat men de uren studentenarbeid verhoogd heeft naar 650 uren, ook de studenten aanvallen? U bent het er toch met mij over eens dat hoe meer studenten er werken en hoe meer flexi-jobs er zijn, hoe meer groei er is? Die mensen vullen namelijk tekorten in die normaal niet worden ingevuld. De winkels kunnen nu ook open zijn op zondag. Dat is een goede zaak. Vandaag kan men gaan op zondag shoppen in de Delhaize en misschien binnenkort ook in de Colruyt. De consumenten zijn daar gek op. De winkels staan 's zondags vol. Trouwens, Colruyt heeft het moeilijk door de zondagsopening van zijn concurrenten.
Al die mensen die bijverdienen, mijnheer de minister, die studenten en flexi-jobbers, verdienen hun geld netto en ze geven dat geld dan uit aan renovatie, in de economie of in de diensteneconomie. Zij zijn mee de motor van de groei van onze economie.
In plaats van die groei af te remmen, moeten we de groei stimuleren. We zouden u als minister van Financiën moeten horen zeggen dat u voorstander bent van meer studentenarbeid, meer flexi-jobs en meer managementvennootschappen. U moet pleiten voor meer groei.
Wat we nu echter zien, is een politiek van wat men degrowth noemt. Kent u degrowth? Ik dacht dat dit het monopolie was van de groenen, meneer Vanbesien: minder groei en dan worden we allemaal gelukkig. Blijkbaar is dat nu ook de politiek van de heer Van Peteghem, Vooruit en Les Engagés, want ik heb de heer Prévot horen zeggen dat hij nog een paar ideeën heeft voor nieuwe belastingen. De ene belasting volgt na de andere.
Mijnheer de minister, ik heb twee eenvoudige vragen. Zullen studenten die werken en flexi-jobbers meer belastingen moeten betalen? Of zegt u neen, dat gaan we niet doen? Zegt u no pasaran of zult u de lijn verdedigen die u zult verdedigen aan de tafel van de regering? Ik ben benieuwd naar uw antwoord.
Jan Jambon:
Het feit dat een minister in het kader van een begrotingsoefening een uitspraak doet in de pers, noemt u de aangekondigde belasting inzake studentenarbeid en flexi-jobs. Ik ervaar dat zo niet. Men mag gerust iets zeggen, daarom is dat nog niet de politiek van de regering. Ik zal hier, net zoals op andere vlakken, geen enkele voorafname doen op de begrotingsopmaak die nog moet gebeuren. Eerst flexi-jobs en studentenjobs faciliteren en in een volgende oefening daarbij vraagtekens zetten, is niet mijn lijn.
Mijnheer Van Quickenborne, onder de vorige regering werden de flexi-jobs beperkt tot maximaal 12.000 euro per jaar. Dat bedrag werd niet geïndexeerd. Ook werd een maximumloon ingevoerd en werden de patronale bijdragen verhoogd van 25 naar 28 %. Studentenarbeid bleef beperkt tot 475 uur, na de tijdelijke verhoging tijdens de pandemie. Ik weet dus niet of u zich in een goede positie bevindt om te zeggen dat die zaken gestimuleerd moeten worden. Laat ministers praten, aan de regeringstafel zal het gebeuren. Tot nu toe hebben wij alle maatregelen om flexi-jobs en studentenarbeid uit te breiden volmondig en met veel enthousiasme ondersteund.
Vincent Van Quickenborne:
Het is het goed recht van een minister om zoiets in de pers te verklaren, zegt u. Uiteraard, dat is vrijheid van meningsuiting. Daar heb ik geen problemen mee, maar dan verwachten we wel van de bevoegde minister dat hij even vrij en vrank zegt: no pasaran, dat gaan we niet doen. Ik heb u dat opnieuw niet horen zeggen.
U zegt: we zullen dat wel zien rond de tafel, we doen geen voorafnames. Ik vind dat zeer gevaarlijk. Ja, dat is heel gevaarlijk, toch wel, mijnheer de minister. U bent een vrij en vrank mens. Zeg dan gewoon dat we dat niet zullen doen. Het is toch eenvoudig? Waarom laat u zich zo in de hoek duwen door de heer Van Peteghem en Vooruit? Waarom laat u dat gebeuren? Waarom zegt u niet: 'nee, we zullen dat niet doen'? Het feit dat u dat niet wilt zeggen, mijnheer de minister, betekent dat u een opening laat. U zegt dat er misschien toch wat aan gemorreld zal worden.
U kunt natuurlijk verwijzen naar het verleden, maar toen ik begon in de politiek, mijnheer de minister, mocht studentenarbeid enkel 20 dagen in de zomer. Dat was het dan. Dat werd uitgebreid tot 600 en vervolgens 475 uur. Dat hebben we allemaal gerealiseerd in die twintig à vijfentwintig jaar. Met de flexi-jobs zijn we in 2015 gestart, op vraag van Open Vld. Vandaag hebben meer dan 200.000 mensen een flexi-job. Wij hebben dat nog verder uitgebreid in de vorige regering en inderdaad, er zijn correcties gekomen, maar kijk eens naar het resultaat. Na tien jaar Open Vld in de regering zijn er meer dan 200.000 flexi-jobbers, zonder één euro subsidie, in 22 sectoren. Dat kan ik wel verdedigen. Wat ik echter niet kan verdedigen, is dat een minister als u, die zogezegd opkomt voor werkende mensen, hier het woord niet durft te nemen. Zeg dan gewoon: no pasaran, we zullen dat niet doen. Waarom zegt u dat niet? Waarom doet u dat niet?
De mensen verwachten van u dat u hen verdedigt en dat doet u niet. U laat zich in de hoek zetten door Vincent Van Peteghem, dat is zo. Toch wel. Hij zet de aanval in op uw terrein en dan zegt u: we zullen dat wel laten passeren. Mijnheer Jambon, wat u doet, is gevaarlijk. U bent al compromissen aan het sluiten en u moet nog beginnen te onderhandelen. Dat is trouwens wat u zelf hebt gezegd in een interview in De Tijd over de inkomsten. U zegt nu dat u de belastingen zult verlagen, maar eigenlijk hebt u de deur opengezet voor nieuwe en hogere belastingen. Dat is zo. De meerwaardebelasting is daar het beste voorbeeld van.
Jan, beste Jan, wees eens een sterke Jan en geen zwakke Jan. Dank u.
Voorzitter:
Collega’s, daarmee is ook dit incident gesloten en zijn we aan het einde van onze agenda. Ik dank de minister voor zijn volgehouden moed en de collega’s voor hun volgehouden aandacht.
Ik wil voor het verslag toch meegeven dat ik aan de voorzitter zal rapporteren dat ik het aantal afzeggingen – de antwoorden op de vragen werden door verschillende diensten voorbereid – ten zeerste betreur.
Vincent Van Quickenborne:
Van mij bedoelt u?
Voorzitter:
Nee, u niet. Ik heb u juist gefeliciteerd, mijnheer Van Quickenborne.
Vincent Van Quickenborne:
Dat heb ik niet gehoord.
Voorzitter:
Het probleem is dat u kennelijk een heel selectieve manier van perceptie en gehoor hebt.
Ik betreur het dus dat zoveel mensen het nodig vinden om heel veel vragen te stellen, maar kennelijk de moeite niet doen om hier te zijn wanneer die vragen effectief gesteld moeten worden.
Vincent Van Quickenborne:
Geen probleem, voorzitter, maar deelt u ook de goede voorbeelden mee aan de Conferentie? Dan zullen ze daar nota van nemen.
Voorzitter:
Dat zal ik doen.
Vincent Van Quickenborne:
Er waren zelfs mensen die geen vragen meer hadden, maar die wel zijn blijven zitten. Dat was ofwel uit interesse ofwel om te controleren. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 18.04 uur. La réunion publique de commission est levée à 18 h 04.
Het opiniestuk van hoogleraren van universiteiten
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 30 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De pensioenhervorming bedreigt de aantrekkelijkheid van academische loopbanen in Franstalige universiteiten door niet-lineaire carrières (postdocs, precariteit) zwaar te treffen, met pensioenverliezen tot 39% voor risicoprofielen. Minister Jambon bevestigt variabele impact (beperkt bij volledige loopbanen tot wettelijke pensioenleeftijd) maar ontkent concrete cijfers over getroffen academici of transparante simulatietools, verwijzend naar individuele berekeningen *na* wetgeving. Dedonder benadrukt dat latere carrièrestarts (door studies/onderzoek) en algemene pensioenverlaging de sector internationaal onaantrekkelijk maken, met risico’s voor wervingscapaciteit en concurrentievermogen. De structurele onzekerheid en gebrek aan gerichte analyses ondermijnen het vertrouwen in de hervorming.
Ludivine Dedonder:
Vous avez, je présume, lu comme moi la carte blanche des professeurs d'université, qui date du mois de juillet. Cette dernière alertait sur "un avenir sombre pour les universités francophones" et mettait en lumière les conséquences graves de la réforme des pensions sur les universités francophones, en particulier sur l'attractivité, sur la capacité à recruter, sur leur position dans la compétition académique internationale et évidemment sur la viabilité des carrières professorales.
Le déroulement d’une carrière académique est en effet marqué par des périodes de temps partiel et de précarité: le post-doctorat, les charges de recherche, etc. Cela rend rares les carrières linéaires et complètes jusqu’à l’âge légal de la retraite.
La réforme en cours, qui durcit les conditions de pension, risque de creuser fortement l'écart de revenu au moment de la retraite pour ceux dont la carrière n'a pas été continue ou complète. Selon la note de l’UNIFRA, l’effet cumulé du malus et de la nouvelle pondération des tantièmes pourrait entraîner d’importantes réductions du montant de la pension.
Monsieur le ministre, avez-vous mené des analyses d'impact différenciées pour ces itinéraires non linéaires afin de mesurer la perte réelle de pension sous le nouveau régime? Confirmez-vous que certains profils à risque pourraient perdre jusqu'à 39 % dans le calcul de leur pension? Disposez-vous d'évaluations précises quant à la proportion d'académiques impactés par le malus? Est-il prévu que l'administration publie des modèles de calcul clairs et transparents permettant à chaque universitaire ou fonctionnaire de simuler précisément le montant de sa pension selon différents scénarios de carrière et l'application du malus?
Jan Jambon:
Madame Dedonder, sur la base de simulations réalisées pour des carrières académiques représentatives, nous constatons que la perte possible liée au nouveau régime de pension varie fortement selon le profil et la cohorte de naissance.
Certains profils subissent un effet significatif, mais les pourcentages exacts dépendent fortement des parcours individuels et sont donc difficiles à quantifier de manière générale. Les calculs montrent toutefois que l’impact reste limité pour la plupart des professeurs universitaires lorsque leur carrière est menée jusqu’à l’âge légal de la retraite.
Les chiffres concernant la proportion d’académiques impactés par le malus ne sont pas disponibles et sont difficilement évaluables ou prévisibles. En effet, le malus est conditionné par la prise effective de la pension de manière anticipée, ce qui reste une décision personnelle et donc difficilement quantifiable statistiquement pour l’avenir.
Président: Denis Ducarme.
Voorzitter: Denis Ducarme.
De plus, l'application ou non d'un malus reste parfois conditionnée au fait de ne pas compter 35 années de carrière d'au moins 156 jours avec 7 020 jours de travail effectif sur l'ensemble de celle-ci. Dans tous les cas, un fonctionnaire qui partirait à la retraite à l'âge légal ne recevrait aucun malus. Par ailleurs, le fait de travailler jusqu'à l'âge légal ou au-delà, avec désormais un possible bonus, n'est pas une situation exceptionnelle dans l'enseignement académique – ce qui, en l'espèce, rendrait la marge d'erreur de cette statistique encore plus élevée.
Il n'est pas expressément prévu que le Service fédéral des Pensions publie des modèles ou édite une interface permettant des simulations spécifiques aux professeurs d'université. En revanche, dès que les textes de loi auront été adoptés et publiés au Moniteur belge et que les programmes informatiques et les outils seront adaptés, le Service fédéral des Pensions continuera, comme il l'a toujours fait, à fournir des estimations individuelles aux citoyens qui en feront la demande dans la stricte application de la réglementation.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, je vous remercie. Je n'ai pas reçu énormément de réponses, même si j'entends qu'on ne livre pas spécifiquement une analyse de ce profil. Au-delà de ces personnes, puisque tout le monde est concerné par la réforme et doit travailler plus longtemps pour gagner moins, quand je parle de carrière linéaire, nous nous trouvons évidemment dans ce cas de figure: ces personnes qui commencent à travailler beaucoup plus tard, puisqu'elles ont choisi de poursuivre des études qui nous sont utiles, doivent aussi traverser des périodes de recherche. J'ai quand même du mal à croire en l'absence d'impact. En tout cas, d'après les études actuelles, leur pension va diminuer. Je suis fondamentalement inquiète pour l'attrait de ces professions. Nous avons parlé tout à l'heure d'autres métiers. Je le ferai encore cet après-midi à propos des militaires. Comment peut-on conserver le caractère attrayant d'une profession quand on détricote petit à petit tous les avantages qui pouvaient y être liés? Je vous demande donc d'y rester attentif. Il en va de l'attrait de nos universités, y compris au plan international.
Het artikel in Knack over de onterechte opsluiting van buitenlandse studenten door de DVZ
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 17 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Van Bossuyt ontkent dat buitenlandse studenten met geldig visum *onterecht* worden opgesloten, benadrukkend dat grenscontroles en terugdrijvingsbeslissingen gebaseerd zijn op individuele dossiers en wettelijke termijnen—met beroepsmogelijkheden bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Daems wijst op concrete getuigenissen, een veroordeling van de Belgische Staat door de rechtbank, en eist structurele oplossingen om traumatiserende foutieve opsluitingen van studenten *met correcte papieren* te stoppen, zonder dat de minister de systeemfouten erkent of herstelmaatregelen aankondigt.
Greet Daems:
Mevrouw de minister, deze vraag is al geruime tijd hangende. In juni verscheen een artikel in Knack over de onterechte opsluiting van buitenlandse studenten in België. Knack sprak met zeven buitenlandse studenten die onterecht vastgehouden werden, van wie zes in de afgelopen twee jaar. Zij beschikten allen over een visum, maar werden bij aankomst toch opgesloten in een gesloten centrum.
In 2023 veroordeelde de Brusselse rechtbank van eerste aanleg de Belgische Staat wegens de onrechtmatige opsluiting van een Marokkaanse student. Volgens die rechtbank gaf de DVZ een algemene, stereotiepe motivering voor de opsluiting, zonder gedetailleerd onderzoek op individueel niveau.
Mevrouw de minister, in het kader van het artikel werd ook naar uw reactie gevraagd, maar ik las dat u niet wenste te reageren.
Daarom is mijn eerste vraag wat uw reactie is op de onterechte opsluiting van studenten. Hebt u al contact gehad met de DVZ daarover? Wat zult u doen om te vermijden dat dergelijke onterechte opsluitingen opnieuw plaatsvinden? Waarom wordt een ingrijpende beslissing tot opsluiting voor onbepaalde duur door de DVZ genomen en niet door een rechter? Hoe wordt de geldigheid van het politieverhoor en van de beslissingen van de DVZ gecontroleerd? Is een tolk verplicht bij het verhoor en wordt die altijd voorzien? Waarom houdt de DVZ mensen opgesloten, ook al weet men dat het onterecht is? Waarom voorziet de wet niet in een automatische schadeloosstelling wanneer wordt aangetoond dat de aanhoudingen ongerechtvaardigd waren?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Daems, ik dank u voor uw vraag.
Het gaat niet om onterechte vasthoudingen zoals u stelt. Een geldig visum geeft niet automatisch recht op toegang tot het grondgebied. De grenscontroleur onderzoekt of een vreemdeling aan de binnenkomstvoorwaarden voldoet. Indien dat niet het geval is, moet België – wil het aan zijn internationale verplichtingen voldoen – een beslissing tot terugdrijving nemen. In dat geval wordt de vreemdeling bevraagd, indien nodig met een tolk, en wordt een beslissing genomen op basis van alle elementen in het dossier.
De vreemdeling wordt dan vastgehouden krachtens artikel 74/5 van de Vreemdelingenwet om de terugdrijving te kunnen uitvoeren. Die vasthouding is niet voor onbepaalde duur, zoals u stelt. De vasthoudingstermijn is wettelijk bepaald. De vasthouding kan worden beëindigd door gevolg te geven aan de verwijderingsbeslissing.
Elke vasthoudingsbeslissing wordt in feiten en in rechten gemotiveerd door de DVZ. Zowel de beslissing tot terugdrijving als de beslissing tot annulering of intrekking van het visum is vatbaar voor een verzoekschrift bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Tegen de beslissing tot vasthouding kan een beroep worden ingediend bij de raadkamer en in tweede instantie bij de kamer van inbeschuldigingstelling.
Een schadeloosstelling is niet aan de orde. Het feit dat personen uiteindelijk worden vrijgesteld, heeft niet te maken met de correctheid van de beslissing die door de DVZ werd genomen, maar wel met het feit dat na het nemen van de beslissing nieuwe elementen aan het licht zijn gekomen en dat de DVZ daarmee rekening heeft gehouden in een latere afweging.
Greet Daems:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vraag mij nog altijd af of u het artikel wel hebt gelezen. Er staan in het artikel immers wel degelijk getuigenissen van mensen die de juiste visa en de juiste documenten hadden. Zulke mensen mogen toch niet worden opgesloten? Dat spreekt voor zich. De DVZ heeft ter zake dus wel degelijk fouten gemaakt in de dossiers. De Belgische Staat is ook veroordeeld. Dat wordt bevestigd door de rechtbank. Het is uw taak om die problemen aan te pakken, zodat ze niet meer voorvallen. Een opsluiting voor studenten is enorm traumatiserend. Zij hebben niks verkeerd gedaan. Dat moet te allen tijde worden vermeden.
Islamitische migranten/asielzoekers uit Kosovo
Gesteld door
Gesteld aan
Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 17 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy kaart de gruwelijke moordpoging door Kosovaar Mirsad H. op zijn ex-vrouw aan, linkt dit aan systemisch vrouwengeweld in de islamitische Kosovaarse cultuur en vraagt om zijn uitzetting en een stop op migratie van "vrouwenhaatculturen". Minister Van Bossuyt wijst erop dat ze geen individuele dossiers bespreekt, benadrukt dat religie geen rol speelt in asielbeleid en dat alle aanvragers strikt worden gescreend. Van Rooy houdt vol dat het Westen dergelijke culturen moet weren en eist actie tegen geïmporteerd geweld, koppeling makend aan soortgelijke internationale gevallen van femicide door migranten. De minister herhaalt dat wetgeving persoonlijke gegevens en discriminatie op religie verbiedt.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, Mirsad H. is een 35-jarige Kosovaar die zijn ex-vrouw in brand stak in het Limburgse Houthalen-Helchteren. Hij deed dat voor de ogen van vijf jonge kinderen van het gezin. De vrouw verkeert in levensgevaar. De Kosovaar was niet aan zijn proefstuk toe. Hij werd al veroordeeld voor zware agressie tegen de vrouw: zijn hoogzwangere ex-vriendin had hij in de buik gestampt en de tanden uitgeslagen.
In zijn land van oorsprong, Kosovo, heerst de islam. Imams geven er vrouwonvriendelijke preken en de meeste vrouwen in Kosovo geven aan geconfronteerd te zijn met huiselijk geweld. Geweld tegen vrouwen zit er ingebakken in de samenleving.
Mevrouw de minister, u bent verantwoordelijk voor Asiel en Migratie. Wat is de verblijfsstatus van de dader, Mirsad H.? Hoe en wanneer is hij naar ons land gekomen en waarom mocht hij blijven? Kan en zal hij na die gruwelijke moordpoging op die arme vrouw ons land worden uitgezet? Zo neen, waarom niet? Ten slotte, vindt u het een goed idee om nog meer Kosovaarse moslims toe te laten tot onze samenleving?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Rooy, ik heb u al een paar keer meegedeeld dat de wet me niet toestaat om persoonlijke informatie met u te delen en in te gaan op individuele dossiers.
De Dienst Vreemdelingenzaken heeft het dossier van de betrokkene geanalyseerd en de nodige stappen gezet.
Op uw vraag of het een goed idee is om nog meer Kosovaarse moslims toe te laten tot onze samenleving, kan ik u antwoorden dat de religie van de aanvragers tot een verblijf of asiel in ons land geen rol speelt en dat iedere aanvrager aan dezelfde strenge toets wordt onderworpen.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, het is problematisch dat de wet dat niet toestaat. In ons land – ik herhaal het – werd een vrouw in brand gestoken door een Kosovaarse moslim. In Nederland werd deze zomer de 17-jarige Lisa met messteken vermoord door een asielzoeker. In de Verenigde Staten werd deze zomer de 23-jarige Irina vermoord door een zwarte man. Het is een dodelijke mix van femicide en racisme. Vrouwenhaatculturen hebben geen plaats in het Westen. Ze hebben geen plaats in onze samenleving. Het is uw taak, mevrouw Van Bossuyt, als minister van Asiel en Migratie, om vrouwenhaatculturen, zoals de islamitische, buiten te houden en geïmporteerde vrouwenhaters het land uit te zetten.
De oproep van Diyanet tot de wereldwijde jihad
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 17 september 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy beschuldigt Diyanet (Erdogans Turkse godsdienstministerie) van oproepen tot wereldwijde jihad en eist een verbod, wijzend op miljoenen aan Belgische subsidies die naar een "staatsgevaarlijke" organisatie vloeien. Minister Verlinden stelt dat de Veiligheid van de Staat Diyanet monitort, maar geen direct bewijs ziet voor jihadistische dreiging of verbodsgronden, benadrukkend waakzaamheid binnen de rechtsstaat. Van Rooy kaart oikofobie en decennialange financiering van extremisme aan, eisend onmiddellijke stopzetting van steun en verbanning. De kern: conflict tussen veiligheidsrisico’s (radicalisering) en juridisch-politieke terughoudendheid om Diyanet aan te pakken.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, Diyanet, Erdogans ministerie van Godsdienst, dat helaas ook in ons land actief is, roept samen met leden van de moslimbroederschap op de zogenaamde Gazaconferentie in Istanbul moslims wereldwijd op tot – ik citeer – "alle vormen van jihad". Ik heb u de bron daarvan bezorgd. Naast een openlijke oproep om Hamas te steunen, en het verheerlijken van jihadistische terreur tegen Israël in de eerste plaats – men noemt dat gewapend verzet tegen de "zionistische bezetting" – stelt men duidelijk: “Bovendien achten wij het noodzakelijk dat de oemma" – dat is de wereldwijde moslimgemeenschap – "wordt gemobiliseerd voor alle vormen van jihad op de weg van Allah." Mevrouw de minister, dat gaat over het Westen, dat gaat over ons en ik verneem graag wat uw reactie hierop is.
Hoeveel en welke subsidies vloeien in België direct en indirect naar Diyanet? Zal Diyanet nu eindelijk worden bestempeld als een jihadistische organisatie en dus als staatsgevaarlijk? Zo niet, waarom niet? Zal Diyanet worden verboden, minister? Ik mag het hopen en ik ben zeer benieuwd naar uw antwoorden.
Annelies Verlinden:
De Veiligheid van de Staat heeft al jaren aandacht voor Diyanet en volgt die organisatie ook op. Het is correct dat die organisatie rechtstreeks verbonden is met de Turkse overheid en daarom is voortdurende waakzaamheid vereist met betrekking tot mogelijke politieke instrumentalisering. De inlichtingendienst houdt daar al rekening mee bij zijn activiteiten.
Tot op heden zijn er volgens de diensten geen aanwijzingen dat Diyanet moet worden beschouwd als een jihadistische organisatie of als een directe bedreiging voor de Belgische staatsveiligheid of de Belgische belangen in het buitenland. Het is dan ook op basis van de informatie waarover ik beschik, op dit moment niet aan de orde om Diyanet als dusdanig te bestempelen of te verbieden. De regering blijft zich vanzelfsprekend volledig inzetten voor de nationale veiligheid, het voorkomen van extremisme in al zijn vormen en het bevorderen van een respectvolle dialoog tussen gemeenschappen binnen het kader van de rechtsstaat.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, ik heb Diyanet zelf geciteerd. Dat roept de moslimgemeenschap op tot wereldwijde jihad. Welke bewijzen moet u nog meer hebben dat Diyanet wel degelijk staatsgevaarlijk is? De oikofobie, de typische westerse zelfhaat in dit land en bij de regering is zo groot dat ze die jihad, onze ondergang, al decennia met belastinggeld subsidiëren. De voorbije jaren gingen tientallen miljoenen euro's van ons belastinggeld naar het jihadistische Diyanet. Tot op vandaag gaat dat gewoon door. Mevrouw de minister, Diyanet staat vijandig tegenover democratie, tegenover individuele en religieuze vrijheid, tegenover vrouwenrechten en tegenover ex- en niet-moslims. De waanzin moet onmiddellijk stoppen. Erdogans jihadistische satellieten moeten worden verbannen van ons grondgebied.
De taalwetgeving op Brussels Airport
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Brussels Airport in Vlaanderen kampt met taalnaleving: ondanks wettelijke tweetaligheidseis (NL/FR) voor federale diensten (douane, politie) en privépartners, klagen Vlamingen over gebrek aan Nederlands bij contactmomenten. Brussels Airport Company claimt contractuele taalcontroles (NL/FR/EN) en regelmatig toezicht, maar Huybrechts betwist de effectiviteit wegens herhaalde meldingen van slechte NL-service en pleit voor strikter toezicht en verplichte taalcursussen. Structuurprobleem blijft: internationaal karakter bots met Vlaamse taalwetgeving.
Britt Huybrechts:
Mijnheer de minister, de taalwetgeving en de taalproblematiek op Brussels Airport is een gevoelig en blijkbaar ook complex thema. De luchthaven ligt in Vlaanderen, maar door haar internationale karakter spreken de werknemers uiteraard veel verschillende talen. Op zich is dat geen probleem, het kan zelfs een meerwaarde bieden, maar het wordt wel een probleem wanneer medewerkers die in contact komen met burgers zich niet in het Nederlands kunnen uitdrukken. Het gaat dan bijvoorbeeld over de douane, de luchtvaartpolitie of zelfs gewoon de mensen aan de balie. De luchthaven ligt nog steeds in Vlaanderen, dus de personeelsleden moeten Nederlands spreken.
Ik heb een overzicht van de taalkennis van het personeel gevraagd. Hoe garandeert u dat de taalwetgeving correct wordt nageleefd op Brussels Airport, in het bijzonder bij de federale diensten?
Wordt er controle uitgeoefend op of worden er sancties opgelegd aan diensten die onvoldoende tweetalig functioneren op de luchthaven, in het bijzonder bij een gebrek aan kennis van het Nederlands?
Zijn er ook plannen om taalopleidingen te verplichten voor personeel dat met klanten in contact komt, maar het Nederlands onvoldoende machtig is?
Voor de overige vragen verwijs ik naar de schriftelijke versie.
Mijn schriftelijke vraag nr. 194 werd tot op heden nog niet beantwoord.
De taalwetgeving en taalproblematiek op Brussels Airport is een gevoelig en blijkbaar een complex thema. Zo ligt de luchthaven in Vlaanderen, maar door haar internationaal gehalte spreken veel werknemers ook andere talen. Op zich kan men dit wel begrijpen, tenzij dit nadelig blijkt te zijn voor de Nederlandse taal doordat bijvoorbeeld personeel zich onvoldoende in het Nederlands kan uitdrukken.
Hieromtrent volgende vragen aan de minister:
Kan u mij een overzicht geven van de talenkennis van het personeel bij de federale diensten? Hoeveel is er tweetalig, hoeveel spreekt er enkel Frans of een andere taal, hoeveel spreekt er uitsluitend Nederlands…
Hoe garandeert u dat de taalwetgeving correct wordt nageleefd op Brussels Airport, vooral bij federale diensten zoals de politie en douane?
Er zijn klachten dat sommige medewerkers van de luchthaven geen Nederlands spreken. Hoe zal u ervoor zorgen dat Nederlandstalige reizigers in hun taal geholpen worden?
Zijn er plannen om taalopleidingen te verplichten voor personeel dat met klanten in contact komt en het Nederlandse onvoldoende machtig is?
Hoe zal u erop toezien dat ook privébedrijven op de luchthaven de taalwetgeving naleven?
Brussels Airport ligt in Vlaanderen, maar heeft een internationaal karakter. Hoe wordt er samengewerkt met de Vlaamse en Brusselse overheden om de taalproblematiek aan te pakken?
Jean-Luc Crucke:
De taalwetgeving en de taalproblematiek in Brussel ligt potentieel gevoelig en is een complex thema. Brussels Airport Company verwacht van haar personeelsleden en die van haar partners dat ze meertalig zijn wanneer zij in het kader van luchtvaartprocessen in contact komen met passagiers.
Er moet ook worden opgemerkt dat de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de diensten waarvan de werking het hele land bestrijkt, een categorie waarvan de luchthaven Brussel Nationaal deel uitmaakt, onderwerp zijn van het stelsel van artikel 39. Dit wil zeggen een bepaling die vereist dat de instelling in staat is om zich in de twee landstalen uit te drukken.
Het contract van Brussels Airport Company met haar externe partners voorziet uitdrukkelijk dat het personeel van een partner, dat in contact komt met passagiers of luchthavengebruikers, voldoende kennis heeft van het Nederlands, het Frans en het Engels. De dienstverlener moet steeds een beroep kunnen doen op iemand ter plaatse om de nodige toelichting aan de passagier te verschaffen in de gevraagde taal.
Alle dienstverleningen op de luchthaven vallen onder deze bepaling. Dat geldt onder meer voor screening, cleaning , het luchthavenpersoneel en de bussing service . De Brussels Airport Company voert hierop regelmatig controles uit.
Britt Huybrechts:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben blij te vernemen dat er effectief gecontroleerd wordt. Toch heb ik het gevoel dat er mogelijk onvoldoende wordt gecontroleerd, of dat men bij bepaalde instanties net geen controle uitoefent. Zowel ik als anderen ontvangen regelmatig berichten van Vlamingen die op Brussels Airport melden dat zij niet in het Nederlands geholpen werden. Vaak gebeurde de communicatie enkel in het Frans en zelfs dat Frans was dan nog gebrekkig. Hoewel de betrokken Vlamingen het Frans wel begrepen, verliep de communicatie alsnog zeer stroef door het gebrekkige taalgebruik. Het is dan misschien wel nodig om hier strenger op toe te zien en ervoor te zorgen dat iedereen die onder uw diensten valt het Nederlands en het Frans beheerst.
De steun voor de kunstenaars die geïmpact worden door generatieve AI
Gesteld door
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de bedreiging van kunstenaars door generatieve AI, die zonder toestemming hun stijl en werk kopieert, wat economische en artistieke schade veroorzaakt. België dringt aan op EU-niveau op strengere regels in de *AI Act*, waaronder verplichte toestemming, transparantie en faire vergoeding voor kunstenaars, maar wacht nog op de definitieve beoordeling van de gedragscode (augustus 2024). Concrete nationale steunmaatregelen (fondsen, vorming, sensibilisering) ontbreken nog, al blijft de minister in overleg met sectororganisaties zoals *Sabam*. De focus ligt op een evenwichtig kader dat zowel AI-ontwikkelaars als auteurs beschermt.
Marie Meunier:
Madame la ministre, l'émergence rapide des intelligences artificielles génératives bouleverse profondément le monde de la création visuelle. Grâce à des bases de données massives, souvent constituées sans consentement, des algorithmes peuvent désormais reproduire des illustrations, des planches de bande dessinée ou des styles graphiques très identifiables en quelques secondes. Le cas emblématique des œuvres inspirées du studio Ghibli par l'IA, largement diffusées en ligne sans autorisation, a ravivé les craintes des auteurs quant à la perte de contrôle sur leur travail.
En Belgique aussi, de nombreux dessinateurs, illustrateurs et auteurs s'alarment: leurs créations, publiées sur les réseaux ou dans des publications en ligne, sont aspirées par des systèmes d'IA sans leur accord, pour ensuite générer des images « à la manière de », détournant ainsi leur style, leur identité artistique, et leur potentiel économique.
Au-delà du droit d'auteur, il s'agit d'un enjeu de reconnaissance du travail, de respect de la création et de protection des professions artistiques à l'heure de l'automatisation. Ce phénomène menace non seulement la viabilité économique de nombreux artistes indépendants, mais aussi l'équilibre du secteur culturel dans son ensemble.
Dans ce contexte, je souhaite vous poser les questions suivantes:
Le gouvernement fédéral prévoit-il un accompagnement spécifique pour les dessinateurs, illustrateurs et artistes visuels belges impactés par la reproduction non autorisée de leurs œuvres via l'IA?
Des mesures de soutien économique (fonds d'aide, accès à la formation, compensation) sont-elles envisagées pour les artistes dont l'activité est fragilisée par l'automatisation générative?
Une réflexion est-elle en cours avec les entités compétentes en matière culturelle pour mettre en place une stratégie conjointe de protection des créateurs face à l'IA?
Des campagnes d'information ou de sensibilisation à destination des artistes sont-elles prévues pour les aider à protéger leurs œuvres face aux usages non consentis des IA?
Enfin, le gouvernement plaide-t-il, au niveau européen, pour une reconnaissance explicite des droits des artistes dans le cadre du futur AI Act, en lien avec les risques d'appropriation algorithmique de leurs styles ou de leurs œuvres?
Vanessa Matz:
La protection des droits d'auteur suite au développement de l'intelligence artificielle générative est un objectif tant national qu'européen. En ce qui concerne la décision d'approuver ou non le texte final du code de bonnes pratiques, je précise qu'à l'heure actuelle, les États membres viennent de recevoir la version finale de ce texte et sont en train de l'analyser.
Le 30 juin, le comité de l'IA a précisé le calendrier. Une évaluation de l'adéquation du code des bonnes pratiques est en cours auprès du Bureau européen de l'IA et du comité de l'IA. Elle devrait être achevée d'ici la fin du mois de juillet et sera ensuite présentée par écrit au comité de l'IA au cours des deux premières semaines du mois d'août. Si l'évaluation de l'adéquation est satisfaisante, le code devrait être applicable à partir du mois d'août.
Je tiens également à souligner que la Belgique a émis une série de remarques sur la dernière version du code discutée car le texte présenté était source de préoccupations pour les titulaires de droits. Ces critiques visaient entre autres à réaffirmer, dans le cadre de l'IA, la nécessaire autorisation des titulaires de droits, au moins de manière implicite, leur rémunération adéquate et la transparence dans l'utilisation des contenus par l'IA. Je continuerai à m'assurer que ces enjeux sont bien compris et pris en compte. Il va de soi que seul un texte équilibré, prenant en considération aussi bien les intérêts des développeurs d'IA que ceux des titulaires de droits et autres parties prenantes, sera soutenu par la Belgique. C'est la position qui est défendue au niveau européen, laquelle est d'ailleurs partagée par plusieurs autres États membres.
Dans le cadre de mes échanges avec la Sabam et les associations d'auteurs, je continue à suivre ce dossier de près, consciente des enjeux cruciaux pour le secteur culturel et les créateurs belges. Je tiens à vous assurer que j'accorde une attention toute particulière à ce dossier.
Marie Meunier:
Madame la ministre, je vous remercie pour vos réponses. Nous suivrons attentivement ce dossier, comme tous les autres.
Educatieve apps voor kinderen
Gesteld door
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Vanessa Matz benadrukt dat bescherming van kinderen tegen digitale risico’s urgent is en dat ze via RGPD en Europese afspraken (leeftijdsverificatie, oudercontroles) strengere regulering nastreeft, maar geen federaal keurmerk voor educatieve apps bestaat. Samenwerking met Gemeenschappen/Régions voor een uniforme digitale geletterdheid is essentieel, hoewel educatie hun bevoegdheid blijft. Dufrane prijst haar inzet voor verantwoord digitaal onderwijs voor de eerste *"smartphone-generatie"*, maar concrete federale sturing ontbreekt nog.
Anthony Dufrane:
Madame la ministre, Telenet a récemment lancé une offre mobile spécifiquement pensée pour les enfants, baptisée Telenet Mobile Junior. Elle inclut un volume limité de données et d'appels, ainsi qu'un accès gratuit à l'application ChatLicense, destinée à enseigner aux plus jeunes un usage responsable du numérique et des réseaux.
Cette initiative met en évidence une évolution du marché vers des services numériques ciblant les enfants, combinant accès technologique et visée éducative. Elle pose toutefois des questions fondamentales quant à l'encadrement de l'éducation numérique hors cadre scolaire, à la qualité pédagogique des outils numériques mis à disposition des mineurs, et à l'intérêt général qu'ils peuvent servir.
L'éducation au numérique devient une préoccupation importante au vu de la digitalisation de la société. Il est primordial que les niveaux de pouvoir travaillent de concert pour surveiller l'impact du numérique et former les jeunes générations à son usage.
Mes questions, madame la ministre, sont:
Le gouvernement fédéral dispose-t-il d'un cadre d'évaluation ou de labellisation pour les applications numériques à visée éducative proposées aux enfants?
Envisagez-vous de renforcer ou de soutenir la diffusion de telles applications via des partenariats public-privé, en lien avec les opérateurs ou les éditeurs responsables?
Des synergies sont-elles prévues avec les Régions ou les Communautés afin d'uniformiser les efforts d'éducation au numérique et de prévention des risques liés à l'usage des écrans?
Vanessa Matz:
Monsieur Dufrane, la protection des jeunes face aux dangers des réseaux sociaux n'est pas seulement une priorité, c'est une urgence absolue. Les enfants et adolescents sont exposés à des risques numériques de plus en plus complexes, et il est de notre responsabilité de garantir leur sécurité. Je m'engage donc sans relâche à renforcer la régulation de ces plateformes pour en faire des espaces numériques sûrs, respectueux et responsables.
En tant que ministre fédérale chargée du Numérique, je souligne que l'éducation numérique, notamment dans les écoles, relève principalement des Communautés. Toutefois, en cette même qualité, je joue un rôle clé dans la régulation des outils numériques, notamment en matière de protection des données via le règlement général sur la protection des données (RGPD), en particulier pour les mineurs.
Actuellement, il n'existe pas de cadre spécifique de labellisation pour les applications éducatives numériques destinées aux enfants, mais je veille à encourager des standards de qualité, de sécurité et de pédagogie.
Lors de la réunion européenne du Conseil Télécommunications du 6 juin, j'ai réaffirmé la volonté de la Belgique de participer aux solutions européennes, qui portent notamment sur l'introduction de la vérification de l'âge, le développement de designs adaptés et l'introduction de contrôles parentaux.
En ce qui concerne les synergies avec les Régions et Communautés, je souhaite mettre en place des collaborations dans le cadre d'une stratégie numérique nationale. Il est crucial que tous les niveaux de pouvoir unissent leurs efforts pour garantir une éducation numérique de qualité et uniformiser les actions de prévention des risques liés à l'usage des écrans.
En conclusion, bien que l'éducation numérique soit une compétence des Communautés, je reste pleinement engagée à réguler les outils numériques destinés aux enfants et à soutenir les initiatives visant à former les jeunes générations à un usage responsable et sécurisé des technologies.
Anthony Dufrane:
Madame la ministre, je vous remercie de ne pas avoir botté en touche et d'avoir apporté toutes ces réponses. Je suis vraiment heureux de vous voir suivre la matière avec autant de détermination. Je rappelle que la nouvelle génération est la première à naître après le smartphone. Il est donc important de mettre en place un enseignement en lien avec cette technologie. Je me réjouis de voir que le gouvernement se positionne en faveur de ces applications d'apprentissage numériques.
De eindeloopbaanregeling voor leerkrachten in het Franstalige onderwijs
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de blokkering van DPPR (disponibiliteit voorbereidend op pensioen) in het onderwijs, waarbij Sarah Schlitz kritiek heeft op het vasthouden aan kalenderjaren in plaats van schooljaren, wat planning voor 2025 onmogelijk maakt, en wijst op een vonnis uit Luik dat DPPR vanaf september 2025 afdwingt als de pensioendatum ("date P") geldig is – zelfs buiten de huidige regels. Jan Jambon benadrukt dat DPPR-dossiers voor 2026-2027 nu wel behandeld worden, maar waarschuwt dat pensioenberekeningen niet gegarandeerd zijn en DPPR-periodes langer dan 2 jaar niet meetellen, terwijl hij geen reactie geeft op het vonnis – wat Schlitz als een gemiste kans ziet.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je vous ai interrogé à plusieurs reprises sur les difficultés liées aux DPPR. J’aimerais obtenir des éclaircissements supplémentaires.
Pourquoi continuer à raisonner en années civiles, alors que les écoles s’organisent en années scolaires ? Geler les DPPR jusqu’en janvier 2026 revient à empêcher les écoles de planifier des départs à la rentrée de septembre 2025, ce qui complique sérieusement leur organisation.
Par ailleurs, un jugement du tribunal de première instance de Liège a récemment condamné la Fédération Wallonie-Bruxelles à accorder une DPPR dès septembre 2025, dès lors que la date de départ à la pension ("date P") est validée par le SPF Pensions — et ce, même en dehors du cadre fixé par la circulaire 9533.
Cette décision, immédiatement applicable, pourrait faire jurisprudence.
Dans ce contexte, allez-vous revoir votre position et adapter le dispositif aux réalités scolaires?
Je vous remercie.
Jan Jambon:
Monsieur le président, madame Schlitz, nous avons déjà pu en discuter dans le cadre de la discussion d'orientation politique, dans cette commission. Il est vrai que le Service fédéral des Pensions avait déjà communiqué des dates P avant le 1 er janvier 2025, mais que la Fédération Wallonie-Bruxelles n'avait pas traité ou approuvé ces DPPR.
Je peux vous fournir une mise à jour de la concertation avec les ministres chargés de l'Enseignement, qui a résulté dans le circulaire 9533 du 13 juin 2025 de la Fédération Wallonie-Bruxelles.
La communication par le SFP des dates P, à savoir la première date possible de la pension anticipée, a repris pour l'ensemble des membres du personnel pouvant bénéficier d'une date P située en 2026 et 2027. La Fédération peut donc à nouveau traiter ces dossiers.
Le montant de la future pension sera calculé sur base de la réglementation en vigueur au moment de l'entrée en pension, ce qui signifie qu'aucune garantie n'est offerte quant à ce montant. Conformément à l'accord du gouvernement fédéral, les périodes de DPPR ne devraient pas être admissibles au calcul du montant et de l'octroi de la pension au-delà de deux ans.
Pour les dates P postérieures à 2027, le SFP ne les communiquera à la Fédération qu'à partir du moment où le nouveau dispositif législatif sera adopté. Celui-ci doit être adopté en 2025.
Afin d'éviter tout malentendu, je précise que le Service fédéral des Pensions n'est pas légalement tenu de communiquer formellement aux fonctionnaires leur première date possible de départ à la retraite et qu'aucun délai ne s'applique en la matière. Cette information n'a aucun rapport avec la demande effective, ni avec la décision qui en découle en matière de départ à la retraite.
Sur base de la disposition transitoire reprise dans le projet de loi préparé dans le cadre de la réforme des pensions, la date P et le montant de la pension sont garantis à la première catégorie de personnes, c'est-à-dire celles qui, au 1 er février 2025, se trouvaient dans une position de disponibilité totale ou partielle préalable à la mise à la retraite ou dans une situation analogue.
Deuxièmement, seule la date P est garantie à la deuxième catégorie de personnes, à savoir celles qui ont introduit une demande approuvée par leur employeur avant le 1 er février 2025 en vue d'être placées avant le 31 décembre 2025 dans une situation de disponibilité mais pas le montant de la pension.
Cela impliquera que, si la durée de la DPPR se situant après le 31 décembre 2025 est supérieure à deux années civiles, la période de DPPR qui dépasse les deux ans ne sera pas prise en compte pour le calcul de la pension. Par contre, ces personnes ne se verront pas appliquer le malus.
Je tiens à rappeler que, sur la base de l'article 1062/1 de la loi du 29 décembre 2010 – dite loi Capelo – le SFP est tenu de garantir la date P une fois que celle-ci a été formellement communiquée à l'intéressé. Lorsqu'une personne a été placée en disponibilité ou en congé préalable à la mise à la retraite par son employeur sur la base d'une décision du SFP, la pension peut en tout cas prendre cours à partir de cette date. Si à l'expiration de la période de disponibilité ou de congé préalable à la mise à la retraite, il apparaît que les conditions relatives à l'âge et à la durée des services ne sont pas remplies, les arrérages de pension sont supportés par le Trésor public jusqu'au moment où ces conditions sont remplies.
Toutefois, si la décision visée à l'alinéa 1 er est basé sur des données inexactes ou incomplètes fournies par l'employeur, le SFP récupère ces arrérages de pension auprès de l'employeur.
Sarah Schlitz:
Merci, monsieur le ministre, pour toutes ces informations. Par contre, je n'ai pas eu de réponse par rapport à la jurisprudence et à l'impact du jugement qui a été rendu à la suite de l'action en justice de la CSC. J'imagine que l'on découvrira par nous-mêmes les effets que cela produira.
De terreuraanslag in een kerk in Damascus
De bloedige jihadistische terreuraanslag op een kerk in Damascus
Dodelijke terreuraanslag op kerk in Damascus
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 16 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Belgische minister Prévot veroordeelt de jihadistische aanslag op de Mar Eliaskerk in Damascus (20 christelijke doden) en benadrukt België’s steun aan antiterreuroperaties (o.a. via de anti-Daesh-coalitie, CICR en UNMAS), stabilisatiehulp en strafrechtelijke vervolging van mensenrechtenschendingen via het *International Impartial and Independent Mechanism*. Van Rooy kaart scherp aan dat systematische islamitische onderdrukking van christenen (dhimmi-status, gedwongen bekering of dood) in het Midden-Oosten en Afrika genegeerd wordt, terwijl Israël als *enige* veilige haven voor christenen in de regio fungeert—wat hij afzet tegen wat hij ziet als selectieve westerse aandacht voor Palestijnen en regeringspassiviteit tegen islamitisch geweld.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, op 22 juni werd een dodelijke jihadistische zelfmoordaanslag gepleegd op de Mar Eliaskerk in Damascus. Tijdens de gebedsdienst werden minstens twintig Aramese christenen, waaronder vrouwen en kinderen, vermoord, en raakten vele anderen gewond.
De moslimterrorist schreeuwde, hoe kan het ook anders, "Allahoe akbar". Hij opende het vuur en bracht vervolgens een explosief tot ontploffing. Het was letterlijk een bloedbad. Maar dat was nog niet alles, want in een allicht gecoördineerde jihadcampagne werden nog pogingen ondernomen om jihadistische aanslagen te plegen. In diverse wijken en kerken in Syrië werden christenen met geweld bedreigd en verjaagd door moslimterroristen.
Ook in andere landen, in het Midden-Oosten en Afrika, worden christenen systematisch onderdrukt, bedreigd en/of afgeslacht door moslimterroristen. Op dit moment zijn de jihadisten in Syrië trouwens massaal de druzen aan het afslachten.
Mijnheer de minister, hoe maakt België duidelijk aan het islamitisch regime in Syrië, en bij uitbreiding aan alle regimes in het Midden-Oosten en in Afrika, dat wij opkomen voor ons christendom wereldwijd?
Wat onderneemt België om duidelijk te maken aan het islamitisch regime in Syrië, en bij uitbreiding aan alle regimes in het Midden-Oosten en in Afrika, dat ze christenen niet alleen moeten beschermen tegen onderdrukking, geweld, en terreur, maar dat christenen gelijke rechten moeten krijgen?
Maxime Prévot:
Mevrouw de voorzitster, ik zal antwoorden op de vragen van de heer van Rooy, maar ook op de oorspronkelijke vragen van de heer De Maegd, dus in beide talen, waarvoor mijn excuses aan de heer Van Rooy.
Messieurs les députés, l'attentat suicide du 22 juin dernier dans l'église Mar Elias, située dans un quartier chrétien de Damas, est un drame effroyable. La Belgique a condamné cette attaque. Si la responsabilité exacte de cet acte reste incertaine à ce stade, il s'inscrit dans un climat sécuritaire très instable en Syrie. Le pays traverse une phase de transition politique fragile, est exposé à des menaces terroristes persistantes et subit les répercussions d'un conflit régional qui fait peser de lourds risques sur sa stabilité.
Après une période d'accalmie relative, observée après la chute de la dictature Assad, on constate une recrudescence des attaques menées par Daech. Celles-ci visent principalement les forces kurdes dans le nord-est du pays, mais également les forces de l'ordre du gouvernement intérimaire syrien ainsi que certaines communautés religieuses. Cette reprise des violences illustre une réalité inquiétante: Daech est toujours actif en Syrie et constitue une menace à ne pas sous-estimer.
De tels attentats ont pour but de saper la légitimité du gouvernement syrien auprès de sa population, en montrant qu'il ne parvient pas à garantir la sécurité sur son territoire ni à protéger les différentes communautés religieuses. Ils cherchent aussi à intimider la communauté internationale et à décourager toute initiative en faveur de la stabilisation politique et de la relance économique du pays.
De Syrische regering heeft de aanval in het openbaar veroordeeld, opgeroepen tot de eenheid van het land en beloofd om de veiligheidsdiensten te mobiliseren om degenen die betrokken zijn bij de aanval te arresteren en voor het gerecht te brengen. Deze Syrische regering heeft een duidelijke wens om een einde te maken aan de aanwezigheid van Daesh en voert in dat verband operaties uit. Niettemin toont die aanval aan dat het terroristisch risico blijft bestaan en dat steun aan Syrië in deze kritieke overgangsfase noodzakelijk is.
La Belgique reste engagée dans la lutte contre le terrorisme islamiste en Syrie, notamment dans le cadre de la coalition contre Daech ou au travers de son soutien à la stabilisation. Sur ce point, la Belgique soutient depuis quelques années l'opération du Comité international de la Croix-Rouge (CICR) en Syrie, ainsi que le service anti-mines des Nations Unies (UNMAS) dans le cadre de leurs activités en matière de déminage humanitaire.
Les actions du CICR s'organisent en Syrie autour de quatre axes que sont la protection, l'assistance, en ce compris l'assistance médicale, la prévention et la coopération avec la société civile. L'action d'UNMAS a également un impact important sur la vie et la sécurité de l'ensemble de la population syrienne. La présence de vestiges de la guerre entrave le redémarrage de toutes les activités économiques et retarde le retour des réfugiés et des déplacés. Ces actions sont essentielles à la stabilisation post-conflit et à la prévention d'un retour ou d'un renforcement de Daech.
De strijd tegen straffeloosheid blijft een ander belangrijk aspect van het Belgisch beleid ten aanzien van Syrië en is duidelijk gelinkt aan terreurbestrijding. Ons land heeft diplomatiek en financieel bijgedragen tot de oprichting van het International Impartial and Independent Mechanism, dat bewijzen moet verzamelen van ernstige schendingen van internationaal humanitair recht en mensenrechtenschendingen, opdat vervolging van de daders mogelijk kan worden gemaakt. Het mandaat van het International Impartial and Independent Mechanism omvat verschillende onderzoekslijnen, waaronder misdaden door personen die banden hebben met Daesh.
Au-delà de ces différents appuis, l'approche de notre pays est de soutenir la transition actuelle en s'engageant diplomatiquement avec les autorités intérimaires et les différents acteurs de la transition, en favorisant la reconstruction et le relèvement économique du pays, à travers la suspension des sanctions économiques européennes et en garantissant un appui humanitaire conséquent. Notre pays reste extrêmement vigilant à la manière dont ces priorités se concrétisent et évoluent.
Président: Christophe Lacroix.
Voorzitter: Christophe Lacroix.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, ook vandaag hebben we weer gezien dat veel politici en journalisten geobsedeerd zijn door het lot van de zogenaamde Palestijnen. Ze willen Israël bashen. Nochtans is Israël het enige land in het Midden-Oosten waar het aantal christenen niet afneemt, omdat Israël het enige land is waar christenen vrij en veilig zijn.
Voorts verwijst u steeds naar Daesh, maar het is de islam die christenen afschildert en brandmerkt als minderwaardige wezens en hun slechts de keuze geeft tussen zich bekeren tot de islam en zich als zogenaamde dhimmi te onderwerpen aan de sharia, of de dood.
In de geïslamiseerde wereld worden christenen systematisch en institutioneel onderdrukt, verjaagd of gedood. De islam is het christendom aan het vernietigen, maar ik stel vast dat deze oikofobe, laffe regering zich daar niets van aantrekt.
Voorzitter:
Les questions n os 56006203C et 56006222C de M. Michel De Maegd sont transformées en questions écrites.
De malaise bij de federale politie en de verantwoordelijkheid van Eric Snoeck
De hoorzitting met Eric Snoeck
De evolutie van de federale politie
De hoorzitting met de commissaris-generaal van de federale politie
Governance, werking en management van de federale politie
Een actieplan met betrekking tot de moslimbroederschap
De registratie van aanhangers van 764 en No Lives Matter in de GGB TER
Georganiseerde politieke terreur tegen het defensiebedrijf OIP in Doornik
Gemaskerde demonstranten
De toevoeging van Samidoun aan de OCAD-lijst
De oproepen tot dodelijk geweld in Brussel
Het OCAD-rapport waarin een link tussen de klimaatbeweging en extremisme wordt vastgesteld
De aanvallen op Syensqo en OIP door extreemlinkse militanten
De dreiging van extremisme bij een deel van de klimaatbeweging
De politieke islam in België
Het Collectif contre l'islamophobie en Belgique
De overheidssubsidies voor het CIIB
De analyse van de dreiging van extreemrechts
Het politieke en religieuze extremisme in België
Politiek en religieus extremisme, governance en uitdagingen binnen de federale politie
Gesteld door
VB
Ortwin Depoortere
Groen
Matti Vandemaele
PS
Éric Thiébaut
Open Vld
Paul Van Tigchelt
MR
Catherine Delcourt
VB
Sam Van Rooy
Open Vld
Paul Van Tigchelt
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
VB
Sam Van Rooy
N-VA
Jeroen Bergers
N-VA
Jeroen Bergers
Open Vld
Paul Van Tigchelt
N-VA
Koen Metsu
N-VA
Jeroen Bergers
MR
Denis Ducarme
PS
Khalil Aouasti
MR
Catherine Delcourt
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie onthult een diepe structurele crisis binnen de federale politie, gekenmerkt door toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestpraktijken en een disfunctionerend topmanagement, zoals blijkt uit het ontluisterende CORESPO-rapport en talrijke getuigenissen van agenten. Hoewel minister Quintin vertrouwen behoudt in commissaris-generaal Snoeck – ondanks diens ontwijkende houding en gebrek aan transparantie – eisen oppositie en delen van de meerderheid externe doorlichting, strenge sancties en hervorming van de leiding, met name om vertrouwen te herstellen en de parlementaire controle te waarborgen. Budgettaire tekorten (90% naar personeel) en verouderde structuren verergeren de problemen, terwijl een beloofd strategisch plan (september 2025) als cruciale test zal dienen. De kernvraag blijft of Snoeck, ondanks zijn operationele successen (bv. Sky ECC), politiek en moreel houdbaar is gelet op de cultuur van doofpot, relatiesconflicten en minachting voor slachtoffers.
Ortwin Depoortere:
Mijnheer de minister, de malaise bij de federale politie is intussen geen nieuws meer. De berichten die mijn collega's en ikzelf hebben ontvangen, maken duidelijk dat die heel verontrustende proporties aanneemt.
Het een en ander is onder de publieke aandacht gekomen, toen het CORESPO-rapport bijna stoemelings openbaar werd gemaakt, waarna de grootste politievakbond, het VSOA, de kat de bel aanbond. Dat rapport, dat het intern gedrag en de cultuur bij de federale politiediensten onder de loep nam, is ontluisterend en roept heel veel vragen op over de sfeer bij de federale politie.
De conclusie is - en ik meen dat we het daar over alle partijgrenzen heen eens kunnen zijn - dat er een structureel probleem is van een toxische werkcultuur, grensoverschrijdend gedrag, pestgedrag en een totaal gebrek aan vertrouwen in de top van de organisatie. Ik verwijs naar getuigenissen die in de pers zijn verschenen en die ik ook persoonlijk heb ontvangen. Ze tarten werkelijk alle verbeelding.
Ik zal niet alles opsommen, want dat zou ons te ver leiden, maar ik wil er toch een viertal citeren. Een getuigenis luidt als volgt: "Mijn 13-jarige carrière bij de federale politie is er vooral een van pesterijen, toxisch leiderschap, vrouwonvriendelijke opmerkingen en nul communicatie." Een andere getuigenis luidt: "Een collega had mij en anderen jarenlang heimelijk gefilmd en gefotografeerd tijdens het omkleden op de werkvloer. De dader is gewoon terug aan het werk binnen dezelfde dienst, zonder enige zichtbare gevolgen. Tot op vandaag word ik bovendien nog steeds gestalkt en belaagd door deze collega."
Ik citeer een andere klokkenluider: "De top van de federale politie steekt meldingen van grensoverschrijdend gedrag in de doofpot, een doofpotcultuur". Of nog: "Mensen vallen uit of lopen weg naar andere diensten, ze worden depressief en sommigen zelfs suïcidaal. Onderzoeken naar daders zijn er amper en de sancties zijn beperkt".
Mijnheer de minister, één klacht kunt u nog wegzetten, dat gebeurt overal wel eens. Twee klachten echter zouden toch enkele alarmbellen moeten doen afgaan. Als er tientallen klachten zijn, zoals hier het geval is, dan moet er worden ingegrepen. Dat is ook de reden waarom ik en een aantal collega’s uit de oppositie en de meerderheid u hierover ondervragen.
Er zijn niet alleen getuigenissen van de malaise, er zijn ook inhoudelijke problemen. Minder dan een op de tien agenten vertrouwt erop dat moeilijke thema’s correct worden aangepakt, zo blijkt uit het CORESPO-rapport. Een andere problematiek is de erbarmelijke staat van sommige gebouwen. Volgens de vakbond grenst de verwaarlozing van de kazerne van Etterbeek aan minachting. Het zou trouwens misschien geen slecht idee zijn om met de Commissie voor Binnenlandse Zaken een plaatsbezoek te brengen, zodat we dat met eigen ogen kunnen vaststellen. Iets lezen is immers nog iets anders dan het daadwerkelijk ervaren.
Nog hallucinanter in het hele verhaal is de houding van de leidinggevenden, in het bijzonder van commissaris-generaal Snoeck. Niet alleen blijkt uit meerdere getuigenissen dat de top de cultuurproblemen jarenlang heeft genegeerd of geminimaliseerd, terwijl de heer Snoeck zelf hoofd was van de betrokken dienst DGJ, maar bovendien weigerde de heer Snoeck in eerste instantie verantwoording af te leggen tegenover het Parlement.
Intussen hebben we de heer Snoeck in onze commissie wel kunnen horen, maar op de vele pertinente vragen van bijna alle fracties kwam er eigenlijk geen afdoend antwoord. Daarom hebben we de commissaris-generaal verzocht om schriftelijk te antwoorden. Met de commissie hebben we ook besloten om de heer Snoeck in september opnieuw voor een hoorzitting uit te nodigen.
Mijnheer de minister, wanneer parlementsleden, vertegenwoordigers van het volk, vragen stellen over ernstige wantoestanden bij een cruciale staatsinstelling als de politie, vind ik het absoluut onaanvaardbaar dat de hoogste ambtenaar van die organisatie zich ontwijkend opstelt. Ik druk mij dan nog eufemistisch uit. Dat ondermijnt de democratische controle en voedt vooral het wantrouwen van zowel de bevolking als van het personeel op het terrein.
Mijnheer de minister, tot nu toe was uw houding er een waarbij u aan de heer Snoeck de kans liet om een en ander toe te lichten. U antwoordde reeds in het Parlement, in de plenaire vergadering, dat u zelfs het vertrouwen in de heer Snoeck behoudt. Maar kunt u na al die onthullingen en na de hoorzitting met de heer Snoeck die stelling nog altijd handhaven? Ik hoop dat er vandaag ook van uw zijde enige politieke moed is om in te grijpen, waar het echt nodig is.
Waarom werden de klokkenluiders en de vele getuigenissen genegeerd? Waarom werd een deel van de top in bescherming genomen? Wie beschermt dan de politiemensen, die zich elke dag met veel moed voor onze veiligheid inzetten, terwijl zij op de werkvloer blijkbaar het slachtoffer van een dysfunctionele leiding zijn?
Niet ingrijpen, mijnheer de minister, zou volgens mij getuigen van een zekere minachting tegenover de vele politieagenten. Daarom stel ik u onomwonden de volgende zeer concrete en pertinente vragen.
Ten eerste, wat is uw reactie op de inhoud van het CORESPO-rapport? Onderschrijft u die vaststellingen, en zo ja, welke concrete maatregelen hebt u genomen sinds de publicatie of ontvangst van het rapport? Uiteraard dateert het rapport niet van deze legislatuur, het sleept al enkele jaren aan, al sinds de periode waarin minister Verlinden verantwoordelijk was voor de politie.
Ten tweede, bent u op de hoogte van de getuigenissen en signalen over grensoverschrijdend gedrag, intimidatie en pestgedrag binnen de federale politie, specifiek op topniveau? En wat werd daarmee gedaan?
Ten derde, waarom blijft de heer Snoeck in zijn functie als commissaris-generaal? Acht u het verdedigbaar dat iemand die zich structureel onttrekt aan parlementaire controle en onder wiens leiding zulke wantoestanden zijn toegenomen, in functie blijft?
Ten vierde, hebt u de heer Snoeck intussen aangesproken op zijn weigering om openheid van zaken te geven aan het Parlement? Zo ja, wat was desgevallend zijn antwoord? Ik wil daaraan toevoegen, mijnheer de minister, dat we volledige transparantie hebben gevraagd en ook alle documenten hebben opgevraagd. Tot nu toe is dat nog altijd niet gebeurd. Namens de commissie hebben we opnieuw de vraag gericht aan de commissaris-generaal om dit in orde te brengen.
Ten slotte, mijnheer de minister, bent u bereid uw vertrouwen in de commissaris-generaal te herzien? Waarom blijft u deze man de hand boven het hoofd houden?
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, ik zal niet alles herhalen, maar ik was nogal verwonderd over het zeer algemeen antwoord dat de heer Snoeck gaf tijdens zijn hoorzitting in de Kamer. Op veel van de vragen die ik heb gesteld, heeft hij niet eens geantwoord. We hebben afgesproken dat hij schriftelijk antwoorden zou nasturen. Die hebben we ondertussen ontvangen, maar ook die antwoorden blinken echt uit in vaagheid. Ik kan daar heel weinig mee.
Als nieuwkomer in het Parlement loop ik daarmee een beetje vast. Dat ik nieuwkomer ben, mag ik voorlopig nog zeggen, want ik zit hier nog maar bijna een jaar, maar daarna zal ik stoppen met dat excuus. Ik vind het erg moeilijk, omdat ik het rapport heb, met daarnaast een hele reeks verklaringen van politieambtenaren die dat rapport eigenlijk bevestigen, maar daartegenover staat de uitleg van de heer Snoeck, zowel tijdens de hoorzitting als in zijn schriftelijke antwoorden. Daar zit echt een groot verschil tussen. Het lijken twee parallelle universums. Ik vind het moeilijk om in te schatten wat daarvan klopt.
In ieder geval was het antwoord van de heer Snoeck op één punt wel duidelijk. Hij gaf aan dat het bij hen toch niet erger is dan elders. Dat vond ik een merkwaardige uitleg, maar goed. Hij gaf ook aan dat ze helemaal niet in een crisis zitten en dat het is tijd om de bladzijde om te slaan. Dat vond ik een vreemde reactie.
Mijnheer de minister, bent u het eens met die lezing, namelijk dat nu het rapport er is en verbeteracties zijn uitgevaardigd, we weer kunnen overgaan tot de orde van de dag? Deelt u de analyse dat geremedieerd is aan alles wat in het rapport staat? Zo niet, wat moet er nog gebeuren?
Een specifiek punt zijn de relaties tussen de leidinggevenden. In zijn antwoord zegt de heer Snoeck dat dat allemaal privéaangelegenheden zijn en dat men daarover dus eigenlijk niets kan zeggen. Dat is best mogelijk, maar de signalen die wij uit het veld ontvangen, wijzen erop dat door de relaties binnen het leidinggevend kader een aantal procedures niet meer functioneren. Een klacht tegen een leidinggevende moet bijvoorbeeld ingediend worden bij de partner van diezelfde leidinggevende.
Het gaat niet om een of twee gevallen, maar een tiental, en in zulke gevallen is er natuurlijk wel een probleem. In dat opzicht is het immers wel fundamenteel om van die relaties op de hoogte te zijn. Kunt u daarin enige klaarheid scheppen?
Éric Thiébaut:
Effectivement, monsieur le ministre, nous avons entendu, le 17 juin dernier, le commissaire général. En fait, il avait été invité à venir exposer sa vision de la police fédérale. C'était au départ la raison pour laquelle on l'avait invité devant cette commission; Moi, j'étais content. Comme vous le savez, je siège ici depuis longtemps et c'est plutôt assez rare. J'ai connu beaucoup de commissaires généraux, hommes et femmes. Habituellement, nous rencontrons beaucoup de difficultés pour nous assurer de leur présence.
Cela dit, nous avons entendu M. Snoeck. Ce n'est pas un inconnu pour la commission de l'Intérieur. En effet, lorsqu'il était patron de la police judiciaire fédérale, il est quand même venu, à l'époque, en compagnie des plus hauts magistrats du pays, nous expliquer la problématique que le monde policier rencontrait par rapport à la montée de la criminalité, par rapport à la criminalité violente liée à la drogue qui se développait dans notre pays. Ils sont venus avec un appel à l'aide très clair auquel, je pense, nous avons répondu.
Au départ, c'est quand même la tête pensante de l'opération Sky ECC, qui est peut-être la plus grosse opération policière de ce pays, ayant livré des résultats exceptionnels. Je pense que les qualités de M. Snoeck sont apparues à ce moment-là. Je pense que ce sont les résultats qu'il a obtenus dans le cadre de cette opération très spectaculaire qui l'ont propulsé à la tête de notre police fédérale. C'est ainsi qu'il découvre une police fédérale qui faisait face à de sérieux dysfonctionnements, avec des réformes à entamer au niveau de la structure, de l'organisation.
Vous savez, quand on bouscule des habitudes, quand on change des systèmes, en interne, il y a toujours, bizarrement, des gens qui n'aiment pas cela. Pour donner un exemple, quand vous désignez une personne mais qu'un affilié d'un syndicat aurait bien voulu être désigné à cette place, parfois le syndicat réagit pour attaquer la direction. Et du coup, cela devient un dysfonctionnement général, des dizaines de personnes se plaignent du commissaire général.
Or, lorsqu'un un problème de gestion du personnel se pose, en général, les syndicats réagissent. Vous allez me dire: "Ah, il y a une réaction syndicale". Pas de la CGSP, pas de la CSC, pas non plus du syndicat national de police! On a juste eu une réaction hyper violente de l'aile flamande du SLFP, comme par hasard. Et les autres syndicats ne réagissent pas. Moi, cela m'interpelle quand même. S'il y avait une grosse catastrophe au niveau de la gestion du personnel, je pense que tous les syndicats réagiraient.
Et donc, M. Snoek est venu s'expliquer. Il a reçu des questions assez virulentes et, quelque part, je trouve personnellement qu'il est resté très calme par rapport à la virulence de certains collègues ici, notamment par rapport à la mise en doute de son intégrité. Je trouvais que c'était vraiment déplacé.
Il n'a pas répondu directement à toutes les questions, notamment du fait qu'on lui a laissé pratiquement une demi-heure de temps de parole. Nous étions pris par le temps et nous devions arrêter. J'ai, dès lors, proposé – souvenez-vous, chers collègues – qu'il nous envoie toutes ses réponses par écrit. Et nous avons reçu une note de quand même 60 pages avec tous les éclaircissements.
Il est attaqué entre autres sur le fait qu'il n'a pas pris la voiture qu'on lui suggérait au départ. Il explique qu'en sa qualité de responsable de l'opération Sky ECC, qui a impliqué des centaines de truands, dont les plus dangereux du pays, il bénéficie d'un statut de protection à respecter notamment en ce qui concerne la voiture dont il dispose, une voiture avec un niveau de protection plus important que ce qu'on lui proposait et aussi avec une puissance de moteur qui permet de s'enfuir. Je ne pense pas que M. Snoek a choisi une voiture parce qu'il a un goût du luxe démesuré. C'est mon avis.
Finalement, j'ai le sentiment que nous assistons ici à une espèce de chasse à l'homme tout à coup et que toute une série d'acteurs lui mettent des peaux de bananes, alors que M. Snoek, votre commissaire général, a surtout besoin de soutien pour mener les réformes nécessaires au niveau de la police fédérale et pour continuer la lutte tout aussi nécessaire contre le crime organisé dans ce pays, fait quand même assez interpellant depuis des années.
Je ne m'étendrai pas davantage. Je trouve quand même que toutes ces attaques sont un peu déplacées et cela me laisse un goût bizarre quand je vois d'où elles surgissent, de quels partis et de quelle partie du pays. J'espère que le plus gros problème de M. Snoek, ce n'est pas qu'il soit francophone, en l'occurrence. En effet, si on commence à avoir des soucis avec cela, alors, notre pays est vraiment dans un très, très mauvais état.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, de federale politie is mij dierbaar. Het is dan ook goed dat we een actualiteitsdebat organiseren, al weet ik niet of de federale politie voor iedereen in dit parlement even dierbaar is, want ik vind het vreemd dat regeringspartij N-VA in dit debat afwezig blijft.
Net omdat de federale politie mij dierbaar is, moeten we de eventuele problemen aanpakken. Dat dient te gebeuren op het niveau van de commissaris-generaal. Die moet zijn verantwoordelijkheid opnemen, samen met het DirCom en de collega’s van de lokale politie.
U, als minister van Binnenlandse Zaken, en de regering dragen daarin ook verantwoordelijkheid. Het is voor mij van belang – en ik spreek ook vanuit het verleden – dat we problemen bij de federale politie niet laten aanslepen. In alle eerlijkheid denk ik dat dat in het verleden te vaak is gebeurd.
Ten tweede vind ik het belangrijk – en daarin sluit ik mij aan bij de woorden van mijnheer Thiébaut– dat we voorzichtig zijn met intentieprocessen en niet alles op een hoop gooien. Als ik de voorzitter in zijn hoedanigheid van parlementslid hoor zeggen dat de positie van mijnheer Snoeck onhoudbaar is en vraagt of men hem nog kan verdedigen, dan moeten we toch voorzichtig zijn. Ook wij als parlementsleden dragen immers verantwoordelijkheid, en we mogen de problemen niet groter maken dan ze zijn. We moeten ze daarentegen helpen oplossen vanuit deze commissie. Nu al een proces opstarten over de houdbaarheid van de positie van mijnheer Snoeck, vind ik dan ook heel erg prematuur.
Ik ben het dus eens met collega Thiébaut dat we geen chasse à l’homme mogen organiseren, maar tegelijk moeten er wel antwoorden komen, als er gelegitimeerde vragen zijn. Ik verwijs bijvoorbeeld naar het verhaal van de BMW. We hebben het antwoord van de commissaris-generaal daarover gelezen.
Het is belangrijk, mijnheer de minister, dat we ook uw standpunt daarover horen. Hoe reageert u als minister van Binnenlandse Zaken op de hoorzitting en op de inhoud van de brief? Welke conclusies trekt u daaruit?
Mijnheer Snoeck sprak tijdens de hoorzitting over een strategisch plan, dat hij tegen de zomer – dus ongeveer nu – zou indienen. Is dat strategisch plan afgestemd op de budgettaire afspraken die werden gemaakt in het kader van het paasakkoord? Dat akkoord bepaalt dat 35 % van de voorziene 250 miljoen naar de federale politie gaat. In totaal gaat het dus om 87,5 miljoen euro via frontloading. Is het plan daarop afgestemd? Of is dat plan strategischer van niveau? Dat kan natuurlijk ook.
Ten derde, als we het hebben over budgetten, is een van de grootste structurele problemen bij de federale politie sinds haar ontstaan, dat er te veel budget naar het personeel gaat. Bijna 90 %, meer dan 85 %, gaat naar het personeel, waardoor er geen of nauwelijks middelen overblijven voor de werking, laat staan voor investeringen. Dat is volgens mij een van de kernelementen om de problemen bij de federale politie aan te pakken. Hoe bekijkt u dat, mijnheer de minister?
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, le 17 juin dernier, lors de l'audition du commissaire général, de nombreuses questions, parfois très virulentes, ont été adressées quant aux pratiques existant au sein du commissariat général. Poser des questions est normal. Il importe de pouvoir le faire, et que le commissaire général et vous, monsieur le ministre, puissiez nous éclairer sur la situation.
Le format qui était proposé n'a pas permis au commissaire général de répondre à toutes les questions. Nous avons donc accepté que les réponses nous parviennent par voie écrite. Certaines nous éclairent tandis que d'autres nous interpellent encore.
Comme vous le savez, la confiance dans la direction générale, et plus particulièrement dans le commissaire général, fait l'objet de critiques. J'ignore si elles sont fondées, mais vous pourrez certainement nous fournir des éclaircissements.
Des témoignages font état d'un climat de méfiance – généralisé ou pas? –, de relations hiérarchiques parfois malsaines, de comportements transgressifs, d'une gouvernance déficiente. Ces mots sont très durs pour une haute fonction de l'État.
À côté de cela, la situation financière de la police fédérale conserve des zones de flou, malgré la mise en place d'une cellule budgétaire. Il y a des chiffres contradictoires sur l'évolution budgétaire et sur les moyens réels disponibles. Aucun tableau d'ensemble clair ne nous est présenté.
En ce qui concerne la réforme interne menée par le commissaire général, la multiplication des services et des effectifs, ainsi que l'orientation et la cohérence de cette réorganisation soulèvent encore des questions. À titre d'exemple, l'arrêté royal du 27 octobre 2015 prévoit 74 collaborateurs pour le commissaire général. Dans les faits, ce nombre est dépassé de 60 personnes, avec un effectif total de 134 personnes.
Monsieur le ministre, le commissaire général n'avait pas pu répondre à l'ensemble de nos questions. Avez-vous pris connaissance des réponses écrites? Quelle est votre opinion globale sur les réponses formulées?
Pouvez-vous nous éclairer sur la situation financière actuelle de la police fédérale? Comment le budget et les effectifs ont-ils évolué au cours des dix dernières années? Quelles décisions stratégiques ont-elles été prises sur cette base?
Comment justifiez-vous l'augmentation substantielle des effectifs au sein du commissariat général au-delà des limites prévues par l'arrêté royal? Sur quelle base budgétaire cela repose-t-il? Quelle capacité est-elle nécessaire pour chacune des missions du commissaire général?
J'imagine que vous êtes bien informé des témoignages de harcèlement, de favoritisme, de leadership toxique et de gestion RH problématique. Partagez-vous cette position ou de quelle manière pouvez-vous la nuancer ou la contredire?
Quelles leçons globales tirez-vous de la situation actuelle? Quelles mesures comptez-vous prendre pour garantir et maintenir un climat de confiance au sein de la police fédérale? Cela semble tout à fait essentiel.
Greet Daems:
Mijnheer de minister, de federale politie is een belangrijke dienst die mee waakt over de veiligheid van de burgers in ons land. Seksisme, misogynie , racisme, pesten op het werk, en machtsmisbruik door leidinggevenden horen gewoon niet thuis in zo'n dienst. Voor alle duidelijkheid, ze horen nergens thuis. Als zulke zaken voorkomen bij de politie is dat niet alleen ernstig voor de medewerkers, want zo'n werksfeer zorgt voor persoonlijke drama's, maar het is ook ernstig voor de burgers.
Uit het antwoord van de commissaris-generaal blijkt dat er ondertussen bij de federale politie wel actie wordt ondernomen om het wangedrag aan te pakken. Ik las over de implementatie van de klokkenluiderswetgeving en over de invoering van een meldkanaal, over extra capaciteit op de dienst Integriteitbevordering en -bewaking en over de uitbouw van het netwerk van vertrouwenspersonen voor psychosociale aspecten. Dat zijn allemaal noodzakelijke stappen, maar die zijn duidelijk nog lang niet genoeg, gelet op de ernst van het probleem. Ik meen dat er nog veel meer moet gebeuren.
Tegelijkertijd viel op dat er in het antwoord van de heer Snoeck wordt verwezen naar structurele tekorten. Er is te weinig personeel, er zijn te weinig middelen, er zijn te veel dossiers die tegelijkertijd aangepakt moeten worden. Kortom, de problemen worden wel erkend, maar ze worden vertraagd aangepakt, onder meer omdat de ruimte ontbreekt.
Dat roept vragen op. Als we echt een veilige en integere politie willen, voor alle medewerkers en voor de samenleving, moeten we ook durven kijken naar de financiële onderbouw. Ik ben dus heel benieuwd hoe u kijkt naar het antwoord dat ons werd bezorgd door de heer Snoeck en wat u vindt van zijn analyse dat een chronisch tekort aan middelen en personeel bij de federale politie de uitvoering van beleid, de interne werking en het personeelsbeleid ondermijnt.
Xavier Dubois:
Monsieur le ministre, je suis assez étonné, même un peu heurté, des propos qui ont été tenus en début de séance. Insinuer que le commissaire se soustrait au contrôle parlementaire m'évoque une sorte de chasse aux sorcières, Je ne peux pas l'accepter, je ne peux pas l'entendre.
On l'a entendu. S'il n'a pas effectivement répondu à toutes les questions mais nous avions convenu, sur proposition du collègue, que les réponses soient données par écrit à ces questions auxquelles il n'avait pas eu le temps de répondre. C'est le cas. Le commissaire nous a envoyé ses réponses et nous sommes en train de les analyser. Nous avons également convenu entre nous de l'entendre à nouveau à la rentrée, notamment à la suite de son dépôt de plan stratégique. Il s'agit d'un projet crucial pour la police qui nécessite une réorganisation, une vision nouvelle, en phase avec les priorités données par le nouveau gouvernement, qui, je le rappelle, est en place depuis le mois de février maintenant.
Je pense qu'on doit aussi laisser le temps aux services de pouvoir prendre connaissance des annotations, des stratégies qui sont souhaitées par le gouvernement et de pouvoir les implémenter par la suite.
En ce qui me concerne, je reste sur le schéma convenu. Nous entendrons de nouveau le commissaire, ce sera l'occasion de lui reposer des questions, d'approfondir non seulement les dossiers évoqués, mais également ce rapport, d'autres rapports, et, bien entendu, toutes les priorités importantes pour le bien-être des policiers et de la population.
Ma question, monsieur le ministre, est assez simple: quel est votre avis quant aux origines du malaise qui sont évoquées dans ce rapport? Quelles sont les politiques que vous souhaitez mener, parce que cela relève aussi, finalement, de votre responsabilité? Car le commissaire met en œuvre la politique du gouvernement, mais il y a surtout un gouvernement qui donne les orientations, qui définit les actions à mettre en place. Quelles sont donc vos propositions pour faire en sorte de retrouver un climat serein au sein de la police? Ce climat serein participe, je le rappelle, au bien-être des agents, mais aussi, bien entendu, au bien-être et à la sécurité de la population. Enfin, j'ai entendu que le commissaire était germanophone. En tout cas, il n'est pas néerlandophone.
Bernard Quintin:
Monsieur le président, malheureusement, mon niveau d'allemand étant ce qu'il est, je ne veux pas me faire attraper parce que j'écorcherais la belle langue de Goethe.
Mijnheer de voorzitter, dames en heren volksvertegenwoordigers van de natie, tijdens de hoorzitting van 17 juni hebt u een uitgebreide reeks vragen voorgelegd aan de commissaris-generaal van de federale politie. Hij kreeg de gelegenheid om tijdens de vergadering antwoorden te formuleren. Het debat kon echter niet worden afgerond. Volgens verschillende commissieleden bleven bepaalde vragen onvoldoende beantwoord. Daarom werd de commissaris-generaal verzocht om uiterlijk op 7 juli bijkomend schriftelijke antwoorden te bezorgen. Dat is inmiddels ook gebeurd, in een uitvoerig document met verschillende bijlagen.
J’ai pris connaissance, a posteriori , des réponses du commissaire général. Il n’y avait en effet pas de raison que je les valide. Vous lui avez posé des questions, il vous a répondu. J’ai bien reçu les réponses qu’il vous a transmises. Sont-elles satisfaisantes? Ce sont des réponses que le commissaire général adresse au Parlement. Il ne revient pas, vous en conviendrez, au ministre de l’Intérieur de se prononcer sur leur caractère satisfaisant ou non.
Le commissaire général reviendra vous voir courant septembre pour poursuivre ce qui doit rester, en effet, une audition dans les formes – des formes, je dirais, tant structurelles que de courtoisie – afin de répondre à vos questions.
Een aantal commissieleden hebben mij ondertussen ook een reeks vragen gesteld, waarop ik vandaag globaal zal antwoorden in de vorm van vier verschillende onderdelen. Binnen de mij toegewezen tijd kan ik niet op elke vraag in detail ingaan.
J’aborderai le bien-être des collaborateurs, la situation financière de la police fédérale, le plan stratégique pour la police fédérale ainsi que la sélection, le recrutement et la formation.
Messieurs Depoortere, Thiébaut et Vandemaele, madame Delcourt, vous avez posé des questions concernant d'éventuelles atteintes à l'intégrité, la procédure CORESPO, l’enquête IDEWE et ma confiance dans la direction de la police fédérale. Je relèverai trois thèmes en matière de bien-être.
Tout d'abord, pour parler de plusieurs atteintes à l'intégrité potentiellement graves, je condamne par principe et fermement toute forme de comportement discriminatoire et inapproprié, le harcèlement et/ou un leadership inapproprié voire toxique. Il incombe à la hiérarchie de garantir un environnement de travail sûr et intègre pour tous les collaborateurs et toutes les collaboratrices. Je ne suis pas au courant de dossiers individuels et je n'ai pas à l'être. Je reste cependant convaincu que tous les signalements effectués via les canaux prévus à cet effet doivent être traités de manière appropriée.
Le commissaire général a récemment lancé un audit interne à ce sujet. S'il s'agit d'infractions pénales, il appartient au parquet d'agir. Les dossiers disciplinaires sont soumis à la réglementation disciplinaire en vigueur. Je découvre encore ce domaine, mais je peux vous dire que les procédures sont suivies et que tous les mécanismes que l'on est en droit d'attendre de la part d'un grand corps comme celui de la police fédérale sont en place et fonctionnent.
Je tiens également à souligner l'existence de canaux de signalement formels pour les atteintes à l'intégrité, conformément à la législation relative aux lanceurs d'alerte, tant en interne qu'en externe ou par voie de publication.
Niemand kan verplicht worden om een melding te doen bij een vertrouwenspersoon, ongeacht een eventuele persoonlijke band. Integendeel, elke schijn van partijdigheid moet net worden vermeden.
Ten tweede: het lopend CORESPO-traject heeft als doel, conform het model voor Governance, Riskmanagement en Compliance, cultuur- en risicodetectie uit te voeren. CORESPO brengt mogelijke ethische risicozones in kaart, zowel op het niveau van de organisatie als van haar verschillende geledingen. Daarbij zijn zeker werkpunten vastgesteld, vooreerst met betrekking tot de geïdentificeerde integriteitsrisico’s, daarnaast wat betreft het volledige procesverloop, de interne terugkoppeling en de communicatie.
Dat gezegd zijnde, het komt er nu op aan om de vastgestelde risico’s te beheren en het ethisch handelen en de conformiteit ervan te waarborgen. Het moet gebeuren aan de hand van gerichte acties. Voor de DGJ kan ik u alvast meedelen dat het eindrapport Respect DGJ in april 2025 aan de vakorganisaties is voorgelegd en dat het concrete actieplan in juni 2025 is gepresenteerd. Ik heb er vertrouwen in dat de uitwerking en opvolging via de geijkte kanalen zal verlopen. Ik zal dat blijven opvolgen.
Ten derde: de IDEWE-onderzoeken van 2019 en 2024 hebben een heel andere finaliteit en beleidskader dan CORESPO. IDEWE opereert immers binnen het wettelijk kader inzake welzijn op het werk en hanteert een andere methodologie en doelgroep. IDEWE meet indicatoren van welzijn en psychosociale belasting, terwijl CORESPO een intern instrument is voor cultuur- en risicodetectie dat meer focust op leiderschap, conflictdynamiek, perceptie van rechtvaardigheid en interpersoonlijke dilemma’s.
De resultaten van het IDEWE-onderzoek van 2024, gevalideerd in de overlegorganen met de vakorganisaties, tonen: een algemene verbetering van de welzijnsindicatoren, een stabilisatie van ongewenst gedrag, betere interpersoonlijke relaties en een daling van signalen van psychosociaal onbehagen. Beide instrumenten, CORESPO en IDEWE, vullen elkaar dus aan, maar mogen niet met elkaar worden verward of rechtstreeks naast elkaar worden gelegd.
Vous m’avez également interrogé sur la confiance que j’ai dans la direction de la police fédérale. Un ministre de la Sécurité et de l’Intérieur doit pouvoir avoir confiance en sa police. Et je peux vous dire que j’ai cette confiance, mais elle n’est pas aveugle. Elle est fondée sur les démarches que la direction entreprend et entreprendra, sur sa volonté de dialogue et sur son engagement à améliorer structurellement le fonctionnement de l’organisation de la police fédérale. C’est une mission quotidienne, qui n’est ni simple ni facile. Des comptes doivent être rendus tant au sein de l’organisation qu’à l’extérieur de celle-ci, tout comme d’ailleurs devant ce Parlement. Nous savons qu’il existe des points sensibles et des points à améliorer. Et nous devons aussi faire confiance à la direction de la police pour s’y atteler avec la détermination nécessaire.
J’en profite pour faire une incise sur les questions de sécurité. Je vous avoue que je ne me suis pas penché sur la question de la marque de la voiture à choisir. La sécurité est un sujet important que nous devons laisser aux services de sécurité – et c’est quelqu’un qui a vécu trois ans entouré de gardes de corps au quotidien qui vous le dit.
Mme Delcourt, messieurs Van Tigchelt et Thiébaut et Mme Daems, vous m'avez posé des questions sur la situation budgétaire de la police.
Ik vertel niets nieuws als ik zeg dat de situatie bij mijn aantreden als minister toch wel verrassend was.
Près de 89 % des moyens sont absorbés par les dépenses en personnel, ce qui limite évidemment fortement les marges pour investir dans les infrastructures, les véhicules, l'équipement et les outils numériques.
Dat moet veranderen. De personeelsmiddelen terugbrengen naar 85 % is een goede ambitie.
L'utilisation de la provision "sécurité", dont on a parlé, permettra notamment d'améliorer le ratio des crédits. Ceux-ci seront utilisés aussi pour couvrir une partie des moyens nécessaires dans le cadre de la réforme en cours, menée par le commissaire général. Certains projets ont déjà retenu mon attention et feront l'objet d'une utilisation cette année, tels que l'investissement dans le matériel de la DSU, le renouvellement de la flotte de véhicules ou encore l'acquisition de matériel informatique.
Donc il y a des carences, c'est une évidence. Comme j'ai déjà eu l'occasion de le dire, dans la situation budgétaire difficile que nous connaissons et qui impose des mesures sévères mais nécessaires, j'ai la chance de pouvoir diriger deux départements, l'Intérieur, globalement exempt d'économies, et la police fédérale, totalement exempte d'économies – et même dotée d'un budget supplémentaire de 450 millions. J'ai même réussi, par une petite pirouette, à récupérer 45 millions de plus pour ce budget.
Ces moyens seront consacrés à mettre la police au goût du XXIe siècle, à la fois dans les moyens dont elle dispose mais aussi dans l'adéquation de ses moyens avec la réalité de la criminalité qui est la nôtre aujourd'hui et qui n'est pas celle d'il y a 25 ans, quand la police intégrée à deux niveaux a été créée dans le cadre de la grande réforme de la police dans notre pays. C'est une tâche qui m'occupe jour et nuit – littéralement – vu l'heure à laquelle on termine les kern pour le moment.
In mijn derde punt kom ik tot de vragen over het strategisch plan voor de federale politie. Op vraag van de minister van Justitie, mevrouw Verlinden, en mijzelf, wordt door de commissaris-generaal en het directiecomité de laatste hand gelegd aan een ontwerp van strategisch plan. Dat is een noodzakelijk initiatief voor de goede werking en coördinatie van een beter gemanagede en meer performante federale politie.
Ik verwijs opnieuw naar de begroting. U weet hoe dat werkt. Ik moet u zeggen dat ik echt verbaasd was toen ik zag dat bijna elk departement zijn eigen budget heeft. Het is bijna onmogelijk om budgetten te transfereren.
C'est vraiment une organisation archaïque, sans parler de la difficulté pour les autorités de la police fédérale de faire des transferts, parfois même de deux personnes d'un service à l'autre, sans devoir se lancer dans des concertations tout à fait impossibles. Il faut aussi pouvoir reconnaître que l'organisation qui a été mise en place au fur à mesure des années ne facilite pas la flexibilité, qui est absolument fondamentale pour un service comme celui de la police fédérale.
Je vous assure que c'est une chose à laquelle j'ai l'intention de remédier. J'insiste un peu parce que je pense que j'aurai besoin de l'appui de cette Chambre et certainement de cette commission pour pouvoir le faire.
Ik kom terug tot het plan. We rekenen erop dat plan te finaliseren en goed te keuren in september 2025.
Het doel van het plan is een duidelijke en ambitieuze visie uit te tekenen voor de ontwikkeling op middellange termijn. Vier thema's zullen aan bod komen, ten eerste, de visie van de federale politie tegen 2030, ten tweede, de uitoefening van de sleutelopdrachten met concrete doelstellingen om de kwaliteit en de impact van de diensten te verbeteren, ten derde, de verbetering van de interne werking, en ten vier, het voorzien in de nodige middelen en de nodige capaciteit.
De ontwikkeling van dat strategisch plan ligt in het verlengde van de opdracht die de commissaris-generaal kreeg bij zijn aanstelling al commissaris-generaal ad interim, met name de continuïteit verzekeren en het management versterken, en de toekomst van de federale politie voorbereiden.
Ik vertrouw erop dat een dergelijk strategisch plan de solide basis kan vormen voor een rationalisering, en vooral de veiligheid van de burger zal dienen.
Het vierde punt gaat over de selectie en de rekrutering.
Pour répondre à Mme Delcourt et à M. Thiébaut, travailler sur de nouveaux engagements est essentiel et la police doit être un employeur moderne et attractif. Et là, on touche à deux points absolument fondamentaux. Il y a un déficit global de 15 % au niveau de la police fédérale, mais avec parfois des déficits beaucoup plus importants dans un certain nombre d'unités. C'est un vrai problème.
Comme j'ai eu l'occasion de le dire à plusieurs reprises, il y a aussi le fait que la police fédérale fonctionne dans le monde d'aujourd'hui. Et dans le monde d'aujourd'hui, recruter des policiers est beaucoup plus difficile au regard de la manière dont le rapport au travail est envisagé. Je n'ai pas de jugement de valeur par rapport à cela; c'est une réalité dans laquelle nous vivons. Mais on est confronté à cette réalité par rapport à un métier de police qui a un certain nombre d'exigences.
J'accorde une grande importance à la recherche de candidats via par exemple des viviers ciblés, à la sélection de ces mêmes candidats, à l'engagement des lauréats et à leur formation. Depuis septembre 2021, une nouvelle procédure de sélection et de recrutement est mise en œuvre. Ses principaux objectifs sont notamment de réduire le délai de sélection à 90 jours – ce que je compte mettre en application extrêmement rapidement – et, compte tenu du marché du travail concurrentiel, d'attirer et fidéliser non seulement des profils généraux mais aussi des profils spécialisés, tels que des experts financiers et des spécialistes de la cybercriminalité pour n'en citer que deux, au moyen de parcours de carrière adaptés.
L'évaluation de cette procédure est toujours en cours mais certains points d'amélioration sont déjà clairs, tels que la nécessité d'une meilleure coordination entre la mobilité interne et le recrutement externe ainsi qu'un besoin d'appui numérique renforcé. Un plan d'action sera élaboré à court terme.
Le plan de personnel "flexible", c'est le mot magique, vise à introduire davantage de souplesse par rapport au tableau organique strict actuellement en vigueur, tel que fixé par l'arrêté royal du 27 octobre 2015. L'objectif est de permettre à la police fédérale d'adapter plus dynamiquement ses effectifs en fonction des besoins, des priorités et des moyens disponibles.
Grâce à un plan stratégique pluriannuel aligné sur les objectifs de l'accord de gouvernement fédéral, le plan de personnel flexible doit créer plus de marge de manœuvre en matière de gestion des ressources humaines. J'attends à cet égard les propositions concrètes de la police fédérale.
La modernisation de la formation policière est un processus de réforme stratégique qui fait partie des engagements pris dans l'accord de gouvernement fédéral. Je souhaite même aller plus loin et aborder non seulement l'enseignement policier mais aussi les formations axées sur la sécurité (protection civile, pompiers, sécurité privée) dans la globalité.
Je crois que j'ai déjà eu l'occasion de dire que je compte organiser au dernier trimestre de cette année une grande table ronde ou un pow-wow – je n'ai pas encore défini précisément le mot – sur l'attractivité de la fonction de police. On doit travailler sur le recrutement, sur la formation, sur la formation continue de notre police et sur ses plans de carrière.
Ce n'est pas simple mais je pense que c'est absolument nécessaire si on veut avoir un vivier suffisant pour pouvoir recruter dans les différents services et permettre cette flexibilité non seulement au sein de la police fédérale mais aussi entre la police fédérale et les zones de police locale.
U merkt dat er nog werk op de plank ligt. Ik ben gemotiveerd en ik hoop op jullie te kunnen blijven rekenen om de vele uitdagingen aan te gaan. Ik dank jullie.
Ortwin Depoortere:
Dank u wel, mijnheer de minister. Zoals men dat in het Frans noemt: noyer le poisson . Het ging hier over het welzijn op de werkvloer, het ging over schrijnende getuigenissen van personeelsleden binnen de federale politie, en we zijn geëindigd bij een strategisch plan en de selectie en rekrutering. Uiteraard zijn de budgetten belangrijk en uiteraard is het personeelsbestand belangrijk, maar dat was niet het onderwerp van mijn vraag – misschien wel van andere collega’s, maar niet van mij.
Mijn pertinente vragen gingen over hoe u reageert op al die aantijgingen, hoe u reageert op het verweer van de commissaris-generaal. En ik vraag niet – en dat zal ook blijken uit mijn motie, die ik straks indien, mijnheer Van Tigchelt – het ontslag van de commissaris-generaal. Ik ben niet bezig met een chasse à l’homme , zoals mijnheer Thiébaut het zegt. En tussen haakjes, mijnheer Thiébaut, u bent verwonderd over de reactie van de grootste politievakbond, het VSOA. U ontwaart zelfs communautaire spoken. Maar ik ben verwonderd dat u en uw partij het opnemen voor de top en de gewone personeelsleden, die schrijnende getuigenissen hebben afgelegd, eigenlijk in de steek laten. Dat verwondert mij alleszins van een zelfverklaarde socialistische partij.
We mogen toch niet vergeten, mijnheer de minister, dat het hier ging over de disfuncties, misschien niet alleen bij de persoon van de commissaris-generaal, maar toch zeker in het management van de federale politie, aan de top van die organisatie. Dat men dat nu probeert te ontkennen of te minimaliseren, tart werkelijk alle verbeelding.
En als u inderdaad spreekt over de personeelstekorten – en die zijn er, dat is duidelijk –, dan weet u ook dat de federale politie steeds meer begint te lijken op een Mexicaans leger: met een zeer vette, dikke top en veel te weinig gewone personeelsleden, te weinig soldaten – als ik het zo mag zeggen – op het terrein.
Het verwondert mij ook vandaag dat sommige collega's blijkbaar de voorgeschiedenis van deze hele malaise vergeten zijn, of toch alleszins – bewust of onbewust – niet vermelden. Ik wil u eraan herinneren dat het CORESPO-rapport dateert van 2023. We zijn intussen meer dan twee jaar verder en nu pas kunnen we de minister hier ter verantwoording roepen, kunnen we de commissaris-generaal ter verantwoording roepen. Meer dan twee jaar hebben we moeten wachten op een antwoord. Ik noem dat – en ik trek die woorden niet terug – een vorm van poging tot onttrekking aan de parlementaire controle, mijnheer Van Tigchelt.
Mijnheer de minister, voor het Vlaams Belang is het duidelijk dat hier ook een zware politieke verantwoordelijkheid in het spel is. Bovendien – en dat is wat we wél vragen in onze motie – kan men niet rechter en partij tegelijk zijn. De klokkenluiders, de schrijnende getuigen en getuigenissen, kunnen momenteel nergens terecht binnen de federale politie, want die is rechter en partij tegelijk. Het was daarom dat wij, als Vlaams Belang, een onafhankelijke en externe doorlichting vragen van de federale politie. Dat zou klaarheid brengen, dat zou objectivering brengen en dat zou ook de ongerustheid en de angstcultuur die er heerst bij klokkenluiders binnen de federale politie, minstens gedeeltelijk kunnen wegnemen.
En ik blijf erbij, we gaan de commissaris-generaal inderdaad in september opnieuw horen. Ik hoop dat we tegen dan ook alle documenten te zien krijgen waarop we recht hebben. Als men openbaarheid en transparantie wil, dan moet men het debat ook ten volle durven voeren, ook aan de kant van het management van de federale politie.
In uw regeerakkoord, mijnheer de minister, beloofde u een doorlichting, maar die zou intern moeten verlopen. Ik ben van mening dat deze doorlichting extern moet worden georganiseerd, gezien de situatie, de vele getuigenissen, de grote malaise en het CORESPO-rapport.
Daarom, mijnheer de minister, heb ik een motie van aanbeveling ingediend.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Ik pleit er zeker niet voor dat de heer Snoeck moet vertrekken. Wel vind ik het rapport en de verhalen waarmee wij worden geconfronteerd veraf staan van het verhaal van de heer Snoeck. Daar zit ruis op. De schriftelijk ontvangen antwoorden zijn onduidelijk. Ze zijn van dezelfde vaagheid als het antwoord dat we tijdens de hoorzitting van de heer Snoeck kregen.
Vertrouwen is toch wel het sleutelwoord, zowel binnen de politie als vanuit de politiek. Of het nu ministers, meerderheid of oppositie betreft, ook wij moeten vertrouwen kunnen hebben in de politietop. In die context blijft een en ander mij tegen de borst stuiten. Op een bepaald moment vermeldde u bijvoorbeeld dat men altijd een beroep kan doen op de procedure voor klokkenluiders. Voor veel dossiers die men bij een superieur wil aankaarten, kan men de klokkenluiderprocedure echter niet gebruiken, aangezien die procedure voor uitzonderlijke gevallen is bedoeld. Daarom blijf ik terugkomen op de kwestie van relaties tussen hiërarchische oversten. Wie een probleem heeft met een leidinggevende en niet terechtkan bij de leidinggevende van het hogere niveau omdat beide leidinggevenden een relatie hebben met elkaar, kan onmogelijk naar de klokkenluidersprocedure worden doorverwezen, want die procedure is daarvoor niet bedoeld. Wie met wie samenwoont of welke persoonlijke banden er zijn, hoef ik niet te weten, maar op zijn minst moet voor gevallen van een hiërarchisch probleem een oplossing worden geboden, zodat dergelijke problemen aangekaart kunnen worden.
U zegt dat u geen blind vertrouwen hebt en dat vind ik goed, want ook wij hebben geen blind vertrouwen. Daarom blijven we aandringen. Hopelijk zal de commissaris-generaal in september iets inschikkelijker zijn, uitvoeriger en meer to the point antwoorden. We hebben immers – en daarin zijn wij allemaal bondgenoten – nood aan een sterke politie, aan een stevige federale politie. Dat kan enkel als er voldoende openheid is.
Ik kijk dan ook uit naar de hoorzitting in september.
Éric Thiébaut:
Merci, monsieur le ministre pour vos éclaircissements, vos réponses et certaines prises de position. Je pense que vous avez été mesuré et plein de bon sens dans votre réponse. Je ne vous frotte pas la manche, mais c'était bien. Je pense que, justement, dans ce genre de dossier, il faut garder une certaine mesure. Et le collègue Van Tigchelt l'a dit, il ne faut pas jeter le bébé avec l'eau du bain, il ne faut pas exagérer.
Je reste en outre persuadé qu'il serait intéressant d'auditionner les syndicats. Je l'ai proposé, mais cela a été refusé. On ne peut pas à la fois s'appuyer sur les dires d'un candidat d'un seul syndicat, et refuser par la suite d'entendre tous les syndicats concernés. C'est quand même un peu bizarre. Je redemanderai donc officiellement au président s'il est possible d'organiser des auditions de toutes les organisations syndicales.
J'entends également parler du Comité P, mais ce dernier peut être saisi à tout moment sur simple dépôt de plainte. Dans ce cas de figure de dysfonctionnement, de harcèlement, de problématiques inacceptables, un policier peut s'adresser à l'AIG, mais on pourrait dire qu'elle est sous l'autorité de la police fédérale. Le Comité P est sous l'autorité du Parlement. Il existe quand même des possibilités pour des lanceurs d'alerte, même à la police fédérale.
Pour revenir à M. Snoeck, il s'est expliqué ici. Il nous a envoyé des explications complémentaires qui n'ont pas l'air de satisfaire à 100 % certains de mes collègues. Il reste selon eux des zones d'ombre. Je pense qu'il faut alors profiter de la prochaine audition qui aura lieu en septembre pour éclaircir les choses. Mais il ne faut pas déjà condamner quelqu'un avant même qu'il ait pu s'expliquer. Je trouve cela un peu dur.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik kan mij vinden in veel zaken die hier tijdens de replieken zijn aangehaald.
Het gaat om transparantie. Zonder transparantie kan er geen vertrouwen zijn. Transparantie moet dus maximaal worden geboden. Als parlementsleden hebben we een beleidsmatige functie, dus die transparantie kan zonder op individuele dossiers in te gaan. We zijn hier geen rechter, geen tuchtorgaan of iets dergelijks in individuele dossiers.
Ik herhaal ook dat de federale politie uiteraard belangrijk is en zal blijven. Het voorbeeld van Sky ECC is aangehaald, en we kunnen veel andere voorbeelden opnoemen.
Waaraan we in de huidige turbulente tijden vooral nood hebben, is aan een federale politie, een overheid en veiligheidsdienst die, zoals in het Engels wordt benoemd, agile zijn, namelijk wendbaar en in staat om de vele uitdagingen op een performante manier aan te gaan. Daarin speelt het personeel een belangrijke rol. De personeelsleden van de federale politie moeten het tenslotte elke dag doen. Zij maken maken het verschil. Ook daarom zijn transparantie en vertrouwen noodzakelijk.
Alles begint naar mijn mening bij de leiding. Lead by example . De commissaris-generaal moet daarin het goede voorbeeld geven, samen met het DIRCOM.
Mijnheer de minister, we rekenen erop dat u daarop samen met ons blijft toezien in de toekomst, aangezien het te belangrijk is.
Catherine Delcourt:
Je vous remercie, monsieur le ministre, pour vos réponses, mais aussi pour tous les commentaires qui les ont accompagnées.
J'aime évidemment vous entendre dire que vous êtes motivé. La police fédérale est une structure forte et elle doit le rester.
En tant que parlementaire, au vu des préoccupations persistantes concernant la gouvernance, le climat interne et les moyens alloués, je resterai attentive. Je continuerai à vous interroger
Je suis très heureuse que M. Snoeck puisse revenir en commission pour se soumettre à nouveau aux questions des parlementaires. Rares sont ceux qui viennent une première fois, répondent par écrit et reviennent ensuite. Cela témoigne d’une volonté de partager l’information.
Je suis convaincue que la tête d’une organisation doit être forte, faire preuve d’intégrité, de transparence et de rigueur, y compris sur le plan budgétaire, afin de susciter la confiance. Cette confiance est essentielle au niveau de la sécurité de notre État de droit.
Voorzitter:
Monsieur Dubois, si vous voulez répliquer, je vous donne la parole.
Xavier Dubois:
Je vous remercie, monsieur le président, de me laisser la possibilité de répliquer.
Je tiens, en tout cas, à vous remercier, monsieur le ministre, pour vos réponses. Je retiens deux thèmes importants que vous avez cités.
Premièrement, vous avez évoqué le bien-être au sein de la police. Bien entendu, vous condamnez tous les risques mis en lumière ainsi que les atteintes potentielles à l’intégrité mentionnées dans ce rapport. C’est une démarche nécessaire.
J’ai également entendu qu’un audit interne a été lancé, ce qui est une bonne chose. Un plan d’action aurait déjà été établi et transmis aux syndicats. Il serait intéressant de pouvoir en prendre connaissance.
Le deuxième thème est celui de la confiance. Vous établissez cette confiance nécessaire, et vous la garantissez, mais il s’agit d’une confiance qui ne doit pas être aveugle. Il est en effet essentiel d’adopter cette posture: une confiance fondée sur les actions en cours et celles à venir.
Je crois que nous l’avons toutes et tous souligné, un point d’attention majeur sera ce fameux plan stratégique, qui est très attendu.
En conclusion, je ne partage pas l'avis selon lequel le commissaire général se soustrairait au contrôle parlementaire. Ce n'est pas le cas. Il a répondu aux questions en commission, il a répondu par écrit, et il reviendra.
Nous attendons avec grande impatience ce plan stratégique pour pouvoir évaluer la manière dont nous mettrons en œuvre la politique souhaitée par le gouvernement.
Brent Meuleman:
Bedankt, voorzitter, dat u mij de kans geeft om ook te repliceren.
Dank u, mijnheer de minister, voor uw antwoord. Zoals ik in het verleden al heb gezegd, mensen die elke dag hun stinkende best doen om onze veiligheid te garanderen, verdienen het natuurlijk om ook zelf in een veilige omgeving te kunnen werken. In die zin ben ik bijzonder tevreden met uw strenge veroordeling van alles wat te maken heeft met ongepast gedrag, toxisch leiderschap, pestgedrag enzovoort.
Het is goed dat er een audit loopt. Ik denk dat we allemaal de vinger aan de pols zullen houden en dat u dat als minister ook zult doen. Wij zullen in elk geval ons werk doen. Daarom is het goed dat de commissaris-generaal in september opnieuw naar het Parlement komt om de vragen van de parlementsleden te beantwoorden.
U zult in Vooruit een partner vinden om de broodnodige hervormingen uit te voeren.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Ortwin Depoortere en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Ortwin Depoortere en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - overwegende dat de malaise bij de federale politie nefast is voor de veiligheid van onze burgers; - overwegende dat een werkplaats waar grensoverschrijdend gedrag welig tiert, werknemersuitval vergroot en de vele openstaande vacatures moeilijk kan invullen; - overwegende dat de strijd tegen georganiseerde misdaad en zware criminaliteit cruciaal is; - overwegende dat persoonlijke belangen van individuele functionarissen de operationele capaciteit van anderen niet mogen hinderen en de hele organisatie niet mogen schaden; vraagt de regering - het welzijn en de veiligheid van agenten, inspecteurs en personeelsleden van de federale politie in het algemeen te verzekeren; - de gebouwen van de veiligheidsdiensten naar behoren te onderhouden; - een externe doorlichting te bevelen van de federale politie; - het Comité P op te dragen de vele klachten van en getuigenissen over wangedrag te onderzoeken; - de machtsposities van betrokkenen waar nodig te herzien; - grondige interne hervormingen voor te bereiden en uit te voeren teneinde een herhaling van wanbeleid alsook wanbeheer te voorkomen. " Une motion de recommandation a été déposée par M. Ortwin Depoortere et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M. Ortwin Depoortere et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - considérant que le malaise au sein de la police fédérale nuit à la sécurité des citoyens; - considérant qu'un lieu de travail où les comportements inappropriés sont monnaie courante entraîne une augmentation de l'absentéisme et des difficultés à pourvoir les nombreux postes vacants; - considérant qu'il est essentiel de lutter contre le crime organisé et la grande criminalité; - considérant que les intérêts personnels de fonctionnaires individuels ne peuvent pas entraver la capacité opérationnelle des autres fonctionnaires ni porter atteinte à l'organisation dans son ensemble; demande au gouvernement - de garantir le bien-être et la sécurité des agents, des inspecteurs et des membres du personnel de la police fédérale en général; - d'entretenir comme il se doit les bâtiments des services de sécurité; - d'ordonner un audit externe de la police fédérale; - de charger le comité P d'enquêter sur les nombreuses plaintes et les nombreux témoignages concernant des comportements inappropriés; - de revoir, si nécessaire, la situation des personnes concernées au sommet de la hiérarchie; - de préparer et de mettre en œuvre de profondes réformes internes afin d'éviter que des problèmes de mauvaise politique et de mauvaise gestion ne se répètent.. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Catherine Delcourt. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Catherine Delcourt . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
De professionele stage voor afgestudeerde klinisch psychologen en orthopedagogen
De stage voor studenten in de klinische psychologie en klinische orthopedagogiek
De praktijkstage voor klinisch psychologen/orthopedagogen
De schrapping van de professionele stage voor klinisch psychologen en orthopedagogen
De verplichte stage voor klinisch psychologen en orthopedagogen
Stages en regelgeving voor klinisch psychologen en orthopedagogen
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 15 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Samenvatting: Minister Beenders verdedigt praktijktesten door Unia als noodzakelijk om discriminatie op de arbeidsmarkt bloot te leggen, maar verwerpt de juridisch-agressieve aanpak (ingebrekestellingen zonder voorafgaand overleg) in Gent, die hij contraproductief en draagvlakondermijnend noemt. Unia belooft dialoog te herstellen, maar Van Hoecke (N-VA) eist volledige afschaffing van praktijktesten en ontbinding van Unia, omdat ze volgens hem wantrouwen zaaien en overheidsbemoeienis normaliseren—een standpunt dat Beenders afwijst als realiteitsontkenning, wijzend op wetenschappelijk bewijs van structurele discriminatie. Tweede thema: Minister Vandenbroucke schrapt de verplichte professionele stage voor klinisch psychologen en pedagogen, ondanks kritiek uit de sector, omdat het systeem onuitvoerbaar bleek (slechts 239 stageplaatsen voor 1.400 afstudeerders). Hij belooft alternatieven (supervisie/intervisie), maar oppositiepartijen vrezen kwaliteitsverlies en eisen betere randvoorwaarden.
Alexander Van Hoecke:
Mijnheer de minister, de feiten zijn intussen genoegzaam bekend. Maar liefst 90 Gentse bedrijven, waaronder cafés, en scholen zijn door Unia in gebreke gesteld wegens vermeende discriminatie bij sollicitaties. Daarbij werden, zoals bij praktijktesten gebruikelijk is, valse sollicitatiebrieven verstuurd voor echte vacatures. Zo creëerde Unia bijvoorbeeld een fictieve sollicitant die last had van ruis en omgevingslawaai, maar toch solliciteerde voor een functie als onthaalmedewerker op een school.
De directeur liet weten dat het onthaal van de school allesbehalve prikkelarm is. Er zijn leerlingen met trauma’s en zware persoonlijke achtergronden. Voor de ingebrekestellingen nam Unia strafpleiter Walter Van Steenbrugge, toch niet de minste, onder de arm. De getroffenen hebben nu drie weken om te reageren. Sommige bedrijven hebben al contact opgenomen met een advocaat omdat ze zich daartoe genoodzaakt voelen. Dat zijn op zich al extra kosten, die, zo beseft iedereen, erg zwaar kunnen doorwegen, zeker voor een school of een kleine onderneming als een café.
De getroffen cafés, scholen en ondernemingen werden bovendien niet bevraagd over hun beweegredenen om niet op de fictieve sollicitaties in te gaan. Er werd geen hoor en wederhoor toegepast, enkel een juridische dreiging. Het stadsbestuur van Gent – in het verleden nochtans een groot voorstander van dergelijke praktijktesten – trekt er vandaag zijn handen van af en zegt niets te maken te hebben met de ingebrekestellingen en de acties van Unia.
Volgens de Gentse schepen voor gelijke kansen, Bram Van Braeckevelt, werkt Unia volledig onafhankelijk. Die schepen voegde eraan toe dat Unia de bedrijven opnieuw zal contacteren en daarbij de nadruk zal leggen op dialoog. Ook Voka riep trouwens op om de Gentse praktijktesten onmiddellijk stop te zetten.
De gang van zaken, die de afgelopen week uitvoerig aan bod is gekomen, roept fundamentele vragen op over de methodiek, de proportionaliteit en de legitimiteit van dergelijke acties, zeker wanneer die worden ondernomen door een overheidsinstelling, die dus met publieke middelen wordt gefinancierd.
Ik heb daarom een aantal vragen voor u, mijnheer de minister.
Ten eerste, wat is uw visie op de ingebrekestellingen die Unia in Gent heeft verstuurd? We hebben daarover al het een en ander in de media gelezen, maar kunt u daar wat dieper op ingaan?
Ten tweede, u hebt, als ik het goed begrepen heb, op 1 juli contact gehad met Unia over die kwestie. Wat was de reactie van Unia tijdens dat gesprek? Volgt er nog een opvolgingsgesprek?
Ten derde, vallen die praktijktesten en de bijhorende ingebrekestellingen volgens u onder de wettelijke opdracht van Unia?
Ten vierde, is het voorval in Gent een geïsoleerd incident? Dit incident werd uitvoerig belicht in de media, maar ik vraag mij af of Unia dergelijke praktijktesten elders ook al toegepast heeft, met bijkomende ingebrekestellingen.
Tot slot, wat zult u als minister ondernemen om ervoor te zorgen dat dergelijke praktijken nooit meer voorvallen?
Ik zou daar graag nog een laatste vraag aan toevoegen, wellicht de belangrijkste voor de betrokkenen. Hoe moet het nu verder voor hen? Volhardt Unia in zijn kwaadheid? We horen van de Gentse schepen dat Unia die bedrijven opnieuw zal contacteren. Klopt dat? Heeft Unia u daarover geïnformeerd?
Zijn juridische stappen nu echt van de baan, of mogen sommige van die 90 bedrijven een juridische lijdensweg verwachten?
Rob Beenders:
Mijnheer Van Hoecke, uw eerste vraag was wat mijn visie is op de ingebrekestellingen die door Unia werden verstuurd in Gent. Daarover kan ik duidelijk zijn. Ik ben voorstander van het inzetten van praktijktesten als methode om discriminatie op te sporen en aan te pakken. Dat heb ik ook altijd bevestigd, zowel in deze commissie als bij de presentatie van de beleidsnota’s. Het is immers bewezen dat praktijktesten noodzakelijk kunnen zijn om structurele uitsluiting op de arbeidsmarkt zichtbaar te maken.
De realiteit is dat, ondanks sensibilisering en de bestaande regelgeving, bepaalde groepen nog altijd structureel benadeeld worden. Om discriminatie effectief vast te stellen, zijn praktijktesten dan ook een nuttig instrument, ook in Gent, waar ze al tien jaar worden toegepast en hun nut bewezen hebben. In die zin steun ik het gebruik ervan.
De manier waarop Unia echter het dossier van de 90 ingebrekestellingen heeft aangepakt, steun ik absoluut niet. Ik ben daar vanaf het begin duidelijk over geweest. De opvolging door Unia van de praktijktesten in Gent gebeurde volgens mij niet op de juiste manier.
Daarbij gaat het niet over de praktijktesten zelf, want het zou verkeerd zijn om het kind met het badwater weg te gooien, dat is niet de bedoeling. Doordat Unia is overgegaan tot een juridische ingebrekestelling zonder eerst met de betrokken werkgevers te spreken, heeft het echter een belangrijke kans op een constructieve dialoog gemist. Dat betreur ik ten zeerste.
Ik kan mij dus niet vinden in de werkwijze waarbij mensen worden aangeschreven zonder voorafgaand gesprek, zonder dat ze de kans krijgen om een toelichting te geven of zich te verbeteren. Ik ben er echt van overtuigd dat dat niet de manier is om het draagvlak voor praktijktesten te versterken. Ik durf zelfs het tegenovergestelde beweren: het ondergraaft het draagvlak voor het instrument van praktijktesten.
In antwoord op uw tweede vraag kan ik bevestigen dat ik contact heb gehad met Unia over deze kwestie. Ik heb de berichtgeving daarover in de krant gelezen, want ik wil nogmaals duidelijk stellen dat die praktijktesten niet in mijn opdracht als minister zijn uitgevoerd. Ik ben als minister wel bevoegd voor onder andere Unia, maar wat in Gent is gedaan, is in overleg met de stad Gent gebeurd.
Zodra het nieuws in de krant is verschenen, heb ik Unia onmiddellijk uitgenodigd op het kabinet. In dat overleg heb ik mijn bezorgdheid over hun aanpak heel duidelijk overgebracht. Uit dat gesprek bleek dat de dossiers op zichzelf wel correct zijn uitgevoerd, maar werd ook bevestigd dat Unia in de verdere aanpak fouten heeft gemaakt. De stap naar een ingebrekestelling was niet ingebed in een fase van voorafgaande dialoog. Dat heeft terecht voor veel verwarring en vooral verontwaardiging gezorgd.
Ik was toevallig vandaag nog in een rusthuis in Gent dat ook een dergelijke brief had ontvangen. Ik kan u bevestigen dat men daar absoluut niet gelukkig mee was, al was het maar omdat het geld heeft gekost om daarop te antwoorden, aangezien het om een officiële juridische brief ging. Laat staan het gevoel dat die organisatie eraan heeft overgehouden: het is alsof ze met de vinger wordt gewezen en discriminatie toepast.
Als men op het terrein dergelijke reacties hoort, ben ik ervan overtuigd dat mijn reactie op de mediaberichtgeving en tijdens het overleg met Unia de juiste was. Dit is niet de manier om dit aan te pakken. Die zienswijze heeft Unia trouwens ook bevestigd.
Tijdens dat overleg heb ik Unia gevraagd om die aanpak grondig te herevalueren. Als we discriminatie ernstig nemen - en als minister doe ik dat voor de volle 100 % - dan moet die aanpak degelijk en proportioneel zijn. Als men een draagvlak wil creëren, dan doet men dat niet met juridische dreigingen als eerste stap, maar probeert men in overleg te gaan en een partnerschap te sluiten, dan begeleidt men mensen, organisaties en ondernemingen en is men vooral heel transparant.
Ik heb tegen Unia gezegd dat we die werkwijze echt willen zien in de praktijk en dat we hen zullen blijven opvolgen wat dat betreft. Dat heb ik zeer duidelijk gemaakt tijdens dat overleg. Ik heb begrepen dat er op basis van het overleg een bijkomende vergadering van de raad van bestuur werd belegd, waar dit dossier ter sprake is gekomen. Ik heb ook telefonisch contact gehad met de voorzitter van de raad van bestuur en heb daarin mijn ongenoegen geuit.
Uw derde vraag was of die praktijktesten en bijhorende ingebrekestellingen volgens mij onder de wettelijke opdracht van Unia vallen. Unia heeft als opdracht het bestrijden van elke vorm van discriminatie, onderscheid, uitsluiting, beperking, uitbuiting of voorkeur op grond van onder andere huidskleur, handicap of seksuele voorkeur. Praktijktesten zijn een middel om ongelijke behandeling in kaart te brengen. Die praktijktesten in Gent werd uitgevoerd door de stad Gent, in samenwerking met Amal vzw. De dossiers waarin een vermoeden van discriminatie werd vastgesteld, werden vervolgens overgemaakt aan Unia voor verdere behandeling. Het is niet onbelangrijk om dat te schetsen. Het is dus niet Unia dat die praktijktesten heeft uitgevoerd, maar wel de stad Gent, in samenwerking met Amal.
Zowel het samenwerkingsakkoord met Unia als de federale antidiscriminatiewetgeving bepalen dat Unia in rechte kan optreden in geschillen waartoe die wetten aanleiding kunnen geven. De ingebrekestelling is op zich geen juridische sanctie, maar wel een formele aanmaning, waarbij een partij wordt verzocht maatregelen te nemen of te reageren binnen een redelijke termijn. Dit kader laat Unia dan toe om in bepaalde dossiers juridische stappen te overwegen, maar dat vereist telkens een zorgvuldige en proportionele benadering, iets wat volgens mij in dit geval niet optimaal is gebeurd.
Uw vierde vraag was of het voorval in Gent een geïsoleerd incident is of dat Unia ook elders al praktijktesten heeft toegepast en ingebrekestellingen verstuurd. Volgens de informatie die naar voren kwam uit het overleg met Unia was dit de eerste keer dat Unia op deze schaal betrokken is bij juridische praktijktesten die werden uitgevoerd in opdracht van een stad.
In het verleden zijn er wel praktijktesten uitgevoerd in andere steden, zoals Antwerpen, Brugge en Leuven, maar de stap naar een ingebrekestelling via advocaten werd nooit eerder op die schaal gezet. Ik concludeer dan ook dat het om een geïsoleerd incident gaat. Tegelijkertijd is het een duidelijke aanleiding om ervoor te zorgen dat zoiets zich niet herhaalt, zonder voorafgaand overleg en vooral zonder correcte communicatie.
U vroeg ook wat ik zou ondernemen om ervoor te zorgen dat die praktijken niet meer zouden plaatsvinden. Tijdens het officiële overleg heb ik mijn bezorgdheden duidelijk overgebracht aan Unia en ook expliciet aangegeven wat wij vanuit de federale regering verwachten. Ik heb daarbij zeer duidelijk gesteld dat die handelswijze zich op die manier niet mag herhalen. De manier waarop de ingebrekestellingen verstuurd zijn, heeft geleid tot onrust, onbegrip en juridische onzekerheid. Dat is nu net het tegenovergestelde van wat we willen bereiken met praktijktesten.
U stelde nog een andere vraag over wat er nu zal gebeuren. Daarop kan ik op dit moment geen antwoord geven. We hebben heel duidelijk gemaakt wat onze bezorgdheden zijn, wat we van hen verwachten en vooral wat we niet van hen verwachten. Het is nu aan hen om daarmee aan de slag te gaan. Uiteraard blijven we het dossier opvolgen. Ik sta in permanent contact met Unia, net als mijn kabinet. Het dossier zal niet van de radar verdwijnen zolang niet alles duidelijk is.
Ik ben het helemaal met u eens, als er op die manier verdere stappen worden gezet die de ongerustheid en juridische onzekerheid vergroten inzake praktijktesten, maar ook breder in dossiers over discriminatie, dan moet dat stoppen. Dat heeft totaal geen nut. Het doel van praktijktesten is immers om discriminatie te verminderen en aan te pakken, niet om onrust te zaaien op het terrein.
Ondertussen blijf ik als minister strijden tegen discriminatie op de arbeidsmarkt. Dat is geen vrijblijvende opdracht, maar we moeten wel het juiste doen. Alleen dan kunnen we vooruitgang boeken. De manier waarop het in Gent is verlopen, is niet voor herhaling vatbaar.
Alexander Van Hoecke:
Mijnheer de minister, ik wil u bedanken voor uw antwoorden, die heel volledig waren. U hebt terecht kritiek op de werkwijze van Unia geuit. Ik ben tevreden dat u die werkwijze veroordeelt. Het tegendeel had mij ernstige zorgen gebaard.
U hebt meerdere keren gezegd dat u niet wilt controleren, maar u wilt dit wel verder opvolgen. Ik denk dat u wel moet controleren, want Unia is nog altijd een instituut met een wettelijke opdracht. Het ontvangt nog steeds belastinggeld. Als uitvoerende macht hebt u een duidelijke controlefunctie. U moet wel degelijk controleren, zeker wanneer het gaat over ingrijpende zaken zoals de praktijktesten en de juridische stappen die Unia daarbij overweegt.
Ik denk dat we ons ook de vraag moeten durven te stellen hoe het überhaupt mogelijk is dat Unia zich met zulke absurditeiten bezighoudt. Waarom stuurt Unia nepsollicitaties uit in naam van een fictieve persoon met een prikkelstoornis voor de functie van onthaalmedewerker bij een school waar duidelijk leerlingen zitten die niet de meest rustige zijn, als ik het zo mag zeggen? Waarom stuurt Unia een topstrafpleiter op een school of zelfs op een rusthuis af, omdat die niet ingaat op een sollicitatie? Die vraag moeten we ons wel durven te stellen. Waar komt dit vandaan?
Dat komt omdat we nog altijd niet die compleet absurde praktijktesten durven te veroordelen. Ik denk dat u vandaag heel wat redenen hebt opgesomd waarom die praktijktesten eigenlijk geen goed instrument zijn. U zegt dat u een voorstander van praktijktesten blijft, maar tegelijk noemt u tal van redenen waarom ze in de praktijk geen goed idee blijken te zijn.
Uw partij, Vooruit, is altijd hevig voorstander van die praktijktesten geweest. Hoe meer, hoe liever. Dan moet u ook leren leven met de consequentie dat dit het resultaat is. Dit is eigenlijk een logische actie van Unia in die optiek. Binnen dat paradigma doet Unia gewoon wat er politiek, voornamelijk vanuit linkse hoek, al jarenlang wordt gevraagd: discriminatie harder beoordelen, meer controleren, vacatures overstelpen met praktijktesten met valse sollicitaties om te zien of er sprake is van discriminatie en daar ook gevolgen aan koppelen.
U hebt in de pers gezegd dat pas als iemand herhaaldelijk en moedwillig dezelfde fouten maakt, een juridische procedure overwogen kan worden. Ja, u koppelt daar dus nog steeds een juridische procedure aan. Het is niet zo dat u bijvoorbeeld zegt dat praktijktesten nuttig zijn om te kunnen meten of er discriminatie op de arbeidsmarkt is.
U stelt dat hier wel degelijk ook een juridische consequentie aan gekoppeld moet kunnen worden.
Met andere woorden, er is eigenlijk niets mis – dat hebt u, als ik mij niet vergis, ook met zoveel woorden gezegd – met de werkwijze van Unia op het vlak van praktijktesten, maar het moet wel even wachten met dure advocaten af te sturen op bedrijven, op scholen, op cafés, op rusthuizen en met mensen voor de rechter te slepen. Dat het daar even mee wacht, dat hoeft niet onmiddellijk te gebeuren.
Daar zit natuurlijk het probleem, mijnheer de minister. De werkwijze van Unia wordt fundamenteel niet veroordeeld. Zolang dat niet gebeurt, blijven we met hetzelfde probleem zitten, want dat is nu eenmaal de richting waarin die praktijktesten evolueren.
Ik vind die praktijktesten getuigen van een enorm wantrouwen tegenover ondernemers, tegenover de hele samenleving eigenlijk. Als we zien wie er geviseerd werd in Gent – rusthuizen, scholen, cafés – dan is het duidelijk dat niemand nog veilig is.
Het veronderstelt ook dat men via praktijktesten in het hoofd kan kijken van iemand die een beslissing neemt – in het hoofd van een werkgever of van een school – en dat men ervan uitgaat dat men op basis van één sollicitatie waarop niet werd ingegaan, in dat individuele geval schuldig is aan discriminatie en dat daar ook gevolgen aan moeten worden gekoppeld. We zijn nu op dezelfde manier bezig als de stad Gent, die wanneer het te absurd wordt haar handen ervan aftrekt, maar in het verleden wel stond te springen om praktijktesten in te voeren en harder op te treden tegen elke vorm van discriminatie.
Ik rond af. Onze oproep is altijd heel duidelijk geweest: niemand zou mogen vrezen dat de overheid over zijn schouder meekijkt bij een aanwervingsprocedure. Die vrijheid staat centraal in een vrije samenleving. Met dat standpunt – dat nochtans gedragen wordt door een meerderheid van de Vlamingen – staan wij vandaag echter blijkbaar alleen.
Ik dien dan ook een motie van aanbeveling in. We vragen u daarin slechts drie zaken, mijnheer de minister. Ten eerste, u moet heel duidelijk oproepen, niet om te stoppen met juridische vervolging, maar wel om te stoppen met praktijktesten tout court . Ten tweede, u moet de subsidiëring van Unia eindelijk volledig stopzetten. We hebben in Vlaanderen een Vlaams Mensenrechteninstituut ingevoerd dat handenvol geld kost, om vervolgens Unia federaal ook nog eens te subsidiëren. Tot slot moet u – dat staat ook in een resolutie die wij opnieuw zullen indienen – de nodige stappen zetten om Unia te ontbinden.
De voorzitster : U wenst te reageren, mijnheer de minister?
Rob Beenders:
Ik had gehoopt op een intellectueel correct debat; ik heb trouwens op een heel correcte manier geantwoord op uw vragen. U gooit hier heel wat dingen op een hoop, terwijl het daar niet over gaat. Ik distantieer mij van de manier waarop de praktijktesten werden opgevolgd, maar niet van de praktijktesten zelf. De praktijktesten worden al tien jaar uitgevoerd in Gent, zonder problemen en zijn degelijk wetenschappelijk onderbouwd. Tal van studies tonen aan dat niet iedereen dezelfde kansen krijgt om bijvoorbeeld een job te vinden. Het is dan ook niet realistisch te verwachten dat iedereen die moet bijdragen aan de samenleving en geacht wordt te werken, automatisch dezelfde kansen heeft om op de arbeidsmarkt te starten. Of u dat nu wilt of niet, u kunt het zonlicht niet ontkennen, het is eenvoudigweg niet zo. Dat zeg ik niet omdat ik ideologisch niet aan uw zijde sta, maar omdat het om feiten gaat. Wetenschappelijke studies tonen zeer duidelijk aan dat bepaalde groepen niet met gelijke kansen aan een sollicitatieprocedure beginnen. U kunt dat niet ontkennen, dat is de realiteit.
Wat doen we daarmee? Niets? Laten we die mensen aan hun lot over? Zij vinden geen werk, komen in de bijstand terecht en vervolgens voeren we hier een discussie over het feit dat er te veel overheidsgeld naar mensen gaat die niet werken. Dat is een andere discussie. De vraag is of we instrumenten die wetenschappelijk bewezen gelijke kansen stimuleren, inzetten om een extra duwtje in de rug te geven aan wie dat nodig heeft. Praktijktesten behoren op het moment tot de weinige bewezen instrumenten die daartoe bijdragen.
De opvolging van praktijktesten is cruciaal en dat is voor Gent niet correct verlopen. Het is niet aanvaardbaar om met ingebrekestellingen te starten, zodra er iets wordt vastgesteld. Integendeel, men moet er net mee aan de slag gaan om het probleem op te lossen. Door alles, praktijktesten en de opvolging ervan, op een hoop te gooien en in de vuilnisbak te werpen, creëren wij geen gelijke kansen voor iedereen op de arbeidsmarkt. Discriminatie is geen futiliteit. Ik wil het debat op dat vlak eerlijk, correct en zuiver voeren. Niet iedereen heeft dezelfde kansen om een job te vinden, dat is een feit. U kunt zich voorstellen dat het anders is, maar dat maakt het nog niet waar.
Als u een alternatief recept hebt om het probleem op een andere manier aan te pakken, neem dat op in een motie van aanbeveling. Ik zal mijn partij steunen om daarvoor te stemmen. Gooi het kind niet met het badwater we; u probeert mensen iets wijs te maken. Het is niet zo.
Alexander Van Hoecke:
Mijnheer de minister, u werpt op dat we het debat intellectueel eerlijk moeten voeren. Ik doe dat hier ook duidelijk. Ik zeg dat het niet enkel gaat over de opvolging van de praktijktesten. U zegt heel duidelijk dat u voorstander bent van praktijktesten, omdat die nodig zijn om discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Wees dan echter ook consequent. De enige logische conclusie die u kunt trekken uit de praktijktesten als middel om discriminatie te bestrijden, is dat de overheid meekijkt over uw schouder en dat er uiteindelijk ook juridische stappen worden gezet richting bedrijven die verdacht worden van discriminatie op de arbeidsmarkt of op de huurmarkt. Dat is de enige logische conclusie. Wat Unia heeft gedaan, is eigenlijk precies wat u nu bepleit, namelijk dat in de praktijk uitvoeren.
Dan kunt u inderdaad beklagen dat Unia te snel is overgegaan tot juridische stappen. Uiteindelijk bent u het dan echter nog altijd met Unia eens dat er na de praktijktesten juridische stappen moeten volgen. U zegt immers ook duidelijk dat praktijktesten er niet alleen zijn om discriminatie te meten, maar ook om die te bestrijden.
Wij kunnen daarover van mening verschillen, maar dat is niet het maatschappijmodel waarvoor ik kies. Ik kies niet voor een maatschappij waarin de overheid meekijkt over iemands schouder om na te gaan of men wel een beslissing neemt op basis van de juiste gronden of om te controleren of de persoon die men aanwerft, niet toevallig een andere achternaam heeft, zodat men van discriminatie verdacht kan worden. Dat is absoluut niet het model waarvoor ik kies, en het zou mij zeer, zeer, zeer sterk verbazen, als veel Vlamingen daar wél voor kiezen.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.
En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.
Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt:
"De Kamer,
gehoord de interpellatie van de heer Alexander Van Hoecke
en het antwoord van de minister van Consumentenbescherming, Socialefraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen,
- overwegende dat maar liefst 90 Gentse bedrijven, waaronder ook cafés en scholen, door Unia in gebreke zijn gesteld omwille van vermeende discriminatie bij sollicitaties;
- overwegende dat er geen hoor en wederhoor werd toegepast door Unia en er meteen van uitgegaan werd dat iedereen die niet inging op de fictieve sollicitaties daartoe discriminatoire redenen had;
vraagt de regering
- Unia op te roepen om onmiddellijk te stoppen met het uitvoeren van praktijktesten;
- de subsidiëring van Unia volledig stop te zetten;
- de nodige stappen te zetten om Unia te ontbinden. "
Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit:
" La Chambre,
ayant entendu l'interpellation de M. Alexander Van Hoecke
et la réponse du ministre de la Protection des consommateurs, de la Lutte contre la fraude sociale, des Personnes handicapées et de l'Égalité des chances,
- considérant que pas moins de nonante entreprises gantoises, dont également des cafés et des écoles, ont été mises en demeure par Unia pour présomption de discrimination à l'embauche;
- considérant qu'Unia n'a pas appliqué les principe du contradictoire et est d'emblée parti du postulat que toutes les candidatures fictives n'ayant pas reçu de suite, n'avaient pas été retenues pour des raisons discriminatoires;;
demande au gouvernement
- d'exhorter Unia à cesser immédiatement de réaliser des tests de situation;
- de suspendre totalement le versement des subventions à Unia;
- de prendre les mesures nécessaires pour dissoudre Unia. "
Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Funda Oru.
Une motion pure et simple a été déposée par Mme Funda Oru .
Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.
Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
Je remercie le ministre Beenders pour sa présence et suspends nos travaux en attendant l'arrivée du ministre Vandenbroucke et la reprise de nos questions orales.
Le développement des questions et interpellations est suspendu de 13 h 55 à 14 h 14.
De behandeling van de vragen en interpellaties wordt geschorst van 13.55 uur tot 14.14 uur.
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, dank u voor uw aanwezigheid en voor de gelegenheid om nog een aantal vragen te stellen over de actualiteit. Eerder had ik al een vraag ingediend over de stand van zaken met betrekking tot de organisatie van de professionele stage.
Ondertussen hebben we via de media vernomen dat u nu definitief zou hebben beslist om die professionele stage te schrappen. Tijdens de vorige legislatuur hebt u ook al verschillende keren de verplichting tot het volgen van een professionele stage uitgesteld. Onze partij heeft zich daar altijd tegen verzet, omwille van redenen die afgelopen week ook werden verwoord door de Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen en door Nady Van Broeck, emeritus-hoogleraar klinische psychologie aan de KU Leuven.
Die mensen achten de extra praktijkervaring nodig om de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg te waarborgen. Tijdens de opleiding is er namelijk te weinig ruimte voor praktijkoefening. We mogen hier niet vervallen in casuïstiek, maar mijn eigen nichtje, die klinische psychologie heeft gestudeerd, voelde zich na haar opleiding onvoldoende gewapend om meteen aan de slag te gaan. Ze heeft dan ook voortgezette opleidingen gevolgd in het avondonderwijs, om zich toch voldoende klaar te voelen om met patiënten te werken. Dat illustreert hoe belangrijk zo’n professionele stage is.
Ook vanuit het perspectief van de patiënt is de schrapping nefast, aangezien mensen met psychische problemen bijzonder kwetsbaar zijn. Bovendien dreigt de schrapping van de professionele stage op termijn duurder uit te vallen, enerzijds omdat behandelingen niet altijd van voldoende kwaliteit zullen zijn, anderzijds omdat er onvoldoende psychologen effectief aan de slag gaan als klinisch psycholoog.
U haalt aan dat u geen stagemeesters kunt vinden. Wat ons betreft, is het net een taak van de overheid om daarvoor de juiste randvoorwaarden te creëren. Het is ook de taak van de Vereniging van Klinisch Psychologen om haar leden aan te sporen zich kandidaat te stellen als stagemeester. Dat vraagt extra inspanningen, maar het laat praktijken tegelijk ook toe om hun wachtlijsten te verkorten.
Mijnheer de minister, wat is uw reactie op de standpunten van de Vlaamse Vereniging van Klinisch Psychologen en mevrouw Nady Van Broeck? Hoe wilt u de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg bewaken, nu u de professionele stage hebt geschrapt? Zult u in overleg gaan met het onderwijs om tijdens de opleiding in meer praktijkervaring te voorzien of bent u bereid om, in overleg met de sector, toch opnieuw werk te maken van meer stageplaatsen?
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, ma question est de la même veine que la précédente. Lorsque les professions de psychologue clinicien et d'orthopédagogue clinicien ont été reconnues comme professions de santé, la reconnaissance d'une pratique autonome était liée à l'obligation d'effectuer un stage professionnel sous supervision. Cette mesure visait à renforcer la qualité des soins de santé mentale, objectif que nous partageons pleinement. Mais la mise en œuvre de cette obligation a été reportée à plusieurs reprises, par manque de maîtres de stage.
Aujourd'hui, votre volonté est d'affaiblir ce stage professionnel obligatoire, ce qui suscite une inquiétude au sein de la profession. On sait que ce dossier est complexe. L'accord de gouvernement prévoit d'ailleurs de réévaluer le dispositif, précisément en raison des difficultés d'organisation et de l'insuffisance du nombre de maîtres de stage disponibles. Il prévoit également que des solutions doivent être trouvées pour accompagner efficacement les jeunes professionnels au début de leur carrière et de garantir des soins de qualité aux patients.
Jusqu'à présent, le choix persistant de report à plusieurs reprises et l'absence d'un cadre clair de mise en œuvre ont entraîné des problématiques importantes qui sont soulevées aujourd'hui par le secteur, mais aussi par les étudiants concernés. On est face à une incertitude pour les étudiants et les établissements de soins. On est face à une hésitation des superviseurs potentiels en raison de l'absence d'informations suffisantes quant à leur statut officiel, la rémunération, le nombre de supervisions qu'ils peuvent assurer et leur rôle réel. Et nous sommes face aussi à de longs délais de traitement pour ceux qui se porteraient candidats malgré cette hésitation et ce manque d'informations suffisantes.
Par ailleurs, ce qui est quelque peu paradoxal, c'est que les institutions universitaires n'ont par contre pas attendu pour créer, souvent sur fonds propres, des certificats universitaires, des formations de maîtres de stage pour cette année de pratique supervisée, en soulignant qu'il est vraiment important d'avoir des professionnels de qualité.
Monsieur le ministre, depuis les différents reports qui devaient permettre aux acteurs concernés d'assurer la mise en œuvre concrète du stage professionnel, quelles mesures avez-vous prises pour assurer la faisabilité de ce stage? Quelles concertations avez-vous menées ces dernières années avec les acteurs concernés pour trouver des solutions? Pourquoi choisir aujourd'hui d'affaiblir le stage obligatoire au lieu de s'attaquer aux problèmes de mise en œuvre et de faisabilité rencontrés depuis plusieurs années? Comment faire, dans ce cadre, pour garantir la qualité des prestations de soins effectuées par nos jeunes diplômés? Enfin, comment comptez-vous organiser la concertation avec le secteur pour trouver des solutions d'accompagnement de nos jeunes diplômés? Il faut en effet trouver des solutions de qualité et dans un délai court. Monsieur le ministre, je souhaiterais dès lors avoir des précisions quant à votre agenda sur ce dossier.
Dominiek Sneppe:
Mijnheer de minister, de voorgaande twee collega's hebben het probleem al aangekaart. U bent van plan om de verplichte gesuperviseerde professionele praktijkstage voor klinisch psychologen en pedagogen, zoals bepaald in de wet van 2015, te schrappen. Uw motivatie daarvoor is het tekort aan stagemeesters en de complexiteit van de erkenningsprocedure. Nochtans wordt dat op het terrein tegengesproken, of beter, men spreekt van een gemakkelijkheidsoplossing in plaats van onderbouwd beleid. U wordt met de vinger gewezen wegens te weinig communicatie met de beroepsgroep over de modaliteiten – waar hebben we dat nog gehoord? –, te veel administratieve rompslomp en het uitblijven van een sui generis statuut.
Mijnheer de minister, kunt u uitleggen waarom u kiest voor een wetswijziging die de kwaliteit, de veiligheid en de effectiviteit van de geestelijke gezondheidszorg dreigt te ondergraven, in plaats van te kiezen voor structurele oplossingen?
Erkent u dat uw voorstel niet alleen indruist tegen de geest van de wet van 2015, maar ook tegen gangbare nationale en internationale standaarden in de geestelijke gezondheidszorg?
Frank Vandenbroucke:
Geachte Kamerleden, ik heb de voorbije jaren, samen met mijn medewerksters, ongelooflijk veel inspanningen geleverd. We hebben op alle mogelijke manieren nagedacht over hoe we het mooie principe, dat door mevrouw De Block in 2015 in een wet is ingeschreven, in de praktijk konden brengen.
Ik kan u niet zeggen hoeveel vergaderingen daaraan besteed zijn, zoals overleg met de sector, aanpassingen van het dispositief, versoepelingen van het systeem, het mogelijk maken om de criteria voor stagemeesters te versoepelen, zodat het aantal erkende stagemeesters en stageplaatsen kon worden verhoogd, de administratieve vereenvoudiging van de registratieprocedures voor stagemeesters en stagediensten, en we hebben gepleit – ik zou bijna zeggen: gebeden en gesmeekt – om stagemeesters. Het lukt niet. Het lukt niet.
Die wet van 2015 blijkt in de praktijk onuitvoerbaar. Het blijft theorie. Ik daag u uit om het in mijn plaats te proberen. Mocht u dat overwegen, dan zal u ondervinden dat het niet lukt. Le mieux est l’ennemi du bien , zegt men in het Frans. Het is daar een mooi voorbeeld van. Het is een mooi principe, maar onuitvoerbaar. Het is een theoretische, papieren constructie. Het terrein mobiliseert zich daarvoor niet.
De professionele verenigingen van zelfstandige klinisch psychologen en een aantal experten geven aan dat ze er veel aan zouden hebben. Ik begrijp dat ook. U mag het echter in mijn plaats komen proberen. We hebben daar jarenlang tijd en energie in gestoken, met allerlei iteraties om het toch maar te laten slagen. Het lukt niet. Als iets niet lukt, moet men op een bepaald moment ook durven zeggen dat het niet lukt.
Ondanks al die inspanningen hadden we op 14 april van dit jaar in heel het land slechts 139 erkende stagemeesters en 239 stageplaatsen gevonden, terwijl er naar schatting 1.400 studenten zullen afstuderen in de klinische psychologie dit academiejaar. Met zulke cijfers kan men geen verplichte professionele stage opleggen, want als we dat wel doen, creëren we een bottleneck waardoor de instroom in het werkveld volledig stilvalt.
Iemand moet op een bepaald ogenblik durven zeggen dat het niet lukt, dat het theorie is, dat het op papier blijft staan:, dat het na zoveel jaren niet uitgevoerd raakt. We gaan het terrein niet in chaos storten. We stoppen die poging. Ik blijf bij dat standpunt. Ik zal u niets wijsmaken en de studenten evenmin. Jaar na jaar heb ik het opnieuw geprobeerd. Ik heb gebeden en gesmeekt om stagemeesters, maar niet gevonden. Niet gevonden! Wat moet men dan doen?
We moeten inderdaad andere oplossingen zoeken. We moeten een duurzame oplossing vinden en we moeten daarover transparant zijn tegenover de studenten.
Ce sont donc les raisons pour lesquelles nous avons décidé de supprimer définitivement l'année de stage obligatoire, qui n'a jamais été appliquée. Il s'agit d'une décision difficile que l'on peut regretter – et c'est mon cas –, mais qui offre quand même aux diplômés la clarté et la sécurité nécessaires pour pouvoir entrer sur le marché du travail sans obstacle insurmontable. Cela ne signifie toutefois pas que nous ignorions le besoin d'un accompagnement de qualité en début de carrière – bien au contraire. En concertation avec les acteurs et les étudiants, nous souhaitons réorienter l'approche vers un cadre renforcé de formation continue d'intervision et de supervision. Des concertations ont déjà eu lieu à ce sujet le 13 juin et le 10 juillet avec mes collaborateurs, les universités et les associations professionnelles. Une concertation a eu lieu au début du mois avec les représentants de la Vlaamse Vereniging voor Studenten (VVS) et de la Fédération des étudiants francophones (FEF). En collaboration avec les associations professionnelles et les universités concernées, une communication sera diffusée auprès des étudiants dans les plus brefs délais, c'est-à-dire d'ici le début de l'année académique – en septembre prochain –, afin qu'ils sachent à quoi s'attendre. Il n'y aura pas de stage obligatoire à l'issue de leurs études.
Op die manier wordt er duidelijkheid en rechtszekerheid gecreëerd. We zullen dus, in overleg met de sector en de studentenorganisaties, inzetten op het versterken van permanente vorming, intervisie en supervisie voor de pas afgestudeerden. Ik wil op die manier een haalbaar, realistisch plan creëren dat afgestemd is zowel op de noden als op de realiteit op het werkveld.
Ik heb me daarnet even vergist in het cijfer. Ik zei dat er 1.400 studenten zijn dit academiejaar. Dat gaat natuurlijk over het aantal afstuderende studenten in het academiejaar 2025-2026, dus het volgende academiejaar. De kloof tussen het aantal stageplaatsen en het aantal studenten is onoverbrugbaar. Na vier jaar is er, ondanks alle mogelijke pogingen, amendementen en aanpassingen, geen enkele vooruitgang geboekt. Daarom heb ik die beslissing genomen
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, uit uw antwoord merk ik op dat u bekommerd bent en dat u er zelf mee verveeld zit. Dat neemt niet weg dat wij vinden dat we ons daar niet zomaar bij kunnen neerleggen, aangezien de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg toch staat of valt met een degelijke opleiding. Ik denk dat we het morgen ook niet zouden aanvaarden dat leerkrachten voor de klas gaan staan die nooit een stage hebben gelopen of dat huisartsen onmiddellijk zouden starten zonder dat ze huisarts in opleiding zijn geweest. Kortom, ik denk dat het wel degelijk uw verantwoordelijkheid is en ook tot uw mogelijkheden behoort om de wetgeving zodanig aan te passen dat er wel degelijk sprake kan zijn van een professionele stage.
Ik heb zelf te weinig zicht op de nodige concrete randvoorwaarden. Het zou om vergoedingen voor stagemeesters of voor de betrokkenen zelf kunnen gaan. Wellicht spelen nog andere randvoorwaarden mee. U bent daar niet op ingegaan. U hebt wel gezegd dat u daarover al veel hebt overlegd en dat u al allerlei zaken hebt bijgestuurd, maar u bent niet erg concreet ingegaan over wat dat dan precies inhoudt. We blijven dus op onze honger zitten en we zullen zeker vragen blijven stellen en ons daarin verder verdiepen. De patiënten verdienen namelijk begeleiding door professionals die daar wel degelijk toe in staat zijn.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, merci pour vos réponses.
Au sein des Engagés, nous soutiendrons toujours la concertation avec les acteurs concernés – vous le savez.
Ayant été doyen de faculté, j’ai suivi le dossier de très près. Plusieurs années se sont écoulées, lors desquelles nous avons reporté la mise en application de cette année de pratique supervisée. Il est vrai que nous arrivons tard avec l'idée de supprimer. Nous aurions pu, beaucoup plus tôt, nous dire qu'il y avait un problème de faisabilité, le nombre de maîtres de stage agréés et de lieux de stage n'ayant pas augmenté énormément ces dernières années.
Vous me dites que la solution est de focaliser plus l'action sur la formation continue, l'intervision et la supervision. Je crois qu'il faut être prudents, parce que mettre en place de la formation continue, un dispositif d'intervision ou un système de supervision est tout aussi laborieux en termes d'organisation, sachant qu’il y a des centaines, voire plus d'un millier de diplômés par an.
La tâche est difficile. Il faut vraiment que ces solutions d'accompagnement soient concertées avec les acteurs de terrain – qui sont en attente – pour garantir la qualité de la prise en charge par ces psychologues et orthopédagogues cliniciens fraîchement diplômés, à l'avenir.
Dominiek Sneppe:
Dank u voor uw antwoord, mijnheer de minister. In een samenleving waarin de geestelijke gezondheidszorg zwaar bevraagd wordt, moeten er niet alleen meer zorgverleners zijn, we moeten ook de kwaliteit bewaken. Ik meen dat de stage noodzakelijk is om de vereiste kwaliteit te garanderen. Ik wil daarbij het voorbeeld herhalen dat mijn collega eerder gaf. Stel u een specialist of arts voor die meteen na de studies in het beroep stapt. Dat zouden we ook niet toejuichen. Die stage bestaat met reden en die reden is net het waarborgen van de kwaliteit. Wat is er dan mis met de stage? Volgens het werkveld kan daar heel wat aan verbeterd worden. Er is sprake van een aanzienlijke administratieve rompslomp. Er is rechtsonzekerheid, zowel bij studenten als bij de zorginstellingen. Er is een beperkte pedagogische financiering en het erkenningsproces verloopt stroef. Dat zijn zaken waar u effectief iets aan zou kunnen doen. U zegt dat u in overleg bent, maar vanuit het werkveld horen wij andere signalen. Daar blijkt dat dat overleg niet echt overlegmatig is. Er zijn verschillende adviezen uit het werkveld gekomen, maar men signaleert dat er nauwelijks of zelfs geen overleg is. Dat doet denken aan wat er nu met de artsen gebeurt. Blijkbaar gebeurt hetzelfde bij de klinisch psychologen en pedagogen. U denkt dat er overleg is, maar het werkveld vindt van niet. U leeft dus op gespannen voet. U beweert van alles geprobeerd te hebben. Ik betwijfel dat, aangezien het werkveld met suggesties en adviezen gekomen is, maar die pasten blijkbaar niet in uw plaatje. U zegt nu dat u zult inzetten op intervisie en supervisie, maar waarom zou u daarvoor wel geschikte mensen vinden en voor de klinische stages niet? Daar stel ik mij grote vragen bij. Ik vrees dat het de geestelijke gezondheidszorg zeker niet ten goede zal komen. De voorzitster : Vraag nr. 56006080C van mevrouw Irina De Knop is omgezet in een schriftelijke vraag.
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om verkeersveiligheidscursussen voor minderjarige en jonge verkeersovertreders, die nu vaak tijdens schooluren plaatsvinden, wat leerachterstand veroorzaakt. De minister bevestigt dat slechts 6 minderjarigen (<18) in 2024 betrokken waren, maar dat er flexibele formules bestaan (avonden/weekenden/vakanties) en dat justitiehuizen rekening proberen te houden met schoolverplichtingen, hoewel de bevoegdheid bij de gemeenschappen ligt. Hij belooft de kwestie op te volgen via een rondetafel met Waalse justitiehuizen en Vias, maar verwijst voor concrete oplossingen door naar zijn collega’s. Tas aanvaardt dit en benadrukt de nood aan betere afstemming, vooral voor de kleine groep schoolplichtige daders.
Niels Tas:
Mijnheer de minister, verkeersveiligheid is voor Vooruit en voor veel collega's in deze commissie een absolute prioriteit. Justitiehuizen spelen daarin ook een heel belangrijke rol voor daders van verkeersovertredingen, in bepaalde gevallen, door hen te verwijzen naar een verkeersveiligheidscursus als een alternatieve gerechtelijke maatregel. Die cursussen worden veelal georganiseerd door Vias en vormen een absolute meerwaarde om recidive te voorkomen.
Er is echter wel een probleem wanneer het gaat over minderjarige daders die nog schoolplichtig zijn. We krijgen steeds vaker meldingen van ouders die zich zorgen maken: hun kinderen worden uitgenodigd voor verkeerscursussen tijdens schooldagen, vaak verspreid over meerdere dagen. Daardoor missen ze cruciale lessen op school en lopen ze mogelijk een leerachterstand op. Ouders begrijpen het belang van de maatregel, maar vinden het geen goed idee dat hun kinderen daardoor hun schoolprestaties in gevaar zien komen.
Mijnheer de minister, ik heb in dat verband drie vragen voor u.
Weet u hoeveel verkeerscursussen er jaarlijks worden georganiseerd? Is er een aanbod tijdens weekends of schoolvakanties?
Bent u het ermee eens dat de cursussen voor scholieren zoveel mogelijk buiten de schooluren moeten worden gepland, zodat niemand lessen hoeft te missen, zeker in het licht van de dalende onderwijsresultaten en de inspanningen die de regio’s op dat vlak leveren?
Bent u bereid om daarover in overleg te gaan met de justitiehuizen en Vias om zo een betere planning mogelijk te maken?
Jean-Luc Crucke:
Mijnheer Tas, zoals u weet, is verkeersveiligheid een absolute prioriteit voor mij. Een van de assen die meer maatregelen vereist, is de opvolging van recidivisten. Daarom is het regeerakkoord zeer duidelijk over dat punt en wordt de ontwikkeling van een databank voor recidivisten als wenselijk beschouwd.
Die databank moet zorgen voor een gedragswijziging en zal eveneens worden aangemoedigd via andere maatregelen, zoals herstelopleidingen na verval van het recht tot sturen. Mijn kabinet heeft al overleg gehad over die opleidingen met het kabinet van Waals minister Lescrenier en met de administratie van de justitiehuizen. Die gedachtewisselingen hebben geleid tot een beter inzicht in de druk die verkeersdossiers leggen op de taken van de Franstalige justitiehuizen.
Gelet op die situatie heeft minister Lescrenier beslist om een rondetafelgesprek over verkeer op te starten met de betrokken partijen om een structurele oplossing te vinden voor de toename van de straffen en maatregelen die voortvloeien uit verkeersovertredingen.
Zoals u terecht opmerkt, zijn de justitiehuizen verantwoordelijk voor de uitvoering van de rijopleiding. Het probleem ligt echter niet enkel bij de opleidingen voor minderjarigen. Om uw vraag te beantwoorden, is het interessant op te merken dat de behandeling van de rechtzoekenden met een schoolse of academische achtergrond die een opleiding via Vias moeten volgen, de uitvoering van straffen of maatregelen van twee verschillende categorieën aan het licht brengt. Enerzijds zijn er de minderjarigen tussen 16 en 18 jaar, die strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor een verkeersovertreding, maar nog onderworpen zijn aan de leerplicht. Anderzijds gaat het om jongvolwassenen van 18 tot 25 jaar, van wie sommigen een academisch traject kunnen voortzetten.
De gegevens die werden bezorgd door het kabinet van minister Lescrenier tonen aan dat heel weinig dossiers die worden opgevolgd door de Franstalige justitiehuizen betrekking hebben op minderjarigen jonger dan 18 jaar. Het waren er slechts 6 in 2024. Daarentegen heeft een aanzienlijk aantal dossiers betrekking op jongeren van 18 tot 24 jaar, namelijk 1.248 dossiers, waarvan sommigen een academisch traject kunnen volgen.
Hoewel die cijfers het niet mogelijk maken om het schoolse of academische statuut van de rechtzoekenden exact te identificeren, houden zowel de justitieassistenten als Vias in de mate van het mogelijke rekening met school- of beroepsverplichtingen bij het plannen van de opleidingen. De opleidingen worden op een flexibele manier georganiseerd volgens twee formules, namelijk een formule die een zaterdag, een dag en twee avonden in de week combineert en een andere formule die drie dagen per week plaatsvindt.
Bij de inschrijving voor de opleiding delen de justitiehuizen en Vias geïndividualiseerde informatie mee, zoals schooluren, taal en beroepsverplichtingen, om de organisatie van de opleidingen zo goed mogelijk aan te passen, meer bepaald voor minderjarigen, voor wie een planning tijdens de schoolvakanties kan worden gevraagd.
Omdat de opleidingen verkeersveiligheid waarnaar u verwijst, worden georganiseerd door de justitiehuizen en dus onder de bevoegdheid van de gemeenschappen vallen, verzoek ik u om uw vragen te stellen aan mijn collega’s die bevoegd zijn voor de justitiehuizen.
U mag er echter zeker van zijn dat ik de problematiek nauwlettend zal blijven opvolgen en dat mijn kabinet zich actiever zal inzetten binnen de rondetafelconferenties onder leiding van het kabinet-Lescrenier. Ik zal zeker ook de problemen doorgeven die u hier vermeldt.
Niels Tas:
Ik denk dat we de prioriteit voor verkeersveiligheid en de kordate aanpak van recidivisten delen. Wij hebben het vooral over de minderjarigen gehad, ook al is dat een kleine groep. We zullen uw suggestie meenemen om dat onderwerp ook op het niveau van de regio's aan te kaarten. Ik heb begrepen dat u dat zelf ook zult doen en dat u daarover met uw collega’s in overleg zult treden. We begrijpen dat er voor de groep jonge adolescenten en 18+ een iets flexibeler traject mogelijk is.
Educatieve apps voor kinderen
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om transparantie en consumentenbescherming bij mobiele abonnementen voor kinderen, zoals *Telenet Mobile Junior*, waar educatieve claims en oudercontroles vragen oproepen over misleidende praktijken. Minister Beenders benadrukt dat de Inspectie Economie toeziet op eerlijke handelspraktijken via het *Wetboek van Economisch Recht* en sancties oplegt bij overtredingen, maar geen specifieke campagnes of keurmerken plant voor betere ouderinformatie. Dufrane onderstreept het belang van waakzaamheid om kinderen en ouders te beschermen tegen commerciële misleiding onder mom van educatie of veiligheid.
Anthony Dufrane:
Monsieur le Ministre,
Telenet vient de lancer une nouvelle offre mobile destinée aux enfants, baptisée « Telenet Mobile Junior ». Si cette offre se distingue par sa dimension éducative via l'application ChatLicense et par ses fonctions de contrôle parental, elle soulève néanmoins des interrogations légitimes.
En effet, il est pertinent de se questionner sur la lisibilité des offres mobiles destinées aux jeunes, la transparence des conditions tarifaires, ainsi que la protection des consommateurs mineurs et de leurs parents.
Dans un contexte de démultiplication des offres mobiles et numériques à bas prix, souvent promues via des arguments pédagogiques ou sécuritaires, les consommateurs peuvent avoir des difficultés à évaluer la qualité réelle du service, ou à comparer objectivement les options. Il est primordial que la protection du consommateur soit assurée afin d'éviter que ces arguments commerciaux ne soient utilisés à des fins fallacieuses sous prétexte d'une concurrence accrue.
Mes questions, Monsieur le Ministre, sont :
Quelles mesures le SPF Économie ou les services de contrôle compétents prévoient-ils pour garantir la transparence et la véracité des offres commerciales visant les mineurs ?
Des contrôles spécifiques sont-ils envisagés sur les promesses pédagogiques ou les fonctionnalités de protection mises en avant dans ces abonnements ?
Le gouvernement prévoit-il une campagne d'information ou un dispositif de labellisation pour aider les parents à faire un choix éclairé parmi les offres mobiles destinées à leurs enfants ?
Idem sur les applications à vocation éducative ?
Rob Beenders:
Merci monsieur Dufrane pour votre question. L'Inspection économique veille à la véracité et à la transparence des offres commerciales en s'assurant de leur conformité au Code de droit économique. Elle intervient en sanctionnant les pratiques trompeuses et en menant des actions de sensibilisation à destination des entreprises et des consommateurs.
Les pratiques commerciales déloyales sont strictement interdites, conformément aux articles VI.93 et suivants du Code de droit économique. Pour évaluer si une pratique est déloyale, il convient de se placer du point de vue du consommateur moyen appartenant au groupe cible. Des éléments tels que l'âge peuvent par exemple influencer cette appréciation.
À ce jour, aucune campagne d'information sur ce sujet n'a été planifiée par le SPF Économie. Il n'est pas non plus prévu de développer la création de dispositifs de labellisation.
Anthony Dufrane:
Monsieur le ministre, merci pour votre réponse et le temps que vous avez pris pour l'analyse de ma question. Il est très important de rester vigilant. Merci également de vous positionner du côté des consommateurs et des enfants, qui sont un public cible de ces promotions et de ces campagnes commerciales.
De Brussels Pride en de strijd tegen discriminatie
Gesteld door
Gesteld aan
Theo Francken (Minister van Defensie)
op 9 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Défense bevestigt haar actieve steun aan LGBTQIA+-inclusie, met BELDEFRAC als officiële partner (budget, communicatiekanalen, personeelsinzet) en een specifieke beleidslijn sinds 2021, versterkt door een nieuwe diversiteitsexpert in 2025. Ze was aanwezig op Belgian Pride (Rainbow Village) en zal deelnemen aan Antwerp Pride, met ad-hocparticipatie aan andere evenementen afhankelijk van middelen, plus jaarlijks regenboogvlaggen op 17 mei. Lacroix prijst de continuïteit in het beleid (onder Dedonder) en moedigt Francken aan om zelf naar Antwerp Pride te gaan. Kernpunt: zichtbare inzet tegen discriminatie, zowel symbolisch (vlaggen) als structureel (beleid, associaties).
Christophe Lacroix:
Monsieur le président, je vais poser ma question oralement parce que M. le ministre n'avait pas répondu dans les délais à ma question écrite. Par conséquent, je vais prendre un peu la parole. La question date du 27 mars, et nous sommes au mois de juillet.
Monsieur le ministre, la lutte contre toutes les formes de discriminations au sein de la Défense est une priorité absolue. Elle s'impose afin que la Défense constitue un environnement de travail où chacune et chacun puissent s'épanouir, mais aussi pour répondre aux impératifs en termes de recrutement et de lutte contre l'attrition.
La Belgian Pride a eu lieu dans les rues de Bruxelles le 17 mai dernier. Cet événement a véhiculé, comme d'habitude, son message de tolérance et a rappelé, surtout, l'importance des droits des personnes LGBTQIA+ dans l'ensemble de notre société. De même, il a rappelé que leur accorder des droits n'en ôte aucun à personne.
Monsieur le ministre, pouvez-vous m'indiquer si, comme en 2024, la Défense a été représentée au sein du Rainbow Village? Le cas échéant, sous quelle forme et avec quels moyens? Pouvez-vous m'indiquer les nouvelles initiatives éventuelles que vous avez prises au sein de la Défense afin de lutter contre les discriminations visant spécifiquement les personnes LGBTQIA+, mais aussi afin de soutenir les associations internes telles que la Belgian Defence Rainbow Community (BELDEFRAC), qui sont actives au sein de la communauté LGBTQIA+ de la Défense?
D'autres participations de la Défense à des évènements de lutte contre les discriminations visant les personnes LGBTQIA+ organisées par des autorités publiques, coupoles, réseaux ou associations dans les différentes Régions, Communautés et provinces de notre pays sont-elles envisagées?
Theo Francken:
Monsieur Lacroix, merci beaucoup pour votre question.
L'ASBL BELDEFRAC est reconnue comme le partenaire représentatif et l'interlocuteur privilégié de la Défense en ce qui concerne les personnes LGBTQIA+. La Défense met à sa disposition un budget de fonctionnement depuis 2024, plus des salles de réunions, et permet, si nécessaire, le déploiement du personnel pendant les heures de service. Par ailleurs, BELDEFRAC est autorisée à utiliser les canaux de communication de la Défense pour diffuser des informations relatives à ses activités.
Au-delà de sa politique de diversité au sens large, la Défense dispose également d'une politique spécifiquement consacrée aux personnes LGBTQIA+ et à l'orientation sexuelle, conformément à la politique de diversité mise à jour en 2021.
Elle comprend notamment les domaines d'action visés, les instruments et acteurs impliqués pour leur mise en œuvre, ainsi que la procédure de plainte. Début 2025, un expert de la thématique diversité et inclusion a également été recruté pour coordonner la plateforme inclusion, développer au sein de celle-ci une politique d'inclusion et soutenir les associations internes telles que l'ASBL.
La Défense a été représentée par l'ASBL à la Belgian Pride et le sera à nouveau à l'Antwerp Pride. Elle a également tenu un stand au Rainbow Village à Bruxelles. De façon générale, la Défense est ouverte à la participation à d'autres événements sur la base d'une analyse au cas par cas de ceux-ci et dans la mesure des moyens et des ressources disponibles.
Chaque année, autour du 17 mai – la Journée mondiale contre l'homophobie, la transphobie et la biphobie –, le drapeau arc-en-ciel est hissé devant le quartier général d'Evere en signe de soutien au personnel LGBTQIA+ de la Défense. Une note a été diffusée au sein de la Défense autorisant les unités à hisser le drapeau arc-en-ciel dans le quartier militaire entre le 12 et le 18 mai 2025.
Christophe Lacroix:
Merci monsieur le ministre pour ces informations. Merci pour votre soutien à la politique qui a été effectivement menée par vos prédécesseurs et qui a été accentuée par Mme Dedonder. Je vous remercie également pour l'information selon laquelle la Défense sera présente à l'Antwerp Pride, qui aura bien lieu le 9 août. Je ne pourrai pas y aller parce que je serai en vacances à l'étranger. Si vous êtes au pays, je vous invite à vous rendre à Anvers, qui est une ville que vous connaissez bien et dont le premier ministre a été le bourgmestre. Je suis sûr que des collègues ici présents pourront en être les ambassadeurs, vous introduire dans l'Antwerp Pride et vous servir effectivement de facilitateur dans les contacts avec les personnes LGBTQIA+.
De jihadistische terreurdreiging vanuit Iran
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 8 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy waarschuwt voor groeiende dreiging van Iraanse terreuraanslagen in België (met name tegen dissidenten, joden en Amerikaanse/Israëlische doelen), wijst op eerdere aanslagen en infiltratie via criminele netwerken zoals de IRGC, en eist strengere beveiliging en migratiecontroles. Minister Verlinden bevestigt geen bewijs van structurele IRGC-infiltratie, maar erkent een reële dreiging (met name intimidatie en fysiek geweld) en benadrukt dat veiligheidsdiensten de situatie nauw monitoren op dreigingsniveau 3/4, zonder specifieke doelwitten te noemen. Van Rooy kaart aan dat Iraanse dissidenten in België zich onveilig voelen door mogelijke IRGC-spionage en eist een halt aan toelating van regimegetrouwen. Kernpunt: spanning tussen dreigingsperceptie (hoog) en concrete infiltratiebewijzen (beperkt), met focus op preventie.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, nu de Verenigde Staten het nucleair programma van het jihadistisch terreurregime in Iran wellicht de genadeslag hebben toegebracht, of dat toch enkele jaren hebben achteruitgeslagen, is het helaas aannemelijk om te verwachten dat dat regime jihadistische terreuraanslagen wil laten plegen in het Westen, ook in Europa. België staat daarbij zeker ook op de radar. Mogelijke doelwitten zijn Iraanse dissidenten, joodse burgers en Amerikanen, evenals Israëlische en Amerikaanse instellingen. Die doelwitten bevinden zich vooral in steden als Antwerpen en Brussel.
Het zou bovendien niet de eerste keer zijn dat het Iraans-islamitische terreurregime aanslagen pleegt op Europees grondgebied. Dat gebeurde al 102 keer, waarvan maar liefst de helft in de afgelopen vier jaar. In 2018 werd in het Antwerpse Wilrijk een Iraans koppel opgepakt dat op weg was om een terreuraanslag te plegen. De IRGC, het jihadistisch terreurleger van Iran, is hier immers reeds diep verankerd. De jihadistische ayatollahs rekruteren ook steeds vaker leden van criminele bendes om in het Westen jihadistische moorden of terreuraanslagen te plegen, zoals, zo vernemen wij, via de Foxtrotbende uit Zweden.
Mevrouw de minister, kunt u toelichten hoe en in hoeverre de IRGC in België voet aan de grond heeft en is geïnfiltreerd? Hoe wordt in België de huidige dreiging ingeschat na de indrukwekkende operatie Rising Lion? Wordt er door onze veiligheidsdiensten een lijst opgesteld met mogelijke doelwitten, zodat die desgevallend beveiligd of extra beveiligd kunnen worden? Welke maatregelen worden genomen om mogelijke doelwitten van het jihadistisch terreurregime van Iran, met inbegrip van Iraanse dissidenten op ons grondgebied, te beveiligen?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Rooy, met betrekking tot de aanwezigheid of infiltratie van de IRGC in België, de Staatsveiligheid is bevoegd voor de opvolging van de aanwezigheid en activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten in België. Dat geldt ook voor degene die in verband staan met de Islamitische Republiek Iran, waaronder de inlichtingenorganisatie die verbonden is aan de Islamitische Revolutionaire Garde.
Er zijn momenteel weliswaar geen indicaties dat de IRGC in institutionele zin een formele aanwezigheid heeft op Belgisch grondgebied. Onze diensten beschikken momenteel niet over informatie over daadwerkelijke infiltratie van de IRGC, maar de dreiging die ervan kan uitgaan vormt uiteraard een reëel en voortdurend aandachtspunt.
De impact van de situatie in het Midden-Oosten wordt voortdurend gemonitord en geëvalueerd. Het algemeen dreigingsniveau bevindt zich sinds oktober 2023 op niveau 3 op een schaal van 4. Dat is tot op heden ongewijzigd gebleven.
In reactie op de dreiging die uitgaat van de Iraanse inlichtingendiensten heeft de VSSE haar focus en capaciteiten stelselmatig aangepast. De VSSE volgt de dreiging nauwgezet op, waarbij zowel geopolitieke als operationele ontwikkelingen systematisch worden gemonitord.
Momenteel situeert de potentiële Iraanse dreiging zich voornamelijk op het vlak van intimidatie en mogelijke fysieke dreiging ten aanzien van tegenstanders van het Iraans regime en van Israëlische en joodse belangen in ons land.
Met betrekking tot specifieke doelwitten kan ik uiteraard geen details geven, maar ook in dat verband vinden monitoring en evaluatie plaats met dezelfde consistentie, rekening houdend met de beschikbare informatie en inlichtingen. Op basis daarvan worden vervolgens de gepaste maatregelen genomen.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, wist u dat heel wat seculiere Iraniërs op ons grondgebied bang zijn en zelfs niet opdagen op demonstraties tegen het regime, omdat ze angst hebben voor infiltranten van de IRGC, van het Iraans-islamitisch regime, dat hen in de gaten houdt? Het jihadistisch shariaregime van Iran heeft een apocalyptische wereldvisie en is dus levensgevaarlijk. Het heeft als heilig islamitisch doel de export van de sjiitische islamitische revolutie naar de rest van de wereld, ook naar ons. De Iraanse ayatollahs zeggen letterlijk dat ze ons willen vernietigen. Daarvoor gebruiken ze alle middelen: liegen, bedriegen, bedreigen, geweld, criminaliteit, terreur en, last but not least, immigratie. Nu al zijn Iraanse dissidenten op ons grondgebied vaak niet veilig, want deze regering laat nog altijd, naast onderdrukten, ook hun onderdrukkers gewoon dit land binnenkomen. Mevrouw de minister, laat het duidelijk zijn dat dat moet stoppen.
Het uitblijven van de vergoeding van de slachtoffers 4 jaar na de instorting van een schoolgebouw
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 3 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Vier jaar na de dodelijke instorting van een Antwerpse schoolbouw (5 doden, 9 zwaargewonden) wachten slachtoffers nog steeds op schadevergoeding, terwijl schijnzelfstandigheid, onveilige omstandigheden en een oncontroleerbare keten van onderaannemers de oorzaak waren. Minister Clarinval (Economie) wijst verantwoordelijkheid af, verwijzend naar Sociale Zekerheid (Vandenbroucke) voor verzekeringskwesties en Justitie (Verlinden) voor het lopende onderzoek, maar erkent dat slachtoffers zonder contract vallen buiten bescherming. Vanrobaeys (Vooruit) eist een onmiddellijk voorschot op schadevergoeding en hardere sancties tegen malafide aannemers, inclusief hoofdelijke aansprakelijkheid, om sociale dumping en levensgevaarlijke werkomstandigheden in de bouwsector structureel aan te pakken. De kern: juridische vertraging en bevoegdheidsversnippering verlengen het leed, terwijl systeemfalen in de sector ongestraft blijft.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, beeld u het volgende in. Men komt in België op een werf werken. Men laat kinderen en familie achter, in de hoop dat men hier een extraatje kan verdienen voor een betere toekomst, tot het verschrikkelijk misloopt. Vier jaar geleden, op Nieuw Zuid in Antwerpen, stortte een schoolgebouw in aanbouw in. Vijf mensen kwamen om het leven, negen anderen raakten zwaargewond. Een zus van een van de slachtoffers zei vorig jaar nog: "Niemand heeft al aan ons gevraagd hoe het met ons gaat."
Vandaag, vier jaar later, hebben de slachtoffers en hun familie nog geen enkele schadevergoeding ontvangen, nog geen cent. Laat dat even bezinken. Dat is vier jaar verdriet, vier jaar juridische strijd, vier jaar radeloosheid.
Ja, het gerechtelijk onderzoek loopt nog, maar de feiten zijn duidelijk. De hoofdaannemer wist dat de werf onveilig was. Ook het definitief rapport van de welzijnsinspectie bevestigt dat. Er was sprake van onveiligheid, een keten van onderaannemers zonder controle, schijnzelfstandigheid en er werkten zelfs mensen zonder contract.
Voor Vooruit is de strijd tegen sociale dumping een prioriteit, want sociale dumping ondermijnt niet alleen de rechten van werknemers, maar ondermijnt ook bedrijven die het spel wel eerlijk spelen.
Mijnheer de minister, ik heb twee eenvoudige maar dringende vragen voor u. Hoe zult u ervoor zorgen dat de slachtoffers een voorschot op hun schadevergoeding krijgen, zoals hen twee jaar geleden al beloofd werd? Hoe zult u ervoor zorgen dat arbeiders in de toekomst niet meer op een bouwwerf staan zonder rechten, zonder bescherming, zonder stem?
David Clarinval:
Mevrouw Vanrobaeys, wat zich vier jaar geleden heeft afgespeeld in die Antwerpse school is een drama en mijn gedachten gaan uit naar de slachtoffers en hun naasten.
Mijn administratie beheert dat dossier niet, aangezien de arbeidsongevallenverzekering onder de bevoegdheid valt van de FOD Sociale Zekerheid, waarvoor mijn collega Vandenbroucke verantwoordelijk is. Ik stel samen met u vast dat bepaalde slachtoffers die op het moment van de instorting aan het werk waren op de werf geen beroep konden doen op de arbeidsongevallenverzekering omdat zij niet tewerkgesteld waren als arbeider. Volgens de pers zou er sprake zijn van schijnzelfstandigheid. Dat is een heel spijtige en inacceptabele situatie.
Bovendien lopen er nog steeds gerechtelijke procedures die de oorzaken en verantwoordelijken van het ongeval moeten bepalen. Het gaat om een bevoegdheid van de gerechtelijke instantie, waarvoor mijn collega Verlinden verantwoordelijk is.
Ik nodig u dus uit om uw vragen te stellen aan mijn twee collega's die bevoegd zijn voor Sociale Zekerheid en voor Justitie.
Anja Vanrobaeys:
Mijnheer de minister, ik betreur uw antwoord echt, want die slachtoffers worden al vier jaar van het kastje naar de muur gestuurd. U zegt zelf dat de arbeidsongevallenverzekering niet van toepassing is. U bent minister van Economie en dus verantwoordelijk voor die verzekeringen. Het enige wat de slachtoffers en familieleden vragen, is een voorschot in afwachting van een gerechtelijke uitspraak. Weet u dat bouwvakkers zes keer meer kans lopen om te sterven op een werf dan andere werknemers? De enige reden daarvoor is dat er bedrijven bestaan die via ketens van onderaanneming bouwvakkers uitbuiten en spelen met mensenlevens. Ik heb daarom ook nog een andere vraag. Pak die malafide aannemers aan en straf hen veel strenger. Maak hen hoofdelijk aansprakelijk en zorg ervoor dat zulke zaken nooit meer gebeuren.
Het verlengen van de tijdelijke erkenning van de Moslimraad van België
De verlenging van het mandaat van de MRB
De oprichting van een definitief representatief orgaan voor de islamitische eredienst
Erkenning en vertegenwoordiging van de islamitische eredienst in België
Gesteld door
VB
Alexander Van Hoecke
Vooruit
Alain Yzermans
PTB
Ayse Yigit
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 2 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Moslimraad kreeg na twee jaar tijdelijke erkenning slechts een jaar uitstel van minister Verlinden, omdat haar representativiteit (60-65% van moskeeën), transparantie en bestuurlijke structuur onvoldoende bleken, ondanks beloftes van vernieuwing. Justitie voerde geen actieve controle uit, baseerde zich op zelfrapportering van de raad en verlengde de €626.000-subsidie zonder duidelijke voorwaarden, terwijl kritische vragen over buitenlandse inmenging (Diyanet/Milli Görüş) en extremisme onbeantwoord bleven. Parallel daaraan keerde de omstreden imam Mohamed Toujgani – eerder uitgewezen omwille van haatzaaien, extremisme en spionage – definitief terug naar België met een Belgische nationaliteit, toegekend door de rechtbank ondanks waarschuwingen van de Veiligheid van de Staat. Verlinden bevestigde dat hij vrij als imam kan werken, maar beloofde wel een hernieuwd dreigingsonderzoek en opvolging van zijn welkomstcomité (met linken naar radicale groepen). Juridische actie om zijn nationaliteit alsnog in te trekken blijft echter onzeker.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, hier zijn we weer. Enkele maanden geleden voorspelde ik dat dit de enige mogelijke uitkomst zou zijn indien u zich niet op een serieuze manier met het dossier van de Moslimraad zou bezighouden. Die enige mogelijkheid betreft een tijdelijke verlenging van de tijdelijke erkenning van de Moslimraad.
Ik heb u de vraag sinds uw aantreden al vijf keer gesteld. Wat plant u te doen met de Moslimraad?
Ik wil het vandaag niet onnodig lang rekken, maar ik denk dat het belangrijk is om even terug in de tijd te gaan, omdat het belangrijk is een overzicht te hebben van het verloop van dit dossier.
Het verhaal begint in 1996, bijna 30 jaar geleden, toen de Moslimexecutieve, de voorloper van de Moslimraad, een officiële gesprekspartner van de overheid werd voor zaken als de erkenning van moskeeën, de regeling van het godsdienstonderwijs, de benoeming van imams en de inrichting van islamitische begraafplaatsen.
Met die Moslimexecutieve was er het ene incident na het andere, dat weten we ondertussen allemaal. Zo adviseerde het Rekenhof al in 2002 om een groot deel van de subsidie in te houden omdat de Moslimexecutieve haar uitgaven niet kon verantwoorden. In 2004 viel het Brusselse gerecht binnen bij de Moslimexecutieve in het kader van een onderzoek naar persoonlijke verrijking en fraude met subsidiegeld. Er was natuurlijk ook – de druppel die de emmer eindelijk deed overlopen – sprake van buitenlandse inmenging, specifiek vanuit Turkije en Marokko. Dat was uiteindelijk ook de reden waarom uw voorganger, minister van Justitie Vincent Van Quickenborne, in 2022 de stekker uit die Moslimexecutieve trok. Daardoor verloor die executieve terecht – laat dat heel duidelijk zijn – haar erkenning en subsidies.
Enkele maanden later, in mei 2023, werd dan de vzw Moslimraad van België opgericht. Die werd officieel geregistreerd op 6 juni 2023 en nog geen week later officieel erkend als voorlopig representatief orgaan voor de islamitische eredienst. Die voorlopige erkenning werd vastgelegd voor twee jaar. Op 25 juni 2025, vorige week dus, zou die erkenning verlopen. Er werd bepaald dat de Moslimraad een vernieuwingsproces zou doorvoeren en verkiezingen zou organiseren. Op basis daarvan zou dan beslist worden wat er in de toekomst zou gebeuren met de Moslimraad en wat er zou gebeuren met de erkenning, namelijk of de raad definitief erkend zou worden dan wel of er nood was aan een ander orgaan.
Mevrouw de minister, dit wil zeggen, en ik denk dat ik dat ondertussen toch al vijf keer heb proberen duidelijk te maken, dat twee jaar geleden iedereen wist waar we aan toe waren. U wist bij uw aantreden perfect, tot op de dag af, waar u aan toe was.
Sinds ik in dit Parlement kwam, heb ik u vragen gesteld over hoe het nu zat met de Moslimraad. Uit een van uw eerste antwoorden in februari bleek dat Justitie in de voorbije twee jaar geen enkele evaluatie heeft uitgevoerd. Er vond geen periodieke evaluatie van het vernieuwingsproces van de Moslimraad plaats. Er werd op geen enkele manier controle uitgeoefend door Justitie. Er stond ook geen neutrale doorlichting door Justitie gepland.
Ik heb nooit begrepen en ik begrijp nog altijd niet waarom niemand daar van wakker ligt. Een orgaan dat de belastingbetaler meer dan 600.000 euro per jaar kost en dat tijdelijk werd erkend wegens enorme problemen met zijn voorganger, wordt door deze en de vorige regering erkend en gesubsidieerd en vervolgens wordt er twee jaar lang niet meer naar omgekeken. Die desinteresse in hoe belastinggeld wordt besteed, gaat mijn petje te boven, mevrouw de minister.
Op 11 juni, minder dan een maand geleden, heb ik u een laatste keer vragen over de Moslimraad gesteld. U zei toen - u herhaalde dat trouwens een week later in antwoord op een vraag van collega Van Tigchelt - dat er nog geen beslissing genomen was, maar we moesten ons geen zorgen maken, want u zou niet over één nacht ijs gaan bij zo’n belangrijke beslissing. Twee weken geleden hebt u dan, op de valreep voor de deadline van 25 juni, beslist om de tijdelijke erkenning van de Moslimraad met een jaar te verlengen. Er is dus geen definitieve erkenning, maar nog eens een tijdelijke verlenging.
Ik heb het in deze commissie al vaker gezegd, mevrouw de minister, die beslissing stond in de sterren geschreven. Als u eerlijk bent, zegt u vandaag de waarheid en die waarheid is volgens mij dat u geen flauw idee had wat u bij uw aantreden met dit dossier moest aanvangen. Noch uw voorgangers, noch uzelf hebben ernaar omgekeken. U kiest voor de gemakkelijkheidsoplossing en u schuift het voor u uit. Er komt een jaar uitstel.
Dan zegt u dat de Moslimraad vandaag niet representatief genoeg is. Wat had u verwacht, mevrouw de minister? U gaat mij toch niet vertellen dat die conclusie een maand geleden nog niet kon worden gemaakt? U gaat toch niet beweren dat u of iemand op uw kabinet dacht dat die representativiteit op twee weken tijd kon worden opgelost?
De korte samenvatting van dit hele verhaal is dat jullie de Moslimraad twee jaar lang hebben gesubsidieerd, maar tegelijkertijd volledig hebben genegeerd. Het resultaat is dat er tot vandaag geen transparantie is over de werkzaamheden van de Moslimraad in de voorbije twee jaar. Wij weten niet wat de Moslimraad twee jaar lang heeft uitgespookt. U hebt ook nog nooit een antwoord op die vraag gegeven.
U reageerde niet op de vraag die ik enkele weken geleden gesteld heb, om het Parlement inzage te geven in de documenten over het vernieuwingstraject die u ontving van de Moslimraad zelf. U gaf ons geen inzage in de rapportering, waardoor we zouden weten wat er gebeurd is tijdens het vernieuwingstraject. Het is ook bijzonder moeilijk, zo niet onmogelijk, om publiekelijke informatie te vinden over wie er precies in de algemene vergadering van de Moslimraad zetelt, wat zijn activiteiten geweest zijn in de afgelopen twee jaar, hoe het bestuur samengesteld is. Dat hebben we ook moeten lezen in de pers, net als hoe de Moslimraad intern functioneert.
Ik heb u in deze legislatuur al heel veel vragen gesteld. We hebben vandaag de tijd. Ik zou heel graag een uitgebreid antwoord willen op de vragen die ik vandaag voor u heb, mevrouw de minister. Bent u bereid het Parlement, zoals ik eerder al gevraagd heb, inzage te geven in de rapportering van de Moslimraad over het vernieuwingstraject?
U stelde eerder in de commissie dat u bijkomende informatie had opgevraagd over het vernieuwingsproces van de Moslimraad. De rapportering was niet voldoende, zei u. Ook had u informatie opgevraagd over het verkiezingsproces. Om welke informatie ging het precies en kunt u het Parlement ook hierin inzage te geven? Als daar vertrouwelijke informatie bij is die niet met iedereen gedeeld kan worden, is het voor mij perfect oké – en ik meen voor iedereen hier – als u die op een vertrouwelijke manier deelt met het Parlement. Dat kan perfect.
Wat is de impact van de beslissing die u genomen hebt om de tijdelijke erkenning met een jaar te verlengen op de financiering van de Moslimraad? Verandert er iets? Krijgt hij dit jaar dezelfde werkingsmiddelen als hij altijd kreeg? Wat is de impact van de beslissing op de erkenningsaanvragen voor moskeeën?
Mijn vijfde vraag is daaraan gekoppeld. Zullen er erkenningsaanvragen kunnen gebeuren door de Moslimraad voor moskeeën die behoren tot bijvoorbeeld Diyanet of Milli Görüs, die geen vertegenwoordigers afvaardigen in de algemene vergadering van de Moslimraad en die de autoriteit van de Moslimraad volledig verwerpen? Het lijkt me een beetje vreemd dat de Moslimraad nog steeds erkenningsaanvragen regelt voor die moskeeën. Hoe zit dat juridisch precies? Zal de Moslimraad dat nog kunnen doen? Hoe wordt daarop gereageerd?
Ik wil hier graag nog een essentiële slotvraag aan toevoegen. Die stond niet in mijn oorspronkelijke vraagstelling maar ze vormt de kern van de zaak. Wat nu? Wat is het plan voor het komende jaar? Wat zal er in de komende maanden gebeuren? Komt er nu wel een onafhankelijke evaluatie van dat vernieuwingstraject, van het verkiezingsproces? Zal Justitie eindelijk controle uitoefenen op een orgaan dat de belastingbetaler jaarlijks meer dan een half miljoen kost? Zal er periodieke evaluatie zijn? Wat is uw plan van aanpak voor het komende jaar?
Alain Yzermans:
Dat sluit daar ongeveer bij aan. Het gaat over de CMB-MRB, de Moslimraad van België. Voorlopig is het representatieve orgaan verlengd. Ik heb vragen over de rechtvaardiging, over het rapport, over de representativiteit en de transparantie.
Annelies Verlinden:
Collega Van Hoecke, het moet mij toch even van het hart dat de lichtzinnigheid waarmee u naar het dossier kijkt, stuitend is. Er is absoluut geen sprake van het verwaarlozen van het dossier, maar wij gaan nooit over één nacht ijs. Het betreft gevoelige materie.
Wij hebben de handschoen opgenomen - u hoeft geen nee te knikken, ik vertel gewoon wat ik heb gedaan - wij hebben het dossier opgepakt, we hebben informatie opgevraagd en ingewonnen. Ik heb ook al herhaaldelijk geantwoord op uw eerdere vragen dat we bepaalde informatie hadden gekregen, net hadden gekregen, of nog niet hadden gekregen en dus bijkomende informatie hadden opgevraagd. Zo komt men tot besluitvorming die gebaseerd is op de feiten in een dossier. Niet op nattevingerwerk, niet op basis van een buikgevoel, niet omdat men vermoedt dat iets zus of zo is verlopen, maar wel omdat wij een dossier grondig bekijken. Dingen staan pas vast als ze vaststaan en als de informatie volledig is ingewonnen.
Doen alsof wij een maand geleden al beslissingen konden nemen, klopt dus gewoon niet. U suggereert hier van alles, alsof wij dat dossier niet ernstig zouden hebben genomen. Ik denk dat dit een van de dossiers is die wij bijzonder ernstig hebben benaderd sinds het aantreden in februari van dit jaar. We baseren ons daarbij effectief op de bestaande regelgeving, zoals onder meer op artikel 21 van de Grondwet, dat het beginsel van de interne autonomie van de eredienst bevestigt. Daardoor moet ook het hernieuwingsproces van het representatief orgaan van de islamitische eredienst in autonomie worden aangepakt door de moslimgemeenschap zelf, net zoals dat voor andere geloofsgemeenschappen in ons land het geval is. De wet van 4 maart 1870 legt bovendien geen voorwaarden op aan de representatieve organen van de erkende erediensten.
In de periode voor het aflopen van het initiële voorlopige mandaat van de MRB als voorlopig representatief orgaan werd gerapporteerd over de voortgang van het hernieuwingsproces. Het is dan ook helemaal niet correct, zoals u stelt, dat dit is genegeerd of verwaarloosd. We hebben er na het aantreden ook opnieuw op aangedrongen. Ik heb op 21 april een beknopt verslag ontvangen.
Vervolgens heb ik de Moslimraad verder bevraagd om na te gaan of het hernieuwingsproces voldoende resultaat had opgeleverd. Dat is wat men doet bij het verzamelen van stukken in een dossier. De Moslimraad heeft daarop geantwoord in brieven van 20 mei en 3 juni.
Uit het tijdsverloop blijkt duidelijk dat dit spoort met de antwoorden die ik eerder in de commissie heb gegeven. Op basis van de verkregen informatie heb ik moeten vaststellen dat het proces dat moet leiden tot de erkenning van een definitief representatief orgaan op dit moment nog niet duidelijk is afgerond. De stichtende leden van de MRB hebben zich geëngageerd om te werken aan een efficiënter, transparanter en representatiever orgaan.
Uit hun verslaggeving blijkt dat ze tussen de 60 % en 65 % van de moskeeën in ons land zouden hebben verenigd. Daarnaast geven ze aan dat het vernieuwingsproces verzwakt werd door de nog lopende structurering van de moslimgemeenschap in België. Om die redenen blijven er vragen bestaan over het draagvlak dat het voorlopige representatief orgaan kan bewerkstelligen.
Daarbij komt de juridische oefening inzake de vraag wie de vertegenwoordigers zijn en hoe hun besluitvormingsorganen zijn samengesteld. Intussen zouden verkiezingen hebben plaatsgevonden en zou een grotere groep personen de algemene vergadering van de vzw vormen, wat ook een bredere vertegenwoordiging van de moslimgemeenschap zou moeten betekenen.
Er rijzen echter ook vragen over de huidige overgang van het vorige naar het huidige bestuur, zoals bijvoorbeeld de vraag naar de publicatie van het nieuw samengestelde bestuur in het Belgisch Staatsblad . Ik heb de MRB verzocht hierover duidelijkheid te verschaffen, aangezien op het moment waarop we een beslissing moesten nemen, de nieuwe vertegenwoordigers in de verschillende organen van de MRB nog niet gepubliceerd waren in het Belgisch Staatsblad . Dat verklaart ook waarom die beslissing is genomen.
Voor de definitieve erkenning is het van wezenlijk belang dat verdere stappen worden ondernomen om niet alleen de graad van representativiteit, maar ook de transparantie en openheid – onder meer met betrekking tot de bestuurders – te waarborgen. Het is wenselijk dat verder wordt gewerkt aan het draagvlak voor het orgaan binnen de islamitische gemeenschap in het land en dat zoveel mogelijk moskeeën en leden van de moslimgemeenschap zich vertegenwoordigd voelen door het representatieve orgaan. Daarbij moeten we uiteraard ook de eigen autonomie respecteren. Tegelijk is het essentieel dat de continuïteit van de openbare dienstverlening wordt gewaarborgd en dat een juridisch vacuüm wordt vermeden.
Juist om die reden werd het mandaat van de MRB als voorlopig orgaan met een jaar verlengd. In die periode zal de MRB een beroep kunnen doen op de ondersteuning van mijn diensten, aangezien er een aantal beslissingen genomen moeten worden die niet kunnen worden uitgesteld en waardoor we niet in een vacuüm mogen terechtkomen.
De verlenging van het mandaat als voorlopig orgaan biedt de moslimgemeenschap meer tijd om verder intern in dialoog te gaan en om het proces dat kan leiden tot de erkenning van een definitief representatief orgaan verder voor te bereiden en uit te voeren en daarover de juiste en volledige informatie mee te delen.
De nadruk zal dus liggen op de bevordering van de representativiteit, de transparantie en de openheid. Alle initiatieven en voorstellen binnen de moslimgemeenschap die kunnen leiden tot de erkenning van een dergelijk definitief orgaan, kunnen uiteraard binnen dat proces aan bod komen. Ik heb de MRB gevraagd om daarover regelmatig verslag uit te brengen.
Intussen zal de MRB dezelfde financiering genieten als de voorbije twee jaar. Die financiering gebeurt in de vorm van een werkingssubsidie, die kosten dekt zoals kosten voor bureaumateriaal, verzekering, huur, bank, verplaatsingen van het personeel, juridische kosten en ook kosten voor de organisatie van opleidingen.
De begrotingswet 2025 bepaalt dat die subsidie 626.000 euro bedraagt. Dat is hetzelfde bedrag als voor het jaar 2024. In 2023 voorzag de wet in een subsidie van 631.000 euro. In het kader van zijn mandaat behartigt de MRB de taken van de openbare dienst van het representatief orgaan. Het tijdelijk karakter van dat mandaat doet daaraan geen afbreuk, zoals ook de voorbije twee jaar het geval was. Die taken zijn noodzakelijk voor de goede werking van de islamitische eredienstverlening in België. Daaruit volgt, voor wat betreft de erkenningsaanvragen, dat elke moskee die erkend wil worden door het bevoegde gewest, een beroep zal moeten doen op het voorlopig representatief orgaan en de administratie, ongeacht de strekking of federatie waartoe de moskee behoort.
Alexander Van Hoecke:
Dank u wel. Eerst en vooral, sprak u over lichtzinnigheid, mevrouw de minister? Ik begrijp niet hoe ik u een vraag vijf keer kan stellen, hoe u op de helft van mijn vragen niet antwoordt en hoe u zegt dat u niet over één nacht ijs gaat, maar op geen enkele manier aantoont dat u dat daadwerkelijk niet doet. Ook vandaag antwoordt u niet op mijn vragen om transparant te zijn over wat de Moslimraad de voorbije twee jaar precies heeft gedaan.
Bent u bereid om de zelfrapportering van de Moslimraad met het parlement te delen? Als ik me niet vergis, zijn dat letterlijk de vragen 1 en 2 van mijn interpellatie. Daarop hebt u niet geantwoord, net zoals de vorige keer dat ik die vragen stelde. Dan kunt u mij moeilijk lichtzinnigheid verwijten, mevrouw de minister.
Ik heb bovendien geen antwoord gekregen op de belangrijkste vraag, die ik aan het einde stelde: Wat nu? Wat zal er het komende jaar gebeuren met de Moslimraad? U zei dat de Moslimraad de komende jaren zal werken aan het verbreden van het draagvlak en representatiever zal proberen te worden. Dat heeft men de afgelopen twee jaar ook geprobeerd, mevrouw de minister. Zal u de Moslimraad nu wél vragen om periodiek een evaluatie te bezorgen? Wilt u Justitie de opdracht geven om te controleren wat de Moslimraad doet? Of geven we gewoon opnieuw een cheque van meer dan 600.000 euro en zien we volgend jaar wel wat daarmee is gebeurd?
Ik zal het u alvast voorspellen: die representativiteit zal er volgend jaar nog steeds niet zijn. Ik zeg dat niet om u persoonlijk aan te vallen, mevrouw de minister, maar omdat dit een dossier is dat niet snel opgelost raakt en dat zich in een jaar tijd niet vanzelf vlot zal trekken.
Annelies Verlinden:
(…)
Alexander Van Hoecke:
Ik heb u ook laten uitspreken, mevrouw de minister. Ik vind het een mismeesterd dossier en ik denk dat iedereen die de zaak volgt, het daarmee eens zal zijn. Ik vermoed dat er bijzonder weinig mensen zullen zeggen dat dit de voorbije twee jaar goed werd aangepakt. Daarvoor bent u niet als enige verantwoordelijk, mevrouw de minister, maar u hebt wel zes maanden de tijd gehad om de zaken recht te zetten.
Ik vind het ronduit onaanvaardbaar hoe dit dossier is verlopen. Zoals gezegd: dat is niet alleen uw schuld, maar u hebt zes maanden gehad om dit recht te trekken.
Annelies Verlinden:
(…)
Alexander Van Hoecke:
Goed, vijf maanden dan. Het belooft volgens mij weinig goeds voor het komende jaar. Ik zie niet in wat er zal veranderen aan de werking van die Moslimraad.
Wat de representativiteit betreft, wil ik graag nogmaals benadrukken dat het probleem in essentie neerkomt op het feit dat Diyanet en Milli Goruş niet betrokken zijn bij de Moslimraad. Dat is de kern van het probleem met de representativiteit.
Ik denk echter dat iedereen intussen beseft dat Diyanet en Milli Goruş de lange arm van Erdogan in Europa vormen. Willen wij dat zij betrokken zijn bij de Moslimraad? Ze erkennen de Moslimraad niet, omdat ze die beschouwen als een poging van België om een soort Belgische islam te creëren. Dat druist in tegen hun bedoeling om de regie daarover volledig in eigen handen te houden. Het lijkt mij dan ook zeer naïef te denken dat de aanwezigheid van Diyanet en Milli Goruş in de Moslimraad plots alles zou oplossen. Dat lijkt mij zeer naïef.
Ik zal een motie indienen, maar ik maak mij geen illusies. Ik zou kunnen zeggen dat niemand ertegen kan zijn, maar ik vermoed dat collega Grillaert al klaar zit met een eenvoudige motie om de onze weg te stemmen. U doet met onze motie wat u wilt, collega's, mevrouw de minister, maar neem ze alstublieft ter harte. Ik overloop onze vragen nog heel kort.
Ten eerste, geef het Parlement eindelijk – u weigert immers om dat te doen, terwijl ik niet snap waarom – inzage in wat de Moslimraad de voorbije twee jaar heeft gedaan en hoe hij daar zelf over gerapporteerd heeft.
Ten tweede, verplicht de Moslimraad om periodiek te rapporteren over zijn werking en communiceer daar ook open over naar het Parlement.
Ten derde, voer een onafhankelijk onderzoek naar de Moslimraad, zodat u weet wie er belastinggeld ontvangt en wat daar precies mee gebeurt. Zo weten we ook of er sprake is van extremisme of buitenlandse inmenging. Vandaag weten we dat gewoon niet. We weten vandaag helemaal niets.
Ten vierde, stop met belastinggeld uit te geven aan de Moslimraad zolang u er niets over weet. Dat lijkt mij gewoon een kwestie van gezond verstand.
U beschikt opnieuw over een jaar. Neem alstublieft uw verantwoordelijkheid in dit dossier. Dank u wel.
Voorzitter:
Mijnheer Yzermans, wenst u te repliceren? (Nee)
Moties
Motions
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend.
En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées.
Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt:
"De Kamer,
gehoord de interpellatie van de heer Alexander Van Hoecke
en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee,
- overwegende dat de minister tot op heden weigert de communicatie tussen de vzw Moslimraad van België en haar kabinet te delen met het Parlement;
- overwegende dat de vzw Moslimraad van België er volgens de minister niet in geslaagd is voldoende representatief te zijn;
- overwegende de verlenging van de tijdelijke erkenning van de vzw Moslimraad van België als representatief orgaan voor de islamitische eredienst met een jaar per koninklijk besluit van 16 juni 2025;
vraagt de regering:
- transparantie aan de dag te leggen over het 'vernieuwingsproces' dat de vzw Moslimraad van België de afgelopen jaren heeft afgelegd en de rapportering erover;
- de vzw Moslimraad van België als tijdelijk erkend representatief orgaan voor de islamitische eredienst te verplichten periodiek te rapporteren over haar werkzaamheden en het zogenaamde vernieuwingsproces;
- een onafhankelijk onderzoek naar de structuur en mogelijke buitenlandse invloeden of radicalisme binnen de vzw Moslimraad van België uit te voeren;
- de vzw Moslimraad van België in afwachting geen financiële middelen meer toe te kennen. "
[FR]Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit:
" La Chambre,
ayant entendu l'interpellation de M.Alexander Van Hoecke
et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord,
- considérant qu'à ce jour, la ministre refuse de partager avec le Parlement la communication entre l’ASBL Conseil Musulman de Belgique et son cabinet;
- considérant que, selon la ministre, l’ASBL Conseil Musulman de Belgique n'est pas parvenue à être suffisamment représentative;
- vu la prolongation d'un an, par arrêté royal du 16 juin 2025, de la reconnaissance temporaire de l’ASBL Conseil Musulman de Belgique en tant qu'organe représentatif du culte musulman;
demande au gouvernement
- de faire preuve de transparence concernant le "processus de renouvellement" que l’ASBL Conseil Musulman de Belgique a parcouru au cours des dernières années et concernant le rapportage à ce sujet;
- d'obliger l’ASBL Conseil Musulman de Belgique, en tant qu'organe représentatif agréé du culte musulman, de faire rapport périodiquement de ses travaux et du processus dit de renouvellement.
- de procéder à un examen indépendant de la structure et des influences étrangères éventuelles ou du radicalisme éventuel au sein de l’ASBL Conseil Musulman de Belgique;
- dans l'attente, de ne plus octroyer de moyens financiers à l’ASBL Conseil Musulman de Belgique. "
Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Leentje Grillaert.
Une motion pure et simple a été déposée par Mme Leentje Grillaert .
Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten.
Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, het dossier-Toujgani is al kort ter sprake gekomen tijdens de plenaire vergadering van twee weken geleden. Op 17 juni meldde de RTBF dat Mohamed Toujgani, de omstreden imam die in 2022 werd uitgewezen, nadat de Veiligheid van de Staat hem had omschreven als een extremistische propagandist en een agent van de Marokkaanse inlichtingendienst, opnieuw in ons land is.
De zaak-Toujgani sleept al een hele tijd aan, dat hoef ik niemand nog te vertellen. Op basis van rapporten van de Veiligheid van de Staat gaf het Brusselse parket in 2019 een negatief advies bij Toujgani’s aanvraag tot naturalisatie. Vervolgens werd zijn verblijfsvergunning in 2021 ingetrokken.
Ik herhaal kort welke informatie de Veiligheid van de Staat toen aanleverde. Toujgani riep in een video op tot het verbranden van Joden. Hij heeft zelf twee vrouwen. In een radio-interview in Marokko verklaarde hij dat de huwelijksleeftijd niet op 18 jaar mag liggen, omdat meisjes op negenjarige leeftijd al geslachtsrijp kunnen zijn voor het huwelijk. Hij is van oordeel dat moslims niet mogen stemmen, omdat ze dan zouden meewerken aan een regering van ongelovigen, al is hij over dat punt misschien van gedachten veranderd, nu hij publieke steun krijgt van een islamitische politieke partij in Brussel. Hij wordt ook verdacht van spionage in ons land in opdracht van de Marokkaanse overheid.
Desondanks oordeelde de Franstalige rechtbank van eerste aanleg in oktober 2021 dat de rapporten van de Veiligheid van de Staat niet voldeden en dat de beruchte imam de Belgische nationaliteit mocht verkrijgen. Die uitspraak werd bevestigd door het Brusselse hof van beroep in juli 2024. Het parket-generaal van Brussel ging nog in cassatie tegen die beslissing, maar tevergeefs, het Hof van Cassatie heeft de beslissing bevestigd. Dat betekent dat Toujgani definitief de Belgische nationaliteit mocht verkrijgen. Dat is ondertussen ook gebeurd.
De terugkeer van Toujgani is dus definitief. Hij landde twee weken geleden maandag als een overwinnaar op Brussels Airport en werd daar opgewacht door een welkomstcomité. Tot dat comité behoorde ook een verkozene van de Brusselse islamitische partij Team Fouad Ahidar. Op sociale media doken vervolgens beelden op van de bijna triomfantelijke terugkeer van Toujgani in Molenbeek, waar hij blijkbaar op brede steun kan rekenen.
Mevrouw de minister, ten eerste, werd u ingelicht over de plannen van Toujgani om naar België terug te keren en wat is uw reactie daarop?
Ten tweede, zal Toujgani opnieuw als imam aan de slag kunnen gaan en op welke manier zal gegarandeerd worden dat hij daarbij geen veiligheidsrisico vormt?
Ten derde, zult u, zoals ik al eerder heb gevraagd, aan de Veiligheid van de Staat een nieuwe doorlichting van Toujgani vragen, zodat het veiligheidsrisico opnieuw kan worden ingeschat?
Ten vierde, beschouwt u Toujgani als een haatprediker die thuishoort op de Europese zwarte lijst van haatpredikers, de lijst die u bepleit in uw beleidsnota? Indien niet, waarom niet? Indien wel, welke gevolgen zouden daaraan gekoppeld kunnen worden voor iemand als Toujgani, die zich al op ons grondgebied bevindt en zelfs de Belgische nationaliteit heeft?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Hoecke, ik heb een déjà-entendu . Ik heb in de plenaire vergadering al uitgebreid geantwoord op uw vragen over het dossier. Het is dan ook ietwat verrassend dat u mij opnieuw bevraagt met een interpellatie. Zoals ik al heb aangegeven, was de overheid op de hoogte van de terugkeer van de betrokkene. Gelet op het feit dat hij opnieuw legaal toegang tot het grondgebied heeft, na een gerechtelijke uitspraak die hem de Belgische nationaliteit toekent, was zijn terugkeer niet te verhinderen. Buitenlandse Zaken moest om die reden dan ook een paspoort afleveren.
Er zijn geen beperkingen om als imam te werken. Indien een imam extremistische uitlatingen doet of uitlatingen die vallen onder het begrip haatzaaien, dan wordt dat volgens de strategie extremisme en terrorisme (strategie T.E.R.) besproken op de bevoegde LTF en zal er in dat forum worden besproken welke maatregelen er eventueel moeten worden genomen.
Wat de opvolging door de Veiligheid van de Staat betreft, indien de heer Toujgani in verband wordt gebracht met dreigingen die vallen onder de wettelijke bevoegdheden van de VSSE, zal hij door die dienst worden opgevolgd, conform haar wettelijke opdracht.
Zoals vermeld in mijn beleidsnota pleit ik op Europees niveau voor de creatie van een zwarte lijst met haatpredikers die we de toegang tot het grondgebied zullen kunnen weigeren. Aangezien de heer Toujgani Belg is, zal het evenwel niet mogelijk zijn om hem op die lijst te plaatsen en hem op basis daarvan de toegang tot het grondgebied te weigeren.
Wel werken we intussen aan de verstrenging van de voorwaarden om de Belgische nationaliteit te verkrijgen, en zullen we het gemakkelijker maken om de nationaliteit af te nemen bij bepaalde misdrijven, die uiteraard ook verband zouden kunnen houden met terrorisme of haat prediken.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, u zult het mij niet kwalijk nemen dat ik hier nog vragen stel over het onderwerp: de commissie is een geschiktere plaats om vragen te formuleren dan de plenaire vergadering, waar de tijd erg beperkt is om een degelijk antwoord te krijgen op heel concrete vragen.
Als ik het goed heb begrepen, bestaat de mogelijkheid dat de Veiligheid van de Staat opnieuw zal nagaan welk dreigingsniveau de heer Toujgani momenteel vertegenwoordigt. Dat lijkt mij een goede zaak.
We staan vandaag natuurlijk voor een voldongen feit. De heer Toujgani is hier en heeft de Belgische nationaliteit. U kunt hem dus niet op een zwarte lijst plaatsen. Ook een verstrenging van de voorwaarden om de nationaliteit te verwerven, is wat hem betreft niet aan de orde, aangezien hij ze al heet.
De situatie is dus heel bizar: een islamitische haatprediker die uitspraken heeft gedaan waarvan mijn maag echt omkeert, kan via een gerechtelijke procedure verplicht onze nationaliteit verkrijgen. Ik heb daar mijn mening over.
Ik heb een motie ingediend. Daarin dringen wij er, ten eerste, op aan dat u minstens aan de Veiligheid van de Staat vraagt om het dossier te herbekijken en een nieuw rapport over het gevaar dat de heer Toujgani vandaag nog vormt, te maken, en dat u laat onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om hem alsnog zijn verblijfsrecht of nationaliteit eventueel te ontnemen.
Ten tweede vragen wij u om het profiel van de aanwezigen van het welkomstcomité dat hij op de luchthaven van Zaventem heeft gekregen, grondig te analyseren. Ik vermoed dat de Veiligheid van de Staat enkelen daarvan reeds in het vizier heeft. Het lijkt mij essentieel dat dat goed wordt opgevolgd. Dat is het minste wat wij op het moment kunnen doen. Als u het meent met de veiligheid van de inwoners van dit land, zijn dat de enige juiste stappen, die wij nu kunnen zetten.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door de heer Alexander Van Hoecke en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van de heer Alexander Van Hoecke en het antwoord van de minister van Justitie, belast met de Noordzee, - overwegende de verontrustende rapporten van de Staatsveiligheid over de ideologie en het extremisme van Mohamed Toujgani; - overwegende dat de verblijfsvergunning van Mohamed Toujgani werd ingetrokken in 2021; - overwegende dat het verzoek van Toujgani om Belg te worden gegrond werd verklaard zowel door de Franstalige rechtbank van eerste aanleg als door het hof van beroep, waarbij onder meer gesteld werd dat de informatie van de Staatsveiligheid te vaag en gedateerd zou geweest zijn; - overwegende dat ook de voorziening in cassatie werd afgewezen; - overwegende de terugkeer van Mohamed Toujgani naar België op 16 juni 2025 en het feit dat hij ondertussen de Belgische nationaliteit heeft verworven; vraagt de regering: - de Staatsveiligheid de opdracht te geven de dreiging van Mohamed Toujgani opnieuw te onderzoeken; - erop aan te dringen bij de Staatsveiligheid om de aanwezigen die Toujgani verwelkomden bij zijn terugkeer op de luchthaven te screenen en waar nodig verder op te volgen; - te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om Mohamed Toujgani alsnog de Belgische identiteit te ontnemen en het land uit te zetten, en daartoe ook effectief over te gaan. " [FR]Une motion de recommandation a été déposée par M. Alexander Van Hoecke et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de M.Alexander Van Hoecke et la réponse de la ministre de la Justice, chargée de la Mer du Nord, - considérant les rapports inquiétants établis par la Sûreté de l'État concernant l'idéologie et l'extrémisme de Mohamed Toujgani; - considérant que le permis de séjour de Mohamed Toujgani lui a été retiré en 2021; - considérant que la demande introduite par Mohamed Toujgani en vue d'obtenir la nationalité belge a été déclarée fondée tant par le tribunal de première instance francophone que par la cour d'appel, ces instances ayant notamment établi que les informations de la Sûreté de l'État seraient trop peu précises et trop anciennes; - considérant que le pourvoi en cassation a également été rejeté; - considérant que Mohamed Toujgani est revenu en Belgique le 16 juin 2025 et qu'il a entre-temps obtenu la nationalité belge; demande au gouvernement - de charger la Sûreté de l'État de réexaminer la menace que représente Mohamed Toujgani; - d'insister auprès de la Sûreté de l'État pour qu'elle soumette à un contrôle les personnes qui étaient présentes à l'aéroport afin d'accueillir Mohamed Toujgani à son retour en Belgique et d'assurer si nécessaire un suivi de ces personnes; - d'examiner les possibilités qui existent de déchoir malgré tout Mohamed Toujgani de son identité belge et de l'expulser du pays, et de procéder effectivement à son expulsion. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Leentje Grillaert. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Leentje Grillaert . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close.
De taalwetgeving
Gesteld door
Gesteld aan
Vanessa Matz (Minster van Modernisering van de overheid, Overheidsbedrijven, Ambtenarenzaken, Gebouwenbeheer van de Staat, Digitalisering en Wetenschapsbeleid)
op 1 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Jeroen Bergers (N-VA) dringt aan op strikte naleving van de taalwetgeving, vooral voor tweetaligheid in federale managementfuncties en Nederlandstalige zorg in Brussel, verwijzend naar schendingen uit een recent vicegouverneursrapport. Minister Matz bevestigt dat wetsvoorstellen voor tweetaligheid bijna klaar zijn en claimt weinig problemen in de federale diensten, maar wijst Brusselse zorgkwesties door naar Volksgezondheid. Bergers weerspreekt haar stelling met bewijs van wijdverspreide overtredingen en eist onmiddellijke actie en grondige analyse van het rapport. De discussie toont een scherp meningsverschil over de ernst van de taalproblematiek in Brussel.
Jeroen Bergers:
Mevrouw de minister, het regeerakkoord telt over tweetaligheid een aantal belangrijke bepalingen. Het zal u niet verbazen dat die voor onze fractie zeer belangrijk zijn. Het gaat meer bepaald over de functionele tweetaligheid voor de houders van een managementfunctie in de federale overheidsdiensten, die moet worden gerespecteerd conform de bestuurstaalwet en die we ook zullen uitbreiden naar de instellingen van openbaar nut en de federale wetenschappelijke instellingen.
Daarnaast gaat het ook over de zorg in onze hoofdstad. Het is vandaag immers heel moeilijk voor Nederlandstaligen om in hun eigen taal geholpen te worden. Het regeerakkoord bepaalt dat de regering erop zal toezien – elke minister binnen zijn eigen bevoegdheden – dat de taalwetgeving wordt nageleefd. Het behoeft volgens mij geen uitleg dat het cruciaal is dat Nederlandstaligen in onze hoofdstad gepaste hulp kunnen krijgen in hun eigen taal en dat ze worden behandeld als gelijkwaardige burgers. Een gebrek aan respect voor de verschillende taalgroepen haalt immers de fundamenten van dit land onderuit.
Daarom heb ik de volgende vragen. Welke maatregelen zult u nemen om de naleving en handhaving van de taalwetgeving te verbeteren en dus het regeerakkoord uit te voeren? Welke maatregelen zult u specifiek nemen binnen uw eigen bevoegdheden, dus wat betreft de overheidsdiensten? Ten slotte, welke maatregelen zult u nemen specifiek in Brussel?
Vanessa Matz:
Bedankt, mijnheer Bergers.
Voor de uitbreiding van de functionele tweetaligheid naar de mandaatfuncties binnen de federale overheid waar dat nog niet van toepassing is, zijn de teksten praktisch klaar. Ik zal ze binnenkort op de ministerraad brengen.
Wat uw tweede vraag betreft, zijn de regels binnen de federale overheid klaar en duidelijk. De departementen moeten instaan voor een correcte toepassing ervan. Op dat vlak zijn er bij mijn weten ook weinig problemen. De passage uit het regeerakkoord die u vermeldt, heeft het met name over de zorg, die onder de bevoegdheid valt van mijn collega, de minister van Volksgezondheid.
Jeroen Bergers:
Mevrouw de minister, ik kijk uit naar uw wetgevend initiatief inzake de tweetaligheid in de managementfuncties. Als dat er binnenkort komt, is dat een goede zaak. We zullen het dan bekijken en verder opvolgen.
Het verbaast me wel dat er volgens u in Brussel niet veel problemen zijn. Uit het zopas verschenen rapport van de vicegouverneur blijkt immers dat slechts drie gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en dan nog slechts in bepaalde gevallen, voldoen aan de taalwetgeving. Daaruit blijkt dat de provinciegouverneur een groot aantal aanstellingen heeft moeten schorsen, omdat die niet in overeenstemming waren met de taalwetgeving.
Stellen dat er niet echt problemen zijn in onze hoofdstad, is mogelijk te wijten aan het feit dat u zich daar nog niet ten gronde mee hebt beziggehouden. Het is echter vrij onaanvaardbaar mocht blijken dat u zich daar pas later in zult inlezen. Evenmin is het aanvaardbaar dat u hier in het Parlement stelt dat er weinig problemen zouden zijn met de tweetaligheid in Brussel.
Het rapport van de vicegouverneur zal ik zeker nog aan uw kabinet bezorgen. Het zou goed zijn om dat eens grondig door te nemen.
Voorzitter:
Vraag nr. 56006418C van de heer Legasse is op zijn verzoek ingetrokken.
De eerste pride in Doornik
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 1 juli 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De eerste Pride in Doornik benadrukte de onzichtbaarheid en gebrek aan ondersteuning voor LGBTQIA+-personen in Wallonië Picardië, met vragen om structurele vorming, sensibilisering in scholen en zichtbare symbolen in de openbare ruimte. Minister Beenders bevestigde federale steun (€525.030 in 2025 voor koepelorganisaties) en lokaal gerichte subsidies (o.a. voor muurschilderingen in Verviers/Ath), met plannen voor een interfederaal actieplan en coördinatie tussen overheden om gelijke rechten te verankeren. Dedonder drong aan op nieuwe oproepen voor lokale projecten en uitbreiding naar minder bediende regio’s, terwijl Beenders de Pride zag als startpunt voor brede maatschappelijke inzet, met beloftes voor toekomstige financiële ondersteuning van lokale initiatieven. Concrete afspraken over subsidies voor Doornik bleven echter vaag.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, ce samedi, Tournai a accueilli sa toute première Pride. Près de 1 000 personnes ont pris part à ce cortège haut en couleurs et riche de sens. Cette marche des fiertés, organisée par le collectif citoyen Les Durs à Cuire et plusieurs partenaires locaux, a mis en lumière des réalités encore trop souvent invisibilisées en Wallonie picarde: absence d’infrastructures dédiées, manque de services psycho-médico-sociaux formés, déficit de reconnaissance et d’espaces sécurisants pour les personnes LGBTQIA+.
Pour les organisateurs, trois revendications principales demeurent: la formation de l’ensemble des services en contact avec le public, la sensibilisation dans les écoles, et l’inscription d’un symbole permanent dans l’espace public en soutien à la communauté.
À l’heure où les rapports d'Unia confirment une recrudescence inquiétante des actes de discrimination, de harcèlement et de violence envers les personnes LGBTQIA+, cette mobilisation locale doit nous interpeller.
Monsieur le ministre, quel regard portez-vous sur l’organisation de cette première Pride à Tournai? Quelle importance accordez-vous à ce type d’initiatives citoyennes dans des territoires où cette communauté reste souvent peu visible ou mal accompagnée? Comment le gouvernement fédéral soutient-il la visibilité et la défense des droits de ces personnes dans des régions moins dotées en infrastructures ou en réseaux d’associations, comme la Wallonie picarde? Quels subsides fédéraux ont-ils été octroyés cette année à la Brussels Pride? Un soutien fédéral aux Pride est-il prévu pour des initiatives locales comme celle de Tournai? Si oui, sous quelle forme? Des moyens spécifiques sont-ils mobilisables pour appuyer la création de lieux dédiés à l’accueil, à l’écoute et à l’accompagnement de ces personnes dans des zones actuellement sous-dotées, comme c’est le cas dans cette ville de Tournai? Enfin, entendez-vous favoriser une meilleure coordination entre les niveaux de pouvoir pour répondre aux besoins exprimés par les collectifs LGBTQIA+, dans des territoires souvent oubliés des politiques publiques?
Rob Beenders:
Madame Dedonder, je suis très heureux qu’une toute première Pride ait eu lieu à Tournai. C’est un moment important. Je lance un appel à d’autres villes et communes, grandes ou petites, à suivre cet exemple.
Dans le contexte européen et international actuel, où les droits des personnes LGBTQIA+ sont sous pression, il est plus que jamais essentiel de s’unir et de porter le message clair que les droits humains ne sont pas négociables; qu’ils ne sont ni un luxe, ni une opinion, mais un fondement de notre démocratie. Ce type d’événements, comme la Pride à Tournai, permet de célébrer l’identité LGBTQIA+ sous toutes ses facettes et dans toute sa diversité, et revêt dès lors une signification toute particulière lorsqu’ils sont célébrés dans des régions où cette identité demeure invisibilisée au quotidien.
Le gouvernement fédéral prend ses responsabilités pour soutenir la communauté LGBTQIA+ dans tout le pays. Ce soutien se traduit de plusieurs façons. Au niveau fédéral, le gouvernement soutient le milieu associatif LGBTQIA+ au travers du financement structurel des associations-coupole ç avaria, Prisme et RainbowHouse Brussels, qui ont notamment pour but de renforcer les services fournis à leurs membres, y compris aux associations locales. En 2025, ces associations recevront un total de 525 030 euros de subsides. Ceux-ci sont destinés à contribuer financièrement aux frais annuels liés à l’exécution de leur programme de travail en lien avec les compétences fédérales en matière de lutte contre les discriminations à l’égard des personnes LGBTQIA+. Dans cette matière, et pour leur propre niveau de compétence, les entités fédérées octroient également divers subsides à la société civile LGBTQIA+, dans le cadre de la politique liée à l’égalité des chances. Une concertation a régulièrement lieu au niveau administratif entre les différents niveaux de pouvoir, notamment sur ce point, afin d’éviter les risques de double financement.
Au niveau fédéral, le gouvernement a déjà octroyé un soutien financier à diverses associations de terrain dans le cadre d’un appel à projets lancé sous la précédente législature, sur la thématique de l’accroissement durable de la visibilité des personnes LGBTQIA+ dans l’espace public. Dans le cadre de cet appel, huit projets ont été subsidiés, notamment au niveau local, comme des projets de fresques murales à Verviers ou encore à Ath, spécifiquement en zone rurale. Une subvention a été accordée à visit.brussels en vue de contribuer à la réalisation de la Brussels Pride en 2024 et 2025. Un financement équivalent est à l’étude pour d’autres Pride belges, à la demande des associations concernées.
Comme annoncé dans ma note de politique générale, nous travaillons sur la préparation de nouveaux plans d'action LGBTQIA+ (que je souhaite interfédérale), élaborés en concertation avec les entités fédérées pour garantir une approche cohérente et ambitieuse sur l'ensemble du territoire.
Une concertation régulière a également lieu entre les différentes administrations compétentes. Le combat pour l'égalité est collectif. Ce n'est pas un combat réservé aux personnes concernées. Il engage toute la société. Des initiatives telles que la Pride de Tournai ne sont pas un point d'arrivée, c'est un signal de départ. Nous continuerons à soutenir et financer, à coordonner et, surtout, à faire entendre haut et fort que la Belgique restera un pays de liberté, d'égalité et de solidarité.
Ludivine Dedonder:
Merci, monsieur le ministre, pour votre réponse. En effet, je pense que c'est un combat qui engage toute la société, raison pour laquelle je soutiens particulièrement aussi l'organisation de ces Prides dans d'autres régions plus reculées, afin de permettre à chacun de s'exprimer et de sensibiliser l'ensemble de la population. J'ai entendu qu'un appel à projets avait permis à huit projets locaux ruraux de voir le jour. J'espère qu'il y aura un nouvel appel tout prochainement. J'ai également entendu que d'autres financements étaient à l'étude. Je vous remercie pour cela et vous invite, bien évidemment et avec grand plaisir, dans cette belle ville de Tournai. Je pourrai vous servir de guide!
Het pensioen van de leerkrachten en de onzekerheid over het loopbaaneinde in het onderwijs
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 26 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Ludivine Dedonder bekritiseert de pensioenhervorming die leraren dwingt langer te werken en hun DPPR (vroegpensionering) blokkeert, wat tot woede en onzekerheid leidt, terwijl minister Jan Jambon ontkent dat er sprake is van vertraging en volhardt in de hervorming. Georges-Louis Bouchez (MR) en Vincent Van Quickenborne (Open VLD) botsen over een belasting op meerwaarden, waarbij Bouchez stelt dat enkel "sterkste schouders" belast worden, maar Van Quickenborne hem beschuldigt van inconsistentie en verborgen belastingplannen. De discussie ontaardt in politiek gekibbel over geloofwaardigheid, met Vlaams Belang en PS die elkaar beschuldigen van populisme en gebrek aan sociale rechtvaardigheid.
Ludivine Dedonder:
Monsieur le ministre, ce matin, sur RTL-TVI, un enseignant parlait de sa pension en ces termes: "C'est du foutage de gueule." Ce langage cru n'est pas vraiment celui auquel les enseignants nous ont habitués, mais il s'explique par le fait qu'il sont excédés et qu'ils veulent se faire entendre. Ces mots sont ceux de Philippe, qui est enseignant depuis 36 ans et à qui on refuse le droit à une retraite anticipée (la disponibilité précédant l'âge de la retraite ou DPPR, comme on dit dans le jargon).
Il est malheureusement loin d'être le seul. Des centaines d'enseignants sont aujourd'hui dans le flou et l'incertitude. Leur départ à la retraite a été gelé du jour au lendemain, et ils se sentent trahis. Des enseignants qui ont donné des dizaines d'années de leur vie à nos enfants se voient refuser ce qu'ils pensaient être acquis. Des dizaines de témoignages tombent: "Nous devions partir en 2026; maintenant c'est pour 2030. On nous a volé notre fin de carrière; nous ne valons rien à leurs yeux." Que voulez-vous apporter comme réponse, à part qu'il s'agit du résultat de la réforme brutale que vous imposez à la classe moyenne: travailler plus longtemps pour toucher moins, et tout cela avec la complicité du MR et des Engagés!
Vous m'aviez dit que vous alliez répondre aux inquiétudes des enseignants et que vous alliez régler le problème. Or, non, vous avez rompu brutalement le contrat social. En effet, la DPPR témoigne véritablement de la reconnaissance du caractère pénible du plus beau métier du monde. C'est la reconnaissance de pouvoir lever le pied un peu plus tôt, après des années consacrées à s'occuper de nos enfants.
Monsieur le ministre, allez-vous débloquer immédiatement la situation de ces enseignants en demande de DPPR? Surtout, allez-vous retirer cette réforme des pensions totalement injuste, antisociale et inefficace?
Jan Jambon:
Madame Dedonder, honnêtement, j'ai déjà répondu à votre première question à plusieurs reprises, en bonne collaboration avec le Service fédéral des Pensions (SFP), ici au Parlement, en commission, et dans la presse.
La campagne de peur menée à propos d'un prétendu blocage des données de pension doit réellement cesser. Le SFP continue aujourd'hui à traiter les demandes de pension des citoyens. Il n'y a aucune raison de s'inquiéter. Le SFP respecte toujours scrupuleusement les procédures et délais légaux. Chacun recevra donc sa décision de pension dans les délais impartis, c'est-à-dire au plus tard quatre mois avant la date P. C'est la loi, et on l'applique.
Quant à votre deuxième question, madame Dedonder, ma réponse est non.
Ludivine Dedonder:
Non, monsieur le ministre, ils n'ont pas de réponse. Sinon, ils ne se poseraient pas toutes ces questions. Sinon, ils ne deviendraient pas vulgaires. Sinon, ils ne seraient pas dans la rue. Non, ils n'ont pas ces réponses!
Alors, quatre mois avant la date P, trouvez-vous que ce soit longtemps avant? Comment savez-vous vous projeter par rapport à la réforme?
Georges-Louis Bouchez:
(…)
Ludivine Dedonder:
Allez-vous entraîner comme réserviste à l'armée! On vous attend depuis un an, monsieur Bouchez!
Monsieur le ministre, vous aviez dit aux enseignants qu'on ne toucherait pas à leur statut. C'est faux! Vous les faites travailler plus longtemps. En refusant de bouger et en refusant – je suis désolée de vous le dire – d'être clair, vous laissez, à la veille des vacances scolaires, des centaines d'enseignants dans l'incertitude et dans l'inquiétude. Ce n'est pas moi qui le dis, ce sont eux qui le disent! Soyez plus clair, ayez un peu d'empathie! Je pense qu'il en manque vraiment dans ce gouvernement.
Persoonlijke feiten
Faits personnels
Voorzitter:
Artikel 55 van het Reglement bepaalt dat een persoonlijk feit kan ingeroepen worden, maar slechts wanneer het een aantijging betreft. Collega Van Quickenborne kent dat artikel uitstekend en weet dat wanneer hij aantijgingen rondstrooit hij wel zal uitlokken dat er een persoonlijk feit wordt gevraagd, waarop hij reglementair ook weer het woord zal krijgen. Collega's Bouchez en El Yakhloufi hebben mij gezegd dat zij zich aangesproken voelen. Ik zal hen het woord verlenen, waarop de heer Van Quickenborne dan de uitgelokte reactie kan brengen.
(…) : (...)
Mijnheer Van Quickenborne, het was toch in reactie op uw uiteenzetting?
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de voorzitter, ik durfde het inderdaad aan om een aantijging te formuleren tegen de heer Bouchez, maar ik meen dat het de heer Vereeck was die een aantijging deed ten aanzien van de heer El Yakhloufi.
Voorzitter:
Dan hebben wij de heer Vereeck die zich ook in het debat weet te wringen.
Georges-Louis Bouchez:
Monsieur le président, je voudrais dire deux choses.
Madame Dedonder, en tant que ministre, vous auriez dû connaître le RGPD. Puisque vous m'avez invité avec tant de plaisir, sachez que j'y serai cet été, parce que je dois absolument assurer le quorum ici, pour vous éviter de voter avec vos nouveaux amis du Vlaams Belang. Vous n'hésitez pas à voter pour vous assurer des majorités, ce qui fait désormais du Vlaams Belang le défenseur du chômage à vie. C'est vraiment l'association que je n'attendais pas: le Parti de la Sieste avec le Vlaams Belang. Comme quoi les extrêmes peuvent se rejoindre!
Deuxièmement, monsieur Van Quickenborne, j'ai été très clair. Il y a effectivement dans l'accord de gouvernement cette taxe, avec une promesse de toucher les épaules les plus larges. Ce sont ces modalités qui sont en train d'être discutées.
Pour le reste, avec le MR, il n'y aura pas d'autre taxe. Je le répète au nom de ma formation politique: il n'y aura pas d'autre taxe. Il faut réduire les dépenses, on gaspille beaucoup trop d'argent public dans notre pays. Cela rassurera le PS de savoir que d'ici les huit prochaines années, nous dépenserons plus de 1 200 milliards d'euros en politiques sociales.
Alors vos fake news sur le fait qu'on définance la sécurité sociale pour la défense ne résistent pas à l'épreuve des faits, mais vous êtes désormais prêts à tout pour gagner quelques voix et embêter le gouvernement. J'espère qu'un jour vous vous ressaisirez, parce que je considère toujours que vous êtes un grand parti dans l'histoire de ce pays. Mais aujourd'hui vous ne lui faites pas honneur, ça je peux vous le dire!
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de voorzitter, ik merk dat er geen beperking in tijd geldt.
Voorzitter:
Ik volg de tijd.
Vincent Van Quickenborne:
Maak u geen zorgen, ik zal bij het onderwerp blijven. Ik zal de verdediging van de partijen die door de heer Bouchez met de vinger worden gewezen niet op mij nemen. De heer Vereeck kan dat straks misschien doen. Ik wil wel reageren op de uitlatingen van collega Bouchez.
Chers collègues, M. Bouchez nous dit qu'il est vrai qu'une taxe sur les plus-values sera introduite. Et il ajoute qu'il n'y aura pas d'autres taxes. J'avais lu, dans son message, "pas de nouvelles taxes" et, maintenant, il dit: "pas d'autres taxes". Chers collègues, cela veut dire qu'il y aura peut-être encore d'autres taxes qui vont venir. Il est vrai qu'avec la pression de Vooruit et du cd&v, des Engagés, les partis gauchistes de ce gouvernement, il est vraisemblable qu'il y ait encore d'autres taxes.
Deuxièmement , ik wil me ook excuseren, monsieur Bouchez, parce que je viens de prendre connaissance du fait qu'un journaliste, Wouter Verschelden, que vous connaissez peut-être, a dit ceci alors que les négociations étaient en cours.
De heer Jambon is nog steeds in ons midden. Welkom, mijnheer de minister.
Toen de onderhandelingen nog liepen, was er gelukkig één iemand die zei dat de vrijstelling van 10.000 euro per aandeel zou gelden. Het zou dus niet worden toegepast op de volledige portefeuille, maar per aandeel. Hij zegt zelf – het staat er ook letterlijk – en ik citeer: "De MR zegt nu over de N-VA: zijn die dan plots een linkse partij geworden, dat ze dat allemaal aanvaarden?" Inderdaad, mijnheer Bouchez, op dat punt wil ik mij excuseren. Het feit dat u dat durft te zeggen over de N-VA, die steeds meegaat in de retoriek van Vooruit. Chapeau! Op dat vlak bent u consequent.
Collega's, we zullen op het einde van de rit zien of die vrijstelling van 10.000 euro per aandeel er effectief komt. De heer Bouchez belooft immers steeds dat er geen nieuwe belastingen zullen komen – nu worden het al 'andere' belastingen – dat zijn geloofwaardigheid een beetje in het gedrang komt. We zullen dus zien wat ervan komt, collega's.
Mijnheer Bouchez, collègue du MR , hou vol en plooi niet voor de linkse partijen, noch voor de N-VA, die in dezelfde zak zitten! Dank u.
Voorzitter:
Ik dank collega Van Quickenborne, ook voor zijn pleidooi voor geloofwaardigheid; iets waar we allemaal grote voorstander van zijn. Daarover zijn we het allemaal eens, toch? Absoluut.
Vooraleer ik het woord geef aan de heer El Yakhloufi, is er binnen de aantijging een nieuwe aantijging gekomen. Daarom laat ik ook mevrouw Dedonder repliceren.
Ludivine Dedonder:
Monsieur Bouchez, vous avez parlé de cet été.
Vous l’avez tous noté, parce que cela fait plusieurs années qu’il nous dit que cet été, il va aller à l’armée.
Mais c’est normal, en fait, avec vous. Vous êtes dans le slogan; vous êtes dans l’esbroufe; vous êtes dans le racolage, dans les promesses. Vos promesses de campagne, nous voyons maintenant le résultat.
Pour l’armée, c’est la même chose! Nous ne vous croyons plus. Nous n’avons pas de leçons à recevoir de votre parti, le parti du racolage.
Voorzitter:
Mevrouw Merckx, ongeveer het hele Parlement is genoemd, maar u niet. Het woord is aan de heer El Yakhloufi.
Achraf El Yakhloufi:
Collega’s, ik ben een van de jongsten, maar ik heb geleerd om te luisteren naar wie aan het woord is. Dat geldt ook voor u, mijnheer Bouchez.
Mijnheer Vereeck, voor mij is het eigenlijk zeer duidelijk. Als Deborah, de caissière, Zuhair, de cipier, Lode, de professor, of zelfs Vincent, die iets anders doet, gaan werken, dan betalen zij bijna de helft van hun loon aan belastingen. Het antwoord op uw vraag is dus heel eenvoudig. Ook van al die rijke families waarover u spreekt, met al hun neven en nichten, verwachten wij dat zij een bijdrage leveren. Het is namelijk simpel: elk zijn deel is niets te veel.
Nogmaals richt ik me tot alle collega's in het halfrond. Het regeerakkoord is heel duidelijk. We beschermen de kleine spaarders en we zorgen ervoor dat de superrijken, de sterkste schouders, eerlijk bijdragen.
Mijnheer Vereeck, ik weet heel goed dat het voor het Vlaams Belang niet gaat om de kleine spaarders of de gewone werkende mens. Voor het Vlaams Belang geldt: eigen rijken eerst.
(…): Tjonge, daar hebt u lang voor moeten oefenen, denk ik.
Lode Vereeck:
Mijnheer El Yakhloufi, ik ben verrast dat mijn interventie als een persoonlijke aantijging ten aanzien van uw persoon wordt geïnterpreteerd. Ik heb u slechts een vraag gesteld, namelijk of de familieleden in het vierde knoopsgat worden meegeteld. Ik begrijp dat ik in volgende uiteenzettingen wat groffer zal moeten zijn – hoe groffer , hoe toffer. Bij een volgende gelegenheid zal ik u wat onbetamelijker aanspreken, want anders geldt het niet als een aantijging. Ik had gewoon een vraag gesteld.
Voor alle duidelijk, uw taks, uw meerwaardebelasting is, zoals die nu wordt opgetuigd, geen belasting op de superrijken, maar een belasting op gewone mensen die hard werken en sparen. Ze is dus niet gericht op de superrijken.
Op de vraag of wij geen meerwaardebelasting willen, hebt u het antwoord hier al vaak gehoord. Ik heb het daarnet nogmaals herhaald: niet als een aparte taks en een administratief gedrocht dat enkel moet dienen om de meerderheid te plezieren en om de begroting een klein beetje op te krikken.
Het is wel verdedigbaar als dat deel zou uitmaken van een structurele fiscale hervorming, zodat alle vermogensinkomsten, met uitzondering misschien van huurinkomsten, omdat de huurprijzen anders te snel zouden stijgen, op dezelfde manier worden belast om geen fiscale sturing meer te hebben tussen sparen, beleggen en investeren. Dat principe vindt men terug in de duale inkomensbelasting, een principe waarvoor mijn partij zich heeft uitgesproken, net als cd&v eerder. Ik hoop dan ook dat de huidige regering dat inziet. Dus ja, natuurlijk moeten de sterkste schouders een bijdrage leveren, maar niet met de nu voorliggende versie.
Dat brengt mij bij het volgende punt. De verkiezingen vonden al meer dan een jaar geleden plaats. U onderhandelde acht maanden en dan nog eens vier maanden specifiek over de meerwaardetaks, en die is er nog steeds niet.
Ik voorspel u wat er zal gebeuren: uw taks zal te laat komen. Tegen dat de tekst in het Parlement ligt, zult u opnieuw de hele oppositie verwijten dat die een amendement indient, bijvoorbeeld over 10.000 euro per aandeel, wat ik trouwens een goed idee vond van Georges-Louis Bouchez. Men zal ons verwijten dat we het advies van de Raad van State aanvragen. U zult opnieuw moord en brand schreeuwen, alsof wij geen belasting voor de superrijken willen. Jawel, maar wij willen een eerlijke belasting voor iedereen. Gisteren werd ons op vergelijkbare manier verweten dat de programmawet is uitgesteld. Dat heeft te maken met uw eigen traagheid.
Voorzitter:
Op bepaalde momenten slaan rustige tussenkomsten om in roeppartijen, en dat is altijd veelzeggend.
De terugkeer van een haatprediker
De risico's i.vm. de terugkeer van imam Toujgani en de verkrijging van de Belgische nationaliteit
De terugkeer van een islamitische haatprediker naar ons land
Terugkeer haatpredikers, risico's en Belgische nationaliteit
Gesteld door
N-VA
Jeroen Bergers
MR
Georges-Louis Bouchez
VB
Alexander Van Hoecke
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie), Bart De Wever (Eerste minister)
op 19 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de terugkeer van haatprediker Mohamed Toujgani, die ondanks zijn extremistische uitspraken (o.a. oproepen tot jodenhaat, polygamie, kindhuwelijken) en veiligheidsrisico’s via een rechterlijke beslissing de Belgische nationaliteit verkreeg en terugkeerde naar België. Minister Verlinden bevestigt dat de regering de nationaliteitswetgeving zal verstrengen (o.a. taal- en integratie-eisen) en veiligheidsdiensten hem nauwlettend volgen, maar kan de rechterlijke uitspraak niet ongedaan maken. Oppositieleden (Bergers, Bouchez, Van Hoecke) eisen snellere intrekking van nationaliteit/verblijfsrecht voor extremisten, kritiseren de passiviteit van de regering en waarschuwen voor veiligheidsrisico’s, terwijl ze benadrukken dat Belgische waarden en veiligheid voorop moeten staan.
Jeroen Bergers:
Mevrouw de minister, iedereen kent het spelletje Wie is het? Welnu, raadt u wie ik ben. Ik ben in Marokko geboren en in 1980 naar België gekomen, maar ik spreek nog altijd geen enkele landstaal. Ik ben imam geworden. Mijn standpunt is dat meisjes vanaf negen jaar kinderen moeten baren. Ik ben voorstander van polygamie. Ik vind dat joden verbrand moeten worden. Vanuit de moskee waar ik imam ben, zijn de terroristen die de aanslagen in Parijs en Brussel hebben gepleegd, vertrokken. Over mij heeft de Veiligheid van de Staat een rapport opgesteld waarin staat dat ik wellicht een spion uit Marokko ben en dat ik banden met de Moslimbroederschap heb. Om die reden heeft collega Mahdi, toen hij staatssecretaris was, terecht het verblijfsrecht van die persoon ingetrokken.
Denkt iemand hier in het Parlement dat ik een Belg ben en dat ik recht op de Belgische nationaliteit zou hebben? Ik denk het niet. Toch heeft Mohamed Toujgani, na het oordeel van het Hof van Cassatie, de Belgische nationaliteit gekregen. Hij is afgelopen maandag in het gezelschap van een verkozene van Team Fouad Ahidar - hoe kan het ook anders - teruggekeerd naar ons land. Dat is een probleem voor onze veiligheid, want, laat het duidelijk zijn, die man is geen doetje, hij vormt een gevaar voor de openbare orde.
Mevrouw de minister, wat is uw analyse van het arrest? Wat is er volgens u misgelopen in de communicatie tussen de Veiligheid van de Staat en het gerecht? Welke maatregelen wilt u nemen om onze nationaliteit beter af te schermen en onze veiligheid beter te garanderen, zodat zulke haatpredikers niet naar ons land kunnen terugkeren?
Georges-Louis Bouchez:
Le fameux Mohamed Toujgani s'est rendu coupable d'avoir dit "Détruis-les tous!" en parlant des juifs, en disant également que les juifs étaient une insulte à Dieu. Ce monsieur est un prédicateur de haine et, comme l'a indiqué mon prédécesseur, grâce au travail de Sammy Mahdi, il avait été expulsé du pays en 2021 car un rapport de la Sûreté de l’État disait de lui qu'il était un danger actuel, réel et sérieux pour notre pays.
Par un effet de magie, il a réussi à devenir belge, figurez-vous, en 2025. Il avait introduit sa demande en 2019. Ce monsieur ne parle pas l'une des langues nationales. Alors, madame la ministre, je sais que nous sommes dans une Assemblée où certains, pour des raisons électorales et communautaristes, en sont presque – attendez quelques jours, cela ne va pas tarder – à défendre le régime des mollahs. J'aimerais quand même que tous, collectivement, nous puissions nous dire que notre nationalité a une valeur, que la Belgique représente quelque chose, que nous sommes une communauté de principe, une communauté qui partage des valeurs fondamentales.
C'est la raison pour laquelle, et en vue de protéger notre pays, mes questions seront très simples. Des mesures de sécurité spécifiques vont-elles encadrer M. Toujgani à partir de son retour en Belgique?
Je voudrais ensuite vous indiquer que ma formation politique déposera un changement de règle pour l'obtention de la nationalité belge, pour que celle-ci ne puisse plus être obtenue si l'on n'a pas réussi son parcours d'intégration qui comprend la réussite d'un examen dans l'une de nos trois langues nationales.
Enfin, il faut que cette Assemblée puisse donner la nationalité belge mais aussi la reprendre à celles et ceux qui trahissent nos valeurs. C'est à ce prix qu'on fera respecter la Belgique.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, er is geen superlatief die kan beschrijven hoe gedegouteerd ik was door de beelden van wat er zich afgelopen maandag in de luchthaven van Zaventem afspeelde. De extremistische haatprediker Mohamed Toujgani, die in 2021 zijn verblijfsvergunning kwijtspeelde, landde triomfantelijk in ons land. Hij werd er door een welkomstcomité van radicale moslims en – hoe kon het ook anders – een Brussels gemeenteraadslid van de lokale islamitische partij, Team Fouad Ahidar, onthaald.
Ik onderstreep dat Toujgani zijn verblijfsvergunning kwijtspeelde, omdat hij opriep tot het verbranden van joden. Hij is zijn vergunning kwijt, omdat hij jarenlang haatpreekte in een moskee gefrequenteerd door zo goed als elke jihadist die het land ooit voortbracht.
Collega’s, wie denkt er in hemelsnaam dat een dergelijk individu het recht zou moeten hebben om terug te keren naar ons land? Blijkbaar denken sommige rechters daarover zo. Ik alleszins niet. Mijn vraag gaat evenwel niet over de rechterlijke macht. Mijn vraag gaat over u, mevrouw de minister, en over de regering, kortom over de uitvoerende macht.
Een maand geleden, nog voor de landing in Zaventem van Toujgani, stelde ik, overigens als enige, de vraag wat u zou ondernemen om dat te verhinderen. Het antwoord was duidelijk: niets, nougatbollen. Er was zelfs geen bijkomend rapport van de Veiligheid van de Staat. U zou niets ondernemen. Mijn vraag is bijgevolg heel eenvoudig, want het is dezelfde vraag van toen. Wanneer zult u eindelijk uw verantwoordelijkheid nemen? Wanneer stopt die nalatigheid? De belangrijkste vraag is wanneer we het biljet enkele reis terug naar Marokko van Toujgani mogen verwachten.
Annelies Verlinden:
Chers collègues, il ne m'appartient pas de commenter une décision de justice. Cependant, je tiens à préciser que le procureur général près la cour d'appel de Bruxelles a introduit un recours en cassation contre la décision d'octroi de la nationalité belge prise par la cour d'appel de Bruxelles dans son arrêt du 31 juillet 2024.
Dans son arrêt du 24 avril 2025, la Cour de cassation de Belgique a rejeté le pourvoi en cassation et M. Toujgani a dès lors obtenu la nationalité belge. Un titre d'identité belge lui a donc été délivré et les Affaires étrangères lui ont ainsi délivré un passeport.
Ik heb net als u op maandag 16 juni via de pers vernomen dat de betrokkene met die identiteitsdocumenten teruggekeerd is naar België. Hij heeft immers ten gevolge van die beslissingen de Belgische nationaliteit.
Voorts kan ik u verzekeren, mijnheer Bouchez, dat we specifieke maatregelen hebben besproken, dat de bevoegde inlichtingen- en veiligheidsdiensten en alle platformen die in het kader van de strategie TER extremisme en terrorisme bestrijden, de situatie zullen opvolgen, en dat de nodige veiligheidsmaatregelen genomen zullen worden, indien onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten daar voldoende aanwijzingen voor zien.
Ik ben het ook volkomen met u eens, mijnheer Bouchez, dat onze nationaliteit waardevol is en de toekenning ervan geen vanzelfsprekendheid mag zijn. Daarom zal de regering samen met het Parlement de komende maanden zo snel mogelijk de wetgeving inzake de toekenning van nationaliteit, inclusief de strafprocedure en de sancties, verstrengen, zodat de toekenning van de nationaliteit geen vanzelfsprekendheid is maar wel een toegangsticket tot een rechtsstaat met normen en waarden, die we tot elke prijs moeten verdedigen.
Jeroen Bergers:
Bedankt voor uw antwoord, mevrouw de minister. Voor mij zijn er twee dingen duidelijk. Ten eerste, in Brussel, in onze hoofdstad, willen nog steeds partijen als de PS, de PTB en Ecolo met Team Fouad Ahidar, de bondgenoten van de haatzaaiers, een regering op de been brengen. Arrête ce sketch! Dat is niet in het belang van de Brusselaar.
Ten tweede, ik zal een wetsvoorstel dat het makkelijker moet maken de nationaliteit en het verblijfsrecht af te pakken van wie een gevaar is voor de openbare veiligheid en of veroordeeld is voor terrorisme en dat ik samen met collega Metsu heb voorbereid, indienen en hopelijk kunnen we het snel behandelen.
Ik roep alle collega's op daar werk van te maken, want de burger verwacht van ons actie. Onze Grondwet, onze nationaliteit moeten iets waard zijn. We moeten onze samenleving beveiligen.
Georges-Louis Bouchez:
Madame la ministre, je voulais vous remercier pour votre volontarisme par rapport au changement de règles sur l’adoption de la nationalité. Vous l’avez compris, mon groupe sera moteur dans vos démarches. Nous espérons qu’elles interviendront rapidement.
Je voudrais également signaler un autre élément, c’est que souvent, nous sommes timorés. Nous n’osons pas intervenir sur des questions de radicalisme religieux. Je voudrais inviter les collègues à prendre exemple sur ce qui se fait dans de nombreux pays arabes. Regardez la manière dont les radicaux sont traités dans les Émirats. Regardez la manière dont le Maroc traite l’islamisme radical. Si nous pouvions avoir les mêmes principes, nous aurions un vivre ensemble beaucoup plus agréable.
À ce titre, je voudrais déjà répondre à ceux qui invoqueront systématiquement le racisme, comme l’a fait Catherine Moureaux lorsque Sammy Mahdi a évacué ce prêcheur de haine. Il n’y a pas de racisme à vouloir du vivre ensemble. Il y a au contraire de l’irresponsabilité à laisser les radicaux parler au nom des autres.
Alexander Van Hoecke:
Mevrouw de minister, Toujgani is een haatprediker die oproept joden te verbranden. Hij heeft zelf twee vrouwen. Hij stelt dat meisjes op negenjarige leeftijd geslachtsrijp zijn en uitgehuwelijkt mogen worden. Hij vindt dat moslims niet mogen stemmen, want dan zouden ze meewerken aan een regering van ongelovigen. Hij zou zelfs in opdracht van de Marokkaanse overheid hebben gespioneerd in ons land. Voor de verkiezingen klonk het allemaal heel stoer. Collega Bergers speelt graag Wie is het? . Wel, wie ging dit ook alweer op de onderhandelingstafel leggen? Wie ging ervoor zorgen dat Toujgani nooit naar ons land zou terugkeren? Dat was Theo Francken. De realiteit is dat Toujgani maandag triomfantelijk is geland in ons land. U deed niets, mevrouw de minister. Ik heb u een maand geleden, nog voor hij weer in het land was, gevraagd wat u ging doen. Waar bent u in godsnaam mee bezig? Ik heb geen antwoord gekregen op de belangrijkste vraag. Wanneer staat die (…)
De lgbtqi+-rechten in Hongarije en het verbieden van de Budapest Pride
Nieuwe voorbeelden van de autoritaire koers van de Hongaarse regering
De schendingen van de fundamentele waarden van de Europese Unie door Hongarije
De gaypride in Boedapest
Hongaarse regering, LGBTQI+-rechten en EU-waardenconflicten
Gesteld door
Groen
Staf Aerts
MR
Michel De Maegd
PS
Christophe Lacroix
PS
Christophe Lacroix
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 17 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België veroordeelt de systematische onderdrukking van LGBTQI+-rechten in Hongarije, waaronder het verbod op *Budapest Pride*, discriminerende wetten (zoals de "antipedofiliewet" van 2021) en nieuwe repressieve maatregelen tegen NGO’s en media, die de EU-waarden (art. 2 TUE) schenden. De regering steunt Europese inbreukprocedures (o.a. zaak bij het Hof van Justitie, waar advocaat-generaal Capeta Hongarije’s schendingen bevestigde), dringt aan op strengere EU-sancties (zoals art. 260 TFUE-boetes) en versterkt diplomatieke druk via Benelux-verklaringen, bilaterale gesprekken en steun aan lokale organisaties—de ambassadeur participeert actief in *Pride*-evenementen. Parlementsleden eisen concreet optreden, zoals deelname aan Budapest Pride (als symbool van solidariteit), activatie van art. 7 TUE (voor waarschuwingsmechanismen bij democratische afbraak) en financiële conditionering van EU-gelden, maar de minister benadrukt dat unanimiteit in de Raad (en juridische procedures) vertragend werken. Kritiek blijft op Orbáns illiberale koers, die EU-eenheid ondermijnt door fundamentele rechten te ontmantelen terwijl Hongarije EU-middelen blijft ontvangen.
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, de situatie van de regenbooggemeenschap in Hongarije is bijzonder zorgwekkend. Zo voerde Hongarije al in 2021 een wet in die gesprekken en beelden over gender en seksuele oriëntatie aanzienlijk beperkt. Die thema's mogen niet meer getoond worden aan minderjarigen. Concreet zijn films of boeken over lgbtqi+, reclame met lgbtqi+-koppels en zelfs inclusieve lessen op school verboden. Bovendien kreeg die wet de naam 'antipedofiliewet', wat het allemaal nog pijnlijker maakt.
Als reactie daarop ben ik in 2021 samen met collega's van verschillende partijen en parlementen naar de Budapest Pride getrokken om daar de lgbtqi+-gemeenschap een hart onder de riem te steken. Volgende week zal ik daar opnieuw zijn omdat het belangrijker dan ooit is onze solidariteit met de Hongaarse lgbtqi+-gemeenschap te tonen.
In april 2025 besliste premier Orban en zijn Fidesz-partij een stap verder te gaan en de Budapest Pride te verbieden en gezichtsherkenning in te zetten om deelnemers op te sporen en te bestraffen. Er ligt ook nog stringentere wetgeving op de planken.
Op welke manier zal de federale regering druk uitoefenen op Hongarije om de wetgeving opnieuw in overeenstemming te brengen met de Europese normen en waarden? Er werden al verschillende inbreukprocedures opgestart, maar Hongarije blijft die naast zich neerleggen. Zal België van de Europese Commissie eisen dat er dringende voorlopige maatregelen worden genomen?
Hebt u hierover contact met de Hongaarse ambassadeur en steunt België Hongaarse lgbtqi+-organisaties in hun strijd tegen dit discriminerend beleid?
Vorige keer stapte de Belgische ambassadeur in Hongarije mee op in de diplomatieke sectie van de Budapest Pride. Zal dit opnieuw het geval zijn? Het zou een nog sterker signaal mochten ook leden van de Belgische regering zichtbaar aanwezig zijn op de Budapest Pride. Overweegt u om zelf te gaan?
Michel De Maegd:
Monsieur le ministre, la Hongrie s'apprête à voter une loi dite de "transparence de la vie publique", qui, sous couvert de protection de la souveraineté nationale, institue un mécanisme de contrôle et de répression de toute organisation financée par l'étranger. Les ONG, médias indépendants et entreprises pourraient voir leurs comptes gelés, leurs biens saisis et leurs dirigeants inquiétés à titre personnel.
Cette mesure, qui s'ajoute à une série d'amendements liberticides qui ont été évoqués, ciblant notamment les minorités LGBTQIA+ et restreignant le droit de manifester, s'inscrit dans un processus autoritaire alarmant, qualifié par certains observateurs de coup d'État progressif.
Quelle est la position du gouvernement belge face à cette nouvelle législation hongroise qui porte atteinte aux libertés fondamentales et à l'État de droit? Quelles démarches diplomatiques la Belgique envisage-t-elle, en lien avec ses partenaires européens, pour réaffirmer le respect des valeurs de l'Union prévues à l'article 2 du Traité sur l'Union européenne?
Plus globalement, comment la Belgique compte-t-elle se positionner face aux régimes européens qui, tout en participant aux institutions de l'Union européenne, en sapent les principes démocratiques de l'intérieur?
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, en 2021, la Hongrie a adopté une législation officiellement destinée à lutter contre la pédocriminalité et à protéger les mineurs. En réalité, cette loi restreint l’accès à des contenus relatifs aux identités transgenres, à l’homosexualité et au changement de sexe, y compris dans les médias et l’éducation. Cette législation a suscité de vives critiques, tant pour ses atteintes aux droits fondamentaux que pour sa stigmatisation des personnes LGBTI.
La Commission européenne a introduit un recours contre la Hongrie, estimant que cette loi viole plusieurs dispositions du droit de l’Union, notamment les règles relatives au marché intérieur, à la protection des données, ainsi que les droits garantis par la Charte des droits fondamentaux.
Le 6 juin 2025, l’avocate générale de la Cour de justice de l’Union européenne, Mme Tamara Ćapeta, a estimé que la Hongrie avait enfreint l’ensemble des règles invoquées par la Commission. Elle recommande à la Cour de constater une violation distincte de l’article 2 du Traité sur l’Union européenne, qui consacre les valeurs fondamentales de l’Union : dignité humaine, égalité, droits de l’homme, État de droit. Elle souligne que la marginalisation d’un groupe, en l’occurrence les personnes LGBTI, constitue une ligne rouge incompatible avec ces valeurs.
Dès lors, je souhaite vous poser les questions suivantes:
Quelle est la position de la Belgique face à cette législation hongroise et aux conclusions de l’avocate générale ?
La Belgique soutiendra-t-elle une réponse ferme au niveau européen si la Cour confirme la violation de l’article 2 du TUE?
Le gouvernement belge envisage-t-il de plaider pour des mécanismes renforcés de protection des valeurs fondamentales de l’Union, notamment en cas de récidive ou de non-respect persistant par un État membre?
Monsieur le ministre, une fois de plus, le Premier Ministre hongrois a franchi les limites de l’État de droit et des valeurs fondamentales de l’Union européenne en s’attaquant à la Marche des Fiertés de Budapest.
Le 18 mars dernier, les membres de la coalition parlementaire pro-Orbán ont voté une loi interdisant la Pride, et en faisant même de la participation à cet évènement un délit passible d’une amende de près de 500€.
Une fois de plus, le chantre de l’illibéralisme et des prétendues “valeurs traditionnelles” s’attaque aux droits fondamentaux, qui sont le fruit de notre si douloureuse construction européenne.
Cette nouvelle aberration intervient après l’adoption en 2021 d’une loi interdisant “la promotion de l’homosexualité et du changement de genre auprès des mineurs” démontrant l’obsession homophobe et transphobe de Viktor Orban.
Le Premier ministre hongrois persiste à fragiliser la démocratie et l’État de droit, au mépris le plus total des procédures engagées par la Commission européenne et de l’avis rendu le 5 juin dernier par l’avocate générale de la CJUE Tamara Capeta, qui soutient la procédure et constate la violation des droits fondamentaux garantis par l’UE.
Voici donc mes questions:
1. Comment le gouvernement se positionne-t-il vis-à-vis des attaques illibérales de Viktor Orban contre la démocratie et l’Union européenne?
2. Quelles sont les mesures que le gouvernement envisage de prendre au niveau européen pour garantir à l’ensemble des citoyens le respect de leurs droits le plus entier?
3. Comptez-vous demander à la Commission européenne d’imposer des sanctions financières à la Hongrie, en vertu de l’article 260 du TFUE?
Je vous remercie pour vos réponses.
Maxime Prévot:
Bedankt voor uw vragen, geachte leden.
België zet zich sterk in voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie, in het bijzonder op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit. De bestrijding van alle vormen van discriminatie, ook tegen de lgbtqi+-gemeenschap, blijft prioritair in ons buitenlands mensenrechtenbeleid. De toenemende discriminatie van de lgbtqi+-personen in Hongarije is dan ook grote zorg voor België. Deze kwestie wordt door mijn diensten nauwlettend gevolgd.
Après l'adoption des réformes législatives par le Parlement hongrois, le 18 mars dernier, qui pourraient servir de base à l'interdiction de la Budapest Pride, j'ai réagi immédiatement et publiquement via les réseaux sociaux et exprimé notre profonde inquiétude face à cette nouvelle loi qui stigmatise encore davantage les personnes LGBTQIA+ et porte atteinte à l'acquis communautaire en matière de non-discrimination et de liberté d'expression. La nouvelle législation que vous mentionnez, monsieur De Maegd, viendra, le cas échéant, charger encore davantage la barque.
Tijdens de vergadering van het Comité van Ministers van de Raad van Europa op 19 maart 2025 werd ook een verklaring van de Benelux afgelegd om onze ernstige bezorgdheid te uiten over de recente ontwikkelingen in Hongarije en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van de lgbtqi+-personen. Die verklaring werd ook op de sociale media gepubliceerd.
En outre, la Belgique est intervenue dans l'affaire historique portée devant la Cour de justice de l'Union européenne contre la loi hongroise sur la protection de l'enfance, en raison de la discrimination présumée à l'encontre de la communauté LGBTQIA+. Mes services ont bien pris note des conclusions de l'avocate générale, Mme Tamara Capeta. L'arrêt de la Cour est attendu après l'été.
Monsieur Lacroix, vous mentionnez l'article 260 du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne. Il permet en effet à la Cour de condamner un État membre au paiement d'une amende ou d'une astreinte, mais seulement dans le cas de ce que les juristes de droit européen appellent un recours en double manquement. Je vous passe les détails techniques, mais sachez que mes équipes ne perdent jamais l'article de vue. La Commission européenne n'a pas déposé de requête visant à prendre des mesures provisoires urgentes. La Belgique l'avait toutefois approchée à ce sujet.
Tijdens de vergadering van de Raad Algemene Zaken van 27 mei vond de achtste hoorzitting over Hongarije plaats. Net voor die vergadering legden 20 lidstaten, waaronder België, een verklaring af waarin ze Hongarije opriepen om de wetgeving aan te passen en ze er bij de Commissie op aandrongen om hierop toe te zien. Die verklaring werd op de website van Binnenlandse Zaken gepubliceerd en via de sociale media verspreid. Ook in onze Benelux-tussenkomst tijdens die Raad Algemene Zaken werd hierop aangedrongen.
In bilaterale gesprekken met Hongarije wordt het belang benadrukt van de eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en de bestrijding van discriminatie, met bijzondere aandacht voor de rechten van lgbtqi+-personen en de vrouwenrechten. Onze ambassade in Boedapest blijft zich inzetten voor de verdediging van de lgbtqi+-rechten in Hongarije, ter ondersteuning van maatschappelijke organisaties.
Notre ambassadeur a, par exemple, participé à l'ouverture du mois de la Fierté à Budapest le 6 juin dernier. Notre ambassade entretient des contacts réguliers avec les organisateurs de la Pride et d'autres organisations de la société civile concernée ainsi qu'avec les autorités locales de la ville de Budapest.
Quant à la question de ma participation, je l'aurais fait volontiers, comme j'ai encore participé cette année à la Brussels Pride, mais mon agenda ne me permet malheureusement pas, en tout cas cette année, de faire le déplacement.
Enfin, notez que mes services ne cessent de chercher avec les États membres de l'Union européenne qui sont like-minded de nouvelles pistes pour renforcer l'État de droit dans l'Union européenne. À cet égard, vos idées resteront, chers collègues, naturellement les bienvenues.
Staf Aerts:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord.
Ik ben ervan overtuigd en weet dat de rechten van lgbtqi+-gemeenschap over de partijgrenzen heen een warm hart worden toegedragen. Dat heb ik ook duidelijk kunnen vaststellen toen we in 2021 met een delegatie van leden van N-VA, Vooruit, cd&v en Groen, een heel gemengde delegatie dus, allemaal met hetzelfde doel en hetzelfde warm hart, de regenbooggemeenschap in Hongarije gingen steunen.
Het is nu dus het juiste moment om, naast verklaringen in ministerraden, dat opnieuw te doen. Ik heb begrip voor uw volle agenda, maar ik ben ervan overtuigd dat het belangrijk is dat wij als parlementsleden met verschillende partijen zoveel mogelijk doen om dat signaal kracht bij te zetten.
Daarom roep ik mijn collega’s en collega-vraagstellers graag op mee te gaan naar de Budapest Pride. Ik zal alleszins proberen contact te leggen met de ambassade. Ik heb begrepen dat er ook een stevige delegatie van Europese parlementsleden aanwezig zal zijn. Ik ben ervan overtuigd dat dit een heel belangrijk en krachtig signaal kan zijn dat aantoont dat we onze Europese waarden en normen niet laten overschrijden, niet door Fidesz en evenmin door premier Orban. We moeten dit een halt toeroepen en de regenbooggemeenschap voluit steunen.
Michel De Maegd:
Monsieur le ministre, ce qui se passe aujourd'hui en Hongrie est une dérive autoritaire majeure, en plein cœur de l'Union européenne. Ce projet de loi sur la transparence n'est, bien entendu, qu'un nom de façade. Il s'agit en réalité d'un outil de répression déguisé destiné à bâillonner les contre-pouvoirs, à faire taire les médias indépendants et à intimider la société civile.
Quand la démocratie recule ainsi à l'intérieur même de l'Union, c'est évidemment l'ensemble du projet européen qui vacille. Le danger ne vient pas seulement de ceux qui contestent l'Europe de l'extérieur, mais aussi et peut-être surtout, de ceux qui l'instrumentalisent de l'intérieur en profitant de ses ressources, tout en sapant en même temps ses fondements.
Il est temps d'oser des réponses plus fermes: l'activation réelle de l'article 7, la conditionnalité des fonds européens ou encore un soutien renforcé aux acteurs de la démocratie en Hongrie.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre vigilance en matière de défense des droits humains au sein de l’Union européenne, et en particulier du droit des personnes LGBTQIA+. Ce qui interpelle, c’est la lecture de l’avis de l’avocate générale de la Cour de justice de l’Union européenne, particulièrement cinglant à l’égard de la Hongrie. Elle y dénonce le non-respect et la marginalisation d’un groupe au sein de la société, ce qui constitue, estime-t-elle, les lignes rouges imposées par les valeurs d’égalité et de dignité. Elle considère qu’en remettant en cause l’égalité des personnes LGBTI, la Hongrie a nié plusieurs valeurs fondamentales et s’est ainsi significativement éloignée du modèle de démocratie constitutionnelle tel que reflété par l’article 2 du Traité de l’Union européenne. Ses conclusions, de manière générale, sont que la législation hongroise en question enfreint la liberté de fournir et de recevoir des services dans l’Union, au-delà même de la seule question des LGBTQIA+. Mon seul souci est le suivant: j’espère que la Cour de justice de l’Union européenne pourra statuer en toute indépendance à la fin de l’été – ou après l'été –, comme vous l’avez mentionné. J'ai très peur qu’elle ne subisse des pressions de certains gouvernements, sachant que nous avons parfois besoin de règles d'unanimité pour prendre des positions au sein de l'Union européenne, notamment en matière de sanctions économiques contre la Russie, et sachant que la Slovaquie est également en train de prendre le même chemin trumpiste que la Hongrie. À l’instar de la Cour européenne des droits de l’homme, récemment attaquée par neuf chefs d’États membres du Conseil de l’Europe, j’espère que la vigilance sera renforcée afin de préserver l’indépendance et le statut de la Cour de justice de l’Union européenne.
De screening van jihadistische terreuraanslagen met drones
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden bevestigt samenwerking met Denemarken over dreigingen maar ontkent acute Hamas-aanslagrisico’s in België, terwijl drone-terreur beperkt maar gemonitord wordt via OCAD-analyses. Van Rooy kaart aan dat preventie ontoereikend is en wijst op groeiende radicalisering (o.a. steun voor Hamas/IS onder Vlaamse moslims), die hij ziet als een onbehandelde "vijfde colonne" die dringend beleidsactie vereist. De discussie draait om structurele dreiging van islamistisch extremisme versus reactieve veiligheidsmaatregelen.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, in de week van 19 mei werd in Denemarken een aanslag verijdeld waarbij drones zouden worden ingezet. De verdachte heeft banden met Hamas en zou een jihadistische aanslag mogelijk ook buiten Denemarken hebben willen plegen.
Is hierover contact geweest met de Deense veiligheidsdienst? Was ook België een mogelijk doelwit?
In hoeverre houdt de regering rekening met aanslagen door Hamas of aan Hamas gelieerde groeperingen?
In hoeverre zijn we voorbereid op terreuraanslagen met behulp van drones? Welke maatregelen zijn of worden er genomen om terreuraanslagen met drones te voorkomen?
Annelies Verlinden:
De VSSE heeft op dagelijkse basis een intense samenwerking met haar internationale partners, waaronder ook de Deense partner, inzake dreigingsdossiers. Wegens operationele redenen is het echter niet mogelijk om in te gaan op individuele dossiers.
Algemeen kan worden gesteld dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten een aanslag door Hamas in België eerder onwaarschijnlijk achten.
Met betrekking tot het gebruik van drones door extremistische en terroristische actoren, dit fenomeen is tot nu toe weinig verspreid in België. In elk geval werkt het OCAD samen met de partners om de dreiging vanwege entiteiten, groepen en organisaties die drones zouden kunnen gebruiken te analyseren en te evalueren.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, ik zou er toch op willen wijzen dat het dweilen is met de kraan wagenwijd open. Jihadistische terreuraanslagen proberen te vermijden is uiteraard broodnodig, maar uiteindelijk is dat alleen maar symptoombestrijding. Herinnert u zich nog het onderzoek waaruit bleek dat een op de vijf, oftewel 80.000, moslims in Vlaanderen begrip hebben voor Islamitische Staat? Als het gaat over begrip voor Hamas en diens genocidale jihadistische massaslachting van 7 oktober 2023, dan is het wellicht zelfs een veelvoud daarvan. Mevrouw de minister, de vijfde colonne in ons land wordt elke dag groter en militanter. Het is dus hoog tijd dat deze regering dat eindelijk eens ten gronde beseft en actie onderneemt.
Het verheerlijken van Palestijnse jihadterreur op een Brusselse school
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy beschuldigt een Brusselse school van jihadistische hersenspoeling bij kinderen, gebaseerd op beelden waar leerlingen in Arafat-sjaals dansen op een lied dat volgens hem terrorisme verheerlijkt, met steun van PS-politicus Chahid, en eist actie tegen radicalisering en antisemitisme. Minister Verlinden ontkent dit: haar diensten zien geen aanmoediging van terrorisme in het lied of de dans, en noemt de beschrijving misleidend. Van Rooy blijft volharden, stelt dat de regering islamisering en jihadpromotie op scholen negeert en werpt haar passiviteit tegen. De voorzitter onderbreekt wegens ongebruikelijke beeldtoning tijdens het debat.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, op de Brusselse school Marie Popelin in Evere werd op een schoolfeest door de kinderen Palestijnse jihadterreur verheerlijkt. Ik heb u de beelden daarvan bezorgd. Op die beelden ziet u jonge leerlingen getooid in een Arafatsjaal, het vestimentair symbool van de jihadistische kleptocraat Yasser Arafat. Ze dansen daarbij op een Arabisch lied dat de islamitische jihad verheerlijkt.
Dat is compleet verwerpelijk en gevaarlijk, want die kinderen worden daardoor gehersenspoeld en geradicaliseerd, zoals dat in Gaza en bij uitbreiding in de bredere islamitische wereld gebeurt.
Bovendien is dat een flagrante schending van de scheiding tussen kerk en staat, of, moeten we helaas stellen, tussen moskee en staat.
De video werd zelfs met instemming gedeeld door een lid van het Parlement, met name door de PS-voorzitter van de gemeenteraad van Evere, de heer Ridouane Chahid.
Mevrouw de minister, wat is uw reactie daarop? Bent u even verontwaardigd als ik?
Bent u het met mij eens dat hier sprake is van jihadistische hersenspoeling van kinderen die leidt tot antisemitisme en radicalisering?
Wat wordt ondernomen tegen die jihadistische hersenspoeling van schoolkinderen?
Tot slot, wat wordt ondernomen om te voorkomen dat het voornoemde leidt tot daden van antisemitisme en jihadterreur?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Rooy, op de video op Instagram waarnaar u verwijst in uw vraag zijn kinderen te zien die een keffiyeh dragen en die een traditionele Midden-Oosterse dans uitvoeren. Het lied dat in de video te horen is, is een lied van Mohammed Assaf. In dat lied zou volgens mijn diensten helemaal niet worden aangezet tot terrorisme, jihadisme of antisemitisme.
De omschrijving van die video op Instagram die aangeeft dat in die video kinderen een lied zingen dat terrorisme verheerlijkt, zou dus niet in overeenstemming zijn met de lezing die de diensten aan de inhoud van de video geven. In die zin kan die omschrijving niet beschouwd worden als juiste informatie.
Sam Van Rooy:
Minister, ik heb de misselijkmakende beelden hier bij me. Bekijkt u ze toch nog eens.
(De heer Van Rooy toont de beelden.)
Dit is een school in Brussel, anno 2025. Vandaag is het dus al zover gekomen, wat uw diensten ook mogen beweren, dat niet alleen op straat en in culturele centra jihadistisch terrorisme wordt verheerlijkt, maar dus ook op scholen, zoals hier in Brussel.
We zijn geëvolueerd van een fase waarin leraren met de handen in het haar zaten over jihadistisch denken naar een fase met leraren die zelf jihadistisch denken stimuleren bij hun leerlingen. Op dat moment is de islamisering compleet.
Deze regering – u bevestigt het – staat erbij, kijkt ernaar en maakt zich bovendien ook nog eens zorgen over zogenaamde islamofobie. Proficiat.
Voorzitter:
Pour rappel, il n'est pas coutume de diffuser des vidéos ou des images pendant la séance de questions orales en commission.
De veiligheid van de Joodse gemeenschap na de dodelijke antisemitische jihadaanslagen in de VS
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy kaart de groeiende onveiligheid van Joodse Belgen aan na jihadistische aanslagen (VS/Europa) en vermeende terreurtrainingen in Antwerpen, vraagt om concrete veiligheidsmaatregelen en kritiseert het migratiebeleid dat antisemitisme zou voeden. Minister Verlinden benadrukt verhoogde politiële waakzaamheid en samenwerking met OCAD en de Joodse gemeenschap, maar wijst details af omwille van lopende dossiers. Van Rooy hamert op systematische Jodenhaat in media, onderwijs en politiek, gelinkt aan islamitische immigratie, en noemt dit *"crimineel beleid"*. De kern: spanning tussen dreigingsbeheer en structurele kritiek op antisemitisme en migratie.
Sam Van Rooy:
De dodelijke jihadistische terreuraanslag op een Joods koppel door een zogenaamde pro-Palestina-activist in Washington – intifada, weet u wel –, heeft uiteraard ook een weerklank in België, net als de "Free Palestine!" schreeuwende Mohamed Sabry Soliman, een illegale migrant uit Egypte, die in Boulder Colorado met een zelfgemaakte vlammenwerper een jihadaanslag pleegde op een vredevolle demonstratie voor de Israëlische gijzelaars. Gevolg: twaalf mensen gewond, waarvan enkele zwaargewond, waaronder nota bene een Holocaustoverlever. In Frankrijk werden dan weer Joodse restaurants en synagogen beklad met groene verf, de kleur van Hamas en van de islam. In Engeland, niet toevallig in Londonistan, vonden er Kristallnachttaferelen plaats, die hier wel groot nieuws zouden zijn, mochten de daders geen moslimfundamentalisten maar neonazi's zijn; dat terzijde.
Steeds meer van onze Joodse medeburgers voelen zich onveilig, bang, of op zijn minst zeer ongemakkelijk. Recentelijk werden huiszoekingen gedaan bij Palestijnse inwoners in de provincie Antwerpen. Het gaat om een terreurdossier, want onder andere op een Antwerpse eventlocatie vonden trainingen plaats die als doel het aanvallen van gebouwen zouden hebben. Uiteindelijk zou niemand aangehouden zijn. Wel werd digitaal materiaal in beslag genomen.
Mevrouw de minister, daaromtrent had ik graag meer toelichting.
Werd de Antwerpse politie daarbij betrokken?
Waar bevindt zich de locatie waar de vermeende terreurtrainingen plaatsvonden?
Wat is de stand van zaken in dat onderzoek?
Kwam er vanuit de federale politie of het OCAD veiligheidsadvies voor de Joodse gemeenschap in Antwerpen?
Tot slot, nu de verdachten kennelijk in vrijheid zijn gesteld, hoe worden zij opgevolgd zodat ze geen jihadistische terreurdaad kunnen plegen op de Joodse gemeenschap?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Rooy, het komt mij als minister van Justitie niet toe om commentaar te leveren op een lopend gerechtelijk dossier.
In een gespannen geopolitieke context volgen de politiediensten, de inlichtingendiensten en het OCAD aandachtig de elementen op die een bedreiging vormen voor de Joodse gemeenschap in België. In samenwerking met het OCAD en het Nationaal Crisiscentrum zorgen de politiediensten voor de bescherming van gevoelige plaatsen en evenementen op ons grondgebied, waaronder evident ook de Joodse belangen. Zowel door de federale als door de lokale politie wordt een verhoogde waakzaamheid toegepast, onder meer door regelmatige patrouilles, en ook door ordediensten. In de zone Antwerpen, maar ook in bijvoorbeeld Brussel, staan de politie en de Joodse gemeenschap in nauw contact, onder meer via vaste aanspreekpunten. Indien nodig en uiteraard na verder overleg met het OCAD, het Crisiscentrum en andere veiligheidsdiensten, worden de veiligheidsmaatregelen, zoals uitgeoefend door de politie, aangepast.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, allemaal goed en wel, maar de Joodse gemeenschap in dit land kreunt onder het dagelijks antisemitisme, zowel online als offline op straat. Dagelijks wordt die Jodenhaat gestimuleerd in het onderwijs, door de mainstreammedia, door ngo's en door talloze politici. Hersenloos of hatelijk als ze zijn, papegaaien ze de lasterleugens van Al Jazeera en Hamas, zoals ook nu weer met de Hamas- en Hezbollahboot van Greta Thunberg. Tweeënzeventig procent van de Palestijnen staat achter de grootste slachting op Joden sinds de Holocaust. Veertig procent van de Palestijnen vindt zelfmoordaanslagen gerechtvaardigd. Toch blijft België op grote schaal Palestijnen en andere moslims binnenlaten, die de islamitische haat tegenover Joden en andere niet-moslims met de paplepel hebben meegekregen. Ik vind dat echt – ik zal dat hier blijven zeggen – crimineel beleid.
De inbreuken op het dierenwelzijn naar aanleiding van het islamitische Offerfeest
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sophie De Wit kaart illegale thuisslachtingen en dierenmishandeling tijdens het islamitisch Offerfeest in Brussel aan, met name levende schapen in autostoeten bestemd voor onverdoofde slachting, ondanks bestaande verboden en regelgeving. Ze vraagt minister Verlinden om concrete cijfers, betere handhaving en strengere prioritering van dierenwelzijn in het vervolgingsbeleid. Verlinden bevestigt dat dierenwelzijn strafrechtelijk prioriteit heeft via bestaande omzendbrieven (COL 4/2019 en COL 9/2023) en belooft verdere versterking via samenwerking met gewesten, actualisering van richtlijnen en opname in de Kadernota Integrale Veiligheid, maar concrete maatregelen moeten nog worden uitgewerkt. De minister wijst erop dat recente cijfers ontbreken en verwijst De Wit naar een schriftelijke aanvraag, terwijl ze benadrukt dat federale en regionale samenwerking cruciaal is voor effectievere handhaving. De Wit sluit af met de dringende oproep om vervolging van dierenmishandeling te verscherpen, erkent justitiële uitdagingen maar blijft aandringen op actie.
Sophie De Wit:
Mevrouw Schlitz, sta me toe om nog kort te reageren, zonder een persoonlijk feit in te roepen. Wat in Lantin gebeurd is, vinden wij natuurlijk heel erg; dat staat buiten kijf. Ik zou niet graag hebben dat er een ander idee ontstaat. Over het islamitisch Offerfeest, het onderwerp van mijn mondelinge vraag, zullen door Ecolo vermoedelijk geen vragen worden gesteld, maar met zulke opmerkingen blijven we de bal heen en weer spelen.
Mevrouw de minister, heel recent is het islamitisch Offerfeest gevierd en in onze hoofdstad zijn opnieuw verschillende gevallen van dierenmishandeling vastgesteld. Zo zijn er in een luidruchtige autostoet twee levende schapen in beslag genomen. Vermoedelijk waren die bestemd voor het vreselijk lot van een illegale thuisslachting via een meststeek in de nek. Dergelijke praktijken zijn in strijd met zowel de Europese als de regionale regelgeving, die vereisen dat religieuze slachtingen plaatsvinden in erkende slachthuizen en met de nodige verdoving.
In Brussel is onverdoofd slachten helaas nog steeds mogelijk in het slachthuis van Anderlecht, maar thuisslachting is er wel verboden. We kunnen slechts vermoeden waarnaar die schapen onderweg waren. Ondanks de duidelijke regelgeving vinden er jaarlijks, met name tijdens het Offerfeest, talrijke inbreuken op het dierenwelzijn plaats, wat ook blijkt uit eerdere incidenten waarbij tientallen schapen in beslag werden genomen.
Dierenwelzijn is voor veel burgers nochtans een prioriteit in onze samenleving. Barbaarse praktijken zoals onverdoofde thuisslachting kunnen we gewoonweg niet meer tolereren.
Mevrouw de minister, hoeveel inbreuken werden er tijdens het voorbije Offerfeest vastgesteld, welke inbreuken en in welke arrondissementen?
Hebt u in de aanloop naar het Offerfeest overlegd met de gewesten en de politiezones, met name om hen op te roepen om streng toe te zien op de naleving van het dierenwelzijn tijdens die gevoelige periode? Zo nee, waarom niet?
Hoe wilt u aan dierenmishandeling een hogere prioriteit geven in het vervolgingsbeleid en de gerechtelijke macht bewuster maken van de effectiviteit van gepaste sancties?
Annelies Verlinden:
Mevrouw De Wit, wat betreft de gedetailleerde statistische gegevens verzoek ik u om die schriftelijk op te vragen, zodat wij u die schriftelijk kunnen bezorgen. De meest recent beschikbare politiële criminaliteitsstatistieken reiken tot de eerste drie trimesters van 2024. De criminaliteitsstatistieken van de voorbije weken of maanden, in casu het meest recente Offerfeest, zijn momenteel nog niet beschikbaar.
Wat betreft handhaving en vervolging, worden al inspanningen geleverd om elke vorm van dierenmishandeling te vervolgen en te bestraffen. Zo kan worden verwezen naar de gemeenschappelijke omzendbrief COL 4/2019 van de minister van Justitie, het College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de Vlaamse minister-president, bevoegd voor Justitie. In die omzendbrief werden de strafrechtelijke prioriteiten vastgesteld die op grond van de Vlaamse regelgeving gesanctioneerd kunnen worden. Dierenwelzijn is in die omzendbrief opgenomen als een van de feiten die op basis van de Vlaamse dierenwelzijnsregelgeving strafrechtelijk vervolgd en bestraft kunnen worden. Daarnaast wijs ik ook op de gemeenschappelijke omzendbrief COL 9/2023 van de minister van Justitie, het College van procureurs-generaal en de voor Justitie bevoegde Waalse minister-president, waarin de prioriteiten inzake het strafrechtelijk beleid betreffende leefmilieu en dierenwelzijn op grond van de Waalse regelgeving werden opgenomen.
Zoals bepaald in het regeerakkoord, zal de federale regering verdere inspanningen leveren om op het vlak van handhaving en vervolging van inbreuken tegen dierenwelzijn het regionaal beleid ter zake te versterken. Daarbij zal onder meer op vraag van de regionale overheden worden nagegaan hoe aan dierenmishandeling een hogere prioriteit in het vervolgingsbeleid kan worden toegekend. Dat kan bijvoorbeeld worden geconcretiseerd via de evaluatie en actualisering van voormelde omzendbrieven, maar die piste moet nog in detail worden bestudeerd voordat ik daar uitspraken over kan doen.
Daarnaast zal ook in overleg met de regionale overheden worden bekeken hoe het thema dierenwelzijn kan worden opgenomen in de nieuwe Kadernota Integrale Veiligheid. Ook zullen vanuit de federale regering de nodige inspanningen worden geleverd om de samenwerking tussen de verschillende bevoegde federale en regionale diensten verder te bevorderen.
Sophie De Wit:
Mevrouw de minister, bedankt voor uw antwoord. Ik zal de cijfers opvragen. Het is inderdaad belangrijk om de vervolging van inbreuken tegen regionale regelgeving te versterken. Ik weet dat Justitie veel uitdagingen kent en dat is er een van.
De niet-toepassing van de taalwetgeving (jaarverslag 2024 van de vicegouverneur van Brussel)
De niet-naleving van de taalwet in Brussel
De niet-naleving van de Brusselse taalwetgeving
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 11 juni 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de massale niet-naleving van de taalwet in Brussel, waar 93% van de OCMW-aanwervingen en 75% van de gemeentelijke benoemingen in 2024 onwettig waren, met slechts 19% Nederlandstaligen in de besturen en geen enkele vernietiging van illegale benoemingen door de Brusselse overheid. Barbara Pas en Jeroen Bergers eisen federale ingreep (via de minister) om de vernietigingsbevoegdheid over te dragen aan de vicegouverneur en de pariteit en taalvereisten af te dwingen, terwijl de minister enkel belooft "aan te dringen" bij de Brusselse regering—die al decennia weigert te handhaven. Pas noemt dit "onacceptabel incivisme" en diende een motie van aanbeveling in om de federale overheid te verplichten in te grijpen, terwijl Bergers vraagt om formele druk op Brussel en versterking van de vicegouverneur. De kern: Brussel schendt systematisch de taalwet, de federale overheid ontwijkt verantwoordelijkheid, en Nederlandstaligen worden structureel gediscrimineerd.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, ik heb een vraag ingediend over hetzelfde onderwerp. Kunnen deze vragen worden samengevoegd?
Voorzitter:
Het betreft dan uw vraag over de niet-naleving van de taalwet in Brussel? Wij zullen deze toevoegen en beide samen behandelen.
Barbara Pas:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het is de eerste keer dat ik u hierover ondervraag. Uw voorgangers wisten dat ik dit elk jaar doe. De vicegouverneur maakt elk jaar een taalrapport en zolang de cijfers in dat rapport dramatisch zijn, voel ik daarover de bevoegde minister aan de tand. Wij ontvingen onlangs het rapport over de toepassing van de taalwetgeving door de Brusselse plaatselijke besturen van het jaar 2024. Als je de cijfers bekijkt, is het rapport over de toepassing van de taalwetgeving door de Brusselse plaatselijke besturen eigenlijk het rapport van de niet-toepassing. De resultaten zijn andermaal ontluisterend.
Eigenlijk kan ik de problematiek opsplitsen in vier hoofdaspecten. Ten eerste is er de niet-conformiteit van de benoemingen en bevorderingen van de plaatselijke diensten, de gemeenten en de OCMW’s, met de taalwet in bestuurszaken. Die taalwet schrijft voor dat de betrokkenen voor hun aanwerving een taalbrevet moeten hebben over hun kennis van de tweede taal. De vicegouverneur heeft vorig jaar daarover 3.639 dossiers behandeld. Daarvan waren er 560 in orde met de taalwetgeving, nauwelijks 15,4 %. De betrokken ambtenaren waren dus tweetalig, zoals de wet dat voorschrijft. In de gemeenten verloopt een schamele 25 % van de benoemingen correct. In de OCMW’s is het nog dramatischer want daar verloopt 6,8 % correct.
Natuurlijk zijn de Vlamingen het slachtoffer van dat incivisme. Als je die 3.639 aangeworven of bevorderde personeelsleden bekijkt, dan kan 96,3 % zich in het Frans uitdrukken. Dan gaat het om Franstaligen of tweetalige Vlamingen. Nog geen 20 % kan zich in het Nederlands uitdrukken. Nog geen 20 % zijn Vlamingen of tweetalige Franstaligen.
Het tweede en derde aspect is de verdeling van die betrekkingen over de taalgroepen. Ook dat wordt bij wet opgelegd. Voor de hogere betrekkingen schrijft de wet pariteit voor. Voor de gemeenten voldeed vorig jaar 1 van de 19 gemeenten daaraan. Globaal genomen gaat het dus om een vierde, 25 %, in plaats van de door de wet voorgeschreven helft. Ook hier doen de OCMW’s het nog slechter. Er is geen enkel OCMW dat aan dat voorschrift voldoet. Globaal gaat slechts 13 % van de hogere functies naar de Nederlandstalige taalgroep.
Het kan nog erger. In 6 van de 19 OCMW's is er zelfs geen enkele Nederlandstalige vertegenwoordiging in de leidinggevende functies. Zowel op de hogere als de lagere echelons worden de Nederlandstaligen gediscrimineerd en wordt de wet massaal met de voeten getreden, mijnheer de minister, wat de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen betreft.
Dan is er nog een vierde aspect, de vernietiging van al die onwettige toestanden. De vicegouverneur schrijft niet alleen een taalrapport, hij kan ook schorsingen opleggen. Maar dan is het aan de toezichthoudende overheid, aan de Brusselse overheid, de schorsingen om te zetten in vernietigingen. Dat is niet vrijblijvend. De Raad van State heeft daar al meermaals op gewezen. Die vernietigingsbevoegdheid is een wettelijke verplichting. Wat ik hier elk jaar opnieuw moet vaststellen en wat de vicegouverneur elk jaar moet vaststellen, is dat ook 2024 het zoveelste jaar op rij is waarin er geen enkele vernietiging is gevolgd op de vele schorsingen.
Na deze vier hoofdaspecten is er eigenlijk nog een vijfde, mijnheer de minister. Ondanks het feit dat ze daar ook toe verplicht zijn, sturen de plaatselijke besturen, of een deel ervan, niet altijd al hun personeelsdossiers door naar de vicegouverneur. Ook hier is er weer medeplichtigheid en incivisme vanwege de Brusselse toezichthoudende overheden.
Ik hoop dat u niet hetzelfde antwoordt als uw vele voorgangers, van wie ik telkens moest horen dat het aan de Brusselse overheid is om in te grijpen. Ik hoop dat u niet dezelfde paraplu zult gebruiken als Verlinden, Jambon en alle voorgangers. In het verlengde van artikel 129 van de Grondwet en op grond van uw residuaire bevoegdheid inzake het taalgebruik in bestuurszaken in het Brusselse Gewest, is het u, de federale overheid, die exclusief bevoegd bent over de taalwetgeving en de toepassing ervan. Vandaar mijn resem vragen voor u, mijnheer de minister.
Hoe evalueert u het jaarverslag van de vicegouverneur over het jaar 2024?
Hoe zult u ervoor zorgen dat de gemeenten en de OCMW's, alle dossiers van aanwervingen en alle dossiers van bevorderingen, naar de vicegouverneur doorsturen, zoals dat bij wet bepaald wordt.
Hoe zult u ervoor zorgen dat ze bij de aanwervingen en bevorderingen de taalwet respecteren en dat de pariteit, die bij wet is opgelegd voor die hogere betrekkingen, gerespecteerd wordt?
Hoe zult u, wat de lagere betrekkingen betreft, ervoor zorgen dat minstens 25 % daarvan toekomt aan elke taalgroep, in casu de Nederlandse taalgroep? Hoe zult u ervoor zorgen dat de toezichthoudende overheid elke onwettige benoeming of bevordering effectief vernietigt? Zoals de Raad van State al meermaals heeft gesteld, is dat haar wettelijke plicht. Zult u ter zake maatregelen treffen om de uitvoering van dat handhavingsbeleid te wijzigen? Dat kan heel eenvoudig door de vernietigingsbevoegdheid weg te halen bij de Brusselse autoriteiten en die in handen te geven van de vicegouverneur. Zo zal het niet langer in handen zijn van die incivieke Brusselse instanties.
Ik ben zeer benieuwd naar uw antwoord.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, de Vaste Commissie voor Taaltoezicht is belast met het algemeen toezicht op de toepassing van de bestuurstaalwet. Uit het jaarverslag van de VCT blijkt hoe schrijnend de situatie is. Op basis van dat document kan zonder meer worden gesteld dat de taalwet, zeker in Brussel, met de voeten wordt getreden. Het zijn vrijwel uitsluitend Vlamingen die daardoor hun dierbare moedertaal, het Nederlands, mislopen en het gelag moeten betalen.
Het probleem situeert zich over meerdere niveaus. Ik zal enkele passages specifiek toelichten. De burgers zijn, zoals vaak het geval is, het eerste slachtoffer van het niet-naleven van de taalwetgeving. Op pagina 61 van het verslag staat een lijvige beschrijving van hoe – in dit geval – het Parkeeragentschap, maar ook vele andere agentschappen, e-mails in zeer gebrekkig Nederlands opstelt. Op pagina 74 staat beschreven dat het gebruik van het Nederlands in de politiezone Brussel-Noord eerder een uitzondering dan de regel is. Dit zijn slecht twee voorbeelden uit een redelijk lang verslag.
Een ander probleem situeert zich in het Brusselse en heeft betrekking op de bestuurstaalwet. Met uitzondering van enkele ambtenaren moeten zij verplicht een attest hebben van kennis van de andere landstaal. Indien dat niet kan, kan dit tot de schorsing van de persoon in kwestie leiden. Het is de vicegouverneur die de benoemingen afhandelt. Van de 3.639 benoemingen schorste hij er niet minder dan 2.180. Geen enkele schorsing werd echter gevolgd. Die cijfers zijn niet alleen opvallend en ronduit schandalig, ze zijn tevens wederom een stijging ten opzichte van de vorige jaren.
De wettelijk verplichte pariteit in de Brusselse gemeenten is ook een lachertje. Enkel in Oudergem en Sint-Agatha-Berchem zijn de leidinggevenden van de gemeenten op de juiste manier samengesteld. Ondanks wat collega Pas net zei, stellen we dezelfde situatie vast in de OCMW's, waar enkel Ganshoren en Anderlecht voldoen aan de letter van de wet. Op een totaal van 19 gemeenten is dat ronduit dramatisch. Dat is een structureel probleem dat we moeten aanpakken. Collega Pas, de situatie is weliswaar dramatisch en duidelijk voor iedereen die pleit voor de Nederlandstaligen, maar we moeten niet overdrijven en afwijken van de feiten als we het hier willen opnemen voor het Nederlands en het naleven van de taalwet.
Mijnheer de minister, deze problemen zijn duidelijk structureel van aard en dienen dus ook op die manier te worden aangepakt. Wat is uw plan om dit structureel verankerde Brusselse probleem aan te pakken? Brussels minister van Werk, Bernard Clerfayt, reageerde eerder schouderophalend door de continuïteit van de openbaredienstverlening te benadrukken en de taalwetgeving als een vodje papier af te doen. Als deze dienstverlening niet in het Nederlands kan, dan is dat voor hem geen probleem. Ik vraag mij af wat de Nederlandstaligen dan nog te zoeken hebben in onze hoofdstad. Zult u dit probleem aankaarten bij minister Clerfayt? Zult u hem op het matje roepen en benadrukken dat de taalwet geen vodje papier is?
Op welke manier moet de rol van de vicegouverneur volgens u worden versterkt om ook in onze hoofdstad een gelijkwaardige dienstverlening in het Nederlands te kunnen voorzien?
Voorzitter:
Voor ik het woord geef aan de minister, wil ik u toch vragen om de spreektijd in acht te nemen. We hebben een klok die daarvoor dient en een reglement dat bepaalt dat de vraagsteller twee minuten krijgt om zijn vraag te stellen en twee minuten voor zijn repliek. U hebt geen interpellatie ingediend, maar wel een mondelinge vraag, mijnheer Bergers.
Bernard Quintin:
Mevrouw Pas, mijnheer Bergers, ik betreur uiteraard dat de jaarverslagen van de vicegouverneur steeds hetzelfde beeld schetsen met betrekking tot het aantal gevallen waarbij de wetgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken niet wordt nageleefd. Dat aantal daalt namelijk niet. Zoals ik al herhaaldelijk heb aangegeven, zijn wetten er, zoals in elke rechtsstaat, om door iedereen te worden nageleefd. Niemand mag zich op onwetendheid beroepen. De wetgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken is zeer duidelijk wat betreft de benoemingen en de vereisten inzake taalcertificaten en taalkaders.
Op het gebied van de rekrutering en de bevordering is de wet inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken heel duidelijk. De wet schrijft taalcertificaten van verschillende niveaus voor, afhankelijk van het type functie of de bevordering. De vicegouverneur heeft de bevoegdheid om benoemingen en bevorderingen die niet in overeenstemming zijn met die bepaling, op te schorten. Het is vervolgens aan de Brusselse regering om de onregelmatige benoemingen en bevorderingen ongedaan te maken. Ik ben vastbesloten om daarop aan te dringen bij de Brusselse regering, maar ook bij de regeringen van het Vlaams en het Waals Gewest en bij de ministers van de federale regering, opdat zij de nodige maatregelen nemen om die wetgeving in hun respectieve bevoegdheidsdomeinen strikt na te leven.
Ik wil u er echter op wijzen dat, wat Brussel betreft, er ook duidelijk een groot tekort is aan Nederlandstalige kandidaten voor de verschillende vacatures die onder de wetgeving inzake het gebruik van de talen in bestuurszaken vallen. Het is de verantwoordelijkheid van iedereen om niet altijd een slecht imago van Brussel te geven, zodat er misschien meer Nederlandstalige kandidaten zijn en we zo de taalwetgeving kunnen respecteren.
Aangezien de huidige wetgeving zeer duidelijk bepaalt welke autoriteiten belast zijn met het toezicht op de naleving van de taalwetgeving bij benoemingen en/of bevorderingen, zie ik geen enkele geldige reden om die bevoegdheden tot schorsing en nietigverklaring in handen van de vicegouverneur te centraliseren.
Zoals ik al heb vermeld, is het aan elke autoriteit waarop die wetgeving van toepassing is om binnen haar bevoegdheidsgebied toe te zien op de strikte naleving ervan. Men kan geen wetgeving wijzigen, omdat een autoriteit die belast is met de uitvoering ervan, die taak niet naar behoren uitvoert.
Barbara Pas:
Mijnheer de minister, na de bespreking van de beleidsverklaring en de beleidsnota, waarin uw gebrek aan ambitie inzake de opvolging van de taalwetgeving bleek, had ik geen grote verwachtingen met betrekking tot uw antwoord.
U zei dat wetten moeten worden nageleefd. De taalwet is bestaande wetgeving, wetgeving van openbare orde, en moet worden nageleefd. Daarna zei u dat u daarop zou aandringen bij de Brusselse regering. Dat is het belachelijkste antwoord dat u kon geven. Die regering weigert al immers 20 jaar carrément om daaraan ook maar iets aan te doen.
U bent als minister van Binnenlandse Zaken zowat de enige die daaraan iets kan doen. Wij dienen elke legislatuur opnieuw een wetsvoorstel in om die vernietigingsbevoegdheid bij de vicegouverneur te leggen. Degenen die straks een eenvoudige motie zullen indienen om over te gaan tot de orde van de dag, zijn ook degenen die deze voorstellen wegstemmen.
U zou aandringen bij de Brusselse regering, maar er is vandaag zelfs nog geen Brusselse regering. Wat zal daardoor lukken dat de voorbije decennia niet is gelukt? Die regering weigert het immers carrément .
U bent niet alleen de enige die daaraan iets kan doen, u bent de enige die daaraan iets moet doen. U bent degene die ervoor moet zorgen dat wetten worden nageleefd, tenminste als we in een democratische rechtsstaat leven. Het is aan u om in te grijpen wanneer u vaststelt dat het handhavingsbeleid faalt. Het is uw taak om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat die handhaving wel correct verloopt. Dat weigert u echter carrément .
Het taalrapport van moet dienen als motivatie voor de verantwoordelijken om iets te doen aan dat beleid. De vicegouverneur is daarvan zelf een voorstander. Ik merk echter dat we die motivatie moeten concretiseren en dat daarvoor bijzonder weinig animo is in dit Parlement. Ik vind de taalwet wel bijzonder belangrijk. Ik wilde mijn interpellatie eigenlijk in de plenaire vergadering houden, maar er geen enkele andere partij vond het de moeite om dat onderwerp in plenum aan bod te laten komen.
Ik heb echter wel een motie van aanbeveling ingediend. Die zorgt ervoor dat men in plenum kleur moet bekennen. Vindt men dat belangrijk of niet? Mijn motie van aanbeveling vraagt om, gezien de terechte bekommernissen van de vicegouverneur, de dramatische situatie recht te trekken. Elk jaar opnieuw horen we hier dat men bekommerd is, dat het inderdaad erg is en dat men het eens zal vragen aan de autoriteiten in Brussel, die u daarover gewoon in uw gezicht uitlachen. Met alle respect, mijnheer de minister, dat is geen antwoord.
Het is dus aan u. U hebt de bevoegdheid om die situatie recht te trekken. Als u daarbij een steuntje in de rug nodig hebt, zal ik dat zeker geven met een motie van aanbeveling.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de voorzitter, ik zie dat mijn spreektijd nu wel gereset is op de aftelklok. Dat was vorige keer niet het geval, waardoor het natuurlijk moeilijk was om mij eraan te houden.
Ik bedank de minister voor zijn antwoord. Het zou goed zijn als hij formeel een brief stuurt, onder meer naar de Brusselse regering, om te vragen om zich aan de taalwetgeving te houden. Als hij dat doet, dan stel ik voor dat hij die brief ook aan ons bezorgt. Die formele kennisgeving dat men zich eraan moet houden, is zeer welkom.
Ik hoor iemand boos mompelen achter mij. Mevrouw Pas heeft op dat punt wel gelijk. Als we aan de Brusselse regering vragen om een initiatief te nemen om dat na jaren eindelijk in orde te brengen, dan betwijfel ik of dat zal lukken. Ik vraag me ook af of de Brusselse politiek en de Brusselse regering nog ergens toe in staat zijn. We zullen toch stilaan het debat moeten voeren en de vraag stellen of we nog enig vertrouwen hebben in de Brusselse politiek om iets te regelen. Een jaar na de verkiezingen slaagt men er nog altijd niet in om in een kamer samen te zitten om te onderhandelen over een regering, laat staan om een beleid te voeren.
Mijnheer de voorzitter, mijn tijd verspringt weer, maar ik weet dat ik nog spreektijd over heb.
Ik denk dat het inderdaad belangrijk is dat we ook de rol van de vicegouverneur in Brussel versterken.
Moties
Motions
Voorzitter:
Tot besluit van deze bespreking werden volgende moties ingediend. En conclusion de cette discussion, les motions suivantes ont été déposées. Een motie van aanbeveling werd ingediend door mevrouw Barbara Pas en luidt als volgt: "De Kamer, gehoord de interpellatie van mevrouw Barbara Pas en het antwoord van de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, belast met Beliris, - gelet op artikel 129 van de Grondwet en de residuaire bevoegdheid van de federale overheid op het vlak van de taalwetgeving in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest; - gelet op de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, meer bepaald de artikelen 21 en 65; - gelet op de omzendbrief van 16 december 2019 aan de Brusselse burgemeesters betreffende de naleving van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht verstuurd op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken; - gelet op de omzendbrief van 16 juni 2021 aan de Brusselse burgemeesters betreffende de verplichtingen van lokale Brusselse besturen op grond van artikel 65 van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht verstuurd op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken; - gelet op het verslag van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad voor het jaar 2024; - overwegende dat in 2024 75 % van de aanwervingen en bevorderingen door de Brusselse gemeenten in strijd was met de taalwet in bestuurszaken; - overwegende dat in hetzelfde jaar 93,2 % van de aanwervingen en bevorderingen door de Brusselse OCMW's strijdig was met de taalwet in bestuurszaken; - overwegende dat van de in 2024 3.639 aangeworvenen of bevorderden 96,3% zich in het Frans kan uitdrukken (Franstaligen + tweetalige Vlamingen), maar slechts 19,1 % in het Nederlands (Vlamingen + tweetalige Franstaligen); - overwegende dat in 2024 slecht 25 % van de in de Brusselse gemeenten te begeven hogere betrekkingen aan Nederlandstaligen toekwamen, terwijl de wet pariteit voorschrijft; - overwegende dat in 2024 slecht 13 % van de in de Brusselse OCMW's te begeven hogere betrekkingen aan Nederlandstaligen toekwamen, terwijl de wet pariteit voorschrijft; - overwegende dat in 2024 slecht 11,9 % van de in de Brusselse gemeenten te begeven lagere betrekkingen aan Nederlandstaligen toekwamen, terwijl de wet minimum 25 % voorschrijft; - overwegende dat in 2024 slecht 3,6 % van de in de Brusselse OCMW's te begeven lagere betrekkingen aan Nederlandstaligen toekwamen, terwijl de wet minimum 25 % voorschrijft; - overwegende dat diverse gemeenten en OCMW's, in strijd met artikel 65 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, niet al hun personeelsdossiers aan de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad doorzenden; - overwegende dat de Brusselse voogdijoverheden in 2024 geen enkele van de illegale benoemingen heeft vernietigd, hoewel de hun toegekende vernietigingsbevoegdheid volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State geen facultatief gegeven is, maar een verplichting; - gelet op het besluit van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad in zijn jaarverslag 2024 dat de situatie "zeer problematisch blijft, en in een aantal belangrijke aspecten zelfs verder achteruitgaat" en "dat de wet en de rechten van individuele burgers nog steeds op grote schaal geschonden worden"; - overwegende dat de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken wetten van openbare orde zijn; - gelet op het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (nr. 49.126/1/PN van 24 mei 2017) en het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 62.235/AV, Kamer van Volksvertegenwoordigers, stuk 54-3399/003), waarin bevestigd wordt dat de federale overheid bevoegd is inzake de taalwetgeving in Brussel-Hoofdstad en dat zij tevens ten volle bevoegd is om het administratief toezicht daarop, dat momenteel bij de Brusselse instanties berust, daaraan kan onttrekken door daarvoor een bijzonder administratief toezicht in het leven te roepen; - overwegende dat dit laatste kan gebeuren door de vernietigingsbevoegdheid voortaan bijvoorbeeld aan de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad toe te vertrouwen; vraagt de regering de nodige maatregelen te nemen opdat - de Brusselse gemeenten en OCMW's al hun dossiers van aanwervingen en bevorderingen naar de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad doorsturen; - de Brusselse gemeenten en OCMW's bij hun aanwervingen en bevorderingen de taalwet respecteren door enkel tweetalig personeel aan te werven; - de Brusselse gemeenten en OCMW's bij hun aanwervingen en bevorderingen de bij wet opgelegde pariteit voor de hogere betrekkingen voortaan respecteren; - de Brusselse gemeenten en OCMW's bij hun aanwervingen en bevorderingen voor wat de lagere betrekkingen betreft minstens 25 % ervan doen toekomen aan elke taalgroep, zoals de wet voorschrijft; - de toezichthoudende overheid elke onwettige benoeming of bevordering effectief vernietigt en bij verdere weigering om dat te doen het handhavingsbeleid ter zake te wijzigen door de vernietigingsbevoegdheid voortaan in handen van de vicegouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad te leggen door de invoering van een bijzonder administratief toezicht. " Une motion de recommandation a été déposée par Mme Barbara Pas et est libellée comme suit: " La Chambre, ayant entendu l'interpellation de Mme Barbara Pas et la réponse du ministre de la Sécurité et de l’Intérieur, chargé de Beliris, - eu égard à l'article 129 de la Constitution et à la compétence résiduelle de l'État fédéral dans le domaine de la législation linguistique dans la Région de Bruxelles-Capitale; - eu égard aux lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative, en particulier ses articles 21 et 65; - eu égard à la circulaire du 16 décembre 2019 adressée aux bourgmestres bruxellois relative au respect des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par arrêté royal du 18 juillet 1966, dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, envoyée par la Commission permanente de Contrôle linguistique à la demande du ministre de l'Intérieur; - eu égard à la circulaire du 16 juin 2021 adressée aux bourgmestres bruxellois relative aux obligations des services locaux bruxellois sur la base de l'article 65 des lois sur l'emploi des langues en matière administrative, coordonnées par arrêté royal du 18 juillet 1966, envoyée par la Commission permanente de Contrôle linguistique à la demande du ministre de l'Intérieur; - eu égard au rapport du vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale pour l'année 2024; - considérant qu'en 2024, 75 % des recrutements et des promotions auprès des communes bruxelloises étaient contraires à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative; - considérant qu'au cours de la même année, 93,2 % des recrutements et des promotions auprès des CPAS bruxellois étaient contraires à la législation sur l'emploi des langues en matière administrative; - considérant que sur les 3 639 personnes recrutées ou promues en 2024, 96,3 % sont capables de s'exprimer en français (francophones + flamands bilingues), mais seulement 19,1 % en néerlandais (flamands + francophones bilingues); - considérant qu'en 2024, à peine 25 % des fonctions supérieures à conférer dans les communes bruxelloises ont été attribuées à des néerlandophones, alors que la loi prescrit la parité; - considérant qu'en 2024, à peine 13 % des fonctions supérieures à conférer dans les CPAS bruxellois ont été attribuées à des néerlandophones, alors que la loi prescrit la parité; - considérant qu'en 2024, à peine 11,9 % des fonctions inférieures à conférer dans les communes bruxelloises ont été attribuées à des néerlandophones, alors que la loi prescrit un minimum de 25 %; - considérant qu'en 2024, à peine 3,6 % des fonctions inférieures à conférer dans les CPAS bruxellois ont été attribuées à des néerlandophones, alors que la loi prescrit un minimum de 25 %; - considérant que plusieurs communes et CPAS n'ont pas transmis tous leurs dossiers du personnel au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, en violation de l'article 65 des lois coordonnées sur l'emploi des langues en matière administrative; - considérant qu'en 2024, les autorités de tutelle bruxelloises n'ont annulé aucune nomination illégale, alors qu'en vertu de la jurisprudence constante du Conseil d'État, le pouvoir d'annulation qui leur est dévolu n'est pas facultatif, mais obligatoire; - compte tenu de la conclusion du vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, indiquant dans son rapport annuel 2024 que la situation "reste très problématique et se détériore encore dans certains domaines importants" et "que la loi et les droits des citoyens continuent d'être violés à grande échelle"; - considérant que les lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l'emploi des langues en matière administrative sont d'ordre public; - eu égard à l'avis de la Commission permanente de Contrôle linguistique (n° 49.126/I/PN du 24 mai 2017) et à l'avis de la section de législation du Conseil d'État (n° 62.235/AV, Chambre des représentants, document 54-3399/003), où il est confirmé que la législation linguistique à Bruxelles-Capitale relève des compétences du gouvernement fédéral et que ce dernier dispose également pleinement des compétences requises pour retirer le contrôle administratif y afférent, actuellement du ressort des institutions bruxelloises, à ces dernières en créant à cet effet une tutelle administrative spécifique; - considérant que ce dernier point peut être réalisé en conférant désormais la compétence d'annulation, par exemple, au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale; demande au gouvernement de prendre les mesures nécessaires afin que - les communes et les CPAS bruxellois transmettent tous leurs dossiers de recrutement et de promotion au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale; - les communes et les CPAS bruxellois respectent la législation linguistique lors de leurs recrutements et promotions en engageant uniquement du personnel bilingue; - les communes et les CPAS bruxellois respectent dorénavant la parité imposée par la loi lors de leurs recrutements et promotions pour les fonctions supérieures; - les communes et les CPAS bruxellois attribuent lors de leurs recrutements et promotions pour les fonctions inférieures au moins 25 % de celles-ci à chaque groupe linguistique, comme la loi le prescrit; - l'autorité de surveillance annule effectivement toute nomination ou promotion illégale et, en cas de refus persistant, de modifier la politique de contrôle en la matière en confiant désormais le pouvoir d'annulation au vice-gouverneur de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale par l'instauration d'une tutelle administrative spécifique. " Een eenvoudige motie werd ingediend door mevrouw Victoria Vandeberg. Une motion pure et simple a été déposée par Mme Victoria Vandeberg . Over de moties zal later worden gestemd. De bespreking is gesloten. Le vote sur les motions aura lieu ultérieurement. La discussion est close. De vragen nrs. 56004466C en 56004505C van mevrouw Daems worden ingetrokken.
De reactie van België op de maatregelen van president Macron tegen de moslimbroederschap
De moslimbroederschap en de islamisering in België
Het Franse rapport over de moslimbroederschap en de toestand in België
Het Franse rapport over de moslimbroederschap en de gevolgen voor België
Belgische reacties op Franse maatregelen tegen Moslimbroederschap, islamisering
Gesteld door
Open Vld
Paul Van Tigchelt
VB
Sam Van Rooy
MR
Denis Ducarme
DéFI
François De Smet
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister), Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 22 mei 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de dreiging van de moslimbroederschap en islamistisch extremisme in België, met name hun infiltratie in instellingen en de zwakke reactie van de overheid. Van Tigchelt en Ducarme benadrukken dat België een Europees knooppunt is voor de moslimbroeders en dringen aan op snelle wetgeving om extremistische groepen te verbieden, terwijl Van Rooy een hardere lijn eist, inclusief migratiebeperking. Minister Quintin bevestigt dat er gewerkt wordt aan juridische tools om radicale organisaties (zoals Samidoun) te ontbinden, maar waarschuwt voor juridische hordes, terwijl De Smet pleit voor een eigen Belgisch rapport en balans tussen veiligheid en grondrechten. Critici (o.a. Van Tigchelt) vragen om activering van de Nationale Veiligheidsraad en een duidelijker onderscheid tussen moslims en islamisten.
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de voorzitter, ik had mijn vraag eigenlijk aan de premier willen stellen, maar om de een of andere reden krijg ik hem niet te pakken als het gaat over de veiligheid van het land. Ik hoop dat de premier intussen begrepen heeft dat België groter is dan Antwerpen. Dat zeg ik uiteraard met alle sympathie voor u, minister Quintin.
Mijnheer de minister, de moslimbroederschap is een van de fabrieken van het islamisme. Volgens onze veiligheidsdiensten is het een politieke stroming die onze democratie wil vernietigen om hier de sharia te installeren. Ik heb het Franse rapport gelezen. Ik hoop dat u het ook gelezen hebt. Het is verontrustend. De moslimbroeders zijn hun mars door onze instellingen begonnen. Er wordt tientallen keren naar ons land verwezen.
Ik kan u zeggen dat we in de voorbije jaren al maatregelen hebben genomen tegen die zogenaamde fabrieken van het islamisme. We hebben de Moslimexecutieve ontbonden. We hebben een imam die in het Franse rapport genoemd wordt het land uitgewezen, meer dan twee jaar geleden. Zijn naam staat op pagina 18 van het rapport, collega Van Rooy.
We hebben een strategie tegen terrorisme, extremisme en radicalisering uitgerold, een strategie om radicalisering in de kiem te smoren. De premier zei enkele weken geleden nog dat ze goed functioneert, toch in Antwerpen. Dat kan ik beamen, ze functioneert goed in Antwerpen, maar helaas is België groter dan Antwerpen.
In Frankrijk heeft president Macron de hand aan de ploeg geslagen en zijn Nationale Veiligheidsraad bijeengeroepen. Daarom mijn vragen aan deze regering. Hebben onze diensten kennisgenomen van dit rapport? Is er overleg met Frankrijk? En vooral, bestaat de Nationale Veiligheidsraad nog in dit land? Deze regering zit nu meer dan 100 dagen in het zadel en de Nationale Veiligheidsraad is nog steeds niet samengekomen. Is veiligheid een issue voor deze regering?
Sam Van Rooy:
Mijnheer de voorzitter, dames en heren, het islamisme, zoals u het noemt, mijnheer Van Tigchelt, de politieke islam, is een flagrant pleonasme, omdat de islam in de eerste plaats politiek is. Dat zeg niet ik, maar wel de Algerijnse auteur Hamid Zanaz. En hij kan het weten.
De islamitische jihad wordt door jihadisten, oftewel beroepsmoslims, op diverse manieren gevoerd. Dat gebeurt op illegale wijze, namelijk met geweld en terreur, en op legale wijze, namelijk via immigratie, via het onderwijs en via de culturele, academische, juridische en politieke weg. Het gaat om vrome moslims wier loyaliteit niet bij ons, bij onze samenleving ligt, maar wel bij het Turkse Diyanet of bij jihadistische terreurorganisaties zoals Hezbollah, Islamitische Staat en Hamas, of bij de Iraanse ayatollahs of salafistische of islamfundamentalistische organisaties zoals inderdaad de moslimbroederschap, waaruit nota bene ook de genocidale jihadisten van Hamas zijn voortgekomen.
Hun doel is om onze samenleving te islamiseren en alles en iedereen te onderwerpen aan de regels en wetten van de islam. Het motto van de moslimbroederschap luidt: Allah is ons doel, de profeet Mohammed is onze leider, de koran is onze wetgeving, jihad is ons pad, sterven voor Allah is onze allergrootste hoop.
Dankzij een zorgwekkend rapport is de Franse president Macron eindelijk wakker geschoten. Hij kondigt nu voorstellen aan tegen de infiltratie van beroepsmoslims en dus tegen de islamisering van Frankrijk.
Mijnheer de minister, aangezien deze regering Macron blijkbaar graag volgt, welke voorstellen legt u op tafel tegen jihadistische infiltratie van onder andere de moslimbroederschap en tegen de islamisering van onze (…)
Denis Ducarme:
Monsieur le ministre de la Sécurité, j'ai été membre de la commission Attentats terroristes. C'est une mission qui vous change un homme à vie. Nous avions eu du courage. Nous avons pris des recommandations en matière de sécurité, contre le terrorisme et également contre le radicalisme. Mais il aura fallu attendre ce gouvernement de réformes pour qu'enfin des dispositions soient prises pour nous permettre en Belgique de dissoudre des groupes radicaux extrémistes. Cela me fait donc vous parler des Frères musulmans. Ceux-ci jouent sur les mots: ils ne sont pas musulmans; ils sont islamistes. Et nous devons lutter contre cette menace qui est une vraie mine sous notre socle commun des valeurs, sous notre vivre ensemble et qui remet en question la cohésion de notre société.
Au niveau du MR, nous n'avons pas attendu pour demander un rapport à nos propres services de renseignement. Je l'avais fait avec mon collègue Dallemagne en 2022. À l'époque, ce rapport sur les Frères musulmans était déjà alarmant. Aujourd'hui, le rapport français est accablant. Et les Français ont raison: nous sommes un carrefour du frérisme en Europe.
Je vous demande, monsieur le ministre, en tant que ministre de la Sécurité, de mettre tout en œuvre pour nous doter des outils qui permettent de protéger notre société, toute notre société, en ce compris nos amis musulmans, de la menace islamiste. J'espère donc que vous pourrez très rapidement venir avec ce projet qui nous permettra de réagir et d'être enfin à la hauteur face à une menace telle que celle des Frères musulmans.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je voudrais tenter de concilier vigilance et nuance dans ce débat.
D'abord, il faut en effet absolument distinguer l'islam de l'islamisme. Il faut rappeler que l'écrasante majorité des concitoyens musulmans de ce pays vivent leur foi de manière tout à fait paisible et sans opposition avec la société.
À côté de cet islam, il n’y a pas un, mais plusieurs islamismes. Il y a un islamisme violent, djihadiste, qu'on ne connaît que trop bien. Il y a une frange salafiste, non violente, mais qui est plutôt dans la séparation avec la société. Et il y a un entrisme des Frères musulmans, dont le projet n'est pas violent non plus, mais vise culturellement, oserais-je même dire lentement, démocratiquement, à faire en sorte que notre société soit la plus compatible possible avec les préceptes musulmans les plus rigoureux.
Que nous dit ce rapport? Que la Belgique est, en effet, le carrefour européen de la mouvance frériste. Qu'ils y auraient développé un maillage étroit d'associations. Plusieurs associations, une dizaine de mosquées, 200 activistes, cinq écoles, etc.
On y lit surtout que la Belgique est considérée comme fragile pour trois raisons: le morcellement de l'action publique, l'ambivalence supposée de notre neutralité, et le fait que la classe politique y est vue comme relativement légère sur le sujet.
La Sûreté de l'État a déjà parlé des Frères musulmans dans un rapport. Elle n'y voit pas une menace immédiate, mais une menace à long terme. Je fais partie de ceux qui pensent que la Sûreté de l'État devrait davantage investiguer les menaces à très long terme.
Ma demande vise en premier lieu à mieux connaître l'adversaire. Ma demande formelle à vous aujourd'hui, monsieur le ministre, c'est que la Belgique se dote de son propre rapport. Prenons connaissance du rapport français et vérifions-en toutes les allégations. Ce rapport, il ne faut ni s'asseoir dessus, ni le prendre, si j'ose dire, comme parole d'Évangile. Il faut vérifier chacune des allégations et se doter de notre propre expertise, parce que nous avons face à nous un ennemi insidieux, long, et qui nous connaît beaucoup plus que nous ne le connaissons.
Bernard Quintin:
Monsieur le président, mesdames et messieurs les députés, comme vous j'ai pris connaissance du rapport français concernant l'entrisme des Frères musulmans en France et son chapitre consacré à la Belgique, à savoir le chapitre 2.2 et, surtout, 2.2.2.1.
Nous prenons évidemment le contenu de ce rapport très au sérieux.
Naar aanleiding van de publicatie van het rapport heb ik onmiddellijk mijn diensten bevraagd. De Veiligheid van de Staat en het OCAD volgen zoals altijd de ontwikkelingen op de voet. Zij lieten me gisteren weten dat er geen nieuwe elementen zijn met betrekking tot bijkomende radicalisering in ons land. Dat wil niet zeggen dat het niet zorgwekkend is, maar er is geen nieuw nieuws.
Ik kan u verzekeren dat er binnen het kader van de nationale strategie tegen terrorisme, extremisme en radicalisering voortdurend toezicht wordt gehouden op ideologische stromingen die onze liberale democratie trachten te ondermijnen en die een vruchtbare voedingsbodem vormen voor extremisme.
Je serai ici le plus clair possible: il n'y a pas de place dans notre pays pour l'extrémisme et le radicalisme, qu'ils soient islamistes ou d'une quelconque autre nature. Pas de place pour les prêcheurs de haine qui divisent nos sociétés et menacent notre vivre ensemble, très singulièrement dans nos institutions publiques. Pour qu'il n'y ait aucun doute, je range évidemment les Frères musulmans dans cette catégorie.
Ik herhaal het ook in het Nederlands, voor alle duidelijkheid: er is in ons land geen plaats voor extremisme of radicalisme, of het nu islamistisch is of van welke aard dan ook. Er is geen plaats voor haatpredikers die onze samenleving willen verdelen en het samenleven bedreigen. Dat geldt ook binnen onze democratische instellingen. Voor alle duidelijkheid, ik reken de moslimbroederschap tot deze categorie.
C'est pourquoi je peux d'ores et déjà vous annoncer que mes services, conformément à l'accord de gouvernement, travaillent activement et promptement à la mise en place d'un cadre juridique permettant enfin d'interdire des organisations radicales, dangereuses – à commencer par Samidoun, comme c'est indiqué dans l'accord de gouvernement –, en raison de leur lien avec le djihadisme, le terrorisme ou la propagation de l'antisémitisme ou du racisme dans notre pays.
Mais nous devons être clairs, nous ne devons ni nous tromper ni nous mentir. Par exemple, quand on nous parle des Frères musulmans, on ne parle pas ici d'une association des Frères musulmans, quel que soit son statut, mais bien d'une nébuleuse, d'une stroming , monsieur Van Tigchelt. Nous devons donc établir une législation précise pour qu'elle soit efficace, afin d'éviter que certaines organisations ou associations appartenant entre autres à cette nébuleuse des Frères musulmans passent entre les mailles du filet. Je l'ai dit et je le répète, ce travail est actuellement en cours depuis le début de mon mandat, il y a un peu plus de trois mois.
J'ai pris aujourd'hui contact avec mon homologue français, M. Retailleau, pour échanger sur le sujet et pour le rassurer sur le fait que nous prenons évidemment la situation tout aussi au sérieux que dans l'Hexagone, conscients d'ailleurs des liens dans un sens comme dans l'autre. Les services belges sont évidemment aussi en contact constant avec les autres services de renseignement et de sécurité européens et au-delà.
En conclusion, en tant que ministre de la Sécurité et de l'Intérieur, je peux vous assurer de la pleine et entière vigilance de ce gouvernement. Et j'ai bien entendu votre troisième point, monsieur De Smet. Pas de mollesse, il faut le faire de manière extrêmement résolue. C'est le moment de le faire.
Je peux vous assurer de la volonté ferme et résolue de ce gouvernement d'agir pour la sécurité de tous nos concitoyens, monsieur Ducarme. Nous ne laisserons pas l'extrémisme prendre racine dans notre pays.
Paul Van Tigchelt:
Dank u, mijnheer de minister, voor uw heldere en duidelijke antwoorden.
Ik verzoek u toch om de premier te vragen om de Nationale Veiligheidsraad eindelijk eens bijeen te roepen.
Ten tweede, de ontbinding van islamistische of extremistische groeperingen. Ik wil u waarschuwen. We proberen dat al 20 jaar in dit Parlement en telkens botsen we daarbij op onze Grondwet, op de grondwettelijke rechten en vrijheden. Daar moeten we omzichtig mee omspringen.
Ten derde, last but not least, over onze Grondwet gesproken, ik ben blij met uw tussenkomst en ook met die van de heren Ducarme en De Smet, want u maakt het onderscheid tussen moslims en islamisten. Er is één persoon die dat niet doet en dat is collega Van Rooy. Van die boer geen eieren, collega Van Rooy. Niet alle moslims zijn extremisten. Ik hoop dat we in dit halfrond afstand kunnen nemen van dat soort ranzige uitspraken.
Sam Van Rooy:
Terwijl de moslimbroederschap zelfs in diverse moslimlanden allang verboden is, kan die hier in Belgistan al decennia vrij opereren, rekruteren en infiltreren. De talrijke bondgenoten en vrienden van Hamas in deze regering en in dit Parlement zijn ook de bondgenoten en vrienden van de moslimbroederschap.
Het is dus geen toeval dat deze regering zogenaamde islamofobie wil bestrijden. Het probleem is bovendien nog veel groter, want ondertussen zijn er zeker al honderd salafistische organisaties en 400.000 moslimfundamentalisten op ons grondgebied. Steeds meer van onze wijken en scholen islamiseren en lijken op Marokko, Turkije, Afghanistan of Somalië.
Mijnheer de minister, verbied niet alleen de moslimbroederschap, maar verbied elke islamiserende organisatie. Stop de massa-immigratie van moslims. Zet alle (…)
Denis Ducarme:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui est à la hauteur des attentes.
Nous avons longtemps été trop lents et trop naïfs par rapport à la menace radicale. Nous avons parfois même été les idiots utiles de l'islamisme dans notre pays.
Beaucoup de démocraties libérales voisines, comme la France ou l'Allemagne, ont mis en place un dispositif de dissolution des groupes extrémistes et radicaux.
Il faut donc agir rapidement. Vous avez compris que, pour le Mouvement Réformateur, il faut agir rapidement face à la menace. La position des libéraux francophones est claire: il faudra dissoudre l'ensemble des organisations liées à la mouvance des Frères musulmans.
François De Smet:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse qui va dans le bon sens. Nous sommes et devons rester une démocratie libérale. Je ne doute pas que, dans les mesures juridiques que vous mettrez en œuvre, vous veillerez évidemment à ne pas entraver la liberté d’association et de conviction. Il faudra faire en sorte que seules les associations dangereuses soient éventuellement dissoutes. Mais, à côté de l'interdiction ou de la dissolution d'associations, un autre volet mérite notre attention. En effet, il convient aussi de promouvoir le vivre ensemble, de lutter contre le prosélytisme, de travailler sur la neutralité, notamment celle des services publics, y compris en matière d’apparence. Cela implique même d’oser un peu plus en portant haut un principe que j’ai parfois l’impression d’être seul à défendre ici: la laïcité.
De Brussels Pride en de lgbtqia+-rechten
De Pride Week en de strijd voor een inclusievere en veiligere samenleving voor iedereen
Lgbtqia+-rechten en inclusieve veiligheid
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 15 mei 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie belicht de alarmerende toename van anti-LGBTQIA+-geweld in België (o.a. valse afspraken via datingapps, 35% haatincidenten bij Unia) en dalende tolerantie, vooral bij jongeren, terwijl de overheid Unia’s budget met 25% verkleint. Minister Beenders belooft een interfederaal actieplan (tijdlijn: eind 2024), versterkte steuncentra voor slachtoffers en samenwerking met Justitie, maar kritiek blijft: te weinig concrete maatregelen en tegenstrijdig beleid (symboliek vs. bezuinigingen). De oproep is dringend actie in plaats van plannen, met nadruk op veiligheid en inclusie.
François De Smet:
Monsieur le ministre, ce samedi, dans les rues de Bruxelles, ce sera la Pride. Nous allons évidemment célébrer la diversité. Nous allons célébrer la protection des droits des personnes LGBTQIA+, avec une pensée pour les endroits où ces droits sont sous pression. Je pense par exemple à la Hongrie de Viktor Orbán, où on sait qu'il n'y aura peut-être même pas de Pride. En tout cas, les gens se battent là-bas pour qu'elle puisse avoir lieu.
Mais ces droits sont aussi sous pression ici en Belgique. Cette semaine, pas plus tard qu'hier en fait, ont comparu devant le tribunal correctionnel de Bruxelles des individus qui ont piégé des personnes homosexuelles au moyen d'applications de rencontres, dans ce qu'on peut appeler des guets-apens. C'est un processus relativement nouveau, violent et qui ne vise pas simplement à tabasser des personnes gays mais à envoyer un message d'intimidation qui est de dire: "N'utilisez pas de telles applications. Ne vous rencontrez pas. Ne soyez pas libres." Cela, évidemment, est inacceptable.
Ce ne sont pas des cas isolés. Ainsi, quand on regarde les chiffres 2024 d’Unia – cette institution à qui vous avez eu la riche idée de prendre 25 % de ses ressources –, on voit que 35 % de dossiers concerneraient des actes de haine à caractère homophobe, lesbophobe ou biphobe, avec la particularité que les discours et les actes de haine y sont plus nombreux que pour les autres critères protégés par la loi.
Enfin, dernier signal alarmant, il apparaît que la tolérance envers les personnes LGBTQIA+ est en baisse, en ce compris chez les jeunes. C'est ce qui ressort d'une étude réalisée en Flandre par la Jeugdonderzoeksplatform, une plateforme qui regroupe l’université de Gand, la KU Leuven et la VUB.
En résumé, il s'agit de faits plus nombreux et plus violents et d'un climat général de moins de tolérance. Je crois que cela doit vraiment nous alerter. Il faut voir les choses en face. Nous sommes dans une phase de recul des droits fondamentaux, dans une phase de repli et de conservatisme qui, par simplisme, tend à tout confondre.
Au-delà des slogans un peu creux et de la baisse de 25 % de l'organisme supposé aider à les défendre, quelles sont les mesures que vous allez prendre, l’Arizona et ce gouvernement, pour aider ces personnes?
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, je voudrais aussi parler de ces agressions, qui ne sont pas des faits divers. Chaque semaine, des personnes LGBTQIA+ sont passées à tabac. On leur tend des guet-apens via des applications de rencontre. Pourquoi? Parce que leur identité, leur liberté ne conviennent pas à certaines personnes.
Il y a quelques semaines, je vous ai interrogé sur le harcèlement en rue et le sentiment d'insécurité vécu par les femmes. Les chiffres de 2024 quant aux violences contre les personnes LGBT ne sont pas meilleurs. Le 12 mai dernier, le Centre interfédéral pour l’égalité des chances (Unia) et l'Institut pour l’égalité des femmes et des hommes (IEFH) ont à nouveau tiré la sonnette d'alarme. Ces faits de violence et de discrimination sont des attaques contre les droits fondamentaux, droits qui sont remis en cause un peu partout dans le monde, mais aussi chez certains de nos voisins qui sont membres de l'Union européenne.
La Belgique a toujours été précurseur en la matière. Elle doit continuer à montrer l'exemple et doit rester inclusive et sûre pour tout le monde. Il s'agit vraiment d'un combat de tous les jours. L'accord de gouvernement se positionne clairement en faveur des personnes LGBT. Dans votre note de politique générale, vous indiquez votre volonté de mettre en place un plan interfédéral à ce sujet, depuis longtemps demandé par Unia.
Monsieur le ministre, quelle est votre stratégie pour mettre en place ce plan interfédéral avec les autres niveaux de pouvoir? Quel est votre timing? Quelles actions prioritaires comptez-vous mettre en place avec vos collègues de l'Intérieur et de la Justice?
Rob Beenders:
Monsieur De Smet et madame Pirson, je vous remercie pour vos questions.
La Belgique passe en effet de la troisième à la deuxième place de la Rainbow Map – classement européen annuel des droits LGBTI+ – publiée cette semaine par European Region of the International Lesbian and Gay Association Europe (ILGA-Europe). Pourtant, la Pride Week reste un événement nécessaire, même en 2025.
Les chiffres de la tolérance sont en effet en recul. Ce phénomène touche le monde entier. Citons Trump aux États-Unis, Orbán en Hongrie et Meloni en Italie. Notre pays n’est pas épargné. Comme l’a révélé cette semaine l’étude d’Unia, 135 faits liés à l’orientation sexuelle ont été signalés l’an dernier. Cette estimation est d'ailleurs largement inférieure à la réalité car de nombreuses victimes n’osent pas signaler les faits.
Ce qui m’inquiète le plus, c’est que cette tendance touche principalement les jeunes. C’est précisément dans cette tranche d’âge que la tolérance envers les personnes LGBTI+ est en baisse.
En tant que pouvoir public, notre mission est de les protéger. Je prendrai donc mes responsabilités en tant que ministre de l’Égalité des chances. Une société dans laquelle chacun et chacune se sent en sécurité quel que soit son genre, son orientation sexuelle, sa religion, son handicap ou son origine est ma priorité absolue.
Le harcèlement de rue, les discours de haine en ligne et la violence homophobe ne doivent jamais être tolérés. Depuis l’adoption de la loi "sexisme" en 2014, les formes de harcèlement de rue sont punissables par la loi.
Ce problème nécessite une approche globale et systématique. La prévention, la protection et l'application sont essentielles. Je m’y emploierai en élaborant un plan d’action national contre les violences de genre, en collaboration étroite avec les ministres de la Justice et de l’Intérieur.
Durant cette législature, nous renforcerons également les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles, en portant une attention particulière aux personnes LGBTI+. Les victimes doivent pouvoir accéder plus facilement à ces centres car, dans la pratique, ce n’est pas toujours le cas. C'est une priorité!
Enfin, nous travaillerons sur un nouveau plan interfédéral pour garantir la protection des droits des personnes LGBTI+ et promouvoir leur inclusion.
En collaboration avec mon administration, nous sommes en train d'élaborer une proposition de méthodologie commune et des rétroplanning à partir des évaluations du plan précédent et des contributions de la société civile.
En termes de timing, nous souhaitons aboutir avant la fin de l'année à un cadre méthodologique commun et des propositions concrètes de mesures et d'actions fédérales.
Mais je ne pourrai mener ce combat seul. D'où l'importance de la Brussels Pride et aussi d'autres Pride. Il y en a aussi une dans le Limbourg en juillet – vous êtes tous invités. Ce n'est pas seulement une fête mais c'est aussi un signal fort de solidarité et je vous invite tous à Bruxelles ce samedi pour célébrer cela ensemble.
François De Smet:
Merci monsieur le ministre pour votre réponse que je trouve, pour être honnête, très convenue et très cosmétique. Je connais ce secteur depuis très longtemps. Je vous entends parler, vous-même ou vos prédécesseurs, de plans, de plans d'action, de plans nationaux. Ça manque peut-être juste un peu de task force . Comme ça, nous aurions eu le catalogue complet. Il faut beaucoup plus d'actions.
Je crois que les faits auxquels nous nous référons et que vous connaissez, où des gens prennent le temps d'utiliser des applications de rencontre pour piéger intentionnellement et tabasser des personnes gays, doivent vraiment nous alarmer sur le fait que la tolérance est fortement en baisse. Je ne doute pas de vos bonnes intentions mais quel paradoxe entre les bonnes intentions que vous mettez en avant, même dans votre accord de gouvernement, et les moyens dont vous vous dotez! En effet, votre principal allié pour lutter contre cette discrimination, à savoir Unia, vous le punissez d'emblée, dès 2025, en le privant d'un quart de ses ressources. Ce n'est pas le bon signal, mais nous attendrons de voir vos plans pour juger sur pièces.
Anne Pirson:
Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Il est en effet toujours inacceptable pour nous qu'aujourd'hui, on ait toujours peur d'assumer ce que l'on est, qu'on n'ose pas marcher main dans la main dans la rue ou embrasser la personne que l'on aime.
Nous pensons vraiment que ce gouvernement signera la fin des grandes promesses et que nous allons enfin passer aux actes. En tout cas, vous pourrez compter sur Les Engagés pour passer aux actes avec vous. J'ai entendu parler du timing. Nous serons présents au niveau de la symbolique – et donc présents à la Pride samedi – mais nous serons aussi présents pour soutenir toutes les actions politiques. Nous prendrons aussi nos responsabilités en déposant des propositions. Nous vous soutiendrons dans toutes les mesures qui sont en faveur des libertés, de nos droits fondamentaux, de la liberté d'expression et qui mèneront à une société plus sûre pour tout un chacun.
Voorzitter:
Collega’s, wat de geheime stemming betreft hebben we nog niet het vereiste aantal deelnemers bereikt. We hebben nog een goed half uur. Gelieve daarvan gebruik te maken.
De taalwetgeving
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 29 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Quintin bevestigt dat naleving van de taalwetgeving (inclusief hulpverlening in het Nederlands in Brussel) een openbare-ordeplicht is, met toezicht door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, en benadrukt taalcertificaten op maat per functie in plaats van strikte tweetaligheid, samen met samenwerking met Onderwijs, Ambtenarenzaken en Volksgezondheid. Bergers (N-VA) dringt aan op concrete stappen—zoals praktisch taalmateriaal voor hulpverleners (bv. vertaalboekjes voor politie/ziekenhuizen)—om functionele tweetaligheid in Brussel te versterken, wijzend op levensbedreigende gevolgen van taalkloof en onvoldoende urgente actie ondanks regeerakkoordafspraken.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, tweetaligheid ligt mij zeer na aan het hart en is zeer belangrijk voor de bevolking in Brussel, de Brusselse Rand en breder aan de taalgrens, in heel het land. Gelukkig schuift het regeerakkoord enkele duidelijke principes omtrent de taalwetgeving naar voren, onder meer de functionele tweetaligheid voor managementfuncties in federale overheidsdiensten en de noodzaak van Nederlandstalige hulpverlening in de Brusselse ziekenhuizen, gelet op het feit dat het vaak over levensbedreigende situaties gaat. Gebrekkige kennis van het Nederlands in de hulpverlening leidt tot schrijnende situaties, waarover we in de plenaire vergadering hebben gesproken, om nog maar te zwijgen over zorgcentra na seksueel geweld waar slachtoffers niet werden geholpen, omdat de hulpverlener hen gewoonweg niet begreep, lezen we in krantenberichten. Kortom, voor onze fractie behoeft het geen uitleg waarom het cruciaal is dat ook Nederlandstaligen in onze hoofdstad de gepaste hulp in hun taal kunnen krijgen.
Een gebrek aan respect voor de verschillende taalgroepen haalt de funderingen van dit land onderuit. Voor wie dit land en zijn fundamenten dierbaar zijn, is het eens te meer een reden om aan de taalwetgeving aandacht te schenken. Bij de bespreking van de beleidsverklaring bleef ik daaromtrent eerlijk gezegd een beetje op mijn honger. Ik begrijp echter dat het een drukke periode was. Om die reden heb ik een vraag ingediend.
Mijnheer de minister, welke maatregelen zult u nemen, opdat de taalwetgeving beter wordt nageleefd en gehandhaafd conform het regeerakkoord?
Welke maatregelen zult u nemen om de tweetaligheid in Brussel te versterken? Welke ministers, zowel uit de federale regering als uit andere regeringen, wenst u daarbij te betrekken?
Bernard Quintin:
Mijnheer Bergers, bedankt voor uw vragen over dat belangrijk onderwerp.
Ten eerste bevestig ik dat de taalwetgeving betrekking heeft op de openbaar orde. Als gevolg daarvan is elke administratie en elke instelling die onder die wetgeving valt, verplicht om die nauwgezegd na te leven en de nodige maatregelen te nemen.
De Vaste Commissie voor Taaltoezicht is wettelijk verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving via het verslag van de vicegouverneur van Brussel en klachten die de commissie ontvangt.
Ten tweede, het is ook essentieel om het probleem bij de wortel aan te pakken, dat betekent dus op het niveau van het onderricht van onze nationale talen, in scholen, universiteiten, administraties en andere instanties waar beheersing van onze nationale talen cruciaal is. Ik nodig u dan ook uit om contract op te nemen met de ministers van Onderwijs, Ambtenarenzaken en Volksgezondheid.
Daarnaast moeten we erover waken dat alle administraties en instanties waarop de wetgeving van toepassing is, de vereisten op het vlak van taalcertificaten strikt toepassen voor de verschillende types van in te vullen functies. Meer in het algemeen vestig ik uw aandacht erop dat het daarbij gaat om taalcertificaten op verschillende niveaus, afhankelijk van het soort werk, en niet over tweetaligheid in de strikte zin van het woord. Het doel is dat alle burgers zich kunnen uitdrukken en ontvangen worden in de nationale taal van hun keuze.
Ten derde, uit mijn antwoord op uw eerste twee vragen hebt u ongetwijfeld begrepen dat ik in contact sta met mijn collega's, zowel federale ministers als ministers van de gefedereerde entiteiten, om ervoor te zorgen dat de wetgeving inzake het gebruik van talen zo goed mogelijk wordt toegepast in hun respectieve bevoegdheidsdomeinen.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, ik heb mijn vraag ook gericht aan de minister van Volksgezondheid. Ik zal ze zeker ook nog richten aan de minister van Ambtenarenzaken. Het is wel belangrijk dat elke minister in de federale overheid de opdracht heel serieus neemt voor zijn of haar diensten, omdat die mensenlevens zeer ernstig raakt. Dat hebt u trouwens beaamd, toen wij daarover in plenum debatteerden. We moeten wel meer doen. Er kunnen volgens mij wel degelijk nog stappen vooruit worden gezet die niet zo moeilijk zijn, op het vlak van de functionele tweetaligheid, zodat men minstens diensten in het Nederlands in Brussel kan aanbieden. Ik geef een voorbeeld. Ik herinner het mij nog heel goed dat wij, toen er naar de politie werd gebeld, omdat iemand in het Nederlands wilde geholpen worden en men niet wist wat men met die persoon moest aanvangen, in het testdorp in de buurt van Merode in Brussel ten tijde van de coronacrisis, EHBNO, Eerste Hulp bij Nederlandstalige Onkunde, met een aantal basisvertalingen van het Frans naar het Nederlands hebben uitgedeeld en dat de medewerkers er tot mijn persoonlijke verbazing dolenthousiast over waren en zich zelfs afvroegen waarom ze geen eenvoudig boekje met Nederlandse vertalingen van veelgebruikte zinnen in hun werkcontext van de overheid kregen, omdat ze zo de taal functioneel konden leren. Waarom moeten zorgverleners en politiemensen in hun opleidingen leren om over het weer te kunnen praten, maar niet over jobgerelateerde zaken? De N-VA-fractie vraagt om initiatieven te nemen om specifiek materiaal te voorzien om Nederlands te leren. Er zijn immers zeer grote en belangrijke uitdagingen.
De toekomst van het politieonderwijs en de bevoegdheidsverdeling m.b.t. de politiescholen
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 29 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Vlaamse regering stelde in haar Defensieplan onverwacht voor om politiescholen (inclusief financiering) van federaal naar deelstaatsniveau over te hevelen, hoewel dit niet in regeerakkoorden stond. Minister Quintin bevestigde dat er geen concreet overleg over overdracht was, maar benadrukte wel samenwerking met hoger onderwijs (via pilootprojecten) om de kwaliteit van politieopleidingen te verbeteren, met behoud van federale regie. Vandemaele noemde het Vlaamse voorstel "gebakken lucht", aangezien de federale overheid geen intentie tot overheveling heeft en er geen onderhandelingen lopen. De federale rol blijft centraal, met mogelijke aanpassingen enkel in overleg met vakbonden en gemeenschappen.
Matti Vandemaele:
Mijnheer de minister, wat doen mensen in het weekend? Welnu, ik heb het Vlaams Defensieplan doorgenomen en daarin stonden toch een aantal bijzonderheden. Een van die bijzonderheden is dat de Vlaams regering een overleg met de federale regering wil opstarten om te onderzoeken of en hoe de politiescholen kunnen worden overgeheveld van het federale niveau naar het niveau van de deelstaten, inclusief de bijbehorende financiering. Ik vroeg mij af vanwaar dat plots komt, want dat had ik precies in het regeerakkoord gemist, dat stond er volgens mij niet in, noch in het Vlaams, noch in het federaal regeerakkoord. Wie heeft dat konijn uit zijn of haar hoed getoverd? Ik hoorde u nochtans hier eerder bij de bespreking van de beleidsverklaring verklaren dat het uw ambitie is om het politieonderwijs te aligneren op het hoger onderwijs in ons land.
Mijnheer de minister, was u daarvan op voorhand op de hoogte? Hebt u daarover op voorhand overleg gehad? Of bent u net als ik geschrokken toen u in uw vrije tijd kennisnam van de betreffende passage in het Vlaams Defensieplan?
Acht u het een goede suggestie om het politieonderwijs van het federale niveau naar de deelstaten over te hevelen? Hoe kijkt u daarnaar? Was er al overleg? Komt er een overleg over die ambitie van de Vlaamse regering? Hoe ziet u de rol van de federale overheid in het politieonderwijs?
Bernard Quintin:
Mijnheer Vandemaele, het klopt dat ik tijdens mijn beleidsverklaring heb beklemtoond dat politieopleidingen een prioriteit zijn en dat die zullen evolueren. In de periode 2023-2024 hebben enkele politiescholen deelgenomen aan het pilootproject om de samenwerking tussen politieopleidingen en het hoger onderwijs te testen, in samenwerking met de gemeenschappen, die verantwoordelijk zijn voor onderwijs.
Het doel is natuurlijk om de kwaliteit van de politieopleiding te verbeteren, zodat we beter kunnen inspelen op de grote uitdagingen voor onze samenleving waarmee politiemensen dagelijks te maken krijgen.
Ik kan u verzekeren dat het pilootproject een succes is. We zullen die samenwerking met instellingen voor hoger onderwijs voortzetten in overleg met de bevoegde overheden.
Wat uw vraag over mogelijk overleg met de Vlaamse Gemeenschap over de overdracht van bevoegdheden betreft, kan ik bevestigen dat de enige samenwerking met de gemeenschappen tot nu toe betrekking heeft op de kwestie van beroepsbekwaamheid door middel van een systeem van erkenning van onderwijsprogramma's. In het licht van de rationalisering en de verbetering van de kwaliteit van opleidingen, zijn wij bereid alle mogelijkheden die een positieve bijdrage kunnen leveren aan die doelstellingen, te onderzoeken.
Ten slotte, de federale regering zal ook in de toekomst een centrale rol in de organisatie en het aanbieden van politieopleidingen blijven spelen. Uiteraard zullen wijzigingen steeds in overleg met de verschillende actoren, waaronder de vakbonden, worden aangebracht.
Voor het overige, ik heb geen vrije tijd.
Matti Vandemaele:
Het is jammer dat u geen vrije tijd hebt, mijnheer de minister, en u zult dus niet kunnen ingaan op mijn uitnodiging om snel eens samen naar een voetbalwedstrijd met KV Kortrijk te gaan, zolang de club nog in eerste klasse speelt.
Mijnheer de minister, ik hoor u spreken over de verbetering van de kwaliteit, in samenwerking met het hoger onderwijs. Dat lijkt mij allemaal logisch en ik veronderstel dat niemand daartegen kan zijn.
Wel stel ik vast dat wat in het Vlaams defensieplan staat, gebakken lucht is. Er wordt daarin stoer aangekondigd dat de politieopleiding wordt overgeheveld, maar er heeft daar geen overleg over plaatsgevonden, er zijn geen intenties geuit en het federaal niveau heeft ook niet de intentie om daarop in te gaan. Als diplomaat hebt u mijn vraag mooi en braaf beantwoord, maar de realiteit is dat het gebakken lucht is, meer niet. Dat moet u aan uw Vlaamse collega's misschien eens doorgeven, mijnheer Bergers, want er komt geen overheveling van het politieonderwijs naar het Vlaamse niveau. Dat is in ieder geval een duidelijk antwoord, waarvoor dank, mijnheer de minister.
Voorzitter:
Vraag nr. 56004350C van de heer Depoortere wordt ingetrokken en verwezen naar de minister van Mobiliteit.
Het verbod op het organiseren van gayprides in Hongarije
De zoveelste schending van de rechten van lgbtqi+'en in Hongarije
Het verbod op de gaypride in Hongarije
De grondwetswijziging in Hongarije
LGBTQI+-rechten en discriminerende wetgeving in Hongarije
Gesteld door
PS
Christophe Lacroix
DéFI
François De Smet
MR
Michel De Maegd
MR
Michel De Maegd
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De Belgische regering veroordeelt de systematische aantasting van LGBTQIA+-rechten in Hongarije, waaronder het verbod op de *Budapest Pride* en repressieve wetten onder Orbán, die fundamentele EU-waarden zoals non-discriminatie, vrijheid van vergadering en meningsuiting schenden. België neemt concrete acties: steun voor juridische stappen (o.a. zaak bij het EU-Hof tegen de Hongaarse "kinderbeschermingswet"), diplomatieke druk (via Benelux-verklaringen, ambassadeparticipatie aan Pride), en directe ondersteuning van Hongaarse mensenrechten-NGO’s, terwijl het pleit voor strengere EU-conditionering van fondsen aan boodschappers van discriminatie. Parlementsleden benadrukken de noodzaak van scherpere sancties en een eind aan Hongaarse straffeloosheid, wijzend op Orbáns autoritaire afglijden, zijn banden met Poetin en de systematische criminalisering van LGBTQIA+-identiteiten onder mom van "kinderbescherming". België bevestigt zijn voortrekkersrol in EU-verband, maar kritische stemmen eisen meetbare stappen beyond symbolische steun.
Christophe Lacroix:
Monsieur le vice-premier ministre, le gouvernement hongrois a récemment annoncé des changements législatifs visant à empêcher la tenue de la Marche des Fiertés sous sa forme actuelle affirmant que celle-ci ne devait plus être tolérée. Cette décision marque une nouvelle étape dans la politique répressive menée par le gouvernement conservateur de Viktor Orbán à l'encontre des personnes LGBTQ+. Sous prétexte de protéger l'enfant, la Hongrie a déjà adopté plusieurs mesures liberticides ces dernières années: l'exclusion des couples de même sexes à l'adoption, censure des contenus LGBTQ+ destinés aux jeunes et désormais une remise en cause directe de la liberté d'expression et de réunion à travers la restriction de la Pride.
C'est une violation des articles 3, 10, 11, 13 et 14 de la Convention européenne des Droits de l'homme.
Depuis 2019, la constitution hongroise stipule que le mariage est seulement possible entre un homme et une femme consacrant ainsi une inégalité de deux traitements entre les couples hétérosexuels et homosexuels. À cette disposition vient s'ajouter un ensemble de lois et de mesures restreignant les droits des minorités sexuelles et de genres et s'inscrivant dans une stratégie plus large de marginalisation de la communauté LGBTQ+ en Hongrie.
Ces dispositions vont à l'encontre des valeurs fondamentales de l'UE fondées sur le respect des droits humains et des libertés fondamentales, mais aussi de la Convention européenne des droits de l'homme et de toutes les résolutions votées par l'assemblée parlementaire du Conseil de l'Europe.
La CE a déjà engagé des procédures contre la Hongrie pour ses atteintes aux droits des personnes LGBTQ+ hongroises, mais la situation continue à se détériorer. En parallèle, les autorités hongroises semblent encouragées par le retour de Donald Trump à la présidence des USA, ce qui pourrait renforcer leur sentiment d'impunité sur la scène internationale.
Face à cette évolution plus que préoccupante, je souhaite vous demander quelle est la position officielle de la Belgique au sujet de cette nouvelle restriction des droits fondamentaux en Hongrie. Quelles initiatives notre pays entend-il prendre au sein de l'UE pour défendre les droits des personnes LGBTQ+?
La Belgique envisage-t-elle de renforcer son soutien aux organisations de la société civile œuvrant pour la défense des droits des personnes LGBTQI+ en Hongrie, notamment via des initiatives diplomatiques ou des programmes de coopération?
François De Smet:
Depuis l’adoption de la loi hongroise du 15 juin 2021 interdisant la promotion de l’homosexualité auprès des mineurs et le changement de sexe, entrée en vigueur le 8 juillet 2021, et l’adoption du décret du 6 août 2021 relatif aux modalités de mise en œuvre de cette loi, les communautés LGBTQIA+ de Hongrie vivent dans la peur.
Les atteintes répétées portées aux droits des personnes LGBTQIA+ depuis 2010 s’inscrivent dans un contexte plus global de remise en cause de l’État de droit et de ses principes fondamentaux en Europe, en particulier du respect des droits des femmes et des minorités
Le 19 mars dernier, le Parlement hongrois a adopté un projet de loi qui réduit la période (de 90 à 30 jours) d’avertissement de l’organisation d’un événement auprès des services de police. En ligne de mire: les manifestations susceptibles de mettre en danger la “protection de l’enfance”
C’est ainsi que la Marche des Fiertés de Budapest (l’équivalent de notre Brussels Pride) organisée le 28 juin 2025 ne pourra être notifiée à la police que le 28 mai au plus tôt, ce qui est préjudiciable au droit à la liberté de réunion, car plus la période est courte, moins les organisateurs ont le temps de demander un contrôle judiciaire d'une interdiction et d'organiser correctement l'événement.
Le gouvernement hongrois a également annoncé le recours à des caméras de reconnaissance faciale pour identifier les contrevenants, les sommer de payer de lourdes amendes, mais aussi et surtout les dissuader en amont de participer à la Pride.
En conséquence, Monsieur le Ministre peut-il me faire savoir:
Si le Gouvernement entend condamner cette nouvelle atteinte aux droits fondamentaux et plus particulièrement aux droits des minorités en Hongrie?
S’il va exiger auprès de l’Union européenne que les fonds européens ne puissent pas être utilisés pour financer les politiques du gouvernement hongrois susceptibles de porter atteinte aux droits fondamentaux des personnes LGBTQIA+?
Le suivi qui a été apporté (et qui reste à apporter) à la résolution visant à condamner et dénoncer les mesures liberticides et discriminatoires à l’encontre des personnes LGBTQIA+ prises par la Hongrie, laquelle a été adoptée par notre assemblée le 21 septembre 2023?
Michel De Maegd:
Monsieur le ministre, en septembre 2023, notre Assemblée adoptait une résolution demandant à la Belgique de prendre l'initiative de saisir la Cour de Justice de l'Union européenne et la Cour européenne des droits de l'Homme pour dénoncer les mesures liberticides et discriminatoires à l'encontre des personnes LGBTQI prises par la Hongrie.
Depuis lors, la situation ne s'est pas améliorée pour les personnes LGBTQI vivant en Hongrie. Bien au contraire.
Le 18 mars dernier, le Parlement hongrois adoptait une législation visant explicitement à interdire la tenue de la Marche des fiertés.
Déposé à la dernière minute et voté en urgence, ce texte a été soutenu par la coalition au pouvoir ainsi que par l'extrême droite. Il interdit désormais les rassemblements qui, selon les autorités, ne respecteraient pas « le droit des enfants à un développement physique, mental et moral correct ». Ce libellé flou ouvre la voie à une interprétation arbitraire de ce qui peut ou non être autorisé dans l'espace public.
La situation est d'autant plus préoccupante que ce type de législation viole de manière flagrante les principes fondamentaux de l'Union européenne, notamment la liberté de réunion, la non-discrimination et la protection des droits des minorités. Elle contribue également à un climat de peur et de stigmatisation, contraire aux valeurs consacrées par les traités européens.
Dans ce contexte, je souhaiterais vous poser les questions suivantes:
Comment la Belgique réagit-elle à cette nouvelle attaque contre les droits fondamentaux des personnes LGBT+ en Hongrie, État membre de l'Union européenne?
La Belgique envisage-t-elle de soutenir une action au niveau du Conseil de l'UE ou auprès de la Commission européenne, pour sanctionner cette atteinte manifeste aux libertés fondamentales et au droit de manifester ?
La Belgique entend-elle exprimer sa solidarité avec les organisateurs et participants à la Marche des fiertés prévue à Budapest, notamment par une participation diplomatique officielle, comme signe de soutien?
Enfin, dans le cadre de sa politique étrangère et européenne, la Belgique prévoit-elle de renforcer ses instruments de soutien à la société civile et aux défenseurs des droits humains en Hongrie, notamment en matière de protection des personnes LGBT+?
Je vous remercie.
Maxime Prévot:
Je renvoie au texte écrit de ma réponse. (Rires sur les bancs) . Excusez-moi pour ce trait d'humour!
Messieurs les députés, merci pour votre question. La Belgique est fortement engagée dans la lutte contre toutes les discriminations, en particulier celles fondées sur l'orientation sexuelle et l'identité de genre. La Belgique fait figure de pionnier en la matière. Cela est reflété par le score élevé continu de notre pays dans l'indice arc-en-ciel de la fédération faitière ILGA, International Lesbian, Gay, Bisexual, Trans and Intersex Association Europe.
La lutte contre toutes les formes de discrimination, y compris contre la communauté LGBTQI+, est une priorité de notre politique étrangère en matière de droits humains. Vous vous souviendrez, d'ailleurs, que je l'avais expressément indiqué dans mon exposé d'orientation politique.
Dès lors, les discriminations croissantes que subissent les personnes LGBTQI+ en Hongrie sont une préoccupation majeure de la Belgique. Cette question est suivie de près par mes services.
À la suite de l'adoption des réformes que vous mentionnez par le Parlement hongrois le 18 mars dernier, j'ai immédiatement réagi publiquement, via les réseaux sociaux et X en particulier, en exprimant notre profonde préoccupation concernant cette nouvelle loi qui stigmatise davantage encore les personnes LGBTQI+ et qui porte atteinte à l'acquis communautaire en matière de non-discrimination et de liberté d'expression.
La Belgique s'est jointe à une déclaration commune du corps diplomatique à Budapest, publiée le 27 mars, déplorant l'adoption de ces réformes qui mettent directement en péril les libertés d'association et d'expression en Hongrie. Cette déclaration a été soutenue par 22 ambassades.
À cet égard, je tiens également à rappeler la déclaration annuelle, en juin, du corps diplomatique en faveur de la Budapest Pride, à laquelle notre ambassade s'est également jointe ces dernières années.
Lors de la réunion du comité des ministres du Conseil de l'Europe du 19 mars dernier, une déclaration du Benelux a également été prononcée pour exprimer notre grave préoccupation concernant les récents développements en Hongrie et leur impact sur les droits humains des personnes LGBTQI+. Cette déclaration a également été publiée sur les réseaux sociaux.
Chaque fois que je me rends aux réunions européennes, la Hongrie siège juste à côté de moi. Cela m'offre un canal de communication facilité.
Lors d'entretiens bilatéraux avec la Hongrie, l'importance du respect de l' État de droit, des droits humains et la lutte contre les discriminations, avec une attention particulière aux droits des personnes LGBTQIA+ et aux droits des femmes, est soulignée. La Belgique est intervenue dans l'affaire historique devant la Cour de justice de l'Union européenne contre la loi hongroise sur la protection de l'enfance, vu la discrimination présumée à l'encontre de la communauté LGBTQIA+. L'arrêt de la Cour sera rendu après l'été.
De façon générale, au même titre qu'elle ne manquera jamais d'insister sur la mise en œuvre du régime de conditionnalité pour l'obtention de fonds européens, la Belgique ne recule jamais lorsqu'il s'agit d'intervenir dans des affaires pendantes devant la Cour de justice à l'encontre de la Hongrie afin de dénoncer notamment les lois liberticides contraires aux valeurs de l'Union européenne.
Notre représentation permanente auprès de l'Union européenne est actuellement en contact avec ses homologues like-minded pour étudier quelle action commune pourrait par ailleurs être envisagée à l'échelle européenne.
Les initiatives de notre ambassade à Budapest, en soutien aux organisations de la société civile qui œuvrent pour la défense des droits LGBTQIA+ en Hongrie, ne manquent pas. Outre les éléments cités ci-avant, je mentionne à titre d'exemple, au cours des derniers mois, l'organisation d'un petit-déjeuner de travail à la résidence belge à Budapest le 2 septembre dernier en présence de ma prédécesseur et de ministres luxembourgeois, néerlandais et irlandais, afin de discuter de la question et de la société civile hongroise. Le 13 octobre dernier, notre ambassadeur a prononcé le discours d'ouverture du Pécs Human Rights Festival, qui portait sur les droits fondamentaux et les droits LGBTQIA+. L'ambassade a également participé à la Pécs Pride le 19 octobre. Je cite encore la participation de notre ambassadeur à la Budapest Pride de mars 2024 et aux autres activités de Pride Month à Budapest, la participation à un briefing donné le 21 mars dernier par la société civile hongroise au sujet de cette alors potentielle interdiction de Budapest Pride 2025 ou encore le fait que les ONG défendant les droits LGBTQIA+ en Hongrie sont régulièrement invitées aux événements diplomatiques organisés par notre ambassade. Vous l'aurez compris, je donne instruction à nos diplomates de se tenir du côté de ces ONG.
Notez enfin que la Coopération au développement belge ne poursuit aucune activité en Hongrie.
Christophe Lacroix:
Merci monsieur le vice-premier ministre. Moi, je crois qu'il faut être ferme par rapport à la Hongrie de Viktor Orbán. D'une part, lorsqu'il s'agit de la guerre en Ukraine et de la difficulté de convaincre la Hongrie d'être, avec les autres pays européens, défenseuse de l'Ukraine et opposante au régime autocratique et despotique de Poutine et de ses visées inébranlables sur l'Ukraine, on voit à quel point Viktor Orbán se comporte en personnage politique pro-Poutine, en tout cas très étroitement lié à lui.
D'autre part, il s'agit ici, outre de la défense des droits des personnes LGBTQIA+, d'une attaque directe à la liberté d'expression, de réunion et de manifestation. On commence toujours par une catégorie de personnes, et on y englobe toutes les autres ensuite.
Il y a une dérive autoritaire majeure d'un dirigeant qui n'a rien à faire au sein de l'Union européenne. Et j'espère que les prochaines élections en Hongrie donneront raison à toutes celles et tous ceux qui démocratiquement luttent pour que le cœur de la démocratie hongroise continue à battre à vive et fière allure. Nous serons fiers d'être à côté des Hongrois et des Hongroises qui défileront à la Pride à Budapest. Nous serons à leurs côtés quoi qu'il nous en coûte.
François De Smet:
Merci monsieur le ministre pour votre réponse que j'ai trouvée très claire. C'est toujours la même question au fond: jusqu'où va aller la dérive illibérale de la Hongrie de Viktor Orbán? Avec cette interdiction de la marche des fiertés, je crois qu'on a atteint un cap symptomatique puisqu'il s'agit d'une remise en cause de l'acquis communautaire sur la non-discrimination, mais aussi tout simplement des libertés fondamentales telles que la liberté de réunion et de manifestation.
Bien qu'il se sente visiblement encouragé par la montée autour de nous de régimes illibéraux et populistes, je crois qu'on doit réagir de manière encore plus ferme, dans la foulée d'ailleurs de la résolution que nous avons adoptée dans ce Parlement. Merci de continuer vos actions à la fois devant la Cour de justice de l’Union européenne et en soutien à la société civile hongroise.
Michel De Maegd:
Merci monsieur le ministre pour vos réponses. Notre grave préoccupation s'exprime, vous l'avez dit fortement, de façon multilatérale ou bilatérale au travers de déclarations comme celles du corps diplomatique ou du Benelux, et il y en a d'autres. Nous ne pouvons plus simplement nous contenter de condamner, l'heure est venue d'agir concrètement, juridiquement, politiquement. Vous avez évoqué le principe européen de conditionnalité. Je pense qu'il faut aller plus loin au sein des cénacles européens car ce qu'il se passe en Hongrie n'est pas un débat culturel ou moral, c'est une offensive politique contre des citoyennes et des citoyens européens, contre leur droit d'exister, de se réunir, d'aimer ou de s'exprimer. Lorsque l'on interdit une Pride au nom de la protection des enfants, on criminalise des identités. Lorsque l'on inscrit dans la Constitution l’effacement de toute diversité de genre, on valide une forme de répression institutionnelle. Je pense à tous ces jeunes Hongrois, à ces familles, à ces militants qui vivent dans la peur ou dans le silence, simplement parce qu’ils sont qui ils sont. Il est de notre devoir de défendre ces valeurs européennes quand elles sont bafouées, devant les juridictions européennes, bien sûr, mais aussi par le soutien aux sociétés civiles et par notre présence symbolique là où la liberté est menacée.
De verspreiding van een videoboodschap door een jihadist vanuit de gevangenis
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Verlinden bevestigt dat een jihadistische video uit een Belgische gevangenis afkomstig is, maar benadrukt dat deze door een bezoeker (niet de gedetineerde) werd opgenomen tijdens een toegelaten videogesprek. Smartphones zijn verboden, maar controles en sancties (zoals beperkt bezoekrecht) worden verstrekt, terwijl de veiligheidsdiensten de extremistische inhoud onderzoeken in kader van de Strategie T.E.R. Van Rooy kaart het brede probleem van islamisering in gevangenissen aan, wijzend op de oververtegenwoordiging van moslims in criminaliteit en terrorisme en de link tussen criminaliteit (gerichte "kafir"-haat) en jihadfinanciering, met de eis om harder op te treden tegen dergelijke propaganda.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, in een video die online wordt verspreid, is te zien hoe een jihadist een islamitische boodschap verspreidt vanuit een gevangenis in België. Blijkbaar werd de video, die is gericht aan moslims, opgenomen en via sociale media verspreid tijdens de ramadan. Ik heb de link naar de video toegevoegd. De video is, zoals u kunt zien, ondertiteld en op de achtergrond klinkt islamitisch gezang.
Kunt u bevestigen dat die video inderdaad in een Belgische gevangenis werd opgenomen en zo ja, in welke gevangenis?
Hoe verklaart u dat gedetineerden in onze gevangenissen blijkbaar zonder problemen via smartphones video's kunnen opnemen en verspreiden via sociale media?
Loopt er een onderzoek naar dat specifieke incident? Welke sancties kunnen desgevallend worden opgelegd?
Wat wordt er ondernomen om dat soort van islamitische propaganda vanuit onze gevangenissen tegen te gaan?
Annelies Verlinden:
Collega Van Rooy, ik begrijp dat het gaat om een toegelaten videogesprek tussen een gedetineerde in een Belgische gevangenis en een bezoeker. Het zou de bezoeker zijn die het gesprek opnam.
Het bezit van smartphones in de gevangenis is voor gedetineerden niet toegelaten, maar vormt inderdaad een probleem. We willen daarvoor de nodige maatregelen nemen en er worden ook in alle gevangenissen regelmatig sweepings uitgevoerd en ook specifieke zoekingen gedaan. In dit geval gaat het, op basis van de informatie waarover ik beschik, evenwel niet om een opname via een smartphone van een gedetineerde zelf.
Er kan een tuchtsanctie worden opgelegd of een ordemaatregel worden genomen lastens de gedetineerde, waarbij de toegang tot het videobezoek wordt ingeperkt. De manier waarop gedetineerden communiceren met de buitenwereld is gebonden aan voorschriften. Boodschappen op deze manier verspreiden is niet toegestaan.
De inhoud van de boodschap werd voorgelegd aan de veiligheidspartners in het kader van de Strategie Extremisme en Terrorisme (Strategie T.E.R.). De bevoegde diensten zullen over het vervolg van deze zaken en dit incident beslissen.
Sam Van Rooy:
Dank u voor de opheldering, mevrouw de minister. Ja, ik trek het breder, dat weet u. De islamisering van gevangenissen is een fenomeen in heel West-Europa, in België en zeker ook in onze buurlanden Duitsland, Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk. Moslims zijn immers sterk oververtegenwoordigd in de criminaliteit en het terrorisme en dus in onze gevangenissen. Criminaliteit en jihadistisch terrorisme zijn ook vaak met elkaar verbonden. De criminaliteit, die uiteraard bewust gericht is tegen de niet-moslim, de kafir, dient dan om islamitische terreuraanslagen te financieren. Islamitische video’s opnemen en verspreiden vanuit de gevangenis is een onderdeel van die islamisering. Wees dus keihard, mevrouw de minister, en zorg ervoor dat dit onmogelijk wordt. Voorzitster: Kristien Van Vaerenbergh Présidente: Kristien Van Vaerenbergh
Het niet gevangenzetten van een veroordeelde jihadist
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 23 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een schuldig bevonden ambulancier uit Ieper, die jihadistische aanslagen op een Rammsteinconcert en ziekenhuis voorbereidde met extremistisch materiaal en IS-contacten, blijft vrij ondanks zijn dreiging van massale slachtoffers. Minister Verlinden benadrukt dat dergelijke personen *wel* worden opgevolgd via multidisciplinaire veiligheidsstructuren (TER, LIVC’s) met maatregelen op maat, maar gaat niet in op concrete gevallen. Van Rooy kaart aan dat zachte straffen voor terroristen—ondanks hun aantoonbare gevaar—een zwak signaal afgeven en de samenleving onveiliger maken, vooral met dagelijkse instroom van potentiële jihadisten. De kernkritiek: gebrek aan harde repressie tegen islamitisch terrorisme verergert de dreiging.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, een ambulancier uit Ieper die een jihadistische aanslag aan het voorbereiden was op een Rammsteinconcert met 50.000 toeschouwers in Oostende, moet niet naar de gevangenis. De man stond jarenlang in contact met jihadisten. Met behulp van Google Translate stuurde hij hen berichten in het Arabisch. Eerder had hij ook plannen gemaakt om een jihadaanslag te plegen op een ziekenhuis. Op zijn smartphone werden berichten gevonden als: “Ik wil vechten voor Islamitische Staat, mijn broer." en "Ik wil zoveel mogelijk slachtoffers maken." Hij verwees daarbij ook naar de grootste terreuraanslag in de Belgische geschiedenis, namelijk de jihadistische aanslag door moslimterroristen in Zaventem van 22 maart 2016.
Hij zei dat hij wilde vechten voor Islamitische Staat en zielen wilde opofferen in naam van Allah. Hij had ook meer dan 100.000 foto's over Islamitische Staat en ook de Taliban in zijn bezit, evenals een handleiding om zelf bommen te maken en om met gasflessen een vlammenwerper ineen te knutselen. Hij werd dan ook schuldig bevonden aan de voorbereiding van een terroristische aanslag en deelname aan activiteiten van Islamitische Staat. Toch loopt hij nu vrij rond.
Mevrouw de minister, hoe is het mogelijk dat zo'n gevaarlijke terrorist niet naar de gevangenis moet en alweer vrij in onze samenleving rondloopt? In hoeverre wordt zo iemand voldoende geschaduwd of opgevolgd door onze veiligheidsdiensten? Ik maak mij daar zeer grote zorgen over.
Annelies Verlinden:
Collega, ik kan uiteraard niet ingaan op individuele casussen en daaromtrent geen gegevens meedelen. Algemeen geldt dat personen die gekend zijn voor extremisme of terrorisme, worden opgevolgd binnen de multidisciplinaire structuren van de strategie TER. Binnen de lokale taskforce is er een veiligheidsgerichte opvolging door de veiligheids- en inlichtingendiensten. Indien nodig kan die worden aangevuld met een sociopreventieve opvolging op het niveau van de LIVC's. Binnen deze platformen worden concrete cases besproken, maar ook maatregelen bepaald op maat van de betrokken persoon om risico's te beperken.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, ik begrijp dat u niet op een specifieke casus kunt ingaan, maar het betreft hier natuurlijk vele casussen. Het islamitisch terrorisme is en blijft met stip de belangrijkste terreurdreiging, niet alleen in België trouwens. Zachte heelmeesters maken stinkende wonden. Wie onze samenleving veilig wil maken en burgers veiligheid wil garanderen, moet keihard zijn tegen degenen die onze samenleving willen omverwerpen. Zolang dat niet gebeurt en terroristen, of het nu moslims zijn of niet, fopstrafjes kunnen krijgen en doorgaans ook krijgen, geeft de overheid een zeer zwak signaal aan de islamitische jihad en zal onze samenleving niet veiliger worden, integendeel. Laten wij ook niet vergeten dat er nog steeds, elke dag opnieuw, moslimfundamentalisten en potentiële jihadisten dit land binnenkomen. En dat is werkelijk te gek voor woorden, onverantwoordelijk en ronduit levensgevaarlijk.
Het artikel in Le Figaro over de islamisering en het imago van ons land
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 10 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy waarschuwt voor toenemende islamisering in België, gesteund door een kritisch *Le Figaro*-artikel over "Belgistan", en hekelt de passiviteit van de regering, terwijl Bart De Wever benadrukt dat radicalisering (niet islam zelf) bestreden moet worden via bestaande, effectieve preventie- en samenwerkingsmechanismen (lokaal/OCAD). Van Rooy kaart symbolische toegeven aan (zoals hoofddoeken bij loketten) en gebrek aan daadkracht aan, waar De Wever Antwerpse successen als voorbeeld stelt. De polarisatie blijft: Vlaams Belang eist halt aan islamisering, De Wever focust op extremismebestrijding zonder generalisatie.
Sam Van Rooy:
In 2018 verscheen niet alleen mijn boek tegen de islamisering van onze samenleving, in het Franse magazine Le Figaro verscheen toen ook een vlammende oproep van honderd schrijvers, academici en intellectuelen tegen "het islamistische separatisme en het nieuwe islamistische totalitarisme". We zijn nu zeven jaar verder en, om het met de woorden van Charlie Hebdo te zeggen, rien n'a changé .
Dat geldt evenzeer voor België, helaas. Le Figaro pakt nu namelijk uit met deze cover: "Voyage en Belgiquistan, comment l'islam s'est imposé en Belgique." Oftewel, "Reis naar Belgistan, hoe België islamiseert." In een maar liefst negen pagina's tellend artikel wordt aangetoond dat België steeds islamitischer wordt. We lezen zeer zorgwekkende getuigenissen van ervaringsdeskundigen in dit land, zoals de Belgisch-Marokkaanse Fadila Maaroufi – respect voor die dappere dame – en twee getuigen die ik persoonlijk goed ken, voormalig straathoekwerker uit Boom, Peter Calluy, en ex-moslima Hanan, allebei mensen met het hart op de juiste plaats en meer moed in hun pink dan heel deze regering. Ik geef slechts één citaat uit het artikel, want mijn spreektijd is beperkt: "In het straatbeeld zijn er steeds meer gesluierde vrouwen en meisjes in België worden gesluierd op steeds jongere leeftijd."
MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez las het artikel ook en hij concludeerde dat we de islamistische invloed in ons land onderschatten, waarvoor hulde, mijnheer Bouchez. Mijnheer de premier, deelt u die conclusie? Zo ja, wat onderneemt u dan om de islamisering in dit land tegen te gaan?
Bart De Wever:
Collega, deze problematiek is me als ondertussen titelvoerend burgemeester van een grootstad, een wereldstad, niet onbekend. In heel veel Europese steden blijft het een uitdaging bij een klein deel van de bevolking islamistische radicalisering en de gevolgen daarvan te bestrijden. Zeker ook bij ons. Daar mogen we niet van wegkijken. Ik meen wel dat het belangrijk is het fundamentele onderscheid te maken tussen een vrije, normale godsdienstbeleving – dat is een grondrecht – en confessioneel geïnspireerd extremisme. Wie dat niet doet, meen ik, is contraproductief bezig.
Ik weet uit onze gedachtewisselingen in de gemeenteraad dat u pleit voor een algemeen verbod op de islam. Ik hoop dat in uw pink de moed zit dat straks in uw repliek te herhalen. Ik vind dat contraproductief. We moeten extremisme aanpakken in de samenleving. Daar hebben we een integrale en geïntegreerde samenwerking voor nodig, tussen alle diensten, op alle niveaus. Het mag toch gezegd worden dat we wat dat betreft in ons land een traject hebben afgelegd en dat er een volledig uitgewerkt multidisciplinair beleid op poten is gezet met oog voor preventie, vroege detectie, re-integratie en uitwisseling van informatie. Case by case wordt er afgestemd welke maatregelen op welk niveau moeten worden genomen. We doen dat via een waaier aan instrumenten als de lokale taskforce, de lokale integrale veiligheidscel, en de gemeenschappelijke gegevensbank bij het OCAD. Vanuit mijn Antwerpse ervaring kan ik u zeggen: dat werkt zeer goed.
Dat laat ons toe, wanneer we onze job lokaal goed doen – dat is een voorwaarde, misschien is dat niet in alle steden evenzeer het geval –, in een vroeg stadium radicalisering op te volgen en er maatregelen aan te koppelen. We hebben uiteraard heel wat ervaring met spijtige gevolgen van radicalisering, dramatische gevolgen, maar ik meen dat wie bij de pinken is daar de nodige lessen uit geleerd heeft en dat het instrumentarium klaar staat. We staan verder dan andere Europese landen in die aanpak. Onze regering zal die verder uitwerken en verder blijven ondersteunen.
Sam Van Rooy:
Premier De Wever, deze cover en dit artikel over Belgistan maken blijkbaar weinig indruk op u, want vorige week pakte u opnieuw uit met imam Khalid Benhaddou, een charlatan die u er blijkbaar van heeft overtuigd dat de islam geen enge godsdienst is. Dat zijn uw woorden, mijnheer De Wever. Dankzij u wordt straks ook de islamitische hoofddoekdracht achter de Antwerpse loketten opnieuw mogelijk. Proficiat daarvoor.
Het zal allicht uw tijd nog wel duren, mijnheer De Wever, maar als de islamisering niet wordt gestopt, dan zal heel België er op termijn gaan uitzien als Molenbeek of Antwerpen-Noord, u weet wel, de wijk die onder uw burgemeesterschap alleen maar meer Antwerpistan is geworden.
Het wordt helaas weer maar eens duidelijk dat wie de islamisering wil stoppen alleen bij het Vlaams Belang terechtkan.
Voorzitter:
Dank u, mijnheer Van Rooy. Ik hoop dat uw verwijzing naar Antwerpen-Noord niet mij persoonlijk betrof, want ik ben een van de inwoners.
Het pensioen van het academische en wetenschappelijke universiteitspersoneel
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 9 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Isabelle Hansez waarschuwt dat de pensioenhervorming de attractiviteit van academische loopbanen in België verder ondermijnt door late carrièrestart, cumulatie van nadelige maatregelen (plafonds, non-indexatie) en concurrentie met het privésector, wat een braindrain dreigt te versnellen. Minister Jambon erkent het probleem maar benadrukt dat pensioenhervorming gepaard moet gaan met een modern HR-beleid (loopbaanflexibiliteit, salarisstructuren), hoewel dit onder de bevoegdheid van de Gemeenschappen valt; hij belooft wel impactanalyses per cohorte en overleg met onderwijsactoren, maar stelt dat de effecten pas middellangetermijn zullen zijn. Hansez houdt vol dat onmiddellijke zekerheid nodig is om jong talent te behouden, gezien het cruciale belang van kennisproductie voor de economie. Jambon wijst op de generuze academische pensioenen als huidige troef, maar suggereert dat de hervorming een katalysator kan zijn voor betere salarissen—zonder concrete garanties.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, je reçois de nombreux messages de collègues, professeurs d'université, inquiets quant aux conséquences de la réforme des pensions sur le personnel académique et scientifique. Dans plusieurs domaines à haute valeur stratégique, comme la médecine, la pharmacie, les mathématiques ou encore l’ingénierie, les universités belges doivent composer avec une concurrence accrue du secteur privé, qui propose des conditions d'emploi et des ressources de recherche significativement plus avantageuses.
Cette réalité exerce une pression croissante sur notre capacité à recruter et à retenir les talents scientifiques. Or, la qualité de la formation de nos jeunes, futurs citoyens actifs et responsables, repose fondamentalement sur la solidité, la stabilité et la reconnaissance du corps académique. Ceci appelle dès lors une attention toute particulière dans le cadre de la réforme en cours. Toute réforme des pensions qui ne tiendrait pas compte des spécificités inhérentes aux carrières universitaires risquerait de compromettre davantage encore l'attractivité de nos institutions académiques ainsi que leur capacité à produire et à transmettre des savoirs de pointe indispensables au développement économique, social et technologique de notre société.
Il est essentiel de rappeler que l'objectif d'égalité et d'harmonisation des statuts ne doit en aucun cas conduire à leur uniformisation. Ceci m'amène à répéter les questions que j'avais posées lors de votre exposé. Comment envisagez-vous de considérer la spécificité du monde académique dans les réformes prévues? Comptez-vous notamment tenir compte de la tardiveté des carrières académiques si on veut que nos universités restent attractives? Comment motiver encore les jeunes chercheuses et chercheurs à s’engager dans une carrière scientifique en Belgique? Comment la future réforme prendra-t-elle davantage en compte la spécificité de l'hybridité sociale du monde académique: une carrière dans le régime de sécurité sociale des travailleurs salariés et une dans celle des indépendants? Comment envisagez-vous de facto la concertation sur ce sujet avec les acteurs des universités qui sont en l'occurrence demandeurs de celle-ci?
À cet effet, monsieur le ministre, je tiens à souligner que l'accord de gouvernement prévoit explicitement une prise en compte des effets cumulatifs des réformes en matière de pension. De surcroît, un éventuel plafonnement des pensions du personnel académique, combiné à d'autres mesures telles que la non-indexation du plafond Wijninckx engendrerait une différence de traitement significative par rapport à d'autres catégories de personnel. Une telle accumulation de dispositions favorables risque de fragiliser profondément l'attractivité du métier académique et de provoquer à terme un exode inévitable de talents vers des environnements professionnels plus stables et plus valorisants en Belgique comme à l'étranger?
Pourriez-vous dès lors nous indiquer, monsieur le ministre, si le Service fédéral des Pensions sera effectivement mandaté pour procéder à une évaluation concrète de l'impact qu'aurait sur le montant des pensions du personnel académique la mise en œuvre des mesures envisagées dans le cadre de la réforme et en prenant particulièrement en considération l'effet de cumul des différentes mesures qui doivent être prises. Par ailleurs, pourriez-vous nous donner un délai dans lequel ces données seraient disponibles et communiquées au Parlement.
Jan Jambon:
Merci pour votre question tout à fait pertinente, madame Hansez. Votre question nous rappelle une fois de plus qu'une réforme des pensions à un impact sur des domaines bien différents que les pensions elles-mêmes. Par exemple, un relèvement de l'âge de la retraite mène régulièrement à une discussion sur la charge de travail, ou même, sur les métiers lourds. La réponse qu'il convient de donner est que nous allons malgré tout réformer les pensions parce que c'est bien nécessaire, mais que cela nous oblige à repenser l'organisation du travail au sein de chaque entreprise ou organisation. En effet, si une réforme des pensions se veut effective, elle doit peut-être aller de pair avec une nouvelle politique du personnel qui mise sur la formation continue, le développement des compétences tout au long de la carrière, la mobilité professionnelle, qui prête attention à la charge de travail et aux possibilités de reconversion professionnelle et de travail adapté, etc. Une réforme des pensions doit donc aller de pair avec une politique du personnel adaptée. Autrement dit, une réforme des pensions donne beaucoup plus de poids à une nouvelle politique du personnel par rapport au poids qu'elle a eu dans le passé. Cela peut aussi créer des opportunités pour une politique du personnel ou une politique salariale. On aurait pu implémenter aussi cette politique avant les réformes de pension. Mais on ne l'a pas fait car l'urgence n'était peut-être pas là.
Vous allez peut-être dire que je tourne autour de votre question mais, en fait, votre question sur l'impact d'une réforme des pensions sur le secteur des universités est une question importante qui demande une perspective plus globale et qui nécessite une réponse équilibrée. Or, moi, en tant que ministre des Pensions, je suis uniquement compétent pour les pensions, pas pour la politique du personnel, ni la politique salariale de l'enseignement.
Je peux vous affirmer que mon cabinet a déjà eu des réunions avec le cabinet de l'enseignement, francophone et néerlandophone, pour mieux comprendre et identifier l'impact potentiel de l'accord de gouvernement fédéral sur le secteur de l'enseignement. On envisage des réunions régulières dans le futur à ce sujet. Je pense que cette consultation avec les acteurs de l'enseignement, y compris les universités, est vraiment importante. On veut écouter leurs soucis spécifiques et on a convenu de se réunir à nouveau dans les semaines qui suivent pour discuter, entre autre, des simulations et d'une analyse d'impact réalisée par le Service fédéral des Pensions en distinguant plusieurs profils types et plusieurs cohortes.
Quand j'ai vu, la semaine dernière, des représentants des syndicats du secteur public qui siègent au sein du Comité A, j'ai également suggéré de se baser sur des analyses d'impact effectuées par le Service fédéral des Pensions pour nous assurer que nous faisons la même analyse technique et numérique. On organisera une réunion technique informelle avec eux pour clarifier l'impact des réformes sur des profils types dans plusieurs secteurs, notamment l'enseignement.
Je veux insister sur le fait que l'impact de la réforme des pensions sur les universités se situe, selon nos estimations, plutôt sur le moyen ou le long terme. Une analyse de l'impact devrait révéler que celui-ci est très différent pour des gens proches de leur retraite que pour les jeunes qui entrent sur le marché de l'emploi. Dans cette perspective, il est très important de faire des simulations et des analyses d'impact par cohorte. Malheureusement, des chiffres erronés ont circulé dans les médias, ce qui crée évidemment des incertitudes.
En tant que ministre des Pensions, je ne suis pas compétent pour le secteur de l'enseignement universitaire mais j'ai compris que les salaires dans les universités belges ne sont pas compétitifs pour attirer des chercheurs prometteurs provenant de l'étranger. L'argument avancé pour attirer ces profils étrangers semble être l'argument de pensions généreuses alors que les salaires ne le sont pas. En effet, les pensions des professeurs d'université sont vraiment généreuses, y compris dans une perspective internationale.
On est devant une réforme des pensions qui pourrait – ou pourrait ne pas –, enclencher une dynamique concernant la politique du personnel et la politique salariale utilisée dans les universités belges. Une réforme des pensions pourrait être utilisée comme un catalyseur pour développer une structure de rémunération attractive pendant la carrière. Mais, à nouveau, cela relève de la compétence des Communautés, avec lesquelles on poursuit la concertation.
Isabelle Hansez:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse. J'entends bien votre volonté de vous concerter avec les entités fédérées. J'entends bien aussi que la politique des ressources humaines, des carrières et des académiques est importante. Et je retiens également que vous avez prévu de procéder à des simulations pour vous assurer que l'effet cumulé puisse être analysé et vérifié de manière à rassurer peut-être les académiques. Comme vous parlez d'effet à moyen ou long terme, cela laisserait aux plus jeunes la possibilité de faire des choix de carrière. Mais, de nouveau, j'insiste sur le fait qu'on a besoin de jeunes universitaires qui s'engagent dans une carrière académique, parce qu'on sait que la production de connaissances va stimuler notre système économique en Belgique.
Voorzitter:
Il a déjà été répondu aux questions n° 56003300C de Mme Ayse Yigit, n° 56003553C et n° 56003933C de Mme Sarah Schlitz ainsi qu'à la question n° 56003782C de Mme Farah Jacquet dans le cadre de l'exposé d'orientation politique. La question n° 56003484C de Mme Nahima Lanjri est transformée en question écrite.
Het kunstenaarsstatuut
Gesteld door
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sarah Schlitz waarschuwt dat de geplande beperking van werkloosheidsuitkeringen tot 2 jaar het specifieke statuut voor kunstwerkers (met flexibele voorwaarden en langere uitkeringsduur) dreigt te ondermijnen, hoewel dit statuut juist bedoeld is om intermitterend werk en creatieperiodes te accommoderen. Minister Clarinval bevestigt de sterke stijging van kosten (van €109M naar €137M in 2024) en noemt het huidige systeem oneerlijk ten opzichte van andere werklozen, maar ontwijkt concrete garanties over behoud of aanpassing van het statuut. Schlitz benadrukt dat de "explosie" gewoon het beoogde effect van de hervorming is (meerekenen van technici, vrouwen, precairen) en dat 65 werkdagen/jaar in de kunsten intensief zijn door repetities en onbetaalde creatie—geen profiteren. Ze vreest een nivelleringsbeleid en pensioenrisico’s, plus een politieke aanval op kritische kunstenaars, terwijl Clarinval vaag blijft over toekomstige "rechtvaardige" hervormingen.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, vous le savez, les métiers des arts et de la culture sont marqués par l’intermittence des revenus, la discontinuité des parcours et la pluriactivité. Le régime de protection sociale spécifique, dit "statut du travailleur des arts", est donc une réponse solidaire, adaptée et conquise de haute lutte – lutte à laquelle vous avez d’ailleurs contribué activement lors de la réforme de 2022.
Pourtant, aujourd’hui, ce régime est menacé: la limitation généralisée des allocations de chômage à deux ans, telle qu’envisagée dans les projets actuels, aurait des effets dévastateurs sur les personnes sous statut, en leur imposant une logique administrative rigide, fondée sur des critères de disponibilité ou d’activation, profondément incompatibles avec les réalités du secteur culturel.
Je m’étonne d’autant plus que cette remise en cause repose sur un exposé budgétaire biaisé, qui qualifie "d’explosion" une augmentation pourtant attendue et budgétée dès l’origine de la réforme et donc aussi par le MR. Il n’y a pas eu de dérapage; il y a eu une mise en œuvre assumée d’une réforme ambitieuse. Ce que vous appelez "explosion des chiffres", c’est tout simplement l’ouverture du droit à davantage de personnes tels que les: techniciens/ techniciennes, soutiens, jeunes, femmes, précaires. Ce qui est visé, c’est un écosystème entier, et c’est précisément ce qui était voulu par la réforme du statut.
Dès lors, je vous pose cette question simple mais essentielle: pouvez-vous garantir que les personnes sous statut de travailleur des arts ne seront pas impactées par la limitation des allocations de chômage à deux ans? Vous avez évoqué l'idée de créer un statut de travailleur des arts en dehors de la sécurité sociale, quelle forme cela prendrait-il? Quel budget financerait alors ce statut? Confirmez-vous que votre intention à terme est que l'argent public ne finance plus la culture et les arts?
David Clarinval:
Madame la députée, comme vous l'indiquez, depuis octobre 2022, un système modifié pour les travailleurs des arts a effectivement été mis en place. Ce système est devenu dans une seconde phase pleinement opérationnel à partir du 1 er janvier 2024, avec la création de la Commission du travail des arts qui a remplacé l'ancienne Commission des artistes.
En résumé, en matière d'admission et d'indemnisation, ce système implique pour l'essentiel les éléments suivants. Pour être admis au bénéfice des allocations du travail des arts, le travailleur des arts doit disposer d'une attestation délivrée par la Commission du travail des arts et satisfaire à une condition d'admissibilité plus souple de seulement 156 jours de travail durant une période de référence prolongeable de 24 mois, calculés en divisant par 1,26 du salaire mensuel de référence les rémunérations brutes perçues pour les jours de travail salarié effectifs situés dans la période de référence de 24 mois, quels que soient la nature de l'activité, artistique ou non, le secteur, la durée du contrat de travail ou encore les modes de rémunération.
Le bénéfice des règles spécifiques est accordé pour une période de maximum 36 mois, laquelle peut être prolongée indéfiniment par la suite, pour autant que le travailleur des arts soit toujours en possession d'une attestation du travail des arts valable et qu'il prouve au moins 78 jours de travail sur cette période, calculés de la même manière dans une période de 3 ans précédant immédiatement la fin de la période d'admission.
Le montant journalier de l'allocation du travail des arts correspond à 60 % du salaire brut moyen, plafonné à 3 199 euros sur une base mensuelle, perçu pendant la période de référence. Ledit montant reste inchangé sans application d'une quelconque dégressivité pendant la période de chômage complet en tant que travailleur des arts et ne peut être revu, à l'expiration de chaque période de 36 mois, qu'à la hausse.
Les chiffres communiqués par l'ONEM démontrent que la souplesse des conditions d'admissibilité au régime, le grand nombre d'attestations délivrées par la Commission du travail des arts et les avantages qu'implique le régime conduisent à une augmentation exponentielle du nombre de travailleurs des arts au sein de la population des chômeurs complets, passant de 5 038 en 2022, à 7 252 en 2023 et à 8 560 en 2024. Cela se reflète dans les dépenses budgétaires puisqu'en 2024, un montant de 137 millions d'euros d'allocations du travail des arts a été versé par rapport au montant de 109 millions en 2023. Cette augmentation exponentielle, selon l'ONEM, dépasse largement le coût supplémentaire budgétisé pour le nouveau régime. En 2024, une moyenne de 11 millions d'euros par mois a été versée aux travailleurs des arts contre une moyenne de seulement 5 millions d'euros par mois avant l'entrée en vigueur du nouveau régime en 2022. Ce coût supplémentaire de plus de 60 millions d'euros sur une base annuelle est nettement supérieur au budget prévu à cet effet, lequel a été fixé définitivement à seulement 11,4 millions d'euros pour 2024. Près de la moitié du nombre de chômeurs complets bénéficiant actuellement d'allocations du travail des arts – 3 989 pour 2024 – sont au chômage complet depuis cinq ans ou plus. La durée moyenne d'occupation n'est que d'environ 65 jours par an pour le travailleur des arts.
L'administration m'indique que, dans le cadre des réformes proposées, le maintien du régime très divergent des allocations du travail des arts pourrait conduire à une inégalité de traitement disproportionnée et injustifiable entre les travailleurs des arts et les chômeurs complets qui ne sont pas admis à ce régime, à la fois sur le plan de l'admissibilité aux droits, aux allocations, de la limitation ou non du droit aux allocations dans le temps et du montant des allocations.
J'ai toujours souhaité défendre des réformes qui sont justes et équilibrées. C'est la raison pour laquelle nous travaillons actuellement à une réforme ambitieuse des allocations du chômage. Le gouvernement adoptera une position sur ce dossier dans les jours ou les semaines à venir.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, vous m'avez fourni beaucoup d'informations que je n'avais pas demandées. Nous aurions donc pu gagner du temps étant donné que vous m'avez fait le récapitulatif de tout le dossier.
Cependant, j'ai obtenu peu de réponses concrètes par rapport au sort qui sera réservé aux travailleurs des arts. Vous ne confirmez pas, mais vous n'affirmez pas non plus qu'il y aura effectivement une limitation du chômage dans le temps, bien que j'aie entendu le mot "justes". Souvent, lorsque le terme "justice" est évoqué, cela aboutit à un nivellement par le bas, visant à harmoniser toutes les situations sur le statut le moins favorable.
Ce que vous qualifiez d'augmentation exponentielle est, en réalité, simplement la conséquence de la mise en place de ce statut, comme vous l'avez vous-même mentionné.
Il a été mis en place à partir du 1 er janvier 2024. Ce sont donc ici simplement les effets qui sont produits 'une réforme qui permet justement d'assurer des moyens de vie dignes à des personnes qui travaillent dans le secteur des arts. Ce sont des étiers dotés de spécificités, telles l'intermittence des revenus et de longues périodes de création qui ne permettent pas de cocher une case sur un papier cinq jours sur sept.
Ce sont les réalités du secteur auxquelles – nous avons travaillé à ce dossier ensemble – nous avons voulu répondre. Donc dire aujourd'hui que cela coûte trop cher est une fausse réponse. Il faut plutôt alors chercher le moyen d'assurer les budgets pour ces personnes.
Vous dites que certaines personnes ne travaillent que 65 jours par an, mais donner une représentation de théâtre 65 fois par an, c'est énorme! Rendez-vous compte, imaginez-vous devoir monter sur les planches 65 fois par an. Tout cela sans compter, évidemment, le fait que derrière, il y a de la formation, de la création, de la rédaction et des répétitions, plus parfois des représentations qui sont gratuites.
En conclusion, je pense qu'il est vraiment important de bien se rappeler de quelles spécificités on parle, plutôt que de traiter les gens comme des profiteurs. J'entends les réalités que l'ONEM vous relate, où il est dit que des personnes sont au chômage depuis cinq ans, or, ce sont des personnes qui bénéficient en effet de ce régime particulier qui est relatif à leurs conditions de travail et de vie qui sont particulières.
Tout ceci nous fait très peur. J'entends que des réformes sont en cours, avec des discussions qui doivent encore avoir lieu. Je m'interroge beaucoup aussi sur les droits d'accès à la pension pour toutes ces personnes.
Enfin, j'espère que cette réforme ne contient pas un plan caché pour museler ceux qui contestent, qui dénoncent et qui proposent un autre projet de société que le vôtre, que vous voudriez faire taire.
Voorzitter:
La question n° 56004167C de M. Vincent Van Quickenborne est transformée en question écrite. La réunion publique de commission est levée à 13 h 13. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 13.13 uur.
De subsidies voor de organisatie van de Brussels Pride
De organisatie van de Pride in Brussel
Financiering en organisatie van de Brussels Pride
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Caroline Désir vraagt of minister Rob Beenders de Brussels Pride 2025 (op 17 mei, symbolisch gekoppeld aan de Werelddag tegen LHBTI+-fobie) zal subsidiëren, zoals onder Vivaldi gebeurde (2x €10.000). Beenders bevestigt een subsidieaanvraag (ingediend op 17 januari) en benadrukt het belang van Pride als sociaal signaal, zeker nu LHBTI+-rechten onder druk staan; hij steunt voortzetting van de steun en onderzoekt momenteel de aanvraag, met gesprekken gepland met alle Belgische Pride-organisatoren. Désir onthaalt dit positief, wijzend op Prides als essentieel protestmoment in een klimaat van terugdraaiende rechten. De focus ligt op structurele overheidssteun voor zichtbaarheid en activisme.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, en 2025, la Brussels Pride aura lieu le 17 mai, une date hautement symbolique car elle coïncide avec la Journée mondiale contre l'homophobie, la biphobie et la transphobie.
Il s'agira de la première édition organisée depuis l'inscription de la Brussels Pride au patrimoine immatériel de la Région de Bruxelles-Capitale.
Sous le gouvernement Vivaldi, alors qu'il était premier ministre, Alexander De Croo avait octroyé une subvention de 10 000 euros pour soutenir la coordination de l'événement par VisitBrussels. Marie-Colline Leroy, alors secrétaire d'État à l'Égalité des chances, avait quant à elle octroyé une autre subvention de 10 000 euros à cet événement.
Monsieur le ministre, une demande de subvention vous a-t-elle été adressée dans ce cadre? Comptez-vous également y répondre favorablement?
Rob Beenders:
Merci pour la question. Nous sommes avons été contacté par VisitBrussels, l'organisateur de cette Pride, et une demande de financement pour la Brussels Pride cette année a bien été déposée auprès de ma prédécesseure, Marie-Colline Leroy, le 17 janvier dernier, et a récemment également été transmise à mon cabinet. L'année dernière, lors du financement de la Brussels Pride 2024, nous étions dans le contexte exceptionnel de la présidence belge du Conseil de l'Union européenne.
Vous l'avez aussi mentionné dans votre question, dans ce cadre, la Belgique a organisé et financé plusieurs événements visant à soutenir nos dossiers internationaux, ainsi qu'à représenter et promouvoir notre pays au sein de l'Union européenne. Dans ce contexte spécifique, il avait alors été décidé d'apporter un soutien financier à la Pride, afin de renforcer les objectifs de la présidence et d'assurer la cohérence entre les événements, y compris la conférence LGBTQI+.
Ik ben er persoonlijk van overtuigd dat evenementen zoals de Pride een grote sociale impact hebben. Zeker nu lgbti+ alsmaar meer onder druk staat, zijn dergelijke evenementen belangrijk en kunnen ze pas een positieve boodschap verspreiden, als we die voldoende luid laten klinken. Ik ben voorstander om de steun aan de Brussels Pride voort te zetten. Momenteel wordt de subsidieaanvraag onderzocht door de administratie. De komende weken zal ik een gesprek aangaan met de organisatoren niet alleen van de Brussels Pride, maar ook van alle andere Prides in ons land om na te gaan in hoeverre wij met hen kunnen samenwerken.
Caroline Désir:
Monsieur le ministre, je suis contente d’entendre que vous êtes plutôt partisan de poursuivre le soutien à la Brussels Pride. Je ne peux évidemment que vous encourager à répondre positivement à leur demande de soutien. Je pense qu’au-delà du symbole et du rassemblement, cela reste un moment de revendication important pour la communauté LGBTQIA+, certainement, comme vous le soulignez à juste titre, à un moment où leurs droits sont de plus en plus menacés, que ce soit sur le plan européen ou sur le plan mondial. Je vous remercie.
Het CCIE en het CIIB (Collectief voor Inclusie en tegen Islamofobie in België)
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy bekritiseert Eurocommissaris Hadja Lahbib en het Collectief tegen Islamofobie in Europa (CCIE)—gelinkt aan de omstreden Moslimbroederschap—om hun rol in radicalisering (o.a. banden met het verboden Franse CCIF) en vraagt om transparantie over subsidies. Minister Beenders bevestigt dat CCIE geen subsidies krijgt, maar CIEB (voorheen CCIB) wel (€95.890 in 2024), met strikte evaluatie op democratische conformiteit, en benadrukt dat islamofobie feiten zijn (90% discriminatiedossiers bij Unia betrof islam). Van Rooy werpt tegen dat de regering islamistische invloed (Moslimbroederschap) negeert en stelt dat "anti-islamofobie"-organisaties islamisering nastreven in plaats van discriminatie te bestrijden, waardoor ze geen subsidie verdienen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, in een potsierlijke en orwelliaanse video voor het zogenaamde Collectief tegen Islamofobie in Europa beweert Belgisch Eurocommissaris Hadja Lahbib dat er zoiets zou bestaan als antimoslimracisme. Dat is natuurlijk heel gek, want moslims zijn geen ras, er bestaan moslims in alle huidskleuren of zogenaamde rassen en men kan zich gemakkelijk tot de islam bekeren. De islam verlaten is natuurlijk iets heel anders, daarop staat in de islam in principe de doodstraf, dit natuurlijk geheel terzijde.
Lahbib laat zich voor de kar spannen van het Collectief tegen Islamofobie in Europa, dat gevestigd is in België, hier in Brussel. Dat CCIE is de opvolger van het Collectief tegen Islamofobie in Frankrijk, oftewel CCIF, dat gelieerd was aan de Moslimbroederschap en dat in Frankrijk werd verboden omdat het de jihadistische onthoofding van leraar Samuel Paty in de hand had gewerkt. De Franse minister van Binnenlandse Zaken noemde dit islamofobiecollectief een vijand van de Republiek. Dat zijn toch niet de minste woorden.
Krijgt het Collectief tegen Islamofobie in Europa subsidies? Zo ja, welke? Is er een connectie met het CIIB, het Collectief voor Inclusie en tegen Islamofobie in België? Voorheen was dat het CCIB, Collectif contre l'Islamofobie en Belgique. Krijgt het Collectif contre l'Islamofobie en Belgique subsidies? Zo ja, welke? Last but not least, wat vindt u er eigenlijk van dat dergelijke organisaties, zogenaamd tegen islamofobie, kunnen opereren op ons grondgebied?
Rob Beenders:
Mijnheer Van Rooy, islamofobie is helaas geen verzinsel. Uit de meest recente cijfers van Unia blijkt dat van de 202 geopende dossiers over het criterium geloofs- of levensovertuiging bijna 90 % van de dossiers betrekking had op de islam. Ook het Europees Agentschap voor Fundamentele Rechten geeft bijzonder alarmerende cijfers aan in hun studie van oktober 2024, waarin bij een bevraging van moslims 50 % aangaf zich reeds gediscrimineerd te hebben gevoeld in de periode van vijf jaar voor de bevraging. Dat zijn dus geen opinies, maar feiten. In zo'n context is het niet alleen logisch maar ook noodzakelijk dat er organisaties bestaan die opkomen tegen deze vorm van discriminatie. Dat is geen bedreiging voor de samenleving, maar wel een teken dat onze democratie werkt.
Wat betreft die financiering, ontvangt het Collectief tegen Islamofobie in Europa, het CCIE, waarover u sprak, geen subsidie van mijn administratie. Er zijn mij ook geen objectieve elementen bekend die wijzen op een verband tussen het CCIE en het Collectief voor Inclusie en Tegen Islamofobie in België, het CIEB of voorheen het CCIB. Het CIEB werd tijdens de vorige legislatuur erkend als structurele partner en ontving op die basis in 2024 een subsidie van 95.890 euro.
Zoals voorzien wordt deze structurele financiering net als voor elke andere erkende organisatie jaarlijks geëvalueerd. Ik zal bij die evaluatie strikte maar ook transparante criteria hanteren. Indien uit die evaluatie blijkt dat er gegronde redenen zijn om de financiering van een bepaalde organisatie - dus dat kan ook een andere geaccrediteerde organisatie zijn - stop te zetten, dan zal ik dat doen en trek ik daar ook de nodige conclusies uit. We zijn dat trouwens momenteel aan het doen. Het is voor mij van essentieel belang dat wanneer we overheidsmiddelen geven aan organisaties, deze organisaties in lijn met de principes van onze democratische rechtsstaat werken.
De financiering moet objectief maar ook heel transparant gebeuren.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, in de Belgische politiek heerst het surrealisme. Op het moment dat Georges-Louis Bouchez stelde dat we "de islamistische invloed in ons land onderschatten", spreekt zijn eigen Europees Commissaris, Hadja Lahbib, net haar steun uit voor die islamistische invloed. Dit terzijde. U bent minister van Gelijke Kansen, maar u bent helaas blind voor de groeiende invloed van de Moslimbroederschap in dit land, die alles wat te maken heeft met gelijke kansen juist wil vernietigen. De term Moslimbroederschap staat noch in het regeerakkoord, noch in uw beleidsverklaring, mijnheer de minister. U, en bij uitbreiding deze hele regering, zou moeten inzien dat discriminatie of islamofobie in de islamitische visie gewoon betekent dat de islamitische regels en wetten nog niet domineren. Islamitische organisaties die dus beweren dat ze islamofobie willen bestrijden, willen in feite onze samenleving islamiseren en horen dus niet thuis op ons grondgebied, laat staan dat ze subsidies zouden mogen krijgen van de regering.
Het jongerenonderzoek over tolerantie
De groeiende intolerantie bij jongeren ten aanzien van lgbtqi+-personen
Jongeren en tolerantie ten opzichte van diversiteit
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een recente studie toont een alarmerende stijging van homofobie bij Vlaamse jongeren (1 op 5 vindt agressie tegen holebi’s aanvaardbaar), vooral bij jongens en arbeidsmarktgerichte leerlingen, met religie als invloedrijke factor. Minister Beenders erkent de urgentie, belooft een interfederaal actieplan en wetenschappelijk onderzoek, maar benadrukt dat samenwerking met gewesten, onderwijs en sociale media (waar intolerantie wordt verspreid) cruciaal is om tolerantie te herstellen. De Knop dringt aan op strijdbaarder optreden tegen desinformatie en polariserende politieke discours, met focus op weerbaarheid van jongeren via objectieve informatie en referentiekaders. Kernpunt: België moet zijn voortrekkersrol in LHBTQI+-rechten herbevestigen door concrete acties tegen groeiende intolerantie, met aandacht voor kwetsbare groepen en digitale radicalisering.
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, uit zeer recente cijfers van het Jeugdonderzoeksplatform blijkt dat meer jongeren geweld tegen homo's en lesbiennes aanvaardbaar vinden en ze willen dat het burgerlijk huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht wordt afgeschaft. Op een schaal van 0 tot 10 scoorden Vlaamse jongeren in 2023 3,2 voor homofobie. Vijf jaar eerder, in 2018, was dat cijfer nog fundamenteel lager. Het gaat om een bevraging bij meer dan 1.500 leerlingen uit het vijfde en zesde middelbaar. Dat lijkt ons dan ook vrij representatief te zijn.
De terugval is in alle groepen merkbaar. Zowel jongens als meisjes, gelovigen als niet-gelovigen en leerlingen in doorstroom- of arbeidsmarktgerichte richtingen werden in vijf jaar tijd gemiddeld meer homofoob. Dat vertaalt zich onder meer in één jongere op vijf die het volmondig eens is dat agressie tegen homo's aanvaardbaar is. Twee groepen springen eruit: jongens en leerlingen uit de arbeidsmarktgerichte finaliteit. Zij kenden de grootste stijging. Deze studie, waaruit duidelijk blijkt dat homofobie toeneemt, is een belangrijk teken aan de wand als u het ons vraagt.
In internationale context is het ook zeer duidelijk dat de rechten van mensen onder druk staan onder het mom van de vrije meningsuiting. Dat mag zeker geen vrijgeleide zijn om mensen te discrimineren of om vrijheden van mensen te beknotten. Wij liberalen vinden het echt cruciaal dat mensen altijd zichzelf kunnen zijn en dat ze zich veilig voelen om zich vrij te bewegen in het uitgaansleven en in het openbaar domein. Wij vinden het ook cruciaal dat mensen blijven opstaan om te zeggen dat het niet oké is mensen te bashen omdat ze anders zijn. Daarom stel ik u vandaag deze vraag. We zijn het in die zin absoluut niet eens met wat wereldleiders als Trump vandaag proclameren.
Democratie is ook afhankelijk van feitelijke informatie. Sociale media worden echter steeds meer gecontroleerd door autoritaire machten en creëren een soort alternatieve waarheid. Wij weten allemaal dat de geesten van jonge mensen kneedbaar zijn en dat het daarom cruciaal is om te blijven ingaan tegen fake news . Mijnheer de minister, daarom heb ik de hiernavolgende vragen voor u.
Hoe zult u vanuit uw bevoegdheid voor Gelijke Kansen ingrijpen tegen de groeiende intolerantie? Hoe zult u jongeren bereiken om ervoor te zorgen dat zij ook objectieve informatie aangereikt krijgen? Hoe zult u hen kunnen meegeven wat onze democratisch verworven vrijheden betekenen en inhouden?
Welke conclusies trekt u zelf uit de studie? Hoe zult u daarmee verder aan de slag gaan?
U kondigde in uw beleidsverklaring ook aan dat u een actieplan zult brengen voor een "lgbtqi+ Friendly België". U wilt dat plan evalueren en werken aan een nieuw federaal actieplan. Kunt u uw inzichten daarover geven?
Ten slotte, welke initiatieven zult u nemen om ook de problematische groepen te kunnen bereiken die een meer uitgesproken homofoob gedrag vertonen?
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden.
Rob Beenders:
Mevrouw De Knop, ik dank u voor uw vraag en ook voor uw bezorgdheid over de stijgende intolerantie tegenover lgbtqi+-personen bij jongeren. Ik deel uiteraard uw bezorgdheid. De cijfers die wij uit de studie te zien krijgen, bestuderen we momenteel heel intensief. Ik doe dat niet alleen maar samen met de gewesten. Er is immers ook een sterke link met het onderwijs.
Internationaal behoren wij op dit moment nog tot de koplopers op het vlak van lgbtqi+-rechten. We voelen echter aan alle kanten dat die rechten zwaar onder druk staan. De maatschappelijke aanvaarding daalt immers. Daarvoor moeten wij waakzaam zijn. Wat wij nu doen, is begrijpen in welke mate wij kunnen benoemen waar de daling merkbaar is. De studie helpt ons daarbij. Het is opvallend dat in tal van geledingen de tolerantie daalt, bij de ene groep al wat meer dan bij de andere.
Het is duidelijk dat ook religie een rol speelt wat betreft de tolerantie ten aanzien van holebi's. Het is pijnlijk vast te stellen dat een op vijf jongeren geen holebileerkracht voor de klas wil. Dat zijn cijfers die men niet zomaar naast zich kan neerleggen omdat dit een maatschappelijke impact zal hebben als we daar niets aan doen. We hadden al aangekondigd dat we met een interfederaal actieplan zouden komen. Dat zullen we zeker doen, maar daarnaast zullen we ook kijken hoe we op basis van deze elementen nog meer wetenschappelijk onderbouwd onderzoek kunnen doen om die maatschappelijke evolutie in kaart te brengen.
Ik zal overleg plegen met alle organisaties die betrokken zijn bij deze materie en die ondersteuning krijgen van de federale overheid over hoe we kunnen heroriënteren, rekening houdend met dit onderzoek. De volgende weken zullen er nog acties komen als antwoord op de groeiende intolerantie ten aanzien van de holebigemeenschap. We moeten dit samen doen met de gewesten en met alle entiteiten die kunnen helpen om beter en anders te communiceren. Alles wat nodig is om die tolerantie opnieuw omhoog te krijgen, zullen we bespreken. Als we niets concreets doen en de zaken niet benoemen die we moeten benoemen, vrees ik dat die intolerantie de komende jaren alleen maar zal toenemen.
Die studie helpt ons, geeft ons de juiste inzichten en zal wat acties doen veranderen. De komende weken zal ik daarop zeker terugkomen. Wees gerust dat de conclusies van die studie zijn binnengekomen, niet alleen bij mij, maar ook bij de hele regering. België, dat altijd een voortrekkersrol speelde op het vlak van holebirechten, moet actie ondernemen, want iedereen kent wel iemand die holebi is. Gisteren zei iemand mij dat holebi's geen mensen zijn die in de dierentuin zitten en waarnaar men gaat kijken als men zin heeft. Ik vond dat een heel harde vergelijking, maar het kwam er eigenlijk wel op neer. We praten hier over mensen die iedereen wel kent en die een op vijf die geen holebileerkracht voor de klas wil, zal ook wel iemand kennen die holebi is.
Wanneer men die personen daarover aanspreekt, reageren ze anders. Ik voerde gisteren een gesprek met jongeren over dat onderwerp en ik voelde de spanning bij jongeren die verklaarden geen holibi als leerkracht te willen. Toen ik zei dat ik zelf ook holebi ben, repliceerde de jongere: "Ja, maar aan u ziet men het niet." Dan is het blijkbaar oké. We hebben een goed gesprek gehad, dat we ook goed hebben afgesloten. De jongeren zagen het niet aan mij en blijkbaar was dat een argument dat in de aanvaarding belangrijk was. Het gesprek was wel nodig en dat toont gewoon aan dat we daarmee op een andere manier moeten omgaan. Die les is getrokken en we gaan daarmee aan de slag.
De komende weken zijn er nog verschillende acties, maar het is een opdracht van ons allen. De golf van intolerantie woedt ook extreem op sociale media. Zo verneem ik dat een aantal influencers die intolerantie bevorderen en ook programma's op VRT MAX hebben. Ik stel me daar vragen bij. Op dat vlak moeten we nog stappen zetten. We moeten ook die golf van communicatie herbekijken en hier en daar herpositioneren.
Irina De Knop:
Mijnheer de minister, dank u wel voor uw antwoord. Het is een heel belangrijk antwoord, maar ondanks uw goede intenties, waaraan ik absoluut niet twijfel, hoor ik in uw antwoord ook wat onmacht. U verklaart immers dat, enerzijds, deze materie ook een bevoegdheid van de gewesten is en dus ook op dat niveau moet worden aangekaart, en dat, anderzijds, de sociale media een rol spelen. Ik zou u vooral willen uitnodigen om strijdbaar te blijven, u niet te laten overmeesteren door onmacht en u niet te laten afleiden door bepaalde politieke meningen. Ik ben absoluut samen met u ervan overtuigd dat de sociale media een enorm grote rol spelen. Ik heb zelf tieners van wie ik hoor wat er zoal leeft. Uiteraard was er ook de recente verkiezingscampagne, waarbij bepaalde intolerante meningen door welbepaalde partijen werden gepromoot op de sociale media. Dat zal de zaak zeker niet verbeteren. Zoals ik daarnet verklaarde, is dat een reden te meer om in ieder geval met de organisaties waarmee u werkt, te bekijken hoe u objectieve informatie en andere referentiekaders kunt blijven aanbieden om op die manier toch tegenwicht te bieden tegen de vaak foute informatie, informatie waarbij mensen worden opgezweept. Er is echt wel sprake van opzwepende taal. Als wij jongeren voldoende weerbaar maken en voldoende alert maken voor dergelijke praktijken, zullen zij er klaarder naar kijken. De overheid speelt daar een cruciale rol in. Ik reken op u.
Het seksueel geweld in het studentenmilieu en meer bepaald de casus bij de KU Leuven
Gesteld door
Gesteld aan
Rob Beenders (Minister van Consumentenbescherming, Sociale Fraudebestrijding, Personen met een handicap en Gelijke Kansen)
op 8 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Na een verkrachting op de KU Leuven-kampus benadrukt Sarah Schlitz de nood aan verplichte EVRA-sensibilisatie (consentement, respect) van kleuter tot universiteit, inclusief selectiecriteria voor toekomstige gynécologen, en pleit voor verplichte vormingen (zoals in Québec) om studies veilig te maken. Minister Beenders verwijst naar bestaande campagnes, tools en samenwerkingen (o.a. met Plan International) voor veilig uitgaan en slachtofferopvang, met een geplande campagne over consentement en alcohol eind 2024. Schlitz dringt aan op concrete actie: verplichte ongescoorde cursussen, brieven aan rectoraten voor strengere opname-eisen in medische opleidingen, en structurele middelen om seksueel geweld op campussen uit te bannen. Kernpunt: systeemwijziging in onderwijs en selectie om cultuur van straffeloosheid te doorbreken.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, une jeune femme a été victime d'un viol sur le campus de l'université de Leuven. Cet événement terrible met une nouvelle fois en exergue la question des violences sexuelles qui se produisent dans les milieux festifs estudiantins sur nos campus belges. Ce phénomène n'est pas nouveau; il a été très fortement mis à l'agenda grâce à des collectifs militants, bénévoles, comme Balance ton bar, Balance ton folklore, qui ont interpellé les politiques pendant des années pour obtenir des avancées.
Alors, évidemment, il y a eu des avancées ces dernières années: la création de centres de prise en charge des violences sexuelles, plusieurs campagnes menées au niveau des Régions, des Communautés mais aussi au niveau fédéral pour renforcer la sensibilisation et mieux faire connaître la question du consentement. Mais, visiblement, ce n'est pas encore suffisant.
Monsieur le ministre, avez-vous pris contact avec le rectorat de Leuven pour aborder la question de la prévention et de la sensibilisation des étudiants? En ce qui me concerne, je suis convaincue que l'EVRAS, les politiques qui permettent d'avoir une éducation à la vie sexuelle, relationnelle et affective, doivent être données de la maternelle jusqu'à l'université et dans les hautes écoles.
Quand on débarque à 17 ans dans un campus et qu'on découvre la liberté, c'est un moment crucial, notamment dans sa vie intime. C'est donc le bon moment pour donner ce type de sensibilisation. Et pourtant, beaucoup d'universités continuent à être frileuses par rapport au fait d'imposer ce type de programme dans le cadre des études.
Monsieur le ministre, comptez-vous aborder ce sujet avec les autorités de la KU Leuven? Prévoyez-vous aussi de débloquer des moyens pour soutenir des campagnes sur les campus belges? D'autres actions sont-elles prévues? Par ailleurs, ce qui est très interpellant dans le cas qui nous occupe, c'est le fait que l'auteur n'est autre qu'un futur gynécologue. Cela me paraît particulièrement interpellant d'imaginer qu'une personne a réussi à franchir les sélections pour devenir gynécologue, alors que les candidats et les candidates ne manquent pas, et que cette personne n'ait pas conscience des limites relatives au consentement
C'est une énorme lacune dans la procédure de sélection des candidats gynécologues. D'autres spécialités sont aussi concernées, mais avouons que cette situation est extrêmement choquante. Les universités pourraient, dès lors, intégrer cette dimension spécifique dans leur processus de sélection.
Rob Beenders:
Madame Schlitz, l'Institut pour l' égalité des femmes et des hommes a déjà pris diverses initiatives par le passé pour rendre la vie nocturne, les festivals et l'enseignement supérieur plus sûrs. Par exemple, de la fin octobre 2022 à la fin octobre 2023, une collaboration s'est établie avec Plan international et le Plan SACHA. Toutes sortes d'outils ont été développés pour rendre les sorties plus sécurisées et prendre en charge les victimes. Nous avons également travaillé sur la sensibilisation et la prévention en étant présents lors des festivals et en dehors. Des rencontres ont été organisées avec des associations étudiantes et des organisateurs ou organisatrices d'événements. Un guide pratique a également été élaboré.
L'Institut mène également des campagnes de sensibilisation. Entre 2023 et 2025, il a ainsi lancé deux grandes campagnes sur les CPVS, en mettant l'accent sur les mineurs. Il étudie, par ailleurs, la possibilité d'en lancer une sur le consentement et l'alcool pour la fin de l'année.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je vous remercie. En effet, sous la précédente législature, nous avons lancé plusieurs initiatives avec des moyens à la clef pour mieux faire connaître le consentement et sensibiliser en milieu festif. Maintenant, comme je vous l'ai déjà dit, ne faites pas le coucou, mais essayez de développer vos propres actions et d'aller chercher des moyens pour empêcher que ce type de phénomène se reproduise. Le milieu festif est festif pour toutes et tous. Ce n'est pas festif pour les uns et dangereux pour les autres. Cela, c'est inacceptable. Ce message doit mieux passer. Il existe notamment des exemples concrets au Québec où, pour pouvoir valider sa première année, il est obligatoire d'avoir suivi une formation relative au consentement et au principe de respect de l'autre. Eh bien, je continue de penser que toutes les universités et hautes écoles devraient imposer ce test. Il ne serait pas coté, mais obligatoire pour pouvoir valider ses crédits en fin d'année. D'autres pays le font, et je ne vois pas pourquoi nous ne pourrions pas mettre en place un tel dispositif. Subir une agression sexuelle, subir un viol pendant ses études, c'est compromettre sa réussite et donc son avenir. Je ne vais pas vous apprendre que ce sont majoritairement des femmes qui sont les victimes de ces agressions. Il est donc indispensable, aussi pour une question d'égalité, de garantir que les études soient safe pour toutes et tous. Par ailleurs, je ne vous ai pas entendu sur la sélection des futurs gynécologues. J’imagine que c’est un sujet qui doit être discuté avec le ministre de la Santé et avec les ministres des entités fédérées. J’entends que vos collègues, au niveau de la Défense et de la Santé, ont envoyé un courrier aux rectorats pour faire savoir qu’ils souhaitaient que la médecine de guerre soit une obligation à partir d’aujourd'hui dans le cursus des urgentistes. Je vous suggère d’envoyer un courrier à tous les recteurs et rectrices de ce pays pour leur demander de renforcer la dimension du consentement et la prévention des violences sexuelles dans les parcours des médecins, et en particulier des gynécologues. Je vous remercie.
De digitale pamfletten waarin wordt opgeroepen tot het plegen van terreuraanslagen
Online oproepen om islamitische terreuraanslagen te plegen in Antwerpen en Brussel
Digitale oproepen tot islamitische terreuraanslagen in Belgische steden
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 2 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy kaart aan dat jihadistische pamfletten oproepen tot aanslagen in Antwerpen en Brussel en vraagt om extra veiligheidsmaatregelen, wijzend op België’s aantrekkingskracht als doelwit door zijn centrale ligging, instellingen en radicale moslimgemeenschappen. Minister Quintin benadrukt dat het dreigingsniveau (3/4) ernstig is, maar waarschuwt tegen overreactie op propaganda, terwijl inlichtingendiensten elke dreiging analyseren en gerichte maatregelen nemen via het Crisiscentrum. Van Rooy linkt de hoge dreiging aan decennia "politiek correct" migratie- en islambeleid, stelt dat 27.000 Antwerpenaren potentieel radicaal zijn, en eist remigratie van terrorisme-vergoelijkers om de dreiging te beteugelen. Quintin bevestigt de ernstige aanpak maar ontwijkt de structurele kritiek op immigratiebeleid.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, jihadistische pamfletten roepen online op tot het plegen van islamitische terreuraanslagen in Antwerpen en Brussel. Het OCAD minimaliseerde de terreurdreiging. Ik citeer: "Meestal wordt aan een dergelijke oproep tot het plegen van jihadterreur geen gehoor gegeven." 'Meestal', dat woord vind ik zeer frappant, want zoals wij ondertussen toch zouden moeten weten, is één Allahoe akbar-schreeuwer die wel gehoor geeft aan een dergelijke jihadistische oproep genoeg om heel veel ellende aan te richten en dodelijke slachtoffers te maken.
Mijn vraag is dus evident, mijnheer de minister. Wat is de stand van zaken? Welke extra veiligheidsmaatregelen werden of worden desgevallend genomen?
Ik heb deze vraag ook gesteld aan de burgemeester van Antwerpen, maar ik kreeg helaas geen antwoord. Ik hoop dat van u wel te krijgen, want in het toch wel beperkte rijtje van steden dat werd genoemd in dat jihadistische pamflet om islamitische aanslagen te plegen, staan dus niet minder dan twee steden van dit land, namelijk Brussel en Antwerpen.
Mijnheer de minister, hoe verklaart u dat België blijkbaar zo'n gegeerd doelwit is voor islamitische terreur, voor jihadaanslagen? Heeft dat vooral te maken met de centrale ligging van België in Europa? Heeft het te maken met de internationale politieke instellingen die zich hier bevinden? Wordt het getriggerd door een bepaalde politiek die België voert? Of zou het ook te maken kunnen hebben met het feit dat jihadisten en moslimterroristen wereldwijd weten dat er in dit land veel orthodoxe moslims wonen, die potentieel gehoor zouden kunnen geven aan zo'n jihadistische oproep om een terreuraanslag te plegen?
Ik ben heel benieuwd naar uw antwoord, mijnheer de minister.
Bernard Quintin:
Dank u voor uw vraag, mijnheer Van Rooy. De inlichtingendiensten en het OCAD waren op de hoogte van de propaganda van deze pamfletten. Het OCAD minimaliseert dergelijke dreigingsberichten niet.
Elke melding wordt op basis van de beschikbare informatie geanalyseerd. Als er geen concrete dreigingsinfo is, dan moeten we het hoofd koel houden en niet in het spel van terroristische propaganda meegaan, dat net als doel heeft om het onveiligheidsgevoel te verhogen.
Het dreigingsniveau bedraagt drie op een schaal van vier. Dat betekent dat de dreiging ernstig is. De maatregelen worden door het Nationaal Crisiscentrum en de politie bepaald, afhankelijk van de plaats, de persoon en de aard van het evenement. Dat is een ernstig werk.
De inhoud van de propaganda is soms een recyclage van oude boodschappen, soms nieuw, en speelt vaak in op de internationale actualiteit. Niet zelden gaat het om boodschappen die door zogenaamde fanboys worden gemaakt en verspreid, boodschappen die dan hun weg naar allerhande officieuze IS-kanalen vinden.
Vanwege hun verspreiding op het internet en het gebruik van versleutelde applicaties, is het niet altijd gemakkelijk om te bepalen van wie of uit welk land een dreiging afkomstig is. De gebruikte verspreidingskanalen zijn onder andere Telegram, X, TikTok en Discord.
Ik kan niet zeggen dat de situatie van België en het feit dat wij bepaalde internationale instellingen op ons grondgebied hebben geen rol spelen, maar ik kan u verzekeren dat de diensten, het OCAD en andere, dit ernstig nemen.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U zegt het zelf, het terreurdreigingsniveau in dit land is onverminderd hoog, namelijk drie op een schaal van vier. Dat betekent dat de terreurdreiging ernstig is. Na 60 jaar politiek correct beleid van ongecontroleerde massa-immigratie en islamgepamper, is een ernstige terreurdreiging in dit land helaas het nieuwe normaal geworden. Volgens onderzoek heeft een op de vijf moslims in Vlaanderen begrip voor de dodelijke jihadterreur van Islamitische Staat. Alleen al in Antwerpen, de stad waar ik woon, gaat het over zo'n 27.000 potentieel gevaarlijke moslims. Als dit soort vergoeilijkers van dodelijke islamterreur niet het land worden uitgezet – remigratie –, zal de terreurdreiging in dit land alleen maar toenemen. Het wordt hoog tijd dat u en deze regering dat onder ogen zien.
Het naleven van de taalwetgeving door de NMBS
Gesteld door
Gesteld aan
Jean-Luc Crucke (Minister van Mobiliteit, Klimaat en Ecologische Transitie)
op 2 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Een Vlaamse reiziger kreeg van de NMBS een gedeeltelijk Franstalig antwoord op zijn Nederlandstalige compensatieaanvraag na treinannuleringen, wat schending van de taalwetgeving suggereert. Minister Crucke bevestigde dat het om een incident ging, dat de NMBS de regels kent en excuses aanbood, maar onderzoekt wat er misliep. Cuylaerts benadrukte dat dit onacceptabel en onprofessioneel is, omdat taalwetten respect voor reizigers en wettelijke plichten waarborgen. De NMBS belooft toekomstige naleving en herhaling te voorkomen.
Dorien Cuylaerts:
Mijnheer de minister, vertragingen en lastminuteafschaffingen van treinen komen regelmatig voor. In sommige gevallen worden zelfs meerdere treinen naar dezelfde bestemming uiteindelijk geschrapt.
Onlangs ontving ik een klacht van een Vlaamse reiziger die door dergelijke annuleringen een compensatieaanvraag indiende bij de NMBS. Tot zijn verbazing, maar ook tot mijn verbazing, ontving hij een gedeeltelijk antwoord in het Frans, ondanks het feit dat hij Nederlandstalig is en hij zich in het Nederlands tot de NMBS had gewend.
Concreet luidde het bericht als volgt: "Door het verstoord treinverkeer kon u op 12 maart 2025 uw geplande treinreis van Bruxelles-Centrale naar Duffel niet afleggen. Onze oprechte excuses voor de hinder die u hierdoor ondervond.
We kunnen helaas niet ingaan op uw verzoek om compensatie, want un autre train en correspondance aurait pu vous mener à destination avec moins de 60 minutes de retard . U kunt de details van uw aanvraag bekijken op My NMBS." Bij deze ook mijn excuses voor mijn slechte Frans.
Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat dit een eenmalig incident is of is dit een systematische schending van de taalwetgeving binnen de NMBS? Acht u het aanvaardbaar dat een federale instelling Nederlandstalige reizigers op deze manier te woord staat? Welke maatregelen zult u nemen om ervoor te zorgen dat dergelijke communicatie in de toekomst correct in het Nederlands verloopt?
Jean-Luc Crucke:
Collega, uw Frans is helemaal niet slecht, vind ik.
Het geval dat u aanhaalt staat inderdaad op zichzelf. Zoals elke publieke overheid is de NMBS onderworpen aan de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken. De NMBS heeft uiteraard geen plannen om klanten niet in hun eigen taal te woord te staan of een antwoord te geven dat een mengeling is van het Frans en het Nederlands.
De NMBS kijkt na wat er in dit geval is misgelopen. De NMBS heeft ondertussen excuses aangeboden voor het ongemak dat dit met zich meebracht. Daaruit blijkt duidelijk dat het niet haar bedoeling was om de relevante wetgeving te overtreden.
Dorien Cuylaerts:
Ik ben blij dat het om een alleenstaand feit gaat. Ik wil immers toch zeker benadrukken dat de bovenstaande communicatie volgens onze fractie absoluut niet kan. De taalwetgeving is er immers niet voor niets gekomen en garandeert de burgers in dit land dat ze in hun eigen taal worden geholpen. Dat is zeker belangrijk als het gaat om een overheidsbedrijf zoals de NMBS. Het gaat hier niet om een detail, maar wel om het respecteren van de wetgeving en het respect voor de reizigers. Het antwoord zoals wij het ontvangen hebben is niet alleen onprofessioneel, maar ook onaanvaardbaar. Ik ben dus blij dat er ondertussen reeds excuses werden geformuleerd naar deze reiziger en dat dit in de toekomst niet meer zal voorvallen.
De subsidies voor de organisatie van de Brussels Pride
Gesteld door
Gesteld aan
Bart De Wever (Eerste minister)
op 1 april 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Caroline Désir vraagt of premier De Wever de Brussels Pride 2025 (op 17 mei, gekoppeld aan de internationale dag tegen LHBTI+-fobie) zal subsidiëren, zoals onder De Croo (2x €10.000). De Wever bevestigt het belang van LHBTI+-rechten en vrijheid van seksuele oriëntatie—met name in Brussel waar geweld tegen de gemeenschap blijft—but geeft (nog) geen concrete toezegging over financiële steun, al toont hij zich "zeer open". Désir benadrukt dat België voorop moet blijven lopen in de bescherming van deze rechten, zeker nu ze wereldwijd onder druk staan.
Caroline Désir:
Monsieur le premier ministre, la Brussels Pride aura lieu le 17 mai prochain, une date hautement symbolique puisqu'elle coïncide avec la Journée internationale contre l'homophobie, la biphobie et la transphobie. Il s'agira de la première édition organisée depuis l'inscription de la Brussels Pride au Patrimoine immatériel de la Région de Bruxelles-Capitale.
Sous le gouvernement Vivaldi, alors qu'il était premier ministre, Alexander De Croo avait octroyé une subvention de 10 000 euros pour soutenir la coordination de l'événement par Visit.Brussels. Marie-Colline Leroy, alors secrétaire d' É tat à l' É galité des chances, avait quant à elle octroyé une autre subvention du même montant pour soutenir l'évènement.
Monsieur le premier ministre, une demande de subvention vous a-t-elle été adressée cette année dans ce cadre? Si oui, comptez-vous également y répondre favorablement?
Bart De Wever:
Madame Désir, je vous remercie de votre question.
Ce n'est jamais un mauvais signal pour notre société de réaffirmer que la liberté d'orientation sexuelle est un droit fondamental dans ce pays, particulièrement dans notre capitale où, trop souvent, des actes de violence sont commis contre des personnes en raison de leur orientation sexuelle. Il reste à voir si et comment nous allons poursuivre ce soutien spécifique, mais le message selon lequel l'orientation sexuelle est libre dans ce pays continuera d'être diffusé à 100 % par ce gouvernement. Donc, concrètement, je ne peux pas encore répondre "oui" à votre question, mais je suis très ouvert.
Caroline Désir:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour cette réponse. Tout d'abord, je me réjouis évidemment d'entendre votre soutien à la défense des droits des personnes LGBTQIA+. À l'heure où ces droits sont mis en danger dans pas mal de pays du monde, mais aussi en Europe, et puis parfois en Belgique, comme vous l'avez rappelé, il importe vraiment que notre pays continue de se situer à la pointe du combat pour la défense de ces droits et contre l'homophobie ainsi que contre les violences et discriminations que continue de subir la communauté LGBTQIA+. Vous ne m'avez pas répondu quant à la demande de subvention, mais avez évoqué d'autres formes de soutien. En tout cas, j'espère sincèrement que vous pourrez soutenir cet événement qui est essentiel pour la communauté LGBTQIA+ sur le plan symbolique.
De mogelijke hervorming van het kunstenaarsstatuut
De mogelijke uitholling van het kunstenaarsstatuut
De mogelijke uitholling van het kunstenaarsstatuut
De impact van de hervorming van de werkloosheid op het kunstenaarsstatuut
De uitholling van het kunstenaarsstatuut als gevolg van de hervorming van de werkloosheid
Het kunstenaarsstatuut
De impact van de hervorming van de werkloosheid op het kunstenaarsstatuut
Impact van hervormingen op kunstenaarsstatuut.
Gesteld aan
David Clarinval (Minister van Werk, Economie en Landbouw)
op 27 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de dreigende afbouw van het kunstenaarsstatuut binnen de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen, ondanks de belofte in het regeerakkoord om de uitzonderingsregeling voor kunstenaars te behouden. Minister Clarinval (MR) bevestigt dat het statuut *niet wordt afgeschaft*, maar stelt wel dat de tijdsbeperking op werkloosheidsuitkeringen (max. 2 jaar) ook voor kunstenaars zou gelden – wat hun precaire positie verergert. Hij suggereert een toekomstig losstaand statuut (geïnspireerd op het Franse model), maar concreet biedt hij geen garanties, wat grote onrust zaait in de sector. Oppositie (o.a. Groen, PS, PVDA) en delen van de meerderheid (Les Engagés, Vooruit) wijzen op het belang van kunst als democratische pijler en het risico op massale precarisering van 8.000 kunstenaars, terwijl MR/N-VA het statuut als "misbruik" framet en pleit voor marktgerichte autonomie. De kernspanning: budgettaire strenge vs. culturele waarde – met als inzet of kunstenaars als *werkers met een uniek statuut* of als *potentiële "langdurig werklozen"* worden behandeld.
Petra De Sutter:
Mijnheer de minister, ik wil eerst Churchill citeren, die heeft gesteld dat kunst essentieel is voor een bloeiende samenleving en dat de staat de plicht heeft om kunst te ondersteunen en te bevorderen.
De kunstensector is van groot belang voor ons land. Tienduizenden mensen werken in die sector, waar creativiteit centraal staat. Omdat kunstenaars echter afhankelijk zijn van producties en opdrachten, hebben ze vaak geen stabiel inkomen. Gelukkig is er het kunstenaarsstatuut, dat hun toegang geeft tot een werkloosheidsregeling die rekening houdt met de specifieke aard van hun werk.
In de vorige legislatuur hebben we dat statuut trouwens samen hervormd en hebben we het kunstwerkattest ingevoerd. Dat was een belangrijke verbetering. Kunstenaars die de kunstwerkcommissie kunnen overtuigen van hun artistieke meerwaarde, krijgen dat attest. Zo krijgen ze toegang tot sociale voordelen die hen helpen om hun werk voort te zetten. Die hervorming kwam er in overleg met de sector, werd positief onthaald en vormt de basis van de manier waarop het vandaag verloopt.
In het regeerakkoord van uw regering staat duidelijk vermeld dat de hervorming van het kunstenaarsstatuut door de vorige regering behouden blijft. Toch hoorden we mevrouw Degryse onlangs in het Waals Parlement verklaren dat de regering plannen zou hebben om het statuut opnieuw te hervormen. Uzelf hebt aangegeven dat er geen uitzonderingen zouden zijn op de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd voor min 55-jarigen. In het Vlaams Parlement hebben we daarentegen mevrouw Gennez het systeem horen verdedigen. Deze ochtend zaaide de heer Ronse in De Standaard opnieuw twijfel over het onderwerp. U begrijpt dat de situatie voor heel wat ongerustheid zorgt in de sector.
Mijnheer de minister, kunt u bevestigen dat, zoals in het regeerakkoord staat, de uitzonderingsregeling voor kunstenaars in de werkloosheid behouden blijft en dat het statuut dat we hebben hervormd, niet opnieuw ter discussie staat? Ik dank u.
De voorzitter : Mevrouw De Sutter, op mijn beurt dank ik u om alweer keurig binnen de tijd te blijven.
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le vice-premier ministre, depuis la réélection de Donald Trump aux États-Unis, pas un jour ne passe sans une attaque envers la culture et tout ce qui s'apparente à un contre-pouvoir: les journalistes, les magistrats, les chercheurs et, bien entendu, les artistes. Et, comme trop souvent, certains jugent bon d'importer ces délires ici, maintenant, en Belgique. Nous avons eu droit à la mise en opposition stérile des ingénieurs et des poètes, à la prétendue inutilité du soutien public à la culture et à l'audiovisuel et, aujourd'hui, on apprend qu'en catimini, via votre réforme du chômage, vous vous apprêtez à saborder le statut des travailleuses et des travailleurs des arts.
Ce statut, mieux connu sous le nom de "statut d'artiste", nous l'avons pourtant réformé sous la précédente législature, sur mon initiative et celle du ministre Vandenbroucke. Vous y avez contribué, monsieur le ministre, s'agissant des indépendants. Nous l'avons réformé afin d'assurer une meilleure protection sociale pour celles et ceux qui font vivre la culture dans et de notre pays.
Aujourd'hui, après s'en être pris aux femmes, aux pensionnés, aux enseignants, aux pompiers, aux malades, votre gouvernement s'attaque violemment à un secteur culturel qui, à contre-courant des clichés, est économiquement porteur, humainement émancipateur et, surtout, participe d'un contre-pouvoir indispensable et essentiel en démocratie.
J'ai deux questions simples, monsieur le ministre, à vous poser, et vous me répondrez, je l'espère, par oui ou par non. Confirmez-vous les éléments révélés dans la presse et leurs conséquences pour les artistes? Figurent-ils oui ou non dans votre projet? Ces éléments ont-ils été soumis à vos partenaires de gouvernement, puisque l'accord de gouvernement nous a été présenté comme étant ficelé jusqu'au dernier carat? Monsieur le ministre, oui ou non, deux fois, s'il vous plaît!
Sofie Merckx:
Monsieur le ministre, chers collègues, on savait déjà que l'Arizona visait énormément de gens. Et, depuis deux jours, on sait aussi que les artistes et le statut d'artiste sont dans son viseur. Contrairement à certains qui sont peut-être étonnés, moi, je le ne suis pas. En effet, déjà au moment du covid, on a vu la manière dont les artistes ont été traités, la manière dont ils ont dû se battre pour avoir la réouverture et le mépris à leur égard. En outre, depuis quelques mois, votre président de parti nous dit qu'il sait faire des films avec une GoPro. Pas besoin d'être artiste pour cela puisque lui-même pourrait le faire. À quoi bon d'avoir un ministère de la Culture! On n'a pas besoin d'un ministère de la Culture ni de la culture subventionnée. Non seulement quelle méconnaissance du métier mais aussi quel mépris pour la culture!
La culture, c'est quoi? La culture, ce n'est pas seulement des hommes et des femmes qui nous font rêver. Ce sont aussi des personnes qui nous font réfléchir, qui nous mettent en mouvement et nous émancipent. Et je pense que c'est cela aussi qui dérange aujourd'hui peut-être dans le secteur de la culture.
Notre pays compte plus de 8 000 personnes bénéficiant du statut d'artiste. Qui sont-elles? Ce sont des techniciens, des maquilleuses, des créateurs, des ingénieurs du son qui font un travail souvent invisible et qui, par nature, est intermittent. Et donc, oui, les jours où ceux-ci n'ont pas de prestations à faire, ils bénéficient des allocations de chômage.
Monsieur le ministre, que va devenir le statut d'artiste dans le cadre de la réforme des allocations de chômage? Ces 8 000 personnes vivent déjà parfois dans des situations très précaires. Comptez-vous les faire tomber davantage dans la précarité?
Aurore Tourneur:
Monsieur le ministre, l'accord de gouvernement prévoit une réforme ambitieuse du marché du travail avec pour objectif d'atteindre un taux d'emploi de 80 % et d'accroître la prospérité de notre pays. Plusieurs éléments de cette réforme appellent toutefois des précisions et des apaisements afin de rappeler à tout le monde les principes directeurs qui doivent guider notre action: la solidarité, la responsabilité et le respect de l'accord de gouvernement.
Concernant le statut d'artiste, la réforme des allocations de chômage actuellement en préparation doit impérativement tenir compte des spécificités de certains statuts. L'accord de gouvernement mentionne explicitement que les exceptions concernant le statut d'artiste seront conservées. Il est donc crucial de rappeler que ces mots ne sont pas le fruit du hasard, qu'ils constituent un point fondamental pour Les Engagés. Remettre en cause ce statut, reviendrait à fragiliser davantage la production artistique et la vitalité de notre secteur culturel.
Enfin, nous avons pris connaissance par voie de presse d'une piste consistant à exclure les périodes de congés de maternité et de paternité ainsi que les incapacités de travail des périodes assimilées pour l'ouverture du droit aux allocations de chômage. Si nous comprenons la nécessité de réformer le lien entre périodes effectivement travaillées, cotisations versées et constitution de droits sociaux, cette proposition, si elle était avérée, nous semble excessive.
Nous n'avons aucun doute quant à votre capacité à porter cette réforme qui est d'une importance majeur pour l'avenir de notre pays. Dans ce contexte, monsieur le ministre, pouvez-vous nous en préciser les contours? Êtes-vous sensible aux inquiétudes légitimes qui s'expriment en particulier dans le secteur culturel? Quelles mesures envisagez-vous pour y répondre de la manière la plus adéquate? Merci déjà pour vos réponses.
François De Smet:
Monsieur le ministre, le débat auquel nous assistons est tout de même un peu surréaliste puisque l'accord de gouvernement est très clair: la réforme mise en œuvre par le précédent gouvernement concernant les exceptions pour les artistes est conservée.
Donc, soit le MR a l'intention de ne pas respecter la parole qu'il a donnée, soit nous assistons à une séquence de communication orchestrée par le MR et Les Engagés, visant à se répartir les rôles de pompiers et de pyromanes – une stratégie bien connue. Et tout cela au détriment des artistes, que vous plongez depuis plusieurs jours dans une véritable angoisse.
Nous avons, tout d'abord, le MR et sa guerre culturelle. Tiens, si on supprimait le ministère de la Culture? Tiens, si on supprimait tout ou partie de la dotation de la RTBF? Et aujourd'hui, je suppose, tiens, si on limitait à deux ans dans le temps le chômage pour les artistes? Il s'agit d'une panoplie de propositions qui ne se concrétisent généralement pas, mais permettent d'occuper l'espace médiatique. En effet, tant que les commentateurs, la presse et l'opposition les commentent, nous ne nous intéressons pas à ce qui est fait réellement, c'est-à-dire parfois pas grand-chose.
Viennent ensuite Les Engagés, qui ont sans doute compris qu'ils se retrouvent coincés dans un gouvernement qui est le plus à droite et le plus conservateur que nous ayons connu depuis longtemps. Cependant, ils doivent absolument nous prouver qu'ils sont toujours gentils et qu'ils ne se sont pas fait avoir. La balle est donc un petit peu dans leur camp.
Enfin, il y a vous, monsieur le ministre, qui devez quand même respecter cet accord de gouvernement. Cela serait risible si cela ne se faisait pas sur le dos des artistes, que vous plongez véritablement dans l'angoisse.
À mon avis, les artistes méritent mieux que d’être relégués au rang d’alibi ou d’otages dans une lutte de positionnement entre les pompiers et les pyromanes. Ils méritent également mieux que de n’être considérés qu’au travers d’une mesure dérogatoire dans un régime de chômage. Saisissons donc cette occasion pour agir.
Monsieur le ministre, pouvez-vous simplement confirmer les termes de l'accord de gouvernement?
Ne serait-ce pas l'occasion, au-delà des divergences idéologiques, de créer enfin un véritable statut d'artiste, d'intermittent, à l'image de ce qui existe en France? Ce statut ne devrait pas être lié au régime de chômage et devrait refléter pleinement la valeur ajoutée des artistes dans notre société.
Rajae Maouane:
Monsieur le ministre, vous savez que j'aime bien cela: j'ai une petite devinette pour vous. Qui a dit le 7 février, ici même: "Nous n'avons pas décidé de modifier la législation en lien avec le statut d'artiste que j'avais portée avec les collègues Dermagne et Vandenbroucke sous la précédente législature. Donc on ne touche pas au statut d'artiste"? Je vous le donne en mille: c'est un certain David Clarinval.
Depuis que la presse a révélé que votre réforme du chômage pourrait signifier la fin pure et simple du statut d'artiste, un vent de panique souffle sur le secteur culturel. On parle ici de milliers de personnes qui risquent de perdre leur protection sociale adaptée à leur réalité professionnelle. Car oui, la culture, ce n'est pas un job comme les autres, ce n'est pas de 9 h à 17 h, ce n'est pas cinq jours par semaine. Une musicienne ne sort pas un album tous les jours. Un auteur ne publie pas un livre tous les trimestres. Il en va de même pour les plasticiens et les plasticiennes, les techniciens son et lumière, les porteurs et les porteuses de câbles. Et je ne parle même pas ici des artistes ou des travailleurs et travailleuses en situation de handicap. C'est justement pour reconnaître cette particularité et protéger celles et ceux qui font vivre notre culture que le statut d'artiste existe. Il existe pour permettre à celles et ceux qui font vivre notre culture d'avoir un minimum de sécurité. Et vous, aujourd'hui, vous envisagez de tout faire péter.
Mes questions sont claires, monsieur le ministre. La dégressivité des allocations s'appliquera-t-elle aux artistes, oui ou non? Seront-elles limitées à deux ans? Leur statut spécifique survivra-t-il à votre réforme? Confirmez-vous que vous faites le choix de fragiliser encore un peu plus celles et ceux qui créent, et qui font vibrer notre société? Parce que, si votre projet passe, c'est très simple: des milliers d'artistes risquent de basculer dans la précarité. Moins de création, moins de diversité culturelle, c'est une Belgique qui s'appauvrit culturellement et socialement, même si on sait que c'est peut-être cela qui va plaire à la personne qui va intervenir juste après moi. Je crois que certains au MR ont confondu "guerre culturelle" avec "faire la guerre aux artistes".
Mes questions sont simples, monsieur le ministre, j'attends donc des réponses claires. Je ne veux pas de flibuste, pas d'enrobage technocratique et pas d'enfumage.
Georges-Louis Bouchez:
Monsieur le ministre, il vous revient de mener une réforme historique dans notre pays, celle de limiter à deux ans les allocations de chômage en vue de contribuer, avec les 200 autres mesures de cet accord de gouvernement, à atteindre un taux d'emploi de 80 %.
Parmi les différents publics concernés, il y a bien évidemment un public spécifique qui est celui des artistes. Je voudrais quand même rappeler à cette Assemblée que c'est le Mouvement Réformateur, en 2020, qui a lancé la réforme du statut des artistes, et que c'est vous, monsieur le ministre, qui avez la copaternité de cette réforme.
C'est la raison pour laquelle je ne suis pas inquiet par rapport à votre volonté. Mais je sais aussi qu'aujourd'hui, on ne peut pas faire comme si de rien n'était. Ce n'est pas aimer la culture que de considérer qu'il n'y a pas de réflexion à mener, qu'il n'y a pas un travail et des réformes à effectuer pour faire en sorte que les artistes, qui ne veulent pas vivre d'argent public mais qui veulent vivre grâce à leur public, puissent devenir plus autonomes, puissent avoir un accès plus facile, par exemple, au statut d'indépendant.
C'est la raison pour laquelle, monsieur le ministre, la question de déconnecter le statut d'artiste de celui du chômage doit nous préoccuper. Car les artistes ne sont pas des chômeurs de longue durée. Ce sont des travailleurs à statut spécifique. J’espère que via cette réforme, monsieur le ministre, vous pourrez donner aux artistes la reconnaissance et l'autonomie qu'ils méritent.
Parmi les différents débats de la semaine, il y a eu la question des artistes, mais une autre question semble peu intéresser mes collègues: c'est la situation des femmes enceintes, des malades. Là aussi, de vilaines fuites, durant la semaine, ont essayé de faire croire qu'on allait s'en prendre aux plus faibles.
Je pense, monsieur le ministre, que cette tribune vous donne une parfaite occasion de clarifier notre ambition, qui est de renforcer l'activité sans porter atteinte aux plus faibles d'entre nous. Je vous remercie.
David Clarinval:
Mesdames et messieurs les députés, je vous remercie pour vos différentes questions. Je regrette en effet les fuites qui ont été faites dans la presse et qui sèment la confusion dans un dossier très important, à un moment où nos citoyens ont besoin d'être bien informés et rassurés.
Je déplore tout autant que certaines informations contenues dans l'article de presse n'aient pas été recoupées par ses auteurs.
Uw talrijke vragen laten me echter toe te antwoorden op de aangehaalde bezorgdheden. Als federaal minister van Werk, werk ik momenteel een grondige hervorming van het werkloosheidsstelsel uit. Dat past in het kader dat werd vastgelegd door het regeerakkoord. De teksten worden momenteel besproken.
De hervorming heeft een duidelijk doel, namelijk meer mensen opnieuw aan de slag krijgen en strijden tegen misbruik. In een veeleisende budgettaire context is het gewoonweg ondenkbaar om inactiviteit te financieren. Wie de weg naar werk opgaat, moet gesteund, gewaardeerd en beter beloond worden. We willen garanderen dat het verschil tussen werken en niet werken aanzienlijk blijft. Dat principe staat centraal in ons beleid.
Dat impliceert ook een herziening van de duur van het recht op werkloosheidsuitkeringen in een kader dat eerlijk en meer stimulerend is. Wees echter gerust, wij zullen niemand aan zijn lot overlaten. Wij nemen niets weg van wie behoeftig is. Onze hervorming biedt de middelen om uit de werkloosheid te geraken en zich te emanciperen. Ze stigmatiseert niemand, maar responsabiliseert iedereen.
En réponse aux différentes questions qui ont été posées, s'agissant d'abord du congé de maternité, monsieur Bouchez, je vous confirme que notre volonté est claire: ces périodes seront bel et bien assimilées à des périodes de travail, comme cela a été clairement exposé aux membres du groupe de travail inter-cabinets qui s'est penché cette semaine sur cette réforme. Il en va de même pour les congés d'adoption et les congés de paternité, qui sont également concernés. Donc, les informations contenues dans l'articles étaient fausses.
Madame Tourneur, en ce qui concerne les périodes de maladie, la réforme prévoit en effet qu'elles ne seront pas assimilées à des jours de travail. Toutefois, cela ne signifie pas qu'elles ne comptent pas, puisqu'elles prolongeront celle qui est prise en compte pour l'admissibilité. Nous intégrons bien la période de maladie dans le calcul du chômage. Cela fait écho à la demande contenue dans l'accord de gouvernement de renforcer les liens entre les périodes effectivement travaillées et le chômage. Dans le cas contraire, quelqu'un qui n'a pas travaillé pendant deux ans, qui travaille deux semaines, puis retourne en maladie, pourrait ouvrir des droits au chômage. Cela ne traduirait évidemment pas du tout la volonté de ce gouvernement.
Enfin, s'agissant du statut des artistes, comme le prévoit l'accord de gouvernement, la réforme de son prédécesseur relative aux exceptions à la disponibilité active, passive et adaptée pour les artistes est conservée. Cela dit, l'accord de gouvernement est clair: il prévoit, par ailleurs, une limitation du chômage dans le temps. Certains artistes bénéficient du chômage avec un statut spécifique, tandis que d'autres travaillent sous le régime des indépendants. La législation sur le chômage s'applique donc à certains d'entre eux. Compte tenu de la spécificité de ce statut, il est donc logique que nous débattions au sein du gouvernement des modalités d'application de la réforme du chômage dans ce secteur.
Plus généralement, il faut se demander si ce statut doit encore être lié au chômage. En effet, il n'est ni valorisant pour les artistes ni équitable pour les autres catégories de travailleurs de considérer que les premiers seraient des chômeurs sans dégressivité ni limite de temps. Ce sont des travailleurs dont le statut particulier sera examiné à la lumière de l'équité entre les Belges et des objectifs poursuivis par la réforme du chômage et, évidemment, par l'accord de gouvernement.
Mesdames et messieurs les députés, à chaque nouvelle réforme son lot d'inquiétudes, et je peux le comprendre. J'ai souhaité informer et rassurer, car ce n'est pas dans le chaos et la confusion qu'on élabore une réforme aussi essentielle que celle du chômage. Notre objectif est clair: remettre les gens au travail, c'est leur offrir la possibilité de s'émanciper et de contribuer à une société plus juste, plus équitable et plus performante. Je reste pleinement engagé à porter pour toutes et tous une réforme nécessaire, juste et ambitieuse. Je vous remercie de votre attention.
Petra De Sutter:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, wat is dat toch met sommige politici, die blijven denken dat kunstenaars onvoldoende bijdragen en subsidieslurpers zijn? Is dat omdat kunst vaak kritisch is en machtsstructuren in vraag stelt? Of is het omdat kunst ontsnapt aan controle en censuur, of zelfs kan aanzetten tot verzet?
Collega's van cd&v, Les Engagés en Vooruit, zult u toelaten dat de huidige regering de rechten van kunstwerkers op die manier probeert af te bouwen? Zult u medeplichtig zijn aan de culturele revolutie die Arizona wil doorvoeren?
Mijnheer de minister, ik eindig met nog een citaat van Churchill en ik hoop dat u daarover eens zult nadenken. Toen in de Tweede Wereldoorlog in het Verenigd Koninkrijk de kunstbudgetten onder druk stonden en de overheid ze wilde schrappen, verklaarde Churchill naar verluidt: " Then what are we fighting for ?" Dat is een doordenkertje.
Ik hoop dat u de juiste beslissing zult nemen.
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le ministre, nous l'avons bien compris, la culture qui gratte vous dérange, celle qui bouscule, qui interroge, qui échappe aux logiques marchandes; le MR n'en veut plus. Mais la culture, monsieur le ministre, ce n'est pas du fast-food, ce n'est pas non plus un luxe, c'est un pilier de notre démocratie, comme la presse critique et indépendante. Mais, vous, vous préférez critiquer la presse. (Protestations de M. Bouchez)
La presse, qui a dit vrai et écrit juste. Vous l'avez reconnu: vous allez effectivement détricoter la réforme du statut d'artiste portée par le précédent gouvernement. C'est un mépris pour celles et ceux qui font vivre la culture dans notre pays au quotidien. C'est un mépris aussi pour les femmes qui luttent contre une maladie, contre un cancer du sein, qui seront touchées au niveau de leur régime de chômage. C'est à nouveau un gouvernement brutal, fort avec les faibles, faible avec les forts!
Sofie Merckx:
Apparemment, ce qui est dans l'accord de gouvernement ne compte pas parce que si je vous écoute bien, vous voulez bel et bien attaquer et vous en prendre au statut d'artiste qui permet aujourd'hui à ces gens de vivre dignement.
Ce que je dirais aujourd'hui aux gens, c'est que c'est clair: ce gouvernement attaque les pensionnés, en voulant nous faire travailler plus longtemps pour moins de pension; il attaque les travailleurs en supprimant par exemple les primes de nuit; il s'en prend aux malades de longue durée; il s'en prend aux gens qui sont sans emploi; il s'en prend aux réfugiés, aux enseignants, aux policiers et il s'en prend aussi à la culture.
Par conséquent nous devrons être nombreux, très nombreux ce lundi, et nous serons très nombreux en grève générale, parce que nous ne voulons pas de ce gouvernement qui veut nous renvoyer au 19 e siècle. On n'en veut pas, on vaut mieux que ça!
Aurore Tourneur:
Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Le statut actuel ne sera pas remis en cause comme le prévoit l'accord de gouvernement mais vous allez travailler, par souci d'équité, à la constitution d'un véritable statut distinct du chômage. Si telle est bien votre intention, nous pourrons la soutenir, mais pas toute marche en arrière.
Monsieur le ministre, j'ai aussi entendu parler d'un congé de maternité, de paternité et de congé d'adoption. J'ai été rassurée sur ce point. J'ai également entendu une belle phrase: "Nous n'allons abandonner personne". Et bien nous comptons sur vous, monsieur le ministre, pour allier financement durable de notre sécurité sociale et lutte efficace contre toute forme de précarité. Et là, vous retrouverez Les Engagés.
François De Smet:
Merci monsieur le ministre pour votre réponse. Je crains qu'à part ma collègue des Engagés, vous n'ayez pas rassuré grand monde. Très objectivement, bien sûr il y a l'accord de gouvernement, mais néanmoins vous assumez que vous avez une marge – que vous semblez croire ouverte – de négociation sur la limitation dans le temps des allocations de chômage, en ce compris pour les artistes.
Je voudrais rappeler que les artistes qui relèvent du statut d'artiste, ce sont des travailleurs, en ce compris lorsqu'ils sont dans des périodes de non-travail qui sont inhérentes à la nature de leurs activités. C'est un débat que nous avons déjà eu, et je suis vraiment étonné parce qu'en 2020, vous et le reste du MR n'aviez pas ce discours-là. Donc, ne lâchez pas ce statut d'artiste, protégez-le!
Si vous voulez ouvrir la question sur un vrai statut d'intermittent, allons-y, mais cela ne figure pas dans l'accord de gouvernement. C'est quelque chose que vous inventez maintenant pour donner quelque chose à vos partenaires Engagés, pour vous permettre d'avancer sur la limitation du droit de chômage, et c'est dommage parce que les artistes méritent beaucoup mieux.
Rajae Maouane:
Monsieur Clarinval, je vous remercie d'avoir pris cinq minutes pour nous lire votre texte que vous aviez préparé pour répondre à votre président et à Mme Tourneur mais pas pour répondre aux inquiétudes et aux questions qu'on vous posait. Les artistes qui sont déjà inquiets ne sont absolument pas rassurés.
Personnellement, j'ai une pensée pour Élisabeth Degryse, la ministre de la Culture dont certains espèrent qu'elle sera la dernière ministre de la Culture. Élisabeth, si tu nous regardes… Mais j'ai surtout une pensée pour Claire qui écrit des livres, pour Sihem qui écrit des spectacles, pour Mathéo qui fait des dessins dans sa chambre. J'ai une pensée pour Mathieu qui porte des câbles. Ce sont elles et eux que vous mettez dans la précarité. Ce sont elles et eux qui seront la cible du Mouvement Réformateur, de votre président et de ce gouvernement Arizona qui est brutal, qui est d'une brutalité sans nom.
Sur ce sujet, pas plus que sur d'autres sujets, j'attends une réaction du MR et de la N-VA mais je me tourne aussi vers Les Engagés, Vooruit et le cd&v . On vous voit et on attend de vous un sursaut, s'il reste encore quelque chose.
Georges-Louis Bouchez:
Figurez-vous, madame De Sutter, que, d'après les historiens, Churchill n'a jamais dit cette phrase. C'est un peu comme la presse qui a dit, monsieur le ministre , des choses sur votre projet qui sont totalement inexactes et que vous avez pu corriger aujourd'hui. Franchement, le PS n'a aucune leçon à donner sur les critiques qu'il fait régulièrement sur la presse, puisqu'il remet sa défaite électorale sur le dos de la presse. Mais le problème, quand on rédige sa réplique avant la réponse du ministre, c'est qu'on tape souvent à côté. Le ministre a été très clair; il veut, contrairement à vous, sortir les artistes du chômage. Il veut qu'ils aient un statut de travailleurs spécifiques sans retour en arrière sur leurs droits. Mais vous préférez maintenir des artistes dans la précarité de manière à ce qu'ils soient obligés de demander des subsides. Ce n'est pas ce que nous voulons! Nous voulons l'émancipation. Nous voulons que les artistes puissent vivre de leur travail dignement. C'est une différence entre vous et moi!
Het taaltoezicht
Gesteld door
Gesteld aan
Bernard Quintin (Minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken)
op 13 maart 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de gebrekkige Nederlandstalige zorg in Brusselse ziekenhuizen, geïllustreerd door het dodelijke geval van baby Cisse waar ouders door taalkundige barrières niet geïnformeerd werden. Minister Quintin bevestigt het regeerakkoord: strengere handhaving van taalwetgeving en tweetalige dienstverlening zijn prioriteiten, met toezicht door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, maar concrete maatregelen blijven vaag. Bergers benadrukt succesvoorbeelden (UZ Jette) en praktische oplossingen (zoals EHBNO-pamfletten) en dringt aan op samenwerking met Vlaamse actoren en snelle actie, gezien de 100+ klachten in vier dagen via het nieuwe meldpunt. De urgentie ligt in basisrechten afdwingen zonder rechtszaken, met brede politieke en sectorwillig, maar nog onvoldoende daadkracht.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, beste collega's, u herinnert zich ongetwijfeld het verhaal van Cisse. Cisse was een baby'tje van 11 maanden oud dat jammer genoeg overleden is. Toen de mug vanuit Brussel in Roosdaal in de Vlaamse rand aankwam, zat daar niemand in die Nederlands sprak. Ook toen Cisse werd overgeplaatst naar het kinderziekenhuis in Brussel, was daar geen enkele arts die in het Nederlands kon vertellen aan de ouders en de grootouders waarom ze hun zoontje waren kwijtgeraakt.
Zulke verhalen breken mijn hart, omdat ik het een ware schande vind dat in 2025 mensen nog altijd niet in het Nederlands kunnen worden geholpen in onze hoofdstad, in Brussel. Dat zorgt ook voor problemen, want mensen kunnen niet duidelijk aan artsen vertellen wat hun symptomen zijn.
Cisse is jammer genoeg echt niet alleen. Vier dagen geleden lanceerde de Vlaamse Volksbeweging samen met minister Ben Weyts een meldpunt voor taalklachten in de zorgsector in Brussel. Op amper vier dagen kwamen er al meer dan 100 klachten binnen. Ik steun de beweging volledig in dat initiatief, maar het is eigenlijk wel jammer dat er rechtszaken nodig zijn om zulke basisrechten af te dwingen, dus het is duidelijk dat de federale overheid ook haar verantwoordelijkheid moet nemen.
Gelukkig is het regeerakkoord duidelijk. Het regeerakkoord stelt duidelijk dat de regering de taalwetgeving strenger zal handhaven en dat ze zal zorgen voor tweetalige dienstverlening in de Brusselse zorginstellingen.
Mijnheer de minister, welke maatregelen wil u nemen om in die tweetalige dienstverlening te voorzien? Hoe gaat u werk maken van een strengere handhaving? Zult u ook contact opnemen met het Vlaamse middenveld, waaronder de Vlaamse artsenorde, en minister Ben Weyts?
Bernard Quintin:
Mijnheer Bergers, als ik me niet vergis, is dit uw eerste actuele vraag in de plenaire vergadering en ik feliciteer u met uw maidenspeech. (Applaus)
Laat me beginnen met te stellen dat taalgebruik een belangrijke kwestie is. Het is een Franstalige bijna-tweetalige die dat zegt. Ik hecht daar veel belang aan.
U zult begrijpen dat ik hier geen uitspraak zal doen over de casus die u aanhaalt.
Het regeerakkoord is duidelijk, patiënten in Brusselse ziekenhuizen moeten kunnen communiceren met de zorgverlener en ook omgekeerd. Dat is essentieel om patiënten de zorg te bieden die ze nodig hebben. In dat kader wil ik erop wijzen dat de regering erop zal toezien dat de wetgeving inzake het gebruik van talen wordt nageleefd, zodat patiënten in de Brusselse ziekenhuizen die onder de wetgeving vallen in hun eigen taal behandeld kunnen worden dankzij tweetalige diensten. Wie daar vandaag klachten over heeft, kan terecht bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht.
Ik ben op de hoogte van het initiatief om in Vlaanderen een meldpunt op te richten voor de naleving van de taalwetgeving in Brusselse ziekenhuizen. Een kwaliteitsvolle zorgverlening impliceert een juiste toepassing van de taalwetgeving.
Jeroen Bergers:
Mijnheer de minister, bedankt voor uw antwoord.
Ik heb er alle vertrouwen in dat u het regeerakkoord correct zult uitvoeren en dat we inzake die taalwetgeving echt wel stappen vooruit zullen zetten.
Dat het anders kan dan in veel ziekenhuizen in Brussel vandaag de dag, bewijst het UZ Jette elke dag, aangezien men daar perfect tweetalig, in het Nederlands en in het Frans, de dienstverlening voorziet.
Afsluiten wil ik graag met een persoonlijke anekdote. Ik ben ooit met TAK, het Taal Aktie Komitee, in een coronatestdorp in Brussel waar men dezelfde problematiek had, eerste hulp bij Nederlandstalige onkunde, EHBNO, gaan uitdelen. Dat lijkt polariserend, het lijkt alsof we daarmee controverse opzochten, maar eigenlijk waren die hulpverleners heel dankbaar, omdat ze eindelijk een pamflet hadden met een aantal basiszinnen in het Frans en de vertaling in het Nederlands, zodat zij de mensen die hulp nodig hadden, konden helpen.
Mijnheer de minister, ik ben ervan overtuigd dat de wil bij de zorgsector aanwezig is, net als bij u en de regering. Het is dus tijd dat we actie ondernemen.
Voorzitter:
Ik wou collega Bergers gelukwensen met zijn eerste tussenkomst, maar dat is niet meer nodig, want dat heeft de minister al gedaan. (Applaus) Op die manier krijgt u wel twee keer applaus, mijnheer Bergers.
De eindeloopbaanregeling voor leerkrachten in het Franstalige onderwijs
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De DPPR (disponibilité voor pensioen) voor leraren in Wallonië-Brussel is tijdelijk bevroren vanaf 2026 door federale pensioenhervormingen, die niet-meedraaiende loopbaanjaren (zoals deeltijdse DPPR) uitsluiten van het pensioenberekeningsysteem, om de financiële houdbaarheid te garanderen. Minister Jambon bevestigt dat de "P-datums" (pensioendata) na 2026 niet worden meegedeeld zolang de hervorming niet is uitgewerkt, maar belooft overleg met de FWB voor een technische oplossing, zonder concrete garanties voor bestaande dossiers. Schlitz kritiseert de plotselinge onzekerheid voor leraren die hun carrière hierop baseerden en noemt het tegenstrijdig beleid: ouder personeel langer laten werken verergert de lerarentekorten in plaats van jongeren kansen te bieden. De kernkwestie blijft of er overgangsmaatregelen komen voor wie al rekende op DPPR, terwijl scholen zonder zicht op de toekomst de nieuwe schooljaren moeten plannen.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, depuis plusieurs semaines, une vive inquiétude s’installe chez les enseignants sur leur fin de carrière et sur le dispositif de disponibilité précédant l'âge de la retraite (DPPR), ce mécanisme qui leur permet, après des années de service dans des conditions souvent éprouvantes, d’aménager leur fin de carrière en douceur.
Alors que le gouvernement de la Fédération Wallonie-Bruxelles n’a pas remis en cause ce système, les décisions du gouvernement fédéral de revoir en profondeur le régime des pensions et les aménagements de fin de carrière, risquent de compromettre son application. La prise en considération des périodes de réduction du temps de travail dans le calcul des pensions – y compris celles effectuées dans le cadre des DPPR – n'est plus garantie, ce qui crée une insécurité majeure pour les enseignants concernés, qui ont souvent organisé leur fin de carrière en comptant sur ce dispositif.
Actuellement, de nombreux dossiers introduits auprès de l’administration de la Fédération Wallonie-Bruxelles pour bénéficier de la DPPR seraient actuellement gelés, faute d’accès aux informations nécessaires pour établir la date de prise de cours de la pension, et sans explication claire de la part des services compétents. Les enseignants sont dans le flou le plus total. Les écoles sont, elles aussi, dans l’incertitude et peinent à organiser la prochaine rentrée scolaire, ne sachant pas si certains enseignants partiront ou non en fin de carrière.
Monsieur le ministre, pouvez-vous confirmer que les dossiers de DPPR sont actuellement gelés et, si tel est le cas, quelles en sont les raisons précises?
Quelles garanties pouvez-vous offrir aux enseignants quant à la reconnaissance de ces périodes dans le calcul de leur pension?
Dans quel délai le gouvernement fédéral compte-t-il clarifier la situation afin de permettre aux enseignants d’avoir une visibilité sur leur fin de carrière?
Envisagez-vous des mesures transitoires pour éviter que certains enseignants ne se retrouvent brutalement exclus du dispositif, alors qu’ils avaient légitimement anticipé leur départ en DPPR?
L’incertitude qui règne actuellement est source d’angoisse pour de nombreux enseignants et risque d’amplifier la crise d’attractivité de la profession. Il est impératif que le gouvernement fédéral prenne ses responsabilités et apporte rapidement des clarifications. Je vous remercie d’avance pour vos réponses, que j'espère rassurantes.
Jan Jambon:
Madame Schlitz, le Service fédéral des Pensions communique normalement de manière régulière et continue à la Fédération Wallonie-Bruxelles (FWB), Administration générale de l'Enseignement, les premières dates de pension possibles, appelons cela date "P", pour les membres de leur personnel ayant introduit une demande de procédure de fin de carrière, en l'occurrence d'une disponibilité précédent la pension de retraite ou DPPR. Ceci est nécessaire car l'ouverture du droit à la pension est dépendante de chaque carrière individuelle et le SFP est seul compétent pour valider légalement une date "P".
Lorsque ces dates "P" sont communiquées aux employeurs, à cette fin, ces dates vont de pair avec un engagement du SFP sur leur fiabilité; ceci selon la loi du 29 décembre 2010 portant sur des dispositions diverses. Actuellement, la livraison de ces dates "P" situées au-delà du 1 er janvier 2026, est momentanément en pause car certaines mesures contenues dans l'accord de gouvernement peuvent impacter le calcul de l'ouverture du droit à la pension. En effet, l'accord du gouvernement dispose qu'à partir du 1 er janvier 2026, l'admissibilité des années de service pour l'octroi et le calcul de la pension est supprimé notamment pour les interruptions de carrière sans motif de soins et les divers régimes de retraite anticipée tels que la disponibilité avant la retraite et la semaine volontaire de quatre jours. Cette réforme s'inscrit dans le cadre du renforcement du lien entre les périodes de travail effectif et l'acquisition des droits à la pension ce qui est nécessaire pour sauvegarder la base financière de notre système de retraite.
Dans le même temps, cela peut constituer une incitation importante pour les employés à prolonger leur carrière active. Ainsi, la pénurie de travailleurs qualifiés, entre autres dans le domaine de l'éducation dans les Communautés françaises et flamandes, peut être résolue toujours en combinaison avec les mesures nécessaires pour un travail adapté et une carrière attrayante. L'incertitude que cela crée au sein du secteur de l'éducation de la Communauté française m'a déjà été signalée par la ministre de tutelle (Mme Glatigny) et la ministre-présidente (Mme Degryse). Il y aura une consultation technique à ce sujet dans mon cabinet cet après-midi. Suite à cette consultation, je prendrai les accords nécessaires avec mes collègues de la FWB.
Sarah Schlitz:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. On avait effectivement bien vu en parcourant l'accord de majorité Arizona qu'il était possible que ce type de mesures soit impacté, même si ce n'était pas mentionné en noir sur blanc. On a maintenant la réponse. J'estime toutefois qu'on ne peut pas jeter des personnes dans l'incertitude tant que des décisions sur le nouveau régime ne sont pas mises en place. C'est donc une première chose. Les écoles doivent préparer la rentrée et il est donc indispensable qu'elles sachent à quelle sauce elles vont être mangées. Par ailleurs, ce qui me pose vraiment problème, c'est que votre gouvernement, par choix politique, décide de revoir les règles, alors que des personnes ont planifié leur carrière, ont planifié qu'elles pourraient à un moment lever le pied parce qu'elles ont beaucoup donné à la collectivité. Et c'est aussi une manière de faciliter l'entrée de nouveaux enseignants dans l'emploi. Dès lors, monsieur le ministre, vouloir aujourd'hui résoudre les pénuries en faisant travailler les anciens plus longtemps, c'est une fausse bonne idée! Il faut faciliter la possibilité pour les jeunes de s'insérer dans le marché du travail et d'avoir un emploi stable. C'est cela la bonne solution!
De jihadistische moord op Salwan Momika
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
In België is het verbranden van religieuze boeken zoals de koran niet expliciet verboden, maar kan wel vervolgd worden als haatspraak of aanzetting tot discriminatie, afhankelijk van de context en rechterlijke beoordeling. Politiebescherming voor bedreigde islamkritische dissidenten hangt af van een risicoanalyse door veiligheidsdiensten (zoals OCAD), maar is niet gegarandeerd, ondanks groeiende dreigingen. Sam Van Rooy benadrukt dat islamkritische stemmen—zoals de vermoorde Salwan Momika—systematisch onvoldoende beschermd worden, terwijl islamitisch geweld en zelfcensuur toenemen door angst voor represailles. Annelies Verlinden bevestigt opvolging door inlichtingendiensten maar wijst op juridische afwegingen per geval, zonder structurele oplossingen voor de vrijheid van meningsuiting onder druk.
Sam Van Rooy:
We kunnen het niet genoeg in herinnering brengen, maar enkele weken geleden werd in Zweden Salwan Momika vermoord door moslimterroristen. Momika was een Assyrisch-Iraakse christen die nota bene in Irak had gestreden tegen Islamitische Staat, tegen jihadterreur dus, en als vluchteling naar Zweden was gekomen. Daar liet hij zich overtuigend uit tegen de islam, die hij als ervaringsdeskundige natuurlijk zeer goed kende, en was hij voor de vrijheid van meningsuiting. Dat gaat natuurlijk hand in hand. Soms verbrandde hij openlijk een koran om die visie kracht bij te zetten. Hij werd daarvoor juridisch vervolgd, helaas, en hij kreeg, zoals dat dan gaat, talloze doodsbedreigingen uit islamitische hoek. Dat is helaas het nieuwe normaal in West-Europa.
Toch werd hij niet door de politie beveiligd. De Zweedse politiechef wilde niet toelichten waarom, maar ik vind het wel frappant dat ze eraan toevoegde dat het "natuurlijk tragisch is dat wij als samenleving deze mensen niet kunnen beschermen". Dat is inderdaad zo. Ook in België ken ik mensen die zich niet meer durven uitspreken over hun afvalligheid van de islam, die hun islamkritiek anders verwoorden of zelfs niet uiten, omdat ze weten dat ze uiteindelijk vogelvrij zijn en ze niet de nodige bescherming zullen genieten.
Mevrouw de minister, graag hoor ik uw mening over deze zorgwekkende stand van zaken. Ik vraag mij af hoe dit eigenlijk in België zit. Mag men in België een exemplaar van de koran of eender welk al dan niet religieus of heilig boek, verbranden? Zou iemand als Salwan Momika in België dan wel door de politie worden beveiligd?
Annelies Verlinden:
Ik kan u bevestigen dat dergelijke gebeurtenissen door onze veiligheids- en inlichtingendiensten zeer nauwgezet worden opgevolgd. Er bestaat in ons land geen officiële lijst van beschermde boeken, waarvan bijvoorbeeld de verbranding specifiek wordt beschouwd als aanzetten tot haat. Weliswaar vallen onder meer strafbare haatspraak, haatmisdrijven en discriminatie onder het materiële toepassingsgebied van de antidiscriminatiewetgeving in ons land. Het zal dus aan de feitenrechter toekomen om op basis van in het bijzonder die wetgeving en het precieze, concrete strafrechtelijk dossier te oordelen. Daarbij kan ik nog toelichten dat de strafmaat voor deze gedragingen herbekeken wordt in het nieuwe Strafwetboek.
In ons land worden beveiligingsmaatregelen toegekend op basis van een risicoanalyse die wordt uitgevoerd door de bevoegde veiligheidsdiensten. Factoren zoals de ernst van de bedreiging, het publieke profiel van de persoon en de potentiële impact op de openbare orde worden daarbij onder meer in overweging genomen. Specifiek in de gevallen van terrorisme, gewelddadig extremisme of radicalisering kan het OCAD een dreigingsanalyse uitvoeren. Op basis van die risicoanalyse of die specifieke analyse zal het Nationaal Crisiscentrum al dan niet de nodige operationele beveiligingsmaatregelen voor de betrokken personen opleggen.
Sam Van Rooy:
Hoever is het niet gekomen dat dissidenten uit de islamitische wereld, zoals Salwan Momika, ook in West-Europa de facto niet meer veilig zijn? Gemiddeld worden er per dag wereldwijd niet minder dan vijf islamitische aanslagen gepleegd. De islam roept inderdaad letterlijk op tot het vermoorden van diegenen die de islam bespotten of beledigen, van diegenen die de islam verlaten en van diegenen die zich niet aan de islam onderwerpen. Recent nog werd hier in Brussel de boekvoorstelling van een islamkritisch boek geannuleerd na islamitische dreigementen. Censuur en zelfcensuur, mevrouw de minister, nemen al jaren toe. Het aantal moslimfundamentalisten in dit land blijft stijgen en dus blijft onze samenleving islamiseren en helaas onvrijer worden.
De steun van een Molenbeekse PS-schepen voor IS-achtige jihadisten
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Annelies Verlinden relativeert de kritiek op Molenbeekse schepen Mohammed Kalandar (PS) door te benadrukken dat slechts *sommige* milities onder Hachd al-Chaabi (een Iraakse koepel met uiteenlopende groepen, waaronder sjiitische, soennitische en christelijke) als terroristisch worden bestempeld, en dat de organisatie zelfs partner was in de strijd tegen IS. Sam Van Rooy (oppositie) blijft hameren op Kalandars vermeende loyaliteitsconflict en veiligheidsrisico, wijst op diens steunbetuiging aan een "jihadistische" beweging en eist onderzoek, terwijl hij Verlindens terughoudendheid als naïef en gevaarlijk afschildert, met een waarschuwing voor fundamentalistische infiltratie in de politiek. De minister ontwijkt een direct oordeel over Kalandar, maar Van Rooy dwingt de kwestie op de agenda door te verwijzen naar Deense voorbeelden van alarm over radicalisering in overheidsfuncties. Kern: vertrouwen vs. veiligheidsdreiging bij een lokale politicus met banden met omstreden milities.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, de kersverse Molenbeekse schepen Mohammed Kalandar van de PS postte op sociale media in 2020 het embleem van Hachd al-Chaabi. Dat is een jihadistische beweging vergelijkbaar met Islamitische Staat. Het is eigenlijk de sjiitische versie ervan, die wordt gesteund door de islamitische staat Iran. Enkele landen, zoals de VS en Japan, beschouwen verschillende milities bij Hachd al-Chaabi, als terroristisch. De Molenbeekse burgemeester Moureaux en de PS-partijtop willen niet reageren, maar dat verbaast niet.
Mevrouw de minister, wat vindt u hiervan? Ziet u geen problemen met de loyaliteit van Mohammed Kalandar? Is hij geen infiltrant? Wordt onderzocht of Mohammed Kalandar voor ons land eventueel een veiligheidsrisico vormt?
Annelies Verlinden:
Mijnheer Van Rooy, de koepelorganisatie Hachd al-Chaabi is er gekomen na de heractivering van de communautaire milities in Irak ten gevolge van de strijd tegen IS in 2014. In zekere zin waren die koepelorganisatie en de milities die onder de koepel vallen, een partner van de internationale coalitie in de strijd tegen IS.
De koepelorganisatie valt sinds 2016 onder de administratieve autoriteit van de Iraakse eerste minister via het officiële overheidsorgaan Populaire Mobilisatiecommissie en groepeert meerdere tientallen Iraakse milities van een zeer gevarieerde achtergrond, namelijk sjiitische, soennitische, christelijke en Turkmeense milities. Ondanks het bestaan van de koepel behouden de individuele milities een grote mate van autonomie. Een aantal daarvan staat dicht bij Iran en ontvangt ook steun van Iran. Er zijn slechts enkele milities die effectief als terroristisch worden gezien door onder meer de Verenigde Staten, de Verenigde Arabische Emiraten en Japan.
Sam Van Rooy:
Uw uitleg was heel interessant, mevrouw de minister. Die kende ik zelf ook. U maakt zich dus blijkbaar helemaal geen zorgen over de Molenbeekse schepen Mohammed Kalandar. Ik heb een foto van hem mee, zodat u kunt zien wat voor iemand dat is. Lijkt dat iemand die goed geïntegreerd is in onze samenleving? Lijkt dat iemand die wij kunnen vertrouwen? Ik vind het zeer zorgwekkend dat u daarover niets te zeggen hebt. In Denemarken, bijvoorbeeld, waren er recent heel wat toppolitici die openlijk hun bezorgdheid hebben geuit over de infiltratie in de overheid van burgers met moslimfundamentalistische gedachten, ideeën en doelstellingen. Ik hoop echt dat u de komende jaren die zorg niet alleen zult uiten, maar dat u er zich ook mee bezig zult houden, want het is al vijf na twaalf wat dat betreft.
Het terughalen van Belgische Syrië-jihadisten
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Justitie)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De minister bevestigt dat terugkeer van Belgische Syrië-jihadisten momenteel niet aan de orde is, maar volgt de onvoorspelbare veiligheidssituatie in Syrië nauwgezet via inlichtingendiensten. Vlaams Belang eist een absolute uitsluiting van terugkeer en waarschuwt voor straffeloosheid en herhaald gevaar, pleitend voor gesloten grenzen voor *alle* jihadisten. De regering neemt geen definitief standpunt in over toekomstige terugkeer, maar benadrukt waakzaamheid. Kernpunt: spanning tussen veiligheidsrisico’s (OCAD-waarschuwing) en politiek verzet tegen repatriëring.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, het OCAD heeft in december gesteld dat het na de val van Assad voor onze eigen veiligheid beter zou kunnen zijn om Belgische Syrië-jihadisten die daar nog in een cel of een kamp zitten, terug te halen. Het OCAD vreest dat ze zouden kunnen vrijkomen en via Turkije naar West-Europa of België terugkeren. Er werd ook gewag gemaakt van 13 mannen die niet allemaal de Belgische nationaliteit hebben, maar wel een link hebben met ons land. In de kampen Al-Hol en Al-Roj zouden nog altijd acht Belgische vrouwen en negen kinderen zitten. Dat kan intussen al veranderd zijn, want deze informatie dateert van december.
Ik hoor graag het standpunt van de nieuwe regering, mevrouw de minister. Zijn er plannen om Belgische Syrië-jihadisten terug te halen naar België? En de hamvraag: sluit deze regering uit dat er ooit Syrië-jihadisten kunnen worden teruggehaald naar België?
Annelies Verlinden:
Collega Van Rooy, een gemeenschappelijk front van verschillende rebellengroeperingen onder leiding van Hayat Tahrir al-Sham (HTS) nam in december van vorig jaar de controle over van het gebied dat in Syrië nog in handen was van het Assadregime.
De geopolitieke context en de impact ervan op onze buitenlandse veiligheid werden steeds en worden permanent, tot op vandaag, opgevolgd door onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Ze zijn waakzaam voor de houding van HTS en de andere actieve terreurorganisaties in de regio, zoals IS. Ook spanningen tussen de Koerden en de Turken in het grensgebied worden aandachtig opgevolgd. We blijven dus de onvoorspelbare situatie ter plaatse van nabij volgen. En dat steeds in overleg met onze diensten, die uiteraard ook in nauw contact staan met de buitenlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
De vraag naar het al dan niet terughalen van Syriëstrijders naar ons land is in dit geval niet aan de orde.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, wat wel aan de orde is, is de vraag of deze nieuwe Belgische regering, deze arizonacoalitie, wil uitsluiten dat er ooit Belgische Syrië-jihadisten worden teruggehaald naar dit land. Het mag duidelijk zijn dat het Vlaams Belang neen zegt. België moet de grenzen sluiten, niet alleen voor asielzoekers, immigranten uit de hele wereld, maar zeker ook voor Syrië-jihadisten. Mochten zij toch worden toegelaten tot ons grondgebied, dan ben ik ervan overtuigd dat zij ervan af zullen komen met een fopstrafje van een aantal jaren, waarna ze op vrije voeten komen en opnieuw een gevaar vormen voor onze samenleving. Mevrouw de minister, luister naar de ervaringen uit het verleden. Sluit onze grenzen, zeker voor jihadisten uit welk land dan ook, zeker ook uit Syrië.
De impact van de kolonisatie op de criminalisering van lgbtqi's op het Afrikaanse continent
Gesteld door
Gesteld aan
Maxime Prévot (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking)
op 26 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie belicht de criminalisering van homoseksualiteit in 31 Afrikaanse landen, vaak gerechtvaardigd als "traditioneel" maar historisch een koloniaal erfgoed geïntroduceerd door Europese missionarissen, die prekoloniale tolerantie verdrongen. België zet in op diplomatieke druk, ontwikkelingshulp zonder discriminatie (bv. via *Civic Space Initiative* in Tanzania) en steunt VN-organisaties, met een contextgerichte aanpak (discreet of publiek) om LGBTQI+-rechten te beschermen, ook via de *Equal Rights Coalition*. Lacroix benadrukt dat homofobie geen Afrikaanse traditie is maar een wereldwijd probleem, inclusief binnen de EU (bv. Hongarije’s Pride-verbod), en waarschuwt voor een terugval in conservatisme.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, cette question me tient particulièrement et personnellement à cœur.
Aujourd'hui, dans 31 pays d'Afrique, l'homosexualité est toujours criminalisée. Des lois répressives condamnent des individus sur la seule base de leur orientation sexuelle, allant parfois jusqu'à la peine de mort, comme en Ouganda où une législation d'une brutalité extrême a récemment été adoptée. Ces politiques, souvent justifiées par l'argument selon lequel "l'homosexualité serait étrangère aux traditions africaines", doivent être replacées dans leur véritable contexte historique. De plus, elles ne tiennent pas la route.
En effet, avant la colonisation, de nombreuses cultures africaines avaient une approche bien plus nuancée des identités de genre et des relations homosexuelles. Dans plusieurs sociétés, celles-ci étaient non seulement tolérées, mais parfois même valorisées. De l'Antiquité égyptienne aux traditions des Beti du Cameroun ou des Maale d'Éthiopie, les exemples ne manquent pas.
C'est avec l'arrivée des puissances coloniales, en particulier les missionnaires catholiques et protestants, que ces pratiques ont été réprimées. Les missionnaires européens, porteurs d'une vision morale rigide, ont imposé des normes occidentales en matière de sexualité et de genre, puisqu'ils considéraient aussi que la personne d'origine africaine était libidineuse et ne pensait qu'au sexe. Après les indépendances, cette vision a souvent été conservée, devenant un héritage colonial persistant.
Ainsi, loin d'être une valeur africaine, l'homophobie institutionnalisée est une construction imposée par l'Occident. Maintenir ces lois aujourd'hui, c'est perpétuer une idéologie qui a été introduite par ceux-là mêmes qui prétendaient "civiliser" le continent africain. Cette réalité historique doit être reconnue et combattue, car les droits humains ne doivent pas être soumis à des héritages injustes. Lutter contre ces discriminations, c'est aussi reconnaître notre part de responsabilité dans l'Histoire et agir pour un monde plus juste.
Monsieur le ministre, face à cette situation préoccupante, voici mes questions. Dans le cadre de notre coopération au développement, des initiatives spécifiques existent-elles pour soutenir les droits des personnes LGBTQI+ dans les pays où elles sont persécutées?
Quelles sont nos positions et nos messages dans nos relations diplomatiques avec les pays qui bafouent les droits des personnes LGBTQI+, et même les persécutent, voire les assassinent?
Je vous remercie pour l'attention réservée à ces questions.
Maxime Prévot:
Merci, monsieur Lacroix, pour votre question, effectivement importante.
La Belgique accorde une priorité à la protection et la promotion des droits humains des personnes LGBTQI+ partout dans le monde et pas uniquement en Afrique. Ces droits humains sont de plus en plus mis sous pression. Dans ce contexte regrettable, la Belgique continuera de plaider, tant au niveau bilatéral que multilatéral, pour le respect de leurs droits, la décriminalisation des relations entre personnes de même sexe ainsi que la suppression des lois dépassées et de toute forme de discrimination.
L'action de la coopération développement belge suit une approche basée sur les droits humains ainsi que sur le principe du leave no one behind . À cet égard, nous veillons à ce que les programmes financés soient mis en œuvre sans aucune discrimination. À titre d'exemple, lors de l'adoption de la loi anti-homosexualité en Ouganda à laquelle vous avez fait référence, la Belgique a rapidement activé l'article 11 de son accord de coopération permettant l'ouverture d'un dialogue visant à l'adoption de mesures d'atténuation afin de ne pas discriminer les personnes LGBTQI+ dans la mise en œuvre des programmes.
En outre, la Belgique finance via le fonds "Civic Space Initiative" un programme de soutien aux droits des personnes LGBTQI+ en Tanzanie. Ces dernières années, nous avons également soutenu plusieurs projets visant notamment à renforcer les organisations LGBTQI+ afin qu'elles puissent revendiquer l'espace civique. Par ailleurs, nous soutenons la protection des personnes LGBTQI+ à travers nos financements aux organisations telles que le Haut-Commissariat des Nations Unies aux droits de l'homme, ONU Sida, ONU Femmes et le Fonds des Nations Unies pour la population.
La Belgique veille aussi à respecter pleinement le principe du do not harm . En fonction du contexte local, une action discrète pourrait être privilégiée à une action et à des communications publiques. Ce positionnement se fait toujours après consultation de la société civile locale. Enfin, la Belgique soutient le mandat du rapporteur spécial des Nations Unies sur l'orientation sexuelle et l'identité de genre.
La Belgique est aussi membre de l'Equal Rights Coalition, à travers laquelle nous nous exprimons avec d'autres sur des développements inquiétants dans certains pays. Ce fut le cas par rapport à l'Ouganda, mais également la Géorgie ou la Russie.
Christophe Lacroix:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour votre réponse complète qui montre bien les différents niveaux d'action que vous privilégiez dans le cadre de la lutte contre l'homophobie. Vous avez raison de dire que le problème n'est pas qu'en Afrique. J'ai pris le biais de l'Afrique parce que c'était un exemple clair. On veut soi-disant promouvoir une forme de tradition africaine alors que la vraie tradition africaine n'était pas une tradition homophobe. Mais nous devons être vigilants chez nous. Vous avez raison de rappeler que même en Europe, dans certains pays ou dans les pays qui sont proches de la sphère géographique européenne comme la Géorgie, il y a des mesures anti-LGBTQI+; je viens même d'apprendre que Viktor Orbàn, membre de l'Union européenne, a interdit la Gay Pride à Budapest. C'est vous dire que même au sein de l'Union européenne, avec ces forces conservatrices, voire d'extrême droite, puissantes, on en revient à un monde que nous pensions révolu, et que nous pensions avoir quitté depuis très longtemps. Je n'irai pas plus loin. C'est déjà pas mal.
De fiscale vrijstelling van inkomsten uit studentenarbeid
Gesteld door
Gesteld aan
Jan Jambon (Minister van Financiën en Pensioenen)
op 25 februari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Minister Jan Jambon verduidelijkt dat de fiscale vrijstelling voor studentenarbeid (art. 143 WIB) – nu €3.420 – wordt verdubbeld naar €6.840 (voor aanslagjaar 2026), niet de algemene belastingvrije som (art. 131), en koppelt dit aan een verhoging van nettobestaansmiddelen naar €12.000. Van Quickenborne bevestigt dat dit conform het regeerakkoord is (tegen de Arizona-meerderheid in, die via andere artikelen wil werken) en dringt aan op eensgezindheid binnen de coalitie, met steun voor Jambons aanpak. De budgettaire impact is beperkt (studenten betalen minder belasting bij extra inkomen), maar neveneffecten worden nog onderzocht. Kern: Verdubbeling vrijstelling studentenarbeid (€3.420 → €6.840), gekoppeld aan nettobestaansmiddelenverhoging, met politieke spanning over de juiste wettelijke route.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, het aantal uren studentenarbeid zal worden opgetrokken van 600 naar 650 uur, en dat is een zeer goede zaak. Collega Ronse – hij is hier nu niet aanwezig en kan dus geen persoonlijk feit inroepen – noemde dat historisch, maar ik vind het een stapje vooruit. Het ware historisch geweest mochten we de studenten onbeperkt laten bijverdienen, als zij dat willen.
In het regeerakkoord staat in dat verband ook een zin die mij geïntegreerd heeft – met mijn excuses dat ik het regeerakkoord zo lees, maar u hebt er acht maanden aan gewerkt, dus u bent meester van de teksten. Ik citeer de zin: "De regering zal onmiddellijk de fiscale vrijstelling voor inkomsten uit studentenarbeid verdubbelen." Voor alle duidelijkheid, die zin gaat niet over de nettobestaansmiddelen, want in het regeerakkoord staat daarover een andere zin, namelijk: "We verhogen het maximumbedrag van de nettobestaansmiddelen naar 12.000 euro voor iedereen."
Ik vraag me af wat de fameuze zin dat men onmiddellijk de fiscale vrijstelling zal verdubbelen, precies betekent. Betekent die zin dat u het belastingvrije basisbedrag voor studenten, dat momenteel vastligt op 10.910 euro, zult verdubbelen naar 21.820 euro? Of indien niet, wat wordt er dan precies bedoeld met de verdubbeling van de fiscale vrijstelling? Wat bedoelt u daarnaast met onmiddellijk? Is dat nog dit jaar, of is dat voor volgend jaar?
Vervolgens, indien de belastingvrije som voor studenten wordt verdubbeld, welke budgettaire impact verwacht de regering daarvan? Wat zal dat mogelijk kosten? Is dat effectief doenbaar? Daarmee bedoel ik het volgende. Als u dat enkel doorvoert voor studenten, vraag ik me opnieuw af hoe het zit met de gelijke behandeling van andere categorieën van belastingplichtigen. Ik denk bijvoorbeeld aan jonge werknemers die geen student zijn en die de belastingvrije som dan ook niet zouden zien verdubbelen.
Jan Jambon:
Mijnheer Van Quickenborne, u verwart volgens mij de belastingvrije som in artikel 131 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen met de vrijstelling voor studentenarbeid in artikel 143 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen. In dat artikel kunt u in het zevende lid lezen dat de bezoldigingen uit studentenarbeid voor inkomstenjaar 2025 tot 3.420 euro niet in aanmerking komen als nettobestaansmiddelen. Het is dat bedrag dat wij zullen verdubbelen.
Wij zullen dat inderdaad doen voor het aanslagjaar 2026. Daarbovenop verhogen wij stevig het maximumbedrag voor de nettobestaansmiddelen naar 12.000 euro.
In uw tweede vraag vraagt u hoe wij dat zullen doen. Wij zullen dat via een wetswijziging doen. Als er al een budgettaire impact is, zal die impact zijn dat studenten niet meer worden bestraft omdat ze een beetje te veel hebben gewerkt en dus wat geld hebben verdiend.
In antwoord op uw derde vraag geef ik u mee dat mijn administratie inderdaad de mogelijke neveneffecten bekijkt. Daarvoor moeten wij heel beducht zijn. Ik vraag u dus ook op dat vlak even geduld te hebben, tot de wetteksten er zijn. Wij zijn ons echter bewust van het feit dat ook op dat punt naar de mogelijke neveneffecten moet worden gekeken.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw heldere antwoord, dat eigenlijk ook heel relevant is. Op het ogenblik voeren wij in de commissie voor Sociale Zaken immers de discussie over de studentenarbeid. Mijnheer de minister, ik steun de maatregel om studentenarbeid tot 650 uur toe te laten. Dat heeft echter ook een fiscaal aspect. Collega’s, in het desbetreffende wetsvoorstel en de discussie daarover pleit ik voor de aanpassing van artikel 143, wat de minister net heeft verteld. Weet u wat de arizonameerderheid daarover aangeeft? Zij stelt dat zij dat niet zal doen en niet zal werken op artikel 143. Zij wil werken aan de combinatie van artikel 136 en artikel 141. Mijnheer de minister, ik merkte op dat die werkwijze niet conform het regeerakkoord is. U blijkt mij gelijk te geven. Ik zal uw antwoord dus straks, tijdens de tweede lezing over het wetsvoorstel, kunnen gebruiken. U hebt immers gelijk. Het is inderdaad veel beter te werken op artikel 143, door het geïndexeerde bedrag van 3.420 euro te verdubbelen naar 6.840 euro. Ik steun u dus. Ik hoop echter dat u uw antwoord ook doorgeeft aan mevrouw Muylle en de heer Ronse, de auteurs van het bewuste amendement, en dat er eensgezindheid is in de arizonaregering. Mijnheer de minister, ik dank u dus. Uw antwoord was heel helder. Ik ben u erg erkentelijk.
De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor universiteiten
Gesteld door
Gesteld aan
Vincent Van Peteghem (Minister van Financiën)
op 28 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de ongelijke toepassing van de 80%-dispense op précompte professioneel (art. 275/3 CIR) voor onderzoekers en academici aan Belgische universiteiten, waarbij francophone instellingen benadeeld lijken ten opzichte van Nederlandstalige. Minister Van Peteghem weigert gedetailleerde cijfers te geven wegens fiscale geheimhouding en belooft lopende controles voor gelijke behandeling, maar bevestigt geen concrete oplossing. Piedboeuf erkent het structurele probleem en stelt uitstel voor tot na de regeringvorming. Constitutionele beginselen (gelijkheid, non-discriminatie) blijven onbeantwoord.
Benoît Piedboeuf:
Monsieur le ministre, l’article 275/3 du CIR prévoit une dispense de précompte professionnel à concurrence de 80% pour les rémunérations payées à des chercheurs assistants ou à des chercheurs post-doctoraux, sans que lesdites notions ne fassent l’objet d’une définition légale.
Cette dispense partielle a été introduite par la loi-programme du 24 décembre 2002 et est entrée en vigueur le 1er octobre 2003, l’intention annoncée par le législateur de l’époque étant de se conformer à la stratégie dite de Lisbonne, dont l’objectif était de pousser les États membres de l’Union européenne à consacrer, à l’horizon 2010, 3% du PIB à la recherche et au développement.
Une circulaire AGFisc n°17/2015 du 8 mai 2015 a confirmé, dans le tableau récapitulatif, que les chercheurs qui entrent dans le champ d’application de la mesure pour les universités et hautes écoles sont à la fois les chercheurs assistants et les chercheurs post-doctoraux.
Ladite circulaire interprète par ailleurs la disposition légale visée en permettant l’application du régime fiscal même si les chercheurs réalisent d’autres tâches que la recherche.
Plusieurs universités ont été les bénéficiaires, au cours des dernières années, de dégrèvements qui leur ont été octroyés par le SPF Finances en raison de l’activité de recherche déployée par les membres de leurs corps académiques respectifs, alors que d’autres n’ont pas obtenu une décision de dégrèvement à due concurrence. Cette différence de traitement constitue un préjudice grave pour ces dernières.
Il semblerait par ailleurs que les universités néerlandophones bénéficient de la ristourne de précompte à tout le moins pour une partie des membres de leurs corps académiques.
Monsieur le ministre, j’en viens à mes questions:
1° Pouvez-vous communiquer le montant des dégrèvements dont chaque université, néerlandophone ou francophone, a pu bénéficier (ou non) depuis l’exercice 2016, en précisant les décisions de dégrèvement intégrant les membres du personnel académique dans le champ d’application de l’article 275/3 du CIR qui ont été arrêtées pour certaines de ces universités?
2° Confirmez que la ristourne de précompte est octroyée aux universités néerlandophones pour certains membres de leurs corps académique? Le cas échéant, quels sont les montants dont chaque université concernée a pu bénéficier depuis l’exercice 2016?
3° Comment envisagez-vous de mettre de l’ordre en la matière, eu égard au prescrit des articles 10, 11 et 172 de la Constitution?
Vincent Van Peteghem:
Les dispositions de l'article 337 du Code des impôts sur les revenus 1992 relatives au secret professionnel s'opposent à ce que les renseignements demandés soient fournis par les universités.
En outre, eu égard à l'absence de détails prévus dans les déclarations au précompte professionnel, il n'est pas possible de préciser pour quel employé en particulier la dispense est revendiquée.
Des contrôles sont en cours concernant l'application de la dispense de versement du précompte professionnel pour les chercheurs au sein de toutes les universités belges. L'administration centrale coordonne ces contrôles pour assurer une égalité de traitement entre toutes les universités.
Benoît Piedboeuf:
Je comprends le cadre de la réponse du ministre concernant les précisions demandées.
Par ailleurs, nous savons qu'il y a un problème de fond quant à cette dispense de précompte professionnel. Je ne doute pas que nous nous repencherons sur cette question dès que le prochain gouvernement sera formé.
Voorzitter:
Vraag nr. 56001670C van de heer Crucke wordt omgezet in een schriftelijke vraag.
De dossiers over jihadistische terreur waarbij minderjarigen betrokken zijn
Het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat (VSSE)
Jihadistische terreur en jaarverslag VSSE
Gesteld door
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 23 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de alarmerende toename van jihadistische radicalisering onder minderjarigen (1 op 3 verdachten is jonger dan 18, met een jongste van 13), waarbij drie kwart van de terreurdossiers islamitisch geïnspireerd is—een scherpe oververtegenwoordiging ten opzichte van 8% moslims in België. Minister Van Tigchelt wijt de versnelde radicalisering aan sociale media en extremistische echokamers, benadrukt versterkte inlichtingendiensten (verdubbeld personeel, nieuwe bevoegdheden) en disruptieve acties (zoals de aanhouding van een 14-jarige rechts-extremist die dag), maar waarschuwt voor *lone actors* die onder de radar blijven. Safai eist ontneming van nationaliteit voor terugkerende IS-strijders (FTF’ers) en strengere maatregelen, terwijl Van Rooy de Koran en islamitische leer als bron van geweld aanhaalt en kritiseert dat facilitering van islam en lichte straffen het probleem verergeren. De focus ligt op preventie, snelle interventie en zero-tolerance voor terreurverheerlijking, met onduidelijkheid over concrete straffen voor de recent opgepakte Brusselse jihadcellen (18-jarige + drie minderjarigen).
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, volgens cijfers van de Veiligheid van de Staat is niet minder dan één persoon op drie die de voorbije drie jaar een gewelddadige aanslag in België wilden plegen minderjarig. De jongste was amper 13 jaar. Ze doen vooral ook aan verheerlijking van geweld en kunnen – ik citeer de Veiligheid van de Staat – "levensgevaarlijk" zijn.
Soms plannen ze ook effectief een aanslag. Zo wilde recent een terreurcel van moslimextremisten een jihadaanslag plegen op een concert in Brussel. Deze islamitische terreurcel bestond uit een 18-jarige en drie minderjarigen. In maar liefst drie gevallen op vier, de overgrote meerderheid dus, gaat het om jihadistische moslimjongeren, dit terwijl ongeveer 8 % van de bevolking in dit land moslim is. De oververtegenwoordiging van jonge moslims in zaken van radicalisering en terreur is dus gigantisch. In 2024 was er trouwens in heel Europa een sterke toename van het aantal jihadistische dossiers en arrestaties.
Mijnheer de minister, wat is uw reactie op deze zorgwekkende bevindingen?
Hoe komt het volgens u dat de daders in terreurdossiers vaak minderjarig zijn en steeds jonger worden?
Hoe komt het volgens u dat in terreurdossiers de islamitische jihad enorm oververtegenwoordigd is?
Wat gebeurt er precies met minderjarige, soms piepjonge, moslims die jihadterreur verheerlijken?
Mijn laatste vraag is heel belangrijk voor onze veiligheid. Welke straffen riskeren of kregen de 18-jarige en de drie minderjarige moslims die een jihadaanslag probeerden te plegen op een concert in Brussel?
Darya Safai:
Mijnheer de minister, onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten trekken aan de alarmbel. Terwijl alle ogen op Rusland gericht zijn wanneer het gaat over dreiging van spionage en sabotage, kunnen wij uit het jaarverslag van de Veiligheid van de Staat afleiden dat de belangrijkste terreurdreiging in ons land nog steeds uit de hoek van het islamisme komt.
Er was in 2024 een sterke toename van het aantal jihadistische dossiers en arrestaties. De Veiligheid van de Staat werd ook in toenemende mate geconfronteerd met dossiers over minderjarigen. Bijna één persoon op drie die tussen 2022 en 2024 gewelddadige acties in België beraamden, was jonger dan 18 jaar. Het gemiddelde was 16 jaar. De jongste persoon was amper 13 jaar oud.
Een andere bezorgdheid van de Veiligheid van de Staat vormen de foreign terrorist fighters (FTF) in Syrië. Het is een grote bekommernis dat die onder de radar zouden terugkeren naar België. Hun eventuele terugkeer, in combinatie met meer geradicaliseerde profielen hier bij ons, vormt een zeer gevaarlijke cocktail. Het is aan ons om onze samenleving hiertegen te beschermen.
Vandaar twee vragen aan u, mijnheer de minister. Welke concrete maatregelen werden er genomen tegen de toenemende mate van radicalisering bij minderjarigen?
Heeft de regering contacten gehad met de nieuwe autoriteiten (…)
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de voorzitter, collega's, we hebben deze discussie enkele weken geleden deels gevoerd in de commissie voor Justitie, maar dat was inderdaad voor de bekendmaking van het rapport van de Veiligheid van de Staat.
Mevrouw Safai, welke concrete maatregelen hebben we de voorbije legislatuur genomen? Dat zijn er nogal wat. Het belangrijkste is dat we het personeel van onze inlichtingendienst hebben verdubbeld. We hebben die dienst ook nieuwe wettelijke middelen in de strijd tegen het terrorisme gegeven. Dat is zeer belangrijk, dat is historisch en dat was ook broodnodig, want een sterke inlichtingendienst is geen luxe, maar een noodzaak. We waren op dat vlak het kneusje van de klas. Die tijd is voorbij. Onze inlichtingendienst is geprofessionaliseerd en dat was broodnodig. Dat blijkt ook uit het recente jaarverslag.
De Veiligheid van de Staat heeft haar handen vol, onder meer met de dreiging van extremisten op ons eigen grondgebied, niet in Syrië, niet in Irak, maar hier. We zien daar inderdaad een verontrustende toename van het aantal minderjarigen. U hebt het ook gezegd. Eén persoon op drie die in beeld komen is minderjarig. Hoe komt dat? Het is moeilijk om daar één verklarende factor voor te geven, maar wat zeker speelt, zijn de social media. We zien dat het radicaliseringsproces van dergelijke jongeren veel sneller verloopt dan vroeger. We spreken over maanden, soms over weken, maar soms zelfs over dagen. De ideologie is slechts een flinterdun jasje. Het verloop van het brainwashen van die jongeren via de extremistische echokamers gaat soms bijzonder snel.
Drie op de vier zijn van jihadistische strekking. Een kwart handelt uit rechts-extremisme of, wat ook in opgang is, een anti-establishment ideologie. Van linksextremisme is er momenteel minder sprake. De ideologie van het jihadistisch salafisme is verre van dood. IS en Al Qaida zijn niet dood. De propaganda, zowel oude als nieuwe, is nog steeds prominent aanwezig. IS heeft nog steeds vele fanboys, maar ook fangirls, die op het internet aanwezig zijn en die erin slagen om jongeren mee te slepen.
De OCAD-lijst telt momenteel een zeshonderdtal personen. Het merendeel daarvan is van de jihadistisch-salafistische strekking. Er staat ook nog een groot aantal foreign terrorist fighters op die lijst.
Wat wij moeten doen om problematische radicalisering tegen te gaan, is snel en disruptief optreden. Dat is wat de diensten doen, wat zij de voorbije maanden en jaren verschillende malen gedaan hebben. Zij treden snel en disruptief op. Wanneer op de sociale media berichten worden opgevangen over de aankoop van wapens of over het gebruik van geweld, aarzelen zij niet en treden zij op.
Collega’s, dat is ook vanmorgen nog gebeurd. Vanmorgen nog werd een 14-jarige jongen – zeg maar jongetje – van schijnbaar rechts-extremistische signatuur opgepakt. Hij zou een aanslag hebben willen plegen op een moskee.
De nachtmerrie van onze diensten blijft natuurlijk die ene lone actor , die niet op tijd op de radar komt. Daarom is het cruciaal dat alle betrokken partners alert zijn en blijven. We hebben daarvoor de LIVC's opgericht en daar…
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, collega’s, ik citeer de Koran, soera 8, vers 12: "Ik zal terreur zaaien in het hart van de ongelovigen. Sla hun hoofd af, vermink al hun ledematen." De Koran en ook de Hadith roepen herhaalde malen op tot het minachten, haten, veroveren en doden van de niet-moslim. Uiteraard is niet elke moslim een fundamentalist of een terrorist, dat zou er nog maar aan mankeren.
Mijnheer de minister, wat ik echter niet hoor in uw betoog, is dat wie de islam massaal blijft binnenhalen en faciliteren en wie fopstrafjes geeft aan moslimfundamentalisten, het probleem alleen maar erger zal maken. Het is immers een wet van Meden en Perzen: wie islam zaait, zal sharia en haat blijven oogsten.
Darya Safai:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoorden. Het is een heel goede zaak dat de Veiligheid van de Staat de problematiek heel nauwkeurig opvolgt. Collega’s, dat zouden wij in het Parlement ook moeten doen. Dat is immers een belangrijke zaak voor de toekomst. Ik weet niet of de vivaldiregering van plan is de FTF’ers al dan niet terug naar hier te brengen. Ik wil echter absoluut benadrukken dat zij bij ons geen plaats hebben. Zij hebben ervoor gekozen ons land te verlaten en elders samen met de IS en andere islamisten de oorlog aan te gaan om het Westen te vernietigen. Hun nationaliteit moet worden afgenomen, zodat zij niet en nooit meer kunnen terugkeren.
Het tekort aan geschoolde arbeidskrachten
Gesteld door
Gesteld aan
Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)
op 15 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
België kampt met een acute tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten (70% van bedrijven ondervindt wervingsproblemen), wat innovatie, groei en concurrentiekracht ondermijnt, ondanks een hoog werkloosheidscijfer en misalignment tussen vraag en aanbod. Minister Dermagne benadrukt interfederale samenwerking (via een nieuwe platform met Régions en ONEM), verplichte bedrijfsopleidingen (5 dagen/jaar, maar controle ontbreekt) en stimuli zoals behoud van 25% werkloosheidsuitkering bij herintreding in knelpuntsectoren, plus EU-initiatieven zoals de *Talent Pool* voor buitenlandse werknemers. Critici vragen zich af of de maatregelen (zoals het *Federal Learning Account*) daadwerkelijk worden nageleefd, terwijl de minister politieke onzekerheid aanhaalt (dreigende opschorting door toekomstige regering). De kernuitdaging blijft: attractiviteit van beroepen, snelle omscholing en behoud van buitenlands talent in een Europese concurrentiestrijd.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, le manque de main d'œuvre qualifiée en Belgique atteint des niveaux préoccupants, affectant des secteurs tels que la construction, les technologies de l'information, la santé ou encore l'industrie manufacturière.
Ce problème s'aggrave dans un contexte où la transition écologique et numérique exige des compétences de plus en plus spécifiques et où de nombreuses entreprises peinent à recruter malgré le taux de chômage encore élevé. Par ailleurs, cette situation met en lumière un désalignement persistant entre les besoins des employeurs et les qualifications disponibles sur le marché du travail.
Selon des études récentes, près de 70 % des entreprises belges déclarent éprouver des difficultés à recruter des profils qualifiés, ce qui limite leur capacité à innover, à se développer et, dans certains cas, à répondre même à la demande du marché. Cette pénurie freine également la croissance économique de notre pays, réduit la compétitivité des entreprises et aggrave les tensions sur le marché du travail, alors même que de nombreuses personnes restent éloignées de ce marché, faute de formation adaptée.
La Belgique doit faire face, en plus, à la concurrence d'autres pays européens qui mettent en œuvre des politiques actives pour attirer des talents étrangers, aggravant ainsi le déficit pour nos entreprises. De plus, les défis liés à l'intégration et à la rétention des talents étrangers qualifiés ajoutent une complexité supplémentaire à cette crise structurelle.
Monsieur le ministre, comment le gouvernement fédéral collabore-t-il avec les Régions et avec les secteurs pour coordonner des stratégies visant à renforcer l'adéquation entre les qualifications et les besoins immédiats et futurs des employeurs?
Quelles mesures avez-vous mises en place pour inciter davantage les entreprises à participer activement à des programmes de formation, notamment à travers des partenariats public-privé?
Enfin, quelles initiatives spécifiques sont prises pour attirer et retenir les talents étrangers nécessaires à la prospérité de notre économie?
Pierre-Yves Dermagne:
Madame la députée, la lutte contre les pénuries sur le marché du travail – ou plutôt sur les marchés du travail – a constitué sous la précédente législature une priorité politique pour les différents gouvernements de ce pays. Rappelons que les gouvernements régionaux ainsi que les partenaires sociaux sont tout autant concernés – si pas plus parfois – par le phénomène des pénuries, en fonction de la répartition des compétences, car les pénuries sur le marché du travail relèvent de la compétence des Régions. D'autre part, les partenaires sociaux sont les mains dans le cambouis et au cœur du réacteur.
En ce qui me concerne, depuis le niveau fédéral, j'ai posé quelques actes importants, notamment la création du droit individuel à la formation et l'obligation pour les entreprises d'octroyer cinq jours de formation à leurs travailleurs, sur le modèle de ce qui fut fait en France par le passé et qui a porté ses fruits en matière d'acquisition des compétences et de formation dans le chef des travailleuses et des travailleurs.
Il y a encore la mise sur pied d'une plateforme interfédérale de l'emploi rassemblant les services régionaux de l'emploi, l'ONEM et les différents ministres de l'Emploi régionaux et du fédéral. C'était la première fois que l'on mettait en place un organe de concertation, de dialogue tourné vraiment vers l'action à un niveau interfédéral.
Jusque-là, les collaborations ou les coopérations se faisaient sur base ponctuelle et volontaire. On a vraiment créé un organe à deux niveaux: un niveau technique et un niveau politique. Au niveau technique, les différentes administrations peuvent effectivement pointer les difficultés dans les processus et la nécessité de mettre de l'huile dans certains rouages, parfois mettre fin simplement à des incompréhensions qui persistent au fil des années sur la répartition des compétences ou sur la manière de fonctionner des différents services. Il était donc vraiment essentiel de mettre cela en place.
Parmi les mesures qui furent décidées au niveau politique de cette plateforme interfédérale, je pense entre autres au fait que la dégressivité des allocations de chômage est gelée lorsque le demandeur d'emploi suit une formation qui lui permet d'accéder à une profession en pénurie ou encore à la possibilité pour les chômeurs de longue durée de cumuler leur salaire dans un emploi en pénurie avec le maintien de 25 % de leur allocation de chômage pendant trois mois pour avoir un effet incitatif à la reprise d'un emploi dans un secteur ou une filière en pénurie.
Il y a aussi l'implication active des partenaires sociaux au niveau sectoriel puisque, en application du jobsdeal, les commissions paritaires doivent établir tous les deux ans une liste des métiers en pénurie – ce qui est assez facile à faire et qui se fait d'ores et déjà au niveau des Régions – mais surtout mener une réflexion par rapport aux causes de ces pénuries et proposer des solutions pour y remédier. On voit d'ailleurs que les causes sont souvent multiples mais que l'attractivité des métiers joue un rôle clé, de manière transversale.
Enfin, je citerai encore la participation à un certain nombre d'initiatives européennes sous présidence belge. Il y a tout d'abord l'élaboration d'un Skills Agenda ou encore l'Année européenne des compétences et surtout la création de l'EU Talent Pool. Ce dernier permet de faciliter l'accueil de travailleurs non européens pour répondre aux tensions des marchés de l'emploi au sein des différents États membres puisque cette situation des tensions et des pénuries sur les marchés du travail est rencontrée dans tous les pays de l'Union européenne, voire dans tous les pays occidentaux. Elle se manifeste parfois de manières différentes mais on constate des phénomènes similaires, souvent dans les secteurs ou les filières identiques.
Anne Pirson:
Monsieur le ministre, merci pour la liste de tout ce qui a été entrepris. Je me demandais si vous aviez les chiffres par rapport aux entreprises et à leur obligation d’organiser cinq jours de formation par an. Y a-t-il un contrôle? Est-ce respecté?
Pierre-Yves Dermagne:
Monsieur le président, si vous me permettez, je ne peux m’empêcher de répondre à cette question puisqu'une des premières mesures annoncées par la probable future majorité Arizona a été de mettre en suspens une obligation qui pèse effectivement sur les épaules des employeurs, qui était d’enregistrer les différentes formations au sein du Federal Learning Account (FLA), qui était une des pièces du dispositif pour mettre en place concrètement le droit individuel à la formation.
Je vous retournerai la question. Je vous invite à interroger vos négociateurs pour être certain que ce droit individuel à la formation de cinq jours puisse effectivement et concrètement être mis en place sur le terrain au bénéfice de l’ensemble des travailleuses et des travailleurs.
Voorzitter:
Le dernier mot étant au Parlement, madame Pirson, voulez-vous répondre à la digression dystopique du ministre, étant donné que l’Arizona n’existe pas encore?
Anne Pirson:
M. Dermagne est parfois mieux informé que moi. C’est ce que je constate.
De afgelasting van een boekvoorstelling na islamitische dreigementen
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 15 januari 2025
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy kaartte de afgelasting van een boekvoorstelling over *islamisering in Franstalige scholen* (door dreigingen van moslimjongeren) aan als symptoom van groeiende islamitische intimidatie en zelfcensuur bij critici, verwijzend naar radicale voorbeelden en de erfenis van *Charlie Hebdo*. Minister Verlinden benadrukte dat vrijheid van meningsuiting onaanraakbaar is, maar wees de verantwoordelijkheid voor de annulering bij Fnac (zonder overheidstussenkomst), terwijl ze politieoptreden tegen haat, risicoanalyses en preventie via LIVC’s-R (radicaliseringsmeldpunten) als oplossingen naar voren schoof. Van Rooy repliceerde dat islamitisch fundamentalisme onverminderd dreigt, gestut door doctrine en massale steun onder Belgische moslims voor censuur of geweld tegen critici. De discussie toont de spanning tussen veiligheidsmaatregelen en de structurele uitdaging van islamitische radicalisering in een pluralistische samenleving.
Sam Van Rooy:
Mevrouw de minister, we blijven in de sfeer van hetzelfde culturele importprobleem, dat er heel toevallig ook in Brussel is, want op zaterdag 16 november zou in de Fnacwinkel in het shoppingcenter in Sint-Lambrechts-Woluwe de boekvoorstelling plaatsvinden van Allah n'a rien à faire dans ma classe , een geweldige titel, vrij vertaald als Allah heeft niets te zoeken in mijn klas. Het is een journalistiek onderzoek naar islamisering in Franstalige scholen. Het boek verscheen in september en is geschreven door twee journalisten, Jean-Pierre Martin en Laurence D'Hondt. Ze laten onder meer getuigen aan het woord over een toenemende druk op leerkrachten vanuit islamitische hoek, bijvoorbeeld tijdens de les geschiedenis.
Het werk noemt ook man en paard over islamitische radicalisering, oftewel islamisering, van leerlingen. Ik geef slechts één voorbeeld. Ik citeer:"Zo zijn er jongens die weigeren om naast een meisje op de schoolbank te zitten, of kinderen die in woede uitbarsten als een stukje ham van een niet-moslim op hun brooddoos valt, waarop de school onder druk van de moslimouders besluit om aparte kastjes te maken voor halalbrooddozen." Een van de vele voorbeelden van de islamisering van onze scholen.
De voorstelling van dat zeer belangrijke, fundamentele boek werd echter afgelast nadat moslimjongeren – opnieuw toevallig geen Chinezen, joden, Zweden of boeddhisten – via sociale media hadden gedreigd met geweld in de winkel. Een typisch geval dus van islamitisch bedreiging tegen islamcritici.
Minister, wat is uw reactie hierop? Wat kan er volgens u worden ondernemen om te voorkomen dat steeds meer schrijvers, journalisten, cartoonisten enzovoort aan zelfcensuur doen als gevolg van intimidatie of bedreigingen uit islamitische hoek?
Annelies Verlinden:
Collega Van Rooy, de vrijheid van meningsuiting is een van de meest fundamentele pijlers van onze democratie en onze rechtsstaat. Die moet absoluut en te allen tijde verdedigd worden. Meningen, en wat mij betreft ook domme meningen, moeten geuit kunnen worden.
Volgens mijn informatie werd de boekvoorstelling van 16 november niet geannuleerd door de burgemeester of een administratieve overheid, maar door de lokale directie van Fnac zelf, zonder voorafgaandelijk overleg met de bestuurlijke overheden. Het is niet aan de minister van Binnenlandse Zaken om opmerkingen te maken over een beslissing van de betrokken onderneming.
Ik wijs er wel op dat er stappen werden ondernomen om de veiligheid van de winkel te garanderen, nadat de politiezone op de hoogte was gebracht van de beslissing. Er zijn nadien ook geen incidenten gemeld.
Elk evenement dat een verstoring van de openbare orde kan veroorzaken, wordt onderworpen aan een risicoanalyse van de politie, die in overleg met de bestuurlijke overheid maatregelen kan nemen om het goede verloop van het evenement te garanderen. Politie en parket handelen proactief met betrekking tot personen die bedreigingen uiten of aanzetten tot haat of geweld. Wanneer er sprake is van strafbare feiten kunnen zij worden vervolgd. Daarnaast is er ook de Strategie T.E.R., die wordt gecoördineerd door het OCAD. Die heeft tot doel om voldoende veerkracht te tonen in de strijd tegen terrorisme en extremisme, terwijl tegelijk de fundamentele rechten en vrijheden van burgers worden beschermd.
Een veilige en pluralistische samenleving waarin iedereen zich zonder angst voor geweld of vervolging kan uiten, is een absolute voorwaarde. Om dat te bereiken, moeten de juiste structuren en platformen worden opgezet. Het is daarbij belangrijk om de oprichting en de werking van LIVC’s-R te blijven bevorderen en overal in het land uit te rollen om tekenen van radicalisering, ongeacht de ideologie, zo vroeg mogelijk op te sporen, maar ook om de diensten die in contact staan met de burgers bewust te maken van het feit dat dit platform de juiste plek is om informatie te delen en uit te wisselen. Als de sociaal-preventieve aanpak niet volstaat, kunnen de veiligheids- of gerechtelijke diensten op basis van informatie-uitwisseling de nodige maatregelen nemen om de dreiging zoveel mogelijk te beperken.
Het is dus een dagelijkse taak om te blijven sensibiliseren en te zorgen voor een goede samenwerking tussen alle actoren, om zo de dreiging van extremistische ideologieën zoveel mogelijk te verminderen.
Sam Van Rooy:
Vorige week was het exact tien jaar geleden dat "Allahu Akbar" schreeuwende moslimterroristen het grootste deel van de redactie van Charlie Hebdo uitmoordden. Sindsdien is er niets verbeterd, mevrouw de minister. Veel schrijvers, cartoonisten en activisten doen uit angst aan zelfcensuur of moeten tegen moslimfundamentalisten worden beveiligd. Geen jihadistische aanslagen zonder de jihadistische profeet Mohammed. De islamitische doctrine roept letterlijk op tot het vermoorden van mensen die de islam bespotten of bekritiseren.
Er zijn in België, zo wijst onderzoek uit, reeds honderdduizenden moslims die vinden dat de islam niet mag worden beledigd of die zelfs vinden dat jihadistische terreur gerechtvaardigd kan zijn, bijvoorbeeld tegen een schrijver als Salman Rushdie.
Wie de islamitische wereld blijft binnenhalen, wordt uiteindelijk zelf de islamitische wereld, mevrouw de minister. Ik hoop dat de komende regering dat eindelijk eens beseft.
Voorzitter:
Vraag nr. 56000943C van de heer Aouasti wordt in een schriftelijke vraag omgezet.
De verlenging van de 600 urengrens voor studentenarbeid
Gesteld door
Gesteld aan
Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)
op 19 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De tijdelijke verhoging van het studentenwerkquota van 475 naar 600 uur (in 2024) loopt af op 31 december, terwijl de eindbeoordeling—gebaseerd op data uit 2023-2024—nog niet is afgerond, ondanks de dringende vraag om zekerheid voor 600.000 studenten tijdens de blokperiode. Minister Dermagne bagatelliseert de impact door te wijzen op het lage gemiddelde gebruik (216u in 2023) en adviseert studenten zich op hun examens te concentreren, maar biedt geen concrete oplossing—terugval naar 475 uur is zeker zonder nieuwe regeling. Reuter kritiseert dit gebrek aan urgentie, benadrukt dat studenten planningszekerheid en financiële stabiliteit nodig hebben (voor sommigen een *noodzaak*), en kondigt een parlementair voorstel (met N-VA) aan om de 600-uursnorm definitief te verankeren, los van de lopende regeringsonderhandelingen.
Florence Reuter:
Monsieur le ministre, la période des fêtes est aussi une période stressante pour les étudiants puisque le blocus commence dans les hautes écoles et les universités. Aujourd'hui, les étudiants qui ont un job sont dans l'incertitude. En effet, si le quota d'heures de travail pour un étudiant était de 475 heures par an jusqu'en 2023, en 2024 il a été augmenté à 600 heures, ce qui leur permettait d'avoir une plus grande marge de manœuvre, plus d'autonomie, tout en arrondissant leurs fins de mois. Le travail étudiant leur offre aussi une première approche, un premier contact dans le monde professionnel, tout en permettant parfois aux entreprises de secteurs en pénurie de se sauver.
Cette mesure prend fin au 31 décembre, car elle n'a pas été pérennisée. Elle avait été inscrite dans un arrêté, et une évaluation devait être faite pour décider de sa prolongation. Monsieur le ministre, vous allez me répondre que des négociations sont en cours pour la formation du prochain gouvernement et que celui-ci n'a qu'à décider de cette prolongation. Mais, si cette évaluation avait été faite, une décision aurait pu être prise avant.
A-t-on procédé à cette évaluation? Le cas échéant, quel en est le résultat? Faut-il pérenniser cette mesure et ce quota de 600 heures?
Que répondez-vous aux étudiants, sans renvoyer le dossier aux négociateurs? Les étudiants ont besoin d'être rassurés avant leurs examens.
Pierre-Yves Dermagne:
Merci, madame la députée, pour votre question qui rejoint celles qui m'ont été adressées le 24 octobre dernier par MM. Ronse et Van Quickenborne. À l'époque, j'avais effectivement indiqué que la mesure était le fruit d'un accord dans le cadre d'un compromis plus large au sein du gouvernement Vivaldi de passer de 475 heures à 600 heures de travail sous le statut de travailleur étudiant, c'est-à-dire très peu fiscalisé. Au-delà de ces 600 heures – 475 aujourd'hui – un étudiant peut toujours continuer à travailler mais il sera soumis à une imposition classique, celle d'un travailleur ou d'une travailleuse dans les liens d'un contrat de travail normal.
Vous m'avez demandé ce que je pouvais dire aux étudiants qui sont aujourd'hui en blocus. D'abord, je leur souhaite un excellent blocus et la réussite la plus totale aux examens de janvier. Ensuite, je leur dis que s'ils savent un peu compter, nous reviendrons à un quota de 475 heures par année et qu' a priori , ces 475 heures de travail étudiant ne seront pas épuisées à la fin du mois de janvier, février ou encore mars.
Je les inviterais donc d'abord à se concentrer sur leur session d'examen, leur blocus et leurs études et leur dirais qu' a priori les 475 heures qui seront à nouveau en vigueur à partir du 1 er janvier devraient suffire à faire en sorte qu'ils puissent continuer à travailler sous les liens d'un contrat de travail étudiant. Je voudrais vous dire enfin que l'évaluation est en cours de finalisation. J'ai chargé mon administration – de même que le ministre Vandenbroucke la sienne – de procéder à celle-ci. Elle portait sur deux périodes, 2023 et 2024, il est donc logique que nous attendions la fin 2024 pour clôturer l'évaluation. Pour terminer, sur l'année 2023, la moyenne d'heures de travail étudiant prestées par étudiant était de 216 heures. Donc, pour beaucoup d'étudiants, cela laisse encore un peu de marge.
Florence Reuter:
Monsieur le ministre, vous parlez d'une moyenne de 216 heures mais en attendant, plus de 600 000 étudiants sont aujourd'hui dans l’attente de réponses. J’entends bien: "Oui, mais ils ont encore janvier, février. Les 475 heures ne seront pas épuisées." Mais quand on est étudiant, on a aussi envie de pouvoir s’organiser, de savoir vers où on va. Avant de signer un contrat, on a aussi envie de savoir si ce sera possible. Et on a surtout envie, en cette période, de se concentrer sur ses études, ses examens, son blocus et de ne pas s’inquiéter. Même si, pour certains, c’est un plus de travailler comme étudiant et de ne pas être taxé au-delà; pour d’autres, c’est un besoin. Je pense qu’il faut pouvoir quand même leur répondre dans les temps. J'espère que nous aurons cette évaluation assez vite, malgré tout, pour pouvoir aller plus loin. En attendant, nous travaillerons avec le Parlement. J’ai cosigné une proposition de loi pour prolonger effectivement et pérenniser ces 600 heures avec mes collègues de la N-VA. Je pense que nous verrons enfin un résultat. Je vous remercie.
De naleving van de taalwetgeving
De naleving van de taalwetgeving
Het gebruik der talen door de treinbegeleiders van de NMBS
Taalnaleving door NMBS-treinbegeleiders
Gesteld door
Gesteld aan
Georges Gilkinet
op 19 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de strikte handhaving van de taalwetgeving bij de NMBS na een incident waarbij een treinbegeleider in Vilvoorde reizigers in zowel Nederlands als Frans begroette. Eva Demesmaeker (N-VA) en Sammy Mahdi (CD&V) verdedigen de wet als fundamenteel voor de Nederlandse taal- en cultuuridentiteit, waarschuwen voor verdere versoepeling (leidend tot eentaligheid Frans) en kritiseren de NMBS voor het misbruiken van het voorval om de regels te ondermijnen. François De Smet (Défi) en minister Gilkinet (Ecolo) pleiten voor pragmatisme en meertaligheid in de praktijk, zolang de regionale taal prioriteit behoudt, en zien vriendelijkheid en toegankelijkheid als essentieel voor moderne dienstverlening. De spanning toont de communautaire tegenstelling tussen juridische striktheid en sociaal-culturele flexibiliteit.
Eva Demesmaeker:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik ben opgelucht en misnoegd tegelijk. Ik ben opgelucht, want we hebben de voorbije dagen kunnen ontdekken dat de NMBS vriendelijk en hardwerkend personeel heeft, dat elke dag in de frontlinie staat, het aanspreekpunt is voor vele frustraties. Er zijn de voorbije weken heel veel frustraties bijgekomen. Tegelijkertijd ben ik enorm misnoegd, want helaas is de laatste dagen ook duidelijk geworden hoeveel belang de NMBS en u, mijnheer de minister, hechten aan onze taalwetgeving.
Laat er geen misverstand over bestaan, ik sta hier vandaag niet om de treinbegeleider die zich versprak bij een hartelijke begroeting, met het vingertje te wijzen. Een vergissing is begrijpelijk en wordt ook vergeven. Vriendelijkheid wordt geapprecieerd, maar de reactie van de NMBS is onjuist. De NMBS maakt gebruik van deze situatie om op te roepen om onze taalwetgeving minder streng te respecteren en dat gaat te ver. Onze taalwetgeving is geen vodje papier, het gaat over de fundamentele waarborg van onze rechten en culturele identiteit.
Wanneer zal dit stoppen? Wanneer gaat u eindelijk onze taalwetgeving respecteren?
Sammy Mahdi:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, een treinconducteur zegt bonjour en goedendag in de mooiste stad van Vlaanderen, in Vilvoorde. Dat is op zich een banaal gegeven. Het is geen ramp en het is al helemaal geen misdrijf. Het zou goed zijn als mensen vaker goedendag zeggen op straat. Het zou fijn zijn als er meer respect is voor elkaar. De man met pek en veren overladen, is het laatste dat we moeten doen.
Mijnheer de minister, u moeten we daarentegen wel met pek en veren overladen. Schaamteloos maakt u misbruik van dit voorval om te pleiten voor het herzien van de taalwetgeving. Schaamteloos maakt u gebruik van dit voorval om het Nederlands en het belang van het Nederlands in Vlaanderen helemaal weg te duwen.
Jaarlijks vestigen duizenden mensen zich in Vlaanderen. Wij proberen er in Vlaanderen voor te zorgen dat de mensen die naar Vlaanderen komen de taal leren, zich integreren, deel kunnen uitmaken van onze Vlaamse gemeenschap. En u zegt dat de taalwetgeving misschien moet worden herbekeken. Die vervreemding in de samenleving mag u bij u proberen te organiseren, maar niet in Vlaanderen. Het enige dat we vragen, is respect voor het Nederlands, zodat mensen hun kansen kunnen benutten.
De volgende spreker staat klaar, met een brede glimlach. De heer François De Smet van Défi denkt nu al dat hij een bondgenoot heeft gevonden voor de rechten van de Franstaligen in Vlaanderen, in de Vlaamse Rand. Dan kunnen ze eindelijk weer Frans spreken in Vlaanderen en dan moeten ze zich niet aanpassen en één gezamenlijke gemeenschap vormen.
Mijnheer de minister, vindt u het normaal dat men in Vlaanderen in het Frans bediend wordt? Wat bezielt u om de taalwetgeving in vraag te stellen en hier communautaire spelletjes te spelen?
François De Smet:
Monsieur le président, monsieur le ministre, je remercie le collègue Mahdi pour le teasing . Nous vivons une période assez morose et il se produit parfois des événements terribles. En effet, il semble que du côté de Vilvorde, un accompagnateur de train ait osé dire "bonjour". Il aurait même osé dire "goeiemorgen, bonjour" aux voyageurs.
Que lui a-t-il pris? Ce contrôleur s'est-il dit qu'il allait envahir la Flandre? S'est-il dit qu'il allait tenter de franciser les quelques voyageurs qui se trouvaient là? Je ne crois pas. Je crois qu'il a simplement fait preuve de courtoisie, de politesse et que c'est très bien ainsi. Son seul crime est sans doute d'avoir oublié que, dans quelques situations, les lois linguistiques sont peut-être appliquées en dépit du bon sens.
Moi, je crois qu'il est temps de changer de siècle. Un "bonjour" dans un train, monsieur Mahdi, ce n'est pas une convocation électorale. Ce n'est pas quelque chose d'officiel. Ce n'est que de la bonne entente. Vraiment! Quant à votre réaction, que la N-VA monte sur le sujet, je le comprends mais que vous montiez sur ce sujet, alors que cela fait six mois que vous devriez être en train de faire un gouvernement et que très objectivement on a autre chose à faire, cela montre que le nationalisme est quelque chose de poreux, malheureusement. Cela montre que le "tradinationalisme" peut avoir de l'influence même sur des esprits aussi brillants et rationnels que le vôtre. Je ne vous cache pas que cela m'inquiète pour la future Arizona.
Monsieur le ministre, je trouve que c'est une peccadille qui ne devrait même pas être traitée ici, si ce n'est qu'il y a la réaction de la SNCB qui me semble intéressante.
Monsieur le ministre, comptez-vous diligenter une enquête interne sur cet incident? Je suppose que non. Par contre, en tant que ministre, vous avez le pouvoir d'interroger la fameuse Commission permanente de Contrôle linguistique sur une série de choses. Peut-être pourriez-vous lui demander si, dans un certain nombre de cas, il serait vraiment grave que, de Knokke à Durbuy, on fasse des annonces en français et en néerlandais et pourquoi pas en anglais dans tout ce pays? (…)
Georges Gilkinet:
Goeiendag, bonjour. Chers collègues: je pense qu'un bonjour n'a jamais tué personne, que du contraire.
Vanochtend nog had ik het genoegen om reizigers te mogen begroeten op de eerste trein van de nieuwe verbinding tussen Parijs en Brussel. Ja, onze Nederlandse, Franse, Duitse, Luxemburgse en zelfs Britse buren nemen de trein om ons mooi land te bezoeken en er zijn ook Vlamingen die elke dag de trein nemen naar Wallonië en Brussel en Franstaligen die de trein nemen naar Vlaanderen en Brussel.
Et je le constate chaque jour quand je prends le train. Ce matin encore, entre Namur et Bruxelles, des accompagnateurs de train font de leur mieux pour être au service des voyageurs et les informer, qu'ils soient usagers quotidiens ou touristes; qu'ils soient Flamands en Wallonie, francophones en Flandre ou citoyens étrangers.
En tant que voyageur, et surtout en tant que ministre de la Mobilité, je trouve ça bien! Ce que nous attendons de la SNCB au 21 e siècle, c'est d'offrir un accueil de qualité à tous les voyageurs en veillant à leur sécurité et en leur communiquant une information aussi bonne, complète et compréhensible que possible.
Als het op een vriendelijke manier gebeurt, is het nog beter. Ik wil iemand citeren die u goed kent, mijnheer Mahdi, de CEO van de NMBS: "Dank aan onze treinbegeleiders om professioneel en enthousiast met onze reizigers te communiceren en voor hun goeiedag, bonjour , guten Tag, en nog een goed aantal meer. Informatie, veiligheid, en controle zijn essentieel; men kan niemand ooit genoeg een fijne dag toewensen." Ik moet u zeggen dat ik deze mening deel. Het choqueert mij absoluut niet dat een treinbegeleider de reizigers in het Nederlands en in het Frans begroet in Vilvoorde.
Si des voyageurs flamands sont accueillis en français et en néerlandais à Durbuy ou à Dinant, cela ne me choque pas.
Als hij Franstalige reizigers in het Frans en in het Nederlands begroet in Oostende, choqueert mij dat ook niet.
Plaider pour appliquer de façon souple et pour dépoussiérer une législation datant du siècle dernier pour qu’elle soit plus en phase avec la société d’aujourd'hui me semble être simplement une question de bon sens.
Dat lijkt me een kwestie van gezond verstand, veel meer dan een strikte, blinde toepassing van de taalwetgeving in het kader van het spoorvervoer, waarvoor sommigen pleiten.
Ik wil duidelijk zijn. De NMBS moet uiteraard voorrang blijven geven aan het gebruik van de taal van de regio waarin zij opereert om de passagiers te informeren. Het zou echter volledig gepast zijn, mocht zij ook in andere talen, waaronder de nationale talen, met hen kunnen communiceren om hen met respect te informeren. Dat zou ook bijdragen aan de aantrekkelijkheid van onze regio’s op het kruispunt van Europa.
Certains se disent attachés au multilinguisme dans ce pays. Je le suis. Depuis le début de la législature, je m'exprime, en Flandre comme en Wallonie, en néerlandais et en français. Au lieu de courir après les collègues nationalistes, je vous invite plutôt à vous réjouir que, tout en respectant la langue du territoire dans lequel elles se trouvent, des personnes au service de la société accueillent les citoyens dans plusieurs langues. C'est dans cette diversité que se trouve notre richesse.
Je pense que si nous étions plus nombreux à agir de la sorte, notre société se porterait mieux. En attendant, permettez-moi de m'étonner que certains considèrent que c'est la priorité du jour, alors qu'ils ont aussi un gouvernement à former! Permettez-moi également de souhaiter beaucoup de plaisir à leurs futurs potentiels partenaires!
Dames en heren, goeiemiddag, bon après-midi.
Eva Demesmaeker:
Mijnheer de minister, u maakt er een karikatuur van. Nogmaals, het gaat hier niet over de treinbegeleider die gewoon vriendelijk wou zijn en zich versprak. Het gaat om de reactie van de NMBS nadien, die oproept tot een versoepeling van de taalwetgeving.
Laat ik duidelijk zijn. Ik ben van de Brusselse Rand, zoals sommigen hier, en wij weten tot wat versoepeling leidt. Dat leidt tot taalfaciliteiten en die leiden uiteindelijk tot eentaligheid, waarbij het Nederlands niet meer van belang is en waarbij Nederlandstaligen cruciale informatie missen als de hulpdiensten hen niet begrijpen. Het leidt er ook toe dat Nederlandstaligen niet met hun bestuur kunnen communiceren.
Mijnheer de minister, ik heb het grootste respect voor ons spoorpersoneel, maar ik verwacht van u hetzelfde voor onze taal en onze identiteit.
Sammy Mahdi:
Mijnheer de minister, u verstopt zich achter de treinbegeleider om zelf voorstellen te doen voor de aanpassing van de taalwetgeving. Daarmee hebt u uiteindelijk uw eerlijke mening gegeven, namelijk dat er een soepelere wetgeving moet komen. Iedereen weet heel goed wat dat betekent.
Mijnheer de minister, ik zal mij meteen na de vraag inderdaad met belangrijke zaken bezighouden, maar ik geef u toch nog een tip mee. Wat voor mij belangrijk is, is dat u zich focust op uw taak: ervoor zorgen dat de treinen op tijd rijden. Als u dan toch niet meer in het Parlement bent, had u, in plaats van anderen de les te spellen, er de voorbije vijf jaar voor kunnen zorgen dat de kinderen in de scholen in Franstalig België verplicht Nederlands leren. Daarvoor had u kunnen zorgen. Het is een pure schande dat kinderen in het Franstalig onderwijs vandaag niet verplicht zijn om Nederlands te leren. Dan komt u ons hier de les spelen. Dag en bedankt. Bij deze de boodschap die ik graag meedeel. (Luid protest)
Rustig, collega's aan de linkerzijde, het komt allemaal goed. Ik weet dat het pijn doet, maar dat is niet erg. Sta me toe uit te spreken (…)
François De Smet:
Merci monsieur le ministre, pour votre réponse. Je pense que si une recommandation vient de la SNCB elle-même – qui, elle, ne favorise ni les francophones ni les flamands –, il faut quand même l'écouter. J'ai une anecdote. Cela se sait peut-être, j'ai un seul collaborateur parlementaire. Il s'appelle Christophe et je le salue. Il me racontait l'anecdote suivante. Hier, il a pris le train. Il a le bonheur d'habiter une commune appelée Jurbise dans le Hainaut. Son train s'arrête à Huizingen. Pour laisser passer des trains à grande vitesse, ce qui se fait fréquemment sur cette ligne, le conducteur de train fait quelque chose qui est visiblement interdit, mais à mon avis, cela se fait souvent. Il explique d'abord en néerlandais, mais aussi en français, la raison pour laquelle le train est arrêté quelques minutes. C'est simplement une question de sécurité, et il le fait aussi pour rassurer les voyageurs. Est-ce grave que cette annonce soit faite dans les deux langues? Cela va-t-il vraiment empêcher des gens d'apprendre le néerlandais ou le français? Je ne crois pas. Il est temps de passer à ce siècle-ci, d'encourager un maximum le bilinguisme et surtout d'être cohérent. L'emploi des langues dans les transports en commun peut se faire en deux, trois ou quatre langues, ça ne tuera personne!
De bescherming van de rechten van lgbtqia+'en
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 19 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de toenemende gewelds- en discriminatieincidenten tegen LGBTQIA+-personen in België, met name via datingapps en in de openbare ruimte. Minister Verlinden benadrukt bestaande maatregelen zoals referentieagenten in commissariaten, betere slachtofferopvang (EVA-cellen) en versterkte samenwerking met platforms via de *Digital Services Act*, maar wijst constitutionele aanpassingen (art. 150) door naar toekomstige debatten. Tourneur hamert op preventie en een cultuuromslag, waarbij daders – niet slachtoffers – zich moeten schamen, zoals in de zaak-Mazan. Concreet ontbreekt nog een systematische, landelijke uitrol van veiligheidsgaranties.
Aurore Tourneur:
"Ne me tiens pas la main, ça craint trop ici! On risque gros!" Cette phrase, c'est celle de tant de couples sur notre territoire. Les témoignages de personnes LGBTQIA+ évoquant la violence dont elles ont été victimes sont malheureusement devenus un fait d'actualité quotidien. Cette violence augmente, les signalements de discrimination aussi, qu'il s'agisse de guet-apens via l'application Grindr ou de violences verbales ou physiques en rue aux conséquences parfois dramatiques.
Unia est venu présenter son rapport voici quelques semaines au Parlement fédéral. Et l'institution l'a fait récemment au Parlement bruxellois. Il travaillait notamment à l'évaluation et au développement du projet pilote "equal.brussels" sur le signalement des crimes de haine contre les LGBTQIA+ et sur l'accueil des victimes de violences dans les commissariats. C'est une bonne pratique à multiplier sur tout le territoire pour que chaque victime bénéficie d'un accueil optimal.
Madame la ministre, allez-vous garantir des référents suffisants dans chaque commissariat et renvoyer systématiquement les victimes d'actes de violence vers la cellule EVA (Emergency Victim Assistance) de celui-ci?
Zult u bij datingapps aandringen om de garanties over gebruikersidentificatie te versterken en zo voor meer veiligheid te zorgen?
Als we in een rechtsstaat niet langer hand in hand op straat durven te komen, wordt het dan niet tijd om artikel 150 van de Grondwet uit te breiden om haat en homofobe uitingen effectiever te vervolgen in onze rechtbanken en gerechtshoven?
Annelies Verlinden:
Merci, collègue Tourneur.
Dans notre société, la violence, qu'elle soit verbale ou physique, à l'égard de la communauté LGBTQIA+ n'a pas sa place. Toute personne qui le souhaite doit pouvoir manifester des marques d'affection, que ce soit dans la sphère privée ou en public envers une autre personne pour autant, évidemment, que cette dernière y consente.
Lors de la dernière législature, le Plan national de lutte contre les violences de genre et le Plan national LGBTQIA+ ont été des gestes qui reflètent un engagement à renforcer les droits et l'inclusion. Le service de l'Égalité des chances lié à la secrétaire d' É tat à l' É galité des chances, des genres et à la Diversité a été désigné comme responsable du monitoring du plan d'action fédéral.
Les mesures prises concernent l'optimisation de la politique des poursuites liées à la discrimination, aux discours et aux crimes de haine – notamment en désignant des policiers de référence dans chaque corps de police local. Des mesures sont également mises en œuvre pour la sensibilisation et la formation des policiers mais aussi pour améliorer l'accueil et la prise en charge des victimes, notamment dans les Centres de Prise en charge des Violences Sexuelles.
Les cellules Emergency Victim Assistance (EVA) sont une initiative qui peut être implémentée par les chefs de zone de police. À Bruxelles, par exemple, ces équipes sont déjà actives et fonctionnent bien. J'ai d'ailleurs récemment visité le projet "Poésie Masculine".
Concernant les applications de rencontre, les plateformes elles-mêmes peuvent signaler des délits conformément à l'article 18 du Digital Services Act. Il faut absolument les encourager à entreprendre ces démarches. Chacun doit prendre ses responsabilités.
En ce qui concerne votre question sur l'article 150 de la Constitution, cet article a été déclaré ouvert à la révision lors de la précédente législature et j'attends avec impatience les futurs débats parlementaires.
Aurore Tourneur:
Merci, madame la ministre. Je suis contente d'entendre qu'il n'y a pas de citoyen de seconde zone dans notre pays. Je pense qu'au-delà de l'accompagnement des victimes d'actes de violence, il est important d'agir sur la prévention parce que de tels actes sont inacceptables et pour que chacun se sente en sécurité en rue. Comme pour le procès de Mazan: het is tijd voor angst en schaamte om van kant te veranderen.
De aansturing van de pro-Palestijnse protesten door de Islamitische Republiek Iran
Gesteld door
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 17 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy waarschuwt voor jihadistische infiltratie door Hezbollah (gestuurd door Iran) in Europese studentenbewegingen en eist actie tegen hun politieke en maatschappelijke ondermijning, terwijl hij Israël verdedigt als bolwerk tegen islamitisch extremisme. Minister Van Tigchelt bevestigt dat inlichtingendiensten Iraanse desinformatie en anti-Israëlische beïnvloeding monitoren, maar geen directe sturing van Belgische protesten zien, en wijst op versterkte wetgeving en capaciteit (budget, personeel, strafbaarstelling spionage) sinds 2020. Van Rooy kaart politieke naïviteit en mediabias aan, die hij ziet als faciliterend voor islamistische doelen, en hekelt het gebrek aan kennis over Hezbollah’s ideologische dreiging. De minister benadrukt structurele tegenmaatregelen, maar ontkent geen systemisch risico op langere termijn.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, Hezbollah is een verlengstuk van de Iraanse Revolutionaire Garde. Ze werken nauw samen op diverse vlakken. Het hoeft geen betoog dat deze moslimterroristen niet alleen uiterst vijandig staan tegenover het enige Joodse staatje, Israël, maar evenzeer tegen onze vrije samenleving, onze cultuur, onze niet-islamitische beschaving. We mogen Israël dus dankbaar zijn dat het deze jihadistische terreurorganisaties een zware militaire klap heeft toegebracht.
We moeten echter zelf ook dringend aan de slag. Na decennia van laks en globalistisch beleid nestelen de jihadistische tentakels van Hezbollah en de Iraanse Revolutionaire Garde zich ook in onze samenleving. In een recent interview erkende een kopstuk van de jihadistische terreurbeweging Hezbollah, Mohammed Raad, dat Hezbollah is geïnfiltreerd in studentenbewegingen in Europa. "We maken maximaal gebruik van westerse studentenbewegingen", aldus deze naamgenoot en volgeling van de islamitische profeet Mohammed. Uit gelekte documenten blijkt ook dat de jihadistische Iraanse Revolutionaire Garde door middel van een gecoördineerde operatie studentenprotesten in de Verenigde Staten en Europa aanstuurt of ondersteunt. Het doel is "Israël politiek te isoleren".
Mijnheer de minister, bent u hiervan op de hoogte? Wat wordt er ondernomen om dit soort jihadistische infiltratie en beïnvloeding door de Iraanse Revolutionaire Garde en Hezbollah tegen te gaan?
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer Van Rooy, het is de tweede keer dat u die vraag stelt, maar in het eerste antwoord was u blijkbaar niet geïnteresseerd.
Uiteraard zijn wij bekend met het gebruik van sociale media om desinformatie te verspreiden en het gebruik hiervan door bepaalde regimes om onze samenleving te destabiliseren. Met het Iraanse regime hebben we de voorbije twee, bijna drie jaar ervaring opgedaan in dit land. Dat Iran van deze technieken gebruikmaakt en anti-Israëlische protesten zou aansturen met dat doel, maar ook dat het zich daarmee kan profileren en zich kan opwerpen als steunpilaar van de politieke en militaire weerstand tegen Israël, wordt door onze diensten inderdaad als mogelijk ingeschat. Dat wordt opgevolgd door onze inlichtingendiensten, uiteraard binnen hun wettelijke bevoegdheden.
Onze inlichtingendienst laat me echter weten dat er voor ons land geen aanwijzingen zijn dat de protesten in België worden aangestuurd door zogenoemde interstatelijke actoren.
Ik hoop dat u weet dat er in de strijd tegen inmenging en spionage grote inspanningen zijn geleverd. Het gaat wellicht om de belangrijkste inspanningen sinds het einde van de Koude Oorlog. Ik verwijs naar de verhoging van het budget van de Veiligheid van de Staat, naar de verdubbeling van het personeelsbestand van de Veiligheid van de Staat, alsook naar de strafbaarstelling van spionage en inmenging, waaruit ook volgt dat de onderzoeksmogelijkheden waarover het parket, de onderzoeksrechter en de politie beschikken kunnen worden toegepast. Die strafbaarstellingen moesten worden geactualiseerd. Zij dateerden immers nog van het interbellum.
Voor uw tweede en derde deelvraag verwijs ik naar het eerdere antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken, die inderdaad nog steeds mijn collega is in de regering van lopende zaken.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de minister, ik herinner u aan een Ecoloparlementslid dat een aantal jaar geleden Hezbollah hier in het Parlement binnenloodste. De meeste politici, ook de politici van uw uittredende regering, hebben geen idee van wat de verderfelijke islamitische ideologie en jihadistische intentie is van Hezbollah en de Iraanse Revolutionaire Garde. De meeste journalisten hebben dat ook niet trouwens. Zij hebben het doorgaans te druk met het bashen van Israël, nota bene de enige vrije democratische samenleving in een woestijn van islamitische achterlijkheid en onderdrukking. Hun lafheid en oikofobie staan een rationele benadering en een harde aanpak van de islamisering in de weg. De meeste politici, academici en journalisten gedragen zich de facto als nuttige idioten van de moslimfundamentalisten. Mijnheer de minister, zolang dat het geval is, zullen de problemen alleen maar groter worden.
De juridische stabiliteit van de ENGIE-deal
De procedure van de VLIR voor het Grondwettelijk Hof tegen enkele artikelen van de Phoenixwet
De ENGIE-deal en de effecten op de afvalverwerking van universiteiten
De bezorgdheid van de universiteiten
De juridische en praktische gevolgen van de ENGIE-deal en de Phoenixwet voor universiteiten
Gesteld door
N-VA
Bert Wollants
VB
Kurt Ravyts
CD&V
Koen Van den Heuvel
Vooruit
Oskar Seuntjens
Gesteld aan
Tinne Van der Straeten
op 17 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De universiteiten (VLIR en Franstalige koepel) daagden de Hederawet (Phoenixwet) aan bij het Grondwettelijk Hof, omdat ze vrezen voor oneerlijke lastenverdeling en financiële onzekerheid door de *cap* op ENGIE’s kernafvalkosten, waardoor hun kleinere afvalstromen (medisch/wetenschappelijk) mogelijk extra belast worden. Minister Van der Straeten was verrast door de procedure, benadrukte dat Hedera’s 15 miljard voor ENGIE’s afval losstaat van andere producenten, en wees op gebrek aan voorafgaand overleg met universiteiten, die nu via NIRAS-tarieven betalen maar geen zicht hebben op langetermijnrisico’s. De kern van het conflict draait om retroactieve tariefaanpassingen en het ontbreken van een geïntegreerd systeem voor alle afvalproducenten, terwijl NIRAS en universiteiten al langer botsen over kostenverdeling—een politieke oplossing (via dialoog) wordt geprefereerd boven een juridische uitspraak, maar de universiteiten willen eerst gelijkheid in risicodraging. Risico’s voor de ENGIE-deal en LTO-projecten blijven beperkt, maar onduidelijkheid over de *cap* en toekomstige afvalfinanciering kan vertraging of heronderhandelingen afdwingen.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, ik had mijn vraag al ingediend voordat de persartikels zijn verschenen. Dat merkt u ook aan de inhoud.
De verschillende wetten gekoppeld aan de ENGIE-deal zijn ondertussen al enige tijd door het Parlement goedgekeurd. We weten ondertussen dat bepaalde delen daarvan worden aangevochten. U kunt ongetwijfeld meer details geven over de procedures die zijn gestart tegen een of meerdere wetten die met de ENGIE-deal verband houden.
Wat is de aanleiding voor die procedures? Welke tegenpartijen dienen zich aan?
Zijn er nog andere partijen dan de universiteiten waarover de kranten intussen berichtten?
Welke evaluatie maakt u hiervan? Zijn hiervan gevolgen te verwachten bij de praktische uitrol van de LTO-projecten en de hele ENGIE-deal?
Kurt Ravyts:
Mevrouw de minister, er werd blijkbaar een procedure bij het Grondwettelijk Hof ingesteld door de Vlaamse koepel VLIR tegen enkele artikels van de Phoenixwet, of eigenlijk de Hederawet, van april 2024.
In het kader van de deal met ENGIE is overeengekomen om de financiële verplichtingen in verband met het hoogradioactief afval en de gebruikte splijtstoffen voor een totaalbedrag van 15 miljard euro over te nemen. Dat weten we allemaal. Universiteiten en hun academische ziekenhuizen produceren nu eenmaal radioactief afval bij wetenschappelijke experimenten en medische activiteiten zoals diagnoses of kankerbestrijding. Het gaat wel om veel kleinere hoeveelheden en minder langlevend afval dan het kernafval van de elektriciteitsproductie. Zij vinden dat deze deal een dreiging van financiële onzekerheid voor hen inhoudt en een oneerlijke verdeling van de lasten met zich meebrengt. Dat is de kern van de zaak.
NIRAS heeft daarover vorige week haar visie gegeven in de subcommissie Nucleaire Veiligheid. Ik heb daar gevraagd hoe dat technisch in elkaar zit. Dat is zeer complex. De stelling van de universiteiten is dat er voor ENGIE een cap wordt vastgelegd, waarbij eventuele tekorten dan ten laste van de overige producenten vallen, waaronder de universitaire instellingen. Zij vragen de vernietiging van enkele artikelen van de Hederawet en een herziening van de regelgeving, met op de achtergrond het dispuut met NIRAS.
Ik hoor graag uw visie op die zaak. U zei in de pers dat u nog niet wenste te reageren op de juridische demarches omdat u het verzoekschrift nog aan het doornemen was. Misschien hebt u nu al wat tegenargumentatie klaar. Tot slot, heeft dit mogelijk een impact op de LTO?
Koen Van den Heuvel:
Mevrouw de minister, ik sluit mij aan bij de vorige vraagstellers en zal niet herhalen wat beide collega's al hebben gezegd. Ook bij ons leeft er onzekerheid en ongerustheid omdat de twee koepels van universiteiten naar het Grondwettelijk Hof zijn gestapt met betrekking tot de Phoenixwet. Zij zeggen dat er van alles fout loopt en vragen waarom sommige producten een cap krijgen en zij niet. Ik krijg dus graag wat verduidelijking.
Aanvullend, we weten dat er tussen de universiteiten en NIRAS al een tijdje wat wrevel bestaat. Kunt u daarover wat meer zeggen? Is er een oplossing in zicht voor de retroactieve retributies?
Oskar Seuntjens:
De vorige sprekers hebben het probleem duidelijk geschetst, dus ik zal dat niet herhalen. Als de universiteiten juridische stappen overwegen, dan zullen zij dat niet zomaar doen. Ik heb dan ook enkele concrete vragen die aansluiten bij die van de vorige sprekers.
Hoe beoordeelt u die bezorgdheden? Welke mogelijke oplossingen zijn er? Wat is de rol van NIRAS? Kunt u daarover wat meer duidelijkheid verschaffen?
Tinne Van der Straeten:
Geachte leden, er zitten verschillende elementen in mijn antwoord over de procedures op zich en een aantal beschouwingen over het statuut van de universiteiten en de verschillende entiteiten die al dan niet beschikken over nucleair afval. Vandaag hebben mijn administratie en ik eigenlijk niet veel informatie over de procedures. De verzoekschriften zijn nog niet aan de federale regering betekend en ik baseer mij dus aan de ene kant op het overzicht op de website van het Grondwettelijk Hof waaruit blijkt dat er inderdaad twee procedures zijn en aan de andere kant op de krantenartikels die hierover verschenen zijn.
Ik lees samen met u op de website van het Grondwettelijk Hof en in de krantenartikels dat de twee koepels, de Nederlandstalige en de Franstalige koepel, een beroep hebben ingediend tegen een aantal artikels van de Phoenixwet. Aangezien dat mijn informatie is, wil dat dus ook zeggen dat ik geen verdere toelichting kan geven bij de juridische argumenten die zij inroepen. Natuurlijk is het een procedure voor het Grondwettelijk Hof en de juridische argumenten gaan dus uiteraard altijd terug op het gelijkheidsbeginsel, maar tot nader orde heb ik geen verdere details over de juridische procedure an sich en de argumenten die ze aanhalen.
Sta mij echter toe om te zeggen dat ik wel zeer verrast was door die procedures. Ik had dat niet zien komen en er was op voorhand ook geen enkele indicatie dat een dergelijke procedure zou worden gestart. Het is dus niet zo dat er voorafgaand overleg was of dat er door de universiteiten contact was gezocht met mijn administratie, mijn team of anderen om te worden betrokken bij de onderhandelingen over een akkoord met ENGIE over de levensduurverlenging, waarvan afval een belangrijk onderdeel uitmaakt. De universiteiten zijn weliswaar geen elektriciteitsproducent, maar ze produceren wel afval, weliswaar ander afval. Zij hebben echter niet gevraagd om te weten waarover de deal gaat en of ze daar al dan niet bij betrokken konden worden. Niets van dit alles is op voorhand gebeurd en ik was dus erg verrast. Het is niet dat we de universiteiten niet kennen, want we hebben er redelijk veel contact mee, maar er is dus geen voorafgaand overleg geweest.
U kunt dan misschien vragen of wij niet met andere afvalproducenten hebben gesproken. Ik zal het overleg met ENGIE even kaderen. De onderhandelingen met ENGIE waren intensief en zijn gedurende lange tijd gevoerd. Ze gingen over de verlenging van de exploitatie van de kerncentrales Tihange 3 en Doel 4, waarbij de Belgische Staat enerzijds bevoorradingszekerheid wilde garanderen vanaf de winter van 2025 en ENGIE anderzijds zekerheid wilde hebben over haar afval. ENGIE is een elektriciteitsproducent die een eigen specifiek regime heeft, waarbij het werkt met een kernprovisievennootschap waarin de provisies worden aangelegd die onder toezicht staan van de Commissie voor nucleaire voorzieningen. Zij hebben een totaal ander systeem. De universiteiten werken met overeenkomsten met MYRRHA. Ik zal daar zo meteen iets meer over zeggen. In het kader van ENGIE waren we in dat bestek aan het werken.
De universiteiten waren daar dus niet bij en het was op dat moment ook niet nodig om ze te betrekken bij die onderhandelingen aangezien het over de bevoorradingszekerheid ging. Het was de bedoeling dat Hedera enerzijds de 15 miljard euro te betalen door ENGIE zou beheren en anderzijds de kosten onder controle zou houden. Bij de oprichting van Hedera hebben we altijd op de radar gehad dat Hedera in de toekomst idealiter over het beheer van alle afval zal gaan, met de inkanteling van de nucleaire passiva, wat wel in de Hederawet is voorzien. In de Hederawet is nog niet voorzien dat de andere afvalstromen er op termijn ook in ondergebracht kunnen worden. Daarvoor was de tijd te kort en u weet wat we nog in orde moeten brengen voor Hedera. We kunnen niet alles tegelijk doen.
Als daar andere afvalproducenten bij betrokken worden, is het aangewezen te onderzoeken of zij een dergelijke regeling verkiezen. De universiteiten hebben momenteel tariefakkoorden met NIRAS en ik begrijp dat er een haar in de boter is gekomen door die tariefakkoorden. Volgens mij heeft dat onderliggend probleem geleid tot het beroep. Let wel, dat is mijn interpretatie. Natuurlijk zullen de universiteiten erover moeten nadenken of zij zulke regeling verkiezen en bijgevolg ook een risicopremie willen betalen en dat prudentieel toezicht van het Parlement willen. Het is een totaal verschillend systeem. Hedera is op dat vlak een gamechanger.
Het zou volgens mij beter zijn dat de betrokken partijen, NIRAS en de overheid onderzoeken hoe de regeling voor de universiteiten gewijzigd kan worden in plaats van het uit te vechten voor het Grondwettelijk Hof, hoewel het de partijen vrij staat dat te doen. Zij focussen nu erg op de tarieven die op hen van toepassing zijn, maar bij provisies horen ook nog andere zaken, bijvoorbeeld de beschikbaarheid van de middelen. In de inventaris nucleair afval van NIRAS staat dat men gehouden is tot boekhoudkundige voorzieningen in de rekeningen. ENGIE Electrabel moet verplicht voldoende provisies aanleggen en die moeten ook beschikbaar zijn om risico’s af te dekken. Ook het debat daarover zal dan moeten worden gevoerd.
Ik wacht momenteel de betekening van de verzoekschriften af. Op basis van de inhoud ervan zullen we een aantal zaken nader bekijken. Het is dan de vraag of de regering in lopende zaken zelf nog het initiatief zal nemen om met NIRAS en de universiteiten samen aan tafel te zitten om naar oplossingen te zoeken. Het zal ook afhangen van de keuze van de universiteiten om de kwestie al dan niet voor het Grondwettelijk Hof af te handelen.
Ten slotte heb ik een aantal krantenartikelen gelezen, waarin stond dat de universiteiten er vooral voor bevreesd zijn dat de kosten voor het beheer van het afval dat zij produceren, zouden verhogen, indien de fondsen in het kader van Hedera ontoereikend zijn. Dat is feitelijk onjuist. Dat klopt niet. Het gaat niet om communicerende vaten. Zelfs mocht alles worden ondergebracht in het kader van Hedera, moet er geringfencet worden.
Ik ben ook niet helemaal zeker of de universiteiten voldoende op de radar hebben wat de consequenties zijn of wat de inhoud is van de regeling voor het afval, die werd afgesproken met ENGIE.
Bert Wollants:
Mevrouw de minister, ik dank u voor de verduidelijking.
Er moet in ieder geval worden bekeken op welke manier in dialoog kan worden gegaan met de universiteiten om vast te leggen waar we willen landen. Het zal altijd een inschatting blijven welke kans een dergelijke zaak maakt en het effect daarvan op de hele deal. Mocht op een bepaald moment uit die dialoog blijken dat de cap een probleem is – ik stel het heel voorwaardelijk –, dan is er een probleem met de hele deal en moet een en ander worden herbekeken.
Ik heb ondertussen uit de vergadering van de subcommissie Nucleaire Veiligheid ook begrepen van NIRAS dat een deel van het probleem ligt in het feit dat in het verleden is gewerkt met te lage tarieven, waardoor moest worden bijgepast. Dat bijpassen gebeurde in het verleden vooral door de grootste producenten, in casu de nucleaire exploitanten, die in het kader van de cap nu natuurlijk ook niet meer bereid zijn die stap te zetten. Ik kan mij moeilijk voorstellen dat men met Hedera die stap wel zou zetten en de tekorten zou opvangen die zich bij andere producenten voordoen. Dat moet mee worden bekeken in het geheel der zaken. Dat mogen we alleszins niet op zijn beloop laten, want het is riskant om af te wachten welk standpunt het Grondwettelijk Hof uiteindelijk in het dossier inneemt.
Misschien moeten er stappen worden ondernomen. Of dat kan door de regering in lopende zaken dan wel door de nieuwe regering, is een moeilijke vraag. Op een bepaald moment moeten we vermijden dat bepaalde effecten zouden opduiken. De gevolgen daarvan kunnen immers weleens heel erg verstrekkend zijn.
Kurt Ravyts:
Ik deel de interpretatie van de heer Wollants. Ik was eveneens aanwezig in de vergadering van de subcommissie en ook ik interpreteer het dat de Hederawet een gevolg heeft voor de huidige manier van werken van NIRAS met afvalproducenten. Dat is de link. Zolang we geen zicht op het resultaat van het verzoekschrift hebben, kunnen we nog niet veel zeggen.
U hebt wel een punt met uw argument dat men moet weten wat men wil en in welk systeem men wil instappen.
Kortom, ik deel de bezorgdheid van mijn collega over de mogelijke impact op de totaliteit van de Hederawet.
Koen Van den Heuvel:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Het is voor iedereen duidelijk dat we hier de nodige omzichtigheid aan de dag moeten leggen. Het principe van de cap is heel delicaat. We moeten de kwestie scherp in het oog houden. Nu er een zaak bij het Grondwettelijk Hof aanhangig werd gemaakt, moeten we toch de consequenties daarvan bekijken.
Mevrouw de minister, u hebt niet met de andere producenten rond de tafel gezeten. U hebt ook gezegd waarom. Dat is duidelijk.
Het zou ook goed zijn dat in het dispuut tussen de universiteiten en NIRAS faciliterend wordt opgetreden om daar tot een goede oplossing te kunnen komen.
Oskar Seuntjens:
Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van mijn collega's. Het is belangrijk dat we het dossier goed opvolgen.
De afgelasting van een boekvoorstelling na islamitische dreigementen
Gesteld door
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 4 december 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Darya Safai kaart de bedreiging van vrije meningsuiting aan door de afgelasting van een boekvoorstelling over islamisering in scholen (met getuigenissen over intimidatie en radicalisering) na islamitische dreigingen, verwijzend naar moorden zoals die op Samuel Paty. Minister Verlinden benadrukt dat vrije meningsuiting onvoorwaardelijk verdedigd moet worden, maar wijst erop dat de afgelasting een eigen beslissing van Fnac was—zonder overleg met overheden—en dat politie en justitie proactief optreden bij bedreigingen via risicoanalyses, de TER-strategie (terrorismebestrijding) en platforms zoals LIVC-R voor vroege signalering van radicalisering. Safai dringt aan op voorafgaande veiligheidsgaranties voor dergelijke evenementen om toekomstige aflastingen te voorkomen. De minister bevestigt structurele samenwerking tussen diensten om extremisme tegen te gaan, maar zonder concrete nieuwe maatregelen.
Darya Safai:
Mevrouw de minister, de boekvoorstelling van Allah n'a rien à faire dans ma classe , een journalistiek onderzoek naar islamisering in Franstalige scholen, die gepland was op 16 november in de Fnac in Sint-Lambrechts-Woluwe, werd geannuleerd nadat er bedreigingen waren geuit tegen de twee auteurs uit islamitische hoek.
Het boek dat door de journalisten Jean-Pierre Martin en Laurence D'Hondt is geschreven, is een alarmkreet en verzamelt getuigenissen van leraren die praten over hun eenzaamheid en hun angst tegenover de islamitische ideologie die in hun scholen aanwezig is. Het is een onderwerp dat gevoeliger ligt dan ooit, zoals blijkt uit de afgelasting van dit evenement.
Er zijn ernstige bedreigingen tegen iedereen die de vrijheid van meningsuiting wil verdedigen. Dat weet ik ook uit mijn eigen ervaring. Zelf ben ik geboren en opgegroeid in een islamitisch land en ik weet beter dan wie ook hoe moeilijk het is om kritiek te hebben op bepaalde onaanvaardbare aspecten van de islamitische ideologie.
Hier in het Westen verwacht men dat wij onze vrijheden hoog in het vaandel dragen, de vrijheden waarvoor onze ouders hebben gestreden, ook de vrijheid van onze leerkrachten om correcte informatie te geven en de twee topjournalisten die proberen te schetsen hoe moeilijk de toestanden van onze leerkrachten zijn in klassen met radicale moslimleerlingen. Ze intimideren, bedreigen en moorden zelfs, zoals het geval was bij de Franse leerkracht Samuel Patty.
De onderdrukking van vrijheid van meningsuiting en het recht op juiste informatie vergt tijdige actie. We mogen nooit toegeven.
Mevrouw de minister, wat is uw mening hierover? Wat kunt u doen in de toekomst om ervoor te zorgen dat zulke evenementen veilig kunnen plaatsvinden?
Annelies Verlinden:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw Safai, laat mij duidelijk stellen – hierover zijn wij het meer dan eens – dat de vrijheid van meningsuiting een van de meest fundamentele pijlers van onze democratie en van onze rechtsstaat is, die wij te allen tijde moeten verdedigen. We moeten er alles aan doen opdat de vrijheid van meningsuiting in ons land bewaard kan blijven.
Volgens de informatie waarover ik beschik, werd de boekvoorstelling, gepland op 16 november in het Fnacfiliaal in Sint-Lambrechts-Woluwe niet geannuleerd door de burgemeester of een andere administratieve overheid, maar wel door de lokale directie van Fnac zelf. Dat is zonder voorafgaand overleg met de bestuurlijke overheden gebeurd. Als minister van Binnenlandse Zaken is het natuurlijk moeilijk om zonder dat voorafgaande overleg commentaar te hebben op of opmerkingen te maken over de eigen beslissing van de onderneming. Wel kan ik erop wijzen dat wanneer de politiezone na de gebeurtenis op de hoogte werd gebracht, stappen werden gezet om de veiligheid van de winkel te garanderen. Bovendien werden tot nu toe bij mijn weten geen incidenten gemeld.
Elk evenement dat een verstoring van de openbare orde kan veroorzaken, wordt onderworpen aan een risicoanalyse van de politie, die in overleg met de bestuurlijke overheid vervolgens maatregelen kan nemen indien nodig om het goede verloop van het evenement te kunnen garanderen. Politie en parket handelen proactief met betrekking tot personen die bedreigingen zouden kunnen uiten die mogelijk aanzetten tot haat of geweld. Wanneer er sprake is van strafbare feiten, worden zij vervolgd. Daarnaast is er ook de Strategie TER. Die strategie, gecoördineerd door het OCAD, heeft tot doel voldoende veerkracht te tonen in de strijd tegen terrorisme en extremisme, terwijl de fundamentele rechten en vrijheden van burgers worden beschermd.
Een veilige en pluralistische samenleving waarin iedereen zich zonder angst voor geweld of vervolging kan uiten, is een absolute voorwaarde. Om dat te bereiken, moeten de juiste structuren en platformen worden opgezet. Het is daarbij belangrijk om de oprichting en de werking van LIVC-R te blijven bevorderen om tekenen van radicalisering, ongeacht de ideologie, zo vroeg mogelijk op te sporen en om de diensten die in contact staan met de burgers bewust te maken van het feit dat dit platform de juiste plaats is om informatie uit te wisselen en te delen.
Als een sociaal-preventieve aanpak niet volstaat, kunnen de veiligheids- of gerechtelijke diensten op basis van informatie-uitwisseling de nodige maatregelen treffen om de dreiging zoveel mogelijk te beperken.
Het is dus een dagelijkse taak om te blijven sensibiliseren en te zorgen voor een goede samenwerking tussen alle actoren, teneinde de dreiging van extremistische ideologieën zoveel mogelijk te verminderen.
Darya Safai:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitleg. Ik ben blij te horen dat u ook heel hard erom geeft dat de betrokkenen gewoon in alle vrijheid hun pleidooi kunnen brengen. Dat is heel belangrijk.
Ik weet dat niet veel opiniemakers of schrijvers hetzelfde gewone risico nemen. Ik ben blij te horen dat de betrokken diensten zullen instaan voor hun veiligheid, indien dat nodig is. Dat is belangrijk. Zij moeten immers zeker weten dat wij er zijn wanneer zij het gewoon vragen.
Ik snap dat Fnac het evenement heeft afgelast. Mocht het echter op de hulp van onze veiligheidsdiensten kunnen rekenen, zal dat steeds minder gebeuren.
Daarom ben ik blij te horen dat u een en ander in de toekomst zeker zult blijven doen. U kunt misschien ook op voorhand voorstellen dat u samen met de veiligheidsdiensten voor het goede verloop zal instaan. Dat hebben wij nu broodnodig. Anders zullen zij de zaak overnemen.
Voorzitter:
Vraag nr. 56001231C van mevrouw De Vreese is omgezet in een schriftelijke vraag.
De steekpartij in Brussel waarbij een 25-jarige student om het leven kwam
Zinloos geweld en steekpartijen in Brussel
De schietpartijen in Anderlecht
Geweldsincidenten en dodelijke aanvallen in Brussel en omgeving
Gesteld door
VB
Ortwin Depoortere
N-VA
Maaike De Vreese
Les Engagés
Pierre Kompany
Gesteld aan
Annelies Verlinden (Minister van Binnenlandse Zaken)
op 13 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de alarmerende stijging van gewelddadige criminaliteit in Brussel, met name dodelijke steek- en schietincidenten (76 schietpartijen in 2024, +39% in hotspots zoals Anderlecht), vaak drugsgerelateerd maar ook bij roofovervallen. Critici (o.a. N-VA) wijzen op structurele tekortkomingen: gebrek aan harde strafmaatregelen, onvoldoende samenwerking tussen de zes Brusselse politiezones, en een taboe op de link tussen daderprofielen (migrantenachtergrond) en criminaliteit, terwijl ze pleiten voor één geïntegreerde politiezone. Minister Verlinden benadrukt versterkte patrouilles, federale steun (o.a. FERES-reserve) en een "ijschbergstrategie" (drugsbestrijding + sociale preventie), maar erkent dat de stijgende cijfers (6 moorden in Anderlecht vs. 1 in 2023) extra maatregelen vereisen, met evaluatie in december. Consensus: de huidige aanpak is onvoldoende, maar oplossingen blijven verdeeld (repressie vs. systeemwijziging).
Ortwin Depoortere:
Mevrouw de minister, vorige week in de nacht van woensdag op donderdag werd Brussel opnieuw opgeschrikt door een zoveelste geweldsincident met dodelijk gevolg. Een 25-jarige student kreeg op zeer brutale wijze een messteek in de buik. Ondanks de reanimatiepogingen van de hulpdiensten overleed hij aan zijn verwondingen. Het goede nieuws, de twee 18-jarige 'jongeren', de vermoedelijke daders, die de student ook van zijn gsm wilden beroven, werden opgepakt door de politie.
Dit doet mij denken aan Joe Van Holsbeeck, door sommigen misschien nog gekend. De 17-jarige jongeman werd in het station van Brussel-Centraal gedood door twee Roma-jongeren die zijn mp3-speler probeerden te stelen. Mevrouw de minister, eigenlijk is de situatie sinds 2006 niet verbeterd in Brussel, en misschien ook niet in andere grootsteden.
Stelt men ook cijfermatig vast dat het aantal zeer gewelddadige overvallen met dodelijke afloop in stijgende lijn zit in Brussel?
Gaat men na wat het profiel is van de daders, welke nationaliteit zij eventueel hebben?
Welke maatregelen hebt u al genomen? Zijn deze voldoende of moeten die nog aangepast worden aan de omstandigheden, die misschien wel steeds gewelddadiger worden?
Kan de Brusselse lokale politie dit nog aan? Er zijn zes Brusselse politiezones en er is nogal wat onenigheid over de globale aanpak van criminaliteit in Brussel. Moet de federale regering daar niet bijspringen?
Welke concrete acties zult u daarvoor ondernemen?
Maaike De Vreese:
Collega Depoortere heeft de gruwelijke feiten die vorige week hebben plaatsgevonden al zeer goed geschetst. In naam van onze fractie wil ik ons medeleven betuigen aan de familie en vrienden van het slachtoffer hier en in Singapore. Die jongen kwam hier zijn droom verwezenlijken om verder te studeren. Die droom is geëindigd in een totale nachtmerrie.
In Brussel gaat het niet om een alleenstaand feit. We merken dat er nog sprake is van zinloos geweld. Het gaat om zeer laffe geweldsdaden. Volgens de statistieken van de federale politie liggen de cijfers van dat soort misdrijven tegen de lichamelijke integriteit op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog steeds hoog, evenals de cijfers van moord en doodslag.
Het spreekt voor zich dat we in ons land nooit zinloos geweld mogen tolereren. We moeten daar keihard tegen optreden. De daders moeten zeer hard worden gestraft. Veiligheid moet de kerntaak, de absolute prioriteit zijn van de overheid. We passeren allemaal wel eens langs de Beurs op een of ander moment van de dag. Ik wil me niet inbeelden dat een van mijn naasten op een dermate brutale manier zou worden aangepakt.
Mevrouw de minister, we moeten dat voorval aangrijpen om werk te maken van de strijd tegen zinloos geweld. Kunt u me een laatste stand van zaken geven van het trieste voorval van 7 november 2024?
Kunt u meer uitleg geven bij de cijfers van de misdrijven tegen de lichamelijke integriteit op het Brusselse grondgebied? Hoeveel incidenten waren er met steekpartijen en hoeveel schietincidenten? Bij hoeveel incidenten was er een fatale afloop?
Welke stappen hebt u genomen in het verleden om die situatie aan te pakken en welke zult u nog nemen?
Wanneer hebt u daarover overleg gepleegd met de Brusselse minister-president en met de minister van Justitie? Wat leverde dat overleg op?
Pierre Kompany:
Madame la ministre, le quartier Aumale, dans la commune d'Anderlecht, est le théâtre d'une guerre de territoire sans précédent, que se livrent les acteurs du milieu de la drogue. La recrudescence de ce phénomène de guerre de territoire nous amène à des conséquences de plus en plus tragiques. Ces conséquences déséquilibrent les habitants du quartier. À titre d'exemple, on a dénombré pas moins de cinq fusillades en moins d'une semaine, au cours du mois d'octobre. La situation est donc devenue grave.
Je suis contacté par de nombreux citoyens qui craignent pour leur vie et celle des membres de leur famille. En tant qu'autorité, il est essentiel que nous puissions répondre à ce sentiment d'insécurité qui ne cesse de grandir. Montrer que de tels actes font l'objet de poursuites est une nécessité et une obligation de l'autorité qui gère le pays.
Madame la ministre, confirmez-vous une recrudescence des faits criminels à Anderlecht, en comparaison avec les autres années? Comment réagissez-vous face à la montée de cette violence? Quel suivi avez-vous réservé à cela? Avez-vous rencontré la commissaire nationale de lutte contre la drogue à ce sujet? Quelles mesures sont-elles prévues pour restaurer la sécurité? Comment le pouvoir fédéral compte-t-il s'organiser, avec les autorités locales, pour lutter efficacement contre le trafic de drogue? Comptez-vous déployer la réserve fédérale pour soutenir les effectifs de la police locale? Comptez-vous organiser des actions coup de poing dans ladite commune? Combien d'effectifs policiers locaux et fédéraux sont-ils affectés à la sécurité de cette commune? Pouvez-vous ventiler par catégories: policiers fédéraux, locaux, agents de sécurité? Comptez-vous recruter et affecter par mobilité des effectifs fédéraux supplémentaires? Si oui, combien?
Annelies Verlinden:
Geachte leden, zoals u al schetste, kreeg de politiezone Brussel HOOFDSTAD Elsene op donderdag 7 november omstreeks 2.30 uur de oproep dat een man gewond was geraakt na een messteek. De politie was snel ter plaatse en diende het slachtoffer de eerste hulp toe tot de hulpdiensten en de mug ter plaatse waren. Het slachtoffer werd in levensgevaar naar het ziekenhuis overgebracht, waar hij aan zijn verwondingen overleed.
Het gaat om een 25-jarige man van Singaporese afkomst die in België studeerde. Ik wil bij dezen mijn blijk van medeleven uitdrukken aan de familie en de vrienden, ook in het verre buitenland.
Het gerechtelijk onderzoek naar het incident loopt nog. Daarom kan en mag ik geen verdere details geven over het dossier.
Wat dergelijke incidenten in Brussel betreft, kan ik u de volgende informatie meegeven. Tot eind oktober 2024 waren er 76 schietincidenten met 8 doden en 5 gewonden. In 2022 waren dat er 56, met 3 doden en 26 gewonden. In 2023 waren het er 62, onder wie 4 doden en 28 gewonden. Ongeveer 70 % van die incidenten en schietpartijen is drugsgerelateerd, zo’n 10 % heeft een andere oorzaak, en de onderliggende reden voor de circa 20 % resterende schietincidenten is niet duidelijk. Er is geen eenduidige oorzaak die de stijging van dergelijke geweldsdelicten verklaart. Ik trap een open deur in als ik zeg dat allicht de toenemende illegale drugshandel daarin een rol speelt.
De Brusselse politie heeft al een aantal maatregelen genomen, waaronder de versterkte aanwezigheid van zichtbare en discrete patrouilles binnen de bijzondere aandachtszones, de zogenaamde hotspots. De politieaanwezigheid werd ook verder verhoogd en het precieze aantal politiepatrouilles in de Brusselse stadskern is uiteraard steeds plaats- en tijdsgebonden.
Wat de ondersteuning door de federale politie betreft, waartoe wij eerder overgingen, levert de federale politie een gerichte steun, en dit uiteraard in overleg met de lokale politie. De betrokken korpschefs melden ons dat dit in goede samenwerking verloopt. De ondersteuning door de federale politie zal in december geëvalueerd worden. Uiteraard levert ook de federale gerechtelijke politie een aanzienlijke bijdrage aan het identificeren en het ontmantelen van druggerelateerde clans in Brussel.
Wat de verzameling en uitwisseling van informatie over strafbare feiten betreft, wordt periodiek een vertrouwelijk rapport opgesteld over de belangrijke feiten die gepleegd zijn in Brussel. Dat rapport wordt opgesteld door de diensten van de DirCo van Brussel.
Collègue Kompany, les informations fournies par la zone de police Midi montrent une augmentation des incidents criminels dans les quartiers d'Aumale, notamment en lien avec le trafic de drogue et la détention illégale d'armes et/ou de munitions.
Entre 2023 et 2024 – jusqu'au 12 novembre –, on note une augmentation de 39 % des faits de criminalité enregistrés pour le hotspot Aumale. Les meurtres et assassinats ont connu une augmentation en 2024. Six cas ont été enregistrés cette année contre un seul en 2023. Parmi les faits de criminalité, 30 % concernent des vols, tous types confondus. Les faits de vandalisme représentent 16 % de la criminalité enregistrée; viennent ensuite les infractions liées aux stupéfiants qui comptent pour 14 %.
Pour faire face à cette violence, une approche polici è re à deux volets a entre autres été développée: d'une part, un volet préventif avec la présence quotidienne de patrouilles dynamiques de la police et d'autre part, un volet répressif avec l'organisation réguli è re d'opérations de police dans les différents hotspots identifiés dans la commune d'Anderlecht.
J'entretiens régulièrement des contacts avec la commissaire nationale Drogues dans le cadre de la stratégie d'iceberg qui suppose une approche structurelle et durable qui implique des acteurs de la lutte contre la criminalité organisée, en partant du citoyen jusqu'aux plus hautes autorités de l' É tat. Cette approche transversale doit permettre d'augmenter la résilience de la société face aux sirènes du crime organisé qui n'a pour objectif que la recherche du profit immédiat aux dépens de notre É tat de droit. Dans cet effort, le Commissariat national Drogues soutient notamment safe.brussels et les communes bruxelloises.
En ce qui concerne l'approche de ces incidents à Bruxelles, la stratégie déployée pour augmenter la sécurité et améliorer le quotidien dans les hotspots est axée sur plusieurs points: la sécurité, la prévention, la cohésion sociale et l'infrastructure.
Les opérations coup de poing n’ont aucun sens sans investissement dans les autres axes. En outre, ces mesures sont combinées de manière à ce que chaque hotspot fasse l’objet d’une approche dédiée à la spécificité du lieu et à ses besoins.
Comme déjà mentionné depuis la fin du mois d’octobre, la réserve de la police fédérale, le FERES, est déployée pour soutenir les effectifs de la zone de police Midi dans le cadre des patrouilles de surveillance dynamique.
Pour ce qui concerne les hotspots de cette zone de police, pour le mois de novembre, 15 policiers locaux, 18 membres du FERES et une section du corps d’intervention de Bruxelles sont engagés quotidiennement.
La police locale n’est cependant pas laissée seule pour affronter ces problèmes. Elle peut compter sur la police fédérale pour lui venir en aide et lui fournir des renforts quand cela est nécessaire.
Ortwin Depoortere:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.
De collega van de N-VA heeft het over zinloos geweld. Ik hou niet van die term. Er is geweld en ik denk niet dat er zoiets bestaat als zinvol geweld. Dit is normvervaging die ontstaat.
Mevrouw de minister, u zegt dat de meeste steekincidenten met dodelijke afloop drugsgerelateerd zijn, maar dit was hier niet het geval. Hier ging het om een roofoverval op een 25-jarige student die men gewoonweg zijn gsm wilde afnemen.
Eén aspect hoorde ik niet in dit antwoord, noch bij de collega's, en dat is de correlatie tussen de afkomst van de dader en de criminaliteit. Dat is voor mij en mijn partij de olifant in de kamer. Sluit uw ogen daar toch niet voor. Dit is een fenomeen in Brussel dat we ook steeds meer zien opduiken in andere grootsteden.
Tot slot, criminaliteit blijft niet beperkt tot één Brusselse politiezone. Men verschuift het probleem alleen maar als men verder blijft doen met zes verschillende politiezones. Mevrouw de minister, u weet dat mijn fractie een wetsvoorstel heeft ingediend om de politiezones in Brussel een te maken. Wij zullen daarop blijven hameren en dat wetsvoorstel opnieuw indienen. Ik hoop dat de volgende regering daar meer oor naar zal hebben dan de vivaldiregering.
Maaike De Vreese:
Mevrouw de minister, ik heb gesproken over gruwelijk geweld dat inderdaad drugsgerelateerd is. De cijfers die u geeft, tonen een stijging aan. Dat betekent dat we voor de aanpak daarvan ook een versnelling hoger zullen moeten schakelen. Wat we nu doen, is niet voldoende.
We zullen dit geweld nooit voor 100 % kunnen voorkomen. Dat is een illusie, maar we moeten wel een versnelling hoger schakelen om daar keihard tegen te kunnen optreden. Dat zal zijn door op verschillende vlakken samen te werken. De federale politie kan dat niet alleen doen, maar wel samen met de lokale politie en vele andere spelers op het terrein.
We zullen ons uiteindelijk ook moeten buigen over het vraagstuk van Brussel en de politiezones, over een eengemaakte politiezone om de hele problematiek aan te pakken. Er is het drugsgerelateerde geweld, maar er zijn in Brussel nog veel andere problemen. We moeten dit absoluut ernstig nemen.
Pierre Kompany:
Madame la ministre, j'ai entendu la réponse. J'aurais peut-être envie de conseiller mais ce n'est pas mon rôle, parce que vous avez déjà décrit beaucoup d'éléments que vous abordez et qui me satisfont. Je prends pour exemple la procédure structurelle avec la surveillance dynamique entre la police fédérale et la police locale ou les services locaux. Vous avez également indiqué qu'une évaluation aura lieu en décembre. Je m'en tiens à cela pour évaluer ce que je pense qu'on peut faire. C'est surtout le programme de sensibilisation de la population qui est très important et je ne sais pas comment il sera abordé.
Het verhogen van het aantal uren studentenarbeid
Gesteld door
Gesteld aan
Frank Vandenbroucke (Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid)
op 6 november 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De tijdelijke verhoging van studentenarbeid van 475 naar 600 uur (2023-2024) loopt eind 2024 af, maar de evaluatie over de impact op sociale zekerheid en arbeidsmarkt is nog niet afgerond, aldus minister Vandenbroucke, die de beslissing bij een toekomstige regering met volmacht legt. Axel Ronse vreest een terugval naar 475 uur in 2025 door regeringsvormingsvertraging en diende alvast een wetsvoorstel in om 600 uur structureel te behouden, maar wil de evaluatie afwachten voor verdere stappen. De kernkwestie draait om de balans tussen flexibiliteit voor studenten en sociale zekerheidsgevolgen.
Axel Ronse:
Aangename kennismaking, mijnheer de minister. Ik heb voor u een vraag over de studentenarbeid. De federale regering in lopende zaken heeft in 2022 bepaald dat studenten 600 uur onder het statuut van jobstudent kunnen werken. Aangezien dat een maatregel voor twee jaar was, loopt die regeling binnenkort af. Men zou vooraleer die maatregel afloopt een evaluatie maken om na te gaan of die al dan niet verlengd kan worden.
Mijn vraag is vrij eenvoudig. Is die evaluatie al klaar en kunt u er iets meer over zeggen?
Frank Vandenbroucke:
Aangename kennismaking, mijnheer Ronse. U weet dat studenten sinds 2017 tot 475 uur per jaar kunnen werken zonder onderworpen te zijn aan de sociale zekerheid voor werknemers. De studenten en hun werkgevers betalen dus niet de normale sociale bijdrage, maar een beperkte solidariteitsbijdrage.
Voor de jaren 2023 en 2024 heeft de regering dat aantal uren verhoogd naar 600 uur per jaar. Dat was uitdrukkelijk een tijdelijke oefening. Indien studenten meer willen werken dan 600 uur, kunnen ze dat, maar dan zijn ze de normale sociale bijdragen verschuldigd. Zoals voorzien was in het koninklijk besluit van 19 december 2022, moet deze maatregel eerst grondig worden geëvalueerd. Mijn collega Dermagne en ik hebben onze administraties belast met de evaluatie van de effecten op de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt van de verhoging van het aantal uren.
Ik moet u teleurstellen, want uw vraag komt in zekere zin net iets te vroeg. De evaluatie wordt op dit moment afgerond en ik hoop dat we die relatief snel in handen zullen krijgen. Het is natuurlijk aan de volgende regering, met volheid van bevoegdheden, om op basis van die evaluatie te beslissen of de regeling verlengd of aangepast wordt, met het oog op het goed inkaderen van studentenarbeid in ons sociaal bestel.
Axel Ronse:
Mijnheer de minister, het enige punt is dat de maatregel eind dit jaar vervalt, waardoor we vanaf 2025 terugvallen op 475 uur. Het is nog niet geheel duidelijk, en vandaag misschien zelfs nog onduidelijker dan vorige week, of er tegen januari 2025 een nieuwe regering met volheid van bevoegdheid zal zijn. Ik zal zelf niet wachten op de evaluatie en alvast een wetsvoorstel indienen om die 600 uur voor de komende jaren mogelijk te maken. Uiteraard hoop ik dat de evaluatie de komende weken het Parlement binnenkomt, zodat die samen met het wetsvoorstel behandeld kan worden. Het lijkt me nuttig om de inhoud ervan te kennen vooraleer we iets doen.
De toekomst van studentenarbeid
De verhoging van het aantal uren studentenarbeid
Toekomst studentenarbeid en -uren
Gesteld door
Gesteld aan
Pierre-Yves Dermagne (Minister van Werk en Economie)
op 24 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De discussie draait om de toekomst van studentenarbeid vanaf 2025, waar de huidige tijdelijke verhoging van 600 uren (vs. 475 uren) dreigt terug te vallen naar de oude regeling. Van Quickenborne en Ronse pleiten voor behoud of uitbreiding van de 600 uren, wijzend op het succes voor studenten, werkgevers en vaardigheidsontwikkeling, terwijl minister Dermagne benadrukt dat de evaluatie nog loopt en waarschuwt voor risico’s voor studiesucces en jongerenwerkloosheid. Concrete actie wordt gevraagd via wetsvoorstellen, met kritiek op het ontbreken van urgentie bij de regering.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, mijnheer de vice-eersteminister, studentenarbeid is populair in ons land. Sinds kort bedraagt het aantal studentenjobs meer dan een miljoen in ons land. Dat is een goede zaak. Studenten kunnen immers een cent bijverdienen, namelijk 3.000 euro gemiddeld per studentenjob. Een dergelijke job is ook belangrijk omdat studenten op die manier skills aanleren. Mijn eerste studentenjob was het vullen van cementzakken en het inpakken van matrassen. Ik weet niet wat uw eerste studentenjob was.
Studentenarbeid is ook belangrijk voor de werkgevers. Vandaag doen 72.000 zelfstandigen en ondernemers een beroep op studentenarbeid. Zij kunnen bijvoorbeeld op onregelmatige uren meer mensen inzetten, ook bijvoorbeeld bij een zondagopening, dankzij studentenarbeid.
Mijnheer de minister, dat is niet toevallig. Het succes van de studentenarbeid is er omdat de voorbije 25 jaar de studentenarbeid systematisch is versoepeld en hervormd en bepaalde zaken mogelijk zijn gemaakt. Toen ik begon in de politiek mochten studenten maximaal twintig dagen werken tijdens de zomer. Dat aantal is verhoogd en is inmiddels 600 uur geworden. Studenten kunnen gemakkelijk via de applicatie Student@Work checken hoeveel uur zij nog kunnen werken.
Er is vandaag echter ook veel onzekerheid. Iedereen stelt zich immers de vraag wat de situatie zal worden vanaf 2025. Zal de student sneller aan zijn maximumaantal uren geraken? Kan hij of zij zijn of haar studentenjob nog uitvoeren? Wordt desgevallend de kinderbijslag bedreigd?
Mijn vraag is dus heel eenvoudig.
Mijnheer de minister, wat is de situatie voor de studentenarbeid vanaf 1 januari 2025? Bent u bereid een eventueel initiatief ter zake te steunen?
Axel Ronse:
Mijnheer de voorzitter, collega's, ik heb boules de Berlin verkocht op het strand in De Haan – niet in Middelkerke, mijnheer Dedecker. Ik heb ijsjes verkocht op het strand. Ik heb in de McDonalds gewerkt. Ik heb in de Volvofabriek gewerkt.
Ik heb toen nooit begrepen waarom ik als student niet meer mocht werken, hoewel ik dat wou. Het is immers op die plaatsen dat ik mijn sociale vaardigheden heb geleerd. (Gelach) Ik weet niet waar ik ze heb afgeleerd, maar hier zal ik ze ongetwijfeld opnieuw opbouwen.
Collega’s, dit is zo belangrijk. Geen enkele student begrijpt waarom het aantal uren studentenarbeid beperkt is. Minister Dermagne, een van de weinige vivaldimaatregelen die ik fantastisch vond was de verhoging van het aantal uren studentenarbeid van 475 uur naar 600 uur.
Collega Van Quickenborne, ik begrijp niet dat de regering destijds heeft beslist om die beslissing voor slechts twee jaar te laten gelden. Vanaf 1 januari 2025 zal de oude regeling weer van kracht zijn.
Mijnheer de minister, u hebt gezegd dat u zou evalueren of de verhoging van het aantal uren studentenarbeid niet marktverstorend zou werken en een invloed zou hebben op de examenresultaten. Ik vraag u niet om nieuw beleid te voeren, behoede ons daarvoor. We vragen alleen of die evaluatie klaar is en of het klopt dat die verhoging naar 600 uur absoluut niet markt- of examenverstorend heeft gewerkt.
Voorzitter:
Dank u, collega Ronse. Ik weet niet of het door u geoogste applaus instemmend was, maar u hebt het meer dan verdiend.
Pierre-Yves Dermagne:
Mijnheer Van Quickenborne, mijnheer Ronse, dank voor uw vragen. Het was misschien wel de eerste KV Kortrijkploeg in de Kamer.
Het aantal uren dat studenten kunnen werken aan verminderde sociale bijdragen bedraagt 475 uur per jaar sinds 2017. Boven deze drempel kunnen zij natuurlijk nog steeds werken, maar dan zijn er normale bijdragen verschuldigd. Voor 2023 en 2024 heeft de vivaldiregering, mijnheer Van Quickenborne, beslist om het quotum tijdelijk te verhogen tot 600 uur per jaar. Die beslissing maakte deel uit van een groter geheel met andere dossiers en ze werd samen met de sociale partners genomen. Het komt de volgende regering met volheid van bevoegdheid toe om te beslissingen over een eventuele aanpassing van het aantal voordelige studentenuren. Om een cijfer te geven: in 2023 presteerde een student gemiddeld 216 uren. Men kan zich dus de vraag stellen of een verhoging wel nodig is, maar de vraag staat open.
Belangrijk daarbij is dat de maatregel eerst grondig wordt geëvalueerd, zoals ook voorzien in het koninklijk besluit, samen met de sociale partners. De minister van Sociale Zaken, Frank Vandenbroucke, en ik hebben onze verschillende administraties belast met de evaluatie van zowel de sociale als de werkgerelateerde aspecten. Die evaluatie wordt momenteel afgerond.
Tot slot, wil ik enkele overwegingen meegeven. Ten eerste, het is misschien gewoon een bedenking, maar studenten zijn in de eerste plaats studenten en geen reguliere werknemers. Zij moeten ook nog voldoende tijd hebben om zich aan hun studie te wijden. Ten tweede, een te genereus quotum kan ook negatieve gevolgen hebben voor de werkgelegenheidskansen van jonge werklozen die vaak laaggeschoold zijn en zelfs van jonge afgestudeerden voor wie het belangrijk is om te beginnen werken.
Vincent Van Quickenborne:
Mijnheer de minister, eerst en vooral, kijk naar de evolutie van de arbeidsmarkt. Het aantal vaste jobs groeit in ons land, het aantal flexijobs groeit in ons land en het aantal studentenjobs groeit in ons land. Wij moeten de groei ondersteunen, wij moeten hervormingen ondersteunen, wij moeten de mensen vrij laten als zij willen werken. Laat de mensen die willen werken, werken en kijk naar de mensen die niet willen werken. Dat moeten wij doen.
Er moet iets gebeuren. Collega Ronse, ik reik u de hand – wij doen dat vaak samen – om samen met andere partijen in het Parlement, zeker de hervormingspartijen, de 600 uur ook volgend jaar te garanderen. Dat mag voor mij zelfs onbeperkt zijn. Ik heb daarover een wetsvoorstel ingediend dat vorige week in overweging is genomen. Ik heb aan de voorzitter van de commissie voor Sociale Zaken gevraagd om dat met spoed te behandelen.
Voor de rest, collega's van de arizonacoalitie, maak voort. Wij zijn 137 dagen bezig. Uw coalitie is aangewezen om te starten. Ook hier dreigen studenten het slachtoffer van te worden, dus maak voort met die regering. Intussen kunnen wij mijn wetsvoorstel behandelen.
Axel Ronse:
Mijnheer de minister, ik vind uw antwoord compleet waanzinnig. U zegt dat, als men studenten 600 uur per jaar laat werken en zelf de vrije keuze laat om dat te doen, dat de examenresultaten en het welzijn in gevaar brengt. 600 uur werken, komaan! Laat ons minstens verwachten dat de studenten die keuze zelf kunnen maken, en laat ons die pampervisie op mensen en die negatieve visie over werk compleet achterwege laten. Ik zie vooral dat er nog geen evaluatie is. Per student wordt er gemiddeld 216 uur gewerkt. Het behouden of minstens het optrekken van die 600 uur wordt hier door niemand als een probleem gezien. Nochtans tikt de klok, het is bijna januari 2025. Mijn wetsvoorstel ligt klaar. Ik reken erop dat het kamerbreed wordt goedgekeurd. Op de studenten!
De islamitische oproep in Brussel om
Gesteld door
Gesteld aan
Alexander De Croo (Eerste minister)
op 17 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Sam Van Rooy hekelt het groeiende antisemitisme in België, met name de oproepen tot Jodenhaat tijdens pro-Palestijnse betogingen op 7 oktober 2024, en wijt dit aan decennia massa-immigratie van moslimfundamentalisten die hij als een herhaling van de jaren '30 bestempelt. Minister Van Tigchelt benadrukt dat oproepen tot geweld onaanvaardbaar zijn, verwijst naar verscherpte opsporing en arrestaties, en stelt zich onpartijdig op als bewaker van de rechtsstaat, zonder selectieve verontwaardiging. Van Rooy kaart aan dat 56% van Belgische moslims antisemitische opvattingen heeft en dat islamitische teksten haat tegen Joden, christenen en ongelovigen legitimeren, wat hij ziet als een gevaarlijk gevolg van onverantwoord migratiebeleid. De kern: clash over migratie, radicalisering en de grenzen van vrije meningsuiting versus haatzaaien.
Sam Van Rooy:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, voor wie het al vergeten zou zijn: op 7 oktober 2023 vond de grootste slachting van Joden plaats sinds de Holocaust. Tien dagen geleden, op 7 oktober 2024, zouden normale, fatsoenlijke mensen in dit land deze genocidale, jihadistische terreuraanslag door Hamas op het enige Joodse staatje ter wereld hebben herdacht. Helaas worden in dit land al vele decennia abnormale, onfatsoenlijke mensen binnengehaald en dit via het globalistische beleid van massa-immigratie. Ik heb het dan natuurlijk over moslimfundamentalisten, salafisten, jihadisten, Hamasaanhangers, Hezbollahaanhangers enzovoort.
Op 7 oktober 2024 kwam een massa moslims op straat in Brussel die een nieuwe holocaust wel zien zitten, ditmaal in het Midden-Oosten. Dat is nog niet alles, mijnheer Van Tigchelt. Op die Palestijns-islamitische manifestatie, nota bene op 7 oktober, werd luid opgeroepen tot het verbranden van de Joden. De geschiedenis toont aan dat de Joden de kanarie in de koolmijn zijn. Mijnheer Van Tigchelt, de jaren 30 zijn vandaag terug. De nieuwe nazi’s marcheren door onze straten. Le bruit des bottes , dames en heren.
Mijnheer Van Tigchelt, wat vindt u daarvan en wat zult u onmiddellijk ondernemen om dat gruwelijk antisemitisme te stoppen?
Paul Van Tigchelt:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer Van Rooy, het beleid van deze regering, en ook mijn beleid als minister van Justitie, tegen haat- en geweldmisdrijven is duidelijk. Er bestaat in ons land vrije meningsuiting, men mag een mening hebben over het conflict in het Midden-Oosten, maar er is een rode lijn, namelijk oproepen tot geweld. Dat tolereren we niet.
Sinds de uitbraak van het conflict, intussen meer dan een jaar geleden, zien we effectief een toename in het aantal dreigingsincidenten. Dat blijkt uit de rapporten van het OCAD. Er zijn inderdaad ook veel dreigingsincidenten met een antisemitische drijfveer. Onze richtlijnen ter zake zijn verscherpt. Onze diensten laten niet betijen.
De voorbije maanden werden al meermaals personen gearresteerd die dreigden met geweld ten aanzien van mensen uit de Joodse gemeenschap. Die dreiging is inderdaad niet gaan liggen, ze blijft actueel. Ook de vermeende feiten waarnaar u verwijst in uw vraag, worden bekeken en geanalyseerd door de diensten.
Laat mij over één zaak duidelijk zijn, collega Van Rooy: ik sta aan de kant van de slachtoffers, ongeacht hun geloof of afkomst. Ik sta aan de kant van de wet, als minister van Justitie. Ik ben niet selectief in mijn verontwaardiging. Oproepen tot geweld jegens een hele bevolkingsgroep is onaanvaardbaar. Dat tolereren wij niet in onze rechtsstaat. Dat tolereren wij nooit.
Sam Van Rooy:
" Never again is now ", zo klonk het op de internationale herdenkingsdag voor de Holocaust op 27 januari, maar vervolgens werd bij een Palestijns-islamitische manifestatie in Brussel opgeroepen om de Joden te verbranden. Mijnheer Van Tigchelt, volgens onderzoek heeft ruim de helft van de Belgische moslims – dat zijn er 400.000, twee keer de stad Brussel – antisemitische denkbeelden. De Koran is minstens even antisemitisch als Mein Kampf . Volgens de Koran en de Hadith zijn ook christenen en ongelovigen minderwaardige wezens die moeten worden onderdrukt en gedood. Dat is de cultuur die u massaal blijft importeren en faciliteren, de cultuur die hier jarenlang, decennialang gedoogd is. Dat is beschamend, dat is levensgevaarlijk, dat is een schande.
De uitspraken van het staatshoofd van Vaticaanstad
De uitspraken van de paus over de Belgische wetgeving inzake zwangerschapsafbreking
De uitspraken van de paus over vrijwillige zwangerschapsafbreking
Het bezoek en de uitspraken van de paus
Uitspraken paus, Vaticaanstad, abortuswetgeving België
Gesteld door
Ecolo
Sarah Schlitz
Open Vld
Katja Gabriëls
MR
Charlotte Deborsu
PS
Caroline Désir
Gesteld aan
Hadja Lahbib (Minister van Buitenlandse Zaken, Europese Zaken, Buitenlandse Handel en Federale Culturele Instellingen), Alexander De Croo (Eerste minister)
op 3 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Tijdens het bezoek van de paus aan België veroorzaakte hij opschudding door abortuswetten "moorddadig" en artsen "huurmoordenaars" te noemen, vrouwenrechten te denigreren (o.a. *"het is lelijk als een vrouw een man wil zijn"*) en zich onacceptabel te bemoeien met Belgische democratische wetgeving. Premier De Croo veroordeelde de uitspraken scherp, bevestigde de scheiding kerk-staat, riep de pauselijke nuntius op het matje en benadrukte respect voor vrouwenautonomie en medische beroepsethiek. Parlementsleden drongen aan op versterking van abortusrechten (o.a. verlenging termijn) en constitutionele verankering van staatsneutraliteit, terwijl ze de inmenging van conservatieve externe krachten in Belgische debatten afwezen. De maatschappelijke verontwaardiging (o.a. van universiteiten en slachtoffers van kerkelijk misbruik) onderstreepte de nood aan verdediging van seculiere waarden en gendergelijkheid.
Sarah Schlitz:
Monsieur le président, chers collègues, j'aurais moi aussi voulu pouvoir poser ma question à la ministre des Affaires étrangères. Même en affaires courantes, même en partance pour la Commission européenne, c'est en effet toujours elle qui est responsable de la diplomatie belge. En son absence, je vous adresserai mes questions, monsieur le premier ministre.
Le week-end dernier, la Belgique a accueilli le chef d'État du Vatican. Cette visite était très attendue par les victimes de violences sexuelles. Mais, visiblement, le pape avait un double agenda pour cette visite officielle. Cela n'a échappé à personne, cette visite a été ponctuée de propos problématiques sur les femmes et leurs droits.
Il a ainsi estimé que les lois qui permettent l'avortement sont des lois "criminelles" et que les médecins qui les pratiquent sont des " sicarii ", des tueurs à gages. Une provocation totalement déplacée, le jour de la Journée internationale pour le droit à l'avortement. Par ailleurs, à travers ces propos, il décide de s'immiscer dans un débat national qui fait l'objet de discussions intenses au Parlement fédéral. C'est totalement inacceptable!
Il a aussi promu une vision plus que dépassée de la femme, estimant que "la femme est accueil fécond, soin et dévouement vital". Je ne comprends pas très bien ce que cela veut dire, mais, dans l'idée, cela me semble extrêmement problématique. Il a aussi ajouté que "c'est moche quand la femme veut faire l'homme". Je vais m'en tenir là sur les propos du pape, qui m'ont choquée et ont choqué de nombreux Belges, bien au-delà des convictions philosophiques et religieuses.
Le recteur de la VUB estime que ces propos relèvent de l'incitation à la haine et qu'il s'agit donc d'un grave incident diplomatique.
Monsieur le premier ministre, que pensez-vous des propos tenus par le chef d'État du Vatican? Ne trouvez-vous pas que cette séquence implique une ingérence inacceptable dans les lois de notre pays? La ministre des Affaires étrangères va-t-elle convoquer le nonce apostolique?
Katja Gabriëls:
Mijnheer de eerste minister, vorige week was de paus inderdaad, na 29 jaar, nog eens terug in ons land. Er werd door velen naar dat bezoek uitgekeken. De paus ging namelijk 15 slachtoffers van seksueel misbruik ontmoeten. Er was echt wel nood aan een signaal, want het seksueel misbruik binnen de kerk en de totaal ontoereikende reactie vanuit Rome hebben in ons land voor veel leed gezorgd. Dat leed is er vandaag nog steeds.
Mijnheer de eerste minister, u gaf een opgemerkte speech. U hebt het voor de slachtoffers opgenomen en hebt hun een stem gegeven. Wij vroegen een signaal en wij hebben er ook een gekregen – helaas, zou ik zeggen. In een eerste aanval op de abortuswet prees de paus koning Boudewijn voor zijn moed bij het verzet tegen "een moorddadige wet". Dat blijkt zelfs voldoende te zijn voor een zaligverklaring. Daarmee was de kous echter nog niet af. Op de terugvlucht naar Rome was het opnieuw raak: "Abortus is moord en artsen die de ingreep uitvoeren, zijn huurmoordenaars", zei de paus.
Collega's, dat is geen mening, dat is gewoon waanzin. Artsen zijn geen misdadigers, de vele geestelijken die mensen seksueel hebben misbruikt zijn dat wel. Woorden doen er echt wel toe. De paus mag vinden wat hij wil – meningen zijn vrij in dit land – maar hij heeft zich niet te moeien met democratisch gestemde wetten. Daar stopt het en daar zat ook niemand op te wachten, trouwens.
Als staatshoofd moet men respect hebben voor een democratie, maar voor mij vooral respect voor mannen en vrouwen die hun job uitoefenen, respect voor vrouwen die in dit land zelf keuzes kunnen maken.
Mijnheer de eerste minister, zult u nog actie ondernemen om dit staatshoofd ter verantwoording te roepen?
Charlotte Deborsu:
Mijnheer de eerste minister, chers collègues, la visite pontificale est désormais terminée. Elle aura bien fait du bruit, on l’a entendu.
En tant que jeune députée, je peux le dire, j’ai été profondément choquée par les propos du pape, en particulier: "La femme reste une femme. C’est moche, une femme qui fait l’homme."
J’imagine que je dois avoir bien l’air moche aux yeux du pape en ce moment même, vu que, à l’époque, devant cette tribune, seuls les hommes pouvaient défiler. Je n’aurais certainement pas droit à l’avortement si le pape était notre premier ministre. Heureusement, ce n’est pas le cas.
Jamais je n’aimerais que la religion ne s’immisce dans la gestion de l’État.
Monsieur le premier ministre, j’aimerais dès lors être rassurée. Pouvez-vous me confirmer que, pour le gouvernement, la séparation entre les Églises et l’État reste fondamentale, pour quelque religion que ce soit?
Caroline Désir:
Monsieur le président, monsieur le premier ministre, chers collègues, "une loi meurtrière", "des tueurs à gages": voilà les propos tenus par un chef d’État au sujet de notre loi sur l’avortement et des médecins qui le pratiquent.
Un chef d’État en visite officielle dans notre pays, mais un chef d’État visiblement venu avec une double casquette, voire une double calotte. On peut légitimement se demander, monsieur le premier ministre, à qui la Belgique a déroulé le tapis rouge: à un chef d’État ou plutôt à un chef religieux?
Pour moi, en tout cas, la réponse est claire: vous avez accueilli un chef religieux qui a instrumentalisé sa visite pour déverser ses positions les plus rétrogrades et patriarcales au sujet des femmes.
Les propos qui ont été tenus sont une insulte aux femmes et à leurs libertés. Ils sont une injure aux médecins et à leur déontologie. Comme femmes, nous refusons d’être réduites aux fonctions "d’accueil fécond, soin et dévouement vital". Ces propos sont abjects et ils sont véritablement du pain bénit pour les thèses des partis d’extrême droite et des partis les plus conservateurs.
Pour moi, ces provocations sont délibérément politiques et destinées à peser sur l’opinion du monde entier, au moment où on sait que l’IVG est menacée partout, même chez nous, et quand on sait que l’émancipation des femmes reste un enjeu partout, même chez nous. Cette visite aura été une véritable croisade contre les femmes.
Monsieur le premier ministre, aucun chef d'État n'aurait pu s'immiscer ainsi dans notre vie démocratique, dans nos valeurs fondamentales sans susciter les plus vives réactions politiques. Avez-vous dès lors demandé à votre ministre des Affaires étrangères de convoquer le nonce apostolique pour dénoncer les propos du chef de l'Église?
Alexander De Croo:
La visite du pape François avait été préparée par les services des Affaires étrangères, par le Palais, par les universités de Louvain et par la nonciature. Le programme officiel avait été établi quelques semaines à l'avance, mais aucune visite de la crypte de Laeken n'était prévue.
Selon mes informations, c'est le pape qui, lui-même, a insisté pour avoir cette visite de dernière minute afin de pouvoir se recueillir sur la tombe du roi Baudouin. J'ai été informé après coup du fait que cette visite avait eu lieu. On m'a expliqué que cette visite était purement privée. Je prends acte du fait qu'après cette visite, il y a eu des communications officielles du côté du Vatican. Il s'agissait donc clairement d'une visite un peu moins privée que prévu.
De paus heeft inderdaad een aantal verklaringen gedaan die niet aanvaardbaar zijn. Hij zei dat artsen die abortus uitvoeren huurmoordenaars zijn. Hij zei letterlijk dat de wet uit 1990 een moorddadige wet is. Dat een buitenlands staatshoofd zulke verklaringen doet over democratische besluitvorming in ons land, is volstrekt onaanvaardbaar. Wij hebben geen lessen te krijgen over hoe onze parlementsleden op democratische wijze over wetten stemmen. De tijd dat de kerk in ons land de wet dicteerde, ligt gelukkig lang achter ons.
Ik vraag respect. Respect voor artsen die hun job uitoefenen, in eer en geweten, binnen een wettelijk kader. Over dat wettelijk kader wordt trouwens gedebatteerd in de Kamer, om te bekijken of dat kan worden uitgebreid. Ik ga er dan ook van uit dat die debatten ook zullen kunnen plaatsvinden zonder inmenging van de kerk. Ik vraag ook respect voor vrouwen, die vrij moeten kunnen beslissen over hun eigen lichaam. Dat moet ook gebeuren zonder inmenging van de kerk.
Ik heb de pauselijke nuntius dan ook uitgenodigd voor een gesprek. Het is trouwens niet de eerste keer dat ik dat doe. Ik heb dat vorige legislatuur twee keer gedaan met betrekking tot de zaak-Vangheluwe. Ook nu zal mijn boodschap aan de pauselijke nuntius bijzonder duidelijk zijn. Hetgeen daar gebeurd is, is onaanvaardbaar.
Als er ergens verontwaardiging over moet zijn, dan is het over degenen die feiten van seksuele intimidatie hebben laten plaatsvinden, degenen die niet opgetreden hebben op het moment dat men had moeten optreden. Daaromtrent moet er verontwaardiging zijn en niet ten opzichte van degenen die hun job uitvoeren in eer en geweten en binnen de wetten waarover democratisch werd beslist.
Sarah Schlitz:
Merci monsieur le premier ministre pour vos propos très clairs.
J'aimerais m'adresser maintenant à messieurs les présidents qui négocient en ce moment un accord de majorité pour les cinq prochaines années. Messieurs Bouchez, Mahdi et Prévot, alors même que des chefs d' É tats étrangers se permettent d'intervenir dans nos débats sur le corps des femmes et qu'une étude a montré cette semaine encore à quel point des mouvements étrangers conservateurs s'immiscent de plus en plus dans notre débat démocratique, ne voyez-vous pas l'urgence d'avancer pour légiférer afin de bétonner et étendre notre droit à l'IVG? Plus globalement, je compte aussi sur votre maturité pour poursuivre le travail que nous avons engagé avec la Vivaldi pour garantir à chacune et à chacun les mêmes chances et opportunités.
Katja Gabriëls:
Mijnheer de premier, dank u voor uw duidelijke woorden. Het is inderdaad echt nodig dat ons land officieel reageert. De paus heeft de focus tijdens zijn bezoek wel handig verlegd.
Het moet duidelijk zijn. Wij aanvaarden hier niet dat artsen als huurmoordenaars worden weggezet, artsen die elke dag zorg dragen en hulp bieden aan vrouwen in hun meest kwetsbare positie. Wij aanvaarden niet dat parlementsleden als criminelen worden weggezet omdat ze 34 jaar geleden al in een democratisch verkozen parlement een volledig legitieme wet hebben goedgekeurd, een wet die ervoor zorgt dat in ons land dagelijks talrijke vrouwen in zeer moeilijke situaties kunnen worden geholpen.
Ik wil hier vandaag de moed van iemand anders prijzen, voor haar inzet en volharding, jaren geleden. Mevrouw Herman-Michielsens, dank u wel, oprecht dank u wel, in de naam van heel veel vrouwen in dit land.
Charlotte Deborsu:
Je vous remercie pour vos éclaircissements, monsieur le premier ministre. Vu la polémique que cela soulève, notre groupe estime urgente l'inscription de la neutralité de l'État dans la Constitution. Nous tenons également à rappeler toute l'importance de la défense des droits des femmes. C'est pour cette raison que nous réaffirmons notre volonté de remettre sur la table des négociations le prolongement du délai pour l'avortement.
Voorzitter:
C’était la première prise de parole de Mme Deborsu dans cet hémicycle. (Applaudissements)
Caroline Désir:
Merci, monsieur le premier ministre, d'avoir condamné, dans cet hémicycle, de manière extrêmement claire, les propos qui ont été tenus par le pape le week-end dernier. Je veux en profiter pour saluer les réactions vives émanant de la société civile. Le monde académique, l'Université catholique de Louvain en tête, s'est indigné. La presse s'est également indignée. Les droits des femmes ne sont pas affaire de religion. C'est ici, au cœur de la démocratie, que les droits des femmes doivent être protégés et défendus contre des attaques toujours plus virulentes, qu'elles viennent d'hommes religieux ou d'hommes politiques, comme nous l'avons encore vécu en commission la semaine passée, sur injonction de cinq présidents de partis masculins.
De situatie in het penitentiair schoolcentrum van Marneffe
Gesteld door
Gesteld aan
Paul Van Tigchelt (Minister van Justitie en Noordzee)
op 2 oktober 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
De prison semi-open van Marneffe, oorspronkelijk bedoeld voor réinsertie van lichtgevaarlijke gevangenen, kampt met veiligheidsrisico’s doordat door overbevolking nu ook zware criminelen, verslaafden en psychiatrische patiënten worden geplaatst—zonder aangepaste infrastructuur (geen tralies, blinddeuren) of getraind personeel. Minister Van Tigchelt ontkent overbevolking (132/141 plaatsen) en structuurwijzigingen, maar belooft betere spreiding via screenings en nieuwe transitiehuizen (zoals in Enghien), zonder concrete oplossingen voor Marneffes escalerende incidenten (vluchten, drugs, geweld). Delcourt blijft kritisch: de réinsertiedoelstelling wordt ondermijnd door onnodige risico’s voor zowel gedetineerden als bewakers.
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, la situation au centre pénitentiaire de Marneffe, situé près de Huy, devient particulièrement préoccupante. Le jeudi 19 septembre, un détenu s'est évadé de cet établissement, suscitant de vives inquiétudes parmi les riverains. Ce centre pénitentiaire, initialement destiné à accueillir des détenus en fin de peine et travaillant à leur réinsertion, est désormais contraint de recevoir des détenus présentant des profils dangereux mais également des toxicomanes ou encore des personnes nécessitant des soins psychiatriques.
La prison de Marneffe est pourtant conçue pour être un établissement semi-ouvert destiné aux détenus engagés dans un parcours de réinsertion. Ces détenus y suivent des formations et effectuent des stages à l'extérieur.
En raison de la surpopulation carcérale, des détenus sans plan de détention ni de réinsertion sont désormais transférés dans cette prison ouverte, perturbant ainsi son fonctionnement. Le bâtiment lui-même n'est pas adapté à ces nouveaux profils: il manque de dispositifs de sécurité essentiels comme des barreaux aux fenêtres, des portes blindées, des rondes régulières et des soins psychiatriques. De plus, les agents pénitentiaires, qui ne sont pas formés à traiter avec ces profils spécifiques, se retrouvent souvent en difficulté.
Ce changement dans la population carcérale a engendré une recrudescence d'incidents graves tels que des incendies, des agressions, des évasions fréquentes (environ une tous les trois mois) et une augmentation massive de l'introduction de drogues. Cette situation provoque de fortes tensions au sein de l'établissement, met en danger tant les agents que les détenus et compromet la réinsertion des personnes en fin de peine.
Monsieur le ministre, face à cette situation alarmante, je souhaite vous poser les questions suivantes. Pourquoi des détenus avec des profils qui semblent inadaptés pour ce centre sont-ils transférés à la prison de Marneffe? N'existe-t-il pas d'autres alternatives plus adaptées? Est-il prévu d'adapter la structure de l'établissement de Marneffe pour faire face à cette nouvelle population carcérale et assurer la sécurité tant des agents que des détenus? Quelles mesures concrètes sont prévues pour lutter contre la surpopulation carcérale et améliorer la gestion des transferts afin que l'objectif de réinsertion poursuivi notamment à la prison de Marneffe ne soit pas dénaturé?
Paul Van Tigchelt:
Madame Delcourt, la prison de Marneffe peut accueillir tous les types de profils. L’établissement de Marneffe, son infrastructure, son régime ainsi que les opportunités de formation représentent une étape intéressante dans le parcours en détention des détenus.
Il n’y a donc pas de critère d’exclusion a priori , mais il s’agit bien de déterminer le moment opportun pour une orientation vers cet établissement. Un screening est effectué pour chaque demande de transfert. Lors de ce screening , le risque d’évasion est analysé.
S'agissant de votre deuxième question, actuellement, aucune adaptation de la structure de la prison de Marneffe n’est envisagée. Cependant, une réflexion continue est menée au sein de l’administration pénitentiaire en général afin de gérer au mieux la répartition des détenus au sein des différents établissements pénitentiaires. Il y en a 36 dans notre pays.
S'agissant de votre troisième question, je voudrais préciser que l’établissement de Marneffe n’est pas surpeuplé. Il y a 132 détenus pour une capacité de 141 détenus. Son objectif de réinsertion n’est donc pas remis en question.
D’une manière générale, comme je l’ai déjà fait aujourd'hui, je me réfère au débat d’actualité du 18 septembre. Je me réjouis, chers collègues, car hier, nous avons ouvert une première maison de transition en Wallonie, à Enghien. L’infrastructure était moderne. J’ai rencontré des détenus. J'espère que nous pourrons continuer avec l’ouverture de des maisons de transition et des maisons de détention.
Catherine Delcourt:
Monsieur le ministre, je vous remercie pour vos réponses. Il est vrai que la surpopulation carcérale est un problème de taille, qu’il faut résoudre. Je comprends tout à fait que certaines solutions ne soient pas toujours aussi simples à trouver. Néanmoins, le fait que Marneffe accueille des détenus avec un profil neuf, qui soulèvent de nouveaux enjeux à l’intérieur de cet établissement, doit continuer à attirer notre attention. Je trouve regrettable que cette nouvelle population carcérale vienne perturber le processus de réinsertion d’individus qui sont plus adaptés au fonctionnement d’un établissement ouvert. Je prends bonne note des solutions que vous venez d’évoquer et d’envisager.
Het bezoek van de paus te Laken en zijn ontmoeting met de eerste minister
Het bezoek van de paus aan ons land
Het bezoek van de paus
Pausbezoek aan België
Gesteld door
Gesteld aan
Alexander De Croo (Eerste minister)
op 26 september 2024
Bekijk antwoord
AI Samenvatting Deze samenvatting werd gegenereerd door een LLM (large language model). De samenvatting bevat dus geen uitspraken van echte mensen. De inhoud kan foutief zijn en/of aan nuanceverlies lijden ten opzichte van de originele tekst. De volledige discussie is te vinden onder de samenvatting.
Tijdens het bezoek van de paus aan België benadrukken parlementsleden de noodzaak van concrete actie voor slachtoffers van seksueel misbruik in de Kerk: echte excuses, justitiële vervolging van daders, en een herstelfonds voor financiële en therapeutische steun. Premier De Croo belooft een duidelijke boodschap aan de paus, maar concrete maatregelen blijven vaag; hij wijst op de unanieme oprichting van een onderzoekscommissie als teken dat de Kerk niet boven de wet staat. Slachtoffers en politici eisen meer dan symbolische gebaren—zoals het schrappen van een lied door een pedofiele priester—en dringen aan op structurele verantwoordelijkheid, waaronder erkenning van systeemfalen en materiële compensatie. De spanning tussen kerkelijke traditie en liberale waarden (holebi-rechten, vrouwenrechten) wordt benadrukt, met de vraag of de paus daadwerkelijk breekt met het verleden.
Patrick Prévot:
Monsieur le premier ministre, il vous reviendra l’honneur – ou en tout cas la responsabilité – d’accueillir le pape tout à l’heure. Le pape a été invité aux 600 ans de l’Université de Louvain à la suite d’une invitation transmise par le roi Philippe lors d’un de ses déplacements privés. Force est de constater que la visite du pape crée une certaine effervescence au sein de la communauté catholique de Belgique, et même, peut-être, au sein de la population.
Un pape qui sera accueilli en grandes pompes. 6Alors certes, il s’agit d’un chef spirituel ainsi que d’un chef d’ É tat, mais je ne vous cache pas que j’ai été quelque peu étonné en découvrant l’invitation du Palais aux corps constitués à Laeken, où nous avons appris que Sa Sainteté allait délivrer un message à l’ É tat. J’ai quand même l’impression que les principes de la séparation des pouvoirs n’ont pas tout à fait été respectés.
Je vous rassure, tel ne sera pas l’objet de ma question, monsieur le premier ministre. J’ai appris que vous devrez également prendre la parole devant cette assemblée. Pour moi, pour nous, ce sera l’occasion de délivrer un message fort au chef de l’ É glise sur l’horreur des crimes commis par des pédophiles au sein de son institution, partout dans le monde mais singulièrement en Belgique. Un message fort sur les vies gâchées, brisées, de centaines de victimes que nous qualifions aujourd’hui de survivants.
Un message fort au chef de l’ É glise, qui a permis et qui permet encore une certaine forme d’impunité des prêtres, des moines et des abbés qui ont violé des enfants, et ce en toute impunité, et qui, parfois, ont reçu comme sanction ultime d’avoir été déplacés à l’étranger ou changés de diocèse. Dès lors, monsieur le premier ministre, aujourd’hui, l’ É glise doit dénoncer ces criminels à la justice dès qu’elle en est informée, dès qu’elle le soupçonne, mais elle doit aussi faire plus que dire pardon, elle doit être aux côtés des victimes.
Ma question est donc simple: allez-vous exiger que soient prises des mesures concrètes pour prévenir de tels abus, garantir que leurs auteurs (…)?
Irina De Knop:
Mijnheer de eerste minister, de paus brengt een vierdaags bezoek aan ons land en het is een beladen bezoek. Dat is misschien zelfs een understatement, want gelet op de manier waarop de kerk in het verleden is omgegaan met slachtoffers van seksueel geweld ligt dat zeer gevoelig. Godvergeten zit nog vers in ons geheugen. De pijn en het leed dat de slachtoffers van seksueel geweld in de kerk hebben gevoeld, snijdt door merg en been.
Mijnheer de eerste minister, net daarom is het van belang dat de paus morgen een belangrijk signaal geeft en dat hij zijn oprechte excuses uitspreekt ten aanzien van de slachtoffers van seksueel geweld. Alleen wanneer dat gebeurt, kan de pijn die vele van deze slachtoffers hebben geleden echt geheeld worden.
Mijnheer de eerste minister, België is een liberaal land, met belangrijke liberale waarden en normen. De manier waarop de kerk, zeker in het verleden, keek naar holebirechten, naar de rechten van vrouwen en mensen in het algemeen, strookt niet met deze liberale waarden en normen.
Daarom wil ik u vragen om de paus, wanneer u hem morgen ziet, te herinneren aan die liberale waarden en normen, maar ook en vooral om hem duidelijk te maken hoe verstrekkend de gevolgen zijn van die wandaden uit het verleden en om hem te vragen om namens het instituut kerk excuses aan te bieden.
Greet Daems:
Vandaag komt de paus op bezoek in België. Dat is een belangrijk moment voor de vele gelovigen in ons land. Het is ook een heel belangrijk moment voor de vele slachtoffers van seksueel misbruik binnen de kerk.
Dankzij de reeks Godvergeten werd het jarenlange misbruik opnieuw in de schijnwerkers gezet. Uit die reeks bleek dat duizenden kinderlevens werden vernield, maar vooral ook dat er straffeloosheid was voor de daders. De daders werden overgeplaatst, waardoor zij nog meer slachtoffers konden maken. De kerk had een systeem dat de daders keer op keer beschermde. Tot vandaag stond zelfs een lied van een pedofiele priester op het programma van de eucharistieviering van volgende zondag in het Koning Boudewijnstadion.
Dat toont aan hoe wijdverspreid het probleem is, maar er verandert blijkbaar niets. Vanochtend hoorde ik aartsbisschop Terlinden nog op de radio zeggen dat, als hij een overlever ontmoet, hij hem excuses aanbiedt. Dat zijn mooie woorden, maar mooie woorden en excuses zijn lang niet genoeg. Excuses dekken de kosten van een gebroken leven niet.
Toch is dit wat we weken aan een stuk gehoord hebben van de getuigen in de onderzoekscommissie. Vele slachtoffers komen niet rond aan het einde van de maand. Zij leven in armoede. Soms moeten zij letterlijk kiezen tussen brood en therapie. Daar draait het om. Mijnheer de eerste minister, als de excuses echt gemeend zijn, moet er een herstelfonds komen. Dan kunnen de slachtoffers eindelijk financieel geholpen worden en kunnen onder andere de kosten van hun therapie gedekt worden. Het wordt tijd dat de kerk de kant van de slachtoffers kiest en de daad bij het woord voegt.
Ik heb dan ook maar één vraag voor u, mijnheer de eerste minister: zult u er voor zorgen dat dat herstelfonds er eindelijk komt?
Alexander De Croo:
Collega's, vandaag komt de paus in ons land aan voor wat men een apostolisch bezoek noemt. Dat gaat trouwens gepaard met een zeer grote logistieke en veiligheidsoperatie, waarbij bijzonder veel overheidsdiensten betrokken zijn. Ik zou hen in naam van velen willen bedanken voor de zeer grote inspanningen die worden gedaan om dat bezoek in goede banen te leiden.
Mais cette visite revêt aussi une dimension politique et sociale tout à fait évidente. L'Église catholique, que le pape représente, incarne aussi la foi, qui occupe une place importante dans la vie de certains de nos compatriotes. J'ai autant de respect pour cette conviction que j'en ai pour toutes les autres.
Het bezoek komt op een moment waarop de katholieke kerk het onderwerp van een zeer breed maatschappelijk debat is. De Kamer zal vandaag trouwens een onderzoekscommissie oprichten die het werk met betrekking tot misbruik in de kerk uit de vorige legislatuur zal voortzetten. De oprichting van die onderzoekscommissie zal hier in de Kamer zeer waarschijnlijk unaniem gebeuren. Dat is een krachtig signaal van een democratisch land, een seculier land, dat duidelijk aangeeft dat niemand boven de wet kan staan.
Het bezoek is zeer belangrijk voor veel gelovigen in ons land. Velen verwachten echter vooral dat er een krachtig signaal komt. Vooral slachtoffers van seksueel misbruik en slachtoffers van gedwongen adoptie verwachten dat er nu een krachtig signaal zal komen. Ik wil dat hun stem wordt vertolkt. Zij verwachten iets van de kerk als instituut, zij verwachten dat er niet langer wordt gezwegen. Ik kijk samen met velen anderen, vooral de slachtoffers, uit naar de boodschap die de paus daaromtrent zal brengen.
Et je nourris les attentes et les espoirs à cet égard. Cette visite constitue ou peut constituer une étape décisive, y compris pour ces victimes. Cela suppose que soient annoncés des actions concrètes et des engagements concrets.
Net omdat dat bezoek past in de politieke en maatschappelijke dimensie die ik daarnet heb geschetst, zal ik morgen na de Koning ook het woord nemen in het paleis, vóór de paus het woord zal nemen. Mijn boodschap zal bijzonder duidelijk zijn, maar sta mij toe die voor morgen te bewaren, zodat ik ze eerst aan de paus kan brengen.
Patrick Prévot:
Monsieur le premier ministre, je vous remercie pour votre réponse. Comme vous l'avez dit, cet après-midi, le Parlement mettra sur pied une nouvelle commission d'enquête sur les abus sexuels commis dans l'Église.
Je comprends que vous réserviez la teneur de vos propos à cette assemblée. Nous comptons cependant sur vous pour faire passer au pape mais également aux invités du roi un message très fort. Ce silence criminel, cette complicité de l'Église doivent être dénoncés et les criminels doivent être condamnés. Mais, surtout, au nom des victimes et de leur famille, au nom de ces centaines de vies brisées, il faut – je vous ai entendu – des actions concrètes pour empêcher de tels actes à l'avenir et entendre les revendications des victimes. Elles sont multiples: prendre en charge des soutiens thérapeutiques et psychologiques ainsi que les soins médicaux, réparer les préjudices moraux et physiques, etc. Monsieur le premier ministre, j'espère que vous ne louperez pas l'occasion de faire passer ce message important.
Irina De Knop:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord.
Er wordt hier een beetje meewarig over gedaan, maar ik denk oprecht dat excuses namens zo'n instituut van fundamenteel belang zijn voor de slachtoffers van het seksueel geweld. Ik hoop oprecht dat u de kerkvader duidelijk kunt maken dat dit belangrijk is en dat hij op dit verzoek zal willen ingaan.
Tot slot wil ik ook meegeven dat de fractie van Open Vld bijzonder opgetogen is over het feit dat die onderzoekscommissie opnieuw wordt opgericht, waarbij de onderste steen wordt bovengehaald, zodat gerechtigheid geschiedt en mensen in hun lijden worden erkend.
Voorzitter:
Ik dank mevrouw De Knop voor een eerste van ongetwijfeld vele interessante tussenkomsten in dit Parlement.
(Applaus)
(Applaudissements)
Greet Daems:
Mijnheer de eerste minister, ik dank u voor het antwoord, maar ik wil vooral de slachtoffers, de overlevers, bedanken voor hun moed en voor het feit dat ze keer op keer blijven strijden voor gerechtigheid en erkenning en ook de groep Mensenrechten in de kerk. Met bedankingen en excuses alleen zullen we er echter niet komen. U zei het daarnet zelf al, er moet een krachtig signaal vanuit de kerk komen, maar daarnaast ook een krachtig signaal vanuit de politiek. Dat hebt u echter niet gezegd. Het is onze verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat de slachtoffers eindelijk financieel geholpen worden. Het is een schande dat dit nog steeds niet is gebeurd. Ik richt mij bij deze tot het volledige halfrond. Ik roep iedereen op om er mee voor te zorgen dat het herstelfonds er eindelijk komt. De slachtoffers hebben al lang genoeg gewacht.
Wetsontwerp betreffende de financiële ondersteuning van sommige buitenlandse militairen die een opleiding volgen aan een Belgische militaire onderwijsinstelling
Wetsontwerp aangenomen op 4 december 2025
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 18 maart 1838 houdende organisatie van de Koninklijke Militaire School
Wetsontwerp aangenomen op 4 december 2025
Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School Wetsontwerp ter aanpassing van het statuut en de bezoldiging van leraren aan de Koninklijke Militaire School
Wetsontwerp aangenomen op 13 november 2025
Wetsontwerp tot uitlegging van de artikelen 1, 3, 8, 10 en 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek Wetsontwerp ter verduidelijking van bepalingen rond parlementair onderzoek in de wet van 1880
Overgezonden Ontwerp aangenomen op 6 november 2025
Wetsvoorstel tot uitlegging van de artikelen 1, 3, 8, 10 en 13 van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek Wetsontwerp ter verduidelijking van specifieke artikelen over procedures bij parlementair onderzoek
Wetsvoorstel zonder onderwerp
Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 3 mei 1880 op het parlementair onderzoek, teneinde een wettelijk mechanisme in te voeren voor de declassificatie van geheime gegevens
Wetsvoorstel aangenomen op 6 november 2025
Voorstel van resolutie betreffende het kwalificeren van het Islamitische Revolutionaire Garde Korps (IRGC) van Iran als een terroristische organisatie
Voorstel van resolutie aangenomen op 17 juli 2025
Voorstel van resolutie betreffende de herinneringseducatie en de burgerschapsvorming inzake het Belgisch verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog
Voorstel van resolutie aangenomen op 10 april 2025
Voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met een onderzoek naar de vertragingen bij de werkzaamheden aan het station van Bergen, de desbetreffende budgetoverschrijdingen, de door het Rekenhof gedane vaststellingen en de rol en de aansprakelijkheid van de projectverantwoordelijken binnen de bij dit project betrokken organen Wetsontwerp ter oprichting parlementaire onderzoekscommissie naar vertragingen en budgetoverschrijdingen station Bergen.
Voorstel tot onderzoekscommissie verworpen op 3 april 2025
Voorstel tot oprichting van een parlementaire onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar mogelijke disfuncties in het strafrechtelijk onderzoek 'Operatie Kelk'
Voorstel tot onderzoekscommissie aangenomen op 26 september 2024